Sportage III - Automobiel KIA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Sportage III KIA in PDF-formaat.
| Producttype | Auto (SUV) |
| Merk | Kia |
| Model | Sportage III |
| Generatie | Derde generatie (2010-2015) |
| Afmetingen (L x B x H) | 4.440 x 1.855 x 1.635 mm |
| Wielbasis | 2.640 mm |
| Ledig gewicht | ~1.500 kg (varieert per motor) |
| Brandstoftankinhoud | 58 liter (benzine) / 55 liter (diesel) |
| Motoropties | 2.0L Benzine (156 pk), 2.0L Diesel (136 pk) |
| Transmissie | 6-versnellings handmatig of 6-versnellings automatisch |
| Aandrijving | Voorwielaandrijving of vierwielaandrijving |
| Zitplaatsen | 5 |
| Veiligheidssystemen | ABS, ESC, voor- en zij-airbags, hellingstartassistentie |
| Belangrijkste kenmerken | Airconditioning, cruisecontrol, Bluetooth-connectiviteit, schuifdak (optioneel) |
| Aanbevolen olie | 5W-30 of 5W-40, API SN of ACEA C3 |
| Olieverversingsinterval | Elke 15.000 km of 12 maanden |
| Beschikbaarheid onderdelen | Beschikbaar bij Kia-dealers en erkende servicecentra |
| Reparatiedocumentatie | Gebruikershandleiding inbegrepen; servicehandleiding apart verkrijgbaar |
| Algemene informatie | Deze handleiding behandelt bediening, onderhoud en veiligheidsinstructies |
Veelgestelde vragen - Sportage III KIA
Gebruikersvragen over Sportage III KIA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Sportage III - KIA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Sportage III van het merk KIA.
GEBRUIKSAANWIJZING Sportage III KIA
Instructie en gebruikershandleiding
KIA SPORTAGE III

Hartelijk dank voor de aanschaf van een nieuwe Kia.
Als wereldwijde autofabrikant die zich richt op het bouwen van kwalitatief hoogwaardige auto's voor een betaalbare prijs, doet Kia Motors er alles aan om u meer service te bieden dan u verwacht en de klanten een prettige ervaring te geven.
Bij onze Kia-dealerbedrijven zult u de "Family-like Care"-belofte ervaren, die u een gevoel van warmte, gastvrijheid en vertrouwen geeft; het gevoel dat er voor u wordt gezorgd door mensen die om u geven.
Alle informatie in dit instructieboekje was actueel ten tijde van de druk. Kia behoudt zich echter te allen tijde het recht voor wijzigingen door te voeren, zodat ons beleid van continue productverbetering kan worden uitgevoerd.
Dit instructieboekje is van toepassing op alle Kia-modellen en bevat beschrijvingen van en uitleg over opties en de standaarduitrusting. Hierdoor staan in dit instructieboekje mogelijk zaken beschreven die niet van toepassing zijn op uw Kia.
Geniet van uw auto & ervaar Kia "Family-like Care"!
Hartelijk dank voor het kiezen van een KIA.
Onthoud dat voor onderhoud uw dealer de aangewezen persoon is. Uw dealer heeft door de importeur getrainde monteurs in dienst, beschikt over de aanbevolen speciale gereedschappen, originele KIA-onderdelen en zal er alles aan doen u optimaal van dienst te zijn.
Bewaar het instructieboekje in de auto voor een eventuele volgende eigenaar.
Dit instructieboekje zal u vertrouwd maken met de bediening, het onderhoud en de veiligheidsaspecten van uw nieuwe auto. Bij het instructieboekje hoort een garantie- en onderhoudsboekje waarin u informatie vindt over de garantie. We raden u aan om deze informatie zorgvuldig te lezen en de daarin opgenomen aanwijzingen zorgvuldig op te volgen, zodat u veilig en probleemloos van uw nieuwe auto kunt genieten.
KIA rust zijn talrijke modellen uit met een grote verscheidenheid aan opties, componenten en kenmerken.
Het is dan ook mogelijk dat de uitrusting die in dit instructieboekje beschreven staat en die op illustraties afgebeeld is, niet allemaal van toepassing is op uw auto.
De in dit instructieboekje opgenomen informatie en specificaties golden ten tijde van het ter perse gaan. KIA behoudt zich te allen tijde het recht voor wijzigingen door te voeren zonder voorafgaande kennisgeving. Als u vragen heeft, kunt u zich te allen tijde tot uw KIA-dealer wenden.
Wij zullen er alles aan doen om u optimaal en tot volle tevredenheid van uw nieuwe KIA te laten genieten.
© 2010 Kia Motors Slovakia s.r.o
Alle rechten voorbehouden. Complete of gedeeltelijke reproductie op wat voor manier dan ook, elektronisch of mechanisch, inclusief kopieren, vastleggen via een systeem voor het opslaan en terughalen van informatie, of vertalen is niet toegestaan zonder schriftelijke toestemming van Kia Motors Slovakia s.r.o.
INHOUDSTABEL
Introductie
Uw auto in één oogopslag
Veiligheidsysteem van uw auto
Kenmerken van uw auto
Rijden met uw auto
Wat te doen in een noodgeval
Onderhoud
Specificaties & Consumenteninformatie
Index
Introductie
1
Gebruik van dit instructieboekje / 1-2
Instructies voor het rijden met de auto / 1-6
Inrijprocedure / 1-7
Controlelampjes in het instrumentenpaneel / 1-8
GEBRUIK VAN DIT INSTRUCTIEBOEKJE
Wij willen u helpen om het meeste rijplezier van uw auto te krijgen. Het instructieboekje kan daar op vele manieren toe bijdragen. Wij raden u ten zeerste aan het complete instructieboekje door te lezen. Om de kans op letsel te beperken, moet u met name de gedeeltes met WAARSCHUWING en OPMERKING door het gehele instructieboekje lezen. De afbeeldingen vormen een waardevolle aanvulling op de tekst. In uw instructieboekje vindt u informatie over de kenmerken, over belangrijke veiligheidsaspecten en over het rijden onder diverse omstandigheden. De algemene indeling van het instructieboekje vindt u in de INHOUDSOPGAVE. De index vormt een goede ingang om de gewenste passage te vinden.
Hoofdstukken: Dit instructieboekje heeft acht hoofdstukken en een index. Elk hoofdstuk begint met een korte inhoudsopgave, zodat u direct kunt zien of het gewenste hoofdstuk de gewenste informatie bevat.
U vindt verschillende WAARSCHU-WINGEN, OPMERKINGEN en AANWIJZINGEN in dit instructieboekje. Deze dienen ter vergroting van uw persoonlijke veiligheid. Lees ALLE procedures en aanbevelingen in deze WAARSCHUWINGEN, OPMERKINGEN en AANWIJZINGEN nauwkeurig door en neem ze in acht.

WAARSCHUWING
Een WAARSCHUWING wijst u erop bijzonder voorzichtig te zijn ter voorkoming van schade en ernstig letsel.

OPMERKING
Informatie waar VOORZICHTIG bij staat, dient ervoor om te voorkomen dat u een fout maakt waardoor uw auto beschadigd zou kunnen raken.
*AANWIJZING
OPMERKING geeft aan dat er interessante of nuttige informatie wordt gegeven.
VEREISTE BRANDSTOF
Benzinemotor
Loodvrij
Voor optimale prestaties raden we u aan ongelode benzine te tanken die voldoet aan de EN 228-norm en met een octaangetal van RON (Research Octane Number) 95 / AKI (Anti Klop Index) van 91 of hoger. U kan gebruik maken van ongelode benzine met een octaangetal (RON) 91\~94 / AKI 87\~90, maar hierdoor kunnen de prestaties van de auto iets minder worden.
Bij gebruik van LOODVRIJE BENZINE zijn de prestaties maximaal en de uitlaatgassen het schoonst en wordt vervuiling van de bougies tegengegaan.
! OPMERKING
GEBRUIK NOOIT LOODHOUDENDE BENZINE. Loodhoudende benzine is schadelijk voor de katalysator en de lambdasensor van het motorregelsysteem en zal de emissieregeling nadelig beïnvloeden.
Voeg nooit brandstofadditieven producten toe aan het brandstofsysteem. (Neem voor details contact op met een officiële KIA-dealer.)
WAARSCHUWING
- Probeer de tank niet verder te vullen nadat het vulpistool automatisch is afgeslagen.
- Controleer altijd of de tankdop goed vastgedraaid is, om morsen van brandstof in geval van een aanrijding te voorkomen.
Loodhoudende benzine (indien van toepassing)
In sommige landen moet er loodhoudende benzine worden gebruikt. Neem contact op met een officiële KIA-dealer om te informeren of uw auto geschikt is voor het gebruik van loodhoudende benzine of niet.
Het vereiste octaangetal voor loodhoudende benzine is gelijk aan dat voor loodvrije benzine.
Benzine die alcohol en methanol bevat
In sommige landen is naast benzine ook gasohol verkrijgbaar. Dit is een mengsel van benzine en ethanol of methanol.
Gebruik dit mengsel niet met meer dan 10% ethanol en gebruik geen benzine of mengsel dat methanol bevat. Deze brandstoffen kunnen rijproblemen en schade aan het brandstofsysteem veroorzaken.
Gebruik gasohol niet langer wanneer er rijproblemen optreden.
Schade aan de auto of rijproblemen vallen mogelijk niet onder de fabrieksgarantie wanneer ze veroorzaakt worden door het gebruik van:
- Benzinemengsels met meer dan 10% ethanol.
- Benzine of gasohol die methanol bevat.
- Loodhoudende benzine.

OPMERKING
Gebruik nooit benzinemengsels die methanol bevatten. Gebruik gasoholproducten niet langer wanneer er rijproblemen optreden.
Gebruik van MTBE
Geadviseerd wordt geen brandstof in uw auto te gebruiken die meer dan 15,0 volumeprocent MBTE (Methyl Tertiair Butyl Ether) (zuurstofmassa 2,7%) bevat. Brandstof die meer dan 15,0 volumeprocent MBTE (zuurstofmassa 2,7%) bevat kan de prestaties van de auto in negatieve zin beïnvloeden en dampvorming of slecht aanslaan veroorzaken.

OPMERKING
Schade aan het brandstofsysteem van uw auto of het verhelpen van problemen met betrekking tot de prestaties van de auto worden niet door de garantie gedekt indien ze veroorzaakt worden door brandstof die methanol bevat of brandstof die meer dan 15,0 volumeprocent MTBE (Methyl Tertiair Butyl Ether) (zuurstofmassa 2,7%) bevat.
Gebruik geen methanol
Uw auto is niet geschikt voor het gebruik van methanol (methylalcohol). Dit type brandstof heeft een negatieve invloed op de prestaties van uw auto en kan schade aan het brandstofsysteem veroorzaken.
Benzines die het milieu minder belasten
Om bij te dragen aan een schonere lucht, raadt Kia haar klanten aan benzine van goede kwaliteit te tanken.
Wanneer de klant geschikte benzine gebruikt en de motor startproblemen heeft of niet soepel loopt, mogen er aan de benzine additieven worden toegevoegd, die afzonderlijk verkrijgbaar zijn.
Deze additieven helpen corrosie te voorkomen, het brandstofsysteem schoon te houden en voorkomen dat zich in de motor afzettingen gaan hechten. Bij uw officiële Kia-dealer zijn additieven verkrijgbaar met de daarbijbehorende gebruiksinstructies. Gebruik nooit meerdere additieven tegelijk.
Rijden in het buitenland
Als u van plan bent om met uw auto naar het buitenland te gaan:
- Zorg ervoor dat uw auto voldoet aan de in dat land geldende wettelijke voorschriften met betrekking tot registratie en verzekering.
- Informeer of de juiste brandstof verkrijgbaar is.
Dieselmotor
Dieselbrandstof
Gebruik voor de dieselmotor alleen commercieel verkrijgbare dieselbrandstof die voldoet aan de EN 590-norm of gelijkwaardig. (EN staat voor "European Norm"). Gebruik geen dieselbrandstof die bestemd is voor de scheepvaart, lichte stookoliën of niet-goedgekeurde brand-stoftoevoegingen, aangezien dit de slijtage zal bespoedigen en de motor en het brandstofsysteem kan beschadigen. Het gebruik van niet-goedgekeurde brandstoffen en/of brandstoftoevoegingen heeft een beperking van de garantie tot gevolg.
Het cetaangetal van de dieselbrandstof voor uw auto moet hoger zijn dan 51. Als er twee soorten diesel leverbaar zijn, moet afhankelijk van de temperatuur worden gekozen voor zomer- of winterdiesel.
- Boven -5°C ... Zomerkwaliteit dieselbrandstof
- Onder -5°C ... Winterkwaliteit diesel-brandstof
Houd het brandstofpeil zorgvuldig in de gaten : als de motor afslaat bij gebrek aan brandstof, moet het complete brandstofsysteem worden ontlucht alvorens de motor opnieuw gestart kan worden.
! OPMERKING
- Zorg ervoor dat er geen benzine of water in de brandstoftank terechtkomt. Als dat wel het geval is moet de brandstoftank worden afgetapt en moet het brandstof-systeem worden ontlucht om schade aan de brandstofpomp en de motor te voorkomen.
- In de winter mag, om afslaan van de motor door uitvlokken van de brandstof te voorkomen, petroleum aan de brandstof worden toegevoegd als de temperatuur daalt tot lager dan -10°C. Gebruik nooit meer dan 20% petroleum.
! OPMERKING
- Dieselmotor (indien uitgerust met een roetfilter)
Het is raadzaam de aanbevolen diesel voor dieselauto's uitgerust met een DPF-systeem te gebruiken. Het gebruik van diesel met een hoog zwavelgehalte (meer dan 50 ppm zwavel) en niet-gespecificeerde toevoegingen kan ertoe leiden dat het DPF-systeem beschadigd raakt en er witte rook wordt uitgestoten.
Biodiesel
Indien uw auto aan de EN 14214-norm of vergelijkbaar voldoet, mag bij het benzinestation verkrijgbare dieselmengsels met niet meer dan 7% biodiesel, algemeen bekend als "B7-diesel" worden gebruikt. (EN staat voor "European Norm"). Het gebruik van biobrandstoffen van meer dan 7% gemaakt uit koolzaad methylester (RME), vetzuur methylester (FAME), plantaardige methylester (VME), enz. of een diesel/biodieselmengsel zal de slijtage bespoedigen en kan de motor of het brandstofsysteem beschadigen. Reparatie of vervanging van versleten of beschadigde onderdelen als gevolg van het gebruik van niet-goedgekeurde brandstoffen valt niet onder de fabrieksgarantie.
! OPMERKING
- Gebruik nooit brandstof, ongeacht of diesel, B7-biodiesel of anderszins, dat niet aan de meest recente specificaties voldoet.
- Gebruik nooit brandstoftoe voegingen en dergelijke die niet door de fabrikant zijn aanbevolen of goedgekeurd.
INSTRUCTIES VOOR HET RIJDEN MET DE AUTO
Een onjuiste bediening van de auto kan ertoe leiden dat u de macht over het stuur kwijtraakt, dat u betrokken raakt bij een ongeval of dat de auto over de kop slaat.
Door het specifieke ontwerp (grotere bodemvrijheid, kleinere spoorbreedte, enz.) ligt het zwaartepunt hoger dan bij andere soorten personenauto's. Deze auto is dus niet ontworpen om met dezelfde snelheid als conventionele auto's met tweewielaandrijving bochten te nemen. Neem scherpe bochten voorzichtig en voer geen abrupte manoeuvres uit. Anders kunt u de macht over het stuur kwijtraken of kan de auto over de kop slaan. Lees de aanwijzingen voor het rijden onder "Verkleinen van de kans op over de kop slaan" in hoofdstuk 5 van dit instructieboekje.
INRIJPROCEDURE
U hoeft de auto niet gedurende een bepaalde periode in te rijden. U kunt echter door het opvolgen van een paar eenvoudige aanwijzingen gedurende de eerste 1.000 km de prestaties, het brandstofverbruik en de levensduur van uw auto in positieve zin beïnvloeden.
- Voer het toerental van de motor niet te hoog op.
- Zorg ervoor dat het toerental van de motor (omw/min of omwentelingen per minuut) tijdens het rijden niet hoger wordt dan 3.000 omw/min.
- Rijd niet gedurende langere tijd met een constante snelheid. Om de motor goed in te rijden, moet het motortoerental worden gevarieerd.
- Vermijd plotseling afremmen, behalve in noodgevallen, om de onderdelen van het remsysteem de gelegenheid te geven op elkaar in te lopen.
- Laat de motor niet langer dan 3 minuten achtereen stationair draaien.
- Trek gedurende de eerste 2.000 km met uw auto geen aanhanger.
CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL

Waarschuwingslampje open portier

Waarschuwingslampje open achterklep

Waarschuwingslampje veiligheidsgordel

Controlelampje lichten aan*

Controlelampjes richtingaanwijzers

vóór*

Controlelampje mistachterlicht*

Waarschuwingslampje ABS

Waarschuwingslampje AIRBAG

Waarschuwingslampje parkeerrem en remvloeistofniveau

Waarschuwingslampje gladheid*

Controlelampje ESP*

Controlelampje ESP OFF*

Oiledruklampje

Waarschuwingslampje laag motoroliepeil

Electric power steering (EPS) system warning light*

Waarschuwingslampje 4WD-systeem*

Controlelampje 4WD LOCK*

Waarschuwingslampje laadsysteem

Controlelampje motormanagement*

Controlelampje startblokkeersysteem*

AUTO STOP voor controle-lampje ISG-systeem*
* indien van toepassing
* Zie voor meer informatie deel Instrumentenpaneel in hoofdstuk 4.

Controlelampje CRUISE*

Controlelampje CRUISE SET*

Controlelampje DBC (Downhill Brake Control)*

Waarschuwingslampje laag brandstofniveau

Schakelstandindicator automatische transmissie*

Schakelstandindicator handgeschakelde transmissie*

Waarschuwing sleutel niet in auto*

Controlelampje voorgloeien (alleen dieselmotor)

Waarschuwingslampje brandstoffilter (alleen dieselmotor)

Waarschuwingslampje lage bandenspanning* / Controle-lampje storing TPMS*

Waarschuwingslampje positie lage bandenspanning*
Uw auto in één oogopslag
2
Overzicht interieur / 2-2
Overzicht dashboard / 2-3
Motorruimte / 2-4
OVERZICHT INTERIEUR

*Het onderdeel wijkt mogelijk af van de afbeelding.
- Portiergreep binnen 4-17
- Toets inklapbare buitenspiegel* .....4-41
- Schakelaar spiegelbediening....4-40
- Centrale portiervergrendeling*......4-17
- Blokkeertoets ruitbediening*......4-25
- Schakelaar ruitbediening .....4-23
- Koplampverstelling* 4-74
- Bedieningstoets dashboardverlichting * 4-43
- Toets 4WD LOCK * 5-28
- Toets Active ECO * .....5-53
- Toets Idle Stop & Go-systeem OFF* 5-14
- Toets DBC* 5-45
- Toets voertuigstabiliteitsregeling uitschakelen* 5-41
- Hendel stuurverstelling * ......4-37
- Stuurwiel 4-36
- Zekeringkast 7-53
- Hendel motorkapontgrendeling.....4-27
- Stoel....3-2
- Ontgrendeknop tankdopklep......4-29
- Knop uitstoomopening......4-86
* indien van toepassing
OSL010001E
OVERZICHT DASHBOARD

*Het onderdeel wijkt mogelijk af van de afbeelding.
-
Schakelaar verlichting/richtingaanwijzers....4-69
-
Audioafstandsbediening*......4-117
-
Instrumentenpaneel....4-42
-
Claxon 4-37
-
Airbag bestuurder....3-49
-
Cruise control-schakelaars* 5-49
-
Schakelaar ruitenwissers en -sproeiers....4-75
-
Startknop * 5-8
-
Controlelampje airbag voorpassagier AAN/UIT* 3-45
-
Audiosysteem* 4-116
-
Schakelaar alarmknipperlichten..4-68, 6-2
-
Verwarmings- en ventilatiesysteem* 4-84, 4-93
-
Toets parkeerhulp achter OFF of 12V-aansluiting* ....4-65, 4-109
-
12V-aansluiting * ......4-109
-
Stoelverwarming* 3-8
-
Selectiehendel....5-18, 5-21
-
Airbag voorpassagier*......3-49
-
Dashboardkastje 4-106
-
Gaspedaal....5-5
-
Remsysteem 5-5
-
Parkeerremhendel....5-37
* indien van toepassing
OSL010002E
MOTORRUIMTE

*Deze afbeelding is een voorbeeld.
- Expansievat koelvloeistof ....7-26
- Peilstok motorolie ....7-25
- Vuldop motorolie 7-25
- Rem-/koppelingsvloeistofreservoir*..7-29
- Pluspool accu 7-39
- Minpool accu....7-39
- Zekeringkast ....7-53
- Luchtfilter....7-32
- Radiateurdop....7-28
- Sproeierreservoir....7-30
* indien van toepassing
OLM079002
Stoelen / 3-2
Veiligheidsgordels / 3-15
Kinderzitjes / 3-30
Aanvullend veiligheidssysteem / 3-41
Veiligheidssysteem van uw auto
STOELEN

Voorstoel
(1) Voorwaartse/achterwaartse richting
(2) Rugleuningverstelling
(3) Zittinghoogte (bestuurdersstoel)
(4) Lendesteun (bestuurdersstoel)*
(5) Stoelverwarming*
(6) Hoofdsteun
Achterstoelen
(7) Neerklappen rugleuning
(8) Hoofdsteun
(9) Armsteun
(10) Stoelverwarming*
* indien van toepassing
WAARSCHUWING
- Losliggende voorwerpen Losliggende voorwerpen in de voetenruimte van de bestuurder kunnen de werking van de pedalen nadelig beïnvloeden en mogelijk een ongeval veroorzaken. Plaats niets onder de voorstoelen.
WAARSCHUWING
- Opklappen van de rugleuning Zorg ervoor, indien u de rugleuning weer rechtop zet, dat u deze vasthoudt en rustig omhoog klapt. Als u de rugleuning niet vasthoudt tijdens het omhoog klappen, kan de rugleuning terugschieten waardoor u letsel kunt oplopen.
WAARSCHUWING
- Verantwoordelijkheid van de bestuurder voorpassagier
Rijden met de rugleuning van een stoel neergeklapt, kan bij een aanrijding leiden tot ernstig letsel. Als de rugleuning neergeklapt is, kan de persoon op de desbetreffende stoel bij een aanrijding onder de gordel doorglijden, waardoor de onderbuik zwaar belast kan worden. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan. De bestuurder moet de passagier erop wijzen tijdens het rijden de rugleuning altijd
WAARSCHUWING
- Bestuurdersstoel
- Probeer de stoel nooit tijdens het rijden te verstellen. Hierdoor kunt u de controle verliezen waardoor een ongeluk met ernstig letsel of schade het gevolg kan zijn.
- Zorg ervoor dat de rugleuning altijd in de normale positie kan staan. Als de rugleuning vanwege hinderlijk geplaatste voorwerpen of andere oorzaken niet goed vergrendeld kan worden, kan dit bij een noodstop of aanrijding ernstig letsel tot gevolg hebben.
- Zet voor het wegrijden de rugleuning altijd rechtop en plaats de heupgordel strak en zo laag mogelijk over de heupen. In deze positie bent u in geval van een aanrijding het beste beschermd.
- Ga zo ver van het stuurwiel af zitten als mogelijk is zonder dat dit ten koste gaat van het bedieningscomfort om onnodig en wellicht ernstig letsel door de airbag te voorkomen. Geadviseerd wordt een minimale afstand van 250 mm tussen uw bovenlichaam en het stuurwiel.

WAARSCHUWING
- Rugleuning achterbank
- De rugleuning achter moet goed vergrendeld zijn. Als dat niet het geval is, kunnen passagiers en objecten in geval van afremmen of een aanrijding plotseling naar voren schieten, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.
- Bagage en andere lading moet plat in de bagageruimte worden gelegd. Als de objecten groot of zwaar zijn, of moeten worden gestapeld, moeten ze worden vastgezet. Objecten in de bagageruimte mogen nooit hoger worden gestapeld dan de rugleuning. Het niet opvolgen van deze waarschuwingen kan leiden tot ernstig letsel in geval van afremmen of een aanrijding.
- In de bagageruimte mogen geen passagiers vervoerd worden en tijdens het rijden mogen er geen passagiers zitten of liggen op een neergeklapte rugleuning. Alle passagiers moeten zitten en de aanwezige veiligheidsgordels dragen.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Controleer na het terugklappen van de rugleuning of deze goed vergrendeld is door te proberen hem naar voren en naar achteren te bewegen.
- Voorkom de kans op brandwonden en verwijder daarom de vloerbedekking in de bagageruimte niet. De emissieregel-systemen onder de vloer brengen hoge uitlaattemperaturen met zich mee.

WAARSCHUWING
Controleer na het afstellen van de stoel altijd of deze goed is vergrendeld, door te proberen deze naar voren of achteren te schuiven zonder de ontgrendelhendel te gebruiken. Als de bestuurdersstoel plotseling in beweging komt, kunt u de controle over de auto verliezen.

Afstellen van voorstoel
Voorwaartse/achterwaartse richting
Verstel de stoel als volgt naar voren of naar achteren:
- Houd de hendel voor de langsverstelling aan de voorzijde van de stoel omhooggetrokken.
- Schuif de stoel in de gewenste positie.
- Laat de hendel los en controleer of de stoel vergrendeld is.
Stel de stoel af voordat u gaat rijden en controleer of de stoel goed vergrendeld is door te proberen deze handmatig naar voren of achteren te schuiven. Als de stoel beweegt, dan is hij niet goed vergrendeld.

Draai de knop naar voren of naar achteren om de rugleuning in de gewenste stand te zetten.

Afstellen van de zittinghoogte (bestuurdersstoel)
Duw de hendel aan de zijkant van de zitting omhoog of omlaag om de hoogte van de zitting te veranderen.
- Duw de hendel een aantal maal omlaag om de zitting lager af te stellen.
- Trek de hendel een aantal maal omhoog om de zitting hoger af te stellen.
Lendensteun (indien van toepassing)
De lendensteun kan worden versteld door de hendel aan de zijkant van de rugleuning te bewegen. Door het verdraaien van de hendel neemt de lendensteun toe of af.

De stoelen van de bestuurder en voorpassagier zijn voor extra veiligheid en comfort voorzien van een hoofdsteun. De hoofdsteun biedt niet alleen comfort, maar helpt tevens bij de bescherming van hoofd en nek van de inzittenden bij een aanrijding.
WAARSCHUWING
- Voor een optimale bescherming in geval van een aanrijding moet de hoofdsteun zo afgesteld zijn dat het midden van de hoofdsteun zich op dezelfde hoogte bevindt als het zwaartepunt van het hoofd van de inzittende. Over het algemeen bevindt het zwaartepunt van het hoofd zich op dezelfde hoogte als de bovenzijde van de ogen. Zorg dat de hoofdsteun zich zo dicht mogelijk bij uw hoofd bevindt. Gebruik daarom geen kussen waardoor het lichaam verder van de rugleuning af komt.
- Gebruik de auto niet als de hoofdsteunen zijn verwijderd omdat dan in geval van een aanrijding ernstig letsel kan ontstaan. Een goed afgestelde hoofdsteun biedt een zo optimaal mogelijke bescherming tegen nekletsel.
- Verstel de hoofdsteun van de bestuurder niet als de auto rijdt.

Afstellen van de hoogte
Hoger: trek de hoofdsteun omhoog om hem in de gewenste positie (1) te zetten. Lager: druk de ontgrendelknop (2) in en laat de hoofdsteun in de gewenste positie (3) zakken.

Afstellen van de hoek
(indien van toepassing)
U kunt de hoek van de hoofdsteun afstellen door het onderste deel van de hoofdsteun in de gewenste richting te trekken of duwen. Zorg ervoor dat de hoofdsteun hoofd en nek goed ondersteunt.

WAARSCHUWING
Doe dit met beleid, anders kan de hoofdsteun beschadigd raken.

Verwijderen
Trek de hoofdsteun zo ver mogelijk omhoog en druk vervolgens de ontgrendelknop (1) in om de hoofdsteun te verwijderen (2).
Stop, om de hoofdsteun terug te plaatsen, de pennen van de hoofdsteun (3) in de gaten terwijl u de ontgrendelknop (1) indrukt. Stel de hoofdsteun vervolgens af op de gewenste hoogte.

WAARSCHUWING
Zorg dat de hoofdsteun wordt vergrendeld nadat deze is versteld, zodat de inzittenden optimaal beschermd zijn.

Actieve hoofdsteun
(indien van toepassing)
De actieve hoofdsteun is ontworpen om naar voren en boven te bewegen bij een aanrijding van achteren. Dit voorkomt dat het hoofd van de bestuurder of voorpassagier naar achteren beweegt waardoor nekletsel kan ontstaan.
Laat de auto controleren door een officiële KIA-dealer wanneer er een probleem is ontstaan met een actieve hoofdsteun

WAARSCHUWING
Een ruimte kan tussen de zit en de hoofdsteun ontspanknop ontstaan tijdens het zitten of wanneer u de zit naar voor of naar achter beweegt. Wees voorzichtig om niet uw vingers of zo in te klemmen.

Stoelverwarming voor (indien van toepassing)
Met de stoelverwarming kunnen de voorstoelen bij lage buitentemperaturen verwarmd worden. De stoelverwarming kan worden ingeschakeld door op de schakelaar te drukken voor de bestuurdersstoel en/of de stoel van de voorpassagier als het contact in stand ON staat.
Laat de schakelaars in stand UIT staan als de stoelverwarming niet gebruikt hoeft te worden.
- Telkens als u op de toets drukt, verandert de temperatuurinstelling voor de stoel als volgt:

- De standaardinstelling voor de stoelverwarming is UIT als het contact in stand ON wordt gezet.
*AANWIJZING
Als de schakelaars voor de stoelverwarming in stand AAN staan, schakelt de stoelverwarming automatisch aan of uit, afhankelijk van de temperatuur van de stoel.
! OPMERKING
- Gebruik voor het reinigen van de stoelen geen organisch oplosmiddel, zoals thinner, alcohol of wasbenzine. Hierdoor kan de stoelverwarming en de stoel zelf beschadigd worden.
- Plaats geen dekens, kussens of stoelhoezen over de stoel als de stoelverwarming is ingeschakeld. Dit kan leiden tot oververhitting.
- Plaats geen zware of scherpe voorwerpen op stoelen die zijn voorzien van stoelverwarming. Hierdoor kunnen de onderdelen van de stoelverwarming beschadigd raken.

WAARSCHUWING
- Verbranding door de stoelverwarming
Wees erg voorzichtig bij het gebruik van de stoelverwarming vanwege het gevaar voor oververhitting, waardoor brand kan ontstaan. De passagiers moeten kunnen voelen of de stoel te warm wordt en de stoelverwarming uit kunnen schakelen. Vooral de volgende categorieën personen dienen erg voorzichtig te zijn:
- Kinderen, ouderen, gehandicapten en ziekenhuispatiënten
- Personen met een gevoelige huid
- Vermoeide personen
- Dronken personen
- Personen die onder invloed zijn van medicijnen die het reactievermogen verminderen of slaap opwekken (Sleeping pills, cold tablets, etc.)

In de rugleuning van beide voorstoelen bevindt zich een opbergvak.

WAARSCHUWING
- Opbergvakken rugleuning
Plaats geen zware of scherpe voorwerpen in de opbergvakken. Bij een ongeval kunnen ze uit de opbergvakken geslingerd worden en inzittenden verwonden.
Afstellen van achterstoelen
Hoofdsteun
De zitplaatsen achterin zijn voor extra veiligheid en comfort van de inzittenden voorzien van hoofdsteunen.
De hoofdsteun biedt niet alleen comfort, maar helpt tevens bij de bescherming van hoofd en nek van de inzittenden bij een aanrijding.
WAARSCHUWING
- Voor een optimale bescherming in geval van een aanrijding moet de hoofdsteun zo afgesteld zijn dat het midden van de hoofdsteun zich op dezelfde hoogte bevindt als het zwaartepunt van het hoofd van de inzittende. Over het algemeen bevindt het zwaartepunt van het hoofd zich op dezelfde hoogte als de bovenzijde van de ogen.
Zorg dat de hoofdsteun zich zo dicht mogelijk bij uw hoofd bevindt. Het gebruik van een kussen waardoor het lichaam verder van de rugleuning af komt wordt afgeraden. - Gebruik de auto niet als de hoofdsteunen zijn verwijderd omdat dan in geval van een aanrijding ernstig letsel kan ontstaan. Een goed afgestelde hoofdsteun biedt een zo optimaal mogelijke bescherming tegen ernstig nekletsel.

Afstellen van de hoogte
Hoger: trek de hoofdsteun omhoog om hem in de gewenste positie (1) te zetten. Lager: druk de ontgrendelknop (2) in en laat de hoofdsteun in de gewenste positie (3) zakken.

Verwijderen
Trek de hoofdsteun zo ver mogelijk omhoog en druk vervolgens de ontgrendelknop (1) in om de hoofdsteun te verwijderen (2).
Stop, om de hoofdsteun terug te plaatsen, de pennen van de hoofdsteun (3) in de gaten terwijl u de ontgrendelknop (1) indrukt. Stel de hoofdsteun vervolgens af op de gewenste hoogte.
WAARSCHUWING
Zorg dat de hoofdsteun wordt vergrendeld nadat deze is versteld, zodat de inzittenden optimaal beschermd zijn.

Armsteun (2e zitrij)
Om de armsteun te gebruiken, trekt u hem uit de rugleuning naar voren.
Stoelverwarming achter (indien van toepassing)
Dankzij de stoelverwarming kunnen de achterstoelen bij lage buitentemperaturen verwarmd worden. Druk, met het contact in de stand ON, op een van de schakelaars om de stoelverwarming achter in te schakelen.
Laat de schakelaars in stand UIT staan als de stoelverwarming niet gebruikt hoeft te worden.
*AANWIJZING
Als de schakelaars voor de stoelverwarming in stand AAN staan, schakelt de stoelverwarming automatisch aan of uit, afhankelijk van de temperatuur van de stoel.
! OPMERKING
- Gebruik voor het reinigen van de stoelen geen organisch oplosmiddel, zoals thinner, alcohol of wasbenzine. Hierdoor kan de stoelverwarming en de stoel zelf beschadigd worden.
- Plaats geen dekens, kussens of stoelhoezen over de stoel als de stoelverwarming is ingeschakeld. Dit kan leiden tot oververhitting.
- Plaats geen zware of scherpe voorwerpen op stoelen die zijn voorzien van stoelverwarming. Hierdoor kunnen de onderdelen van de stoelverwarming beschadigd raken.

WAARSCHUWING
- Verbranding door de stoelverwarming
Wees erg voorzichtig bij het gebruik van de stoelverwarming vanwege het gevaar voor oververhitting, waardoor brand kan ontstaan. Vooral de volgende categorieën personen dienen erg voorzichtig te zijn:
- Kinderen, ouderen, gehandicapten en ziekenhuispatiënten
- Personen met een gevoelige huid
- Vermoeide personen
- Dronken personen
- Personen die onder invloed zijn van medicijnen die het reactievermogen verminderen of slaap opwekken (Sleeping pills, cold tablets, etc.)
Neerklapbare achterbank
De rugleuning achter kan worden opgeklapt om het vervoer van langere voorwerpen mogelijk te maken of de bagageruimte te vergroten.

WAARSCHUWING
Het doel van de opklapbare rugleuning is het vervoer van langere voorwerpen mogelijk te maken waarvoor anders geen ruimte is.
Laat nooit iemand op een neergeklapte rugleuning zitten als de auto rijdt omdat dat geen veilige positie is en omdat dan de veiligheidsgordels niet gebruikt kunnen worden. Hierdoor kan bij een aanrijding of een noodstop ernstig letsel ontstaan. Voorwerpen die op de neergeklapte rugleuning vervoerd worden mogen niet boven de bovenzijde van de voorstoelen uitsteken. Als dat wel het geval is kan de lading bij een noodstop naar voren schuiven en letsel of schade veroorzaken.
- Steek de gesp van de veiligheids-gordel achter in de opening tussen de rugleuning en de zitting en plaats de gordel in de geleider om beschadiging te voorkomen.
- Zet de rugleuning zoveel mogelijk rechtop en schuif indien nodig de voorste stoel naar voren.
- Zet de hoofdsteunen achter in de laagste positie.


- Trek aan de hendel (of lus aan de rugleuning achter, indien aanwezig) en klap de stoel naar voren. Controleer na het rechtop zetten van de rugleuning altijd of de rugleuning goed vergrendeld is door tegen de bovenzijde van de rugleuning te drukken.

- Til de rugleuning op en beweeg deze naar achteren om de achterstoel te kunnen gebruiken. Druk de rugleuning stevig naar achteren totdat deze vastklikt. Zorg ervoor dat de rugleuning vergrendeld is.
- Plaats de veiligheidsgordel weer in de juiste positie.
- Controleer, wanneer de rugleuning volledig is geplaatst, nogmaals het rode label van de hendel van de rugleuning.
WAARSCHUWING
Bij het terugzetten van de achterbank in zijn oorspronkelijke positie nadat de bank is neergeklapt:
Let erop dat het materiaal van de gordel of de gesp niet beschadigd worden. Zorg ervoor dat de gordel of gesp niet klem komen te zitten. Controleer of de rugleuning goed vergrendeld is door tegen de bovenzijde van de rugleuning te drukken. Anders kan bij een aanrijding of noodstop de rugleuning naar voren klappen, waardoor de bagage in het passagierscompartiment terecht kan komen en de inzittenden ernstig letsel zouden kunnen oplopen.

WAARSCHUWING
- Opklappen van de rugleuning
Steek, wanneer u de stoel neerklapt, de gordelsluiting in de opbergruimte tussen de rugleuning en de zitting. Als u de rugleuning niet vasthoudt tijdens het omhoog klappen, kan de rugleuning terugschieten waardoor u letsel kan oplopen.

OPMERKING - Voorkom beschadiging van de veiligheidsgordels achter
Plaats de gordelsluiting in de uitsparing tussen de zitting en de rugleuning wanneer u de rugleuning voorover klapt of wanneer u bagage op de zitting plaatst. Hierdoor wordt voorkomen dat de gordelsluiting door de rugleuning of de bagage beschadigd raakt.

OPMERKING
- Veiligheidsgordels achter
Vergeet niet bij het omhoog klappen van de rugleuning de schoudergordels in de juiste positie te plaatsen. Door de veiligheids-gordel door de geleider te leiden wordt voorkomen dat ze achter of onder de achterbank bekneld raken.

Bagage moet altijd worden vastgezet om te voorkomen dat het bij een aanrijding door de auto wordt geslingerd, waardoor de inzittenden letsel kunnen oplopen. Plaats geen voorwerpen op de achterbank om te voorkomen dat deze bij een aanrijding gaan schuiven en ernstig letsel veroorzaken.

Zet de motor uit, zet de transmissie in stand P (parkeren) en bedien de parkeerrem alvorens bagage in of uit te laden. Het niet opvolgen van deze stappen kan ertoe leiden dat de auto zich onbedoeld in beweging zet als de selectiehendel per ongeluk in een andere stand gezet wordt.
VEILIGHEIDSGORDELS
Veiligheidsgordels

WAARSCHUWING
- Voor een optimale bescherming moeten de veiligheidsgordels tijdens het rijden altijd gedragen worden.
- De veiligheidsgordels zijn het meest effectief als de rugleuningen rechtop staan.
- Kinderen tot en met 12 jaar moeten altijd plaatsnemen op de achterbank en de gordel op de juiste manier dragen. Laat kinderen nooit op de passagiersstoel meerijden. Als een kind van 12 jaar of ouder op de voorpassagiersstoel vervoerd moet worden, moet hij of zij de veiligheidsgordel op de juiste manier dragen en moet de stoel zover mogelijk naar achteren worden gezet.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Draag nooit de schoudergordel onder de arm door of achter uw rug. Het niet op de juiste manier gebruiken van de schoudergordel kan bij een aanrijding resulteren in ernstig letsel. De schoudergordel moet over het midden van uw schouder worden gedragen, over uw sleutelbeen.
- Zorg ervoor dat veiligheidsgordels niet gedraaid zitten. Als de gordel gedraaid is, werkt hij minder effectief. Bij een aanrijding kan een gedraaide veiligheidsgordel zelfs snijwonden veroorzaken. Zorg er daarom voor dat de gordel niet verdraaid zit.
- Let erop dat het materiaal van de gordel niet beschadigd wordt. Laat een beschadigde veiligheidsgordel vervangen.
de

WAARSCHUWING
Veiligheidsgordels zijn ontworpen om aan te liggen tegen de botstructuur in het lichaam en moeten daarom zo laag mogelijk over het bekken of het bekken, de borst en de schouder, afhankelijk van het type gordel, gedragen worden; het dragen van het heupgedeelte over de onderbuik moet voorkomen worden.
De veiligheidsgordel moet zo strak mogelijk tegen het lichaam aan gedragen worden, voor zover het comfort het toelaat, om een maximale bescherming te kunnen bieden.
Een loshangende veiligheidsgordel biedt veel minder bescherming.
Voorkomen moet worden dat de gordel in aanraking komt met polijstmiddelen, olie en chemicaliën, in het bijzonder accuzuur.
(Vervolg)
(Vervolg)
De veiligheidsgordels kunnen op een veilige manier gereinigd worden met een milde zeepoplossing. De veiligheids-gordel moet worden vervangen als hij gerafeld, verontreinigd of beschadigd is.
De veiligheidsgordel moet ook worden vervangen als hij gedragen is tijdens een zware aanrijding, ook al is de gordel niet zichtbaar beschadigd. Bij het dragen mag de gordel niet gedraaid zitten. Elke veiligheidsgordel mag maar door één persoon gedragen worden; het is gevaarlijk een kind op schoot te vervoeren met de gordel om beide personen heen.

WAARSCHUWING
Er mogen geen wijzigingen aan de gordel worden aangebracht of hulpmiddelen worden gebruikt die voorkomen dat het gordelmechanisme de gordel strak tegen het lichaam aan kan trekken of die het verstellen van de gordel onmogelijk maken.

Waarschuwingssysteem voor de veiligheidsgordels
Vóór
Als herinnering voor bestuurder en voorpassagier branden telkens als het contact in stand ON wordt gezet de waarschuwingslampjes van de veiligheidsgordels (1 en 2) gedurende 6 seconden, ongeacht of de gordels zijn vastgemaakt.
Wanneer de veiligheidsgordel van de bestuurder of voorpassagier niet vastgemaakt is als het contact in stand ON wordt gezet, zal het waarschuwingslampje gaan branden. Dit gebeurt ook als de veiligheidsgordel weer losgemaakt wordt als het contact in stand ON staat.
Als u de veiligheidsgordel nog steeds niet draagt en de rijsnelheid hoger wordt dan 9 km/h, zal het brandende waarschuwingslampje gaan knipperen totdat de rijsnelheid lager wordt dan 6 km/h.
Als u door blijft rijden zonder dat u de veiligheidsgordel draagt en sneller gaat rijden dan 20 km/h, zal de waarschuwingszoemer gedurende ongeveer 100 seconden klinken en zal het desbetreffende waarschuwingslampje gaan knipperen.
*AANWIJZING
- Het waarschuwingslampje voor de gordel voor de voorpassagier bevindt zich in de middenconsole.
- Ook als er geen passagier op de stoel zit, zal het waarschuwingslampje gedurende 6 seconden knipperen of branden.
- De waarschuwing voor de gordel van de voorpassagier kan in werking treden als bagage op de voorpassagiersstoel wordt geplaatst.

Achter (indien van toepassing)
Als het contact in stand ON wordt gezet (motor loopt niet) terwijl de driepuntsgordel van de achterpassagier niet is vastgemaakt, gaat het desbetreffende waarschuwingslampje voor de veiligheidsgordel gedurende 35 seconden branden.
Vervolgens gaat het desbetreffende waarschuwingslampje gedurende ongeveer 35 seconden branden als één van de volgende situaties zich voordoet;
- U start de motor terwijl de veiligheidsgordel achter niet is vastgemaakt.
- U rijdt harder dan 9 km/h terwijl de veiligheidsgordel achter niet is vastgemaakt.
- De veiligheidsgordel achter wordt losgemaakt terwijl u langzamer dan 20 km/h rijdt.
Als de veiligheidsgordel achter wordt vastgemaakt, zal het waarschuwingslampje onmiddellijk doven.
Als de veiligheidsgordel achter wordt losgenomen bij een snelheid die hoger is dan 20 km/h, zal gedurende 35 seconden het bijbehorende waarschuwingslampje gaan knipperen en de waarschuwingszoemer klinken.
Maar als de veiligheidsgordel tweemaal losgenomen wordt binnen 9 seconden nadat de gordel is omgedaan, zal het waarschuwingslampje voor de veiligheidsgordel niet werken.

Driepuntsgordel
Vastmaken van uw gordel:
Trek de gordel uit de blokkeerautomaat en plaats de metalen gesp (1) in de gordelsluiting (2). Wanneer de gesp in de gordelsluiting vergrendelt, is een klik hoorbaar.
De veiligheidsgordel kan zich alleen automatisch tot de juiste lengte oprollen als u eerst handmatig het heupgedeelte van de gordel strak over uw heupen trekt. Als u zich langzaam voorover beweegt, rolt de gordel af en heeft u een maximale bewegingsruimte. Bij een noodstop of een aanrijding echter zal de gordel geblokkeerd worden. Daarnaast zal de gordel blokkeren wanneer u te snel naar voren buigt.
*AANWIJZING
Als het u niet lukt om de veiligheids-gordel uit de blokkeerautomaat te trekken, trek dan krachtig aan de gordel en laat deze vervolgens los. U kunt dan de gordel gemakkelijk uittrekken.

Hoogteverstelling (vóór)
U kunt de hoogte van het bovenste bevestigingspunt in vier standen afstellen voor maximaal comfort en een maximale veiligheid.
De veiligheidsgordel mag niet te dicht langs de nek lopen. Het schoudergedeelte van de gordel moet zodanig zijn aangepast dat het over de borst en het midden van de schouder loopt, en nooit over de nek.
Verhoog of verlaag het bovenste bevestigingspunt van de veiligheids-gordel tot de juiste hoogte.
Trek het bovenste bevestigingspunt (1) omhoog om het hoger af te stellen. Druk het bovenste bevestigingspunt omlaag (3) en houd daarbij de knop (2) ingedrukt om het bovenste bevestigingspunt lager af te stellen.
Laat de knop los om het bovenste bevestigingspunt in de ingestelde positie te blokkeren. Probeer het bovenste bevestigingspunt omhoog of omlaag te schuiven om te controleren of het geblokkeerd is.
WAARSCHUWING
- Controleer of het bovenste bevestigingspunt op de juiste hoogte geblokkeerd is. Laat het schoudergedeelte van de gordel nooit langs uw nek of over u gezicht lopen. Een onjuist gedragen veiligheidsgordel kan bij een aanrijding leiden tot ernstig letsel.
- Als u de veiligheidsgordels na een aanrijding niet laat vervangen, kan het gebeuren dat ze u bij een eventuele volgende aanrijding niet goed beschermen, waardoor ernstig letsel kan ontstaan. Laat de veiligheidsgordels van uw auto na een aanrijding zo snel mogelijk vervangen.

U moet het heupgedeelte van de veiligheidsgordel zo laag mogelijk over uw heupen dragen en niet over uw middel. Als u de gordel te hoog over uw middel draagt, neemt de kans op letsel bij een aanrijding toe. Draag de gordel niet onder of over uw beide armen. De gordel moet over de ene arm en onder de andere arm door lopen, zoals aangegeven in de afbeelding.
Draag nooit de schoudergordel onder de arm door die zich het dichtst bij het portier bevindt.

Losmaken van de gordel:
De gordel kan worden losgemaakt door op de ontgrendelknop (1) van de gordelsluiting te drukken. Als de gordel losgemaakt is, moet hij automatisch oprollen.
Controleer als dat niet gebeurt of de gordel niet gedraaid is en probeer het opnieuw.

Middelste driepuntsgordel achter Vastmaken van de middelste gordel achter
- Haal de gespen uit de uitsparing in de afdekkap van de gordel en trek de gespen langzaam uit de blokkeerautomaat.
! OPMERKING - Lading
Zorg ervoor dat voorwerpen in de bagageruimte veilig geplaatst zijn. Als dit niet het geval is, kan de middelste veiligheidsgordel achter beschadigd raken bij krachtig remmen of een aanrijding.

- Steek de gesp (A) in de opening van de gordelsluiting (C) totdat een klik hoorbaar is. De klik geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is. Zorg ervoor dat de gordel niet verdraaid zit.

- Trek aan de gesp (B) en steek deze in de opening van de gordelsluiting (D) totdat een klik hoorbaar is. De klik geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is. Zorg ervoor dat de gordel niet verdraaid zit.
! OPMERKING
Gebruik voor het bevestigen van de middelste veiligheidsgordel achter de gordelsluiting met de aanduiding CENTER.
Wanneer de gesp in de gordelsluiting wordt vergrendeld, is een klik hoorbaar. De gordellengte wordt automatisch aangepast als de heupgordel met de hand goed passend om de heupen is gelegd. Wanneer u langzaam naar voren buigt, rolt de gordel af zodat u meer bewegingsruimte hebt. Bij een noodstop of een aanrijding zal de gordel geblokkeerd worden. Daarnaast zal de gordel blokkeren wanneer u te snel naar voren buigt.
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat alle gespen in de gordelsluitingen zijn vergrendeld wanneer u de gordel van de middelste zitplaats achter gebruikt. Wanneer een gesp niet in de gordelsluiting is vergrendeld, neemt de kans op letsel bij een aanrijding toe.

Losmaken van de middelste gordel achter
- Druk de ontgrendelknop in op de gordelsluiting (D) en haal de gesp (B) uit de gordelsluiting (D).

- Steek, om de middelste gordel achter te laten oprollen, de gesp, een sleutel of een vergelijkbaar klein en stevig voorwerp in de opening (C) van de gordelsluiting. Trek de gordel (A) omhoog en laat deze automatisch oprollen.

- Steek de gespen in de uitsparing van de afdekkap van de gordel.

*Het onderdeel wijkt mogelijk af van de afbeelding.
Opbergen van veiligheidsgordels achter
Als de veiligheidsgordels achterin niet gebruikt worden, kunnen de gordels-luitingen in het opbergvak tussen rugleuning in zitting worden geschoven.

Door de veiligheidsgordel door de geleider te leiden wordt voorkomen dat ze achter of onder de achterbank bekneld raken.
Trek, nadat de veiligheidsgordel is vastgemaakt, de band strak door hem richting de blokkeerautomaat te bewegen.

OPMERKING
Gebruik de veiligheidsgordels alleen nadat u deze uit de geleider hebt genomen. Als u aan de veiligheidsgordel trekt wanneer deze zich in de geleider bevindt, kan de geleider en/of de band beschadigen.

Gordelspanner veiligheidsgordel (indien van toepassing)
De veiligheidsgordels van de bestuurder en voorpassagier zijn uitgerust met gordelspanners. Het doel van de gordelspanner is ervoor te zorgen dat de veiligheidsgordel strak tegen het lichaam van de inzittende ligt bij bepaalde frontale aanrijdingen. De gordelspanners kunnen worden geactiveerd als een frontale aanrijding ernstig genoeg is.
Wanneer plotseling wordt afgeremd of wanneer de inzittende te snel voorover probeert te buigen, wordt de gordel door de blokkeerautomaat vergrendeld. Bij bepaalde frontale aanrijdingen zal de gordelspanner echter geactiveerd worden en zal deze de gordel strakker om het lichaam van de inzittende trekken.
Als de gordelspanner wordt geactiveerd en het systeem registreert dat de spankracht van één of beide veiligheidsgordels te groot wordt, zorgt een spankrachtbegrenzer ervoor dat de gordel iets wordt gevierd. (indien van toepassing)
*AANWIJZING - indien
uitgerust met koprolsensor
De gordelspanner wordt niet alleen geactiveerd bij een frontale aanrijding, maar ook bij een aanrijding van opzij of bij over de kop slaan, als de auto is uitgerust met een zijairbag of een curtain airbag.
*AANWIJZING
- zonder koprolsensor
De gordelspanner wordt niet alleen geactiveerd bij een frontale aanrijding, maar ook bij een aanrijding van opzij, als de auto is uitgerust met een zijairbag of een curtain airbag.

Het gordelspannersysteem bestaat hoofdzakelijk uit de volgende onderdelen. De plaats hiervan wordt in de afbeelding aangegeven:
- Waarschuwingslampje AIRBAG
- Blokkeerautomaat met gordelspanner
- Bevestiging gordelspanner bestuurderszijde
- Airbagmodule
WAARSCHUWING
Voor een optimale werking van de gordelspanner:
- De veiligheidsgordel moet goed werken en goed afgesteld zijn. Lees a.u.b. de informatie en de voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de veiligheids- systemen - inclusief veiligheids- gordels en airbags - in uw auto in deze handleiding zorgvuldig door en volg de aanwijzingen op.
- Zorg ervoor dat u en uw passagiers de veiligheidsgordels te allen tijde op de juiste manier dragen.
*AANWIJZING
- Wanneer de gordelspanners geactiveerd worden, kan een luide knal hoorbaar zijn en kan er fijn stof, dat doet denken aan rook, zichtbaar worden in het passagierscompartiment. Dat zijn normale verschijnselen en het stof is niet schadelijk.
- De fijne stof is normaal gesproken onschadelijk, maar kan bij personen met een gevoelige huid irritatie veroorzaken. Tevens dient langdurig inademen van de stof vermeden te worden. Was de aan het stof blootgestelde huid zorgvuldig na een ongeval waarbij de gordelspanners zijn geactiveerd.
*AANWIJZING
Omdat de sensor die de airbag activeert in verbinding staat met de gordelspanner, zal het waarschuwingslampje AIRBAG (2) in het dashboard gedurende ongeveer 6 seconden gaan branden nadat het contact in stand ON wordt gezet. Daarna zou het lampje uit moeten gaan.
! OPMERKING
Als de gordelspanner niet goed werkt, zal dit waarschuwingslampje gaan branden, ook al is er geen defect aan het airbagsysteem. Als het waarschuwingslampje AIRBAG niet gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet, als het niet dooft nadat het gedurende ongeveer 6 seconden heeft gebrand, of als het gaat branden tijdens het rijden, laat dan het gordelspanner- en/of het airbag-systeem zo spoedig mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.
WAARSCHUWING
- Gordelspanners zijn ontworpen voor eenmalig gebruik. Nadat een gordelspanner is geactiveerd, moet deze worden vervangen. Alle veiligheidsgordels die tijdens een aanrijding zijn gebruikt, moeten compleet vervangen worden.
- Het mechanisme van de gordelspanners wordt tijdens het activeren heet. Raak de onderdelen van het gordelspannersysteem niet aan nadat ze geactiveerd zijn.
- Probeer nooit zelf de gordelspanners te controleren of te vervangen. Laat dit over aan een officiële KIA-dealer.
- Sla niet op de onderdelen van het gordelspannersysteem.
- Probeer nooit, op wat voor manier dan ook, onderhoud of reparaties uit te voeren aan het gordelsysteem.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Een onjuiste behandeling van de onderdelen van het gordelspannersysteem en het niet opvolgen van de waarschuwingen kunnen leiden tot een onvolledige werking of het onverhoeds activeren van de gordelspanner en tot ernstig letsel.
- Draag te allen tijde de veiligheidsgordel wanneer u in een auto rijdt of meerijdt.
- Als de auto of de gordelspanner moet worden afgevoerd, dient u contact op te nemen met een officiële KIA-dealer.
Voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de veiligheidsgordels

WAARSCHUWING
Alle inzittenden moeten te allen tijde hun veiligheidsgordel dragen. Veiligheidsgordels en kinderzitjes beperken de kans op letsel in geval van een aanrijding of een noodstop. Als de veiligheidsgordel niet gedragen wordt, kunnen de inzittenden te dicht bij een zich vullende airbag komen, delen in het interieur van de auto raken of uit de auto geslingerd worden. Juist gedragen veiligheidsgordels reduceren deze gevaren in aanzienlijke mate.
Volg altijd de voorzorgsmaatregelen met betrekking tot veiligheidsgordels, airbags en de veiligheid voor de inzittenden in dit instructieboekje zorgvuldig op.
Baby's en kleine kinderen
Houd u bij het vervoer van baby's en kleine kinderen aan de wettelijke voorschriften. Baby- en kinderzitjes moeten op de juiste manier op de achterbank worden geplaatst en gemonteerd. Raadpleeg voor meer informatie over baby- en kinderzitjes "Kinderzitjes" in dit hoofdstuk.

WAARSCHUWING
Elke inzittende in uw auto moet gebruik maken van de juiste beschermende systemen, inclusief baby's en kleine kinderen. Houd nooit een kind op uw schoot of in uw armen in een rijdende auto. Door de grote krachten die bij een aanrijding optreden zal het kind uit uw armen en door het interieur geslingerd worden. Gebruik altijd een kinderzitje dat geschikt is voor de lengte en het gewicht van het kind dat er in vervoerd moet worden.
*AANWIJZING
Kleine kinderen zijn bij een aanrijding het best beschermd als ze goed vastgezet op de achterbank vervoerd worden in een wettelijk goedgekeurd kinderzitje. Controleer voor de aanschaf van een kinderzitje of het voorzien is van een label waarop staat dat het desbetreffende zitje wettelijk goedgekeurd is. Het kinderzitje moet geschikt zijn voor de lengte en het gewicht van het kind dat er in vervoerd moet worden. Ook deze informatie moet op het label van het kinderzitje vermeld staan. Raadpleeg "Kinderzitjes" in dit hoofdstuk.
Grotere kinderen
Kinderen die te groot zijn voor een kinderzitje moeten plaatsnemen op de achterbank en gebruik maken van de aanwezige driepuntsgordels. Het heupgedeelte van de gordel moet zo strak en laag mogelijk gedragen worden. Controleer regelmatig of de gordel goed aanligt. Door de bewegingen van het kind kan de gordel niet meer in de juiste positie komen te liggen. Bij een aanrijding zitten kinderen het veiligst op de achterbank als ze op de juiste manier gebruik maken van de veiligheids-gordels. Als een groter kind (ouder dan 12) op de voorstoel vervoerd moet worden, moet het kind de driepuntsgordel op de juiste manier dragen en moet de stoel zo ver mogelijk naar achteren worden geplaatst. Kinderen tot en met 12 jaar moeten altijd plaatsnemen op de achterbank en de gordel op de juiste manier dragen. Kinderen tot en met 12 jaar moeten altijd plaatsnemen op de achterbank en de gordel op de juiste manier dragen. Vervoer NOOIT een kind jonger dan 13 jaar op de voorstoel. Gebruik NOOIT een kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar achteren gericht op de voorstoel zit.
Probeer het kind verder naar het midden plaats te laten nemen wanneer het schoudergedeelte over de hals of het gezicht van het kind loopt. Maak gebruik van een kinderzitje wanneer de schoudergordel hun gezicht of hals nog steeds raakt.
WAARSCHUWING
- Schoudergordels en kleine kinderen
- Laat een schoudergordel nooit het gezicht of de hals van een kind raken tijdens het rijden.
- Als de veiligheidsgordels niet op de juiste manier worden gedragen en afgesteld zijn, kan een kind ernstig letsel oplopen.
Zwangere vrouwen
Ook zwangere vrouwen wordt geadviseerd de veiligheidsgordel te dragen om de kans op letsel bij een aanrijding te beperken. Draag het heupgedeelte van de gordel zo laag en strak mogelijk over de heupen, niet over het middel. Neem voor meer informatie contact op met een arts.
WAARSCHUWING
- Zwangere vrouwen
Zwangere vrouwen mogen het heupgedeelte van de veiligheids-gordel nooit over of boven de onderbuik dragen.
Gehandicapten
Ook gehandicapten die in de auto vervoerd worden, moeten gebruik maken van de veiligheidsgordel. Neem indien nodig voor meer informatie contact op met een arts.
Een persoon per veiligheidsgordel
Een enkele gordel mag nooit gedragen worden door twee personen (ook niet door een volwassene en een kind). Als dat wel gedaan wordt, kan dat bij een aanrijding resulteren in ernstig letsel.
Zet de rugleuning niet horizontaal
Om de kans op letsel bij een aanrijding te beperken en de veiligheidsgordels zo effectief mogelijk te gebruiken, moeten alle inzittenden rechtop zitten en moeten de rugleuningen tijdens het rijden zo rechtop mogelijk staan. Als een inzittende op de achterbank ligt of als de rugleuningen te ver horizontaal staan, kan de gordel onvoldoende bescherming bieden.
WAARSCHUWING
Als de rugleuning te ver horizontaal staat, neemt de kans op letsel bij een aanrijding of een noodstop aanzienlijk toe. De bescherming die de veiligheidssystemen (veiligheidsgordels en airbags) bieden, neemt aanzienlijk af als de rugleuning te ver horizontaal staat. De veiligheidsgordel moet strak over uw heupen en borst lopen voor een maximale effectiviteit. Hoe verder de rugleuning naar achteren staat, hoe groter de kans is dat de inzittende bij een aanrijding onder het heupgedeelte van de gordel door schiet of dat de nek in aanraking komt met het schoudergedeelte van de gordel. Bestuurder en passagiers moeten altijd goed in hun stoel zitten, de gordel op de juiste manier dragen en de rugleuning zo ver mogelijk rechtop zetten.
Verzorging van de veiligheidsgordels
Veiligheidsgordels mogen niet gedemonteerd of gemodificeerd worden. Verder moet er op worden gelet dat de gordels en de onderdelen daarvan niet beschadigd worden door de scharnieren van de stoelen, de portieren of anderszins.
WAARSCHUWING
Beschadig de veiligheidsgordel en de gesp niet als u de neergeklapte rugleuning van de achterbank weer in zijn oorspronkelijke positie zet. Zorg ervoor dat de gordel of gesp niet klem komen te zitten tussen de achterbank. Een beschadigde gordel of gesp is minder sterk en kan bij een aanrijding of noodstop dienst weigeren, waardoor ernstig letsel kan ontstaan. Laat een veiligheidsgordel onmiddellijk vervangen als het materiaal van de gordel of de gesp is beschadigd.
Periodieke controle
Alle veiligheidsgordels dienen regelmatig op slijtage of beschadigingen gecontroleerd te worden. Beschadigde onderdelen dienen zo spoedig mogelijk vervangen te worden.
Houd de gordels schoon en droog
De veiligheidsgordels moeten schoon en droog gehouden worden. Als ze vuil geworden zijn, kunnen ze worden gereinigd met een milde zeepoplossing en warm water. Bleekmiddelen, kleurstoffen, sterke oplosmiddelen of reinigingsmiddelen met schurende bestanddelen mogen niet worden gebruikt omdat ze het gordelmateriaal kunnen beschadigen of verzwakken.
Wanneer moeten de veiligheidsgordels vervangen worden
De veiligheidsgordels moeten in hun geheel worden vervangen als de auto bij een aanrijding betrokken is. Dat is ook het geval als de veiligheidsgordels niet zichtbaar beschadigd zijn. Neem voor meer informatie over de werking van de veiligheidsgordels contact op met een officiële KIA-dealer.
KINDERZITJES
Om de kans op letsel bij een ongeval, hard remmen of plotselinge manoeuvre te minimaliseren, kunnen kinderen het beste op de achterbank zitten en dienen ze altijd goed beschermd te zijn. Volgens ongevallenstatistieken zijn kinderen veiliger in een kinderzitje op de achterbank dan in een kinderzitje op de voorstoel. Grotere kinderen die niet in een kinderzitje zitten, dienen een van de in de auto aanwezige veiligheidsgordels te gebruiken.
Houd u bij het vervoer van baby's en kleine kinderen aan de wettelijke voorschriften. Baby- en kinderzitjes moeten op de juiste manier op de achterbank worden geplaatst en gemonteerd. Let er bij de aanschaf van een baby- of kinderzitje op of het desbetreffende zitje wettelijk goedgekeurd is.
Kinderzitjes zijn zodanig ontworpen dat ze met de heupgordel, het heupgedeelte van een driepuntsgordel of de bevestigingspunten en/of de ISOFIX-bevestigingen (indien van toepassing) aan de zitplaats bevestigd kunnen worden.
Zonder adequate bescherming kunnen kinderen ernstig letsel oplopen bij een ongeval. Kleine kinderen en baby's moeten in een kinderzitje geplaatst worden. Voordat u een bepaald kinderzitje koopt, moet u eerst controlleren of het in uw auto past en of het de juiste maat heeft voor uw kind. Volg bij het plaatsen van het kinderzitje altijd de gebruiksaanwijzing van de fabrikant.
WAARSCHUWING
- Een kinderzitje dient op de achterbank geplaatst te worden. Plaats een kinderzitje nooit op de passagiersstoel. Mocht er zich een ongeval voordoen waarbij de airbag voorpassagier opgeblazen wordt, dan kan de airbag een kind in een kinderzitje ernstig letsel toebrengen. Gebruik een kinderzitje daarom alleen op de achterbank van uw auto.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Aangezien een veiligheidsgordel of kinderzitje zeer warm kunnen worden in een gesloten voertuig dat in de zon heeft gestaan, dient u altijd de bekleding en gordelsluitingen te controleren voordat u uw kind in de auto zet, ook al is de buitentemperatuur niet hoog. Controleer de bekleding van het zitje en de gordelsluitingen voordat u het kind in het zitje zet.
- Plaats het baby-/kinderzitje in de bagageruimte of maak het vast met een veiligheidsgordel als het niet gebruikt wordt, zodat het niet naar voren geworpen wordt bij hard remmen of een ongeval.
- Kinderen kunnen ernstig letsel oplopen als een airbag geactiveerd wordt. Kinderen moeten altijd, ook als ze te groot zijn voor een kinderzitje, vervoerd worden op de achterbank.

WAARSCHUWING
Om de kans op ernstig letsel te beperken:
- Kinderen van elke leeftijd zijn veiliger als ze op de achterbank vervoerd worden. Een kind dat op de voorpassagiersstoel vervoerd wordt, kan ernstig letsel oplopen door een airbag die wordt geactiveerd.
- Volg altijd de montage-instructies en de aanwijzingen voor het gebruik van de fabrikant van het kinderzitje.
- Controleer altijd of het kinderzitje goed in uw auto gemonteerd is en of uw kind goed vastzit in het kinderzitje.
- Houd nooit een kind op uw schoot of in uw armen in een rijdende auto. Door de grote krachten die bij een aanrijding optreden zal het kind uit uw armen en door het interieur geslingerd worden.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Gebruik nooit één gordel voor uzelf en een kind. Bij een aanrijding kan een kind ernstig inwendig letsel oplopen omdat het kind zich tussen u en de gordel bevindt.
- Laat een kind nooit zonder toezicht achter in de auto - ook niet voor even. De temperatuur in de auto kan heel snel hoog oplopen, waardoor kinderen in de auto door de hitte bevangen kunnen worden. Ook zeer jonge kinderen kunnen per ongeluk de auto in beweging zetten, bekneld raken tussen de portierruiten of zichzelf of anderen insluiten in de auto.
- Laat nooit twee kinderen, of twee willekeurige andere personen, gebruik maken van een en dezelfde veiligheidsgordel.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Kinderen zitten zelden stil en op de juiste manier in een zitje. Let er op dat de schoudergordel bij het kind nooit onder de arm door of achter de rug loopt. Zet een kind altijd in de juiste positie op de achterbank en zet het kind goed vast.
- Laat een kind tijdens het rijden nooit knielen of staan op de zitting van een stoel of op de vloer. Bij een aanrijding of een noodstop kan het kind met grote kracht door het interieur van de auto geslingerd worden, waardoor het ernstig letsel kan oplopen.
- Gebruik nooit een kinderzitje dat over de rugleuning van een stoel "vasthaakt"; een dergelijk zitje biedt mogelijk geen adequate bescherming bij een ongeval.
- De veiligheidsgordels kunnen erg heet worden, vooral als de auto in de volle zon heeft gestaan. Controleer altijd of de gordelsluiting niet te heet is voordat u het kind vastzet.
Kinderzitjes waarin het kind met het gezicht naar achteren wordt vervoerd

Kinderzitjes waarin het kind met het gezicht naar voren wordt vervoerd

Gebruiken van een kinderzitje
Voor kleine kinderen en baby's is het gebruik van een kinderzitje wettelijk voorgeschreven. Dit kinderzitje moet de juiste maat hebben voor het kind en dient volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant te worden geplaatst.
Wij adviseren u het kinderzitje uit veiligheidsoverwegingen op de zitplaatsen achter te gebruiken.
WAARSCHUWING
Plaats nooit een kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar achteren gericht zit op de stoel van de voorpassagier. Wanneer de geactiveerde airbag het zitje met een grote kracht raakt, kan het kind ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING
- Plaatsen van het kinderzitje
- Een kind kan bij een aanrijding ernstig letsel oplopen als het kinderzitje niet goed gemonteerd is of als het kind niet goed vastgezet is in het kinderzitje. Lees voor u het kinderzitje installeert eerst de handleiding van de fabrikant.
- Als de veiligheidsgordel niet functioneert zoals beschreven staat, ga dan onmiddellijk naar uw officiële KIA-dealer om het systeem na te laten kijken.
- Wanneer u de aanwijzingen in dit instructieboekje en de instructies bij het kinderzitje niet opvolgt, neemt de kans op en de ernst van letsel bij een aanrijding toe.

Bevestigen van een kinderzitje met een driepuntsgordel
Volg voor het installeren van een kinderzitje op de buitenste zitplaatsen de volgende stappen:
- Plaats het baby- of kinderzitje op de achterbank en laat de veiligheids-gordel om of door het zitje lopen, afhankelijk van de instructies van de fabrikant van het zitje. Zorg ervoor dat de gordel niet verdraaid zit.

- Zet de gesp vast in de gordelsluiting. Controleer of een klikkend geluid hoorbaar is.
Plaats de ontgrendelknop zo dat deze in geval van nood gemakkelijk bereikbaar is.

- Maak de gordel vast en zorg ervoor dat de gordel overal goed aansluit. Controleer na het installeren of het kinderzitje goed vastzit door het in alle richtingen te bewegen.
Als de gordel strakker moet, beweeg dan meer band richting de blokkeerautomaat. Wanneer u de gordel losmaakt zodat die ingetrokken wordt, gaat de blokkeerautomaat automatisch terug naar de stand waarin hij normaal blokkeert in een noodsituatie.
Geschiktheid kinderzitje voor gebruik van de veiligheidsgorde
Gebruik een veiligheidssysteem voor kinderen dat officieel is goedgekeurd en dat voor uw kinderen geschikt is. Raadpleeg de volgende tabel bij het gebruik van kinderstoelen.
| Gewichtsgroep | Positie | ||
| Voorpassagier | Buitenste achter | Middelste achter | |
| 0 :Tot 10 kg(0 - 9 maanden) | U^* | U | U |
| 0+ :Tot 13 kg(0 - 2 jaar) | U^* | U | U |
| I :9 kg - 18 kg(9 maanden - 4 jaar) | U^* | U | U |
| II & III : 15 kg - 36 kg(4 - 12 jaar) | U^* | U | U |
U : Geschikt voor de categorie "universele" zitjes, goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
U*: Geschikt voor de categorie "universele" zitjes, goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse (Zitpositie: helemaal naar voren, Rugleuning: volledig rechtop)
WAARSCHUWING
Geadviseerd wordt een kinderzitje altijd op de achterbank te plaatsen, ook al is de airbag voorpassagier UIT geschakeld met de AAN/UIT-schakelaar. Om de veiligheid voor uw kind te garanderen, moet de airbag voorpassagier worden uitgeschakeld wanneer u omdat het niet anders kan een kinderzitje op de voorstoel monteert.

Monteren van een kinderzitje met behulp van een systeem met bevestigingsbanden (indien van toepassing)
De haakhouders voor het kinderzitje bevinden zich aan de achterzijde van de rugleuningen van de achterstoelen.

- Voer de band van het kinderzitje over de rugleuning.
Voer bij voertuigen met verstelbare hoofdsteun de band onder de hoofdsteun en tussen de stijlen van de hoofdsteun door. Voer in andere gevallen de band over de bovenkant van de hoofdsteun.
- Bevestig de band van het kinderzitje aan het bevestigingspunt en trek de band strak om het zitje vast te zetten.
WAARSCHUWING
Een kind kan bij een aanrijding ernstig letsel oplopen als het kinderzitje niet goed gemonteerd is of als het kind niet goed vastgezet is in het kinderzitje. Volg altijd de aanwijzingen van de fabrikant voor de montage en het gebruik van het zitje.
Monteer niet meer dan één kinderzitje aan de bevestigingspunten. Het extra gewicht kan ertoe leiden dat de bevestigingspunten of -banden afbreken, wat ernstig letsel kan veroorzaken.

WAARSCHUWING
- Controle van een kinderzitje
Controleer of het kinderzitje goed vastzit door te proberen het in verschillende richtingen te duwen en te trekken. Een niet goed gemonteerd kinderzitje kan kantelen, verdraaien, overhellen of losraken, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.

WAARSCHUWING
- Bevestigingspunten voor een kinderzitje
- De bevestigingspunten zijn alleen berekend op de belasting die er op wordt uitgeoefend door een juist gemonteerd kinderzitje. Ze mogen in geen geval worden gebruikt voor de bevestiging van veiligheidsgordels voor volwassenen of voor de bevestiging van andere componenten in de auto.
- De band biedt misschien onvoldoende bescherming als hij aan een ander dan het speciaal hiervoor bedoelde bevestigingspunt is gemonteerd.

Monteren van een kinderzitje met behulp van een ISOFIX-systeem en een systeem met bevestigingsbanden (indien van toepassing)
ISOFIX is een gestandaardiseerde methode voor het monteren van kinderzitjes die een einde maakt aan het vastmaken van kinderzitjes met de standaard veiligheidsgordel. Hierdoor is een veel veiligere en meer betrouwbare bevestiging mogelijk en verloopt bovendien het installeren een stuk eenvoudiger en sneller.
Een ISOFIX-kinderzitje mag alleen worden gebruikt als het specifiek is goedgekeurd voor uw auto of universeel is goedgekeurd volgens de eisen die gesteld zijn in de Europese norm ECE-R 44.

Aan de onderzijde van de rugleuningen achter zijn ISOfix-labels aangebracht. Deze symbolen geven de bevestigingspunten voor baby- of kinderzitjes aan, indien aanwezig.

Volg bij het installeren en gebruiken van een kinderzitje de installatiehandleiding die bij het ISOFIX-zitje wordt geleverd.
Beide buitenste zitplaatsen achter zijn uitgerust met ISOFIX-bevestigingspunten en een bijbehorende bevestiging voor de bovenste band op de achterzijde van de rugleuning. De ISOFIX-bevestigingspunten bevinden zich tussen de zitting en de rugleuning en zijn gemarkeerd met het ISOFIX-pictogram.
Bij het bevestigen moeten CRS ISOFIX-gespen in de ISOFIX-bevestigingspunten van de auto worden geklikt (luister of u een klik hoort en controleer mogelijke visuele aanwijzingen op de CRS en controleer extra door te trekken).
CRS met universele goedkeuring tot ECE-R 44 moet aanvullend worden bevestigd met een bovenste band die is verbonden met het overeenkomstige bevestigingspunt in de rugleuning.
WAARSCHUWING
Als een kinderzitje op de achterbank is geplaatst met behulp van de ISOFIX-bevestigingen, moeten alle ongebruikte gordels op de achterbank worden vastgemaakt in de gordelsluitingen en moet de gordel op de plaats van het kinderzitje achter het zitje worden vastgemaakt om ervoor te zorgen dat de gordel buiten bereik van het kind blijft. Bij losse gespen of gordelsluitingen kan het kind in het kinderzitje verstrikt raken en ernstig letsel oplopen.
Vastzetten van het kinderzitje:
- Om het kinderzitje vast te zetten in het ISOFIX-bevestigingspunt dient u de vergrendeling van het kinderzitje in het ISOFIX-bevestigingspunt vast te klikken. Controleer of een klikkend geluid hoorbaar is.

OPMERKING
Zorg dat het materiaal van de veiligheidsgordel achter tijdens het plaatsen niet beschadigd wordt of bekneld raakt tussen de ISOfixbevestigingen.
- Plaats de haak van de band in de haakhouder van het kinderzitje en trek de band strak om het zitje vast te zetten. (Zie de vorige bladzijde.)

WAARSCHUWING
- Installeer geen kinderzitje in het midden van de achterbank met behulp van de ISOFIX-bevestigingen. De ISOFIX-bevestigingen zijn alleen bedoeld voor de buitenste zitplaatsen links en rechts op de achterbank. Misbruik de ISOFIX-bevestigingen niet door te proberen een kinderzitje in het midden van de achterbank te monteren.
Bij een ongeval zijn de ISOFIX-bevestigingen voor een kinderzitje dan mogelijk niet sterk genoeg om het kinderzitje op zijn plaats te houden in het midden van de achterbank. De bevestigingen kunnen dan afbreken en ernstig letsel veroorzaken.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Monteer niet meer dan één kinderzitje aan een van de onderste bevestigingspunten. Het extra gewicht kan ertoe leiden dat de bevestigingspunten of -banden afbreken, wat ernstig letsel kan veroorzaken.
- Bevestig het ISOFIX-kinderzitje of het voor ISOFIX geschikte kinderzitje alleen aan de daarvoor bestemde bevestigingspunten, zoals aangegeven in de afbeelding.
- Volg altijd de instructies voor installatie en gebruik van de fabrikant van het kinderzitje.
Geschikte ISOfix-bevestigingspunten voor een kinderzitje
| Gewichtsgr. | BepvestigingAfmetingenVoorpassagier | ISOfix-posities in auto | ||||
| Buitenste achter(Bestuurderszijde) | Buitenste achter(Passagierszijde) | Middelste achter | ||||
| Reiswieg | F | ISO/L1 | - | X | X | - |
| G | ISO/L2 | - | X | X | - | |
| 0: tot 10 kg | E | ISO/R1 | - | IUF | IUF | - |
| 0+: tot 13 kg | E | ISO/R1 | - | IUF | IUF | - |
| D | ISO/R2 | - | IUF | IUF | - | |
| C | ISO/R3 | - | IUF | IUF | - | |
| I: 9 tot 18 kg | D | ISO/R2 | - | IUF | IUF | - |
| C | ISO/R3 | - | IUF | IUF | - | |
| B | ISO/F2 | - | IUF | IUF | - | |
| B1 | ISO/F2X | - | IUF | IUF | - | |
| A | ISO/F3 | - | IUF | IUF | - | |
IUF = Geschikt voor ISOfix-bevestiging van naar voren gerichte, universele voor deze gewichtsgroep goedgekeurde kinderzitjes.
IL = Geschikt voor bepaalde ISOfix-baby- of kinderzitjes die zijn opgesomd in onderstaande lijst. Al deze ISOfix-zitjes vallen in de groepen 'voertuigspecifiek', 'universeel' of 'semi-universeel'.
X = ISOFIX bevestiging niet geschikt voor kinderzitje in deze gewichtsgroep en/of deze grootteklasse.
* Zowel ISO/R2 als ISO/R3 kan alleen op de voorste positie van de passagiersstoel geplaatst worden.
* Afmetingen en bevestigingspunten ISOfix-baby- of kinderzitje
A - ISO/F3: Volledig baby-/kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar voren gericht zit (hoogte 720 mm)
B - ISO/F2: Babyzitje waarbij het kind met het gezicht naar voren gericht zit (hoogte 650 mm)
B1 - ISO/F2X: Babyzitje (versie 2) waarbij het kind met het gezicht naar voren gericht zit (hoogte 650 mm)
C - ISO/R3: Volledig baby-/kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar achteren gericht zit (hoogte 720 mm)
D - ISO/R2: Babyzitje waarbij het kind met het gezicht naar achteren gericht zit
E - ISO/R1: Kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar achteren gericht zit
F - ISO/L1: Reiswieg waarbij het kind met het gezicht naar links gericht ligt
G - ISO/L2: Reiswieg waarbij het kind met het gezicht naar rechts gericht ligt
Aanbevolen kinderzitjes
| Gewichtsgroep Naam Fabrikant Type bevestiging | ECE-R44 goedkeuringsnr. | |||
| Groep 0-1(0-18kg) | FAIR G0/1 S FAIR S.r.l | Met het gezicht naar achteren gericht met specifiek ISOfix-platform, type “D” | E4 04443718 | |
| Baby Safe Plus Britax Römer Met driepunts veiligheidsgordel van de auto E1 04301146 | ||||
| Groep 1(9-18kg) | FAIR G0/1 S FAIR S.r.l | Met het gezicht naar voren gericht met specifiek ISOfix-platform, type “A” | E4 04443718 | |
| Duo Plus + bovenste bevestigingsband | Britax Römer | Onderste ISOfix-bevestigingspunt | E1 04301133 | |
| Britax Römer Met | driepunts veiligheidsgordel van de auto E1 04301133 | |||
CRS-fabrikantinformatie
FAIR S.r.l http://www.fairbimbofix.com
Britax Römer http://www.britax.com
AANVULLEND VEILIGHEIDSSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)

(1) Airbag bestuurder
(2) Airbag voorpassagier*
(3) Zijairbag*
(4) Curtain airbag*
* indien van toepassing

WAARSCHUWING
Zelfs in auto's uitgerust met airbags, dienen u en uw passagiers te allen tijde de aanwezige veiligheidsgordels te dragen om de kans op letsel of de ernst daarvan bij een aanrijding of bij het over de kop slaan van de auto te beperken.
OLM039301
Werking van airbagsysteem
- De airbags kunnen alleen worden geactiveerd als het contact in stand ON of START staat.
- De airbags worden bij zwaardere aanrijdingen van voren of opzij (indien zijairbags en/of curtain airbags aanwezig zijn) onmiddellijk geactiveerd om de inzittenden te beschermen tegen letsel.
*AANWIJZING - indien uitgerust met koprolsensor
De airbags worden bij over de kop slaan (indien zijairbags of curtain airbags aanwezig zijn) onmiddellijk geactiveerd om de inzittenden te beschermen tegen ernstig letsel.
- Er is geen bepaalde snelheid waarbij de airbags worden geactiveerd.
Of de airbags worden geactiveerd, hangt voornamelijk af van de kracht en de richting van de aanrijding. Deze twee factoren bepalen of de sensoren een elektronisch activeringssignaal uitzenden.
- Of de airbags al dan niet opgeblazen worden, is afhankelijk van een aantal factoren, zoals de rijsnelheid, de hoek van de aanrijding, de massa en de stijfheid van de bij de aanrijding betrokken auto's of objecten. Ook andere factoren kunnen een rol spelen.
- De airbags vóór worden direct volledig opgeblazen, waarna ze meteen weer leeglopen.
Het is vrijwel onmogelijk om tijdens een ongeval waar te nemen dat de airbags opgeblazen worden. Het is aannemelijker dat u de leeggelopen airbags na de aanrijding uit het stuurwiel of het dashboard ziet hangen.
- Om bij een zware aanrijding bescherming te bieden, moeten de airbags snel opgeblazen worden. De snelheid waarmee de airbag opgeblazen wordt is het gevolg van de extreem korte tijd waarbinnen een aanrijding plaatsvindt en de noodzaak om de airbag tussen de inzittende en de delen van de auto te krijgen voordat de inzittende in contact komt met delen van de auto. De snelheid waarmee de airbags worden opgeblazen, beperkt de kans op ernstig letsel bij een zware aanrijding en vormt daarom een belangrijk deel van het ontwerp van de airbags.
Het opblazen van een airbag kan echter ook letsel zoals schaafwonden, blauwe plekken en botbreuken, en soms nog ernstiger letsel veroorzaken omdat de snelheid waarmee de airbags worden opgeblazen wordt tot gevolg heeft dat de airbags met veel kracht uitzetten.
- Er zijn zelfs omstandigheden waaronder het contact met de airbag in het stuurwiel tot ernstig letsel kan leiden, vooral wanneer de inzittende te dicht op het stuurwiel zit.
WAARSCHUWING
- Om ernstig letsel te voorkomen, moet de bestuurder altijd zo ver mogelijk van het stuurwiel afzitten (ten minste 250 mm). De voorpassagier moet de stoel altijd zo ver mogelijk naar achteren schuiven en helemaal achterin de stoel gaan zitten.
- De airbags worden bij een aanrijding onmiddellijk geactiveerd en door de grote kracht waarmee dit gebeurt, kunnen de passagiers ernstig gewond raken als ze te dicht bij de airbag zitten.
- Het activeren van de airbags kan letsel veroorzaken zoals schaafwonden, verwondingen als gevolg van gebroken brillen en brandwonden die het gevolg zijn van de explosieve lading van de airbags.
Geluid en rookontwikkeling
Bij het opblazen van de airbags is een hard geluid hoorbaar en komt rook en poeder vrij. Dit is normaal en wordt veroorzaakt doordat het ontstekingsmechanisme van de airbag geactiveerd wordt. Nadat de airbags opgeblazen zijn, kunt u een poosje last hebben bij het ademhalen doordat uw borstkas in contact is geweest met zowel de veiligheidsgordel als de airbag en doordat u de rook en het poeder hebt ingeademd. Wij adviseren u ten zeerste om na een aanrijding zo snel mogelijk de portieren en/of de ruiten te openen, om te voorkomen dat u te lang in aanraking blijft met de rook.
Hoewel de rook en het poeder niet giftig zijn, kunnen deze wel huidirritaties veroorzaken in de buurt van ogen, neus en hals. Was in dat geval de desbetreffende plek schoon en spoel deze met koud water na. Raadpleeg een dokter als de symptomen aanhouden.
WAARSCHUWING
Als de airbags gactiveerd zijn, zijn de bij het airbagsysteem behorende onderdelen in het stuurwiel en/of instrumentenpaneel en/of de dakrails boven de voor- en achterportieren zeer heet. Raak de onderdelen van het airbagsysteem niet aan direct nadat een airbag opgeblazen is, om letsel te voorkomen.

Het is verboden om een kinderzitje op de voorstoel te plaatsen.
Gebruik nooit een kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar achteren gericht op de voorstoel zit. Als de airbag wordt opgeblazen, oefent deze op een dergelijk geplaatst kinderzitje een grote kracht uit, waardoor het kind ernstig letsel kan oplopen.
Gebruik op de voorstoel ook geen kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar voren is gericht. Als de airbag voorpassagier wordt geactiveerd, zou dit ernstig letsel bij het kind kunnen veroorzaken.
Als uw auto is voorzien van een ON/OFF-schakelaar voor de airbag voorpassagier, kan de airbag van de voorpassagier indien nodig worden in- of uitgeschakeld.
Zie voor meer informatie pagina 3-45.
WAARSCHUWING
- Plaats nooit een kinderzitje dat tegen de rijrichting in moet worden geplaatst op een stoel waarvoor een airbag zit.
- Gebruik nooit een kinderzitje op de voorstoel. Als de airbag voorpassagier wordt geactiveerd, zou dit ernstig letsel kunnen veroorzaken.
- Als het kinderzitje op één van de buitenste zitplaatsen achter wordt geplaatst bij uitvoeringen met zijairbags, zorg er dan voor dat het kinderzitje zo ver mogelijk weg van het portier wordt geplaatst en zet het goed vast. Door het activeren van de zijairbag of curtain airbag zou deze ernstig letsel kunnen veroorzaken.

Waarschuwingslampje AIRBAG
Het doel van het waarschuwingslampje AIRBAG in het dashboard is om u te waarschuwen voor een mogelijke storing in de airbag - het aanvullend veiligheidssysteem (SRS).
Als het contact in stand ON wordt gezet, moet het lampje gedurende ongeveer 6 seconden gaan knipperen en daarna uitgaan.
Laat het systeem controleren wanneer:
- Het lampje niet kort gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet.
- Het lampje na ongeveer 6 seconden niet uitgaat maar blijft branden.
- Het lampje gaat branden tijdens het rijden.
- Het lampje gaat knipperen wanneer het contact in stand ON staat.

Controlelampje airbag voorpassagier AAN (indien van toepassing)

Het controlelampje airbag voorpassagier AAN brandt gedurende ongeveer 4 s nadat het contact in stand ON is gezet. Het controlelampje airbag voorpassagier AAN zal tevens branden wanneer de AAN/UIT-schakelaar voor de airbag in de stand AAN wordt gezet, maar gaat uit na ongeveer 60 s.

Controlelampje airbag voorpassagier UIT (indien van toepassing)

Het controlelampje airbag voorpassagier UIT brandt gedurende ongeveer 4 s nadat het contact in stand ON is gezet. Het controlelampje airbag voorpassagier UIT zal ook gaan branden als de AAN/UIT-schakelaar voor de airbag in de stand UIT staat en zal uitgaan als de AAN/UIT-schakelaar in de stand AAN wordt gezet.
! OPMERKING
Als een defect optreedt in de AAN/UIT-schakelaar voor de airbag, gaat het controlelampje airbag voorpassagier UIT niet branden (Het controlelampje airbag voorpassagier AAN gaat branden en gaat weer uit na ongeveer 60 s) en zal de airbag voor de voorpassagier geactiveerd worden bij een frontale aanrijding, ook al staat de AAN/UIT-schakelaar voor de airbag in de stand UIT.
Laat in dat geval de AAN/UIT-schakelaar voor de airbag en het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.

OKM039160L-QOSL030062E
Onderdelen aanvullend veiligheidssysteem en functies
De onderdelen van het aanvullend veiligheidssysteem zijn:
- Airbag bestuurder
- Airbag voorpassagier
- Zijairbags*
- Curtain airbags*
- Blokkeerautomaten met gordelspanners*
- Waarschuwingslampje AIRBAG
- Airbagmodule (SRSCM)/Koprolsensor*
- Airbagsensoren vóór
-
Zijairbagsensoren*
-
Controlelampje airbag voorpassagier AAN/UIT
- ON/OFF-schakelaar airbag voorpassagier
- Bevestiging gordelspanner
* indien van toepassing
De SRSCM controleert constant alle componenten van het systeem als het contact in stand ON staat om te bepalen of een frontale aanrijding of een aanrijding van opzij zwaar genoeg is om de airbags of de gordelspanners te activeren.
Het waarschuwingslampje air bag op het dashboard brandt na het in stand ON zetten van het contact gedurende 6 seconden en moet vervolgens uit gaan.

WAARSCHUWING
Als een van de volgende condities zich voordoen, kan dat duiden op een storing in het airbagsysteem. Laat het airbagsysteem van uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer
- Het lampje gaat niet kort branden als het contact in stand ON wordt gezet.
- Het lampje gaat niet na ongeveer 6 seconden uit, maar blijft branden.
- Het lampje gaat branden tijdens het rijden.
- Het lampje gaat knipperen wanneer het contact in stand ON staat.
Airbag bestuurder (1)

De airbags vóór bevinden zich in het stuurwiel en boven het dashboardkastje. Als de SRSCM oordeelt dat de kracht waaraan de voorzijde van de auto wordt blootgesteld een bepaalde drempelwaarde overschrijdt, activeert hij automatisch de airbags vóór.
Airbag bestuurder (2) Airbag bestuurder (3)

Als de airbags geactiveerd worden, scheuren de afdekkappen op vooraf bepaalde plaatsen open als gevolg van de zich vullende airbags. Als deze openingen groter worden, kunnen de airbags geheel gevuld worden.
Een geheel gevulde airbag vertraagt in combinatie met een juist gedragen veiligheidsgordel de voorwaartse beweging van de bestuurder of de voorpassagier en beperkt zo de kans op hoofdletsel en letsel aan het bovenlichaam.
Nadat de airbag geheel gevuld is, begint hij direct weer leeg te lopen, waaroor de bestuurder weer zicht op de weg krijgt en hij de auto weer kan besturen of anderszins kan bedienen.
Airbag voorpassagier

- Plaats geen accessoires (bekerhouder, cassettehouder) of stickers enz. op het paneel boven het dashboardkastje in auto's met een airbag voorpassagier. Dergelijke voorwerpen kunnen gevaarlijke projectielen worden en letsel veroorzaken wanneer de airbag voorpassagier geactiveerd wordt.
- Plaats een eventuele lucht verfrisser ook niet in de buurt van het instrumentenpaneel of op het dashboard.
Dit kan een gevaarlijk projectiel worden en letsel veroorzaken wanneer de airbag voorpassagier geactiveerd wordt.
WAARSCHUWING
- Als de airbag geactiveerd wordt, is er een luide knal hoorbaar en komt er fijn stof vrij in de auto. Dit is normaal en niet gevaarlijk - het fijne poeder wordt gebruikt bij het vouwen van de airbags. Het stof dat vrijkomt bij het activeren van de airbag kan huid- of oogirritatie veroorzaken en astmatische klachten bij daarvoor gevoelige personen verergeren. Was de huid die in aanraking gekomen is met het stof dat vrijkomt bij het activeren van de airbag altijd af met handwarm water en een milde zeepoplossing.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Het aanvullend veiligheidssysteem werkt allen als het contact in stand ON staat. Als het waarschuwingslampje air bag niet gaat branden of als het ook blijft branden als er na het in stand ON zetten van het contact 6 seconden verstreken zijn of de motor gestart is, of als het gaat branden tijdens het rijden, werkt het aanvullend Veiligheidssysteem niet goed. Laat in dat geval uw auto direct controleren door een officiële KIA-dealer. - Zet voor het vervangen van een zekering of het losnemen van een accukabel het contact eerst in stand LOCK en verwijder de contactsleutel. Vervang of verwijder een zekering die aan het airbagsysteem gerelateerd is nooit als het contact in stand ON staat. Het niet opvolgen van deze waarschuwing zal ertoe leiden dat het waarschuwingslampje air bag zal gaan branden.

Airbag bestuurder en voorpassagier
(indien van toepassing)
Uw auto is uitgerust met een aanvullend veiligheidssysteem (SRS) en driepunts-gordels voor zowel de bestuurder als de voorpassagier.
Dat uw auto voorzien is van een dergelijk systeem blijkt uit de letters AIR BAG die in reliëf aanwezig zijn op het stuurwiel en op het paneel boven het dashboardkastje.
Het aanvullend veiligheidssysteem bestaat uit airbags die zich bevinden in het stuurwiel en boven het dashboardkastje.
Het doel van de airbag is om de bestuurder en/of de voorpassagier een aanvullende bescherming te bieden naast de bescherming die geboden wordt door de veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
Maak altijd gebruik van de veiligheidsgordels en, indien van toepassing, van kinderzitjes - iedere keer, bij iedere reis en voor iedereen! De airbags worden met aanzienlijke kracht in een zeer korte tijdsspanne gevuld. De veiligheidsgordel houden de inzittenden in de juiste positie, zodat ze optimaal kunnen profiteren van de airbags. Ook in een auto met airbags kunnen de inzittenden ernstig letsel oplopen tijdens het activeren van de airbag als de inzittenden de gordels niet of niet op de juiste wijze dragen. Volg altijd de voorzorgsmaatregelen met betrekking tot veiligheidsgordels, airbags en de veiligheid voor de inzittenden in dit instructieboekje zorgvuldig op.
Om de kans op letsel te beperken en optimaal te profiteren van het aanvullend veiligheidssysteem:
- Vervoer een kind nooit op de voorstoel in een kinderzitje of op een zitkussen.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Vervoer kinderen altijd op de achterbank met de veiligheids-gordels om. Dat is de veiligste plaats voor kinderen van alle leeftijden.
- De airbags vóór en de zijairbags kunnen letsel veroorzaken als de inzittenden voor niet in de juiste positie zitten.
- Zet uw stoel zo ver mogelijk naar achteren, waarbij u er wel op moet letten dat u alle bedieningsorganen nog goed kunt bereiken.
- Ga niet te dicht op de airbag zitten, dat geldt ook voor uw voorpassagier, en leun niet onnodig naar voren. Als u of uw voorpassagier te dicht op de airbag zit, kan er door het activeren van de airbag ernstig letsel ontstaan.
- Leun ook niet tegen het portier of de middenconsole - zit altijd zo rechtop mogelijk.
- Vervoer geen passagier op de voorstoel als het controlelampje airbag UIT brandt omdat dan de airbag bij een aanrijding niet geactiveerd wordt.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Er mogen geen objecten op of in de buurt van de airbags in het stuurwiel, op het instrumentenpaneel of op het dashboardpaneel boven het dashboardkastje worden geplaatst omdat dergelijke voorwerpen letsel kunnen veroorzaken als de airbags bij een aanrijding geactiveerd worden.
- Stel de onderdelen van het airbagsysteem niet bloot aan schokken en neem de bedrading van het airbagsysteem ook niet los. Als u dat wel doet kunt u letsel oplopen omdat de airbags onverwacht geactiveerd kunnen worden of juist niet geactiveerd worden wanneer dat wel nodig is.
- Als het waarschuwingslampje van het airbagsysteem blijft branden tijdens het rijden, moet het airbagsysteem zo spoedig mogelijk worden gecontroleerd door een officiële KIA-dealer.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Een airbag kan slechts één keer gebruikt worden - laat een geactiveerde airbag direct vervangen door een officiële KIA-dealer.
- Het aanvullend veiligheidssysteem is zodanig ontworpen dat de airbags vóór alleen geactiveerd worden als de kracht van de aanrijding een bepaalde drempel overschrijdt en de aanrijding plaatsvindt onder een hoek die kleiner is dan 30° ten opzichte van de lengteas van de auto. Verder kunnen de airbags maar één keer gevuld worden. Draag te allen tijde de veiligheidsgordel.
- De airbags vóór zijn niet ontworpen om geactiveerd te worden bij een aanrijding van opzij, van achteren of bij het over de kop slaan van de auto. Verder zullen de airbags vóór niet worden geactiveerd als de kracht van de aanrijding de drempelwaarde niet overschrijdt.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Een kinderzitje dient op de achterbank geplaatst te worden. Het kind kan ernstig letsel oplopen als de airbag bij een aanrijding wordt geactiveerd.
- Kinderen tot en met 12 jaar moeten altijd plaatsnemen op de achterbank en de gordel op de juiste manier dragen. Laat kinderen nooit op de passagiersstoel meerijden. Als een kind van 12 jaar of ouder op de voorpassagiersstoel vervoerd moet worden, moet hij of zij de veiligheidsgordel op de juiste manier dragen en moet de stoel zover mogelijk naar achteren worden gezet.
- Voor een maximale bescherming bij alle soorten aanrijdingen moeten alle inzittenden, inclusief de bestuurder, hun veiligheids-gordel dragen, ongeacht het feit of er voor hun positie een airbag aanwezig is. Ga tijdens het rijden niet dichter bij de airbag zitten dan nodig is en leun ook niet onnodig voorover.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Een onjuiste zithouding of zitpositie kan bij een aanrijding ernstig letsel veroorzaken. Alle inzittenden moeten rechtop zitten, met de rugleuning zo rechtop mogelijk, midden op de zitting en met de veiligheidsgordel om, de benen comfortabel gestrekt en de voeten op de vloer, totdat de auto geparkeerd is en de contactsleutel verwijderd is.
- Het airbagsysteem vult de airbags uitermate snel om in geval van een aanrijding een maximale bescherming te kunnen bieden. Als een inzittende niet in de juiste positie zit omdat hij of zij de veiligheidsgordel niet draagt, kan de airbag teveel kracht op de inzittende uitoefenen, waardoor deze ernstig letsel zou kunnen oplopen.

ON/OFF-schakelaar airbag voorpassagier
(indien van toepassing)
De airbag voorpassagier kan worden gedeactiveerd met behulp van de ON/OFF-schakelaar voor het geval er een kinderzitje op de voorpassagiersstoel wordt gemonteerd of voor het geval de voorstoel niet gebruikt wordt.
Om de veiligheid voor uw kind te garanderen, moet de airbag voorpassagier worden uitgeschakeld wanneer u een naar achteren gericht kinderzitje op de voorstoel monteert.

In- en uitschakelen van de airbag voorpassagier:
Steek om de airbag voorpassagier uit te schakelen de hoofdsleutel in de ON/OFF-schakelaar voor de airbag en zet deze in de stand OFF. Het controle-lampje airbag voorpassagier UIT (2) zal gaan branden en blijven branden totdat de airbag weer wordt ingeschakeld.
Steek om de airbag voorpassagier in te schakelen de hoofdsleutel in de ON/OFF-schakelaar voor de airbag en zet deze in de stand ON. Het controlelampje airbag voorpassagier UIT gaat uit en het controlelampje airbag voorpassagier AAN (kaat gedurende ongeveer 60 s branden.

WAARSCHUWING
Bij sommige modellen kan de ON/OFF-schakelaar van de voorpassagiersairbag worden bediend met een vergelijkbaar klein en stevig voorwerp. Controleer altijd de stand van de ON/OFF-schakelaar van de airbag voorpassagier en het controlelampje airbag voorpassagier AAN/UIT.
*AANWIJZING
- Als de ON/OFF schakelaar voor de airbag voorpassagier in stand ON staat, kan de airbag worden geactiveerd en mag er op de voorpassagiersstoel geen baby- of kinderzitje worden geplaatst.
- Als de ON/OFF schakelaar voor de airbag voorpassagier in stand OFF staat, is de airbag uitgeschakeld.
! OPMERKING
- Als de ON/OFF-schakelaar van de airbag voorpassagier niet goed werkt, zal het waarschuwingslampje AIRBAG (2) op het instrumentenpaneel gaan branden. Het controlelampje airbag voorpassagier OFF (2) zal echter niet gaan branden (Het controlelampje airbag voorpassagier ON gaat branden en gaat weer uit na ongeveer 60 s). In dit geval activeert de airbagmodule de airbag voor de voorpassagier, waardoor deze geactiveerd zal worden bij een frontale aanrijding, ook al staat de ON/OFF-schakelaar voor de airbag in de stand OFF.
Laat in dat geval de ON/OFFschakelaar voor de airbag, het gordelspannersysteem en het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Laat de ON/OFF-schakelaar voor de airbag, het gordelspannersysteem en het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer als het waarschuwingslampje AIRBAG knippert of niet gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet of gaat branden tijdens het rijden.

WAARSCHUWING
- De bestuurder is verant woordelijk voor de juiste stand van de ON/OFF-schakelaar van de airbag voorpassagier.
- Schakel de airbag voorpassagier alleen maar uit als het contact in stand OFF staat omdat er anders een defect kan ontstaan in de airbagmodule.
Verder kan het hierdoor voorkomen dat de airbag bestuurder en/of de voorpassagier en/of de zijairbag en curtain airbag niet of niet op de juiste manier worden geactiveerd in geval van een aanrijding. - Plaats nooit een naar achteren gericht kinderzitje op de passagiersstoel, tenzij de airbag voorpassagier is uitgeschakeld. Het kind kan ernstig letsel oplopen als de airbag bij een aanrijding wordt geactiveerd.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Ook al is uw auto voorzien van een ON/OFF-schakelaar voor de airbag voorpassagier, monteer geen kinderzitje op de passagiersstoel. Een kinderzitje dient op de achterbank geplaatst te worden. Kinderen die te groot zijn voor een kinderzitje moeten plaatsnemen op de achterbank en gebruik maken van de aanwezige driepuntsgordels. Bij een aanrijding zitten kinderen het veiligst op de achterbank als ze op de juiste manier gebruik maken van de veiligheidsgordels.
- Zodra het niet meer nodig is een kind te vervoeren op de voorpassagiersstoel, moet de airbag voorpassagier weer worden ingeschakeld.

Zijairbag (indien van toepassing)
Beide voorstoelen van uw auto zijn uitgerust met een zijairbag. Het doel van de airbag is om de bestuurder en/of de voorpassagier een aanvullende bescherming te bieden naast de bescherming geboden door de veiligheidsgordel.
- De zijairbags zijn ontworpen om alleen tijdens bepaalde aanrijdingen van opzij geactiveerd te worden, afhankelijk van de ernst, de hoek, de snelheid en de plaats van de aanrijding.
- De zijairbags worden niet alleen geactiveerd aan de kant van de aanrijding, maar ook aan de tegengestelde kant.
* AANWIJZING - indien uitgerust met koprolsensor
Ook worden de zijairbags aan beide kanten geactiveerd bij bepaalde situaties waarin de auto over de kop slaat.
- De zijairbags zijn niet ontworpen om bij alle aanrijdingen van opzij opgeblazen te worden.
WAARSCHUWING
- De zijairbag vormt een aanvulling op de gordelsystemen voor de bestuurder en de voorpassagier en geen vervanging voor deze systemen. Draag daarom tijdens het rijden altijd een veiligheids-gordel. De airbags worden alleen geactiveerd bij een aanrijding van opzij of een rolbeweging*1 die krachtig genoeg is om letsel bij de inzittenden te veroorzaken.
- Voor de beste bescherming van de zijairbags en om letsel te voorkomen, dienen de bestuurder en de voorpassagier rechtop te zitten en de veiligheidsgordel op de juiste manier vast te maken. De bestuurder moet zijn handen in de tien voor twee stand op het stuurwiel plaatsen. De passagier moet zijn handen op de schoot houden.
- Gebruik geen stoelhoezen. (Vervolg)
(Vervolg)
- Alleen auto's uitgerust met een rolsensor.
- Plaats geen accessoires op of in de buurt van de zijairbag.
- Plaats geen voorwerpen op de airbag of tussen de airbag en uzelf.
- Plaats geen voorwerpen (paraplu, tas, enz.) tussen het voorportier en de voorstoel. Dergelijke voorwerpen kunnen gevaarlijke projectielen worden en letsel veroorzaken wanneer de zijairbag geactiveerd wordt.
- Sla niet op de zijairbagsensor wanneer het contact in stand ON staat. Hierdoor kan de airbag onverwacht geactiveerd worden, waardoor persoonlijk letsel kan ontstaan.
- Als de stoel of de bekleding beschadigd is, laat deze dan repareren door een officiële KIA-dealer. Vertel daarbij dat uw auto is uitgerust met zijairbags.

Curtain airbag (indien van toepassing)
De curtain airbags bevinden zich langs de rand van het dak boven de voor- en achterportieren.
Ze zijn ontworpen om bij bepaalde aanrijdingen van opzij de hoofden van de voorste inzittenden en de passagiers op de buitenste zitplaatsen achter te beschermen.
- De curtain airbags zijn ontworpen om alleen tijdens bepaalde aanrijdingen van opzij geactiveerd te worden, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, de hoek, de snelheid en de plaats van impact.
- De curtain airbags worden niet alleen geactiveerd aan de kant van de aanrijding, maar ook aan de tegengestelde kant.
* AANWIJZING - indien uitgerust met koprolsensor
Ook worden de curtain airbags aan beide kanten geactiveerd bij bepaalde situaties waarin de auto over de kop slaat.
- De curtain airbags zijn niet ontworpen om bij alle aanrijdingen van opzij.
WAARSCHUWING
- De zijairbags en curtain airbags bieden een optimale bescherming als de inzittenden zo ver mogelijk rechtop zitten en hun gordel op de juiste manier dragen. Vooral voor kinderen is het belangrijk dat ze in een geschikt kinderzitje op de achterbank plaatsnemen.
- Als kinderen plaatsnemen op een van de buitenste zitplaatsen achterin, moeten ze in een geschikt kinderzitje plaatsnemen. Plaats het kinderzitje zo ver mogelijk weg van het portier en zet het goed vast.
- Laat passagiers niet met het hoofd of andere delen van het lichaam tegen het portier leunen, steek de armen niet uit het raam en plaats geen voorwerpen tussen de passagier en de portieren als de auto is uitgerust met zijairbags en/of curtain airbags.
- Probeer nooit de onderdelen van de zijairbags en curtain airbags te openen of te repareren. Laat dit altijd over aan een officiële KIA-dealer.
Het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregelen kan ertoe leiden dat de inzittenden bij een aanrijding letsel oplopen.
Waarom werd de airbag bij een aanrijding niet opgeblazen? (Voorwaarden voor wel of niet activeren van de airbags)
Er zijn veel soorten ongevallen waarbij de airbag geen aanvullende bescherming biedt.
Voorbeelden hiervoor zijn aanrijdingen van achter, tweede en volgende stoten bij een kettingbotsing en aanrijdingen bij lage snelheid. Met andere woorden, wees niet verrast wanneer de airbag(s) niet opgeblazen werd(en) hoewel uw auto beschadigd of zelfs total loss is.

(1) Airbagmodule/
Koprolsensor (indien van toepassing)
(2) Airbagsensor vóór
(3) Zijairbagsensor (indien van toepassing)

- Let op dat u niet tegen plaatsen aanstoot waar de airbags of airbagsensoren zijn ingebouwd.
Anders kan de airbag onverwacht geactiveerd worden waardoor ernstig persoonlijk letsel op kan treden. - Als de inbouwpositie van de airbagsensoren wordt gewijzigd, kan dit ertoe leiden dat de airbags worden geactiveerd in situaties waarin dit niet nodig is, of dat de airbags niet worden geactiveerd in situaties waar het wel nodig is.
Voer daarom geen reparaties uit aan of in de buurt van de airbagsensoren. Laat de auto controleren en repareren door een officiële KIA-dealer. - Er kunnen problemen ontstaan als de hoek waaronder de sensoren zijn ingebouwd wordt gewijzigd als gevolg van vervorming van de voorbumper en de B-stijl, waar de zijairbagsensoren zijn ingebouwd.
(Vervolg)
(Vervolg)
Laat de auto controleren en repareren door een officiële KIA-dealer.
- Uw auto is ontworpen om de botsenergie zoveel mogelijk te absorberen en in bepaalde gevallen de airbag(s) te activeren. Het monteren van niet-originele bumpers of accessoires op de bumper kan een nadelige invloed hebben op de bescherming bij een aanrijding.

WAARSCHUWING - indien uitgerust met koprolsensor
Zet het contact in de stand OFF of ACC wanneer de auto gesleept wordt als de auto voorzien is van zij- en gordijnairbags.
De zij- en gordijnairbags kunnen worden geactiveerd wanneer het contact in de stand ON staat en de koprolsensor de situatie interpreteert alsof de auto over de kop slaat.

Voorwaarden voor activeren airbags Airbags vóór
De airbags vóór worden geactiveerd bij frontale aanrijdingen, waarbij rekening wordt gehouden met de botskracht, de rijsnelheid of hoek waaronder de aanrijding plaatsvindt.

Zijairbags en curtain airbags (indien van toepassing)
De airbags opzij (zijairbags en/of curtain airbags) worden geactiveerd bij een aanrijding van opzij, waarbij rekening wordt gehouden met de kracht van de botsing, de botshoek en de zijdelingse snelheid.
Ofsochoon de airbags vóór (voor bestuurder en voorpassagier) ontworpen zijn voor frontale aanrijdingen, kunnen ze ook bij andere aanrijdingen, waarbij een bepaalde vertraging in de lengterichting optreedt, worden geactiveerd. Ofsochoon de airbags opzij (zijairbags en curtain airbags) ontworpen zijn voor zijdelingse aanrijdingen, kunnen ze ook bij andere aanrijdingen, waarbij een bepaalde vertraging in de dwarsrichting optreedt, worden geactiveerd.
De airbags kunnen ook worden geactiveerd als de auto zware stoten ondervindt bij het rijden op zeer slechte wegen. Rijd daarom voorzichtig op slechte wegen.
* AANWIJZING - indien uitgerust met koprolsensor
De zijairbags en curtain airbags zijn zo ontworpen dat ze worden geactiveerd wanneer een koprol wordt waargenomen door een koprolsensor.

Voorwaarden voor niet-activeren van de airbags
- Bij bepaalde aanrijdingen met lage snelheden worden de airbags niet geactiveerd. De reden daarvan is dat de airbags in die omstandigheden niet meer bescherming kunnen bieden dan de veiligheidsgordels al doen.

- De airbags zijn niet ontworpen om te worden geactiveerd bij aanrijdingen van achter, omdat de inzittenden dan door de botskracht naar achteren worden gedrukt. In dergelijke gevallen biedt het activeren van de airbags geen extra voordelen.

- De airbags vóór worden bij zijdelingse aanrijdingen soms niet geactiveerd. De inzittenden bewegen altijd in de richting van de aanrijding, waardoor het activeren van de airbags vóór overbodig kan zijn.
- Als de auto is uitgerust met zijairbags en curtain airbags kunnen de airbags wel worden geactiveerd, afhankelijk van de botskracht, rijsnelheid en botshoek.

- Bij een aanrijding op een helling of onder een hoek kan de kracht van de aanrijding de inzittenden in een bepaalde richting verplaatsen, waar de airbags geen extra bescherming zouden bieden, een reden waarom de sensoren de airbags daarom ook niet activeren.

- Net voor een aanrijding remmen bestuurders vaak sterk af. Door zo sterk af te remmen, zakt de voorzijde van de auto in, waardoor deze gemakkelijker onder een voertuig met een grotere grondspeling zou kunnen schieten. De airbags worden in dergelijke situaties soms niet geactiveerd omdat de deceleratie die door de sensoren gemeten wordt, lager is dan de deceleratie die zou worden gemeten als de auto niet onder de voorligger zou schuiven.

1VQA2091 1VQA2092OED03
- Als de auto over de kop slaat, bieden de airbags vóór geen extra bescherming. Ze worden dan ook niet geactiveerd.
* AANWIJZING - indien uitgerust met koprolsensor
Als de auto is uitgerust met zijairbags en curtain airbags, kunnen de airbags wel worden geactiveerd als de auto over de kop slaat, wanneer dit door de koprolsensor wordt waargenomen.
*AANWIJZING
- zonder koprolsensor
De zijairbags en/of curtain airbags bieden wel extra bescherming als de auto over de kop gaat en worden in dat geval ook geactiveerd.

- De airbags worden soms niet geactiveerd bij een aanrijding tegen een boom of paal, waarbij de botskracht zich concentreert op een klein gedeelte van de auto, buiten het bereik van de sensoren.
Onderhoud aan aanvullend veiligheidssysteem
Het aanvullend veiligheidssysteem is nagenoeg onderhoudsvrij en bevat geen onderdelen waaraan u zelf veilig onderhoud kunt plegen. Als het waarschuwingslampje air bag niet gaat branden of constant brandt, laat uw auto dan zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.
Alle werkzaamheden aan het aanvullend veiligheidssysteem, zoals het verwijderen, het plaatsen of het repareren ervan, of werkzaamheden aan het stuurwiel, het paneel boven het dashboardkastje, voorstoelen en dakrails moeten uitgevoerd worden door een officiële KIA-dealer. Een onjuiste behandeling van het airbagsysteem kan leiden tot ernstig persoonlijk letsel.
WAARSCHUWING
- Modificaties aan onderdelen van het aanvullend veiligheidssysteem of de bedrading, inclusief het aanbrengen van stickers, enz. op afdekkappen of modificaties aan de carrosseriestructuur kunnen ertoe leiden dat het systeem niet goed werkt, waardoor letsel kan ontstaan.
- Reinig de afdekkappen van de airbags alleen met een zachte, droge doek of met een doek die bevochtigd is met schoon water. Oplos- en reinigingsmiddelen kunnen het materiaal van de afdekkappen aantasten en de werking van het systeem in negatieve zin beïnvloeden.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Er mogen geen objecten op of in de buurt van de airbags in het stuurwiel, op het instrumentenpaneel of op het dashboardpaneel boven het dashboardkastje worden geplaatst omdat dergelijke voorwerpen letsel kunnen veroorzaken als de airbags bij een aanrijding geactiveerd worden.
- Als de airbags geactiveerd zijn, moeten ze vervangen worden door een officiële KIA-dealer.
- Stel de onderdelen van het airbagsysteem niet bloot aan schokken en neem de bedrading van het airbagsysteem ook niet los. Als u dat wel doet kunt u letsel oplopen omdat de airbags onverwacht geactiveerd kunnen worden of juist niet geactiveerd worden wanneer dat wel nodig is.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Als onderdelen van het airbagsysteem moeten worden afgevoerd of als de auto in zijn geheel moet worden afgevoerd, moeten bepaalde voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de veiligheid in acht worden genomen. Een officiële KIA-dealer kent deze voorzorgsmaatregelen en kan u de benodigde informatie verstrekken. Het niet opvolgen van deze voorzorgsmaatregelen en procedures vergroot de kans op persoonlijk letsel.
- Als uw auto in te diep water terechtgekomen is, waardoor de vloerbedekking doorweekt is of er water op de bodemplaats staat, probeer dan niet uw auto te starten maar laat hem transporteren naar een officiële KIA-dealer.
Aanvullende voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de veiligheid
- Vervoer nooit mensen in de bagageruimte of op een neergeklapte rugleuning. Laat iedereen rechtop zitten, met zijn rug tegen de rugleuning van de stoel, de veiligheidsgordel om en de voeten op de vloer.
- De inzittenden moeten tijdens het rijden niet uit hun stoel komen of van plaats wisselen. Een inzittende die zijn veiligheidsgordel niet draagt kan tijdens een aanrijding of een noodstop door de auto geslingerd worden, tegen andere inzittenden aan, of zelfs uit de auto geslingerd worden.
-
Elke veiligheidsgordel is bestemd voor een persoon. Als er meerdere personen van dezelfde veiligheids-gordel gebruik maken, kunnen ze bij een aanrijding ernstig letsel oplopen.
-
Maak geen gebruik van accessoires die aan de veiligheidsgordels bevestigd moeten worden.
Accessoires die claimen het comfort voor de inzittenden te verbeteren of die de gordel anders geleiden, kunnen de beschermende werking van de veiligheidsgordel in negatieve zin beïnvloeden en de kans op letsel bij een aanrijding vergroten. - De inzittenden moeten geen harde of scherpe voorwerpen plaatsen tussen henzelf en de airbags. Het dragen van harde of scherpe voorwerpen rond uw middel of het in uw mond houden van dergelijke voorwerpen kan ernstig letsel veroorzaken als een airbag geactiveerd wordt.
-
Blijf op veilige afstand van de afdekkappen van de airbags. Laat iedereen rechtop zitten, met zijn rug tegen de rugleuning van de stoel, de veiligheidsgordel om en de voeten op de vloer. Als inzittenden zich te dicht bij een airbag bevinden, kunnen ze letsel oplopen als de airbags geactiveerd worden.
-
Bevestig geen voorwerpen aan of in de buurt van de afdekkappen van de airbags. Voorwerpen die bevestigd zijn aan of in de buurt van de afdekkappen van de airbags vóór of de zijairbags kunnen een juiste werking van de airbags in negatieve zin beïnvloeden.
- Modificeer de voorstoelen niet. Modificatie van de voorstoelen kan de werking van de sensoren van het aanvullend veiligheidssysteem of van de zijairbags in negatieve zin beïnvloeden.
- Plaats niets onder de voorstoelen. Het plaatsen van voorwerpen onder de voorstoelen kan de werking van de sensoren van het aanvullend veiligheidssysteem of van de bedrading in negatieve zin beïnvloeden.
- Laat nooit het heupgedeelte van uw gordel om een kind heen lopen dat op uw schoot zit. Het kind zou ernstig letsel kunnen oplopen in geval van een aanrijding. Baby's en kinderen moeten op de juiste manier in geschikte kinderzitjes of gordels op de achterbank vervoerd worden.
WAARSCHUWING
- Als de inzittenden niet in de juiste positie zitten, kunnen ze te dicht bij een zich vullende airbag komen, delen in het interieur van de auto raken of uit de auto geslingerd worden.
- Zit altijd zoveel mogelijk rechtop, met de rugleuning rechtop, midden op de zitting en met uw veiligheidsgordel om, uw benen op een comfortabele manier gestrekt en uw voeten op de vloer.
Monteren van accessoires of modificaties aan uw met een airbag uitgeruste auto
Als u modificaties aan het chassis, de bumper, de voorzijde, het plaatwerk opzij of de rijhoogte aanbrengt of laat aanbrengen, kan dat invloed hebben op de werking van het airbagsysteem van uw auto.

Waarschuwingslabel airbags
Het waarschuwingslabel van de airbags is bedoeld om de bestuurder en passagiers te waarschuwen voor de mogelijke gevaren van het airbag-systeem.
Deze verplichte waarschuwingen hebben met name betrekking op het risico voor kinderen. KIA wil hierbij ook graag wijzen op de risico's voor volwassenen. Deze risico's zijn beschreven op de voorafgaande bladzijden.
| Sleutels / 4-3Portiervergrendeling met afstandsbediening / 4-6Smart key / 4-9Antidicfstalsysteem / 4-13Sloten / 4-16Achterklep / 4-20Ruiten / 4-22Motorkap / 4-27 | |
| Kenmerken van uw auto | |
| Tankdopklep / 4-29Panoramadak / 4-32Stuurwiel / 4-36Spiegels / 4-38Instrumentenpaneel / 4-42Parkeerhulp / 4-65Achteruitrijcamera / 4-68Alarmknipperlichten / 4-68Verlichting / 4-69Ruitenwissers en ruitensprociers / 4-75Interieurverlichting / 4-80Ontwaseming / 4-83Handbediend verwarmings- enventilatiesysteem / 4-84Automatisch verwarmings- enventilatiesysteem / 4-93 | |
Voorruit ontdooien en ontwasemen / 4-103
Opbergvak / 4-105
Overige voorzieningen / 4-108
Exterieur / 4-114
Audiosysteem / 4-116
4
Kenmerken van uw auto
SLEUTELS
Noteer het sleutelnummer

Het sleutelnummer is ingeslagen in het sleutelplaatje. Door dit nummer kan een officiële KIA-dealer bij
verlies eenvoudig een sleutel bijbestellen. Verwijder het plaatje en bewaar dit op een veilige plaats.
Noteer daarnaast het nummer en bewaar dit op een veilige plaats buiten de auto.

- Wordt gebruikt om de motor te starten.
- Wordt gebruikt om de portieren te vergrendelen en ontgrendelen.
- Wordt gebruikt om het dashboardkastje te vergrendelen en ontgrendelen.
Type B
Druk de ontgrendelknop in om de sleutel open te klappen. De sleutel klapt dan automatisch open.
Houd om de sleutel in te klappen de ontgrendelknop ingedrukt en klap de sleutel handmatig in.

OPMERKING
Klap de sleutel niet in zonder de ontgrendelknop ingedrukt te houden. Hierdoor kan de sleutel beschadigd raken.
Type C
Houd om de mechanische sleutel te verwijderen de ontgrendelknop ingedrukt en neem de mechanische sleutel uit.
Druk om de mechanische sleutel te plaatsen de sleutel in de opening totdat u een klikkend geluid hoort.
WAARSCHUWING
- Contactsleutel
Kinderen alleen achterlaten in de auto met de contactsleutel is gevaarlijk, zelfs als de contactsleutel niet in het contact steekt. Kinderen doen graag volwassenen na en zouden de sleutel in het contactslot kunnen steken. Met de contactsleutel is het mogelijk voor kinderen om de elektrisch bedienbare ruiten te openen of andere bedieningsorganen in werking te stellen. Het is zelfs mogelijk dat ze de motor starten, zaken waarvan ernstig lichamelijk letsel het gevolg kan zijn. Laat kinderen nooit zonder toezicht achter met de contactsleutels in de auto.
WAARSCHUWING
Gebruik uitsluitend een originele KIA-contactsleutel in uw auto. Als er een imitatiesleutel wordt gebruikt, kan het gebeuren dat het contactslot na het aanslaan van de motor niet van stand START naar stand ON terugkeert. Hierdoor blijft de startmotor continu draaien en kan er schade ontstaan aan de startmotor. Tevens kan er brand ontstaan als gevolg van oververhitting in de bedrading.
Startblokkeersysteem (indien van toepassing)
Uw auto is uitgerust met een elektronisch startblokkeersysteem om de kans op ongeoorloofd gebruik te verminderen.
De startblokkering bestaat uit een kleine transponder in de contactsleutel en elektronische systemen in de auto. Wanneer u uw contactsleutel in het contactslot steekt en het contact in stand ON zet, controleert het startblokkeersysteem of de sleutel geldig is.
Als wordt bepaald dat de sleutel geldig is, kan de motor worden gestart.
Als wordt bepaald dat de sleutel niet geldig is, kan de motor niet worden gestart.
Activeren van het startblokkeersysteem:
Zet het contact in stand OFF. De startblokkering wordt automatisch geactiveerd. Zonder geldige sleutel kan de motor niet worden gestart.
Uitschakelen van de startblokkering: Steek de sleutel in het contact en zet het contact in stand ON.
WAARSCHUWING
Bewaar geen reservesleutels in uw auto, om diefstal van uw auto te voorkomen. Uw wachtwoord van de startblokkering is uniek en strikt persoonlijk. Bewaar het nummer niet ergens in uw auto.
*AANWIJZING
Houd bij het starten van de motor andere sleutels met transponder uit de buurt. Anders start de motor mogelijk niet of kan hij vlak na het aanslaan weer afslaan. Bewaar de sleutels die u bij uw auto krijgt gescheiden van elkaar om problemen te voorkomen.
! OPMERKING
Houd geen metalen voorwerpen in de buurt van de sleutel of het contactslot. Deze metalen voorwerpen kunnen het signaal van de transponder storen, waardoor de motor niet kan worden gestart.
*AANWIJZING
Raadpleeg een officiële KIA-dealer als u extra sleutels nodig hebt of als u uw sleutels verliest.
! OPMERKING
De transponder in uw contactsleutel is een belangrijk onderdeel van het startblokkeersysteem. Hij is ontworpen voor jarenlang probleemloos gebruik. Let op voor vocht, statische elektriciteit en een ruwe behandeling. Hierdoor kan de startblokkering defect raken.
! OPMERKING
Breng geen wijzigingen aan in het startblokkeersysteem. Hierdoor kan het systeem defect raken. Laat het systeem indien nodig controlleren en repareren door een officiële KIA-dealer.
Storingen veroorzaakt door onjuiste afstelling of eigenhandige modificaties van het startblokkeersysteem vallen niet onder de fabrieksgarantie.
PORTIERVERGRENDELING MET AFSTANDSBEDIENING (INDIEN VAN TOEPASSING)

* Het onderdeel wijkt mogelijk af van de afbeelding.
Werking centrale portiervergrendeling met afstandsbediening
Vergrendelen (1)
Druk op deze toets om alle portieren (en de achterklep) te vergrendelen.
Als alle portieren (en de achterklep) gesloten zijn, knipperen de alarmknipperlichten eenmaal om aan te geven dat de portieren (en de achterklep) vergrendeld zijn.
Ontgrendelen (2)
Druk op deze toets om alle portieren (en de achterklep) te ontgrendelen.
De alarmknipperlichten knipperen tweemaal om aan te geven dat alle portieren (en de achterklep) ontgrendeld zijn.
Na het indrukken van deze toets zullen de portieren (en de achterklep) automatisch vergrendeld worden tenzij u ze binnen 30 s opent
Ontgrendelen van de achterklep (3, indien van toepassing)
Als deze toets langer dan 1 seconde wordt ingedrukt, wordt de achterklep ontgrendeld.
De alarmknipperlichten knipperen tweemaal om aan te geven dat de achterklep ontgrendeld is.
Na het indrukken van deze toets zal de achterklep automatisch vergrendeld worden tenzij u hem binnen 30 s opent.
Ook zal de achterklep automatisch vergrendeld worden als hij eenmaal geopend en gesloten wordt.
Voorzorgsmaatregelen afstandsbediening
*AANWIJZING
In de volgende omstandigheden werkt de afstandsbediening niet:
- Als de contactsleutel in het contactslot zit.
- Als de afstandsbediening buiten het bereik is van de ontvanger (ongeveer 10 m [30 feet]).
- Als de batterij in de afstandsbediening (bijna) leeg is.
- Als het signaal wordt geblokkeerd door andere auto's of objecten.
- Als de buitentemperatuur extreem laag is.
- Als de afstandsbediening zich in de buurt bevindt van een radiozender of een luchthaven, waardoor de normale werking van de afstandsbediening verstoord wordt.
Vergrendel en ontgrendel de portieren met de contactsleutel wanneer de afstandsbediening niet juist werkt. Neem contact op met een officiële KIA-dealer als de afstands-bediening niet goed werkt.

OPMERKING
Zorg ervoor dat de afstandsbediening niet nat wordt. Beschadiging van de afstandsbediening door water of andere vloeistoffen, valt niet onder de fabrieksgarantie.

OPMERKING
Door het aanbrengen van wijzingen en aanpassingen waarvoor geen toestemming is verleend, kunnen de rechten van de gebruiker komen te vervallen. Als de portiervergrendeling met afstandsbediening door wijzigingen of aanpassingen waarvoor geen toestemming is verleend niet meer bediend kan worden, valt dit niet onder de fabrieksgarantie.

Vervangen van batterij
De afstandsbediening is voorzien van een lithium batterij van 3 V, die bij normaal gebruik enkele jaren meegaat. Vervang de batterij op de volgende manier.
- Plaats een smal stukje gereedschap in de opening en wip het middelste dekseltje (1) van de afstandsbediening los.
- Vervang de batterij door een nieuw exemplaar (CR2032). Plaats de nieuwe batterij op de aangegeven manier met de positieve zijde "+" naar boven gericht.
- Plaats de batterij in omgekeerde volgorde van verwijderen.
Neem contact op met uw officiële KIA-dealer voor het programmeren van een vervangende afstandsbediening.

OPMERKING
- De afstandsbediening ontworpen voor jarenlang probleemloos gebruik. Door vocht of statische elektriciteit kan de afstandsbediening echter defect raken. Raadpleeg voor vragen over het gebruik van de afstandsbediening of voor het vervangen van de batterij een officiële KIA-dealer.
- Door het gebruik van een verkeerde batterij kan de afstandsbediening niet goed werken. Gebruik altijd de juiste batterij.
- Laat de afstandsbediening om beschadiging te voorkomen niet vallen en stel hem niet bloot aan vocht, hitte of zonlicht.
OPMERKING
is Een onjuist afgevoerde batterij kan schadelijk zijn voor het milieu en voor uw gezondheid. Zorg ervoor dat de batterij volgens de wettelijke voorschriften wordt afgevoerd.
SMART KEY (INDIEN VAN TOEPASSING)

OSL040001 OSL040006
Met de Smart Key kunt u de portieren (en de achterklep) ver- en ontgrendelen en zelfs de motor starten zonder dat u de sleutel ergens in hoeft te steken. De toetsen op de Smart Key werken hetzelfde als die van de afstandsbediening.
Werking centrale portiervergrendeling met afstandsbediening
Vergrendelen (1)
Druk op deze toets om alle portieren (en de achterklep) te vergrendelen.
Als alle portieren (en de achterklep) gesloten zijn, knipperen de alarmknipperlichten eenmaal om aan te geven dat de portieren (en de achterklep) vergrendeld zijn.
Ontgrendelen (2)
Druk op deze toets om alle portieren (en de achterklep) te ontgrendelen.
De alarmknipperlichten knipperen tweemaal om aan te geven dat alle portieren (en de achterklep) ontgrendeld zijn.
Na het indrukken van deze toets zullen de portieren (en de achterklep) automatisch vergrendeld worden tenzij u ze binnen 30 s opent
-040006 Ontgrendelen van de achterklep (3, indien van toepassing)
Als deze toets langer dan 1 seconde wordt ingedrukt, wordt de achterklep ontgrendeld.
De alarmknipperlichten knipperen tweemaal om aan te geven dat de achterklep ontgrendeld is.
Na het indrukken van deze toets zal de achterklep automatisch vergrendeld worden tenzij u hem binnen 30 s opent.
Ook zal de achterklep automatisch vergrendeld worden als hij eenmaal geopend en gesloten wordt.

Wanneer u de Smart Key bij u hebt, kunt u de portieren (en de achterklep) vergrendelen en ontgrendelen. U kunt ook de motor starten. Meer informatie hierover vindt u in de volgende paragraaf.
Vergrendelen
Alle portieren (en de achterklep) worden vergrendeld als u op de toets in de buitenportiergrepen van de voorportieren drukt terwijl alle portieren (en de achterklep) gesloten maar niet allemaal vergrendeld zijn. De alarmknipperlichten knipperen eenmaal om aan te geven dat alle portieren (en de achterklep) vergrendeld zijn.
De toets werkt alleen als de Smart Key zich binnen een afstand van 0,7 m van de portiergrepen aan de buitenzijde bevindt. Als u wilt controleren of een portier is vergrendeld, kunt u het beste de vergrendelknop in de auto controleren of aan de portiergreep aan de buitenzijde trekken.
Als u op de toets drukt, zullen in de onderstaande gevallen de portieren niet worden vergrendeld en zal de waarschuwingszoemer drie seconden klinken:
- De Smart Key bevindt zich in de auto.
- De toets ENGINE START/STOP staat in de stand ACC of ON.
- Een portier, maar niet de achterklep, is open.
Ontgrendelen
Alle portieren (en de achterklep) worden vergrendeld als u op de toets in de buitenportiergrepen van de voorportieren drukt terwijl alle portieren (en de achterklep) gesloten maar niet allemaal vergrendeld zijn. De alarmknipperlichten knipperen tweemaal om aan te geven dat alle portieren (en de achterklep) ontgrendeld zijn. De toets werkt alleen als de Smart Key zich binnen een afstand van 0,7 m van de portiergrepen aan de buitenzijde bevindt. Als de Smart Key zich binnen 0,7 meter van de portiergrepen aan de buitenzijde bevindt, kunnen ook personen zonder Smart Key een portier openen.
Ontgrendelen van de achterklep
Als u zich met de Smart Key binnen 0,7 m van de handgreep van de achterklep bevindt zal de achterklep ontgrendeld worden en opengaan als u op de toets van de handgreep drukt. De alarmknipperlichten knipperen tweemaal om aan te geven dat de achterklep ontgrendeld en open is.
Ook zal de achterklep automatisch vergrendeld worden als hij eenmaal geopend en gesloten wordt.
Starten
U kunt de motor starten zonder de sleutel in het contactslot te plaatsen. Zie voor meer informatie "Starten met een Smart Key" in hoofdstuk 5.
Voorzorgsmaatregelen voor de Smart Key
*AANWIJZING
- Als u de Smart Key verliest, kunt u de motor niet starten. Laat de auto, indien nodig, wegslepen en neem contact op met een officiële KIA-dealer.
- Er kunnen per auto maximaal 2 Smart Keys worden geregistreerd. Als u een Smart Key verliest, dient u de auto onmiddellijk naar een officiële KIA-dealer te brengen om diefstal te voorkomen.
-
Onder de volgende omstandigheden werkt de Smart Key niet:
-
Als de Smart Key zich in de buurt van een andere zender (bijvoorbeeld van een radiostation of een luchthaven) bevindt, waardoor de normale werking van de Smart Key verstoord wordt.
- De Smart Key bevindt zich in de buurt van een radio met zend- en ontvangstinstallatie of een mobiele telefoon.
- Dicht bij uw auto wordt de Smart Key van een andere auto gebruikt.
(Vervolg)
(Vervolg)
Vergrendel en ontgrendel de portieren met de contactsleutel wanneer de Smart Key niet correct werkt. Als u een probleem hebt met de Smart Key, neem dan contact op met een officiële KIA-dealer.
! OPMERKING
Zorg ervoor dat de Smart Key niet nat wordt. Beschadiging van de Smart Key door water of andere vloeistoffen, valt niet onder de fabrieksgarantie.

Beperkingen voor het gebruik van sleutels
Voer de volgende procedure uit om te voorkomen dat het dashboardkastje kan worden geopend, als u uw auto parkeert en de sleutel erbij moet blijven.
- Houd toets (1) ingedrukt en verwijder de mechanische sleutel.
- Sluit het dashboardkastje en vergrendel het vervolgens met de mechanische sleutel.
- Geef de Smart Key af. Het dashboardkastje kan niet worden geopend zonder de mechanische sleutel.

Vervangen van de batterij
De batterij van de Smart Key gaat meerdere jaren mee. Mocht de Smart Key niet juist werken, dan kunt u proberen dit op te lossen door de batterij te vervangen door een nieuwe. Raadpleeg voor vragen over het gebruik van de Smart Key of voor het vervangen van de batterij een officiële KIA-dealer.
*AANWIJZING
Als de Smart Key aan vocht of statische elektriciteit wordt blootgesteld, kunnen er storingen ontstaan in de Smart Key. Raadpleeg voor vragen over het gebruik van de Smart Key of voor het vervangen van de batterij een officiële KIA-dealer.
- Wrik het deksel aan de achterzijde van de Smart Key los.
- Vervang de batterij door een nieuwe (CR2032). Plaats de nieuwe batterij met het symbool "+" op de pluszijde naar boven gericht, zoals aangegeven in de afbeelding.
- Voer bovenstaande procedure in omgekeerde volgorde uit bij het plaatsen van de batterij.
*AANWIJZING
- Het gebruik van een andere batterij kan ertoe leiden dat de Smart Key niet werkt. Gebruik altijd de juiste batterij.
- Als u de Smart Key laat vallen of als de Smart Key aan vocht of statische elektriciteit wordt blootgesteld, kunnen er storingen ontstaan in de Smart Key.
- Raadpleeg een officiële KIA-dealer als u vermoedt dat de Smart Key beschadigd is of als u vindt dat de Smart Key niet goed werkt.
! OPMERKING
Een onjuist afgevoerde batterij kan schadelijk zijn voor het milieu en voor uw gezondheid.
Zorg ervoor dat de batterij volgens de wettelijke voorschriften wordt afgevoerd.
ANTIDIEFSTALSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)
![graph TD A["Alarm uitgeschakeld"] --> B["Antidiefstal systeem ingeschakeld"] B --> C["Alarm geactiveerd"] C --> A](/content/2026/05/1111633/images/22e552ffa4f687cefef39212ed9f9e6ab8390b5e48fabc20c09fb25afbc728f3.jpg)
Dit systeem is ontworpen om inbraak in de auto te voorkomen. Het systeem heeft drie standen: in de eerste is het alarm ingeschakeld, in de tweede stand klinkt het alarm en in de derde stand is het alarm uitgeschakeld. Als het systeem wordt geactiveerd, klinkt er een alarm en knipperen de alarmknipperlichten.
Antidiefstalsysteem ingeschakeld Parkeer de auto en zet de motor uit. Schakel het alarm in zoals hieronder beschreven is.
-
Verwijder de sleutel uit het contact en stap uit de auto.
-
Controleer of alle portieren (of de achterklep), de motorkap en de achterklep goed gesloten zijn.
-
Vergrendel de portieren met de afstandsbediening (of Smart Key).
Na het voltooien van bovenstaande stappen knipperen de alarmknipperlichten eenmaal om aan te geven dat het antidiefstalsysteem is ingeschakeld.
Als een portier, de achterklep of de motorkap open is, werken de alarmknipperlichten niet en schakelt het antidiefstalsysteem niet in. Als alle portieren, de achterklep en de motorkap gesloten zijn, zullen de alarmknipperlichten alsnog één keer knipperen.
Schakel het alarm pas in als alle passagiers de auto verlaten hebben. Als het alarm wordt ingeschakeld terwijl er nog iemand in de auto zit, wordt het alarm geactiveerd als diegene de auto verlaat. Als binnen 30 seconden na het inschakelen van het alarm een portier, de achterklep of de motorkap wordt geopend, wordt het systeem uitgeschakeld om onnodig activeren van het alarm te voorkomen.
Alarm geactiveerd
Het alarm wordt geactiveerd als een van de volgende situaties zich voordoet terwijl het alarm is ingeschakeld.
- Een van de voor- of achterportieren wordt geopend zonder de afstandsbediening (of Smart Key).
- De achterklep wordt geopend zonder de afstandsbediening (of Smart Key).
- De motorkap wordt geopend.
Het alarm klinkt en de alarmknipperlichten knipperen gedurende 27 seconden, tenzij het systeem wordt uitgeschakeld. Het alarm kan worden uitgeschakeld door de portieren te ontgrendelen met de afstandsbediening (of Smart Key).
Alarm uitgeschakeld
Het systeem wordt in de volgende situaties uitgeschakeld:
Afstandsbediening
- De toets voor portier ontgrendelen wordt ingedrukt.
- De motor wordt gestart. (binnen 3 seconden)
- Het contact staat gedurende ten minste 30 seconden in stand ON.
Smart Key
- De toets voor portier ontgrendelen wordt ingedrukt.
- De toets van het voorportier wordt ingedrukt terwijl u de Smart Key bij u heeft.
- De motor wordt gestart. (binnen 3 seconden)
Nadat de portieren zijn ontgrendeld, knipperen de alarmknipperlichten tweemaal om aan te geven dat het alarm is uitgeschakeld.
Als er op de ontgrendeltoets van de afstandsbediening wordt gedrukt en er binnen 30 seconden geen portier (of achterklep) wordt geopend, wordt het alarm weer ingeschakeld.
* AANWIJZING - Auto's zonder startblokkeersysteem
- Probeer de motor niet te starten als het alarm is ingeschakeld. De startmotor wordt uitgeschakeld als het alarm is geactiveerd.
Steek, als het alarm niet met de afstandsbediening is uitgeschakeld, de contactsleutel in het contact, zet het contact in stand ON en wacht 30 seconden. Daarna zal het alarm worden uitgeschakeld. (behalve China) - Raadpleeg een officiële KIA-dealer als u uw sleutels verloren bent.
*AANWIJZING
- Startblokkeersysteem
- Steek, als het systeem niet uitgeschakeld is met de afstandsbediening. De contactsleutel in contactslot en start de motor. Daarna zal het alarm worden uitgeschakeld.
- Raadpleeg een officiële KIA-dealer als u uw sleutels verloren bent.
! OPMERKING
Breng geen wijzigingen aan in het antidiefstalsysteem. Hierdoor kan dit defect raken. Laat het systeem indien nodig controleren en repareren door een officiële KIA-dealer.
Storingen veroorzaakt door onjuiste afstelling of eigenhandige aanpassingen van het antidiefstalsysteem vallen niet onder de fabrieksgarantie.
SLOTEN

Portiersloten van buitenaf vergrendelen/ontgrendelen
- Draai de sleutel naar de achterzijde van de auto om het portier te ontgrendelen en naar de voorzijde om het portier te vergrendelen.
- Als het bestuurdersportier met de sleutel wordt vergrendeld/ontgrendeld, zullen alle overige portieren en de achterklep gelijktijdig vergrendeld/ontgrendeld worden.
-
De portieren kunnen ook met de afstandsbediening (of Smart Key) worden vergrendeld en ontgrendeld. (indien van toepassing)
-
Trek de portiergreep na het ontgrendelen omhoog om het portier te openen.
- Druk het portier met de hand dicht om het te sluiten. Zorg ervoor dat de portieren goed dicht zitten.
*AANWIJZING
- In een koud en nat klimaat werken de portiervergrendeling en portiermechanismen mogelijk niet door bevriezingsverschijnselen.
- Als het portier een aantal keren snel achter elkaar wordt vergrendeld en weer ontgrendeld, ofwel met de sleutel ofwel met de schakelaar portiervergrendeling, zal de werking van het systeem tijdelijk worden onderbroken om beschadiging van de onderdelen te voorkomen.
- Verwijder altijd de contactsleutel, bedien de parkeerrem, sluit alle ruiten en vergrendel alle portieren als u uw auto onbeheerd achterlaat.

Wat te doen in noodgevallen
Als de schakelaar van de portiervergrendeling niet werkt, kunnen de portieren alleen van buitenaf met de contactsleutel vergrendeld worden.
De portieren zonder portierslot aan de buitenzijde kunnen als volgt vergrendeld worden;
-
Open het portier.
-
Steek de sleutel in het noodportierslot en draai de sleutel horizontaal om te vergrendelen.
-
Sluit het portier op de juiste manier.
De achterklep wordt blijvend vergrendeld wanneer u de klep sluit terwijl de schakelaar van de portiervergrendeling niet werkt.

Als er eenmaal aan de portiergreep aan de binnenzijde wordt getrokken terwijl het portier is vergrendeld, wordt het portier ontgrendeld.
Als tweemaal aan de portiergreep aan de binnenzijde wordt getrokken, gaat het portier open.
Uitschakeling portiervergrendeling door trekken aan portiergreep binnenzijde (voorportier, indien van toepassing)
Als er aan de portiergreep aan de binnenzijde wordt getrokken terwijl het portier is vergrendeld, zal het portier worden ontgrendeld en geopend.

Voorportier passagierszijde (indien van toepassing)

Schakel deze in door de toets portiervergrendeling in te drukken.
- Als op het voorste deel (1) van de schakelaar portiervergrendeling wordt gedrukt, worden alle portieren vergrendeld.
- Als op het achterste deel (2) van de schakelaar portiervergrendeling wordt gedrukt, worden alle portieren ontgrendeld.
- Als de sleutel nog in het contact zit en een van beide voorportieren wordt geopend, kunnen de portieren niet worden vergrendeld, ook al wordt het voorste deel (1) van de schakelaar portiervergrendeling ingedrukt.
- Als de Smart Key zich in de auto bevindt en een portier wordt geopend, kunnen de portieren niet worden vergrendeld, ook al wordt het voorste deel (1) van de schakelaar centrale vergrendeling ingedrukt.
WAARSCHUWING
- Storing portiervergrendeling Als de portierontgrendeling niet werkt terwijl u in de auto zit, probeer dan een van onderstaande mogelijkheden:
- Ontgrendel de overige portieren en trek aan de grepen, voor en achter.
- Open de portierruit links voor en gebruik de sleutel om het portier vanaf de buitenzijde te ontgrendelen.
- Ga naar de bagageruimte en open de achterklep.
WAARSCHUWING
- Portieren
- De portieren moeten tijdens het rijden altijd volledig gesloten en vergrendeld blijven om het onverwachts openen van de portieren te voorkomen. Vergrendelde portieren schrikken ook mogelijke indringers af wanneer de auto langzaam rijdt of stopt.
- Let bij het openen van portieren goed op of er geen ander verkeer aankomt. Anders kan er schade of letsel ontstaan.
WAARSCHUWING
- Ontgrendelde auto
Als u de auto niet vergrendeld achterlaat, geeft u gelegenheid tot diefstal. Verwijder altijd de contactsleutel, bedien de parkeerrem, sluit alle ruiten en vergrendel alle portieren als u uw auto onbeheerd achterlaat.
WAARSCHUWING
- Kinderen alleen achterlaten
Een afgesloten auto kan binnenin erg warm worden, waardoor achtergelaten kinderen of huisdieren die niet uit de auto kunnen komen, letsel kunnen oplopen. Bovendien kunnen kinderen ernstig gewond raken door het bedienen van bepaalde systemen in de auto. Laat kinderen en huisdieren nooit zonder toezicht achter in de auto.
Portierontgrendelsysteem (indien van toepassing)
Alle portieren worden automatisch ontgrendeld wanneer de airbags door een aanrijding worden geactiveerd.
Snelheidsafhankelijk portiervergrendelsysteem (indien van toepassing)
Alle portieren zullen automatisch worden vergrendeld als een snelheid van 15 km/h wordt bereikt.
Alle portieren zullen automatisch worden ontgrendeld wanneer de motor wordt uitgeschakeld of wanneer de contactsleutel wordt verwijderd (indien van toepassing)

Kinderslot op portierslot achter
Het kinderslot zorgt ervoor dat kinderen de achterportieren niet per ongeluk van binnenuit kunnen openen. Schakel het kinderslot altijd in als u gaat rijden met kinderen.
- Open de achterklep.
-
Steek de sleutel in de opening (1) van het kinderslot en draai de sleutel in de stand vergrendelen (☑). Als het kinderslot in stand VERGRENDELD staat, kan het achterportier niet van binnenuit worden geopend.
-
Sluit het achterportier.
Het achterportier kan worden geopend met de buitenste handgreep (2).
Zelfs als het achterportier niet is vergrendeld, kan het portier niet met de binnenste portiergreep (3) worden geopend, totdat het kinderslot wordt uitgeschakeld.
WAARSCHUWING
- Vergrendeling achterportieren
Als kinderen tijdens het rijden per ongeluk de achterportieren openen, kunnen ze uit de auto vallen en ernstig letsel oplopen. Om te voorkomen dat kinderen de achterportieren van binnenuit openen, dienen de kindersloten gebruikt te worden zodra er kinderen in de auto worden meegenomen.
ACHTERKLEP

Open van de achterklep
- De achterklep wordt vergrendeld of ontgrendeld wanneer alle portieren worden vergrendeld of ontgrendeld met behulp van de sleutel, de afstandsbediening (of Smart Key) of de schakelaar voor de portiervergrendeling.
- Indien de achterklep ontgrendeld is, kunt u hem openen door de hendel in te drukken en de klep omhoog te trekken
- Als alle portieren vergrendeld zijn en de achterklepontgrendeltoets op de Smart Key wordt langer dan 1 s ingedrukt, dan wordt de achterklep ontgrendeld. Als achterklep vervolgens geopend en gesloten wordt, zal deze automatisch vergrendeld worden.
*AANWIJZING
In een koud en nat klimaat werken de portiervergrendeling en portiermechanismen mogelijk niet door bevriezingsverschijnselen.
WAARSCHUWING
De achterklep klapt naar boven open. Zorg dat er niemand bij de achterzijde van de auto staat als u de achterklep opent.
! OPMERKING
Controleer of de achterklep gesloten is voordat u met de auto gaat rijden. Er kan schade ontstaan aan de gasveren van de achterklep en de bevestigingsmaterialen, als u de achterklep niet sluit voordat u gaat rijden.

Sluiten van de achterklep
Trek de achterklep naar beneden en druk hem stevig vast om hem te sluiten. Zorg ervoor dat de achterklep goed vergrendeld is.
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat geen handen, voeten of andere lichaamsdelen bekneld kunnen raken bij het sluiten van de achterklep.
! OPMERKING
Zorg dat er niets bij het slot en de slotvanger van de achterklep zit als u de achterklep sluit. Hierdoor kan het slot van de achterklep beschadigd raken.

WAARSCHUWING
- Uitlaatgas
Als u met een geopende achterklep rijdt, worden gevaarlijke uitlaatgassen in het interieur gezogen, hetgeen kan leiden tot ernstig letsel.
Wanneer het noodzakelijk is dat u met een geopende achterklep rijdt, houd dan de uitstroomopeningen en alle ruiten open, zodat extra frisse lucht in het interieur stroomt.

WAARSCHUWING
- Bagageruimte
Passagiers dienen niet plaats te nemen in de bagageruimte, waar geen veiligheidsgordels aanwezig zijn. Om bij een aanrijding of plotseling remmen letsel te voorkomen, dienen inzittenden altijd hun veiligheidsgordel te dragen.

Uw auto is uitgerust met een ontgrendelknop aan de onderzijde van de achterklep om de achterklep in geval van nood vanaf de binnenzijde van de auto te kunnen openen. Als iemand per ongeluk wordt opgesloten in de bagageruimte, kan hij de achterklep openen door de ontgrendelknop in te drukken en vervolgens de achterklep open te duwen.

WAARSCHUWING
- Zorg ervoor dat u weet waar deze ontgrendelknop zich bevindt, zodat u zich in noodgevallen kunt bevrijden uit de bagageruimte.
- Vervoer nooit personen in de bagageruimte van de auto. De bagageruimte is een uiterst gevaarlijke plek in geval van een aanrijding.
- Gebruik de ontgrendelknop alleen in noodgevallen. Wees uiterst voorzichtig bij het gebruiken van deze knop, vooral tijdens het rijden.
RUITEN

(1) Schakelaar ruitbediening bestuurdersportier
(2) Schakelaar ruitbediening passagiersportier
(3) Schakelaar ruitbediening achterportier (links)
(4) Schakelaar ruitbediening achterportier (rechts)
(5) Ruiten openen en sluiten
(6) Automatische ruitbediening* (ruit bestuurdersportier)
(7) Blokkeerschakelaar ruitbediening
* indien van toepassing
*AANWIJZING
In een koud en nat klimaat werken de elektrisch bedienbare ruiten mogelijk niet door bevriezingsverschijnselen.
Om de ruiten elektrisch te kunnen bedienen moet het contact in stand ON staan. Ieder portier is voorzien van een schakelaar voor de bediening van de desbetreffende ruit. De bestuurder beschikt echter over een blokkeerschakelaar waarmee de ruitbediening van de schakelaars op de overige portieren uitgeschakeld kan worden.
De ruiten kunnen worden bediend tot ca. 30 seconden nadat het contact in stand ACC of LOCK is gezet of de contactsleutel is verwijderd. Wanneer de voorportieren geopend zijn, kunnen de ruiten niet bediend worden, zelfs niet binnen de periode van 30 seconden.
Het bestuurdersportier beschikt over een hoofdschakelaar, waarmee alle ruiten van de auto kunnen worden bediend.
*AANWIJZING
Wanneer tijdens het rijden de achterruiten geopend zijn of het schuif-/kanteldak (gedeeltelijk) geopend is, ondervindt u mogelijk hinderlijk windgeruis. Dit is normaal en kan worden verminderd of verholpen door het volgende te doen. Wanneer windgeruis optreedt terwijl een achterruit geopend is of beide achterruiten geopend zijn, kunt u beide voorruiten een paar centimeter laten zakken. Wanneer u windgeruis ondervindt terwijl het schuif-/kanteldak geopend is, kunt u het dak een iets sluiten.

Ruiten openen en sluiten
Type A
Druk de desbetreffende schakelaar aan de voorzijde in of trek deze omhoog om een ruit te openen of te sluiten tot het eerste zware punt (5).

Type B - Automatische ruitbediening (ruit bestuurdersportier, indien van toepassing)
Door de schakelaar kortstondig in te drukken tot de tweede stand (6), wordt de ruit automatisch geheel geopend, zelfs als de schakelaar wordt losgelaten. Om de ruitbeweging te stoppen, kan de schakelaar kortstondig omhoog worden getrokken.

Type B - Automatische ruitbediening (ruit bestuurdersportier, indien van toepassing)
Door de schakelaar kortstondig in te drukken of omhoog te trekken tot de tweede stand (6), wordt de ruit automatisch helemaal geopend of gesloten, zelfs als de schakelaar wordt losgelaten. Om de ruitbeweging te stoppen, trekt u de schakelaar omhoog of drukt hem omlaag en laat hem dan los.
Als de elektrisch bedienbare ruit niet goed werkt, kan de elektrische ruitbediening als volgt worden gereset:
- Zet het contact in stand ON.
- Sluit de ruit van het bestuurdersportier en houd de schakelaar van de ruit nog minstens 1 s omhoog nadat de ruit volledig gesloten is.

Als er tijdens de opwaartse beweging van de ruit een voorwerp of lichaamsdeel tussen de ruit en het portier komt, wordt de extra weerstand opgemerkt door het systeem en zal de ruit stoppen. Vervolgens zal de ruit ongeveer 30 cm zakken, zodat het voorwerp kan worden verwijderd.
Als de ruit weerstand ondervindt terwijl de schakelaar uitbediening omhooggetrokken blijft, stopt de omhooggaande beweging van de ruit en zakt de ruit ongeveer 2,5 cm Als de schakelaar opnieuw omhoog getrokken wordt binnen 5 s nadat de ruit automatisch naar beneden is gegaan, zal de klembeveiliging niet werken.
*AANWIJZING
De klembeveiliging voor de portierruit aan bestuurderszijde werkt alleen als de automatische sluitfunctie wordt geactiveerd door de schakelaar geheel omhoog te trekken. De automatische omkeerfunctie werkt niet als de ruit handmatig, met de schakelaar ruitbediening in de eerste stand, wordt bediend.
WAARSCHUWING
Controleer altijd of er niets tussen de ruit en het portier aanwezig is alvorens een ruit te sluiten om letsel en schade aan de auto te voorkomen. Als een voorwerp met een diameter kleiner dan 4 mm tussen de ruit en de sponning terechtkomt, wordt de extra weerstand mogelijk niet opgemerkt, waardoor de klembeveiliging niet werkt.

- De bestuurder kan de schakelaars voor de elektrische ruitbediening achter blokkeren door de blokkeerschakelaar op het bestuurdersportier in de stand LOCK (ingedrukt) te zetten.
- Als de blokkeerschakelaar van de ruitbediening is ingedrukt, kunnen de ruiten ook niet worden bediend met de hoofdschakelaars in het bestuurdersportier.
! OPMERKING
- Open of sluit telkens maar één ruit tegelijk. Anders kan de elektrische ruitbediening beschadigd raken. Hierdoor zal bovendien de zekering langer meegaan.
- Probeer nooit tegelijkertijd de hoofdschakelaar voor de ruitbediening in het bestuurdersportier en de afzonderlijke schakelaar voor de ruitbediening in tegengestelde richting in te drukken. In dat geval stopt de ruit en kan deze niet meer worden geopend of gesloten.

WAARSCHUWING
- Ruiten
- Laat de contactsleutel NOOIT achter in de auto.
- Laat een kind NOOIT zonder toezicht achter in de auto. Ook zeer jonge kinderen kunnen per ongeluk de auto in beweging zetten, bekneld raken tussen de portierruiten of zichzelf of anderen letsel toebrengen.
- Controleer altijd zorgvuldig of er zich geen armen, handen of andere belemmeringen in de buurt bevinden voordat een ruit gesloten wordt.
- Laat kinderen niet met de ruitbediening spelen. Laat de blokkeerschakelaar voor de ruitbediening in de stand VERGRENDELD (ingedrukt) staan. Het onbedoeld bedienen van een ruit kan vooral bij kinderen tot letsel leiden.
- Steek tijdens het rijden de armen en het gezicht niet naar buiten.
MOTORKAP

Motorkap; openen van
- Trek aan de ontgrendelknop om de motorkap te ontgrendelen. De motorkap komt iets omhoog.

- Ga naar de voorzijde van de auto en til de motorkap iets op. Druk de veiligheidshaak (1) in het midden van de motorkap naar u toe en til de motorkap omhoog (2).

- Trek aan de motorkapsteun.
- Ondersteun de motorkap met de steun.
WAARSCHUWING
- Hete onderdelen
Pak de steun altijd vast bij het deel dat omwikkeld is met rubber. Het rubber voorkomt dat u zich brandt aan het hete metaal als de motor warm is.
Sluiten van motorkap
- Controleer de volgende punten alvorens de motorkap te sluiten:
- Of alle vuldoppen correct teruggeplaatst zijn.
- Of er geen handschoenen, doeken of andere brandbare materialen in de motorruimte zijn achtergebleven.
- Zet de steun vast in de clip om te voorkomen dat hij gaat rammelen.
- Laat de motorkap zakken tot ongeveer 30 cm (1 ft) boven zijn gesloten positie en laat de motorkap los. Controleer of de motorkap vergrendeld is.
- Controleer voor het sluiten van de motorkap of er geen zaken in de motorruimte zijn achtergebleven die het sluiten zouden kunnen hinderen. Als geprobeerd wordt de motorkap te sluiten terwijl er nog iets in de motorruimte is achtergebleven, kan dat schade aan de motorkap of letsel veroorzaken.
- Laat geen handschoenen, doeken of andere brandbare materialen achter in de motorruimte. Deze zouden door de hitte in brand kunnen vliegen.
WAARSCHUWING
- Controleer altijd nogmaals of de motorkap goed vergrendeld is alvorens met de auto te gaan rijden. Als de motorkap niet goed vergrendeld is, zou hij tijdens het rijden open kunnen gaan, waardoor het zicht voor de bestuurder belemmerd wordt en een aanrijding het gevolg kan zijn.
- De motorkapsteun moet goed in de opening geplaatst worden als u controles in de motorruimte uitvoert. Dat voorkomt dat de motorkap plotseling naar beneden kan vallen en letsel veroorzaakt.
- Verplaats de auto niet als de motorkap omhoog staat omdat dan het zicht belemmerd wordt en de motorkap naar beneden kan vallen of beschadigd kan worden.
TANKDOPKLEP

Openen van de tankdopklep
De tankdopklep moet van binnenuit worden geopend door aan de ontgrendelingshendel te trekken.
*AANWIJZING
Tik zachtjes op de tankdopklep of druk er voorzichtig tegenaan als deze is vastgevroren om het ijs te breken en open daarna de tankdopklep. Wrik de tankdopklep niet los. Spuit de tankdopklep indien nodig in met ruitontdooier (gebruik geen koelvloeistof) of zet de auto op een warme plaats om het ijs te laten smelten.

- Zet de motor uit.
- Trek de ontgrendeling omhoog om de tankdopklep te openen.
- Open de tankdopklep (1).
- Draai de tankdop (2) linksom om deze te verwijderen.
- Vul de tank met brandstof.
Sluiten van de tankdopklep
- Plaats de dop terug en draai hem rechtsom totdat deze klikt. Dat geeft aan dat de dop goed vastzit.
- Sluit de tankdopklep en druk deze goed dicht.

WAARSCHUWING
- Tanken
- Als de onder druk staande brandstof naar buiten spuit, kan deze op uw kleding of huid terechtkomen en kan er brandgevaar ontstaan. Verwijder de tankdop altijd voorzichtig en langzaam. Als er brandstof naar buiten komt of er een sissend geluid hoorbaar wordt, moet u even wachten voordat u de dop verder losdraait.
- Probeer de tank niet verder te vullen nadat het vulpistool automatisch is afgeslagen.
- Controleer altijd of de tankdop goed vastgedraaid is, om morsen van brandstof in geval van een aanrijding te voorkomen.

WAARSCHUWING
Gevaren bij het tanken
Brandstof is licht ontvlambaar. Neem bij het tanken de volgende richtlijnen in acht. Het niet opvolgen van deze richtlijnen kan leiden tot ernstig persoonlijk letsel als gevolg van brand of een explosie.
- Lees alle waarschuwingen bij het tankstation en neem ze in acht.
- Kijk vóór het tanken altijd of er een noodknop voor het afsluiten van de brandstof is bij de brandstofpomp.
- Raak, voordat u de tankdop en vulopening aanraakt, altijd even een ander metalen deel van de auto aan, op voldoende afstand van de vulopening, om brandgevaar als gevolg van statische elektriciteit te voorkomen.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Stap niet in de auto nadat u begonnen bent met tanken omdat u door het aanraken van of wrijven tegen iets (polyester, satijn, nylon, enz.) statisch geladen kunt zijn. Statische elektriciteit kan brandstofdampen doen ontbranden, wat explosiegevaar oplevert. Als u tijdens het tanken toch terug in de auto moet stappen, raak ook dan even een metalen deel aan de voorzijde van de auto aan om eventuele statische elektriciteit kwijt te raken.
- Als u een jerrycan wilt vullen, plaats deze dan op de grond. Een met statische elektriciteit geladen jerrycan kan brandstofdampen doen ontbranden. Zodra u begint te tanken, dient u contact te maken met de auto tot het tanken is voltooid.
Gebruik alleen jerrycans die geschikt zijn voor brandstof.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Maak tijdens het tanken geen gebruik van een mobiele telefoon. Elektrische stroom en/of elektronische storing van mobiele telefoons kan brandstof-dampen doen ontbranden.
- Zet de motor uit vóór het tanken. De elektrische onderdelen van de motor kunnen vonken produceren die brandstofdampen kunnen doen ontbranden. Controleer na het tanken of de tankdop en de tankdopklep goed dicht zijn voordat u de motor start.
- Gebruik GEEN lucifers of aansteker en ROOK NIET. Laat ook geen brandende sigaret achter in de auto terwijl u gaat tanken. Brandstof is licht ontvlambaar en explosief.
- Als er tijdens het tanken brand uitbreekt, verlaat dan onmiddellijk de auto en breng de manager van het tankstation, de politie en de brandweer op de hoogte. Volg hun veiligheids-instructies op.
! OPMERKING
- Tank alleen de brandstof die in paragraaf 1 vermeld is onder "Vereiste brandstof".
- Gebruik, als de tankdop vervangen moet worden, uitsluitend een originele KIA-dop of een andere, voor uw auto geschikte dop. Een verkeerde tankdop kan een ernstige storing in het brandstofsysteem of het emissieregelsysteem veroorzaken.
- Mors geen brandstof op de buitenzijde van de auto. Brandstof kan de lak aantasten.
- Controleer altijd of de tankdop goed vastgedraaid is, om morsen van brandstof in geval van een aanrijding te voorkomen.
PANORAMADAK (INDIEN VAN TOEPASSING)

Indien uw auto is uitgerust met een schuif-/kanteldak, kunt u dit met behulp van de hendel in de dakconsole openschuiven of kantelen.
- Toets schuiven
- Toets kantelen
- Toets sluiten
Het schuif-/kanteldak kan elektrisch geopend, gesloten en gekanteld worden wanneer het contact in stand ON staat.
Waarschuwingszoemer open schuif-/kanteldak (indien van toepassing)
Als de bestuurder de sleutel uit het contact haalt (Smart Key: het contact uitschakelt) en het bestuurdersportier opent terwijl het schuif-/kanteldak niet volledig is gesloten, klinkt er gedurende ongeveer 7 seconden een waarschuwingszoemer.
Wanneer de Smart Key echter in de Smart Key-houder is geplaatst, zal de waarschuwingszoemer niet klinken.
Sluit het schuif-/kanteldak volledig wanneer u de auto verlaat.
*AANWIJZING
- In een koud en nat klimaat werkt het schuif-/kanteldak mogelijk niet door bevriezingsverschijnselen.
- Veeg na het wassen van de auto en na een regenbui het schuif-/kanteldak eerst droog alvorens het te openen.

OPMERKING
- Bedien de hendel niet meer als het schuif-/kanteldak volledig is geopend, gesloten of gekanteld. Hierdoor kunnen de motor en andere onderdelen beschadigd raken.
- Zorg er bij het verlaten van uw auto voor dat het schuif-/kanteldak volledig is gesloten. Als het schuif-/kanteldak open blijft, kan sneeuw of regen in het interieur komen of kan de auto worden gestolen.
*AANWIJZING
Het schuif-/kanteldak kan niet worden gekanteld wanneer hij open geschoven is, maar kan wel open worden geschoven wanneer hij gekanteld is.
WAARSCHUWING
- Verstel het schuif-/kanteldak of het zonnescherm niet tijdens het rijden. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen waardoor een ongeluk met ernstig letsel of schade het gevolg kan zijn.
- Als u goederen op het roof rack wilt vervoeren met behulp van een dwarsdrager, kunt u het schuif-/kanteldak niet gebruiken.
- Wanneer u goederen op het roof rack vervoert, dient u geen zware voorwerpen boven het schuif-/kanteldak of het glazen dak te plaatsen.
- Alle inzittenden moeten te allen tijde hun veiligheidsgordel dragen. Veiligheidsgordels en kinderzitjes beperken de kans op letsel in geval van een aanrijding of een noodstop.

Open-/dichtschuiven van het schuif-/kanteldak
Open het zonnescherm voordat u het schuif-/kanteldak opent of sluit (raadpleeg de volgende pagina voor informatie met betrekking tot het gebruik van het zonnescherm).
Druk op de betreffende knop om het schuif-/kanteldak (handmatig) te openen of te sluiten.
Het schuif-/kanteldak automatisch openen:
Houd de toets schuiven (1) gedurende ten minste 0,5 seconde ingedrukt en laat deze vervolgens los. Het schuif-/kanteldak schuift automatisch volledig open. Druk kort op een van de toetsen van het schuif-/kanteldak om het openschuiven van het schuif-/kanteldak in een willekeurige stand te onderbreken.
*AANWIJZING
Tijdens het rijden met het schuif-/kanteldak geheel of gedeeltelijk geopend, kan een dreunend geluid hoorbaar zijn. Dit is normaal en kan worden verminderd of verdwijnen door het volgende te doen. Als het geluid hoorbaar is terwijl het schuif-/kanteldak geheel of gedeeltelijk geopend is, schuif het schuif-/kanteldak dan iets verder dicht.
Het schuif-/kanteldak automatisch sluiten: Houd de toets sluiten (1) gedurende ten minste 0,5 seconde ingedrukt en laat deze vervolgens los. Het schuif-/kanteldak zal automatisch volledig sluiten.
Druk kort op een van de toetsen van het schuif-/kanteldak om het openschuiven van het schuif-/kanteldak in een willekeurige stand te onderbreken.

Automatisch omkeren van bewegingsrichting
Als tijdens het automatisch sluiten van het schuif-/kanteldak het dak weerstand ondervindt omdat er een voorwerp of lichaamsdeel door het dak naar buiten is gestoken, schuift het dak automatisch een stukje terug en stopt het met bewegen.
Het automatisch omkeren van de bewegingsrichting vindt niet plaats als er een plat obstakel tussen het glaspaneel en de schuifdakrand aanwezig is. Controleer voor het sluiten of er geen lichaamsdelen of objecten door het schuif-/kanteldak naar buiten zijn gestoken.
Kantelen van het schuif-/kanteldak
Open het zonnescherm voordat u het schuif-/kanteldak opent of sluit (raadpleeg de volgende pagina voor informatie met betrekking tot het gebruik van het zonnescherm).
Druk op de toets kantelen (2) om het schuif-/kanteldak te openen.
Druk, om het schuif-/kanteldak te sluiten, de toets sluiten (3) van het schuif-/kanteldak in tot het schuif-/kanteldak in de gewenste stand staat.
WAARSCHUWING - Schuif-/kanteldak
- Zorg ervoor dat er geen hoofden, handen of andere lichaamsdelen tussen het schuif-/kanteldak en de carrosserie bekneld kunnen raken als het schuif-/kanteldak gesloten wordt.
- Steek tijdens het rijden de armen, het hoofd of andere lichaamsdelen niet buiten de auto.
- Zorg ervoor dat de handen en het hoofd zich op een veilige afstand van het schuif-/kanteldak bevinden, alvorens het schuif-/kanteldak te sluiten.
! OPMERKING
- Verwijder van tijd tot tijd het vuil dat zich verzameld heeft op de geleiderail.
- Wanneer u het schuif-/kanteldak probeert te openen bij temperaturen onder het vriespunt, of als het dak bedekt is met sneeuw of ijs, kan het glaspaneel of de motor beschadigd raken.
- Laat het zonnescherm niet dichtzitten als het schuif-/kanteldak geopend is.

Rolgordijn
De rolgordijnen zijn aan de binnenkant van het schuif-/kanteldak en glazen dak geplaatst.
Open of sluit het rolgordijn indien nodig handmatig met de hendel (1).
Open het rolgordijn voordat u het schuif-/kanteldak opent of sluit.

OPMERKING
Wanneer het rolgordijn niet met de hendel (1) wordt bediend, kan hij scheef gaan zitten of defect raken.
*AANWIJZING
Door de materiaaleigenschappen van het rolgordijn is het normaal dat er kreuken in ontstaan.
Resetten van het schuif-/kanteldak
U moet het schuif-/kanteldak als volgt resetten wanneer de accu losgenomen of ontladen is geweest:
- Zet het contact in stand ON.
- Open het rolgordijn.
- Sluit het schuif-/kanteldak.
- Laat de knop van het schuif-/kanteldak los.
- Houd de toets sluiten van het schuif-/kanteldak ingedrukt (gedurende ca. 10 seconden) totdat het schuif-/kanteldak iets beweegt. Laat de toets vervolgens los.
- Houd de toets sluiten van het schuif-/kanteldak ingedrukt totdat het schuif-/kanteldak als volgt beweegt;
OMHOOG KANTELEN → OPEN SCHUIVEN → DICHT SCHUIVEN
Hierna is het schuif-/kanteldak gereset.
STUURWIEL
Elektronische stuurbekrachtiging
De stuurbekrachtiging reduceert de benodigde stuurkracht door gebruik te maken van een elektromotor. Bij een niet-draaiende motor of bij een defecte stuurbekrachtiging blijft de auto bestuurbaar, maar is de benodigde stuurkracht veel groter.
De elektromotor die voor de bekrachtiging zorgt, wordt geregeld door een module die de elektromotor aanstuurt op basis van signalen over het stuurkoppel en de rijsnelheid.
Het verdraaien van het stuurwiel wordt zwaarder wanneer de rijsnelheid toeneemt en lichter wanneer de snelheid afneemt. Hierdoor heeft u een betere controle over het stuurwiel.
Indien u merkt dat onder normale omstandigheden het sturen van de auto zwaarder gaat dan normaal, moet u de stuurbekrachtiging door een officiële KIA-dealer laten controleren.
*AANWIJZING
De volgende symptomen kunnen zich tijdens normaal gebruik voordoen:
- Het waarschuwingslampje EPS brandt niet.
- Het draaien aan het stuurwiel gaat zwaarder nadat het contact in stand ON wordt gezet. Dit gebeurt als het systeem de EPS-diagnose uitvoert. Als de zelfdiagnose voltooid is, gaat het draaien aan het stuur weer net zo licht als anders.
- Er kan een klikkend geluid hoorbaar zijn van het EPS-relais na het in stand ON of LOCK zetten van het contact.
- Het geluid van de elektromotor is mogelijk hoorbaar als de auto stilstaat of met lage snelheid rijdt.
- Om ernstige ongelukken te voorkomen kan het EPS-systeem worden uitgeschakeld als er tijdens de zelfdiagnose een storing in het EPS-systeem ontdekt wordt: de benodigde stuurkracht kan dan plotseling toenemen.
- De benodigde stuurkracht neemt toe als het stuurwiel voortdurend wordt gedraaid wanneer de auto niet in beweging is. Na een paar minuten gaat het draaien aan het stuurwiel weer net zo licht als anders.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Wanneer u in koude weersomstandigheden het stuurwiel verdraait, kan een vreemd geluid te horen zijn. Wanneer de temperatuur stijgt, zal het geluid verdwijnen. Dit is een normaal verschijnsel.
! OPMERKING
Als de elektrische stuurbekrachtiging niet goed werkt, gaat het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel branden. Mogelijk werkt het stuurwiel niet goed of kunt u de controle verliezen. Laat uw auto zo snel mogelijk door een officiële KIA-dealer nakijken.
Verstelbare stuurkolom / In hoogte en lengte verstelbare stuurkolom (indien van toepassing)
Een verstelbare stuurkolom maakt het mogelijk het stuurwiel af te stellen voordat u gaat rijden. Daarnaast kunt u het stuurwiel omhoog kantelen zodat uw benen meer ruimte hebben bij het in- en uitstappen (indien van toepassing).
Het stuurwiel moet zo worden afgesteld dat u een tijdens het rijden een comfortabele positie achter het stuur kunt vinden en tegelijkertijd een goed zicht heeft op de waarschuwingslampjes en meters/tellers in het instrumentenpaneel.
WAARSCHUWING
- Stel het stuurwiel nooit af tijdens het rijden. Als u dat wel doet, kunt u de macht over het stuur verliezen waardoor ongevallen en letsel veroorzaakt kunnen worden.
- Controleer na het afstellen of het stuurwiel goed vastzit.

Druk de vergrendeling (1) omlaag, zet het stuurwiel in de gewenste hoek (2) en hoogte (3, indien van toepassing) en trek de vergrendeling weer omhoog om het stuurwiel te blokkeren. Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden.

Om te claxonneren, drukt u op het claxonsymbool op het stuurwiel. Controleer regelmatig de werking van de claxon.
*AANWIJZING
Om te claxonneren, drukt u het gedeelte van het stuurwiel bij het claxonsymbool (zie afbeelding). De claxon wordt alleen bediend wanneer op dit gedeelte wordt gedrukt.
! OPMERKING
Om de claxon te bedienen hoeft u niet op het claxongedeelte te slaan. Druk het claxongedeelte niet in met een scherp voorwerp.
SPIEGELS
Binnenspiegel
Stel de binnenspiegel zo af dat u in het midden van de spiegel het midden van de achterruit ziet. Stel de spiegel af voordat u gaat rijden.

WAARSCHUWING
- Zicht naar achteren
Zorg er indien mogelijk voor dat het uitzicht door de achterruit niet belemmerd wordt.

WAARSCHUWING
Probeer de achteruitkijkspiegel niet te verstellen tijdens het rijden. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen waardoor een ongeluk met ernstig letsel of schade het gevolg kan zijn.

Binnenspiegel met dag-/nachtstand Stel de spiegel af voordat u wegrijdt en deze in de dag stand staat.
Trek de hendel onder aan de spiegel naar u toe om de spiegel in de nachtstand te zetten om verblinding door de koplampen van achteropkomend verkeer te voorkomen.
Houd er rekening mee dat het beeld in de spiegel in de nachtstand minder duidelijk is dan in de dagstand.
Elektrochromatische binnenspiegel (ECM - Electric chromic mirror) (indien van toepassing)
De elektrochromatische binnenspiegel voorkomt automatisch verblinding door achteropkomend verkeer. De sensor in de spiegel registreert de lichtinval en absorbeert de weerspiegelingen van de koplampen van achteropkomende auto's. Zodra de motor draait, worden de lichtreflecties automatisch gedimd.
Als de selectiehendel in de achteruitstand (R) wordt gezet, wordt de binnenspiegel in de helderste stand gezet om het uitzicht naar achteren zo duidelijk mogelijk te maken.

OPMERKING
Gebruik voor het reinigen van de spiegel een papieren doekje of vergelijkbaar materiaal dat vochtig is gemaakt met glasreiniger. Spuit niet direct glasreiniger op de spiegel. Hierdoor kan er glasreiniger in de spiegel komen.

Bedienen van elektrische binnenspiegel:
- De standaardinstelling voor de binnenspiegel is AAN als het contact in stand ON staat.
- Druk op de AAN/UIT-knop (1) om de automatische dimfunctie in te schakelen. Het spiegelcontrolelampje zal gaan branden. Druk op de AAN/UIT-knop (1) om de automatische dimfunctie uit te schakelen. Het spiegelcontrolelampje dooft.
Buitenspiegel
Stel de spiegels af voordat u gaat rijden. Uw auto is uitgerust met zowel een linker als een rechter buitenspiegel. De spiegels kunnen elektrisch versteld worden met de schakelaar. De spiegels kunnen worden ingeklapt om beschadigingen in een automatische wasserette of bij het rijden door een smalle straat te voorkomen.

WAARSCHUWING
- Buitenspiegel
- De rechter buitenspiegel is convergerend. Bij uitvoeringen voor sommige landen is ook de linker buitenspiegel converge-rend. Objecten in de spiegel zijn daardoor dichterbij dan ze lijken.
- Gebruik bij het veranderen van rijstrook daarom uw binnenspiegel of kijk opzij om de werkelijke afstand tot het achteropkomende verkeer vast te stellen

OPMERKING
Gebruik geen krabber om de spiegel ijsvrij te maken; hierdoor kan het spiegelglas beschadigd raken. Forceer een bevroren spiegel niet tijdens het verstellen. Verwijder ijs met een ruitontdooier of met een spons of zachte doek en heet water.

OPMERKING
Forceer de buitenspiegel niet als deze vastgevroren is. Spuit de buitenspiegel indien nodig in met ruitontdooier (gebruik geen koelvloeistof) of zet de auto op een warme plaats om het ijs te laten smelten.

WAARSCHUWING
Klap de buitenspiegels niet in en verstel ze ook niet tijdens het rijden. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen waardoor een ongeluk met ernstig letsel of schade het gevolg kan zijn.

Elektrisch (indien van toepassing)
Met behulp van de schakelaar kunt u de linker en rechter buitenspiegel elektrisch verstellen. Zet de keuzeschakelaar (1) in de stand R of L afhankelijk van de spiegel die u wilt verstellen. Druk vervolgens op het desbetreffende deel van de bedieningsschakelaar om de spiegel naar boven of naar beneden, naar links of rechts te verstellen.
Zet de schakelaar na het verstellen terug in het midden om te voorkomen dat de spiegel onbedoeld wordt versteld.

OPMERKING
- De spiegels stoppen hun beweging als de maximale stelhoek bereikt is. De stelmotor blijft echter draaien zolang de schakelaar ingedrukt blijft. Houd de schakelaar niet langer ingedrukt dan nodig om te voorkomen dat de stelmotor beschadigd wordt.
- Probeer de spiegels nooit met de hand te verstellen. Op die manier kan er schade ontstaan.

Pak de buitenspiegel bij de behuizing vast en klap deze naar achteren.

Elektrisch (indien van toepassing)
Druk op de toets om de buitenspiegel in te klappen.
Druk nogmaals op de toets om hem uit te klappen.
! OPMERKING
De elektrisch bedienbare buiten- spiegel werkt ondanks het feit dat het contact in stand LOCK staat. Stel om te voorkomen dat de accu leegraakt, de spiegels niet langer dan noodzakelijk af als de motor niet loopt.
! OPMERKING
Klap een elektrisch bedienbare buitenspiegel nooit in met de hand. Hierdoor kan de motor beschadigd raken.
INSTRUMENTENPANEEL


- Toerenteller
- Controlelampjes richtingaanwijzers
- Snelheidsmeter
- Temperatuurmeter
- Waarschuwings- en controlelampjes
- Schakelstandindicator*
- Kilometerteller
- Boordcomputer*
- Brandstofmeter
* indien van toepassing
* Deze afbeelding is een voorbeeld. Het aanwezige instrumentenpaneel kan, afhankelijk van de motor, opties en regio, afwijken.
OSL040065E-Q/OSL040064E

Dashboardverlichting (indien van toepassing)
Type A
Met behulp van de schakelaar kan de verlichtingssterkte voor het dashboard geregeld worden wanneer de parkeerlichten of de dimlichten branden.
Type B
De intensiteit van de instrumentenpaneelverlichting kan worden aangepast door de schakelaar in te drukken met de koplampen in een willekeurige stand en het contact in stand ON.

Meters
Snelheidsmeter
De snelheidsmeter geeft de snelheid aan als de auto vooruit rijdt.
De snelheidsmeter is gekalibreerd in kilometers per uur en/of mijl per uur.

Toerenteller
De toerenteller geeft het aantal omwentelingen per minuut (omw/min) bij benadering weer.
Gebruik de toerenteller om de juiste schakelmomenten te kiezen en voorkom dat de motor zwaar moet trekken of met te hoge motortoerentallen draait.
Wanneer het portier wordt geopend of de motor niet binnen 1 minuut wordt gestart, kan de naald van de toerenteller licht bewegen in stand ON met de motor uit.
Deze beweging is normaal en beïnvloedt de nauwkeurigheid van de toerenteller niet als de motor eenmaal draait.

OPMERKING
Zorg ervoor dat het motortoerental niet toeneemt tot in het rode gebied.
Hierdoor kan ernstige motorschade ontstaan.


OSL040065E/OSL040042
Temperatuurmeter
Wanneer het contact in stand ON staat, geeft deze meter de koelvloeistof-temperatuur weer.
Blijf niet rijden met een oververhitte motor. Raadpleeg OVERVERHITTING in hoofdstuk 6 wanneer de motor oververhit raakt.

OPMERKING
Als de naald van de meter buiten het normale bereik komt en in de richting van stand "130/H" beweegt, duidt dit op oververhitting van de motor, waardoor schade aan de motor kan ontstaan.

WAARSCHUWING
Verwijder de radiateurdop nooit als de motor heet is. De koelvloeistof staat onder druk en kan door verwijderen van de radiateurdop naar buiten spuiten, waardoor ernstige brandwonden kunnen ontstaan. Wacht totdat de motor is afgekoeld alvorens het reservoir bij te vullen met koelvloeistof.


OSL040065E/OSL040043
Brandstofmeter
De brandstofmeter geeft bij benadering de hoeveelheid brandstof aan die nog in de tank aanwezig is. De inhoud van de brandstoftank staat in hoofdstuk 8. De brandstofmeter is tevens voorzien van een waarschuwingslampje laag brandstofniveau dat gaat branden als de brandstoftank bijna leeg is.
Bij hellingen en bochten beweegt mogelijk de naald van de brandstofmeter, knippert mogelijk het waarschuwingslampje laag brandstofniveau, of gaat het waarschuwingslampje laag brandstofniveau mogelijk branden doordat de brandstof in de brandstoftank heen en weer beweegt.
WAARSCHUWING - Brandstofmeter
Het is gevaarlijk als de auto zonder brandstof komt te staan.
Vul de brandstoftank zo snel mogelijk als het waarschuwingslampje gaat branden of als de naald van de brandstofmeter de "0/E" nadert.
! OPMERKING
Voorkom rijden met een extreem laag brandstofniveau. Het leegrijden van de tank kan leiden tot overslaan van de motor en overbelasting van de katalysator.

Kilometerteller- dagteller/boordcomputer
(indien van toepassing)
De boordcomputer voorziet de bestuurder via een LCD van informatie over de kilometerstand, de dagteller, de actieradius, de gemiddelde snelheid, de reisduur, het gemiddelde brandstofverbruik en het huidige brandstofverbruik als het contact in stand ON staat. Alle opgeslagen informatie (behalve de kilometerstand, actieradius en huidig brandstofverbruik) wordt gereset als de accukabel wordt losgenomen.
De kilometerstand wordt altijd weergegeven zolang het display is ingeschakeld. Druk op de toets TRIP om een van de standen te selecteren:
![graph TD A["Dagteller A"] --> B["Dagteller B"] B --> C["Actieradius*"] C --> D["Gemiddeld brandstofverbruik*"] D --> E["Actueel brandstofverbruik*"] E --> F["Gemiddelde rijsnelheid*"] F --> G["Reisduur*"] G --> H["Buitenthermometer*"] H --> A](/content/2026/05/1111633/images/da8d9807cf534d0a6e373b243552637d67fb9ab754a8115ab8e50fe1d0ef0cdc.jpg)
* indien van toepassing

Kilometerteller (km of mijl)
De kilometerteller geeft de totale afstand aan die met de auto gereden is.
De kilometerteller is ook een nuttig instrument om te bepalen wanneer periodiek onderhoud nodig is.
*AANWIJZING
Het wijzigen van de kilometerstand met de bedoeling de weergegeven kilometerstand te veranderen, is verboden. Het wijzigen van de kilometerstand kan resulteren in het vervallen van de garantie.
Dagteller (km of mijl)
In deze stand wordt de afstand weergegeven die is afgelegd sinds de dagteller voor het laatst gereset werd.
De teller loopt van 0,0 - 999,9 km (mijl).
Door de terugstelknop gedurende ten minste 1 seconde ingedrukt te houden wanneer de dagteller (TRIP A of TRIP B) wordt weergegeven, wordt de dagteller teruggezet naar nul (0,0).


Actieradius (indien van toepassing) (km of mijl)
In deze stand wordt aangegeven hoeveel kilometer er ongeveer gereden kan worden op basis van de hoeveelheid brandstof in de tank en de hoeveelheid brandstof die geleverd wordt aan de motor. Als de resterende afstand korter is dan 50 km (30 mijl), verschijnt het symbool ----" en knippert het lampje voor de actieradius.
De teller loopt van 50 - 999 km (30 - 999 mijl).


Gemiddeld brandstofverbruik (indien van toepassing) (l/100 km of MPG)
In deze stand wordt het gemiddelde brandstofverbruik berekend uit het totale brandstofverbruik en de afstand die is afgelegd sinds het gemiddelde brandstofverbruik voor het laatst gereset werd. Het totale brandstofverbruik wordt berekend uit het brandstofverbruikssignaal. Voor een nauwkeurige berekening dient meer dan 50 m (0,03 milj) te worden gereden.
Door de knop RESET gedurende ten minste 1 seconde ingedrukt te houden wanneer het gemiddelde brandstofverbruik wordt weergegeven, wordt het gemiddelde brandstofverbruik teruggezet naar nul (--,-).
Als de rijsnelheid boven de 1 km/h komt nadat er ten minste 6 liter is bijgetankt, wordt het gemiddelde brandstofverbruik teruggezet naar nul (--.-).


Actueel brandstofverbruik (indien van toepassing) (l/100km of MPG) In deze stand wordt het actuele brandstofverbruik gedurende de voorgaande seconden berekend.
*AANWIJZING
- Als de auto niet op een horizontaal vlak staat of als de accupolen losgenomen zijn, kan het gebeuren dat de functie ACTIERADIUS niet goed werkt. Indien er minder dan 6 liter brandstof getankt wordt, wordt dat niet door de boordcomputer geregistreerd.
- Het brandstofverbruik en de actieradius zijn sterk afhankelijk van de rijomstandigheden, de rijstijl van de bestuurder en de staat van de auto.
- De actieradius is een schatting van de afstand die met de auto gereden kan worden. Deze waarde kan afwijken van de werkelijke afstand.


Gemiddelde snelheid (indien van toepassing) (km/h of MPH)
In deze stand wordt de gemiddelde snelheid berekend sinds de laatste keer dat de gemiddelde snelheid gereset werd.
Zolang de motor draait, blijft de gemiddelde snelheid doorlopen, ook als de auto stilstaat.
Door de knop RESET gedurende ten minste 1 seconde ingedrukt te houden wanneer de gemiddelde snelheid wordt weergegeven, wordt de gemiddelde snelheid teruggezet naar nul (---).


Reisduur (indien van toepassing)
In deze stand wordt de tijd weergegeven die is verstreken sinds de tijd voor het laatst gereset werd.
Zolang de motor draait, blijft de reisduur doorlopen, ook als de auto stilstaat.
De teller loopt van 00:00 - 99:59.
Door de knop RESET gedurende ten minste 1 seconde ingedrukt te houden wanneer de reisduur wordt weergegeven, wordt de reisduur teruggezet naar nul (0:00).

(indien van toepassing)
Deze stand geeft de buitentemperatuur aan.
De thermometer loopt van -40°C tot 80°C (-40°F tot 176°F).
Om de eenheid waarin de temperatuur wordt weergegeven te wijzigen (°C ↔ °F), moet de toets RESET gedurende meer dan 1 seconde in deze stand worden ingedrukt.
De buitentemperatuur in het display wijzigt mogelijk niet onmiddellijk zoals bij een gewone thermometer. Dit is om te voorkomen dat de bestuurder erdoor wordt afgeleid.


Stand ECO ON/OFF
(indien van toepassing)
U kunt in deze stand het controlelampje ECO in-/uitschakelen in het instrumentenpaneel.
Als u in de stand ECO ON gedurende ten minste 1 seconde op de toets TRIP drukt, wordt ECO OFF op het scherm weergegeven en dooft het controle-lampje ECO tijdens het rijden.
Als u het controlelampje ECO weer wilt weergeven, druk dan gedurende ten minste 1 seconde op de toets TRIP in de stand ECO OFF. Vervolgens wordt ECO ON op het scherm weergegeven.
Wanneer u in de stand ECO korter dan 1 seconde op de toets TRIP drukt, wordt de functie gewijzigd naar dagteller.
Waarschuwings- en controlelampjes
De waarschuwingslampjes kunnen worden gecontroleerd door het contact in stand ON te zetten (start de motor niet). Ieder lampje dat niet gaat branden, moet worden gecontroleerd door een officiële KIA-dealer.
Controleer nadat de motor aanslaat of alle waarschuwingslampjes uit zijn. Eventuele waarschuwingslampjes die nog branden, kunnen op een storing duiden. Het waarschuwingslampje van het remsysteem moet uitgaan zodra de parkeerrem vrij is. Het waarschuwingslampje laag brandstofniveau blijft branden als er nog maar weinig brandstof in de tank zit.
Controlelampje ECO (indien van toepassing)
ECO
Stand ECO ON/OFF
(indien van toepassing)
Het controlelampje ECO is een systeem dat u helpt zuinig te rijden.
Het wordt weergegeven als u zuinig rijdt om u te helpen het brandstofverbruik te verlagen.
- Het controlelampje ECO (groen) gaat branden wanneer u zuinig rijdt in de stand ECO ON.
Als u niet wilt dat het controlelampje wordt weergegeven, kunt u de stand ECO OFF inschakelen door op de toets TRIP te drukken.
Zie de vorige pagina voor informatie over de bediening van de stand ECO ON/OFF.
- Het brandstofverbruik kan worden beïnvloed door de rijgewoonten van de bestuurder en de toestand van de weg.
- Het controlelampje ECO werkt niet in de stand P (parkeren), N (neutraal) en R (achteruit).
WAARSCHUWING
Kijk tijdens het rijden niet voortdurend naar het controle-lampje. Het leidt u af tijdens het rijden, met mogelijk een aanrijding met ernstig letsel tot gevolg.
Actief ECO-systeem (alleen 2,0
dieselmotor met automatische transmissie, indien van toepassing)
Wanneer het actieve ECO-systeem in werking is, brandt het controlelampje ECO groen.
Zie "Actief ECO-systeem" in hoofdstuk 5 voor meer informatie.
Waarschuwingslampje AIRBAG

Waarschuwingslampje ABS

Waarschuwings- lampje EBD


Dit lampje zal ongeveer 6 seconden gaan knipperen iedere keer dat het contact in stand ON wordt gezet.
Dit lampje zal ook gaan branden als het aanvullend veiligheidssysteem niet goed werkt. Als het waarschuwingslampje AIR BAG niet gaat branden of als het ook blijft branden als er na het in stand ON zetten van het contact 6 seconden verstreken zijn of de motor gestart is, of als het gaat branden tijdens het rijden, laat dan het aanvullend veiligheidssysteem controleren door een officiële KIA-dealer.
Dit lampje gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet en gaat na ongeveer 3 s uit als het systeem in orde is.
Als het waarschuwingslampje ABS blijft branden, gaat branden tijdens het rijden of niet gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet, is er een storing in het ABS aanwezig.
Laat in dat geval uw auto zo snel mogelijk controlleren door een officiële KIA-dealer. Het normale remsysteem werkt in dat geval nog wel maar het antiblokkeersysteem niet.
Als tijdens het rijden twee waarschu- wingslampjes gelijktijdig gaan branden, zit er een probleem in het ABS- en EBD- systeem.
In dat geval werken het antiblokkeersysteem en het remsysteem misschien niet normaal. Laat de auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.

WAARSCHUWING
Als zowel het waarschuwingslampje ABS als het waarschuwingslampje remsysteem brandt en blijft branden, zal het remsysteem niet normaal werken bij plotseling remmen. Vermijd in dit geval hard rijden en plotseling remmen.
Laat uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.
*AANWIJZING
Wanneer het waarschuwingslampje ABS of het waarschuwingslampje EBD brandt en blijft branden, werken de snelheidsmeter of de kilometerteller/dagteller mogelijk niet. Bovendien kan het waarschuwingslampje EPS gaan branden en kan de benodigde stuurkracht toe- of afnemen. Laat in dat geval uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.
Waarschuwingslampje remsysteem

Waarschuwing ingeschakelde parkeerrem
Dit lampje gaat branden wanneer het contact in stand START of ON wordt gezet en de parkeerrem ingeschakeld is. Dit waarschuwingslampje gaat gedurende 3 seconden na het in stand ON zetten van het contact branden en gaat vervolgens weer uit. Zodra de parkeerrem niet langer meer is aangetrokken en de motor draait, moet het lampje UIT zijn.
Als de rijsnelheid hoger is dan 10 km/h (of 5 km/h) (indien van toepassing) geeft de waarschuwingszoemer van de parkeerrem een signaal om u erop te attenderen dat de parkeerrem nog is aangetrokken. Zet altijd de parkeerrem vrij voordat u gaat rijden.
Waarschuwing laag remvloeistofniveau
Als het waarschuwingslampje blijft branden, kan dit duiden op een laag remvloeistofpeil in het reservoir. Handel als volgt wanneer het waarschuwingslampje blijft branden:
- Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand.
- Schakel de motor uit en controleer het remvloeistofpeil direct. Vul indien nodig remvloeistof bij. Controleer alle onderdelen van het remsysteem op lekkage.
- Rijd niet met de auto als het waarschuwingslampje aan blijft of als de remmen niet goed werken. Laat de auto naar een officiële KIA-dealer transporteren om het remsysteem te laten controleren en zonodig te laten repareren.
Uw auto is uitgerust met een diagonaal gescheiden remsysteem. Dat betekent dat als er in een van de remcircuits een probleem optreedt, u de auto met het overgebleven remcircuit tot stilstand kunt brengen. Als er een van de remcircuits is uitgevallen, wordt de slag van het rempedaal groter en moet er meer druk op het rempedaal worden uitgeoefend om de auto tot stilstand te brengen. Verder zal in dat geval de remweg toenemen. Schakel bij een defect in het remsysteem terug om sterker op de motor af te kunnen remmen en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand.
Controleer of het waarschuwingslampje van het remsysteem in orde is en brandt als het contact in stand ON staat.
WAARSCHUWING
Rijden met een auto waarvan het waarschuwingslampje brandt, is gevaarlijk. Laat het remsysteem direct controleren en repareren door een officiële KIA-dealer als het waarschuwingslampje remsysteem blijft branden.
Waarschuwingssysteem voor de veiligheidsgordels (indien van toepassing)

Vóór
Als herinnering voor bestuurder en voorpassagier branden telkens als het contact in stand ON wordt gezet de waarschuwingslampjes van de veiligheidsgordels (1 en 2) gedurende 6 seconden, ongeacht of de gordels zijn vastgemaakt.
Wanneer de veiligheidsgordel van de bestuurder of voorpassagier niet vastgemaakt is als het contact in stand ON wordt gezet, zal het waarschuwingslampje gaan branden. Dit gebeurt ook als de veiligheidsgordel weer losgemaakt wordt als het contact in stand ON staat.
Als u de veiligheidsgordel nog steeds niet draagt en de rijsnelheid hoger wordt dan 9 km/h, zal het brandende waarschuwingslampje gaan knipperen totdat de rijsnelheid lager wordt dan 6 km/h.
Als u door blijft rijden zonder dat u de veiligheidsgordel draagt en sneller gaat rijden dan 20 km/h, zal de waarschuwingszoemer gedurende ongeveer 100 seconden klinken en zal het desbetreffende waarschuwingslampje gaan knipperen.
Achter (indien van toepassing)
Als het contact in stand ON wordt gezet (motor loopt niet) terwijl de driepunts-gordel van de achterpassagier niet is vastgemaakt, gaat het desbetreffende waarschuwingslampje voor de veilig-heidsgordel gedurende 35 seconden branden.
Vervolgens gaat het desbetreffende waarschuwingslampje gedurende ongeveer 35 seconden branden als één van de volgende situaties zich voordoet;
- U start de motor terwijl de veiligheidsgordel achter niet is vastgemaakt.
- U rijdt harder dan 9 km/h terwijl de veiligheidsgordel achter niet is vastgemaakt.
- De veiligheidsgordel achter wordt losgemaakt terwijl u langzamer dan 20 km/h rijdt.
Als de veiligheidsgordel achter wordt vastgemaakt, zal het waarschuwingslampje onmiddellijk doven.
Als de veiligheidsgordel achter wordt losgenomen bij een snelheid die hoger is dan 20 km/h, zal gedurende 35 seconden het bijbehorende waarschuwingslampje gaan knipperen en de waarschuwingszoemer klinken.
Maar als de veiligheidsgordel tweemaal losgenomen wordt binnen 9 seconden nadat de gordel is omgedaan, zal het waarschuwingslampje voor de veiligheidsgordel niet werken.
Dit controlelampje gaat branden als het grootlicht wordt ingeschakeld of een lichtsignaal wordt gegeven.
Controlelampje lichten aan (indien van toepassing)

Het lampje gaat branden wanneer de achterlichten of koplampen branden.
Controlelampje mistlampen vóór (indien van toepassing)

Dit lampje gaat branden als de mistlampen vóór worden ingeschakeld.
Controlelampje mistlampen achter (indien van toepassing)

Dit lampje gaat branden als de mistlampen achter worden ingeschakeld.
Oliedruklampje

Dit waarschuwingslampje geeft aan dat de oliedruk van de motor laag is.
Als het waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden:
- Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto tot stilstand.
- Controleer het motoroliepeil wanneer de motor uit is.Vul indien nodig olie bij wanneer het peil laag is.
Neem contact op met een officiële KIA-dealer als het waarschuwingslampje na het bijvullen blijft branden of als er geen olie beschikbaar is.

OPMERKING
Als de motor niet direct uit wordt gezet nadat het oliedruklampje is gaan branden, kan er ernstige motorschade ontstaan.
! OPMERKING
Als het oliedruklampje blijft branden terwijl de motor draait, kan er ernstige motorschade ontstaan. Het oliedruklampje gaat branden als de oliedruk te laag is. Onder normale omstandigheden moet het lampje gaan branden als het contact in stand ON gezet wordt en moet het uit gaan als de motor gestart is. Als het oliedruklampje blijft branden terwijl de motor draait, is er sprake van een ernstig defect.
Breng in dat geval de auto zo snel mogelijk op een veilige plaats tot stilstand, zet de motor uit en controleer het motoroliepeil. Vul indien nodig olie bij tot het juiste niveau en start de motor. Zet de motor direct weer uit als het lampje blijft branden. Als het oliedruklampje blijft branden terwijl de motor draait mag er niet verder met de auto worden gereden zolang de motor nog niet door een officiële KIA-dealer gecontroleerd is.
Waarschuwingslampje motoroliepeil (dieselmotor, indien van toepassing)

Het waarschuwingslampje motoroliepeil gaat branden wanneer het motoroliepeil moet worden gecontroleerd.
Controleer als het lampje gaat branden het motoroliepeil zo snel mogelijk en vul indien nodig motorolie bij.
Giet de aanbevolen olie voorzichtig in een trechter. (Hoeveelheid olie: ongeveer 0,6 \~ 1,0 l)
Gebruik alleen de voorgeschreven motorolie. (Zie "Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden" in hoofdstuk 8.)
Vul niet te veel motorolie bij, zorg dat het oliepeil niet boven het merkteken F op de peilstok komt.
*AANWIJZING
- Als u na het bijvullen van de motorolie ongeveer 50 km rijdt, gaat het waarschuwingslampje uit.
- Zet het contact binnen 10 seconden 3 keer aan en uit, het waarschuwingslampje gaat dan onmiddellijk uit. Wanneer u echter het waarschuwingslampje uit zet zonder motorolie bij te vullen, gaat het lampje weer branden nadat u ongeveer 50 km hebt gereden.

OPMERKING
Als het lampje blijft branden nadat u motorolie hebt bijgevuld en ongeveer 50 km hebt gereden, breng uw auto dan naar de dichtstbijzijnde, officiële KIA-dealer en laat het systeem nakijken.
Zelfs als het lampje niet gaat branden als de motor is gestart, moet de motorolie regelmatig worden gecontroleerd en bijgevuld.
Schakelstandindicator (indien van toepassing)

In het display wordt weergegeven welke van de stand van de selectiehendel geselecteerd is.
Schakelstandindicator handgeschakelde transmissie (indien van toepassing)
■ Type A
■ Type B


Dit controlelampje geeft aan in welke versnelling u het beste kunt rijden om brandstof te besparen.
Bijvoorbeeld
▲3: Geeft aan dat opschakelen naar de 3e versnelling wenselijk is. (De selectiehendel staat in de 2e versnelling.)
▼3: Geeft aan dat terugschakelen naar de 3e versnelling wenselijk is. (De selectiehendel staat in de 4e versnelling.)
*AANWIJZING
Wanneer het systeem niet correct functioneert, wordt er geen pijl omhoog, pijl omlaag of geselecteerde versnelling weergegeven.
Waarschuwingslampje open portier

Controlelampje startblokkeersysteem (indien van toepassing)

Dit waarschuwingslampje gaat branden als een portier niet goed gesloten is (in alle standen van het contact).
Waarschuwingslampje open achterklep

Dit waarschuwingslampje gaat branden als de achterklep niet goed gesloten is (in alle standen van het contact).
Zonder Smart Key-systeem
Dit lampje gaat branden als de sleutel in het contact gestoken wordt en naar stand ON wordt gedraaid.
Op dat moment kunt u de motor starten. Het lampje dooft nadat de motor is aangeslagen.
Laat het systeem controleren door een officiële KIA-dealer wanneer het lampje gaat knipperen als het contact in stand ON staat en de motor nog niet is gestart.
Met Smart Key-systeem
Als een van de volgende situaties zich voordoet bij uitvoeringen met de Smart Key, gaat het controlelampje van het startblokkeersysteem branden, knipperen of uit.
- Wanneer de Smart Key zich in de auto bevindt, als de toets ENGINE START/STOP in stand ACC of ON staat, zal het lampje ongeveer 30 seconden branden om aan te geven dat u de motor kunt starten. Wanneer de Smart Key zich echter niet in de auto bevindt, knippert het lampje een paar seconden als u op de toets ENGINE START/STOP drukt, om aan te geven dat u de motor niet kunt starten.
- Laat het systeem nakijken door een officiële KIA-dealer als het controlelampje slechts 2 seconden brandt en daarna uitgaat wanneer u de toets ENGINE START/STOP in de stand ON zet en de Smart Key zich in de auto bevindt.
- Wanneer de accu bijna leeg is, en als de toets ENGINE START/STOP wordt ingedrukt, knippert het lampje en kunt u de motor niet starten. U kunt de motor echter wel starten door de Smart Key in de Smart Key-houder te plaatsen. Als er een storing zit in onderdelen van het Smart Key-systeem, knippert het controlelampje.
Controlelampje motormanagement (MIL)

Dit controlelampje maakt deel uit van het motorregelsysteem dat verschillende onderdelen van het emissieregelsysteem in de gaten houdt. Als dit lampje tijdens het rijden gaat branden, geeft het aan dat een mogelijk probleem gesignaleerd is in de emissieregelsystemen.
Dit lampje gaat ook branden als het contact in stand ON wordt gezet en gaat een paar seconden nadat de motor gestart is weer uit. Laat uw auto door de dichtstbijzijnde officiële KIA-dealer controleren als het lampje tijdens het rijden gaat branden of als het niet gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet.
Over het algemeen kunt u, als dit lampje gaat branden, nog wel verder rijden met uw auto maar moet u het systeem zo snel mogelijk door een officiële KIA-dealer laten controleren.
OPMERKING
Wanneer u langere tijd met een brandend controlelampje motormanagement blijft doorrijden, kan schade aan de emissieregelsystemen ontstaan. Dit kan een nadelige invloed hebben op de rijprestaties en/of het brandstofverbruik.
! OPMERKING - Benzine-motor
Wanneer het controlelampje motormanagement gaat branden, kan de katalysator beschadigd zijn. Hierdoor kan het motorvermogen teruglopen. Laat het motorregelsysteem zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.
⚠ OPMERKING - Dieselmotor Wanneer het controlelampje motor- management knippert, duidt dit op een storing in de regeling van de inspuithoeveelheid hetgeen kan resulteren in teruglopend motor- vermogen, motorlawaai en schadelijke uitlaatgasemissies.
Laat het motorregelsysteem zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.
⚠ OPMERKING - Dieselmotor (indien voorzien van een roetfilter (DPF))
Wanneer het storingslampje gaat knipperen, ga dan gedurende een bepaalde tijd (ongeveer 25 minuten) rijden met een snelheid van ten minste 60 km/h of in een hogere versnelling dan de tweede met een toerental van 1.500 - 2.000 omw/min.
Het lampje zal mogelijk stoppen met knipperen. Ga naar een officiële KIA-dealer als het storingslampje desondanks blijft knipperen en laat het DPF-systeem nakijken.
Indien u gedurende lange tijd blijft doorrijden terwijl het storingslampje knippert, kan het DPF-systeem beschadigd raken en het brandstofverbruik toenemen.
Controlelampje ESP (voertuigstabiliteitsregeling) (indien van toepassing)

Het controlelampje EPS gaat branden op het moment dat het contact in stand ON wordt gezet en moet na ongeveer 3 seconden weer doven. Als de voertuigstabiliteitsregeling is ingeschakeld, registreert dit systeem de rijomstandigheden. Zolang deze normaal zijn, blijft het controlelampje ESP uit. Zodra het systeem registreert dat de wielen door willen gaan slippen, wordt de voertuigstabiliteitsregeling geactiveerd en gaat het controlelampje ESP knipperen.
Maar als het ESP-systeem defect is, gaat het controlelampje branden en blijft aan. Laat de auto controleren door een officiële KIA-dealer.
Controlelampje ESP OFF (indien van toepassing)

Het controlelampje EPS OFF gaat branden op het moment dat het contact in stand ON wordt gezet en moet na ongeveer 3 seconden weer doven. Druk op de schakelaar ESP OFF om de voertuigstabiliteitsregeling uit te schakelen. Het controlelampje ESP OFF gaat branden om aan te geven dat het systeem is uitgeschakeld.
Controlelampje DBC (Downhill Brake Control) (indien van toepassing)

Het controlelampje DBC gaat branden wanneer de toets DBC wordt ingedrukt en het systeem is ingeschakeld.
Wanneer u van een steile heuvel afrijdt met een snelheid van minder dan 35 km/u, treedt de DBC in werking en gaat het controlelampje DBC knipperen om aan te geven dat de DBC actief is.
Als het rode controlelampje brandt, is er mogelijk een storing in het DBC-systeem. Laat de auto controleren door een officiële KIA-dealer.
Controlelampje CRUISE (indien van toepassing) Controlelampje CRUISE

Het controlelampje gaat branden wanneer het cruise control-systeem wordt ingeschakeld.
Het controlelampje CRUISE in het instrumentenpaneel gaat branden als de cruise control-schakelaar op het stuurwiel wordt ingedrukt.
Het controlelampje gaat uit als de schakelaar nogmaals wordt ingedrukt.
Raadpleeg voor meer informatie over het gebruik van de cruise control "Cruise control-systeem" in hoofdstuk 5.
Controlelampje SET
SET
Het controlelampje gaat branden als de functie -/SET of RES/+ van de cruise control is ingeschakeld.
Het controlelampje SET in het instrumentenpaneel gaat branden als de cruise control-schakelaar (-/SET of RES/+) wordt ingedrukt.
Het controlelampje SET brandt niet als de cruise control-schakelaar (CANCEL) is ingedrukt of als het systeem is uitgeschakeld.
Controlelampje TPMS (controle- systeem lage andenspanning) (indien van toepassing)
Waarschuwingslampje lage bandenspanning / Controlelampje storing TPMS

Waarschuwingslampje positie lage bandenspanning

Het waarschuwingslampje lage banden-spanning gaat gedurende 3 seconden branden nadat het contact in stand ON is gezet.
De waarschuwingslampjes lage bandenspanning en positie lage bandenspanning gaan branden als de spanning van een of meer banden aanzienlijk te laag is.
Het waarschuwingslampje lage bandenspanning gaat branden nadat het ongeveer 1 minuut heeft geknipperd wanneer er een probleem aanwezig is in het controlesysteem lage bandenspanning.
Laat in dat geval het systeem zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.
Zie voor meer informatie TPMS in hoofdstuk 6.
WAARSCHUWING
Een te lage bandenspanning zorgt ervoor dat de auto instabiel wordt en kan ervoor zorgen dat u de controle over de auto verliest en dat de remweg wordt verlengd.
Doorrijden op banden met een te lage spanning heeft oververhitte en defecte banden tot gevolg.
- Het TPMS waarschuwt niet voor ernstige en plotselinge schade aan de banden veroorzaakt door externe factoren.
- Als de auto instabiel aanvoelt, haal dan onmiddellijk uw voet van het gaspedaal, trap het rempedaal licht in en breng uw auto op een veilige plaats tot stilstand.
Controlelampje AUTO STOP
(indien van toepassing)

Dit controlelampje gaat branden als de motor in de modus Idle Stop van het ISG-systeem (Idle Stop & Go) komt.
Als de motor automatisch wordt gestart, gaat het controlelampje AUTO STOP op het instrumentenpaneel 5 seconden knipperen.
Zie voor meer informatie ISG (Idle Stop & Go) in het eerste deel van hoofdstuk 5.
*AANWIJZING
Als de motor automatisch wordt gestart door het ISG-systeem, gaan een aantal waarschuwingslampjes (ABS, ESP, ESP OFF, EPS of parkeerrem) mogelijk een paar seconden branden.
Dit wordt veroorzaakt door de lage accuspanning. Het betekent niet dat er een storing in het systeem zit.
Waarschuwingslampje elektronische stuurbekrachtiging (EPS) (indien van toepassing)
Dit Waarschuwingslampje gaat aan als het contact in stand ON is gezet en gaat vervolgens weer uit nadat de motor wordt gestart.
Dit lampje gaat ook branden als er problemen zijn in het systeem van de elektronische stuurbekrachtiging. Laat uw auto controleren door een officiële KIA-dealer als het lampje tijdens het rijden gaat branden.
Waarschuwingslampje gladheid (indien van toepassing)
EPS
Dit waarschuwingslampje gaat branden wanneer de buitentemperatuur tussen de -5°C and 4°C ligt, omdat het wegdek dan glad kan zijn.
Als het waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden, moet u voorzichtiger gaan rijden en hoge snelheden, snel accelereren, plotseling remmen, scherpe bochten, enz. vermijden.
Controlelampje voorgloeien (dieselmotor)

Het controlelampje gaat branden zodra het contact in stand ON wordt gezet. De motor kan gestart worden zodra het controlelampje voorgloeien uitgaat. De voorgloeitijd is afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur, de luchttemperatuur en de conditie van de accu.
*AANWIJZING
Als de motor niet binnen 10 seconden wordt gestart nadat het voorgloeien is voltooid, zet het contact dan gedurende 10 seconden terug in stand LOCK en vervolgens weer in stand ON om de motor opnieuw voor te gloeien.
! OPMERKING
Laat het systeem zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer wanneer het controlelampje voorgloeien blijft branden of gaat knipperen nadat de motor op bedrijfstemperatuur is of als het lampje gaat branden tijdens het rijden.
Waarschuwingslampje brandstofffilter (dieselmotor)

Dit waarschuwingslampje gaat gedurende 3 s na het in stand ON zetten van het contact branden en gaat vervolgens weer uit. Als het lampje gaat branden bij een draaiende motor, wil dat zeggen dat er teveel water in het brandstofffilter aanwezig is. Als dat het geval is, moet het water in het brandstofffilter worden afgetapt. Zie voor meer informatie "Brandstofffilter" in hoofdstuk 7.
! OPMERKING
Als het waarschuwingslampje brandstofffilter brandt kan het motorvermogen (rijsnelheid en stationair toerental) afnemen. Als u blijft rijden met een brandend waarschuwingslampje, kan er schade ontstaan aan de motor of aan onderdelen van het common rail-systeem. Laat in dat geval uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.
Waarschuwingslampje 4WD-systeem (indien van toepassing)

Controlelampje 4WD LOCK (indien van toepassing)

Controlelampjes richtingaanwijzers

Wanneer het contact in stand ON wordt gezet, gaat het controlelampje 4WD branden en na een paar seconden gaat het weer uit.
Als het waarschuwingslampje voor het 4WD-systeem gaat branden, geeft dit aan dat er een storing is in het 4WD-systeem. Laat in dat geval uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.
Het controlelampje 4WD LOCK gaat branden als op de toets 4WD LOCK wordt gedrukt. Het doel van de stand 4WD LOCK is om de aandrijfkracht te vergroten wanneer er over natte, besneeuwde of onverharde wegen wordt gereden. Het controlelampje 4WD LOCK gaat uit als er nogmaals op de toets wordt gedrukt.
! OPMERKING
Gebruik de stand 4WD LOCK niet op droge, verharde wegen of de snelweg. Dit kan leiden tot bijgeluiden, trillingen en beschadiging van onderdelen van de vierwielaandrijving.
De knipperende groene pijlen geven aan aan welke kant van de auto de richtingaanwijzers knipperen. Als de pijl gaat branden maar niet knippert, sneller knippert dan normaal of helemaal niet gaat branden, is er een defect in het richtingaanwijzersysteem aanwezig. Neem voor reparatie contact op met uw dealer.
Dit controlelampje gaat ook knipperen wanneer de schakelaar voor de alarmknipperlichten ingedrukt wordt.
Waarschuwingslampje laadsysteem

Dit waarschuwingslampje duidt op een storing in de dynamo of in het laadsysteem.
Handel als volgt als het lampje gaat branden tijdens het rijden:
- Rijd naar de dichtstbijzijnde veilige locatie.
- Schakel de motor uit en controleer of de dynamoriem onvoldoende spanning heeft of gebroken is.
- Als de dynamoriem in orde is, bevindt het probleem zich in het laadsysteem. Laat de auto zo snel mogelijk repareren door een officiële KIA-dealer.
Waarschuwingslampje laag brandstofniveau

Dit waarschuwingslampje geeft aan dat de brandstoftank bijna leeg is. Als dit lampje gaat branden, moet u zo spoedig mogelijk tanken.
Doorrijden met een brandend waarschuwingslampje voor een laag brandstofniveau of een lager brandstofniveau dan "E" op de brandstofmeter, kan leiden tot overslaan van de motor en beschadiging van de katalysator (indien van toepassing).
Controlelampje KEY OUT (indien van toepassing)

Wanneer de toets ENGINE START/STOP in stand ACC of ON staat, wordt door het systeem gecontroleerd of de Smart Key aanwezig is als een portier open is. Als de Smart Key zich niet in de auto bevindt, gaat het lampje knipperen en als alle portieren zijn gesloten, klinkt de zoemer ook gedurende ongeveer 5 seconden. Het lampje gaat uit terwijl de auto rijdt. Houd de Smart Key in de auto of plaats hem in de Smart Key-houder.
Waarschuwingszoemer "sleutel in contactslot" (indien van toepassing)
Als het bestuurdersportier geopend wordt en de contactsleutel zich nog in het contactslot bevindt in stand LOCK of ACC, zal de waarschuwingszoemer "sleutel in contactslot" klinken. Dit om te voorkomen dat u de auto afsluit en de sleutel in het contactslot laat zitten. De zoemer klinkt totdat de sleutel verwijderd is of het bestuurdersportier gesloten wordt.
PARKEERHULP (INDIEN VAN TOEPASSING)

De parkeerhulp waarschuwt de bestuurder tijdens het achteruitrijden met een signaal zodra de afstand tussen de auto en een voorwerp achter de auto minder dan 120 cm wordt. Het systeem dient slechts als hulpmiddel en vermindert niet de noodzaak om voorzichtig te rijden. Het bereik van de parkeersensoren is beperkt en niet alle voorwerpen worden even goed opgemerkt. Blijf daarom altijd alert tijdens het achteruitrijden.
WAARSCHUWING
De parkeerhulp dient slechts als hulpmiddel. De werking van de parkeerhulp kan worden beïnvloed door verschillende factoren (inclusief de luchtverontreiniging). Het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder om het gebied achter de auto te controleren alvorens achteruit te rijden.

Werking van de parkeerhulp
Werking
- Het systeem wordt ingeschakeld als de achteruitversnelling wordt ingeschakeld en het contact in stand ON staat. Bij een snelheid van meer dan 5 km/h wordt het systeem mogelijk niet juist geactiveerd.
-
Het systeem wordt ingeschakeld wanneer het controlelampje in de toets parkeerhulp achter OFF niet brandt. Als u de parkeerhulp achter wilt uitschakelen, drukt u nogmaals op de toets parkeerhulp achter OFF. (Het controlelampje in de toets gaat branden.) Druk nogmaals op de toets om het systeem weer in te schakelen. (Het controlelampje in de toets gaat uit.)
-
Het bereik van de parkeersensoren bedraagt ongeveer 120 cm.
- Als er zich meerdere voorwerpen achter de auto bevinden, zal het dichtstbijzijnde als eerste worden geregistreerd.
Waarschuwingssignalen
- Als een voorwerp zich 120 - 81 cm van de achterbumper bevindt: Zoemer klinkt met tussenpozen
- Als een voorwerp zich 80 - 41 cm van de achterbumper bevindt: Zoemer klinkt vaker
- Als een voorwerp zich binnen 40 cm van de achterbumper bevindt: Zoemer klinkt onafgebroken.
Gevallen waarin de parkeerhulp niet werkt
De parkeerhulp werkt mogelijk niet goed in de volgende gevallen:
- Er zit ijs op de sensor. (Het systeem werkt weer normaal zodra het ijs gesmolten is.)
- Er zit vuil, zoals sneeuw of water, of een andere substantie op de sensor. (De sensor werkt weer normaal zodra deze vrij is gemaakt.)
- Bij het rijden op oneffen wegen en op hellingen.
- Als bepaalde hoogfrequente geluiden, zoals claxons, motorfietsmotoren, luchtremmen van vrachtwagens, enz. binnen het bereik van de sensor aanwezig zijn.
- Bij zware regenval of opspattend water.
- Bij de aanwezigheid van afstandsbedieningen of mobiele telefoons binnen het bereik van de sensor.
- Als de sensor bedekt is met sneeuw.
- Aanhanger, rijden met.
- Het controlelampje ESP in het instrumentenpaneel blijft branden.
Het sensorbereik kan in de volgende gevallen afnemen:
- Er zit vuil zoals sneeuw of water op de sensor. (De sensor werkt weer normaal zodra deze vrij is gemaakt.)
- Bij extreem hoge of lage buitentemperaturen.
De volgende voorwerpen worden mogelijk niet opgemerkt door de sensoren:
- Smalle voorwerpen als touwen, kettingen enz.
- Voorwerpen die de hoogfrequente signalen van de sensor absorberen, zoals kleding, sponsachtige materialen en sneeuw.
- Bij voorwerpen lager dan 1 meter en smaller dan 14 cm.
Waarschuwingen parkeerhulp
- Het waarschuwingssignaal klinkt mogelijk niet regelmatig als het voorwerp achter de auto beweegt of een grillige vorm heeft.
- De correcte werking van de parkeerhulp kan verstoord raken als de bumperhoogte of de inbouwpositie van de sensoren is gewijzigd of als de bumper of sensor beschadigd is. Achteraf gemonteerde accessoires kunnen het bereik van de sensoren beïnvloeden.
- Voorwerpen die kleiner zijn dan 40 cm worden mogelijk niet of niet goed geregistreerd. Wees alert.
- Als de sensor bedekt is met sneeuw, vuil of water werkt deze mogelijk niet goed totdat deze weer schoon en droog is gemaakt met een zachte doek.
- Druk of sla niet op de sensor en voorkom dat er krassen op de sensor komen. De sensor kan beschadigd raken.
*AANWIJZING
Het systeem werkt alleen in het gebied waar de parkeersensoren zijn geplaatst. Bovendien worden kleine of smalle voorwerpen als palen, of voorwerpen die zich tussen de verschillende sensoren bevinden mogelijk niet door de sensoren geregistreerd.
Kijk tijdens het achteruitrijden altijd waar u rijdt.
Informeer bestuurders die onbekend zijn met de auto over de mogelijkheden en beperkingen van het systeem.
WAARSCHUWING
Wees extra voorzichtig als u dicht langs voorwerpen of personen, in het bijzonder kinderen, rijdt. Houd er rekening mee dat sommige voorwerpen mogelijk niet door de sensoren worden geregistreerd. Controleer altijd met eigen ogen of de weg vrij is.
Zelfdiagnose
Als u geen waarschuwingsgeluid hoort of als de zoemer met tussenpozen klinkt als u de stand R inschakelt, kan dit duiden op een storing in de parkeerhulp. Laat in dat geval uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.
WAARSCHUWING
Schade aan de auto en persoonlijk letsel, ontstaan vanwege het onjuist functioneren van de parkeerhulp, vallen niet onder de garantie. Rijd altijd veilig en voorzichtig.
ACHTERUITRIJCAMERA (INDIEN VAN TOEPASSING)

De achteruitrijcamera wordt geactiveerd als het achteruitrijlicht brandt met het contact in stand ON en de versnellingspook in de achteruitversnelling (R).
Dit is een aanvullend systeem dat de ruimte achter de auto weergeeft via de achteruitkijkspiegel terwijl u achteruit rijdt.
Wanneer de achteruitrijcamera is ingeschakeld, kan deze worden uitgeschakeld door de toets ON/OFF in te drukken.
Om de camera opnieuw in te schakelen drukt u nogmaals op de toets ON/OFF wanneer het contact in de stand ON en de selectiehendel in de stand R (achteruit) staat. De camera wordt ook automatisch ingeschakeld wanneer het contact uit- en dan weer ingeschakeld wordt.
WAARSCHUWING
- Dit systeem heeft alleen een aanvullende functie. Het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder om altijd in de binnen- en buitenspiegels te kijken en de ruimte achter de auto te controleren voor en tijdens het achteruitrijden, omdat er een dode hoek is die met de camera niet gezien kan worden.
- Zorg er voor dat de lens van de camera altijd schoon is. Als er vuil op de lens aanwezig is, werkt de camera mogelijk niet correct.
ALARMKNIPPERLICHTEN

De alarmknipperlichten moeten worden gebruikt als u door omstandigheden gedwongen bent de auto op een gevaarlijke plaats tot stilstand te brengen. Zet, als u de auto in noodsituaties tot stilstand moet brengen, de auto zo ver mogelijk naast de rijbaan. De alarmknipperlichten worden ingeschakeld door de schakelaar voor de alarmknipperlichten in te drukken. Hierdoor gaan alle richtingaanwijzers tegelijk knipperen. De alarmknipperlichten werken ook als de sleutel niet in het contactslot zit.
Druk nogmaals op de schakelaar voor de alarmknipperlichten om ze uit te schakelen.
VERLICHTING
Energiebesparingsfunctie
- Deze functie voorkomt dat de accu ontladen raakt. Het systeem schakelt automatisch de parkeerlichten uit wanneer de contactsleutel verwijderd wordt en wanneer het portier aan bestuurderszijde wordt geopend.
- De parkeerlichten worden automatisch uitgeschakeld als de auto in het donker langs de kant van de weg geparkeerd wordt.
Volg onderstaande procedure als de parkeerlichten moeten blijven branden wanneer de contactsleutel is verwijderd:
1) Open het portier bestuurderszijde.
2) Schakel de parkeerlichten UIT en AAN met de lichtschakelaar op de stuurkolom.
Follow me home-koplampen (indien van toepassing)
De koplampen (en/of achterlichten) blijven ongeveer 20 minuten branden nadat de contactsleutel is verwijderd of het contact in stand ACC of LOCK is gezet. De koplampen worden echter 30 seconden nadat het bestuurdersportier (en de achterklep) is geopend of gesloten uitgeschakeld.
De koplampen kunnen worden uitgeschakeld door tweemaal op de vergrendeltoets van de afstandsbediening (of Smart Key) te drukken of door de stand AUTO of dimlichten uit te schakelen.
! OPMERKING
Als de bestuurder de auto verlaat via een ander portier dan het bestuurdersportier, werkt de energiebesparingsfunctie niet en worden de follow me home koplampen niet automatisch uitgeschakeld. Hierdoor zal de accu ontladen raken. Schakel in dit geval de verlichting uit voordat u de auto verlaat.
Welkomstfunctie koplampen (indien van toepassing)
Wanneer de koplampen zijn ingeschakeld of in de stand AUTO staan, alle portieren (en de achterklep) zijn gesloten en vergrendeld en u op de ontgrendeltoets van de afstandsbediening (of Smart Key) drukt, gaan de koplampen gedurende ongeveer 15 seconden branden.
Als de combischakelaar in de stand AUTO staat, werkt de functie alleen in het donker.
Als u op de vergrendel- of ontgrendeltoets van de afstandsbediening (of Smart Key) drukt, doven de koplampen direct.

* Het onderdeel wijkt mogelijk af van de afbeelding.
Bediening verlichting
De lichtschakelaar heeft een stand voor het dimlicht en het parkeerlicht.
Draai, om de verlichting te bedienen, de knop op het uiteinde van de combischakelaar naar een van de volgende standen:
(1) Stand UIT
(2) Stand parkeerlicht
(3) Stand dimlicht
(4) Stand automatische verlichting (indien van toepassing)

Stand parkeerlicht (€)
Als de lichtschakelaar in de stand parkeerlicht staat (1e stand), branden de achterlichten, het parkeerlicht, de kentekenplaatverlichting en de dashboardverlichting.

Als de lichtschakelaar in de stand dimlicht staat (2e stand), gaan de koplampen, de achterlichten, de kentekenplaatverlichting en de dashboardverlichting branden.
*AANWIJZING
Om de verlichting in te kunnen schakelen moet het contact in stand ON staan.

Stand automatische verlichting (indien van toepassing)
Als de lichtschakelaar in stand AUTO staat, worden de achterlichten en koplampen automatisch in- of uitgeschakeld, afhankelijk van hoe donker het buiten is.
! OPMERKING
- Bedek de sensor (1) op het dashboard nooit, zodat een optimale werking van de automatische verlichting gegarandeerd blijft.
- Reinig de sensor niet met een ruitenreiniger. Deze laat een dunne laag achter op de sensor, waardoor deze niet meer goed werkt.
- Als de voorruit van uw auto getint glas heeft of is voorzien van een metaalhoudende coating, functioneert het automatische verlichtingssysteem mogelijk niet goed.

Druk de combischakelaar van u af om het grootlicht in te schakelen. Trek de schakelaar naar u toe om het dimlicht in te schakelen.
Het controlelampje voor het grootlicht gaat branden wanneer het grootlicht wordt ingeschakeld.
Om te voorkomen dat de accu ontladen raakt, dient u de verlichting niet gedurende langere tijd te laten branden terwijl de motor niet draait.

Trek de combischakelaar naar u toe om een lichtsignaal te geven. Als u de combischakelaar loslaat, keert deze weer terug naar zijn oorspronkelijke positie (dimlicht). De verlichting hoeft niet ingeschakeld te zijn om een lichtsignaal te kunnen geven.

OBK049051NOBK049049N
Richtingaanwijzers
Om de richtingaanwijzers te laten werken, moet het contact in stand ON staan. Beweeg de combischakelaar omhoog of omlaag (A) om de richtingaanwijzers in te schakelen. De groene, pijlvormige controlelampjes op het instrumentenpaneel geven aan welke richtingaanwijzer in werking is. Na het nemen van de bocht, worden de lampjes automatisch uitgeschakeld. Zet de combischakelaar handmatig terug in de middenstand als de richtingaanwijzers na een bocht blijven knipperen.
Beweeg de combischakelaar gedeeltelijk naar beneden of naar boven en houd hem vast (B) om een wisseling van rijstrook aan te geven. Als u de combischakelaar loslaat, keert deze weer terug naar zijn oorspronkelijke positie.
Wanneer een controlelampje blijft branden, niet knippert of abnormaal knippert, kunnen één of meer lampen doorgebrand zijn en dienen deze vervangen te worden.
Impulsbediening richtingaanwijzers bij rijstrookwisseling (indien van toepassing)
Om de impulsbediening van de richtingaanwijzers bij rijstrookwisseling te activeren, beweegt u de combischakelaar iets gedurende minder dan 1,5 seconde en laat hem dan weer los. De richtingaanwijzers knipperen 3 keer.
*AANWIJZING
Als de richtingaanwijzer abnormaal snel of langzaam knippert, duidt dit op een kapotte lamp of een slecht contact in het circuit van de richtingaanwijzers.

Mistlampen vóór (indien van toepassing)
De mistlampen dienen voor een beter zicht en ter voorkoming van ongevallen onder omstandigheden waarbij het zicht sterk verminderd wordt door mist, regen, sneeuwval enz. Zet de schakelaar mistlampen vóór (1) in stand ON om de mistlampen in te schakelen. Dit is alleen mogelijk als het dimlicht is ingeschakeld. Zet de schakelaar in stand OFF om de mistlampen (1) uit te schakelen.

OPMERKING
De mistlampen gebruiken zeer veel stroom. Gebruik de mistlampen alleen bij slecht zicht.


Mistachterlicht (indien van toepassing)
Zet de schakelaar mistachterlicht (1) in de stand AAN met de koplampen ingeschakeld om de mistachterlichten in te schakelen.
De mistachterlichten gaan branden als de schakelaar van de mistlampen vóór (indien van toepassing) in de stand ON is gezet en de schakelaar voor de verlichting in de stand parkeerlicht staat. Zet de schakelaar nogmaals in stand ON, of zet de verlichting uit om de mistachterlichten uit te schakelen.
*AANWIJZING
Het contact moet in stand ON staan om de schakelaar van het mistachterlicht in te schakelen.
Motorvoertuigverlichting overdag (MVO) (indien van toepassing)
Door motorvoertuigenverlichting overdag (MVO) kunnen medeweggebruikers uw auto overdag beter zien. MVO kan onder verschillende rijomstandigheden handig zijn, maar vooral in de periode rond zonsopgang en zonsondergang.
De MVO wordt uitgeschakeld wanneer:
-
De parkeerlichten worden ingeschakeld.
-
De motor wordt afgezet.

Koplampverstelling (indien van toepassing)
De koplamphoogte kan worden afgesteld en worden aangepast aan het aantal inzittenden en de hoeveelheid bagage in de auto door de schakelaar voor de koplamphoogte te verdraaien.
Hoe hoger het nummer op de schakelaar, hoe lager de hoogte van de lichtbundel. Zorg ervoor dat de koplampen niet te hoog staan om verblinding van andere weggebruikers te voorkomen.
Hieronder staan voorbeelden van een correcte afstelling. Stel bij een andere mate van belasting dan hieronder vermeld de koplampen af volgens de situatie in het overzicht die zoveel mogelijk aansluit bij de actuele situatie.
| Beladingstoestand | Stand schakelaar |
| Alleen bestuurder | 0 |
| Bestuurder + voorpassagier | 0 |
| Alle zitplaatsen bezet | 1 |
| Alle zitplaatsen bezet + Maximaal toelaatbare belading | 2 |
| Bestuurder + Maximaal toelaatbare belading | 3 |

Koplampsproeier (indien van toepassing)
Als u de ruitenwisserhendel naar u toe trekt wanneer de koplampen branden, zal de koplampsproeier werken.
*AANWIJZING
- Controleer regelmatig of de ruitensproeiervloeistof nog correct op de koplampen wordt gesproeid.
- De koplampsproeier werkt mogelijk tijdelijk niet bij vorst na het wassen van de auto of bij regen en sneeuw in de winter. Maar na ontdooien werkt hij weer normaal.
RUITENWISSERS EN RUITENSPROEIERS
Ruitenwisser en -sproeier Achterruitenwisser en -sproeier






A : Snelheidsregelknop ruitenwissers (vóór)
· MIST/X - Eenmaal wissen
· OFF / O - Uit
- INT / --- - Intervalstand wissen
AUTO* - Automatisch wissen
- LO / 1 – Lage wissersnelheid
· HI / 2 –Hoge wissersnelheid
B : Instelling lengte Interval
C : Sproeien en kort wissen (vóór)
D : Achterruitenwisser en -sproeier
- ON / ← Continu wissen
- INT / --- - Intervalstan
(indien van toepassing)
· OFF / O - Uit
E : Sproeien en kort wissen (achter)
* indien van toepassing
OXM049231L/OXM049230L/OXM049232L/OAM049048N/OAM049048L/OAM049048G
Ruitenwissers voor
De werking is als volgt als het contact in stand ON staat.
MIST/√: Zet de hendel voor een enkele wisbeweging in deze (MIST/√/∧) stand en laat hem los. De ruitenwissers zullen blijven werken zolang de schakelaar in deze stand wordt gehouden.
OFF / O : Ruitenwisser is uitgeschakeld INT / --- : De ruitenwissers werken met regelmatige intervallen. Gebruik deze stand bij motregen of mist. Draai aan de snelheidsregelknop om de snelheid te wijzigen.
LO / 1 : Normale wissersnelheid HI / 2 : Hoge wissersnelheid
*AANWIJZING
Maak de ruit vrij van sneeuw en ijs alvorens de ruitenwissers te gebruiken of ontdooi de voorruit gedurende 10 min. Anders werken de ruitenwissers mogelijk niet goed en kunnen ze beschadigd raken.

Auto Control (indien van toepassing) De regensensor bovenaan op de voorruit registreert de hoeveelheid regen en schakelt de ruitenwisser automatisch in met de juiste snelheid/intervaltijd. Hoe harder het regent, hoe hoger de wissersnelheid. Als het ophoudt met regenen, wordt de ruitenwisser automatisch uitgeschakeld.
Draai aan de snelheidsregelknop om de snelheid te wijzigen (1).
Als de wisserschakelaar in de stand AUTO is gezet terwijl het contact ON is, zal de wisser eenmaal werken om een controle van het systeem uit te voeren. Zet de schakelaar in stand OFF (O) als de ruitenwisser niet nodig is.

OPMERKING
Als het contact in stand ON staat en de schakelaar voor de ruitenwissers vóór in de stand AUTO, neem dan onderstaande aanwijzingen in acht om letsel te voorkomen:
- Raak het bovenste deel van de voorruit, waar de regensensor zich bevindt, niet aan.
- Veeg het bovenste deel van de voorruit niet schoon met een vochtige doek.
- Oefen geen druk uit op de voorruit.

OPMERKING
Zet de schakelaar tijdens het wassen van de auto in stand OFF (O) om te voorkomen dat de ruitenwissers in dat geval automatisch worden ingeschakeld.
Als de ruitenwissers tijdens het wassen worden ingeschakeld, raken ze mogelijk beschadigd.
Verwijder de behuizing van de regensensor bovenaan de voorruit aan passagierszijde niet. Eventuele schade aan onderdelen die hierdoor kan ontstaan, valt niet onder de fabrieksgarantie.
Zet de ruitenwisserschakelaar 's winters voor het starten van de motor in stand OFF (O). Als de ruitenwissers worden ingeschakeld terwijl de wisserbladen vastgevroren zijn, kunnen deze beschadigd raken. Verwijder alle sneeuw en ijs van de voorruit voordat de ruitenwissers worden ingeschakeld.

Ruitensproeier voorruit
Trek de hendel naar voren om de ruitensproeier in te schakelen. Als de ruitenwisser in stand OFF (O) staat, zal deze 1-3 wisslagen maken.
Gebruik deze functie om de voorruit te reinigen.
De ruitensproeier en de ruitenwissers blijven werken tot u de hendel loslaat.
Controleer het peil van de ruitensproeiervloeistof als de ruitensproeiers niet werken. Vul het reservoir met een geschikte, niet schurende ruitensproeiervloeistof wanneer het peil te laag is.
De vulpijp van het reservoir bevindt zich vooraan in de motorruimte aan passagierszijde.

OPMERKING
Gebruik de ruitensproeiers niet wanneer het reservoir leeg is, om beschadiging van de ruitensproeierpomp te voorkomen.

WAARSCHUWING
Gebruik de ruitensproeiers niet bij temperaturen onder het vriespunt zonder eerst de voorruit met behulp van de voorruitontwaseming te hebben verwarmd; de vloeistof kan anders op de voorruit bevriezen en uw uitzicht belemmeren.

OPMERKING
- Schakel de ruitenwissers niet in als de ruit droog is om beschadiging van de wissers en de voorruit te voorkomen.
- Gebruik geen benzine, petroleum, thinner of andere oplosmiddelen in de buurt van de ruitenwisserbladen om beschadiging te voorkomen.
- Probeer de ruitenwissers nooit met de hand te bewegen om beschadiging van de ruitenwisserarmen en van andere onderdelen te voorkomen.


Schakelaar achterruitenwisser en -sproeier
De schakelaar voor de achterruitenwisser en -sproeier bevindt zich aan het uiteinde van de ruitenwisser- en sproeierschakelaar. Zet de schakelaar in de gewenste stand om de achterruitenwisser en -sproeier te bedienen.
ON / ☐ Normale ruitenwisserbediening
(indien van toepassing)
OFF / O - Ruitenwisser uitgeschakeld

Druk de hendel van u af om vloeistof op de ruit te sproeien en de achterruitenwissers 1-3 cycli te laten wissen. De ruitensproeier en de ruitenwissers blijven werken tot u de hendel loslaat.
Laat de interieurverlichting niet te lang branden als de motor niet draait.
Hierdoor kan de accu ontladen raken.

Leeslampje
(1) Druk het lampglas van het kaartleeslampje in om het lampje in of uit te schakelen. Dit lampje heeft een gerichte lichtbundel waarmee de bestuurder en de voorpassagier in het donker een kaart of iets anders kunnen lezen.
(2) DOOR
De interieurverlichting gaat branden wanneer een portier wordt geopend of het contact uitgeschakeld wordt. (indien van toepassing)
De interieurverlichting gaat ongeveer 30 seconden na het sluiten van het portier of het uitschakelen van het contact langzaam uit.
Als alle deuren echter vergrendeld zijn of het contact ingeschakeld is, zal de interieurverlichting onmiddellijk uitgaan.

Interieurverlichting
Druk op de toets om het lampje aan of uit te schakelen.
De verlichting gaat als volgt branden als de toets wordt ingedrukt.
Druk nogmaals op de toets om de verlichting uit te schakelen.
(1) ON : De verlichting blijft altijd aan.
(2) DOOR : De verlichting gaat branden wanneer een portier (of de achterklep) wordt geopend, ongeacht de stand van het contact. Als de portieren worden ontgrendeld met de afstandsbediening (of Smart Key), blijft de interieurverlichting gedurende 30 seconden branden als er geen portier geopend wordt. De interieurverlichting gaat ongeveer 30 seconden na het sluiten van het portier langzaam uit. Als het contact in stand ON staat of alle portieren zijn vergrendeld als het portier wordt gesloten, zal de interieurverlichting echter direct uitgaan.
Als er een portier wordt geopend en het contact in stand ACC of LOCK staat, blijft de verlichting nog ongeveer 20 minuten branden.
Als er een portier wordt geopend terwijl het contact in stand ON staat, blijft de verlichting echter continu branden.
Welkomstfunctie interieurverlichting (indien van toepassing)
Wanneer de schakelaar interieurverlichting in stand DOOR staat en alle portieren (en de achterklep) zijn gesloten en vergrendeld, gaat de interieurverlichting gedurende 30 seconden branden wanneer het onderstaande wordt gedaan.
• Zonder Smart Key-systeem
-
Wanneer op de ontgrendeltoets van de afstandsbediening wordt gedrukt.
• Met Smart Key-systeem -
Wanneer op de ontgrendeltoets van de Smart Key wordt gedrukt.
- Wanneer op de toets aan de portiergreep aan de buitenzijde wordt gedrukt.
- Wanneer de Smart Key zich binnen 1 meter van de portiergreep aan de buitenzijde bevindt.
Als u op de vergrendeltoets van het portier drukt, dooft de interieurverlichting direct.

Bagageruimteverlichting (indien van toepassing)
De bagageruimteverlichting gaat branden zodra de achterklep geopend wordt.
Verlichting dashboardkastje (indien van toepassing)
De verlichting in het dashboardkastje gaat branden als het dashboardkastje wordt geopend.
De verlichting in het dashboardkastje werkt alleen als de parkeerlichten of koplampen in de stand ON staan.

Verlichting make-upspiegel (indien van toepassing)
• Verlichting wordt ingeschakeld als er op deze toets wordt gedrukt.
- De verlichting wordt uitgeschakeld als er op deze toets wordt gedrukt.
*AANWIJZING
Schakel de verlichting uit voordat u de zonneklep weer in de oorspronkelijke stand zet.
ONTWASEMING

OPMERKING
Gebruik om beschadiging van de verwarmingsdraden te voorkomen nooit scherpe voorwerpen of reinigingsmiddelen met schurende bestanddelen om de achterruit te reinigen.
*AANWIJZING
Zie "Voorruit ontdooien en ontwasemen" in dit hoofdstuk als u condens en ijs van de voorruit wilt verwijderen.

De achterruitverwarming ontdoet de achterruit van rijp, condens en ijs als de motor is gestart.
Druk op de toets in de middenconsole om de achterruitverwarming in te schakelen. Het controlelampje in de toets gaat branden wanneer de achterruitverwarming ingeschakeld is.
Verwijder eerst eventueel aanwezige sneeuw van de achterruit voordat de achterruitverwarming ingeschakeld wordt.
De achterruitverwarming schakelt na ongeveer 20 minuten automatisch uit of wanneer het contact in stand LOCK wordt gezet. Druk de toets opnieuw in om de achterruitverwarming uit te schakelen.
Buitenspiegelverwarming (indien van toepassing)
Als uw auto voorzien is van buitenspiegelverwarming zal deze gelijktijdig met de achterruitverwarming in werking treden.
Ruitenwisserontdooier (indien van toepassing)
Als uw auto voorzien is van een ruitenwisserontdooier, zal deze gelijktijdig met de achterruitverwarming in werking treden.
HANDBEDIEND VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)

- Aanjagerknop
- Luchtcirculatietoets
- Toets voorruitontwaseming
-
Temperatuurregelknop
-
Toets achterruitverwarming
- Luchttoevoertoets
- Toets A/C (indien van toepassing)
OSL040070E
Verwarming en airconditioning
- Start de motor.
- Zet de luchtcirculatietoets in de gewenste stand.
Voor een effectieve verwarming en koeling:
- Verwarmen:
- Koelen:


- Stel de temperatuur in op de gewenste waarde.
- Schakel de stand BUITENLUCHT in met de luchttoevoertoets. (indien van toepassing)
- Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
- Als u de uitstromende lucht gekoeld wilt hebben, kunt u het airconditioningssysteem aanzetten (indien van toepassing).

De meeste lucht stroomt naar de voetenruimte.
Stand FACE (B, D)
De meeste lucht stroomt naar de romp en naar het hoofd. Daarnaast kan iedere uitstroomopening versteld worden om de richting van de luchtstroom te wijzigen. En een klein beetje lucht stroomt naar de voetenruimte (C, E).
Stand DEFROST (A, D)
Het grootste deel van de luchtstroom wordt naar de voorruit geleid.
Luchtcirculatie
De luchtcirculatietoets regelt de circulatie van de lucht door het ventilatiesysteem. Als u een keer op de toets drukt, schakelt u de bijbehorende uitstroomopeningen in en als u nogmaals op de toets drukt, schakelt u ze weer uit.
Daarnaast kunt u 2 - 3 standen gelijktijdig selecteren om de gewenste luchtstroom te krijgen.
- Stand VENTILEREN (74 VERWARMEN)
- Stand VENTILEREN (74) ONTWASEMEN (7)
- Stand VERWARMEN ( ) ONTWASEMEN ( )
- Stand VENTILEREN (VERWARMEN)
- ONTWASEMEN ( )

OSL040063E OSL040073

Als u de stand maximaal ontwasemen selecteert, schakelt het systeem automatisch de volgende instellingen in:
- De airconditioning zal worden ingeschakeld.
- De stand BUITENLUCHT zal worden ingesteld.
- De aanjager zal op de hoogste stand gaan draaien.
Druk om de stand maximaal ontwasemen uit te schakelen nogmaals op de keuzetoets voor de standen of op de toets maximaal ontwasemen.
Uitstroomopeningen dashboard
De uitstroomopeningen kunnen afzonderlijk worden geopend of gesloten met het wieltje. (indien van toepassing)
Met de hendel in de ventilatieroosters kunt u de richting van de luchtstroom uit deze ventilatieroosters afstellen, zoals in de afbeelding is aangegeven.


Temperatuurregel
Met de temperatuurregelknop kunt u de temperatuur regelen van de lucht die uit het ventilatiesysteem stroomt. Draai de knop naar rechts voor warme of hete lucht in het passagierscompartiment en naar links voor koelere lucht.
Luchttoevoer
De luchttoevoer wordt gebruikt om de stand BUITENLUCHT of de stand RECIRCULATIE te kiezen. Druk op de desbetreffende toets om de stand van de luchttoevoer te wijzigen.
Stand RECIRCULATIE

In de stand RECIRCULATIE wordt de lucht uit het passagierscompartiment door het systeem gerecirculeerd en, afhankelijk van de gekozen functie, gekoeld of verwarmd.
Stand BUITENLUCHT

In de stand BUITEN-LUCHT stroomt de lucht van buitenaf in het passagierscompartiment. Deze lucht wordt, afhankelijk van de gekozen functie, verwarmd of gekoeld.
In de stand maximaal ontwasemen MAX A/C worden de airconditioning en de hoeveelheid recirculatielucht automatisch geselecteerd.
*AANWIJZING
Let op: door langdurig gebruik van de stand RECIRCULATIE kunnen de ruiten beslaan en zal de lucht in het passagierscompartiment muf worden. Daarnaast kan de lucht in het passagierscompartiment extreem droog worden bij langdurig gebruik van de airconditioning in de stand RECIRCULATIE.
WAARSCHUWING
- Langdurig recirculeren kan leiden tot een verhoogde luchtvochtigheid in het interieur, waardoor de ruiten kunnen beslaan en het uitzicht belemmerd wordt.
- Ga niet slapen in de auto wanneer het airconditionings-systeem of de verwarming ingeschakeld is. Door een afname van de zuurstofconcentratie en/of de lichaamstemperatuur kunnen de inzittenden letsel oplopen.
- Langdurig recirculeren kan slaperigheid veroorzaken, waardoor de bestuurder de controle over de auto kan verliezen. Schakel daarom zo veel mogelijk de stand BUITENLUCHT in.

Aanjager
Om de aanjager in te kunnen schakelen moet het contact in stand ON staan.
Met de aanjagerknop kunt u de aanjagersnelheid regelen. U draait de knop naar rechts voor een hogere snelheid en naar links voor een lagere snelheid.
Zet de aanjagerknop in stand "0" om de aanjager uit te schakelen.

Airconditioning (indien van toepassing)
Druk op de toets A/C om de airconditioning in te schakelen (het controlelampje gaat branden). Druk nogmaals op de toets om de airconditioning uit te schakelen.
Werking systeem
Ventilatie
- Zet de luchtcirculatietoets in stand (→).
- Schakel de stand BUITENLUCHT in met de luchttoevoertoets.
- Stel de temperatuur in op de gewenste waarde.
- Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
Verwarmen
- Zet de luchtcirculatietoets in stand (√).
- Schakel de stand BUITENLUCHT in met de luchttoevoertoets.
- Stel de temperatuur in op de gewenste waarde.
- Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
- Als u de uitstromende lucht gedroogd wil hebben, kunt u het airconditioningssysteem aanzetten (indien van toepassing).
- Schakel de stand ( √ of ( ) in wanneer de voorruit beslaat.
Tips voor het gebruik
- Om te voorkomen dat stof of onaangename geuren in het interieur van de auto terechtkomen, kan de schakelaar voor de luchttoevoer tijdelijk in de stand RECIRCULATIE worden gezet. Selecteer de stand BUITENLUCHT weer zodra de bron van irritatie gepasseerd is om weer frisse lucht toe te laten tot het interieur. Frisse lucht is beter voor de fysieke gesteldheid van de bestuurder en bovendien aangenamer.
- De lucht voor het verwarmings- en ventilatiesysteem wordt aangevoerd via de roosters in de paravan onder de voorruit. Zorg er daarom voor dat deze roosters niet geblokkeerd zijn door bladeren, sneeuw of andere objecten.
- Voorkom dat de voorruit beslaat door de stand BUITENLUCHT te selecteren, de aanjager in de gewenste stand te zetten, de airconditioning in te schakelen en de gewenste temperatuur in te stellen.
Airconditioning (indien van toepassing)
Alle KIA airconditioningssystemen zijn gevuld met het milieuvriendelijke koudemiddel R-134a dat niet schadelijk is voor de ozonlaag.
- Start de motor. Druk op toets A/C.
- Zet de luchtcirculatietoets in stand (→).
-
Schakel de stand BUITENLUCHT of RECIRCULATIE in met de toets luchttoevoer.
-
Stel de aanjagersnelheid en de temperatuur bij om een maximaal comfort te bereiken.
- Wanneer maximale koeling gewenst is, draai dan de temperatuurregelknop geheel naar links, kies de stand MAX A/C en schakel de aanjager in op de hoogste snelheid.
*AANWIJZING
• Houd de temperatuurmo
Bij het openen van de ruiten bij vochtig weer kan de airconditioning druppelvorming in het interieur veroorzaken. Omdat te veel vocht in het interieur schade aan elektrische componenten kan veroorzaken, mag de airconditioning alleen worden gebruikt als de ruiten gesloten zijn.
Aanwijzingen voor gebruik van de airconditioning
- Open de ruiten een tijdje wanneer de auto tijdens warm weer in de volle zon geparkeerd is geweest, zodat de warme lucht naar buiten kan.
- Om het beslaan van de ruiten tijdens regenachtig weer te verminderen, kunt u de vochtigheidsgraad in het interieur terugbrengen door de airconditioning in te schakelen.
- Tijdens de werking van de airconditioning ziet u het motortoerental zo nu en dan iets veranderen wanneer de aircocompressor inschakelt. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem.
- Schakel de airconditioning iedere maand enkele minuten in om het systeem in een optimale staat te houden.
- Na gebruik van de airconditioning kan onder de rechterzijde van de auto een plas heldere vloeistof gelekt zijn. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem.
- Als de stand RECIRCULATIE wordt gebruikt wanneer het airconditionings-systeem ingeschakeld is, wordt wel een maximaal koeleffect bereikt, maar kan het gebruik van deze stand gedurende een langere tijd ertoe leiden dat de lucht in het interieur muf wordt.
- Tijdens de werking van de airconditioning ziet u het motortoerental zo nu en dan iets veranderen wanneer de aircocompressor inschakelt. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem.

Interieurfilter (indien van toepassing)
Het interieurfilter, dat achter het dashboardkastje is gemonteerd, filtert de lucht die via het verwarmings- en airconditioningssysteem naar het interieur wordt gevoerd. Als het filter in de loop van de tijd verstopt raakt door stof en andere verontreinigingen, neemt de luchttoevoer via de uitstroomopeningen af en kan de voorruit aan de binnenzijde beslaan, ook al is de stand BUITENLUCHT gekozen. Laat, als dat het geval is, het interieurfilter vervangen door een officiële KIA-dealer.
*AANWIJZING
- Vervang het filter overeenkomstig het onderhoudsschema.
Als er onder ongunstige omstandigheden gereden wordt, bijvoorbeeld in een stoffige omgeving of op slechte wegen, moet het interieurfilter vaker worden gecontroleerd en indien nodig worden vervangen.
- Als de hoeveelheid uitstromende lucht plotseling sterk vermindert, moet het systeem door een officiële KIA-dealer worden gecontroleerd.
Hoeveelheid koudemiddel en compressorolie controleren
Als er te weinig koudemiddel in het systeem zit, neemt de koelcapaciteit van de airconditioning af. Een teveel aan koudemiddel heeft ook nadelige effecten op de werking van de airconditioning. Laat de auto controleren door een officiële KIA-dealer als het systeem niet correct functioneert.
*AANWIJZING
Het is belangrijk dat het juiste type en de juiste hoeveelheid olie en koelmiddel worden gebruikt. Anders kan er schade aan de compressor ontstaan, waardoor het systeem niet meer goed functioneert.
! OPMERKING
Onderhoud aan het airconditioningssysteem moet worden uitgevoerd door een officiële KIA-dealer. Onjuist uitgevoerd onderhoud kan letsel veroorzaken bij degene die het onderhoud uitvoert.
AUTOMATISCH VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)

- Toets AUTO (automatische regeling)
- Knop temperatuurregeling bestuurderszijde
- A/C-display
- Toets aanjager
- Luchtcirculatietoets
- Toets voorruitontwaseming
- Knop temperatuurregeling passagierszijde
- Dual-schakelaar voor gescheiden temperatuurregeling
- Toets achterruitverwarming
- Luchttoevoertoets
- Toets A/C*
- Toets aanjager OFF
* indien van toepassing
OSL040078E

Automatische verwarming en airconditioning
Het automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem wordt bediend door eenvoudigweg de gewenste temperatuur in te stellen.
De volautomatische temperatuurregeling regelt het verwarmen en het koelen als volgt:
-
Druk op toets AUTO. De te gebruiken uitstroomopeningen, de aanjagersnelheid, de luchtinlaat en de airconditioning worden automatisch geregeld op basis van de gekozen temperatuur.
-
Stel met de toets de temperatuur in op de gewenste waarde.
Wanneer de laagst mogelijke temperatuur wordt ingesteld, zal de airconditioning continu blijven werken.
- Schakel de automatische werking uit door op een willekeurige toets of schakelaar van het volgende te drukken:
• Luchtcirculatietoets
- Toets A/C
• Toets voorruitontwaseming
• Toets aanjager
De geselecteerde functie wordt handmatig bediend terwijl de andere functies automatisch werken.
Voor uw gemak en om de effectiviteit van het verwarmings- en ventilatiesysteem te verbeteren kunt u de toets AUTO gebruiken en de temperatuur instellen op 22°C.

Bedek de sensor op het dashboard nooit, zodat een optimale werking van het verwarmings- en airconditioningssysteem gegarandeerd blijft.
Handmatig bediende verwarming en airconditioning
Het verwarmings- en airconditionings- systeem kan ook handmatig geregeld worden met drukknoppen of met andere toetsen dan de toets AUTO. In deze stand werkt het systeem sequentieel, afhankelijk van de gekozen toetsen of knoppen.
-
Start de motor.
-
Zet de luchtcirculatietoets in de gewenste stand.
Voor een effectieve verwarming en koeling:

- Stel de temperatuur in op de gewenste waarde.
- Schakel de stand BUITENLUCHT in met de luchttoevoertoets.
- Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
- Als u de uitstromende lucht gekoeld wilt hebben, kunt u het airconditioningssysteem aanzetten.
Druk op toets AUTO om weer over te schakelen naar de volledig automatische regeling.

De luchtcirculatietoets regelt de circulatie van de lucht door het ventilatiesysteem.
Als u een keer op de toets drukt, schakelt u de bijbehorende uitstroomopeningen in en als u nogmaals op de toets drukt, schakelt u ze weer uit.

De meeste lucht stroomt naar de voetenruimte.

Stand FACE (B, D)
De meeste lucht stroomt naar de romp en naar het hoofd. Daarnaast kan iedere uitstroomopening versteld worden om de richting van de luchtstroom te wijzigen. En een klein beetje lucht stroomt naar de voetenruimte (C, E).

Stand DEFROST (A, D)
Het grootste deel van de luchtstroom wordt naar de voorruit geleid.
Daarnaast kunt u 2 - 3 standen gelijktijdig selecteren om de gewenste luchtstroom te krijgen.
- Stand VENTILEREN (74 VERWARMEN)
- Stand VENTILEREN (↑) ONTWASEMEN (↓)
- Stand VERWARMEN ( )+ ONTWASEMEN ( )
- Stand VENTILEREN (74) VERWARMEN (75)
- ONTWASEMEN ( )

Stand maximaal ontwasemen (MAX)
Als u de stand maximaal ontwasemen selecteert, schakelt het systeem automatisch de volgende instellingen in:
- De airconditioning zal worden ingeschakeld.
- De stand BUITENLUCHT zal worden ingesteld.
- De aanjager zal op de hoogste stand gaan draaien.
Druk om de stand maximaal ontwasemen uit te schakelen nogmaals op de keuzetoets voor de standen of op de toets maximaal ontwasemen.

Door de knop volledig naar rechts te draaien, wordt de temperatuur tot het maximum verhoogd.
Door de knop volledig naar links te draaien, wordt de temperatuur tot het minimum verlaagd.
Elke keer dat de toetsen worden ingedrukt, wordt de temperatuur met 0,5°C verhoogd of verlaagd. Wanneer de laagst mogelijke temperatuur wordt ingesteld, zal de airconditioning continu blijven werken.

De temperatuur afzonderlijk instellen voor bestuurder en passagier
-
Druk op toets DUAL om de temperatuur afzonderlijk te kunnen regelen voor de bestuurderszijde en de passagierszijde. Bovendien zal, als de temperatuurregeltoets voor de passagierszijde wordt ingedrukt, automatisch de stand DUAL worden ingeschakeld.
-
Bedien de linker temperatuurtoets om de gewenste temperatuur voor de bestuurderszijde in te stellen. Bedien de rechter temperatuurknop om de gewenste temperatuur voor de passagierszijde in te stellen.
Uitstroomopeningen dashboard
De uitstroomopeningen kunnen afzonderlijk worden geopend of gesloten met het wieltje. (indien van toepassing)
Met de hendel in de ventilatieroosters kunt u de richting van de luchtstroom uit deze ventilatieroosters afstellen, zoals in de afbeelding is aangegeven.
Door de knop volledig naar rechts te draaien, wordt de temperatuur tot het maximum verhoogd.

Wanneer de temperatuur voor de bestuurderszijde in de hoogste of laagste stand wordt gezet, wordt de DUAL mode uitgeschakeld om maximaal te verwarmen of te koelen.
De temperatuur gelijk instellen voor bestuurder en passagier
- Druk nogmaals op de toets DUAL om de DUAL mode uit te schakelen. De temperatuur aan passagierszijde wordt hetzelfde ingesteld als aan bestuurderszijde.
- Bedien de temperatuurregeltoetsen voor de bestuurderszijde. De temperatuur wordt voor bestuurder en passagier gelijk ingesteld.
Temperatuuraanduiding wijzigen
U kunt de temperatuur als volgt overschakelen van graden Celsius naar graden Fahrenheit:
Houd, terwijl u op de toets OFF drukt, de toets AUTO ten minste 3 seconden ingedrukt.
De temperatuuraanduiding verandert van graden Celsius in graden Fahrenheit of andersom.
De temperatuureenheid zal gereset worden naar graden Celsius wanneer de accu ontladen is of als de accupolen zijn losgenomen.

Luchttoevoer
Hiermee kan de stand BUITENLUCHT of de stand RECIRCULATIE worden gekozen.
Druk op de desbetreffende toets om de stand van de luchttoevoer te wijzigen.
Stand RECIRCULATIE

In de stand RECIRCULATIE wordt de lucht uit het passagierscompartiment door het systeem gerecirculeerd en, afhankelijk van de gekozen functie, gekoeld of verwarmd.
Stand BUITENLUCHT

In de stand BUITEN-LUCHT stroomt de lucht van buitenaf in het passagierscompartiment. Deze lucht wordt, afhankelijk van de gekozen functie, verwarmd of gekoeld.
*AANWIJZING
Let op: door langdurig gebruik van de stand RECIRCULATIE kunnen de ruiten beslaan en zal de lucht in het passagierscompartiment muf worden. Daarnaast kan de lucht in het passagierscompartiment extreem droog worden bij langdurig gebruik van de airconditioning in de stand RECIRCULATIE.

WAARSCHUWING
- Langdurig recirculeren kan leiden tot een verhoogde luchtvochtigheid in het interieur, waardoor de ruiten kunnen beslaan en het uitzicht belemmerd wordt.
- Ga niet slapen in de auto wanneer het airconditionings system of de verwarming ingeschakeld is. Door een afname van de zuurstofconcentratie en/of de lichaamstemperatuur kunnen de inzittenden letsel oplopen.
- Langdurig recirculeren kan slaperigheid veroorzaken, waardoor de bestuurder de controle over de auto kan verliezen. Schakel daarom zo veel mogelijk de stand BUITENLUCHT in.

OSL040086E OSL040087E

Aanjagerschakelaar
De aanjagersnelheid kan ingesteld worden op de gewenste snelheid door op de aanjagertoets te drukken.
Druk om de aanjagersnelheid te wijzigen op (∧) de toets voor een hogere snelheid of druk op (∨) de toets voor een lagere snelheid. Om de aanjagerregeling uit te schakelen, drukt u op de toets OFF van de voorste aanjager.
Airconditioning
Druk op de toets A/C om de airconditioning in te schakelen (het controlelampje gaat branden).
Druk nogmaals op de toets om de airconditioning uit te schakelen.

Stand OFF
Druk op toets OFF om de airconditioning uit te schakelen.
Het is in dat geval nog steeds mogelijk om de luchtcirculatie en de luchttoevoer met de toetsen te bedienen, zolang het contact in stand ON staat.
Aanwijzingen voor gebruik van het systeem
- Om te voorkomen dat stof of onaangename geuren in het interieur van de auto terechtkomen, kan de schakelaar voor de luchttoevoer tijdelijk in de stand RECIRCULATIE worden gezet. Selecteer de stand BUITENLUCHT weer zodra de bron van irritatie gepasseerd is om weer frisse lucht toe te laten tot het interieur. Frisse lucht is beter voor de fysieke gesteldheid van de bestuurder en bovendien aangenamer.
- De lucht voor het verwarmings- en ventilatiesysteem wordt aangevoerd via de roosters in de paravan onder de voorruit. Zorg er daarom voor dat deze roosters niet geblokkeerd zijn door bladeren, sneeuw of andere objecten.
- Voorkom dat de voorruit beslaat door de stand BUITENLUCHT te selecteren, de aanjager in de gewenste stand te zetten, de airconditioning in te schakelen en de gewenste temperatuur in te stellen.
Aanwijzingen voor gebruik van de airconditioning
Alle KIA airconditioningssystemen zijn gevuld met het milieuvriendelijke koudemiddel R-134a dat niet schadelijk is voor de ozonlaag.
- Open de ruiten een tijdje wanneer de auto tijdens warm weer in de volle zon geparkeerd is geweest, zodat de warme lucht naar buiten kan.
- Om het beslaan van de ruiten tijdens regenachtig weer te verminderen, kunt u de vochtigheidsgraad in het interieur terugbrengen door de airconditioning in te schakelen.
- Tijdens de werking van de airconditioning ziet u het motortoerental zo nu en dan iets veranderen wanneer de aircocompressor inschakelt. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem.
-
Schakel de airconditioning iedere maand enkele minuten in om het systeem in een optimale staat te houden.
-
Na gebruik van de airconditioning kan onder de rechterzijde van de auto een plas heldere vloeistof gelekt zijn. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem.
- Als de stand RECIRCULATIE wordt gebruikt wanneer het airconditionings-systeem ingeschakeld is, wordt wel een maximaal koeleffect bereikt, maar kan het gebruik van deze stand gedurende een langere tijd ertoe leiden dat de lucht in het interieur muf wordt.
- Tijdens de werking van de airconditioning ziet u het motortoerental zo nu en dan iets veranderen wanneer de aircocompressor inschakelt. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem.
*AANWIJZING
• Houd de temperatuurmeter
nauwlettend in de gaten wanneer de airconditioning wordt gebruikt als u lange hellingen oprijdt of als u in druk verkeer rijdt bij hoge buitentemperaturen. Door het gebruik van het airconditioningssysteem kan de motor oververhit raken. Blijf de aanjager gebruiken en schakel het airconditioningssysteem uit wanneer de temperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit raakt.
- Bij het openen van de ruiten bij vochtig weer kan de airconditioning druppelvorming in het interieur veroorzaken. Omdat te veel vocht in het interieur schade aan elektrische componenten kan veroorzaken, mag de airconditioning alleen worden gebruikt als de ruiten gesloten zijn.

Interieurfilter (indien van toepassing)
Het interieurfilter, dat achter het dashboardkastje is gemonteerd, filtert de lucht die via het verwarmings- en airconditioningssysteem naar het interieur wordt gevoerd. Als het filter in de loop van de tijd verstopt raakt door stof en andere verontreinigingen, neemt de luchttoevoer via de uitstroomopeningen af en kan de voorruit aan de binnenzijde beslaan, ook al is de stand BUITENLUCHT gekozen. Laat, als dat het geval is, het interieurfilter vervangen door een officiële KIA-dealer.
*AANWIJZING
- Vervang het filter overeenkomstig het onderhoudsschema.
Als er onder ongunstige omstandigheden gereden wordt, bijvoorbeeld in een stoffige omgeving of op slechte wegen, moet het interieurfilter vaker worden gecontroleerd en indien nodig worden vervangen.
- Als de hoeveelheid uitstromende lucht plotseling sterk vermindert, moet het systeem door een officiële KIA-dealer worden gecontroleerd.
Hoeveelheid koudemiddel en compressorolie controleren
Als er te weinig koudemiddel in het systeem zit, neemt de koelcapaciteit van de airconditioning af. Een teveel aan koudemiddel heeft ook nadelige effecten op de werking van de airconditioning.
Laat de auto controleren door een officiële KIA-dealer als het systeem niet correct functioneert.
*AANWIJZING
Het is belangrijk dat het juiste type en de juiste hoeveelheid olie en koelmiddel worden gebruikt. Anders kan er schade aan de compressor ontstaan, waardoor het systeem niet meer goed functioneert.
! OPMERKING
Onderhoud aan het airconditioningssysteem moet worden uitgevoerd door een officiële KIA-dealer. Onjuist uitgevoerd onderhoud kan letsel veroorzaken bij degene die het onderhoud uitvoert.
VOORRUIT ONTDOOIEN EN ONTWASEMEN

WAARSCHUWING
- Voorruitverwarming
Gebruik de standen ( niet in combinatie met koelen bij een extreem hoge luchtvochtigheid. Door het temperatuurverschil tussen de buitenlucht en de voorruit, kan de voorruit plotseling beslaan, waardoor het zicht wegvalt. Zet in dat geval de modusselectie in de stand ( fen de aanjager op de laagste stand.
- Draai de temperatuurknop volledig naar rechts (maximaal verwarmen) en zet de aanjagerknop op de hoogste snelheid om maximaal te ontdooien.
- Zet de knop voor de luchtcirculatie in stand VERWARMEN/ONTWASEMEN, wanneer tijdens het ontdooien of ontwasemen warme lucht in de voetenruimte gewenst wordt.
- Verwijder voor het rijden alle sneeuw en ijs van de voorruit, de achterruit, de buitenspiegels en alle zijruiten.
- Verwijder alle sneeuw en ijs van de motorkap en van de luchtaanvoeropening in het paravanrooster om de werking van de kachel en het ventilatiesysteem te verbeteren en de kans op het beslaan van de voorruit te verminderen.
Verwarmings- en ventilatiesysteem, handbediend

Verwarmings- en ventilatiesysteem, handbediend
Binnenzijde voorruit ontwasemen
- Stel de voorste aanjager in op de gewenste snelheid.
- Stel de gewenste temperatuur in.
- Kies stand (
- Op basis van de omgevingstemperatuur zal de airconditioning automatisch worden ingeschakeld en de stand BUITENLUCHT worden gekozen.
Als de airconditioning en de stand BUITENLUCHT niet automatisch worden ingeschakeld, druk dan op de desbetreffende toetsen.

Buitenzijde voorruit ontdooien
- Zet de aanjager in de hoogste stand.
- Stel de temperatuur in op maximaal.
- Kies stand (
- Het systeem schakelt de toevoer van buitenlucht en de airconditioning automatisch in.

Als de airconditioning, de stand BUITENLUCHT en de hogere aanjagersnelheid niet automatisch worden ingeschakeld, druk dan op de desbetreffende knoppen. Als stand (V) geselecteerd wordt, wordt de aanjagersnelheid automatisch verhoogd.
Automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem
Binnenzijde voorruit ontwasemen
- Zet de aanjagerknop in de gewenste stand.
- Stel de gewenste temperatuur in.
- Druk op de toets voorruitontwaseming (###).
- Op basis van de omgevings-temperatuur zal de airconditioning automatisch worden ingeschakeld en zullen de stand BUITENLUCHT en een hogere aanjagersnelheid worden gekozen.

Buitenzijde voorruit ontdooien
- Zet de aanjager in de hoogste stand.
- Stel de temperatuur in op maximaal.
- Druk op de toets voorruitontwaseming ( ).
- Op basis van de omgevingstemperatuur zal de airconditioning automatisch worden ingeschakeld en de stand BUITENLUCHT worden gekozen.
OPBERGVAK
Deze opbergvakken kunnen worden gebruikt om kleine voorwerpen in op te bergen.

OPMERKING
- Laat geen waardevolle spullen achter in de opbergvakken, om diefstal te voorkomen.
- Houd de deksels van de opbergvakken tijdens het rijden gesloten. Plaats niet te veel voorwerpen in de opbergvakken om te voorkomen dat de deksels niet gesloten kunnen worden.

WAARSCHUWING
- Brandbare materialen
Bewaar geen aanstekers of andere brandbare of explosieve materialen in de auto. Deze kunnen ontploffen of vlam vatten wanneer de auto gedurende lange tijd blootgesteld staat aan hoge temperaturen.

Opbergvak middenconsole (indien van toepassing)
Trek de hendel omhoog om het opbergvak in de middenconsole te openen.

Het dashboardkastje gaat automatisch als er aan de hendel getrokken wordt. Sluit het dashboardkastje na gebruik.

WAARSCHUWING
Houd het dashboardkastje tijdens het rijden altijd gesloten om de kans op letsel in geval van een aanrijding of bij plotseling remmen te verminderen.
Koelbox (indien van toepassing)
U kunt dranken en andere goederen koud houden door de uitstroomopening in het dashboardkastje te openen met het hendeltje.
- Schakel de airconditioning in.
- Schuif het hendeltje (1) van de uitstroomopening in het dashboard-kastje in de stand open.
Sluit de ventilatie-opening (○) als de koelbox niet wordt gebruikt.
*AANWIJZING
Tijdens het gebruik van de koelfunctie kunnen eventueel aanwezige papieren beschadigd raken als gevolg van condensatievocht.

Opbergvak voor zonnebril (indien van toepassing)
Druk op het afdekkapje om het opbergvak langzaam te openen. Plaats uw zonnebril met de glazen naar boven gericht in het opbergvak. Druk het opbergvak dicht.
WAARSCHUWING
- Bewaar geen andere voorwerpen dan een zonnebril in het opbergvak. Andere voorwerpen kunnen bij een aanrijding of een noodstop uit het opbergvak worden geslingerd, waardoor de inzittenden letsel kunnen oplopen.
- Open het opbergvak voor de zonnebril niet als de auto rijdt. Het openen van het opbergvak kan het zicht naar achteren in de binnenspiegel belemmeren.

Opbergvak bagageruimte (indien van toepassing)
In het vak kunt u o.a. een verbandtrommel, een gevarendriehoek en gereedschap opbergen, zodat u hier in geval van nood gemakkelijk bij kunt.
Pak de handgreep aan de rand van het deksel vast en til het deksel omhoog.

OPMERKING
Om beschadiging van de goederen of de auto te voorkomen, moet bij het vervoer van kwetsbare of volumineuze lading in de bagageruimte de nodige voorzichtigheid in acht worden genomen.
OVERIGE VOORZIENINGEN
Bekerhouder

WAARSCHUWING
- Hete vloeistoffen
- Plaats geen bekers met hete vloeistof in de houder tijdens het rijden. Het morsen van hete vloeistof kan brandwonden tot gevolg hebben. Als dit bij de bestuurder gebeurt, zou deze de controle over de auto kunnen verliezen.
- Om het risico van persoonlijk letsel bij een aanrijding of een noodstop tot een minimum te beperken, mogen tijdens het rijden geen open flesjes, bekers, blikjes, enz. in de bekerhouder worden geplaatst.

In de bekerhouders kunnen bekers en blikjes frisdrank worden geplaatst.

Zonneklep
Gebruik de zonneklep om verblinding door direct zonlicht via de voor- en zijruiten tegen te gaan.
Trek de zonneklep omlaag om deze te kunnen gebruiken.
Trek de zonneklep omlaag, neem hem uit de steun (1) en draai hem naar de zijruit (2) om bescherming te verkrijgen tegen zon van opzij.
Stel de zonneklep af door deze heen en weer te bewegen (3, indien van toepassing)
De make-upspiegel kunt u gebruiken door de zonneklep te openen en het afdekkapje (4) van de spiegel op te klappen.
Achter de kaarthouder (5) kan een tolkaartje worden opgeborgen.

OPMERKING
- Verlichting make-upspiegel (indien van toepassing)
Als u de verlichting van de makeupspiegel gebruikt, schakel dan de verlichting uit voordat u de zonneklep weer in de oorspronkelijke positie zet. Anders kan dit een lege accu en schade aan zonneklep tot gevolg hebben.

De 12 V-aansluiting is ontworpen om mobiele telefoons en andere apparaten die in de auto gebruikt kunnen worden, op te laden. Deze apparaten mogen niet meer dan 10 A afnemen als de motor draait.
! OPMERKING
- Gebruik de 12 V-aansluiting alleen als de motor draait en verwijder de plug van het apparaat na gebruik uit de aansluiting. Het gebruik van de 12 V-aansluiting gedurende langere tijd als de motor niet draait, kan ertoe leiden dat de accu te ver ontladen raakt.
- Alleen voor het aansluiten van elektrische apparatuur die werkt op 12 V en een stroomverbruik heeft van maximaal 10 A.
- Zet de airconditioning of de verwarming in de laagste stand als de 12 V-aansluiting gebruikt wordt.
- Plaats het afdekkapje op de aansluiting wanneer deze niet wordt gebruikt.
- Sommige elektronische apparaten die op de 12 V-aansluiting worden aangesloten, kunnen storingen veroorzaken. De problemen kunnen variëren van een slechte radio-ontvangst tot storingen in de elektronische systemen en apparaten in de auto.
WAARSCHUWING
Steek geen vingers of vreemde voorwerpen (pen, enz.) in een 12V-aansluiting en raak de aansluiting niet aan met natte handen. Als u dat wel doet, kan dat leiden tot een elektrische schok.

Digitale klok (indien van toepassing)
Als de accukabels of de bijbehorende zekeringen zijn losgenomen, moet de tijd opnieuw worden ingesteld. Raadpleeg voor meer informatie "Audio" verderop in dit hoofdstuk.
WAARSCHUWING
Probeer nooit de klok tijdens het rijden te verstellen. Anders kunt u de macht over het stuur verliezen, waardoor ongevallen en letsel veroorzaakt kunnen worden.

Jashaak (indien van toepassing)

OPMERKING
Hang geen zware kleren aan de hanger omdat deze hierdoor beschadigd kan worden.

WAARSCHUWING
Berg geen scherpe of gevaarlijke voorwerpen op (uitgezonderd kleding), om de kans op letsel in geval van een aanrijding of plotseling remmen te verminderen.
* Het onderdeel wijkt mogelijk af van de afbeelding.

Bevestigingspunt (EN) vloermat (indien van toepassing)
Wanneer u voorin de auto gebruikt maakt van een vloermat op de vloerbedekking, zorg er dan voor dat deze op de bevestigingspunten wordt bevestigd. Dit voorkomt dat de vloermat kan wegglijden.

WAARSCHUWING
Neem het volgende in acht bij het plaatsen van vloermatten in de auto.
- Controleer of de vloermatten zorgvuldig bevestigd zijn aan de bevestigingspunten voordat u gaat rijden.
- Gebruik GEEN vloermatten die niet goed vastgemaakt kunnen worden aan de bevestigingspunten voor de vloermatten.
- Plaats geen vloermatten op elkaar (bv. een rubber mat bovenop een gewone vloermat). Gebruik overal slechts één enkele vloermat.
BELANGRIJK – Uw auto is aan bestuurderszijde uitgerust met bevestigingspunten voor een degelijke bevestiging van de vloermat. Om te voorkomen dat de vloermat de bediening van de pedalen belemmert, adviseert KIA alleen vloermatten van KIA te plaatsen die ontworpen zijn voor gebruik in uw auto.

Bagagenet (houder) (indien van toepassing)
Om te voorkomen dat uw spullen in de bagageruimte heen en weer schuiven, kunt u de haken in de bagageruimte gebruiken om het bagagenet vast te zetten.
Neem voor het aanschaffen van een bagagenet contact op met een officiële KIA-dealer.
! OPMERKING
Om beschadiging van de goederen of de auto te voorkomen, moet bij het vervoer van kwetsbare of volumineuze lading in de bagageruimte de nodige voorzichtigheid in acht worden genomen.
WAARSCHUWING
Voorkom oogletsel. Trek het bagagenet niet te strak aan.
Hou gezicht en lichaam op voldoende afstand. Gebruik het net niet als de spanbanden zichtbare slijtage of schade vertonen.

Rolhoes bagageruimte (indien van toepassing)
Gebruik de rolhoes om te voorkomen dat de bagage in de bagageruimte van buitenaf zichtbaar is.
Trek om de rolhoes te gebruiken de handgreep naar achteren en plaats de uiteinden in de uitsparingen van de geleiders.

Plaats de rolhoes op de vloer van de bagageruimte als hij niet gebruikt wordt.
WAARSCHUWING
- Plaats niets op de rolhoes. Dergelijke voorwerpen kunnen bij een ongeval of remmen door de auto geslingerd worden en inzittenden verwonden.
- Laat tijdens het rijden niemand in de bagageruimte zitten. Deze is alleen bedoeld voor bagage.
- Plaats bagage voor een goede balans zo ver mogelijk naar voren.
! OPMERKING
Leg om beschadiging of vervorming te voorkomen geen bagage op de rolhoes.
EXTERIEUR

Roof rack (indien van toepassing)
Als uw auto is voorzien van een roof rack, kunt u bagage op het dak vervoeren.
Dwarsdragers en bevestigingsonderdelen die nodig zijn om het roof rack te monteren zijn verkrijgbaar bij een officiële KIA-dealer.
*AANWIJZING
- Plaats de dwarsdragers (indien van toepassing) in de juiste positie voordat lading op het roof rack geplaatst wordt.
- Plaats als de auto is uitgerust met een schuif-/kanteldak de lading zodanig op het roof rack dat de werking van het dak niet gehinderd wordt.
- Wanneer het roof rack niet wordt gebruikt om lading te vervoeren, moeten de dwarsdragers worden verplaatst als er windgeruis hoorbaar is.
! OPMERKING
- Neem de juiste voorzorgsmaatregelen om te voorkomen dat lading op het roof rack het dak beschadigt.
- Zorg ervoor dat grote objecten nooit aan de achterzijde of aan de zijkant buiten de auto uitsteken.
- Gebruik het schuif-/kanteldak (indien van toepassing) niet wanneer u bagage op het roof rack vervoert.
WAARSCHUWING
- Hieronder wordt aangegeven wat het maximale gewicht is dat kan worden geladen op het roof rack. Verdeel de lading gelijkmatig over de dwarsdragers (indien van toepassing) en het roof rack en zet de lading goed vast.
DAK 100 kg
DRAGER
GELIJKMATIG
VERDEELD
Er kan schade aan uw auto ontstaan, als u meer dan het toegestane gewicht op het roof rack vervoert.
- Het zwaartepunt van de auto ligt hoger als er zich lading op het roof rack bevindt. Vermijd plotseling starten of remmen, scherpe bochten, abrupte manoeuvres of hoge snelheden waardoor u de macht over het stuur kunt kwijtraken of de auto over de kop kan slaan.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Rijd altijd langzaam en neem bochten voorzichtig als u voorwerpen op het roof rack vervoert. Sterke windvlagen kunnen een opwaartse druk aan de onderzijde van de lading veroorzaken. Dit geldt met name voor grote, platte voorwerpen zoals houten panelen of matrassen. Hierdoor kunnen voorwerpen van het roof rack vallen en de auto of andere auto's beschadigen.
- Controleer regelmatig of de voorwerpen op het roof rack goed vastzitten om te voorkomen dat de lading beschadigd of verloren raakt.
AUDIOSYSTEEM
*AANWIJZING
Als u achteraf een HID-koplamp monteert, treden er mogelijk storingen op in het audiosysteem en de elektronische onderdelen van uw auto.

Antenne
Dakantenne
Uw auto maakt gebruik van een dakantenne om zowel AM- als FM-signalen te ontvangen. Deze antenne kan verwijderd worden. Draai de antenne linksom om hem te verwijderen. Draai de antenne rechtsom om deze te plaatsen.
! OPMERKING
- Vóór het betreden van een omgeving met een lage doorrijhoogte of bij een car wash, verwijdert u de antenne door deze tegen de klok te draaien. Het kan anders gebeuren dat de antenne wordt beschadigd.
- Bij het terugplaatsen van de antenne is het voor een goede ontvangst van belang dat de antenne goed wordt vastgedraaid en dat de antenne rechtop staat. De antenne kan worden verwijderd wanneer u de auto parkeert of wanneer u bagage vervoert op het roof rack.
- Plaats geen bagage in de buurt van de antennevoet om de ontvangst van signalen niet te storen.

Toets audioafstandsbediening (indien van toepassing)
Het stuurwiel kan uitgerust zijn met toetsen voor de bediening van het audiosysteem.

OPMERKING
Bedien nooit meerdere schakelaars van het audio-schakelaarpaneel tegelijkertijd.
VOLUME (1) schakelaar (1)
- Druk de toets ( Ⓞ+omhoog om het volume te verhogen.
- Druk de toets (☐)-omlaag om het volume te verlagen.
SEEK/PRESET (∧) (2)
De toets SEEK/PRESET heeft verschillende functies op basis van de systeemmodus. Voor de volgende functies moet de toets ten minste 0,8 seconden worden ingedrukt.
Als de RADIO is ingeschakeld Werkt als AUTO SEEK-toets.
Als de CD/USB/iPod is ingeschakeld Werkt als FF/REW-toets.
Als de SEEK/PRESET-toets gedurende korter dan 0,8 s wordt ingedrukt, werkt hij in elke stand als volgt.
Als de RADIO is ingeschakeld
Werkt als PRESET STATION SELECT-toets.
Als de CD/USB/iPod is ingeschakeld Werkt als TRACK UP/DOWN-toets.
MODE(∅schakelaar (3)
Druk op de toets om de audiobron te wijzigen.
FM1→FM2→FMA→AM→AMA→CD→USB AUX(iPod)→FM...
MUTE ( )4
- Druk op de toets om het geluid te dempen.
- Druk op de toets om de microfoon tijdens een telefoongesprek uit te schakelen.
Meer informatie over de bedienings- toetsen van het audiosysteem vindt u op de volgende bladzijden in dit hoofdstuk.

Aux-, USB- en iPod-aansluiting (indien van toepassing)
Als uw auto is uitgerust met een AUX-aansluiting, een USB-aansluiting (Universal Serial Bus) en/of een iPod-aansluiting kunt u deze aansluitingen gebruiken voor het aansluiten van respectievelijk een extern audioapparaat, een apparaat met een USB-kabel of een USB-stick en een iPod.
*AANWIJZING
Als er een draagbaar audioapparaat op de elektrische aansluiting wordt aangesloten, is er tijdens het afspelen mogelijk ruis hoorbaar. Gebruik in dat geval de voedingsbron van het draagbare apparaat.
* iPod® is een handelsmerk van Apple Inc.
FM-ontvangst AM-ontvangst

De werking van een autoradio
AM en FM radiosignalen worden door het radiostation uitgezonden. Deze signalen worden ontvangen door de radioantenne op het spatscherm van uw wagen. Dit signaal wordt dan ontvangen door de radio en doorgestuurd naar de luidsprekers.
Als een krachtig radiosignaal uw wagen bereikt zorgt de moderne techniek van uw geluidsinstallatie voor een hoge kwaliteit van de geluidsweergave. In sommige gevallen is het ontvangen signaal echter niet krachtig en helder.
Dit kan worden veroorzaakt door bijvoorbeeld de afstand tot het radiostation, andere krachtige stations of de aanwezigheid van gebouwen, bruggen of grotere obstakels in het desbetreffende gebied.

In het algemeen is de ontvangst van AM signalen beter dan van FM signalen. Dit komt doordat AM radiogolven met een lage frequentie worden uitgezonden. Deze lange golven met een lage frequentie volgen het aardoppervlak en verplaatsen zich niet recht in de atmosfeer. Bovendien ontwijken ze obstakels zodat over het algemeen een betere signaal weergave het gevolg is. Daarom kan een AM uitzending over een grotere afstand dan een FM uitzending worden ontvangen.
FM radiostation
![graph TD A["Bergen"] --> B["Gebouwen"] B --> C["Onbelemmerd gebied"] C --> D["ljzeren bruggen"] D --> E["JBM003"] style A fill:#f9f,stroke:#333 style B fill:#ccf,stroke:#333 style C fill:#cfc,stroke:#333 style D fill:#fcc,stroke:#333 style E fill:#ffc,stroke:#333](/content/2026/05/1111633/images/90f369cedf959b61d567255af6e868c30b5cd8c7848e53e13d3fbdf27bd44e9a.jpg)
FM signalen worden met een hoge frequentie uitgezonden en volgen hierbij niet het aardoppervlak. Daarom ontstaat bij FM uitzendingen op een relatief korte afstand van het radiostation vervorming. Bovendien ondervinden FM signalen nadelige invloeden door gebouwen, bergen of andere obstakels. Dit kan een geluidsweergave tot gevolg hebben waardoor u veronderstelt dat uw geluidsinstallatie niet in orde is. De volgende condities zijn normaal en duiden niet op een storing:

- Vervorming. Tijdens het rijden kan de afstand ten opzichte van het radiostation gewijzigd worden, het signaal wordt zwakker en er treedt vervorming op. In een dergelijk geval adviseren wij u op een ander en krachtiger station af te stemmen.
- "Flutter" - Zwakke FM signalen of grote obstakels tussen de zenden en de radio vervormen het signaal waardoor er flutter ontstaat. Deze storing kan iets worden onderdrukt door de hoge tonen te verminderen.

- Bij het zwakker worden van het FM signaal is het mogelijk dat het signaal van een nabij gelegen, krachtige zender op dezelfde frequentie wordt ontvangen. Dit komt omdat uw radio is ontworpen om op het sterkste signaal af te stemmen. In dit geval adviseren wij u een andere zender op te zoeken.
- Als radiosignalen vanuit diverse richtingen worden ontvangen heeft dit vervorming tot gevolg. Dit kan worden veroorzaakt door een direct en een gereflecteerd signaal van hetzelfde station of door signalen van twee stations met dicht bij elkaar liggende frequenties. In dit geval adviseren wij u op een andere zender af te stemmen.
Gebruik van een mobiele telefoon of radiozender
Bij gebruik van een mobiele telefoon in de auto kan de audio apparatuur storende geluiden voortbrengen. Dit betekent niet dat er iets verkeerd is met de audioapparatuur. In dat geval moet de mobiele telefoon op een zo groot mogelijke afstand van de audioapparatuur worden gebruikt.

OPMERKING
Bij gebruik van een mobiele telefoon of een radiozender in de auto, moet een afzonderlijke antenne worden gemonteerd. Door het gebruik van een mobiele telefoon of radiozender met een interne antenne, kunnen storingen aan de elektrische installatie van de auto worden veroorzaakt en kan de veilige werking van de auto in gevaar komen.

WAARSCHUWING
Gebruik geen autotelefoon tijdens het rijden; parkeer de auto op een veilige plaats bij gebruik van een autotelefoon.
Onderhoud van CD's
- Als de temperatuur in de auto te hoog is opgelopen, open dan eerst de ruiten voordat u het audiosysteem van uw auto aanzet.
- Het is verboden om MP3/WMA-bestanden zonder toestemming te kopieren en te gebruiken. Gebruik uitsluitend legale CD's.
- Breng geen vluchtige stoffen zoals alcohol, thinner, reguliere schoonmaakmiddelen en antistatische spray aan op CD's.
• Voorkom dat het oppervlak van de CD beschadigd raakt en pak CD's alleen bij de randen of de opening in het midden vast. - Reinig het oppervlak van de CD vóór het afspelen met een zachte doek. Beweeg de doek van binnen naar buiten.
- Zorg dat het oppervlak van de CD niet beschadigd raakt en plak er niets op.
-
Steek geen voorwerpen anders dan CD's in de CD-speler. (Steek niet meer dan één CD tegelijk in de CD-speler.)
-
Berg CD's na gebruik altijd op in hun doosje om ze te beschermen tegen krassen en stof.
- Sommige CD's kunnen wellicht niet worden afgespeeld. Dit is afhankelijk van het CD-R/CDRW, de productiemaatschappij en de fabricage- en opnamemethode. Als u deze CD's toch gebruikt, dan kan dat wellicht storingen veroorzaken in het audiosysteem van uw auto.
* AANWIJZING - Het afspelen van niet-compatibele audio-CD's met kopieerbeveiliging
CD's met kopicerbeveiliging die niet compatibel zijn met internationale standaarden voor audio-CD's (Red Book) kunnen wellicht niet worden afgespeeld op het audiosysteem van uw auto. Als u deze toch probeert af te spelen en uw CD-speler werkt niet naar behoren, dan ligt dat waarschijnlijk aan de desbetreffende CD en niet aan de CD-speler.
■ Cd-speler : PA710SLE

■ Cd-wisselaar : PA760SLE

*Er wordt geen Bluetooth-gegeven als de Bluetooth-functie niet wordt ondersteund.
SL_PA710SLE_CDP / SL_PA760SLE_CDC

Gebruik van RADIO, SETUP, VOLUME en AUDIO CONTROL
1.Toets FM/AM
De toets FM/AM schakelt tussen FM en AM. Hieronder vindt u de volgorde waarin het systeem schakelt van FM naar AM en weer terug naar FM.
- FM/AM: FM1→FM2→FMA→AM→AMA→FM1...
2.Toets TA
TA (verkeersinformatie) in de FM-, CD- of AUX-modus: de ontvangst van zenders met verkeersinformatie via RDS wordt in- of uitgeschakeld.
3.Toets en
VOLPC
- Hiermee wordt het audiosysteem in-/uitgeschakeld wanneer het contact in stand ACC of ON staat.
- Als de knop rechtsom of linksom wordt gedraaid, wordt het volume verhoogd/verlaagd.
- Als het contact niet in stand ACC of ON staat, verschijnt de waarschuwing "Battery Discharge" (accu raakt leeg) op het LCD 10 seconden na het inschakelen en wordt automatisch uitgeschakeld na 1 uur werking, afhankelijk van de uitvoering.
4.Toets SEEK
- Wanneer op de toets SEEK gedrukt, wordt automatisch overgeschakeld naar een vorige zender op de frequentieband.
- Wanneer op de toets SEEK A gedrukt, wordt automatisch overgeschakeld naar een volgende zender op de frequentieband.
5.Toets SCAN
- Als op de knop wordt gedrukt, wordt automatisch naar verdere radiozenders gezocht.
- De functie SCAN stopt bij alle zenders, te beginnen bij de huidige zenders, gedurende 5 seconden.
- Druk nogmaals op de toets SCAN om te stoppen met zoeken en naar de huidige zender te luisteren.
6.Toets AST (AUTO
STORE)
Wanneer op deze toets wordt gedrukt, worden automatisch zenders met een goede ontvangst gekozen en opgeslagen onder de voorkeuzetoetsen [1]-[6] en wordt de zender onder voorkeuzetoets 1 weergegeven. Als er na het automatisch zoeken geen zender is opgeslagen, is de zender waarop eerst was afgestemd weer te horen.
- Wordt bij bepaalde uitvoeringen alleen opgeslagen in het preset-geheugen (1) - (6) van de modus FMA of AMA.

7. Voorkeuzetoets
- Druk toets \~ 1 d 6 0,8 seconden in om de opgeslagen zenders onder de betreffende toets weer te geven.
- Druk toets 1 r 6 0,8 seconden in tot het piepsignaal klinkt om de huidige zender onder de betreffende toets op te slaan.

8.Toets PTY
- Bedien de toets V PTY - functie te activeren tijdens het luisteren naar RDS-uitzendingen.
- Bedien de toets PTYA- functie te activeren tijdens het luisteren naar RDS-uitzendingen.
9.Toets DARK
Druk op de knop DARK LCD- scherm en de achtergrondverlichting in of uit te schakelen.
10.Toets SETUP
Druk op deze toets voor toegang tot de SETUP-modus. Als er binnen 8 seconden geen bediening volgt, keert het systeem terug naar de vorige modus.
■ Cd-speler : PA710SLE

Draai in de SETUP-modus aan de knop TUNE om een item te zoeken en druk op de knop TUNE om een item te selecteren.
• MAIN
Selecteer dit item voor toegang tot de Scroll- en SDVC-instellingsmodus.

Hiermee selecteert u of lange bestandsnamen voortdurend worden getoond (ON) of slechts eenmaal (OFF).

- SDVC (Speed Dependent Volume Control, snelheidsafhankelijke volume-regeling)
Selecteer dit item om de functie SDVC in of uit te schakelen. Als hij in de stand ON staat, wordt het volume automatisch aan van de rijsnelheid aangepast.

• RDS (indien beschikbaar)
Het RDS-menu bevat achtereenvolgens de menu's News/AF/Region/TA Vol.

- NEWS (weergave NEWS-MENU mogelijk in combinatie met RDS-MENU)
Hiermee kan de automatische ontvangst van nieuwsberichten worden in- of uitgeschakeld.

- AF (weergave AF-MENU mogelijk in combinatie met RDS-MENU)
Selecteer deze optie om de AF-functie (zoeken naar alternatieve frequentie) in- of uit te schakelen.

• TA VOL (weergave TA VOL-MENU mogelijk in combinatie met RDS-MENU)
Hiermee stelt u het volume van de TA (Traffic Announcement) af overeenkomstig het normale audiovolume.

- REGION (weergave REGION-MENU mogelijk in combinatie met RDS-MENU)
Hiermee kan worden bepaald of de regiocode wel (ON) of niet (OFF) wordt gebruikt als de autoradio heeft bepaald dat de frequentie gewijzigd moet worden (AF-functie). Als AUTO wordt geselecteerd, wordt automatisch aan de hand van de kwaliteit van de PI-ontvangst bepaald of de frequentie gewijzigd moet worden.

• CLOCK
Selecteer dit onderdeel voor toegang tot de instelmodus voor de klok. (12/24Hr., Auto, Time)
• 12/24 Hr.
Selecteer de toets "12/24Hr." voor toegang tot het menu voor de tijdweergave.
- Auto
Selecteer de toets "Auto" voor toegang tot het menu voor automatische weergave van de RDS-tijd.
• Time
Selecteer de toets "Time" voor toegang tot de tijdsinstelling.
Stel het uur in en druk op de toets ENTER. Stel de minuten in en druk op de toets ENTER om de voltooien en de klokinstelling te verlaten.
Wanneer het scherm POWER OFF wordt weergegeven, kan de klok rechtstreeks worden ingesteld door de toets SETUPukken.

• PHONE (indien beschikbaar)
Selecteer dit onderdeel voor toegang tot de instelmodus voor BLUETOOTH. Raadpleeg het hoofdstuk "BEDIENING BLUETOOTHTELEFOON" voor meer informatie.

Met deze functie worden virtuele geluidseffecten gecreëerd en kan de lagetonenweergave worden aangepast.
Uit → Laag → Midden → Hoog → Uit...
* AM - modus wordt niet ondersteund.
* Uitvoeringen met een cd-wisselaar worden niet ondersteund.

11. Toets TUNE & bedieningstoets audiosysteem
Draai de knop rechtsom of linksom om de frequentie te verhogen of te verlagen. Door op deze knop te drukken, verandert de modus BASS, MIDDLE, TREBLE, FADER en BALANCE TUNE. De geselecteerde modus wordt op het display weergegeven. Draai de audioknop rechtsom of linksom na het selecteren van elke modus.
- Regeling BASS
Draai de knop rechtsom om de BASS te verhogen, draai de knop linksom om de BASS te verlagen.
- Regeling MIDDLE
Draai de knop rechtsom om de MIDDLE te verhogen, draai de knop linksom om de MIDDLE te verlagen.
- Regeling TREBLE
Draai de knop rechtsom om de TREBLE te verhogen, draai de knop linksom om de TREBLE te verlagen.
- Regeling FADER
Draai de regelknop rechtsom om geluid uit de achterste luidspreker te versterken (geluid uit de voorste luidspreker wordt gedempt). Wanneer de regelknop linksom wordt gedraaid, wordt het geluid uit de voorste luidspreker versterkt (geluid uit de achterste luidspreker wordt gedempt).
- Regeling BALANCE
Draai de knop rechtsom om geluid uit de rechter luidspreker te versterken (geluid uit de linker luidspreker wordt gedempt). Wanneer de regelknop linksom wordt gedraaid, wordt geluid uit de linker luidspreker versterkt (geluid uit de rechter luidspreker wordt gedempt).

Gebruik van cd-speler
1.Toets CD/AUX (CD)
Als er een cd is geplaatst, wordt de cd-modus ingeschakeld. Als er geen cd is geplaatst, wordt gedurende 3 seconden "No Media" weergegeven en wordt de vorige modus weer ingeschakeld.
2.Toets 1 (RANDOM)
Druk deze toets maximaal 0,8 seconden in om de RDM-modus te activeren en druk deze toets ten minste 0,8 seconden in om de ALL RDM-modus te activeren.
- RDM : Alleen de bestanden in een map of op een disc worden in willekeurige volgorde afgespeeld.
- ALL RDM (alleen MP3/WMA) : Alle bestanden op een disc worden in willekeurige volgorde afgespeeld.
3.Toets 2 (REPEAT)
Druk deze toets maximaal 0,8 seconden in om de RPT-modus te activeren en druk deze toets ten minste 0,8 seconden in om de FLD RPT-modus te activeren.
• RPT : Alleen een muziekstuk (bestand) wordt herhaaldelijk afgespeeld.
- FOLDER RPT (alleen MP3/WMA) : Alleen bestanden in een map worden herhaaldelijk afgespeeld.
4.Toets TRACK
- Druk korter dan 0,8 seconden op de toets √ TRACK huidige nummer vanaf het begin af te spelen.
- Druk korter dan 0,8 seconden op de toets ▼ TRACK en druk binnen 1 seconde nogmaals op de toets om het vorige nummer af te spelen.
- Druk ten minste 0,8 seconden op de toets ▼ TRACK huidige nummer versneld terug te spoelen.
- Druk korter dan 0,8 seconden op de toets TRACK\ volgende nummer af te spelen.
- Druk ten minste 0,8 seconden op de toets TRACK^ huidige nummer versneld vooruit te spoelen.
5.Toets SCAN
Hiermee worden de eerste 10 seconden van ieder muziekstuk op een cd afgespeeld. Druk nogmaals op deze toets om de functie SCAN uit te schakelen.

6. Keuzetoets DISC (Cd-wisselaar : PA760)
- Voorkeuzetoets 3 naar de vorige disc te gaan.
• Voorkeuzetoets O 4 de volgende disc te gaan.
7.Toets FOLDER
- Druk op de toets ✘ FOLDER de submap van de huidige map te gaan en het eerste nummer in de map weer te geven. Druk op de knop TUNE om naar de weergegeven map te gaan. Het eerste nummer in de map zal worden afgespeeld.
- Druk op de toets FOLDER^ de hoofdmap van de huidige map te gaan en het eerste nummer in de map weer te geven. Druk op de knop TUNE om naar de weergegeven map te gaan.

8.Toets INFO
Toont de informatie van het huidige muziekstuk.
- Audio-cd: titel disc/artiest, titel/artiest muziekstuk, totaal aantal muziekstukken.
- Cd met MP3-bestanden: bestandsnaam, artiest, album, map, totaal aantal bestanden (Er wordt geen informatie weergegeven als er voor de cd of het bestand geen informatie beschikbaar is.)
9.


- Draai deze knop rechtsom om door muziekstukken na het huidige muziekstuk te bladeren, of linksom om door de muziekstukken vóór het huidige muziekstuk te bladeren. Druk op de knop om het weergegeven muziekstuk af te spelen.
- Wanneer u op de knop drukt zonder eraan te draaien, komt u in de modus AUDIO CONTROL.

10. Uitwerptoets
Druk 12 de maximaal 0,8 seconden op de toets om de CD tijdens het afspelen uit te werpen. Deze toets is actief wanneer het contact uit is.
Druk gedurende ten minste 0,8 seconden op de toets om achtereenvolgens alle CD's in de speler uit te werpen.
toets Opening CD-speler
Plaats een cd met het etiket naar boven gericht terwijl het contact in stand ACC of ON staat. Het audiosysteem schakelt automatisch over naar de cd-weergave en de cd wordt afgespeeld.
Als het audiosysteem uit staat, wordt het automatisch ingeschakeld wanneer de cd wordt geplaatst.
- Dit audiosysteem kan alleen 12 cm cd's, CD-DA (audio-cd's) of ISO data-CD (MP3) afspelen.
- Als een UDF data-CD of bijvoorbeeld een dvd wordt geplaatst, verschijnt er een foutmelding ("Reading Error") en wordt de disc uitgeworpen.

OPMERKING
Plaats geen cd als het controlelampje cd brandt.
12.Toets LOADE
(Cd-wisselaar : PA760)
Druk op de toets LOAD: CD's in de beschikbare sleuf (1 - 6) te plaatsen. Druk gedurende ten minste 2 seconden op de toets LOAD: CD's in de beschikbare sleuf te plaatsen. De laatstgeplaatste CD zal worden afgespeeld. Wanneer de CD-speler 10 seconden niet wordt gebruikt, wordt het laden onderbroken.
AANWIJZING:
Volgorde waarin bestanden (mappen) worden afgespeeld:
- Volgorde waarin muziekstukken worden afgespeeld: ④ ⑭ opeenvolgend.
![graph TD Root["Root"] --> FFolderA["Folder A"] FFolderA --> FFolderAA["Folder AA"] FFolderAA --> 5["5"] FFolderAA --> 6["6"] FFolderAA --> 7["7"] FFolderAB["Folder AB"] FFolderAB --> FFolderASA["Folder ASA"] FFolderAB --> 8["8"] FFolderAB --> 9["9"] FFolderAB --> 10["10"] FFolderB["Folder B"] FFolde…](/content/2026/05/1111633/images/4ff555a310898699807fce71c87d527eb77e7812dec52c205b666f72e19ea82a.jpg)
- Volgorde waarin mappen worden afgespeeld:
* Als er geen muziekbestanden in de map staan, wordt die map niet weergegeven.
![graph LR A["Root"] --> B["Folder A"] B --> C["Folder AA"] C --> D["Folder ABA"] E["Folder ASB"] --> F["Folder BA"] F --> G["Folder BB"]](/content/2026/05/1111633/images/9a48b4d5bc37aa95d101fd11d68a5319b1201c6ae3cbceec0400730319015e5e.jpg)
OPMERKING BIJ GEBRUIK USB-APPARAAT
- Zorg, om een USB-apparaat te gebruiken, dat het apparaat niet is aangesloten wanneer de motor wordt gestart. Sluit het apparaat aan nadat de motor is gestart.
- Als u de motor start terwijl het USB-apparaat is aangesloten, kan het apparaat beschadigd raken. (USB-flashdrives zijn zeer gevoelig voor statische elektriciteit.)
- Als de motor wordt gestart of afgezet terwijl het externe USB-apparaat is aangesloten, werkt het apparaat mogelijk niet.
- Niet-originele MP3- of WMA-bestanden worden mogelijk niet afgespeeld.
1) Er kunnen alleen MP3-bestanden met een compressiesnelheid tussen 8 Kbps en 320 Kbps worden afgespeeld.
2) Er kunnen alleen WMA-muziekbestanden met een compressiesnelheid tussen 8 Kbps en 320 Kbps worden afgespeeld.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Voorkom statische elektriciteit bij het aansluiten of losnemen van het externe USB-apparaat.
- Een gecodeerde MP3-speler wordt niet herkend.
- Afhankelijk van het type extern USB-apparaat, wordt het apparaat mogelijk niet herkend.
- Wanneer de geformatteerde byte/sector-instelling van het externe USB-apparaat niet 512 byte of 2048 byte is, zal het apparaat niet worden herkend.
- Het USB-apparaat mag uitsluitend geformatteerd zijn volgens FAT 12/16/32.
- USB-apparaten zonder USB I/F autorisatie worden mogelijk niet herkend.
- Steek geen lichaamsdelen of externe voorwerpen in de USB-aansluiting.
- Als u het USB-apparaat in korte tijd herhaaldelijk aansluit en weer losneemt, kan het apparaat defect raken.
- U hoort mogelijk een vreemd geluid bij het aansluiten of losnemen van het USB-apparaat.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Als u het externe USB-apparaat tijdens het afspelen losneemt, kan het apparaat beschadigd raken of niet goed meer werken. Neem daarom het externe USB-apparaat los wanneer de motor is afgezet of wanneer het audiosysteem in een andere weergave staat. (bijvoorbeeld radio of cd)
- Afhankelijk van het type en de capaciteit van het externe USB-apparaat of het bestandstype dat in het apparaat is opgeslagen, kan de benodigde tijd voor het herkennen van het apparaat variëren.
- Gebruik het USB-apparaat niet voor andere doeleinden dan het afspelen van muziekbestanden.
- Het gebruik van USB-toebehoren als een lader of een verwarming die gebruikmaken van USB I/F kan de prestaties negatief beïnvloeden of storingen veroorzaken.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Als u een apart aangeschaft apparaat als bijvoorbeeld een USB-hub gebruikt, zal het audiosysteem het apparaat mogelijk niet herkennen. Sluit het USB-apparaat rechtstreeks aan op de multimedia-aansluiting van de auto.
- Als het USB-apparaat is ingedeeld in logical drives, worden alleen de nummers op de drive met de hoogste prioriteit herkend door het audiosysteem van de auto.
- Apparaten zoals een MP3-speler, mobiele telefoon en digitale camera die niet door een standaard USB I/F worden herkend, worden mogelijk niet herkend.
- Niet-standaard USB-apparaten (METAL COVER TYPE USB) worden mogelijk niet herkend.
- USB flash memory-lezers (zoals CF, SD, microSD, enz.) of externe HDD-apparaten worden mogelijk niet herkend.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Muziekbestanden die worden beschermd door DRM (DIGITAL RIGHTS MANAGEMENT) worden niet herkend.
- De gegevens in het USB-geheugen gaan mogelijk verloren bij het gebruik van dit audiosysteem. Het is aan te bevelen belangrijke gegevens in een extern geheugen op te slaan.
- Maak geen gebruik van USB-sticks die als sleutelhanger of accessoire voor mobiele telefoons kunnen worden gebruikt, aangezien ze het USB-systeem kunnen beschadigen. Zorg dat u alleen producten gebruikt met een stekkerverbinding zoals hieronder weergegeven.


Gebruik van een USB-apparaat
1. Toets CD/AUX AUX)
Als er een extern apparaat is aangesloten, wordt hiermee de AUX- of USB-modus ingeschakeld en wordt het geluid van dat apparaat afgespeeld.
Als er geen extern apparaat is aangesloten, wordt gedurende 3 seconden het bericht "No Media" weergegeven op het LCD en keert het systeem terug naar de vorige modus.
2.Toets 1 (RANDOM)
- Druk deze toets korter dan 0,8 seconden in om de muziekstukken in de huidige map in willekeurige volgorde af te spelen.
- Druk deze toets ten minste 0,8 seconden in om de muziekstukken op het USB-apparaat in willekeurige volgorde af te spelen.
- Druk nogmaals op deze toets om de functie RANDOM uit te schakelen.
3.Toets 2 (REPEAT)
- Druk deze toets korter dan 0,8 seconden in om het huidige nummer opnieuw af te spelen.
- Druk deze toets ten minste 0,8 seconden in om alle muziekstukken in de huidige map opnieuw af te spelen.
- Druk nogmaals op deze toets om de functie REPEAT uit te schakelen.
4.Toets TRACK
• Druk de toets √ TRACKn
0,8 seconden in om het afspelen vanaf het begin van het huidige nummer te starten.
Druk de toets korter dan 0,8 seconden in en druk de toets binnen 1 seconde opnieuw in om het vorige nummer af te spelen.
Druk de toets ten minste 0,8 seconden in om versneld terug te zoeken binnen het nummer.
• Druk de toets | TRACKA0,8
seconden in om naar het volgende nummer te gaan. Druk de toets ten minste 0,8 seconden in om versneld vooruit te zoeken binnen het nummer.

5.Toets SCAN
Hiermee worden de eerste 10 seconden van ieder nummer op het USB-apparaat afgespeeld. Druk opnieuw op de toets om de scanfunctie te annuleren.
6.Toets FOLDER
- Druk op de toets 🚫 FOLDER de submap van de huidige map te gaan en het eerste nummer in de map weer te geven.
Druk op de knop TUNE 1ar de weergegeven map te gaan. Het eerste nummer in de map zal worden afgespeeld.
- Druk op de toets FOLDER^ de hoofdmap te gaan en het eerste nummer in de map weer te geven. Druk op de knop TUNE tar de weergegeven map te gaan.

7.Toets INFO
Toont de informatie van het bestand dat momenteel wordt afgespeeld in de volgorde FILE NAME → TITLE → ARTIST → ALBUM → FOLDER → TOTAL FILE → NORMAL DISPLAY → FILE NAME... (toont geen informatie als het bestand geen nummergegevens heeft.)
8.

ENTER
toets
- Draai deze knop rechtsom om door de muziekstukken na het huidige muziekstuk te bladeren, of linksom om door de muziekstukken vóór het huidige muziekstuk te bladeren. Druk op de knop om het weergegeven muziekstuk af te spelen.
- Wanneer u op de knop drukt zonder eraan te draaien, komt u in de modus AUDIO CONTROL.
* AANWIJZING VOOR GEBRUIK VAN iPod
- Sommige iPod-modellen ondersteunen het communicatieprotocol mogelijk niet en de bestanden zullen niet worden afgespeeld.
Ondersteunde iPod-modellen: - iPod Mini
- iPod 4e (Photo) - 6e (Classic) generatie
- iPod Nano 1e - 4e generatie
- iPod Touch 1e - 2e generatie
- De zoek- of afspeelvolgorde van nummers in de iPod kan verschillen van de volgorde in het audiosysteem.
- Reset de iPod als deze uit zichzelf is vastgelopen. (Resetten: raadpleeg de gebruiksaanwijzing van de iPod.)
- Bij een bijna lege batterij werkt de iPod mogelijk niet goed.
- Sommige iPod-apparaten, zoals de iPhone, kunnen niet via de Bluetooth-interface worden verbonden. Het apparaat moet een Bluetooth-audiofunctie hebben (zoals voor Bluetooth-stereokoptelefoon). Het apparaat kan worden afgespeeld, maar niet via het audiosysteem worden bediend.
OPMERKING BIJ GEBRUIK VAN iPod
- Sluit de iPod aan met het iPodvoedingskabeltje van Kia om hem via de audiotoetsen van het audiosysteem te kunnen bedienen. De USB-kabel van Apple kan storingen veroorzaken en dient niet te worden gebruikt in een Kia.
* Een iPod-voedingskabeltje van Kia is verkrijgbaar bij uw Kia-dealer. - Steek de stekker van het iPod-voedingskabeltje bij het aansluiten van de iPod volledig in de multimedia-aansluiting. Als u dat niet doet, wordt de communicatie tussen de iPod en het audiosysteem mogelijk onderbroken.
- Wanneer u de geluidseffecten van de iPod en het audiosysteem aanpast, zullen de effecten van beide apparaten elkaar overlappen en kan de geluidskwaliteit afnemen of verstoord raken.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Schakel de equalizerfunctie van de iPod uit wanneer u de geluidssterkte van het audiosysteem aanpast en zet de equalizer van het audiosysteem uit wanneer u die van de iPod gebruikt.
- Wanneer alleen het iPod-kabeltje is aangesloten, kan het systeem in de stand AUX worden gezet en ruis veroorzaken. Neem het iPod-kabeltje los wanneer u de iPod niet langer gebruikt.
- Haal het iPod-kabeltje los van de iPod wanneer u de iPod niet met het audiosysteem van de auto gebruikt. Als u dit niet doet, blijft de iPod mogelijk in de accessoire-modus en werkt mogelijk niet goed.

Gebruik van iPod®
*iPod® is een handelsmerk van Apple Inc.
1. Toets CD/AUX (iPod)
Als er een iPod wordt aangesloten, wordt overgeschakeld van de vorige modus naar de iPod-modus om de muziekbestanden die op de iPod staan af te spelen.
Als er geen iPod is aangesloten, wordt gedurende 3 seconden het bericht "No Media" weergegeven en keert het systeem terug naar de vorige modus.
2.Toets 1 (RANDOM)
- Druk deze toets korter dan 0,8 seconden in om het huidige nummer opnieuw af te spelen. (Willekeurig muziekstuk)
- Druk deze toets ten minste 0,8 seconden in om alle muziekstukken in de huidige map opnieuw af te spelen. (Willekeurig album)
- Druk nogmaals op deze toets om de functie REPEAT uit te schakelen.
3.Toets 2 (REPEAT)
Hiermee wordt het nummer opnieuw afgespeeld.
4.Toets TRACK
- Druk de toets | TRACK,8
seconden in om het afspelen vanaf het
begin van het huidige nummer te
starten.
Druk de toets korter dan 0,8 seconden in en druk de toets binnen 1 seconde opnieuw in om het vorige nummer af te spelen.
Druk de toets ten minste 0,8 seconden in om versneld terug te zoeken binnen het nummer. - Druk de toets TRACK/n
0,8 seconden in om naar het volgende
nummer te gaan.
Druk de toets ten minste 0,8 seconden in om versneld vooruit te zoeken binnen het nummer.

5.Toets SCAN
Hiermee worden de eerste 10 seconden van ieder nummer op het USB-apparaat afgespeeld.
Druk nogmaals op deze toets om de functie SCAN uit te schakelen.
6.Toets 6 (MENU)
Hiermee gaat het systeem naar de categorie boven de categorie die wordt afgespeeld op de iPod.
Druk op de knop TUNE/ENTER om naar de weergegeven categorie te gaan (het nummer af te spelen).
U kunt een categorie lager dan de gekozen categorie doorzoeken.
De standaardvolgorde van de iPod- categorie is SONG (muziekstuk) → ALBUMS (albums) → ARTISTS (artiesten) → GENRES (genres) → iPod.

7.Toets INFO
Toont de informatie van het bestand dat momenteel wordt gespeeld in de volgorde TITLE → ARTIST → ALBUM → NORMAL DISPLAY → TITLE → ... (toont geen informatie als het bestand geen nummerinformatie heeft.)
8.

ENTER
Wanneer u de knop rechtsom draait, worden de nummers (categorieën) na het nummer dat wordt afgespeeld (categorie op hetzelfde niveau) weergegeven.
Wanneer u de knop linksom draait, worden de nummers (categorieën) vóór het nummer dat wordt afgespeeld (categorie op hetzelfde niveau) weergegeven.
Druk op de toets om het geselecteerde nummer af te spelen dat is weergegeven in de nummercategorie.
Door op deze knop te drukken, verandert de modus BASS, MIDDLE, TREBLE, FADER en BALANCE TUNE. De geselecteerde modus wordt op het display weergegeven. Draai de audicknop rechtsom of linksom na het selecteren van elke modus.
toets
OPMERKING BIJ HET GEBRUIK VAN EEN BLUETOOTH®-TELEFOON
- Gebruik uw mobiele telefoon niet tijdens het rijden en pas de Bluetooth®-instellingen niet tijdens het rijden aan (bijvoorbeeld koppelen van een telefoon).
- Sommige Bluetooth®-telefoons worden mogelijkkerwijs niet door het systeem herkend of zijn niet volledig compatibel met het systeem.
- Raadpleeg alvorens Bluetooth®-functies van het audiosysteem te gebruiken de handleiding van uw telefoon voor wat betreft de werking van de Bluetooth®-functies van de telefoon.
- De telefoon moet met het audiosysteem zijn gekoppeld voordat de Bluetooth®-functies gebruikt kunnen worden.
(Vervolg)
(Vervolg)
- De handsfree-functies zijn niet beschikbaar als uw telefoon (in de auto) buiten het bereik van een telefoonnetwerk is (bijvoorbeeld in tunnels of in bergachtig gebied).
- Als het telefoonsignaal zwak is of als het te rumoerig in het interieur van de auto is, kan de gesprekspartner moeilijk te verstaan zijn.
- Leg de telefoon niet in de buurt van of in metalen voorwerpen. In dat geval kan de communicatie met het Bluetooth®-systeem of de telefoonontvangst gestoord worden.
- Als uw telefoon via Bluetooth® verbonden is, kan de batterij sneller ontladen raken vanwege het uitvoeren van extra Bluetooth®-functies.
- Sommige mobiele telefoons of andere apparatuur kunnen storingen veroorzaken in het audiosysteem. Door in dat geval de apparatuur op een andere plaats op te bergen, kan de storing verholpen worden.
WERKING BLUETOOTH®-TELEFOON (indien van toepassing)

- Toetsen VOLUME en of verlagen van het geluidsvolume.
- MUTE breken van de werking van de microfoon tijdens een gesprek
- Toets CALL veren van de spraakherkenning.
- Toets END ekken voeren en doorverbinden.
- Toets TALK ek beëindigen of functies uitschakelen.
■ Bluetooth®, wat is dat eigenlijk?
Bluetooth® is een techniek waarbij meerdere apparaten (zoals handsfree-sets, stereoheadsets, afstandsbediening op het stuurwiel) draadloos over een korte afstand met elkaar verbonden kunnen worden. Surf voor meer informatie naar de Bluetooth®-website www.Bluetooth.com
■ Algemene kenmerken
- Dit audiosysteem ondersteunt Bluetooth®handsfree sets en stereoheadsets.
- HANDSFREE-functie: Draadloos bellen en gebeld worden door middel van spraakherkenning.
- STEREOHEADSET-functie: Draad-loos afspelen van muziekbestanden die op een mobiele telefoon zijn opgeslagen (indien A2DP-compatibel).
- De spraakherkenningsfunctie van het Bluetooth®-systeem ondersteunt 10 talen:
° FRANS
- DUITS
- ENGELS (BRITS-ENGELS)
○ SPAANS
- NEDERLANDS
- ITALIAANS
DEENS
- RUSSISCH
- POOLS
○ ZWEEDS
* AANWIJZING
- De telefoon moet met het systeem zijn gekoppeld voordat de Bluetooth®-functies gebruikt kunnen worden.
- Er kan slechts één (gekoppelde) mobiele telefoon tegelijkertijd worden gebruikt.
- Sommige telefoons zijn niet volledig compatibel met dit systeem.
- Het woord Bluetooth® en het Bluetooth®-merk en -logo zijn geregistreerde handelsmerken van Bluetooth® SIG, Inc. en elk gebruik hiervan door Kia is toegestaan onder licentie. Een mobiele telefoon met Bluetooth-ondersteuning is noodzakelijk om gebruik te maken van draadloze Bluetooth®-techniek.
■Taalinstelling Bluetooth®
De taal van het systeem kan als volgt worden gewijzigd:
- Schakel het audiosysteem in en zorg ervoor dat het geluid hoorbaar is.
- Houd de toets het stuurwiel ingedrukt totdat "Please Wait" wordt weergegeven op het audiosysteem.
- Het Bluetooth®-systeem laat in de geselecteerde taal weten dat de volgende taal wordt geselecteerd.
- Het systeem kan in de volgende talen worden weergegeven: FRANS/DUITS/ENGELS (BRITS)/SPAANS/NEDERLANDS/ITALIAANS/DEENS/RUSSIS CH/POOLS/ZWEEDS.
- Vervolgens keert het audiosysteem terug naar de normale weergave.
- Herhaal stappen 2 en 3 om de taal opnieuw in te stellen.
AANWIJZING:
Wanneer de taal van het systeem is gewijzigd, moet de telefoon opnieuw worden geregistreerd.
- Laat uw duim of vingers niet op de toets 60 ten, omdat anders de taal mogelijk onbedoeld wordt gewijzigd.
■Activeren spraakherkenning
- De spraakherkenningsfunctie van het Bluetooth®-systeem kan in de volgende omstandigheden geactiveerd worden:
- Toets voor activeren
Het spraakherkenningssysteem wordt ingeschakeld als de toets wordt ingedrukt en na het klinken van een pieptoon.
- Actief Luisteren
Het spraakherkenningssysteem wordt ingeschakeld gedurende een bepaalde periode nadat het spraakherkenningssysteem om een antwoord heeft gevraagd.
- Het systeem kan getallen van nul tot en met negen herkennen. Getallen boven de negen worden niet herkend.
-
Als de opdracht niet wordt herkend, geeft het systeem de melding "Pardon" of "No input voice signal from microphone". (Geen antwoord)
-
Het systeem zal de spraakherkenning in de volgende gevallen annuleren: Wanneer op de toets wordt gedrukt en na de pieptoon "Cancel" wordt gezegd. Wanneer er geen telefoongesprek wordt gestart en op de toets wordt gedrukt. Wanneer de spraakherkenning drie keer achtereenvolgens mislukt.
- Wanneer u "help" zegt, zal het systeem bekendmaken welke functies beschikbaar zijn.
■Boomstructuur menu
De boomstructuur van het menu geeft de beschikbare Bluetooth® spraak- herkenningsfuncties weer.

■Tips voor spraakbediening
Houd rekening met het volgende om het beste resultaat uit het spraakherkenningssysteem te halen:
- Zorg ervoor dat het zo stil mogelijk is in de auto. Sluit de ruiten om omgevingsgeluiden (verkeer, trillingsgeluiden, enz.) die de spraakherkenning kunnen verstoren tot een minimum te beperken.
- Spreek uw opdracht binnen 5 seconden na de pieptoon uit. Anders kan de opdracht niet goed worden ontvangen.
- Spreek op een normale manier zonder pauzes tussen de woorden te laten vallen.
■Informatiedisplay



Het Bluetooth®-icon verschijnt boven in het audiodisplay als een telefoon is aangesloten.
Telefoon instellen
Alle Bluetooth®-functies kunnen worden bediend door middel van spraakherkenning of handmatige bediening.
- Spraakherkenning:
Druk op de toets ☐ het stuurwiel om de spraakherkenning te activeren.

- Handmatige bediening:
1) Druk op de knop TUNE om SETUP op te starten.
2) Selecteer "PHONE" door aan de knop TUNE te draaien en er vervolgens op te drukken.

3) Selecteer het gewenste item door aan de knop TUNE te draaien en er vervolgens op de drukken.

Alvorens de Bluetooth®-functies te gebruiken, moet eerst de telefoon worden gekoppeld (geregistreerd) aan het audiosysteem. Er kunnen maximaal 5 telefoons aan het systeem worden gekoppeld.
AANWIJZING:
De koppelprocedure van de telefoon verschilt per model telefoon. Raadpleeg eerst de gebruiksaanwijzing van uw telefoon voor het koppelen van de telefoon.
AANWIJZING:
Als het koppelen van de telefoon is voltooid, hoeft deze telefoon niet opnieuw te worden gekoppeld, tenzij de telefoon handmatig uit het audiosysteem is verwijderd (raadpleeg "Telefoon verwijderen") of de informatie van de auto uit de telefoon is verwijderd.
- Druk op de toets
2.Zeg "Set Up".
- Het systeem antwoordt met de beschikbare commando's.
- Druk opnieuw op om de informatiemelding over te slaan. Er klinkt een pieptoon.
3.Zeg "Pair Phone"
4.Ga door met de volgende stap.
5.Zeg de naam van uw telefoon als u daartoe wordt verzocht.
- Kies een naam naar wens om uw telefoon mee te onderscheiden.
- Gebruik de volledige naam voor een spraaklabel.
- Gebruik geen verkorte naam o.i.d. voor spraakherkenning.
- Het Bluetooth®-systeem zal de door u genoemde naam herhalen.
7.Zeg "Yes" om te bevestigen.
-
Het audiosysteem geeft "searching ---- passkey: 0000" weer en vraagt u om de koppelprocedure vanaf de telefoon te starten.
-
Zoek het Bluetooth®-systeem op uw telefoon. Uw telefoon dient [vehicle model name] weer te geven in de lijst met Bluetooth®-apparatuur. Probeer vervolgens uw telefoon te koppelen.
-
Nadat het koppelen is voltooid, start uw telefoon met het overzetten van de telefoon/contactenlijst naar het audiosysteem.
- Dit proces kan enkele minuten tot meer dan 10 minuten in beslag nemen, afhankelijk van het type telefoon en het aantal contacten in de lijst.
- Selecteer "PAIR" in het menu PHONE. Ga vervolgens verder vanaf stap 5.

- De Bluetooth® handsfree-functie werkt wellicht nog niet volledig tot "Transfer Complete" op het display van het audiosysteem wordt weergegeven.
- Afhankelijk van het merk en type telefoon wordt de contactenlijst uit het telefoonboek mogelijk niet naar het audiosysteem overgezet.
AANWIJZING:
Als de telefoon op twee of meer auto's van hetzelfde model is gekoppeld, d.w.z. beide auto's zijn een KIA SPORTAGE, kunnen sommige telefoons mogelijk niet goed met de naam van de Bluetooth®-apparatuur omgaan. In dit geval moet u de naam die wordt weergegeven op uw telefoon wijzigen in bijvoorbeeld Sportage1 en Sportage2.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van uw telefoon of neem contact op met uw telefoonmaatschappij of telefoon-fabrikant voor aanwijzingen.
• Telefoon aansluiten
Als het Bluetooth®-systeem is ingeschakeld, wordt de eerder gebruikte telefoon automatisch geselecteerd en aangesloten. Indien u een andere, reeds eerder gekoppelde telefoon, wilt selecteren, dan kan dat via het menu "Select Phone".
Alleen de geselecteerde telefoon kan worden gebruikt met het handsfree-systeem.
- Druk op de toets
2.Zeg "Set Up".
3.Zeg "Select Phone" als u daartoe wordt verzocht. - Het systeem geeft een lijst weer van alle geregistreerde telefoonnamen.
4.Zeg de naam of het nummer van de gewenste telefoon uit de lijst.
5.Zeg "Yes" om te bevestigen. - Handmatige bediening:
- Selecteer "SELECT" in het menu PHONE, selecteer vervolgens de gewenste telefoon uit de lijst.

- Telefoon verwijderen
De gekoppelde telefoon kan worden verwijderd.
- Bij het verwijderen van de telefoon wordt tevens alle aan de telefoon gerelateerde informatie verwijderd (inclusief telefoonboek).
-
Als u de verwijderde telefoon weer met het audiosysteem wilt gebruiken, dan moet u de koppelprocedure opnieuw voltooien.
-
Druk op de toets
2.Zeg "Set Up".
3.Zeg "Delete Phone" als u daartoe wordt verzocht.
- Het systeem geeft een lijst weer van alle geregistreerde telefoonnamen.
4.Zeg de naam of het nummer van de gewenste telefoon uit de lijst.
5.Zeg "Yes" om te bevestigen.
6. Handmatige bediening:
- Selecteer "DELETE" in het menu PHONE, selecteer vervolgens de gewenste telefoon uit de lijst.

• Prioriteit veranderen
Als verschillende telefoons aan het audiosysteem zijn gekoppeld, probeert het systeem om de volgende aansluitvolgorde aan te houden als het Bluetooth®-systeem wordt geactiveerd:
1) Telefoon met prioriteit.
2) Eerder aangesloten telefoon
3) Annuleren automatisch aansluiten.
- Druk op de toets
2.Zeg "Set Up".
3.Zeg "Change Priority" als u daartoe wordt verzocht.
- Het systeem geeft een lijst weer van alle geregistreerde telefoonnamen.
4.Zeg de naam of het nummer van de gewenste telefoon uit de lijst.
5.Zeg "Yes" om te bevestigen.
6. Handmatige bediening:
- Selecteer "PRIORITY" in het menu PHONE, selecteer vervolgens de gewenste telefoon uit de lijst.

- BT SETUP
- Bluetooth® volume instellen. Het volume van het Bluetooth®-systeem kan afzonderlijk van het hoofdvolume van het audiosysteem worden ingesteld. Het volume kan uitsluitend handmatig worden geregeld.

- Selecteer "BT Vol" in het menu PHONE, stel het volume in op het gewenste niveau door aan de knop TUNE te draaien en druk vervolgens nogmaals op de knop om te bevestigen.
- Instellen Bluetooth® taal
Selecteer "BT Voice Recognition Language" in het menu PHONE, stel de gewenste taal in door aan de knop TUNE te draaien en druk vervolgens nogmaals op de knop om te bevestigen.
- Ondersteunde talen:
Frans/Duits/Engels(Brits)/Spaans/Nederlands/Italiaans/Deens/Russisch/Pools/Zweeds.

AANWIJZING:
De telefoon moet nogmaals worden gekoppeld nadat de taal is gewijzigd.
- Laat uw duim of vinger niet op de spraaktoets rusten, omdat de taal per ongeluk gewijzigd zou kunnen worden.
- Bluetooth® ON/OFF schakelen
Het Bluetooth®-systeem kan worden ingeschakeld (ON) of uitgeschakeld (OFF) via dit menu.
- Als Bluetooth ® is uitgeschakeld, worden alle functies met betrekking tot het Bluetooth ® -systeem opgeroepen of u Bluetooth ® inschakelt of niet.
- Druk op de toets
2.Zeg "Set Up".
3.Zeg "Bluetooth Off" als u daartoe wordt verzocht.
4.Zeg "Yes" om te bevestigen.
- Selecteer "BT Off" in het menu PHONE en zeg na de melding "YES" om te bevestigen.

■Telefoonboek (in auto)
- Item toevoegen
Telefoonnummers en spraaklabels kunnen worden geregistreerd. In de telefoon geregistreerde items kunnen ook worden overgezet.
- Item toevoegen via spraakherkenning
-
Druk op de toets
2.Zeg "Phonebook". -
Het systeem antwoordt met alle beschikbare functies.
- Druk opnieuw op om de informatiemelding over te slaan. Er klinkt een pieptoon.
3.Zeg "Add Entry".
4.Zeg "By Voice" om verder te gaan.
5.Zeg de naam van het item als u daartoe verzocht wordt.
6.Zeg "Yes" om te bevestigen.
7.Zeg het telefoonnummer van het item als u daartoe verzocht wordt.
8.Zeg "Store" als het invoeren van het telefoonnummer is voltooid.
9. Noem een type telefoonnummer. "Home", "Work", "Mobile", "Other" of "Default" zijn beschikbaar.
10. Zeg "Yes" om het toevoegen van een item te voltooien.
- Zeg "Yes" om een extra locatie voor dit contact toe te voegen of zeg "Cancel" om het proces te beeindigen.
*AANWIJZING
- Het systeem kan getallen van nul tot negen herkennen. Getallen boven de negen kunnen niet worden herkend.
- Ieder getal kan afzonderlijk of in groepjes worden ingevoerd.
- Om de invoersnelheid te versnellen is het handig om alle getallen in een onafgebroken reeks te groeperen.
- We raden u aan de te bellen nummers als volgt te groeperen: 995/734/0000
-
De bijbehorende weergave verschijnt als volgt op het scherm: Invoervoorbeeld:
-
Zeg: "Nine, nine, five" → Display: "995"
- En zeg: "Seven, three, four" → Zeg: "995734"
- Item toevoegen via telefoon
- Druk op de toets
2.Zeg "Phonebook". - Zeg "Add Entry" als u daartoe wordt verzocht.
- Zeg "By Phone" om verder te gaan.
- Zeg "Yes" om te bevestigen.
- Uw telefoon start met het overzetten van de telefoon/contactenlijst naar het audiosysteem.
Dit proces kan meer dan 10 minuten in beslag nemen, afhankelijk van het model telefoon en het aantal items.
- Wacht tot het audiosysteem de melding "Transfer Complete" weergeeft.
- Naam wijzigen
De geregistreerde namen kunnen worden gewijzigd.
- Druk op de toets
2.Zeg "Phonebook".
3.Zeg "Change Name" als u daartoe wordt verzocht.
4.Zeg de naam van het item (spraaklabel).
5.Zeg "Yes" om te bevestigen.
6.SZeg de gewenste naam.
- Naam verwijderen
De geregistreerde namen kunnen worden verwijderd.
- Druk op de toets
2.Zeg "Phonebook". - Zeg "Delete Name" als u daartoe wordt verzocht.
- Zeg de naam van het item (spraaklabel).
5.Zeg "Yes" om te bevestigen.
Bellen
- Telefoongesprek starten met een naam
Door een in het audiosysteem geregistreerde naam uit te spreken kan er een telefoongesprek worden gestart.
- Druk op de toets
- Zeg "Call".
- Zeg "Name" als u daartoe wordt verzocht.
- Zeg de gewenste naam (spraaklabel).
- Noem een gewenste locatie (type telefoonnummer). Alleen opgeslagen locaties kunnen worden geselecteerd.
- Zeg "Yes" om te bevestigen en het telefoongesprek te starten.
*Tip
Er is een snelle manier voor elk van de volgende functies beschikbaar:
- Telefoongesprek starten met een nummer
U kunt een telefoongesprek starten door het telefoonnummer uit te spreken. Het systeem kan getallen van nul tot negen herkennen.
- Druk op de toets
- Zeg "Call".
3.Zeg "Name" als u daartoe wordt verzocht.
4.Zeg het gewenste telefoonnummer.
5.Zeg "Dial" om te bevestigen en het telefoongesprek te starten.
*Tip
Er is een snelle manier voor elk van de volgende functies beschikbaar:
Telefoongesprek ontvangen
Zodra u een telefoongesprek ontvangt, is er een beltoon hoorbaar uit de luidsprekers en gaat het audiosysteem over naar de telefoonstand.
Als u een telefoongesprek ontvangt, wordt de melding "Incoming call" in combinatie met het telefoonnummer van de ontvangen oproep (indien mogelijk) weergegeven op het audiosysteem.
- Om een oproep te beantwoorden:
- Druk op de toets 📄 net stuurwiel.
- Om een oproep te weigeren:
- Druk op de toets op het stuurwiel.
- Om het volume van de beltoon in te stellen:
- Gebruik de VOLUME-toetsen op het stuurwiel.
- Om een gesprek door te schakelen naar de telefoon (geheime oproep):
- Houd de toets 📄 het stuurwiel ingedrukt tot het audiosysteem het gesprek doorschakelt naar de telefoon.
Telefoongesprek voeren
Wanneer u een telefoongesprek voert, wordt de melding "Active Calls" in combinatie met het telefoonnummer van uw gesprekspartner (indien mogelijk) weergegeven op het audiosysteem.
- Om de microfoon uit te schakelen
- Druk op de toets MUTE et stuurwiel.
- Om een telefoongesprek te beëindigen:
- Druk op de toets net stuurwiel.
*AANWIJZING
In de volgende situaties kunnen u en uw gesprekspartner moeite hebben om elkaar te verstaan:
- Als er tegelijkertijd wordt gesproken, bereikt uw stem uw gesprekspartner mogelijk niet. (Dit duidt niet op een storing.) Spreek beurtelings met de andere partij aan de telefoon.
- Houd het Bluetooth® volume op een laag niveau. Een hoog volume kan leiden tot vervorming en echo.
- Tijdens het rijden op een slechte weg.
- Tijdens het rijden met hoge snelheden.
- Als er ruiten zijn geopend.
- Als de uitstroomopeningen van de airconditioning op de microfoon gericht zijn.
- Als het geluid van de aanjager te luid is.
■Muziek streamen met Bluetooth®-audio
Het audiosysteem ondersteunt de Bluetooth®-A2DP (Audio Advanced Distribution Profile) en -AVRCP (Audio Video Remote Control Profile)-technologieën.
Beide profielen ondersteunen het streamen van muziek via compatibele gekoppelde Bluetooth®-mobiele telefoons.
Speel, om muziek vanaf de Bluetooth®-mobiele telefoon te streamen, uw muziekbestanden af op uw mobiele telefoon volgens de handleiding van de telefoon en druk op de toets CD/AUX het audiosysteem totdat "MP3 play" wordt weergegeven op het LCD.
Op het audiosysteem wordt MP3 MODE weergegeven.
AANWIJZING:
- Naast het streamen van MP3-bestanden, kunnen ook alle door uw mobiele telefoon ondersteunde muziek- en geluidsbestanden via het audiosysteem worden afgespeeld.
- Mobiele telefoons die Bluetooth® compatibel zijn, moeten over A2DP en AVRCP-mogelijkheden beschikken.
- Sommige Bluetooth®etlobiele telefoons die compatibel zijn met A2DP en AVRCP kunnen mogelijk eerst geen muziek afspelen via het audiosysteem. Bij deze telefoons moet de Bluetooth®-streaming-functionaliteit mogelijk eerst worden inschakeld, bijvoorbeeld; i.e.: Menu → Filemanager → Music → Option → Play via Bluetooth
- Raadpleeg de handleiding van uw mobiele telefoon voor meer informatie. Stop, om het streamen van muziek vanaf de Bluetooth®-mobiele telefoon te annuleren, het afspelen van muziek op de mobiele telefoon of zet de audiomodus in de stand AM/FM, CD, iPod, enz.
■Toetsenmatrix
| Nr. | TOETS | Klasse | ||||||||
| Gekoppeld Leeg | Niet aangesloten | Aangesloten | Binnenkomend gesprek | Uitgaand gesprek | Actief gesprek | 2e gesprek | ||||
| Gewone modus | BT SETUP menu | |||||||||
| 1 | [H77] | KORT | Niet gekoppeld | Maakt geen verbinding | - | - | Oproep aannemen | - | 2e gesprek 1e gesprek: in wacht 2e gesprek: actief | 2e gesprek 2e gesprek: in wacht 1e gesprek: actief |
| LANG | - | - | - | - | - | - | Oproep doorschakelen: geheime oproep | |||
| 2 | [2202] | KORT | VR-MODUS annuleren | VR-MODUS annuleren | VR-MODUS annuleren | VR-MODUS annuleren | Oproep weigeren | Gesprek beëindigen | Gesprek beëindigen | Gesprek beëindigen |
| LANG [10 s] | - | - | Weergave stem spreker aanpassen (alleen Engels) | Weergave stem spreker aanpassen (alleen Engels) | - | - | - | - | ||
| 3 | [ZWZH] | KORT | Actief | Actief | Actief | Actief | - | - | - | - |
| LANG [10 s] | Taal wijzigen | Taal wijzigen | Taal wijzigen | Taal wijzigen | - | - | - | - | ||
Vóór het rijden / 5-3
Standen contactslot / 5-4
Toets ENGINE START/STOP / 5-8
Vierwielaandrijving (4WD) / 5-28
Remsysteem / 5-36
Cruise control-systeem / 5-49
Actief ECO-systeem / 5-53
Brandstofbesparing / 5-54
Rijden met uw auto
Rijden onder speciale rijomstandigheden / 5-56
Rijden in de winter / 5-61
Rijden met een aanhanger / 5-65
Massa van de auto / 5-75
Uitlaatgassen kunnen bijzonder gevaarlijk zijn. Draai onmiddellijk de ruiten open als u in de auto uitlaatgas ruikt.
- Inhaleer uitlaatgassen niet.
Uitlaatgassen bevatten koolmonoxide, een kleurloos en reukloos gas dat bewusteloosheid en dood door verstikking kan veroorzaken.
- Controleer of het uitlaatsysteem niet lekt.
Het uitlaatsysteem moet elke keer dat de auto op de brug staat voor olieverversen of voor andere reparaties worden gecontroleerd. Laat uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer als u merkt dat het geluid van de uitlaat verandert of als u over iets heen gereden bent dat de onderzijde van de auto heeft geraakt.
- Laat de motor niet draaien in een afgesloten ruimte.
Het is gevaarlijk de motor van uw auto in de garage te laten draaien, ook al staat de garagedeur open. Laat de motor niet langer draaien in uw garage dan de tijd die u na het starten nodig heeft om de garage uit te rijden.
- Voorkom langdurig stationair draaien als er mensen in de auto zitten.
Als het noodzakelijk is de auto gedurende langere tijd stationair te laten draaien terwijl er mensen in de auto aanwezig zijn, doe dat dan alleen in een open ruimte, zet de luchttoevoer op BUITENLUCHT en schakel een van de hogere ventilatorsnelheden in zodat er frisse lucht naar het interieur wordt toegevoerd.
Als u moet rijden met de achterklep open omdat de lading het sluiten van de achterklep onmogelijk maakt:
-
Sluit alle ruiten.
-
Open de uitstroomopeningen opzij.
-
Zet de luchttoevoer op BUITENLUCHT, kies voor de luchtregeling VERWARMEN of VENTILEREN en zet de aanjager in een van de hogere standen.
Voor een goede werking van het ventilatiesysteem is het noodzakelijk dat de luchtinlaat onder de voorruit vrij blijft van sneeuw, ijs, bladeren en andere obstructies.
VÓÓR HET RIJDEN
Vóór het instappen
- Zorg ervoor dat alle ruiten, buitenspiegel(s) en lampen schoon zijn.
- Controleer de toestand van de banden.
- Controleer of er geen sporen van lekkage onder de auto te zien zijn.
- Controleer of er zich geen obstakels achter de auto bevinden wanneer u achteruit wilt rijden.
Noodzakelijke controles
De volgende vloeistofpeilen dienen regelmatig, afhankelijk van het gebruikte interval gecontroleerd te worden: motorolie, koelvloeistof, remvloeistof en ruitensproeiervloeistof. Nadere informatie vindt u in Hoofdstuk 7, Onderhoud.
Vóór het starten
- Sluit alle portieren.
- Verstel de stoel zodanig dat u alle bedieningsorganen gemakkelijk kunt bereiken.
-
Stel de binnen- en buitenspiegels af.
-
Controleer of alle verlichting werkt.
- Controleer alle instrumenten.
- Controleer of alle waarschuwingslampjes werken als het contact in stand ON staat.
- Ontgrendel de parkeerrem en controleer of het waarschuwingslampje van het remsysteem uitgaat.
Voor een veilig gebruik is het noodzakelijk dat u volledig vertrouwd bent met uw auto en de bedienings-organen.
WAARSCHUWING
Alle inzittenden moeten tijdens het rijden de veiligheidsgordel op de juiste manier dragen. Zie "Veiligheidsgordels" in hoofdstuk 3 voor informatie over het juiste gebruik van de veiligheidsgordels.
WAARSCHUWING
Controleer altijd de omgeving rond de auto op de aanwezigheid van anderen, in het bijzonder kinderen, alvorens u de transmissie in stand D (Drive) of R (Reverse) zet.
WAARSCHUWING
- Rijden onder invloed van alcohol of drugs
Rijden onder invloed is gevaarlijk. Rijden onder invloed is de belangrijkste doodsoorzaak in het verkeer. Zelfs een geringe hoeveelheid alcohol zal het reactie-, waarnemings- en beoordelingsvermogen verminderen. Rijden onder invloed van drugs is minstens even gevaarlijk als rijden onder invloed van alcohol.
De kans op een ernstig ongeval is vele malen groter als u gaat rijden onder invloed van alcohol of drugs. Ga niet rijden als u gedronken heeft of drugs heeft gebruikt. Rijd ook niet mee met een bestuurder die onder invloed van alcohol of drugs is. Bepaal van tevoren wie er rijdt of neem een taxi.
WAARSCHUWING
Wanneer u de auto wilt parkeren of stilzetten terwijl de motor draait, zorg er dan voor dat u het gaspedaal niet gedurende langere tijd ingetrapt houdt. Anders kan de motor of het uitlaatsysteem oververhit raken en brand ontstaan.
STANDEN CONTACTSLOT (INDIEN VAN TOEPASSING)

Verlicht contactslot (indien van toepassing)
Ter verhoging van het comfort gaat, als het contact niet in stand ON staat, de contactslotverlichting branden als één van de voorportieren wordt geopend. De verlichting zal onmiddellijk uitgaan wanneer het contact in stand ON gezet wordt. De verlichting zal ook ongeveer 30 seconden nadat het portier gesloten is uitgaan.

Standen contactslot LOCK
Het stuurslot beschermt tegen diefstal (indien van toepassing). De contactsleutel kan alleen uit het contact worden verwijderd als het contact in stand LOCK staat.
Om de contactsleutel in stand LOCK te zetten, moet deze in stand ACC worden ingedrukt en vervolgens naar de stand LOCK worden gedraaid.
ACC (Accessoires)
Het stuurwiel is van het stuurslot en de elektrische accessoires werken.
*AANWIJZING
Draai het stuurwiel iets naar links en naar rechts om het contact gemakkelijker in stand ACC te kunnen zetten als het verdraaien van de contactsleutel moeilijk gaat.
ON
Voordat de motor wordt gestart, gaan de waarschuwingslampjes ter controle branden. Het contactslot keert na het starten terug in deze stand.
Laat, om te voorkomen dat de accu ontladen raakt, het contact niet in stand ON staan als de motor niet draait.
START
Draai de contactsleutel in stand START om de motor te starten. De startmotor draait totdat u de sleutel loslaat. De sleutel keert vervolgens terug in stand ON. In deze stand gaat het waarschuwingslampje van het remsysteem ter controle branden.

WAARSCHUWING
- Contactsleutel
- Zet het contact nooit in stand LOCK of ACC terwijl de auto rijdt. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen en neemt de remkracht af, wat tot een ongeval kan leiden.
- Het stuurslot dient niet ter vervanging van de parkeerrem. Controleer altijd of stand P (Park) is ingeschakeld bij een auto met een automatische transmissie, schakel de parkeerrem in en zet de motor uit voordat u de auto verlaat. Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd, kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Steek nooit tijdens het rijden uw hand door het stuurwiel om de contactsleutel of andere bedieningsorganen te bedienen. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen, wat kan leiden tot een ongeval en ernstig letsel.
- Plaats geen losse voorwerpen rondom de bestuurdersstoel. Deze kunnen tijdens het rijden gaan bewegen en de bestuurder hinderen, wat kan leiden tot een ongeval.
Starten van de motor

WAARSCHUWING
Draag altijd geschikte schoenen tijdens het rijden. Ongeschikte schoenen (hoge hakken, skischoenen, enz.) kunnen het bedienen van het rempedaal, het gaspedaal en het koppelingspedaal (indien van toepassing) bemoeilijken.
*AANWIJZING
- Kickdown-mechanisme (indien van toepassing)
Het kickdown-mechanisme in het gaspedaal voorkomt dat er onbedoeld met volgas wordt gereden door het gaspedaal extra weerstand te geven. Als het gaspedaal echter voor meer dan 80% wordt ingetrapt, wordt er mogelijk al met volgas gereden en zal het gemakkelijker zijn om het pedaal verder in te trappen. Dit duidt niet op een storing.
Starten van de benzinemotor (indien van toepassing)
-
Controleer of de parkeerrem is geactiveerd.
-
Handgeschakelde transmissie - Trap het koppelingspedaal volledig in en zet de versnellingspook in de vrijstand. Houd het koppelingspedaal en rempedaal ingetrapt en draai de contactsleutel naar de stand START.
Automatische transmissie - Zet de selectiehendel in stand P (Park). Trap het rempedaal volledig in.
De motor kan ook worden gestart met de selectiehendel in stand N.
-
Draai de contactsleutel in stand START en houd de sleutel in deze stand totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden). Laat de sleutel vervolgens los.
-
Laat bij extreme kou (lager dan -18°C) of wanneer de auto een aantal dagen niet is gebruikt, de motor warmdraaien zonder het gaspedaal in te trappen.
Of de motor nu warm is of koud, hij dient gestart te worden zonder het gaspedaal in te trappen.
OPMERKING
Probeer de selectiehendel niet in stand P te zetten wanneer de motor tijdens het rijden afslaat. Als het veilig is met het oog op het overige verkeer, kunt u de selectiehendel tijdens het rijden in stand N zetten en kunt u de motor opnieuw proberen te starten door het contact in stand START te draaien.
! OPMERKING
Laat de startmotor niet langer dan 10 seconden achter elkaar draaien. Wacht als de motor afslaat of niet aanslaat 5 tot 10 seconden alvorens de startmotor opnieuw in te schakelen. Als de startmotor niet op de juiste manier bediend wordt, kan hij beschadigd raken.
Starten van de dieselmotor (indien van toepassing)
Om de dieselmotor te starten bij koude motor moet deze voorgegloeid worden voordat de motor wordt gestart, en vervolgens opgewarmd worden voordat u gaat rijden.
-
Controleer of de parkeerrem is geactiveerd.
-
Handgeschakelde transmissie - Trap het koppelingspedaal volledig in en zet de versnellingspook in de vrijstand. Houd het koppelingspedaal en rempedaal ingetrapt en draai de contactsleutel naar de stand START.
Automatische transmissie - Zet de selectiehendel in stand P (Park). Trap het rempedaal volledig in.
De motor kan ook gestart worden met de selectiehendel in stand N.
Controlelampje voorgloeien

- Draai de contactsleutel in stand ON om de motor voor te gloeien. Het controlelampje voorgloeien zal nu gaan branden.
- Als het controlelampje voorgloeien uitgaat, draai dan de contactsleutel in stand START en houd de sleutel in deze stand totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden). Laat de sleutel vervolgens los.
*AANWIJZING
Als de motor niet binnen 10 seconden wordt gestart nadat het voorgloeien is voltooid, zet het contact dan gedurende 10 seconden terug in stand LOCK en vervolgens weer in stand ON om de motor opnieuw voor te gloeien.
Starten en afzetten van een motor met turbo/intercooler
1 Voer het toerental van de motor niet te hoog op en accelereer niet direct na het starten van de motor.
Laat een koude motor enkele seconden stationair draaien voordat u wegrijdt om ervoor te zorgen dat de turbocompressor voldoende smering krijgt.
2. Na het rijden met hoge snelheid of een lange rit met een zware motorbelasting dient de motor voor het afzetten ongeveer 1 min stationair te draaien. Door de motor stationair te laten draaien zal de turbo afkoelen voordat de motor wordt afgezet.
! OPMERKING
Zet de motor nooit direct af nadat hij zwaar belast is. Dit kan zware schade veroorzaken aan de motor of de turbocompressor.
TOETS ENGINE START/STOP (INDIEN VAN TOEPASSING)

Verlichte toets ENGINE START/STOP
Wanneer het voorportier wordt geopend, gaat de verlichting van de toets ENGINE START/STOP branden. De verlichting gaat ongeveer 30 seconden nadat het portier gesloten is uit. De verlichting gaat ook direct uit wanneer het antidiefstalsysteem geactiveerd wordt.
Positie van de toets ENGINE START/STOP
UIT

Niet verlicht
• Met handgeschakelde transmissie
Om de motor (stand START/RUN) of het contact (stand ON) uit te schakelen brengt u de auto tot stilstand en drukt u op de toets ENGINE START/STOP.
• Met automatische transmissie
Druk de toets ENGINE START/STOP in terwijl de selectiehendel in stand P staat om de motor (stand START/RUN) of het contact (stand ON) uit te zetten.Wanneer U de toets ENGINE START/STOP indrukt en de selectiehendel niet in stand P staat, zal de toets ENGINE START/STOP niet naar stand OFF gaan, maar naar stand ACC.
Het stuurwiel wordt ook vergrendeld wanneer de toets ENGINE START/STOP in stand OFF staat, om de auto tegen diefstal te beveiligen. Het wordt vergrendeld wanneer het portier wordt geopend of wanneer u de Smart Key uit de Smart Key-houder neemt.
Als het stuurwiel niet correct vergrendeld is wanneer u het bestuurdersportier opent, zal er een waarschuwingszoemer klinken. Probeer het stuurwiel opnieuw te vergrendelen. Laat het systeem nakijken door een officiële KIA-dealer als het probleem niet verholpen is.
Als de toets ENGINE START/STOP in stand OFF staat wanneer het bestuurdersportier wordt geopend, zal het stuurwiel niet worden vergrendeld en klinkt de waarschuwingszoemer. Sluit in dat geval het portier. Het stuurwiel zal dan worden vergrendeld en de waarschuwingszoemer stopt.
*AANWIJZING
Als het stuurwiel niet correct wordt ontgrendeld, zal de toets Engine Start/Stop niet werken. Druk de toets Engine Start/Stop in terwijl u het stuurwiel naar rechts en naar links draait.
! OPMERKING
U kunt de motor (START/RUN) of het contact (ON) alleen uitschakelen wanneer de auto stilstaat. In een noodsituatie kunt u, terwijl de auto rijdt, de motor uitschakelen en het contact in stand ACC draaien door de toets ENGINE START/STOP langer dan 2 seconden ingedrukt te houden of 3 keer na elkaar in te drukken binnen 3 seconden. Als de auto nog rijdt, kunt u de motor opnieuw starten zonder dat u het rempedaal ingetrapt houdt door de toets ENGINE START/STOP in te drukken met de selectiehendel in stand N (vrijstand).
ACC (Accessoires)

Oranje
controlelampje
ON
- Met handgeschakelde transmissie Druk de toets ENGINE START/STOP als deze in stand OFF staat in zonder het koppelingspedaal in te trappen.
- Met automatische transmissie Druk de toets ENGINE START/STOP als deze in stand OFF staat in zonder het rempedaal in te trappen. Het stuurwiel wordt ontgrendeld en de elektrische accessoires kunnen bediend worden. Als de toets ENGINE START/STOP langer dan 1 uur in stand ACC staat, wordt de toets automatisch uitgeschakeld om te voorkomen dat de accu leegraakt.

Blauw
controlelampje
- Met handgeschakelde transmissie Druk de toets ENGINE START/STOP als deze in stand ACC staat in zonder het koppelingspedaal in te trappen.
- Met automatische transmissie Druk de toets ENGINE START/STOP als deze in stand ACC staat in zonder het rempedaal in te trappen. Voordat de motor wordt gestart, gaan de waarschuwingslampjes ter controle branden. Laat de toets ENGINE START/STOP niet lang in stand ON staan. De batterij kan leegraken, omdat de motor uitgeschakeld is.
START/RUN

Niet verlicht
• Met handgeschakelde transmissie
Om de motor te starten trapt u het koppelingspedaal en het rempedaal in en drukt u de toets ENGINE START/STOP in met de selectiehendel in stand N (vrijstand).
• Met automatische transmissie
Om de motor te starten trapt u het rempedaal in drukt u de toets ENGINE START/STOP in met de selectiehendel in stand P (parkeren) of N (vrijstand). Start de motor, voor uw eigen veiligheid, met de selectiehendel in stand P (parkeren).
*AANWIJZING
Als u de toets ENGINE START/STOP indrukt zonder het koppelingspedaal (handgeschakelde transmissies) of zonder het rempedaal (automatische transmissies) in te trappen, zal de motor zal niet aanslaan. De stand van de toets ENGINE START/STOP verandert dan als volgt:
OFF → ACC → ON → OFF of ACC
*AANWIJZING
Als u de toets ENGINE START/STOP lang in stand ACC of ON laat staan, zal de accu ontladen raken.
WAARSCHUWING
- Druk de toets ENGINE START/STOP nooit in terwijl de auto rijdt. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen en neemt de remkracht af, wat tot een ongeval kan leiden.
- Het stuurslot dient niet ter vervanging van de parkeerrem. Controleer altijd of stand P is ingeschakeld, trek de parkeerrem volledig aan en zet de motor uit voordat u de auto verlaat. Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd, kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Steek nooit tijdens het rijden uw hand door het stuurwiel om de toets ENGINE START/STOP of andere bedieningsorganen te bedienen. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen, wat kan leiden tot een ongeval en ernstig letsel.
- Plaats geen losse voorwerpen rondom de bestuurdersstoel. Deze kunnen tijdens het rijden gaan bewegen en de bestuurder hinderen, wat kan leiden tot een ongeval.
Starten van de motor
WAARSCHUWING
Draag altijd geschikte schoenen tijdens het rijden. Ongeschikte schoenen (hoge hakken, skischoenen, enz.) kunnen het bedienen van het rempedaal, het gaspedaal en het koppelingspedaal (indien van toepassing) bemoeilijken.
*AANWIJZING
- Kickdown-mechanisme (indien van toepassing)
Het kickdown-mechanisme in het gaspedaal voorkomt dat er onbedoeld met volgas wordt gereden door het gaspedaal extra weerstand te geven. Als het gaspedaal echter voor meer dan 80% wordt ingetrapt, wordt er mogelijk al met volgas gereden en zal het gemakkelijker zijn om het pedaal verder in te trappen. Dit duidt niet op een storing.
Starten van de benzinemotor (indien van toepassing)
- Zorg ervoor dat u de Smart Key bij u hebt of laat deze in de auto.
- Controleer of de parkeerrem goed is geactiveerd.
- Handgeschakelde transmissie - Trap het koppelingspedaal volledig in en zet de versnellingspook in de vrijstand. Houd het koppelingspedaal en het rempedaal ingetrapt terwijl u de motor start.
Automatische transmissie - Zet de selectiehendel in stand P. Trap het rempedaal volledig in.
De motor kan ook worden gestart met de selectiehendel in stand N.
- Druk de toets ENGINE START/STOP in.
- Laat bij extreme kou (lager dan -18°C) of wanneer de auto een aantal dagen niet is gebruikt, de motor warmdraaien zonder het gaspedaal in te trappen.
Of de motor nu warm is of koud, hij dient gestart te worden zonder het gaspedaal in te trappen.
Starten van de dieselmotor (indien van toepassing)
Om de dieselmotor te starten bij koude motor moet deze voorgegloeid worden voordat de motor wordt gestart, en vervolgens opgewarmd worden voordat u gaat rijden.
- Controleer of de parkeerrem is geactiveerd.
- Handgeschakelde transmissie - Trap het koppelingspedaal volledig in en zet de versnellingspook in de vrijstand. Houd het koppelingspedaal en het rempedaal ingetrapt terwijl u de toets ENGINE START/STOP in de stand START drukt.
Automatische transmissie - Zet de selectiehendel in stand P. Trap het rempedaal volledig in.
De motor kan ook worden gestart met de selectiehendel in stand N.

- Druk de toets ENGINE START/STOP in terwijl u het rempedaal ingetrapt houdt.
- Houd het rempedaal ingetrapt totdat het controlelampje voorgloeien dooft. (ongeveer 5 seconden)
- De motor start wanneer het controle-lampje voorgloeien dooft.
*AANWIJZING
Als u de toets ENGINE START/STOP nogmaals indrukt terwijl de motor voorgeglocid wordt, kan de motor aanslaan.
Starten en afzetten van een motor met turbo/intercooler
1 Voer het toerental van de motor niet te hoog op en accelereer niet direct na het starten van de motor.
Laat een koude motor enkele seconden stationair draaien voordat u wegrijdt om ervoor te zorgen dat de turbocompressor voldoende smering krijgt.
2. Na het rijden met hoge snelheid of een lange rit met een zware motorbelasting dient de motor voor het afzetten ongeveer 1 min stationair te draaien. Door de motor stationair te laten draaien zal de turbo afkoelen voordat de motor wordt afgezet.
OPMERKING
Zet de motor nooit direct af nadat hij zwaar belast is geweest. Dit kan zware schade veroorzaken aan de motor of de turbocompressor.
- Zelfs als de Smart Key zich in de auto bevindt, maar op enige afstand van u, zal de motor mogelijk niet aanslaan.
- Wanneer de toets ENGINE START/STOP in stand ACC of daarboven staat, controleert het systeem of de Smart Key aanwezig is wanneer een van de portieren geopend wordt. Als de Smart Key zich niet in de auto bevindt, gaat het controlelampje "KEY OUT" knipperen. En wanneer alle portieren gesloten worden, zal de zoemer 5 seconden klinken. Het controlelampje of de waarschuwing dooft wanneer de auto rijdt. Zorg dat u altijd de Smart Key bij u hebt.
WAARSCHUWING
De motor zal alleen aanslaan wanneer de Smart Key zich in de auto bevindt.
Laat kinderen of anderen die niet vertrouwd zijn met de auto nooit de toets ENGINE START/STOP of aanverwante onderdelen aanraken.
! OPMERKING
Probeer de selectiehendel niet in stand P te zetten wanneer de motor tijdens het rijden afslaat. Als de verkeersomstandigheden het toelaten kunt u de selectiehendel in stand N (vrijstand) zetten terwijl de auto nog rijdt en vervolgens de toets ENGINE START/STOP indrukken om te proberen de motor opnieuw te starten.

- Als de batterij bijna leeg is of de Smart Key niet goed werkt, kunt u de motor starten door de Smart Key in de Smart Key-houder te plaatsen. Druk op de Smart Key om de Smart Key uit de Smart Key-houder te nemen.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Wanneer de remlichtzekering is doorgebrand, kunt u de motor niet normaal starten. Vervang de zekering door een nieuwe. Als het niet mogelijk is, kunt u de motor starten door de toets ENGINE START/STOP in stand ACC 10 seconden ingedrukt te houden. De motor kan aanslaan zonder dat het rempedaal ingetrapt wordt. Trap voor uw eigen veiligheid echter altijd het rempedaal in voordat u de motor start.
! OPMERKING
Druk de toets ENGINE START/STOP nooit langer dan 10 seconden in, behalve wanneer de remlicht-zekering is doorgebrand.
ISG (IDLE STOP & GO) (INDIEN VAN TOEPASSING)
Uw auto kan zijn uitgerust met het ISG-systeem dat het brandstofverbruik vermindert door de motor automatisch uit te schakelen als de auto stilstaat. (Bijvoorbeeld: rood verkeerslicht, stopbord en file)
De motor wordt automatisch gestart zodra aan de startvoorwaarden wordt voldaan.
Het ISG-systeem is INGESCHAKELD wanneer de motor draait.
*AANWIJZING
Als de motor automatisch wordt gestart door het ISG-systeem, gaan een aantal waarschuwingslampjes (ABS, ESP, ESP OFF, EPS of parkeerrem) mogelijk een paar seconden branden.
Dit wordt veroorzaakt door de lage accuspanning. Het betekent niet dat er een storing in het systeem zit.

Automatisch uitzetten
Om de motor uit te zetten wanneer deze stationair draait
- Verlaag de rijsnelheid tot een snelheid die lager is dan 5 km/h.
- Schakel stand N (vrijstand) in.
- Haal uw voet van het koppelingspedaal.
De motor wordt uitgezet en het groene controlelampje AUTO STOP (A) in het instrumentenpaneel gaat branden. Als uw auto uitgerust is met een controlepaneel, dan verschijnt de melding in het LCD-display.

- Nadat de laatste keer de motor automatisch uitgezet is, moet de snelheid van de auto weer minstens 10 km/h bedragen.
- Als u de veiligheidsgordel losmaakt of het bestuurdersportier (de motorkap) opent in de stand waarbij de motor automatisch is uitgezet, gaat het lampje in de ISG OFF-knop branden en wordt het ISG-systeem gedeactiveerd. Als uw auto uitgerust is met een controlepaneel, dan verschijnt de melding in het LCD-display.
Draai de contactsleutel in stand START om de motor handmatig te starten.

- De remdruk is te laag.
- De ladingstoestand van de accu is te laag.
- De rijsnelheid wordt hoger dan 5 km/h. Het groene controlelampje AUTO STOP (An het instrumentenpaneel knippert gedurende 5 seconden en er verschijnt een melding in het LCD-display (indien van toepassing).
Automatisch starten
Om de motor te starten wanneer deze automatisch is uitgezet
- Trap het koppelingspedaal in terwijl de selectiehendel in stand N (vrijstand) staat.
De motor wordt gestart en het groene controlelampje AUTO STOP (A) in het instrumentenpaneel gaat uit.
De motor wordt in de volgende gevallen ook automatisch gestart zonder dat de bestuurder iets hoeft te doen:
- De aanjagersnelheid van het handbediende verwarmings- en ventilatiesysteem staat in een hogere stand dan stand 3 terwijl de airconditioning is ingeschakeld.
- De aanjagersnelheid van het automatische verwarmings- en ventilatiesysteem staat in een hogere stand dan stand 6 terwijl de airconditioning is ingeschakeld.
- Als een bepaalde tijd is verstreken sinds het verwarmings- en ventilatie-systeem is ingeschakeld
- Wanneer de ontwaseming is ingeschakeld
Voorwaarden voor de werking van het ISG-systeem
Het ISG-systeem schakelt onder de volgende omstandigheden in:
- De bestuurder heeft de veiligheids-gordel vastgemaakt.
- Het bestuurdersportier en de motorkap zijn gesloten.
- De remdruk is toereikend.
- De accu is voldoende geladen.
- De buitentemperatuur ligt tussen 2°C en 35°C
- De koelvloeistoftemperatuur is niet te laag.

- Als er niet aan die bedrijfsomstandigheden wordt voldaan, dan wordt het ISG-systeem gedeactiveerd. Het lampje in de ISG OFF-knop gaat branden en er verschijnt een melding in het LCD-display (indien van toepassing).
- Controleer de werking als het lampje continu blijft branden of de melding continu verschijnt.

Deactiveren van ISG-systeem
- Druk op de ISG OFF-knop als u het ISG-systeem wilt deactiveren. Het lampje in de ISG OFF-knop gaat branden en er verschijnt een melding in het LCD-display (indien van toepassing).
- Als u opnieuw op de ISG OFF-knop drukt, wordt het systeem geactiveerd en gaat het lampje in de ISG OFF-knop uit.

Storing ISG-systeem
Het systeem werkt mogelijk niet wanneer:
- Er een storing optreedt in de sensoren of in het ISG-systeem. Het gele controlelampje AUTO STOP (A) in het instrumentenpaneel blijft branden nadat dit gedurende 5 seconden geknipperd heeft en het lampje in de ISG OFF-knop gaat branden. Als uw auto uitgerust is met een controlepaneel, dan verschijnt de melding in het LCD-display.
*AANWIJZING
- Als het lampje in de ISG OFF-knop niet uit gaat wanneer u opnieuw op de ISG OFF-knop drukt of als het ISG-systeem continu niet goed blijft werken, neem dan zo snel mogelijk contact op met een officiële KIA-dealer.
- Wanneer het lampje in de ISG OFF-knop brandt, gaat het mogelijk uit nadat u maximaal twee uur hebt gereden met een snelheid van ongeveer 80 km/h en de aanjagerknop in een lagere stand dan stand 2 hebt ingesteld. Als het lampje in de ISG OFF-knop ondanks deze procedure blijft branden, neem dan zo snel mogelijk contact op met een officiële KIA-dealer.
WAARSCHUWING
Als de motor zich in de modus Idle Stop bevindt, kan hij weer worden gestart zonder tussenkomst van de bestuurder.
Schakel de motor uit door het contact in de stand LOCK (OFF) te zetten of de contactsleutel te verwijderen alvorens de auto te verlaten of een handeling uit te voeren in de motorruimte.
HANDGESCHAKELDE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING)


* indien van toepassing OSL050008L

De versnellingspook kan worden bediend zonder de knop omhoog te trekken. OSL050008E
Bedienen van de handgeschakelde transmissie
De handgeschakelde transmissie heeft vijf/zes versnellingen vooruit.
Het schakelpatroon is aangebracht in de pookknop. Alle vooruitversnellingen zijn volledig gesynchroniseerd zodat het schakelen naar een hogere of lagere versnelling soepel verloopt.
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen geheel in en laat het langzaam opkomen.
Wanneer uw auto is uitgerust met een startknop, kunt u de motor niet starten zonder het koppelingspedaal in te trappen. (indien van toepassing)
Voordat de achteruitversnelling kan worden ingeschakeld, moet de versnellingspook eerst in de vrijstand worden gezet.
De knop R (1) die zich direct onder de versnellingspookknop bevindt, moet omhoog worden getrokken om de pook in stand R te kunnen zetten. (indien van toepassing)
Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat de achteruit wordt ingeschakeld.
Laat de motor nooit met een toerental draaien dat in het rode gebied van de toerenteller ligt.
! OPMERKING
- Bij het terugschakelen van de vijfde naar de vierde versnelling moet erop worden gelet dat de versnellingspook niet zo ver opzij wordt gedrukt dat per ongeluk de tweede versnelling wordt ingeschakeld. Hierdoor zou het motortoerental zo hoog kunnen oplopen dat de naald van de toerenteller in het rode gebied terecht zou kunnen komen. Dergelijke hoge toerentallen kunnen ernstige motorschade veroorzaken.
- Schakel niet meer dan 2 versnellingen tegelijk terug en schakel niet terug als de motor met een hoog toerental draait (5.000 omw/min). Terugschakelen onder dergelijke omstandigheden kan schade aan de motor veroorzaken.
- Bij zeer lage buitentemperaturen kan het schakelen wat moeizamer gaan zolang de transmissieolie nog koud is. Dat is normaal en niet schadelijk voor de transmissie.
- Als de auto geheel tot stilstand is gekomen en de 1e versnelling of de achteruit moeilijk ingeschakeld kunnen worden, zet dan de versnellingspook in de vrijstand en laat de koppeling opkomen. Trap het koppelingspedaal weer in en schakeel vervolgens de 1e versnelling of de achteruit in.

OPMERKING
- Laat, om vroegtijdige slijtage en beschadiging van de koppeling te voorkomen, uw voet tijdens het rijden niet op het koppelingspedaal rusten. Gebruik de koppeling ook niet om de auto stil te laten staan op een helling (bijvoorbeeld bij een verkeerslicht, enz.).
- Laat tijdens het rijden uw hand niet op de versnellingspook rusten omdat hierdoor voortijdige slijtage aan de schakelvorken in de transmissie op kan treden.

WAARSCHUWING
- Trek altijd de parkeerrem stevig aan en zet de motor af alvorens de auto te verlaten. Zet de transmissie vervolgens in de 1e versnelling als de auto op een vlakke ondergrond of opwaartse helling staat, of schakel de achteruitversnelling in als de auto op een neerwaartse helling staat. Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.
- Als uw auto is uitgerust met een handgeschakelde transmissie en niet is voorzien van een contactslot, kan de auto in beweging komen en een ernstig ongeval veroorzaken als de motor wordt gestart zonder dat het koppelingspedaal wordt ingetrapt terwijl de parkeerrem vrij is en de selectiehendel niet in stand N staat.
Bedienen van de koppeling
Het koppelingspedaal moet geheel worden ingetrapt alvorens de versnellingspook te verplaatsen en moet daarna weer langzaam worden losgelaten. Het koppelingspedaal moet tijdens het rijden altijd geheel zijn losgelaten. Laat tijdens het rijden uw voet niet op het koppelingspedaal rusten. Dat veroorzaakt onnodige slijtage. Laat de koppeling ook niet gedeeltelijk in aangrijping komen om de auto op een helling op zijn plaats te houden. Dat veroorzaakt onnodige slijtage. Gebruik de voetrem of de parkeerrem om de auto op een helling op zijn plaats te houden. Trap het koppelingspedaal niet herhaaldelijk snel achter elkaar in.
Terugschakelen
Schakel in druk verkeer of bij het oprijden van een steile helling terug voordat de motor te hard moet werken. Door terug te schakelen wordt de kans op afslaan beperkt en kan beter worden geaccelereerd wanneer u uw snelheid weer op moet voeren. Als de auto op een steile helling naar beneden rijdt, kan door terug te schakelen een veilige snelheid worden gehandhaafd en wordt bovendien de levensduur van de remmen verlengd.
Goede rijgewoonten
- Laat de auto nooit in zijn vrij een helling af rijden. Dit is bijzonder gevaarlijk. Laat de auto bij het afrijden van een helling altijd in een versnelling staan.
- Houd het rempedaal niet langdurig achter elkaar ingetrapt. Hierdoor kunnen de remmen oververhit raken en dienst gaan weigeren. Schakel in plaats daarvan bij het afrijden van een lange helling terug naar een lagere versnelling. Hierdoor remt de auto af op de motor.
- Vertraag de snelheid voordat u terugschakelt. Hiermee voorkomt u dat de motor met een te hoog toerental gaat draaien, hetgeen schadelijk kan zijn voor de motor.
- Verlaag uw snelheid ook als u geconfronteerd wordt met zijwind. Dan kunt u de auto beter onder controle houden.
- Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat de achteruit wordt ingeschakeld. Als dat niet het geval is, kan de transmissie beschadigd raken. Trap het koppelingspedaal in, zet de versnellingspook in de vrijstand, en zet daarna de versnellingspook in de achteruit.
- Wees vooral voorzichtig bij het rijden op een gladde ondergrond. Let in dat geval vooral op bij het remmen, gasgeven en schakelen. Op een glad wegdek kan een abrupte snelheidsverandering leiden tot verlies van grip van de aangedreven wielen, waardoor u de controle over uw auto kunt verliezen.
WAARSCHUWING
- Draag altijd uw veiligheidsgordel! Bij een aanrijding lopen inzittenden die hun veiligheids-gordel niet dragen een veel grotere kans op ernstig letsel dan inzittenden die hun veiligheids-gordel wel dragen.
- Pas uw snelheid aan voordat u een bocht aansnijdt of gaat keren.
- Maak geen plotselinge stuurbewegingen bij het wisselen van rijbaan of bij het nemen van snelle, scherpe bochten.
- De kans dat de auto over de kop slaat wanneer u de macht over het stuur verliest, is veel groter bij hogere snelheden.
- Meestal verliest de bestuurder de macht over de auto wanneer twee of meer wielen van de weg raken en de bestuurder het stuur omgooit om de auto weer de weg op te sturen.
- Gooi het stuur niet om wanneer uw auto van de weg raakt. Minder in plaats daarvan snelheid voordat u de auto terug de weg op stuurt.
- Houd u altijd aan de snelheidslimieten.
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING)

Trap, om te schakelen, het rempedaal in en druk op de knop wanneer het contact in stand ON staat. (Indien uw auto is voorzien van een schakelblokkeersysteem)
Druk tijdens het schakelen op de knop.
Daarna kunt u de selectiehendel in een andere stand zetten.
OSL050009L
Bediening automatische transmissie
De uiterst efficiënte automatische transmissie heeft zes (6) versnellingen vooruit en 1 versnelling achteruit. De verschillende versnellingen worden automatisch ingeschakeld, welke versnellingen er beschikbaar zijn, is afhankelijk van de stand van de selectiehendel.
*AANWIJZING
Het schakelen bij een nieuwe auto kan, als de accukabels losgenomen zijn geweest, de eerste paar keer wat schokkerig verlopen. Dat is een normaal verschijnsel en na een paar keer schakelen zal de TCM (Transaxle Control Module) of de PCM (Powertrain Control Module) het schakelgedrag aanpassen.
Trap voor een soepele en veilige bediening het rempedaal in bij het overschakelen van stand N naar een vooruitversnelling of de achteruit-versnelling.

WAARSCHUWING
- Automatische transmissie
- Controleer altijd de omgeving rond de auto op de aanwezigheid van anderen, in het bijzonder kinderen, alvorens u de transmissie in stand D (Drive) of R (Reverse) zet.
- Controleer altijd of stand P is ingeschakeld, trek de parkeerrem volledig aan en zet de motor uit voordat u de auto verlaat. Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.

OPMERKING
- Geef, om schade aan de transmissie te voorkomen, geen gas wanneer stand R of een van de vooruitversnellingen is ingeschakeld en het rempedaal ingetrapt is.
- Houd de auto bij stilstaan op een helling nooit op zijn plaats door gas te geven. Gebruik de bedrijfsrem of de parkeerrem.
- Schakel niet van stand N of P in stand D of R wanneer het motortoerental hoger is dan het stationaire toerental.
Standen selectiehendel
De schakelstandindicator in het instrumentenpaneel geeft, als het contact in stand ON staat, aan in welke stand de selectiehendel staat.
P (parkeren)
Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat stand P wordt ingeschakeld. In deze stand zijn de transmissie en de voorwielen geblokkeerd.

WAARSCHUWING
- Wanneer stand P tijdens het rijden wordt ingeschakeld, blokkeren de aangedreven wielen en raakt u de controle over de auto kwijt.
- Gebruik stand P niet in plaats van de parkeerrem. Zorg er altijd voor dat de selectiehendel in stand P staat en dat de parkeerrem is geactiveerd.
- Laat een kind nooit zonder toezicht achter in de auto.

OPMERKING
De transmissie kan beschadigd raken wanneer u stand P tijdens het rijden inschakelt.
R (achteruit)
Gebruik deze stand om de auto achteruit te rijden.

OPMERKING
Laat de auto helemaal tot stilstand komen alvorens de selectiehendel in of uit stand R te zetten. Anders zou de transmissie kunnen beschadigen, behalve onder de omstandigheden uitgelegd onder "Op eigen kracht lostrekken van de auto" in dit hoofdstuk.
N (neutraal)
De wielen en de transmissie zijn niet geblokkeerd. De auto zal zelfs op de kleinste helling wegrollen tenzij de parkeerrem wordt aangetrokken of het rempedaal wordt ingetrapt.
Stand D (drive)
Dit is de normale stand voor het rijden in voorwaartse richting. De transmissie schakelt automatisch tussen de 6 versnellingen vooruit voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik bij optimale prestaties.
Druk voor extra vermogen tijdens inhaalmanoeuvres of het beklimmen van een steile helling het gaspedaal volledig in. Hierdoor zal de automatische transmissie automatisch een lagere versnelling kiezen.
*AANWIJZING
Laat de auto helemaal tot stilstand komen alvorens de selectiehendel in of stand D te zetten.

Sportstand
De sportstand kan vanuit stilstand of tijdens het rijden worden ingeschakeld door de selectiehendel vanuit stand D (Drive) naar rechts te bewegen. Druk de selectiehendel terug naar links om stand D (Drive) weer in te schakelen.
In de sportstand verloopt het overschakelen tussen de versnellingen eenvoudig en snel door de selectiehendel naar voren en naar achteren te bewegen. In tegenstelling tot een handgeschakelde transmissie, kan in de sportstand geschakeld worden terwijl het gaspedaal ingetrapt is.
Opschakelen (+) :
Druk de selectiehendel één keer naar voren om één versnelling op te schakelen.
Terugschakelen (-):
Trek de selectiehendel één keer naar achteren om één versnelling terug te schakelen.
*AANWIJZING
- In de sportstand moet de bestuurder zelf opschakelen overeenkomstig de rijomstandigheden en ervoor zorgen dat het motortoerental beneden het rode gebied blijft.
- In de sportstand kunnen alleen de zes (6) versnellingen vooruit gekozen worden. Zet de selectiehendel in stand R of P om de auto respectievelijk achteruit te rijden of te blokkeren bij het parkeren.
- In de sportstand wordt automatisch teruggeschakeld wanneer de auto snelheid mindert. Als de auto tot stilstand komt, wordt automatisch de eerste versnelling ingeschakeld.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Als in de sportstand I motortoerental in het rode gebied raakt, schakelt de transmissie automatisch op.
- Om de voorgeschreven prestaties en veiligheid te waarborgen, wordt er soms niet geschakeld wanneer de selectiehendel wordt bediend.
- Druk de selectiehendel naar voren (+) bij het wegrijden op een glad wegdek. Hierdoor schakelt de transmissie naar de 2e versnelling, die beter geschikt is voor het soepel wegrijden op een gladde ondergrond. Trek de selectiehendel naar achteren (-) om de eerste versnelling weer in te schakelen.
Schakelblokkeersysteem
het (indien van toepassing)
De automatische transmissie heeft een schakelblokkeersysteem dat voorkomt dat de selectiehendel uit de stand P of N in stand R kan worden gezet zonder dat het rempedaal is ingetrapt.
In stand R zetten van de automatische transmissie uit stand P of N:
- Houd het rempedaal ingetrapt.
- Start de motor of zet het contact in stand ON.
- Druk de knop in en verplaats de selectiehendel.
Als het rempedaal herhaaldelijk wordt ingetrapt en losgelaten met de selectiehendel in de stand P, kan een ratelend geluid bij de selectiehendel worden gehoord. Dit is een normaal verschijnsel.

WAARSCHUWING
Houd tijdens het in een andere stand dan stand P zetten van de selectiehendel altijd het rempedaal ingetrapt om te voorkomen dat de auto zich onbedoeld in beweging zet, waardoor mensen die zich in de buurt van de auto bevinden letsel op zouden kunnen lopen.

Uitschakelen van schakelblokkeersysteem
Als de selectiehendel niet vanuit stand P of N in een stand R kan worden gezet met het rempedaal ingetrapt, voer dan de volgende handelingen uit:
Type A
-
Druk op de ontgrendelknop (1) van de schakelblokkering.
-
Druk de knop (2) in en verplaats de selectiehendel.
-
Laat uw auto direct controleren door een officiële KIA-dealer.
Type B
-
Verwijder voorzichtig het afdekkapje (1) van de opening voor het uitschakelen van de schakelblokkering.
-
Steek een sleutel (of schroevendraaier) in de opening en druk de sleutel (of schroevendraaier) naar beneden.
-
Druk de knop (2) in en verplaats de selectiehendel.
-
Laat uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.
Sleutelblokkeersysteem (indien van toepassing)
De sleutel kan alleen uit het contact worden genomen als de selectiehendel in stand P staat. Als de selectiehendel in een andere stand staat, kan de sleutel niet worden verwijderd.
Goede rijgewoonten
- Houd het gaspedaal nooit ingetrapt als de selectiehendel van stand P of N in een andere stand wordt gezet.
- Zet de selectiehendel nooit in stand P als de auto nog niet volledig tot stilstand is gekomen.
- Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat stand R of D wordt ingeschakeld.
- Laat de auto nooit in zijn vrij een helling af rijden. Dit is bijzonder gevaarlijk. Laat de auto bij het rijden altijd in een versnelling staan.
- Houd het rempedaal niet langdurig achter elkaar ingetrapt. Hierdoor kunnen de remmen oververhit raken en dienst gaan weigeren. Schakel in plaats daarvan bij het afrijden van een lange helling terug naar een lagere versnelling. Hierdoor remt de auto af op de motor.
- Vertraag de snelheid voordat u terugschakelt. Anders kan de lagere versnelling misschien niet worden ingeschakeld.
- Gebruik altijd de parkeerrem. Vertrouw niet uitsluitend op stand P van de transmissie om de auto op zijn plaats te houden.
- Wees vooral voorzichtig bij het rijden op een gladde ondergrond. Let in dat geval vooral op bij het remmen, gasgeven en schakelen. Op een glad wegdek kan een abrupte snelheidsverandering leiden tot verlies van grip van de aangedreven wielen, waardoor u de controle over uw auto kunt verliezen.
- Voor de beste prestaties en een zo laag mogelijk brandstofverbruik moet het gaspedaal met een gelijkmatige beweging worden ingetrapt en worden losgelaten.
WAARSCHUWING
- Draag altijd uw veiligheidsgordel! Bij een aanrijding lopen inzittenden die hun veiligheids-gordel niet dragen een veel grotere kans op ernstig letsel dan inzittenden die hun veiligheids-gordel wel dragen.
- Pas uw snelheid aan voordat u een bocht aansnijdt of gaat keren.
- Maak geen plotselinge stuurbewegingen bij het wisselen van rijbaan of bij het nemen van snelle, scherpe bochten.
- De kans dat de auto over de kop slaat wanneer u de macht over het stuur verliest, is veel groter bij hogere snelheden.
- Meestal verliest de bestuurder de macht over de auto wanneer twee of meer wielen van de weg raken en de bestuurder het stuur omgooit om de auto weer de weg op te sturen.
- Gooi het stuur niet om wanneer uw auto van de weg raakt. Minder in plaats daarvan snelheid voordat u de auto terug de weg op stuurt.
- Houd u altijd aan de snelheidslimieten.
WAARSCHUWING
Als u met u auto vast komt te zitten in de sneeuw, modder, zand, enz., kunt u proberen de auto weer los te krijgen door afwisselend voor- en achteruit te rijden. Doe dat echter niet als er mensen of obstakels in de directe nabijheid van de auto aanwezig zijn. Tijdens het voor- of achteruitrijden kan de auto plotseling naar voren of naar achteren bewegen als de aangedreven wielen weer grip krijgen, waardoor personen letsel kunnen oplopen of schade kan ontstaan.
Rijden met uw auto
Vanuit stilstand een steile helling oprijden
Trap het rempedaal in en zet de selectiehendel in stand D (Drive) om vanuit stilstand een steile helling op te rijden. Kies de juiste versnelling afhankelijk van de mate waarin de auto belast is en de steilheid van de helling en ontgrendel de parkeerrem. Trap het gaspedaal geleidelijk in terwijl u het rempedaal op laat komen.
Bij het vanuit stilstand accelereren op een steile helling kan de auto de neiging hebben om achteruit te rollen. Door de selectiehendel in stand 2 (tweede versnelling) te zetten voorkomt u dat de auto achteruit gaat rollen.
VIERWIELAANDRIJVING (4WD) (INDIEN VAN TOEPASSING)

Voor maximale tractie kan de vierwielaandrijving worden ingeschakeld. Permanente 4WD is handig als extra tractie noodzakelijk is op het wegdek zoals wanneer gereden wordt op gladde, modderige, natte of besneeuwde wegen. Deze auto is echter niet bedoeld voor zwaar terreinrijden.
De auto kan ook worden gebruikt op normaal begaanbare onverharde wegen en paden. De bestuurder dient wel altijd een veilige snelhed aan te houden. Over het algemeen heeft de auto op onverhard terrein minder grip en een langere remweg. De bestuurder moet vooral zeer goed opletten bij het rijden op hellingen waarbij de auto naar één kant overhelt. Bij terreinrijden dient hier rekening mee te worden gehouden. Het is onder deze omstandigheden altijd de verantwoordelijkheid van de bestuurder om de auto in contact met de grond en onder controle te houden, om zo te zorgen voor de veiligheid van zichzelf en de andere inzittenden.
WAARSCHUWING
- Rijden op onverhard terrein
Deze auto is met name bedoeld voor gebruik op de weg maar kan ook op onverhard terrein goed gebruikt worden. De auto is echter niet ontworpen voor het rijden in zwaar terrein. Rijden onder omstandigheden waarvoor de auto en de capaciteiten van de bestuurder ongeschikt zijn, kan leiden tot ernstig letsel van de inzittenden.
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingslampje van de vierwielaandrijving (✗) gaat branden, zit er een storing in de vierwielaandrijving.
Laat in dat geval uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.
Wringen in de bochten
! OPMERKING - 4WD
Scherpe bochten op verharde wegen met lage snelheid in vierwielaandrijving maken het sturen moeilijk.
Wringen in de bochten is een uniek kenmerk van vierwielaangedreven auto's dat wordt veroorzaakt door het verschil in draaisnelheid van de vier wielen en de nulgraden uitlijning van de voorwielen en ophanging.
Scherpe bochten moeten met lage snelheid voorzichtig worden genomen.
Selecteren van de vierwielaandrijving (4WD)
| Stand tussenbak Selectietoets Controlelampje Omschrijving | |||
| 4WD AUTO(4WD LOCK is gedeactiveerd) | ![]() | (Controlelampje brandt niet) | • Tijdens het rijden in stand 4WD AUTO werkt de auto net als normale 2WD-auto's onder normale bedrijfsomstandigheden. Maar als het systeem bepaalt dat de stand 4WD noodzakelijk is wordt de aandrijfkracht van de motor verdeeld over alle vier wielen zonder tussenkomst van de bestuurder.• Tijdens het rijden op normale wegen en asfalt rijdt de auto net zo als normale 2WD-auto's. |
| 4WD LOCK | ![]() | (Controlelampje brandt) | • Deze stand wordt gebruikt om bij het op- en afrijden van steile hellingen, het terreinrijden, het rijden op zanderige of modderige ondergrond, enz. te zorgen voor een maximale tractie.• Deze stand wordt automatisch langzaam gedeactiveerd bij snelheden boven 30 km/h en schakelt over naar 4WD AUTO bij snelheden boven 40 km/h. Als de auto decelereert tot een snelheid van minder dan 40 km/h, wordt de tussenbak weer in de stand 4WD LOCK gezet. |
*AANWIJZING
- Zorg er als u op normale wegen rijdt voor dat de stand 4WD LOCK is uitgeschakeld door op de toets 4WD LOCK te drukken (het controlelampje dooft). Als de stand 4WD LOCK is ingeschakeld terwijl u op normale wegen rijdt, kunnen er (met name bij het nemen van bochten) mechanische bijgeluiden en trillingen worden geproduceerd. De bijgeluiden en trillingen verdwijnen als de stand 4WD LOCK wordt uitgeschakeld. Sommige onderdelen in de aandrijflijn kunnen beschadigd raken als er langdurig met bijgeluiden en trillingen wordt gereden.
- Als de stand 4WD LOCK wordt gedeactiveerd kan een schok worden gevoeld als de aandrijfkracht weer alleen aan de voorwielen wordt geleverd. Deze schok is geen mechanisch defect.
Veilig gebruik van de vierwielaandrijving

WAARSCHUWING
- Rijden met
vierwielaandrijving
De omstandigheden op de weg of in het terrein die vragen om vierwielaandrijving zorgen eroor dat aan alle functies van uw auto hogere eisen worden gesteld dan tijdens het rijden op normale wegen. Ga langzamer rijden en bereid u voor op de andere vorm en samenstelling van het wegoppervlak onder uw wielen. Als u op enigerlei wijze twijfelt aan de veiligheid van de omstandigheden waarmee u te maken hebt, stop dan en denk na over hoe u het beste verder kunt gaan. Overschat uw eigen mogelijkheden en die van uw auto niet.
- Ga niet rijden in diep water of modder want dan kan de motor afslaan en kunnen de uitlaatpijpen verstopt raken. Rijd niet van een steile helling af want het vereist bijzonder veel vaardigheid om de auto onder controle te houden.

- Als u hellingen op of af rijdt, volg dan zo goed mogelijk de rechte lijn omhoog of omlaag. Wees zeer voorzichtig bij het rijden op steile hellingen want uw auto kan kantelen afhankelijk van het hellingspercentage, het terrein en de water/modderomstandigheden.

WAARSCHUWING
- Heuvels
Het rijden langs steile hellingen kan zeer gevaarlijk zijn. Dit gevaar kan worden veroorzaakt door kleine wijzigingen in de stuurwielhoek die de auto kunnen destabiliseren en als de auto wel stabiliteit behoudt tijdens het rijden kan deze de stabiliteit verliezen zodra hij niet meer beweegt. Uw auto kan plotseling zo snel kantelen en omrollen dat u geen tijd meer hebt om uw fout te corrigeren hetgeen ernstig letsel kan veroorzaken.
- U dient er bewust op te oefenen hoe u in een vierwielaangedreven auto de bochten neemt. Vertrouw niet op uw ervaring in normale 2WD-auto's als u de snelheid bepaalt waarmee u in 4WD de bocht neemt. Om te beginnen dient u in 4WD langzamer te rijden.
- Rijd in het terrein voorzichtig omdat uw auto beschadigd kan raken door stenen of boomwortels. Zorg dat u weet hoe de omstandigheden in het terrein zijn voordat u er gaat rijden.

Minder snelheid als u bochten neemt. Het zwaartepunt van 4WD-auto's ligt hoger dan bij normale 2WD-auto's waardoor ze makkelijker omslaan als u de bocht te snel neemt.

WAARSCHUWING
- Stuurwiel
Steek uw arm niet in het stuurwiel tijdens het rijden in het terrein. U kunt uw arm verwonden door een plotselinge stuurbeweging of door schokken van het stuur als gevolg van voorwerpen op de grond. U kunt dan de controle over het stuurwiel verliezen.

WAARSCHUWING
- Gevaarlijke wind
Als u rijdt terwijl het erg hard waait, zorgt het hogere zwaartepunt van de auto ervoor dat de controle over het sturen moeilijker wordt zodat u langzamer moet gaan rijden.
- Als u door water moet rijden, stop de auto dan, stel de stand 4WD LOCK in en rijd niet sneller dan 8 km/h.

WAARSCHUWING
- Rijden door water
Rijd langzaam. Als u te snel rijdt in het water kan opspattend water in de motorruimte terechtkomen waardoor het ontstekingssysteem nat wordt zodat uw auto plotseling stilstaat. Als dit gebeurt terwijl uw auto op een helling staat, kan de auto omslaan.
- Pak altijd de buitenkant van het stuurwiel stevig vast wanneer u op onverhard terrein rijdt.
- Verzeker u er van dat alle passagiers veiligheidsgordels dragen.
*AANWIJZING
- Rijd niet in water dat hoger staat dan de onderzijde van de auto.
- Controleer de werking van de remmen nadat u door modder of water bent gereden. Trap het rempedaal tijdens het rijden licht in totdat u voelt dat de remmen weer normaal werken.
- Verkort het onderhoudsinterval als u op onverhard terrein, zoals in zand, modder of water rijdt (zie "Onderhoud bij gebruik onder zware gebruiksomstandigheden" in hoofdstuk 7). Was uw auto altijd grondig na gebruik in het terrein, met name de onderkant van de auto moet schoongemaakt worden.
- De prestaties van een auto met vierwielaandrijving zijn in hoge mate afhankelijk van de toestand van de banden, aangezien het aandrijfkoppel altijd wordt overgebracht op de vier wielen. Zorg ervoor dat op alle wielen banden van hetzelfde type en met dezelfde maat zijn gemonteerd.
- De auto met permanente vierwielaandrijving kan niet op een normale manier gesleept worden. Als de auto verplaatst moet worden dient dit op een autoambulance te gebeuren.
- Vermijd hoge snelheid in de bochten.
- Maak geen plotselinge stuurbewegingen bij het wisselen van rijbaan of bij het nemen van snelle, scherpe bochten.
- De kans dat de auto over de kop slaat wanneer u de macht over het stuur verliest, is veel groter bij hogere snelheden.
- De kans dat een persoon die zijn of haar veiligheidsgordel niet draagt bij een aanrijding zeer ernstig gewond raakt, is aanmerkelijk groter dan bij een persoon die zijn of haar veiligheidsgordel wel draagt.
- Meestal verliest de bestuurder de macht over het voertuig wanneer twee of meer wielen van de weg raken en de bestuurder het stuur omgooit om de auto weer de weg op te sturen. Gooi het stuur niet om wanneer uw auto van de weg raakt. Minder in plaats daarvan snelheid voordat u de auto terug de weg op stuurt.
⚠ OPMERKING - Modder en sneeuw
Als één van de voor- of achterwielen doorslipt in de modder, in sneeuw, enz. kan de auto soms loskomen door het gaspedaal verder in te trappen. Voorkom dat de motor gedurende een langere periode met een hoog toerental draait, om schade aan de vierwielaandrijving te voorkomen.
Verkleinen van de kans op over de kop slaan
Dit type personenauto, dat geschikt is voor meerdere doeleinden, wordt een Sports Utility Vehicle (SUV) genoemd. Een SUV heeft een grotere bodemvrijheid en een kleinere spoorbreedte. Dit maakt de inzetbaarheid op vele terreinen mogelijk. Door het specifieke ontwerp ligt het zwaartepunt hoger dan bij normale personenauto's. Een voordeel van de grotere bodemvrijheid is dat u een beter overzicht over de weg hebt. Hierdoor kunt u beter anticiperen. Net zo min als sportauto's zijn ontworpen om op onverhard terrein te rijden is uw auto ontworpen om snelle bochten mee te rijden.
Vanwege dit risico, raden wij de bestuurder en passagiers sterk aan om hun veiligheidsgordel vast te maken. De kans dat een persoon die zijn of haar veiligheidsgordel niet draagt zeer ernstig gewond raakt als de auto over de kop slaat, is aanmerkelijk groter dan bij een persoon die wel zijn of haar veiligheidsgordel draagt. Er zijn stappen die een bestuurder kan ondernemen om de kans op over de kop slaan te verkleinen.
Neem scherpe bochten zo voorzichtig mogelijk en voer geen abrupte manoeuvres uit, laad geen zware bagage op het dak en breng geen modificaties aan uw auto aan.

WAARSCHUWING
- Over de kop slaan
Een onjuiste bediening van de auto kan ertoe leiden dat u de macht over het stuur kwijtraakt of dat de auto over de kop slaat.
- SUV's hebben bij een ongeval een grotere kans op over de kop slaan dan andere typen personenauto's.
- Door het specifieke ontwerp (grotere bodemvrijheid, kleinere spoorbreedte, enz.) ligt het zwaartepunt hoger dan bij normale personenauto's.
- Een SUV is niet ontworpen om met dezelfde snelheid als conventionele auto's bochten te nemen.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Neem scherpe bochten zo voorzichtig mogelijk en voer geen abrupte manoeuvres uit.
- De kans dat een persoon die zijn of haar veiligheidsgordel niet draagt zeer ernstig gewond raakt als de auto over de kop slaat, is aanmerkelijk groter dan bij een persoon die wel zijn of haar veiligheidsgordel draagt. Zorg ervoor dat alle inzittenden hun veiligheidsgordel goed dragen.
WAARSCHUWING
Uw auto is voorzien van banden die ontworpen zijn voor veilige rij- en stuureigenschappen. Gebruik geen banden en velgen met een andere maat of van een ander type dan de banden en velgen die oorspronkelijk op de auto zaten. Dit kan de veiligheid en prestaties van uw auto nadelig beinvloeden, wat kan leiden tot ernstig letsel doordat de auto onbestuurbaar wordt of over de kop slaat.
Zorg er bij het vervangen van de wielen voor dat alle vier wielen dezelfde velgmaat, dezelfde bandenmaat, dezelfde profieldikte en hetzelfde draagvermogen hebben. Gebruik ook altijd velgen en banden van hetzelfde merk. Als u de auto voor terreinrijden toch voorziet van een niet door KIA aanbevolen banden- en velgencombinatie, dient u deze banden- en velgencombinatie niet te gebruiken voor het rijden op de snelweg.
⚠ WAARSCHUWING - Opgekrikte auto
Start nooit de motor en laat de motor de wielen nooit ronddraaien wanneer de auto met permanente vierwielaandrijving op een krik staat.
De kans bestaat dat de ronddraaiende wielen de grond raken waardoor de auto van de krik kan schieten.
• Auto's met permanente vierwielaandrijving moeten worden getest op een speciale 4WD-rollenbank.
*AANWIJZING
Trek tijdens het uitvoeren van deze tests nooit de parkeerrem aan.
- Een 4WD-auto mag niet worden getest op een 2WD-rollenbank. Als een 2WD-rollenbank moet worden gebruikt, handelt u als volgt:

- Controleer of de bandenspanning aan de specificaties voldoet.
- Plaats de voorwielen op de testbank voor de snelheidsmeting, zoals aangegeven in de afbeelding.
- Ontgrendel de parkeerrem.
- Plaats de achterwielen op de vrij draaiende rollen, zoals aangegeven in de afbeelding.
WAARSCHUWING - Rollenbanktest
Houd afstand tot de voorzijde van de auto als deze in de versnelling staat op de rollenbank. Dit is een gevaarlijke situatie omdat u, als de auto uit de testbank springt, ernstig letsel kunt oplopen.
! OPMERKING
- Beweeg de voor- en achterwielen niet afzonderlijk bij het opkrikken van de auto. Alle vier de wielen moeten worden bewogen.
- Indien u de voor- en achterwielen moet bewegen bij het opkrikken van de auto, moet u de parkeerrem ontgrendelen.
REMSYSTEEM
Rembekrachtiging
Uw auto is voorzien van bekrachtigde remmen die bij normaal gebruik automatisch afgesteld worden.
Als de rembekrachtiging uitvalt omdat de motor is afgeslagen of door een andere oorzaak, kunt u de auto alsnog tot stilstand brengen door het rempedaal met een grotere kracht dan normaal in te trappen. De remweg zal echter langer dan gewoonlijk zijn.
Als de motor niet draait, wordt de mate van bekrachtiging steeds minder naarmate u vaker het rempedaal indrukt. Als de rembekrachtiging uitvalt, probeer dan niet "pompend" te remmen.
Rem alleen "pompend" als de wielen dreigen te blokkeren.

WAARSCHUWING
- Remmen
- Laat tijdens het rijden uw voet niet op het rempedaal rusten. Hierdoor kan de temperatuur van de remmen abnormaal hoog worden, kunnen de remblokken en -schoenen overmatig slijten en kan de remweg vergroot worden.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Schakel bij het afrijden van een lange of een steile helling een lagere versnelling in en vermijd langdurig achter elkaar remmen. Door langdurig achter elkaar te remmen, zullen de remmen oververhit raken en kan een tijdelijk verlies van remprestaties het gevolg zijn.
- Als de remmen nat zijn, remt de auto minder dan normaal en kan de auto naar één kant trekken tijdens het remmen. Door het rempedaal licht in te trappen, kunt u controleren of het remvermogen door het nat worden is verminderd. Controleer uw remmen altijd op deze manier nadat u door waterplassen bent gereden. Druk voor het drogen van de remmen het rempedaal licht in terwijl u met een lage snelheid rijdt, totdat het remvermogen weer op het normale niveau is.
Problemen bij het remmen
Als de bedrijfsremmen tijdens het rijden uit zouden vallen, kunt u de auto met behulp van de parkeerrem alsnog tot stilstand brengen. Houd daarbij dan wel rekening met een veel langere remweg dan normaal.

WAARSCHUWING
- Parkeerrem
Wanneer tijdens het rijden met een normale snelheid de parkeerrem wordt aangetrokken, kunt u plotseling de controle over de auto verliezen. Trek de parkeerrem voorzichtig aan wanneer u deze gebruikt om de auto tot stilstand te brengen.
Remblokslijtage-indicatoren
Wanneer de remblokken vóór of achter (indien van toepassing) versleten zijn, hoort u als waarschuwing een piepend geluid van de remmen. Dit geluid kan af en toe hoorbaar zijn of op het moment dat u het rempedaal intrapt.
Onder sommige rijomstandigheden of bij sommige klimaten kunnen de remmen piepen wanneer u het rempedaal voor de eerste keer of lichtjes intrapt. Dit is normaal en duidt niet op een probleem met de remmen.

OPMERKING
- Blijf, om kostbare reparaties aan de remmen te voorkomen, niet rijden met versleten remblokken.
- Vervang de remblokken van één as altijd gelijktijdig.

WAARSCHUWING
- Remblokslijtage
Dit waarschuwingsgeluid geeft aan dat de remblokken van uw auto vervangen moeten worden. Wanneer u deze waarschuwing negeert, kunnen de remprestaties na een poosje verminderen, wat tot ernstige ongevallen kan leiden.

Activeren van de parkeerrem
Trap eerst de voetrem in en trek daarna de parkeerremhendel zonder de ontgrendelknop in te drukke zo ver mogelijk omhoog.
Verder wordt geadviseerd bij het parkeren op een helling de transmissie in een lage versnelling te zetten bij auto's met een handgeschakelde transmissie of in stand P bij auto's met een automatische transmissie.

OPMERKING
Wanneer met ingetrapte parkeerrem gereden wordt, zullen de remblokken overmatig slijten.

Ontgrendelen van de parkeerrem
Trap het rempedaal in en trek de parkeerremhendel iets omhoog.
Druk vervolgens de ontgrendelknop (1) in en beweeg de parkeerremhendel (2) naar beneden terwijl u de ontgrendelknop ingedrukt houdt.
Laat de auto controleren door een officiële KIA-dealer als de parkeerrem niet of niet helemaal in de vrijstand terugkeert.
WAARSCHUWING
- Gebruik stand P niet in plaats van de parkeerrem om de auto op zijn plaats te houden. Activeer de parkeerrem EN zet de versnellingspook in de 1e versnelling of de achteruitversnelling (handgeschakelde transmissie) of zet de selectie-hendel in stand P (automatische transmissie).
- Laat kinderen en personen die niet bekend zijn met de auto niet aan de parkeerrem komen. Als de parkeerrem per ongeluk wordt gedeactiveerd, kan er ernstig letsel ontstaan.
- Bij het parkeren van de auto moet altijd de parkeerrem worden geactiveerd om te voorkomen dat de auto zich onbedoeld in beweging zet, waardoor de inzittenden of voetgangers letsel op zouden kunnen lopen.

W-75
Controleer of het waarschuwingslampje van het remsysteem werkt door het contact in stand ON te zetten (start de motor niet). Dit lampje gaat branden wanneer het contact in stand START of ON wordt gezet en de parkeerrem is geactiveerd.
Zorg ervoor dat de parkeerrem voor het wegrijden vrij is en controleer of het waarschuwingslampje van het remsysteem niet brandt.
Als het waarschuwingslampje van het remsysteem blijft branden nadat de parkeerrem vrij is en de motor draait, kan er een storing in het remsysteem zijn. Laat dit direct controleren.
Breng de auto indien mogelijk direct tot stilstand. Als dat niet mogelijk is, rijdt dan erg voorzichtig door naar een plaats waar u wel kunt stoppen.
Antiblokkeersysteem (ABS)

WAARSCHUWING
ABS (of ESP) kan geen ongelukken voorkomen die het gevolg zijn van gevaarlijk rijgedrag. Hoewel de auto bij een noodstop beter onder controle gehouden kan worden, is het toch noodzakelijk voldoende afstand tot uw voorligger te bewaren. U moet uw rijsnelheid altijd aanpassen aan de omstandigheden en zo nodig uw snelheid verlagen.
De remweg van auto's met ABS (of ESP) kan in de volgende situaties langer zijn dan van auto's zonder een dergelijk systeem.
Rijd in dergelijke situaties met een gereduceerde snelheid:
- Op slechte wegen, wegen met steenslag of wegen die met sneeuw bedekt zijn.
- Als er sneeuwkettingen gemonteerd zijn.
- Op wegen met kuilen of met hoogteverschillen.
(Vervolg)
(Vervolg)
Probeer de werking van het ABS (of ESP) van uw auto niet uit bij hoge snelheden of tijdens het nemen van een bocht. Hiermee kunt u zichzelf en anderen in gevaar brengen.
Het ABS registreert continu de snelheid van de wielen. Zodra de wielen dreigen te blokkeren, vermindert het ABS de hydraulische remdruk op de wielen.
In dat geval is een tikkend geluid hoorbaar in het remsysteem en kan het rempedaal gaan trillen. Dit is normaal. Het betekent dat het ABS in werking is getreden.
Om in een noodsituatie het maximale rendement uit het ABS te halen, dient u niet zelf "pompend" te gaan remmen. Trap het rempedaal zo hard mogelijk in en laat het ABS verder het werk doen.
*AANWIJZING
Na het starten van de motor en het wegrijden kan er in de motorruimte een klikkend geluid hoorbaar zijn. Dat is normaal en geeft aan dat het ABS op de juiste manier werkt.
- Zelfs met het antiblokkeersysteem heeft uw auto nog steeds voldoende remweg nodig. Bewaar altijd een veilige afstand tot de auto voor u.
- Rem altijd af voor een bocht. Het antiblokkeersysteem kan geen ongevallen voorkomen die het gevolg zijn van te snel rijden.
- Op wegen met los grind of wegen die niet vlak zijn kan het antiblokkeersysteem voor een langere remweg zorgen dan bij auto's zonder antiblokkeersysteem.

W-78

OPMERKING
- Wanneer het waarschuwingslampje ABS brandt en blijft branden, is er mogelijk een probleem aanwezig in het ABS. In dat geval werken de remmen echter wel normaal.
- Het waarschuwingslampje ABS gaat nadat het contact om stand ON is gezet ongeveer 3 seconden branden. Het ABS voert dan een zelfdiagnose uit en het lampje zal doven wanneer alles in orde is. Wanneer het lampje blijft branden, is er mogelijk een probleem aanwezig in het ABS. Laat de auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.
! OPMERKING
- Als u op een weg rijdt waar erg weinig grip is, bijvoorbeeld bij vorst, en voortdurend de remmen bedient, is het ABS voortdurend in werking en kan het waarschuwingslampje ABS gaan branden. Zet de auto stil op een veilige plaats en zet de motor uit.
- Start de motor opnieuw. Als het waarschuwingslampje ABS dooft, is het ABS in orde. Anders is er mogelijk een storing in het ABS. Laat de auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.
*AANWIJZING
Als u de auto met een hulpaccu moet starten doordat de accu is leeggeraakt, draait de motor mogelijk niet soepel rond en kan bovendien het waarschuwingslampje ABS gaan branden. Dit komt door de lage accuspanning. Het betekent niet dat er een storing in het ABS is.
- Rem niet "pompend"!
- Laat de accu bijladen voordat u wegrijdt.

Voertuigstabiliteitsregeling (ESP - Electronic stability program) (indien van toepassing)
Het ESP-systeem is ontworpen om de stabiliteit van de auto in bochten te verbeteren. Het ESP controleert in welke richting u stuurt en in welke richting de auto daadwerkelijk beweegt. Het ESP remt de wielen gericht af en grijpt indien nodig in in het motormanagement-systeem om de auto te stabiliseren.
WAARSCHUWING
Rijd niet harder dan de toestand van de weg toelaat en neem bochten niet met een te hoge snelheid. De voertuigstabiliteitsregeling (ESP) kan aanrijdingen niet voorkomen. Te hoge bochtensnelheden, abrupte uitwijkmanoeuvres en aquaplaning op een nat wegdek kunnen nog steeds leiden tot ernstige ongelukken. Alleen een bestuurder die veilig en oplettend rijdt kan aanrijdingen voorkomen door manoeuvres te vermijden die kunnen leiden tot het verlies van grip van de banden. Neem ook bij een auto die is uitgerust met ESP de normale voorzorgsmaatregelen in acht en pas uw snelheid altijd aan aan de omstandigheden.
Het ESP-systeem (Electronic Stability Program) is een elektronisch systeem dat ontworpen is om de auto onder ongunstige omstandigheden beter onder controle te kunnen houden. Het systeem is geen vervanging voor een veilig rijgedrag. Zaken als snelheid, conditie van de weg en stuurcommando's van de bestuurder hebben invloed op de mate waarin het ESP verlies van controle over de auto kan voorkomen. Het blijft te allen tijde de verantwoordelijkheid van de bestuurder de snelheid aan te passen aan de omstandigheden en te zorgen voor een juiste veiligheidsmarge.
In dat geval is een tikkend geluid hoorbaar in het remsysteem en kan het rempedaal gaan trillen. Dit is normaal. Het betekent dat het ESP in werking is getreden.
*AANWIJZING
Na het starten van de motor en het wegrijden kan er in de motorruimte een klikkend geluid hoorbaar zijn. Dat is normaal en geeft aan dat het ESP op de juiste manier werkt.
Werking voertuigstabiliteitsregeling Voertuigstabiliteitsregeling ingeschakeld

- Als het contact in stand ON wordt gezet, gaan de controlelampjes ESP en ESP OFF gedurende ongeveer 3 seconden branden, waarna de voertuigstabiliteitsregeling wordt ingeschakeld.
- Houd, om de voertuigstabiliteitsregeling uit te schakelen, de schakelaar ESP OFF ten minste 0,5 seconden ingedrukt nadat het contact in stand ON is gezet. (Het controlelampje ESP OFF gaat branden.) Druk op de schakelaar ESP OFF om de voertuigstabiliteitsregeling in te schakelen (het controlelampje ESP OFF dooft).
- Tijdens het starten van de motor is mogelijk een zacht tikkend geluid hoorbaar. Dit is de automatische zelfdiagnosefunctie van de voertuigstabiliteitsregeling en duidt niet op een storing.
In werking

Als de voertuigstabiliteitsregeling in werking treedt, gaat het controlelampje ESP knipperen.
- Als de voertuigstabiliteitsregeling werkt, voelt u mogelijk lichte trillingen in de auto. Dit wordt veroorzaakt door het aansturen van de remmen en is normaal.
- Tijdens het wegrijden op een gladde weg neemt het motortoerental mogelijk niet toe, ondanks dat u het gaspedaal intrapt.
Voertuigstabiliteitsregeling uitschakelen
Voertuigstabiliteitsregeling uitgeschakeld
• Druk op toets ESP OFF om de voertuigstabiliteitsregeling uit te schakelen. Het controlelampje ESP OFF gaat branden.
- De voertuigstabiliteitsregeling blijft uitgeschakeld, ook als u het contact in stand LOCK zet. Pas wanneer de motor opnieuw wordt gestart, zal de voertuigstabiliteitsregeling automatisch weer worden ingeschakeld.
■ Controle- en waarschuwingslampje ESP

■ Controlelampje ESP OFF (gaat branden)

Controlelampje
Als het contact in stand ON wordt gezet, gaat het controlelampje branden. Als het systeem in orde is dooft het lampje na enige tijd weer.
Controlelampje ESP
Het controlelampje ESP gaat knipperen zodra het systeem in werking treedt.
Waarschuwingslampje ESP
Het waarschuwingslampje ESP gaat branden wanneer het ESP niet in werking treedt.
Controlelampje ESP OFF
Het controlelampje ESP OFF gaat branden als het ESP wordt uitgeschakeld met de schakelaar.
! OPMERKING
Als er banden en/of velgen met een verschillende maat onder de auto gemonteerd zijn, kan dat de werking van het ESP in negatieve zin beïnvloeden. Zorg er daarom voor dat als de banden onder uw auto vervangen moeten worden, ze dezelfde maat hebben als de originele banden.
WAARSCHUWING
De voertuigstabiliteitsregeling is slechts een hulpmiddel bij het rijden. Pas op bochtige en gladde wegen uw rijsnelheid aan. Rijd voorzichtig en probeer niet te accelereren als het controlelampje ESP knippert of als u op een gladde weg rijdt.
Voertuigstabiliteitsregeling uitschakelen
Tijdens het rijden
- Het verdient aanbeveling om de voertuigstabiliteitsregeling waar mogelijk ingeschakeld te houden.
- Schakel de voertuigstabiliteitsregeling tijdens het rijden alleen uit als u op een vlakke weg rijdt.
WAARSCHUWING
Druk nooit op de schakelaar ESP OFF als de voertuigstabiliteitsregeling in werking is (controlelampje ESP knippert). Als het systeem in dat geval toch wordt uitgeschakeld, kan de auto gaan slippen.
*AANWIJZING
- Schakel de voertuigstabiliteitsregeling uit (controlelampje ESP OFF brandt) als de auto op een rollenbank getest wordt. Als dat niet gebeurt, kan het toerental van de wielen mogelijk niet verhoogd worden, waardoor een foutieve diagnose zou kunnen worden gesteld.
- Het uitschakelen van voertuigstabiliteitsregeling heeft geen gevolgen voor een correcte werking van het ABS en het remsysteem.
Vehicle stability management (VSM) (indien van toepassing)
Dit systeem zorgt voor nog meer stabiliteit en een betere stuurreactie bij het rijden op een glad wegdek of wanneer de auto tijdens het remmen een verschil in weerstand waarneemt tussen de rechter- en linkerwielen..
de,
Werking VSM
Als het VSM in werking is, gaat het controlelampje ESP ( ) knipperen.
Als het Vehicle Stability Management werkt, voelt u mogelijk lichte trillingen in de auto en/of ongewone bewegingen in het stuur (EPS). Dit wordt veroorzaakt door het aansturen van de remmen en is normaal.
Het VSM werkt niet wanneer:
- Op een hellend wegdek wordt gereden, bijvoorbeeld helling op of helling af
- Achteruit wordt gereden
- Het controlelampje ESP OFF (in het instrumentenpaneel blijft branden
- Het controlelampje ESP in het instrumentenpaneel blijft branden
VSM uitschakelen
Als u op de toets ESP OFF drukt om het ESP uit te schakelen, wordt ook het VSM uitgeschakeld en gaat het controlelampje ESP OFF ( ) branden.
Druk nogmaals op de toets om het VSM weer in te schakelen. Het controlelampje ESP OFF dooft.
Controlelampje Storing
Zelfs wanneer u de toets ESP OFF niet indrukt, wordt het VSM mogelijk uitgeschakeld. Dit geeft aan dat er ergens in de elektrische stuurbekrachtiging of het VSM-systeem een storing is waargenomen. Laat, als het controlelampje ESP (of het waarschuwingslampje EPS blijft branden, uw auto door een officiële KIA-dealer controleren.
*AANWIJZING
- Het VSM dient in werking te treden bij een snelheid van ten minste 15 km/h bij het nemen van bochten.
- Het VSM dient in werking te treden bij een snelheid van ten minste 30 km/h wanneer de auto remt op een split-mu-weg. Een split-mu-weg is een weg waarbij de wrijvingscoëfficiënt voor de wielen (links en rechts) verschillend is.
WAARSCHUWING
- Het Vehicle Stability Management -systeem is geen vervanging voor een veilig rijgedrag en dient slechts als hulpmiddel. Het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder om altijd de snelheid en de afstand tot de voorligger in de gaten te houden. Houd het stuurwiel tijdens het rijden stevig vast.
- Uw auto dient naar de wens van de bestuurder te werken, ook wanneer deze met VSM is uitgerust. Neem altijd de normale voorzorgsmaatregelen in acht en pas uw snelheid altijd aan aan de omstandigheden, zoals slecht weer en een glad wegdek.
- Als er banden en/of velgen met een verschillende maat onder de auto gemonteerd zijn, kan dat de werking van het VSM in negatieve zin beïnvloeden. Zorg er daarom voor dat als de banden onder uw auto vervangen moeten worden, banden worden gebruikt die dezelfde maat hebben als de originele banden.
Hill-start Assist Control (HAC) (indien van toepassing)
Een auto heeft de neiging om achteruit te rijden als u wegrijdt op een helling. De Hill-start Assist Control (HAC) voorkomt dat de auto dan achteruitrijdt, doordat de remmen automatisch ongeveer 2 seconden bediend worden. De remmen worden weer gelost wanneer het gaspedaal ingetrapt wordt of na ongeveer 2 seconden.
WAARSCHUWING
De HAC werkt maar ongeveer 2 seconden. Trap dus altijd het gaspedaal in wanneer de auto in beweging komt.
*AANWIJZING
- De HAC werkt niet wanneer de selectiehendel in stand P of N staat.
- De HAC wordt wel geactiveerd wanneer het ESP-systeem uitgeschakeld is, maar niet wanneer er een storing in het ESP-systeem is opgetreden.

Downhill Brake Control (DBC) (indien van toepassing)
De Downhill Brake Control (DBC) ondersteunt de bestuurder bij het afrijden van een steile helling, zonder dat de bestuurder het rempedaal hoeft in te trappen. De DBC vertraagt de auto tot minder dan 8 km/h, zodat de bestuurder alleen maar de auto hoeft te besturen. De DBC is standaard uitgeschakeld wanneer het contact ingeschakeld wordt. U kunt DBC in- of uitschakelen met de toets
| Functie | Controlelampje | Beschrijving |
| Stand-by | Verlicht | Druk de toets DBC in wanneer de rijsnelheid lager is dan 40 km/h. Het DBC-systeem wordt ingeschakeld in de stand-bymodus.Het systeem wordt niet geactiveerd als de rijsnelheid hoger is dan 40 km/h. |
| Geactiveerd | Knippert | In de stand-bymodus, wanneer de rijsnelheid lager is dan 35 km/h en de auto een steile helling afrijdt, wordt de DBC automatisch geactiveerd. |
| Tijdelijk gedeacti-veerd | Verlicht | Als de DBC geactiveerd is, zal deze tijdelijk gedeactiveerd worden wanneer:De helling niet steil genoeg is.Het rem- of gaspedaal wordt ingetrapt.Als deze omstandigheden niet meer aanwezig zijn, wordt het DBC-systeem automatisch opnieuw geactiveerd. |
| UIT | Niet verlicht | Het DBC-systeem wordt uitgeschakeld wanneer:De toets DBC opnieuw ingedrukt wordt.De rijsnelheid hoger is dan 60 km/h. |
WAARSCHUWING
Als het rode controlelampje van het DBC-systeem gaat branden, is het systeem oververhit of is er een storing opgetreden. Het DBC-systeem zal niet geactiveerd worden. Laat het systeem nakijken door een officiële KIA-dealer als het rode controlelampje van het DBC-systeem blijft branden terwijl het DBC-systeem voldoende afgekoeld is.
*AANWIJZING
- Het DBC-systeem wordt niet geactiveerd in stand P.
- Het DBC-systeem wordt mogelijk niet geactiveerd als het ESP- (of BAS, indien van toepassing) systeem wordt geactiveerd.
- Wanneer het DBC-systeem wordt geactiveerd, kunnen de remmen geluid maken of trillen.
- De remlichten gaan branden als het DBC-systeem wordt geactiveerd.
- Op een erg steile helling wordt het DBC-systeem mogelijk niet gedeactiveerd, ondanks dat het rempedaal of het gaspedaal wordt ingetrapt.
- Schakel het DBC-systeem op normale wegen altijd uit. Het DBC-systeem kan vanuit de stand-bymodus geactiveerd worden bij abrupte stuurbewegingen of het rijden over een drempel.
- In auto's met handgeschakelde transmissie kan het DBC-systeem bij rijden in de 3e versnelling (of hoger) geactiveerd worden en ervoor zorgen dat de motor afslaat. Schakel het DBC-systeem niet in als u in de 3e versnelling (of hoger) rijdt.
Goede remgewoonten

WAARSCHUWING
- Trek bij het verlaten of parkeren van de auto altijd de parkeerrem aan en zet de transmissie in stand P. Indien de parkeerrem niet is aangetrokken en de transmissie niet in stand P is gezet, kan de auto onbedoeld in beweging komen waardoor u of anderen letsel kunnen oplopen.
-
Bij het parkeren van de auto moet altijd de parkeerrem worden geactiveerd om te voorkomen dat de auto zich onbedoeld in beweging zet, waardoor de inzittenden of voetgangers letsel op zouden kunnen lopen.
-
Controleer na het parkeren of de parkeerrem gedeactiveerd is en het controlelampje voor de parkeerrem uit is alvorens weg te rijden.
-
Als u met de auto door plassen rijdt, worden de remmen nat. Ook als de auto gewassen is, kunnen de remmen nat geworden zijn. Het rijden met natte remmen kan gevaarlijk zijn! De remweg van uw auto wordt langer als de remmen nat zijn. Ook kan de auto tijdens het remmen naar één kant trekken als de remmen nat zijn.
U kunt de remmen drogen door het rempedaal tijdens het rijden licht in te trappen. Als de remmen droog zijn, werkt het remsysteem weer normaal. Als het remsysteem echter na het drogen niet normaal werkt, breng dan de auto op een veilige plaats tot stilstand en neem contact op met een officiële KIA-dealer voor hulp. -
Zet de transmissie tijdens het afrijden van een helling niet in de vrijstand. Dit is bijzonder gevaarlijk. Rijd met een ingeschakelde versnelling, gebruik het remsysteem om de snelheid te verlagen en schakel vervolgens een lagere versnelling in. Door tevens op de motor af te remmen, kunt u de snelheid op een veilige manier verlagen.
-
Houd het rempedaal niet langdurig achter elkaar ingetrapt. Als u tijdens het rijden het rempedaal ingetrapt houdt, kan dat gevaar opleveren omdat het remsysteem hierdoor oververhit kan raken, waardoor de remwerking minder wordt. Verder resulteert het ingetrapt houden van het remsysteem voor extra slijtage aan onderdelen van het remsysteem.
-
Trap het rempedaal geleidelijk in en verlaag uw snelheid terwijl u rechtuit blijft rijden als u tijdens het rijden een lekke band krijgt. Breng uw auto op een veilige plaats tot stilstand.
- Zorg ervoor dat uw auto niet gaat kruipen als uw auto is voorzien van een automatische transmissie. Voorkom kruipen door het rempedaal ingetrapt te houden als de auto stilstaat.
-
Neem de nodige voorzorgsmaatregelen in acht bij het parkeren op een helling. Activeer de parkeerrem en zet de selectiehendel in stand P (automatische transmissie) of in de 1e versnelling of de achteruit (handgeschakelde transmissie).
Draai de voorwielen naar de stoeprand als de auto met de voorzijde naar beneden wijst, om te voorkomen dat de auto wegrolt. Draai de voorwielen van de stoeprand af als de auto met de voorzijde naar boven wijst, om te voorkomen dat de auto wegrolt. Als er geen geschikte stoeprand naast de weg aanwezig is die de auto tegen kan houden, leg dan blokken voor de wielen. -
Onder bepaalde omstandigheden kan de parkeerrem in geactiveerde toestand vastvriezen. De kans daar op is het grootst als er rond de achterremmen sprake is van een opeenhoping van sneeuw of ijs of als de remmen nat zijn. Als de kans bestaat dat de parkeerrem vast gaat vriezen, gebruik hem dan alleen maar tijdelijk tijdens het in stand P zetten van de transmissie (automatische transmissie) of in de 1e versnelling of achteruit zetten (handgeschakelde transmissie) en het blokkeren van de wielen. Deactiveer daarna de parkeerrem.
- Houd de auto op een helling niet op zijn plaats door gas te geven. Hierdoor kan de transmissie oververhit raken. Gebruik altijd de voetrem of de parkeerrem.
ESS: Noodstopsignaal
Het ESS-systeem waarschuwt achteropkomende bestuurders door het remlicht te laten knipperen wanneer de auto plotseling tot stilstand komt of het ABS wordt geactiveerd. (Het systeem wordt geactiveerd wanneer de rijsnelheid hoger dan 55 km/h is en de auto ten minste 7 m/s² decelereert of het ABS wordt geactiveerd wanneer de auto een noodstop maakt.)
Het remlicht dooft weer wanneer de rijsnelheid lager is dan 40 km/h en het ABS wordt gedeactiveerd of de auto niet meer sterk afremt. In plaats daarvan gaan de alarmknipperlichten automatisch branden.
De alarmknipperlichten doven wanneer de rijsnelheid hoger is dan 10 km/h zodra de auto weer begint te rijden. De alarmknipperlichten doven ook wanneer de auto langere tijd met een lage snelheid rijdt. U kunt de lichten uitschakelen door de schakelaar van de alarmknipperlichten in te drukken.

OPMERKING
Het ESS-systeem werkt niet wanneer de alarmknipperlichten al zijn ingeschakeld.
CRUISE CONTROL-SYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)

De cruise control stelt u in staat een bepaalde rijsnelheid te programmeren die de auto vervolgens aanhoudt, zonder dat u de voet op het gaspedaal hoeft te houden.
Dit systeem is ontworpen om bij een snelheid van meer dan 40 km/h in werking te treden.
WAARSCHUWING
- Als het systeem niet wordt uitgeschakeld (controlelampje CRUISE blijft branden) kan de cruise control mogelijk onbedoeld worden geactiveerd. Zet het systeem uit (controlelampje CRUISE UIT) wanneer de cruise control niet gebruikt wordt.
- Gebruik het cruise control- systeem alleen indien de verkeersdrukte en de weersomstandigheden dat toelaten.
- Gebruik de cruise control nooit wanneer niet veilig met een constante snelheid gereden kan worden, bijvoorbeeld bij filerijden, op gladde wegen (door regen, ijs of sneeuw), bochtige wegen of op bergwegen met een hellingspercentage van meer dan 6%.
- Houd bij het gebruik van het cruise control-systeem de rijomstandigheden extra in acht.
! OPMERKING
Schakel bij het rijden met de cruise control bij een auto met handgeschakelde transmissie niet naar de vrijstand zonder het koppelingspedaal in te trappen. De motor zal dan met een te hoog toerental draaien. Trap, wanneer dit gebeurt, het koppelingspedaal in of zet de cruise control UIT met de hoofdschakelaar.
* AANWIJZING
Tijdens de normale werking van de cruise control zal deze na ongeveer 3 seconden in werking treden wanneer de toets SET wordt ingedrukt of opnieuw wordt ingedrukt nadat geremd is. Deze vertraging is normaal.

* Het onderdeel wijkt mogelijk af van de afbeelding.
Rijsnelheid instellen:
-
Druk op de toets CRUISE ON-OFF (op het stuurwiel om het systeem in te schakelen. Het controlelampje CRUISE in het instrumentenpaneel gaat branden.
-
Accelereer naar de gewenste worden. snelheid, die hoger moet zijn dan 40 km/h
-
Druk de schakelaar SET- in en laat de schakelaar los als de gewenste snelheid is bereikt. Het controlelampje SET in het instrumentenpaneel zal gaan branden. Laat op dat moment ook het gaspedaal los. De snelheid wordt nu automatisch aangehouden.
Op steile hellingen kan de snelheid van de auto tijdelijk iets hoger of lager

Rijsnelheid verhogen
Volg één van de volgende procedures:
- Houd schakelaar RES+ ingedrukt. De auto zal accelereren. Laat de schakelaar los op het moment dat de gewenste snelheid is bereikt.
- Druk schakelaar RES+ in en laat deze meteen los. De ingestelde snelheid wordt elke keer dat de schakelaar RES+ op deze manier bediend wordt met 2,0 km/h - dieselmotor, verhoogd.

Rijsnelheid verlagen:
Volg één van de volgende procedures:
- Houd de toets SET- ingedrukt. De auto mindert geleidelijk snelheid. Laat de schakelaar los op het moment dat de gewenste snelheid is bereikt.
- Druk schakelaar SET- in en laat hem meteen los. De ingestelde snelheid wordt elke keer dat de schakelaar SET-op deze manier bediend wordt met 2,0 km/h - dieselmotor, verlaagd.
Tijdelijk accelereren met ingeschakelde cruise control:
Trap het gaspedaal in als u tijdelijk sneller wilt gaan rijden terwijl de cruise control is ingeschakeld. De cruise control wordt niet uitgeschakeld en de rijsnelheid die oorspronkelijk was ingesteld blijft behouden.
Laat het gaspedaal los om weer terug te keren naar de oorspronkelijke rijsnelheid.

Schakel de cruise control op één van de volgende manieren uit:
- Trap het rempedaal in.
- Trap het koppelingspedaal in (handgeschakelde transmissie).
- Zet de selectiehendel in stand N (automatische transmissie).
- Druk de schakelaar CANCEL op het stuurwiel.
- Verlaag de snelheid tot een snelheid die 20 km/h lager is dan de snelheid die in het geheugen is opgeslagen.
- Verlaag de snelheid tot een snelheid die lager is dan ongeveer 40 km/h.
Door deze handelingen wordt de werking van de cruise control onderbroken (het controlelampje SET op het instrumentenpaneel gaat uit), maar wordt het systeem niet uitgeschakeld. Om de werking van de cruise control te hervatten drukt u op schakelaar RES+ op het stuurwiel. De cruise control keert terug naar de eerder door u ingestelde snelheid.

Terugkeren naar ingestelde rijsnelheid (boven 40 km/h):
De meest recente snelheid wordt automatisch hervat wanneer de toets RES+ wordt ingedrukt. Dit kan alleen als de ingestelde rijsnelheid niet onderbroken is met schakelaar CRUISE ON-OFF (3) en het systeem nog steeds geactiveerd is.
De ingestelde snelheid wordt echter niet hervat wanneer de snelheid minder is dan 40 km/h.
Schakel de cruise control op één van de volgende manieren uit:
- Druk op de toets CRUISE ON-OFF (he controlelampje CRUISE op het instrumentenpaneel gaat uit).
- Zet het contact in stand LOCK. In deze beide gevallen wordt het systeem uitgeschakeld. Volg de aanwijzingen onder "Rijsnelheid instellen" op de vorige bladzijde om de cruise control opnieuw in te schakelen.
ACTIEF ECO-SYSTEEM (ALLEEN 2,0 DIESELMOTOR MET AUTOMATISCHE TRANSMISSIE, INDIEN VAN TOEPASSING)

Werking Actief ECO-systeem
Het actieve ECO-systeem helpt het brandstofverbruik te verlagen door regeling van de motor, de transmissie en de airconditioning. Maar het brandstofverbruik kan worden beïnvloed door de rijgewoonten van de bestuurder en de toestand van de weg.
- Wanneer de toets active ECO wordt ingedrukt, gaat het controlelampje ECO (groen) branden om aan te geven dat het actieve ECO-systeem in werking is.
- Wanneer het actieve ECO-systeem is ingeschakeld, wordt het systeem niet uitgeschakeld, zelfs wanneer de motor weer wordt gestart. Druk nogmaals op de toets active ECO om het systeem uit te schakelen.
- Wanneer het actieve ECO-systeem is uitgeschakeld, keert het systeem terug in de stand ECO.
Wanneer het actieve ECO- systeem wordt ingeschakeld:
- Het geluid van de auto neemt mogelijk toe.
- De rijsnelheid neemt mogelijk af.
- De prestaties van de airconditioning nemen mogelijk af.
Begrenzing werking actief ECO-systeem:
Indien onderstaande situaties zich voordoen terwijl het actieve ECO-systeem in werking is, wordt de werking van het systeem begrensd, ook al wijzigt het controlelampje ECO niet.
- Wanneer de koelvloeistoftemperatuur laag is:
Het systeem wordt begrensd totdat de motor weer naar behoren presteert.
- Bij het oprijden van een helling: Het systeem wordt begrensd voor meer vermogen bij het oprijden van de helling, doordat het motorkoppel beperkt is.
- In de sportstand: Het systeem wordt begrensd overeenkomstig de ingeschakelde versnelling.
BRANDSTOFBESPARING
Het brandstofverbruik van uw auto is voornamelijk afhankelijk van uw rijstijl, de plaatsen waar u rijdt en de omstandigheden waaronder u rijdt.
Al deze factoren zijn van invloed op het totale aantal kilometers dat u op een liter brandstof kunt afleggen. Door de onderstaande suggesties op te volgen, verbruikt uw auto zo min mogelijk brandstof en bespaart u geld op zowel de brandstof als op reparaties en onderhoud:
- Rijd zo vloeiend mogelijk. Verhoog uw snelheid geleidelijk. Rijd niet volgas weg bij een verkeerslicht en houd uw snelheid zo constant mogelijk. Sprint niet van verkeerslicht naar verkeerslicht. Pas uw snelheid zoveel mogelijk aan aan de snelheid van de overige verkeersdeelnemers zodat u niet onnodig moet vertragen of versnellen. Vermijd indien mogelijk verkeersopstoppingen. Bewaar altijd voldoende afstand tot uw voorligger, zodat u onnodig remmen kunt voorkomen. Dat beperkt tevens de slijtage aan het remsysteem.
- Rijd niet harder dan nodig is. Hoe harder u rijdt, hoe meer brandstof uw auto verbruikt. Rijden met een constante, niet al te hoge snelheid, vooral op de snelweg, is een van de meest effectieve manieren om brandstof te besparen.
- Regel de snelheid niet met het rempedaal of het koppelingspedaal. Dat verhoogt het brandstofverbruik en kan tevens de slijtage aan deze componenten bespoedigen. Verder kan, als u uw voet tijdens het rijden op het rempedaal laat rusten, het remsysteem oververhit raken, waardoor de remwerking in negatieve zin beïnvloed kan worden, hetgeen ernstige consequenties kan hebben.
-
Zorg goed voor uw banden. Houd de bandenspanning op de geadviseerde waarde. Een onjuiste bandenspanning, te hoog of te laag, leidt tot onnodige bandenslijtage. Controleer de bandenspanning minimaal een keer per maand.
-
Zorg ervoor dat de wielen goed uitgelijnd zijn. Een onjuiste uitlijning van de wielen kan het gevolg zijn van het rijden tegen stoepranden of van het met een te hoge snelheid rijden over een weg met kuilen en hobbels. Een onjuiste uitlijning zorgt voor een snellere bandenslijtage en kan naast een hoger brandstofverbruik ook nog andere problemen veroorzaken.
- Houd uw auto in een goede conditie. Laat het onderhoud aan uw auto uitvoeren volgens het onderhoudsschema in hoofdstuk 7. Dat is essentieel voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik en zo laag mogelijke onderhoudskosten.
Bij ongunstige gebruiksomstandigheden dient er vaker onderhoud te worden uitgevoerd (zie hoofdstuk 7 voor meer details).
- Houd uw auto schoon. Om optimaal service aan uw auto te kunnen laten uitvoeren, moet uw auto schoon zijn en moeten materialen die corrosie kunnen veroorzaken, verwijderd worden. Het is vooral belangrijk opeenhopingen van modder, vuil, ijs, enz. aan de onderzijde van de auto te voorkomen. Het extra gewicht van dergelijke opeenhopingen verhoogt het brandstofverbruik en het materiaal kan corrosie veroorzaken omdat het lang vochtig kan blijven.
- Houd uw auto zo licht mogelijk. Vervoer geen onnodig gewicht in uw auto. Hoe zwaarder de auto, hoe hoger het brandstofverbruik.
- Laat de motor niet langer stationair draaien dan nodig is. Als u ergens moet wachten (en niet aan het verkeer deelneemt), zet dan de motor uit en start de motor pas weer als u weg wilt rijden.
-
Denk eraan dat u uw auto niet langdurig warm hoeft te laten draaien. Laat de motor na het starten 10 - 20 seconden stationair draaien voordat u een versnelling inschakelt. Bij zeer lage buitentemperaturen kunt u deze periode iets verlengen.
-
Laat de motor niet "bokken" of met een hoog toerental draaien. Bokken is het verschijnsel dat de motor onregelmatig gaat draaien als u met een te lage snelheid in een te hoge versnelling gaat rijden. Schakel als dat gebeurt terug naar een lagere versnelling. Bij een te hoog toerental draait de motor meer toeren dan goed voor hem is. Dat kan worden voorkomen door te schakelen bij de aanbevolen snelheden.
- Maak met beleid gebruik van de airconditioning. De airconditioning wordt aangedreven door de motor, waardoor het brandstofverbruik toeneemt als de airconditioning gebruikt wordt.
- Geopende ruiten verhogen bij hoge snelheid het brandstofverbruik.
- Het brandstofverbruik neemt toe bij zijn tegenwind. Verminder onder deze omstandigheden snelheid om het brandstofverbruik enigszins te beperken.
Het in goede staat houden van uw auto is van groot belang voor zowel de veiligheid als het brandstofverbruik. Laat daarom het voorgeschreven periodieke onderhoud uitvoeren door een officiële KIA-dealer.

WAARSCHUWING
- Rijden met uitgezette motor
Zet nooit de motor tijdens af om een helling af te rijden of tijdens het rijden. Als de motor niet draait, werken de stuurbekrachtiging en de rembekrachtiging niet. Laat de motor draaien en schakel terug naar de juiste versnelling om optimaal op de motor te kunnen afremmen. Daarnaast kan het uitzetten van de motor tijdens het rijden het stuurslot inschakelen waardoor de auto onbestuurbaar wordt, hetgeen tot ernstig letsel kan leiden.
RIJDEN ONDER SPECIALE RIJOMSTANDIGHEDEN
Rijden onder moeilijke omstandigheden
Neem de volgende raadgevingen in acht als ten gevolge van zware regenval, sneeuw, ijzel, modder of zand het rijden bemoeilijkt wordt:
- Rijd voorzichtig en bewaar extra afstand tot het overige verkeer.
• Vermijd abrupt remmen of sturen. - Rem "pompend"als uw auto niet voorzien is van ABS.

WAARSCHUWING
- Remsysteem met ABS
Rem niet "pompend" als uw auto is uitgerust met ABS.
- Probeer weg te rijden in de tweede versnelling als de auto vastzit in sneeuw, modder of zand. Geef voorzichtig gas om te voorkomen dat de wielen doorslippen.
- Gebruik zand, pekel, sneeuwkettingen of ander anti-slipmateriaal onder de aangedreven wielen als de auto vast is komen te zitten in ijs, sneeuw of modder.

WAARSCHUWING
- Terugschakelen
Op een glad wegdek terugschakelen bij een automatische transmissie kan ongelukken veroorzaken. Door de plotselinge verandering in wielsnelheid kunnen de banden slippen. Wees voorzichtig met het terugschakelen op een glad wegdek.
Op eigen kracht lostrekken van de auto
Verdraai eerst het stuurwiel een aantal keren naar rechts en naar links om de voorwielen vrij te maken wanneer de auto vastzit in ijs, modder of sneeuw en het nodig is de auto heen en weer te schommelen om te proberen hem los te trekken. Schakel vervolgens afwisselend de eerste versnelling en de achteruitversnelling (bij een handgeschakelde transmissie) in of stand R en één van de vooruitversnellingen (bij een automatische transmissie). Laat de motor niet met een te hoog toerental draaien en laat de wielen niet te lang doorslippen. Als de auto na enkele pogingen nog vastzit, dient u de auto los te laten trekken om oververhitting van de motor en beschadiging van de transmissie te voorkomen.

OPMERKING
Het langdurig op eigen kracht lostrekken van de auto kan oververhitting van de motor en beschadiging van de transmissie en van de banden veroorzaken.
WAARSCHUWING
- Slippende wielen
Laat de wielen niet doorslippen, vooral niet met hoge snelheid. Het met hoge snelheid door laten slippen van de wielen wanneer de auto stilstaat, kan oververhitting van de banden veroorzaken waardoor deze kunnen exploderen en voorbijgangers kunnen verwonden.
*AANWIJZING
De voertuigstabiliteitsregeling (indien van toepassing) moet in stand OFF wordt gezet voordat de auto op eigen kracht losgetrokken wordt.
WAARSCHUWING
Als u met u auto vast komt te zitten in de sneeuw, modder, zand, enz., kunt u proberen de auto weer los te krijgen door afwisselend voor- en achteruit te rijden. Doe dat echter niet als er mensen of obstakels in de directe nabijheid van de auto aanwezig zijn. Tijdens het voor- of achteruitrijden kan de auto plotseling naar voren of naar achteren bewegen als de aangedreven wielen weer grip krijgen, waardoor personen letsel kunnen oplopen of schade kan ontstaan.

Vloeiend nemen van bochten
Pas uw snelheid zo aan dat u in bochten niet hoeft te remmen of te schakelen, vooral op een nat wegdek. Het beste is licht accelererend de bocht uit te rijden. Als u deze adviezen opvolgt wordt de bandenslijtage tot een minimum beperkt.

Rijden in het donker
Omdat het rijden in het donker meer gevaren oplevert dan het rijden bij daglicht, volgen hier een aantal belangrijke tips om te onthouden:
- Rijd langzamer en houd meer afstand tussen u en uw voorliggers omdat het zicht in het donker beperkter is, vooral in gebieden waar geen straatverlichting is.
- Stel uw spiegels bij om schittering door de koplampen van andere auto's te beperken.
- Houd uw koplampen schoon en, indien uw auto niet is uitgerust met automatische koplampverstelling, op de juiste wijze afgesteld. Vuile of verkeerd afgestelde koplampen beperken het zicht in het donker.
- Kijk niet rechtstreeks in de koplampen van tegemoetkomende auto's. U kunt daardoor tijdelijk verblind raken en het duurt enkele seconden voordat uw ogen weer aan de duisternis gewend zijn.

Regen en natte wegen kunnen het rijden gevaarlijk maken, vooral wanneer u er niet op bedacht bent. Hier volgen een aantal aandachtspunten voor het rijden in de regen:
- Door hevige regenval zal het zicht beperkt worden en de remafstand groter worden. Matig daarom uw snelheid.
- Zorg ervoor dat uw ruitenwissers in goede staat verkeren. Vervang de ruitenwisserbladen als ze strepen achterlaten of bepaalde stukken overslaan.
- Wanneer de banden niet in een goede staat verkeren, kunnen de wielen bij een noodstop op een nat wegdek gaan slippen, waardoor een ongeluk kan ontstaan. Zorg ervoor dat de banden in goede staat verkeren.
- Schakel uw verlichting in zodat anderen u beter kunnen zien.
- Te snel door grote waterplassen rijden kan uw remmen aantasten. Als u door plassen moet rijden, probeer dit dan langzaam te doen.
- Trap het rempedaal tijdens het rijden licht in totdat de remmen weer normaal werken wanneer u vermoed dat uw remmen nat geworden zijn.
Doorwaden van water
Vermijd het doorwaden van water tenzij u er zeker van bent dat het water niet hoger komt dan de onderzijde van de wielnaven. Rijd altijd langzaam bij het doorwaden van water. Bewaar voldoende remafstand omdat het remvermogen verminderd kan zijn.
Droog de remmen door na het doorwaden bij lage snelheid het rempedaal een aantal malen voorzichtig in te trappen.

Rijden met hoge snelheden
Banden
Verhoog de bandenspanning tot de voorgeschreven waarde. Een te lage bandenspanning kan leiden tot oververhitting van de banden en tot schade aan de banden.
Laat de banden van uw auto tijdig vervangen; versleten banden bieden minder grip en raken sneller lek.
*AANWIJZING
Overschrijd nooit de maximale bandenspanning die op de band is aangegeven.
WAARSCHUWING
- Banden met een te hoge of een te lage spanning hebben een negatieve invloed op het rijgedrag en kunnen ervoor zorgen dat u de macht over de auto verliest, waardoor een aanrijding met (ernstig) letsel het gevolg kan zijn. Controleer voordat u gaat rijden altijd eerst de bandenspanning. Zie voor de juiste bandenspanning "Banden en velgen" in hoofdstuk 8.
- Het rijden met banden zonder of met onvoldoende profiel is gevaarlijk. Versleten banden kunnen ertoe leiden dat u de controle over uw auto verliest, waardoor (ernstig) letsel kan ontstaan. Versleten banden moeten zo spoedig mogelijk worden vervangen. Controleer het profiel van uw banden altijd voordat u gaat rijden. Zie voor meer informatie en de slijtagelimiet "Banden en velgen" in hoofdstuk 7.
Brandstof, koelvloeistof en motorolie
Bij het rijden met hoge snelheden wordt meer brandstof verbruikt dan bij het rijden in de stad. Vergeet niet zowel het koelvloeistofpeil als het motoroliepeil te controleren.
Aandrijfriem
Een onvoldoende gespannen of beschadigde aandrijfriem kan leiden tot oververhitting van de motor.
RIJDEN IN DE WINTER

De slechtere weersomstandigheden in de winter leiden tot meer slijtage en andere problemen. Volg onderstaande aanwijzingen om de problemen tijdens het rijden in de winter tot een minimum te beperken:
Sneeuw en ijs
Om met uw auto op een besneeuwd wegdek te kunnen rijden, kan het noodzakelijk zijn gebruik te maken van winterbanden of sneeuwkettingen onder uw auto te monteren. Kies voor winterbanden van dezelfde maat en hetzelfde type als de oorspronkelijk onder de auto gemonteerde banden. Het niet in acht nemen van dit advies kan de veiligheid en de rijeigenschappen van uw auto nadelig beïnvloeden. Verder zijn hoge snelheden, plotseling remmen en het nemen van scherpe bochten potentieel gevaarlijke situaties.
Probeer bij het afremmen zoveel mogelijk op de motor af te remmen. Door plotseling te remmen op een met sneeuw of ijs bedekte weg kan de auto in een slip raken. Bewaar voldoende afstand tot uw voorligger. Trap verder het rempedaal met beleid in. Het monteren van sneeuwkettingen zorgt wel voor een betere grip maar kan niet voorkomen dat de auto in een slip raakt.
*AANWIJZING
Het gebruik van sneeuwkettingen is niet in alle landen toegestaan. Controleer voor het monteren van sneeuwkettingen of dat wettelijk is toegestaan.
Winterbanden
Als u winterbanden op uw auto laat monteren, controleer dan of deze dezelfde maat en beladingsindex hebben als de originele banden. Monteer sneeuwbanden op alle vier de wielen, voor een optimale wegligging onder alle weersomstandigheden. Houd er rekening mee dat de grip op een droog wegdek met winterbanden iets lager is dan met de originele banden. Rijd ook voorzichtig als de weg vrij is. Raadpleeg uw bandenleverancier voor de maximum snelheid van de banden.

WAARSCHUWING
- Afmetingen winterbanden De maat en het type van de winterbanden moeten gelijk zijn aan die van de standaard gemonteerde banden. Anders kan de veiligheid en het rijgedrag van uw auto negatief beïnvloed worden.
Monteer geen banden met spikes zonder eerst na te gaan of het gebruik hiervan niet wettelijk verboden is.

Omdat de wangen van een radiaalband vrij dun zijn, kunnen ze door sommige typen sneeuwkettingen beschadigd raken. Daarom wordt aanbevolen om winterbanden te gebruiken in plaats van sneeuwkettingen. Monteer geen sneeuwkettingen op auto's met lichtmetalen velgen, omdat de velgen daardoor beschadigd kunnen raken. Als het onvermijdelijk is om sneeuwkettingen te gebruiken, gebruik dan sneeuwkettingen met een dikte van minder dan 15 mm. Schade aan uw auto die het gevolg is van het gebruik van ongeschikte sneeuwkettingen valt niet onder de fabrieksgarantie van uw auto. Breng sneeuwkettingen, wanneer u deze gebruikt, altijd aan om de voorwielen.
! OPMERKING
- Zorg ervoor dat de sneeuwkettingen geschikt zijn voor de maat en het type band dat op uw auto gemonteerd is. Ongeschikte sneeuwkettingen kunnen schade toebrengen aan de carrosserie en de wielophanging, wat buiten de fabrieksgarantie valt. Bovendien kunnen de bevestigingsshaken beschadigd raken bij contact met de auto, waardoor de sneeuwkettingen los kunnen raken. Gebruik uitsluitend sneeuwkettingen van SAE-klasse S. - Controleer nadat u ongeveer 0,5 - 1 km hebt gereden of de kettingen nog goed zitten. Span de kettingen of monteer ze opnieuw als ze los zitten.
Aanbrengen van sneeuwkettingen
Volg voor het plaatsen van de kettingen de aanwijzingen van de fabrikant en trek de kettingen zo strak mogelijk aan. Matig uw snelheid als u met sneeuwkettingen rijdt. Als u de kettingen tegen de carrosserie of het chassis hoort slaan, stop dan meteen en trek de kettingen aan. Als ze daarna nog tegen de auto slaan, matig uw snelheid dan totdat dit niet meer gebeurt. Verwijder de kettingen zodra u weer op een schone weg rijdt.
WAARSCHUWING
- Monteren van sneeuwkettingen
Parkeer de auto op een vlakke ondergrond en uit de buurt van het overige verkeer voor het monteren van de sneeuwkettingen. Zet de alarmknipperlichten aan en plaats indien mogelijk een gevarendriehoek achter de auto. Zet de transmissie in stand P, activeer de parkeerrem en zet de motor af alvorens de sneeuwkettingen te monteren.
- Het rijgedrag van de auto kan door het gebruik van kettingen negatief beïnvloed worden.
- Rijd nooit sneller dan 30 km/h of sneller dan de door de fabrikant aanbevolen snelheid. Houd de laagste snelheid aan.
- Rijd voorzichtig en vermijd oneffenheden, gaten, scherpe bochten en andere situaties waardoor de auto plotseling zou kunnen uitveren.
- Vermijd het maken van scherpe bochten en het remmen met geblokkeerde wielen.
! OPMERKING
- Kettingen die een verkeerde maat hebben of niet goed gemonteerd zijn, kunnen de remleidingen, wielophanging, carrosserie, en velgen van uw auto beschadigen.
- Stop onmiddellijk en span de kettingen aan zodra u ze tegen de auto hoort tikken.
Gebruik hoogwaardige ethyleenglycol koelvloeistof
Uw auto wordt afgeleverd met een koelsysteem dat gevuld is met hoogwaardige ethyleenglycol koelvloeistof. Alleen dit type koelvloeistof helpt corrosie in het koelsysteem te voorkomen, smeert de waterpomp afdoende en voorkomt bevriezing van het koelsysteem. Vervang de koelvloeistof periodiek en vul het op de juiste manier bij. Zie hiervoor het onderhoudsschema in hoofdstuk 7.
Laat voor de winter controleren of de koelvloeistof voldoende bescherming tegen bevriezing biedt voor de te verwachten winterse temperaturen.
In de winter krijgt de accu het extra zwaar. Controleer de accu en de accukabels en -klemmen visueel zoals beschreven staat in hoofdstuk 7.
De ladingstoestand van de accu kan worden gecontroleerd door een officiële KIA-dealer of een servicestation.
Laat de motor indien nodig vullen met een speciale "winterolie"
In sommige landen wordt geadviseerd in de winter speciale winterolie te gebruiken met een lagere viscositeit. Zie hoofdstuk 8 voor meer informatie. Neem contact op met een officiële KIA-dealer als u niet weet wat voor soort olie u moet gebruiken.
Controleer de bougies en het ontstekingssysteem
Controleer de bougies zoals beschreven staat in hoofdstuk 7 en vervang ze indien nodig. Controleer ook de bedrading en de onderdelen van het ontstekings- systeem op scheuren, slijtage en andere vormen van beschadiging.
Voorkom bevriezing van de sloten
Spuit een goedgekeurde slotontdooier of glycerine in het sleutelgat om bevriezing van de sloten te voorkomen. Verwijder het ijs van een bevroren slot door het in te spuiten met een goedgekeurde slotontdooier. Een inwendig bevroren slot kunt u proberen te ontdooien met behulp van een verwarmde sleutel. Zorg ervoor dat u zich niet brandt aan de verwarmde sleutel.
Gebruik goedgekeurde ruitensproeiervloeistof
Vul het ruitensproeierreservoir met ruitensproeierantivries volgens de aanwijzingen op de verpakking om bevriezing van het ruitensproeiersysteem te voorkomen. Ruitensproeierantivries is verkrijgbaar bij een officiële KIA-dealer en de meeste automaterialenzaken. Gebruik geen koelvloeistof of andere middelen omdat deze de lak kunnen beschadigen.
Voorkom vastvriezen van de parkeerrem
Onder bepaalde omstandigheden kan de parkeerrem in geactiveerde toestand vastvriezen. De kans daar op is het grootst als er rond de achterremmen sprake is van een opeenhoping van sneeuw of ijs of als de remmen nat zijn. Als de kans bestaat dat de parkeerrem vast gaat vriezen, gebruik hem dan alleen maar tijdelijk tijdens het in stand P zetten van de transmissie (automatische transmissie) of in de 1e versnelling of achteruit zetten (handgeschakelde transmissie) en het blokkeren van de wielen. Deactiveer daarna de parkeerrem.
Voorkom dat ijs en sneeuw zich ophopen aan de onderzijde van de auto
In sommige gevallen kunnen sneeuw en ijs zich ophopen onder de schermen en de bewegingen van de stuurinrichting belemmeren. Controleer regelmatig of de onderdelen van de stuurinrichting vrij kunnen bewegen als u in omstandigheden rijdt waarin opeenhoping van sneeuw of ijs het geval zou kunnen zijn
Neem de benodigde uitrusting voor noodgevallen mee
Afhankelijk van de weersomstandigheden waaronder u rijdt, kan het nodig zijn de juiste voorzorgsmaatregelen te treffen en bepaalde zaken mee te nemen. Onder deze zaken vallen bijvoorbeeld sneeuwkettingen, een sleepkabel of -ketting, een zaklantaarn, een alarmknipperlicht, zand, een schep, hulpstartkabels, een ruitenkrabber, handschoenen, een stuk zeil of een kleed, een deken, enz.
RIJDEN MET EEN AANHANGER
Stel u voordat u met uw auto een aanhanger gaat trekken eerst op de hoogte van de wettelijke voorschriften. Dat is noodzakelijk omdat de voorschriften met betrekking tot de aanhanger, de auto en dergelijke per land kunnen verschillen. Vraag een officiële KIA-dealer om meer informatie voordat u met uw auto een aanhanger gaat trekken.
WAARSCHUWING
- Rijden met een aanhanger Bij verkeerd gebruik van de aanhanger kunt u de controle over de auto verliezen. Als de aanhanger bijvoorbeeld te zwaar beladen is, kunnen de remmen niet goed of zelfs helemaal niet werken. U en uw passagiers kunnen in dat geval ernstig letsel oplopen. Ga alleen rijden met een aanhanger als u de volgende aanwijzingen hebt opgevolgd.
WAARSCHUWING
- Maximale gewichten
Zorg er voordat u gaat rijden met een aanhanger voor dat u het maximale totale aanhangergewicht, het maximaal toelaatbare totaalgewicht, het maximaal toelaatbare voertuiggewicht en de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
*AANWIJZING
- De technisch toegestane maximale belasting van de achteras(sen) mag met niet meer dan 15% worden overschreden en het technisch toegestane maximale laadgewicht van de auto mag met niet meer dan 10% of 100 kg worden overschreden, de laagste waarde is van toepassing. In dit geval dient u niet harder te rijden dan 100 km/h met een auto van de categorie M1 of 80 km/h met een auto van de categorie N1.
- Als een auto van de categorie M1 een aanhanger trekt, zal de extra belasting bij de aanhangerkoppeling de maximale belastingswaarden mogelijk te hoog laten worden, maar deze overschrijding mag niet meer zijn dan 15%. Rijd in dit geval niet harder dan 100 km/h en verhoog de bandenspanning met minstens 0,2 bar.
! OPMERKING
Bij verkeerd gebruik van een aanhanger kan uw auto beschadigd raken, waardoor dure reparaties nodig zijn die niet onder de garantie vallen. Houd u aan de volgende regels bij het rijden met een aanhanger.
Uw auto is geschikt om met een aanhanger te rijden. Raadpleeg de informatie onder "Aanhangwagengewicht" verderop in dit hoofdstuk om te bepalen hoe zwaar de aanhanger maximaal mag zijn.
Let op dat rijden met een aanhanger anders is dan rijden zonder aanhanger. Bij rijden met een aanhanger is de besturing anders en nemen slijtage en brandstofverbruik toe. Voor goed en veilig rijden met een aanhanger is het belangrijk dat de aanhanger technisch in orde is en op de juiste manier aan de auto is gekoppeld.
In dit hoofdstuk worden een aantal belangrijke aanwijzingen en veiligheidsregels genoemd. Veel van deze hebben betrekking op uw eigen veiligheid en die van uw passagiers. Lees dit hoofdstuk daarom zorgvuldig door voordat u gaat rijden met een aanhanger.
Bepaalde onderdelen, zoals de motor, de transmissie en de banden, worden door het getrokken extra gewicht zwaarder belast. De motor moet wat meer toeren maken en moet meer vermogen leveren. Hierdoor neemt ook de warmteontwikkeling toe. De aanhanger zorgt bovendien voor een hogere luchtweerstand, waardoor de belasting nog verder toeneemt.

OSL050040L/OSL050040R
Trekhaken
Een goede trekhaak is zéér belangrijk. Zijwind, rukwinden door passerende vrachtwagens en hobbelige wegen vormen een zware belasting voor de trekhaak. Neem de volgende regels in acht:
- Moeten er voor het bevestigen van de trekhaak gaten worden geboord in het chassis? Zorg er in dat geval voor dat, wanneer de trekhaak weer wordt verwijderd, deze gaten weer worden afgedicht.
Als dat niet gebeurt, zouden koolmonoxide (CO) uit de uitlaat, alsmede stof en water in het interieur terecht kunnen komen.
- De bumper is niet geschikt voor het monteren van een trekhaak. Monteer nooit een trekhaak los op de bumper. Gebruik alleen een trekhaak die op het chassis moet worden bevestigd.
- KIA trekhaken en toebehoren zijn verkrijgbaar bij de officiële KIA-dealer.
Losbreekvoorziening
Bevestig altijd een stalen kabel of ketting tussen de aanhanger en de auto. Laat de kabel onder de koppeling doorlopen, zodat bij het losraken van de originele koppeling de dissel de grond niet kan raken.
Mogelijk worden door de fabrikant van de trekhaak of aanhanger ook instructies met betrekking tot de losbreekvoorziening geleverd. Volg de instructies van de fabrikant altijd op bij het bevestigen van een losbreekvoorziening. Bevestig de kabel of ketting niet te strak, zodat de aanhanger vrij kan bewegen in bochten. Laat de kabel of ketting niet over de grond slepen.
Remsysteem aanhanger
Controleer of uw aanhanger voldoet aan de wettelijke voorschriften als uw aanhanger is uitgerust met een remsysteem.
Als uw aanhanger zwaarder is dan het maximaal toegestane ongeremde aanhangergewicht moet de aanhanger zijn voorzien van een eigen remsysteem. Volg de instructies van de fabrikant voor het gebruiken, afstellen en onderhouden van het remsysteem van de aanhanger.
- Breng nooit wijzigingen aan in het remsysteem van de auto
WAARSCHUWING
- Remsysteem aanhanger
Ga niet rijden met een aanhanger met eigen remsysteem voordat dit systeem goed is afgesteld. Voor het afstellen is specifieke vakkennis benodigd. Laat dit daarom uitvoeren bij een gespecialiseerd bedrijf.
Rijden met een aanhanger
Voor het rijden met een aanhanger is enige ervaring vereist. Ga, voordat u zich op de openbare weg begeeft, eerst oefenen met het rijden met een aanhanger. Probeer vertrouwd te raken met het gewijzigde stuur- en remgedrag. Houd altijd in gedachten dat de auto met aanhanger langer is en minder snel reageert.
Controleer voordat u gaat rijden de bevestiging van de koppeling en de losbreekvoorziening, de elektrische aansluiting, de verlichting, de banden en de afstelling van de spiegels. Als de aanhanger is voorzien van elektrische remmen, controleer dan de remmen door langzaam te gaan rijden met de aanhanger en de remmen handmatig te bekrachtigen. Dit is tevens een goede controle van de elektrische aansluiting.
Controleer tijdens het rijden af en toe of de lading nog goed vastzit en of de verlichting en de remmen nog werken.
Afstand tot voorganger
Houd tenminste tweemaal zo veel afstand als tijdens het rijden zonder aanhanger. Hierdoor kunt u plotselinge remacties en uitwijkmanoeuvres voorkomen.
Inhalen
Het inhalen met een aanhanger neemt meer tijd in beslag. Bovendien moet u door de extra lengte de in te halen auto verder voorbij voordat u weer terug kunt keren naar de oorspronkelijke rijbaan.
Achteruitrijden
Houd het stuurwiel aan de onderzijde vast met één hand. Beweeg uw hand naar links om de aanhanger naar links te laten gaan. Beweeg uw hand naar rechts om de aanhanger naar rechts te laten gaan. Rijd altijd langzaam achteruit en laat u indien mogelijk door iemand anders begeleiden
Rijden in bochten
Rijd met een aanhanger ruimer door bochten dan normaal. Anders kan de aanhanger te veel naar binnen komen en stoepranden, verkeersborden, bomen enz. raken. Voorkom schokkerige en plotselinge manoeuvres. Geen ruim van tevoren richting aan.
Richtingaanwijzers aanhanger
De aanhanger dient te zijn voorzien van richtingaanwijzers. Als u de richtingaanwijzers inschakelt, gaan de groene pijlen in het instrumentenpaneel knipperen. De richtingaanwijzers van de aanhanger dienen gelijktijdig mee te knipperen.
Ook als de richtingaanwijzers van de aanhanger niet werken, zullen de groene pijlen in het instrumentenpaneel knipperen. Zodoende kunt u denken dat achteropkomende bestuurders zien dat u richting aangeeft, terwijl dit niet het geval is. Daarom is het belangrijk om af en toe te controleren of de richtingaanwijzers van de aanhanger nog werken. Controleer steeds na het opnieuw aankoppelen van de aanhanger of de verlichting en de richtingaanwijzers werken.
Sluit de verlichting van de aanhanger niet rechtstreeks aan op de verlichting van de auto. Gebruik hiervoor speciale goedgekeurde bedrading.
Raadpleeg uw KIA-dealer voor meer informatie.

WAARSCHUWING
Het gebruik van niet goedgekeurde bedrading kan schade aan het elektrisch systeem van de auto en/of persoonlijk letsel veroorzaken.
Rijden op hellingen
Verminder snelheid en schakel naar een lagere versnelling voordat u een lange of steile helling afrijdt. Als u niet terugschakelt, moet u de remmen vaker intrappen waardoor deze oververhit raken en niet meer goed werken.
Schakel bij het oprijden van een lange helling terug en verminder snelheid tot ongeveer 70 km/h Hierdoor wordt voorkomen dat de motor en de transmissie oververhit raken.
Rijd in stand D wanneer de auto uitgerust is met een automatische transmissie en u met een aanhanger rijdt die meer weegt dan het maximaal toegestane ongeremde aanhangergewicht.
Wanneer u in stand D rijdt met een aanhanger wordt de levensduur van de transmissie door een lagere bedrijfstemperatuur verlengd.

OPMERKING
- Houd de motortemperatuur goed in de gaten als u met een aanhanger een steile helling (meer dan 6%) oprijdt. Hierdoor kan de motor oververhit raken.
Als de koelvloeistoftemperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit dreigt te raken (130°C), breng de auto dan op een veilige plaats tot stilstand om de motor te laten afkoelen. Zodra de motor voldoende is afgekoeld, kunt u uw weg vervolgen.
- Pas uw snelheid aan afhankelijk van het gewicht van de aanhanger en de hellingshoek van de weg, zodat de motor en de transmissie niet oververhit raken.
Parkeren op een helling
Als u een aanhanger achter de auto hebt gekoppeld is het niet verstandig om uw auto op een helling te parkeren. Als de auto met aanhanger naar beneden zou rollen, zouden deze beschadigd kunnen raken of ernstig letsel aan voorbijgangers kunnen toebrengen.

WAARSCHUWING
- Parkeren op een helling
Als u de auto met aanhanger op een helling parkeert, kunnen mensen ernstig letsel oplopen of zelfs dodelijk gewond raken als aanhanger onbedoeld los zou raken van de auto.
Is het niet anders mogelijk dan de auto op een helling te parkeren, doe dit dan als volgt:
-
Zet de auto op de parkeerplaats. Draai het stuurwiel in de richting van de stoeprand (rechtsom als u parkeert op een aflopende helling, linksom op een stijgende helling).
-
Als de auto een handgeschakelde versnellingsbak heeft, zet u deze in de vrijstand. Als de auto een automatische versnellingsbak heeft, zet u deze in de stand P (Park).
-
Trek de parkeerrem aan en sluit de auto af.
-
Plaats blokken voor de wielen van de aanhanger in de richting van de aflopende helling.
-
Start de auto, houd de rem ingetrapt, schakel in de vrijstand, zet de parkeerrem los en laat het rempedaal langzaam opkomen tot de blokken het gewicht van de aanhanger tegenhouden.
-
Trap het rempedaal weer in, trek de parkeerrem weer aan en zet de versnelling in de stand R (achteruit) bij een handgeschakelde versnellingsbak en in de stand P (parkeren) bij een automatische versnellingsbak.
-
Zet de motor af en laat het rempedaal los, maar laat de parkeerrem aangetrokken blijven.

WAARSCHUWING
- Parkeerrem
Stap niet uit voordat de parkeerrem goed is aangetrokken.
Als u de motor laat draaien, kan de auto plotseling in beweging komen. Uzelf of andere mensen kunnen hierdoor ernstig letsel oplopen.
Wegrijden op een helling
-
Zet de handgeschakelde transmissie in de vrijstand of de automatische transmissie in stand P, houd het rempedaal ingetrapt en:
-
Start de motor.
- Zet de transmissie in de eerste versnelling of in stand D.
-
Ontgrendel de parkeerrem.
-
Laat het rempedaal langzaam los.
- Rijd langzaam vooruit tot de aanhanger los komt van de blokken.
- Stop en laat de blokken door iemand oprapen en opbergen.
Onderhoud bij het rijden met een aanhanger
Uw auto heeft vaker onderhoud nodig wanneer u regelmatig met een aanhanger rijdt. Belangrijke zaken die speciale aandacht verdienen zijn: de motorolie, de automatische-transmissievloeistof, de smering van de aandrijfassen en de koelvloeistof. De toestand van de remmen moet ook regelmatig gecontroleerd worden. Alle zaken staan in dit instructieboekje beschreven. De index is hierbij een handig hulpmiddel. Het is verstandig deze gedeeltes te lezen voordat u met een aanhanger op pad gaat.
Vergeet ook niet de aanhanger en de trekhaak te onderhouden. Volg het onderhoudsschema van de aanhanger en controleer de aanhanger regelmatig. Voer de controle bij voorkeur ieder keer uit wanneer u gaat rijden. Het is van het grootste belang dat de trekhaakmoeren en -bouten vastzitten.
! OPMERKING
- Vanwege de hogere belasting tijdens het rijden met een aanhanger, kan bij warm weer of bij bergop rijden de motor oververhit raken. Als de koelvloeistoftemperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit dreigt te raken, schakel dan de airconditioning uit en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand om de motor af te laten koelen.
- Als met de auto een aanhanger getrokken wordt, moet de transmissievloeistof vaker worden gecontroleerd.
- Als uw auto niet is uitgerust met een airconditioning, moet u een extra ventilator laten monteren om de koeling van de motor te optimaliseren als u een aanhanger trekt.
Als u gaat rijden met een aanhanger
Let op de volgende punten als u gaat rijden met een aanhanger:
• Overweeg de aanschaf van stabilisatorkoppeling. Raadpleeg de leverancier van de trekhaak voor meer informatie.
- Trek tijdens de inrijperiode van uw auto, gedurende de eerste 2.000 km geen aanhanger.
Als u dat wel doet, kan schade aan de motor of de transmissie ontstaan.
- Neem contact op met een officiële KIA-dealer over de benodigde zaken als een trekhaak, enz. als u van plan bent met uw auto een aanhanger te gaan trekken.
- Rijd met een aanhanger niet harder dan wettelijk is toegestaan.
- Rijd bij het oprijden van een lange helling niet harder dan 70 km/h of de voorgeschreven maximum snelheid.
- De tabel bevat belangrijke gegevens met betrekking tot gewicht.
| Onderwerp\Motor | Benzinemotor Dieselmotor | ||||||
| 1,6L 2,0L 1,7L 2,0L | |||||||
| M/T M/T A/T M/T M/T | A/T | ||||||
| Maximaal aanhanger-gewichtkg | Ongeremd | 750 7 | 50 750 | 750 750 | 750 | ||
| Geremd 1200 1900 | 1600 12 | 00 2000 | 1600 | ||||
| Maximale kogeldruk:kg | 80 80 | 80 80 | 80 80 | ||||
| Aanbevolen afstand hartachterwiel - kogelmm | 983 | ||||||
M/T : Handgeschakeld A/T : Automaat

Gewicht van de aanhanger
Hoe zwaar kan de aanhanger veilig worden beladen? Hij mag nooit meer wegen dan het maximale aanhangergewicht voor een geremde aanhanger. Maar dit kan al te zwaar zijn. Dat hangt af van de manier waarop de aanhanger wordt gebruikt. Zo zijn onder andere de rijsnelheid, de hoogte, hellingshoek, buitentemperatuur en ervaring belangrijke factoren. Het maximale aanhangergewicht is ook afhankelijk van eventuele voorzieningen die op de auto zijn aangebracht.

Kogeldruk
Bij het trekken van een aanhanger zijn de kogeldruk en het maximaal toelaatbaar totaalgewicht van belang. Onder het totaalgewicht worden gerekend het ledig gewicht van de auto plus het gewicht van de belading en de inzittenden. Bij het trekken van een aanhanger dient bovendien het gewicht van de aanhanger hierbij worden opgeteld.
De kogeldruk mag maximaal 10% van het totale aanhangwagengewicht bedragen. Controleer na het beladen van de aanhanger of de kogeldruk in orde is. Als dat niet het geval is, kan deze worden aangepast door de belading van de aanhanger anders te verdelen.

- Zorg ervoor dat de aanhanger aan de voorzijde altijd zwaarder is dan aan de achterzijde. De verhouding tussen de belading voor en achter dient ongeveer 60/40 te zijn.
- Belaad de aanhanger niet zwaarder dan volgens de fabrikant van de aanhanger c.q. trekhaak is toegestaan. Een verkeerde belading kan beschadiging van de auto en/of persoonlijk letsel tot gevolg hebben. Controleer het aanhangergewicht met een geschikte weegschaal of op een weegbrug.
- Door een verkeerde belading van de aanhanger bestaat de kans dat u de controle over de auto verliest.
MASSA VAN DE AUTO
In dit deel vindt u informatie over de juiste manier van beladen van uw auto en/of aanhanger, zodat u ervoor kunt zorgen dat u het maximaal toelaatbaar totaalgewicht, met of zonder aanhanger, niet overschrijdt. Een juiste manier van beladen zorgt ervoor dat de prestaties van de auto zo min mogelijk in negatieve zin beïnvloed worden. Zorg ervoor dat u, voordat u uw auto gaat beladen, weet wat de volgende termen betekenen, zodat u uw auto, met of zonder aanhanger, op de juiste manier kunt beladen. De informatie vindt u bij de specificaties en op het typeplaatje:
Rijklaar gewicht
Dit is het gewicht van de auto met een volle brandstoftank en de complete standaarduitrusting. Dit gewicht is zonder passagiers, lading en extra uitrusting.
Leeggewicht
Dit is het gewicht van de auto bij aflevering plus het gewicht van de achteraf gemonteerde uitrusting.
Belading
Dit getal heeft betrekking op al het gewicht dat opgeteld wordt bij het rijklaar gewicht, dus het gewicht van de lading en de extra uitrusting.
GAW (maximale asbelasting)
Dit is het totaalgewicht op elke as (voor en achter) - opgebouwd uit het rijklaar gewicht en de totale belasting.
GAWR (maximale toelaatbare asbelasting)
Dit is de maximale toegestane belasting op een enkele as (voor of achter). Deze cijfers staan op het typeplaatje.
De totale belasting op een as mag de GAWR nooit overschrijden.
GVW (maximaal toelaatbaar totaalgewicht)
Dit is het rijklaar gewicht plus het gewicht van de lading en van de passagiers.
GVWR (maximale massa voertuig)
Dit is het maximaal toelaatbaar gewicht van de volledig belaste auto (inclusief opties, uitrusting, passagiers en lading). De GVWR staat op het typeplaatje.
Overbeladen
WAARSCHUWING
- Maximale gewichten
De maximale asbelasting en de maximale massa van het voertuig staan vermeld op het typeplaatje bevestigd aan het bestuurdersportier (of voorpassagiersportier). Het overschrijden van deze waardes kan een ongeval of schade aan de auto veroorzaken. U kunt het gewicht van uw lading berekenen door de voorwerpen (en personen) vooraf te wegen. Wees voorzichtig uw auto niet te overbeladen.
Waarschuwingssignalen / 6-2
Wat te doen in een noodgeval tijdens het rijden / 6-3
Als de motor niet gestart kan worden / 6-4
Starten met hulpaccu / 6-5
Als de motor oververhit raakt / 6-7
Lekke band (met reservewiel) / 6-8
Lekke band (met TireMobilityKit) / 6-14
Controlesysteem lage bandenspanning (TPMS) / 6-20
Slepen / 6-26
Wat te doen in een noodgeval
De alarmknipperlichten dienen ervoor om de overige weggebruikers te waarschuwen om extra voorzichtigheid in acht te nemen bij het naderen, inhalen of passeren van uw auto.
Ze dienen te worden gebruikt in noodsituaties of als de auto aan de kant van de weg tot stilstand is gekomen.
Druk de schakelaar van de alarmknipperlichten in met het contact in een willekeurige stand. De schakelaar alarmknipperlichten bevindt zich in het dashboard. De schakelaar zorgt ervoor dat alle knipperlichten geactiveerd worden.
- De alarmknipperlichten werken ongeacht of de motor draait of niet.
- De richtingaanwijzers werken niet wanneer de alarmknipperlichten ingeschakeld zijn.
- Wees voorzichtig bij het gebruiken van de alarmknipperlichten wanneer de auto gesleept wordt.
WAT TE DOEN IN EEN NOODGEVAL TIJDENS HET RIJDEN
Als de motor afslaat op een kruising of kruispunt
- Zet de selectiehendel in stand N als de motor afslaat op een kruising of kruispunt en duw de auto naar een veilige plek.
- Als uw auto is uitgerust met een handgeschakelde transmissie en niet is voorzien van een contactslot, kan de auto naar voren bewegen wanneer u naar de tweede of derde versnelling schakelt en vervolgens de startmotor inschakelt zonder het koppelingspedaal in te trappen.
Als u tijdens het rijden een lekke band krijgt
Als tijdens het rijden een band leegloopt:
- Laat het gaspedaal los en verminder vaart terwijl u rechtuit blijft rijden. Trap niet direct het rempedaal in en probeer ook niet direct naar de kant van de weg te sturen omdat u hierdoor de controle over de auto zou kunnen verliezen. Rem voorzichtig zodra de snelheid zo laag is dat u dat veilig kunt doen en zet de auto aan de kant van de weg.
Zet de auto zoveel mogelijk aan de kant van de weg en parkeer op een stevige, vlakke ondergrond. Parkeer niet in de middenberm als u op een snelweg rijdt met gescheiden rijbanen. - Zet als de auto stilstaat de alarmknipperlichten aan, activeer de parkeerrem en zet de transmissie in stand P (automatische transmissie) of in de achteruit (handgeschakelde transmissie).
- Laat alle inzittenden uitstappen. Laat iedereen uitstappen aan die zijde van de auto die van het langsrijdende verkeer afgewend is.
- Volg bij het vervangen van een lekke band de aanwijzingen in dit hoofdstuk.
Als de motor afslaat tijdens het rijden
- Laat de auto geleidelijk uitrollen en blijf daarbij rechtuit rijden. Probeer de auto op een veilige plaats tot stilstand te brengen.
- Schakel de alarmknipperlichten in.
- Probeer de motor te starten. Neem contact op met een officiële KIA-dealer of een hulpdienst als de motor niet gestart kan worden.
ALS DE MOTOR NIET GESTART KAN WORDEN
Als de motor niet of langzaam ronddraait
- Controleer als uw auto is uitgerust met een automatische transmissie of de selectiehendel in stand N of P staat en of de parkeerrem geactiveerd is.
- Controleer of de accuklemmen schoon zijn en goed vastzitten.
- Schakel de interieurverlichting in. Als de interieurverlichting zwakker gaat branden of uitgaat als u de startmotor bedient, is de accu te ver ontladen.
- Controleer of de aansluitingen van de startmotor goed vastzitten.
- Probeer de auto niet aan te slepen of aan te duwen. Zie de aanwijzingen bij "Starten met hulpaccu".
Als de motor wel ronddraait maar niet aanslaat
- Controleer het brandstofniveau.
- Zet het contact in stand LOCK/OFF en controleer alle stekkerverbindingen van de ontsteking, de bobine en de bougies. Sluit een eventuele losse stekker weer aan.
- Controleer de brandstofleiding in de motorruimte.
- Neem contact op met een officiële KIA-dealer of een hulpdienst als de motor nog steeds niet gestart kan worden.
WAARSCHUWING
Probeer de auto niet aan te slepen of aan te duwen. Hierdoor kan een aanrijding of andere schade ontstaan. Verder kan de katalysator door overbelasting beschadigd raken en brand veroorzaken als de auto wordt aangesleept of aangeduwd.
STARTEN MET HULPACCU

Sluit de kabels in de aangegeven volgorde aan en neem ze in de omgekeerde volgorde los.
Starten met een hulpaccu
Starten met een hulpaccu kan gevaarlijk zijn als dit niet op de juiste manier gebeurt. Volg daarom de procedures voor het starten met een hulpaccu om te voorkomen dat u letsel oploopt of de auto en de accu beschadigd raken. Wij adviseren u met klem om bij twijfel een expert te raadplegen.
! OPMERKING
Maak alleen gebruik van een 12V-hulpaccu. Door het gebruik van een 24V-spanningsbron (twee seriegeschakelde 12V-accu's of een 24V-snelstartapparaat) kunt u de startmotor, het ontstekingssysteem en andere onderdelen van het elektrisch systeem beschadigen.
WAARSCHUWING - Accu
Controleer nooit het elektrolytniveau in de accu. Hierdoor kan de accu scheuren of ontploffen, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.
WAARSCHUWING - Accu
- Houd vonken en open vuur uit de buurt van de accu. In de accu komt waterstof vrij dat kan exploderen wanneer het wordt blootgesteld aan vlammen of vonken.
Als deze instructies niet nauwlettend worden gevolgd, kunt u ernstig letsel oplopen en kan schade aan de auto ontstaan! Neem contact op met een hulpdienst als u niet zeker weet hoe u deze procedure moet uitvoeren. Accu's bevatten zwavelzuur. Dit is een giftige en zeer agressieve stof. Draag bij het starten met een hulpaccu daarom altijd een beschermende bril en zorg dat er geen accuzuur op uzelf, uw kleding of uw auto terechtkomt.
- Probeer uw auto niet met een hulpaccu te starten als de lege accu bevoren is of het elektrolytpeil laag is; de accu kan scheuren of exploderen.
Startprocedure met behulp van een hulpaccu

OPMERKING - AGM-accu (indien van toepassing)
- AGM-accu's (Absorbed Glass Mat) zijn onderhoudsvrij en mogen alleen worden onderhouden door een officiële KIA-dealer. Gebruik voor het laden van uw AGM-accu alleen volautomatische acculaders die speciaal zijn ontworpen voor AGM-accu's.
- Gebruik voor het vervangen van de AGM-accu een originele KIA-accu voor het ISG-systeem.
- Open of verwijder de afdekkap bovenop de accu niet. Hierdoor kan het elektrolyt uit de accu gaan lekken wat tot ernstig letsel kan leiden.
-
Als de AGM-accu is losgenomen of vervangen, werkt de ISG-functie niet direct.
Als u de ISG-functie wilt gebruiken, moet eerst de accusensor gedurende ongeveer 4 uur worden gekalibreerd met het contact uitgeschakeld. -
Controleer of de hulpaccu die u wilt gebruiken een 12 V accu is en controleer als deze zich in een andere auto bevindt of hij met de minpool aan massa.
-
Als de hulpaccu zich in een andere auto bevindt, mogen beide auto's elkaar niet raken.
- Schakel alle elektrische verbruikers uit.
- Sluit de startkabels aan in de volgorde die in de afbeelding is aangegeven. Sluit eerst één klem van de startkabel aan op de pluspool van de lege accu (1) en de andere klem van dezelfde kabel op de pluspool van de hulpaccu (2).
Sluit vervolgens één klem van de andere kabel aan op de minpool van de hulpaccu (3) en de andere klem op een metalen onderdeel (bijvoorbeeld het motorhijsog) uit de buurt van de accu (4). Sluit de startkabel niet aan op of in de buurt van draaiende onderdelen.
Zorg ervoor dat de startkabels uitsluitend contact maken met de juiste accupolen of de juiste massaverbinding. Leun bij het aansluiten niet over de accu.

OPMERKING - Accukabels
Sluit de startkabel verbonden met de minpool (-) van de hulpaccu niet aan op de minpool (-) van de lege accu. Hierdoor kan de ontladen accu oververhit raken en scheuren, waardoor er accuzuur lekt.
- Start de motor van de auto met de hulpaccu en laat deze met 2.000 omw/min draaien. Start vervolgens de motor van de auto met de lege accu. Laat uw auto controleren door een officiële KIA-dealer als de oorzaak van de lege accu niet duidelijk is.
Aanduwen of aanslepen
Een auto uitgerust met een handgeschakelde transmissie mag niet worden aangeduwd of aangesleept omdat hierdoor het emissieregelsysteem beschadigd kan raken.
Auto's die uitgerust zijn met een automatische transmissie kunnen niet worden aangeduwd of aangesleept.
Volg de aanwijzingen in dit gedeelte voor het starten met een hulpaccu.

WAARSCHUWING
Probeer nooit een auto door middel van slepen te starten. Wanneer de auto plotseling naar voren schiet als de motor aanslaat, kan een aanrijding veroorzaakt worden.
ALS DE MOTOR OVERVERHIT RAAKT
Als uw temperatuurmeter een te hoge temperatuur aangeeft, als u een vermogensverlies bespeurt of wanneer u luid kloppende of pingelende geluiden hoort, is de motor waarschijnlijk oververhit geraakt. Als dat gebeurt moet u:
- De auto zo snel mogelijk op een veilige plaats tot stilstand brengen.
- De selectiehendel in stand P (automatische transmissie) of de vrijstand (handgeschakelde transmissie) zetten en de parkeerrem activeren. De airconditioning uitschakelen als deze ingeschakeld is.
-
Zet de motor uit als er koelvloeistof onder de auto uitloopt of stoom onder de motorkap vandaan komt. Open de motorkap niet zolang er nog koelvloeistof onder de auto uitloopt of stoom onder de motorkap vandaan komt. Laat de motor draaien als er geen koelvloeistof of stoom te zien is en controleer of de koelventilator draait. Zet de motor uit als de koelventilator niet draait.
-
Controleer of de aandrijfriem voor de waterpomp aanwezig is. Controleer als dat het geval is of de aandrijfriem voldoende gespannen is. Controleer als de aandrijfriem in orde lijkt of er koelvloeistof lekt uit de radiateur, de slangen of onder de auto. (Als de airconditioning ingeschakeld was, is het normaal dat er water onder de auto uitloopt als u de auto tot stilstand brengt.)
WAARSCHUWING
Voorkom letsel en zorg ervoor dat uw haar, handen en kleding niet in aanraking komen met bewegende onderdelen van de motor zoals de koelventilator en de aandrijfriemen als de motor draait.
- Zet de motor onmiddellijk uit als de ventilatorriem gebroken is of er koelvloeistof lekt en roep de hulp van een officiële KIA-dealer in.
WAARSCHUWING
Verwijder de radiateurdop nooit als de motor heet is. Hierdoor kan er koelvloeistof naar buiten spuiten en kunt u ernstige brandwonden oplopen.
6.Wacht tot de motortemperatuur weer normaal is als u de oorzaak van de oververhitting niet kunt vinden. Vul het koelvloeistofreservoir voorzichtig bij tot het merkteken halverwege als het koelvloeistofniveau te laag is.
7. Rijd voorzichtig verder en wees alert op verdere tekenen van oververhitting. Neem contact op met een officiële KIA-dealer als de motor weer oververhit raakt.
OPMERKING
Als er veel koelvloeistof verdwenen is, duidt dit op een lekkage in het koelsysteem en moet het koelsysteem zo snel mogelijk gecontroleerd worden door een officiële KIA-dealer.
LEKKE BAND (MET RESERVEWIEL, INDIEN VAN TOEPASSING)

Het reservewiel, de krik, de krikslinger en de wielmoersleutel zijn opgeborgen in de bagageruimte. Verwijder het opbergvak onder de vloer van de bagageruimte om bij deze onderdelen te komen.
(1) Krikslinger
(2) Krik
(3) Wielmoersleutel
Aanwijzingen voor krikken
De krik is uitsluitend bedoeld voor het verwisselen van een wiel.
Berg de krik zorgvuldig op om te voorkomen dat hij tijdens het rijden gaan rammelen.
Neem de onderstaande aanwijzingen in acht om letsel te voorkomen.
WAARSCHUWING
- Verwisselen van wielen
- Verwissel een wiel nooit op de rijbaan.
- Zet de auto altijd in de berm. Plaats de krik op een stevige, vlakke ondergrond. Bel de wegenwacht voor hulp wanneer u de auto niet op een veilige plek kunt plaatsen.
- Plaats de krik uitsluitend op de daartoe bestemde plaats; nooit onder de bumper of iets dergelijks.
(Vervolg)
(Vervolg)
• Anders zou de krik
gemakkelijk om kunnen vallen en ernstig letsel veroorzaken. Begeef u nooit onder een auto die alleen met een krik wordt ondersteund. Plaats altijd eerst extra steunen.
- Start de motor niet en laat hem niet draaien zolang de auto is opgekrikt.
- Zorg dat er niemand meer in de auto aanwezig als deze wordt opgekrikt.
- Zorg ervoor dat kinderen op een veilige afstand van de auto en van de weg worden gehouden voordat de auto wordt opgekrikt.

Verwijderen en opbergen van het reservewiel
Draai de bevestigingsbout van het wiel linksom.
Plaats het wiel in omgekeerde volgorde van verwijderen.
Plaats het reservewiel en het gereedschap op de juiste wijze terug om te voorkomen dat ze tijdens het rijden gaan rammelen.

- Plaats de auto op een stevige en vlakke ondergrond en trek de parkeerrem stevig aan.
- Zet de versnellingspook in de achteruitversnelling (handgeschakelde transmissie) of zet de selectiehendel in stand P (automatische transmissie).
- Schakel de alarmknipperlichten in.

- Neem de wielmoersleutel, de krik, de krikslinger en het reservewiel uit de auto.
- Plaats wielblokken voor en achter het wiel dat zich diagonaal tegenover het te verwisselen wiel bevindt.
⚠ WAARSCHUWING - Wielen verwisselen
- Trek de parkeerrem altijd volledig aan en blokkeer het wiel dat zich diagonaal tegenover het te verwisselen wiel bevindt om te voorkomen dat de auto tijdens het verwisselen van een wiel beweegt.
069006 Geadviseerd wordt om blokken voor en achter de wielen te plaatsen en iedereen de auto te laten verlaten voordat deze wordt opgekrikt.

- Draai de wielmoeren linksom één slag los. Verwijder deze nog niet voordat het wiel los van de grond is.

- Plaats de krik onder het steunpunt dat zich het dichtst bij het te verwisselen wiel bevindt. Plaats de krik op de aangegeven plaats onder de dorpel. De krikpunten zijn extra verstevigd en zijn herkenbaar aan de uitsparingen in de dorpelrand.

-
Steek de krikslinger in de krik en draai de slinger rechtsom totdat het wiel net van de grond loskomt. Deze afstand bedraagt ongeveer 3 cm. Controleer alvorens de wielmoeren te verwijderen of de auto stabiel staat en er geen kans bestaat dat de auto van de krik glijdt of beweegt.
-
Draai de wielmoeren verder los en verwijder ze. Schuif het wiel van de wielbouten af en leg het wiel plat neer, zodat het niet kan wegrollen. Pak het reservewiel op, breng de gaten voor de wielbouten in lijn met de wielbouten en schuif het wiel op de wielbouten. Houd het wiel iets scheef en begin met het bovenste gat in lijn te brengen met de bovenste wielbout als het niet lukt het wiel in één keer tegelijk op alle wielbouten te schuiven. Beweeg vervolgens het wiel iets heen en weer zodat het op de overige wielbouten geschoven kan worden.
WAARSCHUWING
- Krikpunten
Gebruik altijd de bij de auto aanwezige krik en de juiste kriksteunpunten. Gebruik nooit andere delen van de carrosserie om de auto op te krikken. Dit om de kans op letsel te beperken.

WAARSCHUWING
De velgen en wieldoppen kunnen scherpe randen hebben. Ga er, om te voorkomen dat u zich bezeert, voorzichtig mee om. Controleer voor het plaatsen van het wiel of er niets (modder, teer, grind, enz.) op de wielnaaf of de velg aanwezig is dat zou kunnen voorkomen dat het wiel goed tegen de wielnaaf aanligt.
Verwijder eventuele verontreinigingen. Als het wiel niet goed tegen de wielnaaf aanligt, zouden de wielmoeren los kunnen lopen, waardoor u het wiel zou kunnen verliezen. Als u een wiel verliest, kunt u de controle over de auto kwijtraken. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.
- Druk het wiel tegen de wielnaaf aan, plaats de wielmoeren op de wielbouten en draai ze handvast. Beweeg het wiel heen en weer om te controleren of het wiel goed aanligt en draai de wielmoeren zo ver mogelijk met de hand aan.
- Laat de auto zakken door de wielsleutel linksom te draaien.

Plaats de wielmoersleutel vervolgens zoals in de afbeelding is aangegeven en draai de wielmoeren vast. Zorg ervoor dat de moer helemaal in de dop valt. Ga niet op de hendel staan en gebruik ook geen pijp om de hendel te verlengen. Draai de moeren om en om vast tot alle moeren vastgedraaid zijn. Controleer vervolgens elke moer nogmaals op vastzitten. Laat na het vervangen van een wiel zo snel mogelijk een officiële KIA-dealer de wielmoeren met het juiste aanhaalmoment vastzetten.
Aanhaalmoment wielmoeren:
Stalen velg en lichtmetalen velg: 9 - 11 kgm (65 - 79 lb.ft)
Verwijder het ventieldopje en controleer de bandenspanning als u de beschikking heeft over een bandenspanningsmeter. Rijd langzaam naar het dichtstbijzijnde tankstation en breng de band op de juiste spanning als de bandenspanning te laag is. Laat wat lucht uit de band lopen als de bandenspanning te hoog is. Plaats na het controleren van de bandenspanning of het op spanning brengen altijd het ventieldopje. Als het ventieldopje niet teruggeplaatst wordt, kan er lekkage ontstaan. Koop zo snel mogelijk een nieuw ventieldopje en plaats dit als u een dopje verloren bent.
Berg het wiel met de lekke band op de juiste plaats op en berg ook de krik en het gereedschap op hun oorspronkelijke plaats op.
! OPMERKING
De tapeinden en de wielmoeren van uw auto zijn voorzien van metrische draad. Zorg er bij het verwisselen van een wiel voor dat dezelfde moeren gebruikt worden voor het plaatsen - of wanneer de wielen vervangen worden, moeren met dezelfde metrische draad gebruikt worden. Bij het plaatsen van een niet metrische moer op een tapeind met metrische schroefdraad of omgekeerd, zal het wiel niet op de juiste manier aan de naaf worden bevestigd en zal het tapeind beschadigd raken, waardoor deze vervangen moet worden.
Houd er rekening mee dat de meeste wielmoeren geen metrisch schroefdraad hebben. Controleer goed het type schroefdraad voordat u niet originele wielmoeren of wielen gaat plaatsen. Neem bij twijfel contact op met een officiële KIA-dealer.
WAARSCHUWING - Tapeinden
Wanneer de tapeinden beschadigd zijn, kunnen ze het wiel niet meer goed op zijn plaats houden. Hierdoor kan het wiel losraken en een ongeval veroorzaken, waardoor letsel kan ontstaan.
Plaats de krik, de krikslinger, de wielmoersleutel en het gereedschapsetui zorgvuldig om te voorkomen dat ze tijdens het rijden gaan rammelen.
⚠ WAARSCHUWING - Onjuiste bandenspanning reservewiel
Controleer na het plaatsen van het reservewiel zo spoedig mogelijk de bandenspanning. Breng de band indien nodig op de voorgeschreven spanning. Zie "Velgen en banden" in hoofdstuk 8.
LEKKE BAND (MET TIREMOBILITYKIT, INDIEN VAN TOEPASSING)

Lees voordat u de TireMobilityKit gaat gebruiken eerst de instructies.
(1) Compressor
(2) Fles met dichtmiddel

Met de TireMobilityKit blijft u mobiel, ook na een lekke band.
Met behulp van de compressor en het dichtmiddel kunnen de meest voorkomende lekken in een personenautoband, veroorzaakt door spijkers enz., effectief gedicht worden en kan de band na reparatie weer op spanning worden gebracht.
Als u zeker weet dat het lek gedicht is, kunt u voorzichtig (maximaal 200 km) met een maximumsnelheid van 80 km/h naar een bandenspecialist of garagebedrijf rijden om de band te laten vervangen.
In sommige gevallen, bij grotere beschadigingen aan het loopvlak of aan de wangen van de band, kan het gebeuren dat het lek niet afdoende gedicht kan worden.
Een te lage bandenspanning heeft een negatieve invloed op de prestaties van de band.
U dient daarom abrupte stuurbewegingen of andere manoeuvres te mijden, vooral als de 2000 8 zwaar beladen is of als er een aanhanger wordt getrokken.
De TireMobilityKit is niet ontworpen of bedoeld voor een permanente reparatie van een band en mag maar voor 1 band gebruikt worden.
Deze handleiding laat u stap voor stap zien hoe u op een eenvoudige en betrouwbare manier een lek kunt dichten.
Lees het hoofdstuk "Veilig gebruik van de TireMobilityKit".

WAARSCHUWING
Gebruik de TireMobilityKit niet bij een band die ernstig beschadigd is door het te lang blijven rijden met de lekke band of door het te lang blijven rijden met een te lage bandenspanning.
Alleen lekken in het loopvlak van de band kunnen met de TireMobilityKit worden gerepareerd.
Uit veiligheidsoverwegingen mag het systeem niet worden gebruikt om beschadigingen aan de wangen te repareren.

Onderdelen van de TireMobilityKit
-
Snelheidsbeperkingslabel
-
Fles met dichtmiddel snelheidsbeperkingslabel
-
Vulslang van fles met dichtmiddel naar band
-
Stekkers en kabel voor directe en aansluiting op de 12V-accessoireaansluiting
- Houder voor de fles met dicht-middel
- Compressor
-
AAN/UIT-schakelaar
-
Drukmeter voor de banden- spanning
-
Knop om de bandenspanning te verlagen
-
Slang om de compressor aan te sluiten op de fles met dichtmiddel of de compressor aan te sluiten op de band
De stekkers, voedingskabel en aansluitslang kunnen worden opgeborgen in de compressor-behuizing.

WAARSCHUWING
Lees voor gebruik van de TireMobilityKit de instructies op de fles met dichtmiddel.
Verwijder het snelheidsbeperkingslabel van de fles met dichtmiddel en breng dit op het stuurwiel aan.
Let op de uiterste gebruiksdatum op de fles met dichtmiddel.
Gebruik van de TireMobilityKit
- De band vullen met dichtmiddel Volg de hieronder beschreven procedure nauwgezet, omdat het dichtmiddel anders onder hoge druk kan ontsnappen.
1) Schud de fles met dichtmiddel goed.
2) Schroef slang 9 op de aansluiting van de fles met dichtmiddel.
3) Zorg ervoor dat knop 8 op de compressor niet is ingedrukt.
4) Draai het ventieldopje van het ventiel van de lege band en schroef vulslang 2 van de fles met dichtmiddel op het ventiel.
5) Plaats de fles met dichtmiddel rechtop in de behuizing van de compressor.

6) Zorg ervoor dat de compressor is uitgeschakeld, stand 0.
7) Sluit de compressor met behulp van de kabel en stekkers aan op de 12-accessoireaansluiting van de auto.
8) Schakel het contact in en ga dan als volgt te werk:
Zet de compressor aan en laat deze ongeveer 3 minuten draaien om de band te vullen met dichtmiddel. De bandenspanning van de band na het vullen is niet van belang.
9) Schakel de compressor uit.
10) Verwijder de vulslang van de fles met dichtmiddel en van het ventiel van de band.
Plaats de TireMobilityKit terug in het opbergvak in de auto.

WAARSCHUWING
Als de motor draait in een niet- of onvoldoende geventileerde ruimte (zoals binnen), bestaat er gevaar voor koolmonoxidever-giftiging of verstikking.
Het dichtmiddel verdelen
Rijd onmiddellijk ongeveer 3 km om het dichtmiddel in de band gelijkmatig te verdelen.

OPMERKING
Rijd hierbij niet harder dan 60 km/h. Rijd indien mogelijk niet langzamer dan 20 km/h.
Als u tijdens het rijden ongewone trillingen opmerkt, een abnormaal rijgedrag ervaart of bijgeluiden hoort, verlaag dan uw snelheid en rijd voorzichtig verder tot u de auto op een veilige plaats tot stilstand kunt brengen.
Roep in dat geval hulp in.
De banden op de juiste spanning brengen
1) Stop na ongeveer 3 km gereden te hebben op een geschikte plaats.
2) Sluit slang 9 van de compressor aan op het ventiel van de band.
3) Sluit de compressor met behulp van de kabel en stekkers aan op de 12-accessoireaansluiting van de auto.
4) Stel de bandenspanning in op 230 kPa (33 psi). Schakel het contact in en ga dan als volgt te werk.
- De bandenspanning verhogen: Zet de schakelaar op de compressor in stand I. Schakel de compressor even uit om de huidige bandenspannings-instelling te controleren.

WAARSCHUWING
Laat de compressor niet langer dan 10 minuten achter elkaar draaien, omdat deze anders oververhit kan raken.
- De bandenspanning verlagen: Druk knop 8 op de compressor in.

OPMERKING
Rijd opnieuw een stukje als de band niet op spanning blijft. Raadpleeg "Het dichtmiddel verdelen". Herhaal dan de stappen 1 t/m 4.
De TireMobilityKit kan mogelijk niet gebruikt worden bij beschadigingen groter dan ongeveer 4 mm.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde KIA-dealer of een garage die volgens de reparatieprocedures van KIA werkt als het lek niet gedicht kan worden met de TireMobilityKit.

WAARSCHUWING
De bandenspanning moet ten minste 200 kPa (29 psi) zijn. Rijd niet verder als dat niet het geval is. Roep in dat geval hulp in.
Aanwijzingen voor het veilig gebruik van de TireMobilityKit
- Breng uw auto tot stilstand op een veilige plaats zodat u bij het werken met de TireMobilityKit niet gehinderd wordt door het passerende verkeer. Plaats uw gevarendriehoek op een opvallende plaats om het overige verkeer te attenderen op uw auto.
• Activeer de parkeerrem, ook als de auto tamelijk horizontaal staat, zodat de auto niet in beweging kan komen. - Gebruik de TireMobilityKit uitsluitend voor het repareren van personenautobanden. Gebruik de set niet voor motorfietsbanden, fietsbanden of andere soorten banden.
- Verwijder het voorwerp dat het lek heeft veroorzaakt, zoals een spijker of een schroef, niet uit de band.
-
Lees voor het gebruik van de TireMobilityKit de veiligheidsvoorschriften op de fles dichtmiddel!
-
Laat de motor draaien als de auto in een niet-afgesloten ruimte staat. Anders kan het gebruik van de compressor er uiteindelijk toe leiden dat de accuspanning te ver daalt.
- Verlies de TireMobilityKit tijdens het gebruik niet uit het oog.
- Laat de compressor niet langer dan 10 minuten achter elkaar draaien, omdat deze anders oververhit kan raken.
- Gebruik de TireMobilityKit niet bij een buitentemperatuur lager dan - it 30°C.
- Gebruik het dichtmiddel niet als de uiterste gebruiksdatum, dat te vinden is op het label van de fles, is verstreken.
- Houd de TireMobilityKit uit de buurt van kinderen.
Technische specificaties
Systeemspanning:
12 V gelijkspanning
Werkspanning:
10 - 15 V gelijkspanning
Opgenomen ampérage: max. 15 A
Geschikt voor gebruik bij
temperaturen van: -30 \~ +70°C
Max. werkdruk:
6 bar (87 psi)
Afmetingen
Compressor: 168 x 150 x 68 mm
Fles met dichtmiddel:
104 x ø 85 mm
Gewicht compressor: 1,05 kg kg
Hoeveelheid dichtmiddel: 300 ml
* Dichtmiddel en reserveonderdelen zijn verkrijgbaar bij een officiële KIA-dealer of een bandenspecialist. Lege flessen met dichtmiddel kunnen op normale wijze worden afgevoerd. Breng restanten dichtmiddel naar uw KIA-dealer of een bandenspecialist of voer ze af als klein chemisch afval.
CONTROLESYSTEEM LAGE BANDENSPANNING (TPMS) (INDIEN VAN TOEPASSING)

(2) Waarschuwingslampje positie lage bandenspanning
Controleer iedere maand bij koude banden of de bandenspanning van alle banden, inclusief het reservewiel (indien van toepassing), overeenkomt met de aanbevolen spanning op het voertuigplaatje of het bandenspanningslabel. (Als de bandenmaat van uw auto niet overeenkomt met de bandenmaat op het voertuigplaatje of het bandenspanningslabel, dient u de juiste spanning voor deze banden te bepalen.)
Voor extra beveiliging is uw auto uitgerust met een controlesysteem lage bandenspanning (TPMS) dat ervoor zorgt dat een waarschuwingslampje lage bandenspanning gaat branden wanneer de bandenspanning van een of meerdere band(en) aanmerkelijk te laag is. Wanneer het waarschuwingslampje lage bandenspanning brandt, dient u de auto dus stil te zetten, de banden zo snel mogelijk te controleren en ze op de juiste spanning te brengen.
Rijden op banden waarvan de bandenspanning te laag is, heeft oververhitte en mogelijk beschadigde banden tot gevolg. Te lage bandenspanning levert een hoger brandstofverbruik op, verkort de levensduur van de banden en heeft mogelijk invloed op de rijeigenschappen van de auto en de remweg.
Het TPMS dient niet ter vervanging van onderhoud van de banden te worden gebruikt. Het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder dat de banden op de juiste spanning zijn, ook al is de bandenspanning nog niet zo laag dat het waarschuwingslampje gaat branden.
Uw auto is tevens uitgerust met een controlelampje storing TPMS dat aangeeft wanneer het systeem niet goed werkt. Het controlelampje storing TPMS is gecombineerd met het waarschuwingslampje lage bandenspanning. Wanneer door het systeem een storing wordt gedetecteerd, knippert het waarschuwingslampje gedurende ongeveer een minuut en blijft daarna branden.
Elke keer dat de auto wordt gestart, blijft deze volgorde optreden, zolang de storing aanwezig is. Wanneer het controlelampje brandt, kan het systeem mogelijk niet naar behoren een te lage bandenspanning vaststellen. Storingen in het TPMS kunnen door verschillende oorzaken ontstaan, waaronder het plaatsen, vervangen of wisselen van banden of velgen waardoor het TPMS niet goed werkt. Controleer na het vervangen van een of meerdere band(en) of velg(en) het controlelampje storing TPMS om ervoor te zorgen dat het TPMS goed werkt.
*AANWIJZING
Als het controlelampje storing TPMS, het waarschuwingslampje lage bandenspanning en positie lage bandenspanning niet gedurende 3 seconden gaan branden nadat het contact in stand ON is gezet of de motor draait, of als ze blijven branden, laat dan uw auto door de dichtstbijzijnde officiële KIA-dealer controleren.

Waarschuwingslampje lage bandenspanning

Waarschuwingslampje positie lage bandenspanning
Wanneer de waarschuwingslampjes van het controlesysteem lage bandenspanning branden, is de bandenspanning van een of meerdere band(en) te laag. Het waarschuwingslampje positie lage bandenspanning geeft aan welke band een te lage bandenspanning heeft doordat het bijbehorende lampje gaat branden.
Wanneer een van deze waarschuwingslampjes gaat branden, verminder dan onmiddellijk snelheid, vermijd scherp aansnijden van bochten en anticipeer op een langere remweg. Zet de auto zo snel mogelijk stil en controleer de banden. Breng de banden op de juiste spanning zoals aangegeven op het voertuigplaatje of het bandenspanningslabel op de middenstijl aan bestuurderszijde.
Vervang de band met een te lage bandenspanning door het reservewiel als u geen tankstation kunt bereiken of als de band lek is.
Nadat u de lekke band gerepareerd of vervangen hebt, zal het controle-lampje storing TPMS mogelijk gaan branden en zullen de waarschuwingslampjes lage bandenspanning en positie lage bandenspanning pas doven wanneer u de motor opnieuw gestart en ongeveer 20 minuten gereden hebt.

OPMERKING
Mogelijk gaat het waarschuwingslampje lage bandenspanning in de winter of bij koud weer branden als de banden bij warm weer op de aanbevolen spanning zijn gebracht. Het betekent niet dat uw TPMS defect is, omdat de lagere temperatuur een evenredig lagere bandenspanning tot gevolg heeft.
Controleer de bandenspanning en stel deze af wanneer u van een warm gebied naar een koud gebied of vice versa rijdt, of wanneer de buitentemperatuur aanmerkelijk toe- of afneemt.

Een te lage bandenspanning zorgt ervoor dat de auto instabiel wordt en kan ervoor zorgen dat u de controle over de auto verliest en dat de remweg wordt verlengd.
Doorrijden op banden met een te lage spanning heeft oververhitte en defecte banden tot gevolg.

Controlelampje storing TPMS (controlesysteem lage bandenspanning)
Het waarschuwingslampje lage bandenspanning gaat branden nadat het ongeveer 1 minuut heeft geknipperd wanneer er een probleem aanwezig is in het controlesysteem lage bandenspanning. Als het systeem correct een te lage bandenspanning registreert terwijl het systeem defect is, gaat zowel het conrolelampje storing TPMS branden als de waarschuwingslampjes lage bandenspanning en positie lage bandenspanning, d.w.z. wanneer de sensor links voor defect is, gaat het controlelampje storing TPMS branden, maar als de band rechts voor, links achter of rechts achter een te lage spanning heeft, gaan de waarschuwingslampjes lage bandenspanning en positie lage bandenspanning mogelijk branden samen met het controlelampje storing TPMS.
Laat het systeem zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer om de oorzaak van het probleem vast te stellen.
! OPMERKING
- Het controlelampje storing TPMS gaat mogelijk branden als de auto in de buurt rijdt van elektrische kabels of zenders zoals in de nabijheid van politiebureaus, kantoren, zendstations, militaire objecten, luchthavens, zendmasten, enz. die de normale werking van het controlesysteem lage bandenspanning (TPMS) kunnen storen.
- Het controlelampje storing TPMS gaat mogelijk branden als bepaalde elektrische apparaten, zoals laptops, in de auto worden gebruikt. Dit kan de normale werking van het TPMS storen.
Een wiel wisselen met TPMS
Bij een lekke band gaan de waarschuwingslampjes lage bandenspanning en positie lage bandenspanning branden. Laat de lekke band zo snel mogelijk door een officiële KIA-dealer repareren of vervang het wiel door het compacte reservewiel.
! OPMERKING
Gebruik NOOIT bandenreparatiemiddel om de band met een te lage spanning te repareren. Het afdichtingsmiddel kan de bandenspanningssensoren beschadigen. In dat geval moet u de bandenspanningssensor vervangen.
leder wiel is uitgerust met een bandenspanningssensor achter het ventiel in het wiel. Gebruik wielen die speciaal geschikt zijn voor TPMS.Wij raden u aan uw banden altijd door een officiële KIA-dealer te laten nakijken.
Ook wanneer u de band met de lage bandenspanning door het reservewiel hebt vervangen, blijven de waarschuwingslampjes lage bandenspanning en positie lage bandenspanning branden tot dat de band met de lage bandenspanning is gerepareerd en weer op de auto is gemonteerd.
Nadat u de band met de lage bandenspanning vervangen hebt door het reservewiel, gaat het controlelampje storing TPMS mogelijk na enkele minuten branden, omdat het reservewiel niet is voorzien van een TPMS-sensor.
Zodra de band met de lage bandenspanning opnieuw is opgepompt tot de aanbevolen druk en onder de auto is gemonteerd of het wiel is voorzien van een nieuwe TPMS-sensor, zullen de controlelampjes storing TPMS en de waarschuwingslampjes lage bandenspanning na enkele minuten rijden doven.
Ga naar een officiële KIA-dealer als de lampjes niet doven nadat u paar minuten gereden hebt.
! OPMERKING
Als de TPMS-sensor op het originele wiel dat in de houder van het reservewiel is gemonteerd nog steeds actief is, werkt het bandenspannings-controlesysteem mogelijk niet correct. Laat de band met TPMS zo spoedig mogelijk repareren of vervangen door een officiële Kia-dealer.
Mogelijk kunt u de bandenspanning niet beoordelen door alleen naar de banden te kijken. Gebruik altijd een bandenspanningsmeter van een goede kwaliteit om de bandenspanning te meten. Een band die warm is (door het rijden), heeft een hogere bandenspanning dat een band die koud is (doordat deze gedurende ten minste 3 uur heeft stilgestaan of niet meer dan 1,6 km heeft gereden gedurende deze periode).
Laat de band afkoelen alvorens de bandenspanning te meten. Zorg er altijd voor dat de band koud is alvorens deze op de aanbevolen spanning te brengen.
Een koude band houdt in dat de auto gedurende 3 uur heeft stilgestaan of niet meer dan 1,6 km heeft gereden gedurende deze periode.
! OPMERKING
Gebruik geen afdichtingsmiddel als uw auto is uitgerust met een controlesysteem lage bandenspanning.
Het afdichtingsmiddel kan de bandenspanningssensoren beschadigen.
WAARSCHUWING - TPMS
- Het TPMS waarschuwt niet voor ernstige en plotselinge schade aan de banden veroorzaakt door externe factoren, zoals spijkers en dergelijke.
- Als de auto instabiel aanvoelt, haal dan onmiddellijk uw voet van het gaspedaal, trap het rempedaal licht in en breng uw auto op een veilige plaats tot stilstand.
WAARSCHUWING
- TPMS beschermen
Het aanpassen, wijzigen of uitschakelen van onderdelen van het controlesysteem lage bandenspanning (TPMS) verhindert mogelijk dat de bestuurder door het systeem wordt gewaarschuwd over een te lage bandenspanning en/of storingen in het TPMS. Door het aanpassen, wijzigen of uitschakelen van onderdelen van het TPMS vervalt mogelijk de garantie voor dat deel van de auto.
SLEPEN

Slepen
Laat de auto bij voorkeur wegslepen door een officiële KIA-dealer of een erkend bergingsbedrijf. De juiste procedures voor het slepen zijn noodzakelijk om beschadigingen aan uw auto te voorkomen. Wij bevelen het gebruik van dollies aan.
Auto's met vierwielaandrijving moeten gesleept of vervoerd worden met alle vier wielen van de grond. Dit kan met behulp van een bril en dollies of met behulp van een auto-ambulance.
! OPMERKING
4WD-auto's mogen niet worden gesleept met de wielen op de grond. Dit kan de transmissie en het 4WD-systeem ernstig beschadigen.
Auto's met tweewielaandrijving mogen gesleept worden met de achterwielen op de grond (zonder dollies) en de voorwielen van de grond.
Als een van de aangedreven wielen of de wielophanging voor beschadigd is of als de auto wordt gesleept met de voorwielen van de grond, plaats dan een dolly onder de voorwielen.
Als er geen dollies worden gebruikt, moet de auto worden gesleept met de voorwielen van de grond.

- Sleep de auto nooit achteruit met de voorwielen op de grond. Hierdoor kan de auto beschadigd raken.
- Sleep de auto nooit met een takelwagen. Gebruik alleen een auto-ambulance of een bril.
Slepen in noodgevallen zonder dollies:
- Zet het contact in stand ACC.
- Zet de transmissie in stand N (neutraal).
- Ontgrendel de parkeerrem.

OPMERKING
Als de selectiehendel niet in stand N wordt gezet, kan dit inwendige schade in de transmissie tot gevolg hebben.


Afneembare trekhaak (indien van toepassing)
- Open de achterklep en verwijder het sleepoog uit de gereedschapset.
-
Verwijder het afdekkapje in de bumper door het van achteren af uit de bumper te drukken.
-
Plaats het sleepoog door het rechtsom te draaien totdat het volledig vastzit.
- Verwijder het sleepoog na gebruik en plaats het afdekkapje.

Slepen in een noodgeval
Laat de auto bij voorkeur wegslepen door een officiële KIA-dealer of een erkend bergingsbedrijf.
Als dit niet mogelijk is, mag de auto tijdelijk worden gesleept met een sleepkabel of -ketting die aan het sleepoog aan de voor- of achterzijde van de auto is bevestigd. Wees voorzichtig bij het slepen van de auto. Laat een ervaren bestuurder in de gesleepte auto achter om te sturen en de remmen te bedienen. Op deze manier slepen mag alleen op verharde wegen, over een korte afstand en met lage snelheid. Bovendien moeten de wielen, aandrijfassen, transmissie, stuurinrichting en remmen in orde zijn.
- Gebruik de sleepogen niet om een andere auto weg te slepen die vastzit in de modder of iets dergelijks waar hij niet op eigen kracht uit kan komen.
- Sleep geen auto's die zwaarder zijn dan de auto waarmee wordt gesleept.
- De bestuurders van beide auto's dienen goed met elkaar te communiceren.
! OPMERKING
- Bevestig een sleepkabel alleen aan de sleepogen.
- Als de sleepkabel aan een ander onderdeel van de auto wordt bevestigd, kan dit leiden tot beschadigingen.
-
Gebruik alleen een sleepkabel of -ketting die speciaal bedoeld is voor het slepen van auto's. Bevestig de kabel of ketting goed aan de sleepogen.
-
Controleer voor het slepen of de sleepogen niet gebroken of op een andere manier beschadigd zijn.
- Bevestig de kabel of ketting goed aan de sleepogen.
- Voorkom schokbewegingen tijdens het slepen. Sleep met een gelijkmatige kracht.
- Trek niet in de dwarsrichting of in verticale richting aan het sleepoog. Anders kan het sleepoog beschadigd raken. Trek alleen in de lengterichting van de auto.

WAARSCHUWING
Wees voorzichtig bij het slepen van de auto.
- Probeer abrupt accelereren en remmen, alsmede vreemde manoeuvres te voorkomen, zodat de sleepkabel of -ketting en de sleepogen niet te zwaar worden belast. Anders kunnen ze breken, waardoor ernstig letsel of schade kan ontstaan.
- Als er nauwelijks beweging in de auto zit, ga dan niet onnodig door met slepen. Neem contact op met een officiële KIA-dealer of een deskundig bergingsbedrijf voor hulp.
- Sleep de auto onder een zo recht mogelijke hoek.
- Blijf op veilige afstand van de auto tijdens het slepen.

- Gebruik een sleepkabel van maximaal 5 meter. Bevestig een rode doek in het midden.
- Rijdt voorzichtig tijdens het slepen om te voorkomen dat de sleepkabel slap komt te hangen.
Voorzorgsmaatregelen bij slepen in een noodgeval
- Zet het contact in stand ACC, zodat het stuurslot niet kan worden ingeschakeld.
- Zet de transmissie in stand N (neutraal).
- Ontgrendel de parkeerrem.
- Vanwege de verminderde remwerking, moet het rempedaal krachtiger worden bediend.
- Het sturen gaat zwaarder omdat de stuurbekrachtiging niet werkt.
- Tijdens een afdaling kunnen de remmen oververhit raken, waardoor de remwerking afneemt. Stop in dat geval regelmatig om de remmen af te laten koelen.

OPMERKING
- Automatische transmissie
- Als de auto gesleept moet worden met alle wielen op de grond, mag hij alleen vooruit gesleept worden. Controleer of de transmissie in de vrijstand staat. Zorg ervoor dat het stuurslot niet geactiveerd is door het contact in stand ACC te zetten. Laat een ervaren bestuurder in de gesleepte auto achter om te sturen en de remmen te bedienen.
- Laat de auto niet met een snelheid hoger dan 15 km/h en niet verder dan 1,5 km slepen, om ernstige schade aan de automatische transmissie te voorkomen.
- Controleer, voordat de auto gesleept wordt, onder de auto of deze geen automatische-transmissievloeistof lekt. Als de auto automatische-transmissievloeistof lekt moet de auto op een auto-ambulance vervoerd of op een dolly gesleept worden.

Transportogen (voor vervoer op een auto-ambulance, indien van toepassing)

WAARSCHUWING
Gebruik de ogen aan de voorzijde van de auto niet voor het slepen. Deze ogen dienen UITSLUITEND om de auto tijdens transport vast te zetten. Wanneer de transportogen gebruikt worden om te slepen, kunnen de ogen of de bumper beschadigd raken en ontstaat er mogelijk ernstig letsel.
Motorruimte / 7-2
Onderhoudswerkzaamheden / 7-6
Door de eigenaar uit te voeren
onderhoudswerkzaamheden / 7-8
Onderhoudsschema / 7-10
Uitleg bij onderhoudsschema / 7-22
Motorolie / 7-25
Koelyloeistof / 7-26
Rem- en koppelingsvloeistof / 7-29
Ruitensproeiervloeistof / 7-30
Parkeerrem / 7-30
Brandstofffilter / 7-31
Luchtfilter / 7-32
Interieurfilter / 7-34
Ruitenwisserbladen / 7-36
Accu / 7-39
Onderhoud
Banden en wielen / 7-42
Zekeringen / 7-53
Gloeilampen / 7-68
Onderhoud exterieur / 7-77
Emissieregelsysteem / 7-84
MOTORRUIMTE
■ Benzinemotor (1,6L)

* De uiteindelijke motorruimte kan afwijken van de afbeelding.
OEL070301
* De uiteindelijke motorruimte kan afwijken van de afbeelding.
OLM079001
■ Dieselmotor (1,7L)

* De uiteindelijke motorruimte kan afwijken van de afbeelding.
- Expansievat koelvloeistof
- Peilstok motorolie
- Vuldop motorolie
- Rem-/koppelingsvloeistofreservoir*
- Brandstofffilter
- Pluspool accu
- Minpool accu
- Zekeringkast
- Luchtfilter
- Radiateurdop
- Sproeierreservoir
* indien van toepassing
OEL070302
■ Dieselmotor (2,0L)

* De uiteindelijke motorruimte kan afwijken van de afbeelding.
OLM079002
ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN
Neem bij het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden en controles de grootst mogelijke voorzichtigheid in acht om schade aan uw auto en/of persoonlijk letsel te voorkomen.
Indien u niet zeker bent van de handelswijze die voor het onderhoud of de reparatie dient te worden gevolgd, is het raadzaam de werkzaamheden te laten verrichten door een officiële KIA-dealer.
Een officiële KIA-dealer heeft getrainde technici in dienst, beschikt over originele KIA-onderdelen en kan daardoor het juiste onderhoud aan uw auto uitvoeren. Raadpleeg een officiële KIA-dealer voor deskundig advies en voor service van topkwaliteit.
Niet doelmatig, onvoldoende of gebrekkig onderhoud kan problemen bij het gebruik van uw auto veroorzaken, wat kan leiden tot schade aan de auto, een ongeval of persoonlijk letsel.
Verantwoordelijkheid van de eigenaar
*AANWIJZING
Het laten uitvoeren van onderhoud en de registratie daarvan zijn de verantwoordelijkheid van de eigenaar.
U dient aan te kunnen tonen dat het juiste onderhoud aan uw auto is uitgevoerd overeenkomstig de voorgeschreven intervallen zoals weergegeven op de volgende bladzijden. U hebt deze informatie nodig om aanspraak te kunnen maken op de door KIA verstrekte garantie.
De garantievoorwaarden vindt u in het garantieboekje.
Reparaties en afstellingen die nodig zijn als gevolg van te weinig of verkeerd onderhoud vallen niet onder de garantie. Wij raden u aan de auto te laten onderhouden en repareren door een officiële KIA-dealer. Een officiële KIA-dealer voldoet aan de hoge kwaliteitseisen van KIA en krijgt technische ondersteuning van KIA om ervoor te zorgen dat u tevreden bent met de service.
Voorzorgsmaatregelen voor onderhoud uitgevoerd door eigenaar
Verkeerd of onvolledig onderhoud kan problemen opleveren. In dit hoofdstuk worden alleen aanwijzingen gegeven voor werkzaamheden die eenvoudig uit te voeren zijn.
Zoals eerder uitgelegd in dit hoofdstuk kunnen verschillende werkzaamheden alleen door een officiële KIA-dealer worden uitgevoerd die de beschikking heeft over speciaal gereedschap.
*AANWIJZING
Het verkeerde onderhoud door de eigenaar tijdens de garantieperiode kan ertoe leiden dat de garantie vervalt. Lees voor details het bij de auto geleverde onderhoudsboekje. Laat in twijfelgevallen het onderhoud altijd uitvoeren door een officiële KIA-dealer.

WAARSCHUWING
- Onderhouds- werkzaamheden
- Het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan een auto kan gevaarlijk zijn. Bij sommige onderhoudsprocedures kunt u ernstig verwond raken. Laat het werk uitvoeren door een gekwalificeerde monteur wanneer u niet over voldoende kennis en ervaring of over het juiste gereedschap beschikt.
- Het is gevaarlijk werkzaamheden uit te voeren onder de motorkap terwijl de motor draait. Het is nog gevaarlijker wanneer u sieraden of losse kleding draagt. Deze kunnen verstrikt raken in de draaiende onderdelen en letsel veroorzaken. Zorg er daarom voor dat u alle sieraden afoet (vooral ringen, armbanden, horloges en halskettingen) en losse kleding verwijdert voordat u bij een draaiende motor onder de motorkap in de buurt van de motor of de koelventilatoren komt.
Voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de motorruimte (Dieselmotor)
- De piëzo-elektrische verstuiver werkt met een hoge spanning (maximaal 200 V). Dit heeft de volgende gevaren tot gevolg:
- Direct contact met de verstuiver of verstuiverbedrading kan leiden tot een elektrische schok en het uitvallen van spieren en zenuwen.
- Door de elektromagnetische golf van een werkende verstuiver kan het zijn dat een pacemaker niet goed functioneert.
- Volg de onderstaande veiligheidsvoorschriften wanneer u bij draaiende motor de motorruimte controleert.
- Raak de verstuivers, verstuiverbedrading en de motor-ECU niet aan als de motor draait.
- Neem nooit de stekker van een verstuiver los als de motor draait.
- Voor personen met een pacemaker is het raadzaam uit de buurt van de motoronderdelen te blijven als de motor draait.

WAARSCHUWING
- Dieselmotor
Werk nooit aan het inspuitsysteem bij draaiende motor of binnen 30 seconden na het afzetten van de motor. De hogedrukpomp, de common rail, de verstuivers en de hogedrukleidingen staan onder hoge druk, ook als de motor uit is gezet. De brandstofstraal die kan ontsnappen, kan ernstig letsel veroorzaken. Mensen die een pacemaker dragen, mogen niet dichter dan 30 cm bij de motormodule of de bedrading in de motorruimte komen als de motor draait, omdat de hoge stroomsterktes in het elektronische motorregelsysteem aanzienlijke magnetische velden produceren.
DOOR DE EIGENAAR UIT TE VOEREN ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN
De eigenaar of officiële KIA-dealer dient de onderstaande controles volgens het aangegeven interval uit te voeren om een veilige en betrouwbare werking van de auto te garanderen.
Neem bij bijzonderheden zo spoedig mogelijk contact op met uw Erkend Reparateur.
Eventuele werkzaamheden die uit deze controles voortvloeien, vallen doorgaans niet onder de fabrieksgarantie en zullen, samen het arbeidsloon en eventuele onderdelen en smeermiddelen, in rekening gebracht worden.
Schema voor door de eigenaar uit te voeren onderhoudswerkzaamheden
Bij het tanken:
- Controleer het motoroliepeil.
- Controleer het koelvloeistofpeil in het expansievat.
- Controleer het niveau van de ruitensproeiervloeistof.
- Controleer of de bandenspanning in orde is.

WAARSCHUWING
Wees voorzichtig bij het controleren van het koelvloeistofpeil wanneer de motor warm is. Hete koelvloeistof en stoom kunnen onder druk naar buiten spuiten. Hierdoor kunnen brandwonden of ernstig letsel ontstaan.
Tijdens het rijden:
- Let op veranderingen in het uitlaatgeluid en let erop dat u in het interieur geen uitlaatgassen ruikt.
- Controleer op trillingen in het stuurwiel. Controleer of het sturen niet zwaarder of lichter gaat dan normaal en of de rechtuitstand niet is gewijzigd.
- Controleer of de auto niet naar één kant trekt op een vlakke, rechte weg.
- Controleer bij het remmen op vreemde geluiden, naar één kant trekken, een grotere slag van het rempedaal of een moeilijk in te trappen rempedaal.
- Controleer als de transmissie slipt of niet normaal werkt het niveau van de automatische-transmissievloeistof.
- Controleer de werking van de handgeschakelde transmissie en de koppeling.
- Controleer de werking van stand P (Park) van de automatische transmissie.
- Controleer de werking van de parkeerrem.
- Controleer onder uw auto op lekkage (tijdens of na het gebruik van de airconditioning kan er een plasje water onder uw auto ontstaan; dit is een normaal verschijnsel en duidt niet op lekkage).
Ten minste maandelijks:
- Controleer het koelvloeistofniveau in het expansievat.
- Controleer de werking van alle verlichting van uw auto, inclusief de remlichten, richtingaanwijzers en alarmknipperlichten.
- Controleer de bandenspanning van alle wielen inclusief het reservewiel.
Twee keer per jaar
(in het voorjaar en in het najaar):
- Controleer de radiateurslangen en de slangen van de verwarming en de airconditioning op lekkage en beschadigingen.
- Controleer de werking van de ruitenwissers en -sproeiers. Reinig de ruitenwisserbladen met een schone, met ruitensproeiervloeistof doordrenkte doek.
- Controleer de stand van de koplampen.
- Controleer de dempers, uitlaatpijpen, de hitteschilden en de bevestigingen van de uitlaat.
- Controleer de werking van de driepuntsgordels en controleer op slijtage.
- Controleer of het profiel van de banden nog voldoende is en controleer of de wielmoeren goed zijn aangedraaid.
Ten minste eenmaal per jaar:
- Reinig de afvoeropeningen aan de onderzijde van de portieren en de dorpels.
- Smeer alle portierscharnieren, slotvangers en motorkapscharnieren.
- Smeer de portier- en motorkapsloten, - vergrendelingen.
- Smeer de portierrubbers.
- Controleer vóór de zomer de werking van de airconditioning.
- Controleer het vloeistofniveau van de stuurbekrachtiging.
- Controleer en smeer het bedieningsmechanisme van de automatische transmissie.
- Reinig de accu en de accupolen.
- Controleer het remvloeistofniveau.
ONDERHOUDSSCHEMA
Volg het "Onderhoudsschema bij normaal gebruik" wanneer de auto normaal-gesproken wordt gebruikt onder andere dan de hieronder vermelde omstandigheden. Volg in de onderstaande gevallen het "Onderhoudsschema bij verzwaard gebruik".
- Veel korte ritten.
- Rijden in extreem stoffige of zanderige gebieden.
- Intensief gebruik van het remsysteem.
- Rijden in gebieden waar veel zout of andere agressieve stoffen worden gebruikt.
- Rijden op ruwe, modderige wegen.
- Rijden in heuvelachtige gebieden.
- Langdurig stationair draaien of rijden met lage toerentallen.
- Gedurende lange tijd rijden bij lage temperaturen en/of in een extreem vochtig klimaat.
- Voor meer dan 50% rijden in druk stadsverkeer bij temperaturen boven de 32°C.
Wanneer uw auto wordt gebruikt onder een van de bovenstaande omstandigheden dienen voor het controleren, vervangen en verversen kortere intervallen te worden aangehouden dan aangegeven in het "Onderhoudsschema bij normaal gebruik". Volg het voorgeschreven onderhoudsschema op. Let op de Tijdsinterval/Kilometerstand. Hiervoor geldt, welke het eerst wordt bereikt!
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK
Onderstaand onderhoud moet worden uitgevoerd voor een goede emissieregeling en goede prestaties. Houd voor behoud van de garantie kwitanties bij voor al het uitgevoerde onderhoud aan emissiesystemen. Wanneer zowel de gereden afstand als de tijd wordt aangegeven, is de onderhoudsfrequentie afhankelijk van wat het eerste wordt bereikt.
*1 : Controleer het motoroliepeil elke 500 km of voor een lange reis.
*2 : Dit onderhoudsschema is afhankelijk van de kwaliteit van de brandstof. Het is alleen van toepassing als een voorgeschreven brandstof wordt gebruikt
*3 : Indien de aanbevolen olie niet beschikbaar is, vervang dan iedere 20.000 km of 12 maanden de motorolie en het oliefilter.
*4 : Indien de aanbevolen olie niet beschikbaar is, vervang dan iedere 15.000 km de motorolie en het oliefilter.
*5 : Het motoroliepeil moet regelmatig worden gecontroleerd en op het juiste niveau worden gehouden. Een te laag oliepeil kan de motor beschadigen. Dergelijke schade valt niet onder de garantie.
*6 : Dit interval is afhankelijk van de brandstofkwaliteit. Dit geldt alleen indien een voorgeschreven brandstof wordt gebruikt (EN 590 of gelijkwaardig). Als de specificaties van de dieselbrandstof niet voldoen aan de Europese EN 590-normen, vervang het filter dan vaker. Neem voor details contact op met een officiële KIA-dealer. In geval van een laag motorvermogen of afname van de brandstofdruk die te wijten is aan het brandstofffilter, dient het brandstofffilter onmiddellijk vervangen te worden, ongeacht het onderhoudsschema.
*7: Het brandstofffilter geldt als onderhoudsvrij, maar regelmatige controle wordt aangeraden aangezien dit onderhoudsschema afhankelijk is van de kwaliteit van de brandstof. Als er belangrijke storingen optreden zoals beperkte brandstofdoorvoer, haperen van de motor, vermogensverlies, startproblemen, etc. vervang dan het brandstofffilter onmiddellijk ongeacht het onderhoudsschema en neem contact op met een officiële KIA-dealer voor meer informatie.
*8 : Versnellingsbakolie, tussenbakolie en differentieelolie dienen elke keer nadat ze in aanraking zijn gekomen met water vervangen te worden.
9 : Controlleren en indien nodig af- of bijstellen of vervangen. Controleer de riemspanner, de spanrol, de dynamo en de poelie en stel af of bij of vervang, indien nodig.
10 : Vul het koelsysteem alleen bij met gedestilleerd of gedemineraliseerd water en vul het koelsysteem niet bij met gewoon kraanwater. Een onjuist koelvloeistofmengsel kan storingen en schade aan de motor veroorzaken.
*11 : Controleer op vreemde bijgeluiden en/of motortrillingen en stel indien nodig af. Laat dit doen door een officiële KIA-dealer.
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (VERVOLG)
30.000 km of 24 maanden
□ Controleer luchtfilter
☐ Controleer koudemiddel airconditioning/aircocompressor (indien van toepassing)
□ Controleer accutoestand
□ Controleer remleidingen, -slangen en aansluitingen
□ Controleer remschijven en remblokken
Controleer aandrijfassen en aandrijfashoezen
Controleer uitlaatsysteem
□ Controleer fuseekogels voorwielophanging
☐ Controleer brandstofffilterelement (diesel) *6
☐ Controleer brandstofleidingen, -slangen en aansluitingen (diesel)
□ Controleer parkeerrem
☐ Controleer cardanas (4WD)
□ Controleer stuurhuis, stuurstangen en stofhoezen
☐ Controleer banden (spanning en profiel)
(Vervolg)
(Vervolg)
□ Vervang rem-/koppelingsvloeistof (indien van toepassing)
□ Vervang interieurfilter (indien van toepassing)
□ Vervang motorolie en filter (diesel) *1 *2 *3 *5
□ Vervang motorolie en filter (benzine) *1 *4 *5 (Elke 30.000 km of 12 maanden)
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (VERVOLG)
60.000 km of 48 maanden
☐ Controleer koudemiddel airconditioning/aircocompressor (indien van toepassing)
Controleer accutoestand
- Controleer remleidingen, -slangen en aansluitingen
□ Controleer koelsysteem
□ Controleer remschijven en remblokken
Controleer aandrijfassen en aandrijfashoezen
Controleer uitlaatsysteem
□ Controleer fuseekogels voorwielophanging
☐ Controleer brandstofffilter (benzine) *7
Controleer brandstofleidingen, -slangen en aansluitingen
□ Controleer luchtfilter brandstoftank
□ Controleer transmissievloeistof (indien van toepassing) *8
□ Controleer parkeerrem
□ Controleer cardanas (4WD)
□ Controleer olie achterdifferentieel (4WD) *5
□ Controleer stuurhuis, stuurstangen en stofhoezen
☐ Controleer banden (spanning en profiel)
□ Controleer tussenbakolie (4WD) *8
(Vervolg)
(Vervolg)
□ Controleer ontluchtingsslang en tankdop (benzine)
□ Vervang luchtfilter
□ Vervang rem-/koppelingsvloeistof (indien van toepassing)
□ Vervang interieurfilter (indien van toepassing)
□ Vervang motorolie en filter (diesel) *1 *2 *3 *5
□ Vervang motorolie en filter (benzine) *1 *4 *5 (Elke 30.000 km of 12 maanden)
□ Vervang brandstofffilterelement (diesel) *5
□ Vervang bougies (2,0 benzine)
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (VERVOLG)
90.000 km of 72 maanden
Controleer luchtfilter
☐ Controleer koudemiddel airconditioning/aircocompressor (indien van toepassing)
□ Controleer accutoestand
□ Controleer remleidingen, -slangen en aansluitingen
□ Controleer koelsysteem
□ Controleer remschijven en remblokken
□ Controleer aandrijfriem (benzine) *9
Controleer aandrijfriem (diesel) *9
(Eerste 90.000 km of 48 maanden,
daarna iedere 30.000 km of 24 maanden)
□ Controleer aandrijfassen en aandrijfashoezen
□ Controleer uitlaatsysteem
□ Controleer fuseekogels voorwielophanging
□ Controleer brandstofffilterelement (diesel) *
☐ Controleer brandstofleidingen, -slangen en aansluitingen (diesel)
Controleer parkeerrem
☐ Controleer cardanas (4WD)
□ Controleer stuurhuis, stuurstangen en stofhoezen
(Vervolg)
(Vervolg)
☐ Controleer banden (spanning en profiel)
□ Controleer klepspeiling (benzine) *11
□ Vervang rem-/koppelingsvloeistof (indien van toepassing)
□ Vervang interieurfilter (indien van toepassing)
□ Vervang motorolie en filter (diesel) *1 *2 *3 *5
□ Vervang motorolie en filter (benzine) *1 *4 *5
(Elke 30.000 km of 12 maanden)
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (VERVOLG)
120.000 km of 96 maanden
☐ Controleer koudemiddel airconditioning/aircocompressor (indien van toepassing)
□ Controleer accutoestand
□ Controleer remleidingen, -slangen en aansluitingen
□ Controleer koelsysteem
□ Controleer remschijven en remblokken
□ Controleer aandrijfriem (benzine) *9
☐ Controleer aandrijfriem (diesel) *9
(Eerste 90.000 km of 48 maanden,
daarna iedere 30.000 km of 24 maanden)
□ Controleer aandrijfassen en aandrijfashoezen
□ Controleer uitlaatsysteem
□ Controleer fuseekogels voorwielophanging
☐ Controleer brandstofffilter (benzine) *7
□ Controleer brandstofleidingen, -slangen en aansluitingen
☐ Controleer luchtfilter brandstoftank
☐ Controleer transmissievloeistof (indien van toepassing) *8
Controleer parkeerrem
☐ Controleer cardanas (4WD)
☐ Controleer olie achterdifferentieel (4WD) * B
(Vervolg)
(Vervolg)
Controleer stuurhuis, stuurstangen en stofhoezen
☐ Controleer banden (spanning en profiel)
Controleer tussenbakolie (4WD) *8
☐ Controleer ontluchtingsslang en tankdop (benzine)
□ Vervang luchtfilter
□ Vervang rem-/koppelingsvloeistof (indien van toepassing)
□ Vervang interieurfilter (indien van toepassing)
□ Vervang motorolie en filter (diesel) *1 *2 *3 *5
□ Vervang motorolie en filter (benzine) *1 *4 *5 (Elke 30.000 km of 12 maanden)
□ Vervang brandstofffilterelement (diesel) *6
□ Vervang bougies (2,0 benzine)
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (VERVOLG)
150.000 km of 120 maanden
□ Controleer luchtfilter
☐ Controleer koudemiddel airconditioning/aircocompressor (indien van toepassing)
□ Controleer accutoestand
□ Controleer remleidingen, -slangen en aansluitingen
Controleer koelsysteem
□ Controleer remschijven en remblokken
Controleer aandrijfriem (benzine) *9
☐ Controleer aandrijfriem (diesel) *9
(Eerste 90.000 km of 48 maanden,
daarna iedere 30.000 km of 24 maanden)
□ Controleer aandrijfassen en aandrijfashoezen
□ Controleer uitlaatsysteem
□ Controleer fuseekogels voorwielophanging
☐ Controleer brandstofffilterelement (diesel) *6
☐ Controleer brandstofleidingen, -slangen en aansluitingen (diesel)
Controleer parkeerrem
☐ Controleer cardanas (4WD)
□ Controleer stuurhuis, stuurstangen en stofhoezen
(Vervolg)
(Vervolg)
☐ Controleer banden (spanning en profiel)
□ Vervang rem-/koppelingsvloeistof (indien van toepassing)
□ Vervang interieurfilter (indien van toepassing)
□ Vervang motorolie en filter (diesel) *1 *2 *3 *5
□ Vervang motorolie en filter (benzine) *1 *4 *5 (Elke 30.000 km of 12 maanden)
□ Vervang bougies (1,6 benzine)
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (VERVOLG)
180.000 km of 144 maanden
☐ Controleer koudemiddel airconditioning/aircocompressor (indien van toepassing)
□ Controleer accutoestand
□ Controleer remleidingen, -slangen en aansluitingen
□ Controleer koelsysteem
□ Controleer remschijven en remblokken
□ Controleer aandrijfriem (benzine) *9
☐ Controleer aandrijfriem (diesel) *9
(Eerste 90.000 km of 48 maanden,
daarna iedere 30.000 km of 24 maanden)
□ Controleer aandrijfassen en aandrijfashoezen
Controleer uitlaatsysteem
□ Controleer fuseekogels voorwielophanging
☐ Controleer brandstofffilter (benzine) *7
□ Controleer brandstofleidingen, -slangen en aansluitingen
☐ Controleer luchtfilter brandstoftank
☐ Controleer transmissievloeistof (indien van toepassing) *
Controleer parkeerrem
□ Controleer cardanas (4WD)
□ Controleer olie achterdifferentieel (4WD) *8
(Vervolg)
(Vervolg)
Controleer stuurhuis, stuurstangen en stofhoezen
□ Controleer banden (spanning en profiel)
□ Controleer tussenbakolie (4WD) *8
□ Controleer klepspeling (benzine) *11
☐ Controleer ontluchtingsslang en tankdop (benzine)
□ Vervang luchtfilter
□ Vervang rem-/koppelingsvloeistof (indien van toepassing)
□ Vervang interieurfilter (indien van toepassing)
□ Vervang motorolie en filter (diesel) *1 *2 *3 *5
□ Vervang motorolie en filter (benzine) *1 *4 *5 (Elke 30.000 km of 12 maanden)
□ Vervang brandstofffilterelement (diesel) *6
□ Vervang bougies (2,0 benzine)
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (VERVOLG)
210.000 km of 168 maanden
Controleer luchtfilter
☐ Controleer koudemiddel airconditioning/aircocompressor (indien van toepassing)
□ Controleer accutoestand
□ Controleer remleidingen, -slangen en aansluitingen
□ Controleer koelsysteem
□ Controleer remschijven en remblokken
□ Controleer aandrijfriem (benzine) *9
☐ Controleer aandrijfriem (diesel) *9
(Eerste 90.000 km of 48 maanden,
daarna iedere 30.000 km of 24 maanden)
□ Controleer aandrijfassen en aandrijfashoezen
□ Controleer uitlaatsysteem
□ Controleer fuseekogels voorwielophanging
☐ Controleer brandstofffilterelement (diesel) *6
☐ Controleer brandstofleidingen, -slangen en aansluitingen (diesel)
Controleer parkeerrem
☐ Controleer cardanas (4WD)
□ Controleer stuurhuis, stuurstangen en stofhoezen
(Vervolg)
(Vervolg)
☐ Controleer banden (spanning en profiel)
□ Vervang rem-/koppelingsvloeistof (indien van toepassing)
□ Vervang interieurfilter (indien van toepassing)
☐ Vervang koelvloeistof *10 (Eerste 210.000 km of 120 maanden,
daarna iedere 30.000 km of 24 maanden)
□ Vervang motorolie en filter (diesel) *1 *2 *3 *5
□ Vervang motorolie en filter (benzine) *1 *4 *5 (Elke 30.000 km of 12 maanden)
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (VERVOLG)
240.000 km of 192 maanden
☐ Controleer koudemiddel airconditioning/aircocompressor (indien van toepassing)
□ Controleer accutoestand
□ Controleer remleidingen, -slangen en aansluitingen
□ Controleer koelsysteem
□ Controleer remschijven en remblokken
□ Controleer aandrijfriem (benzine) *9
☐ Controleer aandrijfriem (diesel) *9
(Eerste 90.000 km of 48 maanden,
daarna iedere 30.000 km of 24 maanden)
□ Controleer aandrijfassen en aandrijfashoezen
□ Controleer uitlaatsysteem
□ Controleer fuseekogels voorwielophanging
☐ Controleer brandstofffilter (benzine) *7
□ Controleer brandstofleidingen, -slangen en aansluitingen
☐ Controleer luchtfilter brandstoftank
☐ Controleer transmissievloeistof (indien van toepassing) *8
Controleer parkeerrem
☐ Controleer cardanas (4WD)
☐ Controleer olie achterdifferentieel (4WD) *8
(Vervolg)
(Vervolg)
Controleer stuurhuis, stuurstangen en stofhoezen
☐ Controleer banden (spanning en profiel)
☐ Controleer tussenbakolie (4WD) *8
☐ Controleer ontluchtingsslang en tankdop (benzine)
□ Vervang luchtfilter
□ Vervang rem-/koppelingsvloeistof (indien van toepassing)
□ Vervang interieurfilter (indien van toepassing)
□ Vervang koelvloeistof * 10 (Eerste 210.000 km of 120 maanden,
daarna iedere 30.000 km of 24 maanden)
□ Vervang motorolie en filter (diesel) *1 *2 *3 *5
□ Vervang motorolie en filter (benzine) *1 *4 *5 (Elke 30.000 km of 12 maanden)
□ Vervang brandstofffilterelement (diesel) *6
□ Vervang bougies (2,0 benzine)
ONDERHOUD BIJ GEBRUIK ONDER ZWARE OMSTANDIGHEDEN
Controleer de volgende zaken vaker wanneer de auto veelvuldig onder zware rijomstandigheden wordt gebruikt. Raadpleeg de onderstaande tabel voor de juiste onderhoudsintervallen.
R: Vervangen I : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen
| ONDERHOUDSPUNT | Onderhoudswerk-zaamheden | ONDERHOUDSINTERVAL | RIJOMSTANDIGHEID | |
| Motorolie en oliefilter | Benzine *1 | R Elke 15.000 km of 6 maanden | A, B, C, F, G,H, I, J, K, L | |
| Diesel *2 | R Elke 15.000 km of 12 maanden | |||
| Luchtfilter R | Afhankelijk van de omstandigheden vaker vervangen | C, E | ||
| Bougies R | Afhankelijk van de omstandigheden vaker vervangen | B, H | ||
| Versnellingsbakolie(indien van toepassing) | R Elke 120.000 km C, D, E, G, H, I, K | |||
| Automatische-transmissievloeistof(indien van toepassing) | R Elke 90.000 km | A, C, D, E, F,G, H, I, K | ||
| Stuurhuis, stuurstangen en stofhoezen I | Afhankelijk van de omstandigheden vaker controleren | C, D, E, F, G | ||
| Cardanas (indien van toepassing) | I | Elke 15.000 km of 12 maanden | C, E | |
| Voorwielophanging | I | Afhankelijk van de omstandigheden vaker controleren | C, D, E, F, G | |
*1 : Indien de aanbevolen olie niet beschikbaar is, vervang dan iedere 7.500 km de motorolie en het oliefilter.
*2 : Indien de aanbevolen olie niet beschikbaar is, vervang dan iedere 10.000 km of 6 maanden de motorolie en het oliefilter.
| ONDERHOUDSPUNT | Onderhoudswerk-zaamheden | ONDERHOUDSINTERVAL INTERVALS | RIJOMSTANDIGHEID |
| Schijfremmen en remblokken, remklauwen en remschijven | I | Afhankelijk van de omstandigheden vaker controleren | C, D, E, G, H |
| Parkeerrem I | Afhankelijk van de omstandigheden vaker controleren | C, D, G, H | |
| Aandrijfassen en aandrijfashoezen I | Afhankelijk van de omstandigheden vaker controleren | C, D, E, F, G, H, I, K | |
| Interieurfilter (indien van toepassing) R | Afhankelijk van de omstandigheden vaker vervangen | C, E, G | |
| Olie achterasdifferentieel (4WD) | R | Elke 120.000 km | C, D, E, G, I, K, H |
| Olie verdeelbak (4WD) | R | Elke 120.000 km | C, D, E, G, I, K, H |
ZWARE RIJOMSTANDIGHEDEN
A : Veel korte ritten
B : Langdurig stationair draaien
C : Rijden op stoffige, onverharde wegen
D : Rijden in gebieden waar veel zout of andere agressieve stoffen worden gebruikt. Of rijden onder koude weersomstandigheden
E : Rijden in een omgeving met veel zand
F : Voor meer dan 50% rijden in druk stadsverkeer bij temperaturen boven de 32°C
G : Rijden in heuvelachtige gebieden.
H : Rijden met een aanhanger
I : Politieauto's, taxi's, bedrijfsauto's of bij het slepen van een auto
J : Rijden onder winterse omstandigheden
K : Rijden met snelheden boven 170 km/h
L : Veelvuldig korte ritten
UITLEG BIJ ONDERHOUDSSCHEMA
Motorolie en oliefilter
De motorolie moet worden ververst en het filter moet worden vervangen volgens de intervallen van het onderhoudsschema. Als er onder ongunstige omstandigheden gereden wordt, moet de olie vaker ververst en het filter vaker vervangen worden.
Aandrijfriemen
Controleer alle aandrijfriemen op tekenen van sneetjes, scheurtjes, overmatige slijtage of verzadiging met olie en vervang indien nodig. De spanning van de aandrijfriemen moet periodiek worden gecontroleerd en indien nodig worden afgesteld.
Brandstofffilter(element)
Door een verstopt filter kan de snelheid waarmee gereden kan worden, afnemen, het emissiesysteem beschadigd raken of slecht aanslaan veroorzaakt worden. Als zich in de brandstoftank te veel vuil ophoopt, dient het filter mogelijk vaker vervangen te worden.
Laat de motor na het plaatsen van een nieuw filter enkele minuten draaien en controleer de aansluitingen op lekkage. Brandstofffilters moeten worden geplaatst door een officiële KIA-dealer.
Brandstofleidingen, -slangen en aansluitingen
Controleer de brandstofleidingen, -slangen en aansluitingen op lekkage en beschadigingen. Laat een officiële KIA-dealer beschadigde of lekkende onderdelen direct vervangen.

WAARSCHUWING
- Alleen dieselmotor
Werk nooit aan het inspuitsysteem bij draaiende motor of binnen 30 seconden na het afzetten van de motor. De hogedrukpomp, de common rail, de verstuivers en de hogedrukleidingen staan onder hoge druk, ook als de motor uit is gezet. De brandstofstraal die kan ontsnappen, kan ernstig letsel veroorzaken. Mensen die een pacemaker dragen, mogen niet dichter dan 30 cm bij de motormodule of de bedrading in de motorruimte komen als de motor draait, omdat de hoge stroomsterktes in het common railsysteem aanzienlijke magnetische velden produceren.
Ontluchtingsslang en tankdop
De ontluchtingsslang en de tankdop moeten worden gecontroleerd volgens de intervallen van het onderhoudsschema. Zorg ervoor dat de ontluchtingsslang of tankdop op de juiste manier vervangen wordt.
Vacuüm- en carter- ventilatieslangen (benzinemotor)
Controleer het oppervlak van de slangen op sporen van oververhitting of mechanische schade. Hard en broos rubber, barstjes, scheurtjes, sneetjes, schaafplekken en overmatig zwellen zijn tekenen van veroudering. Besteed extra aandacht aan de controle van de delen van de slang die zich het dichtst bij warme onderdelen bevinden, zoals het uitlaatspruitstuk.
Controleer de ligging van de slangen om er zeker van te zijn dat de slangen niet in contact komen met warmtebronnen, scherpe randen of bewegende delen, waardoor schade door oververhitting of mechanische slijtage kan ontstaan. Controleer of alle slangaansluitingen, zoals klemmen en koppelingen, goed vastzitten en niet lekken. Vervang slangen onmiddellijk als er sporen van veroudering of beschadigingen gevonden worden.
Luchtfilter
Geadviseerd wordt bij het vervangen van filter een origineel KIA-luchtfilter te gebruiken.
Bougies (benzinemotor)
Gebruik altijd nieuwe bougies met de juiste warmtegraad.
Controleer op vreemde bijgeluiden en/of motortrillingen en stel indien nodig af. Laat dit doen door een officiële KIA-dealer.
Koelsysteem
Controleer de onderdelen van het koelsysteem, zoals radiateur, koelvloeistofreservoir, slangen en aansluitingen op lekkage en beschadigingen. Vervang beschadigde onderdelen.
Koelvloeistof
De koelvloeistof moet worden ververst volgens de intervallen van het onderhoudsschema.
Versnellingsbakolie (indien van toepassing)
Controleer de versnellingsbakolie volgens het onderhoudsschema.
Automatische-transmissievloeistof (indien van toepassing)
Onder normale gebruiksomstandigheden hoeft de automatische-transmissievloeistof niet gecontroleerd te worden.
Bij zwaar gebruik moet de vloeistof echter vervangen worden door een officiële KIA-dealer overeenkomstig het in het begin van dit hoofdstuk beschreven onder-houdsschema.
*AANWIJZING
Automatische-transmissievloeistof is in eerste instantie rood van kleur.
Door het rijden wordt de automatische-transmissievloeistof donkerder.
Dit is normaal en de verkleuring is geen reden om de vloeistof te vervangen.

OPMERKING
Het gebruik van andere dan de voorgeschreven vloeistof kan storingen en defecten in de transmissie veroorzaken.
Gebruik alleen de voorgeschreven automatische-transmissievloeistof. (Zie "Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden" in hoofdstuk 8.)
Remleidingen en -slangen
Controleer visueel op juiste bevestiging, schaafplekken, scheurtjes, veroudering en lekkage. Vervang verouderde of beschadigde onderdelen direct.
Remvloeistof
Controleer het vloeistofniveau in het remvloeistofreservoir. Het vloeistofniveau dient zich tussen de merktekens MIN en MAX aan de zijkant van het reservoir te bevinden. Gebruik uitsluitend de voorgeschreven hydraulische remvloeistof (DOT3 of DOT4).
Parkeerrem
Controleer het parkeerremsysteem inclusief het parkeerrempedaal en de kabels.
Schijfremmen, remblokken, remklauwen en remschijven
Controleer de remblokken op overmatige slijtage, de schijfremmen op slingering en slijtage en de remklauwen op vloeistoflekkage.
Zie de website van KIA voor meer informatie over het controleren van de remblokken en remvoeringen.
(http://brakemanual.kia.co.kr)
Bevestigingsbouten wielophanging
Controleer of de bouten van de wielophanging goed vastzitten en niet beschadigd zijn. Draai ze met het voorgeschreven aanhaalmoment vast.
Stuurhuis, stuurstangen en stofhoezen/onderste fuseekogel
Breng de auto tot stilstand, zet de motor uit en controleer op overmatige speling in het stuurwiel.
Controleer de stuurstangen op knikken of beschadigingen. Controleer de stofhoezen en fuseekogel op veroudering, scheurtjes of beschadigingen. Vervang beschadigde onderdelen.
Aandrijfassen en aandrijfashoezen
Controleer de aandrijfassen, -hoezen en klemmen op scheurtjes, veroudering of beschadigingen. Vervang beschadigde onderdelen en breng indien nodig nieuw vet aan.
Koudemiddel airconditioning/aircocompressor (indien van toepassing)
Controleer de leidingen en aansluitingen van de airconditioning op lekkage en beschadigingen.
MOTOROLIE

Wees voorzichtig met de radiateurslang tijdens het controleren of bijvullen van de motorolie. Deze kan namelijk nog zo warm zijn, dat u zich eraan kunt branden.
- Trek de peilstok opnieuw uit de houder en controleer het peil. Het peil moet zich ergens tussen F en L bevinden.
Controle van het motoroliepeil
- Controleer of de auto horizontaal staat.
- Start de motor en laat deze op de normale bedrijfstemperatuur komen.
- Zet de motor uit en wacht ongeveer 5 minuten zodat de olie naar het carter terug kan lopen.
- Trek de peilstok uit de houder, veeg hem schoon en steek hem weer geheel in de houder.
! OPMERKING
Vul niet te veel motorolie bij. Dit kan schade aan de motor veroorzaken.
OPMERKING - Dieselmotor
Als te veel motorolie wordt bijgevuld, kan dit door de klopverschijnselen leiden tot nadieselen. Hierdoor kan motorschade ontstaan, waarbij plotselinge verhogingen van het motortoerental, motorlawaai en witte rook waargenomen kunnen worden.

Als het peil zich bij of op de L bevindt, moet u olie bijvullen tot de F. Vul niet te veel olie bij.
Gebruik een trechter om morsen van olie op motoronderdelen te voorkomen.
Gebruik alleen de voorgeschreven motorolie. (Zie "Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden" in hoofdstuk 8.)
Motorolie verversen en filter vervangen
Laat de motorolie verversen en het filter vervangen door een officiële KIA-dealer overeenkomstig het in het begin van dit hoofdstuk beschreven onderhoudsschema.

WAARSCHUWING
Gebruikte motorolie kan irritatie of huidkanker veroorzaken indien de huid langdurig in contact komt met de olie. De stoffen die in gebruikte motorolie aanwezig zijn, hebben bij laboratoriumproeven geleid tot kanker bij proefdieren. Was uw handen zorgvuldig met zeep en warm water als ze in contact zijn geweest met gebruikte motorolie.
KOELVLOEISTOF
Het hogedruk-koelsysteem is voorzien van een reservoir dat gevuld is met een koelvloeistof die ook voldoende bescherming biedt tegen bevriezing. Het reservoir is in de fabriek gevuld.
Controleer de vorstbescherming en het koelvloeistofpeil ten minste één keer per jaar, aan het begin van het winterseizoen en voordat u naar een kouder klimaat reist.
Koelvloeistofpeil controleren

WAARSCHUWING
- Losdraaien van de radiateurdop
- Verwijder de radiateurdop nooit terwijl de motor draait of nog een hoge temperatuur heeft. Daardoor kan er schade aan het koelsysteem en de motor ontstaan; bovendien kunt u ernstig letsel oplopen doordat er hete koelvloeistof of stoom ontsnapt.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Zet de motor uit en wacht tot deze is afgekoeld. Verwijder de radiateurdop uiterst voorzichtig. Wikkel een dikke doek rond de dop en draai hem voorzichtig linksom tot de eerste aanslag. Ga een stukje achteruit wanneer de druk van het koelsysteem af gaat. Pas als u zeker weet dat er geen overdruk meer is, drukt u de dop met de doek in en draait u hem verder linksom om hem te verwijderen.
- Verwijder de radiateurdop of de aftapplug niet als de motor en de radiateur nog heet zijn, zelfs niet als de motor niet loopt. Er kan nog steeds hete koelvloeistof en stoom ontsnappen, waardoor er ernstig letsel kan ontstaan.

Controleer de toestand en de aansluitingen van alle slangen van het koelsysteem en van de verwarming. Vervang beschadigde en slechte slangen.
Het koelvloeistofpeil in het expansievat dient tussen de merktekens F en L te liggen als de motor koud is.
Vul als het koelvloeistofpeil laag is voldoende voorgeschreven koelvloeistof (Midden-Oosten) of gedestilleerd (gedemineraliseerd) water (behalve Midden-Oosten) bij om het systeem tegen vorst en corrosie te beschermen. Laat het koelsysteem door een officiële KIA-dealer nakijken indien u het reservoir regelmatig moet bijvullen.
Aanbevolen koelvloeistof
- Vul het koelsysteem alleen bij met gedestilleerd of gedemineraliseerd water en vul het koelsysteem niet bij met gewoon kraanwater. Een onjuist koelvloeistofmengsel kan storingen en schade aan de motor veroorzaken.
- De motor van uw auto heeft aluminium onderdelen. Gebruik daarom een koelvloeistof op ethyleen-glycolbasis ter voorkoming van corrosie en bevriezing.
- Gebruik GEEN koelvloeistof op ethanol- of methanol-basis; meng ook geen ethanol- of methanol-antivries met de voorgeschreven koelvloeistof.
- Gebruik geen mengsel met meer dan 60% of minder dan 35% antivries; in dat geval is een optimale koelende werking niet gewaarborgd.
Zie de volgende tabel voor de mengverhouding.
| Buiten-temperatuur | Mengverhouding (hoeveelheid)) | |
| Antivries | Water | |
| -15°C 35 65 | ||
| -25°C 40 60 | ||
| -35°C | 50 | 50 |
| -45°C 60 40 | ||

Laat de koelvloeistof verversen door een officiële KIA-dealer overeenkomstig het in het begin van dit hoofdstuk beschreven onderhoudsschema.
! OPMERKING
Leg een flinke doek rond de vulopening om te voorkomen dat als er gemorst wordt, koelvloeistof terechtkomt of de dynamo of andere onderdelen van de motor.
- Gebruik geen koelvloeistof of antivries in het sproeierreservoir.
- Koelvloeistof kan het zicht ernstig belemmeren wanneer dit op de voorruit terecht komt waardoor u de macht over de auto kunt verliezen. Bovendien kan het de lak beschadigen.
Verwijder bij een warme motor en radiateur de radiateurdop niet. Er kan nog steeds gloeiend hete koelvloeistof en stoom ontsnappen, waardoor er ernstig letsel kan ontstaan.
REM- EN KOPPELINGSVLOEISTOF (INDIEN VAN TOEPASSING)

Controle van niveau remvloeistof
Controleer regelmatig het niveau in het reservoir. Het vloeistofniveau dient zich tussen de merktekens MAX en MIN aan de zijkant van het reservoir te bevinden.
Reinig het gebied rondom de dop van het reservoir grondig alvorens de dop te verwijderen en vloeistof bij te vullen, om te voorkomen dat deze vervuild raakt.
Vul vloeistof bij tot aan het merkteken MAX wanneer het niveau te laag is. Het niveau van de remvloeistof zal na verloop van tijd dalen. Dit is normaal en wordt veroorzaakt door het slijten van de remblokken. Laat het rem- en koppelingssysteem controleren door een officiële KIA-dealer wanneer het niveau erg laag is.
Gebruik alleen de voorgeschreven remen koppelingsvloeistof. (Zie "Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden" in hoofdstuk 8.)
Meng nooit verschillende soorten vloeistof door elkaar.
WAARSCHUWING
- Lekkage van remvloeistof
Als u het remvloeistofreservoir regelmatig moet bijvullen, moet u de auto laten controleren door een officiële KIA-dealer.
WAARSCHUWING
- Rem- en
koppelingsvloeistof
Wees voorzichtig bij het vervangen of bijvullen van rem- en koppelingsvloeistof. Zorg ervoor dat de vloeistof niet in contact komt met uw ogen. Spoel uw ogen direct met een ruime hoeveelheid leidingwater wanneer u remvloeistof in uw ogen krijgt. Laat uw ogen zo snel mogelijk onderzoeken door een dokter.
! OPMERKING
Zorg ervoor dat rem- en koppelingsvloeistof niet in contact komt met het lakwerk van de auto. De lak kan hierdoor beschadigen. De kwaliteit van rem- en koppelingsvloeistof die gedurende lange tijd blootgesteld is aan de buitenlucht kan niet gegarandeerd worden. Vervang deze. Gebruik het juiste type vloeistof. Slechts een paar druppels minerale olie, bijvoorbeeld motorolie, in het remkunnen de onderdelen van het systeem beschadigen.
Ruitensproeiervloeistofniveau controleren
Het reservoir is transparant, zodat het niveau snel visueel kan worden gecontroleerd.
Als u geen ruitensproeiervloeistof bij de hand heeft, kunt u het reservoir bijvullen met gewoon water. Gebruik in koude klimaten echter speciale ruitensproeiervloeistof om bevriezing te voorkomen.
- Gebruik geen koelvloeistof of antivries in het sproeierreservoir.
- Koelvloeistof kan het zicht ernstig belemmeren wanneer dit op de voorruit terecht komt waardoor u de macht over de auto kunt verliezen. Bovendien kan het de lak beschadigen.
Ruitensproeiervloeistof bevat alcohol en kan onder bepaalde omstandigheden licht ontvlambaar zijn. Houd open vuur en vonken uit de buurt van de ruitensproeiervloeistof en het sproeierreservoir. De auto kan beschadigd raken en de inzittenden kunnen letsel oplopen.
- Ruitensproeiervloeistof is giftig voor mensen en dieren. Drink geen ruitensproeiervloeistof en vermijd contact met ruitensproeiervloeistof. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.
PARKEERREM

Controleer de parkeerraem
Controleer de slag van de parkeerrem door het aantal klikken te tellen wanneer de hendel volledig wordt aangetrokken. De parkeerrem alleen moet de auto veilig op een vrij steile helling kunnen houden. Laat de parkeerrem afstellen door een officiële KIA-dealer wanneer de slag van het pedaal niet volgens de specificatie is.
Slag : 5 \~ 6 klikjes bij een kracht van 20 kg (44 lbs, 196 N).
BRANDSTOFFILTER (DIESEL)
Aftappen van water uit het brandstofffilter
De waterafscheider vangt het water uit de brandstof op.
Het waarschuwingslampje gaat branden wanneer het contact in stand ON staat en water zich in de waterafscheider verzameld heeft.

Laat het brandstofsysteem controleren en het water aftappen door een officiële KIA-dealer als het waarschuwingslampje gaat branden.

OPMERKING
Als het water in de afscheider niet of niet vaak genoeg wordt afgetapt, kan er schade ontstaan aan belangrijke onderdelen, zoals het brandstofsysteem, doordat er water in het brandstofffilter komt.

Ontluchten van het brandstofffilter (indien van toepassing)
Als u bent doorgereden totdat de tank leeg was, of als u het brandstofffilter vervangt, zorg er dan voor dat het brandstofsysteem ontlucht wordt, omdat de motor anders moeilijk start.
- Pomp (1) ongeveer 50 keer totdat het pompen moeizaam gaat.
- Ontlucht het brandstofffilter door de schroef (2) met een kruiskop-schroevendraaier te verwijderen en vervolgens opnieuw te plaatsen.
- Pomp (1) ongeveer 15 keer.
- Ontlucht het brandstofffilter door de schroef (2) met een kruiskop-schroevendraaier te verwijderen en vervolgens opnieuw te plaatsen.
- Pomp (1) ongeveer 5 keer.
*AANWIJZING
- Vang de brandstof bij het ontluchten op met een doek.
- Verwijder de brandstof rondom het brandstofffilter en de inspuitpomp voordat u de motor start, om brand te voorkomen.
• Controleer ten slotte of er nergens brandstof lekt.
Onderhoud
LUCHTFILTER

Brandstofffilterelement vervangen

Dit moet indien nodig vervangen worden en mag niet gereinigd worden. U kunt het filter schoonmaken wanneer u het luchtfilterelement controleert. Reinig het filter met behulp van perslucht.

- Neem de bevestigingsclips los om het luchtfilterdeksel te verwijderen.
*AANWIJZING
Gebruik originele KIA-onderdelen wanneer het brandstofffilterelement wordt vervangen.

- Veeg de binnenkant van het luchtfilter schoon.
- Vervang het luchtfilter.
- Bevestig het deksel met de bevestigingsclips.
Vervang het filter overeenkomstig het onderhoudsschema.
Vervang het element vaker dan in het onderhoudsschema is aangegeven als de auto wordt gebruikt in gebieden met zeer veel stof of zand. (Raadpleeg "Onderhoudsschema bij gebruik onder zware omstandigheden" in dit hoofdstuk.)
! OPMERKING
- Rijd niet met de auto wanneer het luchtfilter verwijderd is; hierdoor kan de motor overmatig slijten.
- Zorg er om schade aan de motor te voorkomen voor dat bij het verwijderen van het luchtfilter geen stof en vuil in de luchtinlaat komt.
- Gebruik een origineel KIA-onderdeel. Door het gebruik van niet-originele KIA-onderdelen kan de luchtmassameter of turbo-compressor beschadigd raken.
Onderhoud
INTERIEURFILTER (INDIEN VAN TOEPASSING)
Controle filter
Het interieurfilter moet worden vervangen overeenkomstig het Onderhoudsschema. Als er veelvuldig met de auto gereden wordt in druk stadsverkeer of een stoffige omgeving, moet het filter vaker worden gecontroleerd en indien nodig worden vervangen. Als u als eigenaar het filter zelf wilt vervangen, volg dan onderstaande procedure en let erop geen andere onderdelen te beschadigen.

- Open het dashboardkastje verwijder de steunbeugel (1).

en 2. Verwijder terwijl het dashboardkastje geopend is de aanslagstukken aan beide zijden.

- Verwijder het interieurfilterhuis door op de vergrendeling rechts op het afdekkapje te drukken.

- Verwijder het interieurfilter.
- Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde van verwijderen.
*AANWIJZING
Plaats het nieuwe interieurfilter op de juiste manier. Als het filter is omgekeerd, zal het systeem veel lawaai produceren en zal het filter minder effectief zijn.
RUITENWISSERBLADEN

Controle bladen
*AANWIJZING
In de handel verkrijgbare hot wax zoals gebruikt in wasstraten bemoeilijkt het reinigen van de voorruit.
Verontreiniging van de voorruit of de ruitenwisserbladen door bepaalde substanties kan het effect van de ruitenwissers verminderen. Bekende vormen van verontreiniging zijn insecten, sap van bomen en hot wax-behandelingen gebruikt in sommige wasstraten. Indien de bladen niet goed wissen, reinig dan zowel de ruit als de bladen met een goed schoonmaakmiddel of een zacht reinigingsmiddel en spoel grondig na met schoon water.
! OPMERKING
Gebruik geen benzine, petroleum, thinner of andere oplosmiddelen in de buurt van de ruitenwisserbladen om beschadiging te voorkomen.
Vervangen van bladen
Als de ruitenwissers de ruit niet langer goed schoonmaken, kan het zijn dat ze versleten of gescheurd zijn en dienen ze te worden vervangen.
! OPMERKING
Probeer de ruitenwissers nooit met de hand te bewegen om beschadiging van de ruitenwisserarmen en van andere onderdelen te voorkomen.
! OPMERKING
Het gebruik van nietvoorgeschreven ruitenwisserbladen kan storingen en problemen veroorzaken.

- Trek de ruitenwisserarm omhoog en klap het ruitenwisserblad om zodat de kunststof vergrendeling zichtbaar wordt.

-
Verwijder de afdekkap van de ruitenwisser.
-
Knijp de klem aan de achterzijde van de ruitenwisserarm in en haal het wisserblad van de ruitenwisserarm.

-
Plaats het ruitenwisserblad door deze vast te klikken.
-
Sluit de afdekkap van de ruitenwisser.
- Zet de ruitenwisserarm in de juiste positie terug.
*AANWIJZING
Laat de ruitenwisserarm niet tegen de voorruit klappen.

- Trek de ruitenwisserarm omhoog en verwijder het ruitenwisserblad.

- Plaats het nieuwe ruitenwisserblad door het middelste deel in de opening van de ruitenwisserarm te steken tot het ruitenwisserblad vastklikt.
- Controleer of het ruitenwisserblad goed vastzit door er lichtjes aan te trekken.
Laat de ruitenwisserbladen vervangen door een officiële KIA-dealer om schade aan de ruitenwisserarmen en andere componenten te voorkomen.
ACCU

Voor een optimale werking van de accu
- Zorg ervoor dat de accu altijd goed vastzit.
- Houd de bovenzijde van de accu schoon en droog.
- Houd de accupolen en de accupoolklemmen schoon, zorg ervoor dat ze goed vastzitten en bescherm ze met vaseline.
- Spoel gemorst elektrolyt direct af met een oplossing van water en natriumbicarbonaat (dubbel koolzure soda).
- Neem de accukabels los als u de auto gedurende een langere periode niet gaat gebruiken.

WAARSCHUWING
- Gevaren accu

Lees de volgende aanwijzingen voor het omgaan met de accu zorgvuldig door.

Houd brandende sigaretten, vonken en open vuur uit de buurt van de accu.

Er bevindt zich altijd wat van het zeer licht ontvlambare waterstof in de accucellen. Dit kan ontploffen.

Houd accu's buiten bereik van kinderen, aangezien accu's het zeer agressieve zwavelzuur bevatten. Laat accuzuur niet in contact komen met uw huid, uw ogen, kleding en de lak van de auto.
(Vervolg)
(Vervolg)

Spoel uw ogen gedurende ten minste 15 minuten en roep onmiddellijk medische hulp in wanneer u elektrolyt in uw ogen krijgt.
Was uw huid grondig wanneer deze in aanraking komt met elektrolyt. Roep onmiddellijk medische hulp in wanneer u pijn of een brandend gevoel heeft.

Draag een veiligheidsbril tijdens het opladen van en het werken in de buurt van accu's. Zorg altijd voor ventilatie wanneer in een afgesloten ruimte wordt gewerkt.

Een onjuist afgevoerde batterij kan schadelijk zijn voor het milieu en voor uw gezondheid. Zorg ervoor dat de batterij volgens de wettelijke voorschriften wordt afgevoerd.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Bij het optillen van een accu met een kunststof behuizing kan door de druk accuzuur naar buiten komen, waardoor persoonlijk letsel optreedt. Houd bij het optillen uw handen aan de zijkant van de accu.
- Laad nooit een accu bij terwijl de accukabels nog aangesloten zijn.
- Het ontstekingssysteem werkt met hoogspanning. Raak de onderdelen van de ontsteking niet aan als de motor draait of het contact in stand ON staat.
Het niet in acht nemen van bovenstaande waarschuwingen kan leiden tot ernstig letsel.
Accu; laden van
Uw auto is uitgerust met een onderhoudsvrije accu.
- Laad de accu gedurende 10 uur met behulp van een druppellader wanneer de accu in een kort tijd leeggeraakt is (doordat bijv. lampen of interieurverlichting zijn blijven branden terwijl de motor uit was).
- Wanneer de accu geleidelijk onlaadt door een hoge elektrische belasting tijdens het rijden, moet deze gedurende 2 uur met een stroomsterkte van 20 - 30 A opgeladen worden.

WAARSCHUWING
- Laden van de accu
Neem bij het laden van de accu de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:
- De accu moet uit de auto worden verwijderd en in een goed geventileerde ruimte geplaatst worden.
- Houd sigaretten, vonken en open vuur uit de buurt van de accu.
- Houd de accu tijdens het laden in de gaten; beëindig het laden of wijzig de laadstroom wanneer het elektrolyt in de cellen begint te borrelen of de temperatuur van het elektrolyt hoger dan 49°C wordt.
- Draag een veiligheidsbril wanneer u de accu tijdens het opladen controleert.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Neem de acculader in de onderstaande volgorde los.
- Zet de hoofdschakelaar van de acculader uit.
- Neem de klem los van de minpool.
- Neem de klem los van de pluspool.

WAARSCHUWING
- Schakel vóór het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan de accu of het laden van de accu alle elektrische verbruikers uit en zet de motor af.
- Neem de minkabel van de accu altijd eerst los en sluit de minkabel van de accu altijd als laatste weer aan.
Te resetten onderdelen
Te resetten onderdelen nadat de accu is ontladen of na het weer aansluiten van de accukabels.
- Automatische ruitbediening (zie hoofdstuk 4)
• Schuif-/kanteldak (zie hoofdstuk 4) - Boordcomputer (zie hoofdstuk 4)
- Verwarmings- en ventilatiesysteem (zie hoofdstuk 4)
• Klok (zie hoofdstuk 4)
• Audio (zie hoofdstuk 4)
BANDEN EN WIELEN
Onderhoud van de banden
Voor uw veiligheid, een maximale levensduur van de banden en een zo laag mogelijk brandstofverbruik, dient u de banden steeds op de aanbevolen spanning te houden en dient u het totaalgewicht en de maximale asbelasting niet te overschrijden.
Aanbevolen bandenspanning koud
De spanning van de banden (inclusief het reservewiel) dient dagelijks bij koude banden gecontroleerd te worden. 'Koude banden' wil zeggen dat er de laatste drie uur niet met de auto is gereden of niet meer dan 1,6 km.
Voor optimale rijeigenschappen, een optimale wegligging en een zo laag mogelijke bandenslijtage dient u de banden op de aanbevolen spanning te houden.
Zie "Banden en velgen" in hoofdstuk 8 voor de aanbevolen bandenspanning.

U kunt alle specificaties (afmetingen en spanningen) terugvinden op een label dat op de auto is bevestigd.
Een te lage bandenspanning (meer dan 0,7 bar lager) kan leiden tot enorme warmteontwikkeling. Hierdoor is het mogelijk dat een band lek raakt, dat het profiel vervormt of dat andere bandafwijkingen optreden, waardoor u de controle over de auto kunt verliezen en ernstig letsel oploopt. Het is risico is veel groter bij hoge buitentemperaturen en lange tijd rijden met hoge snelheden.
! OPMERKING
- Een te lage bandenspanning resulteert ook in overmatige slijtage, slechte rijeigen-schappen en een verhoogd brandstofverbruik. Vervorming van de band is ook mogelijk. Houd de banden op de juiste spanning. Laat een band controleren door een officiële KIA-dealer wanneer er regelmatig lucht bij moet.
- Een te hoge bandenspanning heeft een negatieve invloed op het rijcomfort en zorgt voor een verhoogde slijtage in het midden van het loopvlak. Bovendien bestaat er een grotere kans op beschadiging door oneffenheden in het wegdek.
! OPMERKING
- Wanneer banden warm zijn, zal de bandenspanning normaalgesproken 0,3 tot 0,4 bar hoger zijn dan wanneer ze koud zijn. Laat om de banden op de juiste spanning te brengen geen lucht ontsnappen uit warme banden. Hierdoor zal de bandenspanning te laag worden.
- Vergeet niet de ventieldopjes terug te plaatsen. Zonder het ventieldopje kan er vuil en vocht in het ventiel komen, waardoor lucht kan ontsnappen. Zorg bij verlies van een ventieldopje zo snel mogelijk voor een nieuw exemplaar.
Een te hoge of een te lage bandenspanning reduceert de levensduur van de banden, beïnvloedt de rijeigenschappen van de auto in negatieve zin en kan tot onverwachte bandproblemen leiden. Hierdoor bestaat de kans dat u de macht over de auto verliest en letsel oploopt.

OPMERKING
- Bandenspanning
Let altijd op het volgende:
- Controleer de banden-spanning bij koude banden. (Nadat er de laatste drie uur niet met de auto is gereden of niet meer dan 1,6 km.)
- Controleer ook altijd de spanning van het reservewiel.
- Overschrijd het laadvermogen van de auto niet. Plaats niet te veel bagage op het roof rack als uw auto hiermee is uitgerust.
- Versleten, oude banden kunnen ongelukken veroorzaken. Vervang een band als het profiel erg versleten is of als de band beschadigd is.
Controleren bandenspanning
Controleer de bandenspanning minstens eenmaal per maand.
Controleer ook de spanning van het reservewiel.
Controle
Gebruik een goed kwaliteit meter om de bandenspanning te meten. Het is onmogelijk de bandenspanning te beoordelen door alleen naar de banden te kijken. Radiaalbanden lijken ook op de juiste spanning te zijn als de bandenspanning te laag is.
Controleer de bandenspanning bij koude banden. - "Koude" banden wil zeggen dat er de laatste drie uur niet met de auto is gereden of niet meer dan 1,6 km.
Verwijder de ventieldop. Druk de bandenspanningsmeter stevig op het ventiel om de spanning te meten. Als de bandenspanning overeenkomt met de aanbevolen druk op de band en het informatielabel, hoeft hij niet te worden aangepast.
Corrigeer de bandenspanning tot het aanbevolen niveau als de spanning te laag is.
Druk als de bandenspanning te hoog is het metalen pennetje in het midden van het ventiel in om lucht uit de band te laten lopen. Controleer de bandenspanning opnieuw met de bandenspanningsmeter. Plaats de ventieldopjes altijd terug op de ventielen. Ze zorgen ervoor dat er geen vuil of vocht in de ventielen terechtkomt waardoor er lekken kunnen ontstaan.

WAARSCHUWING
- Controleer de bandenspanning regelmatig. Controleer de banden daarnaast op slijtage en beschadigingen. Gebruik altijd een bandenspanningsmeter.
- Banden met een te hoge of een te lage spanning hebben een negatieve invloed op het rijgedrag en kunnen ervoor zorgen dat u de macht over de auto verliest, waardoor een aanrijding met (ernstig) letsel het gevolg kan zijn. De aanbevolen bandenspanning staat in dit instructieboekje en op het bandenspanningslabel op de middenstijl aan bestuurderszijde.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Versleten banden kunnen ongelukken veroorzaken. Vervang banden die (ongelijkmatig) versleten of beschadigd zijn.
- Controleer de bandenspanning van het reservewiel. KIA wordt aanbevolen om bij het controleren van de bandenspanning ook die van het reservewiel te controleren.
Wielen verwisselen
Om de banden zo gelijkmatig mogelijk te laten slijten wordt aangeraden de wielen iedere 12.000 km of eerder, indien het slijtagepatroon daartoe aanleiding geeft, te verwisselen.
Controleer bij het verwisselen van de wielen tevens de balans.
Controleer de banden bij het verwisselen van de wielen op ongelijkmatige slijtage en beschadigingen. Abnormale slijtage wordt meestal veroorzaakt door een onjuiste bandenspanning, een onjuiste wieluitlijning, onbalans, veelvuldig hard remmen en snelle bochten. Controleer het profiel en de zijkant van de band op zwellingen. Vervang de band wanneer u deze aantreft. Vervang de band als het canvas of de koordlagen zichtbaar zijn. Breng na het verwisselen van de wielen de banden op de juiste spanning en controleer of de wielmoeren vastzitten.
Zie "Banden en velgen" in hoofdstuk 8.
Met een volwaardig reservewiel (indien van toepassing)
![graph TD A["Input"] --> B["Processing"] B --> C["Output"] D["Input"] --> E["Processing"] E --> F["Output"] G["Feedback Loop"] --> B G --> E H["Feedback Loop"] --> E H --> F](/content/2026/05/1111633/images/74cd5d6ab9e228ed3de4b973715f937fb97b5a12f309c5d0320b1b7bdd7c82f5.jpg)
CBGQ0706
Zonder reservewiel
![graph TD A[" "] --> B[" "] C[" "] --> D[" "] E[" "] --> F[" "] A <--> C B <--> D C <--> F](/content/2026/05/1111633/images/1964358a2016dc375bc648830df62b01b592f1e5a1a5096950e019f0e6fca857.jpg)
S2BLA790A
Banden met een specifieke draairichting (indien van toepassing)
![graph TD A["Process Block 1"] <--> B["Process Block 2"] C["Process Block 3"] <--> D["Process Block 4"]](/content/2026/05/1111633/images/cff149a8b63633a40ad80f554f27fa7ffe9bd018cc4e1bb0f04cf6832c383467.jpg)
CBGQ0707A
Controleer bij het verwisselen van de wielen tevens de remblokken op slijtage.
*AANWIJZING
Verwissel radiaalbanden met een asymmetrisch profiel alleen van voren naar achteren en niet van links naar rechts.
WAARSCHUWING
- Gebruik het reservewiel (indien van toepassing) niet voor het roteren van de wielen
- Gebruik nooit diagonaal- en radiaalbanden door elkaar. Anders kan de auto moeilijker onder controle te houden zijn, wat kan leiden tot ernstig letsel of schade aan de auto.
Uitlijnen en balanceren van de wielen
De wielen van uw auto zijn af fabriek zorgvuldig uitgelijnd en gebalanceerd voor een lange levensduur van de banden en optimale prestaties.
Normaalgesproken is het niet nodig de wielen nogmaals uit te lijnen. In het geval de banden van uw auto echter abnormale slijtage vertonen of als de auto naar één kant trekt, kan het zijn dat de auto opnieuw moet worden uitgelijnd.
Wanneer de auto tijdens het rijden op een vlakke weg trilt, kan het zijn dat de wielen opnieuw moeten worden gebalanceerd.
! OPMERKING
De verkeerde balanceergewichtjes kunnen de lichtmetalen velgen van uw auto beschadigen.
Gebruik alleen goedgekeurde balanceergewichtjes.

Als de band gelijkmatig afgesleten is verschijnt de slijtage-indicator als een onderbroken lijn door het loopvlak. Dit geeft aan dat er minder dan 1,6 mm profieldikte op de band aanwezig is. Vervang in dat geval de band.
Wacht niet met het vervangen van de band totdat de slijtage-indicator over de gehele profielbreedte zichtbaar is.
WAARSCHUWING
- Vervangen van banden
Om de kans op ernstig letsel bij een ongeluk door beschadigde banden of verlies van de controle over de auto te beperken:
- Vervang banden (ongelijkmatig) versleten of beschadigd zijn. Versleten banden kunnen een verminderde remwerking, verlies van de controle over de auto en verminderde tractie veroorzaken.
- Rijd niet in een auto met een te lage of te hoge bandenspanning. Dit kan ongelijkmatige slijtage of beschadigde banden veroorzaken.
- Gebruik bij het vervangen van banden nooit radiaalbanden en diagonaalbanden door elkaar. Vervang alle banden (ook het reservewiel) als u van radiaalbanden naar diagonaalbanden overstapt.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Het gebruik van een andere dan de voorgeschreven bandenmaat heeft een negatieve invloed op het rijgedrag en kan er voor zorgen dat u de controle over de auto verliest, waardoor een ernstig ongeval kan ontstaan.
- Wielen die niet aan de specificaties van KIA voldoen, passen mogelijk niet goed, wat schade aan de auto, een negatieve invloed op het rijgedrag of verlies van de controle over de auto tot gevolg kan hebben.
- Het ABS vergelijkt de snelheid van de wielen. De bandenmaat heeft invloed op de snelheid van de wielen. Zorg er bij het vervangen van de banden voor dat ze dezelfde maat hebben als de originele banden. Wanneer banden van een ander formaat worden gebruikt, werken het ABS (antiblokkeersysteem) en het ESP (voertuigstabiliteitsregeling) mogelijk niet goed meer. (indien van toepassing)
Velgen vervangen
Als u om de een of andere reden de velgen wilt vervangen, dient u erop te letten dat de nieuwe velgen gelijkwaardig zijn aan de originele velgen voor wat betreft diameter, velgbreedte en offset (wielbolling).
WAARSCHUWING
Een velg van de verkeerde maat heeft een negatieve invloed op de levensduur van de velg en van het wiellager, de remweg, de rijeigenschappen, de grondspeling, de ruimte tussen de band en de carrosserie, de ruimte bij het gebruik van sneeuwkettingen, de kalibratie van de snelheidsmeter of kilometerteller, de koplampafstelling en de bumperhoogte.
Grip
De grip van de banden kan verslechteren als de banden versleten zijn of niet op de juiste spanning zijn, of als u op een glad wegdek rijdt. Banden moeten worden vervangen als de slijtage-indicatoren zichtbaar zijn. Pas uw snelheid aan als er regen, sneeuw of ijzel op de weg ligt om de kans te verkleinen dat u de controle over de auto verliest.
Onderhoud van banden
Naast een juiste bandenspanning, draagt een juiste wieluitlijning bij tot het beperken van de bandenslijtage. Laat uw Erkend Reparateur de wieluitlijning controleren als een band ongelijkmatig afgesleten is.
Zorg ervoor dat nieuwe wielen uitgebalanceerd zijn. Dit komt het rijcomfort en de levensduur van de banden ten goede. Balanceer een wiel ook altijd wanneer de band van de velg verwijderd is geweest.

Label op de wang van de band
Deze informatie bestaat uit de basiseigenschappen van de band en het identificatienummer voor veiligheidscertificatie. Het identificatienummer kan worden gebruikt om de band te identificeren bij een terugroepactie.
1. Fabrikant of merknaam
Fabrikant of merknaam wordt aangegeven.
2. Aanduiding bandenmaat
De bandenmaat staat aangegeven op de wang van de banden. Deze informatie zal nodig zijn bij de aanschaf van nieuwe banden voor uw auto. De letters en cijfers in de aanduiding van de bandenmaat hebben de volgende betekenis.
Voorbeeld aanduiding bandenmaat:
(Deze maat dient slechts ter illustratie; de bandenmaat van uw auto is afhankelijk van de uitvoering.)
P235/55R18 100H
P - Geschikt soort voertuig (banden gemerkt met het voorvoegsel "P" zijn bestemd voor gebruik op personenauto's en bestelwagens; echter niet alle banden maken gebruik van deze markering).
235 - Breedte band in millimeter.
55 - Hoogte-/breedteverhouding. De hoogte van de wang van de band als percentage van de breedte.
R - Type band (radiaalband).
18 - Velgdiameter in inch.
100 - Index draagvermogen, een numerieke code die het maximale draagvermogen van de banden aangeeft.
H - Snelheidsclassificatie. Zie het overzicht in dit hoofdstuk voor meer informatie.
Aanduiding velgmaat
Ook velgen zijn voorzien van informatie die van belang kan zijn bij eventuele vervanging. De letters en cijfers in de aanduiding van de velgmaat hebben de volgende betekenis.
Voorbeeld aanduiding velgmaat:
7.0JX18
7.0 - Velgbreedte in inch.
J - Aanduiding offset.
18 - Velgdiameter in inch.
Snelheidsclassificatie banden
In het onderstaande overzicht staan de meest gebruikte snelheids-classificaties voor autobanden weergegeven. De aanduiding van de snelheidsclassificatie maakt deel uit van de aanduiding van de bandenmaat op de wang van de band. Deze aanduiding geeft de maximum snelheid weer waarvoor deze band is ontworpen.
| Aanduiding snelheids-classificatie | Maximum snelheid |
| S 180 km/h | |
| T 190 km/h | |
| H 210 km/h | |
| V 240 km/h | |
| Z Hoger dan 240 km/h |
3. Controleren van de leeftijd van de banden (TIN: identificatienummer)
Banden die ouder zijn dan 6 jaar (af te leiden uit de productiedatum), inclusief de reserveband, moeten worden vervangen, ongeacht het aantal kilometers dat er mee gereden is. U kunt de productiedatum vinden in de DOT-code op de wang (mogelijk alleen aan de binnenzijde) van de band. De DOT-code is een serie karakters op een band, die bestaat uit een combinatie van cijfers en letters. De productiedatum is af te leiden uit de laatste vier cijfers (karakters) van de DOT-code.
In het voorste deel van de DOT-code worden de fabriekscode, de bandenmaat en het type profiel aangegeven en in het tweede deel de week en het jaar waarin de band is geproduceerd.
Bijvoorbeeld:
DOT XXXX XXXX 1610 geeft aan dat de band is geproduceerd in week 16 van 2010.
⚠ WAARSCHUWING - Leeftijd band
Banden verouderen na verloop van tijd, zelfs wanneer ze niet worden gebruikt.
Het verdient aanbeveling om banden bij normaal gebruik over het algemeen na zes (6) jaar te vervangen, ongeacht de resterende profieldiepte. Warmte ten gevolge van het rijden in een warm klimaat of het regelmatig met zware belading rijden kunnen het verouderingsproces versnellen. Het niet opvolgen van deze waarschuwing kan resulteren in een kapotte band. Hierdoor kunt u de controle verliezen, waardoor een ongeluk met ernstig letsel of schade het gevolg kan zijn.
- Structuur en materiaal van de band Het aantal lagen rubber van de band. Bandenfabrikanten moeten ook aangeven welke materialen zijn gebruikt in de band, zoals staal, nylon en polyester. De letter "R" betekent radiaalband; de letter "D" betekent diagonaalband; en de letter "B" betekent band met kruislingse koordlagen.
5. Maximale bandenspanning
Dit getal geeft aan hoe hoog de bandenspanning maximaal mag zijn. Overschrijd deze maximale bandenspanning niet. Zie het informatielabel voor de aanbevolen bandenspanning.
6. Maximum belasting
Dit getal geeft het maximale gewicht in kilo's en ponden aan die de band kan dragen. Gebruik altijd banden met dezelfde maximale belasting als de banden die vanuit de fabriek zijn geplaatst.
- Uniforme bandenkwaliteitsclassificatie Kwaliteitsgradaties vindt u, indien van toepassing, op de zijkant van de band tussen de schouder van het loopvlak en de maximumbreedte van de wang. Bijvoorbeeld:
TREADWEAR 200
TRACTION AA
TEMPERATURE A
Slijtage van het profiel
De slijtageclassificatie van het loopvlak is een relatieve classificatie gebaseerd op de mate van slijtage onder gecontroleerde omstandigheden op een officieel erkende testbaan. Voorbeeld: een band met de aanduiding 150 zal 1,5 keer langer meegaan dan een band met de aanduiding 100.
De levensduur van de banden zal in belangrijke mate afhankelijk zijn van de gebruiksomstandigheden. De levensduur kan echter van de norm afwijken door de rijstijl van de bestuurder, onderhoud van de banden, de toestand van de wegen en het klimaat.
De indicator is bij autobanden aangebracht op de wang. Welke banden er standaard of als optie beschikbaar zijn voor uw auto is afhankelijk van de uitvoering.
Grip - AA, A, B en C
Er zijn drie gripclassificaties, van hoog naar laag AA, A, B en C. De gripclassificatie geeft aan in hoeverre de banden op een nat wegdek doorglijden bij het maken van een noodstop, zoals gemeten onder gecontroleerde omstandigheden op een officieel erkende testbaan, zowel op asfalt als op beton. Een band met classificatie C is een band met relatief weinig grip.

WAARSCHUWING
De kwaliteit van de tractie voor deze band is gebaseerd op tractietests waarbij niet onder een hoek wordt geremd. Bij de kwaliteit is geen rekening gehouden met de acceleratie, het nemen van bochten, aquaplaning en maximum tractie.
Temperatuur - A, B en C
Er zijn drie temperatuurclassificaties mogelijk: A (de hoogste), B en C. Deze classificaties geven aan in hoeverre de band hittebestendig is en in welke mate de band warmte afvoert, zoals getest onder gecontroleerde omstandigheden op een testwiel in een officieel erkend laboratorium.
Door aanhoudende hoge temperaturen gaat het materiaal van de banden achteruit, waardoor de banden minder lang meegaan. Bij extreem hoge temperaturen kunnen de banden zelfs plotseling lek gaan. De classificaties B en A geven aan dat het testresultaat van de band in het laboratorium beter is dan het in de wet voorgeschreven minimum.
WAARSCHUWING
- Temperatuur banden
De temperatuurclassificatie van deze band geldt voor een band die de juiste spanning heeft en niet overbelast is. Extreem hoge rijsnelheden, een te lage bandenspanning en/of overbelasting kunnen een concentratie van hitte in de band veroorzaken, wat kan leiden tot een klapband. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen en ernstig letsel oplopen.
ZEKERINGEN
Plat type

Normaal

Doorgebrand
Cartridge type

Normaal

Doorgebrand
Draadzekering

Normaal Doorgebrand


Normaal

Doorgebrand
OLM079051N
Het elektrisch systeem van een auto is tegen overbelasting beveiligd door middel van zekeringen.
Deze auto heeft 3 (of 4) zekeringkasten, één in het zijpaneel aan bestuurderszijde en de andere(n) in de motorruimte en de bagageruimte.
Controleer de zekering van het desbetreffende circuit wanneer een bepaalde verlichting, accessoire of bedieningsorgaan niet werkt. Als een zekering is doorgebrand, is het element in de zekering gesmolten.
Controleer de zekeringkast aan bestuurderszijde wanneer het elektrisch systeem niet werkt.
Vervang een zekering altijd door een zekering met dezelfde stroomsterkte.
Als de vervangende zekering ook doorbrandt, duidt dit op een elektrische storing. Probeer het betreffende systeem niet te gebruiken en neem onmiddellijk contact op met een officiële KIA-dealer.
Er worden vier soorten zekeringen gebruikt: een plat type voor lagere stroomsterkte, en een cartridge type en draadzekeringen voor hogere stroomsterktes.

WAARSCHUWING
- Zekering vervangen
- Vervang een zekering alleen door een zekering met dezelfde stroomsterkte.
- Een zekering met een hogere capaciteit kan schade en mogelijk brand veroorzaken.
- Vervang een zekering nooit door iets anders - ook niet als noodreparatie. Hierdoor kan het elektrische circuit overbelast worden, waardoor brand kan ontstaan.

OPMERKING
Verwijder een zekering niet met een schroevendraaier of een ander metalen voorwerp omdat hierdoor kortsluiting kan ontstaan, waardoor schade aan het elektrisch systeem kan worden veroorzaakt.

Vervangen zekering zijpaneel
- Zet het contact in stand LOCK en alle andere schakelaars uit.
-
Open het deksel van de zekeringkast.
-
Verwijder de verdachte zekering. Gebruik het demontagegereedschap dat zich in de zekeringkast in de motorruimte bevindt.
- Controleer de verwijderde zekering; vervangen indien deze is doorgebrand.
- Plaats een nieuwe zekering met dezelfde stroomsterkte en controleer of de zekering goed vastzit.
Neem contact op met een officiële KIA-dealer als de zekering niet goed vastzit.
Als u geen reservezekering hebt, kunt u de zekering van een ander circuit gebruiken dat niet nodig is om te kunnen rijden, bijvoorbeeld van de aansteker, mits de zekering dezelfde stroomsterkte heeft.
Controleer de zekeringkast in de motorruimte wanneer de koplampen of andere elektrische componenten niet werken. Vervang een doorgebrande zekering.

Uw auto is uitgerust met een backupzekering (shuntstekker), waarmee u kunt voorkomen dat de accu leegraakt wanneer de auto gedurende langere tijd niet wordt gebruikt. Bereid de auto op de volgende manier voor wanneer deze voor langere tijd niet gebruikt wordt.
- Zet de motor uit.
- Schakel de verlichting uit.
- Open het zijpaneel aan bestuurderszijde en trek de backup-zekering (shuntstekker) omhoog.
*AANWIJZING
- Als de backup-zekering omhoog is gezet, werken de waarschuwingszoemer, het audiosysteem, de klok, de interieurverlichting enz. niet meer. Sommige systemen zullen na het opnieuw inschakelen gereset moeten worden. Zie "Accu" in dit hoofdstuk.
- Zelfs als de backup-zekering omhoog is gezet, kan de accu ontladen worden door brandende verlichting of de werking van andere elektrische systemen.

(indien van toepassing)

Vervangen zekering motorruimte
- Zet het contact in stand LOCK (of OFF) en alle andere schakelaars uit.
- Verwijder het deksel van de zekeringkast door de lippen in te drukken en het deksel omhoog te trekken.
Onderhoud
- Controleer de verwijderde zekering; vervangen indien deze is doorgebrand. Gebruik de zekeringtrekker in de zekeringkast in de motorruimte om de zekering te verwijderen of te plaatsen.
- Plaats een nieuwe zekering met dezelfde stroomsterkte en controleer of de zekering goed vastzit.
Neem contact op met een officiële KIA-dealer als de zekering niet goed vastzit.

OPMERKING
Plaats het deksel op de juiste manier nadat de zekeringkast in de motorruimte gecontroleerd is. Wanneer dit niet het geval is, kunnen elektrische storingen ten gevolge van binnendringend vocht optreden.

Hoofdzekering
Vervang de doorgebrande hoofdzekering als volgt:
- Zet de motor uit.
- Neem de minpool los van de accu.
-
Verwijder de moeren die in de bovenstaande afbeelding worden aangegeven.
-
Vervang de zekering door een nieuwe met dezelfde stroomsterkte.
- Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde van verwijderen.

Neem contact op met een officiële KIA-dealer als de multizekering of hoofdzekering is doorgebrand.
Multizekering
Vervang de doorgebrande multizekering als volgt:
- Zet de motor uit.
- Neem de minpool los van de accu.
- Verwijder de zekeringkast rechts in de motorruimte.
- Verwijder de moeren die in de bovenstaande afbeelding worden aangegeven.
- Vervang de zekering door een nieuwe met dezelfde stroomsterkte.
- Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde van verwijderen.
Zekering-/relaiskast
Aan de binnenzijde van de deksels vindt u een label met daarop de naam van de zekeringen en relais en de capaciteit.
Zekeringkast zijpaneel bestuurder

* Het onderdeel wijkt mogelijk af van de afbeelding.
Hoofdzekering


Zekeringkast motorruimte

Mogelijk zijn niet alle beschrijvingen van de zekeringkast van toepassing op uw auto. Deze golden ten tijde van het ter perse gaan. Raadpleeg het label in de zekeringkast als u de zekeringkast controleert.
Zekeringkast zijpaneel bestuurderszijde (instrumentenpaneel)
| Nr. | Stroomsterkte zekering | Symbool Naam zekering Beschermd circuit | ||
| 1 20A | AUDIO | AUDIOPOWERCONNECTOR | Hoofdunit A/V- en navigatiesysteem, ISG-converter, audiosysteem,F13 10A (interieurverlichting) | |
| 2 7,5A | ![]() | RF ANTENNAPOWERCONNECTOR | RF-ONTVANGER | |
| 3 20A | SAFETY | SAFETY POWERWINDOW | Module elektrisch bedienbare ruit bestuurderszijde met klembeveiliging | |
| 4 20A | ![]() | DRIVER POWERSEAT | - | |
| 5 10A | MODULEB+ | MODULEB+ | Multifunctionele servicestekker, module sirene, diagnosestekker,zoemer parkeerhulp, motor elektrisch verstelbare buitenspiegel, kanteleenheid | |
| 6 15A | ![]() | SUNROOF | Module schuif-/kanteldak | |
| 7 25A | AMP | AMP | AMP | |
| 8 7.5A | ![]() | ATMKEY LOCK | Selectiehendel ATM | |
| 9 10A | CORNERINGLAMP | CORNERINGLAMP | Zekering E/R & relaiskast (RELAIS 7/8 - relais bochtverlichting links/rechts) | |
| 10 15A | ![]() | SEATVENTILATION | - | |
| 11 25A | RH | POWERWINDOW RH | Hoofdschakelaar ruitbediening, schakelaar ruitbediening rechts achter,schakelaar ruitbediening passagierszijde (LHD) | |
| 12 25A | ![]() | POWERWINDOW LH | Hoofdschakelaar ruitbediening, schakelaar ruitbediening links achter,schakelaar ruitbediening passagierszijde (RHD) | |
| Nr. | Stroomsterkte zekering | Symbool | Naam zekering | Beschermd circuit |
| 13 10A | ![]() | ROOM LAMP | BCM, module klimaatregeling, IPS-module (B+), instrumentenpaneel (IND.), make-upspiegelverlichting bestuurder/passagier, schakelaar contactslotverlichting en waarschuwingsschakelaar portier, bagageruimteverlichting, interieurverlichting, module controlesysteem bandenspanning, dakconsole (kaartleeslampje), ultrasoonsensor | |
| 14 10A | PDM B | PDM B Module | Smart Key, sleutelhangerhouder, Start/Stoptoets | |
| 15 15 | A DOOR LOCK | ![]() | Relais vergrendelen/ontgrendelen portier, relais achterklep, ICM-relaiskast (deadlock-relais) | |
| 16 15 | A HAZARD BCM | ![]() | ||
| 17 10A | ![]() | REAR FOG LAMP | ICM-relaiskast (relais mistachterlicht) | |
| 18 25A | PDM A | PDM A Module | Smart Key | |
| 19 10A | START | ![]() | Motor-ECU (D4FD), PCM (G4FD), Zekering E/R & relaiskast (RELAIS 4 - startrelais, RELAIS 11 - relais ATM P/N) | |
| 20 10A | MODULE IG 1 | MODULE IG1 | Remlichtschakelaar (G4FD/G4KD), EPS-module, Verlichting selectiehendel ATM, regelmodule parkeermodule, motor-ECU 4WD, schakelaar koplampverstelling, regelmodule automatische koplampverstelling, servo koplampverstelling links/rechts, IPS-module (ingang ON/START), ISG-converter, Zekering E/R & relaiskast (RELAIS 14 - noodstoprelais) | |
| 21 20A | UH_BOX | E/R FUSE & RELAY BOX | Zekering- en relaiskast motorruimte (ZEKERING - F23, F24, F25) | |
| 22 10A | ![]() | AIR BAG INDICATOR | Instrumentenpaneel (IND.) | |
| 23 10A | SMART KEY 2 | SMART KEY 2 | Module Smart Key | |
| 24 25 | A | ![]() | FRONT WIPER | Motor ruitenwisser voor, multifunctionele schakelaar (ruitenwisser), Zekering E/R & relaiskast (RELAIS 12 - stand LO ruitenwisser voor, RLY. 13 - relais ruitenwisser (regensensor)) |
| 25 15 | A | POWER OUTLET 1 | POWER OUTLET 1 | 12V-aansluiting rechts voor |
| 26 10 | A | SMART KEY 1 | SMART KEY 1 | Module Smart Key, BCM |
| 27 10 | A | ACC | ACCESSORY | ISG-converter, audiosysteem, Amp, schakelaar elektrisch verstelbare buitenspiegel, module schuif-/kanteldak, hoofdunit A/V- en navigatiesysteem |
| 28 10 | A | CLUSTER | CLUSTER | Instrumentenpaneel (IND.), dynamo, module klimaatregeling, hoofdunit A/V- en navigatiesysteem, schakelaar parkeerhulp, schakelaar stoelverwarming bestuurder/passagier, BCM, module controlesysteem bandenspanning, verlichting PAB & SBR |
| 29 10 | A | IG2 A | IGNITION 2A | Module Smart Key, IPS-module (ingang ON), BCM, ICM-relaiskast (koplampsproeierrelais) |
| 30 15 | A REAR WIPER | ![]() | ICM-relaiskast (relais ruitenwisser achter), motor ruitenwisser achter, multifunctionele schakelaar (ruitenwisser) | |
| 31 10 | A | IG2 B | IGNITION 2B | Module klimaatregeling, ionisator, regensensor, module schuif-/kanteldak, elektrochromatische binnenspiegel, zekeringkast diesel (RELAIS 2,3 - relais 2, 3 verwarmingselement), zekering E/R & relaiskast (RELAIS 1 - aanjagerrelais, RELAIS 7/8 - relais bochtverlichting links/rechts) |
| 32 20 | A | POWER OUTLET 2 | POWER OUTLET 2 | 12V-aansluiting links voor, 12V-aansluiting achter, aansteker links voor |
| 33 15 | A AIR BAG Airbagm verlichting PAB & SBR | |||
Onderhoud
| Nr. | Stroomsterkte zekering | Symbool | Naam zekering | Beschermd circuit |
| 34 15A | I![]() | FRONT SEAT WARMER | Schakelaar stoelverwarming bestuurder/passagier | |
| 35 15A | I![]() | REAR SEAT WARMER | Schakelaar stoelverwarming links/rechts achter | |
| 36 7,5A | ![]() | AIR CONDITIONER | Module klimaatregeling (automatisch) | |
| 37 7,5A | ![]() | HEATED MIRROR | Elektrisch verstelbare buitenspiegel bestuurderszijde/passagierszijde, module klimaatregeling, PCM (G4FD) |
Zekeringkast motorruimte
| Nr. | Stroomsterkte zekering | Symbool | Naam zekering | Beschermd circuit | |
| MULTI-ZEKE-RING | 1 80A | MDPS | MDPS EPS-module | ||
| 2 60A | ![]() | B+1 | Smart Junction-box (zekering - F15 / F16 / F17 / F19, IPS-module - IPS 4 / IPS 5 / IPS 6 / IPS 7) | ||
| 3 40A | ![]() | ABS 2 ESP-module , ABS-module | |||
| 4 40A | ![]() | EMS Zekeringkast motorregelsysteem (zekering - F1 / F2 / F3 / F6) | |||
| 5 40A | ![]() | ABS 1 ESP Control Module, ABS Control Module | |||
| 6 40A | ![]() | BLOWER RELAIS 1 (aanjagerrelais) | |||
| 7 60A | ![]() | B+3 | Smart Junction-box (zekering - F3/F4/F8/F9/F10/F13/F14, voedingsschakelaar - F1 / F2) | ||
| 8 60A | ![]() | B+2 | Smart Junction-box (Relais elektrisch bedienbare ruiten, zekering - F5 / F6 / F7, IPS-module - IPS 0 / IPS 1 / IPS 2 / IPS 3 / IPS 8 / IPS 10) | ||
| ZEKE-RING | 9 40A | ![]() | COOLING FAN | RELAIS 3 (relais koelventilator (laag)), RELAIS 9 (relais koelventilator (hoog)) | |
| 10 40A | R D | REAR HEAT-ED GLASS | RELAIS 6 (relais achterruitverwarming) | ||
| 11 30A | ![]() | HAED LAMP WASHER | ICM-relaiskast (koplampsproeierrelais) | ||
| 12 40A | ![]() | IGNITION 1 | Zonder Smart Key - contactslot, met Smart Key - relaiskast PDM (relais IGN1) | ||
| ZEKE-RING | 13 40A | IGN 2 | IGNITION 2 | RELAIS 4 (startrelais), zonder Smart Key - contactslot, met Smart Key - relaiskast PDM (relais IGN2) | |
| 14 | 15A | ![]() | HORN | RELAIS 2 (claxonrelais), RELAIS 5 (relais claxon alarmsysteem) | |
| 15 15A DEICER RELAIS [Mrelais ruitenwisserontdooier voor) | |||||
| 16 10A | S' .P | STOP LAMP | Remlichtschakelaar, ICM-relaiskast (DBC-relais), module Smart Key | ||
17 20A 4WD Motor-ECU , ![]() | |||||
| 18 20A | IGN COIL | IGNITION COIL | Bobine nr. 1 - nr. 4 (G4FD), condensator (G4FD) | ||
| 19 7.5A | ![]() | ECU 2 | RELAIS 4 (startrelais - D4FD), RELAIS 11 (relais ATM P/N - G4KD/D4HA), PCM (G4FD/G4KD), Motor-ECU (D4FD/D4HA), luchtmassameter (D4FD/D4HA), multifunctionele schakelaar (G4KD) | ||
| 20 7.5A ABS | ![]() | ESP-module, ABS-module, ICM-relaiskast (DBC-relais), combischakelaar, voorgloeirelaisunit (D4HA), waarschuwingslampje brandstofffilter (D4FD/D4HA), zekeringkast diesel (RELAIS 4 - relais verwarming brandstofffilter) | |||
| 21 7.5A | ![]() | TCU 2 TC | M (D4HA), transmissiestandschakelaar (G4KD/D4HA) | ||
Zekeringkast motorruimte (zekeringkast motorregelsysteem)
| Nr. | Stroomsterkte zekering | Symbool | Naam zekering | Beschermd circuit | ||
1 30A ECU RELAIS 1 ![]() | ||||||
| 2 15A | ![]() | TCU 1 | Benzine PCM | |||
| Diesel | 1,7L | - | ||||
| 2,0L | TCM | |||||
| 3 10A | ![]() | AIR CONDI-TIONER | RELAIS 3 (aircorelais) | |||
| 4 10A | SENSOR 1 | SENSOR 1 | Benzine | 1,6L | Module startblokkering, PCM, variabele inlaatsolenoid, oliedrukregelklep nr. 1/2, magneetklep dampafvoer | |
| 2,0L/2,4L | Module startblokkering, variabele inlaatsolenoid, krukassensor, nokkenassensor nr. 1/2, magneetklep dampafvoer, oliedrukregelklep nr. 1/2, | |||||
| Diesel | 1,7L | Magneetklep EGR-koeler, elektrische VGT-servo, module startblokkering, nokkenassensor, voorgloeirelaisunit, oliepeilsensor, zekeringkast diesel (RELAIS 1 - relais verwarmingselementy nr. 1) | ||||
| 2,0L | Magneetklep EGR-koeler, elektrische VGT-servo, oliepeilsensor, zekeringkast diesel (RELAIS 1 - relais verwarmingselementy nr. 1), zekering E/R & relaiskast (RELAIS 3 - relais koelventilator (laag), RELAIS 9 - relais koelventilator (hoog)) | |||||
| 5 20A | [YYWH] | ECU 1 | Benzine | 1,6L | PCM | |
| 2,0L/2,4L | Bobine nr. 1/2/3/4, condensator | |||||
| Diesel Motor-ECU | ||||||
| 6 15A | F/PUMP | FUEL PUMP | Benzine RELAIS | 2 (brandstofpomprelais) | ||
| Diesel | 1,7L | |||||
| 2,0L | RELAIS 2 (brandstofpomprelais) | |||||
| 7 15A | SENSOR 4 | SENSOR 4 | Benzine | RELAIS 2 (brandstofpomprelais), lambdasensor (omhoog)/(omlaag), Zekering E/R & relaiskast (RELAIS 3 - relais koelventilator (laag), RELAIS 9 - relais koelventilator (hoog)) | ||
| Diesel | 1,7L | Brandstofdrukregelklep | ||||
| 2,0L | Module startblokkering, nokkenassensor, RELAIS 2 (brandstofpomprelais), brandstofdrukregelklep, regelklep raildruk | |||||
| 8 10A | SENSOR 3 | SENSOR 3 | Benzine | 1,6L | RELAIS 3 (aircorelais), zekering E/R & relaiskast (RELAIS. 4 - startrelais) | |
| 2,0L/2,4L | RELAIS 3 (aircorelais), injector nr. 1/2/3/4 | |||||
| Diesel | 1,7L | Remlichtschakelaar, lambdasensor, RELAIS 3 (aircorelais), zekering E/R & relaiskast (RELAIS 3 - relais koelventilator (laag), RELAIS 9 - relais koelventilator (hoog)) | ||||
| 2,0L | Krukassensor, lambdasensor, RELAIS 3 (aircorelais) | |||||
| 9 10A | SENSOR 2 | SENSOR 2 | Benzine - | |||
| Diesel | 1,7L | |||||
| 2,0L | Remlichtschakelaar | |||||
Tweede zekeringkast motorruimte (dieselmotor)
| Nr. | Stroomsterkte zekering | Symbool Beschermd circuit Symbool relais Type relais | ||
| 1 50A | ![]() | Relais 1 verwarmingselement | ![]() | |
| 2 50A | ![]() | Relais 2 verwarmingselement | ![]() | |
| 3 50A | ![]() | Relais 3 verwarmingselement | ![]() | |
| 4 | 30A | ![]() | Relais verwarming brandstofffilter | ![]() |
| 5 80A | Voorgloeirelaisunit - MICRO PLUG | |||
GLOEILAMPEN

WAARSCHUWING
- Vervangen van gloeilampen
Zet, voordat u lampen gaat vervangen, de parkeerrem stevig vast en controleer of het contact in stand LOCK staat om te voorkomen dat de auto plotseling in beweging komt, dat u zich brandt of dat u een schok krijgt.
Gebruik alleen lampen met de voorgeschreven wattage.

WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat de doorgebrande lamp vervangen wordt door een met dezelfde wattage. Anders kan het elektrische circuit ernstig beschadigd raken en kan er brand ontstaan.
OPMERKING
Raadpleeg een officiële KIA-dealer wanneer u niet over het juiste gereedschap, de juiste lampen en/of ervaring beschikt. In veel gevallen kan het zelf vervangen van lampen problemen opleveren vanwege het feit dat om bij de lamp te kunnen komen, eerst andere onderdelen verwijderd dienen te worden. Dat is in het bijzonder het geval als u de koplampunit moet verwijderen om bij de gloeilamp(en) te kunnen komen. Het verwijderen en plaatsen van de koplampunit kan leiden tot beschadigingen aan de auto.
*AANWIJZING
Na zware regenval of het wassen van de auto kan het lijken alsof er vocht in de koplampen en achterlichten zit. Dit wordt veroorzaakt door het temperatuurverschil tussen de binnenzijde en de buitenzijde van het lampglas. Dit is vergelijkbaar met het beslaan van de ruiten bij het rijden onder regenachtige omstandigheden en duidt niet op een probleem met uw auto. Laat in het geval er vocht in het circuit van de verlichting is gekomen de auto controleren door een officiële KIA-dealer.

Vervangen van koplampen, parkeerlichten, richtingaanwijzerlampen en mistlampen vóór
(1) Richtingaanwijzer vóór
(2) Koplamp (grootlicht)
(3) Koplamp (dimlicht)
(4) Parkeerlicht
(Type lamp, indien van toepassing)
(5) Parkeerlicht
(Type LED, indien van toepassing)
(6) Mistlamp vóór
(indien van toepassing)
(7) Bochtverlichting

- Halogeenlampen bevatten gas onder druk, zodat de halogeenlamp bij het vallen kan ontploffen waardoor kleine glasdeeltjes vrijkomen.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Behandel halogeenlampen altijd voorzichtig om krassen te voorkomen. Voorkom contact met vloeistoffen wanneer de lampen branden. Raak het glas nooit met de vingers aan. Door achtergebleven vet kan de lamp te heet worden en knappen wanneer deze brandt. De lamp mag alleen in gemonteerde toestand worden ingeschakeld.
- Vervang een beschadigde of gebarsten lamp direct en gooi deze niet zomaar weg.
- Draag bij het vervangen van een lamp een veiligheidsbril. Laat de lamp alvorens hem te vervangen afkoelen.

- Open de motorkap.
- Draai de bevestigingsbouten los en verwijder de lichtunit uit de carrosserie.
- Neem de voedingsstekker los van de achterzijde van de koplampunit.

- Verwijder de afdekkap van de koplamp door de kap linksom te draaien.
- Neem de stekker los van de koplamp.
- Maak de klem van de lamp los door het uiteinde in te drukken en dit omhoog te duwen.
- Verwijder de lamp uit de koplampunit.
-
Plaats een nieuwe lamp in de koplampunit en bevestig deze door de klem op zijn plaats te drukken.
-
Sluit de stekker van de koplamp aan.
- Plaats de afdekkap van de koplamp door de kap rechtsom te draaien.
- Sluit de voedingsstekker aan op de achterzijde van de koplampunit.
- Plaats de lichtunit in de carrosserie.

Richtingaanwijzerlampen/Parkeerlicht
- Verwijder de fitting uit de lichtunit door deze linksom te draaien tot de nokjes van de fitting in lijn liggen met de uitsparingen van de lichtunit.
- Verwijder de lamp uit de fitting door de lamp in te drukken en te draaien tot de nokjes van de lamp in lijn liggen met de uitsparingen van de fitting. Trek de lamp uit de fitting.
- Plaats een nieuwe lamp in de fitting en draai de lamp tot hij vastzit.
- Plaats de fitting in de lichtunit door de nokjes op de fitting in lijn te brengen met de uitsparingen in de lichtunit. Duw de fitting in de lichtunit en draai de fitting rechtsom.

- Sluit de voedingsschakelaar aan op de fitting.
- Plaats de onderplaat weer op de voorbumper.
*AANWIJZING
Neem als koplampverstelling noodzakelijk is na het opnieuw installeren van de koplampunit contact op met een officiële KIA-dealer.

Mistlamp voor en gloeilampen bochtverlichting
(indien van toepassing)
- Verwijder de onderplaat van de voorbumper.
- Steek uw hand in de achterzijde van de voorbumper.
- Neem de voedingsschakelaar los uit de fitting.
- Verwijder de fitting uit het huis door deze linksom te draaien tot de nokjes van de fitting in lijn liggen met de uitsparingen van het huis.
- Plaats een nieuwe fitting in het huis door de nokjes van de fitting in lijn te leggen met de uitsparingen van het huis. Duw de fitting in het huis en draai de fitting een kwartslag rechtsom.
Lamp richtingaanwijzer opzij vervangen
Type A
- Wrik de spiegel met een platte schroevendraaier voorzichtig los uit de behuizing.
- Draai de bevestigingsschroeven van de lichtunit los met een kruiskopschroevendraaier.

- Verwijder de lichtunit en neem de voedingsstekker los.
- Plaats een nieuwe lamp.
- Plaats de lichtunit in omgekeerde volgorde van het verwijderen.
Type B
- Verwijder de lichtunit van de auto door de lens los te wrikken en de lichtunit uit het scherm te trekken.
- Neem de stekker los van de lamp.
- Neem de lens los van de fitting door de fitting linksom te draaien tot de nokjes in lijn staan met de uitsparingen.
- Trek de lamp naar buiten.
- Steek een nieuwe lamp in de fitting.
- Monteer de fitting en de lens.
- Sluit de stekker van de lamp aan.
- Plaats een nieuwe lichtunit in de carrosserie.

Vervangen van gloeilamp achterlichtunit
(1) Rem-/achterlicht
(2) Achteruitrijlicht
(3) Richtingaanwijzer achter
(4) Mistachterlicht (indien van toepassing)

- Open de achterklep.
- Draai de bevestigingsschroeven van de lichtunit los met een kruiskopschroevendraaier.
- Verwijder de achterlichtunit uit de carrosserie.

- Verwijder de fitting uit de lichtunit door deze linksom te draaien tot de nokjes van de fitting in lijn liggen met de uitsparingen van de lichtunit.
-
Verwijder de lamp uit de fitting door de lamp in te drukken en deze een willekeurige kant op te draaien tot de nokjes van de lamp in lijn liggen met de uitsparingen van de fitting. Trek de lamp uit de fitting.
-
Plaats een nieuwe lamp in de fitting en draai de lamp een willekeurige kant op tot hij vastzit.
- Plaats de fitting in de lichtunit door de nokjes op de fitting in lijn te brengen met de uitsparingen in de lichtunit. Duw de fitting in de lichtunit en draai de fitting een kwartslag rechtsom.
- Plaats de lichtunit in de carrosserie.

- Open de achterklep.
- Verwijder het deksel.
- Verwijder de fitting uit de lichtunit door deze linksom te draaien tot de nokjes van de fitting in lijn liggen met de uitsparingen van de lichtunit.
- Verwijder de lamp uit de fitting door de lamp in te drukken en deze een willekeurige kant op te draaien tot de nokjes van de lamp in lijn liggen met de uitsparingen van de fitting. Trek de lamp uit de fitting.

- Plaats een nieuwe lamp in de fitting en draai de lamp een willekeurige kant op tot hij vastzit.
- Plaats de fitting in de lichtunit door de nokjes op de fitting in lijn te brengen met de uitsparingen in de lichtunit. Duw de fitting in de lichtunit en draai de fitting een kwartslag rechtsom.
- Plaats het deksel in het gat.

Richtingaanwijzer achter/Mistachterlicht (indien van toepassing)
- Verwijder de bevestigingsschroeven van de achterbumperbescherming met een kruiskopschroevendraaier.
- Steek uw hand in de achterzijde van de achterbumperbescherming.
- Vervang door een nieuwe lamp.
- Plaats de fitting en de achterbumperbescherming terug in de omgekeerde volgorde van verwijderen.

Derde remlicht (indien van toepassing)
- Open de achterklep.
- Wrik de middelste afdekking van de achterklepbekleding voorzichtig los met een platte schroevendraaier.
- Neem de lampstekker los.

- Draai de bevestigingsschroeven van de lampfitting los.
- • Type LED (indien van toepassing) Plaats een nieuwe LED.
- Type lamp (indien van toepassing)
1) Verwijder de lampfitting door de lipjes aan weerszijden in te drukken.
2) Trek de lamp uit de fitting.
3) Plaats een nieuwe lamp.
6.Voer bovenstaande procedure in omgekeerde volgorde uit bij het plaatsen van de fitting.

Vervangen van gloeilamp kentekenplaatverlichting
- Draai de bevestigingsschroeven van de lens los met een kruiskop-schroevendraaier.
- Verwijder de lens.
- Trek de lamp naar buiten.
- Plaats een nieuwe lamp.
- Plaats de lens en draai de bevestigingsschroeven goed vast.
Kaartleeslampje

Bagageruimteverlichting

Lampjes make-upspiegel (indien van toepassing)

Vervangen van gloeilamp interieurverlichting

WAARSCHUWING
Controleer, voordat u de lamp gaat vervangen, of toets OFF is ingedrukt om te voorkomen dat u zich brandt of een schok krijgt.
- Wrik de lens met een platte schroevendraaier voorzichtig los uit het huis van de interieurverlichting.
- Trek de lamp naar buiten.
- Steek een nieuwe lamp in de fitting.
- Breng de lipjes van de lens in lijn met de uitsparingen in het huis van de interieurverlichting en klik de lens vast.

OPMERKING
Zorg dat de lens, het lipje van de lens en de kunststof behuizing niet vuil worden of beschadigd raken.
ONDERHOUD EXTERIEUR
Exterieur, onderhoud
Onderhoud exterieur - Algemeen
Het is van groot belang bij gebruik van chemische reinigingsmiddelen of polish de aanwijzingen op het etiket van het desbetreffende product op te volgen. Lees de waarschuwingen en opmerkingen op het etiket.
Onderhoud van de lak
Wassen
Was uw auto minimaal eenmaal per maand grondig met lauw of koud water om de lak tegen roest en veroudering te beschermen.
Was, nadat u op een stoffige of modderige weg gereden heeft, de auto zo snel mogelijk. Besteed hierbij de nodige zorg aan het verwijderen van opeengehoopt zout, vuil of modder. Controleer of de afvoeropeningen aan de onderzijde van de portieren en de dorpels open en schoon blijven.
Insecten, teer, sap van bomen, uitwerpselen van vogels, industrieel vuil en dergelijke kunnen de lak van uw auto aantasten als ze niet direct verwijderd worden.
Zelfs bij het direct verwijderen kan blijken dat water alleen niet toereikend is. Gebruik in dat geval een speciale autoshampoo.
Spoel de auto na het wassen grondig af met lauw of koud water. Laat de shampoo niet op de lak opdrogen.

OPMERKING
- Gebruik geen agressieve reini- gingsmiddelen, oplosmiddelen of te heet water en was de auto niet in de volle zon of wanneer de carrosserie warm is.
- Wees voorzichtig bij het schoonmaken van de zijruiten, vooral bij gebruik van een hogedrukreiniger. Er kan namelijk water door de ruiten het interieur binnendringen.
- Reinig kunststof onderdelen niet met chemische oplosmiddelen of sterke reinigingsmiddelen, om beschadiging ervan te voorkomen.

WAARSCHUWING
- Natte remmen
Test na het wassen de remmen van uw auto bij lage snelheid om te controleren of de remwerking door binnengedrongen water beïnvloed is. Droog de remmen door het rempedaal bij lage snelheid licht in te trappen wanneer de remprestaties verminderd zijn..


OPMERKING
- Water in de motorruimte, inclusief water onder hoge druk, kan storingen veroorzaken in de elektrische circuits.
- Zorg ervoor dat water en andere vloeistoffen nooit in contact komen met elektrische/elektronische componenten in de auto omdat ze dan beschadigd kunnen raken.
In de was zetten
Zet de auto in de was wanneer het water niet langer druppels op de lak vormt.
Was en droog de auto altijd eerst voordat u hem in de was zet. Gebruik een goede kwaliteit vaste of vloeibare was en volg de aanwijzingen van de fabrikant. Zet de sierlijsten in de was om deze te beschermen en hun glans te laten behouden.
Het verwijderen van olie, teer en dergelijke stoffen met een vlekkenverwijderaar verwijdert gewoonlijk ook de was van de lak. Zet deze delen daarom na het verwijderen van de verontreiniging opnieuw in de was.

OPMERKING
- Als u stof of vuil met een droge doek wegveegt, komen er krassen op de lak.
- Gebruik geen staalwol, schuurmiddelen of sterk alkalische of bijtende oplosmiddelen op onderdelen die verchroomd zijn of op onderdelen die vervaardigd zijn van geanodiseerd aluminium. Het gebruik van deze middelen kan de beschermlaag aantasten waardoor verkleuring of glansverlies kan optreden.
Bijwerken van lakbeschadigingen
Repareer diepe krassen en steenslagbeschadigingen in de lak direct. Het blanke metaal gaat snel roesten waardoor ingrijpendere reparatiekosten noodzakelijk worden.
*AANWIJZING
Wanneer uw auto beschadigd is en reparatie of vervanging van metalen delen nodig is, let er dan op dat de garage anti-corrosiemiddel aanbrengt op de gerepareerde of vervangen onderdelen.
Onderhoud van verchroomde onderdelen
- Gebruik een teerverwijderaar en geen schraper of ander scherp voorwerp voor het verwijderen van teer of insecten.
- Breng ter bescherming een waslaag aan op verchroomde onderdelen of bescherm ze met een speciaal conserveringsmiddel.
- Bescherm de verchroo onderdelen onder winterse omstandigheden of bij gebruik van de auto in kustgebieden met een dikkere laag was of conserveringsmiddel. U kunt eventueel vaseline of een ander beschermingsmiddel gebruiken.
Onderhoud van de onderzijde
Zand en pekel kunnen zich ophopen aan de onderzijde van de carrosserie. Als deze middelen niet verwijderd worden, kan versnelde roestvorming optreden aan onderdelen aan de onderzijde van de carrosserie zoals brandstofleidingen, subframes, bodemplaat en uitlaatsysteem, ook al zijn deze onderdelen tegen corrosie beschermd.
Spoel daarom de onderzijde van de carrosserie en de wielkuipen eenmaal per maand, na het rijden op stoffige of modderige wegen en aan het eind van de winter grondig schoon met lauw of koud water. Besteed hieraan de nodige zorg; de opeenhopingen zijn niet altijd even gemakkelijk te zien. Als u het vuil alleen maar nat maakt zonder het te verwijderen, is het effect averechts. Houd ook de afvoeropeningen in portieren en dorpels te allen tijde open. Water dat in portieren en dorpels blijft staan, veroorzaakt roestvorming van binnenuit.

WAARSCHUWING
Test na het wassen de remmen van uw auto bij lage snelheid om te controleren of de remwerking door binnengedrongen water beïnvloed is. Droog de remmen door het rempedaal bij lage snelheid licht in te trappen wanneer de remprestaties verminderd zijn.
Onderhoud van lichtmetalen velgen
De lichtmetalen velgen zijn voorzien van een beschermende transparante laklaag.
- Gebruik voor het reinigen van lichtmetalen velgen geen schuur- of polijstmiddelen, oplosmiddelen of een staalborstel. Deze kunnen de laklaag aantasten.
- Gebruik uitsluitend een zachte zeep of een neutraal oplosmiddel en spoel grondig na met water. Let er ook op de velgen te reinigen nadat u over wegen met pekel gereden heeft. Voorkomen van roestvorming.
- Vermijd het wassen van de velgen met behulp van de sneldraaiende borstels in de automatische wasserette.
- Gebruik geen bijtende middelen. Deze kunnen schade en corrosie van de velgen veroorzaken, die zijn voorzien van een beschermende transparante laklaag.
Bescherming tegen roest
Bescherming van uw auto tegen roest
Met behulp van de meest geavanceerde technologie in ontwerp en constructie om roestvorming tegen te gaan, produceren wij auto's van de hoogste kwaliteit. Dat is echter niet genoeg. Om ervoor te zorgen dat uw auto langdurig tegen roest beschermd is, is uw medewerking noodzakelijk.
Meest voorkomende oorzaken van roest
De meest voorkomende oorzaken van roest aan de auto zijn:
- Het ophopen van strooizout, vuil en modder onder de auto.
- Het afspringen van lak of beschermende coatings door steentjes, gravel, kleine krasjes of deukjes waardoor onbeschermd metaal komt bloot te staan aan roest.
Roestgevoelige gebieden
Als u in een gebied woont waar uw auto regelmatig wordt blootgesteld aan factoren die roestvorming bevorderen, is bescherming tegen roest uitermate belangrijk. Een aantal veel voorkomende oorzaken van versnelde corrosie zijn strooizout, stofwerende chemicaliën, zeelucht en luchtverontreiniging.
Vocht werkt roest in de hand
Vocht creëert omstandigheden waaronder roestvorming gemakkelijk optreedt. Roestvorming wordt bijvoorbeeld bevorderd door een hoge luchtvochtigheid, met name als de temperatuur net boven het vriespunt ligt. Onder zulke omstandigheden blijven agressieve stoffen in contact met de auto omdat het vocht langzaam verdampt.
Modder is zeer corrosief omdat het langzaam droogt en vocht in contact houdt met de auto. Hoewel de modder droog lijkt te zijn, zit er nog steeds vocht in dat roestvorming bevordert.
Hoge temperaturen versnellen ook het roesten van delen die niet goed geventileerd waardoor het vocht niet wordt afgevoerd. Daarom is het zeer belangrijk uw auto schoon en vrij te houden van modder en andere vuilophopingen. Dit geldt niet alleen voor zichtbare oppervlakken maar met name ook voor de onderkant van de auto.
Voorkomen van roest
U kunt een bijdrage leveren aan het voorkomen van roest door in eerste instantie te letten op het volgende:
Houd uw auto schoon
De beste manier om roest tegen te gaan is uw auto schoon te houden en vrij van agressieve stoffen. Aandacht voor de onderkant van de auto is zeer belangrijk.
- Als u in een gebied woont waar de kans op roestvorming groot is - waar strooizout wordt gebruikt, dicht bij de zee, gebied met luchtverontreiniging, etc.-, dient u extra aandacht te besteden aan het voorkomen van roest. Spuit de onderkant van de auto in de winter ten minste eenmaal per maand schoon en reinig de onderkant aan het einde van de winter grondig.
- Besteed bij het reinigen van de onderkant extra aandacht aan de delen onder de spatschermen en andere delen die zich uit het zicht bevinden. Reinig de onderkant grondig. Alleen bevochtigen van de modder in plaats van deze te verwijderen zal de vorming van roest juist versnellen in plaats van voorkomen. Hoge waterdruk en stoom zijn zeer effectief voor het verwijderen van opgehoopte modder en andere agressieve stoffen.
- Zorg er bij het reinigen van portieren en dorpels voor dat de afvoeropeningen openblijven zodat het vocht er altijd uit kan. Anders kan er zich water verzamelen hetgeen roestvorming versnelt.
Houd uw garage vochtvrij
Parkeer uw auto niet in een vochtige, slecht geventileerde garage. Dit is de perfecte omgeving voor roestvorming. Dit geldt met name als u uw auto in de garage wast of in de garage parkeert als deze nog nat is of bedekt met sneeuw, ijs of modder. Zelfs een verwarmde garage kan roest bevorderen als hij niet goed geventileerd wordt waardoor het vocht niet goed wordt afgevoerd.
Houd lak en lijsten in goede staat
Krasjes en kleine beschadigingen moeten zo snel mogelijk worden bijgewerkt met een lakstift om de kans op roestvorming te verkleinen. Als het onderliggende metaal zichtbaar is, laat er dan een professioneel schadeherstelbedrijf naar kijken.
Uitwerpselen van vogels: Uitwerpselen van vogels bevorderen roestvorming in hoge mate en beschadigen gelakte oppervlakken in een paar uur. Verwijder uitwerpselen van vogels daarom altijd zo snel mogelijk.
Verwaarloos het interieur niet
Vocht kan zich onder vloermatten en vloerbedekking ophopen en daar roest veroorzaken. Controleer dus regelmatig of de vloer onder de matten droog is. Wees vooral voorzichtig met het vervoer van kunstmest, reinigingsmiddelen of chemicaliën.
Vervoer dergelijke stoffen in een geschikte verpakking en reinig de auto bij morsen of lekken direct en laat hem goed drogen.
Onderhoud interieur
Onderhoud interieur - Algemeen
Voorkom dat het dashboard in aanraking komt met bijtende vloeistoffen als parfum en cosmetische oliën, omdat deze beschadiging of verkleuring kunnen veroorzaken. Indien deze stoffen toch met het dashboard in aanraking komen, moeten ze direct worden verwijderd. Gebruik indien nodig vinylreiniger. Zie de aanwijzingen voor correct gebruik.

OPMERKING
Zorg ervoor dat water en andere vloeistoffen nooit in contact komen met elektrische/elektronische componenten in de auto omdat ze dan beschadigd kunnen raken.

OPMERKING
Gebruik voor het reinigen van lederen onderdelen (stuurwiel, stoelbekleding enz.) een mild reinigingsmiddel of oplossingen met een lage concentratie alcohol. Door het gebruik van oplossingen met een hoge concentratie alcohol of zure/basische reinigingsmiddelen kan de kleur van de lederen onderdelen verbleken of het oppervlak ervan loskomen.
Interieurbekleding reinigen
Kunststof
Verwijder stof en los vuil van de kunststof bekleding met een plumeau of een stofzuiger. Reinig de kunststof oppervlakken met een vinylreiniger.
Stoffen
Verwijder stof en los vuil van de stoffen bekleding met een plumeau of een stofzuiger. Reinig met een zachte zeepoplossing die geschikt is voor bekleding of vloerbedekking. Verwijder nieuwe vlekken onmiddellijk met een vlekkenverwijderaar. Wanneer nieuwe vlekken niet direct verwijderd worden, kunnen er permanente vlekken of verkleuringen in de bekleding achterblijven. Daarnaast kunnen de brandwerende eigenschappen verminderen wanneer de bekleding niet op de juiste wijze wordt onderhouden.

OPMERKING
Het gebruik van andere dan de voorgeschreven reinigingsmiddelen en procedures kan het uiterlijk van de stof aantasten en de brandwerende eigenschappen verminderen.
Veiligheidsgordels reinigen
Reinig de gordels met een zachte zeepoplossing die speciaal geschikt is voor het reinigen van bekleding en tapijt. Volg de aanwijzingen op het etiket van het reinigingsmiddel. Bleek of verf de gordels nooit omdat dit een negatieve invloed op de sterkte van de gordel kan hebben.
Binnenzijde ruiten reinigen
Als de ruiten aan de binnenzijde snel beslagen raken (vette aanslag), moeten ze gereinigd worden met een speciale glasreiniger. Volg de aanwijzingen op het etiket van de glasreiniger.

OPMERKING
Ga niet met scherpe voorwerpen over de binnenzijde van de achterruit. Hierdoor kunnen de draden van de achterruit-verwarming beschadigd raken.
EMISSIEREGELSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)
Op het emissieregelsysteem van uw auto is een aangepaste garantieregeling van toepassing. Raadpleeg de garantie-informatie in het boekje Garantie & Onderhoud voor meer informatie.
Uw auto is uitgerust met een emissieregelsysteem om aan alle emissienorm te voldoen.
Er zijn drie emissieregelsystemen, namelijk:
(1) Carterventilatiesysteem
(2) Brandstofdampafzuigsysteem
(3) Emissieregelsysteem
Om de goede werking van de emissieregelsystemen te garanderen, is het aan te raden uw auto door een officiële KIA-dealer te laten controleren en onderhouden volgens het onderhoudsschema in dit boekje.
Opmerking bij controle en onderhoud (met ESP)
- Om overslaan van de motor tijdens het testen op een rollenbank te voorkomen, moet het ESP-systeem worden uitgeschakeld door de ESP-schakelaar in te drukken.
- Schakel na de rollenbanktest het ESP-systeem weer in door nogmaals op de ESP-schakelaar te drukken.
1. Carterventilatiesysteem
Het carterventilatiesysteem voorkomt dat lekgassen uit het carter in de atmosfeer terechtkomen. Bij dit systeem wordt schone, gefilterde lucht via de luchtinlaatslang naar het carter gevoerd. In het carter wordt de lucht vermengd met de lekgassen en vervolgens via de PCV-klep naar het luchtinlaatsysteem gevoerd.
2. Brandstofdampafzuigsysteem
Het brandstofdampafzuigsysteem is ontworpen om te voorkomen dat brandstofdampen in de atmosfeer terechtkomen.
Reservoir
De brandstofdampen die vrijkomen in de brandstoftank worden geabsorbeerd en opgeslagen in een reservoir. Als de motor draait worden de opgeslagen brandstofdampen via de magneetklep dampafvoer naar het inlaatsysteem gevoerd.
Magneetklep dampafvoer
(PCSV - Purge Control Solenoid valve) De magneetklep dampafvoer wordt aangestuurd door de motor-ECU; als de koelvloeistoftemperatuur laag is bij stationair draaien, is de PCSV gesloten en wordt de verdampte brandstof niet naar de motor toegevoerd. Als de motor op bedrijfstemperatuur is, wordt tijdens normaal rijden de verdampte brandstof via de geopende PCSV naar de motor gevoerd.
3. Emissieregelsysteem
Het emissieregelsysteem is een uiterst effectief systeem dat de uitstoot van schadelijke stoffen tot een minimum beperkt zonder dat dit ten koste gaat van de prestaties.
Aanpassingen aan de auto
Er mogen geen aanpassingen aan deze auto worden gedaan. Door aanpassingen kunnen de prestaties, de veiligheid of de levensduur van uw auto beïnvloed worden. Aanpassingen kunnen zelfs in strijd zijn met overheidsbepalingen en milieuvoorschriften.
Daarnaast kunnen schade of problemen met de prestaties als gevolg van aanpassingen mogelijk niet onder de garantie vallen.
Voorzorgsmaatregelen met betrekking tot uitlaatgassen (koolmonoxide)
- Koolmonoxide kan samen met andere uitlaatgassen aanwezig zijn. Laat het uitlaatsysteem van uw auto direct controleren en indien nodig repareren indien u in het interieur uitlaatgas ruikt. Rijd niet met de auto als u in het interieur uitlaatgassen ruikt, maar als het niet anders kan, rijd dan met alle ruiten volledig geopend. Laat uw auto onmiddellijk controleren en repareren.

WAARSCHUWING - Uitlaatgas
Uitlaatgassen bevatten onder andere het reukloze en kleurloze gas koolmonoxide (CO) dat bij inademing dodelijk kan zijn. Hoewel het kleurloos en reukloos is, is het gevaarlijk en kan het bij inademing dodelijk zijn. Neem de volgende aanwijzingen in acht ter voorkoming van koolmonoxide-vergiftiging.
- Laat de motor in een afgesloten ruimte (bijvoorbeeld een garage) niet langer draaien dan nodig is om de auto naar binnen of naar buiten te rijden.
- Stel het ventilatiesysteem zo af dat er verse buitenlucht naar het interieur gevoerd wordt als de auto in een open ruimte stilstaat terwijl de motor wat langer moet blijven draaien.
- Blijf nooit met draaiende motor gedurende langere tijd in een stilstaande auto zitten.
- Als de motor afslaat of niet wil aanslaan en er teveel startpogingen ondernomen worden, kan het emissieregelsysteem beschadigd raken.
Voorzorgsmaatregelen katalysator (indien van toepassing)
⚠ WAARSCHUWING - Brand Een heet uitlaatsysteem kan brandbare materialen in brand doen vliegen. Vermijd contact tussen de auto en brandbare materialen zoals gras, planten, papier, bladeren, enz. door niet in de nabijheid daarvan te parkeren of te rijden, of de motor stationair te laten draaien.
Uw auto is uitgerust met een katalysator ten behoeve van de emissieregeling. Daarom moeten de volgende voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen:
- Gebruik bij een benzinemotor uitsluitend LOODVRIJE BENZINE.
-
Gebruik de auto niet als de motor duidelijk storingen vertoont, zoals overslaan of vermogensverlies.
-
Doe geen dingen die slecht zijn voor de motor. Voorbeelden hiervan zijn: de auto in de versnelling laten uitrollen terwijl het contact in stand LOCK staat en een helling af rijden met het contact in stand LOCK.
- Laat de motor niet langdurig (5 minuten of langer) met een hoog stationair toerental draaien.
- Voer zelf geen aanpassingen of wijzigingen uit aan de motor of het emissieregelsysteem. Alle controles en afstellingen moeten door een erkende KIA-dealer uitgevoerd worden.
- Voorkom rijden met een extreem laag brandstofniveau. Het leegrijden van de tank kan leiden tot overslaan van de motor en overbelasting van de katalysator.
Wanneer bovenstaande voorzorgsmaatregelen niet in acht worden genomen, kan schade aan de katalysator en aan uw auto ontstaan. Bovendien kan hierdoor de garantie vervallen.
Roetfilter (indien van toepassing)
Het roetfilter (DPF) verwijdert het roet dat door de auto wordt uitgestoten.
In tegenstelling tot een gewoon luchtfilter verbrandt en verwijdert het DPF-systeem automatisch het verzamelde roet overeenkomstig de rijomstandigheden. Met andere woorden het actieve verbranden door het motorregelsysteem en de hoge uitlaatgastemperatuur die optreedt bij het rijden met normale tot hoge snelheid, verwijderen het verzamelde roet.
Wanneer echter gedurende een lange tijd langzaam wordt gereden, wordt als gevolg van de lage uitlaatgastemperatuur het verzamelde roet niet automatisch verwijderd. In dat geval bevindt de hoeveelheid roet zich buiten de detectiegrens, zal er geen roetoxidatie worden uitgevoerd door het motorregelsysteem en gaat mogelijk het storingslampje knipperen.
Wanneer het storingslampje gaat knipperen, ga dan gedurende een bepaalde tijd (ongeveer 25 minuten) rijden met een snelheid van ten minste 60 km/h of in een hogere versnelling dan de tweede met een toerental van 1.500 - 2.000 omw/min.
Het lampje zal mogelijk stoppen met knipperen. Ga naar een officiële KIA-dealer als het storingslampje desondanks blijft knipperen en laat het DPF-systeem nakijken. Indien u gedurende lange tijd blijft doorrijden terwijl het storingslampje knippert, kan het DPF-systeem beschadigd raken en het brandstofverbruik toenemen.

OPMERKING - Dieselmotor (indien voorzien van een roetfilter (DPF))
Het is raadzaam de aanbevolen diesel voor dieselauto's uitgerust met een DPF-systeem te gebruiken. Het gebruik van diesel met een hoog zwavelgehalte (meer dan 50 ppm zwavel) en niet-gespecificeerde toevoegingen kan ertoe leiden dat het DPF-systeem beschadigd raakt en er witte rook wordt uitgestoten.
Afmetingen / 8-2
Wattage gloeilampen / 8-2
Banden en wielen / 8-3
Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden / 8-4
Voertuig-identificatienummer (VIN) / 8-7
Voertuigcertificatielabel / 8-7
Bandenspanningslabel / 8-8
Motornummer / 8-8
Specificaties & Consumenteninformatie
AFMETINGEN
| Onderwerp mm | |
| Totale lengte 4440 | |
| Totale breedte 1855 | |
| Totale hoogte | 1635 1645*1 |
| Spoorbreedte vóór | 1618*2 1611*3 1600*4 |
| Spoorbreedte achter | 1619*2 1612*3 1601*4 |
| Wielbasis 2640 | |
*1 met roof rack
*2 met 215/70R16-banden
*3 met 225/60R17-banden
*4 met 235/55R18-banden
WATTAGE GLOEILAMPEN
| Gloeilamp Wattage Type | ||
| Koplampen (grootlicht) 55 of 35 (HID)* | 1 | H7 |
| Koplampen (dimlicht) 55 H7U | ||
| Richtingaanwijzers vóór 21 B21 | ||
| Parkeerlichten 5 of LED* | 2 | 2AJ/LED |
| Richtingaanwijzers opzij* | 5 of LED*2 | 2CP/49J/LED |
| Mistlampen vóór* | 27 H27 | |
| Bochtverlichting | 27 H27 | |
| Mistachterlicht* | 21 | I11 |
| Rem-/achterlichten | 21/5 | L05 |
| Richtingaanwijzers achter | 21 H24 | |
| Achteruitrijlicht | 16 | 3J2 |
| Derde remlicht* | 5 of LED*2 | LED |
| Kentekenplaatverlichting | 5 | 1A |
| Kaartleeslampjes | 10 | 9Z |
| Interieurverlichting | 8 | 10B |
| Bagageruimteverlichting* | 5 | 1A |
| Lamp dashboardkastje* | 5 | 1A |
| Lampjes make-upspiegel* | 5 | 2B |
* indien van toepassing
*1 HID (High Intensity Discharge)
*2 LED (Light-emitting diode)
BANDEN EN WIELEN
| Onderwerp Bandenmaat Velgmaat | Bandenspanning bar (psi, kPa) | Aanhaalmoment wielmoeren kgm (lb.ft, Nm) | |||||
| Normale belasting (↑↑↑ + 8) | Maximum belasting (↑↑↑↑ + 8) | ||||||
| Vóór Achter Vóór Achter | |||||||
| Standaardband | 215/70R16 6.5J×16 | 2,3(33, 230) | 2,3(33, 230) | 2,6(38, 260) | 2,7(39, 270) | 9~11(65~79, 88~107) | |
| 225/60R17 6.5J×17 | |||||||
| 235/55R18 7.0J×18 | |||||||
AANBEVOLEN SMEERMIDDELEN EN HOEVEELHEDEN
Gebruik voor een optimale werking en een lange levensduur van motor en aandrijflijn uitsluitend smeermiddelen van de juiste kwaliteit. Het gebruik van de juiste smeermiddelen helpt ook het motorrendement verhogen, wat een gunstiger brandstofverbruik oplevert.
Deze smeermiddelen en vloeistoffen worden aanbevolen voor gebruik in uw auto.
| Smeermiddel/vloeistof | Inhoud | Classificatie | |||
| Motorolie 1,2,3 (Met filter)AdviseertShellHELIXMotor oils | Benzine-motor | 1,6L | 3,3 l (3,49 US qt.) | ACEA A3/A5 | |
| 2,0L | 4,1 l (4,33 US qt.) | ||||
| Diesel-motor | 1,7L | met DPF *4 | 5,3 l (5,60 US qt.) | ACEA C3 | |
| zonder DPF *4 | 5,3 l (5,60 US qt.) | ACEA B4 | |||
| 2,0L | met DPF *4 | 8,0 l (8,45 US qt.) | ACEA C3 | ||
| zonder DPF *4 | 8,0 l (8,45 US qt.) | ACEA B4 | |||
| Motorolieverbruik | Normale rijomstandigheden | MAX. 1 l/1500 km | - | ||
| Zware rijomstandigheden | MAX. 1 l/1000 km | - | |||
| Versnellingsbakolie | Benzine-motor | 1,6L | 1,8 l (1,90 US qt.) | API GL-4, SAE 75W/85 | |
| 2,0L | 2,1 l (2,20 US qt.) | ||||
| Diesel-motor | 1,7L | 1,9 l (2,01 US qt.) | |||
| 2,0L | 1,8 l (1,90 US qt.) | ||||
| Automatische-transmissievloeistof | Benzinemotor | 7,1 l (7,50 US qt.) | MICHANG ATF SP-IVSK ATF SP-IVNOCA ATF SP-IVOriginele KIA ATF SP-IV | ||
| Dieselmotor | 7,8 l (8,24 US qt.) | ||||
| Stuurbekrachtiging | 1,0 l (1,06 US qt.) | PSF-3 | |||
* Zie de SAE-viscositeitsindex op de volgende bladzijde.
Tegenwoordig zijn er energiebesparende motoriën beschikbaar. Naast andere extra voordelen, dragen zij bij tot een laag brandstofverbruik door de hoeveelheid brandstof te beperken die nodig is om wijving in de motor te overwinnen. Vaak zijn deze verbeteringen moeilijk waar te nemen in het dagelijks gebruik, maar op jaarbasis kunnen ze toch merkbaar kosten en energie besparen.
3 Gebruik door Kia Motors aanbevolen motorolie. Neem voor meer informatie contact op met een officiële Kia-dealer.
# Roetfilter
| Smeermiddel/vloeistof | Inhoud | Classificatie | ||
| Koelvloeistof | Benzinemotor | M/T *5 | 6,8 l (7,19 US qt.) | Mengsel van antivries en water(Op ethyleenglycolbasis voor een aluminium radiateur) |
| A/T *6 | 6,7 l (7,08 US qt.) | |||
| Dieselmotor | M/T *5 | 8,5 l (8,98 US qt.) | ||
| A/T *6 | 8,4 l (8,88 US qt.) | |||
| Rem-/koppelingsvloeistof | 0,7~0,8 l(0,7~0,8 US qt.) | FMVSS116 DOT-3 of DOT-4 | ||
| Olie achterasdifferentieel (4WD) | 0,65 l ( 0,69 US qt.) | HYPOID GEAR OIL API GL-5, SAE 75W/90(SHELL SPIRAX X of equivalent) | ||
| Olie verdeelbak (4WD) | 0,6 l (0,63 US qt.) | HYPOID GEAR OIL API GL-5, SAE 75W/90(SHELL SPIRAX X of equivalent) | ||
| Brandstof | 58 l (15,32 US gal.) | Zie “verejste brandstof ” in hoofdstuk 1 | ||
*5 MT : Handgeschakeld
*6 AT : Automaat
Aanbevolen SAE-viscositeitsindex

OPMERKING
Zorg ervoor dat u de omgeving rond vuldoppen, aftappluggen en de peilstok altijd goed reinigt alvorens het peil te controleren of de vloeistof af te tappen.
Dit is vooral van belang in gebieden met veel stof of zand en als er met de auto over onverharde wegen wordt gereden. Door het schoonmaken wordt voorkomen dat vuil en zand in de motor of andere componenten binnendringt en schade veroorzaakt.
De viscositeit (vloeibaarheid) van de motorolie is van invloed op het brandstofverbruik en op de werking onder koude weersomstandigheden (starten en oliecirculatie). Motoroliën met een lagere viscositeit geven een lager brandstofverbruik en betere prestaties onder koude weersomstandigheden, terwijl motoroliën met een hogere viscositeit echter wenselijk zijn voor een goede smering bij warme buitentemperaturen. Het gebruik van oliën met een andere dan de aanbevolen viscositeit kan resulteren in motorschade.
Houd bij de keuze van een olie rekening met de te verwachten buitentemperaturen tot aan de volgende olieverversing. Kies dan aan de hand van de tabel de aanbevolen olieviscositeit.

VOERTUIGCERTIFICATIELABELVOERT

Het voertuig-identificatienummer (VIN) is het nummer dat gebruikt wordt bij de registratie van uw auto en bij alle zaken die te maken hebben met eigendom, enz.

Het VIN staat ook op een plaatje dat is bevestigd aan de bovenzijde van het dashboard. Het nummer op dit plaatje kunt u van buitenaf goed zien door de voorruit.

Op het voertuigcertificatielabel op de middenstijl aan bestuurderszijde (of voorpassagierszijde) staat het voertuig-identificatienummer (VIN).

De banden waarmee uw nieuwe auto is uitgerust zijn zorgvuldig geselecteerd voor de beste prestaties onder normale rijomstandigheden.
Op het bandenspanningslabel op de middenstijl aan bestuurderszijde staan de bandenspanningen voor de verschillende gebruiksomstandigheden.
MOTORNUMMERBANDENSPANNINGSLABEL


OEL08003/OLM089003


OEL080004/OLM089004
Het motornummer is in het motorblok ingeslagen op de plaats die in de afbeelding is aangegeven.

Index
12V-aansluiting 4-109
A
Aanbevolen bandenspanning koud 7-42
Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden....8-4
Aanbevolen SAE-viscositeitsindex 8-6
Aanduwen of aanslepen 6-6
Accu 7-39
Achterklep 4-20
Noodontgrendeling achterklep 4-21
Achterruitverwarming 4-83
Achterstoelen 3-9
Achteruitrijcamera 4-68
Afmetingen 8-2
Afstellen van voorstoel 3-4
Airbag bestuurder 3-49
Airbag voorpassagier 3-49
Airbags 3-41
Airbag bestuurder en voorpassagier 3-49
Controlelampje airbag voorpassagier AAN/UIT ……3-45
Curtain airbag 3-56
ON/OFF-schakelaar airbag voorpassagier 3-52
Waarschuwingslabel airbags 3-65
Waarschuwingslampje AIRBAG 3-45
Zijairbag 3-54
Alarmknipperlichten 4-68
Antenne 4-116
Antiblokkeersysteem (ABS) 5-39
Antidiefstalsysteem 4-13
Armsteun 3-11
Audiosysteem 4-116
Antenne 4-116
Aux-, USB- en iPod-aansluiting 4-118
Toets audioafstandsbediening 4-117
Automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem……4-93
Airconditioning 4-99
Automatische verwarming en airconditioning……4-94
Handmatig bediende verwarming en airconditioning 4-95
Automatische transmissie 5-21
Schakelblokkeersysteem 5-24
Sleutelblokkeersysteem 5-25
Sportstand 5-23
B
Backup-zekering 7-55
Bagagenet (houder) 4-112
Banden en wielen 7-42, 8-3
Aanbevolen bandenspanning koud 7-42
Banden vervangen 7-47
Controleren bandenspanning 7-44
Grip 7-48
Label op de wang van de band 7-49
Onderhoud van banden 7-48
Onderhoud van de banden 7-42
Uitlijnen en balanceren van de wielen....7-46
Velgen vervangen 7-48
Wielen verwisselen 7-45
Bandenspanningslabel 8-8
Bekerhouder 4-108
Belading 5-75
Bevestigingspunt (EN) vloermat 4-111
Blokkeertoets ruitbediening....4-25
Boordcomputer 4-45
Brandstofbesparing 5-54
Brandstofdampafzuigsysteem 7-84
Controleer de parkeerraem 7-30
Controlelampjes in het instrumentenpaneel 1-8
Controleren bandenspanning 7-44
Controlesysteem lage bandenspanning (TPMS) ……6-20
Cruise control-systeem 5-49
Curtain airbag 3-56
D
Dagteller 4-45
Dashboardkastje 4-106
Dashboardverlichting 4-43
Digitale klok 4-110
Digitale klok 4-110
Door de eigenaar uit te voeren onderhouds- werkzaamheden....7-8
Doorwaden van water 5-59
Actief ECO-systeem 5-53
Stand ECO ON/OFF 4-49
Brandstofdampafzuigsysteem 7-84
Carterventilatiesysteem 7-84
Emissieregelsysteem 7-85
Energiebesparingsfunctie 4-69
Exterieur 4-114
Roof rack 4-114
Exterieur, onderhoud 7-77
G
Gebruik van dit instructieboekje 1-2
Gewicht 5-75
GAW (maximale asbelasting) 5-75
GAWR (maximale toelaatbare asbelasting)....5-75
GVW (maximaal toelaatbaar totaalgewicht) 5-75
GVWR (maximale massa voertuig) 5-75
Leeggewicht 5-75
Rijklaar gewicht 5-75
Gloeilampen 7-68
Vervangen van gloeilamp achterlichtunit 7-72
Vervangen van gloeilamp derde remlicht....7-75
Vervangen van gloeilamp interieurverlichting ……7-76
Vervangen van gloeilamp kentekenplaat-verlichting 7-75
Vervangen van gloeilamp koplampen 7-69
Vervangen van gloeilamp mistlampen vóór 7-71
Vervangen van gloeilamp parkeerlichten 7-70
Vervangen van gloeilamp richtingaanwijzer opzij …7-71
Vervangen van gloeilamp richtingaanwijzer-lampen....7-70
Gordelspanner veiligheidsgordel 3-23
H
Handbediend verwarmings- en ventilatiesysteem ……4-84
Airconditioning 4-89
Verwarming en airconditioning 4-84
Handgeschakelde transmissie 5-18
Handmatig bediende verwarming en airconditioning …4-95
Hill-start Assist Control (HAC) 5-45
Hoeveelheden (Smeermiddelen) 8-4
Hoofdsteun 3-6, 3-9
Hoofdzekering 7-56
1
Inrijprocedure 1-7
Instructies voor het rijden met de auto....1-6
Instrumentenpaneel 4-42
Boordcomputer 4-45
Brandstofmeter 4-45
Dashboardverlichting 4-43
Kilometerteller 4-45
Snelheidsmeter 4-42
Temperatuurmeter 4-44
Toerenteller 4-42
Waarschuwings- en controlelampjes 4-50
Interieurfilter 4-91,7-34
Interieurverlichting 4-80
Kinderslot op portierslot achter 4-19
Kinderzitjes 3-30
ISOFIX-systeem 3-36
Systeem met bevestigingsbanden 3-35
Koelvloeistof 7-26
Koplampsproeier 4-74
Koplampverstelling 4-74
Krik en gereedschap 6-8
L
Label
Bandenspanningslabel 8-8
Label op de wang van de band 7-49
Lekke band (met reservewiel) 6-8
Krik en gereedschap 6-8
Verwijderen en opbergen van het reservewiel……6-9
Wielen verwisselen 6-9
Massa van de auto 5-75
GAW (maximale asbelasting) 5-75
GAWR (maximale toelaatbare asbelasting)....5-75
GVW (maximaal toelaatbaar totaalgewicht) 5-75
GVWR (maximale massa voertuig)....5-75
Leeggewicht 5-75
Rijklaar gewicht 5-75
Meter
Brandstofmeter 4-45
Temperatuurmeter 4-44
Motor niet gestart kan worden6-4
Motor oververhit 6-7
Motorkap 4-27
Motornummer 8-8
Motorolie 7-25
Motorruimte 2-4, 7-2
Multizekering....7-57
N
Neerklapbare achterbank 3-12
Noodgeval tijdens het rijden 6-3
Noodontgrendeling achterklep 4-21
Index
0
Onderhoud
Door de eigenaar uit te voeren onderhouds- werkzaamheden 7-8
Exterieur, onderhoud 7-77
Onderhoud bij gebruik onder zware omstandigheden 7-20
Onderhoud interieur 7-82
Onderhoud van banden 7-48
Onderhoud van de banden 7-42
Onderhoudsschema 7-10
Onderhoudsschema bij normaal gebruik 7-11
Onderhoudswerkzaamheden 7-6
Uitleg bij onderhoudsschema 7-22
Onderhoud exterieur 7-77
Exterieur, onderhoud....7-77
Onderhoud interieur 7-82
Onderhoud interieur 7-82
Onderhoudsschema 7-10
Onderhoud bij gebruik onder zware omstandigheden 7-20
Onderhoudsschema bij normaal gebruik 7-11
Onderhoudswerkzaamheden 7-6
Op eigen kracht lostrekken van de auto 5-56
Opbergvak4-105
Dashboardkastje 4-106
Opbergvak middenconsole 4-105
Opbergvak voor zonnebril 4-107
Opbergvak in rugleuning 3-9
Opbergvak middenconsole 4-105
Overige voorzieningen....4-108
12V-aansluiting 4-109
Bagagenet (houder) 4-112
Bekerhouder 4-108
Bevestigingspunt (EN) vloermat 4-111
Digitale klok 4-110
Rolhoes bagageruimte 4-112
Zonneklep 4-108
Oververhit 6-7
Overzicht dashboard 2-3
Overzicht interieur 2-2
P
Panoramadak 4-32
Parkeerhulp 4-65
Parkeerrem 5-37
Portiervergrendeling met afstandsbediening 4-6
R
Rembekrachtiging 5-36
Remsysteem 5-36
Antiblokkeersysteem (ABS) 5-39
Voertuigstabiliteitsregeling (ESP) 5-41
Remvloeistof 7-29
Reservewiel
Verwijderen en opbergen van het reservewiel……6-9
Rijden in de regen 5-58
Rijden in de winter 5-61
Sneeuwkettingen 5-62
Winterbanden 5-61
Rijden in het donker 5-58
Rijden met hoge snelheden 5-59
Rijden onder moeilijke omstandigheden 5-56
Rijden onder speciale rijomstandigheden....5-56
Doorwaden van water 5-59
Op eigen kracht lostrekken van de auto....5-56
Rijden in de regen 5-58
Rijden in het donker 5-58
Rijden met hoge snelheden 5-59
Rijden onder moeilijke omstandigheden 5-56
Vloeiend nemen van bochten 5-57
Rolhoes bagageruimte 4-112
Roof rack 4-114
Ruiten 4-22
Blokkeertoets ruitbediening 4-25
Ruitensproeiervloeistof 7-30
Ruitenwisserbladen 7-36
Ruitenwissers en ruitensproeiers 4-75
S
Schakelaar portiervergrendeling 4-17
Schakelblokkeersysteem 5-24
Slepen 6-26
Afneembare trekhaak 6-26
Rijden met een aanhanger 5-65
Slepen in een noodgeval 6-28
Transportogen (voor vervoer op een auto-ambulance)……6-30
Slepen in een noodgeval 6-28
Sleutelblokkeersysteem 5-25
Sleutels 4-3
Sloten 4-16
Kinderslot op portierslot achter 4-19
Schakelaar portiervergrendeling 4-17
Smart key 4-9
Smeermiddelen en hoeveelheden 8-4
Sneeuwkettingen Sneeuwkettingen 5-62
Snelheidsmeter 4-43
Spiegels 4-38
Binnenspiegel 4-38
Binnenspiegel met dag-/nachtstand 4-38
Buitenspiegel 4-39
Startblokkeersysteem 4-4
Starten met een hulpaccu....6-5
Starten met hulpaccu 6-5
Aanduwen of aanslepen 6-6
Starten met een hulpaccu 6-5
Starten van de motor 5-5, 5-11
Stoelen 3-2
Achterstoelen 3-9
Afstellen van voorstoel 3-4
Armsteun 3-11
Hoofdsteun 3-6, 3-9
Lendensteun 3-5
Neerklapbare achterbank 3-12
Opbergvak in rugleuning 3-9
Stoelverwarming....3-8, 3-11
Stoelverwarming 3-8, 3-11
Stuurbekrachtiging 4-36
Stuurwiel 4-36
Claxon 4-37
Elektronische stuurbekrachtiging....4-36
Verstelbare stuurkolom / In hoogte en lengte verstelbare 4-37
Systeem met bevestigingsbanden 3-35
T
Tankdopklep 4-29
Temperatuurmeter 4-44
Toerenteller 4-43
Toets audioafstandsbediening....4-117
Toets Engine Start/Stop 5-8
Transmissie Automatische transmissie....5-21 Handgeschakelde transmissie....5-18
Transportogen 6-30
U
Uitleg bij onderhoudsschema 7-22
Uitlijnen en balanceren van de wielen 7-46
V
Veiligheidsgordels 3-15
Driepuntsgordel 3-18
Gordelspanner veiligheidsgordel 3-23
Velgen vervangen 7-48
Energiebesparingsfunctie 4-69
Verstelbare stuurkolom / In hoogte en lengte verstelbare 4-37
Vervangen van gloeilamp 7-68
Vervangen van gloeilamp achterlichtunit 7-72
Vervangen van gloeilamp derde remlicht....7-75
Vervangen van gloeilamp interieurverlichting ……7-76
Vervangen van gloeilamp kentekenplaat-verlichting 7-75
Vervangen van gloeilamp koplampen 7-69
Vervangen van gloeilamp mistlampen vóór 7-71
Vervangen van gloeilamp parkeerlichten 7-70
Vervangen van gloeilamp richtingaanwijzer opzij …7-71
Vervangen van gloeilamp richtingaanwijzer- lampen 7-70
Vervangen van gloeilamp achterlichtunit....7-72
Vervangen van gloeilamp derde remlicht 7-75
Vervangen van gloeilamp interieurverlichting....7-76
Vervangen van gloeilamp kentekenplaatverlichting ....7-75
Vervangen van gloeilamp koplampen 7-69
Vervangen van gloeilamp mistlampen vóór……7-71
Vervangen van gloeilamp parkeerlichten 7-70
Vervangen van gloeilamp richtingaanwijzer opzij……7-71
Vervangen van gloeilamp richtingaanwijzerlampen ....7-70
Verwarming en airconditioning 4-84
Vierwielaandrijving (4WD) 5-28
Vloeiend nemen van bochten 5-57
Vloeistof Remvloeistof 7-29
Ruitensproeiervloeistof 7-30
Voertuig-identificatienummer (VIN) 8-7
Voertuigstabiliteitsregeling (ESP) 5-41
Vóór het rijden 5-3
Voorruit ontdooien en ontwasemen 4-103
Voorruit ontwasemen 4-103
W
Waarschuwings- en controlelampjes 4-42
Waarschuwings- en controlelampjes 4-50
Waarschuwingssignalen 6-2
Waarschuwingssysteem voor de veiligheidsgordels ....3-16
Wattage gloeilampen 8-2
Wielen verwisselen 6-9
Winterbanden 5-61
Z
Zekeringen 7-53
Backup-zekering....7-55
Hoofdzekering 7-56
Multizekering 7-57
Zekering-/relaiskast 7-58
Zijairbag 3-54
Zonneklep 4-108

(Controlelampje brandt niet)
(Controlelampje brandt)
Verlicht
Knippert
Verlicht
Niet verlicht













verlichting PAB & SBR











D


.P













