KIA Opirus - Automobiel

Opirus - Automobiel KIA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis Opirus KIA in PDF-formaat.

📄 332 pagina's Nederlands NL Downloaden 💬 AI-vraag 10 vragen ⚙️ Specs
Notice KIA Opirus - page 1
Kies uw taal en geef uw e-mailadres: we sturen u een specifiek vertaalde versie.
ProducttypeAuto
MerkKia
ModelOpirus
Totale lengte4.979 mm
Totale breedte1.850 mm
Totale hoogte1.486 mm
Wielbasis2.800 mm
Spoorbreedte voor1.570 mm
Spoorbreedte achter1.560 mm
Bandenmaat225/60R16 98V
Brandstoftankinhoud70 liter
Motorolie-inhoud4,3 liter (API SH of hoger)
Automatische transmissievloeistof8,5 liter (ATF SP-III)
Koelvloeistof10,2 liter (ethyleenglycol)
Remvloeistof0,7-0,8 liter (DOT-3/4)
Stuurbekrachtigingsvloeistof1,0 liter (PSF-III)
VeiligheidssystemenAirbags (bestuurder, passagier, zij, curtain), gordelspanners, kinderslot, ISOFIX
ComfortvoorzieningenElektrische ruiten, centrale vergrendeling met afstandsbediening, cruise control, stoelverwarming, elektrisch verstelbare stoelen met geheugen
VerlichtingHalogeen- of xenonkoplampen, mistlampen voor/achter, LED-richtingaanwijzers
OnderhoudsintervalElke 15.000 km of 1 jaar (normaal gebruik)

Veelgestelde vragen - Opirus KIA

Hoe start ik de motor met een lege accu?
Gebruik startkabels en een hulpaccu. Sluit de pluspool (+) van de lege accu aan op de pluspool van de hulpaccu, en de minpool (-) van de hulpaccu op een massapunt van uw auto. Start de motor en laat deze enkele minuten lopen.
Hoe vervang ik een koplamp?
Zet het contact uit, open de motorkap, draai de afdekkap linksom, verwijder de stekker en de klem, plaats een nieuwe lamp (halogeen of xenon) zonder het glas aan te raken, en monteer alles in omgekeerde volgorde.
Wat is de juiste bandenspanning voor de Kia Opirus?
Bij normale belasting: voor 2,15 bar (31 psi) en achter 2,10 bar (30 psi). Bij maximale belasting: voor 2,25 bar (33 psi) en achter 2,10 bar (30 psi).
Hoe stel ik de stoelverwarming in?
Druk op de schakelaar op de stoel (standen 1 t/m 5, 5 is het warmst). Zet op 0 om uit te schakelen. De verwarming schakelt automatisch uit zodra de ingestelde temperatuur is bereikt.
Kan ik een kinderzitje op de passagiersstoel plaatsen?
Nee. Installeer een kinderzitje alleen op de achterbank. De passagiersairbag kan bij activering ernstig letsel veroorzaken bij een kind.
Wat moet ik doen als het waarschuwingslampje AIRBAG blijft branden?
Laat het airbagsysteem en de gordelspanner zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer. Het lampje moet na 6 seconden uitgaan na het starten.
Hoe gebruik ik de afstandsbediening voor vergrendeling?
Druk op de Lock-toets om alle portieren te vergrendelen en op Unlock om te ontgrendelen. De achterklep kan worden geopend met de speciale knop. Het bereik is ongeveer 10 meter.
Wat is de aanbevolen motorolie?
Gebruik motorolie met specificatie API SH of hoger. De viscositeit hangt af van de buitentemperatuur; raadpleeg de SAE-tabel in de handleiding. Vul 4,3 liter bij een volledige olieverversing.
Hoe activeer ik de cruise control?
Druk op de CRUISE-knop op het stuurwiel, het lampje in het instrumentenpaneel gaat branden. Rijd boven 40 km/u en druk op SET/COAST om de gewenste snelheid op te slaan. Druk op CANCEL om te stoppen.
Wat is de maximale aanhangwagenlast?
De Kia Opirus kan een aanhanger trekken tot 1.200 kg (geremd). Zorg voor een goede verdeling van de lading en gebruik een geschikte trekhaak. Raadpleeg de handleiding voor meer details.

Gebruikersvragen over Opirus KIA

0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.

Stel een nieuwe vraag over dit apparaat

De e-mail blijft privé: deze wordt alleen gebruikt om u te waarschuwen als iemand op uw vraag reageert.

Nog geen vragen. Stel de eerste vraag.

Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Opirus - KIA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Opirus van het merk KIA.

GEBRUIKSAANWIJZING Opirus KIA

Nu u eigenaar bent van een Kia krijgt u waarschijnlijk veel vragen over uw auto en over het bedrijf, zoals "Wat is een Kia?", "Wie is Kia?" en "Wat betekent 'Kia'?"

Hier volgen enige antwoorden. Ten eerste, Kia is de oudste autoproducent in Korea. Het bedrijf bestaat uit duizenden werknemers die zich concentreren op het bouwen van auto's met een hoge kwaliteit tegen een redelijke prijs, aangezien de werknemers zelf een aanzienlijk aandeel in het bedrijf hebben.

De eerste lettergreep, Ki, in het woord "Kia" betekent "opkomende zon". De tweede lettergreep, a, betekent "Azië". Dus het woord Kia, betekent "opkomende zon uit Azië".

Veel plezier met uw auto!

Hartelijk dank voor het kiezen van een Kia.

Onthoud dat voor onderhoud uw officiële Kia-dealer de aangewezen persoon is. Uw dealer heeft door de importeur getrainde monteurs in dienst, beschikt over de aanbevolen speciale gereedschappen, originele Kia-onderdelen en zal er alles aan doen u optimaal van dienst te zijn.

Bewaar het instructieboekje in de auto voor een eventuele volgende eigenaar.

Dit instructieboekje omvat alle Opirus modellen en zal u vertrouwd maken met de bediening, het onderhoud en de veiligheidsaspecten van uw nieuwe auto.

Bij het instructieboekje hoort een garantieboekje waarin u informatie vindt over de garantie. We raden u aan om deze informatie zorgvuldig te lezen en de daarin opgenomen aanwijzingen zorgvuldig op te volgen, zodat u veilig en probleemloos van uw nieuwe auto kunt genieten. Kia rust zijn talrijke modellen uit met een grote verscheidenheid aan opties, componenten en kenmerken. Het is dan ook mogelijk dat de uitrusting die in dit instructieboekje beschreven staat en die op illustraties afgebeeld is, niet allemaal van toepassing is op uw auto. De in dit instructieboekje opgenomen informatie en specificaties golden ten tijde van het ter perse gaan. Kia Motors behoudt zich te allen tijde het recht voor wijzigingen door te voeren zonder voorafgaande kennisgeving. Als u vragen heeft, kunt u zich te allen tijde tot uw Kia-dealer wenden.

Wij zullen er alles aan doen om u optimaal en tot volle tevredenheid van uw nieuwe Kia te laten genieten.

© 2004 Kia Motors Nederland b.v.

Alle rechten voorbehouden.

Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, in welke vorm dan ook, zonder de schriftelijke toestemming van Kia Motors.

INHOUDSTABEL

Inleiding

Uw auto in één oogopslag

Kennismaking met uw auto

Besturing van uw auto

Rijtips

In geval van nood

Onderhoud

Specifications

Index

Inleiding

1

Hoe gebruikt u deze handleiding / 1-2 Inrijden van het voertuig / 1-3

HOE GEBRUIKT U DEZE HANDLEIDING

We willen u helpen, het grootst mogelijke rijplezier uit uw auto te halen. Deze handleiding kunt u daar zeker bij helpen. We raden u met aandrang aan, de hele handleiding grondig door te nemen.

Om ernstige of zelfs dodelijke ongelukken te vermijden, dient u minstens de paragrafen WAARSCHUWING en VOORZICHTIG in alle hoofdstukken van deze handleiding aandachtig te lezen. U kan ze gemakkelijk herkennen aan de speciale markeringen die u hieronder ziet.

De illustraties vormen een aanvulling op de tekst in deze handleiding zodat u alle aanwijzingen voor een optimaal rijplezier goed begrijpt. Bij het lezen van uw handleiding zal u alles vernemen over de kenmerken van uw auto, belangrijke veiligheidsinformatie en rijgedrag in verschillende omstandigheden.

De algemene opbouw van de handleiding is te zien in de inhoudstabel. Een goed beginpunt is de index, die een alfabetisch overzicht van alle informatie in deze handleiding geeft.

Hoofdstukken: Deze handleiding bestaat uit acht hoofdstukken en een index. Elk hoofdstuk begint met een korte inhoudstabel, zodat u in één oogopslag ziet of de informatie die u zoekt in dit hoofdstuk te vinden is.

In deze handleiding zal u op diverse plaatsen WAARSCHUWING, VOORZICHTIG en OPMERKING aantreffen.

De paragrafen WAARSCHUWING, VOORZICHTIG en OPMERKING werden ingevoegd om uw veiligheid en uw blijvende tevredenheid over uw Kia Carnival te verzekeren. ALLE procedures en aanbevelingen in deze paragrafen WAARSCHUWING, VOORZICHTIG en OPMERKING dient u aandachtig te lezen en precies na te leven.

WAARSCHUWING

WAARSCHUWING wijst op een situatie waarin het negeren van de waarschuwing tot ernstige of zelfs dodelijke lichamelijke verwondingen kan leiden.

Z VOORZICHTIG

VOORZICHTIG wijst op een situatie waarin het negeren van de aanmaning tot voorzichtigheid tot lichamelijke verwondingen, eventueel ernstig, kan leiden.

\* OPMERKING

OPMERKING wijst op een situatie waarin uw auto schade kan oplopen als u de aanwijzingen negeert.

INRIJDEN VAN HET VOERTUIG

Er dient geen speciale inrijperiode in acht genomen te worden. Door de eerste 1000 km enkele eenvoudige voorzorgen te nemen, kunt u de prestaties, zuinigheid en de levensduur van uw auto verhogen.

  • Laat de motor niet op hoog toerental draaien.
  • Rij geen lange periodes met dezelfde snelheid (hoog of laag). Varieer uw snelheid zodat de motor goed kan inlopen.
  • Vermijd bruusk remmen, tenzij in noodgevallen, zodat de remmen zich goed kunnen zetten.
    • Vermijd het wegrijden met vol gas.

Uw auto in één oogopslag

Overzicht exterieur / 2-2 Overzicht interieur / 2-4 Overzicht dashboard / 2-5

OVERZICHT EXTERIEUR

2

KIA Opirus - OVERZICHT EXTERIEUR - 1

  1. Koplampen (grootlicht)
  2. Koplampen (dimlicht)
  3. Richtingaanwijzer
  4. Richtingaanwijzer opzij
  5. Motorkap
  6. Binnenspiegel
  7. Stoel
  8. Stuurwiel
  9. Portier
  10. Buitenspiegel

1GHA0001

KIA Opirus - OVERZICHT EXTERIEUR - 2

  1. Airbag bestuurder
  2. Schakelaar verlichting/richtingaanwijzers
  3. Instrumentenpaneel
  4. Ruitenwisser/-sproeier
  5. Contact
  6. Stoelverwarming
  7. Traction control */ voertuigstabiliteitsregeling *
  8. Alarmknipperlichten
  9. Schakelaar klimaatregeling achter
  10. Verwarmings- en ventilatiesysteem
  11. Rolgordijn achterruit *
  12. Elektronische geregeld veersysteem *
  13. Selectiehendel
  14. Airbag passagier
  15. Dashboardkastje
  16. Knop achterklepontgrendeling
  17. Audiobediening *
  18. Cruise-controlbediening *

*; (indien van toepassing)

2GHA0004

Sleutels / 3-3

Afstandsbediening / 3-6

Kennismaking met uw auto

Sloten / 3-13

Ruiten / 3-18

Stoelen / 3-23

Geheugen bestuurdersstoel / 3-40

Veiligheidsgordels / 3-42

Airbag - aanvullend veiligheidssysteem / 3-66

Bagageruimte / 3-85

Motorkap / 3-90

Tankdopklep / 3-91

Spiegels / 3-93

Interieurverlichting / 3-98

Opbergvak / 3-99

Overige voorzieningen / 3-102

Luchtreiniger / 3-108 Schuif-/kanteldak / 3-109 Antenne / 3-112 3 Kennismaking met uw auto

SLEUTELS

Type A
KIA Opirus - SLEUTELS - 1

Het sleutelnummer is ingeslagen in het sleutelplaatje. Door dit nummer kan een officiële Kia-dealer bij verlies eenvoudig een sleutel bijbestellen. Verwijder het plaatje en bewaar dit op een veilige plaats. Noteer daarnaast het nummer en bewaar dit op een veilige plaats buiten de auto.

Sleutelfuncties

① Hoofdsleutel

Wordt gebruikt om de motor te starten, de portieren en het dashboardkastje te vergrendelen en te ontgrendelen en om de achterklep te openen.

② Garagesleutel

Kan alleen worden gebruikt om de motor te starten en de portieren te vergrendelen en te ontgrendelen.

③ Afstandsbediening

Wordt gebruikt om de portieren en de achterklep mee te vergrendelen en te ontgrendelen (de achterklep kan alleen met de afstandsbediening worden geopend als de knop voor de achterklepontgrendeling is ingeschakeld, zie blz. 3-6).

Wordt gebruikt om de auto te starten, de portieren en de achterklep te vergrendelen en ontgrendelen. (De achterklep kan alleen met de E-key worden geopend als de knop voor de achterklepontgrendeling in het dashboardkastje is ingeschakeld. Zie blz. 3-9.)

Wordt gebruikt om de portieren, de achterklep en het dashboardkastje te vergrendelen en ontgrendelen.

WAARSCHUWING

- Contactsleutel

Kinderen alleen achterlaten in de auto met de contactsleutel is gevaarlijk, zelfs wanneer deze niet in het contact steekt. Kinderen doen graag volwassenen na en zouden de sleutel in het contact kunnen steken. Met de contactsleutel is het mogelijk voor kinderen om de elektrisch bedienbare ruiten te openen of andere bedieningsorganen in werking te stellen. Het is zelfs mogelijk dat ze de motor starten waardoor ernstig lichamelijk letsel het gevolg kan zijn. Laat kinderen nooit zonder toezicht achter met de contactsleutels in de auto.

Z VOORZICHTIG

Gebruik uitsluitend een originele Kia-contactsleutel in uw auto. Als er een imitatiesleutel wordt gebruikt, kan het gebeuren dat de het contactslot na het aanslaan van de motor niet van stand START naar stand ON terugkeert. Hierdoor blijft de startmotor continu draaien en kan er schade ontstaan aan de startmotor. Tevens kan er brand ontstaan als gevoig van oververhitting in de bedrading.

KIA Opirus - Z VOORZICHTIG - 1

Beperkingen voor het gebruik van sleutels

Voer de volgende procedure uit om te voorkomen dat de achterklep en het dashboardkastje kunnen worden geopend, als u de sleutel afgeeft aan een parkeerbediende of bij de garage.

Met hoofdsleutel en garagesleutel (type A, indien van toepassing)

  1. Ontgrendel het dashboardkastje met de hoofdsleutel en open het.
  2. Schakel de knop voor de achterklepontgrendeling uit (niet ingedrukt). Als de knop voor de achterklepontgrendeling is uitgeschakeld kan de achterklep noch met de hendel, noch met de afstandsbediening worden geopend.
  3. Sluit het dashboardkastje af met de hoofdsleutel.
  4. Geef de garagesleutel af. De bagageruimte en het dashboardkastje kunnen nu niet meer worden geopend, omdat met de garagesleutel alleen de portieren kunnen worden vergrendeld en ontgrendeld en de motor kan worden gestart.

① 1GHA2005

Met E-key

(type B, indien van toepassing)

  1. Houd de toets (①) ingedrukt en verwijder de mechanische sleutel.
  2. Ontgrendel het dashboardkastje met de mechanische sleutel en open het dashboardkastje.
  3. Schakel de knop voor de achterklepontgrendeling in het dashboardkastje uit (niet ingedrukt). Als de knop voor de achterklepontgrendeling is uitgeschakeld kan de achterklep noch met de hendel, noch met de E-key worden geopend.

  4. Sluit het dashboardkastje en vergrendel het vervolgens met de mechanische sleutel.

  5. Geef de E-key af. De achterklep en het dashboardkastje kunnen alleen met de mechanische sleutel worden geopend.

KIA Opirus - (type B, indien van toepassing) - 1

AFSTANDSBEDIENING (INDIEN VAN TOEPASSING)

KIA Opirus - AFSTANDSBEDIENING (INDIEN VAN TOEPASSING) - 1

① Lock ( ⊕ ) Druk op deze toets om alle portieren te vergrendelen. Hiermee wordt tevens de achterklep vergrendeld, zodat deze niet met de handgreep kan worden geopend.
② Unlock (♡) Druk op deze toets om alle portieren te ontgrendelen. Hiermee wordt tevens de achterklep ontgrendeld, zodat deze met de handgreep kan worden geopend.

③ Achterklepontgrendeling ( )

Druk op deze toets om de achterklep te ontgrendelen. Als op deze toets wordt gedrukt terwijl de portiervergrendeling is ingeschakeld, zal de achterklep worden ontgrendeld, maar direct na het sluiten weer worden vergrendeld.

Als één van de portieren is ontgrendeld, blijft ook de achterklep ontgrendeld als deze wordt gesloten.

Als de knop van de achterklepontgrendeling in het dashboardkastje is uitgeschakeld, is het niet mogelijk om de achterklep te openen of te ontgrendelen, zelfs niet met de afstandsbediening.

\* OPMERKING

In de volgende omstandigheden werkt de afstandsbediening niet:

  • Als het contact aan staat.
  • Als de afstandsbediening buiten het bereik van de ontvanger is (10 m).
  • Als de batterij in de afstandsbediening (bijna) leeg is.
  • Als er zich voorwerpen tussen de afstandsbediening en de ontvanger bevinden.
  • Als de buitentemperatuur erg laag is.
  • Als de afstandsbediening zich in de buurt van een radiozender of een luchthaven bevindt, waardoor de normale werking van de afstandsbediening verstoord wordt.

Vergrendel en ontgrendel de portieren met de contactsleutel wanneer de afstandsbediening niet juist werkt. Neem contact op met een officiële Kia-dealer indien u problemen met de afstandsbediening heeft.

\* OPMERKING

Zorg ervoor dat de afstandsbediening niet nat wordt. Beschadiging van de afstandsbediening door water of andere vloeistoffen, valt niet onder de fabrieksgarantie.

Het bereik van de afstandsbediening kan afhankelijk zijn van de plaats waar deze wordt gebruikt. Bijvoorbeeld in de buurt van politieposten, kantoren, zendmasten, militaire objecten, luchthavens enz. kan het bereik minder zijn.

Let op dat u de portieren ook ontgrendeld met de afstandsbediening wanneer u ze met de afstandsbediening vergrendeld heeft. Als u in dat geval de portieren met de sleutel ontgrendelt, zal het alarm afgaan. Het alarm kan worden uitgeschakeld door het contact gedurende minimaal 30 seconden in stand ON te zetten.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 1

Vervangen van batterij

De afstandsbediening is voorzien van een 3 Volt lithium batterij, die bij normaal gebruik enkele jaren meegaat. Vervang de batterij op de volgende manier.

  1. Plaats een smal stukje gereedschap in de opening in wip het middelste dekseltje (①) van de afstandsbediening los.
  2. Vervang de batterij door een nieuwe. Plaats de nieuwe batterij op de aangegeven manier met de pluskant "+" naar boven gericht.
  3. Plaats de batterij in omgekeerde volgorde van verwijderen.

\* OPMERKING

De afstandsbediening is ontworpen voor jarenlang probleemloos gebruik. Door vocht of statische elektriciteit kan de afstandsbediening echter defect raken.

Raadpleeg voor vragen over het gebruik van de afstandsbediening of voor het vervangen van de batterij een officiële Kia-dealer.

Z VOORZICHTIG

  • Door het gebruik van een verkeerde batterij kan de afstandsbediening niet goed werken. Gebruik altijd de juiste batterij.
  • Laat, om beschadiging van de afstandsbediening te voorkomen, deze niet vallen en stel hem niet bloot aan vocht, hitte of zonlicht.

E-KEY (ELEKTRONISCHE SLEUTEL)

KIA Opirus - E-KEY (ELEKTRONISCHE SLEUTEL) - 1

Met de E-key kunt u de portieren ver- en ontgrendelen en de motor starten zonder dat u de sleutel ergens in hoeft te steken.

De toetsen op de E-key zijn dezelfde als op een afstandsbediening. (Zie biz. 3-6 voor het op afstand ver- en ontgrendelen van de portieren.)

Functions E-key

Met de E-key kunt u de portieren en de achterklep ver- en ontgrendelen, en de motor starten. Hieronder volgt de gedetailleerde informatie:

Ontgrendelen:

Als alle portieren vergrendeld zijn en u draagt de E-key bij u, worden alle portieren na 0,5 seconden ontgrendeld als u een van de voorportiergrepen aan de buitenzijde aanraakt.

Als de E-key zich binnen 0,7 - 1,0 meter van de auto bevindt, kunnen alle portieren worden ontgrendeld en geopend met de portiergrepen aan de buitenzijde.

Vergrendelen

Als op de vergrendelknop (in de voorportiergreep aan de buitenzijde) wordt gedrukt terwijl alle portieren gesloten zijn, worden alle portieren vergrendeld. De vergrendelknop werkt alleen als de E-key zich binnen 0,7 - 1,0 meter van de portiergreep bevindt. Als er hierna echter aan een portiergreep wordt getrokken, wordt het portier niet meer ontgrendeld. Als u wilt controleren of een portier is vergrendeld, kunt u het beste de vergrendelknop in de auto controleren of aan een van de achterportiergrepen aan de buitenzijde trekken.

Achterklep ontgrendelen

Als u zich binnen 0,7 - 1,0 m van de achterklepgreep bevindt en de E-key bij u draagt, wordt de achterklep geopend als u de achterklepgreep indrukt. Als u de achterklep sluit terwijl de E-key zich nog in de bagageruimte bevindt, wordt de achterklep niet vergrendeld.

\* OPMERKING

Als de E-key nog in de bagageruimte ligt in de buurt van elektronica, kan het zijn dat achterklep toch wordt vergrendeld. Laat de E-key niet in de bagageruimte liggen, maar houd de E-key altijd bij u.

Starten

U kunt de motor starten zonder de sleutel in het contactslot te plaatsen. Zie hoofdstuk 4 in dit instructieboekje voor meer informatie over het starten van de motor.

Deactiveren van de E-key

Als u 2 E-keys gebruikt en aan de volgende voorwaarden wordt voldaan, wordt E-key B gedeactiveerd als u van buiten de auto een portier vergrendeld met E-key A.

  • Het contact staat in stand LOCK.
  • De E-key is uit het contactslot verwijderd.
    • E-key B bevindt zich in de auto.

Als dit gebeurt, klinkt er gedurende ongeveer 6 seconden een alarm. De motor kan echter wel worden gestart als E-key B in het contactslot wordt geplaatst, en ook de ontgrendeltoets op E-key B werkt gewoon.

Als u E-key B weer wilt activeren, kunt u een portier ontgrendelen met E-key A of op de ontgrendeltoets van E-key B drukken.

Neem de volgende zaken in acht wanneer u de E-key gebruikt:

  1. De vergrendel- en ontgrendelfunctie van de E-key werkt alleen als alle portieren zijn gesloten.
  2. Als u een portier met behulp van de E-key ontgrendelt door de portiergreep aan te raken, duurt het 0,5 seconden voordat het portier ontgrendeld wordt. Wacht daarom 0,5 seconden voordat u het portier probeert te openen.
  3. Als er een E-key in de buurt van de auto is, kan het gebeuren dat een portier onbedoeld ontgrendeld wordt als de portiergreep wordt aangeraakt of als de auto onder hoge druk wordt gewassen.
  4. Houd de E-key bij u als u de auto verlaat.

  5. Als u de E-key verliest, kunt u de motor niet starten. Laat de auto, indien nodig, wegslepen en neem contact op met een officiële Kia-dealer.

  6. Er kunnen per auto maximaal 2 E-keys worden geregistreerd. Als u een E-key verliest, dient u de auto onmiddellijk naar een officiële Kia-dealer te brengen om diefstal te voorkomen.

KIA Opirus - Neem de volgende zaken in acht wanneer u de E-key gebruikt: - 1

Vervangen van batterij

De batterij van een E-key gaat normaalgesproken enkele jaren mee, maar als het lampje minder fel gaat branden of de E-key niet goed werkt, vervang dan de batterij door een nieuwe. Raadpleeg voor vragen over het gebruik van de E-key of voor het vervangen van de batterij een officiële Kia-dealer.

\* OPMERKING

Als de E-key aan vocht of statische elektriciteit wordt bloctgesteld, kunnen er storingen ontstaan in het circuit van de E-key. Raadpleeg voor vragen over het gebruik van de E-key of voor het vervangen van de batterij een officiële Kia-dealer.

  1. Wrik het deksel aan de achterzijde van de E-key los.
  2. Vervang de batterij door een nieuwe.
  3. Plaats de batterij in omgekeerde volgorde van verwijderen.

\* OPMERKING

  • Het gebruik van een verkeerde batterij kan ertoe leiden dat de afstandsbediening niet goed werkt. Gebruik altijd de juiste batterij.
  • Als u de E-key laat vallen of als de E-key aan vocht of statische elektriciteit wordt blootgesteld, kunnen er storingen ontstaan in het circuit van de E-key.
    • Raadpleeg een officiële Kia-dealer als u vermoedt dat de E-key beschadigd is of als u meent dat de E-key niet goed werkt.

STARTBLOKKERING (INDIEN VAN TOEPASSING)

Uw auto is uitgerust met een elektronische startblokkering om de kans op ongeoorloofd gebruik te verminderen.

De startblokkering bestaat uit een kleine transponder in de contactsleutel, een ontvangstspoel in het contactslot en een elektronische module in het instrumentenpaneel.

Dit systeem zorgt ervoor dat, zodra u het contact in stand ON zet, de spoel in het contactslot een signaal ontvangt en dit doorstuurt naar de elektronische module.

De elektronische module controleert eerst of dit signaal juist is.

Als het signaal juist is, kan de motor worden gestart.

Als het signaal niet juist is, kan de motor niet worden gestart.

Uitschakelen van de startblokkering:

Steek de sleutel in het contact en draai hem in stand ON.

Inschakelen van de startblokkering:

Zet het contact in stand OFF. De startblokkering wordt automatisch ingeschakeld. Zonder een bijpassende sleutel kan de motor niet meer worden gestart.

Z VOORZICHTIG

De transponder in uw contactsleutel is een belangrijk onderdeel van het startblokkeersysteem.

Hij is ontworpen voor jarenlang probleemloos gebruik. Let op voor vocht, statische elektriciteit en een ruwe behandeling. Hierdoor kan de startblokkering defect raken.

Z VOORZICHTIG

Breng geen wijzigingen aan in het startblokkeersysteem. Hierdoor kan het systeem defect raken. Laat het systeem indien nodig controleren en repareren door een officiële Kia-dealer.

Storingen veroorzaakt door onjuiste afstelling of eigenhandige modificaties van het startblokkeersysteem vallen niet onder de fabrieksgarantie.

SLOTEN

Vergrendelen Ontgren- delen 1GHA2011

Portiersloten van buitenaf vergrendelen/ontgrendelen

  • Het bestuurdersportier kan met de sleutel worden vergrendeld en ontgrendeld.
  • Draai de sleutel naar links om het portier te vergrendelen en naar rechts om het portier te ontgrendelen.
  • Als het bestuurdersportier met de sleutel wordt vergrendeld of ontgrendeld, worden automatisch ook de overige portieren vergrendeld of ontgrendeld.

  • De portieren kunnen ook met de afstandsbediening worden vergrendeld en ontgrendeld.

  • De portieren kunnen ook met de E-key worden ver- en ontgrendeld (indien van toepassing, zie blz. 3-9).
  • Trek de portiergreep na het ontgrendelen omhoog om het portier te openen.
  • Druk het portier met de hand dicht. Zorg ervoor dat het portier goed dicht zit.

KIA Opirus - Portiersloten van buitenaf vergrendelen/ontgrendelen - 1

Druk om een portier zonder sleutel te vergrendelen de vergrendelknop (①) aan de binnenzijde in of zet de schakelaar portiervergrendeling (②) in stand LOCK en sluit het portier.

\* OPMERKING

Verwijder aitijd de contactsleutel, bedien de parkeerrem, sluit alle ruiten en vergrendel alle portieren als u uw auto onbeheerd achterlaat.

\* OPMERKING

Als het portier een aantal keren snel achter elkaar wordt vergrendeld en weer ontgrendeld, ofwel met de sleutel ofwel met de schakelaar portiervergrendeling, zal de werking van het systeem tijdelijk worden onderbroken om beschadiging van de onderdelen te voorkomen.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 1

flowchart
graph TD
    A["Ontgren-delen"] --> B["①"]
    B --> C["②"]
    C --> D["Vergrendelen"]
    D --> E["③"]
    E --> F["1GHA2013"]

Portiersloten van binnenuit vergrendelen/ontgrendelen

Met de vergrendelknop

  • Zet de vergrendelknop van het portier in stand ONTGRENDELD om het portier te ontgrendelen.
  • Zet de vergrendelknop (①) in stand VERGRENDELD om het portier te vergrendelen. Als het portier is vergrendeld, is het rode deel (②) van de knop niet zichtbaar.
  • Trek aan de portiergreep (③) om het portier te openen.

- De voorportieren kunnen niet worden vergrendeld als de sleutel in het contact zit en het portier geopend is.

① ② 2GHA2014

Met schakelaar portiervergrendeling

De schakelaar portiervergrendeling bevindt zich op de armsteun aan bestuurderszijde. Bedien de schakelaar door hem in te drukken. Als er nog een portier geopend is terwijl de schakelaar wordt ingedrukt, zal het portier vergrendeld worden, zodra het portier wordt gesloten.

  • Door op het voorste deel (①) van de schakelaar portiervergrendeling te drukken, zullen alle portieren worden vergrendeld.
  • Door op het achterste deel (②) van de schakelaar portiervergrendeling te drukken, zullen alle portieren worden ontgrendeld.
  • Als de sleutel nog in het contact zit en één van beide voorportieren geopend is, kunnen de portieren niet worden vergrendeld met de schakelaar.

Z VOORZICHTIG

  • De portieren moeten tijdens het rijden altijd volledig gesloten en vergrendeld blijven om het onverwachts openen van de portieren te voorkomen. Vergrendelde portieren schrikken ook mogelijke indringers af wanneer de auto langzaam rijdt of stilstaat.
  • Let bij het openen van het portier goed op of er geen ander verkeer aankomt. Anders kan er schade of letsel ontstaan.

WAARSCHUWING

Als u de auto niet vergrendeld achterlaat, geeft u gelegenheid tot diefstal. Verwijder altijd de contactsleutel, bedien de parkeerrem, sluit alle ruiten en vergrendel alle portieren als u uw auto onbeheerd achterlaat.

WAARSCHUWING

- Kinderen alleen achterlaten Een afgesloten auto kan binnenin erg warm worden, waardoor achtergelaten kinderen of huisdieren die niet uit de auto kunnen komen, letsel kunnen oplopen. Bovendien kunnen kinderen gewond raken door het bedienen van bepaalde systemen in de auto. Laat kinderen en huisdieren nooit zonder toezicht achter in de auto.

1GHA2015

Kinderslot achterportier

Het kinderslot zorgt ervoor dat kinderen de achterportieren niet per ongeluk van binnenuit kunnen openen. Schakel het kinderslot altijd in als u gaat rijden met kinderen.

  1. Open het achterportier.
  2. Zet het kinderslot aan de achterkant van het portier in stand LOCK. Als het kinderslot in stand LOCK (⊕) staat, kan het achterportier niet van binnenuit worden geopend.
  3. Sluit het achterportier.
  4. Het achterportier kan worden geopend met de buitenste handgreep.

Zelfs als het achterportier niet is vergrendeld, kan het portier niet met de binnenste portiergreep (①) worden geopend, totdat het kinderslot wordt uitgeschakeld (∅).

⚠ WAARSCHUWING - Vergrendeling achterportieren

Als kinderen tijdens het rijden per ongeluk de achterportieren openen, kunnen ze uit de auto vallen en ernstig letsel oplopen. Om te voorkomen dat kinderen de achterportieren van binnenuit openen, dienen de kindersloten gebruikt te worden zodra er kinderen in de auto worden meegenomen.

RUITEN
KIA Opirus - ⚠ WAARSCHUWING - Vergrendeling achterportieren - 1

① Schakelaar ruitbediening bestuurdersportier
② Schakelaar ruitbediening passagiersportier
③ Schakelaar ruitbediening achterportier (links)
④ Schakelaar ruitbediening achterportier (rechts)
⑤ Ruiten openen en sluiten (zie bladzijde 3-20)
⑥ Automatische ruitbediening (zie bladzijde 3-20)
⑦ Blokkeerschakelaar ruitbediening (zie bladzijde 3-21)
• Klembeveiliging (zie bladzijde 3-20)
• Timer elektrische ruitbediening (zie bladzijde 3-21)

Om de ruiten elektrisch te kunnen bedienen moet het contact in stand ON staan. Ieder portier is voorzien van een schakelaar voor de bediening van de desbetreffende ruit. De bestuurder beschikt echter over een blokkeerschakelaar waarmee de ruitbediening van de schakelaars op de overige portieren uitgeschakeld kan worden.

Als u hinderlijk windgeruis ondervindt wanneer één van de zijruiten geopend is, kunt u de ruit aan de andere zijde iets openen.

\* OPMERKING

Open of sluit telkens maar één ruit tegelijk. Anders kan de elektrische ruitbediening beschadigd raken. Hierdoor zal bovendien de zekering langer meegaan.

VOORZICHTIG

• Zorg ervoor dat de handen en het gezicht zich op een veilige afstand van de ruit bevinden, alvorens de ruit de sluiten.
- Laat kinderen niet met de ruitbediening spelen. Schakel de blokkeerschakelaar zoveel mogelijk in (ingedrukt). Het onbedoeld bedienen van een ruit kan vooral bij kinderen tot letsel leiden.
- Steek tijdens het rijden de armen en het gezicht niet naar buiten.
- Controleer altijd dubbel of er zich geen armen, handen of andere belemmeringen in de buurt bevinden voordat een ruit gesloten wordt.

⑥ ⑤ ⑤ ⑥ 1GHA2300A ⑥ ⑤ ⑤ ⑥ 1GHA2300B

Ruiten openen en sluiten

Het bestuurdersportier beschikt over een hoofdschakelaar, waarmee alle ruiten van de auto kunnen worden bediend. Druk de desbetreffende schakelaar aan de voorzijde in of trek deze omhoog om een ruit te openen of te sluiten.

Door de schakelaar kortstondig in te drukken of omhoog te trekken tot de tweede stand (6), wordt de ruit automatisch geopend of gesloten, zelfs als de schakelaar wordt losgelaten. Om de ruitbeweging te stoppen, kan de schakelaar kortstondig in tegenovergestelde richting worden bediend.

Als de accu ontladen is geweest of als de accukabels zijn losgenomen, kan de elektrische ruitbediening als volgt worden gereset:

  1. Zet het contact in stand ON.
  2. Sluit elke ruit en houd de schakelaar van de desbetreffende ruit nog minstens 0,5 seconde omhoog nadat de ruit is gesloten.

KIA Opirus - VOORZICHTIG - 2

Klembeveiliging (bij automatische ruitbediening)

Als er tijdens de opwaartse beweging van de ruit een voorwerp of lichaamsdeel tussen de ruit en het portier komt, wordt de extra weerstand opgemerkt door het systeem en zal de ruit stoppen. Vervolgens zal de ruit ongeveer 15 cm zakken, zodat het voorwerp kan worden verwijderd.

WAARSCHUWING

  • De klembeveiliging werkt alleen als de ruit automatisch sluit. De klembeveiliging werkt niet als de ruit handmatig, met de schakelaar ruitbediening in de eerste stand (⑤), wordt bediend. Controleer altijd dubbel of er zich geen hoofden, armen, handen of andere belemmeringen in de buurt bevinden voordat een ruit gesloten wordt.
  • Als een voorwerp met een diameter kleiner dan 4 mm tussen de ruit en de sponning terechtkomt, wordt de extra weerstand mogelijk niet opgemerkt, waardoor de klembeveiliging niet werkt. Controleer daarom altijd voor het sluiten van de ruit of er geen obstakels zijn.

Blokkeerschakelaar ruitbediening

  • De bestuurder kan de schakelaars van de ruitbediening voor een portier uitschakelen door de blokkeerschakelaar in het bestuurdersportier in te drukken.
  • Als de blokkeerschakelaar van de ruitbediening is ingedrukt, kunnen de ruiten ook niet worden bediend met de hoofdschakelaars in het bestuurdersportier.

Timer elektrische ruitbediening (indien van toepassing)

Na het verwijderen van de sleutel uit het contact kunnen de ruiten nog gedurende 30 seconden worden bediend. Als echter de voorportieren zijn geopend, kunnen de ruiten niet worden bediend als de sleutel uit het contact wordt verwijderd.

KIA Opirus - Timer elektrische ruitbediening (indien van toepassing) - 1

② ① ① ② 1GHA2083

Zonwering (indien van toepassing)

Zijruit achter

In het portierpaneel van de achterportieren bevindt zich een rolgordijn dat bij hinderlijk zonlicht kan worden gesloten.

Pak de lip (①) van het rolgordijn vast en trek deze omhoog en over de haak (②).

KIA Opirus - Zonwering (indien van toepassing) - 1

Schakelaar elektrisch bediend roigordijn (achterruit) (indien van toepassing)

In de hoedenplank bevindt zich een rolgordijn voor de achterruit dat bij hinderlijk zonlicht kan worden gesloten.

Druk aan de voorzijde (①) van de schakelaar om het rolgordijn te sluiten. Druk aan de achterzijde van de schakelaar (②) om het rolgordijn te openen.

\* OPMERKING

Probeer het rolgordijn van de achterruit niet handmatig te openen of te sluiten. Hierdoor kan het systeem beschadigd raken.

STOELEN

KIA Opirus - STOELEN - 1

① Stoelverstelling vooruit/achteruit/ hoogte (zie bladzijde 3-25)
② Rugleuningverstelling (zie bladzijde 3-27)
③ Schakelaar stoelverwarming (zie bladzijde 3-27)
④ Lendensteun (zie bladzijde 3-28)
⑤ Geheugen bestuurdersstoel (zie bladzijde 3-29)
■ Afstellen van hoofdsteun (zie bladzijde 3-29)

Passagiersstoel

⑥ Stoelverstelling vooruit/achteruit (zie bladzijde 3-30)
⑦ Rugleuningverstelling (zie bladzijde 3-31)
⑧ Schakelaar stoelverwarming (zie bladzijde 3- 32)
Afstellen van hoofdsteun (zie bladzijde 3-33)

Achterstoelen

⑨ Stoelverstelling vooruit/achteruit (links) (zie bladzijde 3-37)
⑩ Stoelverstelling vooruit/achteruit (rechts) (zie bladzijde 3-37)
⑪ Schakelaar stoelverwarming (links) (zie bladzijde 3- 36)
⑫ Schakelaar stoelverwarming (rechts) (zie bladzijde 3-36)
■ Afstellen van hoofdsteun (zie bladzijde 3- 38)

Stel de stoel af in de voor u meest comfortabele stand.

\* OPMERKING

• Elektrisch verstelbare stoelen worden aangedreven door elektromotoren. Laat de schakelaar los zodra de stoel de maximale positie heeft bereikt. Anders kunnen de elektrische onderdelen beschadigd raken.
• Het verstellen van de stoelen kost behoorlijk veel stroom. Beperk daarom het verstellen van de stoelen tot een minimum zolang de motor niet loopt.
- Bedien tegelijkertijd niet meerdere schakelaars. Anders kunnen de elektromotoren of andere elektrische onderdelen beschadigd raken.

WAARSCHUWING

  • Losliggende voorwerpen in de voetenruimte van de bestuurder kunnen de werking van de pedalen nadelig beïnvloeden en mogelijk een ongeval veroorzaken. Losliggende voorwerpen kunnen ook de verstelling in lengterichting van de stoel hinderen. Plaats niets onder de voorstoelen.
  • De elektrisch verstelbare stoelen kunnen ook bediend worden met het contact in stand LOCK.
    Laat kinderen daarom nooit alleen achter in de auto.

WAARSCHUWING

- Bestuurdersstoel

  • Probeer de stoel nooit tijdens het rijden te verstellen. Hierdoor kunt u de controle verliezen waardoor een ongeluk met ernstig letsel of schade het gevolg kan zijn.
  • Zorg ervoor dat de rugleuning altijd in de normale positie kan staan. Als de rugleuning vanwege hinderlijk geplaatste voorwerpen of andere oorzaken niet goed vergrendeld kan worden, kan dit bij een noodstop of aanrijding ernstig letsel tot gevolg hebben.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Zet voor het wegrijden de rugleuning altijd rechtop en plaats de heupgordel strak en zo laag mogelijk over de heupen. Op deze manier bent u het best beschermd bij een eventuele aanrijding.
  • Zet de stoel altijd zo ver mogelijk naar achteren, om te voorkomen dat airbags te dicht bij het lichaam worden geactiveerd, waardoor ernstig letsel kan ontstaan. Zorg ervoor dat de afstand tussen het stuurwiel en het bovenlichaam tenminste 250 mm (10 inch) bedraagt.

5GHA2238

Verstellen van bestuurdersstoel

Verstelling in lengte- en hoogterichting

Verstelling in lengterichting

Druk de knop naar voren of naar achteren om de stoel in de gewenste stand te zetten. Als de knop wordt losgelaten, zal de stoel in de ingestelde positie worden vergrendeld.

Stel de stoel af voordat u gaat rijden en controleer of de stoel goed vergrendeld is door te proberen deze handmatig naar voren of achteren te schuiven. Als de stoel beweegt, dan is hij niet goed vergrendeld.

KIA Opirus - Verstellen van bestuurdersstoel - 1

KIA Opirus - Verstellen van bestuurdersstoel - 2

5GHA2239

Afstellen van zittinghoogte voorzijde

Beweeg het voorste deel van de knop naar boven of naar beneden om de voorzijde van de zitting omhoog of omlaag te verstellen.

5GHA2240

Afstellen van zittinghoogte achterzijde

Beweeg het achterste deel van de knop naar boven of naar beneden om de achterzijde van de zitting omhoog of omlaag te verstellen.

5GHA2241

Afstellen van zittinghoogte

Beweeg het middelste deel van de knop omhoog of omlaag om de gehele zitting omhoog of omlaag te verstellen. Laat de knop los zodra de zitting in de gewenste stand staat.

5GHA2242

Afstellen van rugleuning bestuurdersstoel

Beweeg de hendel naar voren of achteren tot de rugleuning in de gewenste stand staat en laat de hendel vervolgens los. Zodra de hendel wordt losgelaten, wordt de rugleuning in die stand geblokkeerd. Controleer na het afstellen of de hendel weer in de oorspronkelijke positie staat.

WAARSCHUWING

Rijden met een neergeklapte rugleuning kan bij een aanrijding leiden tot ernstig letstel. Als de rugleuning neergeklapt is, kan de persoon op de desbetreffende stoel onder de gordel doorglijden, waardoor de onderbuik en nek zwaar belast kunnen worden. Hierdoor kan inwendig letsel ontstaan. Houd de rugleuningen daarom tijdens het rijden altijd zo comfortabel mogelijk rechtop.

TCS 120 2GHA2051A

Verwarmen van bestuurdersstoel (indien van toepassing)

De voorstoelen kunnen onafhankelijk van elkaar worden verwarmd als het contact in stand ON staat. De schakelaar kan in stand 1 t/m 5 worden gezet, waarbij stand 5 het warmst is.

Zet de schakelaar in stand 0 om de verwarming uit te schakelen.

De stoelverwarming wordt uitgeschakeld zodra de stoel de ingestelde temperatuur heeft en wordt weer ingeschakeld op het moment dat de temperatuur te laag wordt.

\* OPMERKING

  • Gebruik voor het reinigen van de stoelen geen organisch oplosmiddel, zoals thinner, alcohol of wasbenzine. Hierdoor kan de stoelverwarming en de stoel zelf beschadigd worden.
    • Plaats geen dekens, kussens of stoelhoezen over de stoel als de stoelverwarming is ingeschakeld. Dit kan leiden tot oververhitting.
  • Plaats geen zware of scherpe voorwerpen op stoelen die zijn voorzien van stoelverwarming. Hierdoor kunnen de onderdelen van de stoelverwarming beschadigd raken.

WAARSCHUWING

Wees erg voorzichtig bij het gebruik van de stoelverwarming vanwege het gevaar voor oververhitting, waardoor brand kan ontstaan. Vooral de volgende categorieën personen dienen erg voorzichtig te zijn:

  1. Kinderen, ouderen, gehandicapten en ziekenhuispatiënten
  2. Personen met een gevoelige huid
  3. Vermoeide personen
  4. Dronken personen
  5. Personen die onder invloed zijn van medicijnen die het reactievermogen verminderen of slaap opwekken

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

De lendensteun kan worden versteld met de schakelaar op de bestuurdersstoel. Druk op de voorzijde (①) van de schakelaar voor meer steun en op de achterzijde (②) voor minder steun.

5GHA2243

Geheugen bestuurdersstoel (indien van toepassing)

De bestuurdersstoel heeft een geheugen, waarin de stand van de stoel, het stuurwiel en de buitenspiegels met een druk op de knop kunnen worden opgeslagen of teruggezet. Verschillende personen kunnen zodoende elk hun eigen voorkeursinstellingen bewaren.

Zie blz. 3-40 voor meer informatie.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 3

Afstellen van hoofdsieun
Verstelling voor- en achterwaarts

De hoofdsteun kan in drie standen naar voren worden gedrukt. Druk de hoofdsteun vanuit de voorste positie nogmaals naar voren om de hoofdsteun naar achteren te plaatsen. Zorg ervoor dat de hoofdsteun hoofd en nek goed ondersteunt.

① ② ③ 1GHA2246

Afstellen van hoogte

De hoofdsteun is niet alleen comfortabel, maar beschermt tevens hoofd en nek van de inzittenden bij een aanrijding.

Hoger: trek de hoofdsteun omhoog om hem in de gewenste positie (①) te zetten. Lager: druk de ontgrendelknop (②) in en laat de hoofdsteun in de gewenste positie (③) zakken. De hoofdsteun biedt de meeste bescherming als het midden van de hoofdsteun zich op gelijke hoogte met het oor bevindt. Zorg ervoor dat afstand tussen hoofd en hoofdsteun overeenkomt met de breedte van de vuist.

① ② 1GHA2247

Verwijderen

Trek de hoofdsteun zo ver mogelijk omhoog en druk vervolgens de ontgrendelknop (①) in om de hoofdsteun te verwijderen (②).

WAARSCHUWING

Rijd niet in een auto waarvan de hoofdsteunen verwijderd zijn of onjuist afgesteld zijn. Dit om de kans op letsel zoveel mogelijk te beperken.

Probeer nooit de hoofdsteun tijdens het rijden te verstellen.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

Verstellen van passagiersstoel

Versteiling in lengterichting

Druk de knop naar voren of naar achteren om de stoel in de gewenste stand te zetten. Als de knop wordt losgelaten, zal de stoel in de ingestelde positie worden vergrendeld.

Stel de stoel af voordat u gaat rijden en controleer of de stoel goed vergrendeld is door te proberen deze handmatig naar voren of achteren te schuiven. Als de stoel beweegt, dan is hij niet goed vergrendeld.

WAARSCHUWING

Zet de stoel altijd zo ver mogelijk naar achteren, om te voorkomen dat airbags te dicht bij het lichaam worden geactiveerd. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.

5GHA2249

Rugieuning afstellen

Beweeg de hendel naar voren of achteren tot de rugleuning in de gewenste stand staat en laat de hendel vervolgens los. Zodra de hendel wordt losgelaten, wordt de rugleuning in die stand geblokkeerd. Controleer na het afstellen of de hendel weer in de oorspronkelijke positie staat.

WAARSCHUWING

Rijden met een neergeklapte rugleuning kan bij een aanrijding leiden tot ernstig letstel. Als de rugleuning neergeklapt is, kan de persoon op de desbetreffende stoel onder de gordel doorglijden, waardoor de onderbuik en nek zwaar belast kunnen worden. Hierdoor kan inwendig letsel ontstaan. Houd de rugleuningen daarom tijdens het rijden altijd zo comfortabel mogelijk rechtop.

A ② ① 1GHA2250 B ① ② /2GHA2251

Extra schakelaars voor versteilen van passagiersstoel (indien van toepassing)

Sommige uitvoeringen zijn voorzien van extra schakelaars voor het verstellen van de passagiersstoel in lengterichting (①) en voor het verstellen van de rugleuning (②) van de passagiersstoel en de achterstoelen. De schakelaars bevinden zich aan de linkerzijde van de rugleuning (⑨) van de passagiersstoel en op de middelste armsteun van de achterstoelen (⑧). Gebruik deze schakelaars niet als de passagiersstoel bezet is.

2GHA2051A

Verwarmen van passagiersstoel (indien van toepassing)

De voorstoelen kunnen onafhankelijk van elkaar worden verwarmd als het contact in stand ON staat. De schakelaar kan in stand 1 t/m 5 worden gezet, waarbij stand 5 het warmst is.

Zet de schakelaar in stand 0 om de verwarming uit te schakelen.

De stoelverwarming wordt uitgeschakeld zodra de stoel de ingestelde temperatuur heeft en wordt weer ingeschakeld op het moment dat de temperatuur te laag wordt.

\* OPMERKING

  • Gebruik voor het reinigen van de stoelen geen organisch oplosmiddel, zoals thinner, alcohol of wasbenzine. Hierdoor kan de stoelverwarming en de stoel zelf beschadigd worden.
  • Plaats geen dekens, kussens of stoelhoezen over de stoel als de stoelverwarming is ingeschakeld. Dit kan leiden tot oververhitting.
  • Plaats geen zware of scherpe voorwerpen op stoelen die zijn voorzien van stoelverwarming. Hierdoor kunnen de onderdelen van de stoelverwarming beschadigd raken.

WAARSCHUWING

Wees erg voorzichtig bij het gebruik van de stoelverwarming vanwege het gevaar voor oververhitting, waardoor brand kan ontstaan. Vooral de volgende categorieën personen dienen erg voorzichtig te zijn:

  1. Kinderen, ouderen, gehandicapten en ziekenhuispatiënten
  2. Personen met een gevoelige huid
  3. Vermoeide personen
  4. Dronken personen
  5. Personen die onder invloed zijn van medicijnen die het reactievermogen verminderen of slaap opwekken

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

Afstellen van hoofdsteun

Verstelling voor- en achterwaarts

De hoofdsteun kan in drie standen naar voren worden gedrukt. Druk de hoofdsteun vanuit de voorste positie nogmaals naar voren om de hoofdsteun naar achteren te plaatsen. Zorg ervoor dat de hoofdsteun hoofd en nek goed ondersteunt.

① ② ③ 1GHA2246

Afstellen van hoogte

De hoofdsteun is niet alleen comfortabel, maar beschermt tevens hoofd en nek van de inzittenden bij een aanrijding.

Hoger: trek de hoofdsteun omhoog om hem in de gewenste positie (①) te zetten. Lager: druk de ontgrendelknop (②) in en laat de hoofdsteun in de gewenste positie (③) zakken. De hoofdsteun biedt de meeste bescherming als het midden van de hoofdsteun zich op gelijke hoogte met het oor bevindt. Zorg ervoor dat afstand tussen hoofd en hoofdsteun overeenkomt met de breedte van de vuist.

① ② 1GHA2247

Verwijderen

Trek de hoofdsteun zo ver mogelijk omhoog en druk vervolgens de ontgrendelknop (①) in om de hoofdsteun te verwijderen (②).

WAARSCHUWING

Rijd niet in een auto waarvan de hoofdsteunen verwijderd zijn of onjuist afgesteld zijn. Dit om de kans op letsel zoveel mogelijk te beperken.

Probeer nooit de hoofdsteun tijdens het rijden te verstellen.

stoel links achter stoel rechts achter 2GHA2235

Verstellen van achterstoelen

Verstelling in lengterichting (indien van toepassing)

De bediening werkt alleen als het contact in stand ON staan.

Druk op de voorzijde van de schakelaar om de zitting naar voren te schuiven en de rugleuning achterover te kantelen.

Druk op de achterzijde van de schakelaar om de zitting naar achteren te schuiven en de rugleuning rechtop te zetten.

De achterstoelen worden, voor het comfortabeler in- en uitstappen, automatisch in de achterste stand gezet als de achterportieren worden gecpend. De stoelen bewegen na het sluiten van de portieren niet automatisch terug naar hun oorspronkelijke positie, maar kunnen indien gewenst door de passagier weer terug worden geplaatst.

\* OPMERKING

Laat de schakelaar los zodra de stoel in de uiterste stand staat. Anders kan er schade ontstaan.

WAARSCHUWING

Let goed op dat er tijdens het verstellen van de stoel geen handen of voorwerpen in het mechanisme bekneld raken.

Verstel de stoel niet als u de veiligheidsgordel om heeft. Anders kan het onderlichaam bij het naar voren schuiven van de stoel bekneld raken.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

Neerklappen van stoel

De passagiersstoel kan bijna volledig neer worden geklapt om als voetensteun voor de achterpassagier te dienen.

  1. Verwijder de hoofdsteun (zie blz. 3-34).
  2. Zet de passagiersstoel zo ver mogelijk naar voren.
  3. Kantel de rugleuning helemaal achterover.

WAARSCHUWING

Laat de achterste inzittenden niet tijdens het rijden de rugleuning neerklappen.

Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

De armsteun bevindt zich in het midden tussen de achterstoelen. Kantel de armsteun omlaag uit de rugleuning.

Onder de afdekkap vindt u een extra opbergvak en bekerhouders (indien van toepassing).

stoel links achter stoel rechts achter 2GHA2236

Stoelverwarming achterstoelen (indien van toepassing)

De achterstoelen kunnen worden verwarmd als het contact in stand ON staat.

  1. Trek de armsteun met behulp van de lus omlaag.
  2. De schakelaar kan in stand 1 t/m 5 worden gezet, waarbij stand 5 het warmst is.

Zet de schakelaar in stand 0 om de verwarming uit te schakelen.

De stoelverwarming wordt uitgeschakeld zodra de stoel de ingestelde temperatuur heeft en wordt weer ingeschakeld op het moment dat de temperatuur te laag wordt.

\* OPMERKING

  • Gebruik voor het reinigen van de stoelen geen organisch oplosmiddel, zoals thinner, alcohol of wasbenzine. Hierdoer kan de stoelverwarming en de stoel zelf beschadigd worden.
  • Plaats geen dekens, kussens of stoelhoezen over de stoel als de stoelverwarming is ingeschakeld. Dit kan leiden tot oververhitting.
  • Plaats geen zware of scherpe voorwerpen op stoelen die zijn voorzien van stoelverwarming. Hierdoor kunnen de onderdelen van de stoelverwarming beschadigd raken.

WAARSCHUWING

Wees erg voorzichtig bij het gebruik van de stoelverwarming vanwege het gevaar voor oververhitting, waardoor brand kan ontstaan. Vooral de volgende categorieën personen dienen erg voorzichtig te zijn:

  1. Kinderen, ouderen, gehandicapten en ziekenhuispatiënten
  2. Personen met een gevoelige huid
  3. Vermoeide personen
  4. Dronken personen
  5. Personen die onder invloed zijn van medicijnen die het reactievermogen verminderen of slaap opwekken

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

Afstellen van hoofdsteun

Verstelling voor- en achterwaarts

De hoofdsteun kan in drie standen naar voren worden gedrukt. Druk de hoofdsteun vanuit de voorste positie nogmaals naar voren om de hoofdsteun naar achteren te plaatsen. Zorg ervoor dat de hoofdsteun hoofd en nek goed ondersteunt.

KIA Opirus - Verstelling voor- en achterwaarts - 1

Afstellen van hoogte

De hoofdsteun is niet alleen comfortabel, maar beschermt tevens hoofd en nek van de inzittenden bij een aanrijding.

Hoger: trek de hoofdsteun omhoog om hem in de gewenste positie (①) te zetten. Lager: druk de ontgrendelknop (②) in en laat de hoofdsteun in de gewenste positie (③) zakken. De hoofdsteun biedt de meeste bescherming als het midden van de hoofdsteun zich op gelijke hoogte met het oor bevindt. Zorg ervoor dat afstand tussen hoofd en hoofdsteun overeenkomt met de breedte van de vuist.

① ② 1GHA2255

Verwijderen

Trek de hoofdsteun zo ver mogelijk omhoog en druk vervolgens de ontgrendelknop (①) in om de hoofdsteun te verwijderen (②).

WAARSCHUWING

Rijd niet in een auto waarvan de hoofdsteunen verwijderd zijn of onjuist afgesteld zijn. Dit om de kans op letsel zoveel mogelijk te beperken. Probeer nooit de hoofdsteun tijdens het rijden te verstellen.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

Vervoeren van lange, smalle lading met gesloten achterklep (indien van toepassing)

Trek de armsteun met behulp van de lus omlaag. Druk de hendel naar beneden en trek de afdekkap omlaag. Nu kunnen ook lange, smalle voorwerpen (ski's, stokken, planken) worden vervoerd met gesloten achterklep.

Z VOORZICHTIG

  • Zet de motor uit en de transmissie in stand P en bedien de parkeerrem alvorens bagage in of uit te laden. Anders zou de auto kunnen gaan rijden als de selectiehendel per ongeluk wordt verplaatst.
  • Wees voorzichtig tijdens het laden van de auto tussen de achterstoelen om schade aan het interieur te voorkomen.
  • Zet de lading goed vast, zodat deze niet los kan raken tijdens het rijden. Losliggende lading kan persoonlijk letsel en schade aan de auto veroorzaken.

GEHEUGEN BESTUURDERSSTOEL (INDIEN VAN TOEPASSING)

5GHA2201

De bestuurdersstoel heeft een geheugen, waarin de stand van de stoel, het stuurwiel en de buitenspiegels met een druk op de knop kunnen worden opgeslagen of teruggezet. Verschillende personen kunnen zodoende elk hun eigen voorkeursinstellingen bewaren.

Als de accukabels worden losgenomen, wordt het geheugen van de stoelstanden gewist. De voorkeursposities dienen in dat geval opnieuw te worden opgeslagen.

Opslaan van stoelposities met toetsen in portier

Opslaan van posities bestuurdersstoel

  1. Zet het contact in stand ON en de selectiehendel in stand P.
  2. Stel de stoel, het stuurwiel en de buitenspiegels in de meest comfortabele positie in.

  3. Druk op toets M op het bedieningspaneel.

  4. Druk binnen 5 seconden na het indrukken van toets M op één van de geheugentoetsen (1 of 2). Het systeem geeft met twee piepjes aan dat de instellingen met succes zijn opgeslagen.

Er kunnen twee instellingen worden opgeslagen met behulp van de overeenkomstige toetsen (1 of 2).

Posities instellen vanuit geheugen

  1. Zet het contact in stand ON en de selectiehendel in stand P.
  2. Druk op de gewerste geheugentoets (1 of 2) om de stoel, het stuurwiel en de buitenspiegels in de bijbehorende positie te zetten.

Als tijdens het uitvoeren van de instellingen uit het geheugen één van de knoppen voor het verstellen van de stoel, de buitenspiegel of het stuurwiel wordt bediend, wordt het instellen vanuit het geheugen afgebroken voor het desbetreffende onderdeel. Het instellen van de overige onderdelen blijft wel doorgaan.

Druk éénmaal op de toets STOP om het instellen vanuit het geheugen af te breken. Hierdoor wordt het instellen van stoel, stuurwiel en buitenspiegels afgebroken.

Opslaan en instellen met afstandsbediening

Opslaan met afstandsbediening

Zet het contact vanuit stand LOCK in stand ON en vergrendel de portieren met de afstandsbediening. Hierdoor worden de posities van stoel, stuurwiel en buitenspiegels opgeslagen in het geheugen.

Posities oproepen met afstandsbediening

Ontgrendel het portier met de afstandsbediening en de instellingen worden automatisch uitgevoerd.

Bij het gebruik van twee afstandsbedieningen heeft elke afstandsbediening zijn eigen instellingen. Hierdoor kan het uitvoeren van de instellingen soms iets langer duren.

Voorbeeld) Als de portieren zijn vergrendeld met afstandsbediening A en met afstandsbediening B worden ontgrendeld, moeten de onderdelen vanuit positie A in positie B worden gezet.

Opslaan en instellen met E-key

Opslaan met E-key

Zet het contact vanuit stand LOCK in stand ON en vergrendel de portieren met de E-key. Hierdoor worden de posities van de stoel, het stuurwiel en de buitenspiegels automatisch opgeslagen in het geheugen.

Posities oproepen met E-key

Ontgrendel het bestuurdersportier met de E-key en de instellingen worden automatisch uitgevoerd.

Als u het passagiersportier met de E-key ontgrendelt, worden de instellingen niet automatisch uitgevoerd.

Als u twee E-keys gebruikt, verschilt mogelijk de tijd die het duurt om de instellingen uit te voeren, aangezien de in de E-key opgeslagen posities verschillend kunnen zijn.

Voorbeeld: Als de portieren worden vergrendeld met E-key A en vervolgens worden ontgrendeld met E-key B, worden de instellingen van E-key B uitgevoerd. Dit kan echter iets langer duren dan wanneer de auto met E-key A wordt ontgrendeld, aangezien de auto daar ook mee werd vergrendeld.

Kennismaking met uw auto

VEILIGHEIDSGORDELS

KIA Opirus - VEILIGHEIDSGORDELS - 1

Gordelspanner veiligheidsgordel

De veiligheidsgordels van de bestuurder en van de voorpassagier zijn uitgerust met gordelspanners. Het doel van de gordelspanner is ervoor te zorgen dat de veiligheidsgordel strak tegen het lichaam van de inzittende liegt bij bepaalde frontale aanrijdingen. De gordelspanners kunnen afzonderlijk geactiveerd worden of, afhankelijk van de aard van de aanrijding, samen met de airbags.

Z. VOORZICHTIG

De gordelspanners zijn gemonteerd op de veiligheidsgordels voorin. In de gordelsluiting bevindt zich een sensor die de aanwezigheid van een passagier registreert aan de hand van het vastgemaakt zijn van de veiligheidsgordel. Daarom wordt de gordelspanner niet geactiveerd als de veiligheidsgordel niet vastgemaakt is. Hij wordt geactiveerd als de gordel vastgemaakt is, ook als er geen passagier aanwezig is.

KIA Opirus - VOORZICHTIG - 1

Het gordelspannersysteem bestaat hoofdzakelijk uit de volgende onderdelen. De plaats hiervan wordt in de afbeelding aangegeven.

① Waarschuwingslampje AIRBAG
② Gordelspanner
③ Airbagmodule

WAARSCHUWING

Om een maximaal effect van een veiligheidsgordel met gordelspanner te krijgen:

  • Moet de veiligheidsgordel op de juiste manier gedragen worden.
  • Moet de veiligheidsgordel op de juiste positie worden afgesteld.

Spankrachtbegrenzer (indien van toepassing)

Als de gordelspanner wordt geactiveerd en het systeem registreert dat de spankracht van een of beide veiligheidsgordels te groot wordt, zorgt een spankrachtbegrenzer ervoor dat de gordel iets wordt gevierd.

Z VOORZICHTIG

Wanneer de gordeispanners geactiveerd worden, kan een luide knal hoorbaar zijn en kan er rook zichtbaar worden in het passagierscompartiment. Deze rook is ongevaarlijk.

De fijne stof is normaal gesproken onschadelijk, maar kan bij personen met een gevoelige huid irritatie veroorzaken. Tevens dient langdurig inademen van de stof vermeden te worden. Was uw handen en gezicht zorgvuldig na een ongeval waarbij de airbags en/of gordelspanners zijn geactiveerd.

Z VOORZICHTIG

- Omdat de sensor die de airbag activeert, in verbinding staat met de gordelspanner, zal het waarschuwingslampje AIRBAG in het dashboard gedurende ongeveer 6 seconden gaan knipperen nadat het contact in stand ON of ACC wordt gezet. Daarna zou het lampje uit moeten gaan.

- Als de gordelspanner niet goed werkt, zal dit waarschuwingslampje gaan branden, ook al is er geen defect aan het airbagsysteem. Als het waarschuwingslampje AIRBAG niet gaat branden als het contact in de stand ON wordt gezet, als het niet uitgaat nadat het gedurende ongeveer 6 seconden heeft gebrand, of als het gaat branden tijdens het rijden, laat dan het gordelspanner- en/of het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.

Z VOORZICHTIG

Het mechanisme van de gordelspanners wordt tijdens het activeren heet.

Raak de onderdelen van het gordelspannersysteem niet aan nadat ze geactiveerd zijn.

WAARSCHUWING

- Gordelspanners zijn ontworpen voor eenmalig gebruik. Wanneer een gordelspanner geactiveerd is geweest, moet deze worden vervangen. Alle veiligheidsgordels die tijdens een aanrijding zijn gebruikt, moeten compleet vervangen worden.

• Probeer nooit zelf de gordelspanners te controleren of te vervangen. Laat dit over aan een officiële Kia-dealer.

WAARSCHUWING

  • Sla niet op de onderdelen van het gordelspannersysteem.
  • Probeer nooit, op wat voor manier dan ook, onderhoud of reparaties uit te voeren aan het gordelspannersysteem.
  • Een onjuiste behandeling van de onderdelen van het gordelspannersysteem en het niet opvolgen van de waarschuwingen kunnen leiden tot een onvolledige werking of het onverhoeds activeren van de gordelspanner en tot ernstig letsel.

Draag te allen tijde de veiligheidsgordel wanneer u in een auto rijdt of meerijdt.

Veiligheidsgordels

WAARSCHUWING

- Veiligheidsgordels

Om de kans op ernstig letsel ten gevolge van een aanrijding te minimaliseren, dienen bestuurder en passagiers altijd de veiligheidsgordel te dragen. Kinderen moeten in een geschikt kinderzitje plaatsnemen. De aanwezigheid van airbags verandert hier niets aan. Integendeel, de airbags kunnen alleen goed werken als de inzittenden goed op hun plaats worden gehouden. Zorg ervoor dat u bekend bent met de informatie in dit hoofdstuk, inclusief de informatie over kinderzitjes. Lees ook de veiligheidsaanwijzingen op de zonnekleppen in uw auto.

Wij raden bestuurder en alle passagiers sterk aan de in de auto aanwezige veiligheidsgordels altijd op de juiste manier te dragen. Het juiste gebruik van de veiligheidsgordels vermindert het risico van ernstig letsel bij aanrijdingen of bij onverwachts remmen.

Alle zitplaatsen (al dan niet inclusief de middelste zitplaats achter) zijn uitgerust met driepuntsgordels. Een vertraging in de blokkeerautomaten zorgt ervoor dat de veiligheidsgordels onder normale omstandigheden niet geblokkeerd zijn. Hierdoor hebben de inzittenden een beetje bewegingsruimte en wordt het comfort van de veiligheidsgordels verbeterd. Wanneer krachten worden uitgeoefend op de auto, zoals bij krachtig remmen, een scherpe bocht of bij een aanrijding, zullen de blokkeerautomaten de veiligheidsgordels automatisch blokkeren.

Aangezien de vertraging in de automaat ook buiten een aanrijding om kan blokkeren, zou u tijdens het remmen of in een scherpe bocht kunnen merken dat de veiligheidsgordels geblokkeerd worden.

Gebruik indien mogelijk de middelste zitplaats achter voor het plaatsen van een kinderzitje.

De heupgordel, indien van toepassing, beschikt niet over een vertraging en is dus altijd geblokkeerd.

Wanneer de middelste zitplaats achter niet beschikbaar is, mag een kinderzitje gebruikt worden op de buitenste zitplaats achter. Plaats een kinderzitje nooit op de voorstoel, omdat een geactiveerde airbag op die positie ernstig letsel kan veroorzaken bij kleine kinderen.

Veiligheidsgordels bieden de beste bescherming wanneer:

• De rugleuning rechtop staat.
- De inzittende rechtop zit (rechte rug).
• De heupgordel strak over de heupen zit.
- De schoudergordel strak over het bovenlichaam zit.
- De knieën recht naar voren wijzen. Een waarschuwingslampje en een zoemer attenderen u erop dat u uw veiligheidsgordel vast dient te maken. Zie Waarschuwingslampje en -zoemer veiligheidsgordel op blz. 3-48.

WAARSCHUWING - Na een aanrijding

• Veiligheidsgordels kunnen beschadigd raken als ze blootgesteld worden aan grote trekkrachten.
- Alle veiligheidsgordels moeten altijd na een botsing gecontroleerd worden. Alle veiligheidsgordels die tijdens een ernstige aanrijding zijn gebruikt, moeten compleet vervangen worden. Laat de bevestigingspunten indien nodig op de juiste wijze repareren.

WAARSCHUWING -

Gedraaide veiligheidsgordels Een gedraaide of klemmende veiligheidsgordel biedt onvoldoende bescherming.

Ga onmiddellijk naar een officiële Kia-dealer wanneer u de veiligheidsgordel niet in orde kunt krijgen. Draag nooit een gedraaide of bekneld zittende veiligheidsgordel.

WAARSCHUWING

- Gebruik van gordels

Veiligheidsgordels werken alleen goed als ze correct worden gedragen. ledere zitplaats in uw auto beschikt over een specifieke veiligheidsgordel die bestaat uit een bij elkaar passende gordelsluiting en een gesp.

Volg de onderstaande aanwijzingen voor de meest effectieve werking van de veiligheidsgordels:

- Gebruik de schoudergordel alleen voor de buitenste schouder. Draag nooit de schoudergordel onder de arm door.

• Draag nooit de veiligheidsgordel rond de hals zodat de gordel over de binnenste schouder loopt.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel om de hals of over het gezicht.
  • Draag de heupgordel zo laag mogelijk. Zorg ervoor dat de heupgordel goed over de heupen past. Draag de heupgordel nooit over de middel, maar altijd over de heupen, waar het lichaam het sterkst is.
  • Gebruik een veiligheidsgordel nooit voor meerdere personen.
  • De rugleuningen van de voorstoelen moeten tijdens het rijden altijd zo comfortabel mogelijk rechtop worden gehouden.

⚠ WAARSCHUWING - Onderhoud veiligheidsgordels

  • Een beschadigde veiligheidsgordel biedt onvoldoende bescherming bij een aanrijding.
  • De veiligheidsgordels dienen regelmatig op slijtage en beschadigingen gecontroleerd te worden. Trek alle gordels volledig uit en controleer ze op de aanwezigheid van rafels, insnijdingen, brandplekken en andere beschadigingen. Laat de veiligheidsgordels een aantal keer af- en oprollen. Controleer of de gordels soepel en goed oprollen.
  • Controleer of de sluitingen zonder problemen en direct vast- of losklikken.
  • Sluit nooit de portieren wanneer er een veiligheidsgordel tussen zit.
  • ledere gordel die niet in orde is of niet goed werkt, moet direct vervangen worden.

VOORZICHTIG

Sluit nooit de portieren wanneer er een veiligheidsgordel tussen zit. De veiligheidsgordel of de gordelsluiting kan hierdoor beschadigd raken en de kans op letsel bij een ongeval verhogen.

KIA Opirus - VOORZICHTIG - 1

Waarschuwingslampje en - zoemer veiligheidsgordel

Als herinnering voor bestuurder en passagiers licht telkens als het contact in stand ON wordt gezet het waarschuwingslampje van de veiligheidsgordels gedurende 6 seconden op.

Wanneer de driepuntsgordel van de bestuurder niet vastgemaakt is, zal gedurende ongeveer 6 seconden de waarschuwingszoemer van de veiligheidsgordel klinken en het waarschuwingslampje gaan knipperen zodra het contact in stand ON wordt gezet.

KIA Opirus - Waarschuwingslampje en - zoemer veiligheidsgordel - 1

Vastmaken van de driepuntsgordel voor:

  1. Pak de gordelsluiting en de gesp vast.
  2. Trek de gordel langzaam uit de blokkeerautomaat.

① ② 1GHA2263

  1. Steek de gesp (①) in de opening van de gordelsluiting (②) totdat een klik hoorbaar is. De klik geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is.

KIA Opirus - Waarschuwingslampje en - zoemer veiligheidsgordel - 3

  1. Leg het heupgedeelte (①) ZO LAAG MOGELIJK OM DE HEUPEN om het risico dat u bij een aanrijding onder de gordel doorschiet zoveel mogelijk te beperken. Stel de gordel af door het schoudergedeelte (②) STRAK tegen het lichaam aan te trekken. De oprolautomaat is ontworpen om een teveel aan speling automatisch op te heffen en de gordel de benodigde spanning te geven. Houd, voor een optimale veiligheid, de veiligheidsgordel niet slapper dan noodzakelijk.

KIA Opirus - Waarschuwingslampje en - zoemer veiligheidsgordel - 4

  1. Stel het bevestigingspunt af op uw lengte. Omhoog: druk het bevestigingspunt naar boven (①). Omlaag: druk de knop (②) in en schuif het bevestigingspunt naar beneden (③). Controleer na het afstellen of het bevestigingspunt vergrendeld is.

KIA Opirus - Waarschuwingslampje en - zoemer veiligheidsgordel - 5

Losmaken van de driepuntsgordei voor:
Druk de ontgrendelknop op de gordelsluiting in en laat de gordel langzaam oprollen.

WAARSCHUWING

  • De rugleuningen moeten tijdens het rijden altijd zo comfortabel mogelijk rechtop worden gehouden. De veiligheidsgordels bieden de meeste bescherming wanneer de rugleuningen rechtop staan.
  • Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel onder de arm of achter de rug langs.
    • Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel om de hals of over het gezicht.
  • Draag het heupgedeelte van de veiligheidsgordel zo laag mogelijk over de heupen. Zorg ervoor dat de heupgordel goed over de heupen past. Draag nooit de heupgordel rond uw middel.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Draag nooit een gedraaide of bekneld zittende veiligheidsgordel.
    Ga onmiddellijk naar de dichtstbijzijnde Kia-dealer wanneer u de veiligheidsgordel niet in orde kunt krijgen.
  • Gebruik een veiligheidsgordel nooit voor meerdere personen.

Door het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregelen kan de kans op en de ernst van letsel bij een aanrijding toenemen.

① ② 1GHA2263

Driepuntsgordel achter

Drispuntsgordeis achter vastmaken:

  1. Pak de gordelsluiting en de gesp vast.
  2. Trek de gordel langzaam uit de blokkeerautomaat.
  3. Steek de gesp (①) in de opening van de gordelsluiting (②) totdat een klik hoorbaar is. De klik geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is.

① ② 1GHA2264

  1. Leg het heupgedeelte (①) ZO LAAG MOGELIJK OM DE HEUPEN om het risico dat u bij een aanrijding onder de gordel doorschiet zoveel mogelijk te beperken. Stel de gordel af door het schoudergedeelte (②) STRAK tegen het lichaam aan te trekken. De oprolautomaat is ontworpen om een teveel aan speling automatisch op te heffen en de gordel de benodigde spanning te geven. Houd, voor een optimale veiligheid, de veiligheidsgordel niet slapper dan noodzakelijk.

Losmaken:

Druk de ontgrendelknop op de gordelsluiting in en laat de gordel langzaam oprollen.

WAARSCHUWING

  • Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel onder de arm of achter de rug langs.
  • Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel om de hals of over het gezicht.
  • Draag het heupgedeelte van de veiligheidsgordel zo laag mogelijk over de heupen. Zorg ervoor dat de heupgordel goed over de heupen past. Draag nooit de heupgordel rond uw middel.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Draag nooit een gedraaide of bekneld zittende veiligheidsgordel.
    Ga onmiddellijk naar de dichtstbijzijnde Kia-dealer wanneer u de veiligheidsgordel niet in orde kunt krijgen.
  • Gebruik een veiligheidsgordel nooit voor meerdere personen.

Door het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregelen kan de kans op en de ernst van letsel bij een aanrijding toenemen.

Afrollen 1GHA2265

Heupgordel (indien van toepassing)

Vastmaken van heupgordel:

  1. Pak de gordelsluiting vast en trek deze over de onderbuik.

KIA Opirus - Heupgordel (indien van toepassing) - 1

  1. Steek de gesp (①) in de opening van de gordelsluiting (②) totdat een klik hoorbaar is. De klik geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is. Zorg ervoor dat de gordel niet verdraaid zit.

Stel strak af 1GHA2267

  1. Trek het losse uiteinde van de gordel zodanig strak dat de gordel goed en zo laag mogelijk over de heupen past. Houd de gesp haaks op de gordel en trek eraan om de gordel langer te maken.

Te hoog Zo laag mogelijk over de heupen leggen 1GHA2268

  1. Zorg ervoor dat de gordel zo LAAG MOGELIJK over de heupen geplaatst is.

① 1GHA2269

Losmaken van heuppordel:
Druk de ontgrendelknop (①) op de gordelsluiting in.

Zorg ervoor dat de heupgordel strak over de heupen ligt en niet over uw middel. Wanneer u de heupgordel niet over de heupen draagt maar rond uw middel kan de kans op en de ernst van letsel bij een aanrijding toenemen.

- Driepuntsgordel Heupgordel 2GHA2122A 1GHA2122

Gebruik voor het bevestigen van de middelste veiligheidsgordel achter de gordelsluiting met de aanduiding CENTER.

Driepuntsgordel Heupgordel 2GHA2121A Gordelsluiting Gesp 1GHA2121

Opbergen van veiligkeidsgordels achter (indien van toepassing)

• Als de veiligheidsgordels achterin niet gebruikt worden, kunnen de gordelsluitingen in het opbergvak tussen rugleuning in zitting worden geschoven.
• De middelste veiligheidsgordel achter kan worden opgerold en ook in het opbergvak tussen rugleuning en zitten worden geschoven.

Juist gebruik en onderhoud van de veiligheidsgordels

Neem de volgende instructies in acht om ervoor te zorgen dat de veiligheidsgordels maximale bescherming bieden:

  • Draag de gordels te allen tijde - ook tijdens korte ritten.
  • Herstel een verdraaide veiligheidsgordel voor het gebruik.
  • Houd scherpe randen en voorwerpen die beschadigingen kunnen veroorzaken uit de buurt van de gordels.
  • Controleer de gordels, de bevestigingspunten, de gordelsluitingen en de overige onderdelen regelmatig op slijtage en beschadigingen. Vervang beschadigde, versleten of dubieuze onderdelen onmiddellijk.

- Reinig de gordels met een zachte zeepoplossing die speciaal geschikt is voor het reinigen van bekleding en tapijt. Volg de aanwijzingen op het etiket van het reinigingsmiddel.

De gordels niet bleken of verven. Hierdoor kan de sterkte van de vezels afnemen, waardoor de gordels tijdens een aanrijding niet meer optimaal functioneren.
• Breng geen aanpassingen of aanvullingen op de veiligheidsgordel aan.
• Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel na het afdoen volledig oprolt. Let op dat de gordel niet tussen het portier komt te zitten.

Veiligheidsgordels en zwangere vrouwen

Ook zwangere vrouwen dienen een veiligheidsgordel te dragen, tenzij hun arts daar bezwaar tegen heeft. Het heupgedeelte van de gordel moet zo STRAK en LAAG MOGELIJK gedragen worden.

KIA Opirus - Veiligheidsgordels en zwangere vrouwen - 1

WAARSCHUWING

- Zwangere vrouwen

Zwangere vrouwen mogen het heupgedeelte van de veiligheidsgordel nooit over of boven de onderbuik dragen.

Veiligheidssystemen voor baby's en kleine kinderen

Voor een optimale veiligheid moeten baby's en kleine kinderen in een geschikt kinderzitje, dat is afgestemd op leeftijd en gewicht, worden vervoerd.

Laat een kind tijdens het rijden nooit knielen of staan op de zitting van een stoel. Laat nooit twee kinderen of een kind en een volwassene op hetzelfde moment gebruik maken van dezelfde veiligheidsgordel.

Laat kinderen bij voorkeur plaatsnemen op de achterbank.

WAARSCHUWING

- Kinderen op schoot

Houd nooit een kind op uw schoot of in uw armen in een rijdende auto.

Zelfs een zeer krachtig persoon kan een kind niet vasthouden bij een lichte aanrijding.

Z. VOORZICHTIG

- Hete metalen onderdelen

Veiligheidsgordels en stoelen kunnen warm worden wanneer een auto tijdens warm weer afgesloten heeft gestaan. Kinderen kunnen zich hieraan branden. Controleer de stoelen en de gordelsluitingen voordat u een kind laat plaatsnemen.

Veel bedrijven maken veiligheidssystemen voor baby's en kleinere kinderen (kinderzitjes). Een geschikt kinderzitje moet altijd voldoen aan de veiligheidseisen van het land waarin u woont. Controleer of het kinderzitje dat u in uw auto gebruikt voorzien is van een label waarop staat dat het zitje aan die eisen voldoet.

Bij de keuze van een kinderzitje moet u letten op de grootte van het kind en de afmetingen van de zitplaats in de auto. Zorg ervoor dat u eventuele instructies die door de fabrikant bij het kinderzitje geleverd zijn, opvolgt bij het plaatsen.

Veiligheidsgordels en grotere kinderen

Naarmate kinderen groeien, kunnen grotere kinderzitjes of zitkussens nodig zijn die beter geschikt zijn voor hun lengte.

Kinderen die het kinderzitje ontgroeid zijn, moeten gebruik maken van de in de auto aanwezige veiligheidsgordels. Bij de buitenste zitplaatsen moeten zowel het heupals het schoudergedeelte worden gebruikt.

Probeer het kind verder naar het midden plaats te laten nemen wanneer het schoudergedeelte over de hals of het gezicht van het kind loopt. Maak gebruik van een kinderzitje wanneer de schoudergordel hun gezicht of hals nog steeds raakt. Ook is het mogelijk om in de handel verkrijgbare voorzieningen te gebruiken die de veiligheidsgordel omlaag houden, zodat deze niet het gezicht of de hals raakt.

⚠ WAARSCHUWING - Schoudergordels en kleine kinderen

  • Laat een schoudergordel nooit het gezicht of de hals van een kind raken tijdens het rijden.
  • Wanneer de veiligheidsgordels niet op de juiste manier gedragen worden en afgesteld zijn, is de kans op ernstig letsel voor zo'n kind hoog.

Kinderzitjes (indien van toepassing)

Voor kleine kinderen en baby's wordt het gebruik van een kinderzitje sterk aanbevolen. Dit kinderzitje moet de juiste maat hebben voor het kind en dient volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant te worden geplaatst. Verder wordt aanbevolen dat het zitje op de achterbank van het voertuig wordt geplaatst, aangezien dat een belangrijke bijdrage aan de veiligheid kan leveren.

Om de kans op letsel bij een ongeval, hard remmen of plotselinge manoeuvre te minimaliseren, kunnen kinderen het beste op de achterbank zitten en dienen ze altijd goed beschermd te zijn. Volgens ongevallenstatistieken zijn kinderen veiliger in een kinderzitje op de achterbank dan in een kinderzitje op de voorstoel. Grotere kinderen dienen een van de in de auto aanwezige veiligheidsgordels te gebruiken.

U bent volgens de wet verplicht veiligheidssystemen voor kinderen te gebruiken. Als er kleine kinderen meerijden in uw voertuig dient u gebruik te maken van een kinderzitje.

Zonder adequate bescherming kunnen kinderen ernstig letsel oplopen bij een ongeval. Kleine kinderen en baby's moeten in een kinderzitje geplaatst worden. Voordat u een bepaald kinderzitje koopt, moet u eerst controleren of het in uw auto past en of het de juiste maat heeft voor uw kind. Volg bij het plaatsen van het kinderzitje altijd de gebruiksaanwijzing van de fabrikant.

KIA Opirus - Kinderzitjes (indien van toepassing) - 1

- Een kinderzitje dient op de achterbank geplaatst te worden. Installeer een kinderzitje nooit op de passagiersstoel.

Mocht er zich een ongeval voordoen waarbij de passagiersairbag opgeblazen wordt, dan kan de airbag een kind in een kinderzitje ernstig letsel toebrengen. Gebruik daarom een kinderzitje alleen op de achterbank van uw voertuig.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Aangezien een veiligheidsgordel of kinderzitje zeer warm kunnen worden als ze in een gesloten voertuig worden achtergelaten, dient u altijd de bekleding en gordelsluitingen te controleren voordat u uw kind in de auto zet.

- Doe het kinderzitje in de bagageruimte of maak het vast met een veiligheidsgordel als het niet gebruikt wordt, zodat het niet naar voren geworpen wordt bij hard remmen of een ongeval.

- Kinderen die te groot zijn voor een kinderzitje dienen op de achterbank plaats te nemen en gebruik te maken van de aanwezige driepuntsgordels. Laat kinderen nooit op de passagiersstoel meerijden.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Let erop dat het schoudergedeelte van de gordel altijd over het midden van de schouder loopt, en nooit over de nek of achter de rug. Wanneer het schoudergedeelte niet goed aansluit, kan het helpen als uw kind iets meer richting het midden van de auto gaat zitten. Het heupgedeelte van de driepuntsgordel dient altijd zo nauwsluitend mogelijk en zo laag mogelijk op de heupen van het kind geplaatst te worden.
  • Als de veiligheidsgordel niet goed past, raden wij u aan om een goedgekeurd zitkussen op de achterbank te plaatsen om zo de zithoogte van het kind te verhogen zodat de gordel wel past.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Laat een kind nooit op de stoel staan of knielen.
  • Gebruik nooit een kinderzitje dat over de rugleuning van een stoel "vasthaakt"; een dergelijk zitje biedt mogelijk geen adequate bescherming bij een ongeval.
  • Laat nooit iemand een kind vasthouden in een rijdend voertuig. Dit kan bij een ongeval of hard remmen leiden tot ernstig letsel van het kind. Een kind vasthouden in een rijdend voertuig biedt het kind geen enkele bescherming tijdens een ongeval, zelfs al heeft degene die het kind vasthoudt een veiligheidsgordel om.

Installatie op de achterste zitplaatsen

WAARSCHUWING

  • Lees voor u het kinderzitje installeert eerst de handleiding van de fabrikant.
  • Wanneer u de aanwijzingen in dit instructieboekje en de instructies bij het kinderzitje niet opvolgt, kan de kans en de ernst van letsel bij een aanrijding toenemen.

WAARSCHUWING

  • Installeer geen kinderzitje op de passagiersstoel. Mocht er zich een ongeval voordoen waarbij de passagiersairbag opgeblazen wordt, dan kan de airbag een kind in een kinderzitje ernstig letsel toebrengen. Gebruik daarom een kinderzitje alleen op de achterbank van uw voertuig.
  • Als een kinderzitje niet goed bevestigd wordt, neemt de kans op ernstig letsel bij een ongeval aanzienlijk toe.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

Monteren van een kinderzitje met behulp van een systeem met bevestigingsbanden (indien van toepassing)

De haakhouders voor het kinderzitje bevinden zich op de hoedenplank.

  1. Verwijder de bedekking van de bevestigingsbanden op de hoedenplank.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 2

  1. Voer de band van het kinderzitje over de rugleuning.

Voer bij voertuigen met verstelbare hoofdsteun de band onder de hoofdsteun en tussen de stijlen van de hoofdsteun door. Voer in andere gevallen de band over de bovenkant van de hoofdsteun.

  1. Plaats de haak van de band in de haakhouder van het kinderzitje en trek de band strak om het zitje vast te zetten.

Monteren van een kinderzitje met behulp van een ISOFIX-systeem en een systeem met bevestigingsbanden (indien van toepassing)

ISOFIX is een gestandaardiseerde methode voor het monteren van kinderzitjes die een einde maakt aan het vastmaken van kinderzitjes met de standaard veiligheidsgordel. Hierdoor is een veel veiligere en meer betrouwbare bevestiging mogelijk en verloopt bovendien het installeren een stuk eenvoudiger en sneller.

Kennismaking met uw auto

Een ISOFIX-kinderzitje mag alleen worden gebruikt als het specifiek is goedgekeurd voor uw auto volgens de eisen die gesteld zijn in de Europese norm ECE-R44. Voor uw Kia voldoen onder andere de volgende kinderzitjes aan deze norm: de Kia ISOFIX GR1 / Kia Duo en de Römer Duo ISOFIX / Britax Duo ISOFIX. Deze zitjes zijn uitvoerig getest door Kia en worden aanbevolen voor uw Kia.

Momenteel voldoen alleen deze twee zitjes aan de eisen. Wanneer er andere fabrikanten met een zitje komen dat aan de eisen voldoet, zal Kia het zitje uitvoerig testen en aanbevelen (als het zitje aan de wettelijke voorschriften voldoet). Voor meer informatie hierover kunt u contact opnemen met uw Kia-dealer.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 3

Aan elke zijde van de zitplaats achter, tussen de zitting en de rugleuning, bevinden zich twee ISOFIX-bevestigingspunten in combinatie met een bevestigingspunt voor de bovenste band op de hoedenplank. Tijdens het installeren moet het zitje in de bevestigingspunten worden vastgeklikt (controleer of het zitje vastzit door eraan te trekken!) en worden vastgezet met de bovenste bevestigingsband op het bijbehorende punt op de hoedenplank. Volg bij het installeren en gebruiken van een kinderzitje de installatiehandleiding die bij het ISOFIX-zitje wordt geleverd.

\*OPMERKING

Een ISOFIX-kinderzitje mag alleen worden gebruikt als het specifiek is goedgekeurd voor uw auto volgens de eisen die gesteld zijn in de Europese norm ECE-R44, Wilt u een ISOFIX-kinderzitje gebruiken dat voor een andere auto is gekocht, vraag dan eerst bij uw Kla-dealer na of het type zitje goedgekeurd is en aanbevolen wordt voor uw Kla.

KIA Opirus - \*OPMERKING - 1

Vastzetten van het kinderzitje

  1. Om het kinderzitje vast te zetten in het ISOFIX-bevestigingspunt dient u de vergrendeling van het kinderzitje in het ISOFIX-bevestigingspunt vast te klikken. Controleer of een klikkend geluid hoorbaar is.

  2. Plaats de haak van de band in de haakhouder van het kinderzitje en trek de band strak om het zitje vast te zetten. Zie "Monteren van een kinderzitje met behulp van een systeem met bevestigingsbanden" op bladzijde 3-60.

WAARSCHUWING

- Installeer geen kinderzitje in het midden van de achterbank met behulp van de ISOFIX-bevestigingen. De ISOFIX-bevestigingen zijn alleen bedoeld voor de buitenste zitplaatsen links en rechts op de achterbank. Misbruik de ISOFIX-bevestigingen niet door te proberen een kinderzitje in het midden van de achterbank te monteren. Bij een ongeval zijn de ISOFIX-bevestigingen voor een kinderzitje dan mogelijk niet sterk genoeg om het kinderzitje op zijn plaats te houden in het midden van de achterbank. De bevestigingen kunnen dan afbreken en ernstig letsel veroorzaken.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Monteer niet meer dan één kinderzitje aan een van de onderste bevestigingspunten. Het extra gewicht kan ertoe leiden dat de bevestigingspunten of - banden afbreken, wat ernstig letsel kan veroorzaken.
  • Bevestig het ISOFIX-kinderzitje of het voor ISOFIX geschikte kinderzitje alleen aan de daarvoor bestemde bevestigingspunten, zoals aangegeven in de afbeelding.
  • Volg altijd de instructies voor installatie en gebruik van de fabrikant van het kinderzitje.

Geschikte positie voor een kinderzitje

Gebruik kinderzitjes die officieel goedgekeurd zijn en die geschikt zijn voor uw kinderen. Zie de volgende tabel voor het gebruik van kinderzitjes.

LeeftijdPositie
VoorpassagierBuitenste achterMiddelste achter
0 : Tot 10 kg(0 - 9 maanden)XL2, L3X
0+ : Tot 13 kg(0 - 2 jaar)XL2, L3X
I : 9 - 18 kg(9 maanden - 4 jaar)XL1, L4, L5X
II&III: 15 - 36 kg(4 - 12 jaar)XL5, L6X

X : Zitpositie niet geschikt voor kinderen in deze gewichtsklasse

L1: Geschikt voor Römer Duo ISOFIX / Britax Duo ISOFIX, goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
L2: Geschikt voor Bebe Comfort (E2 037014), goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
L3: Geschikt voor Römer Baby Safe (E1 03301146), goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
L4: Geschikt voor Römer Lord Plus (E1 03301136), goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
L5: Geschikt voor Kiddy Life Plus (E1 03301135), goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
L6: Geschikt voor Römer Kid (E1 03301148), goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse

KIA Opirus - Geschikte positie voor een kinderzitje - 1

AIRBAG - AANVULLEND VEILIGHEIDSSYSTEEM
① Airbag bestuurder ② Airbag voorpassagier ③ Zijairbag (indien van toepassing) ④ Curtainbag (indien van toepassing) ⑤ Airbag module ⑥ Zijairbagsensor (indien van toepassing) ⑦ Airbagsensor vóór

1GHA2123/2GHA2256/1GHA2257/1GHA2126/1GHA2128/1GHA2127/2GHA0005A/1GHA2124/2GHA2125

① Airbag bestuurder (zie bladzijde 3-69)
② Airbag voorpassagier (zie bladzijde 3-70)
③ Zijairbag (zie bladzijde 3-72)
④ Curtainbag (zie bladzijde 3-72)
⑤ Airbagsensor vóór (zie bladzijde 3-74)
⑥ Zijairbagsensor (zie bladzijde 3-74)
⑦ Airbagmodule (zie bladzijde 3-74)
■ Voorwaarden voor activeren airbags (zie bladzijde 3-75)
■ Voorwaarden voor niet activeren airbags (zie bladzijde 3-77)
Waarschuwingslampje AIRBAG (zie bladzijde 3-82)
Onderhoud aanvullend veiligheidssysteem (zie bladzijde 3-82)
Airbagwaarschuwingslabel (zie bladzijde 3-84)

Wat het airbagsysteem doet

De airbags voor bestuurder en voorpassagier zijn ontworpen om, in combinatie met de veiligheidsgordels, een extra bijdrage aan de veiligheid te leveren bij frontale aanrijdingen. De zijairbags en curtainbags zijn bedoeld voor extra bescherming bij aanrijdingen van opzij, ook weer in combinatie met de veiligheidsgordels. Bij lichte aanrijdingen bieden de veiligheidsgordels voldoende bescherming. Bij zwaardere aanrijding bieden de veiligheidsgordels niet altijd voldoende bescherming. In dat geval worden de airbags geactiveerd om extra bescherming te bieden aan het hoofd en het bovenlichaam.

Wat het airbagsysteem niet doet

Het airbagsysteem is ontworpen als aanvulling op de veiligheidsgordels. HET KOMT NIET IN DE PLAATS VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS.

De noodzaak van het gebruik van veiligheidsgordels

Er zijn vier belangrijke redenen om veiligheidsgordels te dragen in combinatie met het aanvullend veiligheidssysteem. Ze:

  • Zorgen ervoor dat u in de juiste positie blijft (buiten het bereik van de airbag als deze opgeblazen wordt).
  • Beperken de kans op letsel bij het over de kop slaan van de auto, bij aanrijdingen van achteren of van opzij. Dit omdat de airbag vóór niet ontworpen is om in dergelijke situaties opgeblazen te worden en omdat zelfs zijairbags in bepaalde gevallen niet geactiveerd worden.
  • Beperken de kans op letsel bij frontale aanrijdingen of aanrijdingen van opzij die niet ernstig genoeg zijn om het aanvullend veiligheidssysteem te activeren.
  • Beperken het risico dat u uit uw auto geslingerd wordt.

WAARSCHUWING -

Airbags en veiligheidsgordels
- Zelfs in auto's uitgerust met airbags, dienen u en uw passagiers te allen tijde de aanwezige veiligheidsgordels te dragen om de kans op letsel of de ernst daarvan bij een aanrijding of bij het over de kop slaan van de auto te beperken.
- Draag uw veiligheidsgordel altijd. Deze kan ervoor zorgen dat u tijdens hard afremmen net voor een aanrijding uit de buurt van de airbag blijft.
- Personen die geen veiligheidsgordel dragen of verkeerd op de stoel zitten kunnen niet voldoende worden beschermd en hebben een grotere kans op ernstig letsel.

(Vervolg)

(Vervolg)

- De voorste airbags zijn zo ontworpen dat ze bij bepaalde frontale aanrijdingen worden geactiveerd. Zijairbags en curtainbags zijn bedoeld voor bepaalde zijdelingse aanrijdingen. Ze bieden geen bescherming bij aanrijdingen van opzij (uitvoeringen zonder zijairbags) of van achteren en ook niet als de auto over de kop gaat en bij lichte frontale aanrijdingen. Zij bieden geen bescherming bij aanrijdingen die het gevolg zijn van een kettingbotsing.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Wanneer er water in uw auto heeft gestaan (bijvoorbeeld natte vloerbedekking/laagje water op de vloer enz.) of wanneer uw auto op enige andere wijze waterschade opgelopen heeft, moet eerst de accukabel worden losgenomen voordat de motor gestart wordt of de sleutel in het contact wordt gestoken. Anders kan de airbag geactiveerd worden waardoor ernstig persoonlijk letsel op kan treden. Laat de auto naar een officiële Kia-dealer slepen om hem te laten controleren en zonodig te laten repareren.

Onderdelen airbagsysteem

De belangrijkste onderdelen van het aanvullend veiligheidssysteem zijn:

- Om aan te geven dat uw auto is voorzien van airbags, staat op de afdekkappen van de airbags SRS AIRBAG.

- Airbag bestuurder (zie bladzijde 3-69)

- Airbag voorpassagier (zie bladzijde 3-70)

- Zijairbag (indien van toepassing, zie bladzijde 3-72)

- Curtainbag (indien van toepassing, zie bladzijde 3-72)

- Een diagnosesysteem dat de werking van het systeem voortdurend controleert.

- Een waarschuwingslampje om u op de hoogte te brengen van een mogelijk probleem in het systeem.

- Een backup-voeding voor het geval het elektrisch systeem van de auto bij een ongeval uitgeschakeld wordt.

KIA Opirus - Onderdelen airbagsysteem - 1

De airbag van de bestuurder bevindt zich midden in het stuurwiel.

WAARSCHUWING

  • Ga altijd zo ver mogelijk van het stuurwiel afzitten (bovenlichaam tenminste 250 mm (10 inch) van het stuurwiel), zonder de comfortabele zitpositie voor de bediening van de auto te verliezen, zodat het risico van ernstig letsel bij een aanrijding beperkt blijft.
  • Plaats nooit voorwerpen op de airbag of tussen de airbag en uzelf. Dergelijk voorwerpen kunnen u door de kracht en de snelheid waarmee de airbag opgeblazen wordt ernstig verwonden.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Breng geen stickers of andere versierselen aan op het stuurwielkussen. Deze kunnen het activeren van de airbag hinderen.

1GHA2257 HLZ208

Airbag voorpassagier

De airbag voor de voorpassagier bevindt zich boven het dashboardkastje in het dashboard.

Plaats geen voorwerpen op het dashboard om te voorkomen dat deze bij het activeren van de airbag worden weggeslingerd.

WAARSCHUWING

- De airbag voor de voorpassagier is veel groter en wordt met een aanzienlijk grotere kracht opgeblazen dan de airbag van de bestuurder. Deze kan een passagier die niet de goede zitpositie heeft en de veiligheidsgordel niet op de juiste manier draagt ernstig verwonden.

De voorpassagier moet de stoel altijd zo ver mogelijk naar achteren schuiven en helemaal achterin de stoel gaan zitten.

- Het is van groot belang dat de voorpassagier altijd zijn of haar veiligheidsgordel draagt, zelfs bij het rijden op een parkeerterrein of op de oprit naar een garage.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Als de bestuurder krachtig moet remmen in een noodsituatie, worden de inzittenden naar voren gedrukt. Als de voorste inzittenden in dat geval geen gordel dragen, zullen zij tegen de nog ontploffende airbag worden gedrukt. In dat geval kan ernstig letsel het gevolg zijn.

- Zorg ervoor dat de voorpassagier niet de handen of voeten op het dashboard laat rusten of met het gezicht te dicht in de buurt van het dashboard komt. Anders kan de airbag tijdens het activeren met grote kracht tegen de passagier aankomen.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Laat geen kinderen, zwangere vrouwen en andere zwakkere personen plaatsnemen op de voorstoel. Plaats ook geen kinderzitje op de voorstoel. Als de airbag wordt geactiveerd kan dit ernstig letsel tot gevolg hebben.

- Plaats geen voorwerpen op het dashboard en breng geen sticker aan op het dashboard. Plaats geen accessoires of extra spiegels op de voorruit. Deze kunnen het correct uitvouwen van de airbag verhinderen, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.

KIA Opirus - (Vervolg) - 1

KIA Opirus - (Vervolg) - 2

Zijairbag (indien van toepassing)

De zijairbags bevinden zich links in de bestuurdersstoel, rechts in de stoel van de voorpassagier en links en rechts in de achterbank.

Zij zullen worden geactiveerd, zodra aan de voorwaarden hiervoor wordt voldaan (bij een aanrijding van opzij).

WAARSCHUWING

  • Gebruik bij uitvoeringen met zijairbags geen stoelhoezen.
    Stoelhoezen kunnen de correcte werking van de zijairbags verhinderen.
    Als de stoel of de bekleding beschadigd is, laat deze dan repareren door een officiële Kia-dealer. Vertel daarbij dat uw auto is uitgerust met zijairbags.

- Breng geen aanpassingen of aanvullingen op de stoelen aan. Stoelen die niet door Kia Motors zijn goedgekeurd kunnen storingen in het airbagsysteem veroorzaken, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.

2GHA2125 2GHA2125A

Curtainbag (indien van toepassing)

De curtainbag bevinden zich langs de rand van het dak boven de voor- en achterportieren.

Het is ontworpen om bij bepaalde aanrijdingen van opzij de hoofden van de voorste inzittenden en de passagiers op de buitenste zitplaatsen achter te beschermen.

  • Na het activeren blijft de curtainbag ongeveer 3 seconden gevuld. De curtainbag wordt alleen opgeblazen aan de zijde van de auto waar de aanrijding plaatsvindt.
  • De zijairbags en curtainbags zijn niet ontworpen om opgeblazen te worden bij frontale aanrijdingen, aanrijdingen van achteren en in de meeste situaties waarbij de auto over de kop slaat.
  • De curtainbags zijn ontworpen om alleen tijdens bepaalde aanrijdingen van opzij geactiveerd te worden, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, de hoek, de snelheid en de plaats van impact. De curtainbags zijn niet ontworpen om bij alle aanrijdingen van opzij opgeblazen te worden.

⚠ WAARSCHUWING

  • De zijairbags en curtainbags bieden de meest optimale bescherming als de inzittenden zo ver mogelijk rechtop zitten en hun gordel op de juiste manier dragen. Vooral voor kinderen is het belangrijk dat ze in een geschikt kinderzitje plaatsnemen.
  • Als kinderen plaatsnemen op één van de buitenste zitplaatsen achterin, moeten ze in een geschikt kinderzitje plaatsnemen. Plaats het kinderzitje zo ver mogelijk weg van het portier en zet het goed vast.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Laat passagiers niet met het hoofd of andere delen van het lichaam tegen het portier leunen, steek de armen niet uit het raam en plaats geen voorwerpen tussen de passagier en de portieren als de auto is uitgerust met zijairbags en curtainbags.
  • Probeer nooit de onderdelen van de zijairbags en curtainbags te openen of te repareren. Laat dit altijd over aan een officiële Kia-dealer.

Het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregelen kan ertoe leiden dat de inzittenden bij een aanrijding letsel oplopen.

Waarom werd de airbag bij een aanrijding niet opgeblazen?

(Voorwaarden voor wel of niet activeren van de airbags)

Er zijn veel soorten ongevallen waarbij de airbag geen aanvullende bescherming biedt.

Voorbeelden hiervoor zijn aanrijdingen van achter, tweede en volgende stoten bij een kettingbotsing en aanrijdingen bij lage snelheid. Met andere woorden, wees niet verrast wanneer de airbag(s) niet opgeblazen werd(en) hoewel uw auto beschadigd of zelfs total loss is.

KIA Opirus - Waarom werd de airbag bij een aanrijding niet opgeblazen? - 1

③ Zijairbagsensor (indien van toepassing)

WAARSCHUWING

- Let op dat u niet tegen plaatsen aanstoot waar de airbagsensoren zijn ingebouwd.

Anders kan de airbag onverwacht geactiveerd worden waardoor ernstig persoonlijk letsel op kan treden.

- Als de inbouwpositie van de airbagsensoren wordt gewijzigd, kan dit leiden tot activeren van de airbags in situaties waarin dit niet nodig is of het juist niet activeren van de airbags in situaties waar het wel nodig is.

Voer daarom geen reparaties uit aan of in de buurt van de airbagsensoren. Laat de auto controleren en repareren door een officiële Kia-dealer.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Er kunnen problemen ontstaan als de hoek waaronder de sensoren zijn ingebouwd wordt gewijzigd als gevolg van vervorming van de voorbumper of de carrosserie op plaatsen waar de airbagsensoren zijn ingebouwd. Laat de auto controleren en repareren door een officiële Kia-dealer.

- Uw auto is ontworpen om botsenergie zoveel mogelijk te absorberen en in bepaalde gevallen de airbag(s) te activeren. Het monteren van niet-originele bumpers of accessoires op de bumper kan een nadelige invloed hebben op de bescherming bij een aanrijding.

1GHA2271

Voorwaarden voor activeren airbags

Voorste airbags

De voorste airbags (voor bestuurder en voorpassagier) worden geactiveerd bij frontale aanrijdingen, waarbij rekening wordt gehouden met de botskracht, de botshoek en de rijsnelheid.

AIR19B 2GHA2125A

Zijairbag (indien van toepassing)

De airbags opzij (zijairbags en curtainbags) worden geactiveerd bij een aanrijding van opzij, waarbij rekening wordt gehouden met de kracht van de botsing, de botshoek, de zijdelingse snelheid en de mogelijke rolbeweging van de auto.

Ofsoon de voorste airbags (voor bestuurder en voorpassagier) ontworpen zijn voor frontale aanrijdingen, kunnen ze ook bij andere aanrijdingen, waarbij een bepaalde botskracht in de lengterichting optreedt, worden geactiveerd.

Ofsochoon de airbags opzij (zijairbags en curtainbags) ontworpen zijn voor zijdelingse aanrijdingen, kunnen ze ook bij andere aanrijdingen, waarbij een bepaalde botskracht in de dwarsrichting optreedt, worden geactiveerd.

Ze kunnen dus ook worden geactiveerd bij aanrijdingen onder een hoek, bij aanrijdingen waarbij de auto onder een vrachtwagen of bus schuift of als de auto over de kop rolt. Rijd daarom altijd voorzichtig.

De airbags kunnen ook worden geactiveerd als de auto zware stoten ondervindt bij het rijden op zeer slechte wegen. Rijd daarom voorzichtig op slechte wegen.

Bij bepaalde aanrijdingen van opzij kunnen als extra bescherming ook de voorste airbags worden geactiveerd.

1GHA2272

Voorwaarden voor niet activeren airbags

- Bij sommige aanrijdingen bieden de veiligheidsgordels voldoende bescherming en worden de airbags niet geactiveerd. Als de airbags worden geactiveerd, bestaat er een kans op letsel (lichte schaaf-, brand- en snijwonden en dergelijke) en zou de bestuurder de controle over de auto kunnen verliezen.

1GHA2273

- Bij aanrijding van achter worden de airbags meestal niet geactiveerd, omdat de inzittenden dan door de botskracht naar achteren worden gedrukt. In dat geval zijn de airbags overbodig.

KIA Opirus - Voorwaarden voor niet activeren airbags - 2

- De voorste airbags worden bij zijdelingse aanrijdingen soms niet geactiveerd. De inzittenden bewegen altijd in de richting van de aanrijding, waardoor het activeren van de voorste airbags overbodig kan zijn. In dat geval kunnen de zijairbags en curtainbags (indien van toepassing) wel worden geactiveerd.

KIA Opirus - Voorwaarden voor niet activeren airbags - 3

- Bij een aanrijding onder een schuine hoek is de botskracht kleiner dan bij een frontale botsing. In dat geval worden de airbags mogelijk ook niet geactiveerd.

KIA Opirus - Voorwaarden voor niet activeren airbags - 4

- Op het moment van een aanrijding zal de bestuurder in een reflex hard remmen. Doordat de voorkant van de auto door de remkracht inveert, kan de auto onder hoge voertuigen schuiven. In dat geval is de botskracht mogelijk vrij klein, en worden de airbags niet geactiveerd.

KIA Opirus - Voorwaarden voor niet activeren airbags - 5

• Als de auto over de kop gaat, bieden de voorste airbags onvoldoende bescherming. Deze worden dan niet geactiveerd.

De airbags opzij (indien van toepassing) bieden wel extra bescherming als de auto over de kop gaat en worden in dat geval ook geactiveerd.

KIA Opirus - Voorwaarden voor niet activeren airbags - 6

  • De airbags worden soms niet geactiveerd bij een aanrijding tegen een boom of paal, waarbij de botskracht zich concentreert op een klein gedeelte van de auto, buiten het bereik van de sensoren.

Werking van airbagsysteem

• De airbags kunnen alleen worden geactiveerd als het contact in stand ON of START staat.
- De airbags worden bij zwaardere aanrijdingen onmiddellijk geactiveerd om de inzittenden te beschermen tegen letsel.
- De airbags worden niet bij slechts één bepaalde rijsnelheid opgeblazen.

Of de airbags worden geactiveerd, hangt voornamelijk af van de kracht en de richting van de aanrijding. Deze twee factoren bepalen of de sensoren een elektronisch activeringssignaal uitzenden.

  • Of de airbags al dan niet opgeblazen worden, is afhankelijk van een aantal factoren, zoals de rijsnelheid, de hoek van de aanrijding, de massa en de stijfheid van de bij de aanrijding betrokken auto's of objecten. Ook andere factoren kunnen een rol spelen.
  • De voorste airbags worden direct volledig opgeblazen, waarna ze meteen weer leeglopen.

Het is vrijwel onmogelijk om tijdens een ongeval waar te nemen dat de voorste airbags opgeblazen worden. Het is aannemelijker dat u de leeggelopen airbags na de aanrijding uit het stuurwiel of het dashboard ziet hangen.

  • Om bij een zware aanrijding bescherming te bieden, moeten de airbags snel opgeblazen worden. De snelheid waarmee de airbag wordt opgeblazen speelt een belangrijke rol in het voorkomen van ernstig letsel. Deze vormt dus een belangrijk punt tijdens het ontwerpen van een airbag.
    Het opblazen van een airbag kan dus ook letsel zoals schaafwonden, blauwe plekken en gebroken ledematen veroorzaken.
  • Er zijn zelfs omstandigheden waaronder het contact met de airbag in het stuurwiel tot ernstig letsel kan leiden, vooral wanneer de inzittende te dicht op het stuurwiel zit.

WAARSCHUWING

  • De bestuurder moet zover mogelijk van het stuurwiel af(tenminste 250 mm) gaan zitten om de kans op letsel te verminderen. De voorpassagier moet de stoel altijd zo ver mogelijk naar achteren schuiven en helemaal achterin de stoel gaan zitten.
    • De airbags worden bij een aanrijding onmiddellijk geactiveerd en door de grote kracht waarmee dit gebeurt, kunnen de passagiers ernstig gewond raken als ze te dicht bij de airbag zitten.
  • Het activeren van de airbags kan letsel veroorzaken als schaafwonden, verwondingen door brillen en brandwonden door de explosieve lading van de airbags.

Geluid en rookontwikkeling bij activeren airbag

Bij het opblazen van de airbags is een hard geluid hoorbaar en komt rook en poeder vrij. Dit is normaal en wordt veroorzaakt doordat het ontstekingsmechanisme van de airbag geactiveerd wordt. Nadat de airbags opgeblazen zijn, kunt u een poosje last hebben bij het ademhalen doordat uw borstkas in contact is geweest met zowel de veiligheidsgordel als de airbag en doordat u de rook hebt ingeademd. Wij adviseren u met klem zo snel mogelijk na een aanrijding de portieren en/of de ruiten te openen wanneer dit mogelijk is, om te voorkomen dat u te lang in aanraking blijft met de rook.

Hoewel de rook en het poeder niet giftig zijn, kunnen deze wel huidirritaties veroorzaken in de buurt van ogen, neus en hals. Was in dat geval de desbetreffende plek schoon en spoel deze met koud water na. Raadpleeg een dokter als de symptomen aanhouden.

WAARSCHUWING

Na het activeren van de airbags kunnen onderdelen in de buurt van het stuurwiel en het dashboard erg heet zijn. Raak de onderdelen van het airbagsysteem niet aan direct nadat een airbag opgeblazen is, om letsel te voorkomen.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

Het is verboden om een kinderzitje op de voorstoel te plaatsen.

Gebruik nooit een kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar achteren gericht op de voorstoel zit. Als de airbag wordt opgeblazen, oefent deze op een dergelijk geplaatst kinderzitje een grote kracht uit, waardoor het kind ernstig letsel kan oplopen.

Gebruik op de voorstoel ook geen kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar voren is gericht. Als de airbag van de voorpassagier wordt geactiveerd, zou dit ernstig letsel kunnen veroorzaken.

WAARSCHUWING

  • Gebruik nooit een kinderzitje op de voorstoel. Als de airbag van de voorpassagier wordt geactiveerd, zou dit ernstig letsel kunnen veroorzaken.
  • Als het kinderzitje op één van de buitenste zitplaatsen achter wordt geplaatst bij uitvoeringen met zijairbags, zorg er dan voor dat het kinderzitje zo ver mogelijk weg van het portier wordt geplaatst en zet het goed vast. Door het activeren van de zijairbag of curtainbag (indien van toepassing) zou dit ernstig letsel kunnen veroorzaken.

AIR BAG

Waarschuwingslampje AIRBAG

Het doel van het waarschuwingslampje AIRBAG in het dashboard is om u te waarschuwen voor een mogelijke storing in de airbag - het aanvullend veiligheidssysteem (SRS).

Als het contact in stand ON wordt gezet, moet het lampje gedurende ongeveer 6 seconden gaan knipperen en daarna uitgaan.

Laat het systeem controleren wanneer:

  • Het lampje niet kort gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet.
  • Het lampje blijft branden nadat de motor aanslaat.
  • Het lampje gaat branden tijdens het rijden.

Onderhoud aanvullend veiligheidssysteem

Uw aanvullend veiligheidssysteem is nagenoeg onderhoudsvrij. Het bevat geen onderdelen waaraan u onderhoud kunt uitvoeren.

Laat het systeem onder de volgende omstandigheden nakijken:

• Vervang een airbag wanneer deze opgeblazen is geweest. Probeer nooit zelf de airbag te verwijderen. Laat dit over aan een officiële Kia-dealer of een gekwalificeerde monteur.
- Laat het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren als het waarschuwingslampje AIRBAG een storing aangeeft. Anders kan het airbagsysteem mogelijk niet goed werken.

Het hele aanvullend veiligheidssysteem moet 10 jaar nadat de auto de fabriek verlaten heeft, gecontroleerd worden door een officiële Kia-dealer.

Z VOORZICHTIG

Breng geen wijzigingen aan in het aanvullend veiligheidssysteem. Door aanpassingen kan het systeem niet meer correct werken.

⚠ WAARSCHUWING

- Breng geen wijzigingen aan in het stuurwiel of in een ander onderdeel van het aanvullend veiligheidssysteem. Door aanpassingen kan het systeem niet meer correct werken.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Voer geen werkzaamheden uit aan onderdelen of aan de bedrading van het systeem. Hierdoor kunnen de airbags per ongeluk opgeblazen worden, waardoor ernstig letsel kan ontstaan. Door werkzaamheden aan het systeem kan het ook uitgeschakeld worden waardoor de airbags bij een aanrijding niet opgeblazen worden.
  • Alle werkzaamheden aan het aanvullend veiligheidssysteem, zoals het verwijderen, het plaatsen of het repareren ervan, of werkzaamheden aan het stuurwiel moeten uitgevoerd worden door een gekwalificeerde Kia-monteur. Een onjuiste behandeling van het airbagsysteem kan leiden tot ernstig persoonlijk letsel.

Bij reparaties aan of afvoeren van de auto

  • Door reparaties aan het stuurwiel, het instrumentenpaneel, de middenconsole en het dak, bij het installeren van een audiosysteem en bij het spuiten van plaatwerk aan de voorzijde van de auto kan het airbagsysteem ontregeld raken. Laat deze handelingen uitvoeren door een officiële Kia-dealer.
  • Vermeld bij het afleveren van de auto bij de Kia-dealer dat uw auto is uitgerust met een airbagsysteem en laat het instructieboekjes achter in de auto.
  • Het airbagsysteem bevat explosieve chemicaliën. Neem contact op met een officiële Kia-dealer voor het afvoeren van de auto.

Kennismaking met uw auto

Airbagwaarschuwingslabel

Het airbagwaarschuwingslabel is bedoeld om de bestuurder en passagiers te waarschuwen voor mogelijke gevaren van het airbagsysteem

BAGAGERUIMTE

① ② ③ ④ 1GHA2017

Van buitenaf

  • Steek, om de bagageruimte te openen, de sleutel in het slot (①) en draai deze rechtsom (②) totdat een klikgeluid hoorbaar is. Als de achterklep met de sleutel wordt geopend terwijl de portieren vergrendeld zijn, zal de achterklep na het sluiten automatisch worden vergrendeld.
  • Druk op de hendel (③) om de achterklep te openen (④). De achterklep wordt tegelijkertijd met de portieren ontgrendeld.

  • Druk, om de bagageruimte te sluiten, met beide handen de achterklep naar beneden. Controleer of de achterklep goed dicht zit. De achterklep wordt tegelijkertijd met de portieren vergrendeld.

  • Als de knop van de achterklepontgrendeling in het dashboardkastje is ingedrukt, kan de achterklep worden ontgrendeld met de afstandsbediening.
  • Als de achterklep met de afstandsbediening wordt ontgrendeld terwijl de portieren vergrendeld zijn, zal de achterklep na het sluiten automatisch worden vergrendeld.
  • De achterklep kan niet worden ontgrendeld met de garagesleutel.
  • Zie blz. 3-10 voor het ontgrendelen van de achterklep met de E-key.

\* OPMERKING

Probeer niet de achterklep te ontgrendelen met de garagesleutel. Hierdoor kan de sleutel beschadigd raken.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 1

Kennismaking met uw auto

De bagageruimteverlichting gaat branden zodra de achterklep geopend wordt. De verlichting blijft branden zolang de achterklep niet volledig gesloten is.

Z VOORZICHTIG

Zorg ervoor dat de achterklep goed dicht zit. Als deze niet goed dicht zit, kan de accu leegraken als de motor niet draait.

1 1GHA2019

Van binnenuit

De achterklep kan ook van binnenuit worden geopend met de hendel op het bestuurdersportier. Hiervoor dient de knop in het dashboardkastje in stand ON (ingedrukt) te staan.

Als de knop van de achterklepontgrendeling in het dashboardkastje in stand OFF (niet ingedrukt) staat, kan de achterklep alleen worden ontgrendeld met de hoofdsleutel.

⚠ WAARSCHUWING

Als u met een geopende achterklep rijdt, worden gevaarlijke uitlaatgassen in het interieur gezogen. Een geopende achterklep belemmert bovendien het zicht naar achteren.

Trek om bagageruimte te openen 2GHA2020

Noodontgrendeling bagageruimte

Uw auto is uitgerust met een kabel voor de noodontgrendeling van de bagageruimte, die zich binnenin de bagageruimte bevindt. Als er iemand per ongeluk in de bagageruimte wordt opgesloten, kan de achterklep worden geopend door aan deze kabel te trekken.

WAARSCHUWING

Vervoer nooit personen in de bagageruimte van de auto. Als de bagageruimte gedeeltelijk of volledig gesloten is en de persoon niet uit de bagageruimte kan komen, kan ernstig letsel optreden door ventilatiegebrek, dampen, warmte of door blootstelling aan koude. Daarnaast is de bagageruimte gevaarlijk tijdens een aanrijding, aangezien deze geen deel uitmaakt van de veiligheidskool maar slechts tot de kreukelzone van de auto behoort.

1GHA2004

Achterklepvergrendeling

In het dashboardkastje bevindt zich een knop waarmee het ongeoorloofd ontgrendelen van de achterklep kan worden voorkomen.

Met hoofdsleutel en garagesleutel (indien van toepassing)

Bagageruimte vergrendelen

Voer de volgende procedure uit om ervoor te zorgen dat de achterklep alleen met de hoofdsleutel kan worden ontgrendeld:

  1. Open het dashboardkastje.
  2. Zet de knop voor de achterklepontgrendeling in stand OFF (niet ingedrukt).
  3. Sluit het dashboardkastje af met de hoofdsleutel.

Voer, voordat u de garagesleutel afgeeft, de stappen 1 t/m 3. De garagesleutel kan alleen worden gebruikt om de motor te starten en de portieren te vergrendelen en te ontgrendelen.

Ontgrendelen

Open het dashboardkastje en zet de knop van de achterklepontgrendeling in stand ON (ingedrukt) om het ontgrendelen van de achterklep weer mogelijk te maken. In deze stand kan de achterklep ook met de hendel en de afstandsbediening worden ontgrendeld. De achterklep kan niet worden ontgrendeld met de garagesleutel.

Met E-key (indien van toepassing)

Bagageruimte vergrendelen

Voer de volgende procedure uit om ervoor te zorgen dat de achterklep alleen met de mechanische sleutel kan worden ontgrendeld:

  1. Open het dashboardkastje.
  2. Zet de knop voor de achterklepontgrendeling in stand OFF (niet ingedrukt).
  3. Sluit het dashboardkastje en vergrendel het vervolgens met de mechanische sleutel.

Voer, voordat u de E-key afgeeft, stap 1 t/m 3 uit en verwijder de mechanische sleutel uit de E-key. Op deze manier kan de E-key alleen worden gebruikt om de portieren te ver- en ontgrendelen en om de motor te starten.

Ontgrendelen

Open het dashboardkastje met de mechanische sleutel en zet de knop van de achterklepontgrendeling in stand ON (ingedrukt) om het ontgrendelen van de achterklep weer mogelijk te maken. In deze stand kan de achterklep ook met de hendel en de E-key worden ontgrendeld.

KIA Opirus - Ontgrendelen - 1

MOTORKAP

3

KIA Opirus - MOTORKAP - 1

  1. Trek aan de ontgrendelknop links onder het dashboard om de motorkap te ontgrendelen. De motorkap komt iets omhoog.

KIA Opirus - MOTORKAP - 2

  1. Ga naar de voorzijde van de autoen til de motorkap iets op. Trek (②) de veiligheidshaak (①) in het midden van de motorkap omhoog.

  2. Open de motorkap. Deze zal automatisch volledig openen nadat hij tot halverwege geopend is.

Sluiten van motorkap

  1. Controleer de volgende punten alvorens de motorkap te sluiten:

- Of alle vuldoppen correct teruggeplaatst zijn.

• Of er geen handschoenen, doeken of andere brandbare materialen in de motorruimte zijn achtergebleven.

  1. Laat de motorkap zakken en druk deze stevig in het slot. Controleer of de motorkap goed vergrendeld is alvorens te gaan rijden.

TANKDOPKLEP

1GHA2021

  1. Zet de motor uit.
  2. Druk op de ontgrendelknop in het bestuurdersportier om de tankdopklep te openen.
  3. Open de tankdopklep.

WAARSCHUWING

Draag in verband met scherpe randen beschermende handschoenen tijdens het openen van de tankdopklep.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

  1. Draai de tankdop linksom om deze te verwijderen.
  2. Vul de tank met brandstof.
  3. Plaats de dop terug en draai hem rechtsom totdat deze klikt. Dat geeft aan dat de dop goed vastzit.
  4. Sluit de tankdopklep en druk deze goed dicht.

Z VOORZICHTIG

  • Tank bij een benzinemotor uitsluitend loodvrije benzine.
  • Zorg er na het tanken voor dat de tankdopklep goed dicht zit.
  • Gebruik, als de tankdop vervangen moet worden, uitsluitend een originele Kia-dop of een andere, voor uw auto geschikte dop. Een verkeerde tankdop kan een ernstige storing in het brandstofsysteem of het emissieregelsysteem veroorzaken. De juiste vervangende dop is verkrijgbaar bij de officiële Kia-dealers.
  • Mors geen brandstof op de buitenzijde van de auto. Brandstof kan de lak aantasten.

WAARSCHUWING

- Tanken

- In de brandstoftank kan een verhoogde druk heersen, waardoor er bij het openen van de tankdop een beetje brandstof uit kan spuiten. Verwijder de tankdop altijd voorzichtig en langzaam. Als er brandstof naar buiten komt of er een sissend geluid hoorbaar wordt, moet u even wachten voordat u de dop verder losdraait.

- Brandstofdampen kunnen uiterst gevaarlijk zijn; ze kunnen namelijk exploderen. Zet de motor uit voor het tanken. Houd sigaretten, vonken en open vuur uit de buurt van de vulopening. Zorg er voor dat sigaretten te allen tijde gedoofd zijn voordat u gaat tanken.

1GHA2022

Als de tankdopklep niet opengaat met de ontgrendelknop

  1. Open de bagageruimte.
  2. Trek aan de hendel van de noodontgrendeling in de bagageruimte.

SPIEGELS

Buitenspiegel

Stel de spiegels af voordat u gaat rijden.

Z VOORZICHTIG

- De rechter buitenspiegel is convergerend.

Bij uitvoeringen voor sommige landen is ook de linker buitenspiegel convergerend. Objecten in de spiegel zijn daardoor dichterbij dan ze lijken.

- Gebruik bij het veranderen van rijstrook daarom uw binnenspiegel of kijk opzij om de werkelijke afstand tot het achteropkomende verkeer vast te stellen.

\* OPMERKING

Gebruik geen krabber om de spiegel ijsvrij te maken; hierdoor kan het spiegelglas beschadigd raken. Forceer een bevroren spiegel niet tijdens het verstellen. Verwijder ijs met een ruitontdooier of met een spons of zachte dock en heet water.

① 2GHA2205

Met behulp van de schakelaar kunt u de linker en rechter buitenspiegel elektrisch verstellen. Zet de keuzeschakelaar (①) in de stand R of L afhankelijk van de spiegel die u wilt verstellen. Druk vervolgens op het desbetreffende deel (▲) van de bedieningsschakelaar om de spiegel naar boven of naar beneden, naar links of rechts te verstellen.

Zet het hendeltje na het verstellen terug in het midden om te voorkomen dat de spiegel onbedoeld wordt versteld.

\* OPMERKING

  • De spiegels stoppen hun beweging als de maximale stelhoek bereikt is. De stelmotor blijft echter draaien zolang de schakelaar ingedrukt blijft. Houd de schakelaar niet langer ingedrukt dan nodig om te voorkomen dat de stelmotor beschadigd wordt.
    • Probeer nooit de spiegels tijdens het rijden te verstellen. Anders kan er schade ontstaan.

Midden 2GHA2037

Automatische spiegelverstelling bij achteruitrijden (Indien van toepassing)

Als de selectiehendel in de achteruitstand (R) wordt gezet, worden de buitenspiegels automatisch ongeveer 5 graden naar beneden gedraaid. Ze blijven in deze stand staan totdat de selectiehendel weer in een andere stand wordt gezet.

L : Zowel de linker als de rechter buitenspiegel worden naar beneden gedraaid.

R : Alleen de rechter buitenspiegel wordt naar beneden gedraaid.

Midden: De automatische spiegelverstelling is uitgeschakeld.

De spiegels worden weer in de oorspronkelijk positie gezet als de keuzeschakelaar in een andere stand wordt gezet of als de selectiehendel vanuit de achteruit (R) weer in een andere stand wordt gezet.

(Voorbeelden)

Als de selectiehendel in de achteruitstand (R) wordt gezet en de keuzeschakelaar in stand L, zullen zowel de linker als de rechter buitenspiegel 5 graden naar beneden worden gedraaid.

Als de keuzeschakelaar in stand R wordt gezet, zal de linker buitenspiegel terugkeren in de oorspronkelijke positie. De rechter buitenspiegel zal nog niet terugkeren in de oorspronkelijke positie.

Als de selectiehendel in een andere stand wordt gezet of als de keuzeschakelaar in de middenstand wordt gezet, zal ook de rechter buitenspiegel weer in de oorspronkelijke positie terugkeren.

KIA Opirus - (Voorbeelden) - 1

Pak de buitenspiegel bij de behuizing vast en klap deze naar achteren.

Spiegelverwarming (indien van toepassing)

De spiegelverwarming wordt tegelijk met de achterruitverwarming ingeschakeld. Druk de schakelaar van de achterruitverwarming in om de buitenspiegels te verwarmen.

Het spiegelglas zal opgewarmd worden zodat ijs en wasem verdwijnt en u een beter zicht naar achter heeft. Druk nogmaals op de schakelaar om de verwarming uit te schakelen. De spiegelverwarming schakelt zichzelf na 20 minuten automatisch uit.

Hendel dag-/nachtstand Dag Nacht 2GHA2203

Binnenspiegel met dag-/nachtstand

Handmatig

Stel de binnenspiegel zo af dat u in het midden van de spiegel het midden van de achterruit ziet. Stel de spiegel af voordat u wegrijdt en deze in de dag-stand staat.

Trek de hendel onder aan de spiegel naar u toe om de spiegel in de nachtstand te zetten om verblinding door de koplampen van achteropkomend verkeer te voorkomen.

Houd er rekening mee dat het beeld in de spiegel in de nachtstand minder duidelijk is dan in de dagstand.

Z VOORZICHTIG

Zorg er indien mogelijk voor dat het uitzicht door de achterruit niet belemmerd wordt

Sensor 2GHA2204

Elektrisch

(indien van toepassing)

De elektrische dag/nachtbinnenspiegel voorkomt automatisch verblinding door achteropkomend verkeer. Een sensor in de spiegel registreert de lichtinval en absorbeert door middel van een chemische reactie de weerspiegelingen in een bereik van 10 - 70%.

Bedienen van elektrische binnenspiegel

Zodra de motor draait, worden de lichtreflecties automatisch gedimd.

Als de selectiehendel in de achteruitstand (R) wordt gezet, wordt de binnenspiegel in de helderste stand gezet om het uitzicht naar achteren zo duidelijk mogelijk te maken.

Kennismaking met uw auto

Voor (indien van toepassing) De lampjes worden AAN en UIT geschakeld door de desbetreffende schakelaar in te drukken.

OFF DOOR ON E2BLA324

Interieurverlichting (indien van toepassing)

① OFF - De interieurverlichting blijft uit, zelfs als een portier wordt geopend.
② DOOR- De verlichting gaat aan als een portier wordt geopend. Als de portieren met de afstandsbediening worden ontgrendeld, wordt de binnenverlichting gedurende 30 seconden ingeschakeld. De verlichting wordt langzaam gedoofd, zodra de portieren weer zijn gesloten.
③ ON - De verlichting is aan, ook als alle portieren gesloten zijn.

KIA Opirus - Interieurverlichting (indien van toepassing) - 1

De instapverlichting gaat branden zodra het portier geopend wordt om het in- en uitstappen te vergemakkelijken. Deze verlichting waarschuwt tevens achteropkomend verkeer dat het portier is geopend.

OPBERGVAK

\* OPMERKING

Laat geen waardevolle spullen achter in de opbergvakken, om diefstal te voorkomen.
- Plaats voorwerpen zodanig in de opbergvakken dat ze niet rammelen of op enige manier gevaar op kunnen leveren tijdens het rijden.
• Houd de deksels van de ophergvakken tijdens het rijden gesloten. Plaats niet te veel voorwerpen in de ophergvakken om te voorkomen dat de deksels niet gesloten kunnen worden.

WAARSCHUWING

Bewaar geen aanstekers of andere brandbare of explosieve materialen in de auto. Deze kunnen ontploffen of vlam vatten wanneer de auto gedurende lange tijd blootgesteld staat aan hoge temperaturen.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

Druk op knop ① of ② om het desbetreffende opbergvak te openen.

In deze opbergvakken kunnen kleine voorwerpen voor bestuurder of voorpassagier worden bewaard.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 2

Open het deksel om het opbergvak te gebruiken. In dit opbergvak kunnen kleine voorwerpen voor bestuurder of voorpassagier worden bewaard. Bij uitvoeringen met een aparte airconditioning voor achterin kan dit opbergvak ook gebruikt worden om goederen gekoeld of warm te houden (zie blz. 4-84).

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 3

Voor (indien van toepassing)

Druk de knop in om het deksel te openen. In dit opbergvak kunnen kleine voorwerpen voor bestuurder of voorpassagier worden bewaard.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 4

Midden (indien van toepassing)

Druk op de knop (①) om het opbergvak te openen. Het opbergvak (②) kan worden gesloten door het weer terug in het dashboard te duwen. In dit opbergvak kunnen kleine voorwerpen worden bewaard.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 5

Achter (indien van toepassing)

Trek de armsteun omlaag en de vergrendeling (①) omhoog om het opbergvak te openen. Het kan gebruikt worden voor het bewaren van kleine voorwerpen.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 6

De klep van het dashboardkastje kan met de hoofdsleutel vergrendeld (①) en ontgrendeld (②) worden.

Het dashboardkastje kan worden ver- en ontgrendeld met de mechanische sleutel in de E-key (indien van toepassing).

Het kastje kan niet worden ontgrendeld met de garagesleutel.

Ontgrendel het dashboardkastje en trek aan de handgreep (3), waarna het kastje automatisch verder opengaat (4). Sluit het dashboardkastje na gebruik.

\* OPMERKING

Gebruik niet te veel kracht om de sleutel om te draaien. Anders kan er schade ontstaan.

⚠ WAARSCHUWING

Houd het dashboardkastje tijdens het rijden altijd gesloten om de kans op letsel in geval van een aanrijding of bij plotseling remmen te verminderen.

KIA Opirus - ⚠ WAARSCHUWING - 1

Opbergvak voor zonnebril

In de dakconsole bevindt zich een opbergvak voor een zonnebril.

Druk op het afdekkapje om het opbergvak langzaam te openen. Plaats uw zonnebril met de glazen naar boven gericht in het opbergvak.

Druk het opbergvak dicht.

\* OPMERKING

Controleer of het opbergvak goed dicht zit alvorens te gaan rijden.

Kennismaking met uw auto

OVERIGE VOORZIENINGEN
KIA Opirus - \* OPMERKING - 1

Druk, om de aansteker te gebruiken, kort op de voorkant van de asbak, waardoor de aansteker en de asbak langzaam uit de middenconsole schuiven.

Voor het gebruik de aansteker indrukken en loslaten. Als het element voldoende verhit is, komt de aansteker automatisch naar buiten en is hij gereed voor gebruik.

Als de motor niet draait, moet het contact in stand ACC staan om de aansteker te kunnen gebruiken.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 2

Voor het gebruik de aansteker indrukken en loslaten. Als het element voldoende verhit is, komt de aansteker automatisch naar buiten en is hij gereed voor gebruik.

Als de motor niet draait, moet het contact in stand ACC staan om de aansteker te kunnen gebruiken.

\* OPMERKING

• Houd de aansteker niet ingedrukt omdat daardoor oververhitting kan ontstaan.
• Als aansteker mag alleen een originele Kia-aansteker worden gebruikt.

Het gebruik van de aansteker als voedingsbron voor accessires (scheerapparaten, kruimeizuigers, keffiezetapparaten, enz.) kan de aanstekerbus beschadigen of kortsluiting veroorzaken.

- Verwijder de aansteker met de hand wanneer deze niet binnen 30 seconden naar buiten springt om oververhitting te voorkomen.

① ① 1GHA2084A

Asbakken

Voor

Druk, om de asbak te gebruiken, kort op de voorkant van de asbak, waardoor de aansteker en de asbak langzaam uit de middenconsole schuiven.

Verwijderen: Trek het binnenste (①) van de asbak voorzichtig naar buiten.

① 1GHA2085

Achter

Open het deksel om de asbak te gebruiken.

Trek het binnenste (①) van de asbak voorzichtig naar buiten om de asbak te legen en/of reinigen.

WAARSCHUWING

- Gebruik van asbak

  • Gebruik de asbakken in de auto niet voor afval.
  • Er kan brand ontstaan wanneer brandende sigaretten of lucifers in een asbak met brandbare materialen worden gestopt.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

Bekerhouder

In de bekerhouders kunnen bekers en blikjes frisdrank worden geplaatst.

WAARSCHUWING

- Hete vloeistoffen

  • Plaats geen bekers met hete vloeistof in de houder tijdens het rijden. Het morsen van hete vloeistof kan brandwonden tot gevolg hebben. Als dit bij de bestuurder gebeurt, zou deze de controle over de auto kunnen verliezen.
  • Om het risico van persoonlijk letsel bij een aanrijding of een noodstop tot een minimum te beperken, mogen tijdens het rijden geen open flesjes, bekers, blikjes enz. in de bekerhouder worden geplaatst.

1GHA2088

Voor

Druk op het deksel en de bekerhouder zal automatisch tevoorschijn komen. Druk het deksel na gebruik dicht.

KIA Opirus - - Hete vloeistoffen - 2

Trek de middelste armsteun achter omlaag om de bekerhouders te kunnen gebruiken.

KIA Opirus - - Hete vloeistoffen - 3

Klap de middelste armsteun omlaag en druk eenmaal op de bekerhouder, waarna deze langzaam uit de armsteun schuift.

Druk na gebruik de bekerhouder terug in de armsteun totdat een klikgeluid hoorbaar is.

\* OPMERKING

Plaats geen zware bekers of blikjes in de bekerhouders. Hierdoor kunnen ze beschadigd raken.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 1

Gebruik de zonneklep om verblinding door direct zonlicht via de voor- en zijruiten tegen te gaan.

Trek de zonneklep omlaag om deze te kunnen gebruiken.

Trek de zonneklep omlaag, neem hem uit de steun (①) en draai hem naar de zijruit om bescherming te verkrijgen tegen zon van opzij.

In de zonneklep aan bestuurderszijde bevindt zich een opbergvak (②) voor kaartjes of papieren. De make-upspiegel kunt u gebruiken door de zonneklep te openen en het afdekkapje (③) van de spiegel op te klappen.

Trek het verlengstuk (④) uit voor meer schaduw.

\* OPMERKING

Sluit het afdekkapje van de make-upspiegel goed en klap de zonneklep omhoog na gebruik. Als het afdekkapje van de make-upspiegel niet goed wordt gesloten, blijft het lampje branden, waardoor de accu leegraken en de zonneklep mogelijk beschadigd raakt.

Voor (indien van toepassing) Achter 1GHA2134 1GHA2234

12V-aansluiting (indien van toepassing)

Deze aansluitingen zijn ontworpen om mobiele telefoons en andere apparaten die in de auto gebruikt kunnen worden, op te laden. Deze apparaten mogen niet meer dan 10 A afnemen als de motor draait.

\* OPMERKING

  • Alleen gebruiken indien de motor draait.
    • Alleen voor het aansluiten van elektrische apparatuur die werkt op 12 V en een stroomverbruik heeft van maximaal 10 A.
  • Schakel de airconditioning of de verwarming in de laagste stand als de 12V-aansluiting tegelijkertijd wordt gebruikt.
    • Plaats het afdekkapje op de aansluiting wanneer deze niet wordt gebruiker.
  • Sommige elektronische apparaten die op de 12V-aansluiding worden aangesloten, kunnen storing veroorzaken. De problemen kunnen variëren van een slechte radio-onfvangst tot storingen in de elektronische systemen en apparaten in de auto.

5GHA2232 ① ②

Klok

Analog (Indien van toepassing)

Als de accukabels, de zekeringen A/V of CLOCK of de voedingsstekker zijn losgenomen, moet de tijd opnieuw worden ingesteld.

Wanneer het contact in stand ACC of ON staat, werken de knoppen van de klok als volgt:

① (+): De tijd wordt één minuut vooruitgezet. Als de knop langer dan 3 seconden wordt ingedrukt, wordt de tijd continu vooruitgezet.
② (-) : De tijd wordt één minuut teruggezet. Als de knop langer dan 3 seconden wordt ingedrukt, wordt de tijd continu teruggezet.

②③④⑤ 304 72-20 ⑥⑦⑧① 1GHA2110

Digital (Indien van toepassing)

Als de accukabels, de zekeringen A/V of CLOCK of de voedingsstekker zijn losgenomen, moet de tijd opnieuw worden ingesteld.

Druk op de knop PUSH voor het display om de functietoetsen bereikbaar te maken. Gebruik deze toetsen om de op het display weergegeven tijd en datum af te stellen.

  1. Druk op de toets MODE (①).
  2. Selecteer uren (②), minuten (③), maand (④) of datum (⑤).
  3. Wijzig de instelling met toets ▼ (⑥) of ▲ (⑦).

Druk langer dan 3 seconden op toets ▼ (⑥) of ▲ (⑦) om het wijzigen van de instelling te versnellen. Druk kortstondig op toets ▼ (⑥) of ▲ (⑦) om de instelling stapsgewijs te wijzigen.

  1. Druk op de toets SET (⑧).

LUCHTREINIGER (INDIEN VAN TOEPASSING)

KIA Opirus - LUCHTREINIGER (INDIEN VAN TOEPASSING) - 1

KIA Opirus - LUCHTREINIGER (INDIEN VAN TOEPASSING) - 2

Als het contact in stand ON staat, kan de luchtreiniger worden ingeschakeld met de schakelaar op het dashboard.

De luchtreiniger bestaat uit een ionisatiefilter dal stof, onaangename geurtjes en schadelijke gassen absorbeert. De gezuiverde lucht wordt via een opening in de hoedenplank in het interieur gebracht.

Bediening

Kies één van de volgende standen.

• OFF - Systeem uitgeschakeld
- AUTO - De luchtstroom en filterwerking worden automatisch geregeld met behulp van sensoren.
- LOW - Een geringe stroom lucht wordt gefilterd en geïoniseerd.
- HIGH - De lucht wordt maximaal gefilterd en geïoniseerd.

Het filter van de luchtreiniger dient regelmatig te worden vervangen. (Zie het onderhoudsschema in hoofdstuk 7.)

Als de luchtreiniger vaak wordt gebruikt in stoffige gebieden of gebieden met veel luchtverontreiniging (drukke wegen), dient het filter vaker dan de aanbevolen intervallen te worden vervangen.

Als het filter vuil is, werkt de luchtreiniger niet goed meer.

SCHUIF-/KANTELDAK (INDIEN VAN TOEPASSING)

KIA Opirus - SCHUIF-/KANTELDAK (INDIEN VAN TOEPASSING) - 1

Indien uw auto is uitgerust met deze optie, kunt u het schuif-/kanteldak met behulp van de schakelaars in de dakconsole openschuiven of kantelen.

Het schuif-/kanteldak kan elektrisch geopend en gesloten worden wanneer het contact in stand ON staat.

\* OPMERKING

  • Houd de schakelaars niet langer ingedrukt als het schuif/kanteldak volledig is geopend, gesloten of gekanteld. Hierdoor kunnen de motor en andere onderdelen beschadigd raken.
  • Het schulf-/kanteldak kan niet opengeschoven worden wanneer het gekanteld is en niet gekanteld worden als het geopend is.

Open-/dichtschuiven van het schuif-/kanteldak

Automatisch openschuiven

Druk kort (langer dan 1 seconde) op de toets SLIDE OPEN in de dakconsole om het schuif-/kanteldak automatisch open te laten schuiven. Het schuif-/kanteldak zal volledig openschuiven. Druk op één van de schakelaars om het openschuiven van het schuif-/kanteldak in een willekeurige stand te onderbreken.

Handmatig openschuiven

Houd de toets SLIDE OPEN in de dakconsole maximaal 0,5 seconde ingedrukt.

Sluiten

Sluit het dak door de schakelaar CLOSE in de dakconsole ingedrukt te houden tot het dak volledig gesloten is.

Kantelen van het schuif-/kanteldak

Automatisch omhoogkantelen

Druk kort (langer dan 1 seconde) op de toets TILT UP in de dakconsole om het schuif-/kanteldak automatisch omhoog te laten kantelen. Het schuif-/kanteldak zal volledig omhoogkantelen. Druk op één van de schakelaars om het omhoogkantelen van het schuif-/kanteldak in een willekeurige stand te onderbreken.

Handmatig omhoogkantelen

Houd de toets TILT UP in de dakconsole maximaal 0,5 seconde ingedrukt.

Sluiten

Sluit het dak door de schakelaar CLOSE in de dakconsole ingedrukt te houden tot het dak volledig gesloten is.

KIA Opirus - Sluiten - 1

Het zonnescherm wordt automatisch met het glaspaneel geopend wanneer dit openschuift. U moet het echter handmatig sluiten.

\* OPMERKING

• Houd de schakelaars van het schuff-/kanteldak niet langer ingedrukt dan nodig. Hierdoor kunnen de motor en andere onderdelen beschadigd raken.
- Verwijder van tijd tot tijd het vuil dat zich verzameld heeft op de geleiderall.
- Wanneer u het schuif-/kanteldak probeert te openen bij temperaturen onder het vriespunt, of als het dak bedekt is met sneeuw of ijs, kan het glaspaneel of de moter beschadigd raken.

WAARSCHUWING

  • Steek tijdens het rijden de armen en het hoofd niet buiten de auto.
  • Zorg ervoor dat de handen en het hoofd zich op een veilige afstand van het schuif-/kanteldak bevinden, alvorens het schuif-/kanteldak te sluiten.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

Wat te doen in noodgevallen

Als het schuif-/kanteldak niet elektrisch bediend kan worden:

  1. Verwijder de lens.
  2. Verwijder de twee (2) schroeven en de dakconsole.
  3. Plaats de noodsleutel (meegeleverd bij de auto) en draai deze rechtsom om het dak te openen of linksom om het dak te sluiten.

Terugstellen van het schuif-/kanteldak

U moet het schuif-/kanteldak als volgt terugstellen wanneer de accu losgenomen is of wanneer het schuif-/kanteldak handmatig met de noodsleutel bediend wordt:

  1. Zet het contact in stand ON.
  2. Handel, afhankelijk van de stand van het schuif-/kanteldak, als volgt:
    1) Als het schuif-/kanteldak volledig gesloten of gekanteld is:
    Druk gedurende 1 seconde op de toets TILT UP.
    2) Als het schuif-/kanteldak opengeschoven is:
    Houd de toets CLOSE minimaal 5 seconden ingedrukt totdat het schuif-/kanteldak volledig gesloten is.
    Druk vervolgens gedurende 1 seconde op de toets TILT UP.

  3. Laat dan de toets los.

  4. Druk nogmaals op de toets TILT UP en houd deze ingedrukt totdat het schuif-/kanteldak weer in de normale gekantelde positie staat, na even iets verder omhoog te zijn gekanteld.

Hierna is het schuif-/kanteldak gereset.

KIA Opirus - Terugstellen van het schuif-/kanteldak - 1

ANTENNE

KIA Opirus - ANTENNE - 1

Elektrische antenne (indien van toepassing)

De antenne schuift automatisch uit wanneer de radio wordt ingeschakeld en het contact in stand ON of stand ACC staat. De antenne schuift automatisch in wanneer de radio wordt uitgeschakeld of wanneer het contact in stand LOCK wordt gezet.

Z. VOORZICHTIG

Let er voordat de radio wordt ingeschakeld op dat zich niemand binnen het bereik van de antenne bevindt.

\* OPMERKING

• Schuif de antenne volledig in voordat u van een autowasserette gebruik maakt.
• Als de antenne vuil is, reinig deze dan voordat u de radio of de motor uitschakelt om te voorkomen dat de antenne geblokkeerd wordt.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 1

Ruitantenne (indien van toepassing)

De AM en FM-radiosignalen worden ontvangen via de in de achterruit geïntegreerde antenne als het contact in stand ON of ACC staat.

\* OPMERKING

• Reinig de binnenzijde van de achterruit niet met een agressief reinigingsmiddel of een hard voorwerp. Hierdoor kan de antenne beschadigd raken.
• Breng geen metaalhoudende (nikkel, cadmium enz.) coatings aan op de achterruit. Deze kunnen de radio-ontvangst verstoren.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 1

Contactslot / 4-3

Starten van de motor / 4-5

Automatische transmissie / 4-8

Remsysteem / 4-14

Stuurwiel / 4-21

Besturing van uw auto

Voertuigstabiliteitsregeling / 4-32

Elektronisch geregeld veersysteem / 4-35

Instrumentenpaneel / 4-37

Meters / 4-39

Waarschuwings- en controlelampjes / 4-41

Parkeerhulp / 4-50

Verlichting / 4-54

Ruitenwissers en ruitensproeiers / 4-60

Achterruitverwarming / 4-65

Alarmknipperlichten / 4-66

en ventilatiesysteem / 4-67

Voorruit ontdooien en ontwasemen / 4-83

Antidiefstalsysteem / 4-85

4

Besturing van uw auto

CONTACTSLOT

ACC OF 201 1GHA3201

Verlicht contactslot

Ter verhoging van het comfort gaat, als het contact niet in stand ON staat, de contactslotverlichting branden wanneer één van de portieren wordt geopend. Het lampje gaat uit na ongeveer 10 seconden of als het contact in stand ON wordt gezet.

LOCK ACC ON START PUSH

1GHA3201A

Contactslot en stuurslot

Standen contactsiot

LOCK

Het stuurslot beschermt tegen diefstal. De contactsleutel kan alleen uit het contact worden verwijderd als het contact in stand LOCK staat.

Om de contactsleutel vanuit stand ACC in stand LOCK te zetten, moet deze ingedrukt worden.

ACC (Accessoires)

Het stuurwiel is van het stuurslot en de elektrische accessoires werken.

ON

Voordat de motor wordt gestart lichten de waarschuwingslampjes ter controle op. Het contactslot keert na het starten terug in deze stand.

Laat het contact niet in stand ON staan als de motor niet draait.

START

Draai de contactsleutel in stand START om de motor te starten. De startmotor zal rondgedraaid worden totdat u de sleutel loslaat. De sleutel keert vervolgens terug in de stand ON. In deze stand licht het waarschuwingslampje van het remsysteem ter controle op.

Draai het stuurwiel naar links en naar rechts om de contactsleutel om te kunnen draaien.

WAARSCHUWING

- Contactsleutel

  • Zet het contact nooit in stand LOCK of ACC terwijl de auto rijdt. Hierdoor wordt sturen en remmen onmogelijk, wat onmiddellijk tot ongevallen kan leiden.
  • Het stuurslot dient niet ter vervanging van de parkeerrem. Controleer altijd of stand P is ingeschakeld, trek de parkeerrem volledig aan en zet de motor uit voordat u de auto verlaat. Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Steek nooit tijdens het rijden uw hand door het stuurwiel om de contactsleutel of andere bedieningsorganen te bedienen. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen.
  • Plaats geen voorwerpen onder de bestuurdersstoel. Deze kunnen verschuiven waardoor ongelukken kunnen ontstaan

STARTEN VAN DE MOTOR

  1. Controleer of de parkeerrem is aangetrokken.
  2. Zet de selectiehendel in stand P. Trap het rempedaal volledig in. De motor kan ook gestart worden met de selectiehendel in stand N.
  3. Draai de contactsleutel in stand START en houd de sleutel in deze stand totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden). Laat de sleutel vervolgens los.
  4. Laat bij extreme kou (lager dan - 18°C) of wanneer de auto een aantal dagen niet is gebruikt, de motor warmdraaien zonder het gaspedaal in te trappen.

Of de motor nu warm is of koud, hij dient gestart te worden zonder het gaspedaal in te trappen.

VOORZICHTIG

Probeer de selectiehendel niet in stand P te zetten wanneer de motor tijdens het rijden afslaat. Als het veilig is met het oog op het overige verkeer, kunt u de selectiehendel tijdens het rijden in stand N zetten en kunt u de motor opnieuw proberen te starten door het contact in stand START te zetten.

KIA Opirus - VOORZICHTIG - 1

Starten en stoppen van de motor met de E-key

Starten van de motor

Starten van de motor zonder de E-key in het contactslot te plaatsen

  1. Controleer of de parkeerrem is geactiveerd.
  2. Zet de selectiehendel in stand P. De motor kan niet worden gestart met de selectiehendel in stand N.

  3. Zorg ervoor dat de E-key zich in de auto bevindt. Plaats de E-key echter niet op de hoedenplank.

  4. Trap het rempedaal in.
  5. Als stap 3 en 4 zijn voltooid, gaat het controlelampje van het startblokkeersysteem ( ) op het instrumentenpaneel ongeveer 10 seconden branden.
  6. Houd het rempedaal ingetrapt en start de motor door het contact naar stand START te draaien.
    Als het rempedaal wordt losgelaten of het contactslot niet binnen 10 seconden wordt verdraaid, wordt het contactslot vergrendeld. Als dit gebeurt, laat dan het rempedaal los en herhaal stap 4 t/m 6.

KIA Opirus - VOORZICHTIG - 2

Als de batterij bijna leeg is of de E-key niet goed werkt, kunt u de motor starten door de E-key in het contactslot te plaatsen. Nadat u de E-key in het contactslot hebt geplaatst, hebt u 10 seconden om de auto te starten. Na 10 seconden wordt het contactslot vergrendeld.

Als er meer dan 10 seconden zijn verstreken, dient u daarom de E-key uit het contactslot te verwijderen en weer terug te plaatsen.

• Als u de motor niet binnen 10 seconden start en het rempedaal drie keer achter elkaar langer dan 10 seconden hebt ingetrapl, kan het zijn dat de motor niet aanslaat. Dit dient om ervoor te zorgen dat de desbetreffende onderdelen niet oververhit raken. Als de motor niet aanslaat, dient u ongeveer 5 minuten te wachten voordat u de auto opnieuw probeert te starten. Als de motor na 5 minuten nog steeds niet aanslaat, neem dan contact op met een officiële Kia-dealer.
• Als de E-key op de hoedenplank ligt, kan de motor niet worden gestart.
- Als er een portier wordt geopend of gesloten terwijl de motor draait of wordt gestart, controleert het systeem of de E-key zich nog in de auto bevindt. Als de E-key zich niet meer in de auto bevindt, gaat het controlelampje van het startblokkeersysteem ( ) knipperen. Houd de E-key altijd bij u.

WAARSCHUWING

Het contactslot kan alleen worden verdraaid als de E-key zich in de auto bevindt en het rempedaal is ingetrapt. (Aanwijzing: De E-key werkt NIET als hij op de hoedenplank ligt!)

Laat kinderen en mensen die niet bekend zijn met de auto het contactslot en aanverwante onderdelen niet aanraken.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

Stoppen van de motor

  1. Trap het rempedaal in terwijl de auto stilstaat.
  2. Zet de selectiehendel in stand P.
  3. Trap het parkeerrempedaal helemaal in.
  4. Zet het contact in stand LOCK.

Als de selectiehendel niet in stand P is gezet, kan het contact niet in stand LOCK worden gezet.

Als het contact in stand ON staat (zonder dat de E-key in het contactslot is geplaatst) en vervolgens in stand ACC wordt gezet, wordt het contactslot gedurende 10 seconden niet vergrendeld. Daarom kunt u de motor opnieuw starten binnen deze 10 seconden. Als de selectiehendel echter in stand P staat, wordt het contactslot onmiddellijk vergrendeld.

AUTOMATISCHE TRANSMISSIE

KIA Opirus - AUTOMATISCHE TRANSMISSIE - 1

KIA Opirus - AUTOMATISCHE TRANSMISSIE - 2

flowchart
graph TD
    A["Start"] --> B["P"]
    B --> C["R"]
    C --> D["N"]
    D --> E["D"]
    E --> F["+"]
    F --> G["Downward arrow to P"]
    H["Vergrendelknop, voorkomt bewegen van de selectiehendel wanneer de knop niet wordt ingedrukt."] --> I["Downward arrow to R"]
    J["Automatische stand"] --> K["P"]
    K --> L["R"]
    L --> M["N"]
    M --> N["D"]
    N --> O["+"]
    O --> P["Downward arrow to D"]
    Q["+ (OPSCHAKELLEN)"] --> R["Upward arrow to R"]
    S["Sportstand automatische transmissie"] --> T["Downward arrow to R"]
    U["- (TERUGSCHAKELLEN)"] --> V["Downward arrow to D"]

KIA Opirus - AUTOMATISCHE TRANSMISSIE - 3

Trap het rempedaal in en druk de knop in om te schakelen.

KIA Opirus - AUTOMATISCHE TRANSMISSIE - 4

Druk de vergrendelknop in om de selectiehendel te bewegen.

KIA Opirus - AUTOMATISCHE TRANSMISSIE - 5

De selectiehendel kan worden verplaatst zonder de vergrendelknop in te drukken.

1GHA3001

Automatische stand + (OPSCHAKELEN) Sportstand automatische transmissie - (TERUGSCHAKELEN) 2GHA3002A

Automatische transmissie; bedienen van

Rijden onder normale omstandigheden vindt plaats met de selectiehendel in stand D.

Om de selectiehendel uit stand P te zetten, moet het rempedaal zijn ingetrapt en moet de vergrendelknop worden ingedrukt.

Trap voor een soepele en veilige bediening het rempedaal in bij het overschakelen van stand N naar een vooruit- of de achteruitversnelling.

WAARSCHUWING

- Automatische transmissie

Controleer altijd of stand P is ingeschakeld, trek de parkeerrem volledig aan en zet de motor uit voordat u de auto verlaat.

Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.

\* OPMERKING

  • Geef geen gas wanneer stand R of één van de voorvultversnellingen is ingeschakeld en het rempedaal ingetrapt is.
  • Houd de auto bij stilstaan op een helling nooit op zijn plaats door gas te geven. Gebruik de bedrijfsrem of de parkeerrem.
  • Schakel niet van stand N of P in stand D of R wanneer het motortoerental meer is dan het stationaire toerental.

Standen selectiehendel

Stand P (parkeren)

Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat stand P in wordt geschakeld. In deze stand zijn de transmissie en de voorwielen geblokkeerd. Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat deze stand wordt ingeschakeld.

WAARSCHUWING

  • Wanneer stand P tijdens het rijden wordt ingeschakeld, blokkeren de voorwielen en raakt u de controle over de auto kwijt.
  • Gebruik stand P niet in plaats van de parkeerrem. Zorg er altijd voor dat de selectiehendel in stand P vergrendeld staat en niet kan bewegen als de vergrendelknop niet wordt ingedrukt en trek de parkeerrem altijd volledig aan.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Controleer altijd of stand P is ingeschakeld voordat u de auto verlaat. Trap het parkeerrempedaal volledig in, zet de motor uit en verwijder de sleutel. Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.
  • Laat een kind nooit zonder toezicht achter in de auto.

Z VOORZICHTIG

De transmissie kan beschadigd raken wanneer u stand P tijdens het rijden inschakelt.

Stand R (achteruit)

Gebruik deze stand om de auto achteruit te rijden.

\* OPMERKING

Laat de auto helemaal tot stilstand komen alvorens de selectiehendel in of uit stand R te zetten. Anders zou de transmissie kunnen beschadigen, behalve onder de omstandigheden uitgelegd onder OP EIGEN KRACHT LOSTREKKEN VAN DE AUTO in dit instructieboekje.

Stand M (neutraal)

In stand N zijn de transmissie en de wielen niet geblokkeerd. De auto kan vrij rollen, zelfs als de vierwielaandrijving is ingeschakeld, tenzij de parkeerrem wordt of het rempedaal wordt ingetrapt.

Stand D (drive)

Dit is de normale stand voor het rijden in voorwaartse richting. De transmissie schakelt automatisch tussen de vijf vooruitversnellingen voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik bij optimale prestaties.

Druk voor extra vermogen tijdens inhaalmanoeuvres of het beklimmen van een steile helling het gaspedaal volledig in.

Hierdoor zal de automatische transmissie automatisch een lagere versnelling kiezen.

+ (OPSCHAKELEN) Automatische stand Sportstand automatische transmissie -(TERUCSCHAKELEN) 1GHA3002

4

De sportstand kan vanuit stilstand of tijdens het rijden worden ingeschakeld door de selectiehendel vanuit stand D naar rechts te bewegen. Druk de selectiehendel terug naar links om stand D weer in te schakelen.

In de sportstand verloopt het overschakelen tussen de versnellingen eenvoudig en snel door de selectiehendel naar voren en naar achteren te bewegen. In tegenstelling tot een handgeschakelde transmissie, kan in de sportstand geschakeld worden terwijl het gaspedaal ingetrapt is.

Opschakelen (+):

Druk de selectiehendel één keer naar voren om één versnelling op te schakelen.

Terugschakelen (-):

Trek de selectiehendel één keer naar achteren om één versnelling terug te schakelen.

\*OPMERKING

In de sporteand wordt hier automatisch opgeschakeld. De bestuurder moet zelf opschakalen overeenkorasig de rijomstandigheden en ervoor zorgen dat het motoroerental beneden het rule gebied blijft.
• In de spurtstand kunnen alleen de vijf vooruitversuellingen gekozen worden. Let de selectiehendel in stand R of P om de auto respectievelijk achteruit te rijden of te blokkeren bij het parkeren.
(1)

(Vervolg)

• In de sportstand wordt automatisch teruggeschakeld, wanneer de auto snelheid mindert. Als de auto tot stikstand kommt, wordt automatisch de eerste versnelling ingeschakeld.
• Als in de sportstand het motortcerential in het rode gebied raakt, schakelt de transmissie automatisch op.
- Sonnige overschakelingen worden mogelijk niet uitgevoerd wanneer de selectiehandel bewegen wordt om die voorgeschreven prestancies en veiligheid te waarborgen.
- Druk de selectiehendel naar voren (+) bij het wegrijden op een glad wegdekt. Hierdoor isheelt de transmaste naar de le vernmelling die beter geschikt is voor het soepel wegrijden op een gladde ondergrond.
Crok de selectiehendel naar achteren (-) om de eerste versneling weer in te schakelen.

Vanuit stilstand een steile helling oprijden

Trap het rempedaal in en zet de selectiehendel in stand D om vanuit stilstand een steile helling op te rijden. Kies de juiste versnelling afhankelijk van de mate waarin de auto belast is en de steilheid van de helling en ontgrendel de parkeerrem. Trap het gaspedaal geleidelijk in terwijl u het rempedaal op laat komen.

Schakelblokkeersysteem

De automatische transmissie heeft een schakelblokkeersysteem dat voorkomt dat de selectiehendel uit de stand P kan worden gezet zonder dat het rempedaal is ingetrapt.

Om de selectiehendel uit stand P te zetten:

  1. Houd het rempedaal ingetrapt.
  2. Druk de ontgrendelknop in en verplaats de selectiehendel.

Als het rempedaal herhaaldelijk wordt ingetrapt en losgelaten met de selectiehendel in de stand P, kan een ratelend geluid bij de selectiehendel worden gehoord. Dit is een normaal verschijnsel.

Sleutelblokkeersysteem (indien van toepassing)

De sleutel kan alleen uit het contact worden genomen als de selectiehendel in stand P staat. Als de selectiehendel in een andere stand staat, kan de sleutel niet worden verwijderd.

REMSYSTEEM

Rembekrachtiging

Uw auto is voorzien van bekrachtigde remmen die bij normaal gebruik automatisch afgesteld worden.

Als de rembekrachtiging uitvalt omdat de motor is afgeslagen of door een andere oorzaak, kunt u de auto alsnog tot stilstand brengen door het rempedaal met een grotere kracht dan normaal in te drukken. De remweg zal echter langer dan gewoonlijk zijn.

Als de motor niet draait, wordt de mate van bekrachtiging steeds minder naarmate u vaker het rempedaal indrukt. Als de rembekrachtiging uitvalt, probeer dan niet "pompend" te remmen. Rem alleen "pompend" als de wielen dreigen te blokkeren.

Problemen bij het remmen

Als de bedrijfsremmen tijdens het rijden uit zouden vallen, kunt u de auto met behulp van de parkeerrem alsnog tot stilstand brengen. Houd daarbij dan wel rekening met een veel langere remweg dan normaal.

WAARSCHUWING

- Parkeerrem

Wanneer tijdens het rijden met een normale snelheid de parkeerrem aan wordt getrokken, kunt u onverwachts de controle over de auto verliezen. Trek de parkeerrem voorzichtig aan wanneer u deze gebruikt om de auto tot stilstand te brengen.

WAARSCHUWING

- Remmen

  • Laat tijdens het rijden uw voet niet op het rempedaal rusten. Hierdoor kan de temperatuur van de remmen abnormaal hoog worden, kunnen de remblokken en -schoenen overmatig slijten en kan de remweg vergroot worden.
  • Schakel bij het afrijden van een lange of een steile helling een lagere versnelling in en vermijd langdurig achter elkaar remmen. Door langdurig achter elkaar te remmen zullen de remmen oververhit raken en kan een tijdelijk verlies van remprestaties het gevolg zijn.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Als de remmen nat zijn, remt de auto minder dan normaal en kan de auto naar één kant trekken tijdens het remmen. Door het rempedaal licht in te trappen kunt u controleren of het remvermogen door het nat worden is verminderd. Controleer uw remmen altijd op deze manier nadat u door waterplassen bent gereden. Druk voor het drogen van de remmen het rempedaal licht in terwijl u met een lage snelheid rijdt, totdat het remvermogen weer op het normale niveau is.

Remblokslijtage-indicators

Uw auto is voorzien van schijfremmen.

Wanneer de remblokken vóór of achter versleten zijn, hoort u als waarschuwing een piepend geluid van de remmen. Dit geluid kan af en toe hoorbaar zijn of op het moment dat u het rempedaal intrapt.

Onder sommige rijomstandigheden of bij sommige klimaten kunnen de remmen piepen wanneer u het rempedaal voor de eerste keer of lichtjes intrapt. Dit is normaal en duidt niet op een probleem met de remmen.

\* OPMERKING

Blijf niet rijden met versleten remblokken om kostbare reparaties aan de remmen te voorkomen.

Dit waarschuwingsgeluid geeft aan dat de remblokken van uw auto vervangen moeten worden. Wanneer u deze waarschuwing negeert, kunnen de remprestaties na een poosje verminderen wat tot ernstige ongevallen kan leiden.

VOORZICHTIG

Vervang altijd de remblokken van één en dezelfde as gelijktijdig.

Besturing van uw auto

Trap het parkeerrempedaal krachtig en volledig in terwijl het rempedaal ingetrapt is.

VOORZICHTIG

Wanneer met ingetrapte parkeerrem gereden wordt, zullen de remblokken overmatig slijten.

KIA Opirus - VOORZICHTIG - 1

Trap het rempedaal in trek aan de ontgrendelhendel om de parkeerrem vrij te zetten. Het pedaal keert hierdoor terug in de vrijstand. Laat de auto controleren door een officiële Kia-dealer als de parkeerrem niet of niet helemaal in de vrijstand terugkeert.

WAARSCHUWING

- Parkeerrem

  • Gebruik stand P niet in plaats van de parkeerrem om de auto op zijn plaats te houden. Schakel de parkeerrem in EN zet de selectiehendel goed in stand P.
  • Laat kinderen en personen die niet bekend zijn met de auto niet aan de parkeerrem komen.

Als de parkeerrem met de hendel wordt uitgeschakeld, bestaat de kans dat de auto begint te rollen.

(!) (P) BRAKE

W-75

Controleer of het waarschuwingslampje van het remsysteem werkt door het contact in stand ON te zetten (start de motor niet). Dit lampje gaat branden wanneer het contact in stand START of ON wordt gezet en de parkeerrem aangetrokken is.

Zorg ervoor dat de parkeerrem voor het wegrijden vrij is en het waarschuwingslampje van het remsysteem uit is.

Als het waarschuwingslampje van het remsysteem blijft branden nadat de parkeerrem vrij is, kan er een storing in het remsysteem zijn. Laat dit direct controleren.

Breng de auto indien mogelijk direct tot stilstand. Als dat niet mogelijk is, rijdt dan erg voorzichtig door naar een plaats waar u wel kunt stoppen.

Parkeren bij stoepranden

- Als u de auto op een helling omhoog wilt parkeren, zet deze dan zo dicht mogelijk bij de stoeprand en draai de voorwielen van de stoeprand af, zodat de het voorwiel achteruit de stoeprand raakt, mocht deze onverhoopt gaan rollen.

- Als u de auto op een helling omlaag wilt parkeren, zet deze dan zo dicht mogelijk bij de stoeprand en draai de voorwielen naar de stoeprand toe, zodat het voorwiel vooruit de stoeprand raakt, mocht deze onverhoopt gaan rollen.

Antiblokkeersysteem (ABS)

⚠ WAARSCHUWING - Remsysteem met ABS

Het antiblokkeersysteem ontheft u niet van de noodzaak om voorzichtig rijden. Het blijft mogelijk dat u bij een ongeval betrokken raakt.

Het ABS zal niet altijd een ongeval kunnen voorkomen, zeker onder de volgende omstandigheden:

  • Bij roekeloos, te hard of te dicht achter de voorganger rijden.
  • Bij rijden met hoge snelheid als de grip op de weg minder is, door bijvoorbeeld regenval.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Bij te snel rijden op slechte wegen. Het ABS is ontworpen om de maximale remwerking te verhogen op met name autowegen en wegen die in een goede staat verkeren. Op slechte wegen kan het ABS de remwerking zelfs verminderen.

Het ABS registreert continu de snelheid van de wielen. Zodra de wielen dreigen te blokkeren, vermindert het ABS de hydraulische remdruk op de wielen.

In dat geval is een tikkend geluid hoorbaar in het remsysteem en kan het rempedaal gaan trillen. Dit is normaal. Het betekent dat het ABS in werking is getreden.

Om in een noodsituatie het maximale rendement uit het ABS te halen, dient u niet zelf "pompend" te gaan remmen. Trap het rempedaal zo hard mogelijk in en laat het ABS verder het werk doen.

  • Zelfs met het antiblokkeersysteem heeft uw auto nog steeds voldoende remweg nodig. Bewaar altijd een veilige afstand tot de auto voor u.
  • Rem altijd af voor een bocht. Het antiblokkeersysteem kan geen ongevallen voorkomen die het gevolg zijn van te snel rijden.
  • Op wegen met los grind of wegen die niet vlak zijn kan het antiblokkeersysteem voor een langere remweg zorgen dan bij auto's zonder antiblokkeersysteem.

ABS

W-78

\* OPMERKING

  • Wanneer het waarschuwingslampje ABS brandt en blijft branden, is er mogelijk een probleem aanwezig in het ABS. In dat geval werken de remmen echter wel normaal.
  • Het waarschuwingslampje ABS licht nadat het contact om stand ON is gezet ongeveer 3 seconden op. Het ABS voert dan een zelfdiagnose uit en het lampje zal uitgaan wanneer alles in orde is. Wanneer het lampje blijft branden, is er mogelijk een probleem aanwezig in het ABS. Laat de auto zo snel mogelijk controleren door een officiële Kla-dealer.

\* OPMERKING

  • Als u op een weg rijdt waar erg weinig grip is, is het mogelijk dat bij het remmen het ABS continu in werking is en het waarschuwingslampje ABS oplicht. Zet de auto stil op een veilige plaats en zet de motor uit.
  • Start de motor opnieuw. Als het waarschuwingslampje ABS uitgaat, is het ABS in orde. Anders is er mogelijk een storing in het ABS. Laat de auto zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.

Besturing van uw auto

Als u de auto met een hulpaccu moet starien doordat de accu is leeggeraakt, draait de motor mogelijk niet soepel rond en kan bovendien het waarschuwingslampje ABS oplichten. Dit komt door de lage accuspanning. Het betekent niet dat er een storing in het ABS is.

• Rem niet "pompena"!

• Laat de secu bijladen voordat u wegrijdt.

STUURWIEL

Stuurbekrachtiging

De stuurbekrachtiging reduceert de benodigde stuurkracht door gebruik te maken van het vermogen dat de motor levert. Bij een niet-draaiende motor of bij een defecte stuurbekrachtiging blijft de auto bestuurbaar, maar is de benodigde stuurkracht veel groter.

Indien u merkt dat onder normale omstandigheden het sturen van de auto zwaarder gaat dan normaal, moet u de stuurbekrachtiging door een officiële Kia-dealer laten controleren.

Elektronische stuurbekrachtiging

De sensor voor de wielsnelheid regelt de stuurbekrachtiging afhankelijk van de rijsnelheid.

Het verdraaien van het stuurwiel wordt zwaarder wanneer de rijsnelheid toeneemt en lichter wanneer de snelheid afneemt. Hierdoor kan het stuurwiel gemakkelijker verdraaid worden.

\* OPMERKING

• Houd het stuurwiel bij een draeiende motor nooit langer dan 5 seconden tegen een van beide aanslagen (links of rechts). Als het stuurwiel langer dan 5 seconden tegen de aanslag wordt gehouden, kan er schade aan de stuurbekrechtigingspomp ontstaan.

• Als de aandrijfriem van de stuerbekrachtigingspomp breekt of de pomp defect raakt, zal de benodigde stuerkracht aanzienlijk groter worden.

\* OPMERKING

Als de auto bij koud weer lange tijd heeft buitengestaan, (temperatuur lager dan 10°C), dan functioneert de stuurbekrachtiging mogelijk minder goed, als de motor voor de eerste maar wordt gestart.

Dit wordt veroorzaakt door een stijging van de viscositeit van de stuurbekrachtigingsvloeistof en duidt niet op een storing.

Als dit gebeurt, laat het toerental van de motor dan oplopen tot 1.500 omw/min en laat vervolgens het gaspedaal los, of laat de motor twee of drie minuten stationair draaien om de stuurbekrachtigingsvloeistof te laten opwarmen.

Verstelbare stuurkolom (indien van toepassing)

Een verstelbare stuurkolom maakt het mogelijk het stuurwiel af te stellen voordat u gaat rijden. Daarnaast kunt u het stuurwiel omhoog kantelen zodat uw benen meer ruimte hebben bij het in- en uitstappen.

Het stuurwiel moet zo worden afgesteld dat u een tijdens het rijden een comfortabele positie achter het stuur kunt vinden en tegelijkertijd een goed zicht heeft op de waarschuwingslampje en meters in het instrumentenpaneel.

WAARSCHUWING

  • Stel het stuurwiel nooit af tijdens het rijden. Als u dat wel doet kunt u de macht over het stuur verliezen waardoor ongevallen en letsel veroorzaakt kunnen worden.
  • Controleer na het afstellen of het stuurwiel goed vastzit.

2GHA2032

Handmatig

Trek de vergrendeling (①) omhoog, zet het stuurwiel in de gewenste stand (②) en laat de vergrendeling weer los om het stuurwiel te blokkeren. Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden.

2GHA2033

Elektrisch

Zet het contact in stand ON en stel de stand van het stuurwiel af met de knop.

Stel het stuurwiel nooit af tijdens het rijden.

KIA Opirus - Handmatig - 2

Om te claxonneren drukt u op het claxonsymbool op het stuurwiel.

Controleer regelmatig de werking van de claxon.

Z VOORZICHTIG

  • Om te claxonneren drukt u in de omgeving van het claxonsymbool op het stuurwiel (zie afbeelding).
  • Om de claxon te bedienen hoeft u niet op het claxongedeelte te slaan. Druk het claxongedeelte niet in met een scherp voorwerp.

KIA Opirus - Z VOORZICHTIG - 1

CRUISE CONTROL (INDIEN VAN TOEPASSING)

De cruise control stelt u in staat een bepaalde rijsnelheid te programmeren die de auto vervolgens aanhoudt zonder dat u de voet op het gaspedaal hoeft te houden.

Het is mogelijk de rijsnelheid in te stellen tussen 40 km/h en 160 km/h

WAARSCHUWING

- Cruise control

Gebruik de cruise control in deze gevallen niet:

  • Bij drukke of niet-constante verkeersstromen
    • Op gladde of bochtige wegen
  • In situaties waarbij de snelheid veelvuldig varieert

Type A 2GHA2035A Type B 2GHA2034A

Rijsnelheid instellen

  1. Druk op de toets CRUISE ON/OFF op het stuurwiel om de cruise control in te schakelen. Het controlelampje CRUISE in het instrumentenpaneel licht op.

  2. Geef gas tot u de gewenste snelheid tussen 40 km/h en 160 km/h heeft bereikt.

WAARSCHUWING

Als het systeem niet wordt uitgeschakeld (lampje CRUISE blijft branden) kan de cruise control mogelijk onbedoeld worden geactiveerd. Zet het systeem uit (lampje CRUISE uit) wanneer de cruise control niet gebruikt wordt.

Type A 2GHA2035B Type B 2GHA2034B

  1. Druk op de toets COAST/SET zodra u de gewenste snelheid heeft bereikt. Laat op dat moment ook het gaspedaal los. De snelheid wordt nu automatisch aangehouden.

De functie SET kan ongeveer 2 seconden nadat de toets CRUISE ON/OFF is ingedrukt, geactiveerd worden.

Op steile helfingen kan de snelheid van de auto tijdelijk lager worden.

Schakel de cruise control op één van de volgende manieren uit:

  • Trap het rempedaal in.
    • Zet de selectiehendel in stand N.
  • Druk schakelaar CANCEL op het stuurwiel in.
  • Druk schakelaar COAST/SET en schakelaar RES/ACCEL gelijktijdig in.

Door deze handelingen wordt de werking van de cruise control onderbroken (het controlelampje SET op het instrumentenpaneel gaat uit), maar het systeem wordt niet uitgeschakeld. Om de werking van de cruise control te hervatten drukt u op schakelaar RES/ACCEL op het stuurwiel. De cruise control keert terug naar de eerder door u ingestelde snelheid.

Schakel de cruise control op één van de volgende manieren uit:

  • Druk op de toets CRUISE ON/OFF op het stuurwiel (het controlelampje CRUISE in het instrumentenpaneel gaat uit).
    • Zet het contact in stand LOCK.
    In deze beide gevallen wordt het systeem uitgeschakeld. Volg de aanwijzingen onder "Rijsnelheid instellen" op de vorige bladzijde om de cruise control opnieuw in te schakelen.

Type A 2GHA2035C Type B 2GHA2034C

Rijsnelheid verhogen

Volg één van de volgende procedures:

- Houd schakelaar RES/ACCEL ingedrukt. De auto zal accelereren. Laat de schakelaar los op het moment dat de gewenste snelheid is bereikt.

- Druk schakelaar RES/ACCEL in en laat deze meteen los. De rijsnelheid wordt bij elke druk op de toets verhoogd met 1,6 km/h. De nieuwe snelheid wordt opgeslagen in het geheugen.

Tijdelijk accelereren met ingeschakelde cruise control

Trap het gaspedaal in als u tijdelijk sneller wilt gaan rijden terwijl de cruise control is ingeschakeld. De cruise control wordt niet uitgeschakeld en de rijsnelheid die oorspronkelijk was ingesteld blijft behouden.

Laat het gaspedaal los om weer terug te keren naar de oorspronkelijke rijsnelheid.

Type A 2GHA2035B Type B 2GHA2034B

Rijsnelheid verlagen:

Volg één van de volgende procedures:

- Houd schakelaar COAST/SET ingedrukt. De auto mindert geleidelijk snelheid. Laat de schakelaar los op het moment dat de gewenste snelheid is bereikt.

- Druk schakelaar COAST/SET in en laat deze meteen los. De rijsnelheid wordt bij elke druk op de toets verlaagd met 1,6 km/h. De nieuwe snelheid wordt opgeslagen in het geheugen.

KIA Opirus - Rijsnelheid verlagen: - 1

Besturing van uw auto

De ingestelde snelheid wordt echter niet hervat wanneer de snelheid minder is dan 40 km/h.

Terugkeren naar ingestelde rijsnelheid (boven 40 km/h):

De meest recente snelheid wordt automatisch hervat wanneer de toets RES/ACCEL wordt ingedrukt. Dit kan alleen als de ingestelde rijsnelheid niet onderbroken is met schakelaar CRUISE ON/OFF en het systeem nog steeds geactiveerd is.

ANTI-DOORSLIPREGELING (INDIEN VAN TOEPASSING)

TCS 1GHA2051D

De anti-doorslipregeling (Traction Control System/TCS) zorgt ervoor dat wielen niet gaan slippen en de auto ook op gladde ondergrond voldoende grip houdt. Het systeem optimaliseert de aandrijfkracht en zorgt voor een betere bestuurbaarheid.

  • Als het contact in stand ON wordt gezet, gaan de controlelampjes TCS en TCS OFF gedurende ongeveer 3 seconden branden, waarna de anti-doorslipregeling wordt ingeschakeld.
    • Druk nadat het contact in stand ON is gezet minimaal 0,5 seconde op de toets TCS om de anti-doorslipregeling uit te schakelen.
    Het controlelampje TCS OFF gaat nu branden. Druk nogmaals op de toets TCS om het systeem uit te schakelen.
    • Tijdens het starten van de motor is mogelijk een zacht tikkend geluid hoorbaar.
    Dit is de automatische zelfdiagnosefunctie van de anti-doorslipregeling en is normaal.

TCS Als de anti-doorslipregeling in werking treedt, gaat het controlelampje TCS knipperen.

• Als de anti-doorslipregeling werkt, voelt u mogelijk lichte trillingen in de auto. Dit wordt veroorzaakt door het aansturen van de remmen en is normaal.
• Tijdens het wegrijden op een gladde weg neemt het motortoerental mogelijk niet toe, ondanks dat u het gaspedaal intrapt.

Anti-doorslipregeling uitschakelen

TCS OFF

Anti-doorslipregeling uitgeschakeld

  • Druk op toets TCS om de anti-doorslipregeling uit te schakelen. Het controlelampje TCS OFF gaat branden.
  • De anti-doorslipregeling blijft uitgeschakeld, ook als u het contact in stand LOCK zet.

Pas wanneer de motor opnieuw wordt gestart, zal de anti-doorslipregeling automatisch weer worden ingeschakeld.

■ Controlelampje TCS (knippert)

TCS

■ Controlelampje TCS OFF (brandt)

TCS OFF

Controlelampje

Als het contact in stand ON wordt gezet, gaat het controlelampje branden en, als het systeem in orde is, na enige tijd weer uit.

Het controlelampje TCS gaat knipperen zodra het systeem in werking treedt.

Het controlelampje TCS OFF gaat branden als het systeem met de schakelaar is uitgeschakeld of blijft branden als er een storing in het systeem aanwezig is.

WAARSCHUWING

De anti-doorslipregeling is slechts een hulpmiddel bij het rijden. Pas op bochtige en gladde wegen uw rijsnelheid aan. Rijd voorzichtig en probeer niet te accelereren als het controlelampje TCS knippert of als u op een gladde weg rijdt.

Anti-doorslipregeling uitschakelen

Tijdens het rijden

  • Het verdient aanbeveling om de anti-doorslipregeling waar mogelijk ingeschakeld te houden.
  • Schakel de anti-doorslipregeling tijdens het rijden alleen uit als u op een vlakke weg rijdt.

Druk nooit op de schakelaar TCS als de anti-doorslipregeling in werking is (controlelampje TCS knippert).

Als het systeem in dat geval toch wordt uitgeschakeld, kan de auto gaan slippen.

\* OPMERKING

Schakel de anti-doorslipregeling uit (controlelampje TCS OFF brandt) als de auto op een rollenbank staat. Als dat niet gebeurt, kunnen de wielen mogelijk niet accelereren, waardoor foutieve meetwaarden ontstaan.
- Het uitschakelen van de anti-doorslipregeling heeft geen gevolgen voor een correctie werking van het ABS en het remsysteem.

⚠ WAARSCHUWING

Druk niet op de schakelaar TCS als het controlelampje TCS knippert.

Als het systeem in dat geval toch wordt uitgeschakeld, kan de auto gaan slippen.

Schakel de anti-doorslipregeling tijdens het rijden alleen uit als u op een vlakke weg rijdt.

VOERTUIGSTABILITEITSREGELING (INDIEN VAN TOEPASSING)

De voertuigstabiliteitsregeling (Electronic Stability Program/ESP) controleert de gegevens van verschillende sensoren en vergelijkt vervolgens de commando's van de bestuurder met het actuele rijgedrag van de auto. Als er een instabiele situatie optreedt - bijvoorbeeld als gevolg van een plotselinge uitwijkmanoeuvre - grijpt ESP binnen een fractie van een seconde in via de motormodule en het remsysteem om de auto weer onder controle te brengen.

Werking voertuigstabiliteitsregeling

Voertuigstabilitetsregeling Inschakteien

  • Als het contact in stand ON wordt gezet, gaan de controlelampjes ESP en ESP OFF gedurende ongeveer 3 seconden branden, waarna de voertuigstabiliteitsregeling wordt ingeschakeld.
    • Druk nadat het contact in stand ON is gezet minimaal 0,5 seconde op de toets ESP om de voertuigstabiliteitsregeling uit te schakelen. Het controlelampje ESP OFF gaat nu branden. Druk nogmaals op de toets ESP om het systeem uit te schakelen.
    • Tijdens het starten van de motor is mogelijk een zacht tikkend geluid hoorbaar. Dit is de automatische zelfdiagnosefunctie van de voertuigstabiliteitsregeling en is normaal.

Als de voertuigstabiliteitsregeling in werking treedt, gaat het controlelampje ESP knipperen.

  • Als de voertuigstabiliteitsregeling werkt, voelt u mogelijk lichte trillingen in de auto. Dit wordt veroorzaakt door het aansturen van de remmen en is normaal.
    • Tijdens het wegrijden op een gladde weg neemt het motortoerental mogelijk niet toe, ondanks dat u het gaspedaal intrapt.

Voertuigstabiliteitsregeling uitschakelen

Voertuigstablitelterregeling utgeschakeld

ESP OFF

  • Druk op toets ESP om de voertuigstabiliteitsregeling uit te schakelen. Het controlelampje ESP OFF gaat branden.
  • De voertuigstabiliteitsregeling blijft uitgeschakeld, ook als u het contact in stand LOCK zet. Pas wanneer de motor opnieuw wordt gestart, zal de voertuigstabiliteitsregeling automatisch weer worden ingeschakeld.

Controlelampje ESP (knippert)

ESP

Controlelampje ESP OFF (brandt)

ESP OFF

Controlelampje

Als het contact in stand ON wordt gezet, gaat het controlelampje branden en, als het systeem in orde is, na enige tijd weer uit.

Het controlelampje ESP gaat knipperen zodra het systeem in werking treedt.

Het controlelampje ESP OFF gaat branden als het systeem met de schakelaar is uitgeschakeld of blijft branden als er een storing in het systeem aanwezig is.

WAARSCHUWING

De voertuigstabiliteitsregeling is slechts een hulpmiddel bij het rijden. Pas op bochtige en gladde wegen uw rijsnelheid aan. Rijd voorzichtig en probeer niet te accelereren als het controlelampje ESP knippert of als u op een gladde weg rijdt.

Voertuigstabiliteitsregeling uitschakelen

Tijdens het rijden

- Het verdient aanbeveling om de voertuigstabiliteitsregeling waar mogelijk ingeschakeld te houden. - Schakel de voertuigstabiliteitsregeling tijdens het rijden alleen uit als u op een vlakke weg rijdt.

Druk nooit op de schakelaar ESP als de anti-doorslipregeling in werking is (controlelampje ESP knippert).

Als het systeem in dat geval toch wordt uitgeschakeld, kan de auto gaan slippen.

\* OPMERKING

  • Schakel de voertuigstabiliteitsregeling uit (controlelampje ESP OFF brandt) als de auto op een rollenbank staat. Als dat niet gebeurt, kunnen de wielen mogelijk niet accelereren, waardoor foutieve meetwaarden ontstaan.
  • Het uitschakelen van de voertuigstabiliteitsregeling heeft geen gevolgen voor een correcte werking van het ABS en het remsysteem.

WAARSCHUWING

Druk niet op de schakelaar ESP als het controlelampje ESP knippert.

Als het systeem in dat geval toch wordt uitgeschakeld, kan de auto gaan slippen.

Schakel de voertuigstabiliteitsregeling tijdens het rijden alleen uit als u op een vlakke weg rijdt.

ELEKTRONISCH GEREGELD VEERSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)

Het elektronisch geregeid veersysteem (ECS) registreert de rijomstandigheden met behulp van verschillende sensoren en regelt de veerinstelling voor een maximaal comfort. De bestuurder kan kiezen tussen de normale stand en de sportstand.

2GHA2068

Stand selecteren

De stand van het veersysteem kan met de toets ECS in de middenconsole worden gewijzigd.

Druk toets ECS in om het veersysteem in stand SPT (SPORT) te zetten. Het controlelampje SPORT in het instrumentenpaneel gaat branden. In de sportstand is de vering wat stugger voor een betere wegligging.

Druk nogmaals op toets ECS om stand NOR (normaal) weer in te schakelen (controlelampje SPORT gaat uit). In de normale stand is de vering het meest comfortabel.

Rijd onder normale omstandigheden in stand NOR (normaal).

KIA Opirus - Stand selecteren - 1

1000 pm SPORT ABS 1GHA3106

Stand SPT (SPORT) ingeschakeld

(Controlelampje SPORT in instrumentenpaneel brandt)

Deze stand is bedoeld voor sportief rijden op slingerende en/of hobbelige wegen of voor rijden met hoge snelheid. De dempingkarakteristiek wordt op de volgende manier automatisch geregeld.

Dempingka rakteristiekRijomstandigheid
MediumRijden met lage, middelmatige en hoge snelheid
Rijden op hobbelige wegen
Voluit accelereren bij lage snelheid
HardRemmen bij middelmatige en hoge snelheid
Rijden in bochten

KIA Opirus - Stand SPT (SPORT) ingeschakeld - 1

1910pt 1GHA3107

4

Stand NOR (NORMAAL) ingeschakeld

(Controlelampje SPORT in instrumentenpaneel brandt niet)

In de normale stand wordt de dempingkarakteristiek, afhankelijk van de rijomstandigheden, op de volgende manier automatisch geregeld.

Dempingka rakteristiekRijomstandigheid
ZachtRijden met lage, middelmatige en hoge snelheid
MediumRijden met hoge snelheid
Rijden op hobbelige wegen
Voluit acelereren bij lage snelheid
HardRemmen bij middelmatige en hoge snelheid
Rijden in bochten

Als het waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden

Als er een storing optreedt in het elektronisch geregeld veersysteem, gaat het controlelampje SPORT in het instrumentenpaneel knipperen. Hoewel het ECS in dat geval niet meer werkt, kan er nog wel normaal met de auto worden gereden.

  1. Parkeer de auto op een veilige plaats en zet het contact in stand LOCK.
  2. Start de motor. Als het controlelampje binnen ongeveer 4 minuten stopt met knipperen, is het systeem weer in orde.
  3. Als het controlelampje blijft knipperen, laat de auto dan repareren door een officiële Kia-dealer. Hoewel de vering niet meer elektronisch wordt geregeld, kan er nog wel normaal met de auto worden gereden.

\* OPMERKING

Wacht bij auto's met ECS tenminste drie minuten na het uitzetten van de motor, alvorers de auto op te krikken. Dit is nodig om het veersysteem in de ruststand te laten komen.

INSTRUMENTENPANEEL

Type A
KIA Opirus - INSTRUMENTENPANEEL - 1

  1. Toerenteller
  2. Controlelampje richtingaanwijzer
  3. Snelheidsmeter
  4. Temperatuurmeter
  5. Waarschuwings- en controlelampjes
  6. Kilometerteller/dagteller
  7. Functie-/resetknop dagteller
  8. Schakelstandindicator automatische transmissie
  9. Brandstofmeter
    * A bij uitvoeringen met ESP staat hier ESP ESP OFF

5GHA2101/5GHA2101A

Type C
KIA Opirus - INSTRUMENTENPANEEL - 2

  1. Toerenteller
  2. Controlelampje richtingaanwijzer
  3. Snelheidsmeter
  4. Temperatuurmeter
  5. Waarschuwings- en controlelampjes
  6. Kilometerteller/dagteller
  7. Functie-/resetknop dagteller
  8. Schakelstandindicator automatische transmissie
  9. Brandstofmeter
    * A bij uitvoeringen met ESP staat hier ESP OFF

5GHA2102/5GHA2102A

METERS

Snelheidsmeter

De snelheidsmeter geeft de snelheid aan als de auto vooruit rijdt.

Door op de functieknop te drukken kunt u kiezen tussen de kilometerteller, dagteller A en dagteller B.

Klometerteller

De kilometerteller geeft de totale afstand aan die met de auto gereden is.

Dagteller

TRIPA: Dagteiler A

TRIPB: Dagteller B

De dagteller geeft de gereden afstand per afzonderlijke rit aan. Dagteller A en B kunnen gereset worden door de resetknop gedurende één seconde of langer in te drukken en vervolgens los te laten.

Type A 5GHA2101

Type B ABCB 5GHA2102

Toerenteller

De toerenteller geeft het aantal omwentelingen per minuut (omw/min) bij benadering weer.

Gebruik de toerenteller om de juiste schakelmomenten te kiezen en voorkom dat de motor zwaar moet trekken of met te hoge motortoerentallen draait.

De naald van de toerenteller kan licht bewegen wanneer het contact in stand ACC of ON staat en de motor uit is. Deze beweging is normaal en beïnvloedt de nauwkeurigheid van de toerenteller niet als de motor eenmaal draait.

\* OPMERKING

Zorg ervoor dat het motortoerental niet toeneemt tot in het rode gebied. Hierdoor kan ernstige motorschade ontstaan.

Temperatuurmeter

Wanneer het contact in stand ON staat, geeft deze meter de koelvloeistoftemperatuur weer.

Blijf niet doorrijden met een oververhitte motor. Raadpleeg OVERVERHITTING in de index wanneer de motor oververhit raakt.

\* OPMERKING

Als de maald van de meter buiten het normale herelk komt en in de richting van stand H bewege, duidt dit op oververhiting van de moter, waardoor schade aan de moter kan onstaar.

Brandstofmeter

De brandstofmeter geeft bij benadering de hoeveelheid brandstof aan die nog in de tank aanwezig is.

Inhoud brandstoftank - 70 liter.

De brandstofmeter is daarnaast uitgerust met een waarschuwingslampje laag brandstofniveau in het dashboard. Dit lampje gaat branden als de brandstofvoorraad minder dan ongeveer 9 liter bedraagt.

KIA Opirus - Brandstofmeter - 1

Verlichting instrumentenpaneel (indien van toepassing)

Met behulp van de draaiknop kan de verlichtingssterkte voor het dashboard geregeld worden wanneer de parkeerlichten of de dimlichten branden.

Waarschuwingslampjes/-signalen

Controlear working

De waarschuwingslampjes kunnen worden gecontroleerd door het contact in stand ON te zetten (start de motor niet). Ieder lampje dat niet gaat branden, moet gecontroleerd worden door een officiële Kia-dealer.

Controleer nadat de motor aanslaat of alle waarschuwingslampjes uit zijn. Eventuele lampjes die nog branden, kunnen op een storing duiden. Het waarschuwingslampje van het remsysteem moet uitgaan zodra de parkeerrem vrij is. Het waarschuwingslampje laag brandstofniveau blijft branden als er nog maar weinig brandstof in de tank zit.

Waarschuwingslampje ABS (indien van toepassing)

KIA Opirus - Waarschuwingslampje ABS (indien van toepassing) - 1

Dit lampje gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet en gaat na ongeveer 3 seconden uit als het systeem in orde is.

Wanneer het lampje blijft branden, is er mogelijk een probleem aanwezig in het ABS. Laat de auto zo snel mogelijk controlleren door een officiële Kia-dealer.

Waarschuwingslampje EBD (indien van toepassing)

KIA Opirus - Waarschuwingslampje EBD (indien van toepassing) - 1

Als tijdens het rijden twee waarschuwingslampjes gelijktijdig gaan branden, dan zit er een probleem in het ABS- of EBD-systeem.

KIA Opirus - Waarschuwingslampje EBD (indien van toepassing) - 2

In dat geval werken het antiblokkeersysteem en het remsysteem misschien niet normaal. Laat uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.

WAARSCHUWING

Als zowel het waarschuwingslampje ABS als het waarschuwingslampje remsysteem brandt en blijft branden, zal het remsysteem niet normaal werken. Er kan dus een onverwachte en gevaarlijke situatie ontstaan bij plotseling remmen. Vermijd in dit geval hard rijden en plotseling remmen. Laat uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.

Oliedruklampje

KIA Opirus - Oliedruklampje - 1

Dit waarschuwingslampje geeft aan dat de oliedruk van de motor laag is. Als het waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden:

  1. Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto tot stilstand.
  2. Controleer het motoroliepeil wanneer de motor uit is. Vul indien nodig olie bij wanneer het peil laag is.

Neem contact op met een officiële Kia-dealer als het waarschuwingslampje na het bijvullen blijft branden.

Waarschuwingslampje laadsysteem

KIA Opirus - Waarschuwingslampje laadsysteem - 1

Dit waarschuwingslampje duidt op een storing in de dynamo of in het laadsysteem.

Handel als volgt als het lampje gaat branden tijdens het rijden:

  1. Rijd naar de dichtstbijzijnde veilige locatie.
  2. Schakel de motor uit en controleer of de dynamoriem onvoldoende spanning heeft of gebroken is.
  3. Als de dynamoriem in orde is, bevindt het probleem zich in het laadsysteem. Laat de auto zo snel mogelijk repareren door een officiële Kia-dealer.

Waarschuwingslampje veiligheidsgordel

KIA Opirus - Waarschuwingslampje veiligheidsgordel - 1

Als herinnering voor bestuurder en passagiers licht telkens als het contact in stand ON wordt gezet het waarschuwingslampje van de veiligheidsgordels gedurende 6 seconden op.

Dit gebeurt ook als de veiligheidsgordel weer losgemaakt wordt als het contact in stand ON staat. Roep de hulp in van een officiële Kia-dealer wanneer het systeem niet werkt zoals beschreven.

\* OPMERKING

Ernstige motorschade kan het gevolg zijn wanneer u de motor niet onmiddelijk uitzet.

Controlelampje mislampen vóór (indien van toepassing)

KIA Opirus - Controlelampje mislampen vóór (indien van toepassing) - 1

Dit lampje gaat branden als de mistlampen vóór worden ingeschakeld.

Controlelampje mistachterlicht (indien van toepassing)

KIA Opirus - Controlelampje mistachterlicht (indien van toepassing) - 1

Dit lampje gaat branden als de mistachterlichten worden ingeschakeld.

Waarschuwingslampje defect rem-/achterlicht

KIA Opirus - Waarschuwingslampje defect rem-/achterlicht - 1

Dit lampje geeft aan dat er een defect is in het circuit van de rem- /achterlichten, zoals bijvoorbeeld een doorgebrande gloeilamp. Vervang, als het waarschuwingslampje gaat branden, eventueel doorgebrande gloeilampen van de rem- /achterlichten. Als het lampje vervolgens nog steeds brandt, laat de auto dan controleren door een officiële Kia-dealer.

Schakelstandindicator Afhankelijk van de stand van de selectiehendel gaat het overeenkomstige lampje branden.

KIA Opirus - Waarschuwingslampje defect rem-/achterlicht - 2

Waarschuwingslampje remsysteem

KIA Opirus - Waarschuwingslampje remsysteem - 1

Waarschuwing ingeschakelde parkeerrem

Dit lampje gaat branden wanneer het contact in stand START of ON wordt gezet en de parkeerrem ingeschakeld is. Zodra de parkeerrem niet langer meer is ingeschakeld, moet het lampje UIT zijn.

KIA Opirus - Waarschuwingslampje remsysteem - 2

Waarschuwing laag remvlosistofniveau

Als het waarschuwingslampje blijft branden, kan dit duiden op een laag remvloeistofpeil in het reservoir.

Handel als volgt wanneer het waarschuwingslampje blijft branden:

  1. Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand.
  2. Schakel de motor uit en controleer het remvloeistofpeil direct. Vul indien nodig remvloeistof bij. Controleer alle onderdelen van het remsysteem op lekkage.
  3. Rijd niet met de auto als het waarschuwingslampje aan blijft of als de remmen niet goed werken. Laat de auto naar een officiële Kia-dealer slepen om het remsysteem te laten controleren en zonodig te laten repareren.

Controleer of het waarschuwingslampje van het remsysteem in orde is en brandt als het contact in stand ON staat.

WAARSCHUWING

Rijden met een auto waarvan het waarschuwingslampje brandt, is gevaarlijk. Laat het remsysteem direct controleren en repareren door een officiële Kia-dealer als het waarschuwingslampje blijft branden.

Waarschuwing achterklep open

KIA Opirus - Waarschuwing achterklep open - 1

Dit lampje gaat branden als de achterklep niet volledig gesloten is.

Waarschuwingslampje laag brandstofniveau

KIA Opirus - Waarschuwingslampje laag brandstofniveau - 1

Dit waarschuwingslampje geeft aan dat de brandstoftank bijna leeg is. Dit lampje gaat branden als de brandstofvoorraad minder dan ongeveer 9 liter bedraagt. Vul zo snel mogelijk brandstof bij.

Waarschuwingslampje open portier

KIA Opirus - Waarschuwingslampje open portier - 1

Dit waarschuwingslampje gaat branden als een portier niet goed gesloten is (in alle standen van het contact).

Controleiampje grootlicht

KIA Opirus - Controleiampje grootlicht - 1

Dit controlelampje gaat branden als het grootlicht wordt ingeschakeld of een lichtsignaal wordt gegeven.

Controlelampje motormanagement (indien van toepassing)

KIA Opirus - Controlelampje motormanagement (indien van toepassing) - 1

Dit controlelampje maakt deel uit van het motorregelsysteem dat verschillende onderdelen van het emissieregelsysteem in de gaten houdt. Als dit lampje tijdens het rijden gaat branden, geeft het aan dat een mogelijk probleem gesignaleerd werd in de emissieregelsystemen.

Over het algemeen kunt u met uw auto blijven rijden en hoeft deze niet gesleept te worden. Laat het systeem echter zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.

Z. VOORZICHTIG

  • Wanneer u langere tijd met een brandend controlelampje motormanagement ( ) blijft doorrijden, kan schade aan de emissieregelsystemen ontstaan. Dit kan een nadelige invloed hebben op de rijprestaties en/of het brandstofverbruik.
  • Wanneer het controlelampje motormanagement ( ) begint te knipperen, kan de katalysator beschadigd zijn. Hierdoor kan het motorvermogen teruglopen. Laat het motorregelsysteem zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.

Waarschuwingslampje AIRBAG (indien van toepassing)

AIR BAG

Dit waarschuwingslampje zal ongeveer 6 seconden gaan knipperen iedere keer dat het contact in stand ON wordt gezet.

Roep onmiddellijk de hulp in van een officiële Kia-dealer wanneer het lampje niet uit gaat of tijdens het rijden gaat branden.

Controlelampje laag niveau ruitensproeiervloeistof (indien van toepassing)

KIA Opirus - Controlelampje laag niveau ruitensproeiervloeistof (indien van toepassing) - 1

of
KIA Opirus - Controlelampje laag niveau ruitensproeiervloeistof (indien van toepassing) - 2

Dit controlelampje geeft aan dat het sproeierreservoir bijna leeg is. Vul zo snel mogelijk ruitensproeiervloeistof bij.

Controlelampje cruise control (indien van toepassing)

Controlelampje CRUISE

CRUISE

Het controlelampje gaat branden wanneer het cruise control-systeem wordt ingeschakeld.

Controlelampje SET

KIA Opirus - Controlelampje cruise control (indien van toepassing) - 1

Het controlelampje gaat branden als de functie COAST/SET of RES/ACCEL van de cruise control is ingeschakeld.

Controlelampje sportstand (ECS) (indien van toepassing)

KIA Opirus - Controlelampje sportstand (ECS) (indien van toepassing) - 1

Na het starten van de motor staat het elektronisch geregeld veersysteem in de normale stand.

Het controlelampje SPORT gaat branden op het moment dat het contact in stand ON wordt gezet en moet binnen 3 seconden weer uit gaan.

Druk op toets ECS in de middenconsole om de sportstand SPT in te schakelen. Het controlelampje SPORT gaat branden. Druk nogmaals op de toets om de normale stand NOR weer in te schakelen. Als het controlelampje SPORT langer dan een aantal seconden knippert, is er mogelijk een storing in het systeem. Laat de auto controleren door een officiële Kia-dealer.

Controlelampje TCS (anti-doorslipregeling) (indien van toepassing)

TCS

Het controlelampje TCS gaat branden op het moment dat het contact in stand ON wordt gezet en moet na ongeveer 3 seconden weer uit gaan. Als de antidoorslipregeling is ingeschakeld registreert dit systeem de rijomstandigheden. Zolang deze normaal zijn, blijft het controlelampje TCS uit. Zodra het systeem registreert dat de wielen door willen gaan slippen, wordt de anti-doorslipregeling geactiveerd en gaat het controlelampje TCS knipperen.

Controlelampje TCS OFF (indien van toepassing)

Het controlelampje TCS OFF gaat branden op het moment dat het contact in stand ON wordt gezet en moet na ongeveer 3 seconden weer uit gaan. Druk op de toets TCS om de anti-doorslipregeling uit te schakelen. Het controlelampje TCS OFF gaat branden om aan te geven dat het systeem is uitgeschakeld. Als dit lampje brandt terwijl de anti-doorslipregeling is ingeschakeld, is er mogelijk een storing in het systeem. Laat de auto controleren door een officiële Kia-dealer.

TCS OFF

Controlelampje ESP (voertuigstabiliteitsregeling) (indien van toepassing)

ESP

Het controlelampje EPS gaat branden op het moment dat het contact in stand ON wordt gezet en moet na ongeveer 3 seconden weer uit gaan. Als de voertuigstabiliteitsregeling is ingeschakeld registreert dit systeem de rijomstandigheden. Zolang deze normaal zijn, blijft het controlelampje ESP uit. Zodra het systeem registreert dat de wielen door willen gaan slippen, wordt de voertuigstabiliteitsregeling geactiveerd en gaat het controlelampje ESP knipperen.

Controlelampje ESP OFF (indien van toepassing)

Het controlelampje ESP OFF gaat branden op het moment dat het contact in stand ON wordt gezet en moet na ongeveer 3 seconden weer uit gaan. Druk op de toets TCS om de voertuigstabiliteitsregeling uit te schakelen. Het controlelampje ESP OFF gaat branden om aan te geven dat het systeem is uitgeschakeld. Als dit lampje brandt terwijl de voertuigstabiliteitsregeling is ingeschakeld, is er mogelijk een storing in het systeem. Laat de auto controleren door een officiële Kia-dealer.

ESP OFF

Controlelampje startblokkeersysteem (indien van toepassing)

KIA Opirus - Controlelampje startblokkeersysteem (indien van toepassing) - 1

Zonder E-key

Dit lampje gaat branden als de sleutel in het contact gestoken wordt en in stand ON wordt gedraaid. Laat het systeem controleren door een officiële Kia-dealer wanneer het lampje niet gaat branden of gaat knipperen als het contact in stand ON staat en de motor nog niet is gestart.

Met E-key

(indien van toepassing)

Als een van de volgende situaties zich voordoet bij uitvoeringen met E-key, gaat het controlelampje van het startblokkeersysteem branden, knipperen of uit.

  • Als het contact in stand LOCK wordt gezet, de E-key zich in de auto bevindt en het rempedaal wordt ingetrapt, gaat het controlelampje ongeveer 10 seconden branden. Als de motor echter wordt gestart of het rempedaal wordt binnen 10 seconden losgelaten, dooft het controlelampje onmiddellijk. Zie blz. 4-5 voor meer informatie over het starten van de motor met de E-key.
  • Als de E-key zich niet in de auto bevindt, gaat het controlelampje knipperen.
  • Als het contact in stand ON staat, de motor nog niet is gestart en de E-key zich in de auto bevindt, gaat het controlelampje branden (totdat de motor is aangeslagen). Als de E-key zich niet in de auto bevindt, dooft het controlelampje na het knipperen.
    • Als het contact in stand ON wordt gezet zonder dat de E-key zich in de auto bevindt, dooft het controlelampje na het knipperen.

  • Zodra het portier wordt geopend en gesloten terwijl het contact in stand ACC of ON staat, controleert het systeem of de E-key zich in de auto bevindt. Als de E-key zich in de auto bevindt, gaat het controlelampje branden. Als de E-key zich niet in de auto bevindt, klinkt er gedurende 6 seconden een alarm. Het controlelampje dooft als het contact in stand ACC wordt gezet en gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet.

  • Als het contact in stand ON staat en het controlelampje na 2 seconden dooft, zit er mogelijk een storing in het systeem. Laat de auto nakijken door een officiële Kia-dealer.
  • Als de E-key zich niet in de auto bevindt of de batterij bijna leeg is, knippert het controlelampje en kunt u de motor niet starten. Als de batterij bijna leeg is, kunt u de auto mogelijk echter wel starten als u de E-key in het contactslot plaatst. Als er een storing zit in onderdelen van het E-key-systeem, knippert het controlelampje.

Waarschuwingszoemer veiligheidsgordel

Wanneer de veiligheidsgordel van de bestuurder niet vastgemaakt is, zal gedurende ongeveer 6 seconden een waarschuwingszoemer klinken zodra het contact in stand ON wordt gezet. Dit gebeurt ook als de veiligheidsgordel weer losgemaakt wordt als het contact in stand ON staat.

Waarschuwingszoemer open portier (indien van toepassing)

Als een portier geopend wordt en het contact in stand ON staat, zal er een waarschuwingszoemer klinken.

Waarschuwingszoemer "sleutel in contactslot"

Als het bestuurdersportier geopend wordt en de contactsleutel zich nog in het contactslot bevindt in stand LOCK of ACC, zal de waarschuwingszoemer "sleutel in contactslot" klinken. Dit om te voorkomen dat u de auto afsluit en de sleutel in het contactslot laat zitten.

Signaal parkeerhulp (indien van toepassing)

Als de parkeersensoren een voorwerp registreren dat zich tijdens het achteruitrijden binnen 120 cm van de auto bevindt, klinkt een waarschuwingssignaal dat bij het dichter naderen steeds sneller klinkt. Zie de beschrijving van de parkeerhulp op de volgende bladzijden voor meer informatie.

PARKEERHULP (INDIEN VAN TOEPASSING)

Parkeerhulp 1GHA2213

De parkeerhulp waarschuwt de bestuurder tijdens het achteruitrijden met een signaal zodra de afstand tussen de auto en een voorwerp achter de auto minder dan 120 cm wordt. Het systeem dient slechts als hulpmiddel vermindert niet de noodzaak om voorzichtig te rijden. Het bereik van de parkeersensoren is beperkt en niet alle voorwerpen worden even goed opgemerkt. Blijf daarom altijd alert tijdens het achteruitrijden.

▲ WAARSCHUWING

De parkeerhulp biedt slechts aanvullende informatie. De bestuurder dient altijd zelf achteruit te kijken. De werking van het systeem kan worden beïnvloed door diverse factoren en kan niet blindelings worden vertrouwd.

Werking van de parkeerhulp Inschakelen

  • Het systeem wordt automatisch ingeschakeld als de achteruitversnelling is ingeschakeld en het contact in stand ON staat.
  • Het bereik van de parkeersensoren bedraagt ongeveer 120 cm.
  • Als er zich twee voorwerpen achter de auto bevinden, zal het dichtstbijzijnde als eerste worden geregistreerd.

Waarschuwingssignalen

  • Als de afstand tussen 120 cm en 71 cm bedraagt, klinkt er met regelmatige tussenpozen een signaal
  • Als de afstand tussen 70cm en 41cm bedraagt, klinkt er met regelmatige tussenpozen een dubbel signaal
  • Als de afstand minder dan 40 cm bedraagt, klinkt het signaal continu Het geluid gaat geleidelijk zachter klinken als de afstand tot het dichtstbijzijnde voorwerp gedurende 3 seconden niet verandert.

Gevallen waarin de parkeerhulp niet werkt

De parkeerhulp werkt mogelijk niet goed in de volgende gevallen:

  1. Als er ijsvorming op de sensor is (de sensor werkt weer normaal als het ijs gesmolten is).
  2. Als de sensor bedekt is met sneeuw of een andere substantie (de sensor werkt weer normaal zodra deze vrij is gemaakt).
  3. Als de sensor vuil is (de sensor werkt weer normaal zodra deze schoon is).

De werking van de parkeerhulp kan worden verstoord in de volgende omstandigheden:

  1. Bij het rijden op oneffen wegen en op hellingen.
  2. Als bepaalde hoogfrequente geluiden, zoals claxons, racemotoren, luchtremmen van vrachtwagen en dergelijke de werking van de sensoren beïnvloeden.
  3. Bij zware regenval of opspattend water.
  4. Door zenders of mobiele telefoons in de buurt van de sensors.
  5. Als de sensor bedekt is met sneeuw.

Het sensorbereik kan in de volgende gevallen afnemen:

  1. Bij extreem hoge of lage buitentemperaturen.
  2. Bij voorwerpen lager dan 1 meter en smaller dan 14 cm.

De volgende voorwerpen worden mogelijk niet opgemerkt door de sensoren:

  1. Smalle voorwerpen als touwen, kettingen enz.
  2. Voorwerpen die de hoogfrequente signalen van de sensor absorberen, zoals kleding, sponsachtige materialen en sneeuw.

\* OPMERKING

  1. Het waarschuwingssignaal klinkt mogelijk niet regelmatig als het voorwerp achter de auto beweegt of een grillige vorm heeft.
  2. De correcte werking van de parkeerbulp kan verstoord raken als de bumperhoogte of de inbouwpositie van de sensoren is gewijzigd. Achteraf gemonteerde accessoires kunnen het bereik van de sensoren beïnvloeden.
  3. Voorwerpen die kleiner zijn dan 40 cm worden mogelijk niet of niet goed geregistreerd. Wees alert.
  4. Als de sensor bedekt is met sneeuw, ijs of vuil, werkt deze mogelijk niet goed totcat deze weer schoon en droog is gemaakt met een zachte doek.
  5. Druk, kras of stoot niet met harde voorwerpen tegen de sensor. Anders kan het oppervlak van de sensor beschadigd raken. Hierdoor werkt de sensor mogelijk niet goed meer.

\* OPMERKING

Het systeem werkt alleen in het gebied waar de parkeersensoren zijn geplaatst. Kleine of smalle voorwerpen die zich tussen twee sensoren in bevinden, worden mogelijk niet geregistreerd. Kijk daarom altijd zelf mee tijdens het achteruitrijden.

Informeer bestuurders die enbekend zijn met de auto over de mogelijkheden en beperkingen van het systeem.

Schade aan de auto en persoonlijk letsel, ontstaan vanwege het onjuist functioneren van de parkeerhulp, vallen niet onder de garantie. Rijd daarom altijd veilig en voorzichtig.

WAARSCHUWING

Wees extra voorzichtig als u dicht langs voorwerpen of personen, in het bijzonder kinderen, rijdt. Houd er rekening mee dat sommige voorwerpen mogelijk niet door de sensoren worden geregistreerd.

Controleer altijd met eigen ogen of de weg vrij is.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

VERLICHTING

Energiebesparingsfunctie

  • Deze functie dient om te voorkomen dat de accu ontladen wordt door automatisch de parkeerlichten uit te schakelen op het moment dat het bestuurdersportier geopend wordt nadat de sleutel uit het contactslot is genomen.
  • De parkeerlichten worden automatisch uitgeschakeld als de auto in het donker langs de kant van de weg geparkeerd wordt.

Volg onderstaande procedure als de parkeerlichten moeten blijven branden, wanneer de contactsleutel is verwijderd:

1) Open het portier aan bestuurderszijde.
2) Schakel de parkeerlichten uit en in met de lichtschakelaar op de stuurkolom.

① ② ③ ④

1GHA2055A
KIA Opirus - Energiebesparingsfunctie - 2

De lichtschakelaar heeft een stand voor het parkeerlicht en voor de dimverlichting.

De verlichting kan worden bediend door het uiteinde van de combischakelaar in één van de volgende standen te zetten:

Als de lichtschakelaar in de stand parkeerlicht staat (1e stand), branden de achterlichten, het parkeerlicht, de kentekenplaatverlichting en de verlichting van het instrumentenpaneel.

KIA Opirus - Energiebesparingsfunctie - 3

Als de lichtschakelaar in de stand dimlicht staat (2e stand), branden de koplampen, de achterlichten, het parkeerlicht, de kentekenplaatverlichting en de verlichting van het instrumentenpaneel.

AUTO ① 1GHA2233A

Automatisch (indien van toepassing)

Als de lichtschakelaar in stand AUTO staat (3e stand), worden de achterlichten en koplampen automatisch in- of uitgeschakeld, afhankelijk van hoe donker het buiten is.

\* OPMERKING

  • Bedek de sensor (①) op het dashboard nooit, zodat een optimale werking van de automatische verlichting gegarandeerd blijft.
  • Reinig de sensor niet met een ruitenreiniger. Deze laat een dunnen film achter op de sensor, waardoor deze niet meer goed werkt.
  • Als de voorruit van uw auto getint glas heeft of is voorzien van een coating, functioneert het automatische verlichtingssysteem mogelijk niet goed.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 1

Druk de combischakelaar van u af om het grootlicht in te schakelen. Trek de schakelaar naar u toe om het dimlicht in te schakelen.

Het controlelampje voor het grootlicht gaat branden wanneer het grootlicht wordt ingeschakeld.

Om te voorkomen dat de accu uitgeput raakt, dient u de verlichting niet gedurende langere tijd te laten branden terwijl de motor niet draait.

Lichtsignaal

Trek de combischakelaar naar u toe om een lichtsignaal te geven. Als u de combischakelaar loslaat, keert deze weer terug naar zijn oorspronkelijke positie (dimlicht). De verlichting hoeft niet aan te staan om een lichtsignaal te kunnen geven.

Rechtsafslaan Wisseling van rijstrook naar rechts UIT Wisseling van rijstrook naar links Linksafslaan 2GHA2055

Richtingaanwijzers

Om de richtingaanwijzers te laten werken, moet het contact in stand ON staan. Beweeg de combischakelaar omhoog of omlaag om de richtingaanwijzers in te schakelen. Een groen controlelampje in de vorm van een pijl in het dashboard geeft aan welke richtingaanwijzer in werking is. Na een bocht keert de combischakelaar vanzelf weer terug in de middenstand. Zet de combischakelaar handmatig terug in de middenstand als de richtingaanwijzers na een bocht blijven knipperen.

Signaal rijstrookwisseling

Beweeg de combischakelaar gedeeltelijk naar beneden of naar boven en houd hem vast om een wisseling van rijstrook aan te geven. Als u de combischakelaar loslaat, keert deze weer terug naar zijn oorspronkelijke positie.

Wanneer een controlelampje blijft branden, niet knippert of abnormaal knippert, kunnen één of meer lampen doorgebrand zijn en dienen deze vervangen te worden.

\* OPMERKING

Als de richtingaanwijzer abnormaal snel of langzaam knippert, duidt dit op een kapotte lamp of een slecht contact in het circuit van de richtingaanwijzers.

Automatische koplampverstelling (indien van toepassing)

Voor een beter zicht, waardoor de ogen minder snel vermoeid raken, wordt de projectiehoogte van de koplampen automatisch aangepast aan de belading van de auto. Als de auto zwaar beladen is of een aanhanger trekt, zouden de koplampen anders te veel omhoog schijnen. Dit systeem zorgt ervoor dat de lichtbundel van de koplampen onder alle omstandigheden in de juiste stand staat gericht.

\* OPMERKING

Als de automatische koplampverstelling niet werkt op het moment dat de auto zwaar is beladen of als de koplampen verkeerd worden afgesteld, laat dan de auto controleren door een officiële Kia-dealer. Probeer de koplamphoogte niet handmatig te wijzigen. Hierdoor kan de koplampverstelling beschadigd raken.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 1

Mistlampen vóór (indien van toepassing)

De mistlampen dienen voor een beter zicht en ter voorkoming van ongevallen onder omstandigheden waarbij het zicht sterk verminderd wordt door mist, regen, sneeuwval enz. Zet de schakelaar mistlampen vóór (①) in stand ON (②) om de mistlampen in te schakelen. Dit is alleen mogelijk als het dimlicht of het parkeerlicht is ingeschakeld.

Zet de schakelaar in stand OFF om de mistlampen uit te schakelen.

\* OPMERKING

De mistlampen verbruiken zeer veel stroom. Gebruik de mistlampen alleen bij slecht zicht om te voorkomen dat de laadstroom volledig wordt gebruikt door de mistlampen en de accu leegraakt.

Motorvoertuigverlichting overdag (MVO) (indien van toepassing)

Door motorvoertuigenverlichting overdag (MVO) kunnen medeweggebruikers uw auto overdag beter zien.

Motorvoertuigenverlichting overdag kan onder verschillende rijomstandigheden handig zijn, maar vooral in de periode rond zonsondergang en zonsopgang.

De motorvoertuigenverlichting overdag wordt uitgeschakeld wanneer:

  1. De koplampen worden ingeschakeld.
  2. De parkeerlichten worden ingeschakeld.
  3. De motor afslaat.

2GHA2070

Koplampverstelling (indien van toepassing)

Dit handmatig bediende systeem dient om te voorkomen dat tegemoetkomend verkeer wordt verblind door de koplampen van uw auto. De koplampen kunnen worden versteld door het wieltje in een van de volgende standen te draaien.

Stand schakelaar:

StandLading op
VoorstoelenAchterbankBagageruimte
0Alleen bestuurder--
2 personen--
12 personen3 personen-
22 personen3 personen258 kg
3Alleen bestuurder-514 kg

QE 2GHA2052

Mistachterlicht (indien van toepassing)

Druk de schakelaar in om het mistachterlicht in te schakelen als het dimlicht is ingeschakeld. Het controlelampje in de schakelaar gaat branden.

Druk nogmaals op de schakelaar of zet de verlichting uit om het mistachterlicht uit te schakelen.

Besturing van uw auto

RUITENWISSERS EN RUITENSPROEIERS

-OFF -INT* LO HI

1GHA2056

Ruitenwissers vóór

Type A

De werking is als volgt als het contact in stand ON staat.

OFF: Ruitenwisser uitgeschakeld

INT : Ruitenwisser werkt met regelmatige intervallen.

Gebruik deze stand bij motregen of mist. Stel de intervaltijd in met de knop (①), S = langzaam en F = snel.

LO : Normale wissersnelheid

HI : Hoge wissersnelheid

: Druk voor een enkele wisbeweging de bedieningsschakelaar naar voren en laat hem weer los terwijl de ruitenwissers niet ingeschakeld zijn. De ruitenwissers zullen blijven werken zolang de schakelaar naar boven wordt gedrukt en wordt vastgehouden.

\* OPMERKING

Maak de ruit vrij van sneeuw en ijs alvorens de ruitenwissers te gebruiken. Anders werkt de ruitenwisser mogelijk niet goed en kan deze beschadigd raken.

Type B

De werking is als volgt als het contact in stand ON staat.

OFF/LO/HI/118: Zie de beschrijving van de werking van type A.

Sensor OFF AUTO® 1GHA2054A

AUTO (indien van toepassing)

; Een regensensor bovenaan op de voorruit registreert de hoeveelheid regen en schakelt de ruitenwisser automatisch in met de juiste snelheid/intervaltijd. Hoe harder het regent, hoe hoger de wissersnelheid. Als het ophoudt met regenen, wordt de ruitenwisser automatisch uitgeschakeld.

Als het contact in stand ON wordt gezet terwijl de ruitenwisserschakelaar in stand AUTO staat, of als het contact in stand ON staat en de ruitenwisserschakelaar in stand AUTO wordt gezet, voert het systeem een controle uit. Zet de schakelaar in stand OFF als de ruitenwisser niet nodig is.

\* OPMERKING

Zet de schakelaar tijdens het wassen van de auto in stand OFF om te voorkomen dat de ruitenwissers in dat geval automatisch worden ingeschakeld.

Als de ruitenwissers tijdens het wassen worden ingeschakeld, raken ze mogelijk beschadigd.

Verwijder de behuizing van de regensensor bovenaan de voorruit niet. Eventuele schade aan onderdelen die hierdoor kan ontstaan valt niet onder de fabrieksgarantie.

Zet de ruitenwisserschakelaar 's winters voor het starten van de motor in stand OFF. Als de ruitenwissers worden ingeschakeld terwijl de wisserbladen vastgevroren zijn, kunnen deze beschadigd raken. Verwijder alle sneeuw en ijs van de voorruit voordat de ruitenwissers worden ingeschakeld.

Z VOORZICHTIG

Als het contact in stand ON staat en de schakelaar voor de ruitenwissers vóór in stand AUTO, neem dan onderstaande aanwijzingen in acht om letsel te voorkomen:

  • Raak het bovenste deel van de voorruit, waar de regensensor zich bevindt, niet aan.
  • Veeg het bovenste deel van de voorruit niet schoon met een vochtige doek.
  • Oefen geen druk uit op de voorruit.

KIA Opirus - Z VOORZICHTIG - 1

Zet de hendel in stand INT en kies de gewenste intervalsnelheid door de ring te verdraaien.

- OFF

2GHA2056

Enkele wisbeweging ruitenwissers

Druk voor een enkele wisbeweging de bedieningsschakelaar naar boven en laat hem weer los terwijl de ruitenwissers niet ingeschakeld zijn.

De ruitenwissers zullen blijven werken zolang de schakelaar naar boven wordt gedrukt en wordt vastgehouden.

\* OPMERKING

• Schakel de ruitenwissers niet in als de ruit droog is om beschadiging van de wissers en de voorruit te voorkomen.
- Gebruik geen benzine, petroleum, thinner of andere oplosmiddelen in de buurt van de ruitenwisserbladen om beschadiging te voorkomen.
• Probeer de ruitenwissers nooit met de hand te bewegen om beschadiging van de ruitenwisserarmen en van andere onderdelen te voorkomen.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 1

Trek de hendel naar voren om de ruitensproeier in te schakelen. Als de ruitenwisser in stand OFF staat, zal deze 2-3 wisslagen maken.

Gebruik deze functie om de voorruit te reinigen.

De ruitensproeier en de ruitenwissers blijven werken tot u de hendel loslaat.

Besturing van uw auto

Controleer het peil van de ruitensproeiervloeistof als de ruitensproeiers niet werken. Vul het reservoir met een geschikte, niet schurende ruitensproeiervloeistof wanneer het peil te laag is.

De vulpijp van het reservoir bevindt zich vooraan in de motorruimte aan de kant van de passagier.

4

\* OPMERKING

Gebruik de ruitensproeiers niet wanneer het reservoir leeg is om beschadiging van de ruitensproeierpomp te voorkomen.

WAARSCHUWING

Gebruik de ruitensproeiers niet bij temperaturen onder het vriespunt zonder eerst de voorruit met behulp van de voorruitontwaseming te hebben verwarmd; de vloeistof kan anders op de voorruit bevriezen en uw uitzicht belemmeren.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

Koplampsproeier (indien van toepassing)

De koplampsproeier werkt alleen bij als de verlichting is ingeschakeld en de motor draait. Druk de knop in om de koplampsproeier te bedienen. Laat de knop los om de sproeier uit te schakelen.

ACHTERRUITVERWARMING

1 2 3 4 5 1GHA2064

De achterruitverwarming ontdoet de achterruit aan de binnen- en buitenzijde van rijp, condens en ijs als de motor is gestart.

\* OPMERKING

  • Gebruik om beschadiging van de verwarmingsdraden te voorkomen nooit scherpe voorwerpen of reinigingsmiddelen met schurende bestanddelen om de blannenzijde van achterruit en voorruit te reinigen.
    • Om te voorkomen dat de accu uitgeput raakt, dient de achterruitverwarming alleen ingeschakeld te worden wanneer de motor draakt.
    De voorruitverwarming is bedoeld om ijs rond de ruitenwissers te verwijderen. Zle "Voorruit otdcoien en ontwasemen" in dit deal als u condens en i's van de voorruit wilt verwijderen.

Druk op de toets in de middenconsole om de achterruitverwarming in te schakelen. Het controlelampje in de toets gaat branden wanneer de achterruitverwarming ingeschakeld is.

Als uw auto voorzien is van voorruitverwarming zal deze gelijktijdig met de achterruitverwarming in werking treden.

Verwijder eerst eventueel aanwezige sneeuw van de achterruit voordat de achterruitverwarming ingeschakeld wordt.

De achterruitverwarming schakelt na 20 minuten automatisch uit of wanneer het contact in stand LOCK wordt gezet. Druk de toets opnieuw in om de achterruitverwarming uit te schakelen.

Besturing van uw auto

De alarmknipperlichten dienen ervoor om de overige weggebruikers te waarschuwen om extra voorzichtigheid in acht te nemen bij het naderen, inhalen of passeren van uw auto.

Druk op de schakelaar om de alarmknipperlichten in te schakelen. Deze schakelaar werkt onafhankelijk van de stand van het contact.

Druk nogmaals op de schakelaar om de knipperlichten weer uit te schakelen.

AUTOMATISCH VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM

① ② ③ ④ ⑤ ⑥ ⑦ TEMP AUTO OFF A/C MODE DUAL TEMP ⑬ ⑭ ⑮ ⑯ ⑰

KR ②

  1. Toets temperatuurregeling bestuurderszijde
  2. Toets voorruitontwaseming
  3. Toets achterruitverwarming
  4. Toets aanjager
  5. Toets luchttoevoer
  6. Toets luchtreiniger
  7. Toets temperatuurregeling passagierszijde

  8. Toets gescheiden temperatuurregeling

  9. Toets luchtcirculatie
  10. Toets A/C
  11. Controlelampje
  12. Toets OFF
  13. Toets AUTO (automatische regeling)
  14. Toets klimaatregeling achter

1GHA2072/1GHA2223

KIA Opirus - AUTOMATISCH VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM - 3

Het automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem wordt bediend door eenvoudigweg de gewenste temperatuur in te stellen.

De volautomatische temperatuurregeling (FATC) regelt het verwarmen en het koelen als volgt:

  1. Druk op toets AUTO. Het controlelampje zal gaan branden en de standen, de aanjagersnelheden, de luchttoevoer en de airconditioning zullen automatisch geregeld worden totdat de ingestelde temperatuur bereikt is.

  2. Druk op toets TEMP om de gewenste temperatuur in te stellen.

Wanneer de temperatuur ingesteld wordt op 17°C/62°F, zal de airconditioning continu blijven werken.

  1. Schakel de automatische werking uit door op een willekeurige toets (behalve de bedieningstoets voor de temperatuur en toets AQS) te drukken.

Wanneer u op de toets MODE, A/C, achterruitverwarming, luchttoevoer of aanjager drukt, wordt de gekozen functie handmatig bediend. De overige functies blijven automatisch werken.

Onafhankelijk van de ingestelde temperatuur kan de airconditioning in de automatische stand worden ingeschakeld om de luchtvochtigheid te verlagen, zelfs als de verwarming op dat moment is ingeschakeld.

KIA Opirus - AUTOMATISCH VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM - 4

Bedek de sensor op het dashboard ncoit, zodat een optimale werking van het verwarmings- en airconditioningssysteem gegarandeerd blijft.

  1. Druk op de linker temperatuurregeltoets om de gewenste temperatuur voor de bestuurderszijde in te stellen.

Druk op de rechter temperatuurregeltoets om de gewenste temperatuur voor de passagierszijde in te stellen.

De temperatuur instellen voor bestuurder en passagier gezamenlijk

  1. Druk op toets DUAL om de gescheiden temperatuurregeling te deactiveren. Het controlelampje in de toets gaat uit. De temperatuur aan passagierszijde wordt hetzelfde ingesteld als aan bestuurderszijde.

  2. Druk op de linker temperatuurregeltoets. De temperatuur wordt voor bestuurder en passagier gelijk ingesteld.

Temperatuursaanduiding wijzigen De temperatuureenheid zal gereset worden naar graden Celsius wanneer de accu ontladen is of als de accupolen zijn losgenomen.

Dit is normaal. U kunt de temperatuur als volgt overschakelen van Celsius naar Fahrenheit:

Houd de toets MODE ingedrukt en druk minimaal 3 seconden op toets DUAL. De temperatuursaanduiding verandert van graden Celsius in graden Fahrenheit of andersom.

1GHA2081

Toets aanjagern

De aanjagersnelheid kan ingesteld worden op de gewenste snelheid door op de desbetreffende aanjagertoets te drukken.

Hoe hoger de aanjagersnelheid is, hoe meer lucht wordt aangevoerd.

Druk op toets OFF om de aanjager uit te schakelen.

- Lage snelheid

- Middelhoge snelheid

- Hoge snelheid

- Maximale snelheid

KIA Opirus - Toets aanjagern - 1

Druk op de desbetreffende toets om de stand van de luchttoevoer te wijzigen.

Stand RECIRCULATIE

KIA Opirus - Stand RECIRCULATIE - 1

Het controlelampje in de toets gaat branden wanneer de luchttoevoer in de stand RECIRCULATIE staat.

In de stand RECIRCULATIE wordt de lucht uit het passagierscompartiment door het systeem gerecirculeerd en, afhankelijk van de gekozen functie, gekoeld of verwarmd.

Stand SUITENLUCHT

KIA Opirus - Stand SUITENLUCHT - 1

Het controlelampje in de toets brandt niet wanneer de luchttoevoer in de stand BUITENLUCHT staat.

In de stand BUITENLUCHT stroomt de lucht van buitenaf in het passagierscompartiment. Deze lucht wordt, afhankelijk van de gekozen functie, verwarmd of gekoeld.

Na het starten wordt altijd de stand BUITENLUCHT ingeschakeld. Druk indien gewenst op de toets om de RECIRCULATIE te kiezen.

\* OPMERKING

Let op: Door langdurig gebruik van de stand RECIRCULATIE kunnen de ruiten beslaan en zal de lucht in het passagierscompartiment muf worden.

Daarnaast kan de lucht in het passagierscompartiment extreem droog worden bij langdurig gebruik van de airconditioning im de stand RECIRCULATIE.

WAARSCHUWING

  • Langdurig recirculeren kan leiden tot een verhoogde luchtvochtigheid in het interieur, waardoor de ruiten kunnen beslaan en het uitzicht belemmerd wordt.
  • Ga niet slapen in de auto wanneer het airconditioningssysteem of de verwarming ingeschakeld is. Door een afname van de zuurstofconcentratie en/of de lichaamstemperatuur kunnen de inzittenden letsel oplopen.
  • Langdurig recirculeren kan slaperigheid veroorzaken, waardoor de bestuurder de controle over de auto kan verliezen. Schakel daarom zo veel mogelijk de stand BUITENLUCHT in.

MODE DUAL TEMP 1GHA2221

Luchtreiniger

De aanvoer van buitenlucht wordt automatisch geregeld. Druk op de toets om de luchtreiniger te activeren.

In de stand AQS (Air Quality control System = luchtzuiveringssysteem) wordt de buitenlucht gecontroleerd op verontreinigingen en zoveel mogelijk gezuiverd voordat deze in het interieur terecht komt. Desondanks is het niet helemaal uit te sluiten dat er onaangename geurtjes het interieur binnendringen.

Uitschakelen van het systeem

• Druk nogmaals op de toets.
• Druk op toets luchttoevoer.
• Druk op toets AUTO.
- Zet de toets luchtcirculatie in de stand ONTWASEMEN (☐) of VERWARMEN/ONTWASEMEN (☐).
- Schakel de automatische regeling in (controlelampje in toets AUTO brandt) en stel de temperatuur in op LO of HI.

VOORZICHTIG

  • Als gedurende langere tijd gereden wordt met de luchtreiniger geactiveerd, zullen de ruiten beslaan.
  • Schakei met de luchtcirculatietoets de stand ( ) ONTWASEMEN in of met de luchttoevoertoets de stand BUITENLUCHT om de ruiten te ontwasemen.
  • De sensor van de luchtreiniger is op de radiateur geplaatst. Wees voorzichtig de sensor niet te beschadigen.

KIA Opirus - VOORZICHTIG - 1

Toets luchtcirculatie

De luchtcirculatietoets regelt de circulatie van de lucht door het ventilatiesysteem.

De lucht wordt op de volgende manier over de uitstroomopeningen verdeeld:

KIA Opirus - Toets luchtcirculatie - 1

2GHA2220A

Stand VENTILEREN

KIA Opirus - Stand VENTILEREN - 1

De lucht stroomt naar de romp en naar het hoofd. Daarnaast kan iedere uitstroomopening versteld worden om de richting van de luchtstroom te wijzigen. (Uitstroomopening: Ⓑ)

Stand VENTILEREN/VERWARMEN

KIA Opirus - Stand VENTILEREN/VERWARMEN - 1

De lucht stroomt naar het hoofd en naar de voetenruimte. De lucht die naar de voetenruimte stroomt, is warmer dan de lucht die naar het hoofd stroomt.

(Behalve wanneer de temperatuur in de laagste stand staat.)

De meeste lucht stroomt naar de voetenruimte en een klein gedeelte stroomt naar de voorruit en de zijruitontwaseming.

De meeste lucht stroomt naar de voetenruimte en de voorruit en een klein gedeelte stroomt door de zijruitontwaseming.

Op basis van de omgevingstemperatuur zal de airconditioning automatisch worden ingeschakeld en de stand BUITENLUCHT automatisch worden gekozen.

TEMP 2:00:05 AUTO OFF 1GHA2077

Toets voorruitontwaseming

De meeste lucht stroomt naar de voorruit en een klein gedeelte stroomt door de zijruitontwaseming. (Uitstroomopening: Ⓐ, Ⓑ)

Wanneer op de toets voorruitontwaseming wordt gedrukt, wordt de stand BUITENLUCHT automatisch gekozen en stroomt de lucht uit de uitstroomopeningen bij de voorruit. Op basis van de omgevingstemperatuur zal de airconditioning automatisch gaan werken.

Besturing van uw auto

Controleer de uitstroomopeningen in het dashboard als de luchttoevoer niet naar behoren functioneert. Uitstroomopening (B) kan afzonderlijk worden geopend of gesloten met het verticale wieltje. Draai het wieltje omhoog om de uitstroomopening te sluiten. Draai het omlaag om de uitstroomopening te openen.

Daarnaast kan de richting van de luchtstroom worden afgesteld in horizontale en verticale richting.

OFF MODE 1GHA2222

Toets A/C

Druk op toets A/C om de airconditioning in te schakelen. Het controlelampje gaat branden.

Druk nogmaals op de toets om de airconditioning uit te schakelen.

AUTO OFF A/C MODE 1GHA2258

Toets OFF

Druk op toets OFF om de airconditioning uit te schakelen. Het is in dat geval nog steeds mogelijk om de luchtcirculatie, de luchttoevoer en de luchtreiniger met de toetsen te bedienen, zolang het contact in stand ON staat.

Werking systeem

Ventileren

  1. Schakel de stand in met de luchtcirculatietoets.
  2. Zet de luchttoevoer in de gewenste stand.
  3. Stel de temperatuur in op de gewenste waarde.
  4. Zet de aanjager op de gewenste snelheid.

Verwarmen

  1. Schakel de stand 🚗 in met de luchtcirculatietoets.
  2. Zet de luchttoevoer in de gewenste stand.
  3. Stel de temperatuur in op de gewenste waarde.
  4. Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
  5. Als u de uitstromende lucht gedroogd wil hebben, kunt u de airconditioning aanzetten.

- Wanneer in stand VENTILEREN/VERWARMEN meer warme lucht nodig is voor de voetenruimte, zet dan de luchtcirculatietoets in stand

- Schakel de stand 📄, 📁 in met de luchtcirculatietoets wanneer de voorruit beslaat.

Airconditioning

Alle Kia-airconditioningssystemen zijn gevuld met het milieuvriendelijke koelmiddel R134a dat niet schadelijk is voor de ozonlaag.

  1. Start de motor. Druk op toets A/C.
  2. Zet de luchtcirculatietoets in stand VENTILEREN.
  3. Schakel de stand RECIRCULATIE in met de toets luchttoevoer.
  4. Stel de temperatuur in op de gewenste waarde.
  5. Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
  6. Stel de aanjagersnelheid en de temperatuur bij om een maximaal comfort te bereiken.

  7. Zet de luchtcirculatie in de stand en stel de temperatuur bij wanneer in de stand VENTILEREN/VERWARMEN meer warme lucht in de voetenruimte nodig is.

  8. Wanneer maximale koeling gewenst is, zet dan de temperatuur op LO (17°C), de luchttoevoer in de stand RECIRCULEREN en de aanjagersnelheid in de hoogste stand.

\* OPMERKING

Houd de temperatuurmeter nauwlettend in de gaten wanneer de airconditioning wordt gebruikt als u lange hellingen oprijdt of als u in druk verkeer rijdt bij hoge buitentemperaturen.

Door het gebruik van het airconditioningssysteem kan de motor oververhit raken. Bijf de aanjager gebruiken en schakel het airconditioningssysteem uit wanneer de temperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit raakt.

Aanwijzingen voor gebruik airconditioning

  • Open de ruiten een tijdje wanneer de auto tijdens warm weer in de volle zon geparkeerd is geweest, zodat de warme lucht naar buiten kan.
  • Om het beslaan van de ruiten tijdens regenachtig weer te verminderen, kunt u de vochtigheidsgraad in het interieur terugbrengen door de airconditioning in te schakelen.
  • Tijdens de werking van de airconditioning ziet u het motortoerental bij stationair draaien zo nu en dan iets veranderen wanneer de aircocompressor inschakelt. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem.

  • Schakel de airconditioning iedere maand enkele minuten aan.

  • Na gebruik van de airconditioning kan onder de rechterzijde van de auto een plas heldere vloeistof gelekt zijn. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem.
  • De airconditioning is uitgerust met een functie die de aircocompressor automatisch uitschakelt wanneer de koelvloeistoftemperatuur te hoog wordt. De aircocompressor schakelt opnieuw in wanneer de koelvloeistoftemperatuur weer normaal wordt.

De aircocompressor wordt daarnaast automatisch enige seconden uitgeschakeld wanneer het gaspedaal volledig wordt ingetrapt.

  • Gebruik de stand BUITENLUCHT wanneer de airconditioning ingeschakeld is.
  • Als de stand RECIRCULATIE wordt gebruikt wanneer de airconditioning ingeschakeid is, wordt wel een maximaal koeleffect bereikt, maar kan het gebruik van deze stand gedurende een langere tijd ertoe leiden dat de lucht in het interieur muf wordt.

Hoeveelheid koudemiddel en compressorolie controleren

Als er te weinig koudemiddel in het systeem zit, neem de koelcapaciteit van de airconditioning af. Een teveel aan koudemiddel heeft ook nadelige effecten op de werking van het systeem.

Laat de auto controleren door een officiële Kia-dealer als het systeem niet correct functioneert.

KIA Opirus - Hoeveelheid koudemiddel en compressorolie controleren - 1

Koudemiddei en compressorolie

Het systeem voldoet aan de norm SAE J-639.

OnderwerpTypeHoeveelheid
KoudemiddelR-134a625 ~ 675 g
CompressoroliePAG(FD46XG)140 ~ 160 cc

Z VOORZICHTIG

Het circuit van de airconditioning staat onder druk. Laat het systeem daarom alleen door een gekwalificeerde monteur controleren. Een onjuiste werkmethode kan ernstig ietsel tot gevolg hebben.

\* OPMERKING

Als de koelcapaciteit van de airconditioning afneemt vanwege een te lage hoeveelheid koudemiddel, dient het systeem volledig te worden afgetapt en onder vacuum te worden gevuld.

Tijdens het aftappen van koudemiddel kan er ook een beetje compressorolie meekomen. Voeg daarom ook 30 - 50 ml compressorolie toe.

Door een te lage hoeveelheid olie neemt de slijtage van de aircocompressor toe. Hierdoor kan de aircocompressor beschadigen, waardoor de airconditioning mogelijk niet goed meer werkt en er zelfs schade aan de motor kan ontstaan.

Klimaatregeling achter

De klimaatregeling achter stelt de passagiers achterin in staat om de temperatuur en luchtcirculatie achterin het interieur afzonderlijk te regelen met behulp van een bedieningspaneel achterop de middenconsole. De klimaatregeling achter verhoogt het comfort voor de passagiers achter en werkt ter aanvulling op de functies van de airconditioning voorin, die dan wel ingeschakeld dient te zijn.

ESP 2GHA2223A

Klimaatregeling achter bedienen

Bedien de klimaatregeling achter als volgt:

  1. Druk op de toets van de klimaatregeling achter (") (het controlelampje gaat branden).

KIA Opirus - Klimaatregeling achter - 2

  1. Stel de temperatuur achter in met de knop tussen de uitstroomopeningen aan de achterzijde van de middenconsole. Draai het wieltje omhoog (ROOD) voor warme lucht of omlaag (BLAUW) voor koude lucht.

KIA Opirus - Klimaatregeling achter - 3

KIA Opirus - Klimaatregeling achter - 4

  1. Stel de richting van de luchtstroom door de ventilatieroosters te verstellen.

1 2 1GHA2100

Koelbox (indien van toepassing)

Het is mogelijk blikjes drinken of andere goederen koel of warm te bewaren in het opbergvak in de middenconsole.

  1. Druk de toets voor de klimaatregeling achter in de middenconsole (7) in. Het controlelampje in de toets gaat branden.

  2. Zet de ventilatie-opening in het opbergvak open.

① Dicht

② Open

  1. Stel de temperatuur achter in met de knop tussen de uitstroomopeningen aan de achterzijde van de middenconsole. Sluit de ventilatieopening als de koelbox niet wordt gebruikt. Draai het wieltje omhoog (ROOD) voor warme lucht of omlaag (BLAUW) voor koude lucht.

VOORRUIT ONTDOOIEN EN ONTWASEMEN

KIA Opirus - VOORRUIT ONTDOOIEN EN ONTWASEMEN - 1

flowchart
graph TD
    A["Top Left"] --> B["Left Arrow"]
    C["Top Right"] --> D["Right Arrow"]
    E["Bottom Left"] --> F["Left Arrow"]
    G["Bottom Right"] --> H["Right Arrow"]
    I["Bottom Center"] --> J["Left Arrow"]
    K["Left Arrow"] --> L["Right Arrow"]
    M["Left Arrow"] --> N["Right Arrow"]
    O["Left Arrow"] --> P["Right Arrow"]
    Q["Left Arrow"] --> R["Right Arrow"]
    S["Left Arrow"] --> T["Right Arrow"]
    U["Left Arrow"] --> V["Right Arrow"]
    W["Left Arrow"] --> X["Right Arrow"]
    Y["Left Arrow"] --> Z["Right Arrow"]
    AA["Left Arrow"] --> AB["Right Arrow"]
    AC["Left Arrow"] --> AD["Right Arrow"]
    AE["Left Arrow"] --> AF["Right Arrow"]
    AG["Left Arrow"] --> AH["Right Arrow"]
    AI["Left Arrow"] --> AJ["Right Arrow"]
    AK["Left Arrow"] --> AL["Right Arrow"]
    AM["Left Arrow"] --> AN["Right Arrow"]
    AO["Left Arrow"] --> AP["Right Arrow"]
    AQ["Left Arrow"] --> AR["Right Arrow"]
    AS["Left Arrow"] --> AT["Right Arrow"]
    AU["Left Arrow"] --> AV["Right Arrow"]
    AW["Left Arrow"] --> AX["Right Arrow"]
    AY["Top Left"] --> Z
    AZ["Top Right"] --> AA
    BA["Bottom Left"] --> BB
    BC["Bottom Right"] --> BC
    BD["Bottom Center"] --> BE
    BF["Bottom Right"] --> BF
    BG["Bottom Left"] --> BH
    BI["Bottom Right"] --> BJ
    BK["Bottom Center"] --> BL
    BM["Bottom Right"] --> BN
    BO["Bottom Left"] --> BP
    BQ["Bottom Right"] --> BR
    BS["Bottom Center"] --> BT
    BU["Bottom Right"] --> BV
    BW["Bottom Left"] --> BX
    BY["Bottom Right"] --> BZ
    CA["Bottom Center"] --> CB
    CC["Bottom Right"] --> CD
    CE["Bottom Left"] --> CF
    GD["Bottom Right"] --> GD
    DH["Bottom Center"] --> DI
    DJ["Bottom Right"] --> DJ
    DK["Bottom Left"] --> DL
    DM["Bottom Right"] --> DM
    DN["Bottom Center"] --> DE
    DF["Bottom Right"] --> DF
    DG["Bottom Left"] --> DH
    DH --> DV["DV"]
    DW["DW"] --> DX["DX"]

Binnenkant voorruit ontwasemen

  1. Kies de gewenste aanjagersnelheid.
  2. Stel de gewenste temperatuur in.
  3. Druk op de toets voorruitontwaseming ( ).
  4. Op basis van de omgevingstemperatuur zal de airconditioning automatisch worden ingeschakeld en de stand BUITENLUCHT worden gekozen.

Druk op de desbetreffende toets wanneer u niet wilt dat de airconditioning wordt ingeschakeld of dat de stand BUITENLUCHT wordt gekozen.

WAARSCHUWING

Gebruik de voorruitontwaseming niet in combinatie met koelen bij een extreem hoge luchtvochtigheid. Door het temperatuurverschil tussen de buitenlucht en de voorruit, kan de voorruit plotseling beslaan, waardoor het zicht wegvalt.

① ② ③ ④ A/C 1GHA2230

Voorruit ontwasemen

  1. Zet de aanjager in de stand of .
  2. Stel de temperatuur in op maximaal (25 - 32°C).
  3. Druk op de toets voorruitontwaseming ( ).
  4. Op basis van de omgevingstemperatuur zal de airconditioning automatisch worden ingeschakeld en de stand BUITENLUCHT worden gekozen.

Druk op de desbetreffende toets wanneer u niet wilt dat de airconditioning wordt ingeschakeld of dat de stand BUITENLUCHT wordt gekozen.

Besturing van uw auto

[Illegible Text]

  • Stel de hoogste temperatuur en aanjagersnelheid in voor maximaal ontwasemen.
  • Zet de luchtcirculatie in stand VERWARMEN/ONTWASEMEN, wanneer tijdens het ontwasemen warme lucht in de voetenruimte gewenst wordt.
  • Verwijder voor het rijden alle sneeuw en ijs van de voorruit, de achterruit, de buitenspiegels en alle zijruiten.
  • Verwijder alle sneeuw en ijs van de motorkap en van de luchtaanvoeropening in het paravanrooster om de werking van de kachel en het ventilatiesysteem te verbeteren en de kans op het beslaan van de voorruit te verminderen.

ANTIDIEFSTALSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)

KIA Opirus - ANTIDIEFSTALSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING) - 1

flowchart
graph TD
    A["Antidiefstalsystem uitgeschakeld"] --> B["Antidiefstalsystem ingeschakeld"]
    B --> C["Alarm geactiverd"]
    C --> A

HMR.082

Het antidiefstalsysteem wordt uitgeschakeld zodra de sleutel in het contactslot wordt gestoken.

Als de portieren zijn vergrendeld met de afstandsbediening, dient het ontgrendelen ook plaats te vinden met de afstandsbediening.

Als de vergrendeltoets (☑) op de afstandsbediening wordt ingedrukt terwijl een portier of de achterklep geopend is, wordt het antidiefstalsysteem nog niet ingeschakeld. Zodra alle portieren en de achterklep gesloten zijn, wordt het desbetreffende portier of de achterklep vergrendeld en treedt het antidiefstalsysteem in werking.

Antidiefstalsysteem ingeschakeld

Als het contact in stand LOCK staat en de sleutel zich niet in het contactslot bevindt, wordt het antidiefstalsysteem automatisch ingeschakeld onder de volgende omstandigheden:

  • Na het indrukken van de vergrendeltoets (⊕) op de afstandsbediening terwijl alle portieren en de achterklep gesloten zijn.
  • Als binnen 30 seconden nadat de portieren met de afstandsbediening zijn ontgrendeld, geen van de portieren of de achterklep wordt geopend. Behalve dat het antidiefstalsysteem wordt ingeschakeld, worden ook de portieren weer vergrendeld.

KIA Opirus - Antidiefstalsysteem ingeschakeld - 1

Alarm geactiveerd

Het alarm zal in de volgende situaties worden geactiveerd:

  1. Als een portier zonder de sleutel of de afstandsbediening geopend wordt.
  2. Als de achterklep wordt geopend zonder de afstandsbediening te gebruiken. Als de achterklep met de sleutel wordt geopend, wordt het alarm ook geactiveerd.

De sirene en de alarmknipperlichten worden gedurende 30 seconden ingeschakeld. In deze periode is het niet mogelijk de motor te starten.

Alarm uitgesteld

Het alarm wordt niet geactiveerd als de achterklep met de afstandsbediening wordt geopend. Als de achterklep echter pas na ongeveer 30 seconden wordt geopend, wordt het alarm alsnog geactiveerd. De schakelaars van de portieren en de motorkap blijven geactiveerd, ook als de achterklep open is. Als één van de portieren of de motorkap in dat geval worden geopend zal het alarm ook worden geactiveerd.

Antidiefstalsysteem uitgeschakeld

Het antidiefstalsysteem wordt op de volgende manier uitgeschakeld. De alarmknipperlichten knipperen tweemaal ter bevestiging.

  • Wanneer op de ontgrendeltoets (♀) van de afstandsbediening gedrukt wordt. Als binnen 30 seconden nadat de portieren met de afstandsbediening zijn ontgrendeld, geen van de portieren of de achterklep wordt geopend. Behalve dat het antidiefstalsysteem wordt ingeschakeld, worden ook de portieren weer vergrendeld.
  • Wanneer de contactsleutel gedurende 30 seconden of meer in stand ON staat.

Emissieregelsysteem / 5-3

Voor het rijden / 5-5

Suggesties voor brandstofbesparing / 5-6

Speciale omstandigheden / 5-7

Rijden met een aanhanger / 5-13

Overbelading / 5-21

Informatie op labels / 5-22

Rijtips

VEREISTE BRANDSTOF

Benzinemotor (loodvrij)

Gebruik uitsluitend loodvrije benzine met een octaangetal van 91 RON of meer voor uw nieuwe Kia.

Bij gebruik van LOODVRIJE BENZINE zijn de prestaties maximaal en de uitlaatgassen het schoonst en wordt vervuiling van de bougies tegengegaan.

\* OPMERKING

GEBRUIK NOOIT

LOODHOUDENDE BENZINE.

Loodhoudende benzine is schadelijk voor de katalysator en de lambdasensor van het motorregelsysteem en zal de emissieregeling nadelig beïnvloeden. Voeg nooit andere dan door Kia voorgeschreven brandstofadditieven of gelijkwaardige producten toe aan het brandstofsysteem. (Neem voor details contact op met een officiële Kia-dealer.)

Benzine die alcohol en methanol bevat

In sommige landen is naast benzine ook gasohol verkrijgbaar. Dit is een mengsel van benzine en ethanol of methanol.

Gebruik dit mengsel niet met meer dan 10% ethanol en gebruik geen benzine of mengsel dat methanol bevat. Deze brandstoffen kunnen rijproblemen en schade aan het brandstofsysteem veroorzaken.

Gebruik gasohol niet langer wanneer rijproblemen optreden.

Schade aan de auto of rijproblemen vallen mogelijk niet onder de fabrieksgarantie wanneer ze veroorzaakt worden door het gebruik van:

  1. Benzinemengsels met meer dan 10% ethanol.
  2. Benzine of gasohol die methanol bevat.
  3. Loodhoudende benzine.

\* OPMERKING

Gebruik nooit benzinemengsels die methanol bevatten. Gebruik gasohol producten niet langer vanneer rijproblemen optreden.

EMISSIEREGELSYSTEEM

Op het emissieregelsysteem van uw auto is een aangepaste garantieregeling van toepassing. Raadpleeg de garantie-informatie in het boekje Garantie & Onderhoud voor meer informatie.

Aanpassingen aan de auto

Er mogen geen aanpassingen aan deze auto worden gedaan. Door aanpassingen kunnen de prestaties, de veiligheid of de levensduur van uw Kia beïnvloed worden.

Aanpassingen kunnen zelfs in strijd zijn met overheidsbepalingen en milieuvoorschriften.

Daarnaast kunnen schade of problemen met de prestaties als gevolg van aanpassingen mogelijk niet onder de garantie vallen.

Uitlaatgassen (koolmonoxide); voorzorgsmaatregelen

WAARSCHUWING

Uitlaatgassen bevatten onder andere het reukloze en kleurloze gas koolmonoxide (CO) dat bij inademing dodelijk kan zijn. Hoewel het kleurloos en reukloos is, is het gevaarlijk en kan het bij inademing dodelijk zijn.

Neem de volgende aanwijzingen in acht ter voorkoming van koolmonoxidevergiftiging.

- Koolmonoxide kan samen met andere uitlaatgassen aanwezig zijn. Laat het uitlaatsysteem van uw auto direct door een officiële Kia-dealer of een ander daartoe bevoegd garagebedijf controleren indien u in het interieur uitlaatgas ruikt. Rijd niet met de auto als u uitlaatgassen ruikt, maar als het niet anders kan, rijd dan met alle ruiten volledig open. Laat uw auto onmiddellijk controleren en repareren.

  • Laat de motor in een afgesloten ruimte (bijvoorbeeld een garage) niet langer draaien dan nodig is om de auto naar binnen of naar buiten te rijden.
  • Stel het ventilatiesysteem zo af dat er verse buitenlucht naar het interieur gevoerd wordt, als de auto in een open ruimte stilstaat terwijl de motor wat langer moet blijven draaien.
  • Blijf nooit met draaiende motor gedurende langere tijd in een stilstaande auto zitten.

Voorzorgsmaatregelen katalysator

Een heet uitlaatsysteem kan brandbare materialen onder de auto in brand doen vliegen. Parkeer de auto nooit boven brandbare materialen zoals droog gras, papier, bladeren enz.

Uw auto is uitgerust met een katalysator ten behoeve van de emissieregeling.

Daarom moeten de volgende voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen:

  • Gebruik bij een benzinemotor uitsluitend loodvrije benzine.
  • Gebruik de auto niet als de motor duidelijk storingen, zoals overslaan of vermogensverlies, vertoont.

  • Doe geen dingen die slecht zijn voor de motor. Voorbeelden hiervan zijn: de auto in de versnelling laten uitrollen terwijl het contact in stand LOCK staat en een helling af rijden met het contact in stand LOCK.

  • Laat de motor niet langdurig (5 minuten of langer) met een hoog stationair toerental draaien.
  • Voer zelf geen aanpassingen of wijzigingen uit aan de motor of het emissieregelsysteem.

Alle controles en afstellingen moeten door een gekwalificeerde monteur uitgevoerd worden.

Wanneer bovenstaande voorzorgsmaatregelen niet in acht worden genomen, kan schade aan de katalysator en aan uw auto ontstaan. Bovendien kan hierdoor de garantie vervallen.

VOOR HET RIJDEN

Vóór het instappen:

  • Zorg ervoor dat alle ruiten, buitenspiegel(s) en lampen schoon zijn.
  • Controleer de toestand van de banden.
  • Controleer of er geen sporen van lekkage onder de auto te zien zijn.
  • Controleer of er zich geen obstakels achter de auto bevinden wanneer u achteruit wilt rijden.

Noodzakelijke controles

De volgende vloeistofpeilen dienen regelmatig, afhankelijk van het gebruikte interval gecontroleerd te worden: motorolie, koelvloeistof, remvloeistof en ruitensproeiervloeistof. Nadere informatie vindt u in Hoofdstuk 7 ONDERHOUD.

Vóór het starten

  • Sluit alle portieren.
  • Verstel de stoel zodanig dat u alle bedieningsorganen gemakkelijk kunt bereiken.
  • Stel de binnen- en buitenspiegels af.
  • Controleer of alle verlichting werkt.
  • Controleer alle instrumenten.
  • Controleer of alle waarschuwingslampjes werken als het contact in stand ON staat
  • Ontgrendel de parkeerrem en controleer of het waarschuwingslampje van het remsysteem uitgaat.

Voor een veilig gebruik is het noodzakelijk dat u volledig vertrouwd bent met uw auto en de bedieningsorganen.

▲ WAARSCHUWING -

Rijden onder invloed van alcohol of drugs

Rijden onder invloed is gevaarlijk. Rijden onder invloed is de belangrijkste doodsoorzaak in het verkeer. Zelfs een geringe hoeveelheid alcohol zal het reactie-, waarnemings- en beoordelings vermogen verminderen.

De kans op een ernstige aanrijding is vele malen groter als u gaat rijden onder invloed.

Ga niet rijden als u gedronken heeft of drugs heeft gebruikt. Rijd ook niet mee met een bestuurder die onder invloed van alcohol of drugs is. Bepaal van tevoren wie er rijdt of neem een taxi.

Rijden onder invloed van drugs is minstens even gevaarlijk als rijden onder invloed van aclohol.

SUGGESTIES VOOR BRANDSTOFBESPARING

Het brandstofverbruik van uw auto is voornamelijk afhankelijk van uw rijstijl, hoe, waar en wanneer u rijdt.

Uw rijstijl is van invloed op de totale hoeveelheid kilometers die u op een liter brandstof kunt afleggen. Door de onderstaande suggesties op te volgen, verbruikt uw auto zo min mogelijk brandstof en bespaart u geld op zowel de brandstof als op reparaties en onderhoud:

  • Laat de motor niet stationair draaiend op bedrijfstemperatuur komen. Rijd weg zodra de motor soepel draait. Denk eraan dat het bij lagere buitentemperaturen langer duurt voordat de motor op bedrijfstemperatuur is.
  • Bespaar brandstof door na een stop langzaam op te trekken.
  • Zorg ervoor dat de motor goed afgesteld is en houd u aan de voorgeschreven periodieke onderhoudsbeurten. Dat komt de levensduur van alle onderdelen ten goede en beperkt de onderhoudskosten.

  • Gebruik de airconditioning niet onnodig.
    • Rijd langzaam op slechte wegen.

  • Zorg ervoor dat de banden altijd op de voorgeschreven spanning zijn. Dat verlaagt het brandstofverbruik en komt de levensduur van de banden ten goede.
  • Bewaar voldoende afstand tot overige weggebruikers om noodstops te voorkomen. De remmen zullen hierdoor minder snel slijten. Bovendien neemt het brandstofverbruik af, omdat het versnellen tot de normale rijsnelheid na sterk afgeremd te hebben extra brandstof kost.
  • Vervoer geen onnodig gewicht in de auto.
  • Laat tijdens het rijden uw voet niet op het rempedaal rusten. Dat veroorzaakt onnodige slijtage en mogelijk schade aan de remmen alsmede een hoger brandstofverbruik.
  • Bij een onjuiste wieluitlijning zullen de banden sneller slijten en is het brandstofverbruik hoger.

  • Geopende ruiten verhogen bij hoge snelheid het brandstofverbruik.

  • Het brandstofverbruik neemt toe bij zij- en tegenwind. Verminder onder deze omstandigheden snelheid om het brandstofverbruik enigszins te beperken.

Het in goede staat houden van uw auto is van groot belang voor zowel de veiligheid als het brandstofverbruik. Laat daarom het voorgeschreven periodieke onderhoud uitvoeren door een officiële Kia-dealer.

WAARSCHUWING

- Rijden met uitgezette motor Zet nooit de motor uit om een helling af te rijden of tijdens het rijden. Als de motor niet draait, werken de stuurbekrachtiging en de rembekrachtiging niet. Schakel in plaats daarvan terug naar een lagere versnelling om op de motor te kunnen afremmen.

SPECIALE OMSTANDIGHEDEN

Rijden onder moeilijke omstandigheden

Neem de volgende raadgevingen in acht als ten gevolge van zware regenval, sneeuw, ijzel, modder of zand het rijden bemoeilijkt wordt:

  • Rijd voorzichtig en bewaar extra afstand tot het overige verkeer.
    • Vermijd abrupt remmen of sturen.
  • Rem "pompend".

\* OPMERKING

Als uw auto is uitgerust met ABS client u niet "pompend" te remmer.

  • Probeer weg te rijden in de tweede versnelling als de auto vastzit in sneeuw, modder of zand. Geef voorzichtig gas om te voorkomen dat de wielen doorslippen.
  • Gebruik zand, pekel, sneeuwkettingen of ander anti-slipmateriaal onder de aangedreven wielen als de auto vast is komen te zitten in ijs, sneeuw of modder.

WAARSCHUWING

- Terugschakelen

Op een glad wegdek terugschakelen naar stand L bij een automatische transmissie kan ongelukken veroorzaken. Door de plotselinge verandering in wielsnelheid kunnen de banden slippen. Wees voorzichtig met het terugschakelen op een glad wegdek.

Op eigen kracht lostrekken van de auto

Verdraai eerst het stuurwiel een aantal keren naar rechts en naar links om de voorwielen vrij te maken wanneer de auto vastzit in ijs, modder of sneeuw en het nodig is de auto heen en weer te schommelen om te proberen hem los te trekken. Schakel vervolgens afwisselend stand R en één van de vooruitversnellingen in (bij een automatische transmissie). Laat de motor niet met een te hoog toerental draaien en laat de wielen niet te lang doorslippen. Als de auto na enkele pogingen nog vastzit, dient u de auto los te laten trekken om oververhitting van de motor en beschadiging van de transmissie te voorkomen.

\* OPMERKING

Het langdurig op eigen kracht lostrekken van de auto kan oververhitting van de motor en beschadiging van de transmissie en van de banden veroorzaken.

⚠ WAARSCHUWING - Slippende wielen

Laat de wielen niet doorslippen, vooral niet met hoge snelheid. Het met hoge snelheid door laten slippen van de wielen wanneer de auto stilstaat kan oververhitting van de banden veroorzaken waardoor deze kunnen exploderen en voorbijgangers kunnen verwonden.

Rijden in het donker

Omdat het rijden in het donker meer gevaren oplevert dan het rijden bij daglicht, volgen hier een aantal belangrijke tips om te onthouden:

  • Rijd langzamer en houd meer afstand tussen u en uw voorliggers omdat het zicht in het donker beperkter is, vooral in gebieden waar geen straatverlichting is.
  • Stel uw spiegels bij om schittering door de koplampen van andere auto's te beperken.
  • Houd uw koplampen schoon en, indien uw auto niet is uitgerust met automatische koplampverstelling, op de juiste wijze afgesteld. Vuile of verkeerd afgestelde koplampen beperken het zicht in het donker.
  • Vermijd rechtstreeks kijken in de koplampen van tegemoetkomende auto's. U kunt daardoor tijdelijk verblind raken en het duurt enkele seconden voordat uw ogen weer aan de duisternis gewend zijn.

Rijden in de regen

Regen en natte wegen kunnen het rijden gevaarlijk maken, vooral wanneer u er niet op bedacht bent. Hier volgen een aantal aandachtspunten voor het rijden in de regen:

  • Door hevige regenval zal het zicht beperkt worden en de remafstand groter worden. Rijd daarom langzamer.
  • Zorg ervoor dat uw ruitenwissers in goede staat verkeren. Vervang de ruitenwisserbladen als ze strepen achterlaten of bepaalde stukken overslaan.
  • Wanneer de banden niet in een goede staat verkeren, kunnen de wielen bij een noodstop op een nat wegdek gaan slippen waardoor een ongeluk kan ontstaan. Zorg ervoor dat de banden in goede staat verkeren.
  • Schakel uw verlichting in zodat anderen u beter kunnen zien.

  • Te snel door grote waterplassen rijden kan uw remmen aantasten. Als u door plassen moet rijden, probeer dit dan langzaam te doen.

  • Trap het rempedaal tijdens het rijden licht in totdat de remmen weer normaal werken wanneer u vermoed dat uw remmen nat geworden zijn.

Rijden in de winter

  • Wij adviseren dat u een noodpakket meeneemt. Dit pakket kan bestaan uit sneeuwkettingen, een ijskrabber, ruitondooier, een zak zand of zout, een pechlamp, een kleine schep en startkabels.
  • Zorg ervoor dat het koelsysteem voldoende tegen vorst beschermd is.
  • Controleer de toestand van de accu en de accukabels. Lage buitentemperaturen verminderen de capaciteit van de accu. Om in de winter voldoende startcapaciteit te hebben, moet de accu in topconditie verkeren.
  • Controleer of de viscositeit van de motorolie geschikt is voor de winterse omstandigheden.
  • Controleer het ontstekingssysteem op loszittende aansluitingen en beschadigingen.

  • Vul het ruitensproeierreservoir met ruitensproeier-antivries (Gebruik hiervoor geen koelvloeistof.)

  • Gebruik bij vorst de parkeerrem niet. Schakel tijdens het parkeren bij een automatische transmissie stand P in en blokkeer de achterwielen.
  • Vul het ruitensproeierreservoir met ruitensproeier-antivries (Gebruik hiervoor geen koelvloeistof.)
  • Gebruik bij vorst de parkeerrem niet. Schakel tijdens het parkeren bij een automatische transmissie stand P in en blokkeer de achterwielen.

KIA Opirus - Rijden in de winter - 1

Winterbanden

Als u winterbanden op uw Kia laat monteren, controleer dan of deze dezelfde afmetingen en beladingsindex hebben als de originele banden. Monteer sneeuwbanden op alle vier de wielen, voor een optimale wegligging onder alle weersomstandigheden. Let er op dat de grip op droge weg met winterbanden iets lager is dan met de originele banden. Rijd ook voorzichtig als de weg vrij is. Raadpleeg uw bandenleverancier voor de maximum snelheid van de banden.

WAARSCHUWING

- Afmetingen winterbanden

De afmeting en het type van de winterbanden moeten gelijk zijn aan die van de standaard gemonteerde banden. Anders kan de veiligheid en het rijgedrag van uw auto negatief beïnvloed worden.

Monteer geen banden met spikes zonder eerst na te gaan of het gebruik hiervan niet wettelijk verboden is.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

Omdat de wangen van een radiaalband vrij dun zijn, kunnen ze door sommige typen sneeuwkettingen beschadigd raken. Daarom wordt aanbevolen om winterbanden te gebruiken in plaats van sneeuwkettingen. Monteer geen sneeuwkettingen op auto's met lichtmetalen velgen. In dat geval kunnen de velgen beschadigd raken. Als u niet om het gebruik van sneeuwkettingen heen kunt, gebruik dan bij voorkeur kettingen met platte schakels met een dikte van maximaal 15 mm. Schade door gebruik van verkeerde sneeuwkettingen valt buiten de fabrieksgarantie.

Breng ze alleen aan rond de voorwielen.

VOORZICHTIG

• Zorg ervoor dat de sneeuwkettingen geschikt zijn voor de maat en het type band dat op uw auto gemonteerd is. Verkeerde sneeuwkettingen kunnen schade toebrengen aan de carrosserie en de wielophanging die buiten de fabrieksgarantie valt. Bovendien kunnen de bevestigingsshaken beschadigd raken bij contact met de auto, waardoor de sneeuwkettingen los kunnen komen. Gebruik uitsluitend sneeuwkettingen van SAE-klasse S. Ook kunnen kunststof kettingen of types met kabels gebruikt worden.
- Controleer na ca. 0,5 - 1 km te hebben gereden, of de kettingen nog goed zitten. Span de kettingen of monteer ze opnieuw als ze los zitten.

Sneeuwkettingen; aanbrengen van

Volg voor het plaatsen van de kettingen de aanwijzingen van de fabrikant en trek de kettingen zo strak mogelijk aan. Matig uw snelheid als u met sneeuwkettingen rijdt. Als u de kettingen tegen de carrosserie of het chassis hoort slaan, stop dan meteen en trek de kettingen aan. Als ze daarna nog tegen de auto slaan, ga dan zoveel langzamer rijden dat dit niet meer gebeurt. Verwijder de kettingen zodra u weer op een schone weg rijdt.

WAARSCHUWING

Parkeer de auto op een vlakke ondergrond en uit de buurt van het overige verkeer voor het monteren van de sneeuwkettingen.

Zet de alarmknipperlichten aan en plaats indien mogelijk een gevarendriehoek achter de auto. Zet de transmissie in stand P, trek de bedien de parkeerrem en zet de motor uit alvorens de sneeuwkettingen te monteren.

  • Het rijgedrag van de auto kan door het gebruik van kettingen negatief beïnvloed worden.
  • Rijd nooit sneller dan 30 km/h of sneller dan de door de fabrikant aanbevolen snelheid. Houd de laagste snelheid aan.
  • Rijd voorzichtig en vermijd oneiffenheden, gaten, scherpe bochten en andere situaties waardoor de auto plotseling zou kunnen uitveren.
  • Vermijd het maken van scherpe bochten en het remmen met geblokkeerde wielen.
  • Kettingen die een verkeerde maat hebben of niet goed gemonteerd zijn, kunnen de remleidingen, wielophanging, carrosserie, en velgen van uw auto beschadigen.
  • Stop onmiddellijk en span de kettingen aan zodra u ze tegen de auto hoort tikken.

Doorwaden van water

Vermijd het doorwaden van water tenzij u er zeker van bent dat het water niet hoger komt dan de onderzijde van de wielnaven. Rijd steeds langzaam bij het doorwaden van water. Bewaar voldoende remafstand omdat het remvermogen verminderd kan zijn.

Droog de remmen door na het doorwaden bij lage snelheid het rempedaal een aantal malen voorzichtig in te trappen.

Tikkende klepstoters

Door het gebruik van hydraulische klepstoters is er geen speling tussen de kleppen en de nokkenas.

Tijdens het starten of bij stationair draaien is er soms een tikkend geluid van de motor hoorbaar. Dit is op de volgende manier eenvoudig te verhelpen;

Z VOORZICHTIG

Laat de motor niet meer dan 3.000 omw/min draaien zolang het tikken hoorbaar is. Hierdoor kunnen de hydraulische klepstoters beschadigd raken.

Als het tikken optreedt tijdens het starten van de motor als deze nog koud is:

Dit is een normaal verschijnsel. Het geluid stopt zodra de motor de normale bedrijfstemperatuur heeft bereikt.

Als het tikken optreedt als de motor gedurende 48 uur niet heeft gedraaid of als de motor langdurig is gestart:

In deze gevallen is mogelijk de olie uit de klepstoters gelopen, waardoor deze onvoldoende worden gesmeerd. Dit gaat meestal binnen 15 minuten weer over door de motor met 2.000 - 3.000 omw/min te laten draaien. Laat de auto controleren door een officiële Kia-dealer wanneer het geluid niet ophoudt.

RIJDEN MET EEN AANHANGER

WAARSCHUWING

- Rijden met een aanhanger Bij verkeerd gebruik van de aanhanger, kunt u de controle over de auto verliezen. Als de aanhanger bijvoorbeeld te zwaar beladen is, kunnen de remmen niet goed of zelfs helemaal niet werken. U en uw passagiers kunnen in dat geval ernstig letsel oplopen. Ga alleen rijden met een aanhanger als u de volgende aanwijzingen hebt opgevolgd.

OnderwerpSpecificatie
Maximaal aanhangwag-engewichtkgOngeremd750
Geremd2100
Maximale kogeldrukkg85
Gebruik alleen een goedgekeurde trekhaak!1277

\* OPMERKING

Bij verkeerd gebruik van een aanhanger kan uw auto beschadigd raken, waardoor dure reparaties nodig zijn die niet onder de garantie vallen. Houd u aan de volgende regels bij het rijden met een aanhanger.

Section A-A Section B-B RE VF-RR BPR MTS MR-RP FLR SIDE 31 2 + 100 FOR VYG TRAILER ∅11 -OLE FOR VYG TRAILER STAY ASSY-RR BPR EXTN-RP FLR S/MBP AP B A B 11 110 10 5 6 7 8 9 10 21 211 212 213 214 215 216 217 218 219 220 221 222 223 224 225 226 227 228 229 230 231 232 233 234 235 236 237 238 239 240 241 242 243 244 245 246 247 248 249 250 251 252 253 254 255 256 257 258 259 260 261 262 263 264 265 266 267 268 269 270

Uw auto is geschikt om met een aanhanger te rijden. Raadpleeg de informatie onder "Aanhangwagengewicht" verderop in dit hoofdstuk om te bepalen hoe zwaar de aanhanger maximaal mag zijn. Let op dat rijden met een aanhanger anders is dan rijden zonder aanhanger. Bij rijden met een aanhanger is de besturing anders en nemen slijtage en brandstofverbruik toe. Voor goed en veilig rijden met een aanhanger is het belangrijk dat de aanhanger technisch in orde is en op de juiste manier aan de auto is gekoppeld.

In dit hoofdstuk worden een aantal belangrijke aanwijzingen genoemd. Veel van deze hebben betrekking op uw eigen veiligheid en die van uw passagiers. Lees dit hoofdstuk daarom zorgvuldig door voordat u gaat rijden met een aanhanger.

Bepaalde onderdelen, zoals de motor, de transmissie en de banden, worden door het getrokken extra gewicht zwaarder belast. De motor moet wat meer toeren maken en moet meer vermogen leveren. Hierdoor neemt ook de warmteontwikkeling toe. De aanhanger zorgt bovendien voor een hogere luchtweerstand, waardoor de belasting nog verder toeneemt.

Als u gaat rijden met een aanhanger

Let op de volgende punten als u gaat rijden met een aanhanger:

• Overweeg de aanschaf van stabilisatorkoppeling. Raadpleeg de leverancier van uw aanhanger voor meer informatie.

- Uw auto is het meest geschikt voor het trekken van een aanhanger als deze minimaal 800 km heeft gereden. Als u gedurende de eerste 800 km met een aanhanger wilt rijden, rijd dan niet harder dan 80 km/h en accelereer niet voluit. Hierdoor wordt de motor en de rest van de auto niet overmatig belast tijdens de inrijperiode.

- Neem de volgende overwegingen met betrekking tot het extra gewicht in acht:

Gewicht van de aanhanger

Hoe zwaar kan de aanhanger veilig worden beladen? Het totale gewicht mag bij een geremde aanhanger nooit meer zijn dan 2.100 kg. Maar dit kan al te zwaar zijn.

Dat hangt af van de manier waarop de aanhanger wordt gebruikt. Zo zijn onder andere de rijsnelheid, de hoogte, hellingshoek, buitentemperatuur en ervaring belangrijke factoren. Het maximale aanhangergewicht is ook afhankelijk van eventuele voorziening die op de auto zijn aangebracht.

Kogeldruk

Bij het trekken van een aanhanger zijn de kogeldruk en het maximaal toelaatbaar totaalgewicht van belang. Onder het totaalgewicht worden gerekend het ledig gewicht van de auto plus het gewicht van de belading en de inzittenden. Bij het slepen van een aanhanger dient bovendien het gewicht van de aanhanger hierbij worden opgeteld.

De kogeldruk mag maximaal 4% van het totale aanhangergewicht bedragen. Controleer na het beladen van de aanhanger of de kogeldruk in orde is. Als dat niet het geval is, kan deze worden aangepast door de belading van de aanhanger anders te verdelen.

WAARSCHUWING

  • Zorg ervoor dat de aanhanger aan de voorzijde altijd zwaarder is dan aan de achterzijde. De verhouding tussen de belading voor en achter dient ongeveer 60/40 te zijn.
  • Belaad de aanhanger niet zwaarder dan volgens de fabrikant van de aanhanger c.q. trekhaak is toegestaan. Een verkeerde belading kan beschadiging van de auto en/of persoonlijk letsel tot gevolg hebben. Controleer het aanhangergewicht met een geschikte weegschaal of op een weegbrug.
  • Door een verkeerde belading van de aanhanger bestaat de kans dat u de controle over de auto verliest.

Trekhaak

Een goede trekhaak is zéér belangrijk. Zijwind, rukwinden door passerende vrachtwagens en hobbelige wegen vormen een zware belasting voor de trekhaak. Neem de volgende regels in acht:

  • Moeten er voor het bevestigen van de trekhaak gaten worden geboord in het chassis? Zorg er in dat geval voor dat, wanneer de trekhaak weer wordt verwijderd, deze gaten weer worden afgedicht.
    Als dat niet gebeurt, zouden koolmonoxide (CO) uit de uitlaat, alsmede stof en water in het interieur terecht kunnen komen.
  • De bumper is niet geschikt voor het monteren van een trekhaak. Monteer nooit een trekhaak los op de bumper. Gebruik alleen een trekhaak die op het chassis moet worden bevestigd.

Losbreekvoorziening

Bevestig altijd een stalen kabel of ketting tussen de aanhanger en de auto. Laat de kabel onder de koppeling doorlopen, zodat bij het losraken van de originele koppeling de dissel de grond niet kan raken.

Raadpleeg voor het gebruik van de losbreekvoorziening eventueel ook de aanwijzingen van de fabrikant van de trekhaak of van de aanhanger. Bevestig de kabel of ketting niet te strak, zodat de aanhanger vrij kan bewegen in bochten. Laat de kabel of ketting niet over de grond slepen.

Remsysteem aanhanger

Als het totaalgewicht van de aanhanger meer dan 750 kg mag bedragen, dient de aanhanger voorzien te zijn van een goed werkend remsysteem. Volg de instructies van de fabrikant voor het gebruiken, afstellen en onderhouden van het remsysteem van de aanhanger.

- Breng nooit wijzigingen aan in het remsysteem van de auto.

WAARSCHUWING

Ga niet rijden met een aanhanger met eigen remsysteem voordat dit systeem goed is afgesteld. Voor het afstellen is specifieke vakkennis benodigd. Laat dit daarom uitvoeren bij een gespecialiseerd bedrijf.

Rijden met een aanhanger

Voor het rijden met een aanhanger is enige ervaring vereist. Ga, voordat u zich op de openbare weg begeeft, eerst oefenen met het rijden met een aanhanger. Probeer vertrouwd te raken met het gewijzigde stuur- en remgedrag. Houd altijd in gedachten dat de auto met aanhanger langer is en minder snel reageert.

Controleer voordat u gaat rijden de bevestiging van de koppeling en de losbreekvoorziening, de elektrische aansluiting, de verlichting, de banden en de afstelling van de spiegels. Als de aanhanger is voorzien van elektrische remmen, controleer dan de remmen door langzaam te gaan rijden met de aanhanger en de remmen handmatig te bekrachtigen. Dit is levens een goede controle van de elektrische aansluiting.

Controleer tijdens het rijden af en toe of de lading nog goed vastzit en of de verlichting en de remmen nog werken.

Afstand tot voorganger

Houd tenminste tweemaal zo veel afstand als tijdens het rijden zonder aanhanger. Hierdoor kunt u plotselinge remacties en uitwijkmanoeuvres voorkomen.

inhalen

Het inhalen met een aanhanger neemt meer tijd in beslag. Bovendien moet u door de extra lengte de in te halen auto verder voorbij voordat u weer terug kunt keren naar de oorspronkelijke rijbaan.

Achteruitrijden

Houd het stuurwiel aan de onderzijde vast met één hand. Beweeg uw hand naar links om de aanhanger naar links te laten gaan. Beweeg uw hand naar rechts om de aanhanger naar rechts te laten gaan. Rijd altijd langzaam achteruit en laat u indien mogelijk door iemand anders begeleiden.

Rijden in bochten

Rijd met een aanhanger ruimer door bochten dan normaal. Anders kan de aanhanger te veel naar binnen komen en stoepranden, verkeersborden, bomen enz. raken.

Voorkom schokkerige en plotselinge manoeuvres. Geen ruim van tevoren richting aan.

Richtingaanwijzers aanhanger

De aanhanger dient te zijn voorzien van richtingaanwijzers. Als u de richtingaanwijzers inschakelt, gaan de groene pijlen in het instrumentenpaneel knipperen. De richtingaanwijzers van de aanhanger dienen gelijktijdig mee te knipperen.

Ook als de richtingaanwijzers van de aanhanger niet werken, zullen de groene pijlen in het instrumentenpaneel knipperen.

Daarom is het belangrijk om af en toe te controleren of de richtingaanwijzers van de aanhanger nog werken. Controleer steeds na het opnieuw aankoppelen van de aanhanger of de verlichting en de richtingaanwijzers werken.

Sluit de verlichting van de aanhanger niet rechtstreeks aan op de verlichting van de auto. Gebruik hiervoor speciale goedgekeurde bedrading.

Raadpleeg uw Kia-dealer voor meer informatie.

Z VOORZICHTIG

Het gebruik van niet goedgekeurde bedrading kan schade aan het elektrisch systeem van de auto en/of persoonlijk letsel veroorzaken.

Rijden op hellingen

Verminder snelheid en schakel naar een lagere versnelling voordat u een lange of steile helling afrijdt. Als u niet terugschakelt, moet u de remmen vaker intrappen waardoor deze oververhit raken en niet meer goed werken.

Schakel bij het oprijden van een lange helling terug en verminder snelheid tot ongeveer 70 km/h (45 mph). Hierdoor wordt voorkomen dat de motor en de transmissie oververhit raken.

Rijd in stand D wanneer de auto uitgerust is met een automatische transmissie en u met een aanhanger rijdt die meer weegt dan 750 kg.

Wanneer u in stand D rijdt met een aanhanger wordt de levensduur van de transmissie door een lagere bedrijfstemperatuur verlengd.

\* OPMERKING

- Houd de motortemperatuur goed in de gaten als u met een aanhanger een steile helling (meer dan 12%) oprijdt. Hierdoor kan de motor oververhit raken. Als de koelvlocistoftemperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit dreigt te raken, breng de auto dan op een veilige plaats tot stilstand om de motor af te laten koelen. Zodra de motor voldoende is afgekoeld, kunt u uw weg vervolgen.

• Probeer te voorkomen dat u met een zware aanhanger gedurende meer dan 25 km tegen een steile helling (meer dan 12%) oprijdt. Pas uw snelheid aan afhankelijk van het gewicht van de aanhanger en de hellingshoek van de weg, zodat de motor en de transmissie niet oververhit raken.

Parkeren op een helling

Parkeer uw auto met aangekoppelde aanhanger bij voorkeur niet op een helling. Als de auto naar beneden zou rollen, zou deze beschadigd kunnen raken of ernstig letsel aan voorbijgangers kunnen toebrengen.

WAARSCHUWING

- Parkeren op een helling

Als u de auto met aanhanger op een helling parkeert, kunnen mensen ernstig letsel oplopen of zelfs dodelijk verwond raken als de auto onbedoeld naar beneden zou rollen.

Is het niet anders mogelijk dan de auto op een helling te parkeren, doe dit dan als volgt:

  1. Druk het rempedaal in en zet de transmissie in de neutraalstand.
  2. Laat iemand anders blokken achter de wielen van de aanhanger plaatsen.
  3. Laat het rempedaal voorzicht los, als de blokken geplaatst zijn en laat de aanhanger tegen de blokken rollen.
  4. Rem opnieuw. Trek de parkeerrem aan en zet de automatische transmissie in stand P.
  5. Laat het rempedaal los.

WAARSCHUWING

- Parkeerrem

Stap niet uit voordat de parkeerrem goed is aangetrokken.

Als u de motor laat draaien, kan de auto plotseling in beweging komen. Uzelf of andere mensen kunnen hierdoor ernstig letsel oplopen.

Wegrijden op een helling

  1. Zet de automatische transmissie in stand P, houd het rempedaal ingetrapt en:
  2. Start de motor.
    • Zet de transmissie in stand D.
  3. Ontgrendel de parkeerrem.
  4. Laat het rempedaal langzaam los.
  5. Rijd langzaam vooruit tot de aanhanger los komt van de blokken.
  6. Stop en laat de blokken door iemand oprapen en opbergen.

Onderhoud bij het rijden met een aanhanger

Uw auto heeft vaker onderhoud nodig wanneer u regelmatig met een aanhanger rijdt. Belangrijke zaken die speciale aandacht verdienen zijn: de motorolie, de automatische-transmissievloeistof, de smering van de aandrijfassen en de koelvloeistof. De toestand van de remmen moet ook regelmatig gecontroleerd worden. Alle zaken staan in dit instructieboekje beschreven. De index is hierbij een handig hulpmiddel. Het is verstandig dat u deze gedeeltes te lezen voordat u met een aanhanger op pad gaat.

Vergeet ook niet de aanhanger en de trekhaak te onderhouden. Volg het onderhoudsschema van de aanhanger en controleer hem regelmatig. Voer de controle bij voorkeur ieder keer uit wanneer u gaat rijden.

Het is van het grootste belang dat de trekhaakmoeren en -bouten vastzitten.

\* OPMERKING

Vanwege de hogere belasting tijdens het rijden met een aanhanger, kan bij warm weer of bij bergop rijden de motor oververhit raken. Als de koelvloeistoftemperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit dreigt te raken, schakel dan de airconditioning uit en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand om de motor af te laten koelen.

OVERBELADING

VOORZICHTIG

De maximale asbelasting en de maximale massa van het voertuig staan vermeld op het typeplaatje bevestigd aan het bestuurdersportier.

Het overschrijden van deze waardes kan een ongeval of schade aan de auto veroorzaken. U kunt het gewicht van uw lading berekenen door de voorwerpen (of personen) vooraf te wegen. Wees voorzichtig uw auto niet te overbeladen.

Rijtips

INFORMATIE OP LABELS

In uw auto bevinden zich verschillende belangrijke labels en identificatienummers. De plaats van de labels wordt in de volgende afbeeldingen aangegeven:

Voertuig-identificatienummer (VIN)

1GHA601 3200 3

Typeplaatje (behalve golfstaten)

KIA Opirus - INFORMATIE OP LABELS - 2

Waarschuwingssignalen / 6-2

Oververhitting / 6-3

Starten met hulpaccu / 6-4

Bescherming elektrische circuits / 6-7

Slepen / 6-14

Wiel verwisselen bij een lekke band / 6-19

In geval van nood

De alarmknipperlichten dienen ervoor om de overige weggebruikers te waarschuwen om extra voorzichtigheid in acht te nemen bij het naderen, inhalen of passeren van uw auto. Ze dienen te worden gebruikt in noodsituaties of als de auto aan de kant van de weg tot stilstand is gekomen.

Druk de schakelaar van de alarmknipperlichten in met het contact in een willekeurige stand. De schakelaar alarmknipperlichten bevindt zich in het dashboard. De schakelaar zorgt ervoor dat alle knipperlichten geactiveerd worden.

  • De alarmknipperlichten werken ongeacht of de motor draait of niet.
  • De richtingaanwijzers werken niet wanneer de alarmknipperlichten ingeschakeld zijn.
  • Wees voorzichtig bij het gebruiken van de alarmknipperlichten wanneer de auto gesleept wordt.

OVERVERHITTING

Als uw temperatuurmeter een te hoge temperatuur aangeeft, als u een vermogensverlies bespeurt of wanneer u luid kloppende of pingelende geluiden hoort, is de motor waarschijnlijk oververhit geraakt. Handel in dat geval als volgt:

  1. Schakel de alarmknipperlichten in en rijd naar de dichtstbijzijnde veilige plaats, breng de auto tot stilstand, zet de automatisch transmissie in stand P en trek de parkeerrem aan.
  2. Zorg ervoor dat de airconditioning uitgeschakeld is.
  3. Zet de motor uit en neem contact op met een officiële Kia-dealer voor hulp wanneer koelvloeistof of stoom uit de radiateur komt.
    Laat de motor stationair draaien en open de motorkap om de motor geleidelijk af te laten koelen wanneer er geen koelvloeistof uit de radiateur komt.

Zet de motor uit wanneer de temperatuur bij stationair draaien niet daalt en wacht voldoende lang om de motor de gelegenheid te geven af te koelen.

  1. Controleer vervolgens het koelvloeistofpeil. Wanneer het peil in het expansievat laag is, controleer dan de slangen en de aansluitingen van de radiateur, de slangen en de aansluitingen van de kachel, de radiateur en de waterpomp op lekkage. Start de motor niet totdat het probleem is verholpen wanneer u een grote lekkage of een ander probleem vindt dat vermoedelijk de oorzaak was van het oververhit raken van de motor. Neem voor hulp contact op met een officiële Kia-dealer. Vul voorzichtig koelvloeistof bij in het expansievat wanneer u geen lekkage of een ander probleem vindt.

⚠ WAARSCHUWING - Losdraaien van de radiateurdop

Verwijder bij een warme motor en radiateur de radiateurdop niet. Hete koelvloeistof en stoom kunnen onder druk naar buiten spuiten. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.

Laat het koelsysteem controleren en repareren door een officiële Kia-dealer wanneer de motor regelmatig oververhit raakt.

STARTEN MET HULPACCU

Starten met een hulpaccu

Starten met een hulpaccu kan gevaarlijk zijn als dit niet op de juiste manier gebeurt. Volg daarom de procedures voor het starten met een hulpaccu verderop om te voorkomen dat u letsel oploopt of de auto en de accu beschadigd raken. Wij adviseren u met klem om bij twijfel een expert te raadplegen.

\* OPMERKING

Maak alleen gebruik van een 12 volt hulpaccu. Door het gebruik van een 24 V spanningsbron (twee seriegeschakelde 12 V accu's of een 24 V snelstart-apparaat) kunt u de startmotor, het ontstekingssysteem en andere onderdelen van het elektrisch systeem beschadigen.

Controleer nooit het elektrolytniveau in de accu. Hierdoor kan de accu scheuren of ontploffen, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.

  • Houd vonken en open vuur uit de buurt van de accu. In de accu komt waterstof vrij dat kan exploderen wanneer het wordt blootgesteld aan vlammen of vonken.
  • Probeer uw auto niet met een hulpaccu te starten als de lege accu bevroren is of het elektrolytpeil laag is; de accu kan scheuren of exploderen.

Startprocedure met behulp van een hulpaccu

  1. Controleer of de hulpaccu die u wilt gebruiken een 12 V accu is en controleer als deze zich in een andere auto bevindt of hij met de minpool aan massa
  2. Als de hulpaccu zich in een andere auto bevindt, mogen beide auto's elkaar niet raken.

Aansluiten van startkabels

Sluit de kabels in de aangegeven volgorde aan en neem ze in de omgekeerde volgorde los.

lege geven de Lege accu Startkabels ① (+) ② (+) ③ (-) ④ (-) Hulpaccu

1GHA401

  1. Schakel alle elektrische verbruikers uit.
  2. Sluit de startkabels aan in de volgorde die in de afbeelding is aangegeven. Sluit eerst één klem van de startkabel aan op de pluspool van de lege accu en de andere klem van dezelfde kabel op de pluspool van de hulpaccu. Sluit vervolgens één klem van de andere kabel aan op de minpool van de hulpaccu en de andere klem op een metalen onderdeel (bijvoorbeeld het motorhijsoog) uit de buurt van de accu. Sluit de startkabel niet aan op of in de buurt van draaiende onderdelen. Sluit de startkabel verbonden met de minpool (-) van de hulpaccu niet aan op de minpool (-) van de lege accu.

Zorg ervoor dat de startkabels uitsluitend contact maken met de juiste accupolen of de juiste massaverbinding. Leun bij het aansluiten niet over de accu.

  1. Start de motor van de auto met de hulpaccu en laat deze met 2.000 omw/min draaien. Start vervolgens de motor van de auto met de lege accu.

Laat uw auto controleren door een officiële Kia-dealer als de oorzaak van de lege accu niet duidelijk is.

Aanduwen of aanslepen

Auto's die uitgerust zijn met een automatische transmissie kunnen niet worden aangeduwd of aangesleept.

Volg de aanwijzingen in dit gedeelte voor het starten met een hulpaccu.

Z VOORZICHTIG

Probeer nooit een auto door middel van slepen te starten. Wanneer de auto plotseling naar voren schiet als de motor aanslaat, kan een aanrijding veroorzaakt worden.

BESCHERMING ELEKTRISCHE CIRCUITS

Standard Normaal Doorgebrand Hooofdzek- ering Normaal Doorgebrand MMSA6003

Zekeringen

Het elektrisch systeem van een auto is tegen overbelasting beveiligd door middel van zekeringen.

Deze auto heeft twee zekeringkasten, één in het zijpaneel aan bestuurderszijde en de andere in de motorruimte vlakbij de accu.

Controleer de zekering van het desbetreffende circuit wanneer een bepaalde verlichting, accessoire of bedieningsorgaan niet werkt. Een doorgebrande zekering kunt u herkennen aan een onderbreking in het metalen element in de zekering.

Vervang een zekering altijd door een zekering met dezelfde stroomsterkte. Als de vervangende zekering ook doorbrandt, duidt dit op een elektrische storing. Probeer het betreffende systeem niet te gebruiken en neem onmiddellijk contact op met een officiële Kia-dealer.

Er worden twee soorten zekeringen gebruikt: een standaard zekering voor lagere stroomsterktes en een hoofdzekering voor hogere stroomsterktes.

Zekeringen vervangen

  • Vervang een zekering alleen door een zekering met dezelfde stroomsterkte.
  • Een zekering met een hogere capaciteit kan schade en mogelijk brand veroorzaken.
  • Vervang een zekering nooit door iets anders - ook niet als noodreparatie. Hierdoor kan het elektrische circuit overbelast worden, waardoor brand kan ontstaan.
  • Verwijder een zekering niet met een schroevendraaier of een ander metalen voorwerp omdat hierdoor kortsluiting kan ontstaan, waardoor schade aan het elektrisch systeem kan worden veroorzaakt.

Controleer de zekeringkast aan bestuurderszijde wanneer het elektrisch systeem niet werkt.

KIA Opirus - Zekeringen vervangen - 1

  1. Zet het contact in stand LOCK en alle andere schakelaars uit.
  2. Verwijder de verdachte zekering. Gebruik de zekeringtrekker die zich in de hoofdzekeringkast in de motorruimte bevindt.
  3. Controleer de verwijderde zekering; vervangen indien deze is doorgebrand.

Er bevinden zich reservezekeringen in de zekeringkast.

  1. Plaats een nieuwe zekering met dezelfde stroomsterkte en controleer of de zekering goed vastzit.

Neem contact op met een officiële Kia-dealer als de zekering niet goed vastzit.

Als u geen reservezekering heeft, kunt u de zekering van een ander circuit gebruiken, bijvoorbeeld van de radio of de interieurverlichting, die niet nodig is om te kunnen rijden, mits deze dezelfde stroomsterkte heeft.

Controleer de zekeringkast in de motorruimte wanneer de koplampen of andere elektrische componenten niet werken. Vervang een doorgebrande zekering.

KIA Opirus - Zekeringen vervangen - 2

  1. Zet het contact in stand LOCK en alle andere schakelaars uit.
  2. Verwijder de bout van het deksel, haak het lipje aan de ene kant los en til het deksel omhoog om het van de zekeringkast te verwijderen.
  3. Controleer de zekeringen. Vervang een doorgebrande zekering door een zekering van dezelfde stroomsterkte.

\* OPMERKING

Plaats het deksel op de juiste manier nadat de zekeringkast in de moterruimte gecontroleerd is.

Wanneer dit niet het geval is, kunnen elektrische storingen ten geveige van blinnendringend vocht optreden.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 1

Vervang de doorgebrande hoofdzekeringen BATT (60 A) of ALT (140 A) A als volgt:

  1. Neem de minpool los van de accu.
  2. Verwijder de schroeven die in de bovenstaande afbeelding worden aangegeven.
  3. Vervang de zekering door een nieuwe met dezelfde stroomsterkte.
  4. Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde van verwijderen.

Zekeringkast

Zijpaneel bestuurderszijde

BLOWER (R) FOG LAMP (RR) CURTAIN (RR-DOWN) CURTAIN (RR-UP)

Motorruimte

KIA Opirus - Zekeringkast - 2

Aan de binnenzijde van de deksels vindt u een label met daarop de naam van de zekeringen en relais en de capaciteit.

Motorruimte
KIA Opirus - Zekeringkast - 3

flowchart
graph TD
    A["C/FAN 20A"] --> B["PUE P.LEF"]
    B --> C["1"]
    C --> D["5"]
    D --> E["ACOYRAN1"]
    E --> F["4"]
    F --> G["60LP 2H"]
    G --> H["15"]
    H --> I["17"]
    I --> J["23"]
    J --> K["22"]
    K --> L["FUS/MPB 30A"]
    L --> M["ABS 2 30A"]
    M --> N["1P 4.0L-"]
    N --> O["HORN"]
    O --> P["HLF 8N"]
    P --> Q["ML 12"]
    Q --> R["16"]
    R --> S["19"]
    S --> T["24"]
    T --> U["CH SW-1 33A"]
    U --> V["ABS 0CA"]
    V --> W["SABT"]
    W --> X["11"]
    X --> Y["12"]
    Y --> Z["OPER LOI"]
    Z --> AA["16"]
    AA --> AB["20"]
    AB --> AC["25"]
    AC --> AD["26"]
    AD --> AE["ICN SW 30A"]
    AE --> AF["FUEL 5.0P"]
    AF --> AG["9"]
    AG --> AH["RPM"]
    AH --> AI["ACOYRAN2"]
    AI --> AJ["27"]
    AJ --> AK["3"]
    AK --> AL["26"]
    AL --> AM["21"]
    AM --> AN["28"]

    subgraph Signal Path
        B --> B1["1"]
        B --> B2["2"]
        B --> B3["3"]
        B --> B4["4"]
        B --> B5["5"]
        B --> B6["6"]
        B --> B7["7"]
        B --> B8["8"]
        B --> B9["9"]
        B --> B10["10"]
        B --> B11["11"]
        B --> B12["12"]
        B --> B13["13"]
        B --> B14["14"]
        B --> B15["15"]
        B --> B16["16"]
        B --> B17["17"]
        B --> B18["18"]
        B --> B19["19"]
        B --> B20["20"]
        B --> B21["21"]
        B --> B22["22"]
        B --> B23["23"]
        B --> B24["24"]
        B --> B25["25"]
        B --> B26["26"]
        B --> B27["27"]
        B --> B28["28"]
        B --> B29["29"]
        B --> B30["30"]
        B --> B31["31"]
        B --> B32["32"]
        B --> B33["33"]
        B --> B34["34"]
        B --> B35["35"]
        B --> B36["36"]
        B --> B37["37"]
        B --> B38["38"]
        B --> B39["39"]
        B --> B40["40"]
        B --> B41["41"]
        B --> B42["42"]
        B --> B43["43"]
        B --> B44["44"]
        B --> B45["45"]
        B --> B46["46"]
        B --> B47["47"]
        B --> B48["48"]
        B --> B49["49"]
        B --> B50["50"]
        B --> B51["51"]
        B --> B52["52"]
        B --> B53["53"]
        B --> B54["54"]
        B --> B55["55"]
        B --> B56["56"]
        B --> B57["57"]
        B --> B58["58"]
        B --> B59["59"]
        B --> B60["60"]
        B --> B61["61"]
        B --> B62["62"]
        B --> B63["63"]
        B --> B64["64"]
        B --> B65["65"]
        B --> B66["66"]
        B --> B67["67"]
        B --> B68["68"]
        B --> B69["69"]
        B --> B70["70"]
        B --> B71["71"]
        B --> B72["72"]
        B --> B73["73"]
        B --> B74["74"]
        B --> B75["75"]
        B --> B76["76"]
        B --> B77["77"]
        B --> B78["78"]
        B --> B79["79"]
        B --> B80["80"]
        B --> B81["81"]
        B --> B82["82"]
        B --> B83["83"]
        B --> B84["84"]
        B --> B85["85"]
        B --> B86["86"]
        B --> B87["87"]
        B --> B88["88"]
        B --> B89["89"]
        B --> B90["90"]

Zijpaneel bestuurderszijde
USE ONLY DESIGNATED FUSE ONLY 10A B/ALARM 10A CLUSTER 10A TRIP COMPUTER 10A ENG SNSR 15A A/BAG 10A A/BAG IND 10A B/UP LP 20A CLIGHTER 20A P/OUTLET 10A AV 10A T/REDUCER 10A S/WARMER 10A LAN UNIT 10A H/LP 10A CLOCK 10A CURTAIN(RR) 10A A/CON 20A WIPER(FR) 20A P/WDW(RH) 15A FOG LP(RR) 20A PAWDW(LH) 10A EPS 15A P/HANDLE 15A F/JID OPEN 10A TAIL LP(RH) 10A TAIL LP(LH) 15A T/SIG LP 30A P/SEAT(RR) 10A PIC 10A ROOM LP 30A HTD GLASS 10A B/ALARM 10A DR LP 15A AV/CLOCK 15A TRUNK OPEN 15A STOP LP 10A MIRROR HTD 10A LAN UNIT SHUNT CONN POWER/CONN

2GHA603/2GHA604

Motorruimte

OmschrijvingStroomsterkte zekeringBeveiligd onderdeel
1FUEL PUMP20ABrandstofpomp
2H/LP (LO-LH)15AKoplamp links (dimlicht)
3ABS10AAntiblokkeersysteem
4INJECTOR10AInspuitventiel
5A/CON COMP10AAircocompressor
6ATM RLY20ARelais automatische transmissie
7ECU RLY20ARelais motormodule
8IGN COIL20ABobine
9O2 SNSR15ALambdasensor
10ENG SNSR15ASensoren aandrijflijn
11HORN15AClaxon
12TAIL LP20AAchterlicht
13H/LP WASHER20AKoplampsproeier
14ETS20AElektronisch gaspedaal
15FOG LP (FR)15AMistlampen vóór
16H/LP (HI)15AKoplampen (grootlicht)
17SPARE30AReservezekering
18SPARE20AReservezekering
19SPARE15AReservezekering
20SPARE10AReservezekering
21BLOWER MTR30AAanjager
22SUN ROOF20ASchuif-/kanteldak
23AMP20AVersterker
24DRL15AMotorvoertuigverlichting overdag (MVO)
OmschrijvingStroomsterkte zekeringBeveiligd onderdeel
25H/LP (LO-RH)15AKoplamp rechts (dimlicht)
26P/FUSE-130AAlie elektrische systemen
27ECU10AMotormodule
28ECS15AElektronische geregeld veersysteem
@NOT USEDNiet in gebruik
C/FAN20ACondensorventilator
P/SEAT (FR)30AElektrisch verstelbare voorstoelen
IGN SW-130AContactslot
ABS 230AAntiblokkeersysteem
ABS 130AAntiblokkeersysteem
IGN SW-230AContactslot
R/FAN30AKoelventilateur
H/LP (LO-LH)-Relais koplamp links (dimlicht)
FUEL PUMP-Relais brandstofpomp
HORN-Claxonrelais
START-Startrelais
A/CON-Relais airconditioning
A/CON FAN-1-Relais aanjager airconditioning
H/LP (HI)-Relais koplampen (grootlicht)
R/FAN-Relais koelventilator
FOG LP (FR)-Relais mistlampen vóór
TAIL LP-Relais achterlicht
WIPER (LO)-Relais ruitenwissers (lage snelheid)
A/CON FAN-2-Relais aanjager airconditioning

KIA Opirus - Zekeringkast - 5

Zijpaneel bestuurderszijde

OmschrijvingStroomsterkte zekeringBeveiligd onderdeel
B/ALARM10AAlarmsysteem
A/BAG15AAirbag
C/LIGHTER20AAansteker
S/WARMER10AStoelverwarming
P/WDW(RH)20AElektrisch bedienbare ruiten (rechts)
P/HANDLE15AStuurbekrachtiging
T/SIG LP15ARichtingaanwijzer
HTD GLASS30AOntwaseming
TRUNK OPEN15AAchterklepopener
CLUSTER10AInstrumentenpaneel
A/BAG IND10AControlelampje airbag
P/OUTLET20A12V-aansluiting
LAN UNIT10AMultiplex-systeem
CURTAIN(RR)10AElektrisch beciend rolgordijn achter
FOG LP(RR)15AMistachterlicht
F/LID OPEN15AOpener tankdopklep
P/SEAT(RR)30AElektrisch verstelbare achterstoelen
B/ALARM10AAlarmsysteem
STOP LP15ARemlichten
TRIP COMPUTER10ABoordcomputer
B/UP LP10AAchteruitrijlicht
AV10AAudiosysteem
H/LP10AKoplamp
OmschrijvingStroomsterkte zekeringBeveiligd onderdeel
A/CON10AAirconditioning
P/WDW(LH)20AElektrisch bedienbare ruiten (links)
TAIL LP(RH)10AAchterlicht (rechts)
PIC10AIdentificatiekaart
DR LP10AInstapverlichting
MIRROR HTD10ASpiegelverwarming
ENG SNSR10ASensoren aandrijflijn
T/REDUCER10ASpankrachtbegrenzer
CLOCK10AClock
WIPER(FR)20ARuitenwisser (voor)
EPS10AElektronische stuurbekrachtiging
TAIL LP(LH)10AAchterlicht (links)
ROOM LP10AInterieurverlichting
AV, CLOCK15AAudiosysteem, klok
LAN UNIT10AMultiplex-systeem
SHUNT CONN-Schakelaarverlichting
POWER/CONN-Voedingsschakelaar

KIA Opirus - Zekeringkast - 6

Uw auto is uitgerust met een voedingsschakelaar, waarmee u kunt voorkomen dat de accu leeg raakt, wanneer de auto gedurende langere tijd niet wordt gebruikt. Bereid de auto op de volgende manier voor wanneer deze voor langere tijd niet gebruikt wordt.

  1. Zet de motor uit.
  2. Schakel de verlichting uit.
  3. Open het zijpaneel aan bestuurderszijde en trek de schakelaar POWER/CONN omhoog.

\* OPMERKING

• Als de voedingsschakelaar omhoog is gezet, werken de waarschuwingszoemer, het audio/video-systeem, de klok, de interieurverlichting enz. niet meer. Sommige systemen zullen na het opnieuw inschakelen gereset moeten worden. (Zie "Te resetten systemen" op biz. 7-34.)
• Zelfs als de voedingsschakelaar omhoog is gezet, kan de accu ontiaden worden door brandende verlichting of de werking van andere elektrische systemen.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 1

In geval van nood

SLEPEN

KIA Opirus - SLEPEN - 1

Laat de auto bij voorkeur wegslepen door een officiële Kia-dealer of een erkend bergingsbedrijf. De juiste procedures voor het slepen zijn noodzakelijk om beschadigingen aan uw auto te voorkomen. Wij bevelen het gebruik van dollies aan.

Zie hoofdstuk 5 "Aanwijzingen voor het rijden" voor meer informatie over het rijden met een aanhanger.

KIA Opirus - SLEPEN - 2
2GHA4109

De auto mag gesleept worden met de achterwielen op de grond (zonder dollies) en de voorwielen van de grond.

Als er geen dollies worden gebruikt, moet de auto worden gesleept met de voorwielen van de grond.

KIA Opirus - SLEPEN - 3

  • Sleep de auto nooit achteruit met de voorwielen op de grond. Hierdoor kan de auto beschadigd raken.
  • Sleep de auto nooit met een takelwagen. Gebruik alleen een auto-ambulance of een bril.

Slepen in noodgevallen zonder dollies:

  1. Zet het contact in stand ACC.
  2. Zet de selectiehendel in stand N (neutraal).
  3. Ontgrendel de parkeerrem.

\* OPMERKING

Als de selectiehendel niet in stand N wordt gezet, kan dit inwendige schade in de transmissie tot gevolg hebben.

Transportogen 2GHA410

Transportogen (voor vervoer op een auto-ambulance)

VOORZICHTIG

Gebruik de ogen aan de voorzijde en de achterzijde van de auto niet voor het slepen. Deze ogen dienen UITSLUITEND om de auto tijdens transport vast te zetten. Wanneer de transportogen gebruikt worden om te slepen, kunnen ze beschadigd raken en ontstaat er mogelijk ernstig letsel.

KIA Opirus - VOORZICHTIG - 1

Siepen zonder takelwagen

Laat de auto bij voorkeur wegslepen door een officiële Kia-dealer of een erkend bergingsbedrijf.

Als dit niet mogelijk is, mag de auto tijdelijk worden gesleept met een sleepkabel of -ketting die aan het sleepoog aan de voor- of achterzijde van de auto is bevestigd. Wees voorzichtig bij het slepen van de auto.

- Achter

KIA Opirus - Siepen zonder takelwagen - 1

Laat een ervaren bestuurder in de gesleepte auto achter om te sluren en de remmen te bedienen.

Op deze manier slepen mag alleen op verharde wegen, over een korte afstand en met lage snelheid. Bovendien moeten de wielen, aandrijfassen, transmissie, stuurinrichting en remmen in orde zijn.

  • Probeer niet een andere auto weg te slepen, die vastzit in de modder.
  • Sleep geen auto's die zwaarder zijn dan de auto waarmee wordt gesleept.
  • De bestuurders van beide auto's dienen goed met elkaar te communiceren.

\* OPMERKING

  • Bevestig een sleepkabel alleen aan de sleepogen.
    • Als de sleepkabel aan een ander onderdeel van de auto wordt bevestigd, kan dit leiden tot beschadigingen.
  • Gebruik alleen een sleepkabel of -ketting die speciaal bedoeld is voor het slepen van auto's. Bevestig de kabel of ketting goed aan de sleepogen.

Z VOORZICHTIG

Wees voorzichtig bij het slepen van de auto.

• Probeer abrubt accelereren en remmen, alsmede vreemde manoeuvres te voorkomen, zodat de sleepkabel of -ketting en de sleepogen niet te zwaar worden belast. Anders kunnen deze breken, waardoor ernstig letsel of schade kan ontstaan.
- Als er nauwelijks beweging in de auto zit, ga dan niet onnodig door met slepen. Neem contact op met een officiële Kia-dealer of een deskundig bergingsbedrijf voor huip.
- Sleep de auto onder een zo recht mogelijke hoek.
• Blijf op veilige afstand van de auto tijdens het slepen.

  • Controleer voor het slepen of de sleepogen niet gebroken of op een andere manier beschadigd zijn.
  • Bevestig de kabel of ketting goed aan de sleepogen.
    • Voorkom schokbewegingen tijdens het slepen. Sleep met een gelijkmatige kracht.
  • Trek niet in dwarsrichting of omhoog of omlaag aan het sleepoog. Anders kan het sleepoog beschadigd raken. Trek alleen in de lengterichting van de auto.

KIA Opirus - Z VOORZICHTIG - 1

  • Gebruik een sleepkabel van maximaal 5 meter. Bevestig een rode doek in het midden.
    • Rijdt voorzichtig tijdens het slepen om te voorkomen dat de sleepkabel slap komt te hangen.

Als de auto niet door een takelwagen kan worden gesleept

  • Zet het contact in stand ACC, zodat het stuurslot niet kan worden ingeschakeld.
  • Zet de selectiehendel in stand N (neutraal).
  • Ontgrendel de parkeerrem.
  • Auto's met automatische transmissie mogen niet worden gesleept met een snelheid hoger dan 45 km/h (28 mph) en de gesleepte afstand mag maximaal 80 km (50 mijl) zijn.

  • Vanwege de verminderde remwerking, moet het rempedaal krachtiger worden bediend.

  • Het sturen gaat zwaarder omdat de stuurbekrachtiging niet werkt.
  • Tijdens een afdaling kunnen de remmen oververhit raken, waardoor de remwerking afneemt. Stop in dat geval regelmatig om de remmen af te laten koelen.

\* OPMERKING

Om inwendige beschadiging van de transmissie te voorkomen, mag de auto nooit achteruit worden gesleept met alle vier de wielen op het wegdek.

Tips voor het slepen van een auto die vastzit

Een auto die vastzit in de modder of iets dergelijks, waar deze niet op eigen kracht uit kan komen, kan mogelijk op de volgende manieren loskomen.

  • Verwijder los zand of modder voor en achter de wielen.
  • Plaats stenen of hout onder de banden.

WIEL VERWISSELEN BIJ EEN LEKKE BAND

KIA Opirus - WIEL VERWISSELEN BIJ EEN LEKKE BAND - 1

Het reservewiel, de krik en de krikslinger en de wielmoersleutel zijn opgeborgen in de bagageruimte. Leg de vloerbedekking opzij om bij deze onderdelen te komen.

KIA Opirus - WIEL VERWISSELEN BIJ EEN LEKKE BAND - 2

Verwijderen van het reservewiel

Draai de bevestigingsbout van het wiel linksom.

Plaats het wiel in omgekeerde volgorde van verwijderen.

Plaats het reservewiel en het gereedschap zorgvuldig terug om te voorkomen dat ze tijdens het rijden gaan rammelen.

Wiel; verwisselen van

Aanwijzingen voor krikken

De krik is uitsluitend bedoeld voor het verwisselen van een wiel.

Neem de onderstaande aanwijzingen in acht om letsel te voorkomen.

KIA Opirus - Wiel; verwisselen van - 1

WAARSCHUWING

- Verwisselen van wielen

  • Verwissel een wiel nooit op de rijbaan.
  • Zet de auto altijd in de berm. Plaats de krik indien mogelijk op een stevige, vlakke ondergrond.

Bel de wegenwacht voor hulp wanneer u de auto niet op een veilige plek kunt plaatsen.

  • Overschrijd de maximum belasting van de krik niet: 1.000 kg.
  • Plaats de krik uitsluitend op de daartoe bestemde plaats; nooit onder de bumper of iets dergelijks.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Anders zou de krik gemakkelijk om kunnen vallen en ernstig letsel veroorzaken. Begeef u nooit onder een auto die alleen met een krik wordt ondersteund. Plaats altijd eerst extra steunen.
  • Start de motor niet en laat hem niet draaien zolang de auto is opgekrikt.
  • Zorg dat er niemand meer in de auto aanwezig als deze wordt opgekrikt.
  • Zorg ervoor dat kinderen op een veilige afstand van de auto en van de weg worden gehouden voordat de auto wordt opgekrikt.

KIA Opirus - (Vervolg) - 1

  1. Plaats de auto op een stevige en vlakke ondergrond en trek de parkeerrem stevig aan.
  2. Zet de selectiehendel in stand P (parkeren).
  3. Schakel de alarmknipperlichten in.

KIA Opirus - (Vervolg) - 2

  1. Neem de wielmoersleutel, de krik, de krikslinger en het reservewiel uit de auto.
  2. Plaats wielblokken voor en achter het wiel dat zich diagonaal tegenover het te verwisselen wiel bevindt.

WAARSCHUWING

- Wielen verwisselen

  • Trek daarom altijd de parkeerrem volledig aan en blokkeer het wiel dat zich diagonaal tegenover het te verwisselen wiel bevindt om te voorkomen dat de auto tijdens het verwisselen van een wiel beweegt.
  • Het wordt aanbevolen om blokken voor en achter de wielen te plaatsen en dat iedereen de auto verlaat voordat deze wordt opgekrikt.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

  1. Draai de wielmoeren linksom één slag los. Verwijder deze nog niet voordat het wiel los van de grond is.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 2

  1. Plaats de krik onder het steunpunt dat zich het dichtst bij het te verwisselen wiel bevindt. Plaats de krik op de aangegeven plaats onder de dorpel. De krikpunten zijn extra verstevigd en zijn herkenbaar aan de uitsparingen in de dorpelrand.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 3

  1. Steek de krikslinger in de krik en draai de slinger rechtsom totdat het wiel net van de grond loskomt. (Ongeveer 30 mm) Controleer alvorens de wielmoeren te verwijderen of de auto stabiel staat en er geen kans bestaat dat de auto van de krik glijdt of beweegt.

  2. Verwijder de wielmoeren door ze linksom te draaien en verwijder daarna het wiel.

  3. Plaats het reservewiel en draai de moeren met de schuine zijde naar binnen gericht met de hand vast.

WAARSCHUWING

- Krikpunten

Gebruik altijd de bij de auto aanwezige krik en de juiste kriksteunpunten. Gebruik nooit andere delen van de carrosserie om de auto op te krikken. Dit om de kans op letsel te beperken.

KIA Opirus - - Krikpunten - 1

  1. Laat de auto nu volledig zakken en draai de wielmoeren verder totdat ze niet verder gedraaid kunnen worden. Draai de wielmoeren kruislings goed vast. Laat bij het dichtstbijzijnde garagebedrijf de wielmoeren controleren als u niet zeker bent over het gebruikte aanhaalmoment.

Het voorgeschreven aanhaalmoment bedraagt 88 - 107 Nm (9 - 11 kgm). Als de wielmoeren niet goed vastzitten, is dit vaak herkenbaar aan trillingen in het rempedaal tijdens het remmen.

VOORZICHTIG

De tapeinden en de wielmoeren van uw auto zijn voorzien van metrische draad. Zorg er bij het verwisselen van een wiel voor dat dezelfde moeren gebruikt worden voor het plaatsen - of wanneer de wielen vervangen worden, moeren met dezelfde metrische draad gebruikt worden. Bij het plaatsen van een niet metrische moer op een tapeind met metrische schroefdraad of omgekeerd, zal het wiel niet op de juiste manier aan de naaf worden bevestigd en zal het tapeind beschadigd raken, waardoor deze vervangen moet worden.

Houd er rekening mee dat de meeste wielmoeren geen metrisch schroefdraad hebben. Controleer goed het type schroefdraad voordat u niet originele wielmoeren of wielen gaat plaatsen. Neem bij twijfel contact op met een officiële Kia-dealer.

WAARSCHUWING

- Tapeinden

Wanneer de tapeinden beschadigd zijn, kunnen ze het wiel niet meer goed op zijn plaats houden. Hierdoor kan het wiel losraken en een ongeval veroorzaken.

Plaats de krik, de krikslinger, de wielmoersleutel en het gereedschapsetui zorgvuldig om te voorkomen dat ze tijdens het rijden gaan "rammelen".

WAARSCHUWING

Controleer na het plaatsen van het reservewiel zo spoedig mogelijk de bandenspanning. Breng de band indien nodig op de voorgeschreven spanning. Raadpleeg hoofdstuk 8, "Specificaties".

Onderhoudswerkzaamheden / 7-3

Onderhoudsschema bij normaal gebruik / 7-5

Onderhoud bij verzwaard gebruik / 7-8

Door de eigenaar uit te voeren

onderhoudswerkzaamheden / 7-9

Motorruimte / 7-12

Motorolie en oliefilter / 7-13

Koelsysteem / 7-16

Remsysteem / 7-19

Parkeerrem / 7-20

Stuurbekrachtiging / 7-21

Stuurwiel / 7-22

Automatische transmissie / 7-23

Smeermiddelen en vloeistoffen / 7-26

Onderhoud

Luchtfilter / 7-26

Banden en wielen / 7-36

Vervangen van lampen / 7-43

Specificaties smeermiddelen / 7-50

Onderhoud exterieur / 7-52

Onderhoud interieur / 7-56

Onderhoud

ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN

Neem bij het uitvoeren van eventueel onderhoud en controles de grootst mogelijke voorzichtigheid in acht om schade aan uw auto en/of persoonlijk letsel te voorkomen.

Indien u niet zeker bent van de handelswijze die voor het onderhoud of de reparatie dient te worden gevolgd, is het raadzaam de werkzaamheden te laten verrichten door uw officiële Kia-dealer.

Een officiële Kia-dealer heeft getrainde technici in dienst, beschikt over originele Kia-onderdelen en kan daardoor het juiste onderhoud aan uw auto uitvoeren. Raadpleeg een officiële Kia-dealer voor deskundig advies en voor service van topkwaliteit.

Niet doelmatig, onvoldoende of gebrekkig onderhoud kan problemen bij het gebruik van uw auto veroorzaken, wat kan leiden tot schade aan de auto, een ongeval of persoonlijk letsel.

Verantwoordelijkheid van de eigenaar

\* OPMERKING

Het laten uitvoeren van onderhoud en de registratie daarvan behoort tot de verantwoordelijkheid van de eigenaar.

U dient aan te kunnen tonen dat het juiste onderhoud aan uw auto is uitgevoerd overeenkomstig de voorgeschreven intervallen zoals weergegeven op de volgende bladzijden. U heeft deze informatie nodig om aanspraak te kunnen maken op de door Kia verstrekte garantie.

De garantievoorwaarden vindt u in het garantieboekje.

Reparaties en afstetlingen die nodig zijn als gevolg van te weinig of verkeerd onderhoud vallen niet onder de garantie.

Het wordt dan ook aanbevolen dergelijke onderhoudswerkzaamheden te laten uitvoeren door een officiële Kia-dealer die daarbij uitsluitend gebruik maakt van originele Kia-onderdelen. Dergelijk onderhoud kan echter ook door een deskundig garagebedrijf worden uitgevoerd, dat gebruik maakt van niet-originele onderdelen, gelijkwaardig aan de originele onderdelen.

Het wordt aanbevolen (onderhouds) werkzaamheden uit te laten voeren door een officiële Kia-dealer, waar deskundig personeel deze werkzaamheden uitvoert met het voorgeschreven gereedschap en originele onderdelen.

Uitzonderingen op het onderhoudsschema

Volg het "Onderhoudsschema bij normaal gebruik" wanneer de auto normaalgesproken wordt gebruikt onder andere dan de hieronder vermelde omstandigheden. Volg in de onderstaande gevallen het "Onderhoudsschema bij verzwaard gebruik".

  • Veel korte ritjes.
    • Rijden in stoffige gebieden.
  • Veel remmen.
  • Rijden in gebieden waar veel zout of andere agressieve stoffen worden gebruikt.
  • Rijden op ruwe, modderige wegen.
  • Langdurig stationair draaien of rijden met lage toerentallen.
  • Gedurende lange tijd rijden bij lage temperaturen en/of in een extreem vochtig klimaat.

Wanneer uw auto wordt gebruikt onder een van de bovenstaande omstandigheden dienen voor het controleren, vervangen en verversen kortere intervallen te worden aangehouden dan aangegeven in het "Onderhoudsschema bij normaal gebruik".

Volg ook na 96 maanden of 120.000 km (80.000 mijl) de voorgeschreven onderhoudsintervallen.

ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK

ONDERHOUDSIN-TERVALONDERHOUD-SPUNTAantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt
Maanden1224364860728496
Mijl x 1.0001020304050607080
Kmx1,000153045607590105120
Aandrijfriemen *1CCCCCCCC
Motorolie en oliefilterVVVVVVVV
Automatische-transmissievloeistofCCCCCVCC
DistributieriemCV
LuchtfilterelementCCVCCVCC
BougiesElke 100.000 km (60.000 mijl) vervangen
Koelsysteem(inclusief bijvullen)CCCCCCCC
KoelvloeistofEerste keer vervangen na 60 maanden of 90.000 km:daarna na iedere 24 maanden of 45.000 km.

C: Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
V : Vervangen/verversen.

: Afstellen aandrijfriem dynamo en airconditioning en aandrijfriem stuurbekrachtiging. Controleren en indien nodig af- of bijstellen of vervangen.

^2 : Vul het koelsysteem alleen bij met goedgekeurde koelvloeistof en vul het koelsysteem niet bij met water. Een onjuist koelvloeistofmengsel kan storingen en schade aan de motor veroorzaken.

ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (vervolg)

ONDERHOUDSIN-TERVAL ONDERHOUD-SPUNTAantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt
Maanden1224364860728496
Mijl × 1.0001020304050607080
Km×1,000153045607590105120
Ontluchtingsslang en tankdopCCCC
KoolstofffilterCCVCCVCC
Vacuüm- en carterventilatieslangenCCCC
BrandstofffilterVV
Brandstofleidingen en -slangen.CCCCCCCC
AccutoestandCCCCCCCC
Alle elektrische systemenCCCC
Remleidingen en aansluitingenCCCCCCCC
RemsysteemCCCC
ParkeerremCCCC
RemvloeistofCVCVCVCV
SchcjfremmenCCCCCCCC

C: Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
V: Vervangen/verversen.

NORMAL MAINTENANCE SCHEDULE (cont.)

ONDERHOUDSIN-TERVALONDERHOUD-SPUNTAantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt
Maanden1224364860728496
Mijl × 1.0001020304050607080
Kmx1,000153045607590105120
StuurbekrachtigingsvloeistofCCCCCCCC
Stuurbekrachtigingssysteem en -slangenCCCCCCCC
Aandrijfassen en aandrijfashoezenCCCC
Banden ^2 (spanning en profiel)CCCCCCCC
VoorwielophangingCCCCCCCC
Bouten en moeren van chassis en carrosserieCCCCCCCC
Koudemiddel airconditioning*CCCCCCCC
Aircocompressor*CCCCCCCC
Interieurfilter airconditioning*VVVVVVVV
Pollenfilter*Buiten EuropaVVVVVVVV

C: Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
V: Vervangen/verversen.

^2 : Elke 12.000 km (7.500 mijl) verwisselen

* : Indien van toepassing

ONDERHOUD BIJ VERZWAARD GEBRUIK

Controleer de volgende zaken vaker wanneer de auto veelvuldig onder zware rijomstandigheden wordt gebruikt. Raadpleeg de onderstaande tabel voor de juiste onderhoudsintervallen.

V: Vervangen
C: Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen

OnderhoudspuntOnderhoudswerkzaamhedenOnderhoudsintervalRijomstandigheid
Motorolie en oliefilterVElke 7.500 km (5.000 mijl) of 6 maandenA, B, C, F, H
LuchtfilterelementVVakerC, E
Interieurfilter airconditioningVElke 7.000 km (4.500 mijl)C, E
DistributieriemVElke 60.000 km (40.000 mijl) of 48 maandenD, E, F, G
BougieVVakerB, H
StuurhuisCVakerC, D, E, F, G
Automatische-transmissievloeistofVElke 45.000 km (30.000 mijl)A, C, E, F, G, H, I
Remblokken, -klauwen en -schijvenCVakerC, D, G, H
ParkeerremCVakerC, D, G, H
Aandrijfassen en aandrijfashoezenCVakerC, D, E, F

Zware rijomstandigheden

A : Veel korte ritjes
B : Langdurig stationair draaien
C : Rijden op stoffige, onverharde wegen
D: Rijden in gebieden waar veel zout of andere agressieve stoffen worden gebruikt. Of rijden onder koude weersomstandigheden
E : Rijden in een omgeving met veel zand

F : Voor meer dan 50% rijden in druk stadsverkeer bij temperaturen boven de 32°C (90°F)
G: Rijden in heuvelachtige gebieden.
H : Rijden met een aanhanger
I : Politieauto's, taxi's, bedrijfsauto's of bij het slepen van een auto
J : Rijden met snelheden boven 170 km/h (106 mph)

DOOR DE EIGENAAR UIT TE VOEREN ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN

Schema voor onderhoud uitgevoerd door eigenaar

De eigenaar of een gekwalificeerde monteur dient de onderstaande controles volgens het aangegeven interval uit te voeren om een veilige en betrouwbare werking van de auto te garanderen.

Neem bij een probleem zo snel mogelijk contact op met een officiële Kia-dealer of een gekwalificeerde monteur.

Eventuele werkzaamheden die uit deze controles voortvloeien vallen doorgaans niet onder de fabrieksgarantie en zullen, samen het arbeidsloon en eventuele onderdelen en smeermiddelen, in rekening gebracht worden.

Bij het tanken:

  • Controleer het motoroliepeil.
  • Controleer het koelvloeistofpeil in het expansievat

WAARSCHUWING

Wees voorzichtig bij het controleren van het koelvloeistofpeil wanneer de motor warm is. Hete koelvloeistof en stoom kunnen onder druk naar buiten spuiten. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.

  • Controleer het niveau van de ruitensproeiervloeistof.
    • Controleer of de bandenspanning in orde is.

Tijdens het rijden:

  • Let op veranderingen in het uitlaatgeluid en let erop dat u in het interieur geen uitlaatgassen ruikt.
  • Controleer op trillingen in het stuurwiel. Controleer of het sturen niet zwaarder of lichter gaat dan normaal en of de rechtuitstand niet is gewijzigd.
  • Controleer of de auto niet naar één kant trekt op een vlakke, rechte weg.
  • Controleer bij het remmen op vreemde geluiden, naar een kant trekken, een grotere slag van het rempedaal of een "hard" rempedaal.
  • Controleer als de transmissie slipt of niet normaal werkt het niveau van de automatische-transmissievloeistof.
  • Controleer de werking van stand P (Park) van de automatische transmissie.

  • Controleer de werking van de parkeerrem.

  • Controleer onder uw auto op lekkage (na het gebruik van de airconditioning kan er een plasje water onder uw auto ontstaan; dit is een normaal verschijnsel en duidt niet op lekkage).

Maandelijks:

  • Controleer het koelvloeistofniveau in het expansievat.
  • Controleer de werking van alle verlichting van uw auto, inclusief de remlichten, richtingaanwijzers en alarmknipperlichten.
  • Controleer de bandenspanning van alle wielen inclusief het reservewiel.

Twee keer per jaar

(in het voorjaar en in het najaar):

  • Controleer de radiateurslangen en de slangen van de verwarming en de airconditioning op lekkage en beschadigingen.
  • Controleer de werking van de ruitenwissers en -sproeiers. Reinig de ruitenwisserbladen met een schone, met ruitensproeiervloeistof doordrenkte doek.
  • Controleer de stand van de koplampen.
  • Controleer de dempers, de uitlaatpijpen, de hitteschilden en de bevestigingen van de uitlaat.
  • Controleer de werking van de driepuntsgordels en controleer op slijtage.
    * Controleer of het profiel van de banden nog voldoende is en controleer of de wielmoeren goed zijn aangedraaid.

Eén keer per jaar:

  • Reinig de afvoeropeningen aan de onderzijde van de portieren en de dorpels.
  • Smeer alle portierscharnieren, slotvangers en motorkapscharnieren.
  • Smeer de portier- en motorkapsloten, -vergrendelingen.
    • Smeer de portierrubbers.
  • Controleer vóór de zomer de werking van de airconditioning.
  • Controleer het vloeistofniveau van de stuurbekrachtiging.
  • Controleer en smeer het bedieningsmechanisme van de automatische transmissie.
  • Reinig de accu en de accupolen.
  • Controleer het remvloeistofniveau.

Voorzorgsmaatregelen voor onderhoud uitgevoerd door eigenaar

Verkeerd of onvolledig onderhoud kan problemen opleveren. In dit hoofdstuk worden alleen aanwijzingen gegeven voor werkzaamheden die eenvoudig uit te voeren zijn.

Zoals eerder uitgelegd in dit hoofdstuk kunnen verschillende werkzaamheden alleen door een gekwalificeerde monteur worden uitgevoerd die de beschikking heeft over speciaal gereedschap.

\* OPMERKING

Het verkeerde onderhoud door de eigenaar tijdens de garantieperiode kan ertoe leiden dat de garantie vervalt. Lees voor details het bij de auto geleverde Kia-garantieboekje. Laat in twijfelgevallen het onderhoud altijd uitvoeren door een officiële Kia-dealer:

WAARSCHUWING

- Onderhoudswerkzaamheden

  • Het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan een auto kan gevaarlijk zijn. Bij sommige onderhoudsprocedures kunt u ernstig verwond raken. Laat het werk uitvoeren door een gekwalificeerde monteur wanneer u niet over voldoende kennis en ervaring of over het juiste gereedschap beschikt.
  • Werkzaamheden uitvoeren onder de motorkap terwijl de motor draait is gevaarlijk. Het is zelfs nog gevaarlijker wanneer u sieraden of losse kleding draagt. Zij kunnen verstrikt raken in de draaiende onderdelen en letsel veroorzaken. Zorg er daarom voor dat u alle sieraden afdoet (vooral ringen, armbanden, horloges en halskettingen) en losse kleding verwijdert voordat u bij een draaiende motor onder de motorkap in de buurt van de motor of de koelventilators komt.

MOTORRUIMTE

KIA Opirus - MOTORRUIMTE - 1

Controle van het motoroliepeil

  1. Controleer of de auto horizontaal staat.
  2. Start de motor en laat deze op de normale bedrijfstemperatuur komen.
  3. Zet de motor uit en wacht ongeveer 5 minuten zodat de olie naar het carter terug kan lopen.
  4. Trek de peilstok uit de houder, veeg hem schoon en steek hem weer geheel in de houder.
  5. Trek de peilstok opnieuw uit de houder en controleer het peil. Het peil moet zich ergens tussen F en L bevinden.

Als het peil zich bij of op de L bevindt, moet u olie bijvullen tot de F. Vul niet te veel olie bij.

1GHA5002

Gebruik alleen de voorgeschreven motorolie. (Raadpleeg "Aanbevolen smeermiddelen" verderop in dit hoofdstuk.)

KIA Opirus - Controle van het motoroliepeil - 2

Ververs de motorolie en vervang het filter overeenkomstig het in het begin van dit hoofdstuk beschreven onderhoudsschema.

  • Langdurig contact met AFGEWERKTE motorolie heeft huidkanker veroorzaakt bij proefdieren. Bescherm uw huid door uw handen met water en zeep te wassen.
    • Houd motorolie buiten het bereik van kinderen.

  • Laat de motor enkele minuten warmdraaien en zet hem dan uit. Verwijder de olievuldop.

  • Tap de olie af in een geschikte opvangbak nadat de olievuldop en de aftapplug verwijderd zijn.

VOORZICHTIG

Zowel de olie als de motor zijn heet. Brand uzelf niet.

  1. Verwijder het motoroliefilter met een oliefiltersleutel.

\* OPMERKING

Zorg er bij het plaatsen van het nieuwe oliefilter voor dat de oude filterpakking van het pasvlak verwijderd is. Anders kan er olielekkage optreden en motorschade ontstaan. Verwijder de oude pakking volledig zodat een nieuwe pakking goed geplaatst kan worden en goed afdicht.

  1. Reinig het pasvlak van het oliefilter met een schone doek.

  2. Breng een beetje motorolie aan op de nieuwe O-ringpakking van het oliefilter.

  3. Plaats het oliefilter en draai deze vast. (Raadpleeg het label op het oliefilter voor aanwijzingen bij het vastdraaien.)

  4. Plaats een nieuwe ring op de aftapplug. Gebruik een oude ring niet opnieuw.
  5. Draai de aftapplug vast nadat alle olie volledig afgetapt is. Draai de aftapplug vast met 35 - 44 Nm (3,5 - 4,5 kgm, 26 - 32 lb.ft).
  6. Vul de motor met nieuwe olie tot aan het merkteken F op de peilstok. Vul niet te veel bij.
  7. Plaats de olievuldop en draai hem goed vast.
  8. Start de motor en controleer het oliefilter op lekkage. Zet de motor uit.
  9. Controleer het oliepeil en vul indien nodig bij tot het merkteken F.

Hoeveelheid motorolie (met filter)

Met filter:

4,3 liter

Zonder filter:

4,0 liter

Gebruik alleen de voorgeschreven motorolie. (Raadpleeg "Aanbevolen smeermiddelen" verderop in dit hoofdstuk.)

\* OPMERKING

  • Hoewel twee oliefilters er precies hetzelfde uit kunnen zien, kunnen ze inwendig volledig anders zijn. Deze filters kunnen niet door elkaar gebruikt worden. Gebruik alleen het voorgeschreven filter om mogelijke motorschade te voorkomen. Neem contact op met een officiële Kia-dealer.
    • Volg deze aanwijzingen nauwkeurig op. Als het oliefilter onjuist gemonteerd wordt, kan er olielekkage optreden en motorschade ontstaan. Zorg ervoor dat afgewerkte olie volgens de wettelijke voorschriften wordt afgevoerd. Gooi afgewerkte olie niet in het riool of bij het overige afval.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 1

KOELSYSTEEM

Het hogedruk-koelsysteem is voorzien van een reservoir dat gevuld is met een koelvloeistof die ook voldoende bescherming biedt tegen bevriezing. Het reservoir is in de fabriek gevuld.

Controleer de vorstbescherming en het koelvloeistofpeil tenminste één keer per jaar, aan het begin van het winterseizoen en voordat u naar een kouder klimaat reist.

Koelvloeistofpeil controleren

WAARSCHUWING

- Losdraaien van de radiateurdop

  • Verwijder de radiateurdop nooit terwijl de motor draait of nog een hoge temperatuur heeft. Daardoor kan er schade aan het koelsysteem en de motor ontstaan; bovendien kunt u ernstig letsel opiopen doordat er hete koelvloeistof of stoom ontsnapt.
  • Zet de motor uit en wacht tot deze is afgekoeld. Zelfs dan dient u uiterst voorzichtig te zijn bij het verwijderen van de radiateurdop. Wikkel een dikke doek rond de dop en draai hem voorzichtig linksom tot de eerste aanslag. Ga een stukje achteruit wanneer de druk van het koelsysteem af gaat.

(Vervolg)

(Vervolg)

Pas als u zeker weet dat er geen overdruk meer is, drukt u de dop met de doek in en draait u hem verder linksom om hem te verwijderen.

- Verwijder de radiateurdop of de aftapplug niet als de motor en de radiateur nog heet zijn, zelfs niet als de motor niet loopt. Er kan nog steeds hete koelvloeistof en stoom ontsnappen, waardoor er ernstig leisel kan ontstaan.

2GHA5003

Controleer de toestand en de aansluitingen van alle slangen van het koelsysteem en van de verwarming. Vervang beschadigde en slechte slangen.

Het koelvloeistofpeil in het expansievat dient tussen de merktekens F en L van de aan de radiateurdop bevestigde niveaumeter te liggen als de motor koud is.

Vul als het niveau laag is voldoende voorgeschreven koelvloeistof bij om het systeem tegen vorst en corrosie te beschermen. Vul bij tot de F, maar vul niet te veel bij. Neem contact op met een officiële Kia-dealer indien u het reservoir regelmatig moet bijvullen.

Koelvloeistof verversen

Ververs de koelvloeistof volgens het onderhoudsschema.

- Gebruik alleen gedemineraliseerd of gedestilleerd water.

- De motor van uw auto heeft aluminium onderdelen. Gebruik daarom een koelvloeistof op ethyleen-glycolbasis ter voorkoming van corrosie en bevriezing.

- Gebruik GEEN koelvloeistof op ethanol- of methanol-basis; meng ook geen ethanol- of methanol- antivries met de voorgeschreven koelvloeistof.

- Gebruik geen mengsel met meer dan 60% of minder dan 35% antivries; in dat geval is een optimale koelende werking niet gewaarborgd.

Zie de volgende tabel voor de mengverhouding.

BuitentemperatuurMengverhouding (hoeveelheid)
AntivriesWater
-15°C3565
-25°C4060
-35°C5050
-45°C6040

KIA Opirus - Koelvloeistof verversen - 1

1GHA412 CAUTION 1GHA412

WAARSCHUWING

Verwijder bij een warme motor en radiateur de radiateurdop niet. Hete koelvloeistof en stoom kunnen onder druk naar buiten spuiten. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

  1. Draai de radiateurdop linksom om hem te verwijderen.
  2. Draai de aftapplug van de radiateur los en tap de koelvloeistof af in een geschikte opvangbak.
  3. Spoel het systeem door met stromend water terwijl de aftapplug verwijderd is.
  4. Tap het systeem volledig af en draai de aftapplug weer vast. Vul het systeem met de voorgeschreven hoeveelheid ethyleen-glycolkoelvloeistof en water in de juiste mengverhouding. Houd u in een extreem koud klimaat aan de hoeveelheid ethyleen-glycol-antivries die de producent van de koelvloeistof voorschrijft.

  5. Laat de motor stationair draaien terwijl de radiateurdop verwijderd is. Voeg langzaam de nodige koelvloeistof toe.

  6. Wacht dan tot de motor zijn normale bedrijfstemperatuur heeft bereikt. Trap het gaspedaal 2 of 3 keer in en voeg indien nodig koelvloeistof bij. Zorg ervoor dat u zich niet brandt.
  7. Plaats de radiateurdop. Controleer alle aansluitingen op lekkage en controleer het koelvloeistofpeil in het expansievat opnieuw. Controleer na een aantal dagen opnieuw en vul indien nodig bij.

REMSYSTEEM

KIA Opirus - REMSYSTEEM - 1

Controleren van remvloeistofniveau

Controleer regelmatig het niveau in het remvloeistofreservoir. Het vloeistofniveau dient zich tussen de merktekens MAX en MIN aan de zijkant van het reservoir te bevinden. Reinig het gebied rondom de dop van het reservoir grondig alvorens de dop te verwijderen en vloeistof bij te vullen om te voorkomen dat deze vervuild raakt.

KIA Opirus - Controleren van remvloeistofniveau - 1

Vul vloeistof bij tot aan het merkteken MAX wanneer het niveau te laag is. Het niveau van de remvloeistof zal na verloop van tijd dalen. Dit is normaal en wordt veroorzaakt door het slijten van de remblokken. Laat het remsysteem controleren door een officiële Kia-dealer wanneer het peil erg laag is.

Gebruik alleen de voorgeschreven remvloeistof. (Raadpleeg "Aanbevolen smeermiddelen" verderop in dit hoofdstuk.)

Meng nooit verschillende soorten vloeistof door elkaar.

WAARSCHUWING

Als u het remvloeistofreservoir regelmatig moet bijvullen, moet u de auto laten controleren door een officiële Kia-dealer.

WAARSCHUWING

Wees voorzichtig bij het vervangen of bijvullen van remvloeistof. Zorg ervoor dat de vloeistof niet in contact komt met uw ogen. Spoel uw ogen direct met een ruime hoeveelheid leidingwater wanneer u remvloeistof in uw ogen krijgt. Laat uw ogen zo snel mogelijk onderzoeken door een dokter.

Z VOORZICHTIG

Zorg ervoor dat remvloeistof niet in contact komt met het lakwerk van de auto. De lak kan hierdoor beschadigen. De kwaliteit van een remvloeistof die gedurende lange tijd blootgesteld is aan de buitenlucht kan niet gegarandeerd worden. Vervang deze. Gebruik het juiste type vloeistof. Slecht een paar druppels minerale olie, bijvoorbeeld motorolie, in het remsysteem kunnen de onderdelen van het systeem beschadigen.

PARKEERREM
KIA Opirus - Z VOORZICHTIG - 1

Controleren van de parkeerrem

Controleer of de slag van het parkeerrempedaal volgens de specificatie is als het wordt ingetrapt met 196 N (20 kg, 44 lb). De parkeerrem alleen moet de auto veilig op een vrij steile helling kunnen houden. Laat de parkeerrem afstellen door een officiële Kia-dealer wanneer de slag van het pedaal niet volgens de specificatie is.

Slag: 88 - 98 mm (3,5 - 3,8 in)

STUURBEKRACHTIGING

KIA Opirus - STUURBEKRACHTIGING - 1

Controleren van vloeistofniveau stuurbekrachtiging

Controleer regelmatig het niveau van het reservoir van de stuurbekrachtigingsvloeistof. Zet de auto hiervoor op een vlakke ondergrond. Het vloeistofniveau dient zich tussen de merktekens MAX en MIN van de aan de dop bevestigde niveaumeter te bevinden.

Reinig het gebied rondom de dop van het reservoir grondig alvorens stuurbekrachtigingsvloeistof bij te vullen om te voorkomen dat deze vervuild raakt.

Vul vloeistof bij tot aan het merkteken MAX wanneer het niveau te laag is.

Als u het reservoir regelmatig moet bijvullen, moet u de stuurinrichting laten controleren door een officiële Kia-dealer.

\* OPMERKING

• Blijf niet te lang doorrijden met een te laag vloestofniveau in het reservoir om schade aan de stuurbekrachtigingspomp te voorkomen.
- Start de motor nooit als het reservoir leeg is.
• Voorkom bij het bijvuller van vloeistof dat er vull in het reservoir komt.
• Als het vloelstofniveau te lang is, zal het sturen zwaarder gaan en kunnen er vreemde geluiden te horen zijn.
- Door niet de voorgeschreven vioestof te gebruiken, zal de stuurbekrachtiging minder effectief zijn en kan schade aan de stuurinrichting ontstaan.

Gebruik alleen de voorgeschreven stuurbekrachtigingsvloeistof. (Raadpleeg "Aanbevolen smeermiddelen" verderop in dit hoofdstuk.)

Slangen stuurbekrachtiging

Controleer voor het rijden de slangen van de stuurbekrachtiging op loszitten, lekkage, beschadigingen en verdraaiing.

KIA Opirus - Slangen stuurbekrachtiging - 1

STUURWIEL

30 mm

2GHA5100

Zet de auto op een vlakke ondergrond en zet de wielen in de rechtuitstand. Draai het stuurwiel zonder te forceren naar links en rechts en controleer de speling tot er weerstand in het stuurwiel is te voelen.

Standaardwaarde: 30 mm of minder

\* OPMERKING

Laat als de gemeten waarde hoger is dan de standaardwaarde de stuurinrichting controleren door een officiële Kia-dealer.

AUTOMATISCHE TRANSMISSIE

KIA Opirus - AUTOMATISCHE TRANSMISSIE - 1

Het peil van de automatische-transmissievloeistof moet regelmatig gecontroleerd worden.

Het volume van de transmissievloeistof verandert met de temperatuur. Hoewel het aanbevolen wordt het niveau te controleren nadat minstens 30 minuten met de auto is gereden, kan het niveau ook gecontroleerd worden nadat de vloeistof volgens de volgende procedure is opgewarmd.

  1. Plaats de auto op een stevige en vlakke ondergrond en zet de parkeerrem stevig vast.
  2. Laat de motor ongeveer 2 minuten met stationair toerental draaien.
  3. Trap het rempedaal in en beweeg de selectiehendel langzaam door alle standen en schakel daarna stand P (Park) in.
  4. Trek bij stationair draaiende motor de peilstok uit de houder, veeg deze schoon en plaats hem vervolgens weer.
  5. Trek de peilstok opnieuw uit de houder en controleer het niveau.

VOORZICHTIG

  • Een te laag vloeistofpeil kan slippen van de transmissie veroorzaken. Een te hoog peil kan schuimvorming, verlies van vloeistof en storingen in de transmissie veroorzaken.
  • Het gebruik van andere dan de voorgeschreven vloeistof kan storingen en defecten in de transmissie veroorzaken.

WAARSCHUWING

- Parkeerrem

Zet de parkeerrem vast en trap het rempedaal in bij het verplaatsen van de selectiehendel om te voorkomen dat de auto onverwachts in beweging komt.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

HOT COLD

1GHA413

Als de vloeistof op de normale bedrijfstemperatuur van ongeveer 70 - 80°C is gekomen, moet het vloeistofniveau zich in het gebied HOT bevinden.

\* OPMERKING

Gebruik het merkteken COLD alleen als een ruwe schatting en NIET om het niveau van de automatische-transmissievloelstof vast te stellen.

\* OPMERKING

Nieuwe automatische-transmissievloeistof is rood van kleur. De rode kleurstof is toegevoegd deor de fabrikant en dient om de automatische-transmissievloeistof te kunnen onderscheiden van motorelle en antivries. Alhoewel de kleurstof na verloop van tijd niet meer zichtbaar is, zegt dit niets over de kwaliteit van de vloeistof. Deer het rijden, wordt de automatische-transmissievloeistof donkerder. De kleur wordt uiteindelijk lichtbruin. Laat de automatische-transmissievloeistof overeenkomstig het in het begin van dit hoofdstuk beschreven onderhoudsschema verversen door een officiële Kia-dealer.

Verversen van de automatische-transmissievloeistof

  1. Zet de auto op bokken.

WAARSCHUWING

- Opkrikken van uw auto

Gebruik bij het op bokken zetten van uw auto alle vier de kriksteunpunten van de auto. Alleen als aan de bovenstaande voorwaarden is voldaan wordt de auto voldoende gesteund en zal de auto niet van de bokken of andere steunen kunnen vallen. Als de bovengenoemde steun niet aanwezig is, kan de auto van de bokken of andere steunen af vallen, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.

  1. Verwijder de aftapplug aan de onderzijde van het transmissiecarter.
  2. Plaats nadat de vloeistof volledig is afgetapt een nieuwe ring op de aftapplug, plaats de aftapplug en draai hem vast met 29 - 33 Nm (290 - 340 kgcm, 21 - 24 lb.in).
  3. Laat de auto zakken.
  4. Verwijder de peilstok van de automatische-transmissievloeistof (in de motorruimte bij het midden van het schutbord) en vul de transmissie met behulp van een trechter met ongeveer 2 liter automatische-transmissievloeistof.

Gebruik alleen de voorgeschreven automatische-transmissievloeistof. (Raadpleeg "Aanbevolen smeermiddelen" verderop in dit hoofdstuk.)

\* OPMERKING

Vul NIET te veel automatische-transmissievloeistof bij. Hierdoor kunnen keerringen "weggeblazen" worden, waardoor lekkage kan ontstaan met alle gevolgen van dien. In het geval er te veel vloeistof is bijgevuid, moet het teveel aan vloeistof voor het rijden worden afgetapt. De transmissie kan maximaal 2,5 liter vloeistof bevatten. Waarschijnlijk zal er na het aftappen echter vloeistof in de transmissie achterblijven, vooral als voor het verwijderen van de aftapplug de auto aan de voorzijde was opgekrikt.

  1. Controleer het vloeistofniveau. Vul indien nodig een kleine hoeveelheid vloeistof bij en controleer het niveau opnieuw. Ga hiermee door tot het niveau binnen het bereik HOT ligt.
  2. Plaats de peilstok en zorg ervoor dat de afgewerkte transmissievloeistof volgens de voorschriften wordt afgevoerd.

SMEERMIDDELEN EN VLOEISTOFFEN

KIA Opirus - SMEERMIDDELEN EN VLOEISTOFFEN - 1

Controleren van vloeistofniveau ruitensproeier

Het reservoir is transparant, zodat het niveau snel visueel kan worden gecontroleerd.

Controleer het vloeistofpeil in het sproeierreservoir en vul indien nodig vloeistof bij. Als u geen ruitensproeiervloeistof bij de hand heeft, kunt u het reservoir bijvullen met gewoon water. Gebruik in koude klimaten echter speciale ruitensproeiervloeistof om bevriezing te voorkomen.

WAARSCHUWING

- Gebruik geen koelvloeistof of antivries in het sproeierreservoir.

- Koelvioeistof kan het zicht ernstig belemmeren wanneer dit op de voorruit terechtkomt waardoor u de macht over de auto kunt verliezen of de lak beschadigd kan raken.

Smeren van carrosseriedelen

Alle bewegende delen van de carrosserie, zoals scharnieren van portieren, achterklep en motorkap en sloten dienen telkens als de motorolie wordt ververst, te worden gesmeerd. Gebruik bij koud weer een smeermiddel dat bevriezen van de sloten voorkomt.

Zorg ervoor dat de veiligheidshaak de motorkap tegenhoudt wanneer deze ontgrendeld is.

LUCHTFILTER

C POWER Pilot 1GHA5012

Luchtfilterelement; vervangen van

Er wordt een papieren luchtfilter gebruikt. Het moet met het voorgeschreven interval vervangen worden en mag niet gereinigd en hergebruikt worden.

  1. Verwijder de afdekkap van de motor om bij het luchtfilter te komen.

KIA Opirus - Luchtfilterelement; vervangen van - 1

  1. Neem de bevestigingsclips los om het luchtfilterdeksel te verwijderen.
  2. Veeg de binnenzijde van het luchtfilterhuis met een vochtige doek schoon.

KIA Opirus - Luchtfilterelement; vervangen van - 2

  1. Vervang het luchtfilterelement. Het wordt aanbevolen het luchtfilterelement te vervangen door een origineel Kia-luchtfilterelement.
  2. Bevestig het deksel met de bevestigingsclips.

Vervang het element volgens het onderhoudsschema.

Vervang het element vaker dan in het onderhoudsschema is aangegeven als de auto wordt gebruikt in gebieden met zeer veel stof of zand. (Raadpleeg "Onderhoudsschema bij gebruik onder zware omstandigheden" in dit hoofdstuk.)

VOORZICHTIG

• Rijd niet met de auto wanneer het luchtfilter verwijderd is; hierdoor kan de motor overmatig slijten.
- Wanneer zonder luchtfilter gereden wordt, bestaat eerder de kans op terugslag waardoor brand kan ontstaan.
• Zorg er om schade aan de motor te voorkomen voor dat bij het verwijderen van het luchtfilterelement geen stof en vuil in de luchtinlaat komt.

INTERIEURFILTER AIRCONDITIONING

Verdamper Aanjager Buitenlicht Interieur auto Gerecirculeerde lucht Interieurfilter 1BLB505

Het interieurfilter van de airconditioning bevindt zich tussen de verdamper en de aanjager en filtert de lucht die in het interieur van de auto stroomt.

Wanneer stof en ander vuil zich na verloop van tijd in het filter ophopen, zal de luchtstroom vanuit de ventilatieroosters afnemen en zal er meer stof het interieur worden ingeblazen. Het interieurfilter dient daarom volgens de intervallen van het onderhoudsschema te worden vervangen. Vervang het filter vaker dan in het onderhoudsschema is aangegeven als de auto wordt gebruikt in gebieden met veel stof of zand.

KIA Opirus - INTERIEURFILTER AIRCONDITIONING - 2

Vervangen van filter

  1. Open de klep van het dashboardkastje gedeeltelijk, trek het elastiekkoord uit de klep en duw de borgclip door het gat aan de achterzijde van het dashboardkastje. Open het dashboardkastje volledig.

KIA Opirus - Vervangen van filter - 1

  1. Neem als het dashboardkastje is geopend het kastje aan beide zijden vast, druk de zijden naar binnen tot aan de aanslag en trek de zijden over het bekledingspaneel heen tot het kastje alleen aan de scharnieren hangt.

KIA Opirus - Vervangen van filter - 2

  1. Trek de haken onder het interieurfilter omhoog en verwijder het deksel.

KIA Opirus - Vervangen van filter - 3

  1. Vervang het interieurfilter.
  2. Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde van verwijderen.

\* OPMERKING

Plaats het nieuwe interieurfilter met inachtneming van de merktekens UP en DOWN. Als het filter is omgekeerd, zal het systeem veel lawaai produceren en zal het filter minder effectief zijn.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 1

POLLENFILTER (INDIEN VAN TOEPASSING)

Ontgrendelen Vergrendelen 1GHA420

  1. Open de bagageruimte
  2. Draai beide plastic schroeven van het deksel rechts boven in de bagageruimte los en verwijder het deksel.
  3. Duw de borgclips links en rechts van het filterpaneel omhoog om het pollenfilter te kunnen verwijderen.
  4. Vervang het pollenfilter.
  5. Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde van verwijderen.

\* OPMERKING

Plaats het pollenfilter met de pijl op het filter naar beneden gericht. Anders kan het filter lawaai veroorzaken en zal het filter minder effectief zijn.

RUITENWISSERBLADEN

KIA Opirus - RUITENWISSERBLADEN - 1

Onderhoud van ruitenwisserbladen

* OPMERKING

In de handei verkrijgbare hot wax zoals gebruikt in automatische wasserettes bemoeilijkt het reinigen van de voorruit.

Verontreiniging van de voorruit of de ruitenwisserbladen door bepaalde substanties kan het effect van de ruitenwissers verminderen. Bekende vormen van verontreiniging zijn insecten, sap van bomen en hot wax-behandelingen gebruikt in sommige automatische wasserettes. Indien de bladen niet goed wissen, reinig dan zowel de ruit als de bladen met een goed schoonmaakmiddel of een zacht reinigingsmiddel en spoel grondig na met schoon water.

\* OPMERKING

Gebruik geen benzine, petroleum, thinner of andere oplosmiddelen in de buurt van de ruitenwisserbladen om beschadiging te voorkomen.

Vervangen van ruitenwisserbladen

Als de ruitenwissers de ruit niet langer goed schoonmaken, kan het zijn dat ze versleten of gescheurd zijn en dienen ze te worden vervangen.

\* OPMERKING

Probeer de ruitenwisser nooit met de hand te bewegen om beschadiging van de ruitenwisserarmen en van andere onderdelen te voorkomen.

\* OPMERKING

Het gebruik van niet-voorgeschreven ruitenwisserbladen kan storingen en problemen veroorzaken.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 1

  1. Trek de ruitenwisserarm omhoog en klap het ruitenwisserblad om zodat de kunststof vergrendeling zichtbaar wordt.

Druk de vergrendeling in, schuif het blad omlaag en neem het vervolgens van de arm.

\* OPMERKING

Laat de ruitenwisserarm niet tegen de voorruit klappen.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 1

  1. Trek krachtig aan het uiteinde van het rubber totdat de lipjes loskomen uit de metalen houder.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 2

MMSA7016
3. Neem de metalen houder los van het rubber en plaats een nieuw rubber in de houder.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 3

MMSA7017
4. Plaats zorgvuldig een nieuw rubber en plaats het blad in de omgekeerde volgorde van verwijderen.

\* OPMERKING

Buig de metalen houder niet.

Plaats het blad zodanig dat de lipjes naar de onderkant van de ruitenwisserarm wijzen.

ACCU

WAARSCHUWING

- Gevaren accu

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 1

Lees de volgende aanwijzingen voor het omgaan met de accu zorgvuldig door.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 2

Houd brandende sigaretten, vonken en open vuur uit de buurt van de accu.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 3

Er bevindt zich altijd wat van het zeer licht ontvlambare waterstof in de accucellen. Dit kan ontploffen.

KIA Opirus - WAARSCHUWING - 4

Houd accu's buiten bereik van kinderen, aangezien accu's het zeer agressieve zwavelzuur bevatten. Laat accuzuur niet in contact komen met uw huid, uw ogen, kleding en de lak van de auto.

(Vervolg)

(Vervolg)

KIA Opirus - (Vervolg) - 1

Spoel uw ogen gedurende tenminste 15 minuten en roep onmiddellijk medische hulp in wanneer u elektrolyt in uw ogen krijgt. Blijf, indien mogelijk, spoelen met water totdat medische hulp gearriveerd is. Was uw huid grondig wanneer deze in aanraking komt met elektrolyt. Roep onmiddellijk medische hulp in wanneer u pijn of een brandend gevoel heeft.

KIA Opirus - (Vervolg) - 2

Draag een veiligheidsbril tijdens het opladen van en het werken in de buurt van accu's. Zorg altijd voor ventilatie wanneer in een afgesloten ruimte wordt gewerkt.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Bij het optillen van een accu met een kunststof behuizing kan door de druk accuzuur naar buiten komen, waardoor persoonlijk letsel optreedt. Houd bij het optillen uw handen aan de zijkant van de accu.
  • Laad nooit een accu bij terwijl de accukabels nog aangesloten zijn.
  • Het ontstekingssysteem werkt met hoogspanning. Raak de onderdelen van de ontsteking niet aan als de motor draait of het contact in stand ON staat.

KIA Opirus - (Vervolg) - 1

Voor een optimale werking van de accu:

• Zorg ervoor dat de accu altijd goed vastzit.
• Houd de bovenzijde van de accu schoon en droog.
• Houd de accupolen en de accupoolklemmen schoon, zorg ervoor dat ze goed vastzitten en bescherm ze met vaseline.
- Spoel gemorst elektrolyt direct af met een oplossing van water en natriumbicarbonaat (dubbel koolzure soda).
- Neem de accukabels los als u de auto gedurende een langere periode niet gaat gebruiken.

Accu; laden van

Uw auto is uitgerust met een onderhoudsvrije accu.

  • Laad de accu gedurende 10 uur met behulp van een druppellader wanneer de accu in een kort tijd leeggeraakt is (doordat bijv. lampen of interieurverlichting zijn blijven branden terwijl de motor uit was).
  • Wanneer de accu geleidelijk onlaadt door een hoge elektrische belasting tijdens het rijden, moet deze gedurende 2 uur met een stroomsterkte van 20 - 30 A opgeladen worden.

Te resetten onderdelen nadat de accu is ontladen of na het weer aansluiten van de accukabels.

  • Geheugen elektrisch verstelbare bestuurdersstoel (zie bladzijde 3-29)
    • Elektrisch bedienbare ruiten (zie bladzijde 3-73)
    • Klok (zie bladzijde 3-78)
  • Verwarmings- en ventilatiesysteem (zie bladzijde 4-88 en 4-90)
    • Audio (zie het instructieboekje van het audiosysteem)
    • Schuif-/kanteldak (zie bladzijde 3-110)

WAARSCHUWING

- Laden van de accu

Neem bij het laden van de accu de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:

  • De accu moet uit de auto worden verwijderd en in een goed geventileerde ruimte geplaatst worden.
  • Houd sigaretten, vonken en open vuur uit de buurt van de accu.
  • Houd de accu tijdens het laden in de gaten; beëindig het laden of wijzig de laadstroom wanneer het elektrolyt in de cellen begint te borrelen of de temperatuur van het elektrolyt hoger dan 49°C wordt.
  • Draag een veiligheidsbril wanneer u de accu tijdens het opladen controleert.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Neem de acculader in de onderstaande volgorde los.
  • Zet de hoofdschakelaar van de acculader uit.
  • Neem de klem los van de minpool.
  • Neem de klem los van de pluspool.

\* OPMERKING

• Schakel vóór het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan de accu of het laden van de accu alle elektrische verbruikers af en zet de motor uit.
- Neem de minkabel van de accu altijd eerst los en sluit de minkabel van de accu altijd als laatste weer aan.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 1

BANDEN EN WIELEN

Onderhoud van de banden

Voor uw veiligheid, een maximale levensduur van de banden en een zo laag mogelijk brandstofverbruik, dient u de banden steeds op de aanbevolen spanning te houden en dient u het totaalgewicht en de maximale asbelasting niet te overschrijden.

Bandenspanning

De spanning van de banden (inclusief het reservewiel) dient dagelijks bij koude banden gecontroleerd te worden. 'Koude banden' wil zeggen dat er de laatste drie uur niet met de auto is gereden of niet meer dan 1,6 km (1 mijl).

Voor optimale rijeigenschappen, een optimale wegligging en een zo laag mogelijke bandenslijtage dient u de banden op de aanbevolen spanning te houden.

2GHA523

Alle specificaties (afmetingen en spanningen) vindt u op een label op de dorpel bij het bestuurdersportier.

WAARSCHUWING

Een te lage bandenspanning (meer dan 0,7 bar te laag) leidt tot een enorme warmte-ontwikkeling, vooral bij hoge buitentemperaturen en hoge snelheden. Hierdoor is het mogelijk dat het profiel vervormt of dat andere bandafwijkingen optreden, waardoor u de controle over de auto kunt verliezen en ernstig letsel oploopt.

\* OPMERKING

- Wanneer banden warm zijn, zal de bandenspanning normaalgesproken 0,3 tot 0,4 bar hoger zijn dan wanneer ze koud zijn. Laat om de banden op de juiste spanning te brengen geen lucht ontsnappen uit warme banden. Hierdoor zal de bandenspanning te laag worden.

- Een te lage bandenspanning resulteert in overmatige slijtage, slechte rijeigenschappen, een verhoogd brandstofverbruik en vergroot de kans op een klapband doordat de banden te warm worden. Bovendien kan door een te lage bandenspanning ongelijkmatige slijtage van de banden ontstaan. Wanneer de bandenspanning extreem laag is, kan de band vervormen en/of van de velg aflopen. Houd de banden daarom op de juiste spanning. Laat een band controleren door een officiële Kia-dealer wanneer er regelmatig lucht bij moet.

(Vervelg)

(Vervolg)

Een te hoge bandenspanning heeft een negatieve invloed op het rijcomfort en de rijeigenschappen en zorgt voor een verhoogde slijtage in het midden van het loopvlak. Bovendien bestaat er een grotere kans op beschadiging door oneffenheden in het wegdek.
- Vergeet niet de ventieldopjes terug te plaatsen. Zonder het ventieldopje kan er vull en vocht in het ventiel komen, waardoor lucht kan ontsnappen. Zorg bij verlies van een ventieldopje zo snel mogelijk voor een nieuw exemplaar.

Een te hoge of een te lage bandenspanning reduceert de levensduur van de banden, beïnvloedt de rijeigenschappen van de auto in negatieve zin en kan tot onverwachte bandproblemen leiden. Hierdoor bestaat de kans dat u de macht over de auto verliest.

Wielen; onderling verwisselen

Om de banden zo gelijkmatig mogelijk te laten slijten wordt aangeraden de wielen iedere 12.000 km (7.500 mijl) of eerder, indien het slijtagepatroon daartoe aanleiding geeft, te verwisselen.

Controleer bij het verwisselen van de wielen tevens de balans.

Controleer de banden bij het verwisselen van de wielen op ongelijkmatige slijtage en beschadigingen. Abnormale slijtage wordt meestal veroorzaakt door een onjuiste bandenspanning, een onjuiste wieluitlijning, onbalans, veelvuldig hard remmen en snelle bochten. Controleer het profiel en de zijkant van de band op zwellingen. Vervang de band wanneer u dit aantreft. Vervang de band ook wanneer het canvas of de koordlagen zichtbaar zijn. Breng na het verwisselen van de wielen de banden op de juiste spanning en controleer of de wielmoeren vastzitten.

Raadpleeg hoofdstuk 8, "Specificaties".

Met een volwaardig reservewiel
KIA Opirus - Wielen; onderling verwisselen - 1

flowchart
graph TD
    A["Input Module"] --> B["Module 1"]
    B --> C["Module 2"]
    C --> D["Output Module"]
    D --> E["Module 3"]
    E --> F["Module 4"]
    F --> G["Output Module"]
    G --> H["Output Module"]
    H --> I["Output Module"]
    I --> J["Output Module"]
    J --> K["Output Module"]
    K --> L["Output Module"]
    L --> M["Output Module"]
    M --> N["Output Module"]
    N --> O["Output Module"]
    O --> P["Output Module"]
    P --> Q["Output Module"]
    Q --> R["Output Module"]
    R --> S["Output Module"]
    S --> T["Output Module"]
    T --> U["Output Module"]
    U --> V["Output Module"]
    V --> W["Output Module"]
    W --> X["Output Module"]
    X --> Y["Output Module"]
    Y --> Z["Output Module"]

CBGQ0706
Zonder reservewiel

KIA Opirus - Wielen; onderling verwisselen - 2
CBGQ0707
Banden met een specifieke draairichting (indien van toepassing)

KIA Opirus - Wielen; onderling verwisselen - 3
CBGQ0707A

KIA Opirus - Wielen; onderling verwisselen - 4

Controleer bij het verwisselen van de wielen tevens de remblokken op slijtage.

\* OPMERKING

Verwissel radiaalbanden met een asymmetrisch profiel alleen van voor naar achter en niet van links naar rechts.

Slijtage-indicator 2GHA5032

Banden vervangen

Als de band gelijkmatig afgesleten is verschijnt de slijtage-indicator als een onderbroken lijn door het loopvlak. Dit geeft aan dat er minder dan 1,6 mm (1/16 inch) profieldikte op de band aanwezig is. Vervang in dat geval de band.

Wacht niet met het vervangen van de band totdat de slijtage-indicator over de gehele profielbreedte zichtbaar is.

Wielen; uitlijnen en balanceren van

De wielen van uw auto zijn af fabriek zorgvuldig uitgelijnd en gebalanceerd voor een lange levensduur van de banden en optimale prestaties.

Normaalgesproken is het niet nodig de wielen nogmaals uit te lijnen. In het geval de banden van uw auto echter abnormale slijtage vertonen of als de auto naar één kant trekt, kan het zijn dat de auto opnieuw moet worden uitgelijnd.

Wanneer de auto tijdens het rijden op een vlakke weg trilt, kan het zijn dat de wielen opnieuw moeten worden gebalanceerd.

\* OPMERKING

De verkeerde balanceergewichtjes kunnen de lichtmetalen velgen van uw auto beschadigen. Gebruik alleen goedgekeurde balanceergewichtjes.

WAARSCHUWING

- Gebruik bij het vervangen van banden nooit radiaalbanden en diagonaalbanden door elkaar. Alle vier de banden moeten dezelfde afmetingen, constructie en hetzelfde profiel hebben. Combineer uitsluitend banden die aanbevolen worden op het label onder de slotplaat van het bestuurdersportier. Overtuig u ervan dat alle banden en velgen dezelfde maat en hetzelfde draagvermogen hebben. Combineer uitsluitend banden en velgen die aanbevolen worden op het label of door een officiële Kia-dealer. Het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregelen kan de veiligheid en de rijeigenschappen van uw auto nadelig beïnvloeden.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Als er andere banden gemonteerd worden, kunnen de rijeigenschappen, het comfort, de bodemspeling, de speling tussen band en wielkast en de kalibratie van de snelheidsmeter negatief beïnvloed worden.
  • Rijden met versleten banden is bijzonder gevaarlijk; versleten banden hebben een negatieve invloed op de remwerking, de besturing en de tractie.
  • Het is het beste om alle vier de banden gelijktijdig te vervangen. Vervang als dit niet mogelijk of nodig is alleen de twee voor- of achterbanden. De rijeigenschappen van de auto kunnen ernstig beïnvloed worden wanneer slechts één band wordt vervangen.

Velgen; vervangen van

Als u om de een of andere reden de velgen wilt vervangen, dient u erop te letten dat de nieuwe velgen gelijkwaardig zijn aan de originele velgen voor wat betreft diameter, velgbreedte en offset (wielbolling).

WAARSCHUWING

Een velg van de verkeerde maat heeft een negatieve invloed op de levensduur van de velg en van het wiellager, de remweg, de rijeigenschappen, de grondspeling, de speling tussen band en carrosserie, de speling bij het gebruik van sneeuwkettingen, de kalibratie van de snelheidsmeter, de koplampafstelling en de bumperhoogte.

Aanduiding bandenmaat

De bandenmaat staat aangegeven op de wang van de banden. Deze informatie zal nodig zijn bij de aanschaf van nieuwe banden voor uw auto. De letters en cijfers in de aanduiding van de bandenmaat hebben de volgende betekenis.

Voorbeeld aanduiding bandenmaat: 225/60 R16 98V

225 - Breedte band in millimeter.

60 - Hoogte-/breedteverhouding. De hoogte van de wang van de band als percentage van de breedte.

R - Type band (radiaalband).

16 - Velgdiameter in inch.

98 - Index draagvermogen, een numerieke code die het maximale draagvermogen van de banden aangeeft.

V - Snelheidsclassificatie. Zie het overzicht in dit hoofdstuk voor meer informatie.

Aanduiding velgmaat

Ook velgen zijn voorzien van informatie die van belang kan zijn bij eventuele vervanging. De letters en cijfers in de aanduiding van de velgmaat hebben de volgende betekenis.

Voorbeeld aanduiding velgmaat:

6.5 JX16

6.5 - Velgbreedte in inch.

J - Aanduiding offset.

16 - Velgdiameter in inch.

Snelheidsclassificatie banden

In het onderstaande overzicht staan de meest gebruikte snelheidsclassificaties voor autobanden weergegeven.

De aanduiding van de snelheidsclassificatie maakt deel uit van de aanduiding van de bandenmaat op de wang van de band. Deze aanduiding geeft de maximumsnelheid weer waarvoor deze band is ontworpen.

AanduidingsnelheidsclassificatieMaximumsnelheid
S180 km/h (112 mph)
T190 km/h (118 mph)
H210 km/h (130 mph)
V240 km/h (149 mph)
ZBoven 240 km/h (149 mph)

Slijtage loopvlak XXX Grip X Temperatuur X 2GHA741

Universele kwaliteitsgradatie banden

Sijtage loopvlak

De slijtageclassificatie van het loopvlak is een relatieve classificatie gebaseerd op de mate van slijtage onder gecontroleerde omstandigheden op een officieel erkende testbaan. Voorbeeld: een band met de aanduiding 150 zal 1,5 keer langer meegaan dan een band met de aanduiding 100.

De levensduur van de banden zal in belangrijke mate afhankelijk zijn van de gebruiksomstandigheden.

De levensduur kan echter van de norm afwijken door de rijstijl van de bestuurder, onderhoud van de banden, de toesland van de wegen en het klimaat.

De indicator is bij autobanden aangebracht op de wang. Het aanbod van bij Kia-automobielen standaard gemonteerde of als optie leverbare banden is afhankelijk van de slijtagegraad.

Grip - A, B en C

Er zijn drie gripclassificaties, van hoog naar laag A, B en C. De gripclassificatie geeft aan in hoeverre de banden op een nat wegdek doorglijden bij het maken van een noodstop, zoals gemeten onder gecontroleerde omstandigheden op een officieel erkende testbaan, zowel op asfalt als op beton. Een band met classificatie C is een band met relatief weinig grip.

Temperatuur - A, B en C

Er zijn drie temperatuurclassificaties mogelijk: A (de hoogste), B en C. Deze classificaties geven aan in hoeverre de band hittebestendig is en in welke mate de band warmte afvoert, zoals getest onder gecontroleerde omstandigheden op een testwiel in een officieel erkend laboratorium.

Door aanhoudende hoge temperaturen gaat het materiaal van de banden achteruit, waardoor de banden minder lang meegaan. Bij extreem hoge temperaturen kunnen de banden zelfs plotseling lek gaan. De classificaties A en B geven aan dat het testresultaat van de band in het laboratorium beter is dan het in de wet voorgeschreven minimum.

▲ WAARSCHUWING

- Temperatuur banden

De temperatuurclassificatie van deze band geldt voor een band die de juiste spanning heeft en niet overbelast is.

Extreem hoge rijsnelheden, een te lage bandenspanning en/of overbelasting kunnen een concentratie van hitte in de band veroorzaken, wat kan leiden tot een klapband. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen en ernstig letsel oplopen.

Controleren van de leeftijd van de banden

Banden ouder dan 6 jaar (6 jaar na de productiedatum) zullen na verloop van tijd hun stevigheid verliezen en minder presteren (ook al worden ze niet gebruikt, zoals het reservewiel). Laat deze banden samen met de band van het reservewiel vervangen. U kunt de productiedatum vinden in de DOT-code op de wang (mogelijk alleen aan de binnenzijde) van de band. De DOT-code is een serie karakters op banden, die bestaat uit een combinatie van cijfers en letters. U kunt de productiedatum afleiden uit de laatste 4 cijfers van de DOT-code.

WAARSCHUWING

Bij een band ouder dan 6 jaar kunnen de koordlagen binnenin de band loslaten, waardoor u de controle over de auto kunt verliezen met ernstig letsel als gevolg. Controleer daarom de productiedatum en laat de banden binnen 6 jaar na de productiedatum vervangen.

DOT: XXXX XXXX 0000

In het voorste deel van de DOT-code worden de fabriekscode, de bandenmaat en het type profiel aangegeven en in het tweede deel de week en het jaar waarin de band is geproduceerd.

Bijvoorbeeld:

DOT XXXX XXXX 1602 geeft aan dat de band is geproduceerd in week 16 van 2002.

VERVANGEN VAN LAMPEN

WAARSCHUWING

- Vervangen van gloeilampen Zet, voordat u gloeilampen gaat vervangen, de parkeerrem stevig vast en controleer of het contact in stand LOCK staat om te voorkomen dat de auto plotseling in beweging komt, dat u zich brandt of dat u een schok krijgt.

Gebruik alleen lampen met de voorgeschreven wattage.

Z VOORZICHTIG

Raadpleeg een officiële Kia-dealer wanneer u niet over het juiste gereedschap, de juiste lampen en/of ervaring beschikt. In veel gevallen kan het zelf vervangen van lampen problemen opleveren vanwege het feit dat om bij de lamp te kunnen komen, eerst andere onderdelen verwijderd dienen te worden. Dit geldt in het bijzonder wanneer de voorbumper verwijderd moet worden om de lampen vóór te kunnen vervangen. Dit kan leiden tot schade aan de auto.

KIA Opirus - Z VOORZICHTIG - 1

① Koplamp (grootlicht)
②Koplamp (dimlicht)
③ Mistlamp vóór
④ Parkeerlicht
⑤ Richtingaanwijzer vóór

1GHA5013

Vervangen van lamp koplamp

\* OPMERKING

Na zware regenval of het wassen van de auto kan het lijken alsof er vocht in de koplampen en achterlichten zit. Dit wordt veroorzaakt door het temperatuurverschil tussen de binnenzijde en de buitenzijde van het lampglas. Dit is vergelijkbaar met het beslaan van de ruiten bij het rijden onder regenachtige omstandigheden en duidt niet op een probleem met uw auto. Laat in het geval er vocht in het circuit van de verlichting is gekomen de auto controleren door een officiële Kia-dealer.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 1

- Halogeenlampen bevatten gas onder druk, zodat de halogeenlamp bij het vallen kan ontploffen waardoor kleine glasdeeltjes vrijkomen.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Behandel halogeenlampen altijd voorzichtig om krassen te voorkomen. Voorkom contact met vloeistoffen wanneer de lampen branden. Raak het glas nooit met de vingers aan. Door achtergebleven vet kan de lamp te heet worden en knappen wanneer deze brandt. De lamp mag alleen in gemonteerde toestand worden ingeschakeld.
  • Vervang een beschadigde of gebarsten lamp direct en gooi deze niet zomaar weg.
  • Draag bij het vervangen van een lamp een veiligheidsbril. Laat de lamp alvorens hem te vervangen afkoelen.

KIA Opirus - (Vervolg) - 1

  1. Open de motorkap.
  2. Verwijder de afdekkap van de koplamp door de kap linksom te draaien.
  3. Neem de stekker los van de koplamp.
  4. Maak de klem van de lamp los door het uiteinde in te drukken en dit omhoog te duwen.
  5. Verwijder de lamp uit de koplampunit.

  6. Plaats een nieuwe lamp in de koplampunit en bevestig deze door de klem op zijn plaats te drukken.

  7. Sluit de stekker van de koplamp aan.
  8. Plaats de afdekkap van de koplamp door de kap rechtsom te draaien.

Vervangen van gasontladingslampen, parkeerlichten en mistlampen vóór en richtingaanwijzerlampen

Laat als een lamp niet werkt de auto controleren door een officiële Kia-dealer.

WAARSCHUWING -

Gasontladingslamp dimlicht (indien van toepassing)

Probeer wegens elektrocutiegevaar de XENON gasontladingslamp niet zelf te controleren of vervangen. Laat als de XENON gasontladingslamp niet werkt de auto controleren door een officiële Kia-dealer.

Kaartleeslampje vóór Lampje make-upspiegel 1GHA561 Lamp bagageruimte 2GHA424 Centrale interieurverlichting 1GHA431 Lamp dashboardkastje 2GHA746 1GHA432

Vervangen van lamp interieurverlichting

  1. Wrik de lens met een platte schroevendraaier voorzichtig los uit het huis van de interieurverlichting.

Z VOORZICHTIG

Controleer, voordat u de lamp gaat vervangen, of toets OFF is ingedrukt om te voorkomen dat u zich brandt of een schok krijgt.

  1. Trek de lamp naar buiten.
  2. Plaats een nieuwe lamp.
  3. Breng de lipjes van de lens in lijn met de uitsparingen in het huis van de interieurverlichting en klik de lens vast.

1GHA433

Kentekenplaatverlichting

  1. Draai de bevestigingsschroeven van de lens los met een kruiskopschroevendraaier.
  2. Verwijder de lens.
  3. Trek de lamp naar buiten.
  4. Plaats een nieuwe lamp.
  5. Plaats de lens en draai de bevestigingsschroeven goed vast.

Instapverlichting 1GHA511 Verlichting voetenruimte 1GHA427/1GHA428

Vervangen lamp instapverlichting en verlichting voetenruimte

Laat als een lamp niet werkt de auto controleren door een officiële Kia-dealer.

KIA Opirus - Vervangen lamp instapverlichting en verlichting voetenruimte - 1

① Richtingaanwijzer achter
② Rem-/achterlicht

Vervangen van lamp achterlichtunit

  1. Open de achterklep.

2GHA747

KIA Opirus - Vervangen van lamp achterlichtunit - 1

  1. Draai de plastic schroef linksom en verwijder het deksel.

KIA Opirus - Vervangen van lamp achterlichtunit - 2

1GHA429
3. Verwijder de fitting uit de lichtunit door deze linksom te draaien tot de nokjes van de fitting in lijn liggen met de uitsparingen van de lichtunit.

KIA Opirus - Vervangen van lamp achterlichtunit - 3

  1. Verwijder de lamp uit de fitting door de lamp in te drukken en deze een willekeurige kant op te draaien tot de nokjes van de lamp in lijn liggen met de uitsparingen van de fitting. Trek de lamp uit de fitting.
  2. Plaats een nieuwe lamp in de fitting en draai de lamp een willekeurige kant op tot hij vastzit.
  3. Plaats de fitting in de lichtunit door de nokjes op de fitting in lijn te brengen met de uitsparingen in de lichtunit. Duw de fitting in de lichtunit en draai de fitting een kwartslag rechtsom.
  4. Plaats het deksel en draai de schroef vast.

KIA Opirus - Vervangen van lamp achterlichtunit - 4

Vervangen van lamp mistachter- of achterlicht, achteruitrijlicht en derde remlicht

Laat als een lamp niet werkt de auto controleren door een officiële Kia-dealer.

KIA Opirus - Vervangen van lamp mistachter- of achterlicht, achteruitrijlicht en derde remlicht - 1

Richtingaanwijzer opzij

  1. Verwijder de lichtunit van de auto door de lens naar voren te duwen en de lichtunit uit het scherm te trekken.
  2. Neem de stekker los van de lamp.
  3. Neem de lens los van de fitting door de fitting linksom te draaien tot de nokjes in lijn staan met de uitsparingen.

  4. Trek de lamp naar buiten.

  5. Steek een nieuwe lamp in de fitting.
  6. Monteer de fitting en de lens.
  7. Sluit de stekker van de lamp aan.
  8. Plaats de lichtunit in de carrosserie.
  9. Trek de lamp naar buiten.
  10. Steek een nieuwe lamp in de fitting.
  11. Monteer de fitting en de lens.
  12. Sluit de stekker van de lamp aan.
  13. Plaats de lichtunit in de carrosserie.

SPECIFICATIES SMEERMIDDELEN

Aanbevolen smeermiddelen

Gebruik voor een optimale werking en een lange levensduur van motor en aandrijflijn uitsluitend smeermiddelen van de juiste kwaliteit. Het gebruik van de juiste smeermiddelen helpt ook het motorrendement verhogen wat een verbeterd brandstofverbruik oplevert.

Tegenwoordig zijn er energiebesparende motoroliën beschikbaar. Naast andere extra voordelen, dragen zij bij aan een laag brandstofverbruik door de hoeveelheid brandstof te beperken die nodig is om wrijving in de motor te overwinnen. Vaak zijn deze verbeteringen moeilijk waar te nemen in het dagelijks gebruik, maar op jaarbasis kunnen ze toch merkbaar kosten en energie besparen.

Deze smeermiddelen en vloeistoffen worden aanbevolen voor gebruik in uw auto.

Smeermiddel/vloeistofClassificatie
Motorolie *1API SH of hoger
Automatische-transmissievloeistofDIAMOND ATF SP-III or SK ATF SP-III
StuurbekrachtigingsvloeistofPSF-III
RemvloeistofFMVSS116 DOT-3 or DOT-4

*1 Zie de SAE-viscositeitsindex op de volgende bladzijde.

Aanbevolen SAE-viscositeitsindex

\* OPMERKING

Zorg ervoor dat u de omgeving rond vuldoppen, aftappluggen en de peilstok altijd goed reinigt alvorens het peil te controleren of de vloeistof af te tappen. Dit is vooral van belang in gebieden met veel stof of zand en als er met de auto over onverharde wegen wordt gereden. Door het schoonmaken wordt voorkomen dat vuil en zand in de motor of andere componenten binnendringt en schade veroorzaakt.

De viscositeit (vloeibaarheid) van de motorolie is van invloed op het brandstofverbruik en op de werking onder koude weersomstandigheden (starten en oliecirculatie). Motoroliën met een lagere viscositeit geven een lager brandstofverbruik en betere prestaties onder koude weersomstandigheden, terwijl motoroliën met een hogere viscositeit echter wenselijk zijn voor een goede smering bij warme buitentemperaturen. Het gebruik van oliën met een andere dan de aanbevolen viscositeit kan resulteren in motorschade.

Houd bij de keuze van een olie rekening met de te verwachten buitentemperaturen tot aan de volgende olieverversing. Kies dan aan de hand van de tabel de aanbevolen olieviscositeit.

KIA Opirus - \* OPMERKING - 1

*1 Afhankelijk van de rijomstandigheden en de omgeving.

^*2 Niet geschikt voor langdurig gebruik bij hoge snelheden.

ONDERHOUD EXTERIEUR

Onderhoud exterieur - Algemeen

Het is van groot belang bij gebruik van chemische reinigingsmiddelen of polish de aanwijzingen op het etiket van het desbetreffende product op te volgen. Lees de waarschuwingen en opmerkingen op het etiket.

Lak; onderhoud van

Wassen

Was uw auto minimaal eenmaal per maand grondig met lauw of koud water om de lak tegen roest en veroudering te beschermen.

Was, nadat u op een stoffige of modderige weg gereden heeft, de auto zo snel mogelijk. Besteed hierbij de nodige zorg aan het verwijderen van opeengehoopt zout, vuil of modder. Controleer of de afvoeropeningen aan de onderzijde van de portieren en de dorpels open en schoon blijven.

Insecten, teer, sap van bomen, uitwerpselen van vogels, industrieel vuil en dergelijke kunnen de lak van uw auto aantasten als ze niet direct verwijderd worden.

Zelfs bij het direct verwijderen kan blijken dat water alleen niet toereikend is. Gebruik in dat geval een speciale autoshampoo.

Spoel de auto na het wassen grondig af met lauw of koud water. Laat de shampoo niet op de lak opdrogen.

\* OPMERKING

Gebruik geen agressieve reinigingsmiddelen, oplosmiddelen of te heet water en was de auto niet in de volle zon of wanneer de carrosserie warm is.

WAARSCHUWING

Test na het wassen de remmen van uw auto bij lage snelheid om te controleren of de remwerking door binnengedrongen water beïnvloed is. Droog de remmen door het rempedaal bij lage snelheid licht in te trappen wanneer de remprestaties verminderd zijn.

VOORZICHTIG

• Water in de motorruimte kan de werking van de elektrische circuits beïnvloeden.
• Let zeer goed op wanneer u de motorruimte reinigt met water.

In de was zeiten

Zet de auto in de was wanneer het water niet langer druppels op de lak vormt.

Was en droog de auto altijd eerst voordat u hem in de was zet. Gebruik een goede kwaliteit vaste of vloeibare was en volg de aanwijzingen van de fabrikant. Zet de sierlijsten in de was om deze te beschermen en hun glans te laten behouden.

Het verwijderen van olie, teer en dergelijke stoffen met een vlekkenverwijderaar verwijdert gewoonlijk ook de was van de lak. Zet deze delen daarom na het verwijderen van de verontreiniging opnieuw in de was.

\* OPMERKING

- Als u stof of vuil met een droge doek wegveegt, komen er krassen op de lak.

- Gebruik geen staalwol, schuurmiddelen of sterk alkalische of bijtende oplosmiddelen op onderdelen die verchroomd zijn of op onderdelen die vervaardigd zijn van geanodiseerd aluminium. Het gebruik van deze middelen kan de beschermlaag aantasten waardoor verkleuring of glansverlies kan optreden.

Bijwerken van lakbeschadigingen

Repareer diepe krassen en steenslagbeschadigingen in de lak direct. Het blanke metaal gaat snel roesten waardoor ingrijpendere reparatiekosten noodzakelijk worden.

\* OPMERKING

Wanneer uw auto beschadigd is en reparatie of vervanging van metalen delen nodig is, let er dan op dat de garage anti-corrosiemiddel aanbrengt op de gerepareerde of vervangen onderdelen.

Onderhoud van verchroomde onderdelen

  • Gebruik een teerverwijderaar en geen schraper of ander scherp voorwerp voor het verwijderen van teer of insecten.
  • Breng ter bescherming een waslaag aan op verchroomde onderdelen of bescherm ze met een speciaal conserveringsmiddel.
  • Bescherm de verchroomde onderdelen onder winterse omstandigheden of bij gebruik van de auto in kustgebieden met een dikkere laag was of conserveringsmiddel. U kunt eventueel vaseline of een ander beschermingsmiddel gebruiken.

Onderhoud van de onderzijde

Zand en pekel kunnen zich ophopen aan de onderzijde van de carrosserie. Als deze middelen niet verwijderd worden, kan versnelde roestvorming optreden aan onderdelen aan de onderzijde van de carrosserie zoals brandstofleidingen, subframes, bodemplaat en uitlaatsysteem, ook al zijn deze onderdelen tegen corrosie beschermd.

Spoel daarom de onderzijde van de carrosserie en de wielkuipen eenmaal per maand, na het rijden op stoffige of modderige wegen en aan het eind van de winter grondig schoon met lauw of koud water. Besteed hieraan de nodige zorg; de opeenhopingen zijn niet altijd even gemakkelijk te zien. Als u het vuil alleen maar nat maakt zonder het te verwijderen, is het effect averechts. Houd ook de afvoeropeningen in portieren en dorpels te allen tijde open. Water dat in portieren en dorpels blijft staan, veroorzaakt roestvorming van binnenuit.

WAARSCHUWING

Test na het wassen de remmen van uw auto bij lage snelheid om te controleren of de remwerking door binnengedrongen water beïnvloed is. Droog de remmen door het rempedaal bij lage snelheid licht in te trappen wanneer de remprestaties verminderd zijn.

Onderhoud van lichtmetalen velgen

De lichtmetalen velgen zijn voorzien van een beschermende transparante laklaag.

  • Gebruik voor het reinigen van lichtmetalen velgen geen schuur- of polijstmiddelen, oplosmiddelen of een staalborstel. Deze kunnen de laklaag aantasten.
  • Gebruik uitsluitend een zachte zeep of een neutraal oplosmiddel en spoel grondig na met water. Let er ook op de velgen te reinigen nadat u over wegen met pekel gereden heeft. Dit helpt corrosie te voorkomen.
  • Vermijd het wassen van de velgen met behulp van de sneldraaiende borstels in de automatische wasserette.
  • Gebruik geen bijtende middelen. Deze kunnen schade en corrosie van de velgen veroorzaken, die zijn voorzien van een beschermende transparante laklaag.

KIA Opirus - Onderhoud van lichtmetalen velgen - 1

ONDERHOUD INTERIEUR

Onderhoud interieur - Algemeen

Voorkom dat bijtende vloeistoffen als parfum en cosmetische oliën in aanraking komen met het dashboard, omdat deze beschadiging of verkleuring kunnen veroorzaken. Indien deze stoffen toch met het dashboard in aanraking komen, moeten ze direct worden verwijderd. Raadpleeg de instructies voor het reinigen van kunststof.

Reinigen van de interieurbekleding

Kunsistor

Verwijder stof en los vuil van de kunststof bekleding met een plumeau of een stofzuiger. Reinig de kunststof oppervlakken met een vinylreiniger.

Stoffen

Verwijder stof en los vuil van de stoffen bekleding met een plumeau of een stofzuiger. Reinig met een zachte zeepoplossing die geschikt is voor bekleding of vloerbedekking. Verwijder nieuwe vlekken onmiddellijk met een vlekkenverwijderaar. Wanneer nieuwe vlekken niet direct verwijderd worden, kunnen er permanente vlekken of verkleuringen in de bekleding achterblijven. Daarnaast kunnen de brandwerende eigenschappen verminderen wanneer de bekleding niet op de juiste wijze wordt onderhouden.

VOORZICHTIG

Het gebruik van andere dan de voorgeschreven reinigingsmiddelen en procedures kan het uiterlijk van de stof aantasten en de brandwerende eigenschappen verminderen.

Reinigen van de veiligheidsgordels

Reinig de gordels met een zachte zeepoplossing die speciaal geschikt is voor het reinigen van bekleding en tapijt. Volg de aanwijzingen op het etiket van het reinigingsmiddel. Bleek of verf de gordels nooit omdat dit een negatieve invloed op de sterkte van de gordel kan hebben.

Reinigen van de binnenzijde van de ruiten

Als de ruiten aan de binnenzijde snel beslagen raken (vette aanslag), moeten ze gereinigd worden met een speciale glasreiniger. Volg de aanwijzingen op het etiket van de glasreiniger.

\* OPMERKING

Ga niet met scherpe voorwerpen over de binnenzijde van de achterruit. Hierdoor kunnen de draden van de achterruitverwarming beschedigd raken.

Specificaties / 8-2

Specifications

SPECIFICATIES

De hierna volgende specificaties dienen uitsluitend ter informatie. Uw officiële Kia-dealer kan u nauwkeuriger en meer up-to-date informatie verschaffen.

Afmetingen

Onderwerpmm (in)
Totale lengte4.979 (196,0)
Totale breedte1.850 (72,8)
Totale hoogte1.486 (58,5)
Spoorbreedte vóór1.570 (61,8)
Spoorbreedte achter1.560 (61,4)
Wielbasis2.800 (110,2)

Banden

ItemVoorAchter
Bandenmaat225/60R16 98V225/60R16 98V
Bandenspa- nningkg/cm2 (psi, kPa)Normale belasting12,15 (31. 215)2,10 (30. 210)
Maximum belasting2,25 (33. 225)2,10 (30. 210)
Velgmaat6,5J x 166,5J x 16
Aanhaalmoment wielmoeren kg·m (N·m)9~11(88~107)9~11(88~107)

^1 Normale belasting: Maximaal 4 personen

Gloeilampen

GloeilampWatt
Koplampen (dimlicht/grootlicht)55/55 of 35**
Lampen richtingaanwijzers voor (LED)13,2
Parkeerlichten5
Richtingaanwijzers opzij5
Mistlampen vóór (indien van toepassing)55
Mistachterlicht (indien van toepassing)21
Rem-/achterlichten21/5
Richtingaanwijzers achter21
Achteruitrijlicht16
Derde remlicht (LED)2,54
Kentekenplaatverlichting5
Kaartleeslampje vóór5
Kaartleeslampje achter10
Instapverlichting5
Lampjes make-upspiegel3
Lamp bagageruimte5
Verlichting voetenruimte5
Lamp dashboardkastje5

*1) Gasontladingslamp

Capaciteiten

Smeermiddel/vloeistofInhoudClassificatie
Motorolie14,3API SH of hoger
Automatische-transmissievloeistof8,5DIAMOND ATF SP-III, SK ATF SP-III
Stuurbekrachtiging1,0PSF-III
Koelvloeistof10,2Op ethyleenglycolbasis voor een aluminium radiateur
Remvloeistof0,7~0,8FMVSS116 DOT-3 of DOT-4
Brandstof70-

^*1 Zie de SAE-viscositeitsindex op bladzijde 7-51.

Index 9

Index

A

Accu 7-33

Achterruitverwarming 4-65

Afstandsbediening....3-6

Airbag - aanvullend veiligheidssysteem 3-66

Alarmknipperlichten 4-66

Antenne 3-112

Antidiefstalsysteem 4-85

Banden en wielen 7-36

Bescherming elektrische circuits 6-7

C

Contactslot 4-3

Cruise control 4-24

D

Door de eigenaar uit te voeren onderhoudswerkzaamheden 7-9

E

Emissieregelsysteem 5-3

G

Geheugen bestuurdersstoel 3-40

H

Hoe gebruikt u deze handleiding 1-2

1

Informatie op labels 5-22

Inrijden van het voertuig 1-3

Instrumentenpaneel 4-37

Motorolie en oliefilter 7-13

Motorruimte 7-12

0

Onderhoud bij verzwaard gebruik 7-8

Onderhoud exterieur 7-52

Onderhoud interieur 7-56

Onderhoudsschema bij normaal gebruik 7-5

Onderhoudswerkzaamheden 7-3

Opbergvak 3-99

Overbelading 5-21

Overige voorzieningen 3-102

Oververhitting 6-3

Overzicht dashboard 2-5

Overzicht exterieur 2-2

Overzicht interieur 2-4

P

Parkeerhulp 4-50

Parkeerrem 7-20

Pollenfilter 7-30

R

Remsysteem 4-14

Remsysteem 7-19

Rijden met een aanhanger 5-13

Ruiten 3-18

Ruitenwisserbladen 7-30

Ruitenwissers en ruitensproeiers 4-60

S

Schuif-/kanteldak 3-109

Slepen 6-14

Sleutels 3-3

Sloten 3-13

Smeermiddelen en vloeistoffen 7-26

Speciale omstandigheden 5-7

Specifications 8-2

Specificaties smeermiddelen 7-50

Spiegels 3-88

Startblokkering 3-12

Starten met hulpaccu 6-4

Starten van de motor 4-5

Stoelen 3-23

Stuurbekrachtiging 7-21

Stuurwiel 4-21, 7-22

Suggesties voor brandstofbesparing 5-6

KIA Opirus - S - 1

Index

T

Tankdopklep 3-93

V

Veiligheidsgordels 3-42

Vervangen van lampen 7-43

Voertuigstabiliteitsregeling 4-32

Voor het rijden 5-5

Voorruit ontdooien en ontwasemen 4-83

W

Waarschuwings- en controlelampjes 4-41

Waarschuwingssignalen 6-2

Wiel verwisselen bij een lekke band 6-19

Notes

Notes

Notes

Notes

A3FO-HO47A

(네덜란드어/유럽)

KIA Opirus - Notes - 1

KIA MOTORS

Inhoudsopgave Klik op een titel om deze te openen
Handleidingassistent
Aangedreven door Anthropic
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : KIA

Model : Opirus

Categorie : Automobiel