KIA Soul (2008) - Automobiel

Soul (2008) - Automobiel KIA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis Soul (2008) KIA in PDF-formaat.

📄 334 pagina's Nederlands NL Downloaden 💬 AI-vraag 10 vragen ⚙️ Specs
Notice KIA Soul (2008) - page 1
Kies uw taal en geef uw e-mailadres: we sturen u een specifiek vertaalde versie.
Type voertuig Personenauto
Merk KIA
Model Soul (2008)
Lengte 4105 mm
Breedte 1785 mm
Hoogte (zonder dakdragers / met dakdragers) 1610 mm / 1660 mm
Wielbasis 2550 mm
Bandenmaat (standaard) 195/65R15, 205/55R16 of 225/45R18
Brandstoftankinhoud 48 liter
Brandstoftype (benzinemotor) Loodvrije benzine 95 RON of hoger
Brandstoftype (dieselmotor) Diesel volgens EN 590, cetaangetal 52-54
Motorolie (benzinemotor) API SL of SM, ILSAC GF-3 of hoger
Motorolie (dieselmotor met DPF) ACEA C3
Koelvloeistof Mengsel van antivries (ethyleenglycol) en water
Remvloeistof DOT-3 of DOT-4
Transmissieolie (handgeschakeld) API GL-4 SAE 75W-85
Transmissievloeistof (automaat) DIAMOND ATF SP-III of SK ATF SP-III
Veiligheidsgordels Driepuntsgordels met gordelspanners en spankrachtbegrenzer (voor)
Airbags Bestuurder, voorpassagier, zijairbags, curtain airbags (optioneel)
Kinderzitjes ISOFIX-bevestigingen achter (buitenste zitplaatsen)
Stuurinrichting Elektronische stuurbekrachtiging (EPS)
Remsysteem ABS, ESP (optioneel)
Verlichting Koplampen H4 60/55W, richtingaanwijzers, mistlampen
Onderhoudsinterval Zie onderhoudsschema in handleiding
Garantie Informatie in garantie- en onderhoudsboekje

Veelgestelde vragen - Soul (2008) KIA

Welke brandstof moet ik gebruiken voor mijn Kia Soul (2008)?
Voor benzinemotoren: uitsluitend loodvrije benzine met een octaangetal van minimaal 95 RON. Voor dieselmotoren: dieselbrandstof volgens EN 590 met een cetaangetal van 52-54. Gebruik nooit loodhoudende benzine of biodiesel boven 5%.
Hoe stel ik de hoofdsteun correct af?
Het midden van de hoofdsteun moet zich op dezelfde hoogte bevinden als de bovenzijde van uw ogen. Trek de hoofdsteun omhoog of druk de ontgrendelknop in om hem te verlagen. Zorg dat de hoofdsteun vergrendeld is.
Hoe monteer ik een kinderzitje met ISOFIX?
Plaats het ISOFIX-kinderzitje op de buitenste achterbank. Klik de vergrendeling van het zitje in de ISOFIX-bevestigingspunten (tussen zitting en rugleuning). Bevestig de bovenste band aan het bevestigingspunt achter de rugleuning en trek strak. Controleer of het zitje stevig vastzit.
Wat betekenen de waarschuwingslampjes op het dashboard?
De lampjes omvatten onder andere: airbag, ABS, ESP, bandenspanning, remvloeistof en motorstoring. Raadpleeg de handleiding voor een volledig overzicht. Bij een brandend lampje dient u direct actie te ondernemen.
Hoe voer ik de inrijprocedure uit?
Rijd de eerste 1.000 km met gevarieerd motortoerental (2000-4000 omw/min). Vermijd langdurig constant rijden en plotseling remmen. Laat de motor niet langer dan 3 minuten stationair draaien. Trek geen aanhanger in deze periode.
Hoe gebruik ik de stoelverwarming?
Druk op de schakelaar voor de bestuurders- of passagiersstoel terwijl het contact aan staat. De verwarming schakelt automatisch uit afhankelijk van de temperatuur. Gebruik geen dekens of kussens op de stoel tijdens gebruik.
Hoe controleer ik het motoroliepeil?
Zet de auto op een vlakke ondergrond, laat de motor afkoelen en trek de peilstok eruit. Veeg schoon, steek terug en trek opnieuw. Het peil moet tussen de MIN en MAX-markeringen liggen. Vul bij met de aanbevolen olie.
Wat moet ik doen bij een lekke band?
Zet de auto op een veilige plek, schakel de alarmknipperlichten in en gebruik de krik en het reservewiel. Raadpleeg de handleiding voor de exacte procedure. Draai de wielmoeren aan met 9-11 kgm.
Hoe vervang ik zekeringen?
Schakel het contact uit en verwijder de zekering met de zekeringentang. Controleer of de draad in de zekering is doorgebrand. Vervang door een zekering met dezelfde stroomsterkte. Gebruik nooit een andere waarde.
Waar vind ik het voertuigidentificatienummer (VIN)?
Het VIN is ingeslagen in de vloer onder de passagiersstoel (verwijder de afdekking) en staat ook op een plaatje boven het dashboard, zichtbaar door de voorruit. Gebruik dit nummer voor registratie en onderdelen.

Gebruikersvragen over Soul (2008) KIA

0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.

Stel een nieuwe vraag over dit apparaat

De e-mail blijft privé: deze wordt alleen gebruikt om u te waarschuwen als iemand op uw vraag reageert.

Nog geen vragen. Stel de eerste vraag.

Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Soul (2008) - KIA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Soul (2008) van het merk KIA.

GEBRUIKSAANWIJZING Soul (2008) KIA

Nu u eigenaar bent van een KIA krijgt u waarschijnlijk veel vragen over uw auto en over het bedrijf, zoals "Wat is een KIA?", "Wie is KIA?" en "Wat betekent 'KIA'?"

Hier volgen enige antwoorden. Ten eerste, KIA is de oudste autoproducent in Korea. Het bedrijf bestaat uit duizenden werknemers die zich concentreren op het bouwen van auto's met een hoge kwaliteit tegen een redelijke prijs.

De eerste lettergreep, KI, in het woord "KIA" betekent "opkomende zon". De tweede lettergreep, A, betekent "Azië". Dus het woord KIA, betekent "opkomende zon uit Azië".

Veel plezier met uw auto!

Hartelijk dank voor het kiezen van een KIA.

Onthoud dat voor onderhoud uw dealer de aangewezen persoon is. Uw dealer heeft door de importeur getrainde monteurs in dienst, beschikt over de aanbevolen speciale gereedschappen, originele KIA-onderdelen en zal er alles aan doen u optimaal van dienst te zijn.

Bewaar het instructieboekje in de auto voor een eventuele volgende eigenaar.

Dit instructieboekje zal u vertrouwd maken met de bediening, het onderhoud en de veiligheidsaspecten van uw nieuwe auto. Bij het instructieboekje hoort een garantie- en onderhoudsboekje waarin u informatie vindt over de garantie. We raden u aan om deze informatie zorgvuldig te lezen en de daarin opgenomen aanwijzingen zorgvuldig op te volgen, zodat u veilig en probleemloos van uw nieuwe auto kunt genieten.

KIA rust zijn talrijke modellen uit met een grote verscheidenheid aan opties, componenten en kenmerken. Het is dan ook mogelijk dat de uitrusting die in dit instructieboekje beschreven staat en die op illustraties afgebeeld is, niet allemaal van toepassing is op uw auto. De in dit instructieboekje opgenomen informatie en specificaties golden ten tijde van het ter perse gaan. KIA behoudt zich te allen tijde het recht voor wijzigingen door te voeren zonder voorafgaande kennisgeving. Als u vragen heeft, kunt u zich te allen tijde tot uw KIA-dealer wenden.

Wij zullen er alles aan doen om u optimaal en tot volle tevredenheid van uw nieuwe KIA te laten genieten.

© 2008 KIA MOTORS NEDERLAND B.V.

Alle rechten voorbehouden. Complete of gedeeltelijke reproductie op wat voor manier dan ook, elektronisch of mechanisch, inclusief kopieren, vastleggen via een systeem voor het opslaan en terughalen van informatie, of vertalen is niet toegestaan zonder schriftelijke toestemming van KIA Motors Corporation.

Gedruk in Korea

INHOUDSOPGAVE

Introductie1
Uw auto in één oogopslag2
Veiligheidsysteem van uw auto3
Kenmerken van uw auto4
Rijden met uw auto5
Wat te doen in een noodgeval6
Onderhoud7
Specificaties & Consumenteninformatie8
IndexI

Introductie

1

Gebruik van dit instructieboekje / 1-2

Inrijprocedure / 1-5

Controlelampjes in het instrumentenpaneel / 1-6

GEBRUIK VAN DIT INSTRUCTIEBOEKJE

A010000AUN

Wij willen u helpen om het meeste rijplezier van uw auto te krijgen. Het instructieboekje kan daar op vele manieren toe bijdragen. Wij raden u ten zeerste aan het complete instructieboekje door te lezen. Om de kans op letsel te beperken, moet u met name de gedeeltes met WAARSCHUWING en OPMERKING door het gehele instructieboekje lezen.

De afbeeldingen vormen een waardevolle aanvulling op de tekst. In uw instructieboekje vindt u informatie over de kenmerken, over belangrijke veiligheidsaspecten en over het rijden onder diverse omstandigheden.

De algemene indeling van het instructieboekje vind u in de INHOUDSOPGAVE. De index vormt een goede ingang om de gewenste passage te vinden.

Hoofdstukken: Dit instructieboekje heeft acht hoofdstukken en een index. Elk hoofdstuk begint met een korte inhoudsopgave, zodat u direct kunt zien of het gewenste hoofdstuk de gewenste informatie bevat.

U vindt verschillende WAARSCHUWINGEN, OPMERKINGEN en AANWIJZINGEN in dit instructieboekje. Deze dienen ter vergroting van uw persoonlijke veiligheid. Lees ALLE procedures en aanbevelingen in deze WAARSCHUWINGEN, OPMERKINGEN en AANWIJZINGEN nauwkeurig door en neem ze in acht.

KIA Soul (2008) - GEBRUIK VAN DIT INSTRUCTIEBOEKJE - 1

WAARSCHUWING

Een WAARSCHUWING wijst u erop bijzonder voorzichtig te zijn ter voorkoming van schade en ernstig letsel.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

OPMERKING

Informatie waar VOORZICHTIG bij staat, dient ervoor om te voorkomen dat u een fout maakt waardoor uw auto beschadigd zou kunnen raken.

*AANWIJZING

OPMERKING geeft aan dat er interessante of nuttige informatie wordt gegeven.

VEREISTE BRANDSTOF

Benzinemotor

A020101AUN

Loodvrij

Gebruik voor optimale prestaties van uw auto loodvrije benzine met een octaangetal van 95 RON/91 AKI of hoger.

Gebruik uitsluitend loodvrije benzine met een octaangetal van 91 RON of meer voor uw nieuwe KIA.

Bij gebruik van LOODVRIJE BENZINE zijn de prestaties maximaal en de uitlaatgassen het schoonst en wordt vervuiling van de bougies tegengegaan.

! OPMERKING

GEBRUIK NOOIT LOODHOUDENDE BENZINE. Loodhoudende benzine is schadelijk voor de katalysator en de lambdasensor van het motorregelsysteem en zal de emissieregeling nadelig beïnvloeden.

Voeg nooit brandstofadditieven producten toe aan het brandstofsysteem. (Neem voor details contact op met een officiële KIA-dealer.)

WAARSCHUWING

  • Probeer de tank niet verder te vullen nadat het vulpistool automatisch is afgeslagen.
  • Controleer altijd of de tankdop goed vastgedraaid is, om morsen van brandstof in geval van een aanrijding te voorkomen.

A020102AUN

Loodhoudende benzine

(indien van toepassing)

In sommige landen moet er loodhoudende benzine worden gebruikt. Neem contact op met een officiële KIA-dealer om te informeren of uw auto geschikt is voor het gebruik van loodhoudende benzine of niet.

Het vereiste octaangetal voor loodhoudende benzine is gelijk aan dat voor loodvrije benzine.

A020103AUN

Benzine die alcohol en methanol bevat

In sommige landen is naast benzine ook gasohol verkrijgbaar. Dit is een mengsel van benzine en ethanol of methanol.

Gebruik dit mengsel niet met meer dan 10% ethanol en gebruik geen benzine of mengsel dat methanol bevat. Deze brandstoffen kunnen rijproblemen en schade aan het brandstofsysteem veroorzaken.

Gebruik gasohol niet langer wanneer er rijproblemen optreden.

Schade aan de auto of rijproblemen vallen mogelijk niet onder de fabrieksgarantie wanneer ze veroorzaakt worden door het gebruik van:

  1. Benzinemengsels met meer dan 10% ethanol.
  2. Benzine of gasohol die methanol bevat.
  3. Loodhoudende benzine.

! OPMERKING

Gebruik nooit benzinemengsels die methanol bevatten. Gebruik gasoholproducten niet langer wanneer er rijproblemen optreden.

Introductie

A020104AUN

Gebruik van MTBE

Geadviseerd wordt geen brandstof in uw auto te gebruiken die meer dan 15,0 volumeprocent MBTE (Methyl Tertiair Butyl Ether) (zuurstofmassa 2,7%) bevat. Brandstof die meer dan 15,0 volumeprocent MBTE (zuurstofmassa 2,7%) bevat kan de prestaties van de auto in negatieve zin beïnvloeden en dampvorming of slecht aanslaan veroorzaken.

A020105AUN

Gebruik geen methanol

Uw auto is niet geschikt voor het gebruik van methanol (methylalcohol). Dit type brandstof heeft een negatieve invloed op de prestaties van uw auto en kan schade aan het brandstofsysteem veroorzaken.

OPMERKING

Schade aan het brandstofsysteem van uw auto of het verhelpen van problemen met betrekking tot de prestaties van de auto worden niet door de garantie gedekt indien ze veroorzaakt worden door brandstof die methanol bevat of brandstof die meer dan 15,0 volumeprocent MTBE (Methyl Tertiair Butyl Ether) (zuurstofmassa 2,7%) bevat.

A020106AUN

Benzines die het milieu minder belasten

Om een bijdrage te leveren aan het tegengaan van luchtverontreiniging, wordt geadviseerd benzine te gebruiken die reinigende additieven bevat. Deze benzines helpen inwendige verontreiniging te voorkomen. Dit soort benzine zorgt ervoor dat de motor minder schadelijke stoffen uitstoot en verbetert de prestaties van het emissieregelsysteem.

A020107AUN

Rijden in het buitenland

Als u van plan bent om met uw auto naar het buitenland te gaan:

  • Zorg ervoor dat uw auto voldoet aan de in dat land geldende wettelijke voorschriften met betrekking tot registratie en verzekering.
  • Informeer of de juiste brandstof verkrijgbaar is.

Dieselmotor

A020201AUN

Dieselbrandstof

Gebruik voor de dieselmotor alleen bij het bemzinestation verkrijgbare dieselbrandstof die aan de EN 590-norm of vergelijkbaar voldoet. (EN staat voor "European Norm"). Gebruik geen dieselbrandstof die bestemd is voor de scheepvaart, lichte stookoliën of niet-goedgekeurde brandstoftoevoegingen, aangezien dit de slijtage zal bespoedigen en de motor en het brandstof systeem kan beschadigen. Het gebruik van niet-goedgekeurde brandstoffen en/of brandstoftoevoegingen heeft een beperking van de garantie tot gevolg.

Het cetaangetal van de dieselbrandstof voor uw auto moet 52 - 54 zijn. Als er twee soorten diesel leverbaar zijn, moet afhankelijk van de temperatuur worden gekozen voor zomer- of winterdiesel.

• Boven -5°C (23°F)...zomerdiesel.
• Beneden -5°C (23°F)... winterdiesel.

Houd het brandstofpeil zorgvuldig in de gaten : als de motor afslaat bij gebrek aan brandstof, moet het complete brandstofsysteem worden ontlucht alvorens de motor opnieuw gestart kan worden.

! OPMERKING

- Zorg ervoor dat er geen benzine of water in de brandstoftank terechtkomt. Als dat wel het geval is, moet de brandstoftank worden afgetapt en moet het brandstofsysteem worden ontlucht om schade aan de brandstofpomp en de motor te voorkomen.

- In de winter mag, om afslaan van de motor door vlokken van de brandstof te voorkomen, petroleum aan de brandstof worden toegevoegd als de temperatuur daalt tot lager dan 10°C (50°F). Gebruik nooit meer dan 20% petroleum.

A020202AUN

Biodiesel

Indien uw auto aan de EN 14214-norm of vergelijkbaar voldoet, mag bij het benzinestation verkrijgbare biodieselmengsels met niet meer dan 5% biodiesel, algemeen bekend als "B5-biodiesel" worden gebruikt. (EN staat voor "European Norm").

Het gebruik van biobrandstoffen van koolzaadmethylester (RME), vetzuur methylester (FAME), plantaardige methylester (VME), enz. of een diesel/biodieselmengsel zal de slijtage bespoedigen en kan de motor of het brandstofsysteem beschadigen. Reparatie of vervanging van versleten of beschadigde onderdelen als gevolg van het gebruik van niet-goedgekeurde brandstoffen valt niet onder de fabrieksgarantie.

! OPMERKING

- Gebruik nooit brandstof, diesel of B5-biodiesel, dat niet aan de meest recente specificaties voldoet.

- Gebruik nooit brandstof-toevoegingen en dergelijke die niet door de fabrikant zijn aanbevolen of goedgekeurd.

INRIJPROCEDURE

A030000AUN

U hoeft de auto niet gedurende een bepaalde periode in te rijden. U kunt echter door het opvolgen van een paar eenvoudige aanwijzingen gedurende de eerste 1.000 km de prestaties, het brandstofverbruik en de levensduur van uw auto in positieve zin beïnvloeden.

  • Voer het toerental van de motor niet te hoog op.
  • Houd tijdens het rijden het motortoerental tussen de 2.000 - 4.000 omw/min.
  • Rijd niet gedurende langere tijd met een constante snelheid. Om de motor goed in te rijden, moet het motortoerental worden gevarieerd.
  • Vermijd plotseling afremmen, behalve in noodgevallen, om de onderdelen van het remsysteem de gelegenheid te geven op elkaar in te lopen.
  • Laat de motor niet langer dan 3 minuten achtereen stationair draaien.
  • Trek gedurende de eerste 2.000 km (1.200 mijl) met uw auto geen aanhanger.

CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL

A050000AAM

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 1

Waarschuwingslampje open portier

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 2

Waarschuwingslampje veiligheidsgordel

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 3

Controlelampjes richtingaanwijzers

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 4

Controlelampje mistlampen vóór*

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 5

Controlelampje mistlampen achter*

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 6

Controlelampje ESP*

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 7

Controlelampje ESP OFF*

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 8

Waarschuwingslampje ABS*

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 9

Waarschuwingslampje parkeerrem en remvloeistofniveau

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 10

Oliedruklampje

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 11

Waarschuwingslampje elektronische stuurbekrachtiging (EPS)*

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 12

Controlelampje O/D OFF*

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 13

Waarschuwingslampje laadsysteem

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 14

Controlelampje motormanagement*

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 15

Waarschuwingslampje AIRBAG*

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 16

Waarschuwingslampje lage bandenspanning*

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 17

Controlelampje storing TPMS (controlesysteem lage bandenspanning)*

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 18

Controlelampje startblokkeersysteem*

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 19

Waarschuwingslampje open achterklep

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 20

Waarschuwingslampje laag brandstofniveau

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 21

Controlelampje voorgloeien (alleen dieselmotor)

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 22

Waarschuwingslampje brandstofffilter (alleen dieselmotor)

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 23

Controlelampje CRUISE*

KIA Soul (2008) - CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL - 24

Controlelampje CRUISE SET*

* : indien van toepassing

Uw auto in één oogopslag

2

Overzicht interieur / 2-2

Overzicht dashboard / 2-3

Motorruimte / 2-4

INTERIEUR,OVERZICHT

KIA Soul (2008) - INTERIEUR,OVERZICHT - 1

  1. Airbag bestuurder * 3-45
  2. Schakelaar verlichting/ richtingaanwijzers....4-51
  3. Instrumentenpaneel 4-32
  4. Schakelaar ruitenwissers en -sproeiers 4-56
  5. Cruise control-schakelaars*......5-27
  6. Geavanceerde verlichting luidspreker* 4-82
  7. Knop uitstoomopening 4-65
  8. Multifunctioneel vak * 4-74
  9. Schakelaar alarmknipperlichten....4-50/6-2
  10. Audioafstandsbediening * .....4-81
  11. Verwarmings - en ventilatiesysteem* 4-62
  12. Selectiehendel * 5-11/5-8
  13. Stoelverwarming * 3-7
  14. Airbag voorpassagier * 3-45
  15. Dashboardkastje 4-73
  16. Parkeerrem....5-18
  17. Remsysteem 5-17
  18. Gaspedaal....5-6
    * : Indien van toepassing

MOTORRUIMTE

KIA Soul (2008) - MOTORRUIMTE - 1

* De uiteindelijke motorruimte kan afwijken van de afbeelding.

OAM019004

Stoclen / 3-2Veiligheidsgordels / 3-13Kinderzitjes / 3-28Aanyullend veiligheidsysteem / 3-39
Veiligheidsysteem van uw auto3

Veiligheidsysteem van uw auto

STOELEN
KIA Soul (2008) - MOTORRUIMTE - 2

(1) Voorwaartse/achterwaartse richting
(2) Rugleuningverstelling
(3) Zittinghoogte (bestuurdersstoel)*
(4) Stoelverwarming*
(5) Hoofdsteun
(6) Armsteun (bestuurdersstoel)*

Achterstoelen

(7) Hendel neerklappen rugleuning ^

(8) Hoofdsteun*

* indien van toepassing

WAARSCHUWING -

Losliggende voorwerpen

Losliggende voorwerpen in de voetenruimte van de bestuurder kunnen de werking van de pedalen nadelig beïnvloeden en mogelijk een ongeval veroorzaken. Plaats niets onder de voorstoelen.

WAARSCHUWING -

Opklappen van de rugleuning

Zorg ervoor, indien u de rugleuning weer rechtop zet, dat u deze vasthoudt en rustig omhoog klapt. Als u de rugleuning niet vasthoudt tijdens het omhoog klappen, kan de rugleuning terugschieten waardoor u letsel kunt oplopen.

WAARSCHUWING -

Verantwoordelijkheid van

de bestuurder voorpassagier Rijden met de rugleuning van een stoel neergeklapt, kan bij een aanrijding leiden tot ernstig letsel. Als de rugleuning neergeklapt is, kan de persoon op de desbetreffende stoel bij een aanrijding onder de gordel doorglijden, waardoor de onderbuik zwaar belast kan worden. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan. De bestuurder moet de passagier erop wijzen tijdens het rijden de rugleuning altijd zo rechtop mogelijk te houden.

⚠ WAARSCHUWING -

Bestuurdersstoel

  • Probeer de stoel nooit tijdens het rijden te verstellen. Hierdoor kunt u de controle verliezen waardoor een ongeluk met ernstig letsel of schade het gevolg kan zijn.
  • Zorg ervoor dat de rugleuning altijd in de normale positie kan staan. Als de rugleuning vanwege hinderlijk geplaatste voorwerpen of andere oorzaken niet goed vergrendeld kan worden, kan dit bij een noodstop of aanrijding ernstig letsel tot gevolg hebben.
  • Zet voor het wegrijden de rugleuning altijd rechtop en plaats de heupgordel strak en zo laag mogelijk over de heupen. In deze positie bent u in geval van een aanrijding het beste beschermd.
  • Ga zo ver van het stuurwiel af zitten als mogelijk is zonder dat dit ten koste gaat van het bedieningscomfort om onnodig en wellicht ernstig letsel door de airbag te voorkomen. Geadviseerd wordt een minimale afstand van 250 mm tussen uw bovenlichaam en het stuurwiel.
  • De rugleuning achter moet goed vergrendeld zijn. Als dat niet het geval is, kunnen passagiers en objecten in geval van afremmen of een aanrijding plotseling naar voren schieten, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.
  • Bagage en andere lading moet plat in de bagagerulmte worden gelegd. Als de objecten groot of zwaar zijn, of moeten worden gestapeld, moeten ze worden vastgezet. Objecten in de bagagerulmte mogen nooit hoger worden gestapeld dan de rugleuning. Het niet opvolgen van deze waarschuwingen kan leiden tot ernstig letsel in geval van afremmen of een aanrijding.
  • In de bagageruimte mogen geen passagiers vervoerd worden en tijdens het rijden mogen er geen passagiers zitten of liggen op een neergeklapte rugleuning. Alle passagiers moeten zitten en de aanwezige veiligheidsgordels dragen.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Controleer na het terugklappen van de rugleuning of deze goed vergrendeld is door te proberen hem naar voren en naar achteren te bewegen.
  • Voorkom de kans brandwonden en verwijder daarom de vloerbedekking in de bagageruimte niet. De emissieregelsystemen onder de vloer brengen hoge uitlaattemperaturen met zich mee.

WAARSCHUWING

Controleer na het afstellen van de stoel altijd of deze goed is vergrendeld, door te proberen deze naar voren of achteren te schuiven zonder de ontgrendelhendel te gebruiken. Als de bestuurdersstoel plotseling in beweging komt, kunt u de controle over de auto verliezen.

op

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

Afstellen van voorstoel

C010101ASA

Voorwaartse/achterwaartse richting

Verstel de stoel als volgt naar voren of naar achteren:

  1. Houd de hendel voor de langsverstelling aan de voorzijde van de stoel omhooggetrokken.
  2. Schuif de stoel in de gewenste positie.
  3. Laat de hendel los en controleer of de stoel vergrendeld is.

Stel de stoel af voordat u gaat rijden en controleer of de stoel goed vergrendeld is door te proberen deze handmatig naar voren of achteren te schuiven. Als de stoel beweegt, dan is hij niet goed vergrendeld.

KIA Soul (2008) - Afstellen van voorstoel - 1

Stel de rugleuning als volgt af:

  1. Leun iets naar voren en trek de hendel van de rugleuning aan de zijkant van de stoel naar boven.
  2. Leun vervolgens voorzio achterover en verstel de rugleuning in de gewenste positie.
  3. Laat de hendel los en zorg ervoor dat de rugleuning vergrendeld is. (De hendel MOET zijn oorspronkelijke positie weer innemen om de rugleuning te vergrendelen.)

KIA Soul (2008) - Afstellen van voorstoel - 2

Afstellen van de zittinghoogte (bestuurdersstoel)

Duw de hendel aan de zijkant van de zitting omhoog of omlaag om de hoogte van de zitting te veranderen.

ig Duw de hendel een aantal maal omlaag om de zitting lager af te stellen.
- Trek de hendel een aantal maa omhoog om de zitting hoger af te stellen.

KIA Soul (2008) - Afstellen van voorstoel - 3

De stoelen van de bestuurder en voorpassagier zijn voor extra veiligheid en comfort voorzien van een hoofdsteun. De hoofdsteun biedt niet alleen comfort, maar helpt tevens bij de bescherming van hoofd en nek van de inzittenden bij een aanrijding.

WAARSCHUWING

  • Voor een optimale bescherming in geval van een aanrijding moet de hoofdsteun zo afgesteld zijn dat het midden van de hoofdsteun zich op dezelfde hoogte bevindt als het zwaartepunt van het hoofd van de inzittende. Over het algemeen bevindt het zwaartepunt van het hoofd zich op dezelfde hoogte als de bovenzijde van de ogen.
    Zorg dat de hoofdsteun zich zo dicht mogelijk bij uw hoofd bevindt. Gebruik daarom geen kussen waardoor het lichaam verder van de rugleuning af komt.
    Gebruik de auto niet als de hoofdsteunen zijn verwijderd. In geval van een aanrijding kan dan ernstig letsel ontstaan. Een goed afgestelde hoofdsteun biedt optimale bescherming tegen nekletsel.
  • Verstel de hoofdsteun van de bestuurder niet als de auto rijdt.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

Verstellen in voorwaartse/achterwaartse richting (indien van toepassing)

De hoofdsteun kan in drie standen naar voren worden gedrukt. Druk de hoofdsteun vanuit de voorste positie nogmaals naar voren om de hoofdsteun naar achteren te plaatsen. Zorg ervoor dat de hoofdsteun hoofd en nek goed ondersteunt.

1 3 2 DAM039006

Afstellen van de hoogte

Hoger: trek de hoofdsteun omhoog om hem in de gewenste positie (1) te zetten. Lager: druk de ontgrendelknop (2) in en laat de hoofdsteun in de gewenste positie (3) zakken.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 3

Trek de hoofdsteun zo ver mogelijk omhoog en druk vervolgens de ontgrendelknop (1) in om de hoofdsteun te verwijderen (2). Stop, om de hoofdsteun terug te plaatsen, de pennen van de hoofdsteun (3) in de gaten terwijl u de ontgrendelknop (1) indrukt. Stel de hoofdsteun vervolgens af op de gewenste hoogte.

WAARSCHUWING

Zorg dat de hoofdsteun wordt vergrendeld nadat deze is versteld, zodat de inzittenden optimaal beschermd zijn.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

HNF2041-1 OAN
Actieve hoofdsteun

(indien van toepassing)

De actieve hoofdsteun is ontworpen om naar voren en boven te bewegen bij een aanrijding van achteren. Dit voorkomt dat het hoofd van de bestuurder of voorpassagier naar achteren beweegt waardoor nekletsel kan ontstaan.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 2

(indien van toepassing)

Met de stoelverwarming kunnen de voorstoelen bij lage buitentemperaturen verwarmd worden. De stoelverwarming kan worden ingeschakeld door op de schakelaar te drukken voor de bestuurdersstoel en/of de stoel van de voorpassagier als het contact in stand ON staat.

Laat de schakelaars in stand UIT staan als de stoelverwarming niet gebruikt hoeft te worden.

*AANWIJZING

Als de schakelaars voor de stoelverwarming in stand AAN staan, schakelt de stoelverwarming automatisch aan of uit, afhankelijk van de temperatuur van de stoel.

OPMERKING

  • Gebruik voor het reinigen van de stoelen geen organisch oplosmiddel, zoals thinner, alcohol of wasbenzine. Hierdoor kan de stoelverwarming en de stoel zelf beschadigd worden.
  • Plaats geen dekens, kussens of stoelhoezen over de stoel als de stoelverwarming is ingeschakeld.
  • Dit kan leiden tot oververhitting.
  • Plaats geen zware of scherpe voorwerpen op stoelen die zijn voorzien van stoelverwarming. Hierdoor kunnen de onderdelen van de stoelverwarming beschadigd raken.

WAARSCHUWING - Verbranding door de stoelverwarming

Wees erg voorzichtig bij het gebruik van de stoelverwarming vanwege het gevaar voor oververhitting, waardoor brand kan ontstaan. Vooral de volgende categorieën personen dienen erg voorzichtig te zijn:

  1. Kinderen, ouderen, gehandicapten en ziekenhuispatiënten
  2. Personen met een gevoelige huid
  3. Vermoeide personen
  4. Dronken personen
  5. Personen die onder invloed zijn van medicijnen die het reactievermogen verminderen of slaap opwekken

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - Verbranding door de stoelverwarming - 1

Armsteun (bestuurdersstoel, indien van toepassing)

Draai de armsteun helemaal omlaag om hem te gebruiken.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - Verbranding door de stoelverwarming - 2

Opbergvak in rugleuning (indien van toepassing)

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - Verbranding door de stoelverwarming - 3

WAARSCHUWING - Opbergvakken rugleu

Plaats geen zware of scherpe voorwerpen in de opbergvakken. Bij een ongeval kunnen ze uit de opbergvakken geslingerd worden en inzittenden verwonden.

Afstellen van de achterbank

C010307BUN-C1

Opklappen van de achterbank

De rugleuning achter kan worden opgeklapt om het vervoer van langere voorwerpen mogelijk te maken of de bagageruimte te vergroten.

KIA Soul (2008) - Afstellen van de achterbank - 1

WAARSCHUWING

Het doel van de opklapbare rugleuning is het vervoer van langere voorwerpen mogelijk te maken waarvoor anders geen ruimte is.

Laat nooit lemand op een neergeklapte rugleuning zitten als de auto rijdt omdat dat geen veilige positie is en omdat dan de veiligheidsgordels niet gebruikt kunnen worden. Hierdoor kan bij een aanrijding of een noodstop ernstig letsel ontstaan. Voorwerpen die op de neergeklapte rugleuning vervoerd worden mogen niet boven de bovenzijde van de voorstoelen uitsteken. Als dat wel het geval is kan de lading bij een noodstop naar voren schuiven en letsel of schade veroorzaken.

Neerklappen van de rugleuning achter:

  1. Steek de gesp van de veiligheidsgordel achter in de opening tussen de rugleuning en de zitting en plaats de gordel in de geleider om beschadiging te voorkomen.
  2. Zet de rugleuning zoveel mogelijk rechtop en schuif indien nodig de voorste stoel naar voren.
  3. Zet de hoofdsteunen achter in de laagste positie.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

4.Trek aan de hendel in de rugleuning naar buiten en klap de stoel naar voren. Controleer na het rechtop zetten van de rugleuning altijd of de rugleuning goed vergrendeld is door tegen de bovenzijde van de rugleuning te drukken.

  1. Trek om de achterbank weer in zijn oorspronkelijke positie te zetten aan de hendel van de rugleuningverstelling totdat hij vastklikt. Zorg ervoor dat de rugleuning vergrendeld is.
  2. Plaats de veiligheidsgordel weer in de juiste positie.

WAARSCHUWING

Bij het terugzetten van de achterbank in zijn oorspronkelijke positie nadat de bank is neergeklapt:

Let erop dat het materiaal van de gordel of de gesp niet beschadigd worden. Zorg ervoor dat de gordel of gesp niet klem komen te zitten. Controleer of de rugleuning goed vergrendeld is door tegen de bovenzijde van de rugleuning te drukken. Anders kan bij een aanrijding of noodstop de rugleuning naar voren klappen, waardoor de bagage in het passagierscompartiment terecht kan komen en de inzittenden ernstig letsel zouden kunnen oplopen.

OPMERKING - Voorkom beschadiging van de veiligheidsgordels achter

Plaats de gordelsluiting in de uitsparing tussen de zitting en de rugleuning wanneer u de rugleuning voorover klapt of wanneer u bagage op de achterbank plaatst. Hierdoor wordt voorkomen dat de gordelsluiting beschadigd raakt.

OPMERKING - Veiligheidsgordels achter

Vergeet niet bij het omhoog klappen van de rugleuning de schoudergordels in de juiste positie te plaatsen. Door de veiligheidsgordel door de geleider te leiden wordt voorkomen dat ze achter of onder de achterbank bekneld raken.

Bagage moet altijd worden vastgezet om te voorkomen dat het bij een aanrijding door de auto wordt geslingerd, waardoor de inzittenden letsel kunnen oplopen. Wees extra voorzichtig met het plaatsen van voorwerpen op de achterstoelen, omdat ze inzittenden voorin kunnen raken bij een frontale aanrijding.

Zet de motor uit, zet de transmissie in stand P (parkeren) en bedien de parkeerrem alvorens bagage in of uit te laden. Het niet opvolgen van deze stappen kan ertoe leiden dat de auto zich onbedoeld in beweging zet als de selectiehendel per ongeluk in een andere stand gezet wordt.

KIA Soul (2008) - OPMERKING - Veiligheidsgordels achter - 1

De zitplaatsen achterin zijn voor extra veiligheid en comfort van de inzittenden voorzien van hoofdsteunen.

De hoofdsteun biedt niet alleen comfort, maar helpt tevens bij de bescherming van hoofd en nek van de inzittenden bij een aanrijding.

WAARSCHUWING

- Voor een optimale bescherming in geval van een aanrijding moet de hoofdsteun zo afgesteld zijn dat het midden van de hoofdsteun zich op dezelfde hoogte bevindt als het zwaartepunt van het hoofd van de inzittende. Over het algemeen bevindt het zwaartepunt van het hoofd zich op dezelfde hoogte als de bovenzijde van de ogen. Zorg dat de hoofdsteun zich zo dicht mogelijk bij uw hoofd bevindt. Gebruik daarom geen kussen waardoor het lichaam verder van de rugleuning af komt. - Gebruik de auto niet als de hoofdsteunen zijn verwijderd omdat dan in geval van een aanrijding ernstig letsel kan ontstaan. Een goed afgestelde hoofdsteun biedt een zo optimaal mogelijke bescherming tegen ernstig nekletsel.

1 3 2 OUN026043

Afstellen van de hoogte Hoger: trek de hoofdsteun omhoog om hem in de hoogste positie (1) te zetten. Lager: druk de ontgrendelknop (2) in en zet de hoofdsteun in de laagste positie (3).

NO28044 1 2 3

Verwijderen

Trek de hoofdsteun zo ver mogelijk omhoog en druk vervolgens de ontgrendelknop (1) in om de hoofdsteun te verwijderen (2). Stop, om de hoofdsteun terug te plaatsen, de pennen van de hoofdsteun (3) in de gaten terwijl u de ontgrendelknop (1) indukt. Stel de hoofdsteun vervolgens af op de gewenste hoogle.

WAARSCHUWING

Zorg dat de hoofdsteun wordt vergrendeld nadat deze is versteld, zodat de inzittenden optimaal beschermd zijn.

VEILIGHEIDSGORDELS

C020100AUN

Veiligheidsgordels

WAARSCHUWING

  • Voor een optimale bescherming moeten de veiligheidsgordels tijdens het rijden altijd gedragen worden.
  • De veiligheidsgordels zijn het meest effectief als de rugleuningen rechtop staan.
  • Kinderen tot en met 12 jaar moeten altijd plaatsnemen op de achterbank en de gordel op de juiste manier dragen. Laat kinderen nooit op de passagiersstoel meerijden. Als een kind van 13 jaar of ouder op de voorpassagiersstoel vervoerd moet worden, moet hij of zij de veiligheidsgordel op de juiste manier dragen en moet de stoel zover mogelijk naar achteren worden gezet.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Draag nooit de schoudergordel onder de arm door of achter uw rug. Het niet op de juiste manier gebruiken van de schoudergordel kan bij een aanrijding resulteren in ernstig letsel. De schoudergordel moet over het midden van uw schouder worden gedragen, over uw sleutelbeen.
    Zorg ervoor dat veiligheidsgordels niet gedraaid zitten. Als de gordel gedraaid is, werkt hij minder effectief. Bij een aanrijding kan een gedraaide veiligheidsgordel zelfs snijwonden veroorzaken. Zorg er daarom voor dat de gordel niet verdraaid zit.
  • Let erop dat het materiaal van de gordel niet beschadigd wordt. Laat een beschadigde veiligheidsgordel vervangen.

de

WAARSCHUWING

Veiligheidsgordels zijn ontworpen om aan te liggen tegen de botstructuur in het lichaam en moeten daarom zo laag mogelijk over het bekken of het bekken, de borst en de schouder, afhankelijk van het type gordel, gedragen worden; het dragen van het heupgedeelte over de onderbuik moet voorkomen worden.

De veiligheidsgordel moet zo strak mogelijk tegen het lichaam aan gedragen worden, voor zover het comfort het toelaat, om een maximale bescherming te kunnen bieden.

Een loshangende veiligheidsgordel biedt veel minder bescherming.

(Vervolg)

(Vervolg)

Voorkomen moet worden dat de gordel in aanraking komt met polijstmiddelen, olie en chemicaliën, in het bijzonder accuzuur. De veiligheidsgordels kunnen op een veilige manier gereinigd worden met een milde zeepoplossing. De

veiligheidsgordel moet worden vervangen als hij gerafeld, verontreinigd of beschadigd is. De veiligheidsgordel moet ook worden vervangen als hij gedragen is tijdens een zware aanrijding, ook al is de gordel niet zichtbaar beschadigd. Bij het dragen mag de gordel niet gedraaid zitten. Elke veiligheidsgordel mag maar door een persoon gedragen worden; het is gevaarlijk een kind op schoot te vervoeren met de gordel om beide personen heen.

WAARSCHUWING

Er mogen geen wijzigingen aan de gordel worden aangebracht of hulpmiddelen worden gebruikt die voorkomen dat het gordelmechanisme de gordel strak tegen het lichaam aan kan trekken of die het verstellen van de gordel onmogelijk maken.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1
1GQA2083

C020101AAM

Waarschuwingssysteem voor de veiligheidsgordels

Type A

Als herinnering voor bestuurder licht telkens als het contact in stand ON wordt gezet het waarschuwingslampje van de veiligheidsgordels gedurende 6 seconden op, ongeacht of de gordels zijn vastgemaakt.

Wanneer de veiligheidsgordel van de bestuurder niet vastgemaakt is nadat het contact in stand ON is gezet, zal het waarschuwingslampje nogmaals gedurende 6 seconden gaan knipperen.

Wanneer de veiligheidsgordel van de bestuurder niet vastgemaakt is, zal gedurende ongeveer 6 seconden een waarschuwingszoemer klinken zodra het contact in stand ON wordt gezet. Dit gebeurt ook als de veiligheidsgordel weer losgemaakt wordt als het contact in stand ON staat. In dat geval stopt de zoemer onmiddellijk als de veiligheidsgordel is vastgemaakt. (indien van toepassing)

2 1 Type A 2 Type B 4 4 4 2 4 CAM038-49

Type B

Voor

Als herinnering voor bestuurder en voorpassagier brandt telkens als het contact in stand ON wordt gezet het waarschuwingslampje van de veiligheidsgordels gedurende 6 seconden, ongeacht of de gordels zijn vastgemaakt.

Wanneer de veiligheidsgordel van de bestuurder of voorpassagier niet vastgemaakt is als het contact in stand ON wordt gezet, zal het waarschuwingslampje gaan branden. Dit gebeurt ook als de veiligheidsgordel weer losgemaakt wordt als het contact in stand ON staat.

Als u de veiligheidsgordel nog steeds niet draagt en de rijsnelheid hoger wordt dan 9 km/h, zal het brandende waarschuwingslampje gaan knipperen totdat de rijsnelheid lager wordt dan 6 km/h.

Als u door blijft rijden zonder dat u de veiligheidsgordel draagt en sneller gaat rijden dan 20 km/h, zal de waarschuwingszoemer gedurende ongeveer 100 seconden klinken en zal het desbetreffende waarschuwingslampje gaan knipperen.

*AANWIJZING

  • Het waarschuwingslampje voor de gordel voor de voorpassagler bevindt zich in de middenconsole.
  • Ook als er geen passagier op de stoel zit, zal het waarschuwingslampje gedurende 6 seconden knipperen of branden.
  • De waarschuwing voor de gordel van de voorpassagier kan in werking treden als bagage op de voorpassagiersstoel wordt geplaatst.

Veiligheidsysteem van uw auto

KIA Soul (2008) - Veiligheidsysteem van uw auto - 1

Achter (indien van toepassing)

Als het contact in stand ON wordt gezet (motor loopt niet) als de driepuntsgordel van de achterpassagier niet is vastgemaakt, gaat het desbetreffende waarschuwigslampje branden tot de gordel is vastgemaakt.

Vervolgens gaat het desbetreffende waarschuwingslampje gedurende ongeveer 35 seconden branden als een van de volgende situaties zich voordoet;

- u start de motor maar de veiligheidsgordel achter is niet vastgemaakt.

  • u rijdt harder dan 9km/h en de veiligheidsgordel achter is niet vastgemaakt.
  • de veiligheidsgordel achter wordt losgemaakt terwijl u langzamer dan 20 km/h rijdt.

Als de veiligheidsgordel achter wordt vastgemaakt, zal het waarschuwingslampje onmiddellijk doven.

Als de veiligheidsgordel achter wordt losgenomen bij een snelheid die hoger is dan 20km/h, zal gedurende 35 seconden het bijbehorende waarschuwingslampje gaan knipperen en de waarschuwingszoemer klinken.

Maar als de veiligheidsgordel tweemaal losgenomen wordt binnen 9 seconden nadat de gordel is omgedaan, zal het waarschuwingslampje voor de veiligheidsgordel niet werken.

1 2 B180A01NF-1

C020102BUN-C1

Driepuntsgordel

Vastmaken van uw gordel:

Trek de gordel uit de blokkeerautomaat en plaats de metalen gesp (1) in de gordelsluiting (2). Wanneer de gesp in de gordelsluiting vergrendelt, is een klik hoorbaar.

De veiligheidsgordel kan zich alleen automatisch tot de juiste lengte oprollen als u eerst handmatig het heupgedeelte van de gordel strak over uw heupen trekt. Als u zich langzaam voorover beweegt, rolt de gordel af en heeft u een maximale bewegingsruimte. Bij een noodstop of een aanrijding echter zal de gordel geblokkeerd worden. Daarnaast zal de gordel blokkeren wanneer u te snel naar voren buigt.

*AANWIJZING

Als het u niet lukt om de veiligheidsgordel uit de blokkeerautomaat te trekken, trek dan krachtig aan de gordel en laat deze vervolgens los. U kunt dan de gordel gemakkelijk uittrekken.

Voorsteel 1 2 3 OLN026100

U kunt de hoogte van het bovenste bevestigingspunt in vier standen afstellen voor maximaal comfort en een maximale veiligheid.

De gordel biedt geen optimale bescherming als de veiligheidsgordel te dicht langs de nek loopt. Het schoudergedeelte van de gordel moet zodanig zijn aangepast dat het over de borst en het midden van de schouder loopt, en nooit over de nek.

Verhoog of verlaag het bovenste bevestigingspunt van de veiligheidsgordel tot de juiste hoogte.

Veiligheidsysteem van uw auto

Trek het bovenste bevestigingspunt (1) omhoog om het hoger af te stellen. Druk het bovenste bevestigingspunt omlaag (3) en houd daarbij de knop (2) ingedrukt om het bovenste bevestigingspunt lager af te stellen.

Laat de knop los om het bovenste bevestigingspunt in de ingestelde positie te blokkeren. Probeer het bovenste bevestigingspunt omhoog of omlaag te schuiven om te controleren of het geblokkeerd is.

WAARSCHUWING

Controleer of het bovenste bevestigingspunt op de juiste hoogte geblokkeerd is. Laat het schoudergedeelte van de gordel nooit langs uw nek of over u gezicht lopen. Een onjuist gedragen veiligheidsgordel kan bij een aanrijding leiden tot ernstig letsel.

- Als u de veiligheidsgordels na een aanrijding niet laat vervangen, kan het gebeuren dat ze u bij een eventuele volgende aanrijding niet goed beschermen, waardoor ernstig letsel kan ontstaan. Laat de veiligheidsgordels van uw auto na een aanrijding zo snel mogelijk vervangen.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

U moet het heupgedeelte van de veiligheidsgordel zo laag mogelijk over uw heupen dragen en niet over uw middel. Als u de gordel te hoog over uw middel draagt, neernt de kans op letsel bij een aanrijding toe. Draag de gordel niet onder of over uw beide armen. De gordel moet over de ene arm en onder de andere arm door lopen, zoals aangegeven in de afbeelding. Draag nooit de schoudergordel onder de arm door die zich het dichtst bij het portier bevindt.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 2

Gebruik voor het bevestigen van de middelste veiligheidsgordel achter de gordelsluiting met de aanduiding CENTER. (indien van toepassing)

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 3

Losmaken van de gordel:

De gordel kan worden losgemaakt door op de ontgrendelknop (1) van de gordelsluiting te drukken. Als de gordel losgemaakt is, moet hij automatisch oprollen.

Controleer als dat niet gebeurt of de gordel niet gedraaid is en probeer het opnieuw.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 4

Opbergen van veiligheidsgordels achter

Als de veiligheidsgordels achterin niet gebruikt worden, kunnen de gordelsluitingen in het opbergvak tussen rugleuning in zitting worden geschoven.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 5

Door de veiligheidsgordel door de geleider te leiden wordt voorkomen dat ze achter of onder de achterbank bekneld raken.

Trek, nadat de veiligheidsgordel is vastgemaakt, de band strak door hem richting de blokkeerautomaat te bewegen.

Veiligheidsysteem van uw auto

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 6

Heupgordel (indien van toepassing)

Vastmaken van uw gordel:

Steek de gesp van de tweepuntsheupgordel in de gordelsluiting. Wanneer de gesp in de gordelsluiting vergrendelt, is een klik hoorbaar. Controleer of de gordel goed geblokkeerd is en niet gedraaid zit.

Te hoog Correct Korter maken 20B01NF

Een tweepuntsheupgordel moet handmatig zo worden afgesteld dat hij strak aanligt over uw heupen. Zet de gordel vast en trek aan het losse uiteinde om de gordel strak te trekken. De gordel moet zo laag mogelijk over uw heupen lopen en niet over uw middel. Als de gordel te hoog gedragen wordt, neemt de kans op letsel bij een aanrijding toe.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 8

Gebruik voor het bevestigen van de middelste veiligheidsgordel achter de gordelsluiting met de aanduiding CENTER.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 9

Losmaken van de gordel: Druk op de knop (1) van de gordelsluiting om de gordel los te maken.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 10

De middelste veiligheidsgordel achter kan worden opgerold en ook in het opbergvak tussen rugleuning en zitten worden geschoven.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 11

C020200AUN-C1 Gordelspanner veiligheidsgordel (indien van toepassing)

WAARSCHUWING

De vergrendeling van de heupgordel is anders dan die van de beide driepuntsgordels. Let er daarom bij het vastmaken van de gordels op dat ze in de juiste gordelsluiting gestoken worden omdat alleen dan een maximale bescherming geboden kan worden.

De veiligheidsgordels van de bestuurder en voorpassagier zijn uitgerust met gordelspanners. Het doel van de gordelspanner is ervoor te zorgen dat de veiligheidsgordel strak tegen het lichaam van de inzittende ligt bij bepaalde frontale aanrijdingen. De gordelspanners worden samen met de airbags geactiveerd als de frontale aanrijding ernstig genoeg is.

Veiligheidsysteem van uw auto

Wanneer plotseling wordt afgeremd of wanneer de inzittende te snel voorover probeert te buigen, wordt de gordel door de blokkeerautomaat vergrendeld. Bij bepaalde frontale aanrijdingen zal de gordelspanner echter geactiveerd worden en zal deze de gordel strakker om het lichaam van de inzittende trekken.

Als de gordelspanner wordt geactiveerd en het systeem registreert dat de spankracht van één of beide veiligheidsgordels te groot wordt, zorgt een spankrachtbegrenzer ervoor dat de gordel iets wordt gevierd. (indien van toepassing)

8KMB3311

Het gordelspannersysteem bestaat hoofdzakelijk uit de volgende onderdelen. De plaats hiervan wordt in de afbeelding aangegeven:

  1. Waarschuwingslampje AIRBAG
  2. Blokkeerautomaat met gordelspanner
  3. Airbagmodule

WAARSCHUWING

Voor een optimale werking van de gordelspanner:

  1. De veiligheidsgordel moet goed werken en goed afgesteld zijn. Lees a.u.b. de informatie en de voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de veiligheidssystemen - inclusief veiligheidsgordels en airbags - in uw auto in deze handleiding zorgvuldig door en volg de aanwijzingen op.
  2. Zorg ervoor dat u en uw passagiers de veiligheidsgordels te allen tijde op de juiste manier dragen.

*AANWIJZING

- Zowel de gordelspanner voor de bestuurder als die voor de voorpassagler wordt bij bepaalde frontale aanrijdingen geactiveerd. De gordelspanners worden samen met de airbags geactiveerd als de frontale aanrijding ernstig genoeg is.

- Wanneer de gordelspann geactiveerd worden, kan een luide knal hoorbaar zijn en kan er fijn stof, dat doet denken aan rook, zichtbaar worden in het passagierscompartiment. Dat zijn normale verschijnselen en het stof is niet schadelijk.

- De fijne stof is normaal gesproken onschadelijk, maar kan bij personen met een gevoelige huid irritatie veroorzaken. Tevens dient langdurlig inademen van de stof vermeden te worden. Was de aan het stof blootgestelde huid zorgvuldig na een ongeval waarbij de gordelspanners zijn geactiveerd.

*AANWIJZING

Omdat de sensor die de airbag activeert in verbinding staat met de gordelspanner, zal het waarschuwingslampje airbag (2) in het dashboard gedurende ongeveer 6 seconden gaan branden nadat het contact in stand ON wordt gezet. Daarna zou het lampje uit moeten gaan.

! OPMERKING

Als de gordelspanner niet goed werkt, zal dit waarschuwingslampje gaan branden, ook al is er geen defect aan het airbagsysteem. Als het waarschuwingslampje airbag niet gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet, als het niet dooft nadat het gedurende ongeveer 6 seconden heeft gebrand, of als het gaat branden tijdens het rijden, laat dan het gordelspanner- en/of het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.

WAARSCHUWING

- Gordelspanners zijn ontworpen voor eenmalig gebruik. Nadat een gordelspanner is geactiveerd, moet deze worden vervangen. Alle veiligheidsgordels die tijdens een aanrijding zijn gebruikt, moeten compleet vervangen worden.

- Het mechanisme van ofordelspanners wordt tijdens het activeren heet. Raak de onderdelen van het gordelspannersysteem niet aan nadat ze geactiveerd zijn.

• Probeer nooit zelf gordelspanners te controleren of te vervangen. Laat dit over aan een officiële KIA-dealer.

- Sla niet op de onderdelen van het gordelspannersysteem.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Een onjuiste behandeling van de onderdelen van het gordelspannersysteem en het niet opvolgen van de waarschuwingen kunnen leiden tot een onvolledige werking of het onverhoeds activeren van de gordelspanner en tot ernstig letsel.
  • Draag te allen tijde de veiligheidsgordel wanneer u in een auto rijdt of meerijdt.
  • Als de auto of de gordelspanner moet worden afgevoerd, dient u contact op te nemen met een officiële KIA-dealer.

C020300AUN

Voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de veiligheidsgordels

WAARSCHUWING

Alle inzittenden moeten te allen tijde hun veiligheidsgordel dragen. Veiligheidsgordels en kinderzijtes beperken de kans op letsel in geval van een aanrijding of een noodstop. Als de veiligheidsgordel niet gedragen wordt, kunnen de inzittenden te dicht bij een zich vullende airbag komen, delen in het Interieur van de auto raken of uit de auto geslingerd worden. Julst gedragen veiligheidsgordels reduceren deze gevaren in aanzienlijke mate.

Volg altijd de voorzorgsmaatregelen met betrekking tot veiligheidsgordels, airbags en de veiligheid voor de inzittenden in dit instructieboekje zorgvuldig op.

C020306AUN

Baby's en kleine kinderen

Houd u bij het vervoer van baby's en kleine kinderen aan de wettelijke voorschriften. Baby- en kinderzitjes moeten op de juiste manier op de achterbank worden geplaatst en gemonteerd. Raadpleeg voor meer informatie over baby- en kinderzitjes "Kinderzitjes" in dit hoofdstuk.

WAARSCHUWING

Elke inzittende in uw auto moet gebruik maken van de juiste beschermende systemen, inclusief baby's en kleine kinderen. Houd nooit een kind op uw schoot of In uw armen in een rijdende auto. Door de grote krachten die bij een aanrijding optreden zal het kind uit uw armen en door het interieur geslingerd worden. Gebruik altijd een kinderzitje dat geschikt is voor de lengte en het gewicht van het kind dat er in vervoerd moet worden.

*AANWIJZING

Kleine kinderen zijn bij een aanrijding het best beschermd als ze goed vastgezet op de achterbank vervoerd worden in een wettelijk goedgekeurd kinderzitje. Controleer voor de aanschaf van een kinderzitje of het voorzien is van een label waarop staat dat het desbetreffende zitje wettelijk goedgekeurd is. Het kinderzitje moet geschikt zijn voor de lengte en het gewicht van het kind dat er in vervoerd moet worden. Ook deze informatie moet op het label van het kinderzitje vermeld staan. Raadpleeg "Kinderzitjes" in dit hoofdstuk.

C020301AUN

Grotere kinderen

Kinderen die te groot zijn voor een kinderzitje moeten plaatsnemen op de achterbank en gebruik maken van de aanwezige driepuntsgordels. Het heupgedeelte van de gordel moet zo strak en laag mogelijk gedragen worden. Controleer regelmatig of de gordel goed aanligt. Door de bewegingen van het kind kan de gordel niet meer in de juiste positie komen te liggen. Bij een aanrijding zitten kinderen het veiligst op de achterbank als ze op de juiste manier gebruik maken van de veiligheidsgordels. Als een groter kind (ouder dan 12) op de voorstoel vervoerd moet worden, moet het kind de driepuntsgordel op de juiste manier dragen en moet de stoel zo ver mogelijk naar achteren worden geplaatst. Kinderen tot en met 12 jaar moeten altijd plaatsnemen op de achterbank en de gordel op de juiste manier dragen. Vervoer NOOIT een kind jonger dan 12 jaar op de voorstoel. Gebruik NOOIT een kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar achteren gericht op de voorstoel zit.

Probeer het kind verder naar het midden plaats te laten nemen wanneer het schoudergedeelte over de hals of het gezicht van het kind loopt. Maak gebruik van een kinderzitje wanneer de schoudergordel hun gezicht of hals nog steeds raakt.

KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 1

WAARSCHUWING - Schoudergordels en kleine kinderen

  • Laat een schoudergordel nooit het gezicht of de hals van een kind raken tijdens het rijden.
  • Als de veiligheidsgordels niet op de juiste manier worden gedragen en afgesteld zijn, kan een kind ernstig letsel oplopen.

Veiligheidsysteem van uw auto

C020302AUN

Zwangere vrouwen

Ook zwangere vrouwen wordt geadviseerd de veiligheidsgordel te dragen om de kans op letsel bij een aanrijding te beperken. Draag het heupgedeelte van de gordel zo laag en strak mogelijk over de heupen, niet over het middel. Neem voor meer informatie contact op met een arts.

C020303AUN

Gehandicapten

Ook gehandicapten die in de auto vervoerd worden, moeten gebruik maken van de veiligheidsgordel. Neem indien nodig voor meer informatie contact op met een arts.

C020304AUN

Een persoon per veiligheidsgordel

Een enkele gordel mag nooit gedragen worden door twee personen (ook niet door een volwassene en een kind). Als dat wel gedaan wordt, kan dat bij een aanrijding resulteren in ernstig letsel.

C020305AUN-C1

Zet de rugleuning niet horizontaal

Om de kans op letsel bij een aanrijding te beperken en de veiligheidsgordels zo effectief mogelijk te gebruiken, moeten alle inzittenden rechtop zitten en moeten de rugleuningen tijdens het rijden zo rechtop mogelijk staan. Als een inzittende op de achterbank ligt of als de rugleuningen te ver horizontaal staan, kan de gordel onvoldoende bescherming bieden.

WAARSCHUWING

Als de rugleuning te ver horizontaal staat, neemt de kans op letsel bij een aanrijding of een noodstop aanzienlijk toe. De bescherming die de veiligheidssystemen (veiligheidsgordels en airbags) bieden, neemt aanzienlijk af als de rugleuning te ver horizontaal staat. De veiligheidsgordel moet strak over uw heupen en borst lopen voor een maximale effectiviteit. Hoe verder de rugleuning naar achteren staat, hoe groter de kans is dat de inzittende bij een aanrijding onder het heupgedeelte van de gordel door schiet of dat de nek in aanraking komt met het schoudergedeelte van de gordel. Bestuurder en passagiers moeten altijd goed in hun stoel zitten, de gordel op de juiste manier dragen en de rugleuning zo ver mogelijk rechtop zetten.

C020400AUN-EN

Verzorging van de veiligheidsgordels

Veiligheidsgordels mogen niet gedemonteerd of gemodificeerd worden. Verder moet er op worden gelet dat de gordels en de onderdelen daarvan niet beschadigd worden door de scharnieren van de stoelen, de portieren of anderszins.

WAARSCHUWING

Beschadig de veiligheidsgordel en de gesp niet als u de neergeklapte rugleuning van de achterbank weer in zijn oorspronkelijke positie zet. Zorg ervoor dat de gordel of gesp niet klem komen te zitten tussen de achterbank. Een beschadigde gordel of gesp is minder sterk en kan bij een aanrijding of noodstop dienst weigeren, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.

Laat een veiligheidsgordel onmiddellijk vervangen als het materiaal van de gordel of de gesp is beschadigd.

C020401AEN

Periodieke controle

Alle veiligheidsgordels dienen regelmatig op slijtage of beschadigingen gecontroleerd te worden. Beschadigde onderdelen dienen zo spoedig mogelijk vervangen te worden.

C020402AUN

Houd de gordels schoon en droog

De veiligheidsgordels moeten schoon en droog gehouden worden. Als ze vuil geworden zijn, kunnen ze worden gereinigd met een milde zeepoplossing en warm water. Bleekmiddelen, kleurstoffen, sterke oplosmiddelen of reinigingsmiddelen met schurende bestanddelen mogen niet worden gebruikt omdat ze het gordelmateriaal kunnen beschadigen of verzwakken.

C020403ASA

Wanneer moeten de

veiligheidsgordels vervangen worden De veiligheidsgordels moeten in hun geheel worden vervangen als de auto bij een aanrijding betrokken is. Dat is ook het geval als de veiligheidsgordels niet zichtbaar beschadigd zijn. Neem voor meer informatie over de werking van de veiligheidsgordels contact op met een officiële KIA-dealer.

KINDERZITJES

C030000CUN

Om de kans op letsel bij een ongeval, hard remmen of plotselinge manoeuvre te minimaliseren, kunnen kinderen het beste op de achterbank zitten en dienen ze altijd goed beschermd te zijn. Volgens ongevallenstatistieken zijn kinderen veiliger in een kinderzitje op de achterbank dan in een kinderzitje op de voorstoel. Grotere kinderen die niet in een kinderzitje zitten, dienen een van de in de auto aanwezige veiligheidsgordels te gebruiken.

Houd u bij het vervoer van baby's en kleine kinderen aan de wettelijke voorschriften. Baby- en kinderzitjes moeten op de juiste manier op de achterbank worden geplaatst en gemonteerd. Let er bij de aanschaf van een baby- of kinderzitje op of het desbetreffende zitje wettelijk goedgekeurd is.

Kinderzitjes zijn zodanig ontworpen dat ze met de heupgordel, het heupgedeelte van een driepuntsgordel of de bevestigingspunten en/of de ISOFIX-bevestigingen (indien van toepassing) aan de zitplaats bevestigd kunnen worden.

Zonder adequate bescherming kunnen kinderen ernstig letsel oplopen bij een ongeval. Kleine kinderen en baby's moeten in een kinderzitje geplaatst worden. Voordat u een bepaald kinderzitje koopt, moet u eerst controlleren of het in uw auto past en of het de juiste maat heeft voor uw kind. Volg bij het plaatsen van het kinderzitje altijd de gebruiksaanwijzing van de fabrikant.

KIA Soul (2008) - KINDERZITJES - 1

WAARSCHUWING

- Een kinderzitje dient op de achterbank geplaatst te worden. Plaats een kinderzitje nooit op de passaglersstoel. Mocht er zich een ongeval voordoen waarbij de airbag voorpassagier opgeblazen wordt, dan kan de airbag een kind in een kinderzitje ernstig letsel toebrengen. Gebruik een kinderzitje daarom alleen op de achterbank van uw auto.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Aangezien een veiligheidsgordel of kinderzitje zeer warm kunnen worden in een gesloten voertulg dat in de zon heeft gestaan, dient u altijd de bekleding en gordelsluitingen te controleren voordat u uw kind in de auto zet, ook al is de buitentemperatuur niet hoog. Controleer de bekleding van het zitje en de gordelsluitingen voordat u het kind in het zitje zet.
  • Plaats het baby-/kinderzitje in de bagageruimte of maak het vast met een veiligheidsgordel als het niet gebruikt wordt, zodat het niet naar voren geworpen wordt bij hard remmen of een ongeval.
  • Kinderen kunnen ernstig letsel oplopen als een airbag geactiveerd wordt. Kinderen moeten altijd, ook als ze te groot zijn voor een kinderzitje, vervoerd worden op de achterbank.

WAARSCHUWING

Om de kans op ernstig letsel te beperken:

  • Kinderen van elke leeftijd zijn veiliger als ze op de achterbank vervoerd worden. Een kind dat op de voorpassagiersstoel vervoerd wordt, kan ernstig letsel oplopen door een airbag die wordt geactiveerd.
  • Volg altijd de montage-instructies en de aanwijzingen voor het gebruik van de fabrikant van het kinderzitje.
  • Controleer altijd of het kinderzitje goed in uw auto gemonteerd is en of uw kind goed vastzit in het kinderzitje.
  • Houd nooit een kind op uw schoot of in uw armen in een rijdende auto. Door de grote krachten die bij een aanrijding optreden zal het kind uit uw armen en door het interieur geslingerd worden.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Gebruik nooit één gordel voor uzelf en een kind. Bij een aanrijding kan een kind ernstig inwendig letsel oplopen omdat het kind zich tussen u en de gordel bevindt.
  • Laat een kind nooit zonder toezicht achter in de auto - ook niet voor even. De temperatuur in de auto kan heel snel hoog oplopen, waardoor kinderen in de auto door de hitte bevangen kunnen worden. Ook zeer jonge kinderen kunnen per ongeluk de auto in beweging zetten, bekneld raken tussen de portierruiten of zichzelf of anderen insluiten in de auto.
  • Laat nooit twee kinderen, of twee willekeurige andere personen, gebruik maken van een en dezelfde veiligheidsgordel.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Kinderen zitten zelden stil en op de juiste manier in een zitje. Let er op dat de schoudergordel bij het kind nooit onder de arm door of achter de rug loopt. Zet een kind altijd in de juiste positie op de achterbank en zet het kind goed vast.
  • Laat een kind tijdens het rijden nooit knielen of staan op de zitting van een stoel of op de vloer. Bij een aanrijding of een noodstop kan het kind met grote kracht door het interieur van de auto geslingerd worden, waardoor het ernstig letsel kan oplopen.
  • Gebruik nooit een kinderzitje dat over de rugleuning van een stoel "vasthaakt"; een dergelijk zitje biedt mogelijk geen adequate bescherming bij een ongeval.
  • De veiligheidsgordels kunnen erg heet worden, vooral als de auto in de volle zon heeft gestaan. Controleer altijd of de gordelsluiting niet te heet is voordat u het kind vastzet.

Veiligheidsysteem van uw auto

Kinderzijes waarin het kind met het gezicht naar achteren wordt vervoerd

KIA Soul (2008) - Veiligheidsysteem van uw auto - 1

Kinderzitjes waarin het kind met het gezicht naar voren wordt vervuerd

KIA Soul (2008) - Veiligheidsysteem van uw auto - 2

Gebruiken van een kinderzitje

Voor kleine kinderen en baby's is het gebruik van een kinderzitje wettelijk voorgeschreven. Dit kinderzitje moet de juiste maat hebben voor het kind en dient volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant te worden geplaatst.

Wij adviseren u het kinderzitje uit veiligheidsoverwegingen op de zitplaatsen achter te gebruiken.

WAARSCHUWING

Plaats nooit een kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar achteren gericht zit op de stoel van de voorpassagier. Wanneer de geactiveerde airbag het zitje met een grote kracht raakt, kan het kind ernstig letsel oplopen.

WAARSCHUWING

Plaatsen van het kinderzitje - Een kind kan bij een aanrijding ernstig letsel oplopen als het kinderzitje niet goed gemonteerd is of als het kind niet goed vastgezet is in het kinderzitje. Lees voor u het kinderzitje installeert eerst de handleiding van de fabrikant.
- Als de veiligheidsgordel niet functioneert zoals beschreven staat, ga dan onmiddellijk naar uw officiële KIA-dealer om het systeem na te laten kijken.
- Wanneer u de aanwijzingen in dit instructieboekje en de instructies bij het kinderzitje niet opvolgt, neemt de kans op en de ernst van letsel bij een aanrijding toe.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

C030102AUN
Bevestigen van een kinderzitje met een driepuntsgordel

Volg voor het installeren van een kinderzitje op de buitenste of middelste zitplaats van de achterbank de volgende stappen:

  1. Plaats het baby- of kinderzitje op de achterbank en laat de veiligheidsgordel om of door het zitje lopen, afhankelijk van de instructies van de fabrikant van het zitje. Zorg ervoor dat de gordel niet verdraaid zit.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 2

  1. Zet de gesp vast in de gordelsluiting. Controleer of een klikkend geluid hoorbaar is.

Plaats de ontgrendelknop zo dat deze in geval van nood gemakkelijk bereikbaar is.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 3

  1. Maak de gordel vast en zorg ervoor dat de gordel overal goed aansluit. Controleer na het installeren of het kinderzitje goed vastzit door het in alle richtingen te bewegen.

Als de gordel strakker moet, beweeg dan meer band richting de blokkeerautomaat. Wanneer u de gordel losmaakt zodat die ingetrokken wordt, gaat de blokkeerautomaat automatisch terug naar de stand waarin hij normaal blokkeert in een noodsituatie.

Veiligheidsysteem van uw auto

KIA Soul (2008) - Veiligheidsysteem van uw auto - 1

Installeren van een kinderzitje met behulp van een heupgordel (op de middelste zitplaats achter) (indien van toepassing) - behalve Europa

Volg voor het installeren van een kinderzitje op de middelste zitplaats van de achterbank de volgende stappen:

  1. Plaats het kinderzitje op de middelste zitplaats van de achterbank.
  2. Trek het uiteinde van de heupgordel uit de blokkeerautomaat.

  3. Voer de heupgordel door het kinderzitje volgens de instructies van de fabrikant.

  4. Maak de gordel vast en stel de heupgordel af door aan het losse uiteinde van de gordel te trekken zodat deze goed om het kinderzitje past. Controleer na het installeren of het kinderzitje goed vastzit door het in alle richtingen te bewegen.

C030105AAM

Geschiktheid kinderzitje voor gebruik van de veiligheidsgordel - Europa Gebruik kinderzitjes die officieel goedgekeurd zijn en die geschikt zijn voor uw kinderen. Zie de volgende tabel voor het gebruik van kinderzitjes.

LeeftijdsgroepPositie
Voorpassagier BBuitenste achter Middelste achter
0 : Tot to 10 kg(0 - 9 maanden)UUU
0+ : Tot to 13 kg(0 - 2 jaar)UUU
I : 9 kg tot 18 kg(9 maanden - 4 jaar)UUU
II & III : 15 kg tot 36 kg(4 - 12 jaar)UF UF UF

U : Geschikt voor de categorie "universele" zitjes, goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
UF : Geschikt voor de categorie "universele" in de rijrichting geplaatste zitjes, goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse

WAARSCHUWING

Geadviseerd wordt een kinderzitje altijd op de achterbank te plaatsen, ook al is de airbag voorpassagier UIT geschakeld met de AAN/UIT-schakelaar. Om de veiligheid voor uw kind te garanderen, moet de airbag voorpassagier worden uitgeschakeld wanneer u omdat het niet anders kan een kinderzitje op de voorstoel monteert.

Veiligheidsysteem van uw auto

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

Monteren van een kinderzitje met behulp van een systeem met bevestigingsbanden

(indien van toepassing)

De haakhouders voor het kinderzitje bevinden zich aan de achterzijde van de rugleuningen van de achterstoelen.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 2

  1. Voer de band van het kinderzitje over de rugleuning.

Voer bij voertuigen met verstelbare hoofdsteun de band onder de hoofdsteun en tussen de stijlen van de hoofdsteun door. Voer in andere gevallen de band over de bovenkant van de hoofdsteun.

  1. Bevestig de band van het kinderzitje aan het bevestigingspunt en trek de band strak om het zitje vast te zetten.

WAARSCHUWING

Een kind kan bij een aanrijding ernstig letsel oplopen als het kinderzitje niet goed gemonteerd is of als het kind niet goed vastgezet is in het kinderzitje. Volg altijd de aanwijzingen van de fabrikant voor de montage en het gebruik van het zitje.

WAARSCHUWING -

Bevestigingsband

Monteer niet meer dan een kinderzitje aan de bevestigingspunten. Het extra gewicht kan ertoe leiden dat de bevestigingspunten of -banden afbreken, wat ernstig letsel kan veroorzaken.

WAARSCHUWING -

Controle van een kinderzitje Controleer of het kinderzitje goed vastzit door te proberen het in verschillende richtingen te duwen en te trekken. Een niet goed gemonteerd kinderzitje kan kantelen, verdraaien, overhellen of losraken, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.

⚠ WAARSCHUWING -

Bevestigingspunten voor een kinderzitje

  • De bevestigingspunten zijn alleen berekend op de belasting die er op wordt uigeoefend door een juist gemonteerd kinderzitje. Ze mogen in geen geval worden gebruikt voor de bevestiging van veiligheidsgordels voor volwassenen of voor de bevestiging van andere componenten in de auto.
  • De band biedt misschien onvoldoende bescherming als hij aan een ander dan het speciaal hiervoor bedoelde bevestigingspunt is gemonteerd.

KIA Soul (2008) - ⚠ WAARSCHUWING - - 1
1SAE3090A

C030104AUN-AM

Monteren van een kinderzitje met behulp van een ISOFIX-systeem en een systeem met bevestigingsbanden (indien van toepassing)

ISOFIX is een gestandaardiseerde methode voor het monteren van kinderzijtes die een einde maakt aan het vastmaken van kinderzijtes met de standaard veiligheidsgordel. Hierdoor is een veel veiligere en meer betrouwbare bevestiging mogelijk en verloopt bovendien het installeren een stuk eenvoudiger en sneller.

Een ISOFIX-kinderzitje mag alleen worden gebruikt als het specifiek is goedgekeurd voor uw auto volgens de eisen die gesteld zijn in de Europese norm ECE-R44.

Veiligheidsysteem van uw auto

ISOFIX- bevestiging positie-indicatora ISOFIX-bevestiging OUN038139L

Aan de onderzijde van de rugleuningen achter zijn symbolen aangebracht. Deze symbolen geven aan waar zich de onderste bevestigingspunten voor de kinderzitjes bevinden, indien van toepassing.

KIA Soul (2008) - Veiligheidsysteem van uw auto - 2

Aan elke zijde van de zitplaats achter, tussen de zitting en de rugleuning, bevinden zich twee lage ISOFIX-bevestigingspunten in combinatie met een bevestigingspunt voor de bovenste band aan de achterzijde van de rugleuningen van de achterstoelen. Tijdens het installeren moet het zitje in de bevestigingspunten worden vastgeklikt (controleer of het zitje vastzit door eraan te trekken!) en worden vastgezet met de bovenste bevestigingsband op het bijbehorende punt op de achterzijde van de rugleuningen van de achterstoelen.

Volg bij het installeren en gebruiken van een kinderzitje de installatiehandleiding die bij het ISOFIX-zitje wordt geleverd.

WAARSCHUWING

Plaats het kinderzitje helemaal naar achteren tegen de rugleuning met de rugleuning rechtop.

WAARSCHUWING

Als een kinderzitje op de achterbank is geplaatst met behulp van de ISOFIX-bevestigingen, moeten alle ongebruikte gordels op de achterbank worden vastgemaakt in de gordelsluitingen en moet de gordel op de plaats van het kinderzitje achter het zitje worden vastgemaakt om ervoor te zorgen dat de gordel buiten bereik van het kind blijft. Bij losse gespen of gordelsluitingen kan het kind in het kinderzitje verstrikt raken en ernstig letsel oplopen.

Vastzetten van het kinderzitje:

  1. Om het kinderzitje vast te zetten in het ISOFIX-bevestigingspunt dient u de vergrendeling van het kinderzitje in het ISOFIX-bevestigingspunt vast te klikken. Controleer of een klikkend geluid hoorbaar is.

! OPMERKING

Zorg dat het materiaal van de veiligheidsgordel achter tijdens het plaatsen niet beschadigd wordt of bekneld raakt tussen de ISOfixbevestigingen.

  1. Plaats de haak van de band in de haakhouder van het kinderzitje en trek de band strak om het zitje vast te zetten. (Zie de vorige bladzijde.)

WAARSCHUWING

- Installeer geen kinderzitje in het midden van de achterbank met behulp van de ISOFIX-bevestigingen. De ISOFIX-bevestigingen zijn alleen bedoeld voor de buitenste zitplaatsen links en rechts op de achterbank. Misbruik de ISOFIX-bevestigingen niet door te proberen een kinderzitje in het midden van de achterbank te monteren.

Bij een ongeval zijn de ISOFIX-bevestigingen voor een kinderzitje dan mogelijk niet sterk genoeg om het kinderzitje op zijn plaats te houden in het midden van de achterbank. De bevestigingen kunnen dan afbreken en ernstig letsel veroorzaken.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Monteer niet meer dan één kinderzitje aan een van de onderste bevestigingspunten. Het extra gewicht kan ertoe leiden dat de bevestigingspunten of -banden afbreken, wat ernstig letsel kan veroorzaken.
  • Bevestig het ISOFIX-kinderzitje of het voor ISOFIX geschikte kinderzitje alleen aan de daarvoor bestemde bevestigingspunten, zoals aangegeven in de afbeelding.
  • Volg altijd de instructies voor installatie en gebruik van de fabrikant van het kinderzitje.

C030105AAM
Geschikte ISOfix-bevestigingspunten voor een kinderzitje

GewichtsgroepBevestigingISOfix-posities in auto
Afmetingen VoorpassagierBuitenste achter (Bestuurderszijde)Buitenste achter (Passagierszijde)Middelste achter
ReiswiegFISO/L1-XX-
GISO/L2-XX-
0: tot 10 kgEISO/R1-IUFIUF-
0+: tot 13 kgEISO/R1-IUF/L4IUF/L4-
DISO/R2-IUFIUF-
CISO/R3-IUFIUF-
l: 9 tot 18 kgDISO/R2-IUFIUF-
CISO/R3-IUF/L2IUF/L2-
BISO/F2-IUFIUF-
B1ISO/F2X-IUF/L3IUF/L3-
AISO/F3-IUF/L1IUF/L1-

IUF = Geschikt voor ISOfix-bevestiging van naar voren gerichte, universele voor deze gewichtsgroep goedgekeurde kinderzijes.

X = ISOFIX bevestiging niet geschikt voor kinderzitje in deze gewichtsgroep en/of deze grootteklasse.

L1 : Geschikt voor "Fair G0/1 ISOFIX + G0/1 ISOFIX Bar(Platform FWF)" goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse (Goedkeuringsnr.: E1 R44-04443718)

L2 : Geschikt voor "Fair G0/1 ISOFIX + G0/1 ISOFIX Bar (Platform RWF)" goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse (Goedkeuringsnr.: E1 R44-04443718)

L3: Geschikt voor "Römer DUO Plus" goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse (Goedkeuringsnr.: E1 R44-04301133)

L4 : Geschikt voor "Römer Baby-Safe ISOIFX Plus + Baby-Safe Auto Base ISOFIX" goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse

(Goedkeuringsnr.: E1 R44-04301146)

* Zowel ISO/R2 als ISO/R3 kan alleen op de voorste positie van de passagiersstoel geplaatst worden.

* Afmetingen en bevestigingspunten ISOfix-baby- of kinderzitje

A - ISO/F3: Volledig baby-/kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar voren gericht zit (hoogte 720 mm)

B - ISO/F2: Babyzitje waarbij het kind met het gezicht naar voren gericht zit (hoogte 650 mm)

B1 - ISO/F2X: Babyzitje (versie 2) waarbij het kind met het gezicht naar voren gericht zit (hoogte 650 mm)

C - ISO/R3: Volledig baby-/kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar achteren gericht zit (hoogte 720 mm)

D - ISO/R2: Babyzitje waarbij het kind met het gezicht naar achteren gerlicht zlt

E - ISO/R1: Kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar achteren gericht zit

F - ISO/L1: Reiswieg waarbij het kind met het gezicht naar links gericht ligt

G - ISO/L2: Reiswieg waarbij het kind met het gezicht naar rechts gericht ligt

AANVULLEND VEILIGHEIDSSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)
4 3 2 1 * Het aantal daadwerkelijke airbags kan afwijken van de afbeelding. OUN037301

C040000AUN

(1) Airbag bestuurder
(2) Airbag voorpassagier*
(3) Zijairbag*
(4) Curtain airbag*
*: indien van toepassing

WAARSCHUWING

Zelfs in auto's uitgerust met airbags, dienen u en uw passagiers te allen tijde de aanwezige veiligheidsgordels te dragen om de kans op letsel of de ernst daarvan bij een aanrijding of bij het over de kop slaan van de auto te beperken.

C040900AUN

Werking van airbagsysteem

  • De airbags kunnen alleen worden geactiveerd als het contact in stand ON of START staat.
  • De airbags worden bij zwaardere aanrijdingen van voren of opzij (indien zijairbags en/of curtain airbags aanwezig zijn) onmiddellijk geactiveerd om de inzittenden te beschermen tegen letsel.
  • Er is geen bepaalde snelheid waarbij de airbags worden geactiveerd.
    Of de airbags worden geactiveerd, hangt voornamelijk af van de kracht en de richting van de aanrijding. Deze twee factoren bepalen of de sensoren een elektronisch activeringssignaal uitzenden.
  • Of de airbags al dan niet opgeblazen worden, is afhankelijk van een aantal factoren, zoals de rijsnelheid, de hoek van de aanrijding, de massa en de stijfheid van de bij de aanrijding betrokken auto's of objecten. Ook andere factoren kunnen een rol spelen.

- De airbags vóór worden direct volledig opgeblazen, waarna ze meteen weer leeglopen.

Het is vrijwel onmogelijk om tijdens een ongeval waar te nemen dat de airbags opgeblazen worden. Het is aannemelijker dat u de leeggelopen airbags na de aanrijding uit het stuurwiel of het dashboard ziet hangen.

- Om bij een zware aanrijding bescherming te bieden, moeten de airbags snel opgeblazen worden. De snelheid waarmee de airbag opgeblazen wordt is het gevolg van de extreem korte tijd waarbinnen een aanrijding plaatsvindt en de noodzaak om de airbag tussen de inzittende en de delen van de auto te krijgen voordat de inzittende in contact komt met delen van de auto. De snelheid waarmee de airbags worden opgeblazen, beperkt de kans op ernstig letsel bij een zware aanrijding en vormt daarom een belangrijk deel van het ontwerp van de airbags.

Het opblazen van een airbag kan echter ook letsel zoals schaafwonden, blauwe plekken en botbreuken, en soms nog ernstiger letsel veroorzaken omdat de snelheid waarmee de airbags worden opgeblazen wordt tot gevolg heeft dat de airbags met veel kracht uitzetten.

- Er zijn zelfs omstandigheden waaronder het contact met de airbag in het stuurwiel tot ernstig letsel kan leiden, vooral wanneer de inzittende te dicht op het stuurwiel zit.

KIA Soul (2008) - Werking van airbagsysteem - 1

WAARSCHUWING

  • Om ernstig letsel te voorkomen, moet de bestuurder altijd zo ver mogelijk van het stuurwiel afzitten (ten minste 250 mm (10 inch)). De voorpassagier moet de stoel altijd zo ver mogelijk naar achteren schulven en helemaal achterin de stoel gaan zitten.
  • De airbags worden bij een aanrijding onmiddellijk geactiveerd en door de grote kracht waarmee dit gebeurt, kunnen de passagiers ernstig gewond raken als ze te dicht bij de airbag zitten.
  • Het activeren van de airbags kan letsel veroorzaken zoals schaafwonden, verwondingen als gevolg van gebroken brillen en brandwonden die het gevolg zijn van de explosieve lading van de airbags.

C040902AUN

Geluid en rookontwikkeling

Bij het opblazen van de airbags is een hard geluid hoorbaar en komt rook en poeder vrij. Dit is normaal en wordt veroorzaakt doordat het ontstekingsmechanisme van de airbag geactiveerd wordt. Nadat de airbags opgeblazen zijn, kunt u een poosje last hebben bij het ademhalen doordat uw borstkas in contact is geweest met zowel de veiligheidsgordel als de airbag en doordat u de rook en het poeder hebt ingeademd.Wij adviseren u met klem zo snel mogelijk na een aanrijding de portieren en/of de ruiten te openen wanneer dit mogelijk is, om te voorkomen dat u te lang in aanraking blijft met de rook.

Hoewel de rook en het poeder niet giftig zijn, kunnen deze wel huidirritaties veroorzaken in de buurt van ogen, neus en hals. Was in dat geval de desbetreffende plek schoon en spoel deze met koud water na. Raadpleeg een dokter als de symptomen aanhouden.

WAARSCHUWING

Als de airbags geactiveerd zijn, zijn de bij het airbagsysteem behorende onderdelen in het stuurwiel en/of instrumentenpaneel en/of de dakrails boven de voor- en achterportieren zeer heet. Raak de onderdelen van het airbagsysteem niet aan direct nadat een airbag opgeblazen is, om letsel te voorkomen.

AIRBAG 1JBH3051

C040903AAM

Plaats geen kinderzitje op de voorpassagiersstoel als de airbag is geactiveerd

Gebruik nooit een kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar achteren gericht op de voorstoel zit. Als de airbag wordt opgeblazen, oefent deze op een dergelijk geplaatst kinderzitje een grote kracht uit, waardoor het kind ernstig letsel kan oplopen.

Gebruik op de voorstoel ook geen kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar voren is gericht. Als de airbag voorpassagier wordt geactiveerd, zou dit ernstig letsel bij het kind kunnen veroorzaken.

Veiligheidsysteem van uw auto

Als uw auto is voorzien van een ON/OFF-schakelaar voor de airbag voorpassagier, kan de airbag van de voorpassagier indien nodig worden in- of uitgeschakeld.

Zie voor meer informatie pagina 3-48.

WAARSCHUWING

  • Plaats nooit een kinderzitje dat tegen de rijrichting in moet worden geplaatst op een stoel waarvoor een airbag zit.
  • Gebruik nooit een kinderzitje op de voorstoel. Als de airbag voorpassagier wordt geactiveerd, zou dit ernstig letsel kunnen veroorzaken.
  • Als het kinderzitje op een van de buitenste zitplaatsen achter wordt geplaatst bij uitvoerlingen met zijairbags, zorg er dan voor dat het kinderzitje zo ver mogelijk weg van het portier wordt geplaatst en zet het goed vast. Door het activeren van de zijairbag of curtain airbag zou deze ernstig letsel kunnen veroorzaken.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

Waarschuwingslampje AIRBAG

Het doel van het waarschuwingslampje AIRBAG in het dashboard is om u te waarschuwen voor een mogelijke storing in de airbag - het aanvullend veiligheidssysteem (SRS).

Als het contact in stand ON wordt gezet, moet het lampje gedurende ongeveer 6 seconden gaan knipperen en daarna uitgaan.

Laat het systeem controleren wanneer:
- Het lampje niet kort gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet.
- Het lampje na ongeveer 6 seconden niet uitgaat maar blijft branden.
- Het lampje gaat branden tijdens het rijden.
- Het lampje gaat knipperen wanneer het contact in stand ON staat.

8 2 11 3 9 5 4 7 1 12 8 10 6 3 9 5 4 CAM03B049L

C040100AUN-C1

Onderdelen aanvullend veiligheidssysteem en functies

De onderdelen van het aanvullend veiligheidssysteem zijn:

  1. Airbag bestuurder
  2. Airbag voorpassagier*
  3. Zijairbags
  4. Curtain airbags*
  5. Blokkeerautomaten met gordelspanners*
  6. Waarschuwingslampje AIRBAG
  7. Airbagmodule (SRSCM)
  8. Airbagsensoren vóór
  9. Zijairbagsensoren*

  10. Controlelampje airbag voorpassagier UIT (alleen airbag voorpassagier)*

  11. ON/OFF-schakelaar airbag voorpassagier*
  12. Voorste bevestiging gordelspanner bestuurderszijde*
    *: indien van toepassing

De SRSCM controleert constant alle componenten van het systeem als het contact in stand ON staat om te bepalen of een frontale aanrijding of een aanrijding van opzij zwaar genoeg is om de airbags of de gordelspanners te activeren.

Het waarschuwingslampje air bag op het dashboard brandt na het in stand ON zetten van het contact gedurende 6 seconden en moet vervolgens uit gaan.

WAARSCHUWING

Als een van de volgende condities zich voordoen, kan dat duiden op een storing in het airbagsysteem. Laat het airbagsysteem van uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer

  • Het lampje gaat niet kort branden als het contact in stand ON wordt gezet.
  • Het lampje gaat niet na ongeveer 6 seconden uit, maar blijft branden.
  • Het lampje gaat branden tijdens het rijden.
  • Het lampje gaat knipperen wanneer het contact in stand ON staat.

Veiligheidsysteem van uw auto

Airbag bestuurder (1)
KIA Soul (2008) - Veiligheidsysteem van uw auto - 1

De airbags vóór bevinden zich in het stuurwiel en boven het dashboardkastje. Als de SRSCM oordeelt dat de kracht waaraan de voorzijde van de auto wordt blootgesteld een bepaalde drempelwaarde overschrijdt, activeert hij automatisch de airbags vóór.

Airbag bestuurder (2) Airbag bestuurder (3)
KIA Soul (2008) - Veiligheidsysteem van uw auto - 2

Als de airbags geactiveerd worden, scheuren de afdekkappen op vooraf bepaalde plaatsen open als gevolg van de zich vullende airbags. Als deze openingen groter worden, kunnen de airbags geheel gevuld worden.

KIA Soul (2008) - Veiligheidsysteem van uw auto - 3

Een geheel gevulde airbag vertraagt in combinatie met een juist gedragen veiligheidsgordel de voorwaartse beweging van de bestuurder of de voorpassagier en beperkt zo de kans op hoofdletsel en letsel aan het bovenlichaam.

Nadat de airbag geheel gevuld is, begint hij direct weer leeg te lopen, waaroor de bestuurder weer zicht op de weg krijgt en hij de auto weer kan besturen of anderszins kan bedienen.

Airbag voorpassagier
KIA Soul (2008) - Veiligheidsysteem van uw auto - 4

  • Plaats geen accessoi (bekerhouder, cassettehouder) of stickers enz. op het paneel boven het dashboardkastje in auto's met een airbag voorpassagier. Dergelijke voorwerpen kunnen gevaarlijke projectielen worden en letsel veroorzaken wanneer de airbag voorpassagier geactiveerd wordt.
  • Plaats een even luchtverfrisser ook niet in de buurt van het instrumentenpaneel of op het dashboard. Dit kan een gevaarlijk projectiel worden en letsel veroorzaken wanneer de airbag voorpassagier geactiveerd wordt.

WAARSCHUWING

- Als de airbag gactiveerd wordt, is er een luide knal hoorbaar en komt er fijn stof vrij in de auto. Dit is normaal en niet gevaarlijk - het fijne poeder wordt gebruikt bij het vouwen van de airbags. Het stof dat vrijkomt bij het activeren van de airbag kan huid- of oogirritatie veroorzaken en astmatische klachten bij daarvoor gevoelige personen verergeren. Was de huid die in aanraking gekomen is met het stof dat vrijkomt bij het activeren van de airbag altijd af met handwarm water en een milde zeepoplossing. - Het aanvullend veiligheidssysteem werkt allen als het contact in stand ON staat. - Zet voor het vervangen van een zekering of het losnemen van een accukabel het contact eerst in stand LOCK en verwijder de contactsleutel. Vervang of verwijder een zekering die aan het airbagsysteem gerelateerd is nooit als het contact in stand ON staat. Het niet opvolgen van deze waarschuwing zal ertoe leiden dat het waarschuwingslampje air bag zal gaan branden.

Airbag bestuurder
KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

Airbag voorpassagier

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 2

Airbag bestuurder en voorpassagier (indien van toepassing)

Uw auto is uitgerust met een aanvullend veiligheidssysteem (SRS) en driepuntsgordels voor zowel de bestuurder als de voorpassagier.

Dat uw auto voorzien is van een dergelijk systeem blijkt uit de letters AIR BAG die in reliëf aanwezig zijn op het stuurwiel en op het paneel boven het dashboardkastje.

Het aanvullend veiligheidssysteem bestaat uit airbags die zich bevinden in het stuurwiel en boven het dashboardkastje.

Het doel van de airbag is om de bestuurder en/of de voorpassagier een aanvullende bescherming te bieden naast de bescherming die geboden wordt door de veiligheidsgordel.

WAARSCHUWING

Maak altijd gebruik van de veiligheidsgordels en, indien van toepassing, van kinderzitjes - iedere keer, bij iedere reis en voor iedereen! De airbags worden met aanzienlijke kracht in een zeer korte tijdsspanne gevuld. De veiligheidsgordel houden de inzittenden in de juiste positie, zodat ze optimaal kunnen profiteren van de airbags. Ook in een auto met airbags kunnen de inzittenden ernstig letsel oplopen tijdens het activeren van de airbag als de inzittenden de gordels niet of niet op de juiste wijze dragen. Volg altijd de voorzorgsmaatregelen met betrekking tot veiligheidsgordels, airbags en de veiligheid voor de inzittenden in dit instructieboekje zorgvuldig op.

Om de kans op letsel te beperken en optimaal te profiteren van het aanvullend veiligheidssysteem:

- Vervoer een kind nooit op de voorstoel in een kinderzitje of op een zitkussen.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Vervoer kinderen altijd op de achterbank met de veiligheidsgordels om. Dat is de veiligste plaats voor kinderen van alle leeftijden.

- De airbags vóór en de zijairbags kunnen letsel veroorzaken als de inzittenden voor niet in de juiste positie zitten.

- Zet uw stoel zo ver mogelijk naar achteren, waarbij u er wel op moet letten dat u alle bedieningsorganen nog goed kunt bereiken.

- Ga niet te dicht op de airbag zitten, dat geldt ook voor uw voorpassagier, en leun niet onnodig naar voren. Als u of uw voorpassagier te dicht op de airbag zit, kan er door het activeren van de airbag ernstig letsel ontstaan.

- Leun ook niet tegen het portier of de middenconsole - zit altijd zo rechtop mogelijk.

- Vervoer geen passagier op de voorstoel als het controlelampje airbag UIT brandt omdat dan de airbag bij een aanrijding niet geactiveerd wordt.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Er mogen geen objecten op of in de buurt van de airbags in het stuurwiel, op het instrumentenpaneel of op het dashboardpanel boven het dashboardkastje worden geplaatst omdat dergelijke voorwerpen letsel kunnen veroorzaken als de airbags bij een aanrijding geactiveerd worden.

- Stel de onderdelen van het airbagsysteem niet bloot aan schokken en neem de bedrading van het airbagsysteem ook niet los. Als u dat wel doet kunt u letsel oplopen omdat de airbags onverwacht geactiveerd kunnen worden of juist niet geactiveerd worden wanneer dat wel nodig is.

- Als het waarschuwingslampje AIRBAG blijft branden of knippert tijdens het rijden, moet het airbagsysteem zo spoedig mogelijk worden gecontroleerd door een officiële KIA-dealer.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Een airbag kan slechts één keer gebruikt worden - laat een geactiveerde airbag direct vervangen door een officiële KIA-dealer.

- Het aanvullend veiligheidssysteem is zodanig ontworpen dat de airbags vóór alleen geactiveerd worden als de kracht van de aanrijding een bepaalde drempel overschrijdt en de aanrijding plaatsvindt onder een hoek die kleiner is dan 30° ten opzichte van de lengteas van de auto. Verder kunnen de airbags maar één keer gevuld worden. Draag te allen tijde de veiligheidsgordel.

- De airbags vóór zijn niet ontworpen om geactiveerd te worden bij een aanrijding van opzij, van achteren of bij het over de kop slaan van de auto. Verder zullen de airbags vóór niet worden geactiveerd als de kracht van de aanrijding de drempelwaarde niet overschrijdt.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Een kinderzitje dient op de achterbank geplaatst te worden. Het kind kan ernstig letsel oplopen als de airbag bij een aanrijding wordt geactiveerd.

- Kinderen tot en met 12 jaar moeten altijd plaatsnemen op de achterbank en de gordel op de juiste manier dragen. Laat kinderen nooit op de passagiersstoel meerijden. Als een kind van 12 jaar of ouder op de voorpassagiersstoel vervoerd moet worden, moet hij of zij de veiligheidsgordel op de juiste manier dragen en moet de stoel zover mogelijk naar achteren worden gezet.

- Voor een maximale bescherming bij alle soorten aanrijdingen moeten alle inzittenden, inclusief de bestuurder, hun veiligheidsgordel dragen, ongeacht het feit of er voor hun positie een airbag aanwezig is. Ga tijdens het rijden niet dichter bij de airbag zitten dan nodig is en leun ook niet onnodig voorover.

(Vervolg)

Veiligheidsysteem van uw auto

(Vervolg)

  • Een onjuiste zithouding of zitpositie kan bij een aanrijding ernstig letsel veroorzaken. Alle inzittenden moeten rechtop zitten, met de rugleuning zo rechtop mogelijk, midden op de zitting en met de veiligheidsgordel om, de benen comfortabel gestrekt en de voeten op de vloer, totdat de auto geparkeerd is en de contactsleutel verwijderd is.
  • Het airbagsysteem vult de airbags uitermate snel om in geval van een aanrijding een maximale bescherming te kunnen bieden. Als een Inzittende niet in de Julste positie zit omdat hij of zij de veiligheidsgordel niet draagt, kan de airbag teveel kracht op de inzittende uitoefenen, waardoor deze ernstig letsel zou kunnen oplopen.

KIA Soul (2008) - (Vervolg) - 1

ON/OFF-schakelaar airbag voorpassagier (indien aan)

De airbag voorpassagier kan worden gedeactiveerd met behulp van de ON/OFF-schakelaar voor het geval er een kinderzitje op de voorpassagiersstoel wordt gemonteerd of voor het geval de voorstoel niet gebruikt wordt.

Om de veiligheid voor uw kind te garanderen, moet de airbag voorpassagier worden uitgeschakeld wanneer u een naar achteren gericht kinderzitje op de voorstoel monteert.

KIA Soul (2008) - (Vervolg) - 2

In- en uitschakelen van de airbag voorpassagier:

Steek om de airbag voorpassagier uit te schakelen de hoofdsleutel in de ON/OFF-schakelaar voor de airbag en zet deze in de stand OFF. Het controlelampje airbag voorpassagier UIT zal gaan branden en blijven branden totdat de airbag weer wordt ingeschakeld.

Steek om de airbag voorpassagier in te schakelen de hoofdsleutel in de ON/OFF-schakelaar voor de airbag en zet deze in de stand ON. Het controlelampje airbag voorpassagier UIT zal uitgaan.

*AANWIJZING

  • Als de ON/OFF schakelaar voor de airbag voorpassagier in stand ON staat, kan de airbag worden geactiveerd en mag er op de voorpassagiersstoel geen baby- of kinderzitje worden geplaatst.
  • Als de ON/OFF schakelaar voor de airbag voorpassagier in stand OFF staat, is de airbag uitgeschakeld.

WAARSCHUWING

De ON/OFF-schakelaar van de airbag voorpassagier kan worden bediend met een vergelijkbaar klein en stevig voorwerp. Controleer altijd de stand van de ON/OFF-schakelaar van de airbag voorpassagier en het controlelampje airbag voorpassagier UIT.

OPMERKING

- Als de ON/OFF-schakelaar van de airbag voorpassagier niet goed werkt, zal het waarschuwingslampje AIR BAG op het instrumentenpaneel gaan branden.

Verder zal, als het controlelampje airbag voorpassagler UIT niet brandt, de airbagmodule de airbag voorpassagier inschakelen en bij een frontale aanrijding activeren, ook al staat de ON/OFF-schakelaar van de airbag in de stand OFF.

Laat in dat geval de ON/OFF-schakelaar voor de airbag, het gordelspannersysteem en het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Laat de ON/OFF-schakelaar voor de airbag, het gordelspannersysteem en het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer als het waarschuwingslampje AIRBAG knippert of niet gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet of gaat branden tijdens het rijden.

WAARSCHUWING

• De bestuurder verantwoordelijk voor de juiste stand van de ON/OFF-schakelaar van de airbag voorpassagier.

- Schakel de airbag voorpassagier alleen maar uit als het contact in stand OFF staat omdat er anders een defect kan ontstaan in de airbagmodule.

Verder kan het hierdoor voorkomen dat de airbag bestuurder en/of de voorpassagier en/of de zijairbag en curtain airbag niet of niet op de juiste manier worden geactiveerd in geval van een aanrijding.

- Plaats nooit een naar achteren gericht kinderzitje op de passagiersstoel, tenzij de airbag voorpassagier is uitgeschakeld. Het kind kan ernstig letsel oplopen als de airbag bij een aanrijding wordt geactiveerd.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Ook al is uw auto voorzien van een ON/OFF-schakelaar voor de airbag voorpassagier, monteer geen kinderzitje op de passagiersstoel. Een kinderzitje dient op de achterbank geplaatst te worden. Kinderen die te groot zijn voor een kinderzitje moeten plaatsnemen op de achterbank en gebruik maken van de aanwezige driepuntsgordels. Bij een aanrijding zitten kinderen het veiligst op de achterbank als ze op de juiste manier gebruik maken van de veiligheidsgordels.

- Zodra het niet meer nodig is een kind te vervoeren op de voorpassagiersstoel, moet de airbag voorpassagier weer worden ingeschakeld.

KIA Soul (2008) - (Vervolg) - 1

Zijairbag (indien van toepassing)

Beide voorstoelen van uw auto zijn uitgerust met een zijairbag. Het doel van de airbag is om de bestuurder en/of de voorpassagier een aanvullende bescherming te bieden naast de bescherming geboden door de veiligheidsgordel.

De zijairbags zijn ontworpen om alleen tijdens bepaalde aanrijdingen van opzij geactiveerd te worden, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, de hoek, de snelheid en de plaats van de impact. De zijairbags zijn niet ontworpen om bij alle aanrijdingen van opzij opgeblazen te worden.

WAARSCHUWING

- De zijairbag vormt een aanvulling op de gordelsystemen voor de bestuurder en de voorpassagler en geen vervanging voor deze systemen. Draag daarom tijdens het rijden altijd een veiligheidsgordel. De airbags worden alleen geactiveerd bij een aanrijding van opzij die krachtig genoeg is om letsel bij de inzittenden te veroorzaken.

- Voor de beste bescherming van de zijairbags en om letsel te voorkomen, dienen de bestuurder en de voorpassagier rechtop te zitten en de veiligheidsgordel op de juiste manier vast te maken. De bestuurder moet zijn handen in de tien voor twee stand op het stuurwiel plaatsen. De passagier moet zijn handen op de schoot houden.

- Gebruik geen stoelhoezen. - Het gebruik van stoelhoezen kan de werking van het systeem in negatieve zin beïnvloeden.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Plaats geen accessoires op of in de buurt van de zijairbag.
  • Plaats geen voorwerpen op de airbag of tussen de airbag en uzelf.
  • Plaats geen voorwerpen (paraplu, tas, enz.) tussen het voorportier en de voorstoel. Dergelijke voorwerpen kunnen gevaarlijke projectielen worden en letsel veroorzaken wanneer de zijairbag geactiveerd wordt.
  • Sla niet op de zijairbagsensor wanneer het contact in stand ON staat. Hierdoor kan de airbag onverwacht geactiveerd worden, waardoor persoonlijk letsel kan ontstaan.
  • Als de stoel of de bekleding beschadigd is, laat deze dan repareren door een officiële KIA-dealer. Vertel daarbij dat uw auto is uitgerust met zijairbags.

KIA Soul (2008) - (Vervolg) - 1

(indien van toepassing)

De curtain airbags bevinden zich langs de rand van het dak boven de voor- en achterportieren.

Ze zijn ontworpen om bij bepaalde aanrijdingen van opzij de hoofden van de voorste inzittenden en de passagiers op de buitenste zitplaatsen achter te beschermen.

De curtain airbags zijn ontworpen om alleen tijdens bepaalde aanrijdingen van opzij geactiveerd te worden, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, de hoek, de snelheid en de plaats van impact. De zijairbags zijn niet ontworpen om opgeblazen te worden bij frontale aanrijdingen, aanrijdingen van achteren en in de meeste situaties waarbij de auto over de kop slaat.

WAARSCHUWING

- De zijairbags en curtain airbags bieden een optimale bescherming als de inzittenden zo ver mogelijk rechtop zitten en hun gordel op de juiste manier dragen. Vooral voor kinderen is het belangrijk dat ze in een geschikt kinderzitje op de achterbank plaatsnemen.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Als kinderen plaatsnemen op een van de buitenste zitplaatsen achterin, moeten ze in een geschikt kinderzitje plaatsnemen. Plaats het kinderzitje zo ver mogelijk weg van het portier en zet het goed vast.
  • Laat passagiers niet met het hoofd of andere delen van het lichaam tegen het portier leunen, steek de armen niet uit het raam en plaats geen voorwerpen tussen de passagier en de portieren als de auto is uitgerust met zijairbags en/of curtain airbags.
  • Probeer nooit de onderdelen van de zijairbags en curtain airbags te openen of te repareren. Laat dit altijd over aan een officiële KIA-dealer.

Het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregelen kan ertoe leiden dat de inzittenden bij een aanrijding letsel oplopen.

C040800AUN-C1

Waarom werd de airbag bij een aanrijding niet opgeblazen? (Voorwaarden voor wel of niet activeren van de airbags)

Er zijn veel soorten ongevallen waarbij de airbag geen aanvullende bescherming biedt.

Voorbeelden hiervoor zijn aanrijdingen van achter, tweede en volgende stoten bij een kettingbotsing en aanrijdingen bij lage snelheid. Met andere woorden, wees niet verrast wanneer de airbag(s) niet opgeblazen werd(en) hoewel uw auto beschadigd of zelfs total loss is.

KIA Soul (2008) - C040800AUN-C1 - 1
Airbagsensoren
(1) Airbagmodule
(2) Airbagsensor vóór

(3) Zijairbagsensor (indien van toepassing)

WAARSCHUWING

- Let op dat u niet tegen plaatsen aanstoot waar de airbags of airbagsensoren zijn ingebouwd. Anders kan de airbag onverwacht geactiveerd worden waardoor ernstig persoonlijk letsel op kan treden.

- Als de inbouwpositie van de airbagsensoren wordt gewijzigd, kan dit ertoe leiden dat de airbags worden geactiveerd in situaties waarin dit niet nodig is, of dat de airbags niet worden geactiveerd in situaties waar het wel nodig is. Voer daarom geen reparaties uit aan of in de buurt van de airbagsensoren. Laat de auto controleren en repareren door een officièle KIA-dealer.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Er kunnen problemen ontstaan als de hoek waaronder de sensoren zijn ingebouwd wordt gewijzigd als gevolg van vervorming van de voorbumper, de carrosserie of B-stijl, waar de airbagsensoren zijn ingebouwd. Laat de auto controleren en repareren door een officiële KIA-dealer.

- Uw auto is ontworpen om de botsenergie zoveel mogelijk te absorberen en in bepaalde gevallen de airbag(s) te activeren. Het monteren van niet-originele bumpers of accessoires op de bumper kan een nadelige invloed hebben op de bescherming bij een aanrijding.

1VQA2084

C040801AUN

Voorwaarden voor activeren airbags Airbags vóór

De airbags vóór worden geactiveerd bij frontale aanrijdingen, waarbij rekening wordt gehouden met de botskracht, de rijsnelheid of hoek waaronder de aanrijding plaatsvindt.

OVO036018N OUN026090

Zijairbags (indien van toepassing) De airbags opzij (zijairbags en/of curtain airbags) worden geactiveerd bij een aanrijding van opzij, waarbij rekening wordt gehouden met de kracht van de botsing, de botshoek en de zijdelingse snelheid.

Ofschoon de airbags vóór (voor bestuurder en voorpassagier) ontworpen zijn voor frontale aanrijdingen, kunnen ze ook bij andere aanrijdingen, waarbij een bepaalde vertraging in de lengterichting optreedt, worden geactiveerd. Ofschoon de airbags opzij (zijairbags en curtain airbags) ontworpen zijn voor zijdelingse aanrijdingen, kunnen ze ook bij andere aanrijdingen, waarbij een bepaalde vertraging in de dwarsrichting optreedt, worden geactiveerd.

De airbags kunnen ook worden geactiveerd als de auto zware stoten ondervindt bij het rijden op zeer slechte wegen. Rijd daarom voorzichtig op slechte wegen.

KIA Soul (2008) - (Vervolg) - 3

Voorwaarden voor niet-activeren van de airbags

- Bij bepaalde aanrijdingen met lage snelheden worden de airbags niet geactiveerd. De reden daarvan is dat de airbags in die omstandigheden niet meer bescherming kunnen bieden dan de veiligheidsgordels al doen.

Veiligheidsysteem van uw auto

OUN036087

  • De airbags zijn niet ontworpen om te worden geactiveerd bij aanrijdingen van achter, omdat de inzittenden dan door de botskracht naar achteren worden gedrukt. In dergelijke gevallen biedt het activeren van de airbags geen extra voordelen.

KIA Soul (2008) - Veiligheidsysteem van uw auto - 2

  • De airbags vóór worden bij zijdelingse aanrijdingen soms niet geactiveerd. De inzittenden bewegen altijd in de richting van de aanrijding, waardoor het activeren van de airbags vóór overbodig kan zijn. In dat geval kunnen de zijairbags en curtain airbags wel worden geactiveerd.

KIA Soul (2008) - Veiligheidsysteem van uw auto - 3

  • Bij een aanrijding op een helling of onder een hoek kan de kracht van de aanrijding de inzittenden in een bepaalde richting verplaatsen, waar de airbags geen extra bescherming zouden bieden, een reden waarom de sensoren de airbags daarom ook niet activeren.

KIA Soul (2008) - Veiligheidsysteem van uw auto - 4

  • Net voor een aanrijding remmen bestuurders vaak sterk af. Door zo sterk af te remmen, zakt de voorzijde van de auto in, waardoor deze gemakkelijker onder een voertuig met een grotere grondspeling zou kunnen schieten. De airbags worden in een dergelijke situaties soms niet geactiveerd omdat de deceleratie die door de sensoren gemeten wordt, lager is dan de deceleratie die zou worden gemeten als de auto niet onder de voorligger zou schuiven.

KIA Soul (2008) - Veiligheidsysteem van uw auto - 5

  • Als de auto over de kop gaat, bieden de airbags vóór niet de juiste bescherming. Ze worden dan ook niet geactiveerd. De airbags opzij bieden wel extra bescherming als de auto over de kop gaat en worden in dat geval ook geactiveerd.

KIA Soul (2008) - Veiligheidsysteem van uw auto - 6

  • De airbags worden soms niet geactiveerd bij een aanrijding tegen een boom of paal, waarbij de botskracht zich concentreert op een klein gedeelte van de auto, buiten het bereik van de sensoren.

C041100AUN-C1

Onderhoud aan aanvullend veiligheidssysteem

Het aanvullend veiligheidssysteem is nagenoeg onderhoudsvrij en bevat geen onderdelen waaraan u zelf veilig onderhoud kunt plegen. Als het waarschuwingslampje air bag niet gaat branden of constant brandt, laat uw auto dan zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.

Alle werkzaamheden aan het aanvullend veiligheidssysteem, zoals het verwijderen, het plaatsen of het repareren ervan, of werkzaamheden aan het stuurwiel moeten uitgevoerd worden door een officiële KIA-dealer. Een onjuiste behandeling van het airbagsysteem kan leiden tot ernstig persoonlijk letsel.

WAARSCHUWING

  • Modificaties aan onderdelen van het aanvullend veiligheidssysteem of de bedrading, inclusief het aanbrengen van stickers, enz. op afdekkappen of modificaties aan de carrosseriestructuur kunnen ertoe leiden dat het systeem niet goed werkt, waardoor letsel kan ontstaan.
  • Reinig de afdekkappen van de airbags alleen met een zachte, droge doek of met een doek die bevöchtigd is met schoon water. Oplos- en reinigingsmiddelen kunnen het materiaal van de afdekkappen aantasten en de werking van het systeem in negatieve zin beïnvloeden.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Er mogen geen objecten op of in de buurt van de airbags in het stuurwiel, op het instrumentenpaneel of op het dashboardpaneel boven het dashboardkastje worden geplaatst omdat dergelijke voorwerpen letsel kunnen veroorzaken als de airbags bij een aanrijding geactiveerd worden.
  • Als de airbags geactiveerd zijn, moeten ze vervangen worden door een officiële KIA-dealer.
  • Stel de onderdelen van het airbagsysteem niet bloot aan schokken en neem de bedrading van het airbagsysteem ook niet los. Als u dat wel doet kunt u letsel oplopen omdat de airbags onverwacht geactiveerd kunnen worden of juist niet geactiveerd worden wanneer dat wel nodig is. (Vervolg)

(Vervolg)

  • Als onderdelen van h airbagsysteem moeten worden afgevoerd of als de auto in zijn geheel moet worden afgevoerd, moeten bepaalde voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de veiligheid in acht worden genomen. Een officiële KIA-dealer kent deze voorzorgsmaatregelen en kan u de benodigde informatie verstrekken. Het niet opvolgen van deze voorzorgsmaatregelen en procedures vergroot de kans op persoonlijk letsel.
  • Als uw auto in te diep water terechtgekomen is, waardoor de vloerbedekking doorweekt is of er water op de bodemplaats staat, probeer dan niet uw auto te starten maar laat hem transporteren naar een officiële KIA-dealer.

C041300AUN

Aanvullende voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de veiligheid

  • Vervoer nooit mensen in de bagageruimte of op een neergeklapte rugleuning. Laat iedereen rechtop zitten, met zijn rug tegen de rugleuning van de stoel, de veiligheidsgordel om en de voeten op de vloer.
  • De inzittenden moeten tijdens het rijden niet uit hun stoel komen of van plaats wisselen. Een inzittende die zijn veiligheidsgordel niet draagt kan tijdens een aanrijding of een noodstop door de auto geslingerd worden, tegen andere inzittenden aan, of zelfs uit de auto geslingerd worden.
  • Elke veiligheidsgordel is bestemd voor één persoon. Als er meerdere personen van dezelfde veiligheidsgordel gebruik maken, kunnen ze bij een aanrijding ernstig letsel oplopen.

- Maak geen gebruik van accessoires die aan de veiligheidsgordels bevestigd moeten worden. Accessoires die claimen het comfort voor de inzittenden te verbeteren of die de gordel anders geleiden, kunnen de beschermende werking van de veiligheidsgordel in negatieve zin beïnvloeden en de kans op letsel bij een aanrijding vergroten.

- De inzittenden moeten geen harde of scherpe voorwerpen plaatsen tussen henzelf en de airbags. Het dragen van harde of scherpe voorwerpen rond uw middel of het in uw mond houden van dergelijke voorwerpen kan ernstig letsel veroorzaken als een airbag geactiveerd wordt.

- Blijf op veilige afstand van de afdekkappen van de airbags. Laat iedereen rechtop zitten, met zijn rug tegen de rugleuning van de stoel, de veiligheidsgordel om en de voeten op de vloer. Als inzittenden zich te dicht bij een airbag bevinden, kunnen ze letsel oplopen als de airbags geactiveerd worden.

Veiligheidsysteem van uw auto

  • Bevestig geen voorwerpen aan of in de buurt van de afdekkappen van de airbags. Voorwerpen die bevestigd zijn aan of in de buurt van de afdekkappen van de airbags vóór of de zijairbags kunnen een juiste werking van de airbags in negatieve zin beïnvloeden.
  • Modificeer de voorstoelen niet. Modificatie van de voorstoelen kan de werking van de sensoren van het aanvullend veiligheidssysteem of van de zijairbags in negatieve zin beïnvloeden.
  • Plaats niets onder de voorstoelen. Het plaatsen van voorwerpen onder de voorstoelen kan de werking van de sensoren van het aanvullend veiligheidssysteem of van de bedrading in negatieve zin beïnvloeden.
  • Laat nooit het heupgedeelte van uw gordel om een kind heen lopen dat op uw schoot zit. Het kind zou ernstig letsel kunnen oplopen in geval van een aanrijding. Baby's en kinderen moeten op de juiste manier in geschikte kinderzijtes of gordels op de achterbank vervoerd worden.

WAARSCHUWING

  • Als de inzittenden niet in de juiste positie zitten, kunnen ze te dicht bij een zich vullende airbag komen, delen in het interieur van de auto raken of uit de auto geslingerd worden.
  • Zit altijd zoveel mogelijk rechtop, met de rugleuning rechtop, midden op de zitting en met uw veiligheidsgordel om, uw benen op een comfortabele manier gestrekt en uw voeten op de vloer.

C041400AUN

Monteren van accessoires of modificaties aan uw met een airbag uitgeruste auto

Als u modificaties aan het chassis, de bumper, de voorzijde, het plaatwerk opzij of de rijhoogte aanbrengt of laat aanbrengen, kan dat invloed hebben op de werking van het airbagsysteem van uw auto.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

Waarschuwingslabel airbags (indien van toepassing)

Het waarschuwingslabel van de airbags is bedoeld om de passagiers te waarschuwen voor de mogelijke gevaren van het airbagsysteem.

Deze verplichte waarschuwingen hebben met name betrekking op het risico voor kinderen. KIA wil hierbij ook graag wijzen op de risico's voor volwassenen. Deze risico's zijn beschreven op de voorafgaande bladzijden.

Sleutels / 4-2Portiervergrendeling met afstandsbediening / 4-5Sloten / 4-8Achterklep / 4-12Ruiten / 4-14Motorkap / 4-17Tankdopklep / 4-19Schulf-/kanteldak / 4-22Stuurwiel / 4-26
Kenmerken van uw auto4
Spiegels / 4-28Instrumentenpaneel / 4-32Parkeerhulp / 4-47Achteruitrijcamera / 4-50Alarmknlppperlichten / 4-50Lighting / 4-51Ruitenwissers en ruitensproelers / 4-56Interleurverlichting / 4-59Ontwasemng / 4-61Handbedlend verwarmings- en ventilatlesysteem / 4-62Opbergvak / 4-73Overige voorzieningen / 4-75Exterieur / 4-80Audiosysteem / 4-81

SLEUTELS
KIA Soul (2008) - Waarschuwingslabel airbags (indien van toepassing) - 1

Noteer het sleutelnummer

Het sleutelnummer is ingeslagen in het sleutelplaatje. Door dit nummer kan een officiële KIA-dealer bij verlies eenvoudig een sleutel bijbestellen. Verwijder het plaatje en bewaar dit op een veilige plaats.

Noteer daarnaast het nummer en bewaar dit op een veilige plaats buiten de auto.

KIA Soul (2008) - Noteer het sleutelnummer - 1

Wordt gebruikt om de motor te starten en de portieren te vergrendelen en ontgrendelen.

WARNING - Contactsleutel Kinderen alleen achterlaten in de auto met de contactsleutel is gevaarlijk, zelfs als de contactsleutel niet in het contact steekt. Kinderen doen graag volwassenen na en zouden de sleutel in het contactslot kunnen steken. Met de contactsleutel is het mogelijk voor kinderen om de elektrisch bedienbare ruiten te openen of andere bedleningsorganen in werking te stellen. Het is zelfs mogelijk dat ze de motor starten, zaken waarvan ernstig lichamelijk letsel het gevolg kan zijn. Laat kinderen nooit zonder toezicht achter met de contactsleutels in de auto.

WAARSCHUWING

Gebruik uitsluitend een originele KIA-contactsleutel in uw auto. Als er een imitatiesleutel wordt gebruikt, kan het gebeuren dat het contactslot na het aanslaan van de motor niet van stand START naar stand ON terugkeert. Hierdoor blijft de startmotor continu draaien en kan er schade ontstaan aan de startmotor. Tevens kan er brand ontstaan als gevolg van oververhitting in de bedrading.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

Startblokkeersysteem

(indien van toepassing)

Uw auto is uitgerust met een elektronisch startblokkeersysteem om de kans op ongeoorloofd gebruik te verminderen. De startblokking bestaat uit een kleine transponder in de contactsleutel en elektronische systemen in de auto. Wanneer u uw contactsleutel in het contactslot steekt en het contact in stand ON zet, controleert het startblokkeersysteem of de sleutel geldig is.

Als wordt bepaald dat de sleutel geldig is, kan de motor worden gestart. Als wordt bepaald dat de sleutel niet geldig is, kan de motor niet worden gestart.

Uitschakelen van de startblokkering: Steek de sleutel in het contact en zet het contact in stand ON.

Activeren van het

startblokkeersysteem:

Zet het contact in stand OFF. De startblokkering wordt automatisch geactiveerd. Zonder geldige sleutel kan de motor niet worden gestart.

WAARSCHUWING

Bewaar geen reservesleutels in uw auto, om diefstal van uw auto te voorkomen. Uw wachtwoord van de startblokkering is uniek en strikt persoonlijk. Bewaar het nummer niet ergens in uw auto.

*AANWIJZING

Houd bij het starten van de motor andere sleutels met transponder uit de buurt. Anders start de motor mogelijk niet of kan hij vlak na het aanslaan weer afslaan. Bewaar de sleutels die u bij uw auto krijgt gescheiden van elkaar om problemen te voorkomen.

OPMERKING

Houd geen metalen voorwerpen in de buurt van de sleutel of het contactslot.

Deze metalen voorwerpen kunnen het signaal van de transponder storen, waardoor de motor niet kan worden gestart.

*AANWIJZING

Raadpleeg een officiële KIA-dealer als u extra sleutels nodig hebt of als u uw sleutels verliest.

OPMERKING

De transponder in uw contactsleutel is een belangrijk onderdeel van het startblokkeersysteem. Hij is ontworpen voor jarenlang probleemloos gebruik. Let op voor vocht, statische elektriciteit en een ruwe behandeling. Hierdoor kan de startblokkering defect raken.

! OPMERKING

Breng geen wijzigingen aan in het startblokkeersysteem. Hierdoor kan het systeem defect raken. Laat het systeem indien nodig controleren en repareren door een officiële KIA-dealer.

Storingen veroorzaakt door onjuiste afstelling of eigenhandige modificaties van het startblokkeersysteem vallen niet onder de fabrieksgarantie.

PORTIERVERGRENDELING MET AFSTANDSBEDIENING (INDIEN VAN TOEPASSING)

Type A

KIA Soul (2008) - PORTIERVERGRENDELING MET AFSTANDSBEDIENING (INDIEN VAN TOEPASSING) - 1

KIA Soul (2008) - PORTIERVERGRENDELING MET AFSTANDSBEDIENING (INDIEN VAN TOEPASSING) - 2

OAM049001A

Type B

KIA Soul (2008) - PORTIERVERGRENDELING MET AFSTANDSBEDIENING (INDIEN VAN TOEPASSING) - 3

OAM049097L

Werking centrale portiervergrendeling met afstandsbediening

D020101AUN-EE

Vergrendelen (1)

Druk op deze toets om alle portieren te vergrendelen.

Als alle portieren gesloten zijn, knipperen de alarmknipperlichten eenmaal om aan te geven dat de portieren vergrendeld zijn. Echter, als een portier open is, knipperen de alarmknipperlichten niet. Zodra alle portieren gesloten zijn, zullen de alarmknipperlichten alsnog knipperen.

D020102AUN

Ontgrendelen (2)

Druk op deze toets om alle portieren te ontgrendelen.

De alarmknipperlichten knipperen tweemaal om aan te geven dat alle portieren ontgrendeld zijn.

Na het indrukken van deze toets zullen de portieren automatisch vergrendeld worden tenzij u ze binnen 30 s opent

D020105AHM

Alarm (3, indien van toepassing)

De claxon klinkt en de alarmknipperlichten gaan ongeveer 30 seconden knipperen als langer dan 0,5 seconden op deze knop wordt gedrukt.

Druk op een willekeurige toets op de afstandsbediening om de claxon en alarmknipperlichten te stoppen.

D020104AUN-C1

Ontgrendelen achterklep

(4, indien van toepassing)

Als deze toets wordt ingedrukt (gedurende langer dan 1 s), wordt de achterklep ontgrendeld.

De alarmknipperlichten knipperen tweemaal om aan te geven dat de achterklep ontgrendeld is.

Na het indrukken van deze toets zal de achterklep automatisch vergrendeld worden tenzij u hem binnen 30 s opent.

Ook zal de achterklep automatisch vergrendeld worden als hij eenmaal geopend en gesloten wordt.

D020200AUN

Voorzorgsmaatregelen afstandsbediening

*AANWIJZING

In de volgende omstandigheden werkt de afstandsbediening niet:

  • Als de contactsleutel in het contactslot zit.
  • Als de afstandsbediening buiten het bereik is van de ontvanger (ongeveer 10 m [30 feet]).
  • Als de batterij in afstandsbediening (bijna) leeg is.
  • Als het signaal wordt geblokkeerd door andere auto's of objecten.
  • Als de buitentemperatuur extreem laag is.
  • Als de afstandsbediening zich in de buurt bevindt van een radiozender of een luchthaven, waardoor de normale werking van de afstandsbediening verstoord wordt.

Vergrendel en ontgrendel de portieren met de contactsleutel wanneer de afstandsbediening niet juist werkt. Neem contact op met een officiële KIA-dealer als de afstandsbediening niet goed werkt.

! OPMERKING

Zorg ervoor dat de afstandsbediening niet nat wordt. Beschadiging van de afstandsbediening door water of andere vloelstoffen, valt niet onder de fabrieksgarantie.

! OPMERKING

de Door het aanbrengen van wijzingen en aanpassingen waarvoor geen toestemming is verleend, kunnen de rechten van de gebruiker komen te vervallen. Als de portiervergrendeling met afstandsbediening door wijzigingen of aanpassingen waarvoor geen toestemming is verleend niet meer bediend kan worden, valt dit niet onder de fabrieksgarantie.

KIA Soul (2008) - ! OPMERKING - 1

Vervangen van batterij

De afstandsbediening is voorzien van een lithium batterij van 3 V, die bij normaal gebruik enkele jaren meegaat. Vervang de batterij op de volgende manier.

  1. Plaats een smal stukje gereedschap in de opening in wip het middelste dekseltje van de afstandsbediening los.
  2. Vervang de batterij door een nieuwe. Plaats de nieuwe batterij op de aangegeven manier met de pluskant "+" naar boven gericht.
  3. Plaats de batterij in omgekeerde volgorde van verwijderen.

Neem contact op met uw officiële KIA-dealer voor het programmeren van een vervangende afstandsbediening.

OPMERKING

  • De afstandsbediening ontworpen voor jarenlang probleemloos gebruik. Door vocht of statische elektriciteit kan de afstandsbediening echter defect raken. Raadpleeg voor vragen over het gebruik van de afstandsbediening of voor het vervangen van de batterij een officiële KIA-dealer.
  • Door het gebruik van een verkeerde batterij kan de afstandsbediening niet goed werken. Gebruik altijd de juiste batterij.
  • Laat de afstandsbediening om beschadiging te voorkomen niet vallen en stel hem niet bloot aan vocht, hitte of zonlicht.

is

SLOTEN

Ontgrendelen Vergrendeld OAM099003

D050100AUN-AM

Portiersloten van buitenaf vergrendelen/ontgrendelen

  • Draai de sleutel naar de voorzijde van de auto om het portier te ontgrendelen en naar de achterzijde om het portier te vergrendelen.
  • Als het portier met de sleutel wordt vergrendeld/ontgrendeld, zullen alle overige portieren en de achterklep gelijktijdig vergrendeld/ontgrendeld worden. (indien van toepassing)
  • De portieren kunnen ook met de afstandsbediening (indien van toepassing) worden vergrendeld en ontgrendeld.

- Trek de portiergreep na het ontgrendelen omhoog om het portier te openen.

- Druk het portier met de hand dicht om het te sluiten. Zorg ervoor dat de portieren goed dicht zitten.

*AANWIJZING

  • In een koud en nat klimaat werken de portiervergrendeling en portiermechanismen mogelijk niet door bevriezingsverschijnselen.
  • Als het portier een aantal keren snel achter elkaar wordt vergrendeld en weer ontgrendeld, ofwel met de sleutel ofwel met de schakelaar portiervergrendeling, zal de werking van het systeem tijdelijk worden onderbroken om beschadiging van de onderdelen te voorkomen.

KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 1

  • Druk om een portier zonder sleutel te vergrendelen de vergrendelknop (1) aan de binnenzijde in of zet de schakelaar portiervergrendeling (2) in stand Vergrendeld en sluit het portier (3).
  • Als het voorportier met de centrale vergrendelknop wordt vergrendeld, worden alle overige portieren gelijktijdig vergrendeld.

*AANWIJZING

Verwijder altijd de contactsleutel, bedien de parkeerrem, sluit alle ruiten en vergrendel alle portieren als u uw auto onbeheerd achterlaat.

Ontgrendelen 2 3 Vergrendeld OAM049005

Portiersloten van binnenuit vergrendelen/ontgrendelen

D050201AUN-TD

Met de vergrendelknop

  • Zet de vergrendelknop (1) in stand ONTGRENDELD om het portier te ontgrendelen. Het rode merkteken (2) op de knop zal zichtbaar worden.
  • Zet de vergrendelknop (1) in stand VERGRENDELD om het portier te vergrendelen. Als het portier juist vergrendeld is, zal het rode merkteken (2) op de knop niet zichtbaar zijn.
  • Trek aan de portiergreep (3) om het portier te openen.

  • Als aan de binnenste portiergreep van het voorportier wordt getrokken terwijl de vergrendelknop in de stand VERGRENDELD staat, wordt het portier ontgrendeld en kan het geopend worden. (indien van toepassing)

  • De voorportieren kunnen niet worden vergrendeld als de sleutel in het contact zit en het portier geopend is.

WAARSCHUWING

Storing portiervergrendeling Als de portierontgrendeling niet werkt terwijl u in de auto zit, probeer dan een van onderstaande mogelijkheden:

  • Ontgrendel de portieren herhaaldelijk (zowel elektronisch als handmatig) en trek tegelijkertijd aan de portiergreep.
  • Ontgrendel de overige portieren en trek aan de grepen, voor en achter.
  • Open een portierruit en gebruik de sleutel om het portier vanaf de buitenzijde te ontgrendelen.
  • Ga naar de bagageruimte en open de achterklep.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

Met schakelaar portiervergrendeling Schakel deze in door de toet portiervergrendeling in te drukken.

Kenmerken van uw auto

  • Als op het voorste deel (1) van de schakelaar portiervergrendeling wordt gedrukt, worden alle portieren vergrendeld.
  • Als op het achterste deel (2) van de schakelaar portiervergrendeling wordt gedrukt, worden alle portieren ontgrendeld.
  • Als de sleutel echter nog in het contact zit en een van beide voorportieren geopend is, kunnen de portieren niet worden vergrendeld door op het voorste deel (1) van de schakelaar portiervergrendeling te drukken.
  • De portieren moeten tijdens het rijden altijd volledig gesloten en vergrendeld blijven om het onverwachts openen van de portieren te voorkomen. Vergrendelde portieren schrikken ook mogelijke indringers af wanneer de auto langzaam rijdt of stopt.
  • Let bij het openen van portieren goed op of er geen ander verkeer aankomt. Anders kan er schade of letsel ontstaan.

WAARSCHUWING - Ontgrendelde auto

Als u de auto niet vergrendeld achterlaat, geeft u gelegenheid tot diefstal. Verwijder altijd de contactsleutel, bedien de parkeerrem, sluit alle ruiten en vergrendel alle portieren als u uw auto onbeheerd achterlaat.

WAARSCHUWING

Kinderen alleen achterlaten Een afgesloten auto kan binnenin erg warm worden, waardoor achtergelaten kinderen of huisdieren die niet uit de auto kunnen komen, letsel kunnen oplopen. Bovendien kunnen kinderen ernstig gewond raken door het bedienen van bepaalde systemen in de auto. Laat kinderen en huisdieren nooit zonder toezicht achter in de auto.

D050300AHM

Portierontgrendelsysteem (indien van toepassing)

Alle portieren worden automatisch ontgrendeld wanneer de airbags door een aanrijding worden geactiveerd.

KIA Soul (2008) - Portierontgrendelsysteem (indien van toepassing) - 1

Kinderslot op portierslot achter

Het kinderslot zorgt ervoor dat kinderen de achterportieren niet per ongeluk van binnenuit kunnen openen. Schakel het kinderslot altijd in als u gaat rijden met kinderen.

  1. Open de achterklep.
  2. Zet het kinderslot aan de achterkant van het portier in stand VERGRENDELD. Als het kinderslot in stand VERGRENDELD (♂ staat, kan het achterportier niet van binnenuit worden geopend.

  3. Sluit het achterportier.

Het achterportier kan worden geopend met de buitenste handgreep (1).

Zelfs als het achterportier niet is vergrendeld, kan het portier niet met de binnenste portiergreep (2) worden geopend, totdat het kinderslot wordt uitgeschakeld.

WAARSCHUWING - Vergrendeling achterportieren

Als kinderen tijdens het rijden per ongeluk de achterportieren openen, kunnen ze uit de auto vallen en ernstig letsel oplopen. Om te voorkomen dat kinderen de achterportieren van binnenuit openen, dienen de kindersloten gebruikt te worden zodra er kinderen in de auto worden meegenomen.

ACHTERKLEP
KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - Vergrendeling achterportieren - 1

Open van de achterklep

  • De achterklep wordt samen met de portieren vergrendeld of ontgrendeld met behulp van de sleutel, de afstandsbediening of de schakelaar voor de portiervergrendeling.
  • De achterklep kan ook apart worden ontgrendeld met behulp van de ontgrendeltoets op de afstandsbediening.(indien van toepassing) Als de achterklep eenmaal geopend en gesloten wordt, zal hij automatisch vergrendelen.
  • Indien de achterklep ontgrendeld is, kunt u hem openen door de hendel in te drukken en de klep omhoog te trekken

*AANWIJZING

In een koud en nat klimaat werken de portiervergrendeling en portiermechanismen mogelijk niet door bevriezingsverschijnselen.

KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 1

WAARSCHUWING

De achterklep klapt naar boven open. Zorg dat er niemand bij de achterzijde van de auto staat als u de achterklep opent.

OPMERKING

Controleer of de achterklep gesloten is voordat u met de auto gaat rijden. Er kan schade ontstaan aan de gasveren van de achterklep en de bevestigingsmaterialen, als u de achterklep niet sluit voordat u gaat rijden.

D070200AUN

Sluiten van de achterklep

Trek de achterklep naar beneden en druk hem stevig vast om hem te sluiten. Zorg ervoor dat de achterklep goed vergrendeld is.

KIA Soul (2008) - Sluiten van de achterklep - 1

WAARSCHUWING - Uitlaatgas

Als u met een geopende achterklep rijdt, worden gevaarlijke uitlaatgassen in het interieur gezogen, hetgeen kan leiden tot ernstig letsel.

Wanneer het noodzakelijk is dat u met een geopende achterklep rijdt, houd dan de uitstroomopeningen en alle ruiten open, zodat extra frisse lucht in het interieur stroomt.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - Uitlaatgas - 1

WAARSCHUWING - Bagageruimte

Passagiers dienen niet plaats te nemen in de bagageruimte, waar geen veiligheidsgordels aanwezig zijn. Om bij een aanrijding of plotseling remmen letsel te voorkomen, dienen inzittenden altijd hun veiligheidsgordel te dragen.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - Bagageruimte - 1

Uw auto is uitgerust met een ontgrendelgreep aan de onderzijde van de achterklep om de achterklep in geval van nood vanaf de binnenzijde van de auto te kunnen openen. Als lemand per ongeluk opgesloten raakt in de bagageruimte, kan hij de achterklep van binnenuit openen door aan de hendel te trekken en de achterklep open te drukken.

WAARSCHUWING

  • Zorg ervoor dat u weet waar de hendel zich bevindt zodat u zich in noodgevallen kunt bevrijden uit de bagageruimte.
  • Vervoer nooit personen in de bagageruimte van de auto. De bagageruimte is een uiterst gevaarlijke locatie in geval van een aanrijding.
  • Gebruik de ontgrendelhendel alleen in noodgevallen. Wees uiterst voorzichtig tijdens het rijden.

Kenmerken van uw auto

RUITEN
KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

In een koud en nat klimaat werken de elektrisch bedienbare ruiten mogelijk niet door bevriezingsverschijnselen.

DOB0100AUN

Om de ruiten elektrisch te kunnen bedienen moet het contact in stand ON staan. leder portier is voorzien van een schakelaar voor de bediening van de desbetreffende ruit. De bestuurder beschikt echter over een blokkeerschakelaar waarmee de ruitbediening van de schakelaars op de overige portieren uitgeschakeld kan worden.

De ruiten kunnen worden bediend tot ca. 30 seconden nadat het contact in stand ACC of LOCK is gezet of de contactsleutel is verwijderd. Als de voorportieren echter zijn geopend, kunnen de ruiten niet worden bediend als de sleutel uit het contact wordt verwijderd.

*AANWIJZING

Wanneer tijdens het rijden de achterruiten geopend zijn of het schuif-/kanteldak (gedeeltelijk) geopend is, ondervindt u mogelijk hinderlijk windgeruis. Dit is normaal en kan worden verminderd of verholpen door het volgende te doen. Wanneer windgeruis optreedt terwijl een achterruit geopend is of beide achterruiten geopend zijn, kunt u beide voorruiten een paar centimeter laten zakken. Wanneer u windgeruis ondervindt terwijl het schuif-/kanteldak geopend is, kunt u het dak een iets sluiten.

KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 1

Ruiten openen en sluiten

Het bestuurdersportier beschikt over een hoofdschakelaar, waarmee alle ruiten van de auto kunnen worden bediend.

Druk de desbetreffende schakelaar aan de voorzijde in of trek deze omhoog om een ruit te openen of te sluiten tot het eerste zware punt (5).

5 5 6 OAM049012

D080102AUN
Automatische ruitbediening (indien van toepassing)
(ruit bestuurdersportier)
Door de schakelaar kortstondig in te drukken tot de tweede stand (6), wordt de ruit automatisch geheel geopend, zelfs als de schakelaar wordt losgelaten. Om de ruitbeweging te stoppen, kan de schakelaar kortstondig omhoog worden getrokken.

KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 3

D080104AHM-U1
Blokkeertoets ruitbediening
- De bestuurder kan de schakelaars van de ruitbediening voor een portier uitschakelen door de blokkeerschakelaar in het bestuurdersportier in te drukken.
- Als de blokkeerschakelaar van de ruitbediening is ingedrukt, kunnen de ruiten ook niet worden bediend met de hoofdschakelaars in het bestuurdersportier.

OPMERKING

  • Open of sluit telkens maar één ruit tegelijk. Anders kan de elektrische ruitbediening beschadigd raken. Hierdoor zal bovendien de zekering langer meegaan.
  • Probeer nooit tegelijkertijd de hoofdschakelaar voor de ruitbediening in het bestuurdersportier en de afzonderlijke schakelaar voor de ruitbediening in tegengestelde richting in te drukken. In dat geval stopt de ruit en kan deze niet meer worden geopend of gesloten.

MOTORKAP

  • Laat de contactsleutel NOOIT achter in de auto.
  • Laat een kind NOOIT zonder toezicht achter in de auto. Ook zeer jonge kinderen kunnen per ongeluk de auto in beweging zetten, bekneld raken tussen de portierruiten of zichzelf of anderen letsel toebrengen.
  • Controleer altijd zorgvuldig of er zich geen armen, handen of andere belemmeringen in de buurt bevinden voordat een ruit gesloten wordt.
  • Laat kinderen niet met de ruitbediening spelen. Laat de blokkeerschakelaar voor de ruitbediening in de stand VERGRENDELD (ingedrukt) staan. Het onbedoeld bedienen van een ruit kan vooral bij kinderen tot letsel leiden.
  • Steek tijdens het rijden de armen en het gezicht niet naar buiten.

KIA Soul (2008) - MOTORKAP - 1

Motorkap; openen van

  1. Trek aan de ontgrendelknop om de motorkap te ontgrendelen. De motorkap komt iets omhoog.

KIA Soul (2008) - Motorkap; openen van - 1

  1. Ga naar de voorzijde van de auto en til de motorkap iets op. Trek de veiligheidshaak in het midden van de motorkap naar u toe en til de motorkap omhoog.

KIA Soul (2008) - Motorkap; openen van - 2

3.Trek de steun uit de motorkap.
4. Ondersteun de motorkap met de steun.

Pak de steun altijd vast bij het deel dat omwikkeld is met rubber. Het rubber voorkomt dat u zich brandt aan het hete metaal als de motor warm is.

D090200APA

Sluiten van motorkap

  1. Controleer de volgende punten alvorens de motorkap te sluiten:

- Of alle vuldoppen correct teruggeplaatst zijn.

- Of er geen handschoenen, doeken of andere brandbare materialen in de motorruimte zijn achtergebleven.

  1. Zet de steun vast in de clip om te voorkomen dat hij gaat rammelen.

  2. Laat de motorkap zakken tot ongeveer 30 cm (1 ft) boven zijn gesloten positie en laat de motorkap los. Controleer of de motorkap vergrendeld is.

WAARSCHUWING

- Controleer voor het sluiten van de motorkap of er geen zaken in de motorruimte zijn achtergebleven die het sluiten zouden kunnen hinderen. Als geprobeerd wordt de motorkap te sluiten terwijl er nog iets in de motorruimte is achtergebleven, kan dat schade aan de motorkap of letsel veroorzaken.

- Laat geen handschoenen, doeken of andere brandbare materialen achter in de motorruimte. Deze zouden door de hitte in brand kunnen vliegen.

WAARSCHUWING

- Controleer altijd nogmaals of de motorkap goed vergrendeld is alvorens met de auto te gaan rijden. Als de motorkap niet goed vergrendeld is, zou hij tijdens het rijden open kunnen gaan, waardoor het zicht voor de bestuurder belemmerd wordt en een aanrijding het gevolg kan zijn.

- De steun moet goed in de opening geplaatst worden als u controles in de motorruimte uitvoert. Dat voorkomt dat de motorkap plotseling naar beneden valt en letsel veroorzaakt.

- Verplaats de auto niet als de motorkap omhoog staat omdat dan het zicht belemmerd wordt en de motorkap naar beneden kan vallen of beschadigd kan worden.

TANKDOPKLEP

KIA Soul (2008) - TANKDOPKLEP - 1

Openen van de tankdopklep

De tankdopklep moet van binnenuit worden geopend door aan de ontgrendelingshendel te trekken.

*AANWIJZING

Tik zachtjes op de tankdopklep of druk er voorzichtig tegenaan als deze is vastgevroren om het ijs te breken en open daarna de tankdopklep. Wrlk de tankdopklep niet los. Spuit de tankdopklep indien nodig in met ruitontdoor (gebruik geen koelvloeistof) of zet de auto op een warme plaats om het ijs te laten smelten.

KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 1

  1. Zet de motor uit.

  2. Druk op de knop om de tankdopklep te openen.

  3. Open de tankdopklep (1).
  4. Draai de tankdop (2) linksom om deze te verwijderen.
  5. Vul de tank met brandstof.

D100200AUN

Sluiten van de tankdopklep

  1. Plaats de dop terug en draai hem rechtsom totdat deze klikt. Dat geeft aan dat de dop goed vastzit.
  2. Sluit de tankdopklep en druk deze goed dicht.

D100300AUN

KIA Soul (2008) - Sluiten van de tankdopklep - 1

WAARSCHUWING -

Tanken

  • Als de onder druk staande brandstof naar buiten spuit, kan deze op uw kleding of huid terechtkomen en kan er brandgevaar ontstaan. Verwijder de tankdop altijd voorzichtig en langzaam. Als er brandstof naar buiten komt of er een sissend geluid hoorbaar wordt, moet u even wachten voordat u de dop verder losdraait.
  • Probeer de tank niet verder te vullen nadat het vulpistool automatisch is afgeslagen.
  • Controleer altijd of de tankdop goed vastgedraaid is, om morsen van brandstof in geval van een aanrijding te voorkomen.

WAARSCHUWING -

Gevaren bij het tanken

Brandstof is licht ontvlambaar. Neem bij het tanken de volgende richtlijnen in acht. Het niet opvolgen van deze richtlijnen kan leiden tot ernstig persoonlijk letsel als gevolg van brand of een explosie.

- Lees alle waarschuwingen bij het tankstation en neem ze in acht

- Kijk vóór het tanken altijd of er een noodknop voor het afsluiten van de brandstof is bij de brandstofpomp.

- Raak, voordat u de tankdop en vulopening aanraakt, altijd even een ander metalen deel van de auto aan, op voldoende afstand van de vulopening, om brandgevaar als gevolg van statische elektriciteit te voorkomen.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Stap niet in de auto nadat u begonnen bent met tanken omdat u door het aanraken van of wrijven tegen iets (polyester, satijn, nylon, enz.) statisch geladen kunt zijn. Statische elektriciteit kan brandstofdampen doen ontbranden, wat explosiegevaar oplevert. Als u tijdens het tanken toch terug in de auto moet stappen, raak ook dan even een metalen deel aan de voorzijde van de auto aan om eventuele statische elektriciteit kwijt te raken. - Als u een jerrycan wilt vullen, plaats deze dan op de grond. Een met statische elektriciteit geladen jerrycan kan brandstofdampen doen ontbranden. Zodra u begint te tanken, dient u contact te maken met de auto tot het tanken is voltooid.

Gebruik alleen jerrycans die geschikt zijn voor brandstof.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Maak tijdens het tanken geen gebruik van een mobiele telefoon. Elektrische stroom en/of elektronische storing van mobiele telefoons kan brandstofdampen doen ontbranden.

- Zet de motor uit vóór het tanken. De elektrische onderdelen van de motor kunnen vonken produceren die brandstofdampen kunnen doen ontbranden. Controleer na het tanken of de tankdop en de tankdopklep goed dicht zijn voordat u de motor start.

- Gebruik GEEN lucifers aansteker en ROOK NIET. Laat ook geen brandende sigaret achter in de auto terwijl u gaat tanken. Brandstof is licht ontvlambaar en explosief.

- Als er tijdens het tanken brand uitbreekt, verlaat dan onmiddellijk de auto en breng de manager van het tankstation, de politie en de brandweer op de hoogte. Volg hun veiligheidsinstructies op.

OPMERKING

• Tank alleen loodvrije benzine.
- Gebruik, als de tankdop vervangen moet worden, uitsluitend een originele KIA-dop of een andere, voor uw auto geschikte dop. Een verkeerde tankdop kan een ernstige storing in het brandstofsysteem of het emissieregelsysteem veroorzaken.
- Mors geen brandstof op de buitenzijde van de auto. Brandstof kan de lak aantasten.
- Controleer altijd of de tankdop goed vastgedraaid is, om morsen van brandstof in geval van een aanrijding te voorkomen.

SCHUIF-/KANTELDAK (INDIEN VAN TOEPASSING)

KIA Soul (2008) - SCHUIF-/KANTELDAK (INDIEN VAN TOEPASSING) - 1

Indien uw auto is uitgerust met een schuif-/kanteldak, kunt u dit met behulp van de hendel in de dakconsole openschuiven of kantelen.

Het schuif-/kanteldak kan elektrisch geopend, gesloten en gekanteld worden wanneer het contact in stand ON staat.

*AANWIJZING

  • In een koud en nat klimaat werkt het schulf-/kanteldak mogelijk niet door bevrlezingsverschijnselen.
  • Veeg na het wassen van de auto en na een regenbui het schuif-/kanteldak eerst droog alvorens het te openen.

OPMERKING

Bedlen de hendel niet meer als het schuif-/kanteldak volledig is geopend, gesloten of gekanteld. Hierdoor kunnen de motor en andere onderdelen beschadigd raken.

*AANWIJZING

Het schulf-/kanteldak kan niet opengeschoven worden wanneer het gekanteld is en niet gekanteld worden als het geopend is.

WAARSCHUWING

Verstel het schuif-/kanteldak of het zonnescherm niet tijdens het rijden. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen waardoor een ongeluk met ernstig letsel of schade het gevolg kan zijn.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

Open-/dichtschuiven van het schuif-/kanteldak

Voor het openen of sluiten van het schuif-/kanteldak (handmatige bediening), trekt u de hendel van het schuif-/kanteldak naar achteren of u drukt deze naar voren in de eerste stand.

Als u de hendel van het schuif-/kanteldak omlaag trekt, sluit het schuif-/kanteldak ook.

Het schuff-/kanteldak automatisch openen:

Trek de hendel van het schuif-/kanteldak naar achteren in de tweede stand en laat deze dan los. Het schuif-/kanteldak schuit dan automatisch open, maar niet volledig. Als u het schuif-/kanteldak volledig wilt openen, trekt u nogmaals aan de hendel. Maar als voor de tweede keer aan de hendel wordt getrokken, schuit het dak alleen open terwijl aan de hendel wordt getrokken.

Beweeg de hendel kort naar voren of naar achteren om het schuiven van het schuif-/kanteldak te stoppen.

Het schuif-/kanteldak automatisch sluiten:

Duw de hendel van het schuif-/kanteldak naar voren in de tweede stand en laat deze dan los. Het schuif-/kanteldak zal automatisch volledig sluiten.

Beweeg de hendel kort naar voren of naar achteren om het schuiven van het schuif-/kanteldak te stoppen.

KIA Soul (2008) - Het schuif-/kanteldak automatisch sluiten: - 1

Automatisch omkeren van bewegingsrichting

Als tijdens het automatisch sluiten van het schuif-/kanteldak het dak weerstand ondervindt omdat er een voorwerp of lichaamsdeel door het dak naar buiten is gestoken, schuift het dak automatisch een stukje terug en stopt het met bewegen.

Het automatisch omkeren van de bewegingsrichting vindt niet plaats als er een plat obstakel tussen het glaspaneel en de schuifdakrand aanwezig is. Controleer voor het sluiten of er geen lichaamsdelen of objecten door het schuif-/kanteldak naar buiten zijn gestoken.

KIA Soul (2008) - Automatisch omkeren van bewegingsrichting - 1

Kantelen van het schuif-/kanteldak

Druk om het schuif-/kanteldak automatisch open te kantelen de hendel omhoog in de tweede stand. Het schuif-/kanteldak zal volledig omhoog kantelen. Bedien de hendel van het schuif-/kanteldak om het kantelen in een willekeurige stand te onderbreken.

Voor het sluiten van het schuif-/kanteldak trekt u de hendel omlaag tot het schuif-/kanteldak in de gewenste stand staat.

WAARSCHUWING - Schuif-/kanteldak

  • Zorg ervoor dat er geen hoofden, handen of andere lichaamsdelen tussen het schuif-/kanteldak en de carrosserie bekneld kunnen raken als het schuif-/kanteldak gesloten wordt.
  • Steek tijdens het rijden de armen, het hoofd of andere lichaamsdelen niet buiten de auto.
  • Zorg ervoor dat de handen en het hoofd zich op een veilige afstand van het schuif-/kanteldak bevinden, alvorens het schuif-/kanteldak te sluiten.

OPMERKING

  • Verwijder van tijd tot tijd het vuil dat zich verzameld heeft op de geleiderail.
  • Wanneer u het schulf-/kanteldak probeert te openen bij temperaturen onder het vriespunt, of als het dak bedekt is met sneeuw of ijs, kan het glaspaneel of de motor beschadigd raken.
  • Het zonnescherm schuift gelijktijdig met het schuif-/kanteldak open. Laat het zonnescherm niet dichtzitten als het schuif-/kanteldak geopend is.

KIA Soul (2008) - OPMERKING - 1

Het zonnescherm wordt automatisch met het glaspaneel geopend wanneer dit openschuift. U moet het echter handmatig sluiten.

D110500AHM-EE

Resetten van het schuif- /kanteldak

U moet het schuif-/kanteldak als volgt resetten wanneer de accu losgenomen of ontladen is geweest:

1.Zet het contact in stand ON.
2. Handel, afhankelijk van de stand van het schuif-/kanteldak, als volgt.

1) Als het schuif-/kanteldak volledig gesloten of gekanteld is:

Duw de hendel van het schuif-/kanteldak omhoog tot het dak geheel omhoog kantelt.

2) Als het schuif-/kanteldak open is: Duw de hendel van het schuif-/kanteldak naar voren tot het dak geheel sluit. Duw de hendel van het schuif-/kanteldak omhoog tot het dak geheel omhoog kantelt.

  1. Laat de hendel van het schuif- /kanteldak los.

  2. Duw de hendel van het schuif-/kanteldak omhoog (ongeveer 10 seconden) tot het schuif-/kanteldak is teruggekeerd naar zijn oorspronkelijke gekantelde positie nadat het een beetje hoger dan de maximale gekantelde positie is gezet. Laat de hendel dan los.

  3. Duw de hendel van het schuif-/kanteldak omhoog (ongeveer 6 seconden) tot het schuif-/kanteldak als volgt werkt;

OMLAAG KANTELEN →OPEN SCHUIVEN →DICHT SCHUIVEN

Hierna is het schuif-/kanteldak gereset.

STUURWIEL

D130200APB

Elektronische stuurbekrachtiging (indien van toepassing)

De stuurbekrachtiging reduceert de benodigde stuurkracht door gebruik te maken van een elektromotor. Bij een niet-draaiende motor of bij een defecte stuurbekrachtiging blijft de auto bestuurbaar, maar is de benodigde stuurkracht veel groter.

De elektromotor die voor de bekrachtiging zorgt, wordt geregeld door een module die de elektromotor aanstuurt op basis van signalen over het stuurkoppel en de rijsnelheid.

Het verdraaien van het stuurwiel wordt zwaarder wanneer de rijsnelheid toeneemt en lichter wanneer de snelheid afneemt. Hierdoor heeft u een betere controle over het stuurwiel.

Indien u merkt dat onder normale omstandigheden het sturen van de auto zwaarder gaat dan normaal, moet u de stuurbekrachtiging door een officiële KIA Erkend Reparateur laten controleren.

*AANWIJZING

De volgende symptomen kunnen zich tijdens normaal gebruik voordoen:

- Het waarschuwingslampje EI brandt niet.

- Het draaien aan het stuurwiel gaat zwaarder nadat het contact in stand ON wordt gezet. Dat gebeurt EPS-systeem een zelfdiagnose uitvoert. Als de zelfdiagnose voltooid is, gaat het draaien aan het stuur weer net zo licht als anders.

- Er kan een klikkend geluid hoorbaar zijn van het EPS-relais na het in stand ON of LOCK zetten van het contact.

- Het geluid van de elektromotor is mogelijk hoorbaar als de auto stilstaat of met lage snelheid rijdt.

- De benodigde stuurkracht kan plotseling toenemen als het EPS-systeem wordt uitgeschakeld om ernstige ongelukken te voorkomen als er tijdens de zelfdiagnose een storing in het EPS-systeem ontdekt wordt.

- De benodigde stuurkracht neemt toe als het stuurwiel voortdurend wordt gedraaid wanneer de auto niet in beweging is.

Na een paar minuten gaat het draaien aan het stuurwiel weer net zo licht als anders.

D130300AUN

Verstelbare stuurkolom

Een verstelbare stuurkolom maakt het mogelijk het stuurwiel af te stellen voordat u gaat rijden. Daarnaast kunt u het stuurwiel omhoog kantelen zodat uw benen meer ruimte hebben bij het in- en uitstappen.

Het stuurwiel moet zo worden afgesteld dat u een tijdens het rijden een comfortabele positie achter het stuur kunt vinden en tegelijkertijd een goed zicht heeft op de waarschuwingslampjes en meters/tellers in het instrumentenpaneel.

WAARSCHUWING

- Stel het stuurwiel nooit af tijdens het rijden. Als u dat wel doet, kunt u de macht over het stuur verliezen waardoor ongevallen en letsel veroorzaakt kunnen worden.

- Controleer na het afstellen of het stuurwiel goed vastzit.

(indien van toepassing)

Druk de vergrendeling (1) omlaag, zet het stuurwiel in de gewenste stand (2) en trek de vergrendeling weer omhoog om het stuurwiel te blokkeren. Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 2

Om te claxonneren, drukt u op het claxonsymbool op het stuurwiel.

Controleer regelmatig de werking van de claxon.

*AANWIJZING

Om te claxonneren, drukt u het gedeelte van het stuurwiel bij het claxonsymbool (zie afbeelding). De claxon wordt alleen bediend wanneer op dit gedeelte wordt gedrukt.

! OPMERKING

Om de claxon te bedienen hoeft u niet op het claxongedeelte te slaan. Druk het claxongedeelte niet in met een scherp voorwerp.

Kenmerken van uw auto

SPIEGELS

D140100AHM

Binnenspiegel

Stel de binnenspiegel zo af dat u in het midden van de spiegel het midden van de achterruit ziet. Stel de spiegel af voordat u gaat rijden.

KIA Soul (2008) - Binnenspiegel - 1

Zorg er indien mogelijk voor dat het uitzicht door de achterruit niet belemmerd wordt.

KIA Soul (2008) - Binnenspiegel - 2

WAARSCHUWING

Probeer de achteruitkijkspiegel niet te verstellen tijdens het rijden. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen waardoor een ongeluk met ernstig letsel of schade het gevolg kan zijn.

Nochtstand Dagstand OAM049023

D140101AUN-C1

Binnenspiegel met dag-/nachtstand (indien van toepassing)

Stel de spiegel af voordat u wegrijdt en deze in de dag-stand staat.

Trek de hendel onder aan de spiegel naar u toe om de spiegel in de nachtstand te zetten om verblinding door de koplampen van achteropkomend verkeer te voorkomen.

Houd er rekening mee dat het beeld in de spiegel in de nachtstand minder duidelijk is dan in de dagstand.

D140102AUN

Elektrochromatische binnenspiegel (ECM - Electric chromic mirror) (indien van toepassing)

De elektrochromatische binnenspiegel voorkomt automatisch verblinding door achteropkomend verkeer. De sensor in de spiegel registreert de lichtinval en absorbeert door middel van een chemische reactie de weerspiegelingen van de koplampen van achteropkomende auto's.

Zodra de motor draait, worden de lichtreflecties automatisch gedimd.

Als de selectiehendel in de achteruitstand (R) wordt gezet, wordt de binnenspiegel in de helderste stand gezet om het uitzicht naar achteren zo duidelijk mogelijk te maken.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 2

OPMERKING

Gebruik voor het reinigen van de spiegel een papieren doekje of vergelijkbaar materiaal dat vochtig is gemaakt met glasreiniger. Spuit niet direct glasreiniger op de spiegel. Hierdoor kan er glasreiniger in de spiegel komen.

Achterutrijscherm (indien van toepassing) Sensor Controlelampje 1 OAM049025

Bedienen van elektrische binnenspiegel:

- De standaardinstelling voor de binnenspiegel is AAN als het contact in stand ON staat.

- Druk op de AAN/UIT-knop (1) om de automatische dimfunctie uit te schakelen. Het spiegelcontrolelampje dooft.

Druk op de AAN/UIT-knop (1) om de automatische dimfunctie in te schakelen. Het spiegelcontrolelampje zal gaan branden.

D140200AUN C1

Buitenspiegel

Stel de spiegels af voordat u gaat rijden. Uw auto is uitgerust met zowel een linker als een rechter buitenspiegel. De spiegels kunnen elektrisch versteld worden met de schakelaar (indien van toepassing). De spiegels kunnen worden ingeklapt om beschadigingen in een automatische wasserette of bij het rijden door een smalle straat te voorkomen.

  • De rechter buitenspiegel is convergerend. Bij uitvoeringen voor sommige landen is ook de linker buitenspiegel convergerend. Objecten in de spiegel zijn daardoor dichterbij dan ze lijken.
  • Gebruik bij het veranderen van rijstrook daarom uw binnenspiegel of kijk opzij om de werkelijke afstand tot het achteropkomende verkeer vast te stellen

OPMERKING

Gebruik geen krabber om de spiegel ijsvrij te maken; hierdoor kan het spiegelglas beschadigd raken. Forceer een bevroren spiegel niet tijdens het verstellen. Verwijder ijs met een rultontdooler of met een spons of zachte doek en heet water.

! OPMERKING

Forceer de buitenspiegel niet als deze vastgevroren is. Spuit de buitenspiegel indien nodig in met ruitontdooier (gebruik geen koelvloelstof) of zet de auto op een warme plaats om het ijs te laten smelten.

WAARSCHUWING

Klap de buitenspiegels niet in en verstel ze ook niet tijdens het rijden. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen waardoor een ongeluk met ernstig letsel of schade het gevolg kan zijn.

Kenmerken van uw auto

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

D140201APB
Afstellen
Handmatig (Indien van toepassing)
Verstel de buitenspiegel door de hendel aan de binnenzijde te bewegen.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 2

Elektrisch (indien van toepassing)

Met behulp van de schakelaar kunt u de linker en rechter buitenspiegel elektrisch verstellen. Zet de keuzeschakelaar (1) in de stand R of L afhankelijk van de spiegel die u wilt verstellen. Druk vervolgens op het desbetreffende deel van de bedieningsschakelaar om de spiegel naar boven of naar beneden, naar links of rechts te verstellen.

Zet de schakelaar na het verstellen terug in het midden om te voorkomen dat de spiegel onbedoeld wordt versteld.

OPMERKING

- De spiegels stoppen hun beweging als de maximale stelhoek bereikt is. De stelmotor blijft echter draaien zolang de schakelaar ingedrukt blijft. Houd de schakelaar niet langer ingedrukt dan nodig om te voorkomen dat de stelmotor beschadigd wordt.

- Probeer de spiegels nooit met de A01band te verstellen. Op die manier kan er schade ontstaan.

KIA Soul (2008) - OPMERKING - 1

Pak de buitenspiegel bij de behuizing vast en klap deze naar achteren.

KIA Soul (2008) - OPMERKING - 2

Elektrisch (indien van toepassing)

Druk op de toets om de buitenspiegel in te klappen.

Druk nogmaals op de toets om hem uit te klappen.

OPMERKING

De elektrisch bedlenbare buitenspiegel werkt ondanks het felt dat het contact in stand LOCK staat. Stel om te voorkomen dat de accu leegraakt, de spiegels niet langer dan noodzakelijk af als de motor niet loopt.

OPMERKING

Klap een elektrisch bedienbare buitenspiegel nooit in met de hand. Hierdoor kan de motor beschadigd raken.

INSTRUMENTENPANEEL

x1000rpm 2 3 1 4 5 6 0 1 50℃ 2 3 0 4 5 6 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200 220 CRUSSE SET 130 4 50 6 7 TPMS EPS DVQ OFF 0 1 5 6 7 8 9 10 11 12 13

  1. Toerenteller
  2. Controlelampjes richtingaanwijzers
  3. Snelheidsmeter
  4. Temperatuurmeter
  5. Waarschuwings- en controlelampjes
  6. Schakelstandindicator*

(Alleen automatische transmissie)

  1. Kilometerteller/Boordcomputer*
  2. Brandstofmeter
    * : Indien van toespassing

* Het aanwezige Instrumentenpaneel kan afwijken van de afbeelding.

Zie "Meters en tellers" op de volgende bladzijden voor meer informatie.

KIA Soul (2008) - INSTRUMENTENPANEEL - 2

Meters

D150201AHM

Snelheidsmeter

De snelheidsmeter geeft de snelheid aan als de auto vooruit rijdt.

De snelheidsmeter is gekalibreerd in kilometers per uur en/of mijl per uur.

KIA Soul (2008) - Meters - 1

Diesel
KIA Soul (2008) - Meters - 2
OAM049032

D150202AFD

Toerenteller

De toerenteller geeft het aantal omwentelingen per minuut (omw/min) bij benadering weer.

Gebruik de toerenteller om de juiste schakelmomenten te kiezen en voorkom dat de motor zwaar moet trekken of met te hoge motortoerentallen draait.

De naald van de toerenteller kan licht bewegen wanneer het contact in stand ACC of ON staat en de motor uit is. Deze beweging is normaal en beïnvloedt de nauwkeurigheid van de toerenteller niet als de motor eenmaal draait.

OPMERKING

Zorg ervoor dat het motortoerental niet toeneemt tot in het rode gebied.

Hierdoor kan ernstige motorschade ontstaan.

Type A Type B
130 50- H C-

OAM049033L/OAM049033

D150203AUN-C1

Temperatuurmeter

Wanneer het contact in stand ON staat, geeft deze meter de koelvloeistoftemperatuur weer.

Blijf niet rijden met een oververhitte motor. Raadpleeg OVERVERHITTING in hoofdstuk 6 wanneer de motor oververhit raakt.

OPMERKING

Als de naald van de meter buiten het normale bereik komt en in de richting van stand "130°C/H" beweegt, duidt dit op oververhitting van de motor, waardoor schade aan de motor kan ontstaan.

WAARSCHUWING

Verwijder de radiateurdop nooit als de motor heet is. De koelvloeistof staat onder druk en kan door verwijderen van de radiateurdop naar buiten spuiten, waardoor ernstige brandwonden kunnen ontstaan. Wacht totdat de motor is afgekoeld alvorens het reservoir bij te vullen met koelvloeistof.

Type A
KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

Type B
KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 2
OAM049034L/OAM049034

D150204AHM-EE-C1

Brandstofmeter

De brandstofmeter geeft bij benadering de hoeveelheid brandstof aan die nog in de tank aanwezig is. De inhoud van de brandstoftank staat in hoofdstuk 8. De brandstofmeter is tevens voorzien van een waarschuwingslampje laag brandstofniveau dat gaat branden als de brandstoftank bijna leeg is.

Bij hellingen en bochten beweegt mogelijk de naald van de brandstofmeter, knippert mogelijk het waarschuwingslampje laag brandstofniveau, of gaat het waarschuwingslampje laag brandstofniveau mogelijk branden doordat de brandstof in de brandstoftank heen en weer beweegt.

Het is gevaarlijk als de auto zonder brandstof komt te staan. Vul de brandstoftank zo snel mogelijk als het waarschuwingslampje gaat branden of als de naald van de brandstofmeter de "0/E" nadert.

OPMERKING

Voorkom rijden met een extreem laag brandstofniveau. Het leegrijden van de tank kan leiden tot overslaan van de motor en overbelasting van de katalysator.

TSBP OAM049035

D150205AAM

Kilometerteller/dagteller (indien van toepassing)

De keuze voor kilometerteller, dagteller A of B kan worden gewijzigd door de TRIP-toets gedurende minder dan 1 s in te drukken.

KIA Soul (2008) - D150205AAM - 1
OAM049030L OUN029208K

D150205AUN-C1

Kilometerteller (km of mijl)

De kilometerteller geeft de totale afstand aan die met de auto gereden is.

De kilometerteller is ook een nuttig instrument om te bepalen wanneer periodiek onderhoud nodig is.

*AANWIJZING

Het wijzigen van de kilometerstand met de bedoeling de weergegeven kilometerstand te veranderen, is verboden. Het wijzigen van de kilometerstand kan resulteren in het vervallen van de garantie.

KIA Soul (2008) - D150205AAM - 2

KIA Soul (2008) - D150205AAM - 3

D150206ATD-C1

Dagteller (km of mijl)

TRIP A : Dagteller A

In deze stand wordt de afstand weergegeven die is afgelegd sinds de dagteller voor het laatst gereset werd.

Door de TRIP-toets langer dan 1 s ingedrukt te houden als het scherm met de dagteller (A of B) wordt weergegeven, wordt de dagteller teruggezet naar nul (0,0).

D150300AUN

Waarschuwings- en controlelampjes

De waarschuwingslampjes kunnen worden gecontroleerd door het contact in stand ON te zetten (start de motor niet). Ieder lampje dat niet gaat branden, moet worden gecontroleerd door een officiële KIA-dealer.

Controleer nadat de motor aanslaat of alle waarschuwingslampjes uit zijn. Eventuele lampjes die nog branden, kunnen op een storing duiden. Het waarschuwingslampje van het remsysteem moet uitgaan zodra de parkeerrem vrij is. Het waarschuwingslampje laag brandstofniveau blijft branden als er nog maar weinig brandstof in de tank zit.

D150302AUN

Waarschuwingslampje AIRBAG

(indien van toepassing)

Dit lampje zal ongeveer 6 seconden gaan knipperen iedere keer dat het contact in stand ON wordt gezet.

Dit lampje zal ook gaan branden als het aanvullend veiligheidssysteem niet goed werkt. Als het waarschuwingslampje AIR BAG niet gaat branden of als het ook blijft branden als er na het in stand ON zetten van het contact 6 seconden verstreken zijn of de motor gestart is, of als het gaat branden tijdens het rijden, laat dan het aanvullend veiligheidsysteem controlleren door een officiële KIA-dealer.

KIA Soul (2008) - D150205AAM - 4

KIA Soul (2008) - D150205AAM - 5

Controlelampje airbag voorpassagier UIT (indien van toepassing)

Het controlelampje airbag voorpassagier UIT brandt gedurende ongeveer 4 s nadat het contact in stand ON is gezet.

Het controlelampje airbag voorpassagier UIT zal ook gaan branden als de AAN/UIT-schakelaar voor de airbag in de stand UIT staat en zal uitgaan als de AAN/UIT-schakelaar in de stand AAN wordt gezet.

OPMERKING

Als er een defect optreedt in de AAN/UIT-schakelaar zal het controlelampje airbag voorpassagier UIT niet branden en zal de airbagmodule de airbag voor de voorpassagler bij een frontale aanrijding activeren, ook al staat de schakelaar voor het AAN/UIT-schakelen van de airbag in de stand UIT.

Laat in dat geval de AAN/UIT- schakelaar voor de airbag en het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren door een officiële KIA- dealer.

Kenmerken van uw auto

D150303AUN

Waarschuwingslampje ABS (indien van toepassing)

KIA Soul (2008) - Kenmerken van uw auto - 1

Dit lampje gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet en gaat na ongeveer 3 s uit als het systeem in orde is.

Als het waarschuwingslampje ABS blijft branden, gaat branden tijdens het rijden of niet gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet, is er een storing in het ABS aanwezig.

Laat in dat geval uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer. Het normale remsysteem werkt in dat geval nog wel maar het antiblokkeersysteem niet.

Waarschuwingslampje EBD

Als tijdens het rijden twee waarschuwingslampjes gelijktijdig gaan branden, dan zit er een probleem in het ABS- of EBD-systeem. In dat geval werken het antiblokkeersysteem en het remsysteem misschien niet normaal. Laat de auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer

KIA Soul (2008) - Kenmerken van uw auto - 2

KIA Soul (2008) - Kenmerken van uw auto - 3

KIA Soul (2008) - Kenmerken van uw auto - 4

WAARSCHUWING

Als zowel het waarschuwingslampje ABS als het waarschuwingslampje remsysteem brandt en blijft branden, zal het remsysteem niet normaal werken. Er kan dus een onverwachte en gevaarlijke situatie ontstaan bij plotseling remmen. Vermijd in dit geval hard rijden en plotseling remmen. Laat uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.

D150304AED

Waarschuwingssysteem voor de veiligheidsgordels

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

Als herinnering voor bestuurder en passagiers gaat telkens als het contact in stand ON wordt gezet het waarschuwingslampje van de veiligheidsgordels gedurende 6 seconden knipperen of branden. Zie voor meer informatie Veiligheidsgordels in hoofdstuk 3.

D150307AUN

Oliedruklampje

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 2

Dit waarschuwingslampje geeft aan dat de oliedruk van de motor laag is.

Als het waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden:

  1. Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto tot stilstand.

  2. Controleer het motoroliepeil wanneer de motor uit is.Vul indien nodig olie bij wanneer het peil laag is.

Neem contact op met een officiële KIA-dealer als het waarschuwingslampje na het bijvullen blijft branden of als er geen olie beschikbaar is.

APMERKING

Als de motor niet direct uit wordt gezet nadat het oliedruklampje is gaan branden, kan er ernstige motorschade ontstaan.

OPMERKING

Als het oliedruklampje blijft branden terwijl de motor draait, kan er ernstige motorschade ontstaan. Het oliedruklampje gaat branden als de oliedruk te laag is. Onder normale omstandigheden moet het lampje gaan branden als het contact in stand ON gezet wordt en moet het uit gaan als de motor gestart is. Als het oliedruklampje blijft branden terwijl de motor draait, is er sprake van een ernstig defect.

Breng in dat geval de auto zo snel mogelijk op een veilige plaats tot stilstand, zet de motor uit en controleer het motoroliepel. Vul indien nodig olie bij tot het juiste niveau en start de motor. Zet de motor direct weer uit als het lampje blijft branden. Als het oliedruklampje blijft branden terwijl de motor draalt mag er niet verder met de auto worden gereden zolang de motor nog niet door een officiële KIA-dealer gecontroleerd is.

D150305ATD

Richtingaanwijzers

KIA Soul (2008) - OPMERKING - 1

De knipperende groene pijlen geven aan aan welke kant van de auto de richtingaanwijzers knipperen. Als de pijl gaat branden maar niet knippert, sneller knippert dan normaal of helemaal niet gaat branden, is er een defect in het richtingaanwijzersysteem aanwezig. Neem voor reparatie contact op met uw dealer.

Dit controlelampje gaat ook knipperen wanneer de schakelaar voor de alarmknipperlichten ingedrukt wordt.

D150306AUN

Dit controlelampje gaat branden als het grootlicht wordt ingeschakeld of een lichtsignaal wordt gegeven.

Kenmerken van uw auto

D150306BAM

Controlelampje dimlicht

KIA Soul (2008) - Kenmerken van uw auto - 1

Dit controlelampje gaat branden wanneer de koplampen (dimlicht) branden.

D150309AUN

Controlelampje

mistlampen vóór

(indien van toepassing)

KIA Soul (2008) - Kenmerken van uw auto - 2

Dit lampje gaat branden als de mistlampen vóór worden ingeschakeld.

D150310APB

Controlelampje

mistlampen achter

(indien van toepassing)

KIA Soul (2008) - Kenmerken van uw auto - 3

Dit lampje gaat branden als de mistlampen achter worden ingeschakeld.

D150308BUN

Waarschuwingslampje remsysteem

KIA Soul (2008) - Kenmerken van uw auto - 4

Waarschuwing ingeschakelde parkeerrem Dit lampje gaat branden wanneer het contact in stand START of ON wordt gezet en de parkeerrem ingeschakeld is. Zodra de parkeerrem niet langer meer is aangetrokken en de motor draait, moet het lampje UIT zijn.

Waarschuwing laag remvloeistofniveau Als het waarschuwingslampje bl branden, kan dit duiden op een la remvloeistofpeil in het reservoir.

Handel als volgt wanneer het waarschuwingslampje blijft branden:

  1. Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand.

  2. Schakel de motor uit en controleer het remvloeistofpeil direct. Vul indien nodig remvloeistof bij. Controleer alle onderdelen van het remsysteem op lekkage.

  3. Rijd niet met de auto als het waarschuwingslampje aan blijft of als de remmen niet goed werken. Laat de auto naar een officiële KIA-dealer transporteren om het remsysteem te laten controleren en zonodig te laten repareren.

Uw auto is uitgerust met een diagonaal gescheiden remsysteem. Dat betekent dat als er in een van de remcircuits een probleem optreedt, u de auto met het overgebleven remcircuit tot stilstand kunt brengen. Als er een van de remcircuits is uitgevallen, wordt de slag van het rempedaal groter en moet er meer druk op het rempedaal worden uitgeoefend om de auto tot stilstand te brengen. Verder zal in dat geval de remweg toenemen. Schakel bij een defect in het remsysteem terug om sterker op de motor af te kunnen remmen en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand.

Controleer of het waarschuwingslampje van het remsysteem in orde is en brandt als het contact in stand ON staat.

WAARSCHUWING

Rijden met een auto waarvan het waarschuwingslampje brandt, is gevaarlijk. Laat het remsysteem direct controleren en repareren door een officiële KIA-dealer als het waarschuwingslampje remsysteem blijft branden.

D150312AUN

Schakelstandindicator (indien van toepassing)

In het display wordt weergegeven welke van de stand van de selectiehendel geselecteerd is.

D150339ASA

Controlelampje O/D OFF (indien van toepassing)

Dit lampje zal gaan branden als het O/D-systeem uitgeschakeld is.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 2

D150313AUN

Waarschuwingslampje laadsysteem

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 3

Dit waarschuwingslampje duidt op een storing in de dynamo of in het laadsysteem. Handel als volgt als het lampje gaat branden tijdens het rijden:

  1. Rijd naar de dichtstbijzijnde veilige locatie.
  2. Schakel de motor uit en controleer of de dynamoriem onvoldoende spanning heeft of gebroken is.
  3. Als de dynamoriem in orde is, bevindt het probleem zich in het laadsysteem. Laat de auto zo snel mogelijk repareren door een officiële KIA-dealer.

Kenmerken van uw auto

D150315AUN

Waarschuwingslampje open achterklep

Dit waarschuwingslampje gaat branden als de achterklep niet goed gesloten is (in alle standen van het contact).

D150316AUN

Waarschuwingslampje open portier

Dit waarschuwingslampje gaat branden als een portier niet goed gesloten is (in alle standen van het contact).

KIA Soul (2008) - Kenmerken van uw auto - 1

KIA Soul (2008) - Kenmerken van uw auto - 2

D150317AUN

Controlelampje startblokkeersysteem (indien van toepassing)

Dit lampje gaat branden als de sleutel in het contact gestoken wordt en naar stand ON wordt gedraaid.

Op dat moment kunt u de motor starten. Het lampje dooft nadat de motor is aangeslagen.

Laat het systeem controleren door een officiële KIA-dealer wanneer het lampje gaat knipperen als het contact in stand ON staat en de motor nog niet is gestart.

KIA Soul (2008) - Kenmerken van uw auto - 3

D150318AUN-C1

Waarschuwingslampje laag brandstofniveau

KIA Soul (2008) - Kenmerken van uw auto - 4

Dit waarschuwingslampje geeft aan dat de brandstoftank bijna leeg is. Als dit lampje gaat branden, moet u zo spoedig mogelijk tanken. Doorrijden met een brandend waarschuwingslampje voor een laag brandstofniveau of een lager brandstofniveau dan "0" op de brandstofmeter, kan leiden tot overslaan van de motor en beschadiging van de katalysator (indien van toepassing).

D150320AUN

Controlelampje motormanagement (MIL) (indien van toepassing)

Dit controlelampje maakt deel uit van het motorregelsysteem dat verschillende onderdelen van het emissieregelsysteem in de gaten houdt. Als dit lampje tijdens het rijden gaat branden, geeft het aan dat een mogelijk probleem gesignaleerd is in de emissieregelsystemen.

Dit lampje gaat ook branden als het contact in stand ON wordt gezet en gaat een paar seconden nadat de motor gestart is weer uit. Laat uw auto door de dichtstbijzijnde officiële KIA-dealer controleren als het lampje tijdens het rijden gaat branden of als het niet gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet.

Over het algemeen kunt u, als dit lampje gaat branden, nog wel verder rijden met uw auto maar moet u het systeem zo snel mogelijk door een officiële KIA-dealer laten controleren.

KIA Soul (2008) - Kenmerken van uw auto - 5

OPMERKING

  • Wanneer u langere tijd met een brandend controlelampje motormanagement blijft doorrijden, kan schade aan de emissieregelsystemen ontstaan. Dit kan een nadelige invloed hebben op de rijprestaties en/of het brandstofverbruik.
  • Wanneer het controielampje motormanagement gaat branden, kan de katalysator beschadigd zijn. Hierdoor kan het motorvermogen teruglopen. Laat het motorregelsysteem zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.

! OPMERKING - Dieselmotor (indien van toepassing)

Laat het roetfiltersysteem controleren door een officiële KIA-dealer als het controlelampje motormanagement gaat branden (rijd niet verder dan 50 km/31 mijl met een brandend lampje)

D150323AUN-AM

Controlelampje ESP (voertuigstabiliteitsregeling) (Indien van toepassing)

Het controlelampje EPS gaat branden op het moment dat het contact in stand ON wordt gezet en moet na ongeveer 3 seconden weer doven. Als de voertuigstabiliteitsregeling is ingeschakeld, registreert dit systeem de rijomstandigheden. Zolang deze normaal zijn, blijft het controlelampje ESP uit. Zodra het systeem registreert dat de wielen door willen gaan slippen, wordt de voertuigstabiliteitsregeling geactiveerd en gaat het controlelampje ESP knipperen.

Maar als het ESP-systeem defect is, gaat het controlelampje branden en blijft aan. Laat de auto controleren door een officiële KIA-dealer.

KIA Soul (2008) - ! OPMERKING - Dieselmotor (indien van toepassing) - 1

D150324AUN-EE-C1 Controlelampje ESP OFF (indien van toepassing)

KIA Soul (2008) - ! OPMERKING - Dieselmotor (indien van toepassing) - 2

Het controlelampje EPS OFF gaat branden op het moment dat het contact in stand ON wordt gezet en moet na ongeveer 3 seconden weer doven. Druk op de schakelaar ESP OFF om de voertuigstabiliteitsregeling uit te schakelen. Het controlelampje ESP OFF gaat branden om aan te geven dat het systeem is uitgeschakeld.

Kenmerken van uw auto

D150334ASA

Waarschuwingslampje elektronische

stuurbekrachtigng (EPS) (indien van toepassing)

Dit Waarschuwingslampje gaat aan als het contact in stand ON is gezet en gaat vervolgens weer uit nadat de motor wordt gestart.

Dit lampje gaat ook branden als er problemen zijn in het ESP-systeem. Laat uw auto controleren door een officiële KIA-dealer als het lampje tijdens het rijden gaat branden.

EPS

D150325AUN-C1

Controlelampje CRUISE (indien van toepassing)

Controlelampje CRUISE

Het controlelampje gaat branden wanneer het cruise control-systeem wordt ingeschakeld.

Raadpleeg voor meer informatie over het gebruik van de cruise control "Cruise control-systeem" in hoofdstuk 5.

Controlelampje SET

CRUISE

SET

Het controlelampje gaat branden als de functie SET- of RES+ van de cruise control is ingeschakeld.

D150331AAM

Waarschuwingslampje lage bandenspanning (indien van toepassing)

KIA Soul (2008) - Kenmerken van uw auto - 1

De waarschuwingslampjes lage bandenspanning en positie lage bandenspanning gaan gedurende 3 seconden branden nadat het contact in stand ON is gezet.

Als het waarschuwingslampje niet gaat branden, werkt het controlesysteem lage bandenspanning niet goed.

Laat in dat geval uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.

Dit waarschuwingslampje gaat ook branden wanneer een of meerdere banden een te lage bandenspanning heeft/hebben. Zet de auto zo snel mogelijk stil en controleer de banden.

Wanneer de waarschuwingslampjes tijdens het rijden gaan branden, minder dan direct snelheid en zet de auto stil. Vermijd hard remmen en stuur niet overmatig bij. Breng de banden op de juiste spanning, zoals aangegeven op het voertuigplaatje.

WAARSCHUWING

- Te lage bandenspanning Een te lage bandenspanning zorgt ervoor dat de auto instabiel wordt en kan ervoor zorgen dat u de controle over de auto verliest en dat de remweg wordt verlengd. Doorrijden op banden met een te lage spanning heeft oververhitte en defecte banden tot gevolg.

Controlelampje storing TPMS (controlesysteen lage bandenspanning) (Indien van toepassing)

Het controlelampje storing TPMS gaat gedurende 3 seconden branden nadat het contact in stand ON is gezet. Als het waarschuwingslampje niet gaat branden of blijft branden als na het in stand ON zetten van het contact de 3 seconden van de lampcontrole verstreken zijn, werkt het controlesysteem lage bandenspanning niet goed. Laat in dat geval uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer. Het waarschuwingslampje gaat branden en blijft branden wanneer er een probleem aanwezig is in het controlesysteem lage bandenspanning. Wanneer dit gebeurt, wordt de bandenspanning mogelijk niet door het systeem gecontroleerd. Laat het systeem zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.

TPMS

WAARSCHUWING

  • Veilig stoppen
  • Het TPMS waarschuwt niet voor ernstige en plotselinge schade aan de banden veroorzaakt door externe factoren.
  • Als de auto instabiel aanvoelt, haal dan onmiddellijk uw voet van het gaspedaal, trap het rempedaal licht in en breng uw auto op een veilige plaats tot stilstand.

Kenmerken van uw auto

D150327AUN

Waarschuwingszoemer "sleutel in contactslot"

(indien van toepassing)

Als het bestuurdersportier geopend wordt en de contactsleutel zich nog in het contactslot bevindt in stand LOCK of ACC, zal de waarschuwingszoemer "sleutel in contactslot" klinken. Dit om te voorkomen dat u de auto afsluit en de sleutel in het contactslot laat zitten. De zoemer klinkt totdat de sleutel verwijderd is of het bestuurdersportier gesloten wordt.

D150328AUN

Controlelampje voorgloeien (dieselmotor)

Het controlelampje gaat branden zodra het contact in stand ON wordt gezet. De motor kan gestart worden zodra het controlelampje voorgloeien uitgaat. De voorgloeitijd is afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur, de luchttemperatuur en de conditie van de accu.

* AANWIJZING

Als de motor niet binnen 10 seconden wordt gestart nadat het voorgloecien is voltooid, zet het contact dan gedurende 10 seconden terug in stand LOCK en vervolgens weer in stand ON om de motor opnieuw voor te gloecien.

OPMERKING

Laat het systeem zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer wanneer het controlelampje voorgloeien blijft branden of gaat knipperen nadat de motor op bedrijfstemperatuur is of als het lampje gaat branden tijdens het rijden.

KIA Soul (2008) - OPMERKING - 1

D150329AUN

Waarschuwingslampje brandstofffilter (dieselmotor)

KIA Soul (2008) - OPMERKING - 2

Dit waarschuwingslampje gaat gedurende 3 s na het in stand ON zetten van het contact branden en gaat vervolgens weer uit. Als het lampje gaat branden bij een draaiende motor, wil dat zeggen dat er teveel water in het brandstofffilter aanwezig is. Als dat het geval is, moet het water in het brandstofffilter worden afgetapt. Zie voor meer informatie "Brandstofffilter" in hoofdstuk 7.

! OPMERKING

Als het waarschuwingslampje brandstofffilter brandt kan het motorvermogen (rijsnelheid en stationair toerental) afnemen. Als u blijft rijden met een brandend waarschuwingslampje, kan er schade ontstaan aan de motor of aan onderdelen van het common rail-systeem. Laat in dat geval uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.

PARKEERHULP (INDIEN VAN TOEPASSING)

Parkeerhulp OAM049036

D170000AEN
De parkeerhulp waarschuwt de bestuurder tijdens het achteruitrijden met een signaal zodra de afstand tussen de auto en een voorwerp achter de auto minder dan 120 cm wordt. Het systeem dient slechts als hulpmiddel en vermindert niet de noodzaak om voorzichtig te rijden. Het bereik van de parkeersensoren is beperkt en niet alle voorwerpen worden even goed opgemerkt. Blijf daarom altijd alert tijdens het achteruitrijden.

WAARSCHUWING

De parkeerhulp dient slechts als hulpmiddel. De werking van de parkeerhulp kan worden beïnvloed door verschillende factoren (inclusief de luchtverontreiniging). Het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder om het gebied achter de auto te controleren alvorens achteruit te rijden.

Werking van de parkeerhulp

D170101AEN

Werking

- Het systeem wordt ingeschakeld als de achteruitversnelling wordt ingeschakeld en het contact in stand ON staat. Bij een snelheid van meer dan 5 km/h wordt het systeem mogelijk niet juist geactiveerd.

- Het bereik van de parkeersensoren bedraagt ongeveer 120 cm.

- Als er zich meerdere voorwerpen achter de auto bevinden, zal het dichtstbijzijnde als eerste worden geregistreerd.

D170102AUN

Waarschuwingssignalen

- Als een voorwerp zich 120 - 81 cm van de achterbumper bevindt: Zoemer klinkt met tussenpozen

- Als een voorwerp zich 80 - 41 cm van de achterbumper bevindt: Zoemer klinkt vaker

- Als een voorwerp zich binnen 40 cm van de achterbumper bevindt: Zoemer klinkt onafgebroken.

D170200AEN

Gevallen waarin de parkeerhulp niet werkt

De parkeerhulp werkt mogelijk niet goed in de volgende gevallen:

  1. Er zit ijs op de sensor. (Het systeem werkt weer normaal zodra het ijs gesmolten is.)
  2. Er zit vuil, zoals sneeuw of water, of een andere substantie op de sensor. (De sensor werkt weer normaal zodra deze vrij is gemaakt.)
  3. Bij het rijden op oneffen wegen en op hellingen.
  4. Als bepaalde hoogfrequente geluiden, zoals claxons, motorfietsmotoren, luchtremmen van vrachtwagens, enz. binnen het bereik van de sensor aanwezig zijn.
  5. Bij zware regenval of opspattend water.
  6. Bij de aanwezigheid van afstandsbedieningen of mobiele telefoons binnen het bereik van de sensor.
  7. Als de sensor bedekt is met sneeuw.
  8. Aanhanger, rijden met.

Het sensorbereik kan in de volgende gevallen afnemen:

  1. Er zit vuil zoals sneeuw of water op de sensor. (De sensor werkt weer normaal zodra deze vrij is gemaakt.)
  2. Bij extreem hoge of la buitentemperaturen.

De volgende voorwerpen worden mogelijk niet opgemerkt door de sensoren:

  1. Smalle voorwerpen als touwen, kettingen enz.
  2. Voorwerpen die de hoogfrequente signalen van de sensor absorberen, zoals kleding, sponsachtige materialen en sneeuw.
  3. Bij voorwerpen lager dan 1 meter en smaller dan 14 cm.

D170300AEN

Waarschuwingen parkeerhulp

  • Het waarschuwingssignaal klinkt mogelijk niet regelmatig als het voorwerp achter de auto beweegt of een grillige vorm heeft.
  • De correcte werking van de parkeerhulp kan verstoord raken als de bumperhoogte of de inbouwpositie van de sensoren is gewijzigd of als de bumper of sensor beschadigd is. Achteraf gemonteerde accessoires kunnen het bereik van de sensoren beinvloeden.
  • Voorwerpen die kleiner zijn dan 40 cm worden mogelijk niet of niet goed geregistreerd. Wees alert.
  • Als de sensor bedekt is met sneeuw, vuil of water werkt deze mogelijk niet goed totdat deze weer schoon en droog is gemaakt met een zachte doek.
  • Druk of sla niet op de sensor en voorkom dat er krassen op de sensor komen. De sensor kan beschadigd raken.

*AANWIJZING

Het systeem werkt alleen in het gebied waar de parkeersensoren zijn geplaatst. Bovendien worden kleine of smalle voorwerpen als palen, of voorwerpen die zich tussen de verschillende sensoren bevinden mogelijk niet door de sensoren geregistreerd.

Kijk tijdens het achteruitrijden altijd waar u riidt.

Informeer bestuurders die onbekend zijn met de auto over de mogelijkheden en beperkingen van het systeem.

WAARSCHUWING

Wees extra voorzichtig als u dicht langs voorwerpen of personen, in het bijzonder kinderen, rijdt. Houd er rekening mee dat sommige voorwerpen mogelijk niet door de sensoren worden geregistreerd. Controleer altijd met eigen ogen of de weg vrij is.

D170400BUN

Zelfdiagnose

Als u geen waarschuwingsgeluid hoort of als de zoemer met tussenpozen klinkt als u de stand R inschakelt, kan dit duiden op een storing in de parkeerhulp. Laat in dat geval uw auto zo snel mogelijk controlleren door een officiële KIA-dealer.

WAARSCHUWING

Schade aan de auto en persoonlijk letsel, ontstaan vanwege het onjuist functioneren van de parkeerhulp, vallen niet onder de garantie. Rijd altijd veilig en voorzichtig.

ACHTERUITRIJCAMERA (INDIEN VAN TOEPASSING) ALARMKNIPPERLICHTEN

Achteruitrischem OAM049025L

KIA Soul (2008) - ACHTERUITRIJCAMERA (INDIEN VAN TOEPASSING) ALARMKNIPPERLICHTEN - 2

D330000AHM-EE
De achteruitrijcamera wordt geactiveerd als het achteruitrijlicht brandt met het contact in stand ON en de versnellingspook in de achteruitversnelling (R).

Dit is een aanvullend systeem dat de ruimte achter de auto weergeeft via de achteruitkijkspiegel terwijl u achteruit rijdt.

WAARSCHUWING

  • Dit systeem heeft alleen een aanvullende functie. Het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder om altijd in de binnen- en buitenspiegels te kiljken en de ruimte achter de auto te controleren voor en tijdens het achteruitrijden, omdat er een dode hoek is die met de camera niet gezien kan worden.
  • Zorg er voor dat de lens van de camera altijd schoon is. Als er vuil op de lens aanwezig is, werkt de camera mogelijk niet correct.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

De alarmknipperlichten moeten worden gebruikt als u door omstandigheden gedwongen bent de auto op een gevaarlijke plaats tot stilstand te brengen. Zet, als u de auto in noodsituaties tot stilstand moet brengen, de auto zo ver mogelijk naast de rijbaan. De alarmknipperlichten worden ingeschakeld door de schakelaar voor de alarmknipperlichten in te drukken. Hierdoor gaan alle richtingaanwijzers tegelijk knipperen. De alarmknipperlichten werken ook als de sleutel niet in het contactslot zit.

Druk nogmaals op de schakelaar voor de alarmknipperlichten om ze uit te schakelen.

LIGHTING

D190100AUN

Energiebesparingsfunctie

  • Deze functie voorkomt dat de accu ontladen raakt. Het systeem schakelt automatisch de parkeerlichten uit wanneer de contactsleutel verwijderd wordt of wanneer het portier aan bestuurderszijde wordt geopend.
  • De parkeerlichten worden automatisch uitgeschakeld als de auto in het donker langs de kant van de weg geparkeerd wordt.

Volg onderstaande procedure als de parkeerlichten moeten blijven branden wanneer de contactsleutel is verwijderd:

1) Open het portier bestuurderszijde.
2) Schakel de parkeerlichten UIT en AAN met de lichtschakelaar op de stuurkolom.

Typa
① ② ③ ④ 切 OAM049040L

Type B

3 2 1 OFF OFF OAM049040

D190400AUN-C1

Bediening verlichting

De lichtschakelaar heeft een stand voor het dimlicht en het parkeerlicht.

Draai, om de verlichting te bedienen, de knop op het uiteinde van de combischakelaar naar een van de volgende standen:

Als de lichtschakelaar in de stand parkeerlicht staat (1e stand), branden de achterlichten, het parkeerlicht, de kentekenplaatverlichting en de dashboardverlichting.

Kenmerken van uw auto

KIA Soul (2008) - Kenmerken van uw auto - 1

Als de lichtschakelaar in de stand dimlicht staat (2e stand), branden de koplampen, de achterlichten, het parkeerlicht, de kentekenplaatverlichting en de dashboardverlichting.

*AANWIJZING

Om de verlichting in te kunnen schakelen moet het contact in stand ON staan.

Type A OBK049050N

Type B

KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 2

Druk de combischakelaar van u af om het grootlicht in te schakelen. Trek de schakelaar naar u toe om het dimlicht in te schakelen.

Het controlelampje voor het grootlicht gaat branden wanneer het grootlicht wordt ingeschakeld.

Om te voorkomen dat de accu ontladen raakt, dient u de verlichting niet gedurende langere tijd te laten branden terwijl de motor niet draait.

KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 3

Trek de combischakelaar naar u toe om een lichtsignaal te geven. Als u de combischakelaar loslaat, keert deze weer terug naar zijn oorspronkelijke positie (dimlicht). De verlichting hoeft niet ingeschakeld te zijn om een lichtsignaal te kunnen geven.

Type A
A B B A OBK049051N

OBK049051N

Type B
A B B A C:\W040915\

OAM049045
D190600AUN-C1

Richtingaanwijzers

Om de richtingaanwijzers te laten werken, moet het contact in stand ON staan. Beweeg de combischakelaar omhoog of omlaag (A) om de richtingaanwijzers in te schakelen. De groene, pijlvormige controlelampjes op het instrumentenpaneel geven aan welke richtingaanwijzer in werking is.

Na het nemen van de bocht, worden de lampjes automatisch uitgeschakeld. Zet de combischakelaar handmatig terug in de middenstand als de richtingaanwijzers na een bocht blijven knipperen.

Beweeg de combischakelaar gedeeltelijk naar beneden of naar boven en houd hem vast (B) om een wisseling van rijstrook aan te geven. Als u de combischakelaar loslaat, keert deze weer terug naar zijn oorspronkelijke positie.

Wanneer een controlelampje blijft branden, niet knippert of abnormaal knippert, kunnen een of meer lampen doorgebrand zijn en dienen deze vervangen te worden.

*AANWIJZING

Als de richtingaanwijzer abnormaal snel of langzaam knippert, duidt dit op een kapotte lamp of een slecht contact in het circuit van de richtingaanwijzers.

Type A
KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 1

(indien van toepassing)

De mistlampen dienen voor een beter zicht en ter voorkoming van ongevallen onder omstandigheden waarbij het zicht sterk verminderd wordt door mist, regen, sneeuwwal enz. Zet de schakelaar mistlampen vóór (1) in stand ON om de mistlampen in te schakelen. Dit is alleen mogelijk als het dimlicht is ingeschakeld. Zet de schakelaar in stand OFF om de mistlampen uit te schakelen.

! OPMERKING

De mistlampen verbruiken zeer veel stroom. Gebruik de mistlampen alleen bij slecht zicht om te voorkomen dat de laadstroom volledig wordt gebruikt door de mistlampen en de accu leegraakt.

KIA Soul (2008) - ! OPMERKING - 1

Mistachterlicht (indien van toepassing)

Zet de schakelaar in stand ON om het mistachterlicht in te schakelen (1) als het dimlicht is ingeschakeld.

De mistachterlichten gaan branden als de schakelaar van de mistlampen vóór in de stand ON is gezet en de schakelaar voor de verlichting in de stand parkeerlicht staat.

Zet de schakelaar nogmaals in stand ON, of zet de combischakelaar uit om de mistachterlichten uit te schakelen.

D190900AAM

Motorvoertuigverlichting overdag (MVO) (indien van toepassing)

Door motorvoertuigenverlichting overdag (MVO) kunnen medeweggebruikers uw auto overdag beter zien. MVO kan onder verschillende rijomstandigheden handig zijn, maar vooral in de periode rond zonsopgang en zonsondergang.

De MVO wordt uitgeschakeld wanneer:

  1. De ingeschakeld. parkeerlichten worden

  2. De motor wordt afgezet.

*AANWIJZING

Als u de motorvoertuigverlichting overdag (MVO) uit wilt schakelen, open dan de zekeringkast motorruimte en plaats een reservezekering in de zekeringhouder die is aangegeven met DRL OFF.

KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 1

Koplampverstelling (indien van toepassing)

De koplamphoogte kan worden afgesteld en worden aangepast aan het aantal inzittenden en de hoeveelheid bagage in de auto door de schakelaar voor de koplamphoogte te verdraaien.

Hoe hoger het nummer op de schakelaar, hoe lager de hoogte van de lichtbundel. Zorg ervoor dat de koplampen niet te hoog staan om verblinding van andere weggebruikers te voorkomen.

Hieronder staan voorbeelden van een correcte afstelling. Stel bij een andere mate van belasting dan hieronder vermeld de koplampen af volgens de situatie in het overzicht die zoveel mogelijk aansluit bij de actuele situatie.

BeladingstoestandStand schakelaar
Alleen bestuurder0
Bestuurder + voorpassagier0
Alle zitplaatsen bezet1
Alle zitplaatsen bezet + Maximaal toelaatbare belading2
Bestuurder + Maximaal toelaatbare belading3

RUITENWISSERS EN RUITENSPROEIERS

Ruitenwisser en -sproeier
Type A A 2 1 - - O C Type B B A 0 - - 1 2 C Type C B A MIST OFF INT LO HI

Achterruitenwisser en -sproeier (indien van toepassing)
KIA Soul (2008) - RUITENWISSERS EN RUITENSPROEIERS - 2

A : Snelheidsregelknop ruitenwissers (Voor)

  • MIST - Eénmaal wissen
  • O / OFF - Uit
  • --- / INT - Intervalstand wissen
    · 1 / LO - Lage wissersnelheid
    · 2 / HI - Hoge wissersnelheid

B : Instelling lengte Interval

C : Sproeien en kort wissen (Voor)

D : Achterruitenwisser en -sproeier

- ON - Continu wissen

- - / INT - Intervalstan

(indien van toepassing)

· O / OFF - Uit

E : Sproeien en kort wissen (Achter)

OAM049047L/OBK049900L/OAM049100L/OAM049048L/OAM049048G/OAM049048N

D200100CAM

Ruitenwissers voor

De werking is als volgt als het contact in stand ON staat.

√/∧/: Druk voor een enkele MIST wisbeweging de bedieningsschakelaar in deze stand (√/MIST) vanuit stand OFF en laat hem weer los. De ruitenwissers zullen blijven werken zolang de schakelaar in deze stand wordt gehouden.

O / OFF : Ruitenwisser is uitgeschakeld

--- / INT : De ruitenwissers werken met regelmatige intervallen. Gebruik deze stand bij motregen of mist. Draai aan de snelheidsregelknop om de snelheid te wijzigen.

1 / LO : Normale wissersnelheid

2 / HI : Hoge wissersnelheid

*AANWIJZING

Maak de ruit vrij van sneeuw en ijs alvorens de ruitenwissers te gebruiken of ontdooi de voorruit gedurende 10 min. Anders werken de ruitenwissers mogelijk niet goed en kunnen ze beschadigd raken.

D200200BUN-C1

Ruitensproeier voorruit (Voor)

Trek de hendel naar voren om de ruitensproeier in te schakelen. Als de ruitenwisser in stand O (OFF) staat, zal deze 1-3 wisslagen maken.

Gebruik deze functie om de voorruit te reinigen.

De ruitensproeier en de ruitenwissers blijven werken tot u de hendel loslaat.

Controleer het peil van de ruitensproeiervloeistof als de ruitensproeiers niet werken. Vul het reservoir met een geschikte, niet schurende ruitensproeiervloeistof wanneer het peil te laag is.

De vulpijp van het reservoir bevindt zich vooraan in de motorruimte aan passagierszijde.

OPMERKING

Gebruik de ruitensproeiers niet wanneer het reservoir leeg is, om beschadiging van de ruitensproelerpomp te voorkomen.

WAARSCHUWING

Gebruik de ruitensproeiers niet bij temperaturen onder het vriespunt zonder eerst de voorruit met behulp van de voorruitontwaseming te hebben verwarmd; de vloeistof kan anders op de voorruit bevriezen en uw uitzicht belemmeren.

OPMERKING

- Schakel de ruitenwissers niet in als de ruit droog is om beschadiging van de wissers en de voorruit te voorkomen.

- Gebruik geen benzine, petroleum, thinner of andere opiosmiddelen in de buurt van de ruitenwisserbladen om beschadiging te voorkomen.

- Probeer de ruitenwissers nooit met de hand te bewegen om beschadiging van de ruitenwisserarmen en van andere onderdelen te voorkomen.

Kenmerken van uw auto

D200300CUN-EE-AM

Schakelaar achterruitenwisser en -sproeier (indien van toepassing)

De schakelaar voor de achterruitenwisser en -sproeier bevindt zich aan het uiteinde van de ruitenwisser- en sproeierschakelaar.

Zet de schakelaar in de gewenste stand om de achterruitenwisser en -sproeier te bedienen.

- / ONormale ruitenwisserbediening

- --- /INT - Interval (indien van toepassing)

- O / OFF - Ruitenwisser uitgeschakeld

Druk de hendel van u af om vloeistof op de ruit te sproeien en de achterruitenwissers 1-3 cycli te laten wissen.

De ruitensproeier en de ruitenwissers blijven werken tot u de hendel loslaat.

Laat de interieurverlichting niet te lang branden als de motor niet draait.

Hierdoor kan de accu ontladen raken.

KIA Soul (2008) - Schakelaar achterruitenwisser en -sproeier (indien van toepassing) - 1
D210200BUN C1/D210100AUN C1/D210200AHM EE C1

D210100AUN

Interieurverlichting

(1) Leeslampje

(indien van toepassing)

Druk op de schakelaar om het lampje aan of uit te schakelen. Dit lampje heeft een gerichte lichtbundel waarmee de bestuurder en de passagier in het donker een kaart of iets anders kunnen lezen.

(2) OFF

In stand OFF blijft de verlichting uit, zelfs als een portier wordt geopend.

Kenmerken van uw auto

(3) DOOR

In de stand DOOR gaat de interieurverlichting branden als er een portier geopend wordt, ongeacht de stand van het contact.

Als de portieren worden ontgrendeld met de afstandsbediening, blijft de interieurverlichting gedurende 30 s branden als het portier niet geopend wordt.

De interieurverlichting gaat 30 s na het sluiten van het portier langzaam uit. Als het contact in stand ON staat of alle portieren zijn vergrendeld als het portier wordt gesloten, zal de interieurverlichting echter direct uitgaan.

Als er een portier wordt geopend en het contact in stand ACC of LOCK staat, blijft de verlichting nog ongeveer 20 minuten. Als er een portier wordt geopend en het contact in stand ON staat, blijft de verlichting continu echter branden.

(4) ON

In stand AAN blijft de verlichting continu branden.

! OPMERKING

Laat de schakelaar niet gedurende langere tijd in deze stand staan als de motor niet draalt.

ONTWASEMING

D220000AUN

OPMERKING

Gebruik om beschadiging van de verwarmingsdraden te voorkomen nooit scherpe voorwerpen of reinigingsmiddelen met schurende bestanddelen om de achterruit te reinigen.

*AANWIJZING

Zie "Voorruit ontdooien en ontwasemen" in dit hoofdstuk als u condens en ijs van de voorruit wilt verwijderen.

KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 1
OAM049056

D220100AUN

De achterruitverwarming ontdoet de achterruit van rijp, condens en ijs als de motor is gestart.

Druk op de toets in de middenconsole om de achterruitverwarming in te schakelen. Het controlelampje in de toets gaat branden wanneer de achterruitverwarming ingeschakeld is.

Verwijder eerst eventueel aanwezige sneeuw van de achterruit voordat de achterruitverwarming ingeschakeld wordt.

De achterruitverwarming schakelt na ongeveer 20 minuten automatisch uit of wanneer het contact in stand LOCK wordt gezet. Druk de toets opnieuw in om de achterruitverwarming uit te schakelen.

D220101AUN

Buitenspiegelverwarming (indien van toepassing)

Als uw auto voorzien is van buitenspiegelverwarming zal deze gelijktijdig met de achterruitverwarming in werking treden.

Kenmerken van uw auto

HANDBEDIEND VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)

1 2 3 4 5 6 A/C MAX A/C SEAR

  1. Aanjagerknop
  2. Luchtcirculatieknop
  3. Temperatuurregelknop
  4. Luchttoevoertoets
  5. Toets achterruitverwarming
  6. Toets A/C (indien van toepassing)

D230000AUN-C1

OAM049057

D230100AUN-SA

Verwarming en airconditioning

  1. Start de motor.
  2. Zet de luchtcirculatietoets in de gewenste stand. Voor een effectieve verwarming en koeling:
  3. Verwarmen:
  4. Koelen:
  5. Stel de temperatuur in op de gewenste waarde.
  6. Schakel de stand BUITENLUCHT in met de luchttoevoertoets.
  7. Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
  8. Als u de uitstromende lucht gekoeld wilt hebben, kunt u het airconditioningssysteem aanzetten (indien van toepassing).

A A A B B D C C E OAM049061

KIA Soul (2008) - Verwarming en airconditioning - 2

De luchtcirculatieknop regelt de circulate van de lucht door het ventilatiesysteem. De lucht kan naar de voetenruimte, de uitstroomopeningen in het dashboard of naar de voorruit stromen. Er worden zes symbolen gebruikt om de standen MAX. KOELEN, VENTILEREN. BI-LEVEL, VERWARMEN. VERWARMEN/ ONTWASEMEN en ONTWASEMEN. De stand MAX KOELEN wordt gebruikt om het interieur van de auto sneller af te koelen.

KIA Soul (2008) - Verwarming en airconditioning - 3
Stand MAX A/C (B.D)

De lucht stroomt naar de romp en naar het hoofd. In deze stand worden de uitstroomopeningen en de hoeveelheid recirculatielucht automatisch geregeld.

KIA Soul (2008) - Verwarming en airconditioning - 4
Stand FACE (B, D)

De lucht stroomt naar de romp en naar het hoofd. Daarnaast kan iedere uitstroomopening versteld worden om de richting van de luchtstroom te wijzigen.

De lucht stroomt naar het hoofd en naar de voetenruimte.

De meeste lucht stroomt naar de voetenruimte en een klein gedeelte stroomt naar de voorruit en de zijruitontwaseming.

KIA Soul (2008) - Verwarming en airconditioning - 5

Stand FLOOR/DEFROST (A, C, E, D)

De meeste lucht stroomt naar de voetenruimte en de voorruit en een klein gedeelte stroomt door de zijruitontwaseming.

KIA Soul (2008) - Stand FLOOR/DEFROST (A, C, E, D) - 1

Stand DEFROST (A, D)

De meeste lucht stroomt naar de voorruit en een klein gedeelte stroomt door de zijruitontwaseming.

KIA Soul (2008) - Stand DEFROST (A, D) - 1

De uitstroomopening kan afzonderlijk worden geopend of gesloten met het horizontale wieltje.

Met de hendel in de ventilatieroosters kunt u de richting van de luchtstroom uit deze ventilatieroosters afstellen, zoals in de afbeelding is aangegeven.

A/C QAM049062

D230102AUN

Temperatuurregelknop

Met de temperatuurregelknop kunt u de temperatuur regelen van de lucht die door het ventilatiesysteem stroomt. Draai de knop naar rechts voor warme of hete lucht in het passagierscompartiment en naar links voor koelere lucht.

KIA Soul (2008) - Temperatuurregelknop - 1

Druk op de desbetreffende toets om de stand van de luchttoevoer te wijzigen.

Stand RECIRCULATIE

KIA Soul (2008) - Stand RECIRCULATIE - 1

Het controlelampje in de toets brandt als de stand RECIRCULATIE is dekozen.

In de stand RECIRCULATIE wordt de lucht uit het passagierscompartiment door het systeem gerecirculeerd en, afhankelijk van de gekozen functie, gekoeld of verwarmd.

Stand BUITENLUCHT

KIA Soul (2008) - Stand BUITENLUCHT - 1

Het controlelampje in de toets brandt als de stand BUITENLUCHT is gekozen. In de stand BUITENLUCHT stroomt de lucht van buitenaf in het passagierscompartiment. Deze lucht wordt, afhankelijk van de gekozen functie, verwarmd of gekoeld.

* AANWIJZING

Let op: door langdurg gebruik van de stand RECIRCULATIE kunnen de ruiten beslaan en zal de lucht in het passaglerscompartiment muf worden. Daarnaast kan de lucht in het passaglerscompartiment extreem droog worden bij langdurg gebruik van de airconditioning in de stand RECIRCULATIE.

WAARSCHUWING

  • Langdurig recirculeren kan leiden tot een verhoogde luchtvochtigheid in het interieur, waardoor de ruiten kunnen beslaan en het uitzicht belemmerd wordt.
  • Ga niet slapen in de auto wanneer het airconditioningssysteem of de verwarming ingeschakeld is. Door een afname van de zuurstofconcentratie en/of de lichaamstemperatuur kunnen de inzittenden letsel oplopen.
  • Langdurig recirculeren kan slaperigheid veroorzaken, waardoor de bestuurder de controle over de auto kan verliezen. Schakel daarom zo veel mogelijk de stand BUITENLUCHT in.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

Om de aanjager in te kunnen schakelen moet het contact in stand ON staan.

Met de aanjagerknop kunt u de aanjagersnelheid regelen. U draait de knop naar rechts voor een hogere snelheid en naar links voor een lagere snelheid.

Zet de aanjagerknop in stand 0 om de aanjager uit te schakelen.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 2

(indien van toepassing)

Druk op de toets A/C om de airconditioning in te schakelen (het controlelampje gaat branden). Druk nogmaals op de toets om de airconditioning uit te schakelen.

Werking systeem

D230501AUN

Ventilation

  1. Zet de luchtcirculatietoets in stand (7).
  2. Schakel de stand BUITENLUCHT in met de luchttoevoertoets.
  3. Stel de temperatuur in op de gewenste waarde.
  4. Zet de aanjager op de gewenste snelheid.

D230502AUN

Verwarmen

  1. Zet de luchtcirculatietoets in stand (√).
  2. Schakel de stand BUITENLUCHT in met de luchttoevoertoets.
  3. Stel de temperatuur in op de gewenste waarde.
  4. Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
  5. Als u de uitstromende lucht gedroogd wil hebben, kunt u het airconditioningssysteem aanzetten (indien van toepassing).
  6. Schakel de stand ( √ of ( ) in wanneer de voorruit beslaat.

Tips voor het gebruik

  • Om te voorkomen dat stof o onaangename geuren in het interieur van de auto terechtkomen, kan de schakelaar voor de luchttoeevoer tijdelijk in de stand RECIRCULATIE worden gezet. Selecteer de stand BUITENLUCHT weer zodra de bron van irritatie gepasseerd is om weer frisse lucht toe te laten tot het interieur. Frisse lucht is beter voor de fysieke gesteldheid van de bestuurder en bovendien aangenamer.
  • De lucht voor het verwarmings- en ventilatiesysteem wordt aangevoerd via de roosters in de paravan onder de voorruit. Zorg er daarom voor dat deze roosters niet geblokkeerd zijn door bladeren, speeuw of andere objecten
  • Voorkom dat de voorruit beslaat door de stand BUITENLUCHT te selecteren, de aanjager in de gewenste stand te zetten, de airconditioning in te schakelen en de gewenste temperatuur in te stellen.

D230503AUN-SA

Airconditioning

(indien van toepassing)

Alle KIA-airconditioningssystemen zijn gevuld met het milieuvriendelijke koudemiddel R-134a dat niet schadelijk is voor de ozonlaag.

  1. Start de motor. Druk op toets A/C.
  2. Zet de luchtcirculatietoets in stand (→).
  3. Schakel de stand BUITENLUCHT of RECIRCULATIE in met de toets luchttoevoer.
  4. Stel de aanjagersnelheid en de temperatuur bij om een maximaal comfort te bereiken.
  5. Wanneer maximale koeling gewenst is, draai dan de temperatuurregelknop geheel naar links, kies de stand MAX A/C en schakel de aanjager in op de hoogste snelheid.

*AANWIJZING

• Houd de temperatuurmeter

nauwlettend in de gaten wanneer de airconditioning wordt gebruikt als u lange hellingen oprijdt of als u in druk verkeer rijdt blij hoge buitentemperaturen. Door het gebruik van het airconditioningssysteem kan de motor oververhit raken. Blijf de aanjager gebruiken en schakel het airconditioningssysteem uit wanneer de temperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit raakt.

- Bij het openen van de ruiten bij vochtig weer kan de airconditioning druppelvorming in het interieur veroorzaken. Omdat te veel vocht in het interieur schade aan elektrische componenten kan veroorzaken, mag de airconditioning alleen worden gebruikt als de ruiten gesloten zijn.

Aanwijzingen voor gebruik

airconditioning

- Open de ruiten een tijdje wanneer de auto tijdens warm weer in de volle zon geparkeerd is geweest, zodat de warme lucht naar buiten kan.

- Om het beslaan van de ruiten tijdens regenachtig weer te verminderen, kunt u de vochtigheidsgraad in het interieur terugbrengen door de airconditioning in te schakelen.

- Tijdens de werking van de airconditioning ziet u het motortoerental zo nu en dan iets veranderen wanneer de aircocompressor inschakelt. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem.

- Schakel de airconditioning iedere maand enkele minuten in om het systeem in een optimale staat te houden.

- Na gebruik van de airconditioning kan onder de rechterzijde van de auto een plas heldere vloeistof gelekt zijn. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem.

- Als de stand RECIRCULATIE wordt gebruikt wanneer het airconditioningssysteem ingeschakeld is, wordt wel een maximaal koeleffect bereikt, maar kan het gebruik van deze stand gedurende een langere tijd ertoe leiden dat de lucht in het interieur muf wordt.

- Tijdens het koelen voelt u mogelijk een licht vochtige luchtstroom door een snelle koeling en de toevoer van vochtige lucht. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem.

Bultenlucht Gerecirculeerde lucht Aanjager Interieurlfilter erdamper Kachelradiateur 1LDA5047

D230300AUN-TD

Interieurfilter

(indien van toepassing)

Het interieurfilter, dat achter het dashboardkastje is gemonteerd, filter de lucht die via het verwarmings- en airconditioningssysteem naar het interieur wordt gevoerd. Als het filter in de loop van de tijd verstopt raakt door stof en andere verontreinigingen, neemt de luchttoevoer via de uitstroomopeningen af en kan de voorruit aan de binnenzijde beslaan, ook al is de stand BUITENLUCHT gekozen. Laat, als dat het geval is, het interieurfilter vervangen door een officiële KIA-dealer.

*AANWIJZING

- Vervang het filter overeenkomstig het onderhoudsschema.

Als er onder ongunstige omstandigheden gereden wordt, bijvoorbeeld in een stoffige omgeving of op slechte wegen, moet het interieurfilter vaker worden gecontroleerd en indien nodig worden vervangen.

- Als de hoeveelheid uitstromende lucht plotseling sterk vermindert, moet het systeem door een officiële KIA-dealer worden gecontroleerd.

D230400AHM

Hoeveelheid koudemiddel en compressorolie controleren

Als er te weinig koudemiddel in het systeem zit, neemt de koelcapaciteit van de airconditioning af. Een teveel aan koudemiddel heeft ook nadelige effecten op de werking van de airconditioning.

Laat de auto controleren door een officiële KIA-dealer als het systeem niet correct functioneert.

! OPMERKING

Onderhoud aan het airconditioningssysteem moet worden uitgevoerd door een officiële KIA-dealer. Onjuist uitgevoerd onderhoud kan letsel veroorzaken bij degeen die het onderhoud uitvoert.

*AANWIJZING

Als de prestaties van het airconditioningssysteem teruggelopen zijn, is het belangrijk het systeem bij te vullen met de juiste soort en hoeveelheid olie en koudemiddel. Anders kan er schade aan de compressor ontstaan, waardoor het systeem niet meer goed functioneert.

VOORRUIT ONTDOOIEN EN ONTWASEMEN

D250000AUN

KIA Soul (2008) - VOORRUIT ONTDOOIEN EN ONTWASEMEN - 1

WAARSCHUWING -

Voorruitverwarming

Gebruik de standen (af () niet in combinatie met koelen bij een extreem hoge luchtvochtigheid. Door het temperatuurverschil tussen de buitenlucht en de voorruit, kan de voorruit plotseling beslaan, waardoor het zicht wegvalt. Zet in dat geval de luchtcirculatieknop of toets in de stand (en de aanjager op de laagste stand.

  • Draai de temperatuurknop volledig naar rechts (maximaal verwarmen) en zet de aanjagerknop op de hoogste snelheid om maximaal te ontdooien.
  • Zet de knop voor de luchtcirculatie in stand VERWARMEN/ONTWASEMEN, wanneer tijdens het ontdooien of ontwasemen warme lucht in de voetenruimte gewenst wordt.
  • Verwijder voor het rijden alle sneeuw en ijs van de voorruit, de achterruit, de buitenspiegels en alle zijruiten.
  • Verwijder alle sneeuw en ijs van de motorkap en van de luchtaanvoeropening in het paravanrooster om de werking van de kachel en het ventilatiesysteem te verbeteren en de kans op het beslaan van de voorruit te verminderen. Verwarmings- en ventilatiesysteem, handbediend

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - - 1

Verwarmings- en ventilatiesysteem, handbediend

D250101AUN-C1
Binnenzijde voorruit ontwasemen
1. Kies een willekeurige aanjagersnelheid, uitgezonderd stand 0.
2. Stel de gewenste temperatuur in.
3. Kies stand ( ) .
4. Het systeem schakelt de toevoer van buitenlucht en de airconditioning automatisch in.
Als de airconditioning en de stand BUITENLUCHT niet automatisch worden ingeschakeld, druk dan op de desbetreffende toetsen.

Kenmerken van uw auto

1 2 3 4 A/°C 1 2 3 4 1 2 3 4 OAM049067

D250300AUN

Ontwasemfunctie

Om de kans op beslaan van de binnenkant van de ruit tot een minimum te beperken, wordt de luchttoevoer of de airconditioning automatisch afgestemd op omstandigheden als het inschakelen van stand (of ( )Voer de volgende handelingen uit om de ontwasemfunctie uit te schakelen of te activeren.

OAM049067 OAM049068

D250102AUN-C1

Buitenzijde voorruit ontdooien

  1. Zet de aanjager in de hoogste stand (geheel naar rechts).
  2. Stel de temperatuur in op maximaal.
  3. Kies stand (图)
  4. Het systeem schakelt de toevoer van buitenlucht en de airconditioning automatisch in.

1 2 3 0 1 2 3 4

D250301AUN

Verwarmings- en ventilatiesysteem, handbediend

  1. Zet het contact in stand ON.

  2. Zet de luchtcirculatieknop in de stand ONTWASEMEN (1)

  3. Druk de luchttoevoertoets (binnen 3 seconden minimaal 5 keer in. Het controlelampje in de luchttoevoertoets (1 knippert vervolgens 3 keer met tussenpozen van 0,5 s. Dit geeft aan dat de ontwasemfunctie is uitgeschakeld of dat is teruggekeerd naar de geprogrammeerde status.

Als de accu te ver ontladen of losgekoppeld is geweest en weer opgeladen of aangesloten wordt, is de ontwasemfunctie standaard ingeschakeld.

OPBERGVAK

D270000AHM

In deze opbergvakken kunnen kleine voorwerpen voor bestuurder of passagiers worden bewaard.

! OPMERKING

  • Laat geen waardevolle spulien achter in de opbergvakken, om diefstal te voorkomen.
  • Houd de deksels van de opbergvakken tijdens het rijden gesloten. Plaats niet te veel voorwerpen in de opbergvakken om te voorkomen dat de deksels niet gesloten kunnen worden.

WAARSCHUWING -

Brandbare materialen

Bewaar geen aanstekers of andere brandbare of explosieve materialen in de auto. Deze kunnen ontploffen of vlam vatten wanneer de auto gedurende lange tijd blootgesteld staat aan hoge temperaturen.

KIA Soul (2008) - Brandbare materialen - 1

In deze opbergvakken kunnen kleine voorwerpen voor bestuurder of voorpassagier worden bewaard.

KIA Soul (2008) - Brandbare materialen - 2

Het dashboardkastje gaat automatisch als er aan de hendel getrokken wordt. Sluit het dashboardkastje na gebruik.

WAARSCHUWING

Houd het dashboardkastje tijdens het rijden altijd gesloten om de kans op letsel in geval van een aanrijding of bij plotseling remmen te verminderen.

Kenmerken van uw auto

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

Multifunctioneel vak (indien van toepassing)

Type A (indien van toepassing) Het kan gebruikt worden voor het bewaren van kleine voorwerpen.

KIA Soul (2008) - Multifunctioneel vak (indien van toepassing) - 1

Type B (indien van toepassing) Druk als u de box wilt openen de hendel omhoog en het deksel gaat open. Druk het deksel omlaag om het weer te sluiten.

KIA Soul (2008) - Multifunctioneel vak (indien van toepassing) - 2

In het vak kunt u o.a. een verbandtrommel, een gevarendriehoek en gereedschap opbergen, zodat u hier in geval van nood gemakkelijk bij kunt.

D270400BAM

WAARSCHUWING

Berg geen scherpe of gevaarlijke voorwerpen op, om de kans op letsel in geval van een aanrijding of plotseling remmen te verminderen.

OVERIGE VOORZIENINGEN

KIA Soul (2008) - OVERIGE VOORZIENINGEN - 1

Aansteker (indien van toepassing)

Als de motor niet draait, moet het contact in stand ACC staan om de aansteker te kunnen gebruiken.

Druk de aansteker in de houder om hem te kunnen gebruiken. Als het element verwarmd is, springt de aansteker een stukje naar buiten en kan hij uit de houder worden genomen.

Vervang een aansteker uitsluitend door een originele KIA-aansteker of een gelijkwaardige aansteker.

⚠ WAARSCHUWING -

  • Houd de aansteker niet ingedrukt omdat daardoor oververhitting kan ontstaan.
  • Verwijder, om oververhitting te voorkomen, de aansteker met de hand wanneer deze niet binnen 30 seconden naar buiten springt.

OPMERKING

Als aansteker mag alleen een originele KIA-aansteker worden gebruikt. Het gebruik van de aansteker als voedingsbron voor accessoires (scheerapparaten, kruimelzuigers, koffiezetapparaten, enz.) kan de aanstekerbus beschadigen of kortsluiting veroorzaken.

KIA Soul (2008) - OPMERKING - 1

Asbak (indien van toepassing)

Open het deksel om de asbak te gebruiken.

Trek de asbak omhoog om hem te verwijderen en hem leeg of schoon te kunnen maken.

WAARSCHUWING - Gebruik van asbak

  • Gebruik de asbakken in de auto niet voor afval.
  • Er kan brand ontstaan wanneer brandende sigaretten of lucifers in een asbak met brandbare materialen worden gestopt.

D280300AUN

Bekerhouder

KIA Soul (2008) - Bekerhouder - 1

WAARSCHUWING - Hete vloeistoffen

  • Plaats geen bekers met hete vloeistof in de houder tijdens het rijden. Het morsen van hete vloeistof kan brandwonden tot gevolg hebben. Als dit bij de bestuurder gebeurt, zou deze de controle over de auto kunnen verliezen.
  • Om het risico van persoonlijk letsel bij een aanrijding of een noodstop tot een minimum te beperken, mogen tijdens het rijden geen open flesjes, bekers, blikjes, enz. in de bekerhouder worden geplaatst.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - Hete vloeistoffen - 1

D280301AUN-C1
In de bekerhouders kunnen bekers en blikjes frisdrank worden geplaatst.

N027330

D280400AUN-SA

Zonneklep

Gebruik de zonneklep om verblinding door direct zonlicht via de voor- en zijruiten tegen te gaan.

Trek de zonneklep omlaag om deze te kunnen gebruiken.

Trek de zonneklep omlaag, neem hem uit de steun (1) en draai hem naar de zijruit (2) om bescherming te verkrijgen tegen zon van opzij.

De make-upspiegel kunt u gebruiken door de zonneklep te openen en het afdekkapje (3) van de spiegel op te klappen.

Achter de kaarthouder (4) kan een tolkaartje worden opgeborgen. (indien van toepassing)

Voor Achter (ind on van toepassing) OAM049079 OAM049080

D2B0500AUN

12V-aansluiting

(indien van toepassing)

De 12 V-aansluiting is ontworpen om mobiele telefoons en andere apparaten die in de auto gebruikt kunnen worden, op te laden. Deze apparaten mogen niet meer dan 10 A afnemen als de motor draait.

OPMERKING

  • Gebruik de 12 V-aansluiting alleen als de motor draait en verwijder de plug van het apparaat na gebruik uit de aansluiting. Het gebruik van de 12 V-aansluiting gedurende langere tijd als de motor niet draait, kan ertoe leiden dat de accu te ver ontladen raakt.
  • Alleen voor het aansluiten van elektrische apparatuur die werkt op 12 V en een stroomverbruik heeft van maximaal 10 A.
  • Zet de airconditioning of de verwarming in de laagste stand als de 12 V-aansluiting gebruikt wordt.
  • Plaats het afdekkapje op de aansluiting wanneer deze niet wordt gebruikt.
    Sommige elektronische apparaten die op de 12 V-aansluiting worden aangesloten, kunnen storingen veroorzaken. De problemen kunnen variëren van een slechte radio-ontvangst tot storingen in de elektronische systemen en apparaten in de auto.

WAARSCHUWING

Steek geen vingers of vreemde voorwerpen (pen, enz.) in een 12V-aansluiting en raak de aansluiting niet aan met natte handen. Als u dat wel doet, kan dat leiden tot een elektrische schok.

Kenmerken van uw auto

Air Control OAM049088

D281400AUN

Aux-, USB- en iPod-aansluiting (indien van toepassing)

Als uw auto is uitgerust met een AUX-aansluiting, een USB-aansluiting (Universal Serial Bus) en/of een iPod-aansluiting kunt u deze aansluitingen gebruiken voor het aansluiten van respectievelijk een extern audioapparaat, een apparaat met een USB-kabel of een USB-stick en een iPod.

*AANWIJZING

Als er een draagbaar audioapparaat op de elektrische aansluiting wordt aangesloten, is er tijdens het afspelen mogelijk ruis hoorbaar. Gebruik in dat geval de voedingsbron van het draagbare apparaat.

* iPod is een handelsmerk van Apple Inc.

KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 1

Haak voor boodschappentas (indien van toepassing)

OPMERKING

De tas mag niet zwaarder zijn dan 3 kg (7 lbs). Anders kan de haak beschadigd raken.

KIA Soul (2008) - OPMERKING - 1

Jashaak (indien van toepassing)

! OPMERKING

Hang geen zware kleren aan de hanger omdat deze hierdoor beschadigd kan worden.

*Het onderdeel wijkt mogelijk af van de afbeelding.

KIA Soul (2008) - ! OPMERKING - 1

Bagagenet houder (indien van toepassing)

Om te voorkomen dat uw spullen door de bagageruimte heen en weer schuiven, kunt u de 4 (of 6, indien van toepassing) haken in de bagageruimte gebruiken om het bagagenet vast te zetten.

Neem voor het aanschaffen van een bagagenet contact op met een officiële KIA-dealer.

OPMERKING

Om beschadiging van de goederen of de auto te voorkomen, moet bij het vervoer van kwetsbare of volumineuze lading in de bagageruimte de nodige voorzichtigheid in acht worden genomen.

WAARSCHUWING

Voorkom oogletsel. Trek het bagagenet niet te strak aan. Hou gezicht en lichaam op voldoende afstand. Gebruik het net niet als de spanbanden zichtbare slijtage of schade vertonen.

EXTERIEUR

KIA Soul (2008) - EXTERIEUR - 1

Roof rack (indien van toepassing)

Als uw auto is voorzien van een roof rack, kunt u bagage op het dak vervoeren.

*AANWIJZING

Plaats als de auto is uitgerust met een schuif-/kanteldak de lading zodanig op het roof rack dat de werking van het dak niet gehinderd wordt.

! OPMERKING

  • Neem de voorzorgsmaatregelen om te voorkomen dat lading op het roof rack het dak beschadigt.
  • Zorg ervoor dat grote objecten nooit aan de achterzijde of aan de zijkant buiten de auto uitsteken.

WAARSCHUWING

- Hieronder wordt aangegeven wat het maximale gewicht is dat kan worden geladen op het roof rack. Verdeel de lading zo gelijkmatig mogelijk over het roof rack en zet de lading goed vast.

DAK 75 kg(165 lbs.)
DRAGERGELIJKMATIGVERDEELD

Er kan schade aan uw auto ontstaan, als u meer bagage dan toegestaan is op het roof rack vervoert.

(Vervolg)

(Vervolg)

Het zwaartepunt van de auto ligt hoger als er zich lading op het roof rack bevindt. Vermijd plotseling starten of remmen, scherpe bochten, abrupte manoeuvres of hoge snelheden waardoor u de macht over het stuur kunt kwijtraken of de auto over de kop kan slaan.

  • Rijd altijd langzaam en neem bochten voorzichtig als u voorwerpen op het roof rack vervoert. Sterke windvlagen kunnen een opwaartse druk aan de onderzijde van de lading veroorzaken. Dit geldt met name voor grote, platte voorwerpen zoals houten panelen of matrassen. Hierdoor kunnen voorwerpen van het roof rack vallen en de auto of andere auto's beschadigen.
  • Controleer regelmatig of de voorwerpen op het roof rack goed vastzitten om te voorkomen dat de lading beschadigd of verloren raakt.

AUDIOSYSTEEM

KIA Soul (2008) - AUDIOSYSTEEM - 1

Uw auto maakt gebruik van een dakantenne om zowel AM- als FM-signalen te ontvangen. Deze antenne kan verwijderd worden. Draai de antenne linksom om hem te verwijderen. Draai de antenne rechtsom om deze te plaatsen.

! OPMERKING

  • Klap de antenne volledig neer of verwijder hem voordat u een lage ruimte binnenrijdt.
  • Zorg ervoor dat u de antenne verwijdert voordat u de auto in een automatische wasserette reinigt om te voorkomen dat de antenne beschadigd wordt.
  • Draai de antenne bij het plaatsen goed vast om ervoor te zorgen dat de ontvangst optimaal is.

- Plaats geen bagage in de buurt van de antennevoet om de ontvangst van signalen niet te storen.

KIA Soul (2008) - ! OPMERKING - 1

Toets audioafstandsbediening (indien van toepassing)

Het audio-schakelaarpaneel op het stuurwiel is aanwezig om een veilige manier van rijden mogelijk te maken.

APMERKING

Bedien nooit meerdere schakelaars van het audio-schakelaarpaneel tegelijkertijd.

VOLUME (10 + 70 -

  • Duw de hendel omhoog om het volume te verhogen.
  • Duw de hendel omlaag om het volume te verlagen.

SEEK/PRESET (A) (2)

Als de SEEK/PRESET-toets gedurende 0,8 s of langer wordt ingedrukt, werkt hij in elke stand als volgt.

Als de RADIO is ingeschakeld Werkt als AUTO SEEK-toets.

Als de CDP is ingeschakeld Werkt als FF/REW-toets.

Als de CDC is ingeschakeld Werkt als DISC UP/DOWN-toets.

Als de SEEK/PRESET-toets gedurende korter dan 0,8 s wordt ingedrukt, werkt hij in elke stand als volgt.

Als de RADIO is ingeschakeld

Werkt als PRESET STATION SELECT-toets.

Als de CDP is ingeschakeld

Werkt als TRACK UP/DOWN-toets.

Als de CDC is ingeschakeld

Werkt als TRACK UP/DOWN-toets.

MODE (3)

Druk op MODE-schakelaar om Radio of CD (Compact Disc).

MUTE (4)

  • Druk op de MUTE-schakelaar om het geluid te onderdrukken.
  • Druk nogmaals op de MUTE- schakelaar om het geluid opnieuw weer te geven.

Meer informatie over de bedieningstoetsen van het audiosysteem vindt u op de volgende bladzijden in dit hoofdstuk.

KIA Soul (2008) - MUTE (4) - 1

Geavanceerde verlichting luidspreker (indien van toepassing)

De aanvullende verlichting van de luidsprekers rond de voorste luidspreker kan worden afgesteld door de knop als volgt te verdraaien.

  1. ON : De verlichting gaat branden.
  2. MOOD : De sterkte van de verlichting verandert automatisch met regelmatige intervallen.
  3. MUSIC : Het licht knippert of verandert van sterkte afhankelijk van het geluid van de audio.

Als de audio niet is ingeschakeld, gaat de verlichting niet branden.

  1. OFF : De verlichting dooft.
    • / - : Druk als de verlichting brandt op de verlichtingsknop om de lichtintensiteit aan te passen.

* AANWIJZING

De verlichting rond de voorste luidspreker gaat mogelijk niet branden als het geluid van de audio zacht is.

OPMERKING

Laat de verlichting niet te lang branden als de motor niet draait. Hierdoor kan de accu ontladen raken.

FM-ontvangst AM-ontvangst
KIA Soul (2008) - OPMERKING - 1

De werking van een autoradio

AM en FM radiosignalen worden door het radiostation uitgezonden. Deze signalen worden ontvangen door de radioantenne op het spatschem van uw wagen. Dit signaal wordt dan ontvangen door de radio en doorgestuurd naar de luidsprekers.

Als een krachtig radiosignaal uw wagen bereikt zorgt de moderne techniek van uw geluidsinstallatie voor een hoge kwaliteit van de geluidsweergave. In sommige gevallen is het ontvangen signaal echter niet krachtig en helder.

Dit kan worden veroorzaakt door bijvoorbeeld de afstand tot het radiostation, andere krachtige stations of de aanwezigheid van gebouwen, bruggen of grotere obstakels in het desbetreffende gebied.

KIA Soul (2008) - De werking van een autoradio - 1

In het algemeen is de ontvangst van AM signalen beter dan van FM signalen. Dit komt doordat AM radiogolven met een lage frequentie worden uitgezonden. Deze lange golven met een lage frequentie volgen het aardoppervlak en verplaatsen zich niet recht in de atmosfeer. Bovendien ontwijken ze obstakels zodat over het algemeen een betere signaal weergave het gevolg is. Daarom kan een AM uitzending over een grotere afstand dan een FM uitzending worden ontvangen.

FM radiostation
graph TD A["Bergen"] --> B["Central Tower"] C["Gebouwen"] --> B D["Onbelemmerd gebied"] --> B E["IJzeren bruggen"] --> B B --> F["Central Tower"] style A fill:#f9f,stroke:#333 style C fill:#f9f,stroke:#333 style D fill:#f9f,stroke:#333 style E fill:#f9f,stroke:#333

FM signalen worden met een hoge frequentie uitgezonden en volgen hierbij niet het aardoppervlak. Daarom ontstaat bij FM uitzendingen op een relatief korte afstand van het radiostation vervorming. Bovendien ondervinden FM signalen nadelige invloeden door gebouwen, bergen of andere obstakels. Dit kan een geluidsweergave tot gevolg hebben waardoor u veronderstelt dat uw geluidsinstallatie niet in orde is. De volgende condities zijn normaal en duiden niet op een storing:

JBM004

- Vervorming. Tijdens het rijden kan de afstand ten opzichte van het radiostation gewijzigd worden, het signaal wordt zwakker en er treedt vervorming op. In een dergelijk geval adviseren wij u op een ander en krachtiger station af te stemmen. - "Flutter" - Zwakke FM signalen of grote obstakels tussen de zenden en de radio vervormen het signaal waardoor er flutter ontstaat. Deze storing kan iets worden onderdrukt door de hoge tonen te verminderen.

KIA Soul (2008) - De werking van een autoradio - 4

- Bij het zwakker worden van het FM signaal is het mogelijk dat het signaal van een nabij gelegen, krachtige zender op dezelfde frequentie wordt ontvangen. Dit komt omdat uw radio is ontworpen om op het sterkste signaal af te stemmen. In dit geval adviseren wij u een andere zender op te zoeken. - Als radiosignalen vanuit diverse richtingen worden ontvangen heeft dit vervorming tot gevolg. Dit kan worden veroorzaakt door een direct en een gereflecteerd signaal van hetzelfde station of door signalen van twee stations met dicht bij elkaar liggende frequenties.

In dit geval adviseren wij u op een andere zender af te stemmen.:

Gebruik van een mobiele telefoon of radiozender

Bij gebruik van een mobiele telefoon in de auto kan de audio apparatuur storende geluiden voortbrengen. Dit betekent niet dat er iets verkeerd is met de audioapparatuur. In dat geval moet de mobiele telefoon op een zo groot mogelijke afstand van de audioapparatuur worden gebruikt.

! OPMERKING

Bij gebruik van een mobiele telefoon of een radiozender in de auto, moet een afzonderlijke antenne worden gemonteerd. Door het gebruik van een mobiele telefoon of radiozender met een interne antenne, kunnen storingen aan de elektrische installatie van de auto worden veroorzaakt en kan de veilige werking van de auto in gevaar komen.

WAARSCHUWING

Gebruik geen autotelefoon tijdens het rijden; parkeer de auto op een veilige plaats bij gebruik van een autotelefoon.

Onderhoud van CD's (indien van toepassing)

  • Als de temperatuur in de auto te hoog is opgelopen, open dan eerst de ruiten voordat u het audiosysteem van uw auto aanzet.
  • Het is verboden om MP3/WMA-bestanden zonder toestemming te kopieren en te gebruiken. Gebruik uitsluitend legale CD's.
  • Breng geen vluchtige stoffen zoals alcohol, thinner, reguliere schoonmaakmiddelen en antistatische spray aan op CD's.
  • Voorkom dat het oppervlak van de CD beschadigd raakt en pak CD's alleen bij de randen of de opening in het midden vast.
  • Reinig het oppervlak van de CD vóór het afspelen met een zachte doek. Beweeg de doek van binnen naar buiten.
  • Zorg dat het oppervlak van de CD niet beschadigd raakt en plak er niets op.
  • Steek geen voorwerpen anders dan CD's in de CD-speler.
  • Steek niet meer dan een CD tegelijk in de CD-speler. Hierdoor werkt de CD-speler mogelijk niet goed meer.

  • Berg CD's na gebruik altijd op in hun doosje om ze te beschermen tegen krassen en stof.

  • Sommige CD's kunnen wellicht niet worden afgespeeld. Dit is afhankelijk van het CD-R/CDRW, de productiemaatschappij en de fabricage- en opnamemethode. Als u deze CD's toch gebruikt, dan kan dat wellicht storingen veroorzaken in het audiosysteem van uw auto.

* AANWIJZING - Het afspelen van niet-compatibele audio-CD's met kopieerbeveiliging

CD's met kopieerbeveiliging die niet compatibel zijn met internationale standaarden voor audio-CD's (Red Book) kunnen wellicht niet worden afgespeeld op het audiosystecm van uw auto. Als u deze toch probeert af te spelen en uw CD-speler werkt niet naar behoren, dan ligt dat waarschijnlijk aan de desbetreffende CD en niet aan de CD-speler.

RADIO, INSTELLING, VOLUME, AUDIOBEDIENING (PA 710R/PA715)
-17°C FM1 22:05 CH4 104.10 MHz FAM CDRAW TA POWER FLOWER STICK TRACK VOL AST GREEN INFO SETUP CHANGE 1 2 3 4 5 6 FTT FOLDER RARE TIME ① ② ③ ④ ⑤ ⑥ ⑦ ⑧ ⑨

  1. Keuzetoets FM/AM
  2. Keuzetoets CD of AUX
  3. Keuzetoets TA
  4. Toets Power ON/OFF en knop volumeregeling
  5. Keuzetoets automatische zenderzoekfunctie

  6. Toets AST (AUTO STORE)

  7. Toets SETUP & toets Klok
  8. Toets TUNE & toets voor geluidskwaliteit
  9. Toets PTY (FLDR)
  10. Voorkeuzetoets

K_AM_EU_P_FM

1. Keuzetoets FM/AM

Hiermee wordt de FM- of AM-modus ingeschakeld en wordt er iedere keer dat de toets wordt ingedrukt, geschakeld in de volgorde FM1 → FM2 → MW → LW → FM1...

2. Keuzetoets CD of AUX

Wanneer een CD in de CD-speler is geplaatst, wordt er overgeschakeld naar de CD-speler. Als er een apparaat is aangesloten op de AUX-aansluiting, wordt telkens als de knop wordt ingedrukt, overgeschakeld in de volgorde CD → AUX → CD... (Er wordt niet overgeschakeld naar AUX als er geen extern apparaat is aangesloten.)

3. Keuzetoets TA

In de FM-, CD- of AUX-modus wordt de ontvangst van zenders met verkeersinformatie via RDS in- of uitgeschakeld.

4. Toets Power ON/OFF en knop volumeregeling

Hiermee wordt het audiosysteem in-/uitgeschakeld wanneer het contact in stand ACC of ON staat. Als de knop naar rechts wordt gedraaid, neemt de geluidssterkte toe. Als de knop naar links wordt gedraaid, neemt de geluidssterkte af.

5. Keuzetoets automatische zenderzoekfunctie

  • Wanneer op de toets [SEEK] wordt gedrukt, wordt de bandfrequentie verlaagd met 50 kHz om automatisch een zender te kiezen. Het zoeken stopt bij de vorige frequentie als er geen zender wordt gevonden.
  • Wanneer op de toets [SEEK] wordt gedrukt, wordt de bandfrequentie verhoogd met 50 kHz om automatisch een zender te kiezen. Het zoeken stopt bij de vorige frequentie als er geen zender wordt gevonden.

6.Toets AST (AUTO STORE)

Als op de toets AST wordt gedrukt, wordt de frequentie opgeslagen in het presetgeheugen [1]\~[6] en wordt de zender geselecteerd die is opgeslagen onder Preset [1]. Als er geen zenders zijn opgeslagen omdat er geen zender werd gevonden, wordt er teruggeschakeld naar de voorgaande zender.

7.Toets SETUP & toets Klok

Druk op deze toets om over te gaan naar de RDS-functie en de andere instellingsmodus.

Als er binnen 5 seconden nadat op de toets is gedrukt geen bediening volgt, schakelt het systeem over naar de weergavemodus. (Wissel, nadat het instelmenu is geopend, tussen de verschillende functies door knop [TUNE] naar links of naar rechts te draaien of in te drukken.)

■ Model PA710

De volgorde van de instellingen is TIME ↔ RDS ↔ SCROLL ↔ P.BASS ↔ TEMP ↔ SDVC...

■ Model PA715

De volgorde van de instellingen is TIME ↔ RDS ↔ SCROLL ↔ RETURN ↔ TEMP ↔ SDVC...

Als de auto een middelste luidspreker en woofer heeft, dan is het audiosysteem PA715.

Als de auto dit niet heeft, dan is het audiosysteem PA710.

- Instellen van de klok

Druk minimaal 0,8 seconden op de toets [SETUP] om de uren en minuten in te stellen.

Stel het uur in en druk op de toets [ENTER]. Gebruik dezelfde methode om de minuten in te stellen en druk op de toets [ENTER] om af te sluiten en de klokinstelling te verlaten.

• TIJD

De instelling van de klok kan worden gewijzigd in 12 uurs- of 24 uurs-weergave.

• RDS

RDS OPTIES die kunnen worden geselecteerd: NEWS, AF, REGION, TIME, TA VOL.

- SCROLL

Deze functie wordt gebruikt voor het weergeven van tekst die groter is dan het LCD-scherm en kan door middel van de volumeknop AAN of UIT worden gezet.

- RETURN

Deze functie geeft het scherm van de vorige modus weer.

• TEMP

Met deze functie kan de instelling van de temperatuurweergave worden gewijzigd.

• SDVC

Deze functie past het volume automatisch aan aan de snelheid van de auto en kan met de volumeknop AAN en UIT worden gezet.

• POWER BASS (P.BASS)

Deze technologie op basis van psycho- akoestiek biedt een dynamische weergave van lage tonen en compenseert tekortkomingen door beperkingen in het aantal en de afmetingen van de luidsprekers. Er kan worden gekozen uit 3 niveaus: LOW/MID/HIGH.

(exclusief MW, LW Mode)

8.Toets TUNE & toets voor geluidskwaliteit

Draai deze knop een streepje rechtsom om de frequentie met 50 kHz te verhogen.

Draai deze knop een streepje linksom om de frequentie met 50 kHz te verlagen.

- Door op deze knop te drukken verandert de modus BASS, MIDDLE, TREBLE, FADER of BALANCE TUNE. De geselecteerde modus wordt op het display weergegeven. Draai de audioknop rechtsom of linksom na het selecteren van elke modus. (De regeling van de geluidskwaliteit werkt in de standen FM, MW, LW, CD, AUX, USB en iPod.)

- Regeling BASS

Draai de knop rechtsom om de BASS te verhogen, draai de knop linksom om de BASS te verlagen.

- Regeling MIDDLE

Draai de knop rechtsom om de MIDDLE te verhogen, draai de knop linksom om de MIDDLE te verlagen.

- Regeling TREBLE

Draai de knop rechtsom om de TREBLE te verhogen, draai de knop linksom om de TREBLE te verlagen.

- Regeling FADER

Draai de regelknop rechtsom om geluid uit de achterste luidspreker te versterken (geluid uit de voorste luidspreker wordt gedempt). Wanneer de regelknop linksom wordt gedraaid, wordt geluid uit de voorste luidspreker versterkt (geluid uit de achterste luidspreker wordt gedempt).

- Regeling BALANCE

Draai de knop rechtsom om geluid uit de rechter luidspreker te versterken (geluid uit de linker luidspreker wordt gedempt). Wanneer de regelknop linksom wordt gedraaid, wordt het geluid uit de linker luidspreker versterkt (geluid uit de rechter luidspreker wordt gedempt).

9.Toets PTY (FLDR)

  • Druk op de toets [PTY ] om de PTY-functie te activeren tijdens het luisteren naar RDS-uitzendingen.
  • Druk op de toets [PTY]Am de PTY-functie te activeren tijdens het luisteren naar RDS-uitzendingen.

10. Voorkeuzetoets

Druk toets [1] - [6] maximaal 0,8 seconden in om de opgeslagen zenders weer te geven. Houd de voorkeuzetoets ten minste 0,8 seconden ingedrukt tot het piepsignaal klinkt om de huidige zender onder de desbetreffende toets op te slaan.

CD (PA 710/PA 715)
1 2 3 4 5 6 7 8 9 TOPS AST OFF INFO SETUP COOL TRACK 02 12'25" EPT ESM 1 2 3 4 5 6 VOL SEEK TRACK PVD POWER AUTO AUDIO FILE TIME

  1. Opening CD-speler
  2. Uitwerptoets
  3. Keuzetoets CD of AUX
  4. Toets automatische muziekstukkeuze
  5. Toets REPEAT
  6. Toels RANDOM

  7. Controlelampje CD

  8. Toets SCAN
  9. Toets INFO
  10. Knop SEARCH & toets ENTER
  11. Toets FOLDER

K_AM_EU_P_CD

1. Opening CD-speler

Plaats de CD met het etiket naar boven gericht en duw deze voorzichtig in de opening. Wanneer het contact in stand ACC of ON staat en het audiosysteem uit staat, wordt het automatisch ingeschakeld wanneer de CD wordt geplaatst. Deze CD-speler kan uitsluitend CD's van 12cm afspelen. Maar als VCD's, data-CD's of DVD's worden geplaatst, verschijnt er een foutmelding ("Reading Error") en wordt de CD uitgeworpen.

2. Uitwerptoets

Druk op de toets ▲m de CD tijdens het afspelen uit te werpen. Deze toets is actief wanneer het contact uit is.

3. Keuzetoets CD of AUX

  • Als er een extern apparaat is aangesloten, wordt hiermee de AUX-modus ingeschakeld en wordt het geluid van dat apparaat afgespeeld.
  • Als er een CD in de CD-speler wordt geplaatst, wordt de CD-modus ingeschakeld. Als er een extern apparaat wordt aangesloten op de AUX-aansluiting, wordt dit ingeschakeld. CD → AUX → CD... iedere keer dat de toets wordt ingedrukt. (AUX wordt niet ingeschakeld wanneer er geen extern apparaat is aangesloten.)
  • Als er geen CD is geplaatst of geen extern apparaat is aangesloten, wordt gedurende 3 seconden "NO Media" weergegeven en keert het systeem terug naar de vorige modus.

4.Toets automatische muziekstukkeuze

  • Druk maximaal 0,8 seconden op de toets [TRACK ∨ om het huidige muziekstuk vanaf het begin af te spelen.
  • Druk maximaal 0,8 seconden op de toets [TRACK] en druk vervolgens binnen 1 seconde nogmaals op de toets om het vorige muziekstuk af te spelen.
  • Blijf drukken op de toets [TRACK] om het huidige nummer versneld terug te spoelen.
  • Druk maximaal 0,8 seconden op de toets [TRACK] om het volgende muziekstuk af te spelen.
  • Blijf drukken op de toets [TRACK] om het huidige nummer versneld verder te spoelen.

5.Toets REPEAT

Druk korter dan 0,8 seconden op de toets om het huidige nummer te herhalen.

Druk langer dan 0,8 seconden op de toets om de hele disc continu af te spelen. (Bij MP3-bestanden werkt de Repeat-functie alleen binnen de map.)

6.Toets RANDOM

Druk deze toets maximaal 0,8 seconden in om de RDM-modus te activeren en druk deze toets ten minste 0,8 seconden in om de A. RDM-modus te activeren.

- RDM :Alleen de bestanden in een map of op een disc worden in willekeurige volgorde afgespeeld.

- A. RDM (alleen MP3/WMA) : Alle bestanden op een disc worden in willekeurige volgorde afgespeeld.

7. Controlelampje CD

Wanneer het contact in stand ACC of ON staat en er een CD wordt geplaatst, gaat dit controlelampje branden. Wanneer de CD wordt uitgeworpen, dooft het controlelampje.

8.Toets SCAN

Hiermee worden de eerste 10 seconden van elk muziekstuk op de CD afgespeeld. Druk opnieuw op de toets om de functie te annuleren.

9.Toets INFO

Telkens wanneer op de toets wordt gedrukt, wordt informatie weergegeven over het huidige muziekstuk (bestand).

• CDDA : Disc Title → Disc Artist → Track Title → Track Artist → Total Track...
- MP3/WMA : File Name → Title → Artist → Albume → Folder Name → Total File... (dit wordt niet weergegeven als de informatie niet op de disc beschikbaar is.)

10. Knop SEARCH & toets ENTER

Draai deze knop rechtsom om de nummers na het huidige nummer weer te geven.

Draai deze knop linksom om de nummers vóór het huidige nummer weer te geven. Druk op de knop om een nummer over te slaan en het gekozen nummer af te spelen.

11.Toets FOLDER

  • Als op de toets [FOLDER] wordt gedrukt, gaat het systeem naar de submap van de huidige map en geeft het het eerste muziekstuk in de map weer. Druk op de knop TUNE/ENTER om naar de weergegeven map te gaan. Het eerste muziekstuk in de map zal worden afgespeeld.
  • Als op de toets [FOLDER] wordt gedrukt, gaat het systeem naar de hoofdmap en geeft het het eerste muziekstuk in de map weer. Druk op de knop TUNE/ENTER om naar de weergegeven map te gaan.

GEBRUIK VAN USB (PA 710/PA 715)
-17°C USB 22:05 Track 4Track 01 EPT ROM A SEEK TRACK 1 2 3 4 5 6 FOLDER FLU TOM OUTPUT QUICK INFO AST COMUX CAM FAM CDRPS MPS ① ② ③ ④ ⑤ ⑥ ⑦ ⑧

  1. Keuzetoets USB

  2. Keuzetoets SCAN

  3. Toets TRACK

  4. Toets INFO

  5. Keuzetoets REPEAT

  6. Knop SEARCH & toets ENTER

  7. Toets RANDOM

  8. Toets FOLDER

1. Keuzetoets USB

Als er een USB-apparaat is aangesloten, wordt hiermee naar de weergave van de muziekbestanden op het USB-apparaat overgeschakeld.

Als er geen CD geplaatst is of geen extern apparaat is aangesloten, wordt gedurende 3 seconden "NO Media" weergegeven en keert het systeem terug naar de vorige modus.

2.Toets TRACK

- Druk de toets [TRACK] maximaal 0,8 seconden in om het afspelen vanaf het begin van het huidige nummer te starten. Druk de toets maximaal 0,8 seconden in en druk de toets binnen 1 seconde opnieuw in om het vorige nummer af te spelen. Druk de toets ten minste 0,8 seconden in om versneld terug te zoeken binnen het nummer.

- Druk de toets [TRACK] maximaal 0,8 seconden in om naar het volgende nummer te gaan. Druk de toets ten minste 0,8 seconden in om versneld vooruit te zoeken binnen het nummer.

K_AM_EU_P_USB

3. Keuzetoets REPEAT

Druk deze toets maximaal 0,8 seconden in om de RPT-modus te activeren en druk deze toets ten minste 0,8 seconden in om de 'Tmodus te activeren.

- RPT : Alleen het huidige nummer wordt continu herhaald.

• After nummers in een map worden continu herhaald.

4.Toets RANDOM

Druk deze toets maximaal 0,8 seconden in om de RDM-modus te activeren en druk deze toets ten minste 0,8 seconden in om de A. RDM-modus te activeren.

- RDM : Alle nummers in een map worden in willekeurige volgorde afgespeeld.

- A. RDM : Alle nummers op een USB-apparaat worden in willekeurige volgorde afgespeeld.

5. Keuzetoets SCAN

Hiermee worden de eerste 10 seconden van ieder nummer op het USB-apparaat afgespeeld. Druk opnieuw op de toets om de scanfunctie te annuleren.

6. Keuzetoets INFO

Geeft de informatie over het bestand dat wordt afgespeeld weer in de volgorde File Name → Title → Artist → Album → Folder → Total File → Normal Display → File Name →... (Geeft geen informatie weer als het bestand niet over deze gegevens beschikt.)

7. Knop SEARCH/Toets ENTER

Draai deze knop rechtsom om de nummers na het nummer dat wordt afgespeeld weer te geven.

Draai deze knop linksom om de nummers vóór het nummer dat wordt afgespeeld weer te geven.

Druk op de knop om een nummer over te slaan en het gekozen nummer af te spelen.

8.Toets FOLDER

- Als op de toets [FOLDER ∨] wordt gedrukt, gaat het systeem naar de submap van de huidige map en geeft het het eerste muziekstuk in de map weer.

Druk op de knop TUNE/ENTER om naar de weergegeven map te gaan. Het eerste muziekstuk in de map zal worden afgespeeld.

- Als op de toets [FOLDER ] wordt gedrukt, gaat het systeem naar de hoofdmap en geeft het het eerste muziekstuk in de map weer. Druk op de knop TUNE/ENTER om naar de weergegeven map te gaan.

OPMERKING - Bij gebruik USB-apparaat

- Zorg er, om het USB-apparaat te gebruiken, voor dat het apparaat niet is aangesloten wanneer de motor wordt gestart en sluit het apparaat aan nadat de motor is gestart.

- Als u de motor start terwijl het USB-apparaat is aangesloten, kan het apparaat beschadigd raken. (USB voldoet niet aan ESA)

- Als de motor wordt gestart of afgezet terwijl het externe USB-apparaat is aangesloten, werkt het apparaat mogelijk niet.

- Niet-originele MP3- of WMA-bestanden worden mogelijk niet afgespeeld.

1) Er kunnen alleen MP3-bestanden met een compressiesnelheid tussen 8 Kbps - 320 Kbps worden afgespeeld.

2) Er kunnen alleen WMA-muziekbestanden met een compressiesnelheid tussen 8 Kbps - 320 Kbps worden afgespeeld.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Voorkom statische elektriciteit bij het aansluiten of losnemen van het externe USB-apparaat.

- Een gecodeerde MP3-speler wordt niet herkend.

- Afhankelijk van het type extern USB-apparaat, wordt het apparaat mogelijk niet herkend.

- Wanneer de geformatteerde byte/sector-instelling van het externe USB-apparaat niet 512 byte of 2048 byte is, zal het apparaat niet worden herkend.

- Het USB-apparaat mag uitsluitend geformatteerd zijn volgens FAT 12/16/32.

- USB-apparaten zonder USB IF (IF : Implementers Forum) autorisatie worden mogelijk niet herkend.

- Steek geen lichaamsdelen of voorwerpen in de USB-aansluiting.

- Als u het USB-apparaat in korte tijd herhaaldelijk aansluit en weer losneemt, kan het apparaat defect raken.

(Vervolg)

(Vervolg)

- U hoort mogelijk een vreemd geluid bij het aansluiten of losnemen van het USB-apparaat.

- Als u het externe USB-apparaat tijdens het afspelen iosneemt, kan het apparaat beschadigd raken of niet goed meer werken. Sluit daarom het externe USB-apparaat aan wanneer de motor is afgezet of wanneer het audiosysteem in een andere weergave staat.

- Afhankelijk van het type en de capaciteit van het externe USB-apparaat of het bestandstype dat in het apparaat is opgeslagen, kan de benodigde tijd voor het herkennen van het apparaat variëren, zodat u mogelijk moet wachten. Dit duidt echter niet op een storing.

- Gebruik het USB-apparaat niet voor andere doeleinden dan het afspelen van muziekbestanden.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Het gebruik van USB-toebehoren als een lader of een verwarming die gebruik maken van USB IF (IF : Implementers Forum) kan de prestaties negatief beïnvloeden of storingen veroorzaken.
  • Als u een apart aangeschaft apparaat als bijvoorbeeld een USB-hub gebruikt, zal het audiosysteem het apparaat mogelijk niet herkennen. Sluit het USB-apparaat rechtstreeks aan op de multimedia-aansluiting van de auto.
  • Als het USB-apparaat is ingedeeld in logical drives, worden alleen de muziekstukken op de drive met de hoogste prioriteit herkend door het audiosysteem van de auto.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Apparaten zoals een MP3-speler, mobiele telefoon en digitale camera die niet door een standaard USB IF (IF : Implementers Forum) worden herkend, worden mogelijk niet herkend.
  • Niet-standaard USB-apparaten (METAL COVER TYPE USB) worden mogelijk niet herkend.
  • USB flash memory-lezers (zoals CF, SD, microSD, enz.) of externe HDD-apparaten worden mogelijk niet herkend.
  • Muziekbestanden die worden beschermd door DRM (DIGITAL RIGHTS MANAGEMENT) worden niet herkend.
  • De gegevens in het USBgeheugen gaan mogelijk verloren als het audiosysteem wordt gebruikt. Daarom wordt aangeraden om van belangrijke gegevens een back-up te maken op een persoonlijke.

(Vervolg)

(Vervolg)

Maak geen gebruik van USB-sticks die als sleutelhanger of accessoire voor mobiele telefoons kunnen worden gebruikt, aangezien deze de USB-aansluiting kunnen beschadigen. Zorg dat u alleen producten gebruikt met een stekkerverbinding zoals hieronder weergegeven.

KIA Soul (2008) - (Vervolg) - 1

iPod AFSPELEN (PA 710/PA 715)
FMM -17°C iPod 22:05 CWXK Track 12"25" aTrack 01 TA RPT SDM MEU SETUP PACK POWER PUM 1 2 3 4 5 6 VOL SETP TRACK PTV FOLDER FILE TIME INTEN ATT 2000 INFO 5 6 7

  1. Keuzetoets iPod

  2. Toets INFO

  3. Toets TRACK

  4. Knop SEARCH & toets ENTER

  5. Keuzetoets REPEAT

  6. Toets categoriekeuze

  7. Toets RANDOM

1. Keuzetoets iPod

Als er een iPod wordt aangesloten, wordt overgeschakeld van de huidige stand naar de iPod-stand om de muziekbestanden op de iPod af te spelen. Als er geen iPod is aangesloten, wordt gedurende 3 seconden "No Media" weergegeven en keert het systeem terug naar de vorige modus.

2.Toets TRACK

- Druk de toets [TRACK] /maximaal 0,8 seconden in om het afspelen vanaf het begin van het huidige nummer te starten. Druk de toets maximaal 0,8 seconden in en druk de toets binnen 1 seconde opnieuw in om het vorige nummer af te spelen. Druk de toets ten minste 0,8 seconden in om versneld terug te zoeken binnen het nummer.

- Druk de toets [TRACK] maximaal 0,8 seconden in om naar het volgende nummer te gaan. Druk de toets ten minste 0,8 seconden in om versneld vooruit te zoeken binnen het nummer.

* iPod is een handelsmerk van Apple Inc.

K_AM_EU_P_iPod

3. Keuzetoets REPEAT

Hiermee wordt het muziekstuk opnieuw afgespeeld.

4.Toets RANDOM

Druk de toets maximaal 0,8 seconden in om het afspelen in willekeurige volgorde van de muziekstukken in de huidige categorie in of uit te schakelen. Druk de toets ten minste 0,8 seconden in om alle muziekstukken in een album op de iPod in willekeurige volgorde af te spelen. Druk opnieuw op de toets om de functie te annuleren.

5.Toets INFO

Geeft de informatie over het bestand dat wordt afgespeeld weer in de volgorde Title → Artist → Album → ... (Geeft geen informatie weer als het bestand niet over deze gegevens beschikt.)

6. Knop SEARCH & toets ENTER

Wanneer u de knop rechtsom draait, worden de muziekstukken (categorieën) na het muziekstuk dat wordt afgespeeld (categorie op hetzelfde niveau) weergegeven. Wanneer u de knop linksom draait, worden de muziekstukken (categorieën) vóór het muziekstuk dat wordt afgespeeld (categorie op hetzelfde niveau) weergegeven.

Druk op de toets om naar het weergegeven muziekstuk in de categorie SONG te luisteren.

7.Toets categoriekeuze

Hiermee gaat het systeem naar de categorie boven de categorie die wordt afgespeeld op de iPod.

Druk op de knop TUNE/ENTER om naar de weergegeven categorie te gaan (het nummer af te spelen).

U kunt een categorie lager dan de gekozen categorie doorzoeken.

De volgorde van de iPod-categorie is Playlist (afspeellijst), Albums (albums), Artists (artiesten), Genres (genres), songs (nummers), composers (auteurs).

* AANWIJZING - Bij gebruik van iPod

  • Sommige iPod-modellen ondersteunen het communicatieprotocol mogelijk niet en de bestanden zullen niet worden afgespeeld. (Compatible iPod-modellen: Mini, 4G, Photo, Nano, 5G)
  • De zoek- of afspeelvolgorde van muziekstukken in de iPod kan verschillen van de volgorde in het audiosysteem.
  • Reset de iPod als deze uit zichzelf is vastgelopen. (Resetten: Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van de iPod.)
  • Bij een lege batterij werkt de iPod mogelijk niet goed.

KIA Soul (2008) - * AANWIJZING - Bij gebruik van iPod - 1

OPMERKING - Bij gebruik van iPod

  • U hebt een apart voedingskabeltje nodig voor de iPod om de iPod via de toetsen van het audiosysteem te bedienen. Het door Apple meegeleverde pc-kabeltje kan storingen veroorzaken. Gebruik dit niet in de auto.
  • Wanneer u het apparaat via een iPod-kabeltje aansluit, moet u de plug volledig insteken om storingen in de communicatie te voorkomen.
  • Wanneer u de geluidseffecten van de iPod en het audiosysteem aanpast, zullen de effecten van beide apparaten elkaar overlappen en kan de geluidskwaliteit afnemen of verstoord raken.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Schakel de equalizerfunctie van de iPod uit wanneer u de geluidssterkte van het audiosysteem aanpast en zet de equalizer van het audiosysteem uit wanneer u die van de iPod gebruikt.
  • Wanneer alleen het iPod-kabeltje is aangesloten, kan het systeem in de stand AUX worden gezet en ruis veroorzaken. Neem het iPod-kabeltje los wanneer u de iPod niet langer gebruikt.
  • Neem het iPod-kabeltje van de iPod los wanneer de iPod niet op het audiosysteem is aangesloten. "iPod" wordt mogelijk niet weergegeven.
Voór het rijden / 5-3Standen contactslot / 5-4Starten van de motor / 5-6Handgeschakelde transmissie / 5-8Automatische transmissie / 5-11Remsysteem / 5-17Cruise control-systeem / 5-27Brandstofbesparing / 5-31Rijden onder speciale rijomstandigheden / 5-33Rijden in de winter / 5-37Rijden met een aanhanger / 5-41
Rijden met uw auto5
Massa van de auto / 5-50

E010000AUN-C1

Uitlaatgassen kunnen bijzonder gevaarlijk zijn. Draai onmiddellijk de ruiten open als u in de auto uitlaatgas ruikt.

- Inhaleer uitlaatgassen niet.

Uitlaatgassen bevatten koolmonoxide, een kleurloos en reukloos gas dat bewusteloosheid en dood door verstikking kan veroorzaken.

- Controleer of het uitlaatsysteem niet lekt.

Het uitlaatsysteem moet elke keer dat de auto op de brug staat voor olieversen of voor andere reparaties worden gecontroleerd. Laat uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiele KIA-dealer als u merkt dat het geluid van de uitlaat verandert of als u over iets heen gereden bent dat de onderzijde van de auto heeft geraakt.

- Laat de motor niet draaien in een afgesloten ruimte.

Het is gevaarlijk de motor van uw auto in de garage te laten draaien, ook al staat de garagedeur open. Laat de motor niet langer draaien in uw garage dan de tijd die u na het starten nodig heeft om de garage uit te rijden.

- Voorkom langdurig stationair draaien als er mensen in de auto zitten.

Als het noodzakelijk is de auto gedurende langere tijd stationair te laten draaien terwijl er mensen in de auto aanwezig zijn, doe dat dan alleen in een open ruimte, zet de luchttoevoer op BUITENLUCHT en schakel een van de hogere ventilatorsnelheden in zodat er frisse lucht naar het interieur wordt toegevoerd.

Als u moet rijden met de achterklep open omdat de lading het sluiten van de achterklep onmogelijk maakt:

  1. Sluit alle ruiten.

  2. Open de uitstroomopeningen opzij.

  3. Zet de luchttoevoer op BUITENLUCHT, kies voor de luchtregeling VERWARMEN of VENTILEREN en zet de aanjager in een van de hogere standen.

Voor een goede werking van het ventilatiesysteem is het noodzakelijk dat de luchtinlaat onder de voorruit vrij blijft van sneeuw, ijs, bladeren en andere obstructies.

VÓÓR HET RIJDEN

E020100AUN

Vóór het instappen

• Zorg ervoor dat alle ruiten, buitenspiegel(s) en lampen schoon zijn.
- Controleer de toestand van de banden.
- Controleer of er geen sporen van lekkage onder de auto te zien zijn.
- Controleer of er zich geen obstakels achter de auto bevinden wanneer u achteruit wilt rijden.

E020200AUN

Noodzakelijke controles

De volgende vloeistofpeilen dienen regelmatig, afhankelijk van het gebruikte interval gecontroleerd te worden: motorolie, koelvloeistof, remvloeistof en ruitensproeiervloeistof. Nadere informatie vindt u in Hoofdstuk 7, Onderhoud.

E020300BUN

Vóór het starten

  • Sluit alle portieren.
  • Verstel de stoel zodanig dat u alle bedieningsorganen gemakkelijk kunt bereiken.
  • Stel de binnen- en buitenspiegels af.

  • Controleer of alle verlichting werkt.

  • Controleer alle instrumenten.
    • Controleer of waarschuwingslampjes werken als het contact in stand ON staat.
  • Ontgrendel de parkeerrem en controleer of het waarschuwingslampje van het remsysteem uitgaat.

Voor een veilig gebruik is het noodzakelijk dat u volledig vertrouwd bent met uw auto en de bedieningsorganen.

WAARSCHUWING

Alle inzittenden moeten tijdens het rijden de veiligheidsgordel op de juiste manier dragen. Zie "Veiligheidsgordels" In hoofdstuk 3 voor informatie over het juiste gebruik van de veiligheidsgordels.

WAARSCHUWING

Controleer altijd de omgeving rond de auto op de aanwezigheid van anderen, in het bijzonder kinderen, alvorens u de transmissie in stand D (Drive) of R (Reverse) zet.

⚠ WAARSCHUWING - alle Rijden onder invloed van alcohol of drugs

Rijden onder invloed is gevaarlijk. Rijden onder invloed is de belangrijkste doodsoorzaak in het verkeer. Zelfs een geringe hoeveelheid alcohol zal het reactie-, waarnemings- en beoordelingsvermogen verminderen. Rijden onder invloed van drugs is minstens even gevaarlijk als rijden onder invloed van alcohol. De kans op een ernstig ongeval is vele malen groter als u gaat rijden onder invloed van alcohol of drugs. Ga niet rijden als u gedronken heeft of drugs heeft gebruikt. Rijd ook niet mee met een bestuurder die onder invloed van alcohol of drugs is. Bepaal van tevoren wie er rijdt of neem een taxi.

WAARSCHUWING

Wanneer u de auto wilt parkeren of stilzetten terwijl de motor draait, zorg er dan voor dat u het gaspedaal niet gedurende langere tijd ingetrapt houdt. Anders kan de motor of het uitlaatsysteem oververhit raken en brand ontstaan.

Rijden met uw auto

STANDEN CONTACTSLOT

LOCK ACC ON START PUSH 1VQA3018

Standen contactslot

E030201AUN

LOCK

Het stuurslot beschermt tegen diefstal. De contactsleutel kan alleen uit het contact worden verwijderd als het contact in stand LOCK staat.

Om de contactsleutel in stand LOCK te zetten, moet deze in stand ACC worden ingedrukt en vervolgens naar de stand LOCK worden gedraaid.

E030202BUN

ACC (Accessoires)

Het stuurwiel is van het stuurslot en de elektrische accessoires werken.

*AANWIJZING

Draai het stuurwiel iets naar links en naar rechts om het contact gemakkelijker in stand ACC te kunnen zetten als het verdraaien van de contactsleutel moeilijk gaat.

E030203AUN

ON

Voordat de motor wordt gestart, gaan de waarschuwingslampjes ter controle branden. Het contactslot keert na het starten terug in deze stand.

Laat, om te voorkomen dat de accu ontladen raakt, het contact niet in stand ON staan als de motor niet draait.

E030204AUN

START

Draai de contactsleutel in stand START om de motor te starten. De startmotor draait totdat u de sleutel loslaat. De sleutel keert vervolgens terug in stand ON. In deze stand gaat het waarschuwingslampje van het remsysteem ter controle branden.

  • Zet het contact nooit in stand LOCK of ACC terwijl de auto rijdt. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen en neemt de remkracht af, wat tot een ongeval kan leiden.
  • Het stuurslot dient niet ter vervanging van de parkeerrem. Controleer voordat u de auto verlaat altijd of de eerste versnelling is ingeschakeld bij een auto met een handgeschakelde transmissie of stand P (Park) is ingeschakeld bij een auto met een automatische transmissie, trek de parkeerrem volledig aan en zet de motor uit. Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd, kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Steek nooit tijdens het rijden uw hand door het stuurwiel om de contactsleutel of andere bedieningsorganen te bedienen. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen, wat kan leiden tot een gegevel en opstig letsel
  • Plaats geen losse voorwerpen rondom de bestuurdersstoel. Deze kunnen tijdens het rijden gaan bewegen en de bestuurder hinderen, wat kan leiden tot een ongeval.

STARTEN VAN DE MOTOR

E040000AUN E040100AUN

WAARSCHUWING

Draag altijd geschikte schoenen tijdens het rijden. Ongeschikte schoenen (hoge hakken, skischoenen, enz.) kunnen het bedienen van het rempedaal, het gaspedaal en het koppelingspedaal (indien van toepassing) bemoeilijken.

Starten van de motor

  1. Controleer of de parkeerrem is geactiveerd.

  2. Handgeschakelde transmissie - Trap het koppelingspedaal volledig in en zet de versnellingspook in de vrijstand. Houd het koppelingspedaal en rempedaal ingetrapt en draai de contactsleutel naar de stand START.

Automatische transmissie - Zet de selectiehendel in stand P (Park). Trap het rempedaal volledig in.

De motor kan ook worden gestart met de selectiehendel in stand N.

  1. Draai de contactsleutel in stand START en houd de sleutel in deze stand totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden). Laat de sleutel vervolgens los.

  2. Laat bij extreme kou (lager dan -18°C/0°F) of wanneer de auto een aantal dagen niet is gebruikt, de motor warmdraaien zonder het gaspedaal in te trappen.

Of de motor nu warm is of koud, hij dient gestart te worden zonder het gaspedaal in te trappen.

OPMERKING

Probeer de selectiehendel niet in stand P te zetten wanneer de motor tijdens het rijden afslaat. Als het veilig is met het oog op het overige verkeer, kunt u de selectiehendel tijdens het rijden in stand N zetten en kunt u de motor opnieuw proberen te starten door het contact in stand START te draaien.

OPMERKING

Laat de startmotor niet langer dan 10 seconden achter elkaar draaien. Wacht als de motor afslaat of niet aanslaat 5 tot 10 seconden alvorens de startmotor opnieuw in te schakelen. Als de startmotor niet op de juiste manier bediend wordt, kan hij beschadigd raken.

E040101AUN

Starten van de dieselmotor

Om de dieselmotor te starten bij koude motor moet deze voorgegloeid worden voordat de motor wordt gestart, en vervolgens opgewarmd worden voordat u gaat rijden.

  1. Controleer of de parkeerrem is geactiveerd.

  2. Handgeschakelde transmissie - Trap het koppelingspedaal volledig in en zet de versnellingspook in de vrijstand. Houd het koppelingspedaal en rempedaal ingetrapt en draai de contactsleutel naar de stand START.

Automatische transmissie - Zet de selectiehendel in stand P (Park). Trap het rempedaal volledig in.

De motor kan ook gestart worden met de selectiehendel in stand N.

Controlelampje voorgloeien

KIA Soul (2008) - OPMERKING - 1

W-6D

  1. Draai de contactsleutel in stand ON om de motor voor te gloeien. Het controlelampje voorgloeien zal nu gaan branden.
  2. Als het controlelampje voorgloeien uitgaat, draai dan de contactsleutel in stand START en houd de sleutel in deze stand totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden). Laat de sleutel vervolgens los.

*AANWIJZING

Als de motor niet binnen 10 seconden wordt gestart nadat het voorgloeien is voltooid, zet het contact dan gedurende 10 seconden terug in stand LOCK en vervolgens weer in stand ON om de motor opnieuw voor te gloeien.

Starten en afzetten van een motor met turbo/intercooler

1 Voer het toerental van de motor niet te hoog op en accelereer niet direct na het starten van de motor.

Laat een koude motor enkele seconden stationair draaien voordat u wegrijdt om ervoor te zorgen dat de turbocompressor voldoende smering krijgt.

  1. Na het rijden met hoge snelheid of een lange rit met een zware motorbelasting dient de motor voor het afzetten ongeveer 1 min stationair te draaien. Door de motor stationair te laten draaien zal de turbo afkoelen voordat de motor wordt afgezet.

KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 1

OPMERKING

Zet de motor nooit direct af nadat hij zwaar belast is. Dit kan zware schade veroorzaken aan de motor of de turbocompressor.

Rijden met uw auto

HANDGESCHAKELDE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING)

KIA Soul (2008) - HANDGESCHAKELDE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING) - 1

De versnellingspook kan worden bediend zonder de ring (1) omhoog te trekken. De ring (1) moet omhoog worden getrokken als de versnellingspook wordt bediend.

OAM059001

E050000AUN

E050100BUN-C1

Bedienen van de handgeschakelde transmissie

De handgeschakelde transmissie heeft vijf versnellingen vooruit.

Het schakelpatroon is aangebracht in de pookknop. Alle vooruitversnellingen zijn volledig gesynchroniseerd zodat het schakelen naar een hogere of lagere versnelling soepel verloopt.

Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen geheel in en laat het langzaam opkomen.

Voordat de achteruitversnelling kan worden ingeschakeld, moet de versnellingspook eerst in de vrijstand worden gezet. De ring (1) die zich direct onder de pookknop bevindt, moet omhoog worden getrokken om de versnellingspook in de achteruit stand te kunnen zetten. (indien van toepassing)

Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat de achteruit wordt ingeschakeld.

Laat de motor nooit met een toerental draaien dat in het rode gebied van de toerenteller ligt.

OPMERKING

- Bij het terugschakelen van de vijfde naar de vierde versnelling moet erop worden gelet dat de versnellingspook niet zo ver opzij wordt gedrukt dat per ongeluk de tweede versnelling wordt ingeschakeld. Hierdoor zou het motortoerental zo hoog kunnen oplopen dat de naald van de toerenteller in het rode gebied terecht zou kunnen komen. Dergelijke hoge toerentallen kunnen ernstige motorschade veroorzaken.

- Schakel niet meer dan 2 versnellingen tegelijk terug en schakel niet terug als de motor met een hoog toerental draait (5.000 omw/min). Terugschakelen onder dergelijke omstandigheden kan schade aan de motor veroorzaken.

  • Bij zeer lage buitentemperaturen kan het schakelen wat moeizamer gaan zolang de transmissieolie nog koud is. Dat is normaal en niet schadelijk voor de transmissie.
  • Als de auto geheel tot stilstand is gekomen en de 1e versnelling of de achteruit moeilijk ingeschakeld kunnen worden, zet dan de versnellingspook in de vrijstand en laat de koppeling opkomen. Trap het koppelingspedaal weer in en schakeel vervolgens de 1e versnelling of de achteruit in.

OPMERKING

  • Laat, om vroegtijdige slijtage en beschadiging van de koppeling te voorkomen, uw voet tijdens het rijden niet op het koppelingspedaal rusten. Gebruik de koppeling ook niet om de auto stil te laten staan op een helling (bijvoorbeeld bij een verkeerslicht, enz.).
  • Laat tijdens het rijden uw hand niet op de versnellingspook rusten omdat hierdoor voortijdige slijtage aan de schakelvorken in de transmissie op kan treden.

WAARSCHUWING

  • Trek altijd de parkeerrem stevig aan en zet de motor af alvorens de auto te verlaten. Zet de transmissie vervolgens in de 1e versnelling als de auto op een vlakke ondergrond of opwaartse helling staat, of schakel de achteruitversnelling in als de auto op een neerwaartse helling staat. Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.
  • Als uw auto is uitgerust met een handgeschakelde transmissie en niet is voorzien van een contactslot, kan de auto in beweging komen en een ernstig ongeval veroorzaken als de motor wordt gestart zonder dat het koppelingspedaal wordt ingetrapt terwijl de parkeerrem vrij is en de selectiehendel niet in stand N staat.

E050101AUN

Bedienen van de koppeling

Het koppelingspedaal moet geheel worden ingetrapt alvorens de versnellingspook te verplaatsen en moet daarna weer langzaam worden losgelaten. Het koppelingspedaal moet tijdens het rijden altijd geheel zijn losgelaten. Laat tijdens het rijden uw voet niet op het koppelingspedaal rusten. Dat veroorzaakt onnodige slijtage. Laat de koppeling ook niet gedeeltelijk in aangrijping komen om de auto op een helling op zijn plaats te houden. Dat veroorzaakt onnodige slijtage. Gebruik de voetrem of de parkeerrem om de auto op een helling op zijn plaats te houden. Trap het koppelingspedaal niet herhaaldelijk snel achter elkaar in.

Rijden met uw auto

E050102AUN

Terugschakelen

Schakel in druk verkeer of bij het oprijden van een steile helling terug voordat de motor te hard moet werken. Door terug te schakelen wordt de kans op afslaan beperkt en kan beter worden geaccelereerd wanneer u uw snelheid weer op moet voeren. Als de auto op een steile helling naar beneden rijdt, kan door terug te schakelen een veilige snelheid worden gehandhaafd en wordt bovendien de levensduur van de remmen verlengd.

E050200AUN-C1

Goede rijgewoonten

  • Laat de auto nooit in zijn vrij een helling af rijden. Dit is bijzonder gevaarlijk. Laat de auto bij het afrijden van een helling altijd in een versnelling staan.
  • Houd het rempedaal niet langdurig achter elkaar ingetrapt. Hierdoor kunnen de remmen oververhit raken en dienst gaan weigeren. Schakel in plaats daarvan bij het afrijden van een lange helling terug naar een lagere versnelling. Hierdoor remt de auto af op de motor.

  • Vertraag de snelheid voordat u terugschakelt. Hiermee voorkomt u dat de motor met een te hoog toerental gaat draaien, hetgeen schadelijk kan zijn voor de motor.

  • Verlaag uw snelheid ook als u geconfronteerd wordt met zijwind. Dan kunt u de auto beter onder controle houden.
  • Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat de achteruit wordt ingeschakeld. Als dat niet het geval is, kan de transmissie beschadigd raken. Trap het koppelingspedaal in, zet de versnellingspook in de vrijstand, en zet daarna de versnellingspook in de achteruit.
  • Wees vooral voorzichtig bij het rijden op een gladde ondergrond. Let in dat geval vooral op bij het remmen, gasgeven en schakelen. Op een glad wegdek kan een abrupte snelheidsverandering leiden tot verlies van grip van de aangedreven wielen, waardoor u de controle over uw auto kunt verliezen.

WAARSCHUWING

  • Draag altijd uw veiligheidsgordel! Bij een aanrijding lopen inzittenden die hun veiligheidsgordel niet dragen een veel grotere kans op ernstig letsel dan inzittenden die hun veiligheidsgordel wel dragen.
  • Pas uw snelheid aan voordat u een bocht aansnijdt of gaat keren.
  • Maak geen plotseli stuurbewegingen bij het wisselen van rijbaan of bij het nemen van snelle, scherpe bochten.
  • De kans dat de auto over de kop slaat wanneer u de macht over het stuur verliest, is veel groter bij hogere snelheden.
  • Meestal verliest de bestuurder de macht over de auto wanneer twee of meer wielen van de weg raken en de bestuurder het stuur omgooit om de auto weer de weg op te sturen.
  • Gooi het stuur niet om wanneer uw auto van de weg raakt. Minder in plaats daarvan snelheid voordat u de auto terug de weg op stuurt.
  • Houd u altijd aan de snelheidslimieten.

AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING)

P- R- N- D- 2- L- P- R- N- D- 2- L- + (Opschakelen) + (Terugschakelen)

Als uw auto is uitgerust met een schakelblokkeersysteem, trap het rempedaal in en druk de knop in om te schakelen.

Druk de vergrendelknop in om de selectiehendel te bewegen.

De selectiehendel kan worden verplaatst zonder de vergrendelknop in te drukken.

E060000AUN-SA

OAM059002

E060100AUN

Bediening automatische transmissie

De uiterst efficiënte automatische transmissie heeft 4 versnellingen vooruit en 1 versnelling achteruit. De verschillende versnellingen worden automatisch ingeschakeld, welke versnellingen er beschikbaar zijn, is afhankelijk van de stand van de selectiehendel.

Onder normale omstandigheden wordt altijd gereden met de selectiehendel in stand D.

*AANWIJZING

Het schakelen bij een nieuwe auto kan, als de accukabels losgenomen zijn geweest, de eerste paar keer wat schokkerig verlopen. Dat is een normaal verschijnsel en na een paar keer schakelen zal de TCM (Transaxle Control Module) of de PCM (Powertrain Control Module) het schakelgedrag aanpassen.

Trap voor een soepele en veilige bediening het rempedaal in bij het overschakelen van stand N naar een vooruitversnelling of de achteruitversnelling.

WAARSCHUWING

  • Controleer altijd de omgeving rond de auto op de aanwezigheid van anderen, in het bijzonder kinderen, alvorens u de transmissie in stand D of R zet.
  • Controleer altijd of stand P is Ingeschakeld, trek de parkeerrem volledig aan en zet de motor uit voordat u de auto verlaat. Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.

OPMERKING

  • Geef, om schade aan de transmissie te voorkomen, geen gas wanneer stand R of een van de vooruitversnellingen is ingeschakeld en het rempedaal ingetrapt is.
  • Houd de auto bij stilstaan op een helling nooit op zijn plaats door gas te geven. Gebruik de bedriifsrem of de narkeerrem
  • Schakel niet van stand N of P in stand D of R wanneer het motortoerental hoger is dan het stationaire toerental.

E060101ASA

Standen selectiehendel

P (parkeren)

Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat stand P wordt ingeschakeld. In deze stand zijn de transmissie en de voorwielen geblokkeerd.

WAARSCHUWING

  • Wanneer stand P tijdens het rijden wordt ingeschakeld, blokkeren de aangedreven wielen en raakt u de controle over de auto kwijt.
  • Gebruik stand P niet in plaats van de parkeerrem. Zorg er altijd voor dat de selectiehendel in stand P staat en dat de parkeerrem is geactiveerd.
  • Laat een kind nooit zonder toezicht achter in de auto.

OPMERKING

De transmissie kan beschadigd raken wanneer u stand P tijdens het rijden inschakelt.

R (achteruit)

Gebruik deze stand om de auto achteruit te rijden.

! OPMERKING

Laat de auto helemaal tot stilstand komen alvorens de selectiehendel in of uit stand R te zetten. Anders zou de transmissie kunnen beschadigen, behalve onder de omstandigheden uitgelegd onder "Op eigen kracht lostrekken van de auto" in dit hoofdstuk.

N (neutraal)

De wielen en de transmissie zijn niet geblokkeerd. De auto zal zelfs op de kleinste helling wegrollen tenzij de parkeerrem wordt aangetrokken of het rempedaal wordt ingetrapt.

Stand D (drive)

Dit is de normale stand voor het rijden in voorwaartse richting. De transmissie schakelt automatisch tussen de vier versnellingen vooruit voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik bij optimale prestaties.

Druk voor extra vermogen tijdens inhaalmanoeuvres of het beklimmen van een steile helling het gaspedaal volledig in. Hierdoor zal de automatische transmissie automatisch een lagere versnelling kiezen.

*AANWIJZING

Zorg er altijd voor dat de auto volledig stilstaat voordat u stand D selecteert.

2 (Tweede versnelling)

Schakel stand 2 (tweede versnelling) in voor meer vermogen bij het oprijden van een helling en voor beter afremmen op de motor bij het dalen. Als de selectiehendel in stand 2 (tweede versnelling) staat, zal de transmissie automatisch schakelen tussen de 1e en 2e versnelling.

Stand L (Laag)

Zet de selectiehendel in deze stand wanneer een maximale trekkracht nodig is en bij het op- of afrijden van steile hellingen.

! OPMERKING

Overschrijd de geadviseerde maximumsnelheden in 2 (2e versnelling) of L (laag) niet. Het overschrijden van de geadviseerde maximumsnelheden in 2 (2e versnelling) of L (laag) kan leiden tot een overmatige hitteontwikkeling, waardoor de automatische transmissie beschadigd of defect kan raken.

KIA Soul (2008) - ! OPMERKING - 1

E060104ASA
O/D OFF-Functie
(indien van toepassing)

De overdrive kan worden in- en uitgeschakeld door de O/D-knop in te drukken. Als de overdrive is uitgeschakeld, brandt het controlelampje O/D OFF en wordt er geschakeld tussen de 1e en 3e versnelling. De transmissie zal pas naar de 4e versnelling schakelen als de O/D-schakelaar nogmaals wordt ingedrukt.

Bij het afrijden van een helling met de transmissie in O/D(4e), kunt u snelheid verminderen zonder het rempedaal in te trappen door de knop O/D OFF in te drukken.

Door nogmaals op deze schakelaar te drukken wordt de O/D OFF-functie weer uitgeschakeld.

Controlelampje O/D OFF

Dit lampje gaat branden als de O/D OFF-functie is ingeschakeld.

*AANWIJZING

Indien het controlelampje O/D OFF knippert, is er een elektrisch defect in de transmissie aanwezig. Als dit gebeurt, laat de auto dan zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer, behalve onder de omstandigheden uitgelegd onder OP EIGEN KRACHT LOSTREKKEN VAN DE AUTO.

E060102AAM

Schakelblokkeersysteem (indien van toepassing)

De automatische transmissie heeft een schakelblokkeersysteem dat voorkomt dat de selectiehendel uit de stand P in stand R kan worden gezet zonder dat het rempedaal is ingetrapt.

In stand R zetten van de automatische transmissie uit stand P:

  1. Houd het rempedaal ingetrapt.

  2. Druk de ontgrendelknop in en verplaats de selectiehendel.

Als het rempedaal herhaaldelijk wordt ingetrapt en losgelaten met de selectiehendel in de stand P, kan een ratelend geluid bij de selectiehendel worden gehoord. Dit is een normaal verschijnsel.

KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 1

WAARSCHUWING

Houd tijdens het in een andere stand dan stand P zetten van de selectiehendel altijd het rempedaal ingetrapt om te voorkomen dat de auto zich onbedoeld in beweging zet, waardoor mensen die zich in de buurt van de auto bevinden letsel op zouden kunnen lopen.

E060103AUN

Sleutelblokkeersysteem (indien van toepassing)

De sleutel kan alleen uit het contact worden genomen als de selectiehendel in stand P staat. Als de selectiehendel in een andere stand staat, kan de sleutel niet worden verwijderd.

E060200AUN

Goede rijgewoonten

  • Houd het gaspedaal nooit ingetrapt als de selectiehendel van stand P of N in een andere stand wordt gezet.
  • Zet de selectiehendel nooit in stand P als de auto nog niet volledig tot stilstand is gekomen.
  • Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat stand R, D wordt ingeschakeld.
  • Laat de auto nooit in zijn vrij een helling af rijden. Dit is bijzonder gevaarlijk. Laat de auto bij het rijden altijd in een versnelling staan.
  • Houd het rempedaal niet langdurig achter elkaar ingetrapt. Hierdoor kunnen de remmen oververhit raken en dienst gaan weigeren. Schakel in plaats daarvan bij het afrijden van een lange helling terug naar een lagere versnelling. Hierdoor remt de auto af op de motor.
  • Vertraag de snelheid voordat u terugschakelt. Anders kan de lagere versnelling misschien niet worden ingeschakeld.

  • Gebruik altijd de parkeerrem. Vertrouw niet uitsluitend op stand P van de transmissie om de auto op zijn plaats te houden.

  • Wees vooral voorzichtig bij het rijden op een gladde ondergrond. Let in dat geval vooral op bij het remmen, gasgeven en schakelen. Op een glad wegdek kan een abrupte snelheidsverandering leiden tot verlies van grip van de aangedreven wielen, waardoor u de controle over uw auto kunt verliezen.
  • Voor de beste prestaties en een zo laag mogelijk brandstofverbruik moet het gaspedaal met een gelijkmatige beweging worden ingetrapt en worden losgelaten.

WAARSCHUWING

  • Draag altijd uw veiligheidsgorde! Bij een aanrijding lopen inzittenden die hun veiligheidsgordel niet dragen een veel grotere kans op ernstig letsel dan inzittenden die hun veiligheidsgordel wel dragen.
  • Pas uw snelheid aan voordat u een bocht aansnijdt of gaat keren.
  • Maak geen plotseli stuurbewegingen bij het wisselen van rijbaan of bij het nemen van snelle, scherpe bochten.
  • De kans dat de auto over de kop slaat wanneer u de macht over het stuur verliest, is veel groter bij hogere snelheden.
  • Meestal verliest de bestuurder de macht over de auto wanneer twee of meer wielen van de weg raken en de bestuurder het stuur omgooit om de auto weer de weg op te sturen.
  • Gooi het stuur niet om wanneer uw auto van de weg raakt. Minder in plaats daarvan snelheid voordat u de auto terug de weg op stuurt.
  • Houd u altijd aan de snelheidslimieten.

WAARSCHUWING

Als u met u auto vast komt te zitten in de sneeuw, modder, zand, enz., kunt u proberen de auto weer los te krijgen door afwisselend voor- en achteruit te rijden. Doe dat echter niet als er mensen of obstakels in de directe nabijheid van de auto aanwezig zijn. Tijdens het voor- of achteruitrijden kan de auto plotseling naar voren of naar achteren bewegen als de aangedreven wielen weer grip krijgen, waardoor personen letsel kunnen oplopen of schade kan ontstaan.

E060203AUN

Vanuit stilstand een steile helling oprijden

Trap het rempedaal in en zet de selectiehendel in stand D om vanuit stilstand een steile helling op te rijden. Kies de juiste versnelling afhankelijk van de mate waarin de auto belast is en de steilheid van de helling en ontgrendel de parkeerrem. Trap het gaspedaal geleidelijk in terwijl u het rempedaal op laat komen.

Bij het vanuit stilstand accelereren op een stelle helling kan de auto de neiging hebben om achteruit te rollen. Door de selectiehendel in stand 2 (tweede versnelling) te zetten voorkomt u dat de auto achteruit gaat rollen.

REMSYSTEEM

E070100AUN

Rembekrachtiging

Uw auto is voorzien van bekrachtigde remmen die bij normaal gebruik automatisch afgesteld worden.

Als de rembekrachtiging uitvalt omdat de motor is afgeslagen of door een andere oorzaak, kunt u de auto alsnog tot stilstand brengen door het rempedaal met een grotere kracht dan normaal in te trappen. De remweg zal echter langer dan gewoonlijk zijn.

Als de motor niet draait, wordt de mate van bekrachtiging steeds minder naarmate u vaker het rempedaal indrukt. Als de rembekrachtiging uitvalt, probeer dan niet "pompend" te remmen.

Rem alleen "pompend" als de wielen dreigen te blokkeren.

- Laat tijdens het rijden uw voet niet op het rempedaal rusten. Hierdoor kan de temperatuur van de remmen abnormaal hoog worden, kunnen de remblokken en -schoenen overmatig slijten en kan de remweg vergroot worden.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Schakel bij het afrijden van een lange of een steile helling een lagere versnelling in en vermijd langdurig achter elkaar remmen. Door langdurig achter elkaar te remmen, zullen de remmen oververhit raken en kan een tijdelijk verlies van remprestaties het gevolg zijn.

- Als de remmen nat zijn, remt de auto minder dan normaal en kan de auto naar een kant trekken tijdens het remmen. Door het rempedaal licht in te trappen, kunt u controleren of het remvermogen door het nat worden is verminderd. Controleer uw remmen altijd op deze manier nadat u door waterplassen bent gereden. Druk voor het drogen van de remmen het rempedaal licht in terwijl u met een lage snelheid rijdt, totdat het remvermogen weer op het normale niveau is.

E070101AUN

Problemen bij het remmen

Als de bedrijfsremmen tijdens het rijden uit zouden vallen, kunt u de auto met behulp van de parkeerrem alsnog tot stilstand brengen. Houd daarbij dan wel rekening met een veel langere remweg dan normaal.

Wanneer tijdens het rijden met een normale snelheid de parkeerrem wordt aangetrokken, kunt u plotseling de controle over de auto verliezen. Trek de parkeerrem voorzichtig aan wanneer u deze gebruikt om de auto tot stilstand te brengen.

Rijden met uw auto

E070102AUN-C1

Remblokslijtage-indicatoren

Uw auto is voorzien van schijfremmen.

Wanneer de remblokken voor of achter (indien van toepassing) versleten zijn, hoort u als waarschuwing een piepend geluid van de remmen. Dit geluid kan af en toe hoorbaar zijn of op het moment dat u het rempedaal intrapt.

Onder sommige rijomstandigheden of bij sommige klimaten kunnen de remmen piepen wanneer u het rempedaal voor de eerste keer of lichtjes intrapt. Dit is normaal en duidt niet op een probleem met de remmen.

! OPMERKING

Blijf, om kostbare reparaties aan de remmen te voorkomen, niet rijden met versleten remblokken.
Vervang de remblokken van één as altijd gelijktijdig.

Dit waarschuwingsgeluid geeft aan dat de remblokken van uw auto vervangen moeten worden. Wanneer u deze waarschuwing negeert, kunnen de remprestaties na een poosje verminderen, wat tot ernstige ongevallen kan leiden.

E070106APB

Trommelremmen achter (indien van toepassing)

De trommelremmen achter zijn niet voorzien van slijtage-indicatoren. Laat de remvoeringen controleren als u hoort dat de remmen achter aanlopen. Laat daarnaast de remmen achter controleren wanneer u de wielen verwisselt of vervangt en wanneer de remmen vóór vervangen worden.

KIA Soul (2008) - ! OPMERKING - 1

Activeren van de parkeerrem

Trap eerst de voetrem in en trek daarna de parkeerremhendel zonder de ontgrendelknop in te drukke zo ver mogelijk omhoog. Verder wordt geadviseerd bij het parkeren op een helling de versnellingspook in een lage versnelling te zetten (handgeschakelde transmissie) of de selectiehendel in stand P (automatische transmissie) te zetten.

! OPMERKING

Wanneer met ingetrapte parkeerrem gereden wordt, zullen de remblokken overmatig slijten.

KIA Soul (2008) - ! OPMERKING - 1

Deactiveren van de parkeerrem

Trap het rempedaal in en trek de parkeerremhendel iets omhoog.

Druk vervolgens de ontgrendelknop (1) in en beweeg de parkeerremhendel (2)

naar beneden terwijl u de ontgrendelknop ingedrukt houdt.

⚠ WAARSCHUWING

  • Gebruik stand P niet in plaats van de parkeerrem om de auto op zijn plaats te houden. Activeer de parkeerrem EN zet de versnellingspook in de 1e versnelling of de achteruitversnelling (handgeschakelde transmissie) of zet de selectiehendel in stand P (automatische transmissie).
  • Laat kinderen en personen die niet bekend zijn met de auto niet aan de parkeerrem komen. Als de parkeerrem per ongeluk wordt gedeactiveerd, kan er ernstig letsel ontstaan.
  • Bij het parkeren van de auto moet altijd de parkeerrem worden geactiveerd om te voorkomen dat de auto zich onbedoeld in beweging zet, waardoor de inzittenden of voetgangers letsel op zouden kunnen lopen.

KIA Soul (2008) - ⚠ WAARSCHUWING - 1
W-75

Controleer of het waarschuwingslampje van het remsysteem werkt door het contact in stand ON te zetten (start de motor niet). Dit lampje gaat branden wanneer het contact in stand START of ON wordt gezet en de parkeerrem is geactiveerd.

Zorg ervoor dat de parkeerrem voor het wegrijden vrij is en controleer of het waarschuwingslampje van het remsysteem niet brandt.

Als het waarschuwingslampje van het remsysteem blijft branden nadat de parkeerrem vrij is en de motor draait, kan er een storing in het remsysteem zijn. Laat dit direct controleren.

Breng de auto indien mogelijk direct tot stilstand. Als dat niet mogelijk is, rijdt dan erg voorzichtig door naar een plaats waar u wel kunt stoppen.

E070300AUN-EE

Antiblokkeersysteem (ABS) (indien van toepassing)

WAARSCHUWING

ABS (of ESP) kan geen ongelukken voorkomen die het gevolg zijn van gevaarlijk rijgedrag. Hoewel de auto bij een noodstop beter onder controle gehouden kan worden, is het toch noodzakelijk voldoende afstand tot uw voorligger te bewaren. U moet uw rijsnelheid altijd aanpassen aan de omstandigheden en zo nodig uw snelheid verlagen.

De remweg van auto's met ABS (of ESP) kan in de volgende situaties langer zijn dan van auto's zonder een dergelijk systeem.

Rijd in dergelijke situaties met een gereduceerde snelheid:

- Op slechte wegen, wegen met steenslag of wegen die met sneeuw bedekt zijn.

(Vervolg)

(Vervolg)

• Als er sneeuwkettingen

gemonteerd zijn.

- Op wegen met kuilen of met hoogteverschillen.

Probeer de werking van het ABS (of ESP) van uw auto niet uit bij hoge snelheden of tijdens het nemen van een bocht. Hiermee kunt u zichzelf en anderen in gevaar brengen.

Het ABS registreert continu de snelheid van de wielen. Zodra de wielen dreigen te blokkeren, vermindert het ABS de hydraulische remdruk op de wielen.

In dat geval is een tikkend geluid hoorbaar in het remsysteem en kan het rempedaal gaan trillen. Dit is normaal. Het betekent dat het ABS in werking is getreden.

Om in een noodsituatie het maximale rendement uit het ABS te halen, dient u niet zelf "pompend" te gaan remmen. Trap het rempedaal zo hard mogelijk in en laat het ABS verder het werk doen.

*AANWIJZING

Na het starten van de motor en het wegrijden kan er in de motorruimte een klikkend geluid hoorbaar zijn. Dat is normaal en geeft aan dat het ABS op de julste manler werkt.

  • Zelfs met het antiblokkeersysteem heeft uw auto nog steeds voldoende remweg nodig. Bewaar altijd een veilige afstand tot de auto voor u.
  • Rem altijd af voor een bocht. Het antiblokkeersysteem kan geen ongevallen voorkomen die het gevolg zijn van te snel rijden.
  • Op wegen met los grind of wegen die niet vlak zijn kan het antiblokkeersysteem voor een langere remweg zorgen dan bij auto's zonder antiblokkeersysteem.

KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 1

W-7B

OPMERKING

  • Wanneer het waarschuwingslampje ABS brandt en blijft branden, is er mogelijk een probleem aanwezig in het ABS. In dat geval werken de remmen echter wel normaal.
  • Het waarschuwingslampje ABS gaat nadat het contact om stand ON is gezet ongeveer 3 seconden branden. Het ABS voert dan een zelfdiagnose uit en het lampje zal doven wanneer alles in orde is. Wanneer het lampje blijft branden, is er mogelijk een probleem aanwezig in het ABS. Laat de auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.

OPMERKING

  • Als u op een weg rijdt waar erg weinig grip is, bijvoorbeeld bij vorst, en voortdurend de remmen bedient, is het ABS voortdurend in werking en kan het waarschuwingslampje ABS gaan branden. Zet de auto stil op een veilige plaats en zet de motor uit.
  • Start de motor opnieuw. Als het waarschuwingslampje ABS dooft, is het ABS in orde. Anders is er mogelijk een storing in het ABS. Laat de auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.

*AANWIJZING

Als u de auto met een hulpaccu moet starten doordat de accu is leeggeraakt, draait de motor mogelijk niet soepel rond en kan bovendien het waarschuwingslampje ABS gaan branden. Dit komt door de lage accuspanning. Het betekent niet dat er een storing in het ABS is.

  • Rem niet "pompend"!
  • Laat de accu bijladen voordat u wegrijdt.

KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 1

Voertuigstabiliteitsregeling (ESP - Electronic stability program) (indien van toepassing)

Het ESP-systeem is ontworpen om de stabiliteit van de auto in bochten te verbeteren. Het ESP controleert in welke richting u stuurt en in welke richting de auto daadwerkelijk beweegt. Het ESP remt de wielen gericht af en grijpt indien nodig in in het motormanagementsysteem om de auto te stabiliseren.

WAARSCHUWING

Rijd niet harder dan de toestand van de weg toelaat en neem bochten niet met een te hoge snelheid. De

voertuigstabiliteitsregeling (ESP) kan aanrijdingen niet voorkomen. Te hoge bochtensnelheden, abrupte uitwijkmanoeuvres en aquaplaning op een nat wegdek kunnen nog steeds leiden tot ernstige ongelukken. Alleen een bestuurder die veilig en oplettend rijdt kan aanrijdingen voorkomen door manoeuvres te vermijden die kunnen leiden tot het verlies van grlp van de banden. Neem ook bij een auto die is uitgerust met ESP de normale voorzorgsmaatregelen in acht en pas uw snelheid altijd aan aan de omstandigheden.

Het ESP-systeem (Electronic Stability Program) is een elektronisch systeem dat ontworpen is om de auto onder ongunstige omstandigheden beter onder controle te kunnen houden. Het systeem is geen vervanging voor een veilig rijgedrag. Zaken als snelheid, conditie van de weg en stuurcommando's van de bestuurder hebben invloed op de mate waarin het ESP verlies van controle over de auto kan voorkomen. Het blijft te allen tijde de verantwoordelijkheid van de bestuurder de snelheid aan te passen aan de omstandigheden en te zorgen voor een juiste veiligheidsmarge.

In dat geval is een tikkend geluid hoorbaar in het remsysteem en kan het rempedaal gaan trillen. Dit is normaal. Het betekent dat het ESP in werking is getreden.

*AANWIJZING

Na het starten van de motor en het wegrijden kan er in de motorrulmte een klikkend geluld hoorbaar zijn. Dat is normaal en geeft aan dat het ESP op de juiste manier werkt.

E070501AUN-EE

Werking voertuigstabiliteitsregeling Voertuigstabiliteitsregeling ingeschakeld

KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 1

- Als het contact in stand ON wordt gezet, gaan de controlelampjes ESP en ESP OFF gedurende ongeveer 3 seconden branden, waarna de voertuigstabiliteitsregeling wordt ingeschakeld.

• Houd, om voertuigstabiliteitsregeling uit te schakelen, de schakelaar ESP OFF ten minste 0,5 seconden ingedrukt nadat het contact in stand ON is gezet. (Het controlelampje ESP OFF gaat branden.) Druk op de schakelaar ESP OFF om de voertuigstabiliteitsregeling in te schakelen (het controlelampje ESP OFF dooft).

- Tijdens het starten van de motor is mogelijk een zacht tikkend geluid hoorbaar. Dit is de automatische zelfdiagnosefunctie van de voertuigstabiliteitsregeling en duidt niet op een storing.

In werking

KIA Soul (2008) - In werking - 1

Als de voertuigstabiliteitsregeling in werking treedt, gaat het controlelampje ESP knipperen.

- Als de voertuigstabiliteitsregeling werkt, voelt u mogelijk lichte trillingen in de auto. Dit wordt veroorzaakt door het aansturen van de remmen en is normaal.

- Tijdens het wegrijden op een gladde weg neemt het motortoerental mogelijk niet toe, ondanks dat u het gaspedaal intrapt.

E070502AUN EE

Voertuigstabiliteitsregeling uitschakelen

Voertuigstabiliteitsregeling uitgeschakeld

• Druk op toets ESP OFF om de voertuigstabiliteitsregeling uit te schakelen. Het controlelampje ESP OFF gaat branden.

- De voertuigstabiliteitsregeling blijft uitgeschakeld, ook als u het contact in stand LOCK zet. Pas wanneer de motor opnieuw wordt gestart, zal de voertuigstabiliteitsregeling automatisch weer worden ingeschakeld.

Rijden met uw auto

■ Controlelampje ESP (knippert)

KIA Soul (2008) - Rijden met uw auto - 1

■ Controlelampje ESP OFF (gaat branden)

KIA Soul (2008) - Rijden met uw auto - 2

E070503APB

Controlelampje

Als het contact in stand ON wordt gezet, gaat het controlelampje branden. Als het systeem in orde is dooft het lampje na enige tijd weer.

Het controlelampje ESP knippert als het ESP werkt of gaat branden als het ESP niet in werking treedt.

Het controlelampje ESP OFF gaat branden als het ESP wordt uitgeschakeld met de schakelaar.

E07503AUN-EE-C1

! OPMERKING

Als er banden en/of velgen met een verschillende maat onder de auto gemonteerd zijn, kan dat de werking van het ESP in negatieve zin beïnvloeden. Zorg er daarom voor dat als de banden onder uw auto vervangen moeten worden, ze dezelfde maat hebben als de originele banden.

WAARSCHUWING

De voertuigstabiliteitsregeling is slechts een hulpmiddel bij het rijden. Pas op bochtige en gladde wegen uw rijsnelheid aan. Rijd voorzichtig en probeer niet te accelereren als het controlelampje ESP knippert of als u op een gladde weg rijdt.

E070504AUN-C1

Voertuigstabiliteitsregeling uitschakelen

Tijdens het rijden

  • Het verdient aanbeveling om de voertuigstabiliteitsregeling waar mogelijk ingeschakeld te houden.
  • Schakel de voertuigstabiliteitsregeling tijdens het rijden alleen uit als u op een vlakke weg rijdt.

WAARSCHUWING

Druk nooit op de schakelaar ESP OFF als de voertuigstabiliteitsregeling in werking is (controlelampje ESP knippert).

Als het systeem in dat geval toch wordt uitgeschakeld, kan de auto gaan slippen.

*AANWIJZING

  • Schakel de voertuigstabillteitsregeling uit (controlelampje ESP OFF brandt) als de auto op een rollenbank getest wordt. Als dat niet gebeurt, kan het toerental van de wielen mogelijk niet verhoogd worden, waardoor een foutleve diagnose zou kunnen worden gesteld.
  • Het uitschakelen van voertuigstabiliteitsregeling heeft geen gevolgen voor een correcte werking van het ABS en het remsysteem.

E070600AUN

Goede remgewoonten

  • Controleer na het parkeren of de parkeerrem gedeactiveerd is en het controlelampje voor de parkeerrem uit is alvorens weg te rijden.
  • Als u met de auto door plassen rijdt, worden de remmen nat. Ook als de auto gewassen is, kunnen de remmen nat geworden zijn. Het rijden met natte remmen kan gevaarlijk zijn! De remweg van uw auto wordt langer als de remmen nat zijn. Ook kan de auto tijdens het remmen naar een kant trekken als de remmen nat zijn.

U kunt de remmen drogen door het rempedaal tijdens het rijden licht in te trappen. Als de remmen droog zijn, werkt het remsysteem weer normaal. Als het remsysteem echter na het drogen niet normaal werkt, breng dan de auto op een veilige plaats tot stilstand en neem contact op met een officièle KIA-dealer voor hulp.

  • Zet de transmissie tijdens het afrijden van een helling niet in de vrijstand. Dit is bijzonder gevaarlijk. Rijd met een ingeschakelde versnelling, gebruik het remsysteem om de snelheid te verlagen en schakel vervolgens een lagere versnelling in. Door tevens op de motor af te remmen, kunt u de snelheid op een veilige manier verlagen.
  • Houd het rempedaal niet langdurig achter elkaar ingetrapt. Als u tijdens het rijden het rempedaal ingetrapt houdt, kan dat gevaar opleveren omdat het remsysteem hierdoor oververhit kan raken, waardoor de remwerking minder wordt. Verder resulteert het ingetrapt houden van het remsysteem voor extra slijtage aan onderdelen van het remsysteem.
  • Trap het rempedaal geleidelijk in en verlaag uw snelheid terwijl u rechtuit blijft rijden als u tijdens het rijden een lekke band krijgt. Breng uw auto op een veilige plaats tot stilstand.

Rijden met uw auto

  • Zorg ervoor dat uw auto niet gaat kruipen als uw auto is voorzien van een automatische transmissie. Voorkom kruipen door het rempedaal ingetrapt te houden als de auto stilstaat.
  • Neem de voorzorgsmaatregelen in acht bij het parkeren op een helling. Activeer de parkeerrem en zet de selectiehendel in stand P (automatische transmissie) of in de 1e versnelling of de achteruit (handgeschakelde transmissie). Draai de voorwielen naar de stoeprand als de auto met de voorzijde naar beneden wijst, om te voorkomen dat de auto wegrolt. Draai de voorwielen van de stoeprand af als de auto met de voorzijde naar boven wijst, om te voorkomen dat de auto wegrolt. Als er geen geschikte stoeprand naast de weg aanwezig is die de auto tegen kan houden, leg dan blokken voor de wielen.

  • Onder bepaalde omstandigheden kan de parkeerrem in geactiveerde toestand vastvriezen. De kans daar op is het grootst als er rond de achterremmen sprake is van een opeenhoping van sneeuw of ijs of als nog de remmen nat zijn. Als de kans bestaat dat de parkeerrem vast gaat vriezen, gebruik hem dan alleen maar tijdelijk tijdens het in stand P zetten van de transmissie (automatische transmissie) of in de 1e versnelling of achteruit zetten (handgeschakelde transmissie) en het blokkeren van de wielen. Deactiveer daarna de parkeerrem.

  • Houd de auto op een helling niet op zijn plaats door gas te geven. Hierdoor kan de transmissie oververhit raken. Gebruik altijd de voetrem of de parkeerrem.

CRUISE CONTROL-SYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)

E090000AUN

De cruise control stelt u in staat een bepaalde rijsnelheid te programmeren die de auto vervolgens aanhoudt, zonder dat u de voet op het gaspedaal hoeft te houden.

Dit systeem is ontworpen om bij een snelheid van meer dan 40 km/h in werking te treden.

WAARSCHUWING

- Als het systeem niet wordt uitgeschakeld (controlelampje CRUISE blijft branden) kan de cruise control mogelijk onbedoeld worden geactiveerd. Zet het systeem uit (controlelampje CRUISE UIT) wanneer de cruise control niet gebruikt wordt.

- Gebruik het cruise control systeem alleen indien de verkeersdrukte en de weersomstandigheden dat toelaten.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Gebruik de cruise control nooit wanneer niet veilig met een constante snelheid gereden kan worden, bijvoorbeeld bij filerijden, op gladde wegen (door regen, ijs of sneeuw), bochtige wegen of op bergwegen met een hellingspercentage van meer dan 6%.
  • Houd bij het gebruik van het cruise control-systeem de rijomstandigheden extra in acht.

! OPMERKING

Schakel bij het rijden met de cruise control bij een auto met handgeschakelde transmissie niet naar de vrijstand zonder het koppelingspedaal in te trappen. De motor zal dan met een te hoog toerental draaien. Trap, wanneer dit gebeurt, het koppelingspedaal in of zet de cruise control UIT met de hoofdschakelaar.

*AANWIJZING

Tijdens de normale werking van de cruise control zal deze na ongeveer 3 seconden in werking treden wanneer de toets SET wordt ingedrukt of opnieuw wordt ingedrukt nadat geremd is. Deze vertraging is normaal.

Rijden met uw auto

KIA Soul (2008) - Rijden met uw auto - 1

Rijsnelheid instellen:

  1. Druk op de toets CRUISE ON-OFF op het stuurwiel om de cruise control in te schakelen. Het controlelampje CRUISE in het instrumentenpaneel gaat branden.

  2. Accelereer naar de gewenste snelheid, die hoger moet zijn dan 40 km/h

KIA Soul (2008) - Rijsnelheid instellen: - 1

  1. Druk de schakelaar SET- in en laat de schakelaar los als de gewenste snelheid is bereikt. Het controlelampje SET in het instrumentenpaneel zal gaan branden. Laat op dat moment ook het gaspedaal los. De snelheid wordt nu automatisch aangehouden.

Op steile hellingen kan de snelheid van de auto tijdelijk iets hoger of lager worden.

KIA Soul (2008) - Rijsnelheid instellen: - 2

Rijsnelheid verhogen

Volg één van de volgende procedures:

- Houd schakelaar RES+ ingedrukt. De auto zal accelereren. Laat de schakelaar los op het moment dat de gewenste snelheid is bereikt.

- Druk schakelaar RES+ in en laat deze meteen los. De ingestelde snelheid wordt elke keer dat de schakelaar RES+ op deze manier bediend wordt met 2,0 km/h (1,2 mph) - dieselmotor, verhoogd.

KIA Soul (2008) - Rijsnelheid verhogen - 1

Rijsnelheid verlagen:

Volg één van de volgende procedures:

- Houd de toets SET- ingedrukt. De auto mindert geleidelijk snelheid. Laat de schakelaar los op het moment dat de gewenste snelheid is bereikt.

- Druk schakelaar SET- in en laat hem meteen los. De ingestelde snelheid wordt elke keer dat de schakelaar SET-op deze manier bediend wordt met 2,0 km/h (1,2 mph) - dieselmotor, verlaagd.

E090400AUN

Tijdelijk accelereren met ingeschakelde cruise control:

Trap het gaspedaal in als u tijdelijk sneller wilt gaan rijden terwijl de cruise control is ingeschakeld. De cruise control wordt niet uitgeschakeld en de rijsnelheid die oorspronkelijk was ingesteld blijft behouden.

Laat het gaspedaal los om weer terug te keren naar de oorspronkelijke rijsnelheid.

KIA Soul (2008) - Tijdelijk accelereren met ingeschakelde cruise control: - 1

Schakel de cruise control op één van de volgende manieren uit:

  • Trap het rempedaal in.
  • Trap het koppelingspedaal in (handgeschakelde transmissie).
  • Zet de selectiehendel in stand N (automatische transmissie).
  • Druk op de toets CANCEL op het stuurwiel.
  • Verlaag de snelheid tot een snelheid die 20 km/h (12 mph) lager is dan de snelheid die in het geheugen is opgeslagen.
  • Verlaag de snelheid tot een snelheid die lager is dan ongeveer 40 km/h (25 mph).

Rijden met uw auto

Door deze handelingen wordt de werking van de cruise control onderbroken (het controlelampje SET op het instrumentenpaneel gaat uit), maar wordt het systeem niet uitgeschakeld. Om de werking van de cruise control te hervatten drukt u op schakelaar RES+ op het stuurwiel. De cruise control keert terug naar de eerder door u ingestelde snelheid.

KIA Soul (2008) - Rijden met uw auto - 1

Terugkeren naar ingestelde rijsnelheid (boven 40 km/h (25 mph)):

De meest recente snelheid wordt automatisch hervat wanneer de toets RES+ wordt ingedrukt. Dit kan alleen als de ingestelde rijsnelheid niet onderbroken is met schakelaar CRUISE ON-OFF en het systeem nog steeds geactiveerd is.

De ingestelde snelheid wordt echter niet hervat wanneer de snelheid minder is dan 40 km/h (25 mph).

E090700AUN AM

Schakel de cruise control op één van de volgende manieren uit:

- Druk op de toets CRUISE ON-OFF (het controlelampje CRUISE op het instrumentenpaneel gaat uit).

• Zet het contact in stand LOCK.

In deze beide gevallen wordt het systeem uitgeschakeld. Volg de aanwijzingen onder "Rijsnelheid instellen" op de vorige bladzijde om de cruise control opnieuw in te schakelen.

BRANDSTOFBESPARING

E100000AUN

Het brandstofverbruik van uw auto is voornamelijk afhankelijk van uw rijstijl, de plaatsen waar u rijdt en de omstandigheden waaronder u rijdt.

Al deze factoren zijn van invloed op het totale aantal kilometers dat u op een liter brandstof kunt afleggen. Door de onderstaande suggesties op te volgen, verbruikt uw auto zo min mogelijk brandstof en bespaart u geld op zowel de brandstof als op reparaties en onderhoud:

- Rijd zo vloeiend mogelijk. Verhoog uw snelheid geleidelijk. Rijd niet volgas weg bij een verkeerslicht en houd uw snelheid zo constant mogelijk. Sprint niet van verkeerslicht naar verkeerslicht. Pas uw snelheid zoveel mogelijk aan aan de snelheid van de overige verkeersdeelnemers zodat u niet onnodig moet vertragen of versellen. Vermijd indien mogelijk verkeersopstoppingen. Bewaar altijd voldoende afstand tot uw voorligger, zodat u onnodig remmen kunt voorkomen. Dat beperkt tevens de slijtage aan het remsysteem.

- Rijd niet harder dan nodig is. Hoe harder u rijdt, hoe meer brandstof uw auto verbruikt. Rijden met een constante, niet al te hoge snelheid, vooral op de snelweg, is een van de meest effectieve manieren om brandstof te besparen.

- Regel de snelheid niet met het rempeedaal of het koppelingspedaal. Dat verhoogt het brandstofverbruik en kan tevens de slijtage aan deze componenten bespoedigen. Verder kan, als u uw voet tijdens het rijden op het rempeedaal laat rusten, het remsysteem oververhit raken, waardoor de remwerking in negatieve zin beïnvloed kan worden, hetgeen ernstige consequenties kan hebben.

- Zorg goed voor uw banden. Houd de bandenspanning op de geadviseerde waarde. Een onjuiste bandenspanning, te hoog of te laag, leidt tot onnodige bandenslijtage. Controleer de bandenspanning minimaal een keer per maand.

- Zorg ervoor dat de wielen goed uitgelijnd zijn. Een onjuiste uitlijning van de wielen kan het gevolg zijn van het rijden tegen stoepranden of van het met een te hoge snelheid rijden over een weg met kuilen en hobbels. Een onjuiste uitlijning zorgt voor een snellere bandenslijtage en kan naast een hoger brandstofverbruik ook nog andere problemen veroorzaken.

- Houd uw auto in een goede conditie. Laat het onderhoud aan uw auto uitvoeren volgens het onderhoudsschema in hoofdstuk 7. Dat is essentieel voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik en zo laag mogelijke onderhoudskosten.

Bij ongunstige gebruiksomstandigheden dient er vaker onderhoud te worden uitgevoerd (zie hoofdstuk 7 voor meer details).

Rijden met uw auto

  • Houd uw auto schoon. Om optimaal service aan uw auto te kunnen laten uitvoeren, moet uw auto schoon zijn en moeten materialen die corrosie kunnen veroorzaken, verwijderd worden. Het is vooral belangrijk opeenhopingen van modder, vuil, ijs, enz. aan de onderzijde van de auto te voorkomen. Het extra gewicht van dergelijke opeenhopingen verhoogt het brandstofverbruik en het materiaal kan corrosie veroorzaken omdat het lang vochtig kan blijven.
  • Houd uw auto zo licht mogelijk. Vervoer geen onnodig gewicht in uw auto. Hoe zwaarder de auto, hoe hoger het brandstofverbruik.
  • Laat de motor niet langer stationair draaien dan nodig is. Als u ergens moet wachten (en niet aan het verkeer deelneemt), zet dan de motor uit en start de motor pas weer als u weg wilt rijden.
  • Denk eraan dat u uw auto niet langdurig warm hoeft te laten draaien. Laat de motor na het starten 10 - 20 seconden stationair draaien voordat u een versnelling inschakelt. Bij zeer lage buitentemperaturen kunt u deze periode iets verlengen.

  • Laat de motor niet "bokken" of met een hoog toerental draaien. Bokken is het verschijnsel dat de motor onregelmatig gaat draaien als u met een te lage snelheid in een te hoge versnelling gaat rijden. Schakel als dat gebeurt terug naar een lagere versnelling. Bij een te hoog toerental draait de motor meer toeren dan goed voor hem is. Dat kan worden voorkomen door te schakelen bij de aanbevolen snelheden.

  • Maak met beleid gebruik van de airconditioning. De airconditioning wordt aangedreven door de motor, waardoor het brandstofverbruik toeneemt als de airconditioning gebruikt wordt.
  • Geopende ruiten verhogen bij hoge snelheid het brandstofverbruik.
  • Het brandstofverbruik neemt toe bij zijn tegenwind. Verminder onder deze omstandigheden snelheid om het brandstofverbruik enigszins te beperken.

Het in goede staat houden van uw auto is van groot belang voor zowel de veiligheid als het brandstofverbruik. Laat daarom het voorgeschreven periodieke onderhoud uitvoeren door een officiële KIA-dealer.

WAARSCHUWING

Rijden met uitgezette motor Zet nooit de motor tijdens af om een helling af te rijden of tijdens het rijden. Als de motor niet draait, werken de stuurbekrachtiging en de rembekrachtiging niet. Laat de motor draaien en schakel terug naar de juiste versnelling om optimaal op de motor te kunnen afremmen. Daarnaast kan het uitzetten van de motor tijdens het rijden het stuurslot inschakelen waardoor de auto onbestuurbaar wordt, hetgeen tot ernstig letsel kan leiden.

RIJDEN ONDER SPECIALE RIJOMSTANDIGHEDEN

E110100AUN

Rijden onder moeilijke omstandigheden

Neem de volgende raadgevingen in acht als ten gevolge van zware regenval, sneeuw, ijzel, modder of zand het rijden bemoeilijkt wordt:

  • Rijd voorzichtig en bewaar extra afstand tot het overige verkeer.
    • Vermijd abrupt remmen of sturen.
  • Rem "pompend"als uw auto niet voorzien is van ABS.

KIA Soul (2008) - Rijden onder moeilijke omstandigheden - 1

WAARSCHUWING - Remsysteem met ABS

Rem niet "pompend" als uw auto is uitgerust met ABS.

  • Probeer weg te rijden in de tweede versnelling als de auto vastzit in sneeuw, modder of zand. Geef voorzichtig gas om te voorkomen dat de wielen doorslippen.
  • Gebruik zand, pekel, sneeuwkettingen of ander anti-slipmateriaal onder de aangedreven wielen als de auto vast is komen te zitten in ijs, sneeuw of modder.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - Remsysteem met ABS - 1

WAARSCHUWING - Terugschakelen

Op een glad wegdek terugschakelen bij een automatische transmissie kan ongelukken veroorzaken. Door de plotselinge verandering in wielsnelheid kunnen de banden slippen. Wees voorzichtig met het terugschakelen op een glad wegdek.

E110200AEN-EU

Op eigen kracht lostrekken van de auto

Verdraai eerst het stuurwiel een aantal keren naar rechts en naar links om de voorwielen vrij te maken wanneer de auto vastzit in ijs, modder of sneeuw en het nodig is de auto heen en weer te schommelen om te proberen hem los te trekken. Schakel vervolgens afwisselend de eerste versnelling en de achteruitversnelling (bij een handgeschakelde transmissie) in of stand R en één van de vooruitversnellingen (bij een automatische transmissie). Laat de motor niet met een te hoog toerental draaien en laat de wielen niet te lang doorslippen. Als de auto na enkele pogingen nog vastzit, dient u de auto los te laten trekken om oververhitting van de motor en beschadiging van de transmissie te voorkomen.

KIA Soul (2008) - Op eigen kracht lostrekken van de auto - 1

OPMERKING

Het langdurig op eigen kracht lostrekken van de auto kan oververhitting van de motor en beschadiging van de transmissie en van de banden veroorzaken.

WAARSCHUWING -

Slippende wielen

Laat de wielen niet doorslippen, vooral niet met hoge snelheid.

*AANWIJZING

De voertuigstabiliteitsregeling (indien van toepassing) moet in stand OFF wordt gezet voordat de auto op eigen kracht losgetrokken wordt.

WAARSCHUWING

Als u met u auto vast komt te zitten in de sneeuw, modder, zand, enz., kunt u proberen de auto weer los te krijgen door afwisselend voor- en achteruit te rijden. Doe dat echter niet als er mensen of obstakels in de directe nabijheid van de auto aanwezig zijn. Tijdens het voor- of achteruitrijden kan de auto plotseling naar voren of naar achteren bewegen als de aangedreven wielen weer grip krijgen, waardoor personen letsel kunnen oplopen of schade kan ontstaan.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

Vloeiend nemen van bochten

Pas uw snelheid zo aan dat u in bochten niet hoeft te remmen of te schakelen, vooral op een nat wegdek. Het beste is licht accelererend de bocht uit te rijden. Als u deze adviezen opvolgt wordt de bandenslijtage tot een minimum beperkt.

W053010

E110400AUN

Rijden in het donker

Omdat het rijden in het donker meer gevaren oplevert dan het rijden bij daglicht, volgen hier een aantal belangrijke tips om te onthouden:

Rijd langzamer en houd meer afstand tussen u en uw voorliggers omdat het zicht in het donker beperkter is, vooral in gebieden waar geen straatverlichting is.

  • Stel uw spiegels bij om schittering door de koplampen van andere auto's te beperken.
  • Houd uw koplampen schoon en, indien uw auto niet is uitgerust met automatische koplampverstelling, op de juiste wijze afgesteld. Vuile of verkeerd afgestelde koplampen beperken het zicht in het donker.
  • Kijk niet rechtstreeks in de koplampen van tegemoetkomende auto's. U kunt daardoor tijdelijk verblind raken en het duurt enkele seconden voordat uw ogen weer aan de duisternis gewend zijn.

KIA Soul (2008) - Rijden in het donker - 1

Regen en natte wegen kunnen het rijden gevaarlijk maken, vooral wanneer u er niet op bedacht bent. Hier volgen een aantal aandachtspunten voor het rijden in de regen:

  • Door hevige regenval zal het zicht beperkt worden en de remafstand groter worden. Matig daarom uw snelheid.
  • Zorg ervoor dat uw ruitenwissers in goede staat verkeren. Vervang de ruitenwisserbladen als ze strepen achterlaten of bepaalde stukken overslaan.

  • Wanneer de banden niet in een goede staat verkeren, kunnen de wielen bij een noodstop op een nat wegdek gaan slippen, waardoor een ongeluk kan ontstaan. Zorg ervoor dat de banden in goede staat verkeren.

  • Schakel uw verlichting in zodat anderen u beter kunnen zien.
  • Te snel door grote waterplassen rijden kan uw remmen aantasten. Als u door plassen moet rijden, probeer dit dan langzaam te doen.
  • Trap het rempedaal tijdens het rijden licht in totdat de remmen weer normaal werken wanneer u vermoed dat uw remmen nat geworden zijn.

E110600AUN

Doorwaden van water

Vermijd het doorwaden van water tenzij u er zeker van bent dat het water niet hoger komt dan de onderzijde van de wielnaven. Rijd altijd langzaam bij het doorwaden van water. Bewaar voldoende remafstand omdat het remvermogen verminderd kan zijn.

Droog de remmen door na het doorwaden bij lage snelheid het rempedaal een aantal malen voorzichtig in te trappen.

OK! OK! OK! 1VQA1004

E110700AUN

Rijden met hoge snelheden

Banden

Verhoog de bandenspanning tot de voorgeschreven waarde. Een te lage bandenspanning kan leiden tot oververhitting van de banden en tot schade aan de banden.

Laat de banden van uw auto tijdig vervangen; versleten banden bieden minder grip en raken sneller lek.

*AANWIJZING

Overschrijd nooit de maximale bandenspanning die op de band is aangegeven.

WAARSCHUWING

- Banden met een te hoge of een te lage spanning hebben een negatieve invloed op het rijgedrag en kunnen ervoor zorgen dat u de macht over de auto verliest, waardoor een aanrijding met (ernstig) letsel het gevolg kan zijn. Controleer voordat u gaat rijden altijd eerst de bandenspanning. Zie voor de juiste bandenspanning "Banden en velgen" In hoofdstuk 8.

- Het rijden met banden zonder of met onvoldoende profiel is gevaarlijk. Versleten banden kunnen ertoe leiden dat u de controle over uw auto verliest, waardoor (ernstig) letsel kan ontstaan. Versleten banden moeten zo spoedig mogelijk worden vervangen. Controleer het profiel van uw banden altijd voordat u gaat rijden. Zie voor meer informatie en de slijtagelimiet "Banden en velgen" in hoofdstuk 7.

Brandstof, koelvloeistof en motorolie Bij het rijden met hoge snelheden wordt meer brandstof verbruikt dan bij het rijden in de stad. Vergeet niet zowel het koelvloeistofpeil als het motoroliepeil te controleren.

Aandrijfriem

Een onvoldoende gespannen of beschadigde aandrijfriem kan leiden tot oververhitting van de motor.

RIJDEN IN DE WINTER

KIA Soul (2008) - RIJDEN IN DE WINTER - 1

De slechtere weersomstandigheden in de winter leiden tot meer slijtage en andere problemen. Volg onderstaande aanwijzingen om de problemen tijdens het rijden in de winter tot een minimum te beperken:

E120100AUN

Sneeuw en ijs

Om met uw auto op een besneeuwd wegdek te kunnen rijden, kan het noodzakelijk zijn gebruik te maken van winterbanden of sneeuwkettingen onder uw auto te monteren. Kies voor winterbanden van dezelfde maat en hetzelfde type als de oorspronkelijk onder de auto gemonteerde banden. Het niet in acht nemen van dit advies kan de veiligheid en de rijeigenschappen van uw auto nadelig beïnvloeden. Verder zijn hoge snelheden, plotseling remmen en het nemen van scherpe bochten potentieel gevaarlijke situaties.

Probeer bij het afremmen zoveel mogelijk op de motor af te remmen. Door plotseling te remmen op een met sneeuw of ijs bedekte weg kan de auto in een slip raken. Bewaar voldoende afstand tot uw voorligger. Trap verder het rempedaa met beleid in. Het monteren van sneeuwkettingen zorgt wel voor een betere grip maar kan niet voorkomen dat de auto in een slip raakt.

*AANWIJZING

Het gebruik van sneeuwkettingen is niet in alle landen toegestaan. Controleer voor het monteren van sneeuwkettingen of dat wettelijk is toegestaan.

E120101AUN

Winterbanden

Als u winterbanden op uw auto laat monteren, controleer dan of deze dezelfde maat en beladingsindex hebben als de originele banden. Monteer sneeuwbanden op alle vier de wielen, voor een optimale wegligging onder alle weersomstandigheden. Houd er rekening mee dat de grip op een droog wegdek met winterbanden iets lager is dan met de originele banden. Rijd ook voorzichtig als de weg vrij is. Raadpleeg uw bandenleverancier voor de maximum snelheid van de banden.

KIA Soul (2008) - Winterbanden - 1

WAARSCHUWING -

Afmetingen winterbanden

De maat en het type van de winterbanden moeten gelijk zijn aan die van de standaard gemonteerde banden. Anders kan de veiligheid en het rijgedrag van uw auto negatief beïnvloed worden.

Monteer geen banden met spikes zonder eerst na te gaan of het gebruik hiervan niet wettelijk verboden is.

KIA Soul (2008) - Afmetingen winterbanden - 1

Omdat de wangen van een radiaalband vrij dun zijn, kunnen ze door sommige typen sneeuwkettingen beschadigd raken. Daarom wordt aanbevolen om winterbanden te gebruiken in plaats van sneeuwkettingen. Monteer geen sneeuwkettingen op auto's met lichtmetalen velgen, omdat de velgen daardoor beschadigd kunnen raken. Als het onvermijdelijk is om sneeuwkettingen te gebruiken, gebruik dan sneeuwkettingen met een dikte van minder dan 15 mm (0,59 in). Schade aan uw auto die het gevolg is van het gebruik van ongeschikte sneeuwkettingen valt niet onder de fabrieksgarantie van uw auto.

Breng ze alleen aan rond de voorwielen.

! OPMERKING

Zorg ervoor dat sneeuwkettingen geschikt zijn voor de maat en het type band dat op uw auto gemonteerd is. Ongeschikte sneeuwkettingen kunnen schade toebrengen aan de carrosserie en de wielophanging, wat buiten de fabrieksgarantie valt. Bovendien kunnen de bevestigingsshaken beschadigd raken bij contact met de auto, waardoor de sneeuwkettingen los kunnen raken. Gebruik uitsluitend sneeuwkettingen van SAE-klasse S.

- Controleer nadat u ongeveer 0,5 - 1 km (0,3 - 0,6 mijl) hebt gereden of de kettingen nog goed zitten. Span de kettingen of monteer ze opnieuw als ze los zitten.

Aanbrengen van sneeuwkettingen

Volg voor het plaatsen van de kettingen de aanwijzingen van de fabrikant en trek de kettingen zo strak mogelijk aan. Matig uw snelheid als u met sneeuwkettingen rijdt. Als u de kettingen tegen de carrosserie of het chassis hoort slaan, stop dan meteen en trek de kettingen aan. Als ze daarna nog tegen de auto slaan, matig uw snelheid dan totdat dit niet meer gebeurt. Verwijder de kettingen zodra u weer op een schone weg rijdt.

WAARSCHUWING - Monteren van sneeuwkettingen

Parkeer de auto op een vlakke ondergrond en uit de buurt van het overige verkeer voor het monteren van de sneeuwkettingen. Zet de alarmknipperlichten aan en plaats indien mogelijk een gevarendriehoek achter de auto. Zet de transmissie in stand P, activeer de parkeerrem en zet de motor af alvorens de sneeuwkettingen te monteren.

⚠ WAARSCHUWING -

Sneeuwkettingen

  • Het rijgedrag van de auto kan door het gebruik van kettingen negatief beïnvloed worden.
  • Rijd nooit sneller dan 30 km/h (20 mph) of sneller dan de door de fabrikant aanbevolen snelheid. Houd de laagste snelheid aan.
  • Rijd voorzichtig en vermijd oneffenheden, gaten, scherpe bochten en andere situaties waardoor de auto plotseling zou kunnen uitveren.
  • Vermijd het maken van scherpe bochten en het remmen met geblokkeerde wielen.

APMERKING

  • Kettingen die een verkeerde maat hebben of niet goed gemonteerd zijn, kunnen de remleidingen, wielophanging, carrosserie, en velgen van uw auto beschadigen.
  • Stop onmiddellijk en span de kettingen aan zodra u ze tegen de auto hoort tikken.

E120200AUN

Gebruik hoogwaardige ethyleenglycol koelvloeistof

Uw auto wordt afgeleverd met een koelsysteem dat gevuld is met hoogwaardige ethyleenglycol koelvloeistof. Alleen dit type koelvloeistof helpt corrosie in het koelsysteem te voorkomen, smeert de waterpomp afdoende en voorkomt bevriezing van het koelsysteem. Vervang de koelvloeistof periodiek en vul het op de juiste manier bij. Zie hiervoor het onderhoudsschema in hoofdstuk 7.

Laat voor de winter controleren of de koelvloeistof voldoende bescherming tegen bevriezing biedt voor de te verwachten winterse temperaturen.

E120300AUN

In de winter krijgt de accu het extra zwaar. Controleer de accu en de accukabels en -klemmen visueel zoals beschreven staat in hoofdstuk 7.

De ladingstoestand van de accu kan worden gecontroleerd door een officiële KIA-dealer of een servicestation.

E120400BUN

Laat de motor indien nodig vullen met een speciale "winterolie"

In sommige landen wordt geadviseerd in de winter speciale winterolie te gebruiken met een lagere viscositeit. Zie hoofdstuk 8 voor meer informatie. Neem contact op met een officiële KIA-dealer als u niet weet wat voor soort olie u moet gebruiken.

E120500AUN

Controleer de bougies en het ontstekingssysteem

Controleer de bougies zoals beschreven staat in hoofdstuk 7 en vervang ze indien nodig. Controleer ook de bedrading en de onderdelen van het ontstekingssysteem op scheuren, slijtage en andere vormen van beschadiging.

Rijden met uw auto

E120600AUN

Voorkom bevriezing van de sloten

Spuit een goedgekeurde slotontdooier of glycerine in het sleutelgat om bevriezing van de sloten te voorkomen. Verwijder het ijs van een bevroren slot door het in te spuiten met een goedgekeurde slotontdooier. Een inwendig bevroren slot kunt u proberen te ontdooien met behulp van een verwarmde sleutel. Zorg ervoor dat u zich niet brandt aan de verwarmde sleutel.

E120700AUN

Gebruik goedgekeurde ruitensproeiervloeistof

Vul het ruitensproeierreservoir met ruitensproeierantivries volgens de aanwijzingen op de verpakking om bevriezing van het ruitensproeiersysteem te voorkomen. Ruitensproeierantivries is verkrijgbaar bij een officiële KIA-dealer en de meeste automaterialenzaken. Gebruik geen koelvloeistof of andere middelen omdat deze de lak kunnen beschadigen.

E120800AUN

Voorkom vastvriezen van de parkeerrem

Onder bepaalde omstandigheden kan de parkeerrem in geactiveerde toestand vastvriezen. De kans daar op is het grootst als er rond de achterremmen sprake is van een opeenhoping van sneeuw of ijs of als de remmen nat zijn. Als de kans bestaat dat de parkeerrem vast gaat vriezen, gebruik hem dan alleen maar tijdelijk tijdens het in stand P zetten van de transmissie (automatische transmissie) of in de 1e versnelling of achteruit zetten (handgeschakelde transmissie) en het blokkeren van de wielen. Deactiveer daarna de parkeerrem.

E120900AUN

Voorkom dat ijs en sneeuw zich ophopen aan de onderzijde van de auto

In sommige gevallen kunnen sneeuw en ijs zich ophopen onder de schermen en de bewegingen van de stuurinrichting belemmeren. Controleer regelmatig of de onderdelen van de stuurinrichting vrij kunnen bewegen als u in omstandigheden rijdt waarin opeenhoping van sneeuw of ijs het geval zou kunnen zijn

E121000ASA

Neem de benodigde ultrusting voor noodgevallen mee

Afhankelijk van de weersomstandigheden waaronder u rijdt, kan het nodig zijn de juiste voorzorgsmaatregelen te treffen en bepaalde zaken mee te nemen. Onder deze zaken vallen bijvoorbeeld sneeuwkettingen, een sleepkabel of -ketting, een zaklantaarn, een alarmknipperlicht, zand, een schep, hulpstartkabels, een ruitenkrabber, handschoenen, een stuk zeil of een kleed, een deken, enz.

RIJDEN MET EEN AANHANGER

E140000ASA-C1

Stel u voordat u met uw auto een aanhanger gaat trekken eerst op de hoogte van de wettelijke voorschriften.

Dat is noodzakelijk omdat de voorschriften met betrekking tot de aanhanger, de auto en dergelijke per land kunnen verschillen. Vraag een officiële KIA-dealer om meer informatie voordat u met uw auto een aanhanger gaat trekken.

WAARSCHUWING -

Rijden met een aanhanger Bij verkeerd gebruik van de aanhanger kunt u de controle over de auto verliezen. Als de aanhanger bijvoorbeeld te zwaar beladen is, kunnen de remmen niet goed of zelfs helemaal niet werken. U en uw passagiers kunnen in dat geval ernstig letsel oplopen. Ga alleen rijden met een aanhanger als u de volgende aanwijzingen hebt opgevolgd.

WAARSCHUWING -

Maximale gewichten

Zorg er voordat u gaat rijden met een aanhanger voor dat u het maximale totale aanhangergewicht, het maximaal toelaatbare totaalgewicht, het maximaal toelaatbare voertuiggewicht en de maximale kogeldruk niet overschrijdt.

* AANWIJZING- Europa

- De technisch toegestane maximale belasting van de achteras(sen) mag met niet meer dan 15% worden overschreden en het technisch toegestane maximale laadgewicht van de auto mag met niet meer dan 10% of 100 kg worden overschreden, de laagste waarde is van toepassing. In dit geval dient u niet harder te rijden dan 100 km/h met een auto van de categorie M1 of 80 km/h met een auto van de categorie N1.

- Als een auto van de categorie M1 een aanhanger trekt, zal de extra belasting bij de aanhangerkoppeling de maximale belastingswaarden mogelijk te hoog laten worden, maar deze overschrijding mag niet meer zijn dan 15%. Rijd in dit geval niet harder dan 100 km/h en verhoog de bandenspanning met minstens 0,2 bar.

OPMERKING

Bij verkeerd gebruik van een aanhanger kan uw auto beschadigd raken, waardoor dure reparaties nodig zijn die niet onder de garantie vallen. Houd u aan de volgende regels bij het rijden met een aanhanger.

Uw auto is geschikt om met een aanhanger te rijden. Raadpleeg de informatie onder

"Aanhangwagengewicht" verderop in dit hoofdstuk om te bepalen hoe zwaar de aanhanger maximaal mag zijn.

Let op dat rijden met een aanhanger anders is dan rijden zonder aanhanger. Bij rijden met een aanhanger is de besturing anders en nemen slijtage en brandstofverbruik toe. Voor goed en veilig rijden met een aanhanger is het belangrijk dat de aanhanger technisch in orde is en op de juiste manier aan de auto is gekoppeld.

Rijden met uw auto

In dit hoofdstuk worden een aantal belangrijke aanwijzingen en veiligheidsregels genoemd. Veel van deze hebben betrekking op uw eigen veiligheid en die van uw passagiers. Lees dit hoofdstuk daarom zorgvuldig door voordat u gaat rijden met een aanhanger.

Bepaalde onderdelen, zoals de motor, de transmissie en de banden, worden door het getrokken extra gewicht zwaarder belast. De motor moet wat meer toeren maken en moet meer vermogen leveren. Hierdoor neemt ook de warmteontwikkeling toe. De aanhanger zorgt bovendien voor een hogere luchtweerstand, waardoor de belasting nog verder toeneemt.

KIA Soul (2008) - Rijden met uw auto - 1

E140100ASA

Trekhaak

Een goede trekhaak is zéér belangrijk. Zijwind, rukwinden door passerende vrachtwagens en hobbelige wegen vormen een zware belasting voor de trekhaak. Neem de volgende regels in acht:

  • Moeten er voor het bevestigen van de trekhaak gaten worden geboord in het chassis? Zorg er in dat geval voor dat, wanneer de trekhaak weer wordt verwijderd, deze gaten weer worden afgedicht.
    Als dat niet gebeurt, zouden koolmonoxide (CO) uit de uitlaat, alsmede stof en water in het interieur terecht kunnen komen.
  • De bumper is niet geschikt voor het monteren van een trekhaak. Monteer nooit een trekhaak los op de bumper. Gebruik alleen een trekhaak die op het chassis moet worden bevestigd.
  • KIA trekhaken en toebehoren zijn verkrijgbaar bij de officiële KIA-dealer.

E140200AUN

Losbreekvoorziening

Bevestig altijd een stalen kabel of ketting tussen de aanhanger en de auto. Laat de kabel onder de koppeling doorlopen, zodat bij het losraken van de originele koppeling de dissel de grond niet kan raken.

Mogelijk worden door de fabrikant van de trekhaak of aanhanger ook instructies met betrekking tot de losbreekvoorziening geleverd. Volg de instructies van de fabrikant altijd op bij het bevestigen van een losbreekvoorziening. Bevestig de kabel of ketting niet te strak, zodat de aanhanger vrij kan bewegen in bochten. Laat de kabel of ketting niet over de grond slepen.

E140300AUN

Remsysteem aanhanger

Controleer of uw aanhanger voldoet aan de wettelijke voorschriften als uw aanhanger is uitgerust met een remsysteem.

Als uw aanhanger zwaarder is dan het maximaal toegestane ongeremde aanhangergewicht, moet de aanhanger zijn voorzien van een eigen, goed werkend remsysteem. Volg de instructies van de fabrikant voor het gebruiken, afstellen en onderhouden van het remsysteem van de aanhanger.

- Breng nooit wijzigingen aan in het remsysteem van de auto.

WAARSCHUWING - Remsysteem aanhanger

Ga niet rijden met een aanhanger met eigen remsysteem voordat dit systeem goed is afgesteld. Voor het afstellen is specifieke vakkennis benodigd. Laat dit daarom uitvoeren bij een gespecialiseerd bedrijf.

Rijden met uw auto

E140400ASA

Rijden met een aanhanger

Voor het rijden met een aanhanger is enige ervaring vereist. Ga, voordat u zich op de openbare weg begeeft, eerst oefenen met het rijden met een aanhanger. Probeer vertrouwd te raken met het gewijzigde stuur- en remgedrag. Houd altijd in gedachten dat de auto met aanhanger langer is en minder snel reageert.

Controleer voordat u gaat rijden de bevestiging van de koppeling en de losbreekvoorziening, de elektrische aansluiting, de verlichting, de banden en de afstelling van de spiegels. Als de aanhanger is voorzien van elektrische remmen, controleer dan de remmen door langzaam te gaan rijden met de aanhanger en de remmen handmatig te bekrachtigen. Dit is tevens een goede controle van de elektrische aansluiting.

Controleer tijdens het rijden af en toe of de lading nog goed vastzit en of de verlichting en de remmen nog werken.

E140401AUN

Afstand tot voorganger

Houd tenminste tweemaal zo veel afstand als tijdens het rijden zonder aanhanger. Hierdoor kunt u plotselinge remacties en uitwijkmanoeuvres voorkomen.

E140402AUN

Inhalen

Het inhalen met een aanhanger neemt meer tijd in beslag. Bovendien moet u door de extra lengte de in te halen auto verder voorbij voordat u weer terug kunt keren naar de oorspronkelijke rijbaan.

E140403AUN

Achteruitrijden

Houd het stuurwiel aan de onderzijde vast met één hand. Beweeg uw hand naar links om de aanhanger naar links te laten gaan. Beweeg uw hand naar rechts om de aanhanger naar rechts te laten gaan. Rijd altijd langzaam achteruit en laat u indien mogelijk door iemand anders begeleiden

E140404AUN

Rijden in bochten

Rijd met een aanhanger ruimer door bochten dan normaal. Anders kan de aanhanger te veel naar binnen komen en stoepranden, verkeersborden, bomen enz. raken. Voorkom schokkerige en plotselinge manoeuvres. Geen ruim van tevoren richting aan.

E140405AUN

Richtingaanwijzers aanhanger

De aanhanger dient te zijn voorzien van richtingaanwijzers. Als u de richtingaanwijzers inschakelt, gaan de groene pijlen in het instrumentenpaneel knipperen. De richtingaanwijzers van de aanhanger dienen gelijktijdig mee te knipperen.

Ook als de richtingaanwijzers van de aanhanger niet werken, zullen de groene pijlen in het instrumentenpaneel knipperen. Zodoende kunt u denken dat achteropkomende bestuurders zien dat u richting aangeeft, terwijl dit niet het geval is. Daarom is het belangrijk om af en toe te controleren of de richtingaanwijzers van de aanhanger nog werken. Controleer steeds na het opnieuw aankoppelen van de aanhanger of verlichting en de richtingaanwijzers werken.

Sluit de verlichting van de aanhanger niet rechtstreeks aan op de verlichting van de auto. Gebruik hiervoor speciale goedgekeurde bedrading.

Raadpleeg uw KIA-dealer voor meer informatie.

WAARSCHUWING

Het gebruik van niet goedgekeurde bedrading kan schade aan het elektrisch systeem van de auto en/of persoonlijk letsel veroorzaken.

E140406ASA-C1

Rijden op hellingen

Verminder snelheid en schakel naar een lagere versnelling voordat u een lange of steile helling afrijdt. Als u niet terugschakelt, moet u de remmen vaker intrappen waardoor deze oververhit raken en niet meer goed werken.

Schakel bij het oprijden van een lange helling terug en verminder snelheid tot ongeveer 70 km/h (45 mph). Hierdoor wordt voorkomen dat de motor en de transmissie oververhit raken.

Rijd in stand D wanneer de auto uitgerust is met een automatische transmissie en u met een aanhanger rijdt die meer weegt dan het maximaal toegestane ongeremde aanhangergewicht.

Wanneer u in stand D rijdt met een aanhanger wordt de levensduur van de transmissie door een lagere bedrijfstemperatuur verlengd.

OPMERKING

  • Houd de motortemperatuur goed in de gaten als u met een aanhanger een steile helling (meer dan 6%) oprijdt. Hierdoor kan de motor oververhit raken. Als de koelvloeistoftemperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit dreigt te raken en de naald op "H (of 130°C)" staat, breng de auto dan op een veilige plaats tot stilstand om de motor af te laten koelen. Zodra de motor voldoende is afgekoeld, kunt u uw weg vervolgen.
  • Pas uw snelheid aan afhankelijk van het gewicht van de aanhanger en de hellingshoek van de weg, zodat de motor en de transmissie niet oververhit raken.

E140407ATD

Parkeren op een helling

Als u een aanhanger achter de auto hebt gekoppeld is het niet verstandig om uw auto op een helling te parkeren. Als de auto met aanhanger naar beneden zou rollen, zouden deze beschadigd kunnen raken of ernstig letsel aan voorbijgangers kunnen toebrengen.

WAARSCHUWING - Parkeren op een helli

Als u de auto met aanhanger op een helling parkeert, kunnen mensen ernstig letsel oplopen of zelfs dodelijk gewond raken als aanhanger onbedoeld los zou raken van de auto.

Is het niet anders mogelijk dan de auto op een helling te parkeren, doe dit dan als volgt:

  1. Zet de auto op de parkeerplaats. Draai het stuurwiel in de richting van de stoeprand (rechtsom als u parkeert op een aflopende helling, linksom op een stijgende helling).

  2. Als de auto een handgeschakelde versnellingsbak heeft, zet u deze in de vrijstand. Als de auto een automatische versnellingsbak heeft, zet u deze in de stand P (Park).

  3. Trek de parkeerrem aan en sluit de auto af.
  4. Plaats blokken voor de wielen van de aanhanger in de richting van de aflopende helling.
  5. Start de auto, houd de rem ingetrapt, schakel in de vrijstand, zet de parkeerrem los en laat het rempedaal langzaam opkomen tot de blokken het gewicht van de aanhanger tegenhouden.
  6. Trap het rempedaal weer in, trek de parkeerrem weer aan en zet de versnelling in de stand R (achteruit) bij een handgeschakelde versnellingsbak en in de stand P (parkeren) bij een automatische versnellingsbak.
  7. Zet de motor af en laat het rempedaal los, maar laat de parkeerrem aangetrokken blijven.

Stap niet uit voordat de parkeerrem goed is aangetrokken.

Als u de motor laat draaien, kan de auto plotseling in beweging komen. Uzelf of andere mensen kunnen hierdoor ernstig letsel oplopen.

Wegrijden op een helling

  1. Zet de handgeschakelde transmissie in de vrijstand of de automatische transmissie in stand P, houd het rempedaal ingetrapt en:

- Start de motor.

- Zet de transmissie in de eerste versnelling of in stand D.

- Ontgrendel de parkeerrem.

2.Laat het rempedaal langzaam los.

  1. Rijd langzaam vooruit tot de aanhanger los komt van de blokken.

  2. Stop en laat de blokken door iemand oprapen en opbergen.

E140500ASA

Onderhoud bij het rijden met een aanhanger

Uw auto heeft vaker onderhoud nodig wanneer u regelmatig met een aanhanger rijdt. Belangrijke zaken die speciale aandacht verdienen zijn: de motorolie, de automatische-transmissievloeistof, de smering van de aandrijfassen en de koelvloeistof. De toestand van de remmen moet ook regelmatig gecontroleerd worden. Alle zaken staan in dit instructieboekje beschreven. De index is hierbij een handig hulpmiddel. Het is verstandig deze gedeeltes te lezen voordat u met een aanhanger op pad gaat.

Vergeet ook niet de aanhanger en de trekhaak te onderhouden. Volg het onderhoudsschema van de aanhanger en controleer de aanhanger regelmatig. Voer de controle bij voorkeur ieder keer uit wanneer u gaat rijden. Het is van het grootste belang dat de trekhaakmoeren en -bouten vastzitten.

OPMERKING

- Vanwege de hogere belasting tijdens het rijden met een aanhanger, kan bij warm weer of bij bergop rijden de motor oververhit raken. Als de koelvloeistoftemperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit dreigt te raken, schakel dan de airconditioning uit en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand om de motor af te laten koelen.

- Als met de auto een aanhanger getrokken wordt, moet de transmissievloeistof vaker worden gecontroleerd.

- Als uw auto niet is uitgerust met een airconditioning, moet u een extra ventilator laten monteren om de koeling van de motor te optimaliseren als u een aanhanger trekt.

Rijden met uw auto

E140600ASA-C1

Als u gaat rijden met een aanhanger

Let op de volgende punten als u gaat rijden met een aanhanger:

• Overweeg de aanschaf van stabilisatorkoppeling. Raadpleeg de leverancier van uw aanhanger voor meer informatie.
- Trek tijdens de inrijperiode van uw auto, gedurende de eerste 2.000 km (1.200 mijl) geen aanhanger.
Als u dat wel doet, kan schade aan de motor of de transmissie ontstaan.
- Neem contact op met een officiële KIA-dealer over de benodigde zaken als een trekhaak, enz. als u van plan bent met uw auto een aanhanger te gaan trekken.
- Rijd met een aanhanger niet harder dan wettelijk is toegestaan.
- Rijd bij het oprijden van een lange helling niet harder dan 70 km/h (45 mph) of de voorgeschreven maximum snelheid.
- Neem de volgende overwegingen met betrekking tot het extra gewicht in acht:

kg (lbs.)

ItemBenzinDiesel
MaximaalaanhangergewichtOngeremd450 (992) 550(1213)
GeremdM/T1300 (2866) 1300(2866)
A/T- 1100 (2425)
Maximale kogeldruk52 (114.6)
Aanbevolen afstand hart achterwiel -kogel mm (inch)825 (32.5)

M/T : Handgeschakeld
A/T : Automaat

Kogeldruk Totaal aanhangergewicht C190E01JM

E140601ASA

Gewicht van de aanhanger

Hoe zwaar kan de aanhanger veilig worden beladen? Hij mag nooit meer wegen dan het maximale aanhangergewicht voor een geremde aanhanger. Maar dit kan al te zwaar zijn. Dat hangt af van de manier waarop de aanhanger wordt gebruikt. Zo zijn onder andere de rijsnelheid, de hoogte, hellingshoek, buitentemperatuur en ervaring belangrijke factoren. Het maximale aanhangergewicht is ook afhankelijk van eventuele voorzieningen die op de auto zijn aangebracht.

Maximale asbelasting Maximaal toelaatbaar voerluiggewicht C190E02JM

E140602ASA

Kogeldruk

Bij het trekken van een aanhanger zijn de kogeldruk en het maximaal toelaatbaar totaalgewicht van belang. Onder het totaalgewicht worden gerekend het ledig gewicht van de auto plus het gewicht van de belading en de inzittenden. Bij het trekken van een aanhanger dient bovendien het gewicht van de aanhanger hierbij worden opgeteld.

De kogeldruk mag maximaal 10% van het totale aanhangwagengewicht bedragen. Controleer na het beladen van de aanhanger of de kogeldruk in orde is. Als dat niet het geval is, kan deze worden aangepast door de belading van de aanhanger anders te verdelen.

KIA Soul (2008) - Kogeldruk - 1

WAARSCHUWING -

Aanhanger

  • Zorg ervoor dat de aanhanger aan de voorzijde altijd zwaarder is dan aan de achterzijde. De verhouding tussen de belading voor en achter dient ongeveer 60/40 te zijn.
  • Belaad de aanhanger niet zwaarder dan volgens de fabrikant van de aanhanger c.q. trekhaak is toegestaan. Een verkeerde belading kan beschadiging van de auto en/of persoonlijk letsel tot gevolg hebben. Controleer het aanhangergewicht met een geschikte weegschaal of op een weegbrug.
  • Door een verkeerde belading van de aanhanger bestaat de kans dat u de controle over de auto verliest.

MASSA VAN DE AUTO

E160000AUN

In dit deel vindt u informatie over de juiste manier van beladen van uw auto en/of aanhanger, zodat u ervoor kunt zorgen dat u het maximaal toelaatbaar totaalgewicht, met of zonder aanhanger, niet overschrijdt. Een juiste manier van beladen zorgt ervoor dat de prestaties van de auto zo min mogelijk in negatieve zin beïnvloed worden. Zorg ervoor dat u, voordat u uw auto gaat beladen, weet wat de volgende termen betekenen, zodat u uw auto, met of zonder aanhanger, op de juiste manier kunt beladen. De informatie vindt u bij de specificaties en op het typeplaatje:

E160100AUN

Rijklaar gewicht

Dit is het gewicht van de auto met een volle brandstoftank en de complete standaarduitrusting. Dit gewicht is zonder passagiers, lading en extra uitrusting.

E160200AUN

Leeggewicht

Dit is het gewicht van de auto bij aflevering plus het gewicht van de achteraf gemonteerde uitrusting.

E160300AUN

Belading

Dit getal heeft betrekking op al het gewicht dat opgeteld wordt bij het rijklaar gewicht, dus het gewicht van de lading en de extra uitrusting.

E160400AUN

GAW (maximale asbelasting)

Dit is het totaalgewicht op elke as (voor en achter) - opgebouwd uit het rijklaar gewicht en de totale belasting.

E160500AUN

GAWR

(maximale toelaatbare asbelasting)

Dit is de maximale toegestane belasting op een enkele as (voor of achter). Deze ciifers staan op het typeplaatie.

De totale belasting op een as mag de GAWR nooit overschrijden.

E160600AUN

GVW

(maximaal toelaatbaar totaalgewicht)

Dit is het rijklaar gewicht plus het gewicht van de lading en van de passagiers.

E160700AUN

GVWR (maximale massa voertuig)

Dit is het maximaal toelaatbaar gewicht van de volledig belaste auto (inclusief opties, uitrusting, passagiers en lading). De GVWR staat op het typeplaatje op de dorpel van het bestuurdersportier (of voorpassagiersportier).

E160800AUN

Overbeladen

KIA Soul (2008) - Overbeladen - 1

WAARSCHUWING -

Maximale gewichten

De maximale asbelasting en de maximale massa van het voertuig staan vermeld op het typeplaatje bevestigd aan het bestuurdersportier (of voorpassagiersportier).

Het overschrijden van deze waardes kan een ongeval of schade aan de auto veroorzaken. U kunt het gewicht van uw lading berekenen door de voorwerpen (en personen) vooraf te wegen. Wees voorzichtig uw auto niet te overbeladen.

Waarschuwingssignalen / 6-2

Wat te doen in een noodgeval tijdens het rijden / 6-2

Als de motor niet gestart kan worden / 6-3

Starten met hulpaccu / 6-4

Als de motor oververhit raakt / 6-6

Lekke band (Met reservewiel) / 6-7

Slepen / 6-20

Wat te doen in een noodgeval

Wat te doen in een noodgeval

De alarmknipperlichten dienen ervoor om de overige weggebruikers te waarschuwen om extra voorzichtigheid in acht te nemen bij het naderen, inhalen of passeren van uw auto.

Ze dienen te worden gebruikt in noodsituaties of als de auto aan de kant van de weg tot stilstand is gekomen.

Druk de schakelaar van de alarmknipperlichten in met het contact in een willekeurige stand. De schakelaar alarmknipperlichten bevindt zich in het dashboard. De schakelaar zorgt ervoor dat alle knipperlichten geactiveerd worden.

  • De alarmknipperlichten werken ongeacht of de motor draait of niet.
  • De richtingaanwijzers werken niet wanneer de alarmknipperlichten ingeschakeld zijn.
  • Wees voorzichtig bij het gebruiken van de alarmknipperlichten wanneer de auto gesleept wordt.

WAT TE DOEN IN EEN NOODGEVAL TIJDENS HET RIJDEN

F020100AUN

Als de motor afslaat op een kruising of kruispunt

  • Zet de selectiehendel in stand N als de motor afslaat op een kruising of kruispunt en duw de auto naar een veilige plek.
  • Als uw auto is uitgerust met een handgeschakelde transmissie en niet is voorzien van een contactslot, kan de auto naar voren bewegen wanneer u naar de tweede of derde versnelling schakelt en vervolgens de startmotor inschakelt zonder het koppelingspedaal in te trappen.

F020200AUN

Als u tijdens het rijden een lekke band krijgt

Als tijdens het rijden een band leegloopt: Laat het gaspedaal los en verminder vaart terwijl u rechtuit blijft rijden. Trap niet direct het rempedaal in en probeer ook niet direct naar de kant van de weg te sturen omdat u hierdoor de controle over de auto zou kunnen verliezen. Rem voorzichtig zodra de snelheid zo laag is dat u dat veilig kunt doen en zet de auto aan de kant van de weg.

Zet de auto zoveel mogelijk aan de kant van de weg en parkeer op een stevige, vlakke ondergrond. Parkeer niet in de middenberm als u op een snelweg rijdt met gescheiden rijbanen.

  1. Zet als de auto stilstaat de alarmknipperlichten aan, activeer de parkeerrem en zet de transmissie in stand P (automatische transmissie) of in de achteruit (handgeschakelde transmissie).
  2. Laat alle inzittenden uitstappen. Laat iedereen uitstappen aan die zijde van de auto die van het langsrijdende verkeer afgewend is.
  3. Volg bij het vervangen van een lekke band de aanwijzingen in dit hoofdstuk.

F020300AUN

Als de motor afslaat tijdens het rijden

  1. Laat de auto geleidelijk uitrollen en blijf daarbij rechtuit rijden. Probeer de auto op een veilige plaats tot stilstand te brengen.
  2. Schakel de alarmknipperlichten in.
  3. Probeer de motor te starten. Neem contact op met een officiële KIA-dealer of een hulpdienst als de motor niet gestart kan worden.

ALS DE MOTOR NIET GESTART KAN WORDEN

F030100AUN

Als de motor niet of langzaam ronddraait

  1. Controleer als uw auto is uitgerust met een automatische transmissie of de selectiehendel in stand N of P staat en of de parkeerrem geactiveerd is.
  2. Controleer of de accuklemmen schoon zijn en goed vastzitten.
  3. Schakel de interieurverlichting in. Als de interieurverlichting zwakker gaat branden of uitgaat als u de startmotor bedient, is de accu te ver ontladen.
  4. Controleer of de aansluitingen van de startmotor goed vastzitten.
  5. Probeer de auto niet aan te slepen of aan te duwen. Zie de aanwijzingen bij "Starten met hulpaccu".

WAARSCHUWING

Probeer de auto niet aan te slepen of aan te duwen. Hierdoor kan een aanrijding of andere schade ontstaan. Verder kan de katalysator door overbelasting beschadigd raken en brand veroorzaken als de auto wordt aangesleept of aangeduwd.

F030200AUN

Als de motor wel ronddraait maar niet aanslaat

  1. Controleer het brandstofniveau.
  2. Zet het contact in stand LOCK en controleer alle stekkerverbindingen van de ontsteking, de bobine en de bougies. Sluit een eventuele losse stekker weer aan.
  3. Controleer de brandstofleiding in de motorruimte.
  4. Neem contact op met een officiële KIA-dealer of een hulpdienst als de motor nog steeds niet gestart kan worden.

STARTEN MET HULPACCU

Starkkabels 3 (-) 2 (+) Hulpaccu 4 (-) 1 (+) Lege accu 1VQA4001

F040000AUN

Sluit de kabels in de aangegeven volgorde aan en neem ze in de omgekeerde volgorde los.

F040100AUN

Starten met een hulpaccu

Starten met een hulpaccu kan gevaarlijk zijn als dit niet op de juiste manier gebeurt. Volg daarom de procedures voor het starten met een hulpaccu om te voorkomen dat u letsel oploopt of de auto en de accu beschadigd raken. Wij adviseren u met klem om bij twijfel een expert te raadplegen.

! OPMERKING

Maak alleen gebruik van een 12V-hulpaccu. Door het gebruik van een 24V-spanningsbron (twee seriegeschakelde 12V-accu's of een 24V-snelstartapparaat) kunt u de startmotor, het ontstekingssysteem en andere onderdelen van het elektrisch systeem beschadigen.

WAARSCHUWING - Accu

Controleer nooit het elektrolytniveau in de accu. Hierdoor kan de accu scheuren of ontploffen, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.

WAARSCHUWING - Accu

  • Houd vonken en open vuur uit de buurt van de accu. In de accu komt waterstof vrij dat kan exploderen wanneer het wordt blootgesteld aan vlammen of vonken.
  • Probeer uw auto niet met een hulpaccu te starten als de lege accu bevroren is of het elektrolytpeil laag is; de accu kan scheuren of exploderen.

F040101ASA

Startprocedure met behulp van een hulpaccu

  1. Controleer of de hulpaccu die u wilt gebruiken een 12 V accu is en controleer als deze zich in een andere auto bevindt of hij met de minpool aan massa.
  2. Als de hulpaccu zich in een andere auto bevindt, mogen beide auto's elkaar niet raken.
  3. Schakel alle elektrische verbruikers uit..
  4. Sluit de startkabels aan in de volgorde die in de afbeelding is aangegeven. Sluit eerst een klem van de startkabel aan op de pluspool van de lege accu (1) en de andere klem van dezelfde kabel op de pluspool van de hulpaccu (2).

Sluit vervolgens één klem van de andere kabel aan op de minpool van de hulpaccu (3) en de andere klem op een metalen onderdeel (bijvoorbeeld het motorhijsoog) uit de buurt van de accu (4). Sluit de startkabel niet aan op of in de buurt van draaiende onderdelen.

Zorg ervoor dat de startkabels uitsluitend contact maken met de juiste accupolen of de juiste massaverbinding. Leun bij het aansluiten niet over de accu.

OPMERKING - Accukabels Sluit de startkabel verbonden met de minpool (-) van de hulpaccu niet aan op de minpool (-) van de lege accu. Hierdoor kan de ontladen accu oververhit raken en scheuren, waardoor er accuzuur lekt.

  1. Start de motor van de auto met de hulpaccu en laat deze met 2.000 omw/min draaien. Start vervolgens de motor van de auto met de lege accu. Laat uw auto controleren door een officiële KIA-dealer als de oorzaak van de lege accu niet duidelijk is.

F040200AUN

Aanduwen of aanslepen

Een auto uitgerust met een handgeschakelde transmissie mag niet worden aangeduwd of aangesleept omdat hierdoor het emissieregelsysteem beschadigd kan raken.

Auto's die uitgerust zijn met een automatische transmissie kunnen niet worden aangeduwd of aangesleept. Volg de aanwijzingen in dit gedeelte voor het starten met een hulpaccu.

KIA Soul (2008) - Aanduwen of aanslepen - 1

WAARSCHUWING

Probeer nooit een auto door middel van slepen te starten. Wanneer de auto plotseling naar voren schlet als de motor aanslaat, kan een aanrijding veroorzaakt worden.

ALS DE MOTOR OVERVERHIT RAAKT

F050000ASA

Als uw temperatuurmeter een te hoge temperatuur aangeeft, als u een vermogensverlies bespeurt of wanneer u luid kloppende of pingelende geluiden hoort, is de motor waarschijnlijk oververhit geraakt. Als dat gebeurt moet u:

  1. De auto zo snel mogelijk op een veilige plaats tot stilstand brengen.
  2. De selectiehendel in stand (automatische transmissie) of de vrijstand (handgeschakelde transmissie) zetten en de parkeerrem activeren. De airconditioning uitschakelen als deze ingeschakeld is.
  3. Zet de motor uit als er koelvloeistof onder de auto uitloopt of stoom onder de motorkap vandaan komt. Open de motorkap niet zolang er nog koelvloeistof onder de auto uitloopt of stoom onder de motorkap vandaan komt. Laat de motor draaien als er geen koelvloeistof of stoom te zien is en controleer of de koelventilator draait. Zet de motor uit als de koelventilator niet draait.

  4. Controleer of de aandrijfriem voor de waterpomp aanwezig is. Controleer als dat het geval is of de aandrijfriem voldoende gespannen is. Controleer als de aandrijfriem in orde lijkt of er koelvloeistof lekt uit de radiateur, de slangen of onder de auto. (Als de airconditioning ingeschakeld was, is het normaal dat er water onder de auto uitloopt als u de auto tot stilstand brengt.)

WAARSCHUWING

Voorkom letsel en zorg ervoor dat uw haar, handen en kleding niet in aanraking komen met bewegende onderdelen van de motor zoals de koelventilator en de aandrijfriemen als de motor draait.
5. Zet de motor onmiddellijk uit als de ventilatorriem gebroken is of er koelvloeistof lekt en roep de hulp van een officiële KIA-dealer in.

WAARSCHUWING

Verwijder de radiateurdop nooit als de motor heet is. Hierdoor kan er koelvloeistof naar buiten spuiten en kunt u ernstige brandwonden oplopen.

6.Wacht tot de motortemperatuur weer normaal is als u de oorzaak van de oververhitting niet kunt vinden. Vul het koelvloeistofreservoir voorzichtig bij tot het merkteken halverwege als het koelvloeistofniveau te laag is.
7. Rijd voorzichtig verder en wees alert op verdere tekenen van oververhitting. Neem contact op met een officiële KIA-dealer als de motor weer oververhit raakt.

! OPMERKING

Als er veel koelvloeistof verdwenen is, duidt dit op een lekkage in het koelsysteem en moet het koelsysteem zo snel mogelijk gecontroleerd worden door een officiële KIA-dealer.

LEKKE BAND (MET RESERVEWIEL, INDIEN VAN TOEPASSING)

KIA Soul (2008) - LEKKE BAND (MET RESERVEWIEL, INDIEN VAN TOEPASSING) - 1

De krik, de krikslinger en de wielmoersleutel zijn opgeborgen in de bagageruimte. Til de afdekplaat omhoog om het gereedschap te kunnen bereiken.

(1) Krikslinger
(2) Krik
(3) Wielmoersleutel

F070101ASA

Aanwijzingen voor krikken

De krik is uitsluitend bedoeld voor het verwisselen van een wiel.

Berg de krik zorgvuldig op om te voorkomen dat hij tijdens het rijden gaan rammelen.

Neem de onderstaande aanwijzingen in acht om letsel te voorkomen.

KIA Soul (2008) - LEKKE BAND (MET RESERVEWIEL, INDIEN VAN TOEPASSING) - 2

WAARSCHUWING

Verwisselen van wielen

  • Verwissel een wiel nooit op de rijbaan.
  • Zet de auto altijd in de berm. Plaats de krik op een stevige, vlakke ondergrond. Bel de wegenwacht voor hulp wanneer u de auto niet op een veilige plek kunt plaatsen.
  • Plaats de krik uitsluitend op de daartoe bestemde plaats; nooit onder de bumper of iets dergelijks.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Anders zou de krik gemakkelijk om kunnen vallen en ernstig letsel veroorzaken. Begeef u nooit onder een auto die alleen met een krik wordt ondersteund. Plaats altijd eerst extra steunen.
  • Start de motor niet en laat hem niet draaien zolang de auto is opgekrikt.
  • Zorg dat er niemand meer in de auto aanwezig als deze wordt opgekrikt.
  • Zorg ervoor dat kinderen op een veilige afstand van de auto en van de weg worden gehouden voordat de auto wordt opgekrikt.

KIA Soul (2008) - (Vervolg) - 1

Verwijderen en opbergen van het reservewiel

Draai de bevestigingsbout van het wiel linksom.

Plaats het wiel in omgekeerde volgorde van verwijderen.

Plaats het reservewiel en het gereedschap zorgvuldig terug om te voorkomen dat ze tijdens het rijden gaan rammelen.

KIA Soul (2008) - Verwijderen en opbergen van het reservewiel - 1

  1. Plaats de auto op een stevige en vlakke ondergrond en trek de parkeerrem stevig aan.
  2. Zet de versnellingspook in de achteruitversnelling (handgeschakelde transmissie) of zet de selectiehendel in stand P (automatische transmissie).
  3. Schakel de alarmknipperlichten in.

KIA Soul (2008) - Verwijderen en opbergen van het reservewiel - 2

  1. Neem de wielmoersleutel, de krik, de krikslinger en het reservewiel uit de auto.
  2. Plaats wielblokken voor en achter het wiel dat zich diagonaal tegenover het te verwisselen wiel bevindt.

⚠ WAARSCHUWING - Wielen verwisselen

  • Trek de parkeerrem altijd volledig aan en blokkeer het wiel dat zich diagonaal tegenover het te verwisselen wiel bevindt om te voorkomen dat de auto tijdens het verwisselen van een wiel beweegt.
    069001 Geadviseerd wordt o blokken voor en achter de wielen te plaatsen en iedereen de auto te laten verlaten voordat deze wordt opgekrikt.

KIA Soul (2008) - ⚠ WAARSCHUWING - Wielen verwisselen - 1

  1. Draai de wielmoeren linksom één slag los. Verwijder deze nog niet voordat het wiel los van de grond is.

KIA Soul (2008) - ⚠ WAARSCHUWING - Wielen verwisselen - 2

Gebruik altijd de bij de auto aanwezige krik en de juiste kriksteunpunten. Gebruik nooit andere delen van de carrosserie om de auto op te krikken. Dit om de kans op letsel te beperken.

KIA Soul (2008) - ⚠ WAARSCHUWING - Wielen verwisselen - 3

  1. Plaats de krik onder het steunpunt dat zich het dichtst bij het te verwisselen wiel bevindt. Plaats de krik op de aangegeven plaats onder de dorpel. De krikpunten zijn extra verstevigd en zijn herkenbaar aan de uitsparingen in de dorpelrand.

  2. Steek de krikslinger in de krik en draai de slinger rechtsom totdat het wiel net van de grond loskomt. Deze afstand bedraagt ongeveer 30 mm (1,2 in). Controleer alvorens de wielmoeren te verwijderen of de auto stabiel staat en er geen kans bestaat dat de auto van de krik glijdt of beweegt.

  3. Draai de wielmoeren verder los en verwijder ze. Schuif het wiel van de wielbouten af en leg het wiel plat neer, zodat het niet kan wegrollen. Pak het reservewiel op, breng de gaten voor de wielbouten in lijn met de wielbouten en schuif het wiel op de wielbouten. Houd het wiel iets scheef en begin met het bovenste gat in lijn te brengen met de bovenste wielbout als het niet lukt het wiel in één keer tegelijk op alle wielbouten te schuiven. Beweeg vervolgens het wiel iets heen en weer zodat het op de overige wielbouten geschoven kan worden.

WAARSCHUWING

De velgen en wieldoppen kunnen scherpe randen hebben. Ga er, om te voorkomen dat u zich bezeert, voorzichtig mee om. Controleer voor het plaatsen van het wiel of er niets (modder, teer, grind, enz.) op de wielnaaf of de velg aanwezig is dat zou kunnen voorkomen dat het wiel goed tegen de wielnaaf aanligt.

Verwijder eventuele verontreinigingen. Als het wiel niet goed tegen de wielnaaf aanligt, zouden de wielmoeren los kunnen lopen, waardoor u het wiel zou kunnen verliezen. Als u een wiel verliest, kunt u de controle over de auto kwijtraken. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.

  1. Druk het wiel tegen de wielnaaf aan, plaats de wielmoeren op de wielbouten en draai ze handvast. Beweeg het wiel heen en weer om te controleren of het wiel goed aanligt en draai de wielmoeren zo ver mogelijk met de hand aan.

  2. Laat de auto zakken door de wielsleutel linksom te draaien.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

Plaats de wielmoersleutel vervolgens zoals in de afbeelding is aangegeven en draai de wielmoeren vast. Zorg ervoor dat de moer helemaal in de dop valt. Ga niet op de hendel staan en gebruik ook geen pijp om de hendel te verlengen. Draai de moeren om en om vast tot alle moeren vastgedraaid zijn. Controleer vervolgens elke moer nogmaals op vastzitten. Laat na het vervangen van een wiel zo snel mogelijk een officiële KIA-dealer de wielmoeren met het juiste aanhaalmoment vastzetten.

Aanhaalmoment wielmoeren:

Stalen velg en lichtmetalen velg: 9 - 11 kgm (65 - 79 lb.ft)

Verwijder het ventieldopje en controleer de bandenspanning als u de beschikking heeft over een bandenspanningsmeter. Rijd langzaam naar het dichtstbijzijnde tankstation en breng de band op de juiste spanning als de bandenspanning te laag is. Laat wat lucht uit de band lopen als de bandenspanning te hoog is. Plaats na het controleren van de bandenspanning of het op spanning brengen altijd het ventieldopje. Als het ventieldopje niet teruggeplaatst wordt, kan er lekkage ontstaan. Koop zo snel mogelijk een nieuw ventieldopje en plaats dit als u een dopje verloren bent.

Berg het wiel met de lekke band op de juiste plaats op en berg ook de krik en het gereedschap op hun oorspronkelijke plaats op.

OPMERKING

De tapeinden en de wielmoeren van uw auto zijn voorzien van metrische draad. Zorg er bij het verwisselen van een wiel voor dat dezelfde moeren gebruikt worden voor het plaatsen - of wanneer de wielen vervangen worden, moeren met dezelfde metrische draad gebruikt worden. Bij het plaatsen van een niet metrische moer op een tapeind met metrische schroefdraad of omgekeerd, zal het wiel niet op de juiste manier aan de naaf worden bevestigd en zal het tapeind beschadigd raken, waardoor deze vervangen moet worden.

Houd er rekening mee dat de meeste wielmoeren geen metrisch schroefdraad hebben. Controleer goed het type schroefdraad voordat u niet originele wielmoeren of wielen gaat plaatsen. Neem bij twijfel contact op met een officiële KIA-dealer.

WAARSCHUWING -

Tapeinden

Wanneer de tapeinden beschadigd zijn, kunnen ze het wiel niet meer goed op zijn plaats houden. Hierdoor kan het wiel losraken en een ongeval veroorzaken, waardoor letsel kan ontstaan.

Plaats de krik, de krikslinger, de wielmoersleutel en het gereedschapsetui zorgvuldig om te voorkomen dat ze tijdens het rijden gaan rammelen.

WAARSCHUWING -

Onjuiste bandenspanning reservewiel

Controleer na het plaatsen van het reservewiel zo spoedig mogelijk de bandenspanning. Breng de band indien nodig op de voorgeschreven spanning. Zie "Velgen en banden" in hoofdstuk 8.

F070301ASA

Belangrijk - gebruik van het compacte reservewiel

(Indien van toepassing)

Uw auto is uitgerust met een compact reservewiel. Dit compacte reservewiel neemt minder ruimte in beslag dan een reservewiel van normale afmetingen. Deze band is smaller dan een conventionele band en is uitsluitend bedoeld voor tijdelijk gebruik.

OPMERKING

  • Als het compacte reservewiel onder de auto gemonteerd is, moet u extra voorzichtig rijden. Het compacte reservewiel moet zo snel mogelijk weer worden vervangen door een normale band en velg.
  • Afgeraden wordt de auto te gebruiken als er meer dan een compact reservewiel gemonteerd is.

WAARSCHUWING

Het reservewiel is alleen bestemd voor noodgevallen. Rijd, wanneer het reservewiel is gemonteerd, niet harder dan 80 km/h. De originele band dient zo spoedig mogelijk gerepareerd of vervangen te worden om gebreken aan het reservewiel en ongelukken te voorkomen.

De juiste bandenspanning van het compacte reservewiel is (420 kPa) (60 psi).

*AANWIJZING

Controleer de bandenspanning nadat het reservewiel gemonteerd is. Breng de band indien nodig op de voorgeschreven spanning.

Neem bij het gebruik van het compacte reservewiel de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:

  • Rijd niet harder dan 80 km/h (50 mph); bij een hogere snelheid kan de band beschadigd raken.
  • Rijd langzaam genoeg om objecten op de weg te kunnen ontwijken. Objecten als putdeksels of afgevallen lading en andere voorwerpen, kunnen het compacte reservewiel ernstig beschadigen.
  • Door het reservewiel te lang te gebruiken, kan de band beschadigd raken en kunt u de macht over het stuur verliezen en mogelijk letsel oplopen.
  • Overschrijd het laadvermogen van de auto niet en overschrijd ook het draagvermogen van de reserveband dat op de zijkant van de band is aangegeven niet.
  • Rijd niet over objecten heen. De diameter van het compacte reservewiel is kleiner dan die van een conventioneel wiel, waardoor de grondspeling ongeveer 25 mm (1 inch) kleiner wordt en er sneller schade aan de auto kan ontstaan.

  • Maak geen gebruik van een wasstraat als het reservewiel gemonteerd is.

  • Monteer geen sneeuwketting op het reservewiel. Vanwege de kleinere afmetingen zal een sneeuwketting niet goed passen. Hierdoor kan schade aan de auto ontstaan en kan de sneeuwketting losraken.
  • Deze band mag niet op de vooras gemonteerd worden als er over sneeuw of ijs gereden moet worden.
  • Gebruik dit reservewiel niet onder een andere auto omdat het speciaal ontworpen is voor uw auto.
  • De levensduur van de reserveband is korter dan die van een conventionele band. Controleer uw reserveband regelmatig en vervang een versleten reserveband door een band met dezelfde maat, gemonteerd op dezelfde velg.

  • Het tijdelijk reservewiel moet niet gebruikt worden onder andere auto's en er mogen geen s t a n d a r d b a n d e n , sneeuwkettingen, wieldoppen of velgringen op de velg van het tijdelijke reservewiel worden gemonteerd. Als dat wel gedaan wordt, kan er schade aan deze componenten of andere delen van de auto ontstaan.

  • Gebruik niet meer dan één tijdelijk reservewiel tegelijk onder uw auto.
  • Trek geen aanhanger met uw auto als het tijdelijke reservewiel is gemonteerd.

CONTROLESYSTEEM LAGE BANDENSPANNING (TPMS) (INDIEN VAN TOEPASSING)

1 TPMS

KIA Soul (2008) - CONTROLESYSTEEM LAGE BANDENSPANNING (TPMS) (INDIEN VAN TOEPASSING) - 1

F060000AFD-C1

(1) Controlelampje storing TPMS

(2) Waarschuwingslampje lage bandenspanning

Controleer iedere maand bij koude banden of de bandenspanning van alle banden, inclusief het reservewiel (indien van toepassing), overeenkomt met de aanbevolen spanning op het voertuigplaatje of het bandenspanningslabel. (Als de bandenmaat van uw auto niet overeenkomt met de bandenmaat op het voertuigplaatje of het bandenspanningslabel, dient u de juiste spanning voor deze banden te bepalen.)

Voor extra beveiliging is uw auto uitgerust met een controlesysteem lage bandenspanning (TPMS) dat ervoor zorgt dat een waarschuwingslampje lage bandenspanning gaat branden wanneer de bandenspanning van een of meerdere band(en) aanmerkelijk te laag is. Wanneer het waarschuwingslampje lage bandenspanning brandt, dient u de auto dus stil te zetten, de banden zo snel mogelijk te controleren en ze op de juiste spanning te brengen.

Rijden op banden waarvan de bandenspanning te laag is, heeft oververhitte en mogelijk beschadigde banden tot gevolg. Te lage bandenspanning levert een hoger brandstofverbruik op, verkort de levensduur van de banden en heeft mogelijk invloed op de rijeigenschappen van de auto en de remweg.

Het TPMS dient niet ter vervanging van onderhoud van de banden te worden gebruikt.

Het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder dat de banden op de juiste spanning zijn, ook al is de bandenspanning nog niet zo laag dat het waarschuwingslampje gaat branden.

Uw auto is tevens uitgerust met een controlelampje storing TPMS dat aangeeft wanneer het systeem niet goed werkt. Het controlelampje storing TPMS heeft een aparte verklikker die ervoor zorgt dat het symbool TPMS gaat branden.

Wanneer het controlelampje brandt, kan het systeem mogelijk niet naar behoren een te lage bandenspanning vaststellen. Storingen in het TPMS kunnen door verschillende oorzaken ontstaan, waaronder het plaatsen, vervangen of wisselen van banden of velgen waardoor het TPMS niet goed werkt. Controleer na het vervangen van een of meerdere band(en) of velg(en) het controlelampje storing TPMS om ervoor te zorgen dat het TPMS goed werkt.

F060100AFD-AM

Waarschuwingslampje lage bandenspanning

KIA Soul (2008) - Waarschuwingslampje lage bandenspanning - 1

Wanneer de waarschuwingslampjes van het controlesysteem lage bandenspanning branden, is de bandenspanning van een of meerdere band(en) te laag. Verminder onmiddellijk snelheid, vermijd scherp aansnijden van bochten en anticipeer op een langere remweg.

Zet de auto zo snel mogelijk stil en controleer de banden.

En breng de banden op de juiste spanning zoals aangegeven op het voertuigplaatje of het bandenspanningslabel op de middenstijl aan bestuurderszijde.

Vervang de band met een te lage bandenspanning door het reservewiel als u geen tankstation kunt bereiken of als de band lek is.

Het controlelampje storing TPMS of het waarschuwingslampje lage bandenspanning kan dan gaan branden na opnieuw starten en na 20 minuten aaneengesloten rijden voordat u de band met te lage spanning hebt laten repareren en weer op de auto hebt laten monteren.

! OPMERKING

Mogelijk gaat het waarschuwingslampje lage bandenspanning in de winter of bij koud weer branden als de banden bij warm weer op de aanbevolen spanning zijn gebracht. Het betekent niet dat uw TPMS defect is, omdat de lagere temperatuur een evenredig lagere bandenspanning tot gevolg heeft.

Controleer de bandenspanning en stel deze af wanneer u van een warm gebied naar een koud gebied of vice versa rijdt, of wanneer de buitentemperatuur aanmerkelijk toe- of afneemt.

WAARSCHUWING - Schade door lage bandenspanning Een te lage bandenspanning zorgt ervoor dat de auto instabiel wordt en kan ervoor zorgen dat u de controle over de auto verliest en dat de remweg wordt verlengd. Doorrijden op banden met een te lage spanning heeft oververhitte en defecte banden tot gevolg.

F060200AFD-AM

Controlelampje storing TPMS (controlesysteem lage bandenspanning)

TPMS

Het controlelampje storing TPMS gaat branden en blijft branden wanneer er een probleem aanwezig is in het controlesysteem lage bandenspanning. Als het systeem de waarschuwing voor een te lage spanning juist en tegelijkertijd een systeemfout, dan gaat zowel het controlelampje storing TPMS als het waarschuwingslampje lage bandenspanning branden, bijv. als de sensor links voor een storing heeft, gaat het controlelampje TPMS branden maar als de band rechts voor, links achter of rechts achter een te lage spanning heeft, gaat mogelijk zowel het waarschuwingslampje lage bandenspanning als het controlelampje TPMS tegelijkertijd branden.

Laat het systeem zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer om de oorzaak van het probleem vast te stellen.

*AANWIJZING

  • Het controlelampje storing TPMS gaat mogelijk branden als de auto in de buurt rijdt van elektrische kabels of zenders zoals in de nabljheid van politiebureaus, kantoren, zendstations, militaire objecten, luchthavens, zendmasten, enz. die de normale werking van het controlesysteem lage bandenspanning (TPMS) kunnen storen.
  • Het controlelampje storing TPMS gaat mogelijk branden als bepaalde elektrische apparaten, zoals laptops, in de auto worden gebruikt. Dit kan de normale werking van het TPMS storen.
  • Als er een defecte bandensensor is, kan het TPMS tijdelijk een vervangende sensor inleren als de auto dicht naast een andere auto rijdt die ook is uitgerust met TPMS. In uitzonderlijke gevallen gaat het controlelampje storing TPMS mogelijk minder snel branden.

Een wiel wisselen met TPMS

Bij een lekke band gaat het waarschuwingslampje lage bandenspanning branden. Laat de lekke band zo snel mogelijk door een officiële KIA-dealer repareren of vervang het wiel door het compacte reservewiel.

KIA Soul (2008) - Een wiel wisselen met TPMS - 1

OPMERKING

Gebruik NOOIT bandenreparatiemiddel om de band met een te lage spanning te repareren. Het afdichtingsmiddel kan de bandenspanningssensoren beschadigen. In dat geval moet u de bandenspanningssensor vervangen.

leder wiel is uitgerust met een bandenspanningssensor achter het ventiel in het wiel. Gebruik wielen die speciaal geschikt zijn voor TPMS.Wij raden u aan uw banden altijd door een officiële KIA-dealer te laten nakijken.

Als u de band met te lage spanning vervangt door het reservewiel, gaan het controlelampje storing TPMS en het waarschuwingslampje lage bandenspanning mogelijk branden na het opnieuw starten en ongeveer 20 minuten rijden.

Als de band eenmaal op de voorgeschreven spanning is gebracht en is gemonteerd, gaan de waarschuwingslampjes storing TPMS en lage bandenspanning uit.

Ga naar een officiële KIA-dealer als de waarschuwingslampjes storing TPMS en lage bandenspanning na ongeveer 20 minuten rijden niet uitgaan.

Mogelijk kunt u de bandenspanning niet beoordelen door alleen naar de banden te kijken. Gebruik altijd een bandenspanningsmeter van een goede kwaliteit om de bandenspanning te meten. Een band die warm is (door het rijden), heeft een hogere bandenspanning dat een band die koud is (doordat deze gedurende ten minste 3 uur heeft stilgestaan of niet meer dan 1,6 km (1 milj) heeft gereden gedurende deze periode).

Laat de band afkoelen alvorens de bandenspanning te meten. Zorg er altijd voor dat de band koud is alvorens deze op de aanbevolen spanning te brengen.

Een koude band houdt in dat de auto gedurende 3 uur heeft stilgestaan of niet meer dan 1,6 km (1 mijl) heeft gereden gedurende deze periode.

OPMERKING

Gebruik geen afdichtingsmiddel als uw auto is uitgerust met een controlesysteem lage bandenspanning.

Het afdichtingsmiddel kan de bandenspanningssensoren beschadigen.

Het systeem kan de banden alleen op te lage spanning controleren als er in totaal 4 sensoren zijn gemonteerd op elk van de vier wielen. Er mogen verder geen andere sensoren in de auto aanwezig zijn, zelfs de wielsensor van het reservewiel niet, omdat het systeem anders de verkeerde sensoren gaat controleren.

WAARSCHUWING - TPMS

  • Het TPMS waarschuwt niet voor ernstige en plotselinge schade aan de banden veroorzaakt door externe factoren, zoals spijkers en dergelijke.
  • Als de auto instabiel aanvoelt, haal dan onmiddellijk uw voet van het gaspedaal, trap het rempedaal licht in en breng uw auto op een veilige plaats tot stilstand.

⚠ WAARSCHUWING - TPMS beschermen

Het aanpassen, wijzigen of uitschakelen van onderdelen van het controlesysteem lage bandenspanning (TPMS) verhindert mogelijk dat de bestuurder door het systeem wordt gewaarschuwd over een te lage bandenspanning en/of storingen in het TPMS. Door het aanpassen, wijzigen of uitschakelen van onderdelen van het TPMS vervalt mogelijk de garantie voor dat deel van de auto.

SLEPEN

KIA Soul (2008) - SLEPEN - 1

Laat de auto bij voorkeur wegslepen door een officiële KIA-dealer of een erkend bergingsbedrijf. De juiste procedures voor het slepen zijn noodzakelijk om beschadigingen aan uw auto te voorkomen. Wij bevelen het gebruik van dollies aan.

Zie hoofdstuk 5 "Trekken van een aanhanger" voor meer informatie over het rijden met een aanhanger.

De auto mag gesleept worden met de achterwielen op de grond (zonder dollies) en de voorwielen van de grond.

Als een van de aangedreven wielen of de wielophanging voor beschadigd is of als de auto wordt gesleept met de voorwielen van de grond, plaats dan een dolly onder de voorwielen.

Als er geen dollies worden gebruikt, moet de auto worden gesleept met de voorwielen van de grond.

OPA067016 OPA067017

OPMERKING

  • Sleep de auto nooit achteruit met de voorwielen op de grond. Hierdoor kan de auto beschadigd raken.
  • Sleep de auto nooit met een takelwagen. Gebruik alleen een auto-ambulance of een bril.

Slepen in noodgevallen zonder dollies:

  1. Zet het contact in stand ACC.
  2. Zet de transmissie in stand N (neutraal).
  3. Ontgrendel de parkeerrem.

OPMERKING

Als de selectiehendel niet in stand N wordt gezet, kan dit inwendige schade in de transmissie tot gevolg hebben.

KIA Soul (2008) - OPMERKING - 1

Afneembare trekhaak (Voor) (indien van toepassing)

  1. Open de achterklep en verwijder het sleepoog uit de gereedschapset.
  2. Verwijder het afdekkapje in de voorbumper door het aan de onderzijde in te drukken.

  3. Plaats het sleepoog door het rechtsom te draaien totdat het volledig vastzit.

  4. Verwijder het sleepoog na het gebruik en plaats het afdekkapje.

Achter (indien van toepassing)

OAM069012L

F080300ASA

Slepen in een noodgeval

Laat de auto bij voorkeur wegslepen door een officiële KIA-dealer of een erkend bergingsbedrijf.

Als dit niet mogelijk is, mag de auto tijdelijk worden gesleept met een sleepkabel of -ketting die aan het sleepoog aan de voor-of achterzijde van de auto is bevestigd.Wees voorzichtig bij het slepen van de auto. Laat een ervaren bestuurder in de gesleepte auto achter om te sturen en de remmen te bedienen. Op deze manier slepen mag alleen op verharde wegen, over een korte afstand en met lage snelheid. Bovendien moeten de wielen, aandrijfassen, transmissie, stuurinrichting en remmen in orde zijn.

  • Gebruik de sleepogen niet om een andere auto weg te slepen die vastzit in de modder of iets dergelijks waar hij niet op eigen kracht uit kan komen.
  • Sleep geen auto's die zwaarder zijn dan de auto waarmee wordt gesleept.
  • De bestuurders van beide auto's dienen goed met elkaar te communiceren.

OPMERKING

  • Bevestig een sleepkabel alleen aan de sleepogen.
  • Als de sleepkabel aan een ander onderdeel van de auto wordt bevestigd, kan dit leiden tot beschadigingen.
  • Gebruik alleen een sleepkabel of - ketting die speciaal bedoeld is voor het slepen van auto's. Bevestig de kabel of ketting goed aan de sleepogen.

- Controleer voor het slepen of de sleepogen niet gebroken of op een andere manier beschadigd zijn.

- Bevestig de kabel of ketting goed aan de sleepogen.

- Voorkom schokbewegingen tijdens het slepen. Sleep met een gelijkmatige kracht.

- Trek niet in de dwarsrichting of in verticale richting aan het sleepoog. Anders kan het sleepoog beschadigd raken. Trek alleen in de lengterichting van de auto.

WAARSCHUWING

Wees voorzichtig bij het slepen van de auto.

  • Probeer abrupt accelereren en remmen, alsmede vreemde manoeuvres te voorkomen, zodat de sleepkabel of -ketting en de sleepogen niet te zwaar worden belast. Anders kunnen ze breken, waardoor ernstig letsel of schade kan ontstaan.
  • Als er nauwelijks beweging in de auto zit, ga dan niet onnodig door met slepen. Neem contact op met een officiële KIA-dealer of een deskundig bergingsbedrijf voor hulp.
  • Sleep de auto onder een zo recht mogelijke hoek.
  • Blijf op veilige afstand van de auto tijdens het slepen.

KIA Soul (2008) - WAARSCHUWING - 1

  • Gebruik een sleepkabel van maximaal 5 meter. Bevestig een rode doek in het midden.
  • Rijdt voorzichtig tijdens het slepen om te voorkomen dat de sleepkabel slap komt te hangen.

F080301AUN

Voorzorgsmaatregelen bij slepen in een noodgeval

  • Zet het contact in stand ACC, zodat het stuurslot niet kan worden ingeschakeld.
  • Zet de transmissie in stand N (neutraal).
  • Ontgrendel de parkeerrem.
  • Vanwege de verminderde remwerking, moet het rempedaal krachtiger worden bediend.
  • Het sturen gaat zwaarder omdat de stuurbekrachtiging niet werkt.
  • Tijdens een afdaling kunnen de remmen oververhit raken, waardoor de remwerking afneemt. Stop in dat geval regelmatig om de remmen af te laten koelen.

OPMERKING

- Automatische transmissie

- Als de auto gesleept moet worden met alle wielen van de grond, mag hij alleen vooruit gesleept worden. Controleer of de transmissie in de vrijstand staat. Rijd niet harder dan 40 km/h (25 mph) en niet over een langere afstand dan 25 km (15 milj). Zorg ervoor dat de auto niet op het stuurslot staat door het contact in stand ACC te zetten. Laat een ervaren bestuurder in de gesleepte auto achter om te sturen en de remmen te bedienen.

- Controleer voor het slepen het niveau van de automatische-transmissievloeistof.Vul vloeistof bij als het niveau onder de aanduiding HOT op de pellstok is. Als u geen vloeistof heeft om bij te vullen, moet er een dolly worden gebruikt.

F080400AUN-C1

Transportogen (voor vervoer op een auto-ambulance) (indien van toepassing)

WAARSCHUWING

Gebruik de ogen aan de voorzijde (of achterzijde) van de auto niet voor het slepen. Deze ogen dienen UITSLUITEND om de auto tijdens transport vast te zetten. Wanneer de transportogen gebruikt worden om te slepen, kunnen de ogen of de bumper beschadigd raken en ontstaat er mogelijk ernstig letsel.

Motorrulmte / 7-2Onderhoudswerkzaamheden / 7-4Door de eigenaar uit te voeren onderhoudswerkzaamheden / 7-6Onderhoudsschema / 7-8Uitleg bij onderhoudsschema / 7-21Motorolie / 7-25Koelvloeistof / 7-26Rem- en koppelingsvloeistof / 7-29Automatische-transmissievloeistof / 7-30Ruitensproeiervloeistof / 7-32Parkeerrem / 7-32Brandstofffilter / 7-33Luchtfilter / 7-34Ruitenwisserbladen / 7-35Battery / 7-38Banden en wtelen / 7-41
Onderhoud7
Zekerlingen / 7-52Gloellampen / 7-61Onderhoud exterieur / 7-69Emissieregelsysteem / 7-75

MOTORRUIMTE

■ Benzinemotor

KIA Soul (2008) - MOTORRUIMTE - 1

* De uiteindelijke motorruimte kan afwijken van de afbeelding.

OAM019003

■ Dieselmotor

KIA Soul (2008) - ■ Dieselmotor - 1

Neem bij het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden en controles de grootst mogelijke voorzichtigheid in acht om schade aan uw auto en/of persoonlijk letsel te voorkomen.

Indien u niet zeker bent van de handelswijze die voor het onderhoud of de reparatie dient te worden gevolgd, is het raadzaam de werkzaamheden te laten verrichten door een officiële KIA-dealer.

Een officiële KIA-dealer heeft getrainde technici in dienst, beschikt over originele KIA-onderdelen en kan daardoor het juiste onderhoud aan uw auto uitvoeren. Raadpleeg een officiële KIA-dealer voor deskundig advies en voor service van topkwaliteit.

Niet doelmatig, onvoldoende of gebrekkig onderhoud kan problemen bij het gebruik van uw auto veroorzaken, wat kan leiden tot schade aan de auto, een ongeval of persoonlijk letsel.

G020100AUN

Verantwoordelijkheid van de eigenaar

*AANWIJZING

Het laten uitvoeren van onderhoud en de registratie daarvan zijn de verantwoordelijkheid van de eigenaar.

U dient aan te kunnen tonen dat het juiste onderhoud aan uw auto is uitgevoerd overeenkomstig de voorgeschreven intervallen zoals weergegeven op de volgende bladzijden. U hebt deze informatie nodig om aanspraak te kunnen maken op de door KIA verstrekte garantie.

De garantievoorwaarden vindt u in het garantieboekje.

Reparaties en afstellingen die nodig zijn als gevolg van te weinig of verkeerd onderhoud vallen niet onder de garantie. Wij raden u aan de auto te laten onderhouden en repareren door een officiële KIA-dealer. Een officiële KIA-dealer voldoet aan de hoge kwaliteitseisen van KIA en krijgt technische ondersteuning van KIA om ervoor te zorgen dat u tevreden bent met de service.

G020200AUN

Voorzorgsmaatregelen voor onderhoud uitgevoerd door eigenaar

Verkeerd of onvolledig onderhoud kan problemen opleveren. In dit hoofdstuk worden alleen aanwijzingen gegeven voor werkzaamheden die eenvoudig uit te voeren zijn.

Zoals eerder uitgelegd in dit hoofdstuk kunnen verschillende werkzaamheden alleen door een officiële KIA-dealer worden uitgevoerd die de beschikking heeft over speciaal gereedschap.

*AANWIJZING

Het verkeerde onderhoud door de elgenaar tijdens de garantieperiode kan crtoe leiden dat de garantie vervalt. Lees voor details het bij de auto geleverde garantieboekje. Laat in twijfelgevallen het onderhoud altijd uitvoeren door een officiële KIA-dealer.

⚠ WAARSCHUWING -

Onderhoudswerkzaamheden Het uitvoeren

onderhoudswerkzaamheden aan een auto kan gevaarlijk zijn. Bij sommige onderhoudsprocedures kunt u ernstig verwond raken. Laat het werk uitvoeren door een gekwalificeerde monteur wanneer u niet over voldoende kennis en ervaring of over het juiste gereedschap beschikt.

- Het is gevaarlijk werkzaamheden uit te voeren onder de motorkap terwijl de motor draagt. Het is nog gevaarlijker wanneer u sieraden of losse kleding draagt. Deze kunnen verstrikt raken in de draaiende onderdelen en letsel veroorzaken. Zorg er daarom voor dat u alle sieraden afdoet (vooral ringen, armbanden, horloges en halskettingen) en losse kleding verwijdert voordat u bij een draaiende motor onder de motorkap in de buurt van de motor of de koelventilatoren komt.

WAARSCHUWING

Dieselmotor

vanVerk nooit aan het inspuitsysteem bij draaiende motor of binnen 30 seconden na het afzetten van de motor. De hogedrukpomp, de common rail, de verstuivers en de hogedrukleidingen staan onder hoge druk, ook als de motor uit is gezet. De brandstofstraal die kan ontsnappen, kan ernstig letsel veroorzaken. Mensen die een pacemaker dragen, mogen niet dichter dan 30 cm bij de motormodule of de bedrading in de motorruimte komen als de motor draait, omdat de hoge stroomsterktes in het elektronische motorregelsysteem aanzienlijke magnetische velden produceren.

DOOR DE EIGENAAR UIT TE VOEREN ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN

G030000AUN

De eigenaar of officiële KIA-dealer dient de onderstaande controles volgens het aangegeven interval uit te voeren om een veilige en betrouwbare werking van de auto te garanderen.

Neem bij bijzonderheden zo spoedig mogelijk contact op met uw dealer.

Eventuele werkzaamheden die uit deze controles voortvloeien, vallen doorgaans niet onder de fabrieksgarantie en zullen, samen het arbeidsloon en eventuele onderdelen en smeermiddelen, in rekening gebracht worden.

Schema voor door de eigenaar uit te voeren

onderhoudswerkzaamheden

G030101AUN

Bij het tanken:

- Controleer het motoroliepeil.

  • Controleer het koelvloeistofpeil in het expansievat.
  • Controleer het niveau van de ruitensproeiervloeistof.
  • Controleer of de bandenspanning in orde is.

WAARSCHUWING

Wees voorzichtig bij het controleren van het koelvloeistofpeil wanneer de motor warm is. Hete koelvloeistof en stoom kunnen onder druk naar buiten spuiten. Hierdoor kunnen brandwonden of ernstig letsel ontstaan.

G030102AUN

Tijdens het rijden:

  • Let op veranderingen in het uitlaatgeluid en let erop dat u in het interieur geen uitlaatgassen ruikt.
  • Controleer op trillingen in het stuurwiel. Controleer of het sturen niet zwaarder of lichter gaat dan normaal en of de rechtuitstand niet is gewijzigd.
  • Controleer of de auto niet naar één kant trekt op een vlakke, rechte weg.
  • Controleer bij het remmen op vreemde geluiden, naar één kant trekken, een grotere slag van het rempedaal of een moeilijk in te trappen rempedaal.
  • Controleer als de transmissie slipt of niet normaal werkt het niveau van de automatische-transmissievloeistof.
  • Controleer de werking van stand P van de automatische transmissie.
  • Controleer de werking van de parkeerrem.
  • Controleer onder uw auto op lekkage (tijdens of na het gebruik van de airconditioning kan er een plasje water onder uw auto ontstaan; dit is een normaal verschijnsel en duidt niet op lekkage).

Onderhoud

G030103AUN

Ten minste maandelijks:

  • Controleer het koelvloeistofniveau in het expansievat.
  • Controleer de werking van alle verlichting van uw auto, inclusief de remlichten, richtingaanwijzers en alarmknipperlichten.
  • Controleer de bandenspanning van alle wielen inclusief het reservewiel.

G030104AUN

Twee keer per jaar

(in het voorjaar en in het najaar):

  • Controleer de radiateurslangen en de slangen van de verwarming en de airconditioning op lekkage en beschadigingen.
  • Controleer de werking van de ruitenwissers en -sproeiers. Reinig de ruitenwisserbladen met een schone, met ruitensproeiervloeistof doordrenkte doek.
  • Controleer de stand van de koplampen.
  • Controleer de dempers, de uitlaatpijpen, de hitteschilden en de bevestigingen van de uitlaat.
  • Controleer de werking van de driepuntsgordels en controleer op slijtage.
  • Controleer of het profiel van de banden nog voldoende is en controleer of de wielmoeren goed zijn aangedraaid.

G030105APA

Ten minste eenmaal per jaar:

  • Reinig de afvoeropeningen aan de onderzijde van de portieren en de dorpels.
  • Smeer alle portierscharnieren, slotvangers en motorkapscharnieren.
  • Smeer de portier- en motorkapsloten, vergrendelingen.
    • Smeer de portierrubbers.
  • Controleer vóór de zomer de werking van de airconditioning.

- Controleer en smeer het bedieningsmechanisme van de automatische transmissie.

  • Reinig de accu en de accupolen.
  • Controleer het rem-/koppelings vloeistofniveau.

ONDERHOUDSSCHEMA

G040000AED

Volg het "Onderhoudsschema bij normaal gebruik" wanneer de auto normaalgesproken wordt gebruikt onder andere dan de hieronder vermelde omstandigheden. Volg in de onderstaande gevallen het "Onderhoudsschema bij verzwaard gebruik".

- Veel korte ritten.

  • Rijden in extreem stoffige of zanderige gebieden.
  • Intensief gebruik van het remsysteem.
  • Rijden in gebieden waar veel zout of andere agressieve stoffen worden gebruikt.
  • Rijden op ruwe, modderige wegen.
  • Rijden in heuvelachtige gebieden.
  • Langdurig stationair draaien of rijden met lage toerentallen.
  • Gedurende lange tijd rijden bij lage temperaturen en/of in een extreem vochtig klimaat.
  • Voor meer dan 50% rijden in druk stadsverkeer bij temperaturen boven de 32°C (90°F).

Wanneer uw auto wordt gebruikt onder een van de bovenstaande omstandigheden dienen voor het controleren, vervangen en verversen kortere intervallen te worden aangehouden dan aangegeven in het "Onderhoudsschema bij normaal gebruik". Volg het voorgeschreven onderhoudsschema op. Let op de Tijdsinterval/Kilometerstand. Hiervoor geldt, welke het eerst wordt bereikt!

G040100ASA-C1

ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK - BENZINEMOTOR

ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDS-INTERVALAantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt
Maanden 1224 36 4860 72 84 96
Mijl×1.00010 2030 40 5060 70 80
Km×1.00015 3045 60 7590 105 120
Aandrijfriemen *1IIIIIIII
Motorolie en oliefilter *2RRRRRRRR
Distributieriem2.0 BenzineElke 90.000 km (60.000 mijl) of 48 maanden controleren en elke 135.000 km (90.000) of 72 maanden vervangen *3
Spanrol/geleiderol2.0 BenzineControleren bij het vervangen van de distributieriem
LuchtfilterIIRIIRII
Bougies1.6 BenzineRR

I : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
R : Vervangen of verversen.
* : Stel de aandrijfriem van de dynamo en van de waterpomp en, indien van toepassing, die van de stuurbekrachtiging en de airconditioning af.
Controleren en indien nodig af- of bijstellen of vervangen.
* : Controleer het motoroliepeil elke 500 km (350 mijl) of voor een lange reis.
*1 : Hij kan ook eerder vervangen worden als u toch onderhoud uitvoert aan andere onderdelen.

ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK - BENZINEMOTOR (VERVOLG)

ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSPUNTAantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt
Maanden 1224 36 4860 72 84 96
Mijl×1.00010 2030 40 5060 70 80
Km×1.00015 3045 60 7590 105 120
Klepspeling *1Elke 96.000 km (60.000 mijl) of 48 maanden controleren *2
Ontluchtingslang en tankdop I I
Vacuüm- en carterventilatieslangenIIII
Vacuümslang (voor EGR en smoorklephuis)(indien van toepassing)IIIIIIII
Brandstofffilter *2II
Brandstofleidingen, -slangen en aansluitingenII
Luchtfilter brandstoftank (indien van toepassing)IIRIIRII
KoelsysteemControleer het koelsysteem dagelijks op lekkage en vul indien nodig koelvloeistof bij Controleer de waterpomp bij het vervangen van de aandrijfriem of distributieriem

I : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
R : Vervangen of verversen.
* : Hij kan ook eerder vervangen worden als u toch onderhoud uitvoert aan andere onderdelen.
* : Controleer op vreemde bijgeluiden en/of motortrillingen en stel indien nodig af. Laat dit doen door een officiële KIA-dealer.
: Het brandstofffilter geldt als onderhoudsvrij, maar regelmatige controle wordt aangeraden aangezien dit onderhoudsschema afhankelijk is van de kwaliteit van de brandstof. Als er belangrijke storingen optreden zoals beperkte brandstofdoorvoer, haperen van de motor, vermogensverlies, startproblemen, etc. vervang dan het brandstofffilter onmiddellijk ongeacht het onderhoudsschema en neem contact op met een officiële KIA-dealer voor meer informatie.

ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK - BENZINEMOTOR (VERVOLG)

ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSPUNTAantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt
Maanden 1224 36 4860 72 8496
Mijl×1.00010 2030 40 5060 70 80
Km×1.00015 3045 60 7590 105 120
Koelvloeistof *Eerste keer vervangen na 100.000 km (62.500 mijl) of 60 maanden: Vervolgens elke 40.000 km (25.000 mijl) of 24 maanden vervangen*
AccutoestandIIIIIIII
Alle elektrische systemenIIII
Remleidingen, -slangen en aansluitingenIIIIIIII
Rempedaal, koppelingspedaal (indien van toepassing)IIII
ParkeerremIIII
Rem-/koppelingsvloeistofIRIRIRIR
Remschijven en remblokkenIIIIIIII
Remtrommels en remvoeringen (indien van toepassing)IIII

I : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
R : Vervangen of verversen.
a : Hij kan ook eerder vervangen worden als u toch onderhoud uitvoert aan andere onderdelen.
: Vul het koelsysteem alleen bij met goedgekeurde koelvloeistof en vul het koelsysteem niet bij met water. Een onjuist koelvloeistofmengsel kan storingen en schade aan de motor veroorzaken.

ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK - BENZINEMOTOR (VERVOLG)

ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDS-INTERVALAantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt
Maanden 1224 36 4860 72 8496
Mijl×1.00010 2030 40 5060 70 80
Km×1.00015 3045 60 7590 105 120
Stuurhuis, stuurstangen en stofhoezenIIIIIIII
Aandrijfassen en aandrijfashoezenIIII
Banden (spanning en profiel)IIIIIIII
VoorwielophangingIIIIIIII
Bouten en moeren van chassis en carrosserieIIIIIIII
Koudemiddel airconditioning (indien van toepassing)IIIIIIII
Aircocompressor (indien van toepassing)IIIIIIII
Interieurfilter (indien van toepassing)RRRR
Versnellingsbakolie (indien van toepassing)IIIIIIII
Automatische-transmissievloeistof(indien van toepassing)IIIIIRII

I : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen. R : Vervangen of verversen.

G040200ASA-C1

ONDERHOUD BIJ GEBRUIK ONDER ZWARE OMSTANDIGHEDEN - BENZINEMOTOR

Controleer de volgende zaken vaker wanneer de auto veelvuldig onder zware rijomstandigheden wordt gebruikt.

Raadpleeg de onderstaande tabel voor de juiste onderhoudsintervallen.

R: Vervangen I : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen

ONDERHOUDSPUNTOnderhoudswerkzaamhedenOnderhoudsintervalRijomstandigheid
Motorolie en oliefilter RElke 7.500 km (4.500 mijl)of 6 maandenA, B, C, D, E,F, G, H, I, K
Luchtfilter R C, EAfhankelijk van de omstandighedenvaker vervangen
Bougies R B, HAfhankelijk van de omstandighedenvaker vervangen
Distributieriem 2.0 Benzine RElke 90.000 km (60.000 mijl)of 48 maandenD, E, F, G
Versnellingsbakolie (indien van toepassing)RElke 90.000 km (60.000 mijl) C, D, E, G, H, I, K
Automatische-transmissievloeistof(indien van toepassing)R Elke 45000 km (30.000 mijl)A, C, D, E, FG, H, I, K
Stuurhuis, stuurstangen en stofhoezen IAfhankelijk van de omstandighedenC, D, E, F, Gvaker controlereh

Onderhoud

ONDERHOUDSPUNTOnderhoudswerk zaamhedenOnderhoudsintervalRijomstandigheid
Voorwielophanging I C, D, E, F, GAfhankelijk van de omstandigheden vaker controleren
Schijfremmen en remblokken, remklauwen en remschijvenI C, D, E, G, HAfhankelijk van de omstandigheden vaker controleren
Remtrommels en remvoeringen (indien van toepassing)I C, D, E, G, HAfhankelijk van de omstandigheden vaker controleren
ParkeerremIAfhankelijk van de omstandigheden vaker controlerenC, D, G, H
Aandrijfassen en aandrijfashoezenIAfhankelijk van de omstandigheden vaker controlerenC, D, E, F, G, H, I, K
Interieurfilter (indien van toepassing)IAfhankelijk van de omstandigheden vaker controlerenC, E, G

Zware rijomstandigheden

A : Veel korte ritten
B : Langdurig stationair draaien
C : Rijden op stoffige, onverharde wegen
D : Rijden in gebieden waar veel zout of andere agressieve stoffen worden gebruikt. Of rijden onder koude weersomstandigheden
E : Rijden in een omgeving met veel zand

F : Voor meer dan 50% rijden in druk stadsverkeer bij temperaturen boven de 32°C (90°F)
G : Rijden in heuvelachtige gebieden.
H : Rijden met een aanhanger
I : Politieauto's, taxi's, bedrijfsauto's of bij het slepen van een auto
J : Rijden onder winterse omstandigheden
K : Rijden met snelheden boven 170 km/h (106 mph)
L : Rijden met veel optrekken en afremmen

G040300ASA-C1

ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK - DIESELMOTOR

ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDS-INTERVALAantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt
Maanden 12 24 36 48 60 72 84 96
Mijl×1.00012,52537,55062,57587,5100
Km×1.00020406080100120140160
Aandrijfriemen *1IIIIIIII
Motorolie en oliefilter *2RRRRRRRR
Spanrol/geleiderol/demperrolControleren bij het vervangen van de aandrijfriem
LuchtfilterIRIRIRIR

I : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
R : Vervangen of verversen.
* : Stel de aandrijfriem van de dynamo en van de waterpomp en, indien van toepassing, die van de stuurbekrachtiging en de airconditioning af. Controleren en indien nodig af- of bijstellen of vervangen.
* : Controleer het motoroliepeil elke 500 km (350 mijl) of voor een lange reis.

ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK - DIESELMOTOR (VERVOLG)

ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDS-INTERVALAantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt
Maanden 12 2436 48 6072 84 96
Mijl×1.00012,52537,55062,57587,5100
Km×1.00020406080100120140160
Ontluchtingslang en tankdopIIIIIIII
PCV- en carterventilatieslangenIIIIIIII
Vacuümslang (voor VGT en smoorklephuis)(indien van toepassing)IIIIIIII
Vacuümpomp dynamoIIIIIIII
Olieslang en vacuümslang dynamoIIIIIIII
Brandstofffilterelement *3IIRIIRII
Brandstofleidingen, -slangen en aansluitingenIIIIIIII

I : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
R : Vervangen of verversen.
* : Dit interval is afhankelijk van de brandstofkwaliteit. Dit geldt alleen indien een voorgeschreven brandstof wordt gebruikt (EN 590 of gelijkwaardig). Als de specificaties van de dieselbrandstof niet voldoen aan de Europese EN 590-normen, vervang het filter dan vaker. Neem voor details contact op met een officiële KIA-dealer. In geval van een laag motorvermogen of afname van de brandstofdruk die te wijten is aan het brandstofffilter, dient het brandstofffilter onmiddellijk vervangen te worden, ongeacht het onderhoudsschema.

ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK - DIESELMOTOR (VERVOLG)

ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSPUNTAantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt
Maanden 12 2436 48 6072 84 96
Mijl×1.000 12,525 37,550 62,5 7587,5 100
Km×1.00020 4060 80 100120140 160
KoelsysteemControleer het koelsysteem dagelijks op lekkage en vul indien nodig koelvloeistof bij Controleer de waterpomp bij het vervangen van de aandrijfriem
Koelvloeistof*Eerste keer vervangen na 100.000 km (62.500 mijl) of 60 maanden: vervolgens elke 40.000 km (25.000 mijl) of 24 maanden vervangen*
AccutoestandIIIIIII
Alle elektrische systemenIIIIIII
Remleidingen, -slangen en aansluitingenIIIIIII
Rempedaal, koppelingspedaal (indien van toepassing)IIIIIII
ParkeerremIIIIIII
Rem-/koppelingsvloeistofIRIRIRI

I : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
R : Vervangen of verversen.
* : Vul het koelsysteem alleen bij met goedgekeurde koelvloeistof en vul het koelsysteem niet bij met water.
Een onjuist koelvloeistofmengsel kan storingen en schade aan de motor veroorzaken.
* : Hij kan ook eerder vervangen worden als u toch onderhoud uitvoert aan andere onderdelen.

ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK - DIESELMOTOR (VERVOLG)

ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSPUNTAantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt
Maanden 12 2436 48 6072 84 96
Mijl×1.00012,52537,55062,57587,5100
Km×1.00020406080100120140160
Remschijven en remblokkenIIIIIIII
Remtrommels en remvoeringen(indien van toepassing)IIII
Stuurhuis, stuurstangen en stofhoezenIIIIIIII
Aandrijfassen en aandrijfashoezenIIIIIIII
Banden (spanning en profiel)IIIIIIII
VoorwielophangingIIIIIIII
Bouten en moeren van chassis en carrosserieIIIIIIII
Koudemiddel airconditioning (indien van toepassing)IIIIIIII
Aircocompressor (indien van toepassing)IIIIIIII
Interieurfilter (indien van toepassing)RRRRRRRR
Versnellingsbakolie (indien van toepassing)IIIIIIII
Automatische-transmissievloeistof(indien van toepassing)IIIIRIII

I : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.

R : Vervangen of verversen.

G040400ASA-C1

ONDERHOUD BIJ GEBRUIK ONDER ZWARE OMSTANDIGHEDEN - DIESELMOTOR

Controleer de volgende zaken vaker wanneer de auto veelvuldig onder zware rijomstandigheden wordt gebruikt.

Raadpleeg de onderstaande tabel voor de juiste onderhoudsintervallen.

R: Vervangen I : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen

ONDERHOUDSPUNTOnderhoudswerkzaamhedenOnderhoudsintervalRijomstandigheid
Motorolie en oliefilterR Elke 100.000 km (6.200 mijl) of 6 maandenA, B, C, F, G,H, I, J, K, L
LuchtfilterRAfhankelijk van de omstandighedenvaker vervangenC
Versnellingsbakolie(indien van toepassing)R Elke 100.000 km (62.500 mijl) C, D, E, G, H, I, K
Automatische-transmissievloeistof(indien van toepassing)R Elke 450.000 km (30.000 mijl)A, C, D, E, F,G, H, I, K
Stuurhuis. stuurstangen en stofhoezenIAfhankelijk van de omstandighedenvaker controlerenC, D, E, F, G

Onderhoud

ONDERHOUDSPUNTOnderhoudswerkzaamhedenOnderhoudsintervalRijomstandigheid
VoorwielophangingI C, D, E, F, GAfhankelijk van de omstandighedenvaker controleren
Schijfremmen en remblokken, remklauwen en remschijvenI C, D, E, G, HAfhankelijk van de omstandighedenvaker controleren
Remtrommels en remvoeringen (indien van toepassing)I C, D, E, G, HAfhankelijk van de omstandighedenvaker controleren
Parkeerrem I C, D, G, HAfhankelijk van de omstandighedenvaker controleren
Aandrijfassen en aandrijfashoezenIAfhankelijk van de omstandighedenvaker controlerenC, D, E, F, G, H, I, K
Interieurfilter (indien van toepassing)IAfhankelijk van de omstandighedenvaker controlerenC, E, G

Zware rijomstandigheden

A : Veel korte ritten
B : Langdurig stationair draaien
C : Rijden op stoffige, onverharde wegen
D : Rijden in gebieden waar veel zout of andere agressieve stoffen worden gebruikt. Of rijden onder koude weersomstandigheden
E : Rijden in een omgeving met veel zand

F : Voor meer dan 50% rijden in druk stadsverkeer bij temperaturen boven de 32°C (90°F)
G : Rijden in heuvelachtige gebieden.
H : Rijden met een aanhanger
I : Politieauto's, taxi's, bedrijfsauto's of bij het slepen van een auto
J : Rijden onder winterse omstandigheden
K : Rijden met snelheden boven 170 km/h (106 mph)
L : Rijden met veel optrekken en afremmen

UITLEG BIJ ONDERHOUDSSCHEMA

G050100AUN

Motorolie en oliefilter

De motorolie moet worden ververst en het filter moet worden vervangen volgens de intervallen van het onderhoudsschema. Als er onder ongunstige omstandigheden gereden wordt, moet de olie vaker ververst en het filter vaker vervangen worden.

G050200AUN

Aandrijfriemen

Controleer alle aandrijfriemen op tekenen van sneetjes, scheurtjes, overmatige slijtage of verzadiging met olie en vervang indien nodig. De spanning van de aandrijfriemen moet periodiek worden gecontroleerd en indien nodig worden afgesteld.

G050300AUN

Brandstofffilter(element)

Door een verstopt filter kan de snelheid waarmee gereden kan worden, afnemen, het emissiesysteem beschadigd raken of slecht aanslaan veroorzaakt worden. Als zich in de brandstoftank te veel vuil ophoopt, dient het filter mogelijk vaker vervangen te worden.

Laat de motor na het plaatsen van een nieuw filter enkele minuten draaien en controleer de aansluitingen op lekkage. Brandstofffilters moeten worden geplaatst door een officiële KIA-dealer.

G050400AUN

Brandstofleidingen, -slangen en aansluitingen

Controleer de brandstofleidingen, - slangen en aansluitingen op lekkage en beschadigingen. Laat een officiële KIA-dealer beschadigde of lekkende onderdelen direct vervangen.

WAARSCHUWING - Alleen dieselmotor

Werk nooit aan het inspuitsysteem bij draalende motor of binnen 30 seconden na het afzetten van de motor. De hogedrukpomp, de common rail, de verstuivers en de hogedrukleidingen staan onder hoge druk, ook als de motor uit is gezet. De brandstofstraal die kan ontsnappen, kan ernstig letsel veroorzaken. Mensen die een pacemaker dragen, mogen niet dichter dan 30 cm bij de motormodule of de bedrading in de motorruimte komen als de motor draait, omdat de hoge stroomsterktes In het common railsysteem aanzienlijke magnetische velden produceren.

Onderhoud

G050500AUN

Distributieriem

(indien van toepassing)

Controleer alle bij de distributieriem behorende onderdelen op beschadigingen en vervormingen. Vervang beschadigde onderdelen direct.

G050600AUN

Ontluchtingsslang en tankdop

De ontluchtingsslang en de tankdop moeten worden gecontroleerd volgens de intervallen van het onderhoudsschema. Zorg ervoor dat de ontluchtingsslang of tankdop op de juiste manier vervangen wordt.

G050700AUN

Vacuüm- en

carterventilatieslangen

(indien van toepassing)

Controleer het oppervlak van de slangen op sporen van oververhitting of mechanische schade. Hard en broos rubber, barstjes, scheurtjes, sneetjes, schaafplekken en overmatig zwellen zijn tekenen van veroudering. Besteed extra aandacht aan de controle van de delen van de slang die zich het dichtst bij warme onderdelen bevinden, zoals het uitlaatspruitstuk.

Controleer de ligging van de slangen om er zeker van te zijn dat de slangen niet in contact komen met warmtebronnen, scherpe randen of bewegende delen, waardoor schade door oververhitting of mechanische slijtage kan ontstaan.

Controleer of alle slangaansluitingen, zoals klemmen en koppelingen, goed vastzitten en niet lekken. Vervang slangen onmiddellijk als er sporen van veroudering of beschadigingen gevonden worden.

G050800AUN

Luchtfilter

Geadviseerd wordt bij het vervangen van filter een origineel KIA-luchtfilter te gebruiken.

G050900AUN

Bougies (benzinemotor)

Gebruik altijd nieuwe bougies met de juiste warmtegraad.

G051000AUN

Klepspeling

(indien van toepassing)

Controleer op vreemde bijgeluiden en/of motortrillingen en stel indien nodig af. Laat dit doen door een officiële KIA-dealer.

G051100AUN

Koelsysteem

Controleer de onderdelen van het koelsysteem, zoals radiateur, koelvloeistofreservoir, slangen en aansluitingen op lekkage en beschadigingen. Vervang beschadigde onderdelen.

G051200AUN

Koelvloeistof

De koelvloeistof moet worden ververst volgens de intervallen van het onderhoudsschema.

G051300AUN

Versnellingsbakolie

(indien van toepassing)

Controleer de versnellingsbakolie volgens het onderhoudsschema.

G051400AUN

Automatische-transmissievloeistof

(indien van toepassing)

Het vloeistofniveau moet in het gebied HOT van de peilstok liggen als de motor en transmissie op de normale bedrijfstemperatuur zijn. Controleer het niveau van de automatische-transmissievloeistof bij draaiende motor met de transmissie in de vrijstand en de parkeerrem goed aangetrokken.

G051500AUN

Remleidingen en -slangen

Controleer visueel op juiste bevestiging, schaafplekken, scheurtjes, veroudering en lekkage. Vervang verouderde of beschadigde onderdelen direct.

G051600AUN

Remvloeistof

Controleer het vloeistofniveau in het remvloeistofreservoir. Het

vloeistofniveau dient zich tussen de merktekens MIN en MAX aan de zijkant van het reservoir te bevinden. Gebruik uitsluitend de voorgeschreven hydraulische remvloeistof (DOT3 of DOT4).

G051700AUN

Parkeerrem

Controleer het parkeerremsysteem inclusief het parkeerrempedaal en de kabels.

G051800APA

Remtrommels en remvoeringen achter (indien van toepassing)

Controleer de remtrommels en remvoeringen achter op krassen, verbranding, remvloeistoflekkage, defecte onderdelen en overmatige slijtage.

Onderhoud

G051900AUN

Schijfremmen, remblokken, remklauwen en remschijven

Controleer de remblokken op overmatige slijtage, de schijfremmen op slingering en slijtage en de remklauwen op vloeistoflekkage.

G052100AUN

Bevestigingsbouten wielophanging

Controleer of de bouten van de wielophanging goed vastzitten en niet beschadigd zijn. Draai ze met het voorgeschreven aanhaalmoment vast.

G052200AUN

Stuurhuis, stuurstangen en stofhoezen/onderste fuseekogel

Breng de auto tot stilstand, zet de motor uit en controleer op overmatige speling in het stuurwiel.

Controleer de stuurstangen op knikken of beschadigingen. Controleer de stofhoezen en fuseekogel op veroudering, scheurtjes of beschadigingen. Vervang beschadigde onderdelen.

G052400AUN

Aandrijfassen en aandrijfashoezen

Controleer de aandrijfassen, -hoezen en klemmen op scheurtjes, veroudering of beschadigingen. Vervang beschadigde onderdelen en breng indien nodig nieuw vet aan.

G052500AUN

Koudemiddel airconditioning (indien van toepassing)

Controleer de leidingen en aansluitingen van de airconditioning op lekkage en beschadigingen.

MOTOROLIE

KIA Soul (2008) - MOTOROLIE - 1

Controle van het motoroliepeil

  1. Controleer of de auto horizontaal staat.
  2. Start de motor en laat deze op de normale bedrijfstemperatuur komen.
  3. Zet de motor uit en wacht ongeveer 5 minuten zodat de olie naar het carter terug kan lopen.
  4. Trek de peilstok uit de houder, veeg hem schoon en steek hem weer geheel in de houder.

Wees voorzichtig met de radiateurslang tijdens het controleren of bijvullen van de motorolie. Deze kan namelijk nog zo warm zijn, dat u zich eraan kunt branden.

  1. Trek de peilstok opnieuw uit de houder en controlleer het peil. Het peil moet zich ergens tussen F en L bevinden.

OPMERKING - Dieselmotor Als te veel motorolie wordt bijgevuid, kan dit door de klopverschijnselen leiden tot nadieselen. Hierdoor kan motorschade ontstaan, waarbij plotselinge verhogingen van het motortoerental, motorlawaai en witte rook waergenomen kunnen worden.

KIA Soul (2008) - Controle van het motoroliepeil - 1

Als het peil zich bij of op de L bevindt, moet u olie bijvullen tot de F. Vul niet te veel olie bij.

Gebruik een trechter om morsen van olie op motoronderdelen te voorkomen.

Gebruik alleen de voorgeschreven motorolie. (Zie "Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden" in hoofdstuk 8.)

OPMERKING

Vul niet te veel motorolie bij. Dit kan schade aan de motor veroorzaken.

G060200ASA

Motorolie verversen en filter vervangen

Laat de motorolie verversen en het filter vervangen door een officiële KIA-dealer overeenkomstig het in het begin van dit hoofdstuk beschreven onderhoudsschema.

KIA Soul (2008) - Motorolie verversen en filter vervangen - 1

WAARSCHUWING

Gebruikte motorolie kan irritatie of huidkanker veroorzaken indien de huid langdurig in contact komt met de olie. De stoffen die in gebruikte motorolie aanwezig zijn, hebben bij laboratoriumproeven geleid tot kanker bij proefdieren. Was uw handen zorgvuldig met zeep en warm water als ze in contact zijn geweest met gebruikte motorolie.

KOELVLOEISTOF

G070000AUN

Het hogedruk-koelsysteem is voorzien van een reservoir dat gevuld is met een koelvloeistof die ook voldoende bescherming biedt tegen bevriezing. Het reservoir is in de fabriek gevuld.

Controleer de vorstbescherming en het koelvloeistofpeil ten minste één keer per jaar, aan het begin van het winterseizoen en voordat u naar een kouder klimaat reist.

G070100ASA

Koelvloeistofpeil controleren

KIA Soul (2008) - Koelvloeistofpeil controleren - 1

WAARSCHUWING - Losdraaien van de radiateurdop

- Verwijder de radiateurdop nooit terwijl de motor draait of nog een hoge temperatuur heeft. Daardoor kan er schade aan het koelsysteem en de motor ontstaan; bovendien kunt u ernstig letsel oplopen doordat er hete koelvloeistof of stoom ontsnapt.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Zet de motor uit en wacht tot deze is afgekoeld. Verwijder de radiateurdop uiterst voorzichtig. Wikkel een dikke doek rond de dop en draai hem voorzichtig linksom tot de eerste aanslag. Ga een stukje achteruit wanneer de druk van het koelsysteem af gaat. Pas als u zeker weet dat er geen overdruk meer is, drukt u de dop met de doek in en draait u hem verder linksom om hem te verwijderen.

- Verwijder de radiateurdop of de aftapplug niet als de motor en de radiateur nog heet zijn, zelfs niet als de motor niet loopt. Er kan nog steeds hete koelvloelstof en stoom ontsnappen, waardoor er ernstig letsel kan ontstaan.

KIA Soul (2008) - (Vervolg) - 1

Controleer de toestand en de aansluitingen van alle slangen van het koelsysteem en van de verwarming. Vervang beschadigde en slechte slangen.

Het koelvloeistofpeil in het expansievat dient tussen de merktekens F en L te liggen als de motor koud is.

Vul als het peil laag is voldoende voorgeschreven koelvloeistof bij om het systeem tegen vorst en corrosie te beschermen. Vul bij tot de F, maar vul niet te veel bij. Laat het koelsysteem door een officiële KIA-dealer nakijken indien u het reservoir regelmatig moet bijvullen.

G070101AUN

Aanbevolen koelvloeistof

- Gebruik alleen gedemineraliseerd of gedestilleerd water.

- De motor van uw auto heeft aluminium onderdelen. Gebruik daarom een koelvloeistof op ethyleen-glycolbasis ter voorkoming van corrosie en bevriezing.

- Gebruik GEEN koelvloeistof op ethanol- of methanol-basis; meng ook geen ethanol- of methanol-antivries met de voorgeschreven koelvloeistof.

- Gebruik geen mengsel met meer dan 60% of minder dan 35% antivries; in dat geval is een optimale koelende werking niet gewaarborgd.

Zie de volgende tabel voor de mengverhouding.

Buiten-temperatuurMengverhouding (hoeveelheid)
AntivriesWater
-15°C (5°F) 35 65
-25°C (-13°F) 40 60
-35°C (-31°F) 50 50
-45°C (-49°F) 60 40

KIA Soul (2008) - (Vervolg) - 2

Laat de koelvloeistof verversen door een officiële KIA-dealer overeenkomstig het in het begin van dit hoofdstuk beschreven onderhoudsschema.

! OPMERKING

Leg een flinke doek rond de vulopening om te voorkomen dat als er gemorst wordt, koelvloeistof terechtkomt of de dynamo of andere onderdelen van de motor.

WAARSCHUWING

  • Gebruik geen koelvloeistof of antivries in het sproeierreservoir.
  • Koelvloeistof kan het zicht ernstig belemmeren wanneer dit op de voorruit terecht komt waardoor u de macht over de auto kunt verliezen. Bovendien kan het de lak beschadigen.

Verwijder bij een warme motor en radiateur de radiateurdop niet. Er kan nog steeds gloeiend hete koelvloeistof en stoom ontsnappen, waardoor er ernstig letsel kan ontstaan.

REM- EN (INDIEN VAN TOEPASSING) KOPPELINGSVLOEISTOF

KIA Soul (2008) - REM- EN (INDIEN VAN TOEPASSING) KOPPELINGSVLOEISTOF - 1

Controleer regelmatig het niveau in het reservoir. Het vloeistofniveau dient zich tussen de merktekens MAX en MIN aan de zijkant van het reservoir te bevinden. Reinig het gebied rondom de dop van het reservoir grondig alvorens de dop te verwijderen en vloeistof bij te vullen, om te voorkomen dat deze vervuild raakt.

Vul vloeistof bij tot aan het merkteken MAX wanneer het niveau te laag is. Het niveau van de remvloeistof zal na verloop van tijd dalen. Dit is normaal en wordt veroorzaakt door het slijten van de remblokken. Laat het remsysteem controleren door een officiële KIA-dealer wanneer het niveau erg laag is.

Gebruik alleen de voorgeschreven remen koppelingsvloeistof. (Zie "Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden" in hoofdstuk 8.)

Meng nooit verschillende soorten vloeistof door elkaar.

KIA Soul (2008) - REM- EN (INDIEN VAN TOEPASSING) KOPPELINGSVLOEISTOF - 2

WAARSCHUWING -

Lekkage van remvloeistof

Als u het remvloeistofreservoir regelmatig moet bijvullen, moet u de auto laten controleren door een officiële KIA-dealer.

KIA Soul (2008) - Lekkage van remvloeistof - 1

WAARSCHUWING -

Remvloeistof

Wees voorzichtig bij het vervangen of bijvullen van rem- en koppelingsvloeistof. Zorg ervoor dat de vloeistof niet in contact komt met uw ogen. Spoel uw ogen direct met een ruime hoeveelheid leldingwater wanneer u rem- en koppelingsvloeistof in uw ogen krijgt. Laat uw ogen zo snel mogelijk onderzoeken door een dokter.

KIA Soul (2008) - Remvloeistof - 1

OPMERKING

Zorg ervoor dat rem- en koppelingsvloeistof niet in contact komt met het lakwerk van de auto. De lak kan hierdoor beschadigen. De kwaliteit van rem- en koppelingsvloeistof die gedurende lange tijd blootgesteld is aan de buitenlucht kan niet gegarandeerd worden. Vervang deze. Gebruik het julste type vloeistof. Slechts een paar druppels minerale olie, bijvoorbeeld motorolie, in het remkunnen de onderdelen van het systeem beschadigen.

AUTOMATISCHE-TRANSMISSIEVLOEISTOF (INDIEN VAN TOEPASSING)

KIA Soul (2008) - AUTOMATISCHE-TRANSMISSIEVLOEISTOF (INDIEN VAN TOEPASSING) - 1

Het peil van de automatische-transmissievloeistof moet regelmatig gecontroleerd worden.

Zorg er voor dat de auto horizontaal staat en dat de parkeerrem is aangetrokken. Controleer het vloeistofpeil als volgt:

  1. Zet de selectiehendel in stand N en laat de motor stationair draaien.

  2. Laat de transmissie op bedrijfstemperatuur (vloeistoftermperatuur 70 - 80°C) komen, door bijvoorbeeld 10 minuten te rijden, beweeg de selectiehendel een keer door alle standen en zet deze vervolgens in stand N of P.

HOT C HOT COLD OSA077009

  1. Controleer of het vloeistofpeil zich in het gebied HOT van de peilstok bevindt. Als het vloeistofpeil lager is, vul dan de voorgeschreven vloeistof bij via de vulopening. Als het vloeistofpeil hoger is, tap dan vloeistof af via de aftapopening.

  2. Als het vloeistofpeil koud (vloeistoftemperatuur 20 - 30°C) wordt gecontroleerd, vul dan vloeistof bij tot de lijn C (COLD) en controleer het vloeistofpeil opnieuw op de manier zoals in stap 2 is aangegeven.

Het niveau van de transmissievloeistof dient te worden gecontroleerd als de motor op de normale bedrijfstemperatuur is. Dit betekent dat de motor, de radiateur, de radiateurslang, het uitlaatsysteem, enz. erg heet zijn. Let goed op dat u bij deze procedure geen brandwonden oploopt.

OPMERKING

- Een te laag vloeistofpeil kan ertoe leiden dat de transmissie gaat slippen. Een te hoog peil kan schuimvorming, verlies van vloeistof en storingen in de transmissie veroorzaken.

- Het gebruik van andere dan de voorgeschreven vloelstof kan storingen en defecten in de transmissie veroorzaken.

Zet de parkeerrem vast en trap het rempedaal in bij het verplaatsen van de selectiehendel om te voorkomen dat de auto onverwachts in beweging komt.

*AANWIJZING

Gebruik het merkteken C (COLD) alleen als een ruwe schatting en NIET om het niveau van de automatische-transmisslevloelstof vast te stellen.

*AANWIJZING

Nieuwe automatische-transmissievloeistof is rood van kleur. De rode kleurstof is toegevoegd door de fabrikant en dient om de automatische-transmissievloeistof te kunnen onderscheiden van motorolie en antivries. Hoewel de kleurstof na verloop van tijd niet meer zichtbaar is, zegt dit niets over de kwaliteit van de vloeistof. Door het rijden wordt de automatische-transmissievloeistof donkerder. De kleur wordt uileindelijk lichtbruin. Laat de automatische-transmissievloeistof daarom overeenkomstig het in het begin van dit hoofdstuk beschreven onderhoudsschema verversen door een officiële KIA-dealer.

Gebruik alleen de voorgeschreven automatische-transmissievloeistof. (Zie "Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden" in hoofdstuk 8.)

G100200AUN

Verversen van de automatische-transmissievloeistof

Laat de automatische-transmissievloeistof verversen door een officiële KIA-dealer overeenkomstig het in het begin van dit hoofdstuk beschreven onderhoudsschema.

Ruitensproeiervloeistofniveau controleren

Controleer het vloeistofpeil in het sproeierreservoir en vul indien nodig vloeistof bij. Als u geen ruitensproeiervloeistof bij de hand heeft, kunt u het reservoir bijvullen met gewoon water. Gebruik in koude klimaten echter speciale ruitensproeiervloeistof om bevriezing te voorkomen.

WAARSCHUWING

  • Gebruik geen koelvloeistof of antivries in het sproeierreservoir.
  • Koelvloeistof kan het zich ernstig belemmeren wanneer dit op de voorruit terecht komt waardoor u de macht over de auto kunt verliezen. Bovendien kan het de lak beschadigen.
  • Ruitensproeiervloeistof bevat alcohol en kan onder bepaalde omstandigheden licht ontvlambaar zijn. Houd open vuur en vonken uit de buurt van de ruitensproeiervloeistof en het sproeierreservoir. De auto kan beschadigd raken en de inzittenden kunnen letsel oplopen.
  • Ruitensproeiervloeistof is giftig voor mensen en dieren. Drink geen ruitensproeiervloeistof en vermijd contact met ruitensproeiervloeistof. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.

PARKEERREM

KIA Soul (2008) - PARKEERREM - 1

Controleren van de parkeerrem

Controleer de slag van de parkeerrem door het aantal klikken te tellen wanneer de hendel volledig wordt aangetrokken. De parkeerrem alleen moet de auto veilig op een vrij steile helling kunnen houden. Laat de parkeerrem afstellen door een officiële KIA-dealer wanneer de slag van het pedaal niet volgens de specificatie is.

Slag: 5\~7 klikjes bij een kracht van 20 kg (44 lbs, 196 N).

BRANDSTOFFILTER (DIESEL)

G150100ASA-ED

Aftappen van water uit het brandstofffilter

De waterafscheider vangt het water uit de brandstof op.

Het waarschuwingslampje gaat branden wanneer het contact in stand ON staat en water zich in de waterafscheider verzameld heeft.

KIA Soul (2008) - Aftappen van water uit het brandstofffilter - 1

Laat het brandstofsysteem controleren en het water aftappen door een officiële KIA-dealer als het waarschuwingslampje gaat branden.

OPMERKING

Als het water in de afscheider niet of niet vaak genoeg wordt afgetapt, kan er schade ontstaan aan belangrijke onderdelen, zoals het brandstofsysteem, doordat er water in het brandstofffilter komt.

KIA Soul (2008) - OPMERKING - 1

Als u doorgereden bent totdat de tank leeg was, of als het brandstofffilter vervangen is, zorg er dan voor dat er vanuit de brandstoftank brandstof in het filter gepompt wordt, omdat de motor anders moeilijk start.

  1. Pomp ongeveer 50 keer op en neer(1) tot de pomp zwaar werkt.
  2. Verwijder de bout (2) met een kruiskopschroevendraaier, ontlucht het brandstofffilter en plaats de bout (2) weer terug.
  3. Pomp ongeveer 15 keer op en neer(1).
  4. Verwijder de bout (2) met een kruiskopschroevendraaier, ontlucht het brandstofffilter en plaats de bout (2) weer terug.
  5. Pomp ongeveer 5 keer op en neer(1).

*AANWIJZING

  • Vang de brandstof bij het ontluchten op met een doekje.
  • Verwijder eventuele brand-stofresten rondom het brandstofffilter en de inspuitpomp vóór het starten van de motor, om brand te voorkomen.
  • Controleer ten slotte of er nergens brandstof lekt.

G150200AUN

Brandstofffilterelement vervangen

*AANWIJZING

Gebruik originele KIA-onderdelen wanneer het brandstofffilterelement wordt vervangen.

Onderhoud

LUCHTFILTER
KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 1

  1. Neem de bevestigingsclips los om het luchtfilterdeksel te verwijderen.

KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 2

  1. Vervang het luchtfilter.
  2. Bevestig het deksel met de bevestigingsclips.

G160100AUN

Filter vervangen

Dit moet volgens het voorgeschreven interval vervangen worden en mag niet gereinigd en hergebruikt worden.

RUITENWISSERBLADEN

Vervang het filter overeenkomstig het onderhoudsschema.

Vervang het element vaker dan in het onderhoudsschema is aangegeven als de auto wordt gebruikt in gebieden met zeer veel stof of zand. (Raadpleeg "Onderhoudsschema bij gebruik onder zware omstandigheden" in dit hoofdstuk.)

! OPMERKING

  • Rijd niet met de auto wanneer het luchtfilter verwijderd is; hierdoor kan de motor overmatig slijten.
  • Zorg er om schade aan de motor te voorkomen voor dat bij het verwijderen van het luchtfilter geen stof en vuil in de luchtinlaat komt.
  • Gebruik een origineel KIA onderdeel. Door het gebruik van niet-originele KIA-onderdelen kan de luchtmassameter of turbocompressor beschadigd raken.

长安大通 1JBA5122

G180100AUN

Controle bladen

*AANWIJZING

In de handel verkrijgbare hot wax zoals gebruikt in wasstraten bemoellijkt het reinigen van de voorruit.

Verontreiniging van de voorruit of de ruitenwisserbladen door bepaalde substanties kan het effect van de ruitenwissers verminderen. Bekende vormen van verontreiniging zijn insecten, sap van bomen en hot wax-behandelingen gebruikt in sommige wasstraten. Indien de bladen niet goed wissen, reinig dan zowel de ruit als de bladen met een goed schoonmaakmiddel of een zacht reinigingsmiddel en spoel grondig na met schoon water.

OPMERKING

Gebruik geen benzine, petroleum, thinner of andere oplosmiddelen in de buurt van de ruitenwisserbladen om beschadiging te voorkomen.

Onderhoud

G180200AUN

Vervangen van bladen

Als de ruitenwissers de ruit niet langer goed schoonmaken, kan het zijn dat ze versleten of gescheurd zijn en dienen ze te worden vervangen.

! OPMERKING

Probeer de ruitenwissers nooit met de hand te bewegen om beschadiging van de ruitenwisserarmen en van andere onderdelen te voorkomen.

! OPMERKING

Het gebruik van niet- voorgeschreven ruitenwisserbladen kan storingen en problemen veroorzaken.

KIA Soul (2008) - ! OPMERKING - 1

  1. Trek de ruitenwisserarm omhoog en klap het ruitenwisserblad om zodat de kunststof vergrendeling zichtbaar wordt.

! OPMERKING

Laat de ruitenwisserarm niet tegen de voorruit klappen. Anders kan de voorruit barsten of breken.

1JBA7037 1JBA7038

  1. Druk de vergrendeling in en schuif het wisserblad omlaag.
  2. Verwijder het wisserblad van de ruitenwisserarm.
  3. Plaats het ruitenwisserblad in de omgekeerde volgorde van het verwijderen.

Onderhoud

KIA Soul (2008) - ! OPMERKING - 2

Vervangen van het achterruitenwisserblad (indien van toepassing)

  1. Trek de ruitenwisserarm omhoogen verwijder het ruitenwisserblad.

KIA Soul (2008) - ! OPMERKING - 3

  1. Plaats het nieuweruitenwisserblad door het middelste deel in de opening van de ruitenwisserarm te steken tot het ruitenwisserblad vastklikt.

  2. Controleer of het ruitenwisserblad goed vastzit door er lichtjes aan te trekken.

  3. Zet de ruitenwisserarm in de juiste positie terug.

BATTERY

KIA Soul (2008) - BATTERY - 1

Voor een optimale werking van de accu

• Zorg ervoor dat de accu altijd goed vastzit.
- Houd de bovenzijde van de accu schoon en droog.
- Houd de accupolen en de accupoolklemmen schoon, zorg ervoor dat ze goed vastzitten en bescherm ze met vaseline.
- Spoel gemorst elektrolyt direct af met een oplossing van water en natriumbicarbonaat (dubbel koolzure soda).
- Neem de accukabels los als u de auto gedurende een langere periode niet gaat gebruiken.

WAARSCHUWING -

Gevaren accu

KIA Soul (2008) - Gevaren accu - 1

Lees de volgende aanwijzingen voor het omgaan met de accu zorgvuldig door.

KIA Soul (2008) - Gevaren accu - 2

Houd brandende sigaretten, vonken en open vuur uit de buurt van de accu.

KIA Soul (2008) - Gevaren accu - 3

Er bevindt zich altijd wat van het zeer licht ontviambare waterstof in de accucellen. Dit kan ontploffen.

KIA Soul (2008) - Gevaren accu - 4

Houd accu's buiten bereik van kinderen, aangezien accu's het zeer agressieve zwavelzuur bevatten. Laat accuzuur niet in contact komen met uw huid, uw ogen, kleding en de lak van de auto.

(Vervolg)

(Vervolg)

KIA Soul (2008) - (Vervolg) - 1

Spoel uw ogen gedurende ten minste 15 minuten en roep onmiddellijk medische hulp in wanneer u elektrolyt in uw ogen krijgt.

Was uw huid grondig wanneer deze in aanraking komt met elektrolyt. Roep onmiddellijk medische hulp in wanneer u pijn of een brandend gevoel heeft.

KIA Soul (2008) - (Vervolg) - 2

Draag een veiligheidsbril tijdens het opladen van en het werken in de buurt van accu's. Zorg altijd voor ventilatie wanneer in een afgesloten ruimte wordt gewerkt.

KIA Soul (2008) - (Vervolg) - 3

Zorg ervoor dat de accu volgens de wettelijke voorschriften wordt afgevoerd. (indien van toepassing)

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Bij het optillen van een accu met een kunststof behuizing kan door de druk accuzuur naar buiten komen, waardoor persoonlijk letsel optreedt. Houd bij het optillen uw handen aan de zijkant van de accu.
  • Laad nooit een accu bij terwijl de accukabels nog aangesloten zijn.
  • Het ontstekingssysteem werkt met hoogspanning. Raak de onderdelen van de ontsteking niet aan als de motor draait of het contact in stand ON staat.

Het niet in acht nemen van bovenstaande waarschuwingen kan leiden tot ernstig letsel.

G190200AUN

Accu: laden van

Uw auto is uitgerust met een onderhoudsvrije accu.

  • Laad de accu gedurende 10 uur met behulp van een druppellader wanneer de accu in een kort tijd leeggeraakt is (doordat bijv. lampen of interieurverlichting zijn blijven branden terwiil de motor uit was).

- Wanneer de accu geleidelijk ontladt door een hoge elektrische belasting tijdens het rijden, moet deze gedurende 2 uur met een stroomsterkte van 20 - 30 A opgeladen worden.

KIA Soul (2008) - Accu: laden van - 1

WAARSCHUWING -

Laden van de accu

Neem bij het laden van de accu de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:

  • De accu moet uit de auto worden verwijderd en in een goed geventileerde ruimte geplaatst worden.

- Houd sigaretten, vonken en open vuur uit de buurt van de accu.

- Houd de accu tijdens het laden in de gaten; beëindig het laden of wijzig de laadstroom wanneer het elektrolyt in de cellen begint te borrelen of de temperatuur van het elektrolyt hoger dan 49°C (120°F) wordt.

- Draag een veiligheidsbril wanneer u de accu tijdens het opladen controleert.

- Neem de acculader in de onderstaande volgorde los.

  1. Zet de hoofdschakelaar van de acculader uit.

  2. Neem de klem los van de minpool.

  3. Neem de klem los van de pluspool.

WAARSCHUWING

  • Schakel vóór het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan de accu of het laden van de accu alle elektrische verbruikers uit en zet de motor af.
  • Neem de minkabel van de accu altijd eerst los en sluit de minkabel van de accu altijd als laatste weer aan.

G190300AUN-SA

Te resetten onderdelen

Te resetten onderdelen nadat de accu is ontladen of na het weer aansluiten van de accukabels.

  • Auto down-schakelaar elektrisch bedienbare ruit (zie hoofdstuk 4)
    • Schuif-/kanteldak (zie hoofdstuk 4)
  • Verwarmings- en ventilatiesysteem (zie hoofdstuk 4)
    • Klok (zie hoofdstuk 4)
    • Audio (zie hoofdstuk 4)

BANDEN EN WIELEN

G200100AUN

Onderhoud van de banden

Voor uw veiligheid, een maximale levensduur van de banden en een zo laag mogelijk brandstofverbruik, dient u de banden steeds op de aanbevolen spanning te houden en dient u het totaalgewicht en de maximale asbelasting niet te overschrijden.

G200200AUN

Aanbevolen bandenspanning

koud

De spanning van de banden (inclusief het reservewiel) dient dagelijks bij koude banden gecontroleerd te worden. 'Koude banden' wil zeggen dat er de laatste drie uur niet met de auto is gereden of niet meer dan 1,6 km (1 mill).

Voor optimale rijeigenschappen, een optimale wegligging en een zo laag mogelijke bandenslijtage dient u de banden op de aanbevolen spanning te houden.

Zie "Banden en velgen" in hoofdstuk 8 voor de aanbevolen bandenspanning.

KIA Soul (2008) - koud - 1

U kunt alle specificaties (afmetingen en spanningen) terugvinden op een label dat op de auto is bevestigd.

KIA Soul (2008) - koud - 2

WAARSCHUWING

Te lage bandenspanning

Een te lage bandenspanning (meer dan 0,7 bar lager) kan leiden tot enorme warmteontwikkeling. Hierdoor is het mogelijk dat een band lek raakt, dat het profiel vervormt of dat andere bandafwijkingen optreden, waardoor u de controle over de auto kunt verliezen en ernstig letsel oploopt. Het is risico is veel groter bij hoge buitentemperaturen en lange tijd rijden met hoge snelheden.

OPMERKING

  • Een te lage bandenspanning resulteert ook in overmatige slijtage, slechte rijeigenschappen en een verhoogd brandstofverbruik. Vervorming van de band is ook mogelijk. Houd de banden op de juiste spanning. Laat een band controleren door een officiële KIA-dealer wanneer er regelmatig lucht bij moet.
  • Een te hoge bandenspanning heeft een negatieve invloed op het rijcomfort en zorgt voor een verhoogde slijtage in het midden van het loopvlak. Bovendien bestaat er een grotere kans op beschadiging door oneffenheden in het wegdek.

OPMERKING

  • Wanneer banden warm zijn, zal de bandenspanning normaalgesproken 0,3 tot 0,4 bar hoger zijn dan wanneer ze koud zijn. Laat om de banden op de juiste spanning te brengen geen lucht ontsnappen uit warme banden. Hierdoor zal de bandenspanning te laag worden.
  • Vergeet niet de ventieldopjes terug te plaatsen. Zonder het ventieldopje kan er vuil en vocht in het ventiel komen, waardoor lucht kan ontsnappen. Zorg bij verlies van een ventieldopje zo snel mogelijk voor een nieuw exemplaar.

Een te hoge of een te lage bandenspanning reduceert de levensduur van de banden, beïnvloedt de rijeigenschappen van de auto in negatieve zin en kan tot onverwachte bandproblemen leiden. Hierdoor bestaat de kans dat u de macht over de auto verliest en letsel oploopt.

APRDERKING - Bandenspanning

Let altijd op het volgende:

  • Controleer bandenspanning bij koude banden. (Nadat er de laatste drie uur niet met de auto is gereden of niet meer dan 1,6 km.)
  • Controleer ook altijd de spanning van het reservewiel.
  • Overschrijd het laadvermogen van de auto niet. Plaats niet te veel bagage op het roof rack als uw auto hiermee is uitgerust.
  • Versleten, oude banden kunnen ongelukken veroorzaken. Vervang een band als het profiel erg versleten is of als de band beschadigd is.

G200300AUN

Controleren bandenspanning

Controleer de bandenspanning minstens eenmaal per maand.

Controlee ook de spanning van het reservewiel.

G200301AUN

Gebruik een goed kwaliteit meter om de bandenspanning te meten. Het is onmogelijk de bandenspanning te beoordelen door alleen naar de banden te kijken. Radiaalbanden lijken ook op de juiste spanning te zijn als de bandenspanning te laag is.

Controleer de bandenspanning bij koude banden. - "Koude" banden wil zeggen dat er de laatste drie uur niet met de auto is gereden of niet meer dan 1,6 km.

Verwijder de ventieldop. Druk de bandenspanningsmeter stevig op het ventiel om de spanning te meten. Als de bandenspanning overeenkomt met de aanbevolen druk op de band en het informatielabel, hoeft hij niet te worden aangepast. Corrigeer de bandenspanning tot het aanbevolen niveau als de spanning te laag is.

Druk als de bandenspanning te hoog is het metalen pennetje in het midden van het ventiel in om lucht uit de band te laten lopen. Controleer de bandenspanning opnieuw met de bandenspanningsmeter. Plaats de ventieldopjes altijd terug op de ventielen. Ze zorgen ervoor dat er geen vuil of vocht in de ventielen terechtkomt waardoor er lekken kunnen ontstaan.

WAARSCHUWING

- Controleer bandenspanning regelmatig. Controleer de banden daarnaast op slijtage en beschadigingen. Gebruik altijd een bandenspanningsmeter.

- Banden met een te hoge of een te lage spanning hebben een negatieve invloed op het rijgedrag en kunnen ervoor zorgen dat u de macht over de auto verliest, waardoor een aanrijding met (ernstig) letsel het gevolg kan zijn. De aanbevolen bandenspanning staat in dit instructieboekje en op het bandenspanningslabel op de middenstijl aan bestuurderszijde.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Versleten banden kunnen ongelukken veroorzaken. Vervang banden die (ongelijkmatig) versleten of beschadigd zijn.

- Controleer bandenspanning van het reservewiel. Het wordt aanbevolen om bij het controleren van de bandenspanning ook die van het reservewiel te controleren.

G200400AUN

Wielen verwisselen

Om de banden zo gelijkmatig mogelijk te laten slijten wordt aangeraden de wielen iedere 12.000 km (7.500 mijl) of eerder, indien het slijtagepatroon daartoe aanleiding geeft, te verwisselen.

Controleer bij het verwisselen van de wielen tevens de balans.

Controleer de banden bij het verwisselen van de wielen op ongelijkmatige slijtage en beschadigingen. Abnormale slijtage wordt meestal veroorzaakt door een onjuiste bandenspanning, een onjuiste wieluitlijning, onbalans, veelvuldig hard remmen en snelle bochten. Controleer het profiel en de zijkant van de band op zwellingen. Vervang de band wanneer u deze aantreft. Vervang de band als het canvas of de koordlagen zichtbaar zijn. Breng na het verwisselen van de wielen de banden op de juiste spanning en controleer of de wielmoeren vastzitten.

Zie "Banden en velgen" in hoofdstuk 8.

Zonder reservewiel

KIA Soul (2008) - Wielen verwisselen - 1

S2BLA790A

Banden met een specifieke draarichting (indien van toepassing)

KIA Soul (2008) - Wielen verwisselen - 2

CBGQ0707A

Controleer bij het verwisselen van de wielen tevens de remblokken op slijtage.

*AANWIJZING

Verwissel radiaalbanden met een asymmetrisch profiel alleen van voren naar achteren en niet van links naar rechts.

WAARSCHUWING

  • Gebruik het reservewiel niet voor het roteren van de wielen
  • Gebruik nooit diagonaal- en radiaalbanden door elkaar. Anders kan de auto moeilijker onder controle te houden zijn, wat kan leiden tot ernstig letsel of schade aan de auto.

G200500AUN

Uitlijnen en balanceren van de wielen

De wielen van uw auto zijn af fabriek zorgvuldig uitgelijnd en gebalanceerd voor een lange levensduur van de banden en optimale prestaties.

Normaalgesproken is het niet nodig de wielen nogmaals uit te lijnen. In het geval de banden van uw auto echter abnormale slijtage vertonen of als de auto naar een kant trekt, kan het zijn dat de auto opnieuw moet worden uitgelijnd.

Wanneer de auto tijdens het rijden op een vlakke weg trilt, kan het zijn dat de wielen opnieuw moeten worden gebalanceerd.

! OPMERKING

De verkeerde balanceergewichtjes kunnen de lichtmetalen velgen van uw auto beschadigen.

Gebruik alleen goedgekeurde balanceergewichtjes.

Slijtage-indicator 1LDA5026

G200600BUN

Banden vervangen

Als de band gelijkmatig afgesleten is verschijnt de slijtage-indicator als een onderbroken lijn door het loopvlak. Dit geeft aan dat er minder dan 1,6 mm (1/16 inch) profieldikte op de band aanwezig is. Vervang in dat geval de band.

Wacht niet met het vervangen van de band totdat de slijtage-indicator over de gehele profielbreedte zichtbaar is.

WAARSCHUWING

Om de kans op ernstig letsel bij een ongeluk door beschadigde banden of verlies van de controle over de auto te beperken:

  • Vervang banden (ongelijkmatig) versleten of beschadigd zijn. Versleten banden kunnen een verminderde remwerking, verlies van de controle over de auto en verminderde tractie veroorzaken.
  • Rijd niet in een auto met een te lage of te hoge bandenspanning. Dit kan ongelijkmatige slijtage of beschadigde banden veroorzaken.
  • Gebruik bij het vervangen van banden nooit radiaalbanden en diagonaalbanden door elkaar. Vervang alle banden (ook het reservewiel) als u van radiaalbanden naar diagonaalbanden overstapt.

(Vervolg)

die

(Vervolg)

  • Het gebruik van een andere dan de voorgeschreven bandenmaat heeft een negatieve invloed op het rijgedrag en kan er voor zorgen dat u de controle over de auto verliest, waardoor een ernstig ongeval kan ontstaan.
  • Wielen die niet aan de specificaties van KIA voldoen, passen mogelijk niet goed, wat schade aan de auto, een negatieve invloed op het rijgedrag of verlies van de controle over de auto tot gevolg kan hebben.
  • Het ABS vergelijkt de snelheid van de wielen. De bandenmaat heeft invloed op de snelheid van de wielen. Zorg er bij het vervangen van de banden voor dat ze dezelfde maat hebben als de originele banden. Wanneer banden van een ander formaat worden gebruikt, werken het ABS (antiblokkeersysteem) en het ESP (voertulgstabiliteltsregeling) mogelijk niet goed meer. (indien van toepassing)

G200601AUN

Band compact reservewiel vervangen (indien van toepassing)

De levensduur van de band van een compact reservewiel is korter dan die van een conventionele band. Vervang de band van het compacte reservewiel als de slijtage-indicatoren zichtbaar zijn. De nieuwe band voor het compacte reservewiel moet dezelfde maat hebben en van hetzelfde type zijn als de oorspronkelijke band, en dient op de velg van het originele compacte reservewiel te worden geplaatst. De band voor het compacte reservewiel is niet ontworpen voor normale velgen, en de velg van het compacte reservewiel is niet ontworpen voor normale banden.

G200700BUN

Velgen vervangen

Als u om de een of andere reden de velgen wilt vervangen, dient u erop te letten dat de nieuwe velgen gelijkwaardig zijn aan de originele velgen voor wat betreft diameter, velgbreedte en offset (wielbolling).

KIA Soul (2008) - Velgen vervangen - 1

WAARSCHUWING

Een velg van de verkeerde maat heeft een negatieve invloed op de levensduur van de velg en van het wiellager, de remweg, de rijeigenschappen, de grondspeling, de ruimte tussen de band en de carrosserie, de ruimte bij het gebruik van sneeuwkettingen, de kalibratie van de snelheidsmeter of kilometerteller, de koplampafstelling en de bumperhoogte.

G200800AUN

Grip

De grip van de banden kan verslechteren als de banden versleten zijn of niet op de juiste spanning zijn, of als u op een glad wegdek rijdt. Banden moeten worden vervangen als de slijtage-indicatoren zichtbaar zijn. Pas uw snelheid aan als er regen, sneeuw of ijzel op de weg ligt om de kans te verkleinen dat u de controle over de auto verliest.

G200900ASA

Onderhoud van banden

Naast een juiste bandenspanning, draagt een juiste wieluitlijning bij tot het beperken van de bandenslijtage. Laat uw dealer de wieluitlijning controleren als een band ongelijkmatig afgesleten is.

Zorg ervoor dat nieuwe wielen uitgebalanceerd zijn. Dit komt het rijcomfort en de levensduur van de banden ten goede. Balanceer een wiel ook altijd wanneer de band van de velg verwijderd is geweest.

Onderhoud

TIDE OF TIRE 1 2 3 4 5,6 7 I030B04JM

G201000AUN

Label op de wang van de band

Deze informatie bestaat uit de basiseigenschappen van de band en het identificatienummer voor veiligheidscertificatie. Het identificatienummer kan worden gebruikt om de band te identificeren bij een terugroepactie.

G201001AUN

  1. Fabrikant of merknaam

Fabrikant of merknaam wordt aangegeven.

G201002AUN-C1

  1. Aanduiding bandenmaat

De bandenmaat staat aangegeven op de wang van de banden. Deze informatie zal nodig zijn bij de aanschaf van nieuwe banden voor uw auto. De letters en cijfers in de aanduiding van de bandenmaat hebben de volgende betekenis.

Voorbeeld aanduiding bandenmaat: (Deze maat dient slechts ter illustratie; de bandenmaat van uw auto is afhankelijk van de uitvoering.)

P205/55R16 89H

P - Geschikt soort voertuig (banden gemerkt met het voorvoegsel "P" zijn bestemd voor gebruik op personenauto's en bestelwagens; echter niet alle banden maken gebruik van deze markering).

205 - Breedte band in millimeter.

55 - Hoogte-/breedteverhouding. De hoogte van de wang van de band als percentage van de breedte.

R - Type band (radiaalband).

16 - Velgdiameter in inch.

89 - Index draagvermogen, een numerieke code die het maximale draagvermogen van de banden aangeeft.

H - Snelheidsclassificatie. Zie het overzicht in dit hoofdstuk voor meer informatie.

Aanduiding velgmaat

Ook velgen zijn voorzien van informatie die van belang kan zijn bij eventuele vervanging. De letters en cijfers in de aanduiding van de velgmaat hebben de volgende betekenis.

Voorbeeld aanduiding velgmaat:

6.5JX16

6.5 - Velgbreedte in inch.

J - Aanduiding offset.

16 - Velgdiameter in inch.

Snelheidsclassificatie banden

In het onderstaande overzicht staan de meest gebruikte snelheidsclassificaties voor autobanden weergegeven. De aanduiding van de snelheidsclassificatie maakt deel uit van de aanduiding van de bandenmaat op de wang van de band. Deze aanduiding geeft de maximum snelheid weer waarvoor deze band is ontworpen.

AanduidingsnelheidsclassificatieMaximum snelheid
S 180 km/h (112 mph)
T 190 km/h (118 mph)
H 210 km/h (130 mph)
V 240 km/h (149 mph)
ZHoger dan 240 km/h(149 mph)

G201003APA

  1. Controleren van de leeftijd van de banden (TIN: identificatienummer) Banden die ouder zijn dan 6 jaar (af te leiden uit de productiedatum), inclusief de reserveband, moeten worden vervangen, ongeacht het aantal kilometers dat er mee gereden is. U kunt de productiedatum vinden op de zijkant van de band (aan de binnen- of buitenzijde). De productiedatum heeft de vorm van een DOT-nummer (Department Of Transportation), bestaande uit letters en cijfers. De productiedatum kunt u afleiden uit de laatste vier cijfers van de DOT-code.

In het voorste deel van de DOT-code worden de fabriekscode, de bandenmaat en het type profiel aangegeven en in het tweede deel de week en het jaar waarin de band is geproduceerd.

Bijvoorbeeld:

DOT XXXX XXXX 1608 geeft aan dat de band is geproduceerd in week 16 van 2008.

WAARSCHUWING - Leeftijd band

Banden verouderen na verloop van tijd, zelfs wanneer ze niet worden gebruikt.

Het verdient aanbeveling om banden bij normaal gebruik over het algemeen na zes (6) jaar te vervangen, ongeacht de resterende profieldiepte. Warmte ten gevolge van het rijden in een warm klimaat of het regelmatig met zware belading rijden kunnen het verouderingsproces versnellen. Het niet opvolgen van deze waarschuwing kan resulteren in een kapotte band. Hierdoor kunt u de controle verliezen, waardoor een ongeluk met ernstig letsel of schade het gevolg kan zijn.

Onderhoud

G201004AUN

  1. Structuur en materiaal van de band Het aantal lagen rubber van de band. Bandenfabrikanten moeten ook aangeven welke materialen zijn gebruikt in de band, zoals staal, nylon en polyester. De letter "R" betekent radiaalband; de letter "D" betekent diagonaalband; en de letter "B" betekent band met kruislingse koordlagen.

G201005AUN

5. Maximale bandenspanning

Dit getal geeft aan hoe hoog de bandenspanning maximaal mag zijn. Overschrijd deze maximale bandenspanning niet. Zie het informatielabel voor de aanbevolen bandenspanning.

G201006AUN

6. Maximum belasting

Dit getal geeft het maximale gewicht in kilo's en ponden aan die de band kan dragen. Gebruik altijd banden met dezelfde maximale belasting als de banden die vanuit de fabriek zijn geplaatst.

G2001007AEN

7. Universele kwaliteltsgradatie profiel banden

Kwaliteitsgradaties vindt u, indien van toepassing, op de zijkant van de band tussen de schouder van het loopvlak en de maximumbreedte van de wang.

Bijvoorbeeld:

TREADWEAR 200

TRACTION AA

TEMPERATURE A

Slijtage van het profiel

De slijtageclassificatie van het loopvlak is een relatieve classificatie gebaseerd op de mate van slijtage onder gecontroleerde omstandigheden op een officieel erkende testbaan. Voorbeeld: een band met de aanduiding 150 zal 1,5 keer langer meegaan dan een band met de aanduiding 100.

De levensduur van de banden zal in belangrijke mate afhankelijk zijn van de gebruiksomstandigheden. De levensduur kan echter van de norm afwijken door de rijstijl van de bestuurder, onderhoud van de banden, de toestand van de wegen en het klimaat.

De indicator is bij autobanden aangebracht op de wang. Welke banden er standaard of als optie beschikbaar zijn voor uw auto is afhankelijk van de uitvoering.

Grip - AA, A, B en C

Er zijn drie gripclassificaties, van hoog naar laag AA, A, B en C. De gripclassificatie geeft aan in hoeverre de banden op een nat wegdek doorglijden bij het maken van een noodstop, zoals gemeten onder gecontroleerde omstandigheden op een officieel erkende testbaan, zowel op asfalt als op beton. Een band met classificatie C is een band met relatief weinig grip.

WAARSCHUWING

De kwaliteit van de tractie voor deze band is gebaseerd op tractietests waarbij niet onder een hoek wordt geremd. Bij de kwaliteit is geen rekening gehouden met de acceleratie, het nemen van bochten, aquaplaning en maximum tractie.

Temperatuur - A, B en C

Er zijn drie temperatuurclassificaties mogelijk: A (de hoogste), B en C. Deze classificaties geven aan in hoeverre de band hittebestendig is en in welke mate de band warmte afvoert, zoals getest onder gecontroleerde omstandigheden op een testwiel in een officieel erkend laboratorium.

Door aanhoudende hoge temperaturen gaat het materiaal van de banden achteruit, waardoor de banden minder lang meegaan. Bij extreem hoge temperaturen kunnen de banden zelfs plotseling lek gaan. De classificaties B en A geven aan dat het testresultaat van de band in het laboratorium beter is dan het in de wet voorgeschreven minimum.

WAARSCHUWING -

Temperatuur banden

De temperatuurclassificatie van deze band geldt voor een band die de juiste spanning heeft en niet overbelast is. Extreem hoge rijsnelheden, een te lage bandenspanning en/of overbelasting kunnen een concentratie van hitte in de band veroorzaken, wat kan leiden tot een klapband. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen en ernstig letsel oplopen.

ZEKERINGEN

Plat type

KIA Soul (2008) - ZEKERINGEN - 1
Normaal

KIA Soul (2008) - ZEKERINGEN - 2
Dodgebrand

Cartridge type

KIA Soul (2008) - ZEKERINGEN - 3
Normaal

KIA Soul (2008) - ZEKERINGEN - 4
Dourgebrand

Multizekering

KIA Soul (2008) - ZEKERINGEN - 5
Normaal

Het elektrisch systeem van een auto is tegen overbelasting beveiligd door middel van zekeringen.

Deze auto heeft 2 (of 3) zekeringkasten, één in het zijpaneel aan bestuurderszijde en de andere in de motorruimte vlak bij de accu.

Controleer de zekering van het desbetreffende circuit wanneer een bepaalde verlichting, accessoire of bedieningsorgaan niet werkt. Als een zekering is doorgebrand, is het element in de zekering gesmolten.

Controleer de zekeringkast aan bestuurderszijde wanneer het elektrisch systeem niet werkt.

Vervang een zekering altijd door een zekering met dezelfde stroomsterkte.

Als de vervangende zekering ook doorbrandt, duidt dit op een elektrische storing. Probeer het betreffende systeem niet te gebruiken en neem onmiddellijk contact op met een officiële KIA-dealer.

Er worden drie soorten zekeringen gebruikt: een plat type voor lagere stroomsterkte, een cartridge type en een multizekering voor hogere stroomsterktes.

KIA Soul (2008) - ZEKERINGEN - 6

WAARSCHUWING -

Zekering vervangen

  • Vervang een zekering alleen door een zekering met dezelfde stroomsterkte.
  • Een zekering met een hogere capaciteit kan schade en mogelijk brand veroorzaken.
  • Vervang een zekering nooit door iets anders - ook niet als noodreparatie. Hierdoor kan het elektrische circuit overbelast worden, waardoor brand kan ontstaan.

! OPMERKING

Verwijder een zekering niet met een schroevendraaler of een ander metalen voorwerp omdat hierdoor kortsluiting kan ontstaan, waardoor schade aan het elektrisch systeem kan worden veroorzaakt.

KIA Soul (2008) - ! OPMERKING - 1

Vervangen zekering zijpaneel

  1. Zet het contact in stand LOCK en alle andere schakelaars uit.
  2. Open het deksel van de zekeringkast.

KIA Soul (2008) - Vervangen zekering zijpaneel - 1

  1. Verwijder de verdachte zekering. Gebruik het demontagegereedschap dat zich op het deksel van de zekeringenkast bevindt.
  2. Controleer de verwijderde zekering; vervangen indien deze is doorgebrand.
  3. Plaats een nieuwe zekering met dezelfde stroomsterkte en controleer of de zekering goed vastzit.

Neem contact op met een officiële KIA-dealer als de zekering niet goed vastzit.

Als u geen reservezekering hebt, kunt u de zekering van een ander circuit gebruiken dat niet nodig is om te kunnen rijden, bijvoorbeeld van de aansteker, mits de zekering dezelfde stroomsterkte heeft.

Controleer de zekeringkast in de motorruimte wanneer de koplampen of andere elektrische componenten niet werken. Vervang een doorgebrande zekering.

Onderhoud

KIA Soul (2008) - Onderhoud - 1

Uw auto is uitgerust met een backup- zekering, waarmee u kunt voorkomen dat de accu leeg raakt, wanneer de auto gedurende langere tijd niet wordt gebruikt. Bereid de auto op de volgende manier voor wanneer deze voor langere tijd niet gebruikt wordt.

  1. Zet de motor uit.
  2. Schakel de verlichting uit.
  3. Open het zijpaneel aan bestuurderszijde en trek de backupzekering omhoog.

*AANWIJZING

  • Als de backup-zekering omhoog is gezet, werken de waarschuwingszoemer, het audiosysteem, de klok, de interleunverlichting enz. niet meer. Sommlge systemen zullen na het opnieuw inschakelen gereset moeten worden. Zie "Accu" in dit hoofdstuk.
  • Zelfs als de backup-zekering omhoog is gezet, kan de accu ontladen worden door brandende verlichting of de werking van andere elektrische systemen.

KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 1

Vervangen zekering motorruimte

  1. Zet het contact in stand LOCK en alle andere schakelaars uit.
  2. Verwijder het deksel van de zekeringkast door de lippen in te drukken en het deksel omhoog te trekken.

  3. Controleer de verwijderde zekering. Vervang deze indien doorgebrand. Gebruik de zekeringtrekker in het onderpaneel aan de bestuurderszijde om de zekering te verwijderen of te plaatsen.

  4. Plaats een nieuwe zekering met dezelfde stroomsterkte en controleer of de zekering goed vastzit. Neem contact op met een officiële KIA-dealer als de zekering niet goed vastzit.

OPMERKING

Plaats het deksel op de juiste manier nadat de zekeringkast in de motorruimte gecontroleerd is. Wanneer dit niet het geval is, kunnen elektrische storingen ten gevolge van binnendringend vocht optreden.

KIA Soul (2008) - OPMERKING - 1

Vervang de doorgebrande hoofdzekering als volgt:

  1. Neem de minpool los van de accu.
  2. Verwijder de moeren die in de bovenstaande afbeelding worden aangegeven.
  3. Vervang de zekering door een nieuwe met dezelfde stroomsterkte.
  4. Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde van verwijderen.

*AANWIJZING

Neem contact op met een officiële KIA-dealer als de hoofdzekering is doorgebrand.

G210300AUN-EE

Zekering-/relaiskast

Aan de binnenzijde van de deksels vindt u een label met daarop de naam van de zekeringen en relais en de capaciteit.

Zekeringkast zijpancel bestuurder
KIA Soul (2008) - Zekering-/relaiskast - 1

Mogelijk zijn niet alle beschrijvingen van de zekeringkast van toepassing op uw auto. Deze golden ten tijde van het ter perse gaan. Raadpleeg het label in de zekeringkast als u de zekeringkast controleert.

Alcen delselmotor

Zekeringkast zijpaneel bestuurder

OmschrljvingStroomsterkte zekeringBevelligd onderdeel
P/WDW LH 25AHoofdschakelaar ruitbediening, schakelaar ruitbediening links achter
P/WDW RH25AHoofdschakelaar ruitbediening, schakelaar ruitbediening passagierszijde, schakelaar ruitbediening rechts achter
FOLD'G 10ADiagnosestekker, motor elektrisch verstelbare buitenspiegel
HAZARD 15ARelais alarmknipperlichten, schakelaar alarmknipperlichten
TAIL LH 10AAchterlichtunit links achter, koplamp links, kentekenplaatverlichting
TAIL RH 10AAchterlichtunit rechts achter, koplamp rechts, relais motorvoertulgverlichting, dimmer, schakelaar koplampverstelling, AUX- en USB-aansluiting, schakelaar alarmknipperlichten, instrumentenpaneel (verlichting), schakelaar interieurverlichting, hoofdschakelaar ruitbediening, audiosysteem, ESP-schakelaar, schakelaar stoelverwarming bestuurder/passagier, overdrive-schakelaar, module klimaatregeling, multifunctionele schakelaar (Remocon)
IGN 2 10AElektronische module, schakelaar koplampverstelling, servo koplampverstelling links/rechts, elektrochromatische binnenspiegel, module schuif-/kanteldak
RR WIPER 15ARelais ruitenwisser achter, motor ruitenwisser achter, multifunctionele schakelaar (ruitenwisser)
S/HTD 20ASchakelaar stoelverwarming bestuurder/passagier
F/WPR 25AZekering en relaiskast E/R (relais ruitenwisser voor), motor ruitenwisser voor, multifunctionele schakelaar (ruitenwisser)
AMP25A Versterker
S/ROOF20A Module schuif-/kanteidak
F/FOG 15ARelais mistlampen voor
T/GATE 15ARelais achterklep
R/FOG 10ARelais mistlampen achter
A/CON 10AModule klimaatregeling, zekerling en relaiskast E/R (koplamprelais (grootlicht), aanjagerrelais, relais verwarming brandstofffilter (diesel))
H/LP10A Zekerling en relaiskast E/R (koplamprelais (dimlicht))
ACC10AAudiosysteem, schakelaar interieurverlichting, motor elektrisch verstelbare buitenspiegel
ACC SOCKET15A Aansteker, 12V-aansluiting vóór

Onderhoud

OmschrijvingStroomsterkte zekeringBeveiligd onderdeel
HTD MIRR 10AMotor ECU/PCM (benzine), motor elektrisch verstelbare buitenspiegel bestuurderszijde/passagierszijde, module klimaatregeling
DR LOCK 20A Relais portiervergrendeling, relals portierontgrendeling, relals supervergrendeling
STOP 15A Relais remlicht, relaiskast en zekering E/R (multifunctionele servicestekker)
TCU 10A TCM (diesel), snelheidssensor (MT), pulsgenerator A, pulsgenerator B, overdrive-schakelaar
ABS 10AABS-module, ESP-module, ESP-schakelaar, stuurhoeksensorModule klimaatregeling, zoemer parkeerhulp, EPS-module, module controlesysteem bandenspanning, relaiskast en zekering E/R (multifunctionele schakelaar)
IGN 1 10A
POWER CONNECTORAUDIO 15A Audiosysteem
ROOM 10AElektronische module, instrumentenpaneel (controlelampje), module klimaatregeling, module controlesysteem bandenspanning, waarschuwingsschakelaar portier, dakconsole (leeslampje), middelste interieurverlichting, verlichting bagageruimte
RR P/OUTLET 15A 12V-aansluiting achter
A/BAG 15A Airbagmodule
IGN COIL 15A Condensor, bobine #1 ~ #4
T/SIG 10A Schakelaar alarmknipperlichten
CLUSTER 10A BCM, Instrumentenpaneel (controlelampje), module klimaatregeling
ECU 10A Motor-ECU, PCM, luchtmassasensor (diesel), waarschuwingsschakelaar brandstofffilter (diesel)
START 10A Zekering en relaiskast E/R (startrelais), motor-ECU (diesel)
B/UP LP10ASchakelaar achteruitrijlicht (MT), transmisslestandschakelaar (AT)
A/BAG IND10A Instrumentenpaneel (controlelampje airbag)

Zekeringkast motorrulmte

OmschrijvingStroomsterkte zekeringBevelligd onderdeel
BATT 2 50AVerbindingsblok dashboard (relais - achterlicht, zekering - TAIL LH 10A, TAIL RH 10A, S/ROOF 20A, AMP 25A, DR LOCK 20A, STOP 15A, T/GATE 15A. F/FOG 15A, R/FOG 10A, voedingsschakelaar - ROOM 10A, AUDIO 15A)
BATT 1 50AVerbindingsblok dashboard (relais - elektrisch bedienbare ruit, zekering - P/WDW LH 25A, P/WDW RH 25A, FOLD'G 10A, HAZARD 15A)
C/FAN 30ARelais koelventilator (hoog), relais koelventilator (laag)
MAIN 150AGenerator, zekering [ABS 2 40A, ABS 1 40A, RR HTD 40A, BLW 40A, MDPS 80A, A/CON 10A, DSL 150A (diesel)]
ABS 2 40AABS-module, ESP-module
ABS 1 40AABS-module, ESP-module
RR HTD 40AVerbindingsblok dashboard (relais achterruitontwaseming)
BLW 40AAnjagerrelais
MDPS 80AEPS module
DSL 150ADiesel - zekering en relaiskast DSL (GLOW 80A, PTC 1 50A, PTC 2 50A, PTC 3 50A)
IGN 2 40AContactslot, startrelais
ECU A 30AHoofdrelais. ECU B 10A
F/FILTER HTR30A Diesel - Relais verwarming brandstoffilter
F/PUMP 20ABenzine - Brandstofpomprelais
IGN 1 40AContactslot
H/LP HI 20AKoplamprelais (grootlicht)
H/LP LO 20AKoplamprelais (dimlicht)
HORN 10AClaxonrelais
H/LP LO RH10A Koplamprelais rechts
H/LP LO LH10A Koplamprelais links, instrumentenpaneel (controlelampje dimlicht)

Onderhoud

OmschrijvingStroomsterkte zekeringBeveiligd onderdeel
ECU B 10ADiesel - TCMBenzine - Motor-ECU, PCM
ECU 3 10ADiesel - Brandstofdrukregelklep
ECU 2 10ADiesel - Remlichtschakelaar
ECU 1 20ADiesel - Motor-ECUBenzine - Motor-ECU, PCM
INJECTOR 15ADiesel - Zekering en relaiskast DSL (gloeirolais, relais verwarmingselement 1, relais verwarmingselement 2, relais verwarmingselement 3), nokkenassensor, elektrische EGR-servo, VGT-servo, module startblokkeringBenzine - Inspuitventiel #1 ~ #4, servo stationair toerental, module startblokkering, brandstofpomprelais
SENSOR 10ADiesel - Relais airconditioningssysteem, relais koelventilator (hoog/laag), lambdasensor, verwarmingsrelaisBenzine - Relais airconditioningssysteem, relais koelventilator (hoog/laag), nokkenassensor, magneetklepdampafvoer, oliedrukregelklep, lambdasensor omhoog/omlaag, remlichtschakelaar
A/CON 10ARelais airconditioningssysteem

Zekeringkast instrumentenpaneel (alleen dieselmotor)

OmschrijvingStroomsterkte zekeringBeveiligd onderdeel
GLOW 80A Voorgloeirelais, Relais verwarming
PTC 1 50A Relais PTC #1
PTC 2 50A Relais PTC #2
PTC 3 50A Relais PTC #3

GLOEILAMPEN

G220000AUN

WAARSCHUWING

Vervangen van gloeilampen Zet, voordat u lampen gaat vervangen, de parkeerrem stevig vast en controleer of het contact in stand LOCK staat om te voorkomen dat de auto plotseling in beweging komt, dat u zich brandt of dat u een schok krijgt.

Gebruik alleen lampen met de voorgeschreven wattage.

! OPMERKING

Zorg ervoor dat de doorgebrande lamp vervangen wordt door een met dezelfde wattage. Anders kan de zekering of het elektrische bedradingssyteem beschadigd raken.

OPMERKING

Raadpleeg een officiële KIA-dealer wanneer u niet over het juiste gereedschap, de juiste lampen en/of ervaring beschikt. In veel gevallen kan het zelf vervangen van lampen problemen opleveren vanwege het feit dat om bij de lamp te kunnen komen, eerst andere onderdelen verwijderd dienen te worden. Dat is in het bijzonder het geval als u de koplampunit moet verwijderen om bij de gloeilamp(en) te kunnen komen. Het verwijderen en plaatsen van de koplampunit kan leiden tot beschadigingen aan de auto.

*AANWIJZING

Na zware regenval of het wassen van de auto kan het lijken alsof er vocht in de koplampen en achterlichten zit. Dit wordt veroorzaakt door het temperatuurverschil tussen de bimnenzijde en de buitenzijde van het lampglas. Dit is vergelijkbaar met het beslaan van de ruiten bij het rijden onder regenachtige omstandigheden en duidt niet op een probleem met uw auto. Laat in het geval er vocht in het circuit van de verlichting is gekomen de auto controleren door een officiële KIA-dealer.

KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 1

Vervangen van koplampen, parkeerlichten, richtingaanwijzerlampen en mistlampen vóór

(1) Koplamp (grootlicht/dimlicht)
(2) Parkeerlicht
(3) Richtingaanwijzer vóór
(4) Mistlamp vóór (indien van toepassing)

KIA Soul (2008) - *AANWIJZING - 2

- Halogeenlampen bevatten gas onder druk, zodat de halogeenlamp bij het vallen kan ontploffen waardoor kleine glasdeeltjes vrijkomen.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Behandel halogeenlampen altijd voorzichtig om krassen te voorkomen. Voorkom contact met vloeistoffen wanneer de lampen branden. Raak het glas nooit met de vingers aan. Door achtergebleven vet kan de lamp te heet worden en knappen wanneer deze brandt. De lamp mag alleen in gemonteerde toestand worden ingeschakeld.
  • Vervang een beschadigde of gebarsten lamp direct en gooi deze niet zomaar weg.
  • Draag bij het vervangen van een lamp een veiligheidsbril. Laat de lamp alvorens hem te vervangen afkoelen.

Onderhoud

KIA Soul (2008) - Onderhoud - 1

  1. Open de motorkap.

  2. Draai de bevestigingsbouten los en verwijder de lichtunit uit de carrosserie.

  3. Neem de voedingsstekker los van de achterzijde van de koplampunit.

KIA Soul (2008) - Onderhoud - 2

  1. Verwijder de afdekkap van de koplamp door de kap linksom te draaien.
  2. Neem de stekker los van de koplamp.
  3. Maak de klem van de lamp los door het uiteinde in te drukken en dit omhoog te duwen.
  4. Verwijder de lamp uit de koplampunit.

  5. Plaats een nieuwe lamp in de koplampunit en bevestig deze door de klem op zijn plaats te drukken.

  6. Sluit de stekker van de koplamp aan.
  7. Plaats de afdekkap van de koplamp door de kap rechtsom te draaien.
  8. Sluit de voedingsstekker aan op de achterzijde van de koplampunit.
  9. Plaats de lichtunit in de carrosserie.

*AANWIJZING

Neem als koplampverstelling noodzakelijk is na het opnieuw installeren van de koplampunit contact op met een officiële KIA-dealer.

Onderhoud

KIA Soul (2008) - Onderhoud - 1

Richtingaanwijzerlampen vóór/parkeerlicht

  1. Verwijder de fitting uit de lichtunit door deze linksom te draaien tot de nokjes van de fitting in lijn liggen met de uitsparingen van de lichtunit.
  2. Verwijder de lamp uit de fitting door de lamp in te drukken en te draaien tot de nokjes van de lamp in lijn liggen met de uitsparingen van de fitting. Trek de lamp uit de fitting.
  3. Plaats een nieuwe lamp in de fitting en draai de lamp tot hij vastzit.
  4. Plaats de fitting in de lichtunit door de nokjes op de fitting in lijn te brengen met de uitsparingen in de lichtunit. Duw de fitting in de lichtunit en draai de fitting rechtsom.

G220102AKM

Mistlampen vóór

(indien van toepassing)

  1. Verwijder de onderplaat van de voorbumper.
  2. Steek uw hand in de achterzijde van de voorbumper.
  3. Neem de voedingsschakelaar los uit de fitting.
  4. Verwijder de fitting uit het huis door deze linksom te draaien tot de nokjes van de fitting in lijn liggen met de uitsparingen van het huis.
  5. Plaats een nieuwe fitting in het huis door de nokjes van de fitting in lijn te leggen met de uitsparingen van het huis. Duw de fitting in het huis en draai de fitting een kwartslag rechtsom.
  6. Sluit de voedingsschakelaar aan op de fitting.
  7. Plaats de onderplaat weer op de voorbumper.

KIA Soul (2008) - Richtingaanwijzerlampen vóór/parkeerlicht - 1

Lamp richtingaanwijzer opzij vervangen

(indien van toepassing)

  1. Verwijder de lichtunit van de auto door de lens los te wrikken en de lichtunit uit het scherm te trekken.
  2. Neem de stekker los van de lamp.
  3. Neem de lens los van de fitting door de fitting linksom te draaien tot de nokjes in lijn staan met de uitsparingen.
  4. Trek de lamp naar buiten.

  5. Steek een nieuwe lamp in de fitting.

  6. Monteer de fitting en de lens.
  7. Sluit de stekker van de lamp aan.
  8. Plaats de lichtunit in de carrosserie.

KIA Soul (2008) - (indien van toepassing) - 1

(1) Rem-/achterlicht
(2) Achteruitrijlicht
(3) Richtingaanwijzer achter
(4) Mistachterlicht
(indien van toepassing)

KIA Soul (2008) - (indien van toepassing) - 2

  1. Open de achterklep.

  2. Draai de bevestigingsschroeven van de lichtunit los met een kruiskopschroevendraaier.

  3. Verwijder de achterlichtunit uit de carrosserie.

Onderhoud

KIA Soul (2008) - Onderhoud - 1

  1. Verwijder de fitting uit de lichtunit door deze linksom te draaien tot de nokjes van de fitting in lijn liggen met de uitsparingen van de lichtunit.

  2. Verwijder de lamp uit de fitting door de lamp in te drukken en deze een willekeurige kant op te draaien tot de nokjes van de lamp in lijn liggen met de uitsparingen van de fitting. Trek de lamp uit de fitting.

  3. Plaats een nieuwe lamp in de fitting en draai de lamp een willekeurige kant op tot hij vastzit.
  4. Plaats de fitting in de lichtunit door de nokjes op de fitting in lijn te brengen met de uitsparingen in de lichtunit. Duw de fitting in de lichtunit en draai de fitting een kwartslag rechtsom.
  5. Plaats de lichtunit in de carrosserie.

Mistachterlicht

  1. Verwijder de lichtunit van de auto door de schroef los te draaien.
  2. Neem de stekker los van de lamp.
  3. Verwijder de fitting uit de lichtunit door deze linksom te draaien tot de nokjes van de fitting in lijn liggen met de uitsparingen van de lichtunit.
  4. Verwijder de lamp uit de fitting door de lamp in te drukken en deze een willekeurige kant op te draaien tot de nokjes van de lamp in lijn liggen met de uitsparingen van de fitting. Trek de lamp uit de fitting.
  5. Steek een nieuwe lamp in de fitting.
  6. Monteer de fitting en de lens.
  7. Sluit de stekker van de lamp aan.
  8. Plaats de lichtunit in de carrosserie.

KIA Soul (2008) - Mistachterlicht - 1

Gloeilamp derde remlicht vervangen

(indien van toepassing)

  1. Open de achterklep.
  2. Verwijder de afdekkap.
  3. Neem de stekker van de lamp los door op de clip te drukken (1).

KIA Soul (2008) - (indien van toepassing) - 1

  1. Verwijder de lampmodule van het derde remlicht door aan beide clips te trekken.
  2. Trek de lamp eruit en vervang deze.
  3. Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.

KIA Soul (2008) - (indien van toepassing) - 2

Lamp kentekenplaatverlichting vervangen

  1. Verwijder het lampglas door de nokjes in te drukken.
  2. Verwijder de fitting.
  3. Trek de lamp recht naar buiten.
  4. Plaats een nieuwe lamp in de fitting en plaats de fitting op het lampglas.
  5. Plaats het lampglas zorgvuldig.

Onderhoud

Kaartleeslampje (indien van toepassing) Interieurverlichting OAM079037 OAM079038

G220600AUN

Lamp interieurverlichting vervangen

1.Wrik de lens met een platte schroevendraaier voorzichtig los uit het huis van de interieurverlichting.

  1. Trek de lamp naar buiten.

WAARSCHUWING

Controleer, voordat u de lamp gaat vervangen, of toets OFF is ingedrukt om te voorkomen dat u zich brandt of een schok krijgt.

  1. Steek een nieuwe lamp in de fitting.
  2. Breng de lipjes van de lens in lijn m de uitsparingen in het huis van e interieurverlichting en klik de lens va

OPMERKING

Zorg dat de lens, het lipje van de lens en de kunststof behuizing niet vuil worden of beschadigd raken.

ONDERHOUD EXTERIEUR

Exterieur, onderhoud

G230101AUN

Onderhoud exterieur - Algemeen

IHet is van groot belang bij gebruik van chemische reinigingsmiddelen of polish de aanwijzingen op het etiket van het desbetreffende product op te volgen. Lees de waarschuwingen en opmerkingen op het etiket.

G230102BUN

Onderhoud van de lak

Wassen

Was uw auto minimaal eenmaal per maand grondig met lauw of koud water om de lak tegen roest en veroudering te beschermen.

Was, nadat u op een stoffige of modderige weg gereden heeft, de auto zo snel mogelijk. Besteed hierbij de nodige zorg aan het verwijderen van opeengehoopt zout, vuil of modder. Controleer of de afvoeropeningen aan de onderzijde van de portieren en de dorpels open en schoon blijven.

Insecten, teer, sap van bomen, uitwerpselen van vogels, industrieel vuil en dergelijke kunnen de lak van uw auto aantasten als ze niet direct verwijderd worden.

Zelfs bij het direct verwijderen kan blijken dat water alleen niet toereikend is. Gebruik in dat geval een speciale autoshampoo.

Spoel de auto na het wassen grondig af met lauw of koud water. Laat de shampoo niet op de lak opdrogen.

KIA Soul (2008) - Exterieur, onderhoud - 1

OPMERKING

Gebruik geen agressieve reinigingsmiddelen, oplosmiddelen of te heet water en was de auto niet in de volle zon of wanneer de carrosserie warm is.

KIA Soul (2008) - OPMERKING - 1

Test na het wassen de remmen van uw auto bij lage snelheid om te controleren of de remwerking door binnengedrongen water beïnvloed is. Droog de remmen door het rempedaal bij lage snelheid licht in te trappen wanneer de remprestaties verminderd zijn..

KIA Soul (2008) - OPMERKING - 2

  • Water in de motorruimte, inclusief water onder hoge druk, kan storingen veroorzaken in de elektrische circuits.
  • Zorg ervoor dat water en andere vloelstoffen nooit in contact komen met elektrische/elektronische componenten in de auto omdat ze dan beschadigd kunnen raken.

Onderhoud

In de was zetten

Zet de auto in de was wanneer het water niet langer druppels op de lak vormt.

Was en droog de auto altijd eerst voordat u hem in de was zet. Gebruik een goede kwaliteit vaste of vloeibare was en volg de aanwijzingen van de fabrikant. Zet de sierlijsten in de was om deze te beschermen en hun glans te laten behouden.

Het verwijderen van olie, teer en dergelijke stoffen met een vlekkenverwijderaar verwijdert gewoonlijk ook de was van de lak. Zet deze delen daarom na het verwijderen van de verontreiniging opnieuw in de was.

OPMERKING

- Als u stof of vuil met een droge doek wegveegt, komen er krassen op de lak.

- Gebruik geen staalschuurmiddelen of sterkalkalische of bijtende oplosmiddelen op onderdelen die verchroomd zijn of op onderdelen die vervaardigd zijn van geanodiseerd aluminium. Het gebruik van deze middelen kan de beschermlaag aantasten waardoor verkleuring of glansverlies kan optreden.

G230103AUN

Bijwerken van lakbeschadigingen

Repareer diepe krassen en steenslagbeschadigingen in de lak direct. Het blanke metaal gaat snel roesten waardoor ingrijpendere reparatiekosten noodzakelijk worden.

*AANWIJZING

Wanneer uw auto beschadigd is en reparatie of vervanging van metalen delen nodig is, let er dan op dat de garage anti-corrosiemiddel aanbrengt op de gerepareerde of vervangen onderdelen.

G230104AUN

Onderhoud van verchroomde onderdelen

  • Gebruik een teerverwijderaar en geen schraper of ander scherp voorwerp voor het verwijderen van teer of insecten.
  • Breng ter bescherming een waslaag aan op verchroomde onderdelen of bescherm ze met een speciaal conserveringsmiddel.
  • Bescherm de verchroo onderdelen onder winterse omstandigheden of bij gebruik van de auto in kustgebieden met een dikkere laag was of conserveringsmiddel. U kunt eventueel vaseline of een ander beschermingsmiddel gebruiken.

G230105ASA

Onderhoud van de onderzijde

Zand en pekel kunnen zich ophopen aan de onderzijde van de carrosserie. Als deze middelen niet verwijderd worden, kan versnelde roestvorming optreden aan onderdelen aan de onderzijde van de carrosserie zoals brandstofleidingen, subframes, bodemplaat en uitlaatsysteem, ook al zijn deze onderdelen tegen corrosie beschermd.

Spoel daarom de onderzijde van de carrosserie en de wielkuipen eenmaal per maand, na het rijden op stoffige of modderige wegen en aan het eind van de winter grondig schoon met lauw of koud water. Besteed hieraan de nodige zorg; de opeenhopingen zijn niet altijd even gemakkelijk te zien. Als u het vuil alleen maar nat maakt zonder het te verwijderen, is het effect averrechts. Houd ook de alvoeropeningen in portieren en dorpels te allen tijde open. Water dat in portieren en dorpels blijft staan, veroorzaakt roestvorming van binnenuit.

KIA Soul (2008) - G230105ASA - 1

WAARSCHUWING

Test na het wassen de remmen van uw auto bij lage snelheid om te controleren of de remwerking door binnengedrongen water beinvloed is. Droog de remmen door het rempedaal bij lage snelheid licht in te trappen wanneer de remprestaties verminderd zijn.

Onderhoud

G230106AUN

Onderhoud van lichtmetalen velgen

De lichtmetalen velgen zijn voorzien van een beschermende transparante laklaag.

  • Gebruik voor het reinigen van lichtmetalen velgen geen schuur- of polijstmiddelen, oplosmiddelen of een staalborstel. Deze kunnen de laklaag aantasten.
  • Gebruik uitsluitend een zachte zeep of een neutraal oplosmiddel en spoel grondig na met water. Let er ook op de velgen te reinigen nadat u over wegen met pekel gereden heeft. Voorkomen van roestvorming.
  • Vermijd het wassen van de velgen met behulp van de sneldraaiende borstels in de automatische wasserette.
  • Gebruik geen bijtende middelen. Deze kunnen schade en corrosie van de velgen veroorzaken, die zijn voorzien van een beschermende transparante laklaag.

G230107ASA

Bescherming tegen roest

Bescherming van uw auto tegen roest

Met behulp van de meest geavanceerde technologie in ontwerp en constructie om roestvorming tegen te gaan, produceren wij auto's van de hoogste kwaliteit. Dat is echter niet genoeg. Om ervoor te zorgen dat uw auto langdurig tegen roest beschermd is, is uw medewerking noodzakelijk.

Meest voorkomende oorzaken van roest

De meest voorkomende oorzaken van roest aan de auto zijn:

  • Het ophopen van strooizout, vuil en modder onder de auto.
  • Het afspringen van lak beschermende coatings door steentjes, gravel, kleine krasjes of deukjes waardoor onbeschermd metaal komt bloot te staan aan roest.

Roestgevoelige gebieden

Als u in een gebied woont waar uw auto regelmatig wordt blootgesteld aan factoren die roestvorming bevorderen, is bescherming tegen roest uitermate belangrijk. Een aantal veel voorkomende oorzaken van versnelde corrosie zijn strooizout, stofwerende chemicaliën, zeelucht en luchtverontreiniging.

Vocht werkt roest in de hand

Vocht creëert omstandigheden waaronder roestvorming gemakkelijk optreedt. Roestvorming wordt bijvoorbeeld bevorderd door een hoge luchtvochtigheid, met name als de temperatuur net boven het vriespunt ligt. Onder zulke omstandigheden blijven agressieve stoffen in contact met de auto omdat het vocht langzaam verdampt.

Modder is zeer corrosief omdat het langzaam droogt en vocht in contact houdt met de auto. Hoewel de modder droog lijkt te zijn, zit er nog steeds vocht in dat roestvorming bevordert.

Hoge temperaturen versnellen ook het roesten van delen die niet goed geventileerd waardoor het vocht niet wordt afgevoerd. Daarom is het zeer belangrijk uw auto schoon en vrij te houden van modder en andere vuilophopingen. Dit geldt niet alleen voor zichtbare oppervlakken maar met name ook voor de onderkant van de auto.

Voorkomen van roest

U kunt een bijdrage leveren aan het voorkomen van roest door in eerste instantie te letten op het volgende:

Houd uw auto schoon

De beste manier om roest tegen te gaan is uw auto schoon te houden en vrij van agressieve stoffen. Aandacht voor de onderkant van de auto is zeer belangrijk.

- Als u in een gebied woont waar de kans op roestvorming groot is - waar strooizout wordt gebruikt, dicht bij de zee, gebied met luchtverontreiniging, etc.-, dient u extra aandacht te besteden aan het voorkomen van roest. Spuit de onderkant van de auto in de winter ten minste eenmaal per maand schoon en reinig de onderkant aan het einde van de winter grondig.

  • Besteed bij het reinigen van de onderkant extra aandacht aan de delen onder de spatschermen en andere delen die zich uit het zicht bevinden. Reinig de onderkant grondig. Alleen bevochtigen van de modder in plaats van deze te verwijderen zal de vorming van roest juist versnellen in plaats van voorkomen. Hoge waterdruk en stoom zijn zeer effectief voor het verwijderen van opgehoopte modder en andere agressieve stoffen.
  • Zorg er bij het reinigen van portieren en dorpels voor dat de afvoeropeningen openblijven zodat het vocht er altijd uit kan. Anders kan er zich water verzamelen hetgeen roestvorming versnelt.

Houd uw garage vochtvrij

Parkeer uw auto niet in een vochtige, slecht geventilleerde garage. Dit is de perfecte omgeving voor roestvorming. Dit geldt met name als u uw auto in de garage wast of in de garage parkeert als deze nog nat is of bedekt met sneeuw, ijs of modder. Zelfs een verwarmde garage kan roest bevorderen als hij niet goed geventilleerd wordt waardoor het vocht niet goed wordt afgevoerd.

Houd lak en lijsten in goede staat

Krasjes en kleine beschadigingen moeten zo snel mogelijk worden bijgewerkt met een lakstift om de kans op roestvorming te verkleinen. Als het onderliggende metaal zichtbaar is, laat er dan een professioneel schadeherstelbedrijf naar kijken.

Uitwerpselen van vogels: Uitwerpselen van vogels bevorderen roestvorming in hoge mate en beschadigen gelakte oppervlakken in een paar uur. Verwijder uitwerpselen van vogels daarom altijd zo snel mogelijk.

Verwaarloos het interieur niet

Vocht kan zich onder vloermatten en voerbedekking ophopen en daar roest veroorzaken. Controleer dus regelmatig of de vloer onder de matten droog is. Wees vooral voorzichtig met het vervoer van kunstmest, reinigingsmiddelen of chemicaliën.

Vervoer dergelijke stoffen in een geschikte verpakking en reinig de auto bij morsen of lekken direct en laat hem goed drogen.

Onderhoud

G230201AUN

Onderhoud interieur - Algemeen

Voorkom dat bijlende vloeistoffen als parfum en cosmetische oliën in aanraking komen met het dashboard, omdat deze beschadiging of verkleuring kunnen veroorzaken. Indien deze stoffen toch met het dashboard in aanraking komen, moeten ze direct worden verwijderd. Raadpleeg de instructies voor het reinigen van kunststof.

OPMERKING

Zorg ervoor dat water en andere vloeistoffen nooit in contact komen met elektrische/elektronische componenten in de auto omdat ze dan beschadigd kunnen raken.

G230202AUN

Interieurbekleding reinigen

Kunststof

Verwijder stof en los vuil van de kunststof bekleding met een plumeau of een stofzuiger. Reinig de kunststof oppervlakken met een vinylreiniger.

Stoffen

Verwijder stof en los vuil van de stoffen bekleding met een plumeau of een stofzuiger. Reinig met een zachte zeepoplossing die geschikt is voor bekleding of vloerbedekking. Verwijder nieuwe vlekken onmiddellijk met een vlekkenverwijderaar. Wanneer nieuwe vlekken niet direct verwijderd worden, kunnen er permanente vlekken of verkleuringen in de bekleding achterblijven. Daarnaast kunnen de brandwerende eigenschappen verminderen wanneer de bekleding niet op de juiste wijze wordt onderhouden.

! OPMERKING

Het gebruik van andere dan de voorgeschreven reinigingsmiddelen en procedures kan het uiterlijk van de stof aantasten en de brandwerende eigenschappen verminderen.

G230203AUN

Veiligheidsgordels reinigen

Reinig de gordels met een zachte zeepoplossing die speciaal geschikt is voor het reinigen van bekleding en tapijt. Volg de aanwijzingen op het etiket van het reinigingsmiddel. Bleek of verf de gordels nooit omdat dit een negatieve invloed op de sterkte van de gordel kan hebben.

G230204AUN

Binnenzijde ruiten reinigen

Als de ruiten aan de binnenzijde snel beslagen raken (vette aanslag), moeten ze gereinigd worden met een speciale glasreiniger. Volg de aanwijzingen op het etiket van de glasreiniger.

! OPMERKING

Ga niet met scherpe voorwerpen over de binnenzijde van de achterruit. Hierdoor kunnen de draden van de achterruitverwarming beschadigd raken.

EMISSIEREGELSYSTEEM

G270000AUN

Op het emissieregelsysteem van uw auto is een aangepaste garantieregeling van toepassing. Raadpleeg de garantie-informatie in het boekje Garantie & Onderhoud voor meer informatie.

Uw auto is uitgerust met een emissieregelsysteem om aan alle emissienorm te voldoen.

Er zijn drie emissieregelsystemen, namelijk:

(1) Carterventilatiesysteem
(2) Brandstofdampafzuigsysteem
(3) Emissieregelsysteem

Om de goede werking van de emissieregelsystemen te garanderen, is het aan te raden uw auto door een officiële KIA-dealer te laten controleren en onderhouden volgens het onderhoudsschema in dit boekje.

Opmerking bij controle en onderhoud (met ESP)

  • Om overslaan van de motor tijdens het testen op een rollenbank te voorkomen, moet het ESP-systeem worden uitgeschakeld door de ESP-schakelaar in te drukken.
  • Schakel na de rollenbanktest het ESP-systeem weer in door nogmaals op de ESP-schakelaar te drukken.

G270100AUN

1. Carterventilatiesysteem

Het carterventilatiesysteem voorkomt dat lekgassen uit het carter in de atmosfeer terechtkomen. Bij dit systeem wordt schone, gefilterde lucht via de luchtinlaatslang naar het carter gevoerd. In het carter wordt de lucht vermengd met de lekgassen en vervolgens via de PCV-klep naar het luchtinlaatsysteem gevoerd..

G270200AUN-C1

2. Brandstofdampafzuigsysteem

Het brandstofdampafzuigsysteem is ontworpen om te voorkomen dat brandstofdampen in de atmosfeer terechtkomen.

Onderhoud

G270201AUN

Reservoir

De brandstofdampen die vrijkomen in de brandstoftank worden geabsorbeerd en opgeslagen in een reservoir. Als de motor draait worden de opgeslagen brandstofdampen via de magneetklep dampafvoer naar het inlaatsysteem gevoerd.

G270202AUN

Magneetklep dampafvoer (PCSV - Purge Control Solenoid Valve)

De magneetklep dampafvoer wordt aangestuurd door de motor-ECU; als de koelvloelstoftemperatuur laag is bij stationair draaien, is de PCSV gesloten en wordt de verdampte brandstof niet naar de motor toegevoerd. Als de motor op bedrijfstemperatuur is, wordt tijdens normaal rijden de verdampte brandstof via de geopende PCSV naar de motor gevoerd.

G270300AUN

3. Emissieregelsysteem

Het emissieregelsysteem is een uiterst effectief systeem dat de uitstoot van schadelijke stoffen tot een minimum beperkt zonder dat dit ten koste gaat van de prestaties.

G270301AUN

Aanpassingen aan de auto

Er mogen geen aanpassingen aan deze auto worden gedaan. Door aanpassingen kunnen de prestaties, de veiligheid of de levensduur van uw auto beïnvloed worden. Aanpassingen kunnen zelfs in strijd zijn met overheidsbepalingen en milieuvoorschriften.

Daarnaast kunnen schade of problemen met de prestaties als gevolg van aanpassingen mogelijk niet onder de garantie vallen.

G270302AUN

Voorzorgsmaatregelen met betrekking tot uitlaatgassen (koolmonoxide)

- Koolmonoxide kan samen met andere uitlaatgassen aanwezig zijn. Laat het uitlaatsysteem van uw auto direct controleren en indien nodig repareren indien u in het interieur uitlaatgas ruikt. Rijd niet met de auto als u in het interieur uitlaatgassen ruikt, maar als het niet anders kan, rijd dan met alle ruiten volledig geopend. Laat uw auto onmiddellijk controleren en repareren.

KIA Soul (2008) - Voorzorgsmaatregelen met betrekking tot uitlaatgassen (koolmonoxide) - 1

WAARSCHUWING - Uitlaatgas

Ultlaatgassen bevatten onder andere het reukloze en kleurloze gas koolmonoxide (CO) dat bij inademing dodelijk kan zijn. Hoewel het kleurloos en reukloos is, is het gevaarlijk en kan het bij inademing dodelijk zijn. Neem de volgende aanwijzingen in acht ter voorkoming van koolmonoxidevergiftiging.

  • Laat de motor in een afgesloten ruimte (bijvoorbeeld een garage) niet langer draaien dan nodig is om de auto naar binnen of naar buiten te rijden.
  • Stel het ventilatiesysteem zo af dat er verse buitenlucht naar het interieur gevoerd wordt als de auto in een open ruimte stilstaat terwijl de motor wat langer moet blijven draaien.
  • Blijf nooit met draaiende motor gedurende langere tijd in een stilstaande auto zitten.
  • Als de motor afslaat of niet wil aanslaan en er teveel startpogingen ondernomen worden, kan het emissieregelsysteem beschadigd raken.

G270303BUN

Voorzorgsmaatregelen katalysator (indien van toepassing)

WAARSCHUWING - Brand Een heet uitlaatsysteem kan brandbare materialen in brand doen vliegen. Vermijd contact tussen de auto en brandbare materialen zoals gras, planten, papier, bladeren, enz. door niet in de nabijheid daarvan te parkeren of te rijden, of de motor stationair te laten draalen.

Uw auto is uitgerust met een katalysator ten behoeve van de emissieregeling. Daarom moeten de volgende voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen:

- Gebruik bij een benzinemotor uitsluitend LOODVRIJE BENZINE.

- Gebruik de auto niet als de motor duidelijk storingen vertoont, zoals overslaan of vermogensverlies.

  • Doe geen dingen die slecht zijn voor de motor. Voorbeelden hiervan zijn: de auto in de versnelling laten uitrollen terwijl het contact in stand LOCK staat en een helling af rijden met het contact in stand LOCK.
  • Laat de motor niet langdurig (5 minuten of langer) met een hoog stationair toerental draaien.
  • Voer zelf geen aanpassingen of wijzigingen uit aan de motor of het emissieregelsysteem. Alle controles en afstellingen moeten door een erkende KIA-dealer uitgevoerd worden.
  • Voorkom rijden met een extreem laag brandstofniveau. Het leegrijden van de tank kan leiden tot overslaan van de motor en overbelasting van de katalysator.
    Wanneer bovenstaande voorzorgsmaatregelen niet in acht worden genomen, kan schade aan de katalysator en aan uw auto ontstaan. Bovendien kan hierdoor de garantie vervallen.

Afmetingen / 8-2

Wattage gloeilampen / 8-2

Banden en wielen / 8-3

Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden / 8-4

Voertuig-identificatienummer (VIN) / 8-6

Voertuigcertificatlelabel / 8-6

Bandenspanningslabel / 8-7

Motornummer / 8-7

Specificaties & Consumenteninformatie

Specificaties & Consumenteninformatie

AFMETINGEN
I010000BUN-EE-C1

Onderwerp mm (in)
Totale lengte 4105 (161,6)
Totale breedte 1785 (70,3)
Totale hoogte A1 1610 (63,4) / 1660 (65,4) A2
Spoorbreedte vóór1570 (61,8) *1 /1555 (61,2) *2 /1550 (61,0) *3
Spoorbreedte achter1575 (62,0) *1 /1560 (61,4) *2 /1555 (61,2) *3
Wielbasis2550

A1 : met 195/65R15-banden
42 : met roof rack
*3 : met 205/55R16-banden
41 : met 225/45R18-banden

WATTAGE GLOEILAMPEN
1030000AUN-KM-ED

Gloeilamp Wattage
Koplampen (grootlicht/dimlicht) 60/55
Richtingaanwijzers vóór 21
Parkeerlichten 5
Richtingaanwijzers opzij* 5
Mistlampen vóór* 27
Mistachterlicht* 21
Rem-iachterlichten 21/5
Richtingaanwijzers achter 21
Achteruitrijlicht16
Derde remlicht*5
Kentekenplaatverlichting5
Kaartleeslampjes*10
Interieurverlichting10
Bagageruimteverlichting*5

* : Indien van toepassing

BANDEN EN WIELEN
1020000AUN-EE-AM

OnderwerpBandenmaat VelgmaatBandenspanning bar (psi, kPa)Aanhaalmoment wielmoeren kgm (lb.ft, Nm)
Normale belasting*Maximum belasting
Voor Achter VoorAchter
Standaardband195/65R15 6,0J×15 2,3 2,3 25 2,9(33, 230)(36, 250) (42, 290)9~11(65~79, 88~107)
205/55R16 6,5J×16 (33, 230)
Compact reservewiel (indien van toepassing)T125/80D15 4,0T×154,2 4,2(60, 420)4,2 4,2(60, 420) (60, 420) (60, 420) (60, 420)
Standaardband225/45R18 7,0J×182,3 2,1(33, 230)2,4 2,8(30, 210) (35, 240) (41, 280)
Compact reservewiel (indien van toepassing)T125/80D16 4,0T×164,2 4,2(60, 420)4,2 4,2(60, 420) (60, 420) (60, 420) (60, 420)

* Normale belasting: Maximaal 3 personen

OPMERKING

Zorg er bij het vervangen van de banden voor dat ze dezelfde maat hebben als de originele banden.

Wanneer banden van een ander formaat worden gebruikt, werken de bijbehorende onderdelen mogelijk niet goed meer.

AANBEVOLEN SMEERMIDDELEN EN HOEVEELHEDEN

I040000AUN-EE-C1

Gebruik voor een optimale werking en een lange levensduur van motor en aandrijflijn uitsluitend smeermiddelen van de juiste kwaliteit. Het gebruik van de juiste smeermiddelen helpt ook het motorrendement verhogen, wat een gunstiger brandstofverbruik oplevert.

Deze smeermiddelen en vloeistoffen worden aanbevolen voor gebruik in uw auto.

Smeermiddel/vloeistof Inhoud Classificatie
Motorolie *1 *21.6 Benzinemotor 3.3(3.49 US qt.) API SL of SM
2.0 Benzinemotor 4.0(4.23 US qt.) ILSAC GF-3 of hoger
Diesel-motorMet DPF *35.3 / (5.60 US qt.)ACEA C3
Zonder DPF *3API CH-4 of hoger, ACEA B4
Versnellingsbakolie1.9 / (2.01 US qt.)API GL-4 SAE 75W-85(gevuld voor de totale levensduur van de auto)
Automatische-transmissievloeistof1.6 Benzinemotor6.8 / (7.19 US qt.)DIAMOND ATF SP-III, SK ATF SP-III
2.0 Benzinemotor / Dieselmotor6.6 / (6.97 US qt.)
Koelvloeistof1.6 Benzinemotor6.5 / (6.87 US qt.)Mengsel van antivries en water(Op ethyleenglycolbasis voor een aluminium radiateur)
2.0 Benzinemotor / Dieselmotor7.2 / (7.61 US qt.)
Rem-/koppelingsvloeistof0.7~0.8 / (0.7~0.8 US qt.)FMVSS116 DOT-3 of DOT-4
Brandstof48 / (12.68 US gal.)-

* : Zie de SAE-viscositeitsindex op de volgende bladzijde.
- Tegenwoordig zijn er energiebesparende motoriën beschikbaar. Naast andereextra voordelen, dragen zij bij tot een laag brandstofverbruik door de hoeveelheid brandstof te beperken die nodig is om wijving in de motor te overwinnen. Vaak zijn deze verbeteringen moeilijk waar te nemen in het dagelijks gebruik, maar op jaarbasis kunnen ze toch merkbaar kosten en energie besparen.
* : Roetfilter

OPMERKING

Zorg ervoor dat u de omgeving rond vuldoppen, aftappluggen en de peilstok altijd goed reinigt alvorens het peil te controleren of de vloeistof af te tappen.

Dit is vooral van belang in gebieden met veel stof of zand en als er met de auto over onverharde wegen wordt gereden. Door het schoonmaken wordt voorkomen dat vuil en zand in de motor of andere componenten binnendringt en schade veroorzaakt.

1040100AUN-C1

Aanbevolen SAE-viscositeitsindex

De viscositeit (vloeibaarheid) van de motorolie is van invloed op het brandstofverbruik en op de werking onder koude weersomstandigheden (starten en oliecirculatie).

Motoroliën met een lagere viscositeit geven een lager brandstofverbruik en betere prestaties onder koude weersomstandigheden, terwijl motoroliën met een hogere viscositeit echter wenselijk zijn voor een goede smering bij warme buitentemperaturen. Het gebruik van oliën met een andere dan de aanbevolen viscositeit kan resulteren in motorschade.

Temperatuurbereik SAE-viscositeitsindex | Temperatuur (°C) | -30 | -20 | -10 | 0 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 | |---|---|---|---|---|---|---|---|---|---| | Motorolie benzinemotor *1 | 20W-50 | 15W-40 | 10W-30 | 5W-20, 5W-30 | 15W-40 | 10W-30 | 5W-30 | 0W-30 * | 120 | Motorolie dieselmotor

Voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik is het aan te raden om motorolie met viscositeit SAE 5W-20. 5W-30 (API SL. SM/ILSAC GF-3) te gebruiken. Als deze motorolie echter niet in uw land verkrijgbaar is, kies dan een geschikte motorolie aan de hand van de viscositeitstabel.
* : Alleen voor gebieden met extreem lage buitentemperaturen en afnankelijk van de rijomstandigheden.(Speciaal af te raden bij langdurig rijden met zware belading en/of hoge snelheid.)

Specificaties & Consumenteninformatie

VOERTUIG- IDENTIFICATIENUMMER (VIN)
KIA Soul (2008) - Specificaties & Consumenteninformatie - 1

H010000AAM
Het voertuig-identificatienummer (VIN) is het nummer dat gebruikt wordt bij de registratie van uw auto en bij alle zaken die te maken hebben met eigendom, enz.
Dit nummer is ingeslagen in de vloer onder de passagiersstoel. Verwijder de afdekking (1) om het nummer te controleren.

Type B (indien van toepassing) OVQ076002N

H010010AAM
VIN label (indien van toepassing)
Het VIN staat ook op een plaatje dat is bevestigd aan de bovenzijde van het dashboard. Het nummer op dit plaatje kunt u van buitenaf goed zien door de voorruit.

VOERTUIGCERTIFICATIE- LABEL
KIA Soul (2008) - Specificaties & Consumenteninformatie - 3

H020000AAM
Op het voertuigcertificatielabel op de middenstijl aan bestuurderszijde (of voorpassagierszijde) staat het voertuig-identificatienummer (VIN).

KIA Soul (2008) - Specificaties & Consumenteninformatie - 4

De banden waarmee uw nieuwe auto is uitgerust zijn zorgvuldig geselecteerd voor de beste prestaties onder normale rijomstandigheden.

Op het bandenspanningslabel op de middenstijl aan bestuurderszijde staan de bandenspanningen voor de verschillende gebruiksomstandigheden.

MOTORNUMMERBANDENSPANNINGSLABEL
1.6 Benzimemator Dieselmotor OAM089003 OAM089005

KIA Soul (2008) - Specificaties & Consumenteninformatie - 6

Het motornummer is in het motorblok ingeslagen op de plaats die in de afbeelding is aangegeven.

Index I

Index

A

Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden....8-4

Aanvullend veiligheidssysteem 3-39

Achterklep 4-12

Achteruitrijcamera 4-50

Afmetingen 8-2

Alarmknipperlichten 4-50

Als de motor niet gestart kan worden 6-3

Als de motor oververhit raakt 6-6

Audiosysteem 4-81

Automatische transmissie 5-11

Automatische-transmissievloeistof 7-30

B

Banden en wielen 8-3

Banden en wielen 7-41

Bandenspanningslabel 8-7

Battery 7-38

Brandstofbesparing 5-31

Brandstofffilter 7-33

C

Controlelampjes in het instrumentenpaneel 1-6

Cruise control-systeem 5-27

D

Door de eigenaar uit te voeren onderhoudswerkzaamheden 7-6

E

Emissieregelsysteem 7-75

Exterieur 4-80

G

Gebruik van dit instructieboekje 1-2

Gloeilampen 7-61

H

Handbediend verwarmings- en ventilatiesysteem……4-62

Handgeschakelde transmissie 5-8

|

Inrijprocedure....1-5

Instrumentenpaneel 4-32

Interieurverlichting 4-59

Index

K

Kinderzitjes 3-28

Koelvlocistof 7-26

L

Massa van de auto 5-50

Motorkap 4-17

Motornummer 8-7

Motorolie 7-25

Motorruimte 2-4,7-2

0

Onderhoud exterieur....7-69

Onderhoudsschema 7-8

Onderhoudswerkzaamheden 7-4

Ontwaseming 4-61

Opbergvak 4-73

Overige voorzieningen 4-75

Overzicht dashboard 2-3

Overzicht interieur 2-2

P

Parkeerhulp 4-47

Parkeerrem 7-32

Portiervergrendeling met afstandsbediening 4-5

R

Rem- en koppelingsvloeistof....7-29

Remsysteem 5-17

Rijden in de winter 5-37

Rijden met een aanhanger 5-41

Rijden onder speciale rijomstandigheden....5-33

Ruiten 4-14

Ruitensprociervlocistof 7-32

Ruitenwisserbladen....7-35

Ruitenwissers en ruitensproeiers 4-56

S

Schuif-/kanteldak 4-22

Slepen 6-20

Sleutels 4-2

Sloten 4-8

Index

Spiegels 4-28

Standen contactslot 5-4

Starten met hulpaccu 6-4

Starten van de motor 5-6

Stoelen 3-2

Stuurwiel 4-26

T

Tankdopklep 4-19

U

Uitleg bij onderhoudsschema 7-21

V

Veiligheidsgordels 3-13

Voertuigcertificatielabel 8-6

Voertuig-identificatienummer (VIN) 8-6

Vóór het rijden....5-3

W

Waarschuwingssignalen 6-2

Wat te doen in een noodgeval tijdens het rijden 6-2

Wattage gloeilampen 8-2

Z

Zekeringen 7-52

Inhoudsopgave Klik op een titel om deze te openen
Handleidingassistent
Aangedreven door Anthropic
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : KIA

Model : Soul (2008)

Categorie : Automobiel