Carens (2003) - Automobiel KIA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Carens (2003) KIA in PDF-formaat.
| Type voertuig | Personenauto (MPV) |
| Merk | Kia |
| Model | Carens (2003) |
| Aantal zitplaatsen | 5 of 6 |
| Totale lengte | 4493 mm |
| Totale breedte | 1748 mm |
| Totale hoogte (zonder dakdragers) | 1609 mm |
| Wielbasis | 2560 mm |
| Leeggewicht | 1347 - 1501 kg (afhankelijk van motor) |
| Maximaal toegestaan gewicht | 1830 - 1975 kg |
| Motoren | 1.6L benzine, 1.8L benzine, 2.0L diesel |
| Transmissie | Handgeschakeld (5 versn.) of automatisch (4 versn.) |
| Brandstoftank | 55 liter |
| Bandenmaat | 195/60R15 of 205/60R15 |
| Bandenspanning voor | 2,2 bar (32 psi) |
| Bandenspanning achter | 2,2 - 2,3 bar (32-33 psi) |
| Airconditioning | Ja, koelmiddel R134a |
| Elektrische ramen | Ja, met blokkeerschakelaar bestuurder |
| Buitenspiegels | Elektrisch verstelbaar, optioneel verwarmd |
| Startblokkeersysteem | Ja, elektronisch |
| Airbags | Bestuurder en voorpassagier; optioneel zij-airbags |
| ISOFIX | Ja, op de buitenste zitplaatsen achter |
| Stoelverwarming voor | Optioneel |
| Schuif-/kanteldak | Optioneel |
Veelgestelde vragen - Carens (2003) KIA
Gebruikersvragen over Carens (2003) KIA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Carens (2003) - KIA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Carens (2003) van het merk KIA.
GEBRUIKSAANWIJZING Carens (2003) KIA
Nu u eigenaar bent van een Kia krijgt u waarschijnlijk veel vragen over uw auto en over het bedrijf, zoals "Wat is een Kia?", "Wie is Kia?" en "Wat betekent 'Kia'?"
Hier volgen enige antwoorden. Ten eerste, Kia is de oudste autoproducent in Korea. Het bedrijf bestaat uit duizenden werknemers die zich concentreren op het bouwen van auto's met een hoge kwaliteit tegen een redelijke prijs, aangezien de werknemers zelf een aanzienlijk aandeel in het bedrijf hebben.
De eerste lettergreep, Ki, in het woord "Kia" betekent "opkomende zon". De tweede lettergreep, a, betekent "Azië". Dus het woord Kia, betekent "opkomende zon uit Azië".
Veel plezier met uw auto!
VOORWOORD
Hartelijk dank voor het kiezen van een Kia.
Onthoud dat voor onderhoud uw officiële Kia-dealer de aangewezen persoon is. Uw dealer heeft door de importeur getrainde monteurs in dienst, beschikt over de aanbevolen speciale gereedschappen, originele Kia-onderdelen en zal er alles aan doen u optimaal van dienst te zijn.
Bewaar het instructieboekje in de auto voor een eventuele volgende eigenaar.
Dit instructieboekje omvat alle Carens modellen en zal u vertrouwd maken met de bediening, het onderhoud en de veiligheidsaspecten van uw nieuwe auto. Bij het instructieboekje hoort een garantieboekje waarin u informatie vindt over de garantie. We raden u aan om deze informatie zorgvuldig te lezen en de daarin opgenomen aanwijzingen zorgvuldig op te volgen, zodat u veilig en probleemloos van uw nieuwe auto kunt genieten.
Kia rust zijn talrijke modellen uit met een grote verscheidenheid aan opties, componenten en kenmerken.
Het is dan ook mogelijk dat de uitrusting die in dit instructieboekje beschreven staat en die op illustraties afgebeeld is, niet allemaal van toepassing is op uw auto. De in dit instructieboekje opgenomen informatie en specificaties golden ten tijde van het ter perse gaan. Kia Motors behoudt zich te allen tijde het recht voor wijzigingen door te voeren zonder voorafgaande kennisgeving. Als u vragen heeft, kunt u zich te allen tijde tot uw Kia-dealer wenden.
Wij zullen er alles aan doen om u optimaal en tot volle tevredenheid van uw nieuwe Kia te laten genieten.
© 2003 Kia Motors Nederland b.v.
Alle rechten voorbehouden.
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, in welke vorm dan ook, zonder de schriftelijke toestemming van Kia Motors.
Gedrukt in Korea
INHOUDSTABEL
| INLEIDING | 1 |
| UW AUTO IN ÉÉN OOGOPSLAG | 2 |
| KENNISMAKING MET UW AUTO | 3 |
| BESTURING VAN UW AUTO | 4 |
| RIJTIPS | 5 |
| IN GEVAL VAN NOOD | 6 |
| ONDERHOUD | 7 |
| SPECIFICATIES | 8 |
| INDEX | 9 |
INLEIDING
Hoe Gebruikt u Deze Handleiding ....1-2
Inrijden van het Voertuig....1-3
HOE GEBRUIKT U DEZE HANDLEIDING
We willen u helpen het grootst mogelijke rijplezier uit uw auto te halen. Deze handleiding kan u daar zeker bij helpen. We raden u met aandrang aan de hele handleiding grondig door te nemen.
Om ernstige of zelfs dodelijke ongelukken te vermijden, dient u minstens de paragrafen WAARSCHUWING en VOORZICHTIG in alle hoofdstukken van deze handleiding aandachtig te lezen. U kunt ze gemakkelijk herkennen aan de speciale markeringen die u hieronder ziet.
De illustraties vormen een aanvulling op de tekst in deze handleiding, zodat u alle aanwijzingen voor een optimaal rijplezier goed begrijpt. Bij het lezen van uw handleiding zult u alles vernemen over de kenmerken van uw auto, belangrijke veiligheidsinformatie en rijgedrag in verschillende omstandigheden.
De algemene opbouw van de handleiding is te zien in de inhoudstabel. Een goed beginpunt is de index, die een alfabetisch overzicht van alle informatie in deze handleiding geeft. Hoofdstukken: Deze handleiding bestaat uit acht hoofdstukken en een index. Elk hoofdstuk begint met een korte inhoudstabel, zodat u in één oogopslag ziet of de informatie die u zoekt in dit hoofdstuk te vinden is.
In deze handleiding zult u op diverse plaatsen WAARSCHUWING, VOORZICHTIG en OPMERKING aantreffen. De paragrafen WAARSCHUWING, VOORZICHTIG en OPMERKING werden ingevoegd om uw veiligheid en uw blijvende tevredenheid over uw Kia Carnival te verzekeren. Alle procedures en aanbevelingen in deze paragrafen WAARSCHUWING, VOORZICHTIG en OPMERKING dient u aandachtig te lezen en precies na te leven.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING wijst op een situatie waarin het negeren van de waarschuwing tot ernstige of zelfs dodelijke lichamelijke verwondingen kan leiden.
VOORZICHTIG
VOORZICHTIG wijst op een situatie waarin het negeren van de aanmaning tot voorzichtigheid tot lichamelijke verwondingen, eventueel ernstig, kan leiden.
* OPMERKING
OPMERKING wijst op een situatie waarin uw auto schade kan oplopen als u de aanwijzingen negeert.
INRIJDEN VAN HET VOERTUIG
Er dient geen speciale inrijperiode in acht genomen te worden. Door de eerste 1000 km enkele eenvoudige voorzorgen te nemen, kunt u de prestaties, zuinigheid en de levensduur van uw auto verhogen.
- Laat de motor niet op hoog toerental draaien.
- Rij geen lange periodes met dezelfde snelheid (hoog of laag). Varieer uw snelheid zodat de motor goed kan inlopen.
- Vermijd bruusk remmen, tenzij in noodgevallen, zodat de remmen zich goed kunnen zetten.
- Vermijd het wegrijden met vol gas.
UW AUTO IN ÉÉN OOGOPSLAG
Overzicht Binnenkant en Buitenkant 2-2
Overzicht Dashboard 2-3
OVERZICHT BINNENKANT EN BUITENKANT

- Buitenspiegel
- Instrumentenpaneel
- Stuurwiel
- Stoel
- Achterklep
- Portier
- Schakelaars ruitbediening
- Kinderslot achterportier
- Lichten
1FJA0001A
OVERZICHT DASHBOARD
- Bediening lichten / Richtingaanwijzers
- Instrumentenpaneel
- Ruitenruitenwisser / Sproeier
- Klimaatregeling (Indien van toepassing)
- Radio (Indien van toepassing)
- Airbag passagierszijde (Indien van toepassing)
- Beluchtingsopening
- Ontgrendeling motorkap
- Airbag bestuurder (indien van toepassing)
- Stuurbekrachtiging
- Selectiehendel (automaat)
- Parkeerremhendel
- Handschoenkastje
1FJA0002D
KENNISMAKING MET UW AUTO
Sleutels 3-2
Portiervergrendeling met afstandsbediening ..... 3-3
Startblokkeersysteem....3-5
Portiersloten 3-6
Ramen 3-9
Voorstoel 3-12
2e zitrij 3-17
De Achterbank - Rij 3 3-22
Veiligheidsgordels. 3-25
Airbag - Aanvullend Veiligheidssysteem 3-44
Achterklep....3-56
Motorkap 3-57
Tankdopklep 3-59
Spiegels....3-61
Interieurverlichting 3-65
Bekerhouder 3-66
Opbergvak....3-68
Opbergvak voor Zonnebril 3-70
Schuif-/Kanteldak 3-70
Roof Rack 3-73
Overige Voorzieningen 3-74
Antenne 3-79
Afscheidingsnet 3-80
Rolhoes 3-84
Middelste opbergvak bagageruimte 3-85
SLEUTELS

De cijfercode van uw sleutel is in het plaatje dat aan uw set sleutels hangt gegraveerd. Mocht u uw sleutels verliezen, dan kunt u deze met behulp van dit nummer gewoon laten bijmaken bij elke erkende Kia-dealer. Verwijder dit plaatje van uw sleutels en bewaar het op een veilige plaats. Noteer de cijfercode ook op een veilige en handige plaats, maar niet in uw auto.
WAARSCHUWING
- Contactsleutel
Het is gevaarlijk kinderen zonder toezicht samen met de contactsleutel in de auto te laten, zelfs als deze sleutel niet in het contactslot zit. Kinderen imiteren volwassenen graag en zouden de contactsleutel in het contactslot kunnen steken. Met de contactsleutel in het contactslot zouden kinderen de elektrische ramen en andere bedieningselementen kunnen bedienen of zelfs met de auto kunnen rijden, wat tot ernstige verwondingen of zelfs overlijden zou kunnen leiden. Laat uw sleutels daarom nooit in de auto wanneer er kinderen zonder toezicht in zitten.
VOORZICHTIG
Gebruik uitsluitend een originele Kia-contactsleutel in uw auto. Als er een imitatiesleutel wordt gebruikt, kan het gebeuren dat het contactslot na het aanslaan van de motor niet van stand START naar stand ON terugkeert. Hierdoor blijft de startmotor continu draaien en kan er schade ontstaan aan de startmotor. Tevens kan er brand ontstaan als gevolg van oververhitting in de bedrading.
PORTIERVERGRENDELING MET AFSTANDSBEDIENING (INDIEN VAN TOEPASSING)

Als uw auto is uitgerust met deze optie, kunt u de sloten van de portieren en het achterportier openen en sluiten van een afstand van maximaal 5 meter. U doet dit met behulp van de zender/sleutelhanger die bij uw auto is geleverd.
- LOCK (VERGRENDELEN):
Alle portieren en de achterklep worden vergrendeld wanneer u toets LOCK op de afstandsbediening indrukt. De alarmknipperlichten zullen één keer knipperen.
• UNLOCK (ONTGRENDELEN):
Alle portieren en de achterklep worden ontgrendeld wanneer u toets UNLOCK op de afstandsbediening indrukt. De alarmknipperlichten zullen twee keer knipperen. Wanneer de schakelaar in de middenstand staat, brandt de interieurverlichting en/of de bagageruimteverlichting gedurende 30 seconden.
* OPMERKING
- De afstandsbediening van de portiersloten werkt niet wanneer:
- de contactsleutel zich in het contactslot bevindt.
- u verder dan 5 meter van uw auto bent verwijderd.
- de batterij in de afstandsbediening bijna leeg is.
- andere voertuigen of voorwerpen het signaal van het zendertje tegenhouden.
- de temperatuur erg laag is.
- de afstandsbediening zich in de buurt van een radiozender of een luchthaven bevindt, waardoor de normale werking van de afstandsbediening verstoord wordt.
- Werkt de afstandsbediening van de portiersloten niet naar tevredenheid, neem dan zo spoedig mogelijk contact op met een officiële Kia-dealer.

Vervanging van de batterij
- Open het zendertje: steek een munt in de sleuf en wrik voorzichtig.
- Plaats een nieuwe batterij van 3 V met de (+) zijde omlaag gericht.
- Zet het zendertje nu weer in elkaar.
- Controleer of het zendertje werkt.
* OPMERKING
- Door het gebruik van een verkeerde batterij kan de afstandsbediening niet goed werken. Gebruik altijd de juiste batterij. Zorg ervoor dat u het zendertje niet beschadigt: laat het niet vallen, laat het niet nat worden en stel het niet bloot aan hoge temperaturen of zonlicht.
STARTBLOKKEERSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)
Uw auto is uitgerust met een elektronisch startblokkeringssysteem. Dit systeem vermindert in hoge mate het risico van diefstal van uw auto. Het startblokkeringssysteem bestaat uit een zender-ontvanger in de contactsleutel, een antennespoel in de sleutelcilinder en een startblokkeringssysteem (Smartra Unit).
Als u de contactsleutel in het contact-slot steekt en de sleutel in de stand ON draait, ontvangt de antennespoel de signalen van de zender-ontvanger en zendt deze naar het startblokkeringssysteem. De module controleert of het signaal van de Smartra-unit juist is of niet. Als het signaal juist is, wordt de motor gestart en als het niet juist is wordt de motor niet gestart.
Het startblokkeringsysteem deactiveren:
Steek de contactsleutel in het contactslot en draai de sleutel in de stand ON.
Het startblokkeringsysteem activeren:
Draai de sleutel in de stand OFF. Als het contactslot in deze stand staat, zal de motor niet starten als iemand die de originele sleutel niet heeft, probeert weg te rijden in de auto.
* OPMERKING
Neem contact op met een officiële Kia-dealer indien u de geheime code van de startblokkering wilt wijzigen. Na het wijzigen dienen zowel u als uw dealer de geheime code op een veilige plaats te bewaren.
* OPMERKING
De zender-ontvanger in uw contactsleutel speelt een zeer belangrijke rol bij het deactiveren van het startblokkeringssysteem. Stel de zender-ontvanger niet bloot aan schokken. Hierdoor zou er storing kunnen optreden in het startblokkeringssysteem waardoor de motor mogelijk niet start.
* OPMERKING
U kunt het startblokkeringssysteem niet naar eigen inzicht wijzigen of aanpassen. Dit kan storing in het systeem tot gevolg hebben. Een storing die het gevolg is van het wijzigen of aanpassen van het startblokkeringssysteem door iemand anders dan de officiële Kia-dealer valt niet onder de Kia-garantie.
PORTIERSLOTEN![graph TD A["Ontgrendeld"] --> B["Key"] C["Vergre-ndeld"] --> B B --> D["1FJB2004"]](/content/2026/06/1152184/images/f1360ed648757fb49a6684366338f1cdc15d9a9dca9a75d1e8881db9f6ff3d36.jpg)
Automatische portiersloten Portiersloten bedienen - met de sleutel
- Draai de sleutel naar de achterzijde van de auto om het portier te ontgrendelen en naar de voorzijde om het portier te vergrendelen.
- Trek de portiergreep na het ontgrendelen omhoog om het portier te openen.
- Alle portieren en de achterklep kunnen met de sleutel vergrendeld en ontgrendeld worden via het voorportier.

Portiersloten bedienen – met afstandsbediening
Het bestuurdersportier kan zonder sleutel vergrendeld worden. Druk hiertoe de vergrendelknop in en sluit het portier.
* OPMERKING
Neem altijd de contactsleutel uit het contact, trek de handrem aan, sluit alle ramen en doe alle portieren op slot wanneer u uw auto ergens parkeert.

De portiersloten van binnenuit bedienen
- Zet de vergrendelknop van het portier in de stand VERGRENDELD om het portier te vergrendelen.
- Zet de vergrendelknop van het portier in de stand ONTGRENDELD om het portier te ontgrendelen.
- Trek de portiergreep naar achteren om het portier te openen.
- Het bestuurdersportier wordt tegelijkertijd ontgrendeld en geopend wanneer u aan de portiergreep trekt.
* OPMERKING
Als het portier afgesloten is, is het rode gedeelte van de knop niet zichtbaar.
VOORZICHTIG
De portieren moeten altijd volledig gesloten en op slot zijn terwijl het voertuig in beweging is. Hierdoor kunt u voorkomen dat het portier per ongeluk wordt geopend. Als de portieren op slot zijn, ontmoedigt dat ook mogelijke binnendringers die de portieren zouden willen openen als de auto stilstaat of langzamer gaat rijden.
WAARSCHUWING
- Kinderen zonder toezicht
Laat nooit kinderen of dieren zonder toezicht in de auto. In een afgesloten auto kan de temperatuur extreem hoog oplopen, wat de dood of ernstige verwonding van kinderen die het voertuig niet kunnen verlaten, of van dieren, tot gevolg kan hebben.

Als het bestuurdersportier of het voorportier aan passagierszijde met de sleutel of de vergrendelknop wordt vergrendeld/ontgrendeld, zullen alle overige portieren en de achterklep gelijktijdig vergrendeld/ontgrendeld worden.
* OPMERKING
Een vergrendeld portier kan ontgrendeld worden bij aanrijdingen waarbij de airbag opgeblazen wordt.

Kinderslot Achterportier
Het kinderslot zorgt ervoor dat kinderen de achterportieren niet per ongeluk van binnenuit kunnen openen. Gebruik het wanneer u kinderen in de auto vervoert.
- Om het achterportier zodanig te sluiten dat het niet van binnenuit geopend kan worden, dient u alvorens het portier te sluiten de hevel van het kinderslot in de stand LOCKED te zetten.
- Zet de vergrendelknop van het portier in de stand ONTGRENDELD (rode merkteken is zichtbaar) en trek de portiergreep aan de buitenzijde omhoog om het portier te openen wanneer het kinderslot ingeschakeld is.
WAARSCHUWING
- Portiersloten Achter
Als kinderen tijdens het rijden per ongeluk de achterportieren openen, kunnen ze uit de auto vallen en ernstig letsel oplopen. Om te voorkomen dat kinderen de achterportieren van binnenuit openen, dienen de kindersloten gebruikt te worden zodra er kinderen in de auto worden meegenomen.
RAMEN
Elektrische Ramen
Om de elektrische ramen te bedienen moet de contactsleutel in stand ON staan. Aan elk portier zit een bedieningsschakelaar voor het openen/sluiten van het raam van het betreffende portier. De bestuurder beschikt echter over een bedieningsschakelaar waarmee hij de bediening van de ramen van de drie passagiersportieren kan blokkeren.
* OPMERKING
Om mogelijke beschadiging aan het bedieningssysteem van de elektrische ramen te voorkomen mag u nooit meer dan twee ramen tegelijk openen of sluiten. Zo verzekert u tevens de lange levensduur van de zekering.

Bedieningspaneel elektrisch bedienbare ruiten bestuurderszijde
Alle ruiten kunnen geopend of gesloten worden met de hoofdschakelaars van de ruitbediening in het bestuurdersportier. Druk de desbetreffende schakelaar van de ruitbediening in om een ruit te openen. Trek, om de ruit te sluiten, deze schakelaar omhoog.
Automatisch openen van de portierruit aan bestuurderszijde
De ruit van het bestuurdersportier kan automatisch openen. Druk de voorkant van de schakelaar kort in tot de tweede klik om de ruit automatisch te openen. Trek om deze functie uit te schakelen de voorzijde van de schakelaar omhoog en laat deze los of druk op de voorzijde van de schakelaar tot de ruit in de gewenste stand staat.
Timer elektrisch bedienbare ruiten (indien van toepassing)
De ruiten kunnen worden bediend tot ca. 30 seconden nadat het contact in stand ACC of LOCK is gezet. Wanneer de portieren geopend zijn, kunnen de ruiten alleen bediend worden met het contact in stand ON.
Schakelaar ruitbediening bestuurderszijde
De schakelaar aan bestuurderszijde biedt twee afzonderlijke functies voor het openen van de ruit.
- Als de schakelaar volledig wordt ingedrukt, zal de portierruit aan bestuurderszijde automatisch openen. Trek om deze functie uit te schakelen de voorzijde van de schakelaar omhoog en laat deze los of druk op de voorzijde van de schakelaar tot de ruit in de gewenste stand staat.
- Als de schakelaar gedeeltelijk wordt ingedrukt (tot de eerste klik) kan het openen van de ruit nauwkeurig geregeld worden. Trek, om de ruit te sluiten, de schakelaar van de ruitbediening omhoog.

De bestuurder kan de schakelaars van de ruitbediening voor een portier uitschakelen door de blokkeerschakelaar in het bestuurdersportier in te drukken. Als de blokkeerschakelaar van de ruitbediening is ingedrukt, kunnen de ruiten ook niet worden bediend met de hoofdschakelaars in het bestuurdersportier.
* OPMERKING
Als u hinderlijk windgeruis ondervindt wanneer één van de zijruiten geopend is, kunt u de ruit aan de andere zijde iets openen.
WAARSCHUWING
- Elektrische ramen
- Houd de blokkeerschakelaar in het bestuurdersportier ingedrukt, behalve wanneer een passagier een portierruit wil openen of sluiten. Het onbedoeld bedienen van een ruit kan vooral bij kinderen tot letsel leiden.
- Controleer altijd dubbel of er zich geen armen, handen of andere belemmeringen in de buurt bevinden voordat een ruit gesloten wordt.

Schakelaar ruitbediening passagierszijde
Druk het voorste deel van de schakelaar in om de ruit te openen. Trek, om de ruit te sluiten, het voorste deel van de schakelaar omhoog.
WAARSCHUWING
- Passagiers
Laat kinderen niet met de ruitbediening spelen. Ze zouden zich kunnen bezeren.
VOORSTOEL
WAARSCHUWING
Bestuurders
- Verstel de bestuurdersstoel of de rugleuning nooit tijdens het rijden. Als dat wel gedaan wordt, kan de bestuurder de macht over het stuur verliezen, waardoor ernstig letsel het gevolg kan zijn.
- Zorg ervoor dat bagage en andere voorwerpen de normale positie van de rugleuning niet hinderen. Hierdoor kan de rugleuning mogelijk niet volledig vergrendeld worden, waardoor deze in geval van afremmen of een aanrijding plotseling naar voren kan klappen.
- Zet voor het wegrijden de rugleuning altijd rechtop en plaats de heupgordel strak en zo laag mogelijk over de heupen.
- Ga altijd zo ver mogelijk van het stuurwiel afzitten (ten minste 250 mm), zonder de comfortabele zitpositie voor de bediening van de auto te verliezen, zodat het risico op ernstig letsel bij een aanrijding beperkt blijft.

Afstellen van de Voorstoel
Voorstoel verstellen in voorwaartse en achterwaartse richting
Verstel de stoel als volgt naar voren of naar achteren:
- Houd de hendel voor de langsverstelling aan de voorzijde van de stoel omhooggetrokken.
- Schuif de stoel in de gewenste positie.
- Laat de hendel los en controleer of de stoel vergrendeld is.
Z VOORZICHTIG
Plaats niets onder de voorstoelen. Losse voorwerpen kunnen de werking van het verstelmechanisme belemmeren of onder de stoel vandaan rollen en de bediening van het rem-, koppelings- of gaspedaal hinderen.
Hierdoor kan een ernstig ongeval het gevolg zijn.

Afstellen rugleuning voorstoel
Stel de rugleuning als volgt af:
- Leun iets naar voren en trek de hendel van de rugleuning aan de zijkant van de stoel naar achteren.
- Leun vervolgens achterover en verstel de rugleuning in de gewenste positie.
- Laat de hendel los en controleer of de rugleuning vergrendeld is. (De hendel MOET zijn oorspronkelijke positie weer innemen om de rugleuning te vergrendelen.)
WAARSCHUWING
- Passagiers
Houd de rugleuning tijdens het rijden altijd zo veel mogelijk rechtop om het risico dat u bij een aanrijding onder de heupgordel doorschuift en ernstig persoonlijk letsel oploopt te beperken. De inzittenden kunnen, wanneer de rugleuning achterover staat, bij een aanrijding onder de gordels doorschuiven. Als dat gebeurt, kan de veiligheidsgordel niet meer voldoende bescherming bieden en bestaat de kans dat deze krachten uitoefent op de onbeschermde onderbuik, wat ernstig persoonlijk letsel tot gevolg heeft.
Houd de rugleuningen daarom tijdens het rijden altijd zo comfortabel mogelijk rechtop.

Afstellen van de zittinghoogte van de bestuurdersstoel
Draai de knop aan de zijkant van de zitting om de hoogte van het voorste of achterste deel van de zitting te veranderen.
- Draai de knop in de richting van de voorzijde van de auto om de zitting lager af te stellen.
- Draai de knop in de richting van de achterzijde van de auto om de zitting hoger af te stellen.

Lendesteun (bestuurdersstoel)
De lendesteun kan versteld worden door de hendel aan de zijkant van de rugleuning van de bestuurdersstoel te bewegen. Draai de hendel naar voren om de lendesteun te verhogen. Draai de hendel naar achteren om de lendesteun te verlagen.

Verwarming van de voorstoelen (indien van toepassing)
De voorstoelen worden ieder afzonderlijk elektrisch verwarmd wanneer de schakelaars ingedrukt zijn en het contact in stand ON staat. Een thermostaat regelt de temperatuur van de stoel als de desbetreffende schakelaar ingedrukt wordt. Druk nogmaals op de desbetreffende schakelaar om de verwarming uit te schakelen.
* OPMERKING
- De stoelverwarming werkt niet wanneer de omgevingstemperatuur hoger is dan 39 ± 3 °C (102,2 ± 5,4 °F).
- Laat de stoelverwarming controleren door een officiële dealer wanneer de verwarming niet werkt bij een omgevingstemperatuur die lager is dan 34 ± 4 °C (93,2 ± 7,2 °F).

Hoofdsteun
De hoofdsteun biedt extra comfort en levert een bijdrage aan het beschermen van uw hoofd en nek bij bepaalde typen aanrijdingen.
Plaats de hoofdsteun zo dat het midden ervan zich ter hoogte van uw oren bevindt. U kunt de hoofdsteun hoger stellen door deze naar boven te trekken. De hoofdsteun zal in deze positie vastklikken. U kunt de hoofdsteun lager stellen door de hendel voor de vergrendeling aan de linkerkant in te drukken en de hoofdsteun naar beneden te duwen.
KENNISMAKING MET UW AUTO
De voorste hoofdsteun kan in vier standen voorover gekanteld worden wanneer de auto is uitgerust met een kantelbare hoofdsteun. Trek de hoofdsteun naar voren en laat deze vervolgens los om hem achterover te kantelen.
WAARSCHUWING
- Hoofdsteunen
- Stel de hoofdsteun zodanig af dat de bovenzijde zich ter hoogte van de bovenzijde van uw oren bevindt, om de kans op ernstig letsel bij een aanrijding te beperken.
- Rijd niet in een auto waarvan de hoofdsteunen verwijderd of onjuist afgesteld zijn.
- Probeer nooit de hoofdsteun tijdens het rijden te verstellen.
2E ZITRIJ - 6:4 NEERKLAPBARE ACHTERBANK (INDIEN VAN TOEPASSING)
De rugleuning van de achterbank kan naar voren worden geklapt waardoor extra bagageruimte ontstaat en de bagageruimte van binnenuit toegankelijk is.
- Omhoogklappen: til de rugleuning omhoog en druk deze naar achteren totdat deze vastklikt.
- Plaats bij het omhoogklappen van de rugleuning de veiligheidsgordels in hun oorspronkelijke positie zodat ze op de juiste manier gebruikt kunnen worden.

Neerklappen van de rugleuning: 1. Trek aan de lus en til de zitting aan de achterzijde omhoog.

- Zet de naar voren geklapte bank met de band en de haak vast aan de stang van de hoofdsteun op de 2e zitrij.
- Verwijder de hoofdsteun en stop de pennen van de hoofdsteun in de gaten in de zitting.

- Trek voor het neerklappen van de rugleuning(en) aan de lus(sen) en duw de rugleuning(en) naar voren en naar beneden.

Plaats de gordelsluiting in de uitsparing in de rugleuning wanneer u de rugleuning voorover klapt of wanneer u bagage op de achterbank plaatst. Hierdoor wordt voorkomen dat de gordelsluiting beschadigd raakt.
Terugklappen van de achterbank:
- Til de rugleuning omhoog en druk deze stevig naar achteren totdat hij vastklikt.
- Zet de hoofdsteun terug op de rugleuning.
- Klap de zitting terug en druk deze stevig vast.
* OPMERKING
Vergeet niet bij het omhoogklappen van de rugleuning de schoudergordels in de juiste positie te plaatsen. Door de veiligheidsgordel door de geleider te leiden wordt voorkomen dat ze achter of onder de achterbank bekneld raken.
Z VOORZICHTIG
Verwijder nooit de vloerbedekking uit uw auto. Door de emissieregeling kan de temperatuur van de uitlaat onder de bodemplaat zeer hoog worden.
⚠ WAARSCHUWING - Bagage Bagage moet altijd zodanig worden vastgezet dat het niet kan gaan schuiven en de inzittenden kan ver- wonden.
2E ZITRIJ - 5:5 NEERKLAP-BARE ACHTERBANK (INDIEN VAN TOEPASSING)

Instellen van de Tweede rij Stoel-rugleuningen (Indien van toepassing)
- Leun iets naar voren en trek de hendel van de rugleuning aan de zijkant van de stoel naar achteren.
- Leun vervolgens achterover en verstel de rugleuning in de gewenste positie.
- Laat de hendel los en controleer of de rugleuning vergrendeld is. (De hendel MOET zijn oorspronkelijke positie weer innemen om de rugleuning te vergrendelen.)

Bewegen van de Tweede rij Stoelen naar Voren en Achteren (Indien van toepassing)
Verstel de stoel als volgt naar voren of naar achteren:
- Houd de hendel voor de langsverstelling aan de voorzijde van de stoel omhooggetrokken.
- Schuif de stoel in de gewenste positie.
- Laat de hendel los en controleer of de stoel vergrendeld is.
Om zeker te zijn dat de stoel is vastgezet in zijn positie, probeer of de stoel bewegen kan.

Gedeeltelijk Vouwen van de Tweede rij Stoelen (Indien van toepassing)
De tweede rij rugleuningen vouwen naar voren om extra bagage ruimte en toegang tot de kofferruimte te krijgen.
- Vouw de tweede rij rugleuningen naar beneden, duw de ontgrendelknop naar voren die zich aan de buitenzijde van de rugleuning, onder de armsteun bevindt.
- Om de rugleuning weer rechtop te zetten, de rugleuning optrekken en hem stevig naar achteren duwen tot hij op zijn plaats klikt.
- Wanneer u de rugleuning weer in zijn rechtop stand zet, herplaats de achter veiligheidsgordels zo, dat ze door de achterstoel passagiers kunnen worden gebruikt.
Bagage moet altijd zodanig worden vastgezet dat het niet kan gaan schuiven en de inzittenden kan verwonden.

Armsteun (Indien van toepassing)
De eerste achterstoelen hebben de armsteun. Om een armsteun te gebruiken, trekt u hem uit de rugleuning naar beneden.
Z. VOORZICHTIG
Verwijder nooit de vloerbedekking uit uw auto. Door de emissieregeling kan de temperatuur van de uitlaat onder de bodemplaat zeer hoog worden.
DE ACHTERBANK - RIJ 3 (INDIEN VAN TOEPASSING)

Uitstappen van de Derde rij Stoel
Druk het voetpedaal geplaatst achter rechts op het laagste deel van de tweede rij stoel. Dan schuift de stoel automatisch, en de rugleuning vouwt zich naar voren. Na het uitstappen schuif de tweede rij stoel achterwaarts en druk de rugleuning achterwaarts tot hij vergrendeld. Vergewis u dat de stoel op zijn plaats vergrendeld is.
VOORZICHTIG
Passagiers zittend in de derde rij stoelen moeten oppassen niet per ongeluk het pedaal in te drukken als het voertuig in beweging is.

Het Dubbel Opvouwen van de Derde rij Stoel (Indien van toepassing)
Om de stoel te vouwen:
- Schuif de derde rij stoel naar de voorste stand.
- Verwijder de hoofdsteunen, (zie Hoofdsteunen in dit hoofdstuk) en berg ze op in de daarvoor bestemde ruimte.

- Klap de rugleuning van de 3e zitrij naar beneden terwijl de ontgrendelingshendel naar voren wordt gedrukt.

- Trek aan de lus om de zitting te ontgrendelen en kantel de neergeklapte bank in zijn geheel naar voren.

- Zet de naar voren geklapte bank met de band en de haak vast aan de stang van de hoofdsteun op de 2e zitrij.
Om de 3e rij rugleuning in de rechtopstaande stand te doen, haal de band weg van de 2e rij hoofdsteun stang en plaats hem krachtig op de stoelhaak en druk de rugleuning krachtig achterwaarts voor gebruik.
* OPMERKING
Vergeet niet bij het omhoogklappen van de rugleuning de schoudergordels in de juiste positie te plaatsen. Door de veiligheidsgordel door de geleider te leiden wordt voorkomen dat ze achter of onder de achterbank bekneld raken.

Plaats de gordelsluiting in de uitsparing wanneer u de rugleuning voorover klapt of wanneer u bagage op de achterbank plaatst. Hierdoor wordt voorkomen dat de gordelsluiting beschadigd raakt.
VOORZICHTIG
Verwijder nooit de vloerbedekking uit uw auto. Door de emissieregeling kan de temperatuur van de uitlaat onder de bodemplaat zeer hoog worden.
WAARSCHUWING - Bagage Bagage moet altijd zodanig worden vastgezet dat het niet kan gaan schuiven en de inzittenden kan verwonden.
VEILIGHEIDSGORDELS
Gordelspanner (Indien van toepassing)
De veiligheidsgordels van de bestuurder en van de voorpassagier zijn uitgerust met gordelspanners. Het doel van de gordelspanner is ervoor te zorgen dat de veiligheidsgordel strak tegen het lichaam van de inzittende ligt bij bepaalde frontale aanrijdingen.
De gordelspanners worden samen met de airbags geactiveerd, als de frontale aanrijding ernstig genoeg is.

Wanneer de auto plotseling stopt of als de inzittende te snel naar voren buigt, zal de gordel blokkeren. Bij bepaalde frontale aanrijdingen zal de gordelspanner echter geactiveerd worden en zal deze de gordel strakker om het lichaam van de inzittende trekken. Het gordelsysteem bestaat hoofdzakelijk uit de volgende onderdelen.
De plaats hiervan wordt in de afbeelding aangegeven.
- Waarschuwingslampje AIRBAG.
- Gordelspanner.
- Airbagmodule.
WAARSCHUWING
Draag de veiligheidsgordel op de juiste manier om een maximaal effect van een gordelspanner te krijgen.
VOORZICHTIG
- Wanneer de gordelspanners geactiveerd worden, kan een luide knal hoorbaar zijn en kan er rook zichtbaar worden in het passagierscompartiment. De rook is ongevaarlijk. • De rook kan huidirritatie veroorzaken en het is raadzaam deze deeltjes niet in te ademen. Was uw handen en uw gezicht grondig wanneer deze met de rook in aanraking zijn geweest.
• Als de gordelspanner niet goed werkt, zal het waarschuwingslampje AIRBAG gaan branden, aangezien beide deel uitmaken van hetzelfde elektrische circuit. Laat het systeem zo spoedig mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer als het waarschuwingslampje AIRBAG niet gaat branden als het contact in de stand ON wordt gezet, als het na meer dan 6 seconden niet uitgaat, of als het gaat branden tijdens het rijden.
WAARSCHUWING
- Repareren of Vervangen van Gordelspanners
- Gordelspanners zijn ontworpen voor eenmalig gebruik. Vervang gordelspanners nadat deze geactiveerd zijn geweest. • Probeer nooit zelf de gordelspanners te controleren, te repareren of te vervangen. Hierdoor kan het systeem blijvend beschadigd raken.
Veiligheidsgordels
WAARSCHUWING
- Veiligheidsgordels
Om het risico op ernstig lichamelijk letsel te beperken, moeten de bestuurder en alle passagiers te allen tijde de aanwezige veiligheids-gordels dragen.
Wij raden bestuurder en alle passagiers sterk aan de in de auto aanwezige veiligheidsgordels altijd op de juiste manier te dragen. Het juiste gebruik van de veiligheidsgordels vermindert het risico op ernstig letsel bij aanrijdingen of bij onverwachts remmen.
Veiligheidsgordels bieden de beste bescherming wanneer:
- De rugleuning afgesteld is op de normale zitpositie van de inzittende.
- De inzittende rechtop zit (niet onderuit gezakt of voorover hangend).
- Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel strak en zo laag mogelijk over de heupen ligt.
- Het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel loopt strak over de borstkas.
- De knieën wijzen recht naar voren.
Een waarschuwingslampje en een zoemer attenderen u erop dat u uw veiligheidsgordel vast dient te maken.
Alle zitplaatsen (al dan niet inclusief de middelste zitplaats achter) zijn uitgerust met driepuntsgordels. Een vertraging in de blokkeerautomaten zorgt ervoor dat de veiligheidsgordels onder normale omstandigheden niet geblokkeerd zijn. Hierdoor hebben de inzittenden een beetje bewegingsruimte en wordt het comfort van de veiligheidsgordels verbeterd. Wanneer krachten worden uitgeoefend op de auto, zoals bij krachtig remmen, een scherpe bocht of bij een aanrijding, zullen de blokkeerautomaten de veiligheidsgordels automatisch blokkeren.
Aangezien de vertraging in de automaat ook buiten een aanrijding om kan blokkeren, zou u tijdens het remmen of in een scherpe bocht kunnen merken dat de veiligheidsgordels geblokkeerd worden.
De heupgordel, indien van toepassing, beschikt niet over een vertraging en is dus altijd geblokkeerd.
Gebruik indien mogelijk de middelste zitplaats achter voor het plaatsen van een kinderzitje. De middelste zitplaats achter is de veiligste plaats voor een kind.
WAARSCHUWING
- Gebruik van Veiligheidsgordels
1) Draag het schoudergedeelte van de gordel nooit onder de arm.
2) Draag nooit de veiligheidsgordel rond de hals zodat de gordel over de binnenste schouder loopt.
3) Gebruik een veiligheidsgordel nooit voor meerdere personen.
WAARSCHUWING
- Na een Botsing
- Systemen vóór heup/schouder-gordels kunnen worden uitgerekt en beschadigd wanneer er bij een botsing spanningen en krachten op zijn uitgeoefend.
- Het gehele systeem van veiligheidsriemen moet worden geïnspecteerd na een botsing. Alle riemen, opwindmechanismen, vergrendelingen en bevestigingsmaterialen die zijn beschadigd tijdens een botsing moeten worden vervangen vóór weer met de auto wordt gereden.
WAARSCHUWING
- Onderhoud Veiligheidsgordel
De veiligheidsgordels dienen regelmatig op slijtage en beschadigingen gecontroleerd te worden. Trek alle gordels volledig uit en controleer ze op de aanwezigheid van rafels, insnijdingen, brandplekken en andere beschadigingen. Controleer of de gordels soepel en goed oprollen. Controleer of de sluitingen zonder problemen en direct vast- of losklikken. ledere gordel die niet in orde is of niet goed werkt, moet direct vervangen worden.
WAARSCHUWING
- Gedraaide Veiligheidsgordels
Draag nooit een gedraaide of bekneld zittende veiligheidsgordel. Ga onmiddellijk naar uw Kia-dealer of de dichtstbijzijnde gekwalificeerde garage wanneer u de veiligheidsgordel niet in orde kunt krijgen.
VOORZICHTIG
- Beschadigingen aan Veiligheidsgordels
Siuit nooit de portieren wanneer er een veiligheidsgordel tussen zit. De veiligheidsgordel of de gordelsluiting kan hierdoor beschadigd raken en de kans op letsel bij een ongeval verhogen.
WAARSCHUWING
- Kofferruimte
Laat nooit passagiers meerijden in de kofferruimte. Er zijn geen veiligheidsriemen gemonteerd in de kofferruimte. Personen die in een auto rijden zonder dat zij in de veiligheidsriemen zitten, lopen een veel grotere kans dat zij bij een ongeluk ernstig lichamelijk letsel oplopen of komen te overlijden.
Veiligheidsgordels en Zwangere Vrouwen
Ook zwangere vrouwen dienen een veiligheidsgordel te dragen, tenzij hun arts daar bezwaar tegen heeft.
Het heupgedeelte van de gordel moet zo strak en laag mogelijk gedragen worden.
WAARSCHUWING - Zwangere Vrouwen
Zwangere vrouwen mogen het heupgedeelte van de veiligheidsgordel nooit over of boven de onderbuik dragen.
Veiligheidssystemen voor baby's en kleine kinderen
Kleine kinderen moeten voor een goede bescherming tijdens het rijden gebruik maken van een goedgekeurd kinderzitje.
Laat een kind tijdens het rijden nooit knielen of staan op de zitting van een stoel. Laat nooit twee kinderen of een kind en een volwassene op hetzelfde moment gebruik maken van dezelfde veiligheidsgordel.
Laat kinderen bij voorkeur plaatsnemen op de achterbank.
VOORZICHTIG
- Hete metalen onderdelen
Veiligheidsgordels en stoelen kunnen warm worden wanneer een auto tijdens warm weer afgesloten heeft gestaan. Kinderen kunnen zich hieraan branden. Controleer de stoelen en de gordelsluitingen voordat u een kind laat plaatsnemen.
WAARSCHUWING
- Kinderen meenemen op schoot Houd nooit een kind op uw schoot of in uw armen in een rijdende auto. Zelfs een zeer krachtig persoon kan een kind niet vasthouden bij een lichte aanrijding.
Veel bedrijven maken veiligheidssystemen voor baby's en kleinere kinderen (kinderzitjes). Een geschikt kinderzitje moet altijd voldoen aan de veiligheidseisen van het land waarin u woont. Controleer of het kinderzitje dat u in uw auto gebruikt voorzien is van een label waarop staat dat het zitje aan die eisen voldoet.
Bij de keuze van een kinderzitje moet u letten op de grootte van het kind en de afmetingen van de zitplaats in de auto. Zorg ervoor dat u eventuele instructies die door de fabrikant bij het kinderzitje geleverd zijn, opvolgt bij het plaatsen.
Veiligheidsgordels en Grotere Kinderen
Naarmate kinderen groeien, kunnen grotere kinderzitjes of zitkussens nodig zijn die beter geschikt zijn voor hun lengte.
Kinderen die het kinderzitje ontgroeid zijn, moeten gebruik maken van de in de auto aanwezige veiligheidsgordels. Bij de buitenste zitplaatsen moeten zowel het heup- als het schoudergedeelte worden gebruikt.
Probeer het kind verder naar het midden plaats te laten nemen wanneer het schoudergedeelte over de hals of het gezicht van het kind loopt. Maak gebruik van een kinderzitje wanneer de schoudergordel hun gezicht of hals nog steeds raakt. Daarnaast zijn nog accessoires van verschillende merken verkrijgbaar, die ervoor zorgen dat de schoudergordel naar beneden wordt gedrukt, weg van gezicht en hals.
WAARSCHUWING
- Schoudergordels en Kleine Kinderen
- Laat een schoudergordel nooit het gezicht of de hals van een kind raken tijdens het rijden.
- Wanneer de veiligheidsgordels niet op de juiste manier gedragen worden en afgesteld zijn, is de kans op ernstig letsel voor zo'n kind hoog.
Veiligheidssysteem voor kinderen (Indien van toepassing)
Voor kleine kinderen en baby's wordt het gebruik van een kinderzitje sterk aanbevolen. Dit kinderzitje moet de juiste maat hebben voor het kind en dient volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant te worden geïnstalleerd. Verder wordt aanbevolen dat het zitje op de achterbank van het voertuig wordt geplaatst, aangezien dat een belangrijke bijdrage aan de veiligheid kan leveren.
Om de kans op letsel bij een ongeval, hard remmen of plotselinge manoeuvre te minimaliseren, kunnen kinderen het beste op de achterbank zitten en dienen ze altijd goed beschermd te zijn. Volgens ongevallenstatistieken zijn kinderen veiliger in een kinderzitje op de achterbank dan in een kinderzitje op de voorstoel. Grotere kinderen dienen een van de in de auto aanwezige veiligheidsgordels te gebruiken.
U bent volgens de wet verplicht veiligheidssystemen voor kinderen te gebruiken. Als er kleine kinderen meerijden in uw voertuig dient u gebruik te maken van een kinderzitje.
Zonder adequate bescherming kunnen kinderen ernstig letsel oplopen bij een ongeval. Kleine kinderen en baby's moeten in een kinderzitje geplaatst worden. Voordat u een bepaald kinderzitje koopt, moet u eerst controleren of het in uw auto past en of het de juiste maat heeft voor uw kind. Volg bij het plaatsen van het kinderzitje altijd de gebruiksaanwijzing van de fabrikant.

WAARSCHUWING
- Een kinderzitje dient op de achterbank geplaatst te worden. Installeer een kinderzitje nooit op de passagiersstoel. Mocht er zich een ongeval voordoen waarbij de passagiersairbag opgeblazen wordt, dan kan de airbag een kind in een kinderzitje ernstig letsel toebrengen. Gebruik daarom een kinderzitje alleen op de achterbank van uw voertuig.
- Aangezien een veiligheidsgordel of kinderzitje zeer warm kunnen worden als ze in een gesloten voertuig worden achtergelaten, dient u altijd de bekleding en gordelsluitingen te controleren voordat u uw kind in de auto zet.
- Doe het kinderzitje in de bagageruimte of maak het vast met een veiligheidsgordel als het niet gebruikt wordt, zodat het niet naar voren geworpen wordt bij hard remmen of een ongeval.
- Kinderen die te groot zijn voor een kinderzitje dienen op de achterbank plaats te nemen en gebruik te maken van de aanwezige driepuntsgordels. Laat kinderen nooit op de passagiersstoel meerijden.
- Let erop dat het schoudergedeelte van de gordel altijd over het midden van de schouder loopt, en nooit over de nek of achter de rug. Wanneer het schoudergedeelte niet goed aansluit, kan het helpen als uw kind iets meer richting het midden van de auto gaat zitten. Het heupgedeelte van de driepunts-gordel dient altijd zo nauwsluitend mogelijk en zo laag mogelijk op de heupen van het kind geplaatst te worden.
- Als de veiligheidsgordel niet goed past, raden wij u aan om een goedgekeurd zitkussen op de achterbank te plaatsen om zo de zithoogte van het kind te verhogen zodat de gordel wel past.
- Laat een kind nooit op de stoel staan of knielen.
- Gebruik nooit een kinderzitje dat over de rugleuning van een stoel "vasthaakt"; een dergelijk zitje biedt mogelijk geen adequate bescherming bij een ongeval.
- Laat nooit iemand een kind vasthouden in een rijdend voertuig. Dit kan bij een ongeval of hard remmen leiden tot ernstig letsel van het kind. Een kind vasthouden in een rijdend voertuig biedt het kind geen enkele bescherming tijdens een ongeval, zelfs al heeft degene die het kind vasthoudt een veiligheidsgordel om.
Installatie op de achterbank
* OPMERKING
- Lees voor u het kinderzitje installeert eerst de handleiding van de fabrikant.
- Als de veiligheidsgordel niet functioneert zoals beschreven staat, ga dan onmiddellijk naar uw officiële Kia-dealer om het systeem na te laten kijken.
WAARSCHUWING
- Installeer geen kinderzitje op de passagiersstoel. Mocht er zich een ongeval voordoen waarbij de passagiersairbag opgeblazen wordt, dan kan de airbag een kind in een kinderzitje ernstig letsel toebrengen. Gebruik daarom een kinderzitje alleen op de achterbank van uw voertuig.
- Als een kinderzitje niet goed bevestigd wordt, neemt de kans op ernstig letsel bij een ongeval aanzienlijk toe.

Installeren van een kinderzitje met behulp van een driepuntsgordel (op de buitenste zitplaats van de achterbank)
Volg voor het installeren van een kinderzitje op de buitenste zitplaats van de achterbank de volgende stappen:
- Plaats het kinderzitje op de gewenste positie.
- Trek de driepuntsgordel uit de blokkeerautomaat.

- Voer de driepuntsgordel door het kinderzitje volgens de instructies van de fabrikant.

- Maak de gordel vast en zorg ervoor dat de gordel overal goed aansluit. Controleer na het installeren of het kinderzitje goed vastzit door het in alle richtingen te bewegen.
Als de gordel strakker moet, beweeg dan meer band richting de blokkeerautomaat. Wanneer u de gordel losmaakt zodat die ingetrokken wordt, gaat de blokkeerautomaat automatisch terug naar de stand waarin hij normaal blokkeert in een noodsituatie.

Monteren van een kinderzitje met behulp van een systeem met bevestigingsbanden (indien van toepassing)
De haakhouders voor het kinderzitje bevinden zich op de achterkant van de rugleuning van de achterbank.

- Verwijder de bedekking van de bevestigingsbanden op de achterkant van de rugleuning van de achterbank.
- Voer de band van het kinderzitje over de rugleuning.
Voer bij voertuigen met verstelbare hoofdsteun de band onder de hoofdsteun en tussen de stijlen van de hoofdsteun door. Voer in andere gevallen de band over de bovenkant van de hoofdsteun.
- Plaats de haak van de band in de bijbehorende haakhouder van het kinderzitje en trek de band strak om het zitje vast te zetten.
Monteren van een kinderzitje met behulp van een ISOFIX-systeem en een systeem met bevestigingsbanden (indien van toepassing)
ISOFIX is een gestandaardiseerde methode voor het monteren van kinderzitjes die een einde maakt aan het vastmaken van kinderzitjes met de standaard veiligheidsgordel. Hierdoor is een veel veiligere en meer betrouwbare bevestiging mogelijk en verloopt bovendien het installeren een stuk eenvoudiger en sneller.
Een ISOFIX-zitje kan alleen worden geïnstalleerd als het voldoet aan de voertuigspecifieke ECE-R44-eisen. Voor uw Kia voldoen de "Kia ISOFIX GR1 / Kia Duo" en de "Römer Duo ISOFIX / Britax Duo ISOFIX" aan de ECE-R44-eisen. Deze zitjes zijn uitvoerig getest door Kia en worden aanbevolen voor uw Kia.
* OPMERKING
Momenteel voldoen alleen deze twee zitjes aan de eisen. Wanneer er andere fabrikanten met een zitje komen dat aan de eisen voldoet, zal Kia het zitje uitvoerig testen en aanbevelen (als het zitje aan de wettelijke voorschriften voldoet). Voor meer informatie hierover kunt u contact opnemen met uw Kia-dealer.

Aan elke zijde van de achterbank (2e rij), tussen het kussen en de rugleuning, bevinden zich twee ISOFIX-bevestigingspunten in combinatie met een bevestigingspunt voor de bovenste band op de achterkant van de rugleuning van de achterbank. Tijdens het installeren moet het zitje in de bevestigingspunten worden vastgeklikt (controleer of het zitje vastzit door eraan te trekken!) en worden vastgezet met de bovenste bevestigingsband op het bijbehorende punt op de achterkant van de rugleuning van de achterbank. Volg bij het installeren en gebruiken van een kinderzitje de installatiehandleiding die bij het ISOFIX-zitje wordt geleverd.
* OPMERKING
Een ISOFIX-kinderzitje kan alleen worden geïnstalleerd als het zitje voldoet aan de voertuigspecifieke ECE-R44-eisen. Wilt u een ISOFIX-kinderzitje gebruiken dat voor een andere auto is gekocht, vraag dan eerst bij uw Kia-dealer na of het type zitje goedgekeurd is en aanbevolen wordt voor uw Kia.

Vastzetten van het kinderzitje
- Om het kinderzitje vast te zetten in het ISOFIX-bevestigingspunt dient u de vergrendeling van het kinderzitje in het ISOFIX-bevestigingspunt vast te klikken. Controleer of er een klikkend geluid hoorbaar is.
- Plaats de haak van de band in de haakhouder van het kinderzitje en trek de band strak om het zitje vast te zetten. Zie "Monteren van een kinderzitje met behulp van een systeem met bevestigingsbanden" op bladzijde 3-34.
WAARSCHUWING
- Installeer geen kinderzitje in het midden van de achterbank met behulp van de ISOFIX-bevestigingen. De ISOFIX-bevestigingen zijn alleen bedoeld voor de buitenste zitplaatsen links en rechts op de achterbank. Misbruik de ISOFIX-bevestigingen niet door te proberen een kinderzitje in het midden van de achterbank te monteren. Bij een ongeval zijn de ISOFIX-bevestigingen voor een kinderzitje dan mogelijk niet sterk genoeg om het kinderzitje op zijn plaats te houden in het midden van de achterbank. De bevestigingen kunnen dan afbreken en ernstig letsel veroorzaken.
Monteer niet meer dan één kinderzitje aan een van de onderste bevestigingspunten. Het extra gewicht kan ertoe leiden dat de bevestigingspunten of -banden afbreken, wat ernstig letsel kan veroorzaken.
- Bevestig het ISOFIX-kinderzitje of het voor ISOFIX geschikte kinderzitje alleen aan de daarvoor bestemde bevestigingspunten, zoals aangegeven in de afbeelding.
- Volg altijd de instructies voor installatie en gebruik van de fabrikant van het kinderzitje.
Geschikte positie voor een kinderzitje
Gebruik kinderzitjes die officieel goedgekeurd zijn en die geschikt zijn voor uw kinderen. Zie de volgende tabel voor het gebruik van kinderzitjes.
• 5 stoelen
| Gewichtsgroep(leeftijd) | Zitpositie | ||
| VoorpaspAssagier | BuitensteAchter | MiddelsteAchter | |
| < 10 kg(0 to 9 maanden) | X | U | UF |
| < 13 kg(0 to 24 maanden) | X | U | UF |
| 9 to 18 kg(9 to 48 maanden) | X | U, L1 | UF |
| 15 - 36 kg(4 - 12 jaar) | X | UF | UF |
• 6 stoelen
| Gewichtsgroep(leeftijd) | Zitpositie | ||
| VoorpaspAssagier | 2e ZitrijBuitenste Zitpl | 3e ZitrijBuitenste Zitpl | |
| < 10 kg(0 to 9 maanden) | X | U | U |
| < 13 kg(0 to 24 maanden) | X | U | U |
| 9 to 18 kg(9 to 48 maanden) | X | U, L1 | U |
| 15 - 36 kg(4 - 12 jaar) | X | UF | UF |
U: Geschikt voor de categorie "universele" zitjes, goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
UF: Geschikt voor de categorie "universele" in de rijrichting geplaatste zitjes, goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
L1: Geschikt voor "Römer ISOFIX GR1", goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse (Goedkeuringsnr.: E1 R44-03301133)
X: Zitpositie niet geschikt voor kinderen in deze gewichtsklasse

Waarschuwingslampje en -zoemer veiligheidsgordel
Wanneer de driepuntsgordel van de bestuurder niet vastgemaakt is, zal de waarschuwingszoemer van de veiligheidsgordel ongeveer zes seconden klinken en het waarschuwingslampje ongeveer zes seconden gaan branden zodra het contact in stand ON wordt gezet.

Driepuntsgordel vóór
Vastmaken van de driepuntsgordel vóór:
- Pak de gordelsluiting en de gesp vast.
- Trek de gordel langzaam uit de blokkeerautomaat.

- Steek de gesp in de opening van de gordelsluiting totdat een klik hoorbaar is. De klik geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is.

- Leg het heupgedeelte ZO LAAG MOGELIJK OM DE HEUPEN om het risico dat u bij een aanrijding onder de gordel doorschiet zoveel mogelijk te beperken. Stel de gordel af door hem STRAK tegen het lichaam aan te trekken. De oprolautomaat neemt het teveel aan speling automatisch op en geeft de gordel de benodigde spanning. Houd, voor een optimale veiligheid, de veiligheidsgordel niet slapper dan noodzakelijk.

- Stel het bevestigingspunt af op uw lengte.
Omhoog: Druk het bevestigingspunt naar boven.
Omlaag: Druk de knop in en schuif het bevestigingspunt naar beneden. Controleer na het afstellen of het bevestigingspunt vergrendeld is.
WAARSCHUWING
- De rugleuningen van de voorstoelen moeten tijdens het rijden altijd zo comfortabel mogelijk rechtop worden gehouden. De veiligheidsgordels bieden de meeste bescherming wanneer de rugleuningen rechtop staan.
- Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel onder de arm of achter de rug langs.
- Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel om de hals of over het gezicht.
- Draag het heupgedeelte van de veiligheidsgordel zo laag mogelijk over de heupen. Zorg ervoor dat de heupgordel goed over de heupen past. Draag nooit de heupgordel rond uw middel.
- Draag nooit een gedraaide of bekneld zittende veiligheidsgordel. Ga onmiddellijk naar uw Kia-dealer of de dichtstbijzijnde gekwalificeerde garage wanneer u de veiligheidsgordel niet in orde kunt krijgen.
- Gebruik nooit één veiligheidsgordel voor meerdere personen. Wanneer deze waarschuwingen niet worden opgevolgd, zal het risico en de ernst van letsel bij een aanrijding toenemen.

De heup/schoudergordel losmaken:
Druk op de knop om uw veiligheidsriem te openen en laat de veiligheidsriem langzaam oprollen.

3e zitrij (indien van toepassing)
Plaats de gordel in de geleider als de driepuntsgordel achter niet wordt gebruikt, en om onnodig geluid te voorkomen.

Alleen de heupgordel (indien van toepassing)
De heupgordel vastmaken:
- Pak de sluiting vast en trek de gordel laag over de buik.

- Sluit de heupgordel zodat deze duidelijk hoorbaar vastklikt. Dit geeft aan dat de sluiting is vergrendeld. Let erop dat de gordel niet gedraaid zit.

- Pak het vrije gedeelte van de gordel en trek eraan totdat de gordel comfortabel maar strak over de heupen en de onderbuik zit. Als het nodig wordt de gordel langer of korter te maken, houdt u de sluiting in een rechte hoek ten opzichte van de gordel en trekt u aan het gedeelte van de gordel dat vóór of na de sluiting zit.

- Let erop dat u de gordel ZO LAAG MOGELIJK OVER DE HEUPEN draagt.

Druk op de knop om de heupgordel te openen.
Let erop dat de heupgordel strak maar comfortabel over de heupen wordt gedragen en niet over de middel. Als de heupgordel niet strak over de heupen wordt gedragen, vergroot dat de kans op en de ernst van letsel bij een ongeluk.
Juist gebruik en onderhoud van de veiligheidsgordels
Neem de volgende instructies in acht om ervoor te zorgen dat de veiligheidsgordels maximale bescherming bieden:
- Draag de gordels te allen tijde - ook tijdens korte ritten.
- Herstel een verdraaide veiligheidsgordel voor het gebruik.
- Houd scherpe randen en voorwerpen die beschadigingen kunnen veroorzaken uit de buurt van de gordels.
- Controleer de gordels, de bevestigingspunten, de gordelsluitingen en de overige onderdelen regelmatig op slijtage en beschadigingen. Vervang beschadigde, versleten of dubieuze onderdelen onmiddellijk.
- Reinig de gordels met een zachte zeepoplossing die speciaal geschikt is voor het reinigen van bekleding of tapijt. Volg de aanwijzingen op het etiket van het reinigingsmiddel.
- Bleek of verf de gordels nooit omdat dit de sterkte van de gordel tijdens een aanrijding negatief kan beïnvloeden.
- Breng geen aanpassingen of aanvullingen op de veiligheidsgordel aan.
- Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel na het afdoen volledig oprolt. Laat de gordel niet bekneld raken tussen het portier wanneer u deze sluit.
AIRBAG - AANVULLEND VEILIGHEIDSSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)
Wat het airbagsysteem doet
Uw auto is uitgerust met een aanvullend veiligheidssysteem (SRS), dat bestaat uit een airbag voor de bestuurder, indien van toepassing een airbag voor de voorpassagier en, indien van toepassing, zij-airbags. De airbag voor de bestuurder is opgenomen in het stuurwiel en is ontworpen om bij bepaalde frontale aanrijdingen het hoofd en de borst van de bestuurder op te vangen en te beschermen. De passagiersairbag is ontworpen om bij bepaalde frontale aanrijdingen het hoofd en de borst van de passagier op te vangen en te beschermen. De zij-airbags zijn bedoeld als een aanvulling op de bescherming die de veiligheidsgordels en de versterkingsbalken in de portieren bieden bij aanrijdingen van opzij.
Wat het airbagsysteem niet doet
Het airbagsysteem (voor bestuurder en passagier) is ontworpen als aanvullende bescherming bij lichte tot zware frontale aanrijdingen, voor inzittenden die hun veiligheidsgordels op de juiste manier dragen. Het zijairbagsysteem is ontworpen als aanvullende bescherming bij bepaalde aanrijdingen van opzij, voor inzittenden die hun veiligheidsgordels op de juiste manier dragen. Onthoud dat een airbag niet dient ter vervanging van de veiligheidsgordel voor de bestuurder of de passagier en geen bescherming biedt aan het onderlichaam.
Waarom werd de airbag bij een aanrijding niet opgeblazen?
Er zijn veel soorten ongevallen waarbij de airbag geen aanvullende bescherming biedt. Dit zijn aanrijdingen van opzij of van achteren, over de kop slaan van de auto, sommige kopstaartbotsingen en aanrijdingen bij lage snelheden. De zijairbag (indien van toepassing) kan aanvullende bescherming bieden bij bepaalde aanrijdingen van opzij.
Onthoud dat airbags alleen ontworpen zijn om opgeblazen te worden wanneer de inzittende door de aanrijding naar voren klapt - de airbags voor worden over het algemeen geactiveerd bij bepaalde frontale aanrijdingen onder een kleine hoek. Als uw auto alleen beschikt over airbags voor is het mogelijk dat deze niet opgeblazen worden bij aanrijdingen van opzij of wanneer de auto over de kop slaat. Zijairbags worden over het algemeen opgeblazen bij bepaalde aanrijdingen van opzij, onder een kleine hoek.
Met andere woorden, wees niet verrast wanneer de airbag(s) niet opgeblazen werd(en) hoewel uw auto beschadigd of zelfs total loss is.
De noodzaak van het gebruik van veiligheidsgordels
Er zijn vier belangrijke redenen om veiligheidsgordels te dragen in combinatie met het aanvullend veiligheidssysteem. Ze:
- Zorgen ervoor dat u in de juiste positie blijft (buiten het bereik van de airbag als deze opgeblazen wordt).
- Beperken de kans op letsel bij het over de kop slaan van de auto, bij aanrijdingen van achteren of van opzij. Dit omdat de airbag voor niet ontworpen is om in dergelijke situaties opgeblazen te worden en omdat zelfs zijairbags in bepaalde gevallen niet geactiveerd worden.
- Beperken de kans op letsel bij frontale aanrijdingen of aanrijdingen van opzij die niet ernstig genoeg zijn om het aanvullend veiligheidssysteem te activeren.
- Beperken het risico dat u uit uw auto geslingerd wordt.
WAARSCHUWING
- Airbags en Veiligheidsgordels
- Draag uw veiligheidsgordel altijd. Deze kan ervoor zorgen dat u tijdens hard afremmen net voor een aanrijding uit de buurt van de airbag blijft.
- De airbags in uw auto bieden de meeste bescherming wanneer de inzittenden zich op het moment van de aanrijding op de juiste afstand bevinden van de airbag. De veiligheidsgordel kan ervoor zorgen dat de inzittenden uit de buurt van de airbag blijft tijdens hard afremmen net voor een aanrijding.
- De airbags voor zijn ontworpen om alleen opgeblazen te worden bij zware frontale aanrijdingen. Ze zullen over het algemeen geen bescherming bieden bij aanrijdingen van achteren of van opzij, bij het over de kop slaan van de auto of bij lichte frontale aanrijdingen. Zelfs de zijairbags zijn ontworpen om alleen bij bepaalde aanrijdingen van opzij opgeblazen te worden. Zij bieden geen bescherming bij aanrijdingen die het gevolg zijn van een kettingbotsing.
- Wanneer er water in uw auto heeft gestaan (bijvoorbeeld natte vloerbedekking/laagje water op de vloer enz.) of wanneer uw auto op enige andere wijze waterschade opgelopen heeft, moet eerst de accukabel worden losgenomen voordat de motor gestart wordt of de sleutel in het contact wordt gestoken. Anders kan de airbag geactiveerd worden waardoor ernstig persoonlijk letsel op kan treden. Laat de auto naar een officiële Kia-dealer slepen om hem te laten controleren en indien nodig te laten repareren.
Onderdelen Airbagsysteem
De belangrijkste onderdelen van het aanvullend veiligheidssysteem zijn:
- Een airbag in het stuurwiel voor de bestuurder en een airbag in het dashboard voor de voorpassagier (indien van toepassing). De zijairbags (indien van toepassing) bevinden zich in de voorstoelen.
- Een diagnosesysteem dat de werking van het systeem voortdurend controleert.
- Een waarschuwingslampje om u op de hoogte te brengen van een mogelijk probleem in het systeem.
- Een backup-voeding voor het geval het elektrisch systeem van de auto bij een ongeval uitgeschakeld wordt.

Om aan te geven dat uw auto is voorzien van airbags, staat op de afdekkappen van de airbags "SRS AIRBAG" of "AIRBAG", zoals hierboven is aangegeven.
Werking van het Airbagsysteem
De airbags voor de bestuurder zijn opgenomen in de stuurwielnaaf en, indien van toepassing, in de kniesteun onder de stuurkolom. De passagiersairbag bevindt zich in het dashboard, boven het dashboardkastje.
Bij bepaalde frontale aanrijdingen worden de airbags direct opgeblazen om u te beschermen tegen ernstig lichamelijk letsel.
De airbags worden niet bij slechts één enkele rijsnelheid opgeblazen. Over het algemeen zijn airbags ontworpen om bij bepaalde frontale aanrijdingen opgeblazen te worden. Het aanvullend veiligheidssysteem (SRS) reageert op de kracht en de richting van de aanrijding. Deze twee factoren bepalen of de sensoren een elektronisch activeringssignaal uitzenden. Of de airbags al dan niet opgeblazen worden, is afhankelijk van een aantal factoren, zoals de rijsnelheid, de hoek van de aanrijding, de massa en de stijfheid van de bij de aanrijding betrokken auto's of objecten.
De airbags zijn ontworpen om onmiddellijk opgeblazen te worden bij een bepaalde frontale aanrijding, om de bestuurder en passagier te beschermen tegen ernstig lichamelijk letsel.
De airbags voor worden binnen 1/10 seconde volledig opgeblazen en lopen ook weer leeg. De snelheid van het opblazen en het leeglopen van de airbag zorgt ervoor dat de bestuurder de auto kan blijven besturen. Dit is belangrijk bij aanrijdingen waarbij de auto door blijft rijden en de bestuurder nog steeds moet kunnen sturen, remmen, gasgeven en/of schakelen.
Het is vrijwel onmogelijk om tijdens een ongeval waar te nemen dat de airbags opgeblazen worden. Het is aannemelijker dat u de leeggelopen airbags na de aanrijding uit het stuurwiel of het dashboard ziet hangen.
Om bij een zware aanrijding bescherming te bieden, moeten de airbags snel opgeblazen worden. Door de snelheid zetten de airbags echter ook met een aanzienlijke kracht uit. De snelheid waarmee de airbag wordt opgeblazen speelt een belangrijke rol in het voorkomen van ernstig letsel. Deze vormt dus een belangrijk punt tijdens het ontwerpen van een airbag. Het opblazen van een airbag kan dus ook letsel zoals schaafwonden, blauwe plekken en gebroken ledematen veroorzaken.

Er zijn omstandigheden waaronder het contact met de airbag in het stuurwiel tot ernstig letsel kan leiden, vooral wanneer de inzittende te dicht op het stuurwiel zit.
WAARSCHUWING
- Airbagletsel
- Ga zo ver mogelijk van het stuurwiel af zitten zonder dat de bedieningsorganen van de auto buiten bereik raken. Wanneer u te dicht op het stuurwiel zit, kan ernstig letsel optreden wanneer de airbag opgeblazen wordt.
- Plaats nooit voorwerpen op de airbag of tussen de airbag en uzelf. Dergelijke voorwerpen kunnen u door de kracht en de snelheid waarmee de airbag opgeblazen wordt ernstig verwonden.
- Plaats geen stickers of versieringen op het stuurwielkussen, op het dashboard en aan weerszijden van de hemelbekleding. Deze kunnen het activeren van de airbag hinderen.
Geluid en Rookontwikkeling
Bij het opblazen van de airbags is een hard geluid hoorbaar en komt er poeder vrij dat als rook zichtbaar wordt. Dit is normaal en wordt veroorzaakt doordat het ontstekingsmechanisme van de airbag geactiveerd wordt.
Nadat de airbags opgeblazen zijn, kunt u een poosje last hebben bij het ademhalen doordat uw borstkas in contact is geweest met zowel de veiligheidsgordel als de airbag en doordat u de rook hebt ingeademd.
WIJ ADVISEREN U MET KLEM ZO SNEL MOGELIJK NA EEN AANRIJDING DE PORTIEREN EN/OF DE RUITEN TE OPENEN WANNEER DIT MOGELIJK IS, OM TE VOORKOMEN DAT U TE LANG IN AANRAKING BLIJFT MET DE ROOK.
WAARSCHUWING
- Hete Metalen Onderdelen
De ontstekingsmechanismen in het stuurwiel en/of in het dashboard en/of aan weerszijden van de hemelbekleding zijn erg heet nadat de airbags opgeblazen zijn. Raak de onderdelen van het airbagsysteem niet aan direct nadat een airbag opgeblazen is, om letsel te voorkomen.

De Noodzaak van een Juiste Zitpositie voor de Passagier
De airbag voor de voorpassagier is veel groter en wordt met een aanzienlijk grotere kracht opgeblazen dan de airbag van de bestuurder. Deze kan een passagier die niet de goede zitpositie heeft en de veiligheidsgordel niet op de juiste manier draagt ernstig verwonden.
De voorpassagier moet de stoel altijd zo ver mogelijk naar achteren schuiven en helemaal achterin de stoel gaan zitten. Het is van groot belang dat de voorpassagier altijd zijn of haar veiligheidsgordel draagt, zelfs bij het rijden op een parkeerterrein of op de oprit naar een garage.
De reden hiervoor is dat de meeste frontale aanrijdingen worden voorafgegaan door zeer krachtig remmen waarbij de inzittenden naar voren worden geworpen. Wanneer de voorpassagier zijn of haar veiligheidsgordel niet draagt, kan hij of zij direct in contact komen met het afdekpaneel van de airbag. In dat geval kan ernstig letsel het gevolg zijn.
WAARSCHUWING
- Afremmen net voor een Aanrijding
Bij het afremmen net voor een aanrijding kan een passagier die zijn of haar gordel niet draagt tegen het afdekpaneel van de airbag vóór worden geworpen. Tijdens de aanrijding wordt de airbag vóór snel opgeblazen en kan daardoor de passagier zonder veiligheidsgordel ernstig verwonden.
WAARSCHUWING
- Voorpassagiers
- Gebruik nooit een kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar achteren gericht op de voorstoel zit. Het kan zijn dat het kinderzitje zich dan te dicht bij de airbag bevindt. Als de airbag wordt opgeblazen, oefent deze op een dergelijk geplaatst kinderzitje een grote kracht uit, waardoor het kind ernstig letsel kan oplopen.
- Wanneer u de aanwijzingen in dit instructieboekje en de instructies bij het kinderzitje niet opvolgt, kan de kans en de ernst van letsel bij een aanrijding toenemen.

Zijairbag (indien van toepassing)
Beide voorstoelen in uw auto zijn voorzien van een zijairbag. Het doel van de airbag is om de bestuurder en/of de voorpassagier een aanvullende bescherming te bieden naast de bescherming geboden door de veiligheidsgordel. De zijairbags zijn ontworpen om alleen tijdens bepaalde aanrijdingen van opzij geactiveerd te worden, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, de hoek, de snelheid en de plaats van impact. De airbags zijn niet bedoeld om bij alle aanrijdingen van opzij geactiveerd te worden.

WAARSCHUWING
• Voor de beste bescherming van de zijairbags en om letsel te voorkomen, dienen de bestuurder en de voorpassagier rechtop te zitten en de veiligheidsgordel op de juiste manier vast te maken. De bestuurder moet zijn handen in de tien voor twee stand op het stuurwiel plaatsen. De passagier moet zijn handen op de schoot houden. - Gebruik geen stoelhoezen.
- Het gebruik van stoelhoezen kan de werking van het systeem beïnvloeden.
- Plaats geen accessoires op of in de buurt van de zijairbag.
- Oefen geen overmatige krachten uit op de zijkant van de stoel.
- Plaats geen voorwerpen op de airbag of tussen de airbag en uzelf.
- Plaats geen voorwerpen (paraplu, tas enz.) tussen het voorportier en de voorstoel. Dergelijke voorwerpen kunnen gevaarlijke projectielen worden en letsel veroorzaken wanneer de zijairbag opgeblazen wordt.
- Sla niet op de zijairbagsensor wanneer het contact in stand ON staat. Hierdoor kan de airbag onverwacht geactiveerd worden, waardoor persoonlijk letsel kan ontstaan.
WAARSCHUWING
- De zijairbags zijn niet ontworpen om opgeblazen te worden bij frontale aanrijdingen, aanrijdingen van achteren en in de meeste situaties waarbij de auto over de kop slaat. • Probeer nooit de onderdelen van het zijairbagsysteem te openen of te repareren. Laat dit altijd over aan een officiële Kia-dealer.
- Laat nooit kinderen op de stoel van de voorpassagier zitten. Het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregelen kan ertoe leiden dat de inzittenden bij een aanrijding letsel oplopen.

Waarschuwingslampje AIRBAG
Het doel van het waarschuwingslampje AIRBAG in het dashboard is om u te waarschuwen voor een mogelijke storing in de airbag - het aanvullend veiligheidssysteem (SRS).
Laat het systeem controleren wanneer:
- Het lampje gaat niet kort knipperen als het contact in stand ON wordt gezet.
- Het lampje blijft branden nadat de motor aanslaat.
- Het lampje gaat branden of knipperen tijdens het rijden.
Onderhoud van het Aanvullend Veiligheidssysteem
Uw aanvullend veiligheidssysteem is nagenoeg onderhoudsvrij. Het bevat geen onderdelen waaraan u onderhoud kunt uitvoeren.
Laat het systeem onder de volgende omstandigheden nakijken:
- Vervang een airbag wanneer deze opgeblazen is geweest. Probeer nooit zelf de airbag te verwijderen. Laat dit over aan een officiële Kia-dealer of een gekwalificeerde monteur.
- Laat het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren als het waarschuwingslampje AIRBAG een storing aangeeft. Anders wordt uw airbag mogelijk niet opgeblazen wanneer dit wel noodzakelijk is.
Het aanvullend veiligheidssysteem is nagenoeg onderhoudsvrij en bevat geen onderdelen waaraan u zelf veilig onderhoud kunt plegen. Het hele aanvullend veiligheidssysteem moet 10 jaar nadat de auto de fabriek verlaten heeft, gecontroleerd worden door een officiële Kia-dealer.
Alle werkzaamheden aan het aanvullend veiligheidssysteem, zoals het verwijderen, het plaatsen of het repareren ervan, of werkzaamheden aan het stuurwiel moeten uitgevoerd worden door een gekwalificeerde Kia-monteur. Een onjuiste behandeling van het airbagsysteem kan leiden tot ernstig persoonlijk letsel.
WAARSCHUWING
- Aanpassingen Aanvullend Veiligheidssysteem
- Breng geen wijzigingen aan in het stuurwiel of in andere onderdelen van het airbagsysteem. Door aanpassingen kan het systeem niet meer correct werken.
- Voer geen werkzaamheden uit aan onderdelen of aan de bedrading van het systeem. Hierdoor kunnen de airbags per ongeluk opgeblazen worden, waardoor ernstig letsel kan ontstaan. Door werkzaamheden aan het systeem kan het ook uitgeschakeld worden waardoor de airbags bij een aanrijding niet opgeblazen worden.

Deze waarschuwingen hebben met name betrekking op het risico voor kinderen. Kia wil hierbij ook graag wijzen op de risico's voor volwassenen. Deze risico's zijn beschreven op de voorafgaande bladzijden.
Airbagwaarschuwingslabel
De zonnekleppen aan bestuurders- en passagierszijde zijn voorzien van airbagwaarschuwingslabels om u te attenderen op de aanwezigheid van airbags.
ACHTERKLEP

Openen van de Achterklep
Openen van de achterklep van buitenaf:
- Steek de portiersleutel in de slotcilinder en draai hem in de stand ONTGRENDELEN. U kunt het slot ook ontgrendelen (maar niet losmaken) met behulp van het afstandsbedieningssysteem.
- Trek aan de hendel van de achterklep onder de kentekenplaatverlichting om het slot los te maken.

- Trek de achterklep naar achteren en omhoog om deze te openen.
Overtuig u ervan dat de achterklep gesloten is, voordat u met de auto gaat rijden. Er kan schade ontstaan aan de gasveren van de achterklep en de bevestigingsmaterialen, als u de achterklep niet stuit voordat u gaat rijden.
VOORZICHTIG
Het achterportier zwaait open naar boven. Let erop dat er niets in de weg staat en er geen personen achter de auto staan wanneer u het achterportier opent.
WAARSCHUWING
- Achterportier
- Controleer of het achterportier wel helemaal gesloten is wanneer u in de auto wegrijdt. Als het achterportier open staat, kunnen uitlaatgassen het interieur van de auto binnendringen.
- Er mogen nooit personen in de kofferruimte van de auto meerijden. Om te voorkomen dat zij letsel oplopen bij een ongeluk of bij een noodstop, moeten inzittenden van de auto altijd de veiligheidsriemen op juiste wijze dragen.
MOTORKAP

Openen van de motorkap:
- Trek aan de ontgrendelknop links onder het dashboard om de motorkap te ontgrendelen.

- Trek de veiligheidshaak omhoog en open de motorkap.

- Ondersteun de motorkap met de daartoe bestemde stang.
VOORZICHTIG
Pak de steun altijd vast bij het deel dat omwikkeld is met rubber. Het rubber voorkomt dat u zich brandt aan het hete metaal als de motor warm is.
KENNISMAKING MET UW AUTO
Sluiten van de motorkap:
Controleer de motorruimte om u ervan te overtuigen dat alle vuldoppen geplaatst zijn en dat alle losse voorwerpen verwijderd zijn.
Sluiten: Laat de motorkap zakken en druk deze stevig in het slot.
VOORZICHTIG
Controleer, voordat u de motorkap sluit, of alle losse onderdelen en gereedschappen uit de motorruimte verwijderd zijn en er geen personen in de buurt van de motorkap staan.
TANKDOPKLEP

Tankdopklep
- Open het tankdopklepje door de ontgrendelknop naast de bestuurder omhoog te trekken.

- Draai de dop linksom om deze te verwijderen.
- Vul de tank met brandstof.
- Plaats de dop op de vulpijp en draai de dop rechtsom totdat hij klikt. Dat geeft aan dat de dop goed vastzit.
Druk voorzichtig op de tankdopklep of tik er zachtjes op als deze vastgevroren zit.
Voor sommige bestemmingen is de vulpijp zodanig ontworpen dat de brandstoftank alleen met loodvrije benzine gevuld kan worden.
* OPMERKING
- Hebt u een nieuwe brandstofvuldop nodig, vervang de dop dan steeds door een originele dop van Kia. Een vuldop die niet goed past kan de werking van het brandstof- en het uitlaatsysteem ernstig storen. De passende doppen zijn te verkrijgen bij uw Kia-dealer.
- Mors geen brandstof op de buitenkant van uw auto. Alle soorten brandstof kunnen de laklaag van de auto aantasten.
WAARSCHUWING
- Brandstof Tanken
- Brandstof kan onder druk staan. Verwijder de tankdop altijd voorzichtig en langzaam. Als er brandstof naar buiten komt of er een sissend geluid hoorbaar wordt, moet u even wachten voordat u de dop verder losdraait. Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd, kan de brandstof naar buiten komen en ernstig persoonlijk letsel veroorzaken.
Brandstofdampen kunnen uiterst gevaarlijk zijn en kunnen exploderen. Zet tijdens het tanken de motor uit en houd vonken en open vuur uit de buurt van de vulpijp. Zorg ervoor dat sigaretten te allen tijde gedoofd zijn voordat u gaat tanken.
SPIEGELS
Buitenspiegels
Zorg ervoor dat u de spiegelhoek instelt vóór u vertrekt.
Uw auto is uitgerust met zowel een linker als een rechter buitenspiegel. De spiegels kunnen van binnenuit met een hendel versteld worden of elektrisch met behulp van een schakelaar, afhankelijk van het gebruikte type. De spiegels kunnen worden ingeklapt om beschadigingen in een automatische wasstraat of bij het rijden door een smalle straat te voorkomen.
* OPMERKING
Gebruik geen krabber om de spiegel ijsvrij te maken; hierdoor kan het spiegelglas beschadigd raken. Forceer een bevroren spiegel niet tijdens het verstellen. Verwijder ijs met een ruitontdooier of met een spons of zachte doek en heet water.
Z. VOORZICHTIG
- De buitenspiegels zijn convex. Objecten in de spiegel zijn daardoor dichterbij dan ze lijken.
- Gebruik bij het veranderen van rijstrook daarom uw binnenspiegel of kijk opzij om de werkelijke afstand tot het achteropkomende verkeer vast te stellen.

Verstel de buitenspiegel door de hendel aan de binnenzijde te bewegen.

Met behulp van de schakelaar op het bestuurdersportier kunt u de linker en rechter buitenspiegel elektrisch verstellen. Zet de keuzeschakelaar in de stand R of L, afhankelijk van de spiegel die u wilt verstellen. Druk vervolgens op het desbetreffende deel van de bedieningsschakelaar om de spiegel naar boven of naar beneden, naar links of rechts te verstellen.
* OPMERKING
De spiegels stoppen hun beweging als de maximale stelhoek bereikt is. De stelmotor blijft echter draaien zolang de schakelaar ingedrukt blijft. Houd de schakelaar niet langer ingedrukt dan nodig om te voorkomen dat de stelmotor beschadigd wordt.

De buitenspiegel inklappen
Met handbediening
U kunt de buitenspiegel inklappen door het huis van de spiegel vast te pakken en in te klappen.

U kunt de buitenspiegel inklappen door op de schakelaar te drukken. U kunt de buitenspiegel weer uitklappen door nogmaals op de schakelaar te drukken.
* OPMERKING
Klap een elektrisch bedienbare buitenspiegel niet in met de hand. Dit kan storing van de elektromotor veroorzaken.
Spiegelverwarming (indien van toepassing)
De spiegelverwarming wordt tegelijk met de achterruitverwarming ingeschakeld. Druk de schakelaar van de achterruitverwarming in om de buitenspiegels te verwarmen.
Het spiegelglas zal opgewarmd worden zodat ijs en wasem verdwijnt en u een beter zicht naar achter heeft. Druk nogmaals op de schakelaar om de verwarming uit te schakelen.
De spiegelverwarming schakelt zichzelf na 20 minuten automatisch uit. (Zie ACHTERRUITVERWARMING)

Binnenspiegel met Dag/Nachtstand (indien van toepassing)
Stel de binnenspiegel zo af dat u in het midden van de spiegel het midden van de achterruit ziet. Stel de spiegel af voordat u wegrijdt en deze in de dagstand staat.
Trek de hendel onder aan de spiegel naar u toe om de spiegel in de nachtstand te zetten om verblinding door de koplampen van achteropkomend verkeer te voorkomen.
Houd er rekening mee dat het beeld in de spiegel in de nachtstand minder duidelijk is dan in de dagstand.
Z VOORZICHTIG
Laat geen voorwerpen die zich op de zitplaatsen achterin de auto of in de kofferruimte bevinden, uw zicht door de achterruit belemmeren.

De elektrische dag/nacht binnenspiegel reageert automatisch op het lichtschijnsel van de koplampen van achter u rijdende auto's. Zet de bedieningsschakelaar in de gewenste stand.
De lampjes worden AAN en UIT geschakeld door de desbetreffende schakelaar in te drukken.

Interieurverlichting
De interieurverlichting bevat drie knoppen:
OFF - De verlichting blijft uit, zelfs als een portier wordt geopend.
DOOR (Indien van toepassing)
- De verlichting gaat aan als een portier wordt geopend.
ON - De verlichting is aan, ook als alle portieren gesloten zijn.
BEKERHOUDER
Bekerhouder voor
Type A
De bekerhouder in de middenconsole biedt ruimte voor bekers.
Type B (Indien van toepassing)
Druk de drinkbekerhouder in, laat hem dan los om de drinkbekerhouder langzaam van het instrumentenpaneel naar buiten te laten komen.
Om de drinkbekerhouder in de opbergstand te brengen, druk hem geheel in het instrumentenpaneel. De drinkbekerhoudervergrendeling zal "klikken" wanneer hij in de vergrendelstand is.

Bekerhouder achter
WAARSCHUWING
- Plaats geen bekers met hete vloeistof in de houder tijdens het rijden. Als u de vloeistof morst, kunt u zich branden en de controle over het voertuig verliezen.
- Plaats tijdens het rijden geen flessen, glazen, blikjes enz. in de bekerhouder om het risico op persoonlijk letsel te beperken wanneer u plotseling remt of een aanrijding krijgt.
OPBERGVAK
* OPMERKING
Bewaar geen cassettebandjes, bankpasjes enz. in het vak. Deze kunnen door de warmte beschadigd raken.

Centraal Opbergvak
Ontgrendel de greep om het opbergvak te openen.

Opbergvak onder (Indien van toepassing)
Het opbergvak onder bevindt zich onder de stoel van de voorpassagier. Trek het opbergvak naar voren om het te openen.

Trek de greep naar buiten om het dashboardkastje te openen.
VOORZICHTIG
Houd het dashboardkastje tijdens het rijden altijd gesloten om de kans op letsel in geval van een aanrijding of bij plotseling remmen te verminderen.
* OPMERKING
Laat geen waardevolle spullen achter in het dashboardkastje, om diefstal te voorkomen.
OPBERGVAK VOOR ZONNEBRIL

In de dakconsole bevindt zich een opbergvak vóór een zonnebril. Druk op het afdekkapje om het opbergvak langzaam te openen. Plaats uw zonnebril met de glazen naar boven gericht in het opbergvak.
* OPMERKING
Zorg ervoor dat de zonnebrilhouder tijdens het rijden gesloten is.
SCHUIF-/KANTELDAK (INDIEN VAN TOEPASSING)
Indien uw auto is uitgerust met deze optie, kunt u het schuif-/kanteldak met behulp van de schakelaars in de dakconsole openschuiven of kantelen.

Open-/dichtschuiven van het schuif-/kanteldak
Het schuif-/kanteldak kan geopend of gesloten worden wanneer het contact in stand ON staat.
Druk op de zijde "Open (☐)" van de schakelaar SCHUIVEN om het schuif-/kanteldak open te schuiven. Het schuif-/kanteldak zal volledig openschuiven. Druk op één van de schakelaars om het openschuiven van het schuif-/kanteldak in een willekeurige stand te onderbreken.
Houd de zijde "Close (☐)" van de schakelaar SCHUIVEN ingedrukt totdat het dak volledig gesloten is.

Kantelen van het schuif-/kanteldak
Druk kort op de zijde "Up" (☐) van de schakelaar TILT om het schuif-/kanteldak open te kantelen. Het schuif-/kanteldak zal volledig omhoog kantelen. Druk op één van de schakelaars van het schuif-/kanteldak om het kantelen in een willekeurige stand te onderbreken. Houd de zijde "Down" (☐) van de schakelaar TILT ingedrukt totdat het dak volledig gesloten is.
* OPMERKING
Het schuif-/kanteldak kan niet opengeschoven worden wanneer het gekanteld is en niet gekanteld worden als het geopend is.

Het zonnescherm wordt automatisch met het glaspaneel geopend wanneer dit openschuift. U moet het echter handmatig sluiten.
* OPMERKING
- Houd de schakelaar van het schuif-/kanteldak niet langer ingedrukt dan nodig. Hierdoor kan de motor van het schuif-/kanteldak beschadigd raken.
- Verwijder van tijd tot tijd het vuil dat zich verzameld heeft op de geleiderail.
- Wanneer u het schuif-/kanteldak probeert te openen bij temperaturen onder het vriespunt, of als het dak bedekt is met sneeuw of ijs, kan het glaspaneel of de motor beschadigd raken.
Wat te Doen in Noodgevallen
Als het schuif-/kanteldak niet elektrisch bediend kan worden:
- Open het opbergvak voor de zonnebril.
- Verwijder het kapje met een platte schroevendraaier.
- Plaats de noodsleutel (meegeleverd bij de auto) en draai deze rechtsom om het dak te openen of linksom om het dak te sluiten.

Terugstellen van het Schuif-/Kanteldak
U moet het schuif-/kanteldak als volgt terugstellen wanneer de accu losgenomen is of wanneer het schuif-/kanteldak handmatig met de noodsleutel bediend wordt:
- Zet het contact in stand ON.
- Druk op zijde "Up" ( ) van de schakelaar TILT.
- Houd zijde "Up" (☐) van de schakelaar TILT meer dan 10 seconden ingedrukt. Het schuif-/kanteldak zal gereset worden nadat de volgende acties eenmaal zijn uitgevoerd.
KANTELT omlaag → SCHUIFT open → SCHUIFT dicht
DRAAGREK OP HET DAK
(INDIEN VAN TOEPASSING)
Als uw auto is voorzien van een dakdragersysteem, kunt u bagage op het dak vervoeren.
VOORZICHTIG
- Plaats de dwarsdragers in de juiste positie voordat u lading op het dakdragersysteem vervoert.
- In het geval van een schuif-/kanteldak: plaats de lading zodanig op het dakdragersysteem dat de werking van het schuif-/kanteldak niet wordt gehinderd.
- Maximaal gewicht van lading of bagage.
| ROOF RACK | 75 kg (165 lb)GELIJKMATIG VERDEELD |
- Er kan schade aan uw auto ontstaan als u meer dan 75 kg (165 lb) lading of bagage op het dakdragersysteem vervoert. Laat grote objecten nooit aan de achterzijde of aan de zijkant buiten de auto uitsteken.
- Om beschadigingen of verlies van lading te voorkomen, dient u regelmatig te controleren of het dakdragersysteem en de lading nog goed vastzitten. Pas altijd uw snelheid aan.
- De wegligging van uw auto kan worden beïnvloed als u meer lading of bagage dan voorgeschreven op het dakdragersysteem vervoert.
OVERIGE VOORZIENINGEN

Aansteker
Voor gebruik de aansteker indrukken en loslaten. Als het element voldoende is verhit, komt de aansteker automatisch naar buiten en is hij gereed voor gebruik.
Als de motor niet draait, moet het contact in stand ACC staan om de aansteker te kunnen gebruiken.
OPMERKING
- Houd de aansteker niet ingedrukt wanneer deze op temperatuur is, omdat dit leidt tot oververhitting.
- Gebruik alleen een originele Kia-aansteker of een equivalent daarvan in de aansluiting vóór de sigarettenaansteker. Door het gebruik van accessoires in de sigarettenaansteker (scheerapparaten, handstofzuigers en koffiezetapparaten, bijvoorbeeld) kan de sigarettenaansteker beschadigen of kan er storing in het elektrisch systeem ontstaan.
• Als de sigarettenaansteker niet binnen 30 seconden naar buiten springt, neem deze dan uit om oververhitting te voorkomen.

Type A (indien van toepassing)
Druk op het front van de asbak, waarna de asbak naar buiten schuift.
Verwijderen: Druk de metalen lip naar beneden en til de asbak iets omhoog en vervolgens compleet naar buiten om hem te kunnen legen of schoonmaken.

Type B (indien van toepassing)
WAARSCHUWING
- Gebruik asbak
- Gebruik de asbakken in de auto niet voor afval.
- Er kan brand ontstaan wanneer brandende sigaretten of lucifers in een asbak met brandbare materialen worden gestopt.

Open de asbak achter door de bovenzijde naar buiten te trekken.
Verwijderen: Druk de metalen lip naar beneden en til de asbak iets omhoog en vervolgens compleet naar buiten om hem te kunnen legen of schoonmaken.

Zonnekleppen
Trek de zonneklep omlaag om deze te kunnen gebruiken.
Trek de zonneklep omlaag, neem hem uit de steun en draai hem naar de zijruit om bescherming te verkrijgen tegen zon van opzij.
12V-aansluiting
Deze aansluitingen zijn ontworpen om mobiele telefoons en andere apparaten die in de auto gebruikt kunnen worden, op te laden. Deze apparaten mogen niet meer dan 10 A afnemen als de motor draait.

Z. VOORZICHTIG
- Alleen gebruiken wanneer de motor draait.
- Alleen voor het aansluiten van elektrische apparatuur die werkt op 12 V en een stroomverbruik heeft van maximaal 10 A.
- Schakel de airconditioning of de verwarming in de laagste stand als de 12V-aansluiting tegelijkertijd wordt gebruikt.
- Plaats het afdekkapje wanneer de aansluiting niet gebruikt wordt.

Wanneer het contact in stand ACC of ON staat, werken de knoppen van de klok als volgt:
• UREN:
Druk knop "H" in met uw vinger, een potlood of een scherp voorwerp om de urenaanduiding met één uur te wijzigen.
• MINUTEN:
Druk knop "M" in met uw vinger, een potlood of een scherp voorwerp om de minutenanduiding met één minuut te wijzigen.
- RESETTEN:
Druk knop "S" in met uw vinger, een potlood of een scherp voorwerp om de minuten op nul te stellen. De klok zal nu op het hele uur gelijkgezet zijn.
Als de knop "S" bijvoorbeeld wordt ingedrukt bij een tijd tussen 9:01 en 9:29, zal het display 9:00 aangeven.
9:01 \~ 9:29 => 9:00
9:30 \~ 9:59 => 10:00
ANTENNE

Uw auto is uitgerust met een handbediende roestvrijstalen antenne waarmee zowel AM- als FM-zenders kunnen worden ontvangen. Trek de antenne met uw vingers omhoog zoals aangegeven in de afbeelding.
* OPMERKING
- Zorg ervoor dat de antenne volledig ingeschoven is voordat u een automatische wasstraat of een lage ruimte binnenrijdt.
AFSCHEIDINGSNET (INDIEN VAN TOEPASSING)

Uw auto is uitgerust met een afscheidingsnet.
Plaats het afscheidingsnet achter de voorstoelen of achter de achterbank wanneer u lading vervoert op de achterbank respectievelijk in de bagageruimte.
Het is ontworpen om bij plotseling remmen of bij aanrijdingen de hoofden van de inzittenden te beschermen tegen schuivende lading.
Voor de bevestiging aan de bovenzijde zitten er vier beugels in de hemelbekleding boven de hoofdsteunen en voor de bevestiging aan de onderzijde vier beugels op de vloer achter de voorstoelen en achter de achterbank.

Plaatsen van het afscheidingsnet
- Druk de afdekkapjes van de bovenste beugels aan weerszijden van de hemelbekleding naar achteren open.

- Steek de bovenste stang van het net in het grootste gat en borg de stang door deze in het kleinste gat te schuiven.

- Druk de afdekkapjes van de beugels naar voren toe dicht.

- Haak de banden in de beugels op de vloer achter de voorstoelen of de achterbank.

- Trek de banden naar onderen strak.
WAARSCHUWING
- Zorg ervoor dat het afscheidingsnet goed is gespannen door bij het plaatsen van het net de riem goed aan te trekken. Controleer voor het aantrekken van de riem of de haak goed in de bovenste beugel is geplaatst.
- Controleer of de afdekplaatjes van de bovenste beugels zijn gesloten als het afscheidingsnet is geplaatst.
- Controleer of de rugleuningen goed zijn vergrendeld.
WAARSCHUWING
- Laat niemand op de achterbank of in de bagageruimte achter het afscheidingsnet zitten. • Laad de bagage niet hoger dan het afscheidingsnet.
- Laad ook als het afscheidingsnet is geplaatst zware bagage niet hoger dan de rugleuning, zodat deze voor de inzittenden geen gevaar kan opleveren.
- Plaats geen bagage achter het afscheidingsnet als deze scherper randen heeft die door het net heen kunnen steken.
- Oefen geen extreme kracht uit op het afscheidingsnet door eraan te gaan hangen of door er zware bagage aan op te hangen, enz.

Verwijderen van het Afscheidingsnet
- Maak de banden los door de gespen omhoog te trekken en de haken los te maken uit de beugels.
- Druk de afdekkapjes van de bovenste beugels naar achteren open en verwijder de bovenste stang van het net uit het grootste gat.
- Verwijder het afscheidingsnet en druk de afdekkapjes van de beugels naar voren toe dicht.
ROLHOES
(INDIEN VAN TOEPASSING)
Gebruik de rolhoes om te voorkomen dat de bagage in de bagageruimte van buitenaf zichtbaar is.

Trek om de rolhoes te gebruiken de handgreep naar achteren en plaats de uiteinden in de uitsparingen van de geleiders.
WAARSCHUWING
- Plaats niets op de rolhoes. Voorwerpen kunnen bij een ongeval of remmen door de auto geslingerd worden en inzittenden verwonden.
- Leg om beschadiging of vervorming te voorkomen geen bagage op de rolhoes.
- Vervoer om brandstof te besparen geen onnodig gewicht in de auto.
- Laat tijdens het rijden niemand in de bagageruimte zitten. Deze is alleen bedoeld voor bagage.
- Plaats bagage voor een goede balans zo ver mogelijk naar voren.
MIDDELSTE OPBERGVAK BAGAGERUIMTE (INDIEN VAN TOEPASSING)

Het middelste opbergvak bagageruimte bevindt zich onder de vloer in de bagageruimte. Hierin kunt u o.a. een verbandtrommel, een gevarendriehoek en gereedschap plaatsen.

- Pak de handgreep aan de bovenzijde van het deksel vast en zet het deksel open.
- Bevestig de haak aan de bovenste rand van het dak.
Bevestig om het deksel te sluiten de haak aan de onderzijde van het deksel.
BESTURING VAN UW AUTO
Contactslot 4-2
Starten van de Benzinemotor 4-4
Starten van de Dieselmotor 4-7
Handgeschakelde Transmissie 4-9
Automatische Transmissie 4-11
Remsysteem 4-18
Stuurwiel 4-24
Waarschuwingstekens en indicatoren 4-35
Parkeerhulpsysteem 4-41
Lichten 4-42
Ruitenwissers en Ruitensproeiers 4-46
Ontwaseming 4-50
Knipperlichten 4-51
Handbediend Verwarmings- en Ventilatiesysteem 4-52
Automatisch Verwarmings- en Ventilatiesysteem ..... 4-59
Voorruit Ontdooien en Ontwasemen (Handmatig) ..... 4-68
De contactslotverlichting gaat branden wanneer één van de portieren wordt geopend en het contact niet in stand ON staat. Het lampje gaat uit na ongeveer 10 seconden of als het contact in stand ON gezet wordt.
Contactslot en Anti-diefstalstuurslot
Standen contactslot
LOCK
Het stuurwiel is vergrendeld ter voorkoming van diefstal. De contactsleutel kan alleen in de stand LOCK uit het contactslot verwijderd worden. Om de contactsleutel in de LOCK-stand te zetten drukt u de sleutel in de ACC-stand in en draait hem vervolgens naar LOCK.
ACC (Accessory)
Het stuurwiel is ontgrendeld en de elektrische systemen werken.
ON
De waarschuwingslampjes kunnen gecontroleerd worden voordat de motor gestart wordt. Dit is de normale stand nadat de motor gestart werd.
Laat het contactslot niet in de ON-stand staan als de motor niet draait. Hierdoor loopt de accu leeg.
START
Draai de contactsleutel naar de START-stand om de motor te starten. De motor wordt gestart tot u de sleutel loslaat. De sleutel keert dan automatisch naar de ON-stand terug. In deze stand kunnen de stoplichten getest worden.
Als u de contactsleutel maar moeizaam naar de START-positie kunt draaien, draai dan het stuur even heen en weer om de spanning te verminderen en probeer het opnieuw.
WAARSCHUWING
- Contactsleutel
- Draai de contactsleutel nooit naar LOCK of ACC terwijl de auto nog rijdt. In deze standen kunt u niet meer sturen of remmen en kunt u een ongeluk veroorzaken.
- Het anti-diefstalstuurslot is geen alternatief voor de handrem. Zet de versnellingspook voor u de bestuurdersstoel verlaat steeds in de 1ste versnelling bij een handgeschakelde versnellingsbak of op P (Parkeren) bij een automatische versnellingsbak; trek de handrem helemaal aan EN schakel de motor uit. Als u deze voorzorgsmaatregelen niet neemt, kan de auto plotseling onvoorzien in beweging komen.
- Bedien het contactslot of de andere bedieningselementen nooit met de hand door het stuurwiel terwijl u rijdt. Door de aanwezigheid van uw hand of arm op deze plaats zou u de controle over uw auto kunnen verliezen en een ernstig ongeluk kunnen veroorzaken.
- Plaats geen voorwerpen onder de bestuurdersstoel. Deze kunnen verschuiven waardoor ongelukken kunnen ontstaan.
STARTEN VAN DE BENZINEMOTOR
- Controleer of de parkeerrem is aangetrokken.
- Handgeschakelde transmissie - Trap het koppelingspedaal volledig in en zet de versnellingspook in de vrijstand. Houd het koppelingspedaal ingetrapt tijdens het starten van de motor.
Automatische transmissie - Zet de selectiehendel in stand P. Trap het rempedaal volledig in. De motor kan ook gestart worden wanneer de selectiehendel in stand N staat.
- Draai de contactsleutel in stand START en houd de sleutel in deze stand totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden). Laat de sleutel vervolgens los.
- Laat bij extreme kou (lager dan -18°C / 0°F) of wanneer de auto een aantal dagen niet is gebruikt, de motor warmdraaien zonder het gaspedaal in te trappen.
Of de motor nu warm is of koud, hij dient gestart te worden zonder het gaspedaal in te trappen.
VOORZICHTIG
Probeer de selectiehendel niet in stand P te zetten wanneer de motor tijdens het rijden afslaat. Als het veilig is met het oog op het overige verkeer, kunt u de selectiehendel tijdens het rijden in stand N zetten en kunt u de motor opnieuw proberen te starten door het contact in stand START te zetten.
Als de Motor niet Aanslaat Wanneer deze Koud is:
De motor slaat niet aan wanneer de koelvloeistoftemperatuur lager is dan 0°C. De motor wil niet aanslaan omdat hij waarschijnlijk "verzopen" is (te veel brandstof in de cilinders). Volg in dat geval de onderstaande startprocedure.
- Controleer of de parkeerrem is aangetrokken.
- Handgeschakelde transmissie - Trap het koppelingspedaal volledig in en zet de versnellingspook in de vrijstand.
Automatische transmissie - Zet de selectiehendel in stand P of N. Trap het rempedaal volledig in.
- Draai de contactsleutel in stand START terwijl het gaspedaal volledig ingetrapt is en houd de sleutel (maximaal 10 seconden) in deze stand om de overmaat aan brandstof af te voeren.
Wanneer de motor aanslaat, zal het motortoerental plotseling toenemen; laat de contactsleutel en het gaspedaal in dat geval onmiddellijk los.
- Laat het gaspedaal los nadat de motor gestart wordt en deze nog niet aangeslagen is. Start de motor totdat deze aanslaat (maximaal 10 seconden) zonder het gaspedaal in te trappen.
Als de Motor niet Aanslaat Wanneer deze Warm is:
Als de motor in warme toestand ondanks herhaalde pogingen niet aanslaat, kunt u het volgende proberen.
- Controleer of de parkeerrem is aangetrokken.
- Handgeschakelde transmissie - Trap het koppelingspedaal volledig in en zet de versnellingspook in de vrijstand.
Automatische transmissie - Zet de selectiehendel in stand P of N. Trap het rempedaal volledig in.
- Draai de contactsleutel in stand START en houd de sleutel in deze stand (maximaal 10 seconden) terwijl u het gaspedaal half intrapt.
- Laat de motor ongeveer 10 seconden stationair draaien voordat u wegrijdt.
Overmatig motorlawaai kan optreden wanneer de motor langere tijd niet gebruikt is. Het geluid stopt zodra de motor zijn normale bedrijfstemperatuur heeft bereikt. Laat de auto door een erkende Kia-dealer controleren wanneer het geluid niet ophoudt.
* OPMERKING
Laat de startmotor niet langer dan 10 seconden achter elkaar draaien. Wacht als de motor afslaat of niet aanslaat 5 tot 10 seconden alvorens de startmotor opnieuw in te schakelen. Als de startmotor niet correct bediend wordt, kan deze beschadigd raken.
STARTEN VAN DE DIESELMOTOR
Om de dieselmotor te starten bij koude motor moet deze voorgegloeid worden voordat de motor gestart wordt en vervolgens opgewarmd worden voordat u ermee wegrijdt.
- Controleer of de parkeerrem is aangetrokken.
- Handgeschakelde transmissie - Trap het koppelingspedaal volledig in en zet de versnellingspook in de vrijstand. Houd het koppelingspedaal ingetrapt tijdens het starten van de motor.
Automatische transmissie - Zet de selectiehendel in stand P. Trap het rempedaal volledig in.
De motor kan ook gestart worden met de selectiehendel in stand N (Neutraal).
- Zet het contact in stand ON om de motor voor te gloeien. Het controlelampje voorgloeien zal nu gaan branden.

- Zet, wanneer het controlelampje voorgloeien uitgaat, het contact in stand START en houd het contact in deze stand totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden). Laat de sleutel vervolgens los.
* OPMERKING
Als de motor na 2 seconden niet aanslaat, draai dan de contactsleutel in stand LOCK gedurende 10 seconden en vervolgens in stand ON om hem weer voor te gloeien.
Starten en Uitzetten van de Motor bij Turbo Intercooler
- Voer het toerental van de motor niet te hoog op en accelereer niet direct na het starten van de motor. Laat een koude motor enkele seconden stationair draaien voordat u wegrijdt om ervoor te zorgen dat de turbo-compressor voldoende smering krijgt.
- Na het rijden met hoge snelheid of een lange rit met een zware motorbelasting, dient de motor voor het uitzetten enige tijd stationair te draaien, zoals aangegeven in de tabel hieronder. Door de motor stationair te laten draaien zal de turbocompressor afkoelen voordat de motor wordt uitgezet.
| Rijomstandigheid | Stationaire draaitijd | |
| Normaal rijden | Niet nodig | |
| Hoge rijsnelheid | Maximaal 80 km/u | Ongeveer 20 seoonden |
| Maximaal 100 km/u | Ongeveer 1 minuut | |
| Steile berghellingen of continu rijden boven 100 km/h | Ongeveer 2 minuten | |
* OPMERKING
Zet de motor nooit direct nadat hij zwaar belast is uit. Dit kan zware schade veroorzaken aan de motor of de turbo-compressor.
HANDGESCHAKELDE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING)

Bedienen van de Handgeschakelde Transmissie
De handgeschakelde transmissie heeft vijf vooruitversnellingen.
Een speciale beveiliging voorkomt dat per ongeluk van de 5e versnelling naar de achteruit kan worden geschakeld. Voordat u de R (achteruit) kunt inschakelen, moet de versnellingspook eerst in de vrijstand worden gezet.
Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat de R (Achteruit) wordt ingeschakeld.
* OPMERKING
Laat uw voet tijdens het rijden niet op het koppelingspedaal rusten om vroegtijdige slijtage en beschadiging van de koppeling te voorkomen. Gebruik de koppeling ook niet om de auto stil te laten staan op een helling (bijvoorbeeld bij een verkeerslicht).
WAARSCHUWING
Trek de parkeerrem altijd volledig aan, zet de motor uit en controleer of de 1e versnelling is ingeschakeld voordat u de auto verlaat. De auto kan plotseling in beweging komen wanneer u zich niet aan deze voorzorgsmaatregelen houdt.
Aanbevolen schakelsnelheden
In onderstaande tabel ziet u bij welke snelheden u het beste kunt schakelen om vlot en zuinig te rijden.
Deze gegevens werden verkregen op basis van uitgebreide tests. Het is dan ook raadzaam dit schema te volgen.
Wanneer u meer kracht nodig hebt om een helling op te rijden of om een ander voertuig in te halen, kunt u bij hogere snelheden dan aangegeven in de tabel opschakelen.
Zorg er echter voor dat het motortoerental niet toeneemt tot in het rode gebied.
| Versnelling | Snelheid - km/u |
| 1 | 0-21 |
| 2 | 21-40 |
| 3 | 40-60 |
| 4 | 60-72 |
| 5 | boven 72 |
Terugschakelen
Als u moet afremmen voor het overige verkeer op de weg of als u een helling oprijdt, schakel dan tijdig terug naar een lagere versnelling. Dit beperkt de kans op afslaan van de motor en zorgt voor een betere acceleratie op het moment dat u uw snelheid weer moet verhogen. Bij het afrijden van een steile helling helpt terugschakelen bij het handhaven van een veilige snelheid en bij het ontzien van het remsysteem.
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING)
Om de versnellingshendel te bewegen, trekt u de hendel naar u toe en dan naar beneden of naar boven.
De versnellingshendel kan bewegen zonder naar u getrokken te worden.
1FJA3001Z
Bediening van de automatische transmissie
Rijden onder normale omstandigheden vindt plaats met de selectiehendel in stand D.
Trap het rempedaal in en druk de vergrendelknop in om de selectiehendel uit stand P te zetten.
Trap het rempedaal in voor het soepel overschakelen van stand N naar een vooruit- of een achteruitversnelling.
VOORZICHTIG
- Geef geen gas wanneer stand R of één van de vooruitversnellingen is ingeschakeld en het rempedaal ingetrapt is.
- Houd de auto bij stilstaan op een helling nooit op zijn plaats door gas te geven. Gebruik de bedrijfsrem of de parkeerrem.
- Schakel niet van stand N of stand P naar stand 1, L (Laag), 2, 3, D (Rijden) of R (Achteruit) wanneer het motortoerental hoger is dan stationair.
WAARSCHUWING
- Automatische transmissie
Controleer altijd of stand P is ingeschakeld, trek de parkeerrem volledig aan en zet de motor uit voordat u de auto verlaat.

O/D OFF-Functie (Indien van toepassing)
Dit systeem voorkomt het opschakelen naar een hogere versnelling. Indien de O/D OFF-functie is ingeschakeld wordt er in stand D opgeschakeld tot de 2e versnelling en wordt in stand L de 1e versnelling vastgehouden. Schakel de O/D OFF-functie in bij het wegrijden vanuit stilstand op een gladde ondergrond, bij het oprijden van steile hellingen, om het motorremvermogen beter te kunnen benutten.
Bij het afrijden van een helling met de transmissie in O/D(4e), kunt u snelheid verminderen zonder het rempedaal in te trappen door de knop O/D OFF in te drukken.
De O/D-functie wordt ingeschakeld door de O/D OFF-schakelaar op de selectiehendel in te drukken. Door nogmaals op deze schakelaar te drukken wordt de O/D OFF-functie weer uitgeschakeld.
Controlelampje O/D OFF
Dit lampje gaat branden als de O/D OFF-functie is ingeschakeld.
* OPMERKING
Als het contact in de stand LOCK wordt gezet, wordt de O/D OFF-functie automatisch uitgeschakeld.

HOLD-stand (Indien van toepassing)
* OPMERKING
De versnellingsbak blijft in HOLD-stand staan tot u nogmaals op de HOLD-knop drukt of tot u de motor uitschakelt. Laat de motor in de HOLD-stand niet boven het maximumtoerental draaien. Anders zou hij beschadigd kunnen worden.
Dit systeem beïnvloedt de automatische schakeling alleen in voorwaartse versnelling.
In normale rij-omstandigheden start de transmissie in de 1ste versnelling en schakelt via de 2de en de 3de naar de 4de versnelling terwijl de versnellingspook in D (rijden) staat.
Gebruik de HOLD-stand om de auto te starten uit volledige stilstand op een gladde ondergrond, bijvoorbeeld bij ijzel, nat of modderig wegdek, bij het oprijden van een helling of ter ondersteuning van de remmen bij het afdalen van een helling.
Door op de HOLD-knop te drukken activeert u de HOLD-stand. Drukt u nogmaals op de knop, dan wordt hij uitgeschakeld.
Opschakelverloop in HOLD-stand:
Wordt de contactsleutel naar OFF gedraaid, dan wordt de HOLD-stand automatisch uitgeschakeld.
| Versnelling | Normale-stand | HOLD-stand |
| D | 1ste~4de versnelling | 2de~4de versnelling |
| 3 | 1ste~3de versnelling | 2de~3de versnelling |
| 2 | 1ste~2de versnelling | 2de versnelling |
| L | 1ste versnelling | 1ste versnelling |
HOLD-indicatielampje
Dit indicatielampje op het dashboard gaat branden wanneer u de HOLD-stand activeert.
* OPMERKING
Als het indicatielampje HOLD knippert, wijst dit op een elektrische storing in de versnellingsbak. Stelt u dit vast, laat uw auto dan zo snel mogelijk nakijken door een erkend Kia-dealer.
Schakelbereik
Stand P (Parkeren)
In deze stand zijn de transmissie en de voorwielen geblokkeerd. Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat deze stand wordt ingeschakeld.
Stand R (Achteruit)
Gebruik deze stand om de auto achteruit te rijden.
Stand N (Neutraal)
De wielen en de transmissie zijn niet geblokkeerd. De auto zal zelfs op de kleinste helling wegrollen tenzij de parkeerrem wordt aangetrokken of het rempedaal wordt ingetrapt.
Stand D (Rijden)
Dit is de normale stand voor het rijden in voorwaartse richting. De transmissie schakelt automatisch tussen de vier vooruitversnellingen voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik en optimale prestaties.
Stand 3 (3e versnelling, indien van toepassing):
Zet de selectiehendel in deze stand voor het trekken van een aanhanger op een helling.
In deze stand kan tevens worden afgeremd op de motor bij het afrijden van hellingen.
2 (2e versnelling)
Zet de selectiehendel in deze stand voor meer vermogen bij het oprijden van hellingen en voor meer remvermogen bij het afrijden van hellingen. In deze stand wordt ook het doorslippen van de wielen op een glad wegdek verminderd. Als u de selectiehendel in stand 2 (tweede versnelling) zet, dan zal de transmissie automatisch van de eerste naar de tweede versnelling schakelen.
L (Laag, indien van toepassing)
Zet de versnellingspook in deze stand wanneer u extra veel trekkracht nodig hebt en voor het oprijden van steile hellingen.
1 (1e versnelling, indien van toepassing)
Zet de selectiehendel in stand 1 voor een maximale trekkracht of bij het op- of afrijden van zeer steile hellingen.
* OPMERKING
De transmissie kan beschadigd raken wanneer u stand P tijdens het rijden inschakelt.
* OPMERKING
Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat stand R in- of uit wordt geschakeld. U zou de transmissie kunnen beschadigen wanneer stand R tijdens het rijden wordt ingeschakeld, behalve onder de omstandigheden.
WAARSCHUWING
- Wanneer stand P tijdens het rijden wordt ingeschakeld, blokkeren de voorwielen en raakt u de controle over de auto kwijt.
- Zorg er altijd voor dat de selectiehendel in stand P vergrendeld staat en niet kan bewegen als de vergrendelknop niet wordt ingedrukt. Laat een kind nooit zonder toezicht achter in een auto.
Vanuit Stilstand een Steile Helling Oprijden
Om vanuit stilstand een steile helling op te rijden, trapt u het rempedaal in en zet u de selectiehendel in stand D (Rijden), 3 (indien van toepassing), 2, 1 (indien van toepassing) of L (Laag) afhankelijk van de mate waarin de auto belast is en van het hellingspercentage. Ontgrendel nu de parkeerrem. Trap het gaspedaal geleidelijk in terwijl u het rempedaal laat opkomen.
Schakelblokkeersysteem (indien van toepassing)
De automatische transmissie heeft een schakelblokkeersysteem dat voorkomt dat de selectiehendel uit de stand P (Parkeren) kan worden gezet zonder dat het rempedaal is ingetrapt.
Om de selectiehendel uit de stand P (Parkeren) te zetten:
- Houd het rempedaal ingetrapt.
- Trek de hendel naar u toe en verplaats de selectiehendel.
Als het rempedaal herhaaldelijk wordt ingetrapt en losgelaten met de selectiehendel in de stand P (Parkeren), kan een ratelend geluid bij de selectiehendel worden gehoord. Dit is een normaal verschijnsel.
Bovendien kan de sleutel alleen uit het contact worden genomen als de selectiehendel in de stand P (Parkeren) staat. Als de selectiehendel in een andere stand staat, kan de sleutel niet worden verwijderd.
REMSYSTEEM
Rembekrachtiging
Uw auto is voorzien van bekrachtigde remmen die bij normaal gebruik automatisch afgesteld worden.
Als de rembekrachtiging uitvalt omdat de motor is afgeslagen of om een andere reden, dan kunt u de auto alsnog tot stilstand brengen door het rempedaal met een grotere kracht dan normaal in te trappen. De remweg zal in dat geval echter langer zijn.
Als de motor niet draait, wordt de mate van bekrachtiging steeds minder naarmate u vaker het rempedaal indrukt. Ga bij een uitgevallen rembekrachtiging niet pompend remmen, behalve als dat noodzakelijk is om bij een glad wegdek de controle over de auto te behouden.
Problemen bij het Remmen
Als de bedrijfsremmen tijdens het rijden zouden uitvallen, kunt u de auto met behulp van de parkeerrem alsnog tot stilstand brengen. Houd daarbij dan wel rekening met een veel langere remweg dan normaal.
WAARSCHUWING
- Parkeerrem
Wanneer tijdens het rijden met een normale snelheid de parkeerrem wordt aangetrokken, kunt u onverwachts de controle over de auto verliezen. Trek de parkeerrem voorzichtig aan wanneer u deze gebruikt om de auto tot stilstand te brengen.
- Laat tijdens het rijden uw voet niet op het rempedaal rusten. Hierdoor zal de temperatuur van de remmen abnormaal hoog worden, zullen de remblokken en -schoenen overmatig slijten en zal de remweg langer worden.
- Schakel bij het afrijden van een lange of een steile helling een lagere versnelling in en vermijd langdurig achter elkaar remmen. Door langdurig achter elkaar te remmen zullen de remmen oververhit raken en kan een tijdelijk verlies van remvermogen het gevolg zijn.
- Natte remmen zijn de oorzaak dat de auto niet voldoende afremt en/of bij het remmen naar één kant trekt. Door licht te remmen merkt u of het remvermogen door het nat worden is verminderd. Controleer uw remmen altijd op deze manier nadat u door diepe plassen bent gereden. Trap voor het drogen van de remmen het rempedaal licht in terwijl u met een lage snelheid rijdt, totdat het remvermogen weer op het normale niveau is.
Indicatie Schijfremslijtage
Uw auto heeft schijfremmen op de voorwielen.
Als de voering van uw voorremmen versleten en aan vervanging toe is, zal u bij het gebruik van uw voorremmen een hoge fluittoon horen. Dit geluid kan soms luider en soms zachter klinken en treedt op bij het indrukken van het rempedaal.
* OPMERKING
Blijf niet rijden met versleten remblokken om kostbare reparaties aan de remmen te voorkomen.
WAARSCHUWING
- Remblokslijtage
Dit waarschuwingsgeluid geeft aan dat de remblokken van uw auto vervangen moeten worden. Als u deze waarschuwing negeert, kan het remvermogen na verloop van tijd afnemen.
Trommelremmen Achter
De trommelremmen op uw achterwielen hebben geen slijtage-indicatie. Laat de achterremmen daarom nakijken wanneer u bij het remmen een schurend geluid hoort. Laat uw achterremmen ook telkens nakijken wanneer u uw banden vervangt of omwisselt of de remblokjes voorin laat vervangen.
VOORZICHTIG
Vervang de remblokjes of -voering van beide voor- of achterwielen steeds tegelijk.

Trek de parkeerremhendel krachtig en volledig omhoog terwijl het rempedaal ingetrapt is.
VOORZICHTIG
Wanneer met aangetrokken parkeerrem gereden wordt, zullen de remblokken overmatig slijten.

Trek voor het ontgrendelen van de parkeerrem de hendel iets omhoog en druk de knop in. Houd de knop ingedrukt en laat de hendel vervolgens zakken totdat de parkeerrem vrij is.
VOORZICHTIG
Gebruik de versnellingen nooit in plaats van de parkeerrem om de auto op zijn plaats te houden. Trek de parkeerrem altijd volledig omhoog en zorg ervoor dat bij een handgeschakelde transmissie de versnellingspook in de 1e versnelling of de achteruitversnelling staat en bij een automatische transmissie de selectiehendel in stand P.

W-75
Controleer het waarschuwingslampje van het remsysteem iedere keer wanneer u de motor start. Dit lampje gaat branden wanneer de motor draait en de parkeerrem aangetrokken is. Zorg ervoor dat de parkeerrem voor het wegrijden vrij is en het waarschuwingslampje van het remsysteem uit is. Als het waarschuwingslampje van het remsysteem blijft branden als de parkeerrem vrij is, kan er een storing in het remsysteem zijn. Laat dit direct controleren.
Breng de auto indien mogelijk direct tot stilstand. Wanneer dit niet mogelijk is, wees dan extra voorzichtig tijdens het bedienen van de auto en rijd alleen verder tot de eerste veilige locatie of een garage.
Parkeren in Straten met een Stoeprand
- Als u uw auto bergop op een helling parkeert, parkeer dan zo dicht mogelijk bij de stoeprand en draai de voorwielen weg van de stoeprand. Als uw auto dan achteruit rolt, zullen de voorwielen tegen de stoeprand blokkeren.
- Als u uw auto bergaf op een helling parkeert, parkeer dan zo dicht mogelijk bij de stoeprand en draai de voorwielen naar de stoeprand toe. Als uw auto dan vooruit rolt, zullen de voorwielen tegen de stoeprand blokkeren.

Antiblokkeersysteem (ABS) (Indien van toepassing)
Het antiblokkeersysteem is ontworpen om te voorkomen dat de wielen blokkeren tijdens plotseling remmen of remmen op een gladde ondergrond. Vergeleken met een conventioneel remsysteem biedt het antiblokkeersysteem meer controle over de auto tijdens het remmen in dergelijke situaties.
Onder normale rijomstandigheden werkt het antiblokkeersysteem als een conventioneel remsysteem. Als het antiblokkeersysteem in werking treedt is een trilling in het rempedaal voelbaar en kunt u tikkende geluiden horen. Dit is een normaal verschijnsel dat aangeeft dat het systeem goed werkt.
Pas uw rijgedrag aan de weg en de verkeersomstandigheden aan wanneer u rijdt in een auto met een antiblokkeersysteem en onthoud het volgende:
- Ga niet pompend remmen zoals bij een auto die niet is uitgerust met een antiblokkeersysteem (ABS). Trap het rempedaal stevig in zonder te pompen om het ABS normaal te laten werken.
- Zelfs met het antiblokkeersysteem heeft uw auto nog steeds voldoende remweg nodig. Bewaar altijd een veilige afstand tot de auto voor u.
- Rem altijd af voor een bocht. Het antiblokkeersysteem kan geen ongevallen voorkomen die het gevolg zijn van te hard rijden.
- Op wegen met los grind of wegen die niet vlak zijn, kan het antiblokkeersysteem voor een langere remweg zorgen dan bij auto's die zijn uitgerust met een conventioneel remsysteem.
- Vermijd snel rijden op natte wegen. Het antiblokkeersysteem kan het risico van aquaplaning niet wegnemen. Als het antiblokkeersysteem uitvalt, zal de remwerking hetzelfde zijn als bij een conventioneel remsysteem. Laat uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer of een deskundig garagebedrijf.
* OPMERKING
- Wanneer het waarschuwingslampje ABS brandt en blijft branden, is er mogelijk een probleem aanwezig in het ABS. In dat geval werken de remmen echter wel normaal.
- Het waarschuwingslampje ABS zal 2 - 3 seconden blijven branden nadat het contact in stand ON is gezet. Het ABS voert dan een zelfdiagnose uit en het lampje zal uitgaan wanneer alles in orde is. Wanneer het lampje blijft branden, is er mogelijk een probleem aanwezig in het ABS. Neem zo snel mogelijk contact op met een erkende Kia-dealer om de storing te verhelpen.
* OPMERKING
- Het waarschuwingslampje ABS kan gaan branden wanneer de motor bij een lege accu met een hulpaccu wordt gestart. Dit komt doordat de accu leeg is en niet doordat er een storing in het antiblokkeersysteem aanwezig is.
- Laat de accu bijladen voordat u wegrijdt.
WAARSCHUWING
- Remsysteem met ABS
- Het antiblokkeersysteem (ABS) compenseert slechte rijomstandigheden, onveilig of onvoorzichtig rijgedrag en beoordelingsfouten niet.
- Het ABS is ontworpen om de maximale remwerking te verhogen op met name autowegen en wegen die in een goede staat verkeren. Op slechte wegen kan het ABS de remwerking zelfs verminderen.
- Rijd altijd met een snelheid die veilig is voor zowel de weers- als de verkeersomstandigheden.
- Als zowel het waarschuwingslampje ABS als het waarschuwingslampje remsysteem brandt en blijft branden, zal het remsysteem niet normaal werken. Er kan dus een onverwachte en gevaarlijke situatie ontstaan bij plotseling remmen. Vermijd in dit geval hard rijden en plotseling remmen. Laat uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer of een deskundig garagebedrijf.
STUURWIEL
Stuurbekrachtiging
De stuurbekrachtiging reduceert de benodigde stuurkracht door gebruik te maken van het vermogen dat de motor levert. Wanneer de motor uit is of als de stuurbekrachtiging wegvalt, dan kan de auto nog wel bestuurd worden, zij het met meer stuurkracht.
Als u merkt dat onder normale omstandigheden het sturen van de auto zwaarder gaat dan normaal, dan moet u de stuurbekrachtiging door een erkende Kia-dealer laten controleren.
* OPMERKING
- Houd het stuurwiel bij een draaiende motor nooit langer dan 5 seconden tegen een van beide aanslagen (links of rechts). Als het stuurwiel langer dan 5 seconden tegen de aanslag wordt gehouden, kan er schade aan de stuurbekrachtigingspomp ontstaan. • Als de aandrijfriem van de stuurbekrachtigingspomp breekt of de pomp defect raakt, zal de benodigde stuurkracht aanzienlijk groter worden.
* OPMERKING
Als de auto bij koud weer lange tijd heeft buitengestaan, (temperatuur lager dan -10 °C/14 °F), dan functioneert de stuurbekrachtiging mogelijk minder goed, als de motor voor de eerste maal wordt gestart. Dit wordt veroorzaakt door een stijging van de viscositeit van de stuurbekrachtigingsvloeistof en duidt niet op een storing.
Als dit gebeurt, laat het toerental van de motor dan oplopen tot 1.500 omw/min en laat vervolgens het gaspedaal los, of laat de motor twee of drie minuten stationair draaien om de stuurbekrachtigingsvloeistof te laten opwarmen.

Verstellen van het Stuurwiel (Indien van toepassing)
Om de hoek van het stuurwiel te veranderen duwt u de ontgrendelingshendel die zich onderaan op de stuurkolom bevindt omhoog. Stel dan de gewenste stuurwielhoek in en laat de hendel weer los. Zorg ervoor dat de hendel naar zijn oorspronkelijke positie terugkeert.
Stel het stuurwiel zo in dat u comfortabel kunt rijden en het dashboard, de waarschuwingslampjes en metertjes goed kunt zien.
Om het stuur te verstellen, houdt u het stuur vast en drukt u de ontgrendeling naar beneden. Zet het stuurwiel in de gewenste stand en druk de vergrendeling weer vast.
WAARSCHUWING
- Stel het stuurwiel nooit af tijdens het rijden. Als u dat wel doet kunt u de macht over het stuur verliezen waardoor ongevallen en letsel veroorzaakt kunnen worden.
- Duw het stuurwiel na de instelling naar boven en weer naar beneden om er zeker van te zijn dat het goed vastzit.

Om te claxonneren drukt u op het claxonsymbool op uw stuurwiel.
Test de claxon regelmatig om er zeker van te zijn dat hij goed werkt.
VOORZICHTIG
- Om te claxonneren drukt u op het claxongedeelte op het stuurwiel. De claxon werkt alleen als u op het claxongedeelte drukt.
- Om de claxon te bedienen hoeft u niet op het claxongedeelte te slaan. Sla niet met een vuist op het claxongedeelte. Druk het claxongedeelte niet in met een scherp voorwerp.
ANTI-DOORSLIPREGELING (INDIEN VAN TOEPASSING)

De anti-doorslipregeling (TCS) zorgt ervoor dat op gladde wegen de wielen niet gaan slippen, waardoor de acceleratie optimaal is. Het systeem zorgt bovendien voor een betere bestuurbaarheid in snelle bochten.
VOORZICHTIG
- Als het TCS-controlelampje knippert, is de anti-doorslipregeling in werking getreden.
- Dit betekent dat de weg glad is of dat de auto te snel accelereert. • Geef in dat geval iets minder gas.
WAARSCHUWING
De anti-doorslipregeling is slechts bedoeld ter ondersteuning van de bestuurder. Het blijft noodzakelijk om de normale veiligheidsmaatregelen te nemen bij slecht weer en gladde wegen.
TCS AAN / Uit
Als de anti-doorslipregeling is ingeschakeld, brandt het controlelampje niet.
Het controlelampje gaat branden wanneer het contact in stand ON gezet wordt, maar moet na drie seconden uit gaan. In dat geval is de anti-doorslipregeling stand-by. Als de anti-doorslipregeling in werking treedt, gaat het controlelampje knipperen.
Druk op de TCS-schakelaar om de anti-doorslipregeling uit te schakelen. Als de anti-doorslipregeling uitgeschakeld is, brandt het controlelampje.
Neem contact op met uw officiële Kia-dealer en laat het systeem controleren wanneer het TCS-controlelampje blijft branden terwijl het systeem is ingeschakeld.
* OPMERKING
- Zet de motor af. Start de motor, de anti-doorslipregeling wordt nu automatisch ingeschakeld.
- Zodra de anti-doorslipregeling in werking treedt, kunt u dit merken aan een trilling in de auto. Dit wordt veroorzaakt door de aansturing van de remmen en is een normaal bijverschijnsel.
- Zodra de motor wordt gestart, klinkt vanuit de motorruimte een klik die wordt veroorzaakt door de controle die de anti-doorslipregeling uitvoert.
- Als u weg wilt rijden uit modder of sneeuw, kan het gebeuren dat het motortoerental niet toeneemt als het gaspedaal verder wordt ingetrapt.
INSTRUMENTENPANEEL (BENZINEMOTOR - TYPE A)
- Toerenteller
- Lampje richtingaanwijers
- Snelheidsmeter
- Motortemperatuurmeter
- Waarschuwings- en indicatielampjes
- Tripmeter/Kilometerteller
- Resetknop tripmeter
- Schakelstand-lampje (enkel bij automaat)
- Brandstofmeter
2FJA4001A
INSTRUMENTENPANEEL (BENZINEMOTOR - TYPE B)
- Lampje richtingaanwijers
- Snelheidsmeter
- Motortemperatuurmeter
- Waarschuwings- en indicatielampjes
- Tripmeter/Kilometerteller
- Resetknop tripmeter
- Schakelstand-lampje (enkel bij automaat)
- Brandstofmeter
2FJA4002A
INSTRUMENTENPANEEL (DIESELMOTOR - TYPE A)
- Toerenteller
- Lampje richtingaanwijers
- Snelheidsmeter
- Motor temperatuurmeter
- Waarschuwings-en indicatielampjes
- Tripmeter/Kilometerteller
- Resetknop tripmeter
- Schakelstand-lampje (enkel bij automaat)
- Brandstofmeter
2FJA4003A
INSTRUMENTENPANEEL (DIESELMOTOR - TYPE B)
- Lampje richtingaanwijzers
- Snelheidsmeter
- Motortemperatuurmeter
- Waarschuwings- en indicatielampjes
- Tripmeter/Kilometerteller
- Resetknop tripmeter
- Schakelstand-lampje (enkel bij automaat)
- Brandstofmeter
2FJA4004A
METERS
Snelheidsmeter
De snelheidsmeter geeft de voorwaartse snelheid van de auto aan.
Kilometerteller
De kilometerteller geeft het totale aantal kilometer dat de auto heeft afgelegd aan.
Tripmeter
De tripmeter geeft de afgelegde afstand sinds de resetknop van de tripmeter voor het laatst ingedrukt werd aan. Als u op de resetknop drukt springt de meter terug op nul.

Toerenteller
(Indien van toepassing)
De toerenteller geeft het motortoerental bij benadering aan in aantal toeren per minuut (tpm).
Kijk naar de toerenteller om de juiste schakelpunten te kiezen, zodat u de motor niet op te hoog of te laag toerental laat draaien.
De toerentellernaald kan lichtjes bewegen als u de contactsleutel naar ACC of ON draait bij uitgeschakelde motor. Dit is volkomen normaal en tast de werking van de toerenteller bij draaiende motor niet aan.
* OPMERKING
Laat de motor niet in het rode toerentalbereik van de toerenteller draaien.
Dit kan de motor zwaar beschadigen.

Motortemperatuurmeter
Deze meter geeft de temperatuur van de motorkoelvloeistof aan als de contactsleutel op ON staat.
Blijf niet rijden met een oververhitte motor. Raakt uw motor oververhit, volg dan de aanwijzingen in de paragraaf "Oververhitting" in de index.
* OPMERKING
Begeeft de meternaald zich buiten het normale bereik naar de stand H toe, dan wijst dit op oververhitting van de motor met gevaar voor beschadiging van de motor.

Brandstofmeter
De brandstofmeter geeft aan hoeveel brandstof er nog in de brandstoftank zit.
Capaciteit van de brandstoftank: 55 liter.
De brandstofmeter wordt aangevuld door een waarschuwingslampje brandstof dat gaat branden als het brandstofpeil tot ongeveer 9 liter gedaald is.
Waarschuwingslampjes/Akoestische indicatoren
Controle van de werking
Alle waarschuwingslampjes worden gecontroleerd wanneer u het contact aanzet (start de motor niet). Ieder lampje dat niet brandt, moet worden nagekeken door een officiële Kia-dealer of een bekwaam monteur in een andere garage.
Controleer nadat u de motor hebt gestart of alle waarschuwingslampjes uit zijn. Als er nog waarschuwingslampjes branden, betekent dit dat hieraan aandacht moet worden besteed. Wanneer u de parkeerrem buiten werking stelt, moet het waarschuwingslampje van het remsysteem uit gaan. Het waarschuwingslampje voor de brandstof blijft branden als er niet veel brandstof in de tank is.
Controlelampje anti-doorslipregeling (indien van toepassing)
Het controlelampje gaat branden wanneer het contact in stand ON gezet wordt, maar moet na drie seconden uit gaan. In dat geval is de anti-doorslipregeling stand-by. Als de anti-doorslipregeling in werking treedt, gaat het controlelampje knipperen.
Druk op de TCS-schakelaar om de anti-doorslipregeling uit te schakelen. Als de anti-doorslipregeling uitgeschakeld is, brandt het controlelampje.
Neem contact op met uw officiële Kia-dealer en laat het systeem controleren wanneer het TCS-controlelampje blijft branden terwijl het systeem is ingeschakeld.
TCS
Controlelampje O/D OFF (indien van toepassing)
O/D OFF
Dit lampje zal gaan branden als het O/D-systeem uitgeschakeld is.
Indicatielampje HOLD (alleen bij automatische versnellingsbak) (indien van toepassing)
HOLD
Geeft aan dat de automatische versnellingsbak in de stand HOLD staat.
Waarschuwingslampje voor het Anti-Blokkeringssysteem voor de Remmen (Anti-Lock Brake System, ABS) (indien van toepassing)
ABS
Dit lampje gaat branden wanneer u de motor start. Het lampje gaat uit wanneer het ABS-systeem normaal functioneert.
Dit lampje gaat ook branden als u de sleutel op ON draait en het lampje gaat uit na 2 tot 3 seconden als het systeem normaal functioneert.
Waarschuwingslampje Systeem (indien van toepassing)
Als tijdens het rijden twee waarschuwingslampjes gelijktijdig gaan branden, dan zit er een probleem in het ABS- of EBD-systeem. In dat geval werken het ABS-systeem en het remsysteem misschien niet normaal. Laat uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer of een deskundig garagebedrijf.
WAARSCHUWING
Als zowel het waarschuwingslampje ABS als het waarschuwingslampje remsysteem brandt en blijft branden, zal het remsysteem niet normaal werken. Er kan dus een onverwachte en gevaarlijke situatie ontstaan bij plotseling remmen. Vermijd in dit geval hard rijden en plotseling remmen. Laat uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer of een deskundig garagebedrijf.

Waarschuwingslampje Oliedruk van de Motor

Dit waarschuwingslampje geeft aan dat de oliedruk in de motor laag is.
Als het waarschuwingslampje gaat branden terwijl u rijdt:
- Rijd op een veilige manier naar de kant van de weg en zet de auto stil.
- Zet de motor af en controleer het oliepeil. Als het oliepeil laag is, vul dan zoveel olie bij als nodig is.
Als het waarschuwingslampje blijft branden nadat u olie hebt bijgevuld of als u geen olie hebt, neem dan contact op met een officiële Kia-dealer of een andere vakbekwame garage.
* OPMERKING
Ernstige motorschade kan het gevolg zijn wanneer u de motor niet onmiddellijk uitzet.
Waarschuwingslampje laadsysteem

Dit waarschuwingslampje geeft aan dat de dynamo of het elektrische laadsysteem niet goed functioneert.
Als het waarschuwingslampje gaat branden terwijl de auto rijdt:
- Rijd dan naar de dichtstbijzijnde plaats waar u veilig kunt stoppen.
- Schakel de motor uit en controleer of de dynamoriem onvoldoende spanning heeft of gebroken is.
- Als de drijfriem goed is afgesteld, bevindt de oorzaak van het probleem zich ergens in het elektrisch laadsysteem. Laat een officiële Kia-dealer of een vakbekwaam monteur in een andere garage het probleem zo spoedig mogelijk opsporen en verhelpen.
* OPMERKING
Rijd niet met de auto met een losse of gebroken drijfriem van de dynamo; de motor kan worden beschadigd door oververhitting omdat deze drijfriem ook de koelventilator van de motor aandrijft.
Waarschuwingslampje veiligheidsriem

Als de heup/schoudergordel van de bestuurder niet is vastgemaakt wanneer de contactsleutel in de stand ON wordt gedraaid of als de veiligheidsriem wordt losgemaakt nadat de contactsleutel in de stand ON is gedraaid, klinkt er een bel en blijft het waarschuwingslampje van de veiligheidsriem branden.
Als het systeem niet werkt zoals hierboven wordt beschreven, roep dan de hulp in van een officiële Kia-dealer of een andere vakbekwame garage.
Indicatielampje mistachterlicht (indien van toepassing)

Dit lampje gaat branden wanneer de mistachterlichten branden.
Schakelverloop-lampjes (alleen bij automatische transmissie)

Deze lampjes lichten op wanneer de versnellingspook in de overeenkomstige stand gezet wordt. De symbolen P (parkeren) en R (achteruit) worden rood verlicht en de symbolen N (neutraal), D (rijden), 2 (tweede) en L (laag) worden groen verlicht.
Waarschuwingslampjes voor de parkeerrem en voor de remolie

Waarschuwingslampjes voor de parkeerrem
Dit lampje brandt wanneer de parkeerrem is ingeschakeld en het contact in de stand START of ON staat. Het waarschuwingslampje behoort uit te gaan wanneer de parkeerrem wordt uitgeschakeld.
Waarschuwingslampje bij een laag niveau van de remolie
Als dit waarschuwingslampje blijft branden, kan dit erop wijzen dat het niveau van de remolie in het reservoir laag is.
Als het waarschuwingslampje blijft branden:
- Rijd naar de dichtstbijzijnde plaats waar u veilig kunt stoppen en breng uw auto voorzichtig tot stilstand.
- Zet de motor uit, controleer onmiddellijk het niveau van de remolie en voeg zoveel remolie toe als nodig is. Controleer vervolgens alle componenten van het remsysteem op vloeistoflekken.
- Rijd niet met de auto als u lekkage van de remolie aantreft, als het waarschuwingslampje blijft branden of als de remmen niet goed werken. Laat de auto naar een officiële Kia-dealer slepen, waar het remsysteem kan worden geïnspecteerd en noodzakelijke reparaties kunnen worden uitgevoerd.
Ter controle van het lampje gaan de waarschuwingslampjes van de parkeerrem en van het niveau van de remolie branden wanneer u de contactsleutel in de stand ON draait.
WAARSCHUWING
De auto rijden terwijl er een waarschuwingslampje brandt, is gevaarlijk. Als het waarschuwingslampje voor het niveau van de remolie blijft branden, laat de remmen dan onmiddellijk controleren en repareren door een officiële Kia-dealer.
Waarschuwingslampje Brandstofpeil Laag

Dit waarschuwingslampje geeft aan dat de brandstoftank bijna leeg is. Het waarschuwingslampje gaat branden wanneer het brandstofpeil tot ongeveer 9 liter gedaald is. Tank zo snel mogelijk bij.
Achterruitverwarming-Lampje (Indien van toepassing)

Dit lampje gaat branden wanneer de achterruitverwarmingknop ingedrukt wordt om de achterruit ijsvrij te maken. Druk nogmaals op de schakelaar om het systeem uit te schakelen nadat het ijs gesmolten is. De achterruitverwarming wordt automatisch uitgeschakeld na 20 minuten. Hij wordt ook uitgeschakeld wanneer u de contactsleutel uit het contactslot haalt.
Waarschuwingslampje Portier Open

Dit waarschuwingslampje licht op wanneer er een portier niet goed gesloten is met de contactsleutel in een willekeurige stand.
Grootlicht-Lampje

Dit lampje wordt geactiveerd als de koplampen in de grootlicht-stand staan of wanneer de bestuurder aan de knipperlichthendel trekt om een grootlichtsignaal te geven.
Indicatielampje Startblokkering (Indien van toepassing)

Dit lampje gaat branden als de sleutel van de startblokkering in het contact gestoken wordt. Zet het contact in de stand ON om de motor te starten.
Indicatielampje Gloeispiraal (Alleen bij Dieselmotor)

Dit lampje gaat branden tijdens het voorgloeien en gaat daarna uit.
* OPMERKING
Laat het systeem zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer of een deskundig garagebedrijf wanneer het controlelampje voorgloeien blijft branden nadat de motor op bedrijfstemperatuur is of als het lampje gaat branden tijdens het rijden.
Controlelampje Motormanagement (indien van toepassing)

Dit controlelampje maakt deel uit van het motorregelsysteem dat verschillende onderdelen van het emissieregelsysteem in de gaten houdt. Als dit lampje tijdens het rijden gaat branden, geeft het aan dat er mogelijk een probleem is in de emissieregelsystemen.
Over het algemeen kunt u met uw auto blijven rijden en hoeft u niet gesleept te worden. Laat het motorregelsysteem echter zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer of een deskundig garagebedrijf.
VOORZICHTIG
- Wanneer u langere tijd met een brandend controlelampje motormanagement blijft doorrijden, kan er schade aan de emissieregelsystemen ontstaan. Dit kan een nadelige invloed hebben op de rijprestaties en/of het brandstofverbruik.
- Wanneer het controlelampje motormanagement begint te knipperen, kan de katalysator beschadigd zijn. Hierdoor kan het motorvermogen teruglopen. Laat het motorregelsysteem zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.
Waarschuwingslampje Airbag (indien van toepassing)

Dit lampje zal ongeveer 6 seconden knipperen telkens wanneer het contact in stand ON wordt gezet. Licht dit lampje niet op of blijft het branden terwijl u rijdt, laat uw auto dan onmiddellijk nakijken door een erkende Kia-dealer of bij een andere goede servicewerkplaats.
Waarschuwingslampje Brandstoffilter (alleen bij dieselmotor)

Dit lampje gaat branden als er meer water dan normaal in de afscheider terechtkomt. Tap, als het lampje aangaat, het water af. Als u blijft rijden terwijl dit lampje brandt, kan de motor beschadigd raken.
Waarschuwingszoemer Veiligheidsgordel
De waarschuwingszoemer van de veiligheidsgordel zal ongeveer 6 seconden klinken wanneer de bestuurder zijn veiligheidsgordel niet heeft vastgemaakt. De zoemer klinkt alleen als het contact in stand ON staat.
Waarschuwingssignaal Lichten aan
Het waarschuwingssignaal lichten aan weerklinkt als het bestuurdersportier geopend wordt wanneer de schakelaar van de koplampen nog in de 1e of de 2e stand staat.
Waarschuwingszoemer "Sleutel in Contactslot"
Als het bestuurdersportier geopend wordt en de contactsleutel zich nog in het contactslot bevindt, zal er een waarschuwingszoemer klinken. Dit dient om te voorkomen dat u de auto afsluit en de sleutel in het contactslot laat zitten.
PARKEERHULPSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)

Het systeem heeft vier ultrasoonsensoren in de achterbumper die de afstand tot voorwerpen aan de achterzijde van de auto meten. Hierdoor wordt de bestuurder gewaarschuwd als de auto een voorwerp nadert zodat schade wordt voorkomen.
Het systeem wordt ingeschakeld wanneer de achteruitrijverlichting wordt ingeschakeld met de contactschakelaar in de "ON" stand. Het waarschuwingssignaal heeft 2 intervallen. Het eerste heeft een onderbroken signaal en het tweede klinkt continu.
Bij het inschakelen van de "R" stand is een geluidssignaal hoorbaar, dit geeft geen storing aan maar is een teken dat het parkeerhulpsysteem normaal werkt.
* OPMERKING
- Het parkeerhulpsysteem heeft slechts een aanvullende functie. De bestuurder is altijd verantwoordelijk.
- Het geluidssignaal kan variëren afhankelijk van de voorwerpen.
- Het is mogelijk dat het geluidssignaal niet klinkt als de sensor bevroren is of bedekt met vuil of modder.
- Het is mogelijk dat het parkeerhulpsysteem niet goed werkt bij het rijden op ongelijk terrein of in bossen, op onverharde wegen of hellingen.
- Maak geen krassen op het sensoroppervlak en belast de sensor niet. Hierdoor zou de afdekking beschadigd kunnen raken.
- Het sensorsysteem kan mogelijk scherpe objecten, dikke winterkleding of absorberend materiaal niet herkennen doordat het meetsignaal wordt geabsorbeerd.
WAARSCHUWING
Als geen geluidssignaal hoorbaar is of de zoemer onderbroken klinkt wanneer de "R"-stand wordt ingeschakeld, heeft het parkeerhulpsysteem een storing. Laat uw auto zo snel mogelijk controleren door uw Kia-dealer.
LICHTEN
Energiebesparingsfunctie
- Deze functie voorkomt dat de accu uitgeput raakt. Het systeem schakelt automatisch de parkeerlichten uit, wanneer de contactsleutel wordt verwijderd of als het portier aan bestuurderszijde wordt geopend.
- De parkeerlichten worden automatisch uitgeschakeld als de auto in het donker langs de kant van de weg geparkeerd wordt.
Volg onderstaande procedure als de parkeerlichten moeten blijven branden, wanneer de contactsleutel is verwijderd:
1) Open het portier aan bestuurderszijde. 2) Schakel de parkeerlichten uit en in met de lichtschakelaar op de stuurkolom.

De lichtschakelaar heeft een stand voor de parkeerverlichting en voor de dimverlichting.
Parkeerverlichting
Als de lichtschakelaar in de stand parkeerlicht staat (1e stand), branden de achterlichten, de parkeerverlichting voor, de kentekenplaatverlichting en de verlichting van het instrumentenpaneel.
Normale verlichting
Als de lichtschakelaar in de stand normale verlichting staat (2e stand), branden de koplampen, de achterlichten, de parkeerverlichting voor, de kentekenplaatverlichting en de verlichting van het instrumentenpaneel.

Om de koplampen op grootlicht te schakelen, duwt u de hendel in de richting van de motorkap. Door de hendel terug naar u toe te trekken schakelt u terug naar dimlicht. Het grootlichtlampje zal bij het inschakelen van het grootlicht gaan branden.
Laat uw lichten nooit langere tijd branden terwijl de motor uitstaat, om te voorkomen dat de accu leegloopt.

Knipperen met de koplampen
Om met de koplampen te knipperen trekt u de hendel naar u toe. Hij zal automatisch naar zijn normale positie terugkeren wanneer u hem loslaat. Om te kunnen knipperen hoeven de koplampen niet te branden.

Richtingaanwijzers
De richtingaanwijzers werken alleen bij ingeschakeld contactslot. Om de richtingaanwijzers aan te zetten, zet u de hendel omhoog of omlaag. De groene pijlampjes op het dashboard geven aan welke richtingaanwijzers er werken. De richtingaanwijzers worden vanzelf uitgeschakeld na het nemen van de bocht. Blijft het lampje branden, zet de hendel dan met de hand terug in de middelste stand.
Richting-signalen
Om aan te geven dat u van rijstrook wilt veranderen, beweegt u de hendel van de richtingaanwijzers lichtjes en houdt u hem zo vast. De hendel zal naar de OFF-stand terugkeren wanneer u hem loslaat.
Blijft er een lampje branden zonder te knipperen of knippert hij abnormaal, dan kan dit op een defect lampje in de richtingaanwijzers wijzen. Vervang een defect lampje zo snel mogelijk.

Mistlampen voorzijde (indien van toepassing)
Om de mistlampen aan te zetten, zet de koplampen AAN en druk dan op de mistlampenschakelaar. Om ze uit te schakelen drukt u nogmaals op die schakelaar of schakelt u de koplampen UIT.
Motorvoertuigenverlichting overdag (MVO) (indien van toepassing)
Door motorvoertuigenverlichting overdag (MVO) kunnen medeweggebruikers uw auto overdag beter zien. Motorvoertuigenverlichting overdag kan onder verschillende rijomstandigheden handig zijn, maar vooral in de periode rond zonsondergang en zonsopgang. De motorvoertuigenverlichting overdag wordt uitgeschakeld wanneer:
- De koplampen worden ingeschakeld.
- De parkeerrem wordt aangetrokken.
- De achterlichten worden ingeschakeld.

Deze inrichting dient om verblinding van tegenliggers te vermijden. Verstel de koplampen in de hoogte door de draaischakelaar als volgt te verzetten.
Beschrijving van schakelaar 5 Stoelen
| Stand | Belasting van: | ||
| Voorstoelen | Achterstoeler | Bagageruimte | |
| 0 | 1 bestuurder | - | - |
| 2 personen | - | - | |
| 1 | 2 personen | 3 personen | - |
| 2 | 2 personen | 3 personen | 84 kg |
| 3 | 1 bestuurder | - | 345 kg |
6 Stoelen
| Stand | Belasting van: | |||
| Voorsto-elen | Achterstoelen1e rij | Achterstoelen2e rij | Bagage-ruimte | |
| 0 | 1 bestuurder | - | - | - |
| 2 personen | - | - | - | |
| 1 | 2 personen | - | 2 personen | - |
| 2 | 2 personen | 2 personen | 2 personen | 84 kg |
| 3 | 1 bestuurder | - | 345 kg | |

Mistachterlicht (indien van toepassing)
Schakel de verlichting in en druk de schakelaar van het mistachterlicht in om deze te laten branden. Druk de schakelaar opnieuw in of schakel de verlichting uit om het mistachterlicht uit te schakelen.
RUITENWISSERS EN
RUITENSPROEIERS
Ruitenwissers vóór
Het contact moet in stand ON staan om de ruitenwissers en -sproeiers te bedienen. Zet de schakelaar in de gewenste stand.
INT - Intervalwissen
1 - Normale ruitenwissersnelheid
2 - Snelle ruitenwissersnelheid

Auto Control (indien van toepassing)
Als de schakelaar voor de ruitenwissers voor in stand AUTO staat, detecteert de regensensor aan de bovenzijde van de voorruit de hoeveelheid regen, en bepaalt aan de hand daarvan de juiste lengte van de intervallen tussen de wisbewegingen.
* OPMERKING
Als er veel sneeuw of ijs op de voorruit zit, duurt het ongeveer 10 minuten voordat de ruitenwissers in werking gesteld worden.

Als het contact in stand ON staat en de schakelaar voor de ruitenwissers voor in stand AUTO, neem dan onderstaande aanwijzingen in acht om letsel aan uw handen te voorkomen:
- Raak het bovenste deel van de voorruit, waar de regensensor zich bevindt, niet aan.
- Veeg het bovenste deel van de voorruit niet schoon met een doek.
- Oefen geen druk uit op de voorruit.

Wissen met variabel interval
Zet de hendel in de INT/AUTO-stand en stel het gewenste ruitenwisserinterval in door aan de ring te draaien.

Tipwissen
Om de ruiten eenmaal te wissen, duwt u de hendel naar voren en laat u hem los in de OFF-stand.
Wordt de hendel helemaal naar voren geduwd en daar gelaten, dan blijven de ruitenwissers werken.
* OPMERKING
- Om beschadiging van uw ruitenwissers of voorruit te voorkomen, mag u de ruitenwissers niet aanzetten als de ruit droog is.
- Om beschadiging van de ruitenwisserbladen te voorkomen, mag u geen benzine, kerosine, verfverdunner of andere vloeistoffen op of in de buurt van de ruitenwisserbladen aanbrengen.
- Om beschadiging van de ruitenwisserarmen en andere ruitenwisseronderdelen te voorkomen, mag u de ruitenwissers niet met de hand bewegen.

Ruitensproeiers voorruit
Trek de hendel uit de OFF-stand voorzichtig naar u toe om de ruit te besproeien en de ruitenwissers voor 2 tot 3 bewegingen te activeren.
Gebruik deze functie als de voorruit vuil is.
De sproeiers en ruitenwissers blijven werken tot u de hendel loslaat.
Controleer het peil van de ruitensproeiervloeistof als de ruitensproeiers niet werken. Vul het reservoir met een geschikte, niet schurende ruitensproeiervloeistof wanneer het peil te laag is. De vulpijp van het reservoir bevindt zich vooraan in de motorruimte aan de kant van de passagier.
* OPMERKING
Om beschadiging van de sproeierpomp te voorkomen mag u de sproeier niet aanzetten als het vloeistofreservoir leeg is.
Z VOORZICHTIG
Gebruik de sproeier niet als het vriest zonder eerst de voorruit op te warmen met de verwarming. De sproeiervloeistof zou anders kunnen aanvriezen en het zicht belemmeren.

Schakelaar Achterruitenwisser en -Sproeier (Indien van toepassing)
De achterruitenwisser kan afzonderlijk en in combinatie met de sproeier worden ingeschakeld.
- Druk de bovenste knop in om de ruitenwisser en -sproeier in te schakelen.
- Druk de onderste knop in om de ruitenwisser constant te laten wissen.
ONTWASEMING

De ontwaseming ontdoet de voorruit en de achterruit aan de binnen- en buitenzijde van rijp, condens en ijs terwijl de motor draait.
* OPMERKING
- Om beschadiging van de geleiders op het binnenoppervlak van de achterruit te voorkomen, mag u de raam aan de binnenkant nooit met scherpe voorwerpen of schuurmiddelen reinigen.
- Schakel de verwarming alleen in terwijl de motor draait om te voorkomen dat de accu leegloopt.
- De voorruitverwarming is bedoeld om ijs rond de ruitenwissers te verwijderen. Zie "Voorruit ontdooien en ontwasemen" in dit deel als u condens en ijs van de voorruit wilt verwijderen.
Als uw auto voorzien is van spiegelverwarming kunt u deze inschakelen door de schakelaar voor de achterruitverwarming in te drukken.
Druk op de defrosterschakelaar om de defroster in te schakelen. Bij ingeschakelde ruitverwarming gaat er een controlelampje branden. De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld na 20 minuten of als de contactslot uitgeschakeld wordt. Om de verwarming uit te zetten drukt u nogmaals op de achterruitverwarming-knop. Ligt er een dikke laag sneeuw op de achterruit, veeg deze dan weg met een borstel.
Als uw auto voorzien is van spiegelverwarming zal deze gelijktijdig met de achterruitverwarming in werking treden.
KNIPPERLICHTEN
Bij het waarschuwingsknippersignaal gaan de achterlichten en de richtingaanwijzers voorin knipperen. Dit dient als een waarschuwing voor de andere chauffeurs dat ze voorzichtig dienen te zijn bij het naderen of inhalen van uw auto. Om dit signaal te activeren drukt u de schakelaar van het waarschuwingsknippersignaal in. Deze schakelaar werkt in elke stand van de contactslot. Om het waarschuwingsknippersignaal uit te schakelen drukt u nogmaals op de schakelaar.
HANDBEDIEND VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)

- Aanjagerschakelaar
- Luchtcirculatieknop
- Regeling van de temperatuur
- Luchtcirculatietoets
- Toets A/C (Indien van toepassing)

Aanjagerschakelaar
Er zijn vier (4) regelbare ventilatorsnelheden: hoe hoger het nummer, des te hoger de snelheid. De ventilator werkt alleen als de contactsleutel in de stand ON staat.
0 - Ventilator uit
1 - Lage snelheid 2 - Gematigde snelheid 3 - Hoge snelheid 4 - Maximumsnelheid

Regeling van de temperatuur
Met de knop vóór de temperatuurcontrole kunt u de temperatuur regelen van de lucht die uit het ventilatiesysteem stroomt. U kunt de temperatuur van de lucht in het passagiersgedeelte als volgt regelen:
Draai de knop naar rechts voor warme tot hete lucht of naar links voor koelere lucht.

De luchtcirculatieknop regelt de circulatie van de lucht door het ventilatiesysteem.

Lucht komt bij iedere stand uit uitstroomopening D. Sluit de uitstroomopeningen waaruit u geen lucht wilt laten stromen met behulp van de knop.
Stand VENTILEREN

De lucht stroomt naar de romp en naar het hoofd.
Daarnaast kan iedere uitstroomopening versteld worden om de richting van de luchtstroom te wijzigen.
De lucht stroomt naar het hoofd en naar de voetenruimte. De lucht die naar de voetenruimte stroomt, is warmer dan de lucht die naar het hoofd stroomt (behalve wanneer temperatuur zeer laag is ingesteld).
De meeste lucht stroomt naar de voetenruimte en een klein gedeelte stroomt naar de voorruit en de zijruitontwaseming.
De meeste lucht stroomt naar de voetenruimte en de voorruit en een klein gedeelte stroomt door de zijruitontwaseming.
(Uitstroomopening: A, C, D) Wanneer u stand VERWARMEN/ONTWASEMEN kiest, wordt de airconditioning (indien van toepassing) automatisch ingeschakeld en wordt automatisch de stand BUITENLUCHT gekozen. Raadpleeg "Uitschakelen van de airconditioning in de stand VERWARMEN/ONTWASEMEN en de stand ONTWASEMEN" in het gedeelte "Voorruit ontdooien en ontwasemen" wanneer u niet wilt dat de airconditioning inschakelt.
Stand ONTWASEMEN

De meeste lucht stroomt naar de voorruit en een klein gedeelte stroomt door de zijruitontwaseming.
(Uitstroomopening: Ⓐ, Ⓑ) Wanneer u de stand ONTWASEMEN kiest, wordt de airconditioning (indien van toepassing) automatisch ingeschakeld en wordt automatisch de stand BUITENLUCHT gekozen. Raadpleeg "Uitschakelen van de airconditioning in de stand VERWARMEN/ONTWASEMEN en de stand ONTWASEMEN" in het gedeelte "Voorruit ontdooien en ontwasemen" wanneer u niet wilt dat de airconditioning inschakelt.
Luchtcirculatietoets
Stand RECIRCULATIE

Bijna alle buitenluchttoevoer naar het voertuig is afgesloten en lucht binnen het voertuig circuleert.
U kunt deze stand tijdelijk gebruiken voor een maximale verwarming of koeling (als de auto is voorzien van airconditioning) en om te helpen voorkomen dat ongewenste lucht van buitenaf de auto binnendringt.
Z VOORZICHTIG
Wanneer u voortdurend de klimaatbeheersing van de auto laat werken terwijl de luchttoevoer van buitenaf is afgesloten, kan de luchtvochtigheid in de auto toenemen waardoor de ramen kunnen beslaan en het zicht naar buiten kan worden belemmerd.
WAARSCHUWING
Ga niet slapen in de auto wanneer het airconditioningssysteem ingeschakeld is. Door de geconditioneerde zuurstof en een lage lichaamstemperatuur kunnen de inzittenden letsel oplopen.
Stand BUITENLUCHT

Buitenlucht komt in het ventilatiesysteem. Gebruik deze stand voor normale ventilatie en verwarming.
De luchttoevoer zal telkens wanneer u de motor start in de stand BUITENLUCHT staan. Druk op de desbetreffende toets wanneer u de stand RECIRCULATIE wenst.
Raadpleeg het gedeelte "Voorruit ontdooien en ontwasemen" voor het uitschakelen van de stand BUITENLUCHT.

Toets A/C (Indien van toepassing)
Druk op toets A/C om het airconditioningssysteem in te schakelen. Een controlelampje in de toets gaat branden wanneer de aanjager ingeschakeld is. Druk opnieuw op de toets om het airconditioningssysteem uit te schakelen.
Bediening van het Systeem
Ventilatie
1. Schakel de instelknop ventilatiewijze op ↗. 2. Zet de luchttoevoertoets in de gewenste stand. 3. Stel de temperatuur-regelknop op de gewenste temperatuur in. 4. Stel de regelknop ventilatorsnelheid op de gewenste snelheid in.
Verwarming
1. Schakel de instelknop ventilatiewijze op 🚗. 2. Zet de luchttoevoertoets in de gewenste stand.
- Stel de temperatuur-regelknop op de gewenste temperatuur in.
- Stel de regelknop ventilatorsnelheid op de gewenste snelheid in.
- Wenst u ontvochtigde verwarming, zet dan de airconditioning (indien van toepassing) aan.
- Wenst u koele lucht op gezichtsneiveau bij werking op twee niveaus, zet de instelknop ventilatiewijze dan in stand 📄.
- Beslaat de voorruit, zet de instelknop ventilatiewijze dan in stand
Airconditioning (indien van toepassing)
Alle airconditioning-systemen van Kia werken met milieuvriendelijk koelmiddel R 134a dat de ozonlaag niet aantast.
- Start de motor. Druk op toets A/C.
- Zet de luchtcirculatieknop in de stand VENTILEREN.
- Zet de luchttoevoertoets in de stand BUITENLUCHT of de stand RECIRCULATIE.
- Zet de temperatuurregelknop in de gewenste stand.
- Zet de aanjagerknop in de gewenste stand.
- Stel de aanjagersnelheid en de temperatuur bij om een maximaal comfort te bereiken.
- Wenst u warmere lucht op vloerniveau bij werking op twee niveaus, zet de selectieknop ventilatiewijze dan in stand en regel de temperatuur met de regelknop bij tot u een optimaal comfort verkrijgt.
- Wenst u een maximale koeling, draai de temperatuurregelknop dan helemaal naar links en zet de luchtinlaatregelknop op recirculatie. Zet de regelknop ventilatorsnelheid vervolgens op maximumsnelheid.
* OPMERKING
Staat de airconditioning aan bij een hoge buitentemperatuur, hou de temperatuurmeter dan goed in het oog wanneer u lang bergop rijdt of bij erg druk verkeer. Door de werking van de airconditioning kan de motor oververhitten. Geeft de temperatuurmeter aan dat de motor oververhit raakt, laat dan de ventilator aanstaan maar schakel de airconditioning uit.
AUTOMATISCH VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)
Uw auto is uitgerust met een automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem dat bediend wordt door eenvoudigweg de gewenste temperatuur in te stellen.

- Aanjagerknop
- Toets AUTO (automatische regeling)
- Display
- Luchtcirculatietoets
- Temperatuurregeltoets
- Toets A/C
- Toets OFF
- Toets voorruitontwaseming
- Luchtcirculatietoets
- Toets luchtreiniger (indien van toepassing)
- Toets OUTSIDE TEMP
De volautomatische temperatuurregeling (FATC) regelt het verwarmen en het koelen als volgt:
- Druk op toets AUTO. Het controle-lampje zal gaan branden en de standen, de aanjagersnelheden, de luchttoevoer en de airconditioning zullen automatisch geregeld worden totdat de ingestelde temperatuur bereikt is.
- Druk op toets TEMP om de gewenste temperatuur in te stellen. Wanneer de temperatuur ingesteld wordt op 17°C (62°F), zal de airconditioning continu blijven werken.
- Schakel de automatische werking uit door op een willekeurige toets (behalve de bedieningstoets voor de temperatuur en toets AMB) te drukken. Wanneer u op de keuzetoets, toets A/C, toets achterruitverwarming, luchttoevoertoets of de aanjagertoets drukt, wordt de gekozen functie handmatig bediend. De overige functies blijven automatisch werken totdat de aanduiding AUTO verdwijnt.
* OPMERKING
Bedek de sensor op het dashboard nooit, zodat een optimale werking van het verwarmings- en airconditioningssysteem gegarandeerd blijft.
* OPMERKING
De temperatuureenheid zal gereset worden naar graden Celsius wanneer de accu ontladen is of als de accupolen zijn losgenomen.
Dit is normaal. U kunt de temperatuur als volgt overschakelen van Celsius naar Fahrenheit:
Houd toets AMB ingedrukt en druk gelijktijdig toets TEMPERATUUR OMLAAG minstens 3 seconden in. Het display geeft aan dat de temperatuureenheid veranderd is naar graden Celsius of graden Fahrenheit.
Handmatige Bediening
Het verwarmings- en airconditioningssysteem kan ook handmatig geregeld worden met de toetsen anders dan de toets AUTO. In deze stand werkt het systeem sequentieel, afhankelijk van de gekozen toetsen.
De functies van de toetsen die niet worden gekozen worden automatisch geregeld.
Druk op toets AUTO om over te schakelen naar de automatische regeling.
Temperatuurregeltoets
TEMP
Door op toets TEMPERATUUR OMHOOG te drukken zal de temperatuur toenemen tot maximaal 32°C (90°F). Elke keer dat op de toets gedrukt wordt, zal de temperatuur toenemen met 0,5°C (1°F).
Door op toets TEMPERATUUR OMLAAG te drukken zal de temperatuur afnemen tot minimaal 17°C (62°F). Elke keer dat op de toets gedrukt wordt, zal de temperatuur afnemen met 0,5°C (1°F).
Toets OUTSIDE TEMP
OUTSIDE TEMP
De omgevingstemperatuur zal gedurende 5 seconden worden weergegeven waarna de vorige weergave verschijnt.
Wanneer u opnieuw op toets OUTSIDE TEMP drukt, verschijnt de vorige weergave.
Aanjagerknop

De aanjagersnelheid kan ingesteld worden op de gewenste snelheid door op de desbetreffende aanjagertoets te drukken.
Hoe hoger de aanjagersnelheid is, hoe meer lucht wordt aangevoerd.
Druk op toets OFF om de aanjager uit te schakelen.
- Ventilator uit
- Lage snelheid
- Gematigde snelheid
- Hoge snelheid
- Maximumsnelheid
Luchtcirculatietoets

Hiermee kan de stand BUITENLUCHT of de stand RECIRCULATIE worden gekozen.
Druk op de desbetreffende toets om de stand van de luchttoevoer te wijzigen.
Stand RECIRCULATIE

In de stand RECIRCULATIE wordt de lucht uit het passagierscompartiment door het systeem gerecirculeerd en, afhankelijk van de gekozen functie, gekoeld of verwarmd.
Stand BUITENLUCHT

In de stand BUITENLUCHT stroomt de lucht van buitenaf in het passagierscompartiment. Deze lucht wordt, afhankelijk van de gekozen functie, verwarmd of gekoeld.
De luchttoevoer wordt ingesteld op de stand BUITENLUCHT wanneer u de motor start en u de stand RECIRCULATIE handmatig hebt ingesteld voordat de motor werd uitgezet.
Raadpleeg het gedeelte "Voorruit ontdooien en ontwasemen" voor het uitschakelen van de stand BUITENLUCHT.
* OPMERKING
Let op: Door langdurig gebruik van de stand RECIRCULATIE kunnen de ruiten beslaan en zal de lucht in het passagierscompartiment muf worden.
Daarnaast kan de lucht in het passagierscompartiment extreem droog worden bij langdurig gebruik van de airconditioning in de stand RECIRCULATIE.
WAARSCHUWING
- Laat de klimaatregeling niet continu in de recirculatiestand werken. Anders neemt de luchtvochtigheid in de auto sterk toe, waardoor de ramen kunnen beslaan en het zicht belemmerd wordt.
- Ga niet slapen in de auto wanneer het airconditioningssysteem ingeschakeld is. Door de geconditioneerde zuurstof en een lage lichaamstemperatuur kunnen de inzittenden letsel oplopen.
Luchtcirculatietoets
MODE
De luchtcirculatietoets regelt de circulatie van de lucht door het ventilatiesysteem.
De luchtuitstroomopeningen zijn hetzelfde als bij het handbediende verwarmings- en ventilatiesysteem.

Stand VENTILEREN

De lucht stroomt naar de romp en naar het hoofd.
Daarnaast kan iedere uitstroomopening versteld worden om de richting van de luchtstroom te wijzigen. (Uitstroomopening: Ⓑ, Ⓓ)
Stand BI-LEVEL

De lucht stroomt naar het hoofd en naar de voetenruimte. De lucht die naar de voetenruimte stroomt, is warmer dan de lucht die naar het hoofd stroomt (behalve wanneer temperatuur zeer laag is ingesteld).
De meeste lucht stroomt naar de voetenruimte en een klein gedeelte stroomt naar de voorruit en de zijruitontwaseming.
De meeste lucht stroomt naar de voetenruimte en de voorruit en een klein gedeelte stroomt door de zijruitontwaseming.
Op basis van de omgevingstemperatuur zal de airconditioning automatisch worden ingeschakeld en de stand BUITENLUCHT automatisch worden gekozen. Druk op de desbetreffende toets wanneer u niet wilt dat de airconditioning wordt ingeschakeld of dat de stand BUITENLUCHT wordt gekozen.
Toets Voorruitontwaseming

Wanneer op de toets voorruitontwaseming wordt gedrukt, wordt de stand BUITENLUCHT automatisch gekozen en stroomt de lucht uit de uitstroomopeningen bij de voorruit. Op basis van de omgevingstemperatuur zal de airconditioning automatisch gaan werken. Druk op de desbetreffende toets wanneer u niet wilt dat de airconditioning wordt ingeschakeld of dat de stand BUITENLUCHT wordt gekozen.

Airconditioning
Alle airconditioningsystemen van Kia werken met milieuvriendelijk koelmiddel R134a dat de ozonlaag niet aantast.
- Start de motor en druk op de toets A/C.
- Kies de stand VENTILEREN.
- Kies de stand BUITENLUCHT of RECIRCULATIE.
- Stel de gewenste temperatuur in.
- Kies de gewenste aanjagersnelheid.
- Stel de aanjagersnelheid en de temperatuur bij om een maximaal comfort te bereiken.
* OPMERKING
Staat de airconditioning aan bij een hoge buitentemperatuur, houd de temperatuurmeter dan goed in het oog wanneer u lang bergop rijdt of bij erg druk verkeer. Door de werking van de airconditioning kan de motor oververhitten. Geeft de temperatuurmeter aan dat de motor oververhit raakt, laat dan de ventilator aanstaan maar schakel de airconditioning uit.
Gebruikstips airconditioning
- Heeft u uw auto bij warm weer in de volle zon geparkeerd, open dan even de ramen zodat de hete lucht uit de auto kan ontsnappen.
- Om te voorkomen dat de ramen bij vochtig weer beslaan, kunt u de vochtigheid in uw auto verlagen door de airconditioning aan te zetten.
- Terwijl de airconditioning werkt, kunt u opmerken dat de motor bij stationair draaien even van toerental verandert wanneer de compressor van de airconditioning aanslaat. Dit is volkomen normaal.
- Laat de airconditioning elke maand minstens een paar minuten werken.
- Nadat u de airconditioning gebruikt hebt kan er aan de passagierszijde van uw auto helder water op de grond drupt (of zelfs loopt). Dit is volkomen normaal.
- De airconditioning is uitgerust met een systeem dat de compressor automatisch uitschakelt als de koelvloeistof van de motor het oververhittingspunt nadert. De compressor zal opnieuw beginnen werken zodra de temperatuur van de koelvloeistof weer binnen het "normale" bereik ligt. De compressor van de airconditioning wordt ook enkele seconden uitgeschakeld wanneer u het gaspedaal helemaal induwt.
- Stel de luchtinlaat-regelknop op buitenlucht (frisse lucht) in wanneer de airconditioning werkt.
- In de recirculatiestand geeft de airconditioning een maximale koeling, maar als u het systeem langere tijd in deze stand laat werken wordt de lucht in de auto muf.
Luchtreiniger
(Indien van toepassing)
De aanvoer van buitenlucht wordt automatisch geregeld. Druk op toets (✗) om de luchtreiniger te activeren. Druk om het systeem te deactiveren op toets (✗), op de luchttoevoertoets of kies de stand ONTWASEMEN (✗, ✉).
VOORRUIT ONTDOOIEN EN ONTWASEMEN (HANDMATIG)

- Kies de stand VERWARMEN/ONTWASEMEN ( ) of de stand ONTWASEMEN ( ).
- Stel de gewenste temperatuur in.
- Schakel de aanjager in.
- De airconditioning (indien van toepassing) wordt automatisch ingeschakeld en de stand BUITENLUCHT wordt automatisch gekozen.
Druk op de desbetreffende toets wanneer u niet wilt dat de airconditioning wordt ingeschakeld of dat de stand BUITENLUCHT wordt gekozen.
Z VOORZICHTIG
Gebruik de stand niet bij koelwerking en extreem vochtig weer. Door het temperatuurverschil tussen de buitenlucht en de voorruit zou de voorruit aan de buitenkant kunnen beslaan, wat het zicht zou belemmeren.

- Kies de stand ONTWASEMEN (###).
- Zet de aanjager in stand "3" of "4".
- Stel de temperatuur in op maximaal.
- Op basis van de omgevingstemperatuur zal de airconditioning automatisch worden ingeschakeld en de stand BUITENLUCHT worden gekozen.
Druk op de desbetreffende toets wanneer u niet wilt dat de airconditioning wordt ingeschakeld of dat de stand BUITENLUCHT wordt gekozen.
- Vóór maximale ontdooling draait u de temperatuur-regelknop helemaal naar rechts (zeer warm) en zet u de regelknop ventilatorsnelheid in de hoogste stand.
- Wenst u een warme luchtstroom naar de vloer terwijl de raam ontdooid of ontwasemt wordt, zet de instelknop ventilatiewijze dan in stand 📄.
- Verwijder alle ijs en sneeuw van de voorruit, achterruit, buitenspiegels en alle zijramen voor u wegrijdt.
- Verwijder alle sneeuw en ijs van de motorkap en de luchtinlaat in de grille aan de motorkap zodat de verwarming en verwarming beter kunnen werken en de voorruit minder gemakkelijk beslaat.

Uitschakelen van de airconditioning en de stand BUITENLUCHT in de stand VERWARMEN/ONT-WASEMEN en de stand ONT-WASEMEN (Indien van toepassing);
Wanneer u de stand VERWARMEN/ONTWASEMEN of de stand ONTWASEMEN kiest, schakelt het systeem de airconditioning automatisch in en wordt de stand BUITENLUCHT gekozen.
Voer de volgende procedure uit wanneer u niet wilt dat in deze standen de airconditioning inschakelt en dat de stand BUITENLUCHT gekozen wordt:
1) Schakel de aanjager uit. 2) Draai de luchtcirculatieknop in de stand "ontwasemen" ( ). 3) Druk de stand RECIRCULATIE ( ) binnen 3 seconden minimaal 5 keer in.
Het controlelampje in de toets RECIRCULATIE knippert vervolgens 3 keer met tussenpozen van 0,5 seconde.
Voer dezelfde procedure uit wanneer u terug wilt keren naar het automatisch inschakelen van de airconditioning en het automatisch kiezen van de stand BUITENLUCHT.
Voer dezelfde procedure uit wanneer u terug wilt keren naar het kiezen van de stand BUITENLUCHT bij het starten van de motor of wanneer u dit uit wilt schakelen.
VOORRUIT ONTDOOIEN EN ONTWASEMEN (AUTOMATISCH)

Binnenkant Voorruit
- Druk op de toets voorruitontwaseming ( ).
- Stel de gewenste temperatuur in.
- Schakel de aanjager ( Ⓧ ) in.
- Op basis van de omgevingstemperatuur zal de airconditioning automatisch worden ingeschakeld en de stand BUITENLUCHT worden gekozen.
Druk op de desbetreffende toets wanneer u niet wilt dat de airconditioning wordt ingeschakeld of dat de stand BUITENLUCHT wordt gekozen.
VOORZICHTIG
Gebruik de stand niet bij koele werking en extreem vochtig weer.
Door het temperatuurverschil tussen de buitenlucht en de voorruit zou de voorruit aan de buitenkant kunnen beslaan, wat het zicht zou belemmeren.

Buitenkant Voorruit
- Druk op de toets voorruitontwaseming ( ).
- Zet de aanjager in stand ♣ of ♣.
- Stel de temperatuur in op maximaal (25°C~32°C).
- Op basis van de omgevingstemperatuur zal de airconditioning automatisch worden ingeschakeld en de stand BUITENLUCHT worden gekozen.
Druk op de desbetreffende toets wanneer u niet wilt dat de airconditioning wordt ingeschakeld of dat de stand BUITENLUCHT wordt gekozen.

Uitschakelen van de airconditioning en de stand BUITENLUCHT in de stand VERWARMEN/ONTWASEMEN en de stand ONTWASEMEN
(Indien van toepassing);
- Druk op de toets voorruitontwaseming om de stand ONTWASEMEN ( ) te kiezen.
- Houd de toets A/C ingedrukt en druk gelijktijdig de toets RECIRCULATIE (☐) binnen 3 seconden ten minste 5 keer in.
Daarna knippert het controlelampje 3 keer met tussenpozen van 0,5 seconde.
Voer dezelfde procedure uit wanneer u terug wilt keren naar het kiezen van de stand BUITENLUCHT bij het starten van de motor of wanneer u dit uit wilt schakelen. Dit is alleen van toepassing wanneer de stand RECIRCULATIE handmatig werd ingesteld voordat de motor werd uitgeschakeld.
RIJTIPS
Benodigde Brandstof 5-2
Uitlaatsysteem 5-4
Voor u Wegrijdt 5-6
Tips voor Zuinig Rijden 5-8
Bijzondere Rijomstandigheden 5-9
Trekken van een Aanhangwagen 5-15
Overlading 5-24
Voertuig-identificatienummer (VIN) 5-24
Informatie op Labels 5-24
RIJTIPS
BENODIGDE BRANDSTOF
Benzinemotor (Loodvrij)
Uw nieuwe Kia-auto rijdt alleen op loodvrije benzine met een octaangehalte van 91 of hoger.
Uw nieuwe Kia-auto bereikt een maximaal vermogen en minimale emissiewaarden en vervuiling van de bougie met LOODVRIJE BENZINE.
* OPMERKING
TANK NOOIT LOODHOUDENDE BENZINE. Bij gebruik van loodhoudende benzine werkt de katalysator slecht, wordt de zuurstofsensor van de motorsturing beschadigd en wordt de uitlaatregeling aangetast.
Giet nooit andere reinigingsmiddelen voor het brandstofsysteem dan die door Kia aanbevolen worden in de brandstoftank. (Voor meer informatie hierover kunt u bij uw Kia-dealer terecht).
Benzinemotor (Loodhoudend)
In landen waar alleen loodhoudende benzine verkrijgbaar is, mag uw nieuwe Kia loodhoudende benzine gebruiken. Uw nieuwe Kia is dan speciaal ontworpen om loodhoudende benzine te gebruiken. In dit geval dient u alleen loodhoudende benzine te gebruiken. Controleer a.u.b. of uw auto geschikt is voor loodhoudende benzine of niet.
Benzine die alcohol en methanol bevat
Gasohol, een mengsel van benzine en ethanol (ook wel graanalcohol genoemd) en benzine of gasohol die methanol bevat (ook wel houtalcohol genoemd) worden naast of in plaats van loodhoudende of loodvrije benzine verkocht.
Gebruik nooit gasohol die meer dan 10% ethanol bevat en gebruik nooit benzine of gasohol die methanol bevat. Door deze brandstoffen kan de motor minder goed gaan lopen of kan het brandstofsysteem beschadigd worden.
Stop onmiddellijk met het gebruik van gasohol als u merkt dat de motor minder goed gaat lopen.
Schade aan uw voertuig of storingen met het goed lopen van de motor vallen niet onder de garantie van de fabrikant als ze veroorzaakt zijn door het gebruik van:
1. Gasohol die meer dan 10% ethanol bevat. 2. Benzine of gasohol die methanol bevat. 3. Loodhoudende benzine of loodhoudende gasohol.
* OPMERKING
Gebruik nooit gasohol die methanol bevat. Stop met het gebruik van gasohol die de motor minder goed laat lopen.
RIJTIPS
UITLAATSYSTEEM
Ombouwen van uw auto
Deze auto mag niet omgebouwd worden. Door uw Kia om te bouwen zouden zijn vermogen, veiligheid en duurzaamheid kunnen afnemen en kunt u mogelijk nationale veiligheids- en emissievoorschriften overtreden.
Bovendien vallen beschadigingen en vermogensproblemen die voortvloeien uit aanpassingen niet onder de garantie.
Voorzorgsmaatregelen uitlaatgas (koolstofmonoxide)
De uitlaatgassen van uw auto bevatten koolstofmonoxide. Dit gas is kleur- en geurloos, maar erg gevaarlijk. De inademing ervan kan dodelijk zijn.
- Alle uitlaatgassen kunnen koolstofmonoxide bevatten. Laat uw auto daarom onmiddellijk nakijken en repareren bij een erkend Kia-dealer of in een andere servicewerkplaats als u in de passagiersruimte van uw auto uitlaatgassen ruikt. Vermoedt u dat er uitlaatgassen in de passagiersruimte vrijkomen, rij dan alleen nog met alle ramen open. Laat uw auto onmiddellijk nakijken en repareren.
- Laat de motor in een kleine, gesloten ruimte (bijvoorbeeld in een garage) niet langer draaien dan nodig is om met uw auto naar binnen of buiten te rijden.
- Stopt u langere tijd met draaiende motor in een open ruimte, regel het verwarmings- of koelsysteem dan zo dat er voldoende frisse buitenlucht in de auto komt. • Blijf nooit langere tijd in een geparkeerde of stilstaande auto met draaiende motor zitten.
Voorzorgsmaatregelen bij het gebruik van de katalysator
Uw auto is met een katalysator uitgerust.
Daarom moet u de volgende voorzorgsmaatregelen in acht nemen:
- Gebruik bij een benzinemotor uitsluitend loodvrije benzine.
- Parkeer uw auto niet boven of in de buurt van ontvlambare voorwerpen zoals droog gras, papier, bladeren enz. In bepaalde omstandigheden zouden deze door het hete uitlaatsysteem vuur kunnen vatten.
- Rij niet met de auto als u vermoedt dat de motor ontregeld is, bijvoorbeeld als de motor overslaat of als het vermogen afneemt. Maak geen foutief gebruik of misbruik van de motor. Voorbeelden van foutief gebruik zijn vrij rollen zonder dat de motor loopt of een steile helling in versnelling afrijden zonder dat de motor loopt.
- Laat de motor nooit langere tijd (5 minuten of meer) stationair draaien op hoog toerental.
- Breng geen wijzigingen aan delen van de motor of het uitlaatsysteem aan en knoei er niet aan. Laat alle inspecties en afstellingen door een gekwalificeerd vakman uitvoeren.
Als u deze voorzorgsmaatregelen niet naleeft kunt u schade aan de katalysator en aan uw auto veroorzaken. Bovendien zou u hierdoor elke aanspraak op garantie verliezen.
RIJTIPS
VOOR U WEGRIJDT
Voor u in uw auto stapt:
- Controleer of alle ramen, buitenspiegels en lichten schoon zijn.
- Controleer de toestand van de banden.
- Controleer onder de auto op sporen van lekkage.
- Kijk als u achteruit wil rijden of er geen obstakels achter de auto staan.
Noodzakelijke inspecties
Controleer regelmatig het peil van alle vloeistoffen, bijvoorbeeld van motorolie, motorkoelvloeistof, rem/koppelingsvloeistof en sproeiervloeistof. Het exacte interval hangt van de vloeistof af. Meer informatie vindt u in hoofdstuk 7: Onderhoud.
Voor u start
- Sluit alle portieren.
- Verstel uw stoel zo dat u alle bedieningselementen gemakkelijk kunt bereiken.
- Stel de achteruitkijkspiegel en de buitenspiegels in.
- Controleer of alle lichten werken.
- Controleer alle metertjes.
- Controleer nadat u de contactsleutel naar ON hebt gedraaid of alle waarschuwingslampjes werken.
- Zet de handrem er af en controleer of het waarschuwingslampje van de remmen uitgaat.
Om veilig te kunnen rijden moet u voldoende vertrouwd zijn met uw auto en zijn uitrusting.
Rijden onder invloed van alcohol
Rijden als u gedronken hebt is erg gevaarlijk. Rijden onder invloed is de belangrijkste oorzaak van dodelijke verkeersongevallen. Alcohol vermindert het beoordelingsvermogen, het gezichtsvermogen en de spiercoördinatie van de chauffeur. Zelfs met een beetje alcohol in het bloed nemen de reflexen en het beoordelingsvermogen gevoelig af.
Rij daarom nooit onder invloed en rij nooit mee met een chauffeur die gedronken heeft. Als u in groep bent, kies dan een chauffeur die nuchter blijft. Bent u alleen, bel dan een taxi.
Rijden onder invloed van drugs
Rijden onder invloed van drugs is net zo gevaarlijk of zelfs nog gevaarlijker dan rijden als u gedronken hebt, afhankelijk van de gebruikte drug en de ingenomen dosis. Gebruik daarom nooit drugs als u moet rijden.
TIPS VOOR ZUINIG RIJDEN
Het brandstofverbruik van uw auto hangt voornamelijk van uw rijstijl, de plaats waar u rijdt en wanneer u rijdt af. Elk van deze factoren beïnvloedt het aantal kilometer dat u met één liter brandstof kan afleggen. Als u rekening houdt met de volgende tips, zal uw auto erg zuinig rijden en kunt u heel wat besparen op brandstof en reparaties:
- Laat de motor niet te lang stationair draaien om op te warmen. Begin te rijden zodra de motor goed loopt. Vergeet niet dat de motor op koude dagen iets meer tijd nodig heeft om op te warmen.
- Door langzaam op te trekken nadat u gestopt bent, bespaart u brandstof.
- Hou de motor in goede conditie en laat hem regelmatig onderhouden op de aanbevolen tijdstippen. Zo verlengt u de levensduur van alle onderdelen en rijdt u zuiniger.
- Gebruik de airconditioning alleen indien nodig. • Verminder als u op slechte wegen rijdt.
- Hou de bandenspanning op de aanbevolen waarde, zodat de banden langer meegaan en uw auto minder brandstof verbruikt.
- Hou voldoende afstand van uw voorligger zodat u niet bruusk moet stoppen. Zo voorkomt u voortijdige slijtage van uw remvoeringen en remblokjes. U bespaart tevens op brandstof omdat de auto meer verbruikt bij het optrekken.
- Neem geen onnodig gewicht mee in uw auto. • Laat uw voet tijdens het rijden niet op het rempedaal rusten. Hierdoor verslijten de remmen sneller en kunnen ze defect raken. Bovendien verbruikt uw auto meer brandstof.
- Door een slechte wieluitlijning verslijten de banden sneller en verbruikt uw auto meer brandstof.
- Als u snel rijdt met open ramen verbruikt uw auto meer brandstof.
- Bij sterke zijwind en tegenwind verbruikt uw auto meer brandstof. Dit verlies kunt u gedeeltelijk compenseren door in deze omstandigheden langzamer te rijden.
Om zuinig en veilig te kunnen rijden, moet uw auto in goede staat blijven. Laat hem daarom op geregelde tijdstippen inspecteren en onderhouden door een erkend Kia-dealer.
WAARSCHUWING
- Rollen met Uitgeschakelde Motor
Laat uw auto nooit van een helling rollen of op een andere manier rollen met uitgeschakelde motor. De stuurbekrachtiging en rembekrachtiging werken niet als de motor niet draait. Rem voor het afrijden van een helling op de motor door naar een lagere versnelling te schakelen.
BIJZONDERE RIJOMSTANDIGHEDEN
Gevaarlijke rijomstandigheden
Moet u rijden in gevaarlijke omstandigheden, bijvoorbeeld in water, sneeuw, ijs, modder, zand of andere gevaarlijke situaties, volg dan de onderstaande suggesties:
- Rij voorzichtig en houd extra afstand om tijdig te kunnen remmen.
- Vermijd plotselinge rem- of stuurbewegingen.
- Om te remmen in vierwielaandrijving remt u pompend met een lichte, open neergaande beweging tot uw auto stilstaat.
- Stopt uw auto in de sneeuw, modder of zand, schakel dan naar de tweede versnelling of schakel over op vierwielaandrijving (indien aanwezig). Geef langzaam gas om te voorkomen dat de aangedreven wielen doorslippen.
- Stopt u op ijs, sneeuw of modder, breng dan zand, steenzout, sneeuwkettingen of een ander niet-glijdend materiaal onder de aangedreven wielen aan. (Zie ook "Gebruik van vierwielaandrijving", indien aanwezig)
WAARSCHUWING - Terugschakelen
Op een glad wegdek terugschakelen naar de 1e versnelling bij een handgeschakelde transmissie of naar stand L bij een automatische transmissie kan ongelukken veroorzaken. Door de plotselinge verandering in wielsnelheid kunnen de banden slippen. Wees voorzichtig met het terugschakelen op een glad wegdek.
Op eigen kracht lostrekken van de auto
Verdraai eerst het stuurwiel een aantal keren naar rechts en naar links om de voorwielen vrij te maken wanneer de auto vastzit in ijs, modder of sneeuw en het nodig is de auto heen en weer te schommelen om te proberen hem los te trekken. Schakel vervolgens afwisselend de 1e versnelling en de R (Achteruit) (bij een handgeschakelde transmissie) in of stand R en een van de vooruitversnellingen (bij een automatische transmissie). Laat de motor niet met een te hoog toerental draaien en laat de wielen niet te lang doorslippen. Voer het toerental van de motor niet te hoog op. Als de auto na enkele minuten nog vastzit, dient u de auto los te laten trekken om oververhitting van de motor en beschadiging van de transmissie te voorkomen.
* OPMERKING
Het langdurig van de eerste versnelling naar de achteruit en omgekeerd schakelen kan oververhitting van de motor, beschadiging van de transmissie of de tussenbak en bandenslijtage veroorzaken.
WAARSCHUWING
- Doorslippende banden
Laat de wielen niet doorslippen, zeker niet met snelheden boven 56 km/u. Als de wielen met hoge snelheid doorslippen terwijl de auto stilstaat, kunnen de banden oververhitten en zelfs ontploffen en omstanders verwonden.
Rijden in het donker
Aan 's nachts rijden zijn meer risico's verbonden dan aan rijden in daglicht. Hier volgen enkele belangrijke tips:
- Rij langzamer en houd meer afstand van voorliggers. 's Nachts ziet u immers minder dan overdag, zeker op onverlichte wegen.
- Verstel uw spiegels zodat u niet verblind wordt door de lichten van achterliggers.
- Zorg ervoor dat uw koplampen schoon en goed afgesteld zijn. Met vuile of slecht afgestelde koplampen ziet u 's nachts minder goed.
- Kijk nooit direct naar de koplampen van uw tegenliggers. Hierdoor zou u tijdelijk verblind kunnen worden. Uw ogen hebben immers enkele seconden nodig om zich opnieuw aan de duisternis aan te passen.
Rijden in de regen
Bij regen en op een nat wegdek is het gevaarlijk rijden, zeker als u niet op een modderig wegdek voorbereid bent.
Hier volgen enkele tips om veilig te rijden in de regen:
- Bij hevige regen wordt uw zicht belemmerd en wordt de remafstand van uw auto aanzienlijk langer. Rij daarom langzamer.
- Zorg ervoor dat uw ruitenwissers in perfecte staat zijn. Vervang uw ruitenwisserbladen als ze strepen achterlaten of delen van de voorruit overslaan.
- Als u met versleten banden rijdt, kan uw auto bij het stoppen op een nat wegdek gaan slippen en een ongeval veroorzaken. Zorg ervoor dat uw banden in goede staat zijn.
- Zet uw koplampen aan zodat u goed zichtbaar bent voor andere weggebruikers.
- Als u te snel door plassen rijdt, kunnen uw remmen nat worden. Moet u door een plas rijden, doe dit dan steeds langzaam.
- Vermoedt u dat uw remmen nat geworden zijn, rem dan zachtjes terwijl u rijdt tot het normale remvermogen hersteld is.
Rijden in de Winter
- Het verdient aanbeveling, steeds de nodige winteruitrusting in de auto te hebben. Daartoe behoren sneeuwkettingen, een ruitenkrabber, ruitontdooier, een zakje zand of zout, noodlicht, een klein schopje en startkabels.
- Zorg ervoor dat er voldoende ethyl-eenglycol in het koelmiddel van de radiator zit.
- Controleer de toestand van de accu en de kabels. Door de lage temperatuur neemt de capaciteit van elke accu af. Daarom moet uw accu in perfecte staat zijn zodal ze 's winters voldoende startvermogen kan leveren.
- Gebruik motorolie met een viscositeit die geschikt is voor koud weer.
- Controleer het ontstekingssysteem op losse aansluitingen en beschadiging.
- Gebruik ruitensproeiervloeistof met antivries. (Gebruik geen antivries voor de motorkoelvloeistof.)
- Gebruik bij vorst de parkeerrem niet. Schakel tijdens het parkeren bij een automatische transmissie stand P in en bij een handgeschakelde transmissie de 1e versnelling of de stard R en blokkeer de achterwielen.
Sneeuwbanden
Monteert u sneeuwbanden op uw Kia, zorg er dan voor dat het radiale banden met dezelfde bandenmaat en draagkracht als uw originele banden zijn. Monteer sneeuwbanden op de vier wielen zodat u uw auto in alle weersomstandigheden goed onder controle kan houden. Hou er rekening mee dat sneeuwbanden op een droog wegdek minder grip kunnen hebben als de standaardbanden van uw auto. Rij steeds voorzichtig, ook op gestrooide wegen. Volg de aanbevelingen van uw bandenleverancier in verband met de maximumsnelheid voor het gekozen bandentype.
WAARSCHUWING
- Sneeuwbandenmaat
Gebruik sneeuwbanden met dezelfde bandenmaat en van hetzelfde type als de standaardbanden van uw auto. Anders kunnen de veiligheid en de bestuurbaarheid van uw auto in het gedrang komen.
Sneeuwkettingen
Breng sneeuwkettingen aan wanneer de rijomstandigheden dit vereisen. Zorg ervoor dat de kettingen geschikt zijn voor het type band dat op uw auto gemonteerd is. Breng de sneeuwkettingen zo strak mogelijk aan om de aangedreven wielen. Wanneer metalen kettingen gebruikt worden, moeten ze van het SAE-type "S" zijn. Ook kunnen andere soorten kettingen gebruikt worden.
Opleggen van de kettingen
Volg bij het opleggen van de kettingen de instructies van de fabrikant en bevestig de kettingen zo strak mogelijk. Rij langzaam met gemonteerde sneeuwkettingen. Hoort u dat de kettingen de carrosserie of het chassis raken, stop dan en span ze strakker aan. Raken ze de carrosserie of het chassis nog steeds, verminder dan tot dit ophoudt. Verwijder de kettingen onmiddellijk wanneer u opnieuw op gestrooide wegen rijdt.
WAARSCHUWING
- Sneeuwkettingen
- Bij gebruik van sneeuwkettingen kan de auto iets moeilijker bestuurbaar worden.
- Rij niet sneller dan 30 km/h of de door de kettingfabrikant aanbevolen maximumsnelheid als die lager ligt.
- Rij voorzichtig en vermijd bulten, putten, scherpe bochten en andere omstandigheden waarin uw auto kan gaan stuiteren. • Vermijd scherpe bochten of remmen met geblokkeerde wielen.
- Niet goed passende of slecht geïnstalleerde kettingen kunnen de remvoeringen, de ophanging, de carrosserie en de wielen van uw auto beschadigen.
- Stop onmiddellijk als u de kettingen tegen uw auto hoort slaan en span ze aan.
RIJTIPS
Rijden in overstroomde gebieden
Rij niet door overstroomde gebieden, tenzij u er zeker van bent dat het water niet hoger dan de onderzijde van de wielnaaf komt. Rij langzaam door water. Houd voldoende remafstand, omdat het remvermogen van uw auto verminderd kan zijn.
Droog uw remmen nadat u door water gereden bent, door meermaals licht te remmen terwijl u langzaam rijdt.
TREKKEN VAN EEN AANHANGWAGEN
WAARSCHUWING - Trekken van een aanhangwagen
Als u niet de juiste uitrusting gebruikt of niet volgens de regels rijdt, kunt u bij het trekken van een aanhangwagen de controle over het stuur verliezen. Door overlading van de aanhangwagen kan uw remvermogen bijvoorbeeld sterk afnemen en kunnen u of uw passagiers ernstig of zelfs dodelijk verwond worden. Volg alle stappen in deze paragraaf zorgvuldig als u een aanhangwagen gaat trekken.
* OPMERKING
Door op een foute manier een aanhangwagen te trekken kunt u uw auto beschadigen, met dure reparaties die niet onder de garantie vallen tot gevolg. Volg de instructies in dit hoofdstuk voor het trekken van een aanhangwagen.
| Onderwerp\Motor | Dieselmotor | Benzinemotor | |||||
| 1,6 Motor | 1,8 Motor | ||||||
| 5 Stoelen | 6 Stoelen | 5 Stoelen | 5 Stoelen | 6 Stoelen | 7 Stoelen | ||
| Maximumla ding aan- hangwagen | Aanhangwage n zonder rem- systeem | 530(1168) | 0 | 530(1168) | 530(1168) | 0 | 0 |
| Aanhangwage n met remsys- teem | 1250(2756) | 0 | 1250(2756) | 1250(2756) | 0 | 0 | |
| Maximale kogeldrukkg (lbs.) | 50(110) | - | 50(110) | 50(110) | - | - | |
| Gebruik alleen een goedgekeurde trekhaakmm (inch) | 1116(44) | - | 1116(44) | 1116(44) | - | - | |

Meer informatie over de trekcapaciteit van uw auto vindt u verder in dit hoofdstuk onder "Gewicht van de aanhangwagen".
Houd er rekening mee dat het trekken van een aanhangwagen verschilt van gewoon rijden. Als u een aanhangwagen trekt, moet u uw rijstijl aanpassen. Uw auto wordt zwaarder belast en zal meer brandstof verbruiken. Om op een veilige manier een aanhangwagen te trekken moet u over de juiste uitrusting beschikken en deze ook correct gebruiken.
In dit hoofdstuk vindt u belangrijke tips en veiligheidsaanwijzingen voor het gebruik van een aanhangwagen. Veel van deze tips zijn belangrijk voor uw veiligheid en die van uw passagiers. Lees dit hoofdstuk daarom grondig voor u een aanhanger trekt.
De componenten van uw auto zoals de motor, overbrenging, wielconstructies en banden worden zwaarder belast door het bijkomende gewicht van de aanhangwagen. De motor moet op een hoger toerental en met een zwaardere belasting draaien. Door deze extra belasting komt er meer warmte vrij. Met een aanhangwagen vangt u ook meer wind, zodat de belasting van uw auto nog toeneemt.
Wanneer u een aanhangwagen gaat trekken
Hieronder vindt u enkele belangrijke punten waarop u bij het trekken van een aanhangwagen dient te letten:
- Overweeg het gebruik van een anti-slingersysteem. De leverancier van uw trekhaak kunt u hierover informeren.
- Zodra uw kilometerteller een afstand van 800 km of meer aanwijst, mag u een aanhangwagen trekken. Rij de eerste 800 km niet meer dan 80 km/u met aangekoppelde aanhangwagen en start niet volgas. Zo kunnen de motor en andere onderdelen van uw auto zich op de zwaardere belasting instellen.
- Hou rekening met drie belangrijke aanbevelingen wat het gewicht betreft:
Gewicht van de aanhangwagen Hoe zwaar mag een aanhangwagen zijn om veilig te kunnen rijden? Hij mag nooit meer dan 1250 kg (2756 lbs.). Maar ook dat kan nog teveel zijn. Het toelaatbare gewicht hangt van het gebruiksdoel af. De snelheid, hoogte, helling en buitentemperatuur spelen een belangrijke rol. Het ideale gewicht van de aanhangwagen is ook afhankelijk van de speciale uitrusting van uw auto.
RIJTIPS
Kogeldruk
De kogeldruk van een aanhangwagen speelt een belangrijke rol omdat hij het totale brutogewicht van de auto (GVW) beïnvloedt. Dit gewicht omvat het leeggewicht van uw auto, de lading die u erin vervoert en de personen die erin rijden. Als u een aanhangwagen trekt, moet u ook de kogeldruk bij het brutogewicht optellen omdat uw auto deze last eveneens draagt. De kogeldruk mag maximaal 10% van het totale gewicht van de aanhangwagen bedragen. Controleer nadat de aanhangwagen geladen is het totale gewicht en de kogeldruk afzonderlijk om te weten of het gewicht goed verdeeld is. Is dit niet het geval, verdeel het gewicht dan door bepaalde voorwerpen in de aanhangwagen van plaats te veranderen.
Z VOORZICHTIG
- Laad een aanhangwagen achterin nooit zwaarder dan voorin. 60% van het totale gewicht van de aanhangwagen moet zich voorin bevinden en ongeveer 40% achteraan.
- Overschrijd nooit de maximale toegelaten belasting van uw aanhangwagen of trekhaak. Door een slechte of te zware lading kunt uw auto schade oplopen en kunt u verwondingen oplopen. Controleer het gewicht en de gewichtsverdeling op een gewone weegschaal of laat ze controleren bij een instantie die hiertoe over de nodige uitrusting beschikt.
Trekhaak
Het is belangrijk een geschikte trekhaak te installeren. Bij sterke zijwind, voorbijrijdende vrachtauto's en op oneffen wegen is een degelijke trekhaak onmisbaar. Hou rekening met de volgende regels:
- Moeten er gaten in de carrosserie van uw auto gemaakt worden voor de installatie van de trekhaak, zorg er dan voor dat u deze gaten goed afdicht als u het systeem weer verwijdert. Anders kan er dodelijk koolstofmonoxide (CO) uit uw uitlaatsysteem in de auto terechtkomen of kunnen er vuil en water binnen komen. - De bumpers van uw auto zijn niet op de installatie van een trekhaak berekend. Installeer nooit gehuurde of andere treksystemen op de bumpers. Gebruik alleen een trekhaak die aan het chassis bevestigd wordt.
Veiligheidskettingen
Bevestig altijd veiligheidskettingen tussen uw aanhangwagen en uw auto. Steek de veiligheidskettingen onder de trekstang van uw aanhangwagen door zodat de trekstang niet op de grond kan vallen als hij van de trekhaak loskomt. De fabrikant van uw trekhaak of uw aanhangwagen kan bijkomende instructies voor het gebruik van de veiligheidskettingen geven. Maak de veiligheidskettingen vast volgens de instructies van de fabrikant. Geef de ketting net genoeg speling zodat u met uw aanhangwagen kan draaien. Laat de veiligheidskettingen nooit over de grond slepen.
Remmen van de aanhangwagen
Weegt uw aanhangwagen meer dan 530 kg in geladen toestand, dan moet hij over een eigen remsysteem beschikken. Volg alle instructies voor het remsysteem van uw aanhangwagen zodat u het correct kan installeren, afstellen en onderhouden.
- Tak het remsysteem van uw auto niet af.
VOORZICHTIG
Gebruik geen aanhangwagen met eigen remmen tenzij u er absoluut zeker van bent dat het remsysteem correct geïnstalleerd is. Dit is geen werk voor amateurs. Laat dit werk door een ervaren en bekwaam installateur uitvoeren.
Rijden met een aanhangwagen
Rijden met een aanhangwagen vergt een zekere ervaring. Voor u de weg op gaat, moet u uw aanhangwagen eerst wat leren kennen. Gun uzelf wat tijd om te wennen aan de besturing en het remmen met het extra gewicht van de aanhangwagen. Vergeet ook niet dat de combinatie die u nu bestuurt heel wat langer is dan uw auto alleen en niet zo snel reageert.
Controleer voor u vertrekt de trekhaak en trekstang, veiligheidskettingen, elektrische aansluitingen, lichten, banden en spiegelinstelling. Is de aanhangwagen met eigen remmen uitgerust, start de auto dan en controleer met de hand of de remmen goed werken. Zo kunt u meteen ook uw elektrische aansluiting testen.
RIJTIPS
Controleer tijdens de rit af en toe of de lading nog goed vastzit en of de lichten en remmen van uw aanhangwagen nog goed werken.
Remafstand
Hou minstens tweemaal zoveel afstand van uw voorliggers als wanneer u zonder aanhangwagen rijdt. Zo vermijdt u situaties waarin u bruusk moet remmen of uitwijken.
Inhalen
Wanneer u een aanhangwagen trekt hebt u meer tijd nodig om iemand in te halen. Omdat uw voertuig veel langer is moet u het ingehaalde voertuig ook veel verder voorbij rijden voordat u zich weer kan invoegen.
Achteruit rijden
Neem het stuur onderaan vast met een hand. Om de aanhangwagen naar links te bewegen draait u uw hand naar links. Om uw aanhangwagen naar rechts te bewegen, draait u uw hand naar rechts. Rij altijd heel langzaam achteruit en vraag iemand u aanwijzingen te geven.
Draaien
Om met een aanhangwagen te draaien moet u een ruimere bocht nemen dan normaal om te voorkomen dat uw aanhangwagen langs de berm, stoeprand, verkeersborden, bomen of andere hindernissen zou schuren. Vermijd bruuske manoeuvres. Zet uw richtingaanwijzers tijdig aan.
Richtingaanwijzers bij het trekken van een aanhangwagen
Wanneer u een aanhangwagen trekt moet uw auto met andere richtingaanwijzers en extra bedrading uitgerust zijn. De groene pijlen op uw dashboard zullen telkens als u de richtingaanwijzers gebruikt gaan knipperen. Als ze goed aangesloten zijn, moeten ook de richtingaanwijzers van uw aanhangwagen meeknipperen om de achterliggers erop te wijzen dat u van rijstrook wil veranderen, wil afslaan of stoppen. Wanneer u een aanhangwagen trekt gaan de groene pijlen op het dashboard knipperen wanneer u van richting verandert, zelfs als de lampjes in de richtingaanwijzers van uw aanhangwagen niet werken. Daardoor kunt u denken dat de chauffeurs achter u uw signaal gezien hebben terwijl dat niet zo is. Controleer daarom regelmatig of de richtingaanwijzers van uw aanhangwagen goed werken. Controleer de lichten ook telkens als u de kabels losmaakt en weer aansluit. Maak geen directe verbinding tussen de lichten van uw auto en die van uw aanhangwagen. Gebruik steeds een goedgekeurde
draadboom voor uw aanhangwagen. Voor de installatie van deze draadboom kunt u een beroep doen op uw Kia-dealer.
VOORZICHTIG
Als u geen goedgekeurde draadboom voor uw aanhangwagen gebruikt kan het elektrische systeem van uw auto beschadigd worden en kunt u verwondingen oplopen.
Rijden op hellingen
Verminder uw snelheid en schakel naar een lagere versnelling voor u aan een steile of lange afdaling begint. Schakelt u niet terug, dan zou u zo hard moeten remmen dat uw remmen zouden oververhitten en hun remkracht zouden verliezen.
Verminder snelheid en schakel naar een lagere versnelling voordat u een lange of steile helling afrijdt. Als u niet terugschakelt, moet u de remmen vaker intrappen waardoor deze oververhit raken en niet meer goed werken.
Schakel bij het oprijden van een lange helling terug en verminder snelheid tot ongeveer 70 km/u. Hierdoor wordt voorkomen dat de motor en de transmissie oververhit raken.
Rijd in stand D wanneer de auto uitgerust is met een automatische transmissie en u met een aanhanger rijdt die meer weegt dan 530 kg.
RIJTIPS
Wanneer u in stand D rijdt met een aanhanger, wordt de levensduur van de transmissie door een lagere bedrijfstemperatuur verlengd.
Rijd in de vierde versnelling (of, indien nodig, een lagere versnelling) wanneer uw auto is uitgerust met een handgeschakelde transmissie.
Parkeren op een heuvel
Parkeer uw auto met aangekoppelde aanhangwagen liever niet op een heuvel. Als uw auto naar beneden zou rollen, zouden uw auto en de aanhangwagen zwaar beschadigd kunnen worden en ernstige verwondingen aan voorbijgangers kunnen toebrengen.
WAARSCHUWING
- Parkeren op een heuvel
Als u uw auto met aangekoppelde aanhangwagen op een heuvel parkeert en hij onder omstandigheden naar beneden zou rollen, kunnen getroffen mensen zwaar en zelfs dodelijk verwond worden.
Bent u echter verplicht op een heuvel te parkeren, ga dan als volgt te werk:
- Druk uw rempedaal in maar schakel niet in versnelling.
- Laat iemand blokjes onder de wielen van uw aanhangwagen schuiven.
- Laat het rempedaal los zodra de blokjes op hun plaats liggen en laat de aanhangwagen goed tegen de blokjes rollen.
- Rem opnieuw. Trek de parkeerrem aan en schakel bij een handgeschakelde transmissie de stand R in of bij een automatische transmissie stand P.
- Laat het rempedaal los.
⚠ WAARSCHUWING
- Handrem
Stap niet uit uw auto voordat u de handrem volledig hebt aangetrokken. Als u de motor laat draaien, kan uw auto plotseling in beweging komen en u of anderen zwaar of zelfs dodelijk verwonden.
Wanneer u wilt vertrekken terwijl u op een heuvel geparkeerd staat
- Zet de handgeschakelde transmissie in de stand N of de automatische transmissie in stand P en houd het rempedaal ingetrapt wanneer:
- start de motor;
- schakelt in versnelling en
- zet de handrem eraf.
- Laat het rempedaal langzaam los.
- Rij langzaam vooruit tot de aanhangwagen niet meer tegen de blokjes staat.
- Stop en laat de blokjes door iemand oprapen en opbergen.
Onderhoud bij het Rijden met een Aanhanger
Uw auto heeft vaker onderhoud nodig wanneer u regelmatig met een aanhanger rijdt. Belangrijke zaken die speciale aandacht verdienen zijn: de motorolie, de automatische-transmissievloeistof, de smering van de aandrijfassen en de koelvloeistof. De toestand van de remmen moet ook regelmatig gecontroleerd worden. Alle zaken staan in dit instructieboekje beschreven. De index is hierbij een handig hulpmiddel. Het is verstandig dat u deze gedeeltes leest voordat u met een aanhanger op pad gaat.
Vergeet ook niet de aanhanger en de trekhaak te onderhouden. Volg het onderhoudsschema van de aanhanger en controleer hem regelmatig. Voer de controle bij voorkeur iedere keer uit wanneer u gaat rijden. Het is van het grootste belang dat de trekhaakmoeren en -bouten vastzitten.
OVERLADING
Z. VOORZICHTIG
De toegelaten bruto-asbelasting (GAWR) en het toegelaten bruto-gewicht van uw auto (GVWR) staan op het specificatieplaatje aan het bestuurdersportier aangeduid. De overschrijding van deze waarden kan tot een ongeluk of beschadiging van uw auto leiden. U kunt het gewicht van uw lading berekenen door alle voorwerpen (of mensen) afzonderlijk te wegen voordat u ze in de auto plaatst. Zorg ervoor dat u uw auto niet overlaadt.
VOERTUIG-IDENTIFICATIENUMMER (VIN)
In uw auto bevinden zich verschillende belangrijke labels en identificatienummers. De plaats van de labels wordt in de volgende afbeeldingen aangegeven:

Bandenspanningslabel

Airbagwaarschuwingslabel
IN GEVAL VAN NOOD
Waarschuwing van Andere Weggebruikers 6-2
Oververhitting 6-3
Noodstart 6-4
Beveiliging van de Elektrische Circuits 6-7
Slepen 6-15
Wiel Verwisselen bij een Lekke Band 6-19
Waarschuwingsknippersignaal
Het waarschuwingsknippersignaal dient als waarschuwing voor andere chauffeurs dat ze voorzichtig moeten zijn bij het naderen, inhalen of voorbijrijden van uw auto. Gebruik het wanneer uw auto stilstaat voor dringende reparaties of wanneer u uw auto langs de kant van de weg stopt.
Druk op de knipperlichtschakelaar met de contactsleutel in een willekeurige stand. De knipperlichtschakelaar bevindt zich op het schakelpaneel in het midden van het dashboard. Alle richtingaanwijzers knipperen dan tegelijk.
- Het waarschuwingsknippersignaal werkt zowel bij draaiende als niet-draaiende motor.
- De richtingaanwijzers werken niet terwijl het waarschuwingsknippersignaal actief is.
- Let extra goed op wanneer u het waarschuwingsknippersignaal gebruikt terwijl uw auto wordt weggesleept.
OVERVERHITTING
Geeft uw temperatuurmeter oververhitting aan, merkt u dat het vermogen van uw auto afneemt of hoort u een luid kloppend of tinkelend geluid, dan is uw motor vermoedelijk oververhit. Stelt u een van deze symptomen vast, ga dan als volgt te werk:
- Schakel de alarmknipperlichten in en rijd naar de dichtstbijzijnde veilige plaats. Breng de auto tot stilstand, zet de automatische transmissie in stand P of de handgeschakelde transmissie in stand N en trek de parkeerrem aan.
- Schakel in elk geval de airconditioning uit.
- Kookt het koelmiddel in de radiator over of stoomt het, schakel de motor dan uit en waarschuw een erkende Kia-dealer of een andere goede reparatiedienst.
Kookt het koelmiddel niet over, laat de motor dan stationair draaien en open de motorkap zodat de motor geleidelijk kan afkoelen.
Daalt de temperatuur niet terwijl de motor stationair draait, zet hem dan af en wacht lang genoeg tot hij is afgekoeld.
- Controleer vervolgens het koelmiddelpeil. Is het peil in het reservoir te laag, controleer dan de radiatorslangen en aansluitingen, verwarmingsslangen en aansluitingen, radiator en waterpomp op lekkage. Vindt u een groot lek of een ander probleem waardoor de motor oververhit is geraakt, start de motor dan niet voordat dit opgelost is. Roep de hulp in van een erkende Kia-dealer of een andere bekwame reparatiedienst. Vindt u geen lek of ander probleem, vul dan het koelmiddelreservoir bij.
WAARSCHUWING
- Verwijderen van de radiateurdop
Verwijder bij een warme motor en radiateur de radiateurdop niet. Hete koelvloeistof en stoom kunnen onder druk naar buiten spuiten. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.
Raakt de motor herhaaldelijk oververhit, laat het koelsysteem dan nakijken en herstellen.
NOODSTART
Starten met startkabels
Starten met startkabels kan gevaarlijk zijn als het onoordeelkundig wordt gedaan. Volg daarom de instructies voor het gebruik van de startkabels op deze pagina, zodat u geen verwondingen oploopt en uw auto of accu niet beschadigt. Bent u niet zeker of u het juist doet, laat uw auto dan door een bekwaam technicus of een takeldienst opstarten.
* OPMERKING
Gebruik alleen een startsysteem op 12 volt. Bij gebruik van een stroombron op 24 volt (twee accu's van 12 volt in serie geschakeld of een generator op 24 volt) kunt u uw startmotor op 12 volt, uw ontstekingsmechanisme en andere elektrische onderdelen onherstelbaar beschadigen.
WAARSCHUWING - Accu
- Houd open vuur of vonken uit de buurt van de accu. De accu produceert waterstofgas dat kan ontploffen als het met een vlam of vonk in contact komt.
- Probeer niet uw auto met startkabels te starten als de accu bevroren is of het elektrolytniveau laag is. Hierdoor kan de accu scheuren of ontploffen.
Werkwijze voor het starten met startkabels
- Zorg ervoor dat de extra accu 12 volt levert en dat de negatieve pool geaard is.
- Zit de extra accu in een andere auto, zorg er dan voor dat de beide auto's elkaar niet raken.
Aansluiting van de startkabels
Sluit de kabels in volgorde aan en koppel ze weer af in de omgekeerde volgorde.

1FJB4001
- Schakel alle onnodige elektrische systemen uit.
- Sluit de startkabels in de exacte volgorde uit de voorgaande afbeelding aan. Verbind eerst één uiteinde van de startkabel met de positieve pool van de lege accu. Verbind het andere kabeluiteinde vervolgens met de positieve pool van de extra accu. Sluit vervolgens een uiteinde van de andere kabel aan de negatieve pool van de extra accu aan en verbind het andere uiteinde met een massief, stationair metalen onderdeel (bijvoorbeeld de motorsteun) uit de buurt van de accu. Sluit de klem niet aan op een onderdeel dat beweegt wanneer de motor gestart wordt. Maak geen kabelverbinding tussen de negatieve pool van de extra accu en de negatieve pool van de lege accu.
Zorg dat de startkabels met niets anders in contact komen dan met de juiste polen van de accu en of de juiste aarding. Leun niet voorover over de accu wanneer u de aansluitingen maakt.
- Start de motor van de auto met de extra accu en laat hem op 2000 tpm draaien. Start vervolgens de auto met de lege accu.
Is de oorzaak van uw lege accu onduidelijk, laat uw auto dan nakijken door een erkend Kia-dealer.
Aanduwen of Aanslepen
Auto's die uitgerust zijn met een automatische transmissie kunnen niet worden aangeduwd of aangesleept. Een auto uitgerust met een handgeschakelde transmissie mag niet worden aangeduwd of aangesleept omdat hierdoor het emissieregelsysteem beschadigd kan raken.
Voig de aanwijzingen in dit gedeelte voor het starten met een hulpaccu.
VOORZICHTIG
Sleep nooit een auto om hem te starten. Wanneer de motor start zou hij plotseling vooruit kunnen rijden en tegen het sleepvoertuig botsen.
BEVEILIGING VAN DE ELEKTRISCHE CIRCUITS

Zekeringen
Het elektrische systeem van uw auto is tegen overspanning beveiligd met zekeringen.
De motor heeft twee zekeringkasten, één in het paneel in de bestuurdersvoetruimte en het andere in de motorruimte in de buurt van de accu.
Merkt u dat er een bepaald licht, accessoire of bedieningselement van uw auto niet meer werkt, controleer dan de zekering van het betreffende circuit. Is de zekering gesprongen, dan zal u zien dat het element in de zekering gesmolten is.
Vervang een gesprongen zekering altijd door een zekering van dezelfde ampèrewaarde.
Springt dezelfde zekering opnieuw, gebruik het betrokken systeem dan niet meer en raadpleeg onmiddellijk een erkend Kia-dealer.
Er worden twee soorten zekeringen gebruikt: standaardzekeringen voor lagere stroomsterktes en hoofdzekeringen voor hogere stroomsterktes.
Vervanging van een zekering
WAARSCHUWING
- Vervanging van een zekering
- Vervang alle zekeringen uitsluitend door zekeringen met dezelfde ampèrewaarde.
- Een zekering met een hogere waarde levert gevaar voor beschadiging en brand op.
- Bevestig geen draad in de plaats van de zekering, zelfs niet als tijdelijke oplossing. Dit zou de bedrading zwaar kunnen beschadigen en brand kunnen veroorzaken.
- Gebruik geen schroevendraaier of ander metalen voorwerp om een zekering te verwijderen. U zou een kortsluiting kunnen veroorzaken en het systeem zwaar kunnen beschadigen.

- Schakel het contactslot en alle andere schakelaars uit.
- Verwijder de verdachte zekering. Gebruik de zekeringtrekker die zich in de hoofdzekeringkast in de motorruimte bevindt.
- Controleer de verwijderde zekering. Vervang deze indien doorgebrand. Er bevinden zich reservezekeringen in de zekeringkast.
- Bevestig een nieuwe zekering met dezelfde ampèrewaarde en controleer of ze stevig in de klemmen zit.
Zit de zekering los, vraag dan raad aan een erkend Kia-dealer.
Als u geen reservezekering heeft, kunt u de zekering van een ander circuit gebruiken, bijvoorbeeld van de radio of de interieurverlichting, die niet nodig is om te kunnen rijden, mits deze dezelfde stroomsterkte heeft.
Werken de koplampen of andere elektrische componenten niet terwijl alle zekeringen in orde zijn, controleer dan de zekeringkast in de motorruimte. Vervang eventuele gesprongen zekeringen.
Werkt het elektrische systeem niet, controleer dan eerst de zekeringkast aan de bestuurderszijde.

- Schakel het contactslot en alle andere schakelaars uit.
- Haak het lipje aan de ene kant los en til het deksel omhoog om het deksel van de zekeringkast te verwijderen.
- Controleer de zekeringen. Vervang eventuele gesprongen zekeringen door nieuwe van dezelfde amperewaarde.

Vervang de doorgebrande hoofdzekering "MAIN" van 140A als volgt:
- Neem de minpool los van de accu.
- Verwijder de schroeven die in de bovenstaande afbeelding worden aangegeven.
- Vervang de zekering door een nieuwe met een stroomsterkte van 140A.
- Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde van verwijderen.
Beschrijving zekeringkast
Aan de binnenzijde van de deksels vindt u een label met daarop de naam van de zekering en de capaciteit.
Motorruimte (Dieselmotor)
![graph TD A["USE "THE DESIGNATED FUSE AND RELAY ONLY," <br> 'REFER TO OWNER' S MANUAL FOR FUSE AND <br> 'RELAY SERVICE'"] --> B["FUEL HEATER RELAY"] B --> C["HEATER 3 40A"] B --> D["HEATER 2 40A"] B --> E["HEATER 1 40A"] B --> F["HEATER 3 RELAY"] B --> G["HEATER 2 RELAY"] B --> H["HEATER 1…](/content/2026/06/1152184/images/cc6d97f5e2555b0158d3238a41757f613260dc3f043f767867e3bd37290099c7.jpg)
Motorruimte (Benzinemotor)![graph TD A["251 RELY"] --> B["STAR"] B --> C["SPX"] C --> D["BLDER"] D --> E["FLTR"] E --> F["RELY"] F --> G["3.1"] G --> H["SPX"] H --> I["BLDER"] I --> J["RELY"] J --> K["3.1"] K --> L["SPX"] L --> M["BLDER"] M --> N["RELY"] N --> O["3.1"] O --> P["SPX"] P --> Q["BLDER"] Q --> R["RELY"] R --> S["3…](/content/2026/06/1152184/images/d9cc715a7f29f10ca2f2bf5b91c54e442e81834f56f4ca469f4965267f5b39b0.jpg)
Dieselmotor
| Omschrijving | Stroomsterkte Zekering | Beveiligd Onderdeel |
| INJECTOR | 15A | ECU |
| INJ-DSL | 20A | ECU |
| ECU | 10A | Motormodule |
| (RR FOG) | 10A | Mistachterlicht (indien van toepassing) |
| C/FAN | 30A | Koeling ventilator motor |
| HAZARD | 15A | Schakelaar alarmknipperlichten |
| IG COIL | 15A | ECU |
| BLOWER | 30A | Ventilatormotor |
| (S/WAMER) | 20A | Stoelverwarming voor (indien van toepassing) |
| A/C-S/W | 10A | ACT-module |
| (ABS) | 30A | ABS-module (indien van toepassing) |
| (ABS) | 25A | ABS-module (indien van toepassing) |
| P/WIN-RH | 25A | Schakelaar ruitbediening (rechts) |
| FUEL PUMP | 10A | Brandstofpomp |
| HEAD | 25A | Koplamp |
| A/CON | 10A | Magnetische koppeling |
| (S/ROOF) | 20A | Module schuif-/kanteldak (indien van toepassing) |
| P/WIN-LH | 25A | Schakelaar ruitbediening (links) |
| START | 10A | Startrelais |
| HEAD(HI) | 20A | Koplamp, Instrumentenpaneel |
| RR DEF | 30A | Ruitverwarming |
| DRL | 10A | MVO-module (indien van toepassing) |
| FOG LAMP | 15A | Mistlampen vóór |
| TAIL | 10A | Achter RH |
| ROOM/MEMORY | 15A | Audio |
| IG KEY1 | 30A | Contact1 |
| (HLLD) | 10A | Hoogteverstelling koplampen(indien van toepassing) |
| HEAD(LOW) | 15A | Koplamp |
| HORN | 15A | Claxonrelais |
| IG KEY2 | 30A | Contact 2 |
| COND.FAN | 20A | Condensor ventilator motor |
| F/FILTER | 30A | Relais brandstofffilter |
| RLY-COIL | 10A | Stoelverwarming voor |
| D/LOCK | 20A | Deurgrendel |
| BTN | 30A | Remlichtschakelaar, Aansluiting |
| MAIN | 140A | Dynamo |
| HEATER3 | 40A | Vloeistofverwarming 3 |
| GLOW | 60A | Gloeibougie |
| HEATER2 | 40A | Vloeistofverwarming 2 |
| HEATER1 | 40A | Vloeistofverwarming 1 |
Benzinemotor
| Omschrijving | Stroomsterkte Zekering | Beveiligd Onderdeel |
| INJECTOR | 15A | Injector, ECU |
| (O2SEN DN) | 10A | O2 Sensor "Down" (indien van toepassing) |
| O2SEN UP | 10A | O2 Sensor "Up" |
| (RR FOG) | 10A | Mistachterlicht (indien van toepassing) |
| C/FAN | 30A | Koeling ventilator motor |
| HAZARD | 15A | Alarmknipperlichten |
| IG COIL | 15A | Bobine |
| BLOWER | 30A | Ventilatormotor |
| (S/WAMER) | 20A | Stoelverwarming voor (indien van toepassing) |
| A/C-S/W | 10A | ACT-module, Schuifdak eenheid |
| (ABS) | 30A | ABS-module (indien van toepassing) |
| (ABS) | 25A | ABS-module (indien van toepassing) |
| P/WIN-RH | 25A | Eiektrische raamopener rechts |
| F/PUMP | 10A | Brandstofpomp |
| HEAD | 25A | Koplamp |
| A/CON | 10A | Magnetische koppeling |
| (S/ROOF) | 20A | Module schuif-/kanteldak (indien van toepassing) |
| P/WIN-LH | 25A | Elektrische raamopener links |
| RR DEF | 30A | Ruitverwarming, Dynamo |
| (DRL) | 10A | MVO-module (indien van toepassing) |
| FOG LAMP | 15A | Mistlampen vóór |
| TAIL | 10A | Achter RH |
| START | 10A | Startmotor |
| HEAD(HI) | 20A | Grootlicht lamp |
| ROOM/MEMORY | 15A | Binnenverlichting |
| IG KEY1 | 30A | Contact 1 |
| HLLD | 10A | Hoogteverstelling koplampen |
| HEAD(LOW) | 15A | Dim lamp |
| HORN | 15A | Claxon |
| IG KEY2 | 30A | Contact 2 |
| COND.FAN | 20A | Condensor ventilator motor |
| RLY-COIL | 10A | Stoelverwarming voor |
| D/LOCK | 20A | Deurgrendel |
| BTN | 30A | Accu, ECU, 12V-aansluiting |
Zijpaneel bestuurderszijde
![]() |
| 1FJA6002 |
| Omschrijving | Stroomsterkte Zekering | Beveiligd Onderdeel |
| (ABS) | 10A | ABS (indien van toepassing) |
| (AIR BAG) | 15A | ABS-module (indien van toepassing) |
| METER | 10A | Instrumentenpaneel |
| (TCU) | 10A | TCU (indien van toepassing) |
| (AUTO T/M) | 20A | Automatische Transmissie (indien van toepassing) |
| CIGAR | 15A | Sigaretten aansteker |
| RADIO | 10A | Radio |
| POWER SOCKET | 20A | 12V-aansluiting |
| ECU | 10A | ECU |
| STOP LAMP | 15A | Remlichtschakelaar |
| (FRT DEF) | 15A | Ruitverwarming (indien van toepassing) |
| MIRROR HEATER | 10A | Spiegel verwarming |
| TURN LAMP | 10A | Schakelaar alarmknipperlichten, Volautomatische temperatuurregeling, MVO-module, Module automatische verlichting, Achterste module |
| WIPER (FRT) | 15A | Ruitenwissers, Relais voorruitontwaseming, Relais brandstofffilter, Module schuif-/kanteldak |
| WIPER (RR) | 15A | Schakelaar achterruitenwisser en -sproeler, Module achterruitenwisser |

Uw automobiel is uitgerust met "ROOM/MEMORY ZEKERING" om accu ontladen te voorkomen als uw automobiel tijdens een of meer maanden buiten werking is geparkeerd. Volg de procedure als hieronder beschreven voor langdurig parkeren.
- Zet de motor uit.
- Schakel de koplampen en achterlichten uit.
- Open het deksel van de hoofdzekeringkast in de motorruimte en verwijder de zekering ROOM/MEMORY FUSE 15A. Hierdoor wordt de functie memory-zekering gewijzigd waardoor voorkomen wordt dat de accu uitgeput raakt.
VOORZICHTIG
- Als de zekering ROOM/MEMORY uit de zekeringkast is verwijderd, werken de waarschuwingszoemer "sleutel in contactslot", de waarschuwingszoemer en het waarschuwingslampje open portier en het klokje niet meer. De klok moet gereset worden.
- Zelfs als de zekering ROOM/MEMORY is verwijderd, kan de accu ontladen worden door brandende verlichting of de werking van andere elektrische systemen.
SLEPEN
Laat de auto bij voorkeur wegslepen door een officiële Kia-dealer of een erkend bergingsbedrijf. De juiste procedures voor het slepen zijn noodzakelijk om beschadigingen aan uw auto te voorkomen. Laat de auto bij voorkeur slepen met de aangedreven wielen in een bril, of vervoer de auto op een auto-ambulance. Sleep de auto nooit met een takelwagen. Kia keurt het slepen van de auto met behulp van een takelwagen (met kabels) af.

Wanneer uw auto door een takelwagen van een commerciële sleepdienst wordt gesleept en er worden geen wiel-trolleys gebruikt, moet altijd de voorzijde van de auto worden opgehesen, niet de achterzijde.
* OPMERKING
Sleep de auto nooit met een takelwagen. Gebruik alleen een auto-ambulance of een bril.
Als de auto in geval van nood zonder wieldollies weggesleept wordt:
- Zet het contact in stand ACC.
- Zet de versnellingspook in de stand N.
- Ontgrendel de parkeerrem.
* OPMERKING
Sleep de auto nooit achteruit met de voorwielen op de grond. Hierdoor kan de transmissie inwendig beschadigd raken.
VOORZICHTIG
Gebruik de ogen aan de voorzijde en de achterzijde van de auto niet voor het slepen. Deze ogen dienen UITSLUITEND om de auto tijdens transport vast te zetten. Wanneer de transportogen gebruikt worden om te slepen, wordt de voor- of achterbumper beschadigd en kan de auto losraken van het trekkende voertuig.


Slepen met een Andere Auto dan een Takelauto
In geval van nood kunt u de sleephaken vooraan en achteraan aan uw auto gebruiken.
Transportogen (voor vervoer op een auto-ambulance)
* OPMERKING
- Bevestig een sleepkabel aan de sleephaak.
- Als u de sleepkabel niet aan de sleephaak maar aan een ander deel bevestigt, kunt u de carrosserie van uw auto zwaar beschadigen.

- Probeer uw auto niet weg te slepen als de wielen vastzitten in de modder.
- Vermijd het slepen van een auto die zwaarder is dan de auto waarmee u sleept.
- De bestuurders van beide auto's moeten regelmatig met elkaar overleggen.

- Gebruik een sleeplijn die korter is dan 5 meter. Maak een witte of rode doek (van ongeveer 30 cm breed) vast in het midden van de lijn zodat u goed zichtbaar bent.
- Rijd voorzichtig zodat de sleeplijn niet los raakt tijdens het slepen.
Als uw auto door een andere auto dan een takelwagen gesleept wordt (in geval van nood)
- Zet het contact in stand ACC zodat het stuurwiel niet geblokkeerd is.
- Zet de selectiehendel in stand N.
- Ontgrendel de parkeerrem.
- Auto's met een automatische transmissie mogen niet sneller dan 45 km/u rijden en mogen niet verder dan 80 km gesleept worden.
IN GEVAL VAN NOOD
- Auto's met een automatische transmissie mogen tijdens het slepen niet sneller dan 88 km/u rijden en mogen niet verder dan 645 km gesleept worden.
- Trap het rempedaal met meer kracht in dan normaal omdat het remvermogen kleiner is.
- De benodigde stuurkracht is aanzienlijk hoger omdat de stuurbekrachtiging niet werkt.
- Als u lange tijd bergafwaarts gereden hebt, kunnen de remmen oververhit geraakt zijn waardoor het remvermogen is afgenomen. Stop regelmatig en laat de remmen afkoelen.
WIEL VERWISSELEN BIJ EEN LEKKE BAND
Reservewiel, Gereedschap, Krik en Krikslinger
Het reservewiel, de gereedschapsset, de krik en de krikslinger zijn opgeborgen in de bagageruimte.

Verwijderen van de krik:
- Draai de bout linksom en verwijder hem.
- Verwijder de krik.

Verwijderen van het reservewiel:
Draai bevestigingsbout van het reservewiel met behulp van de wielmoersleutel linksom.
Plaats het reservewiel en de krik in omgekeerde volgorde.
Bandenwissel
Krikinstructies
De krik is uitsluitend voor een bandenwissel in geval van nood gemaakt. Volg de krikinstructies om verwondingen te voorkomen.
WAARSCHUWING
- Bandenwissel
- Voer nooit reparaties uit aan uw auto uit op de openbare weg of de snelweg.
- Rij uw auto altijd helemaal van de weg en op de pechstrook voor u de lekke band vervangt. Vindt u geen stabiele, vlakke plaats naast de weg, roep dan de hulp van een takeldienst in.
- Overschrijd de maximumbelasting van de krik (2000kg) nooit. (Wordt vervolgd)
(Vervolg)
- Let erop dat u de auto voor en achter op de juiste plaatsen opkrikt. Krik de auto nooit aan de bumpers of andere onderdelen op.
- Uw auto kan gemakkelijk van de krik schuiven met ernstige of dodelijke ongelukken tot gevolg. Zorg ervoor dat u nooit met enig lichaamsdeel onder de auto komt terwijl u hem opkrikt.
- Start de auto nooit terwijl hij op de krik staat.

Bandenwissel
- Parkeer op een vlak oppervlak en trek de handrem stevig aan.
- Zet de versnellingspook in stand R (bij handgeschakelde transmissie) of de selectiehendel in stand P (bij automatische transmissie).
- Zet de waarschuwings-knipperlichten aan.
- Haal de moersleutel, krik, krikhendel en reserveband uit de auto.
- Blokkeer het wiel dat zich diagonaal tegenover de krik bevindt, zowel vooraan als achteraan.
Blokkeer het wiel dat zich diagonaal tegenover de krik bevindt, zowel vooraan als achteraan, om te voorkomen dat uw auto tijdens het vervangen van de band wegrolt.

- Draai de wielmoeren tegen de wijzers van de klok in los, maar verwijder de moeren nog niet voordat het wiel loskomt van de grond.

- Steek de krikslinger in de krik en draai de slinger rechtsom totdat het wiel van de grond af komt (maximaal 30 mm). Controleer alvorens de moeren te verwijderen of de auto stabiel staat en er geen risico bestaat dat de auto van de krik glijdt.
- Verwijder de wielmoeren door ze tegen de wijzers van de klok in los te draaien en verwijder het wiel.

- Bevestig de reserveband en draai de wielmoeren met de hand aan. Breng de wielmoeren met de afgeschuinde rand naar binnen aan.
- Laat de auto zakken en draai de wielmoeren in de aangegeven volgorde stevig vast.

- Zodra de moeren goed aangedraaid zijn, mag de auto helemaal neergezet worden. Draai de moeren vervolgens nog verder aan tot ze stevig vastzitten. Draai de wielmoeren stevig aan in een "ster"-patroon. Weet u niet zeker of de wielmoeren vast genoeg aangedraaid zijn, laat dit dan controleren in het dichtstbijzijnde servicestation. Het voorgeschreven aandraaimoment is 9~12 kg·m (65~87 lb·ft, 88-118 Nm).
Z VOORZICHTIG
De wielbouten en moeren van uw auto zijn van metrische schroefdraad voorzien. Zorg er bij het vervangen van een band voor dat u dezelfde moeren die u verwijdert opnieuw bevestigt. Moeten de moeren vervangen worden, doe dit dan door moeren met metrische schroefdraad en dezelfde afschuining. Bij bevestiging van een moer zonder metrische schroefdraad op een metrische bout of omgekeerd zal het wiel niet stevig aan de naaf bevestigd zijn. De bout kan beschadigd worden en moet dan vervangen worden. Hou er rekening mee dat de meeste moeren van dit type geen metrische schroefdraad hebben. Controleer daarom altijd precies het schroefdraadtype als u de moeren of wielen vervangt. Vraag in geval van twijfel raad aan uw Kia-dealer.
WAARSCHUWING
- Wielbouten
Zijn de bouten beschadigd, dan kan het wiel loskomen. In dit geval zou u het wiel kunnen verliezen en een aanrijding kunnen veroorzaken.
Plaats de krik, de krikslinger, de wielmoersleutel en het gereedschapsetui zorgvuldig om te voorkomen dat ze tijdens het rijden gaan "rammelen".
* OPMERKING
Controleer na het plaatsen van het reservewiel zo spoedig mogelijk de bandenspanning. Breng de band indien nodig op de voorgeschreven spanning. Raadpleeg hoofdstuk 8, "Specificaties".
ONDERHOUD
Onderhoudswerken 7-2
Onderhoudsschema bij Normaal Gebruik 7-4
Onderhoudsschema bij Gebruik onder Zware Omstandigheden . 7-7
Onderhoud door de Eigenaar 7-8
Motorruimte 7-12
Motorolie en Oliefilter 7-14
Motorkoelsysteem 7-16
Remmen en Koppeling 7-19
Parkeerrem 7-20
Stuurbekrachtiging 7-21
Automatische Transmissie 7-22
Smeermiddelen en Vloeistoffen 7-24
Brandstoffilter en Waterafscheider (Diesel) 7-25
Luchtfilter 7-26
Wisserbladen 7-28
Accu 7-30
Banden en Wielen 7-32
Vervanging Lampjes 7-39
Specificaties Smeermiddelen 7-47
Onderhoud Buitenkant 7-49
Onderhoud Binnenkant 7-53
ONDERHOUDSWERKEN
Wees altijd uiterst voorzichtig bij de uitvoering van onderhoudswerken en inspecties, om schade aan uw auto en verwondingen te voorkomen.
Hebt u enige twijfel over de inspectie of het onderhoud van uw auto, dan raden we u met aandrang aan dit werk in een betrouwbare en degelijke servicewerkplaats, bij voorkeur bij een erkend Kia-dealer, te laten uitvoeren.
Een erkend Kia-dealer heeft door de fabrikant opgeleide monteurs in dienst en kan uw auto correct onderhouden en herstellen met originele Kia-onderdelen. Wend u daarom tot uw erkend Kia-dealer voor gespecialiseerd advies en een degelijke service.
Door inadequaat, onvolledig of onvoldoende onderhoud kunt uw auto problemen ontwikkelen die tot beschadiging, een ongeval of verwondingen kunnen leiden.
Verantwoordelijkheid van de Eigenaar
* OPMERKING
De eigenaar dient zijn auto te laten onderhouden en hiervan de nodige bewijzen bij te houden.
Hou alle documenten bij waaruit blijkt dat u uw auto volgens de onderhoudsplanning op de volgende pagina hebt laten onderhouden. Deze informatie kunt u nodig hebben om aanspraak te kunnen maken op een reparatie onder de Kia-garantie.
Gedetailleerde informatie over de Kia-garantiebepalingen vindt u in het Garantie-informatieboekje.
Reparaties en aanpassingen ten gevolge van een slecht onderhoud of niet regelmatig uitgevoerd onderhoud vallen niet onder de garantie.
Wij raden u aan het onderhoud aan uw auto te laten verrichten door een officiële Kia-dealer die originele Kia-onderdelen gebruikt. Onderhoud kan echter worden uitgevoerd door iedere vakbekwame garage die auto-onderdelen gebruikt die gelijkwaardig zijn aan de onderdelen waarmee uw auto oorspronkelijk is uitgerust.
Wanneer wij aanbevelen een dienst of onderhoud te laten uitvoeren door een officiële Kia-dealer, kunt u dat werk ook door een vakbekwame garage laten verrichten, die de juiste onderdelen gebruikt.
Schema voor
Onderhoudswerkzaamheden
Volg het ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK wanneer de auto doorgaans wordt gebruikt onder andere dan de hieronder vermelde omstandigheden. Als één van de hieronder vermelde omstandigheden van toepassing is, volg dan het ONDERHOUDSSCHEMA BIJ GEBRUIK ONDER ZWARE OMSTANDIGHEDEN.
- Herhaaldelijk ritten over korte afstanden. • Rijden op plaatsen waar veel stof is. • Rijden waarbij u buitengewoon veel moet remmen.
- Rijden in gebieden waar zout of andere corroderende stoffen worden gebruikt.
- Rijden op ongelijke of modderige wegen. • Lange tijd stationair draaien van de motor en rijden bij lage snelheden. • Rijden gedurende een langere periode bij lage temperaturen en/of in een buitengewoon vochtig klimaat.
Als uw auto wordt gebruikt onder de hierboven beschreven omstandigheden, dient u vaker de auto te (laten) inspecteren, vaker onderdelen te vervangen en olie bij te vullen dan het hiernavolgende normale onderhoudsschema aangeeft. Na 96 maanden of 120.000 km kunt u het voorgeschreven onderhoudsschema weer volgen.
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK
| ONDERHOUDSIN-TERVAL ONDER-HOUDSWERKZA-AMHEDEN | Aantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt | ||||||||
| Maanden | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | 84 | 96 | |
| x1.000 Miles | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 | 60 | 70 | 80 | |
| x1.000 Km | 15 | 30 | 45 | 60 | 75 | 90 | 105 | 120 | |
| Aandrijfriemen | Benzine | I | I | I | I | ||||
| Diesel | I | I | R | I | |||||
| Motorolie en motoroliefilter | Benzine | R | R | R | R | R | R | R | R |
| Diesel | R | R | R | R | R | R | R | R | |
| Versnellingsbakolie | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Automatische-transmissievloeistof | I | I | I | I | I | R | I | I | |
| Distributieriem | Benzine | I | R | I | |||||
| Diesel | R | ||||||||
| Luchtfilterelement | Benzine | I | R | I | R | I | R | I | R |
| Diesel | I | R | I | R | I | R | I | R | |
| Bougies | R | R | R | R | |||||
I: Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen
R: Vervangen of verversen
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (vervolg)
| ONDERHOUDSIN-TERVAL ONDER-HOUDSWERKZA-AMHEDEN | Aantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt | ||||||||
| Maanden | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | 84 | 96 | |
| x1.000 Miles | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 | 60 | 70 | 80 | |
| x1.000 Km | 15 | 30 | 45 | 60 | 75 | 90 | 105 | 120 | |
| Koelsysteem (Inclusief bijvullen) | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Koelvloeistof | Eerste keer vervangen na 24 maanden of 48.000 km: daarna na iedere 24 maanden of 40.000 km. | ||||||||
| Ontluchtingslang en tankdop | I | I | I | I | |||||
| Vacuüm- en carterventilatieslangen | I | I | I | I | |||||
| Brandstofffilter | Benzine | R | R | ||||||
| Diesel | R | R | R | R | |||||
| Brandstofleidingen en -slangen | Controleer iedere 20.000 km of 12 maanden | ||||||||
| Accutoestand | I | I | I | I | |||||
| Alle elektrische systemen | I | I | I | I | |||||
I: Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen
R: Vervangen of verversen
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (vervolg)
| ONDERHOUDSIN-TERVAL ONDER-HOUDSWERKZAAMHEDEN | Aantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt | ||||||||
| Maanden | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | 84 | 96 | |
| x1.000 Miles | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 | 60 | 70 | 80 | |
| x1.000 Km | 15 | 30 | 45 | 60 | 75 | 90 | 105 | 120 | |
| Remleidingen, Slangen en aansluitingen | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Rempedaal | I | I | I | I | |||||
| Parkeerrem | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Koppelingspedaal | I | I | I | I | |||||
| Rem- en koppelingsvloeistof | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Schijfrem | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Stuurbekrachtigingsvloeistof | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Stuurbekrachtigingssysteem en -slangen | I | I | I | I | |||||
| Banden (spanning en profiel) | Controfeer iedere 12.000 km | ||||||||
| Voorwielophanging | I | I | I | I | |||||
| Koelmiddel airconditioning(Indien van toepassing) | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Aircocompressor (indien van toepassing) | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Luchtfilter (indien van toepassing) | R | R | R | R | R | R | R | R | |
I: Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen R: Vervangen of verversen
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ GEBRUIK ONDER ZWARE OMSTANDIGHEDEN
Controleer de volgende zaken vaker wanneer de auto veelvuldig onder zware rijomstandigheden wordt gebruikt. Raadpleeg de onderstaande tabel voor de juiste onderhoudsintervallen.
I: Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen R: Vervangen of verversen
| ONDERHOUDSINTERVAL | Onderhoudswerkzaamheden | Onderhoudsinterval | Rijomstandigheden | |
| Motorolie en motoroliefilter | Benzinemotor | R | ledere 7.500 km of 6 maanden vervangen | A, B, C, F, H |
| Dieselmotor | R | ledere 7.500 km of 6 maanden vervangen | ||
| Luchtfilterelement | R | Vaker vervangen | C, E | |
| Distributieriem | R | ledere 60,000 km (40,000 Miles) of 48 maanden vervangen | F | |
| Bougies | Benzinemotor | R | Vaker vervangen | B, H |
| Automatische-transmissievloeistof | R | ledere 45.000 km (30.000 Miles) | A, C, E, F, G, H, I | |
| Versnellingsbakolie | R | ledere 100.000 km (60.000 Miles) | C, D, E, G, H, I, J | |
Zware Rijomstandigheden
A: Veel korte ritjes B: Langdurig stationair draaien C: Rijden op stoffige, onverharde wegen D: Rijden in gebieden waar veel zout of andere agressieve stoffen worden gebruikt of rijden onder koude weersomstandigheden E: Rijden in een omgeving met veel zand
F: Voor meer dan 50% rijden in druk stadsverkeer bij temperaturen boven de 32°C G: Rijden in heuvelachtige gebieden H: Rijden met een aanhanger I: Politieauto's, taxi's, bedrijfsauto's of bij het slepen van een auto J: Sneller rijden dan 170 km/u
ONDERHOUD DOOR DE EIGENAAR
Schema voor Onderhoud door de Eigenaar
De hiernavolgende lijsten zijn controles en inspecties van uw auto die u of een vakbekwaam servicemonteur dient uit te voeren met de aangegeven tussenpozen om een veilige, betrouwbare werking van uw auto te waarborgen.
Breng eventuele ongunstige omstandigheden zo spoedig mogelijk onder de aandacht van uw dealer of vakbekwaam servicemonteur zodat zij u kunnen adviseren over te verrichten onderhoudswerkzaamheden.
Deze speciale onderhoudscontroles vallen over het algemeen niet onder de garantie en het kan daarom zijn dat u arbeidsloon, onderdelen en gebruikte smeermiddelen in rekening worden gebracht.
Wanneer u brandstof tankt:
- Controleer het oliepijl van de motor.
- Controleer het niveau van de koelvloeistof in het reservoir.
WAARSCHUWING
Wees voorzichtig bij het controleren van het koelvloeistofpeil wanneer de motor warm is. Hete koelvloeistof en stoom kunnen onder druk naar buiten spuiten. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.
- Controleer of er nog vloeistof in het reservoir voor het wassen van de ruiten zit.
- Kijk of de banden goed op spanning zijn.
Wanneer u in uw auto rijdt:
- Let op eventuele veranderingen in het geluid van de uitlaat of de geur van uitlaatgassen in de auto.
- Controleer of er geen trillingen in het stuurwiel zitten. Let op of het sturen niet zwaarder gaat, of er speling in het stuurwiel zit en of de stand van het stuurwiel wanneer de auto rechtuit rijdt, veranderd is.
- Let op de auto voortdurend wat afwijkt van de rechte koers of naar één kant trekt, wanneer u over een gladde, rechte weg rijdt.
- Wanneer u de auto tot stilstand brengt, luister dan of u vreemde geluiden hoort, controleer of de auto niet naar één kant trekt, of u de rem niet verder moet indrukken of dat het moeilijk is het rempedaal in te drukken.
- Als de transmissie slipt of als er transmissie optreden in de bediening van de transmissie, laat dan het oliepeil van de transmissie controleren.
- Controleer de stand P (Parkeren) van de automatische transmissie.
- Controleer de parkeerrem
- Controleer of er lekkage onder de auto is (water dat uit het airconditioningsysteem loopt, na gebruik, is normaal)
Ten minste iedere maand:
- Controleer het niveau van de koelvloeistof in het overloopreservoir.
- Controleer of alle verlichting aan de buitenzijde van de auto werkt: de remlichten, richtingaanwijzers en noodknipperverlichting.
- Controleer de bandenspanning van alle wielen inclusief het reservewiel.
Ten minste twee maal per jaar (bijvoorbeeld ieder voor- en najaar):
- Controleer de slangen van de radiator, de verwarming en de airconditioning op lekkage of beschadiging.
- Controleer de sproeiers van de voorruit en de werking van de ruitenwissers. Maak de ruitenwissers schoon met een schone doek met wat schoonmaakmiddel.
- Controleer de uitlijning van de koplampen.
- Controleer de knaldemper, uitlaat, afscherming en bevestigingsmateriaal.
- Controleer de veiligheidsgordels op slijtage en op een juiste werking.
- Controleer of de banden niet gesleten zijn en of de wielbouten goed vastzitten.
Ten minste éénmaal per jaar:
- Maak de afwateringsgaten van de carrosserie en de portieren schoon.
- Smeer alle portierscharnieren, slotvangers en motorkapscharnieren.
- Smeer de portier- en motorkapsloten, -vergrendelingen. Smeer de portierrubbers.
- Controleer het airconditioningsysteem voordat het warme jaargetijde begint.
- Controleer het vloeistofniveau van de stuurbekrachtiging.
- Inspecteer en smeer de bevestigingen en de bedieningsfuncties van de automatische transmissie. Maak de accu en de aansluitingen schoon.
- Controleer het niveau van de remvloeistof.
Voorzorgsmaatregelen voor Onderhoud Uitgevoerd door Eigenaar
Verkeerd of onvolledig onderhoud kan problemen opleveren. In dit hoofdstuk worden alleen aanwijzingen gegeven voor werkzaamheden die eenvoudig uit te voeren zijn.
Zoals eerder uitgelegd in dit hoofdstuk kunnen verschillende werkzaamheden alleen door een gekwalificeerde monteur worden uitgevoerd die de beschikking heeft over speciaal gereedschap.
Het verkeerde onderhoud door de eigenaar tijdens de garantieperiode kan ertoe leiden dat de garantie vervalt. Lees voor details het bij de auto geleverde Kia-garantieboekje. Laat in twijfelgevallen het onderhoud altijd uitvoeren door een officiële Kia-dealer.
WAARSCHUWING
- Onderhoudswerkzaamheden
- Het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan een auto kan gevaarlijk zijn. U kunt ernstig letsel oplopen bij het uitvoeren van onderhoudsprocedures. Als u niet voldoende kennis en ervaring hebt, of niet kunt beschikken over het juiste gereedschap voor het werk, laat het dan over aan een vakbekwaam monteur.
- Werken onder de motorkap terwijl de motor loopt, is gevaarlijk. Het wordt nog gevaarlijker wanneer u sieraden draagt of losse kleding. Deze kunnen verstrikt raken in bewegende delen en u kunt daardoor gewond raken. Doe daarom vooral, als u de motor moet laten lopen terwijl u aan het werk bent onder de motorkap, alle sieraden (vooral ringen, armbanden, horloges en halskettingen) en alle dassen, sjaals en dergelijke loshangende kledingstukken af, voordat u in de buurt komt van de motor of van koelventilatoren.
WAARSCHUWING
Aangezien de koelventilators elektronisch geregeld worden, kunnen ze gaan draaien wanneer het contact in stand ON staat zelfs wanneer de motor uit is. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan. Zorg er daarom voor dat het contact in stand LOCK staat tenzij het voor het onderhoud of de controle nodig is dat de motor draait.
MOTORRUIMTE
Dieselmotor
- Motorkoelmiddelreservoir
- Radiator dop
- Motorlievuldop
- Peilstok automatische transmissievloeistof
- Reservoir rem-/koppelingsvloeistof
- Luchtfilter
- Reservoir voorruitsproeiervloeistof
- Reservoir stuurbekrachtigingsvloeistof
- Peilstok motorolie
- Accu
- Zekeringkast
- Brandstoffilter en waterafscheider
1FJA5006Z
Benzinemotor
- Hiervoor moet de auto op een vlakke ondergrond staan.
- Start de motor en laat hem op bedrijfstemperatuur komen.
- Schakel de motor uit en wacht enkele minuten tot de olie naar het oliecarter teruggevloeid is.
- Verwijder de peilstok, maak hem schoon en steek hem er opnieuw helemaal in.
- Trek de peilstok er opnieuw uit en controleer het peil. Het oliepeil moet tussen F en L liggen.
Nadert het oliepeil L, vul dan zo veel olie bij tot het peil F bereikt. Doe het reservoir niet te vol.

Gebruik alleen de aangegeven olie. (Raadpleeg 'Aanbevolen smeermiddelen' verder in dit hoofdstuk.)
Vervanging Motorolie en Filter
Vervang de motorolie en filter volgens het onderhoudsschema in het begin van dit hoofdstuk.

WAARSCHUWING
- Motorola
- Bij langdurig huidcontact met GEBRUIKTE motorolie ontwikkelden proefmuizen huidkanker. Bescherm uw huid door ze met water en zeep te wassen. • Bewaar motorolie buiten het bereik van kinderen.
Oliehoeveelheid
Raadpleeg hoofdstuk 8, "Specificaties".
Gebruik alleen de aangegeven motorolie. (Raadpleeg 'Aanbevolen smeermiddelen' verder in dit hoofdstuk.)
* OPMERKING
- Hoewel alle oliefilters er ongeveer hetzelfde uitzien, kan hun interne opbouw erg verschillen. Deze filters zijn niet onderling uitwisselbaar. Gebruik alleen de aangegeven filter om motorschade te voorkomen. Vraag uw erkend Kia-dealer om raad.
- Volg deze instructies zorgvuldig. Een slecht geïnstalleerde oliefilter kan lekkage en motorschade veroorzaken.
ONDERHOUD
MOTORKOELSYSTEEM
Het hogedruk-koelsysteem heeft een reservoir dat het hele jaar door antivries-koelmiddel bevat. Dit reservoir wordt in de fabriek gevuld.
Controleer de antivriesbescherming en het koelmiddelpeil minstens eenmaal per jaar, in het begin van de winter en voor u naar een koude streek reist.
Koelvloeistofpeil controleren
WAARSCHUWING
- Verwijderen radiateurdop
- Verwijder de radiateurdop nooit terwijl de motor draait. Daardoor kan er schade aan het koelsysteem en/of de motor ontstaan; bovendien kunt u ernstig letsel oplopen doordat er hete koelvloeistof of stoom ontsnapt.
- Zet de motor uit en wacht tot deze is afgekoeld. Zelfs dan dient u uiterst voorzichtig te zijn bij het verwijderen van de radiateurdop. Wikkel een dikke doek rond de radiateurdop en draai hem linksom tot de eerste aanslag. Ga een stukje achteruit wanneer de druk van het koelsysteem af gaat. Pas als u zeker weet dat er geen overdruk meer is, drukt u de dop met de doek in en draait u hem verder linksom om hem te verwijderen.
- Verwijder de radiateurdop of de aftapplug niet als de motor en de radiateur nog heet zijn, zelfs niet als de motor niet loopt. Er kan nog steeds hete koelvloeistof en stoom ontsnappen, waardoor er ernstig letsel kan ontstaan.

Controleer de toestand en aansluitingen van alle slangen van het koelsysteem en de verwarming. Vervang alle uitgezette of versleten slangen.
Het koelvloeistofpeil in het expansievat dient tussen de merktekens MAX (F) en MIN (L) te liggen als de motor koud is.
Is het koelmiddelpeil te laag, vul dan voldoende koelmiddel van het aangegeven type toe, zodat het systeem tegen vorst en corrosie beschermd wordt. Vul koelvloeistof bij tot het merkteken MAX (F) maar doe het reservoir niet overvol. Moet u regelmatig vloeistof bijvullen, laat uw koelsysteem dan inspecteren door uw Kia-dealer of in een andere reparatiewerkplaats.
Verversing van het koelmiddel
Ververs het koelmiddel volgens het onderhoudsschema.
- Gebruik alleen zacht (gedemineraliseerd) water in het koelmiddelmengsel.
- De motor van uw auto heeft aluminium onderdelen die tegen corrosie en vorst beschermd moeten worden door een koelmiddel op ethyleenglycolbasis.
- GEBRUIK GEEN antivriesmiddel met alcohol of methanol en vermeng deze producten niet met het aangegeven koelmiddel.
- Gebruik geen mengsel met meer dan 60% of minder dan 35% antivries; in dat geval is een optimale koelende werking niet gewaarborgd.
Voor mengselverhoudingen zie onderstaande tabel.
| Buitentemperatuur | Mengselverhouding (volume) | |
| Koeloplo-ssing | Water | |
| -15°C (5°F) | 35 | 65 |
| -25°C (-13°F) | 40 | 60 |
| -35°C (-31°F) | 50 | 50 |
| -45°C (-49°F) | 60 | 40 |
Z VOORZICHTIG
Verwijder de radiatorvuldop of de aftapplug nooit terwijl de motor nog heet is, om verbranding te voorkomen.
- Draai de radiatorvuldop tegen de wijzers van de klok om hem te openen.
- Draai de radiator-aftapplug open en vang het koelmiddel in een geschikt reservoir of vangbak.
- Spoel het systeem met stromend water bij geopende aftapplug.
- Laat het systeem helemaal leeglopen en sluit de aftapplug. Voeg de nodige hoeveelheid koelmiddel op ethyleenglycolbasis en water toe voor een afdoende bescherming tegen vorst en corrosie. Voeg in extreem koude weersomstandigheden koelmiddel op ethyleenglycolbasis toe volgens de instructies van de fabrikant.
- Laat de motor stationair draaien met verwijderde radiatorvuldop. Voeg langzaam nog koelmiddel toe indien nodig.
- Wacht tot de motor de normale bedrijfstemperatuur bereikt. Duw het gaspedaal twee- of driemaal in en voeg indien nodig nog wat koelmiddel toe. Let op dat u zich niet verbrandt.
- Plaats de radiateurdop. Controleer alle aansluitingen op lekkage en controleer het koelvloeistofpeil in het reservoir opnieuw. Controleer opnieuw nadat u een aantal keer met de auto gereden heeft en vul indien nodig bij.
REMMEN EN KOPPELING

Controle van het rem-/koppelingsvloeistofniveau
Het remsysteem en de hydraulische koppeling hebben een gemeenschappelijk hoofdcilinderreservoir.
Controleer het vloeistofniveau in dit reservoir op geregelde tijdstippen. Het vloeistofniveau moet tussen de merktekens MAX en MIN op de wand van het reservoir liggen.
Reinig de plaats rond de vulmond van het reservoir grondig voordat u de vuldop van het reservoir verwijdert en remvloeistof toevoegt. Zo voorkomt u vervuiling van de rem-/koppelingsvloeistof.
Is het peil te laag, voeg dan vloeistof toe tot het merkteken MAX. Het peil zal in verhouding tot de afgelegde afstand dalen. Dit is een normaal verschijnsel dat gepaard gaat met de slijtage van de rem-/koppelingsvoeringen. Is het vloeistofniveau abnormaal ver gedaald, laat het remsysteem en de koppeling dan door een erkende Kia-dealer of in een andere competente reparatiewerkplaats nakijken.
Gebruik alleen de aangeduide rem-/koppelingsvloeistof (zie "Aanbevolen smeermiddelen" verder in dit hoofdstuk).
Meng nooit verschillende soorten vloeistof.
* OPMERKING
Moet u regelmatig rem-/koppelingsvloeistof toevoegen, laat uw auto dan door een erkende Kia-dealer of in een andere competente reparatiewerkplaats nakijken.
WAARSCHUWING
Wees voorzichtig bij het vervangen of bijvullen van rem- en koppelingsvloeistof. Zorg ervoor dat het niet in contact komt met uw ogen. Spoel uw ogen direct met een ruime hoeveelheid leidingwater wanneer u rem- en koppelingsvloeistof in uw ogen krijgt. Laat uw ogen zo snel mogelijk onderzoeken door een dokter.
VOORZICHTIG
Zorg ervoor dat rem- en koppelingsvloeistof niet in contact komt met het lakwerk van de auto. De lak kan hierdoor beschadigen. De kwaliteit van een rem- en koppelingsvloeistof die gedurende lange tijd blootgesteld is aan de buitenlucht kan niet gegarandeerd worden. Vervang deze. Gebruik het juiste type vloeistof. Slechts een paar druppels minerale olie, bijvoorbeeld motorolie, in het rem-/koppelingsysteem kunnen de onderdelen van het systeem beschadigen.
PARKEERREM
Controleren van de parkeerrem
Controleer de slag van de parkeerrem door het aantal klikken te tellen wanneer de hendel volledig wordt aangetrokken. De parkeerrem alleen moet de auto veilig op een vrij steile helling kunnen houden. Laat de parkeerrem afstellen door een officiële Kia-dealer wanneer het aantal klikken meer of minder is dan het voorgeschreven aantal.
Slag:
5 ~ 7 klikken bij een kracht van 98 N.
STUURBEKRACHTIGING

Controle van het stuurbekrachtigingsvloeistofniveau
Controleer regelmatig het vloeistofniveau in het stuurbekrachtigingsreservoir terwijl uw auto op een vlakke ondergrond staat. Het vloeistofniveau moet tussen HIGH en MIN op de wand van het reservoir liggen.
Reinig het gebied rondom de dop van het reservoir grondig alvorens vloeistof bij te vullen om te voorkomen dat deze vervuild raakt.
Is het peil te laag, voeg dan vloeistof bij tot het merkteken HIGH.
Moet u regelmatig stuurbekrachtigingsvloeistof toevoegen, laat uw auto dan door een erkend Kia-dealer of in een andere reparatiewerkplaats nakijken.
* OPMERKING
Blijf niet te lang met een laag vloeistofniveau in het stuurbekrachtigingsreservoir rijden om beschadiging van de stuurbekrachtigingspomp te vermijden.
Gebruik alleen de aangegeven stuurbekrachtigingsvloeistof. (Zie "Aanbevolen smeermiddelen" verder in dit hoofdstuk.)
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING)

Controle van het automatische-transmissievloeistofniveau
Het automatische-transmissievloeistofniveau moet regelmatig gecontroleerd worden.
Het transmissievloeistofniveau varieert naar gelang van de temperatuur. Hoewel het verstandig is om het peil te controleren nadat u minstens 30 minuten met de auto gereden hebt, kunt u de controle ook uitvoeren na opwarmen van de vloeistof op de hieronder beschreven wijze.
VOORZICHTIG
- Bij een te laag vloeistofniveau zal de versnellingsbak doorslippen. Een te hoog vloeistofniveau kan schuimvorming, vloeistofverlies en storingen in de overbrenging veroorzaken.
- Bij gebruik van een andere dan de aangegeven vloeistof kan de versnellingsbak slecht werken en defect raken.
Trek de parkeerrem aan en trap het rempedaal in bij het verplaatsen van de selectiehendel om te voorkomen dat de auto onverwachts in beweging komt.
- Plaats de auto op een stevige en vlakke ondergrond en trek de parkeerrem stevig aan.
- Laat de motor ongeveer 2 minuten stationair draaien.
- Trap het rempedaal in en beweeg de selectiehendel langzaam door alle standen en schakel daarna stand N (Neutraal) of stand P (Parkeren) in.
- Trek bij stationair draaiende motor de peilstok uit de houder, veeg deze schoon en plaats hem vervolgens weer.

- Trek de peilstok opnieuw uit de houder en controleer het vloeistofpeil.
Als er met de auto gereden is en de vloeistof de normale bedrijfstemperatuur van ongeveer 70 - 80°C heeft, moet het vloeistofpeil zich in het gebied HOT bevinden.
- Gebruik het merkteken COLD alleen als een ruwe schatting.
- Start de motor en controleer het vloeistofpeil nadat de motor op bedrijfstemperatuur is wanneer de buitentemperatuur lager dan 20°C is.
- Wanneer er gedurende langere tijd met hoge snelheden gereden is of bij warm weer in stadsverkeer, is het verstandig het vloeistofpeil te controleren 30 minuten nadat de motor uitgezet is en de vloeistof heeft kunnen afkoelen.
Steek de peilstok volledig in de houder. Controleer tijdens het bijvullen van vloeistof regelmatig met de peilstok of er niet te veel wordt bijgevuld. Vul niet te veel bij.
Gebruik alleen de voorgeschreven automatische-transmissievloeistof. (Zie "Aanbevolen smeermiddelen" verder in dit hoofdstuk.)
SMEERMIDDELEN EN VLOEISTOFFEN

Controleren van Vloeistofpeil Ruitensproeier
Het reservoir is doorschijnend zodat u het peil snel visueel kunt controleren.
Controleer het vloeistofpeil in het sproeierreservoir en vul indien nodig vloeistof bij. Als u geen ruitensproeiervloeistof bij de hand hebt, kunt u het reservoir bijvullen met gewoon water. Gebruik in koude klimaten echter speciale ruitensproeiervloeistof om bevriezing te voorkomen.
VOORZICHTIG
- Gebruik geen koelvloeistof voor de radiator of antivries in het reservoir van de wis-/wasinstallatie van de achterruit.
- Koelvloeistof voor de radiator kan het zicht ernstig belemmeren wanneer deze op de ruit van de auto wordt gesproeid en kan leiden tot het verlies van de controle over de auto of beschadiging van de lak en het plaatwerk.
Smering van de Carrosserie
Alle bewegende delen van de carrosserie, zoals scharnieren van de portieren, scharnieren van de motorkap en sloten moeten iedere keer worden gesmeerd wanneer de motorolie wordt ververst. Gebruik bij koud weer voor sloten een niet-bevriezend smeermiddel.
Let erop dat de secundaire vergrendeling van de motorkap ervoor zorgt dat motorkap niet open gaat wanneer u de primaire vergrendeling losneemt.
BRANDSTOFFILTER EN WATERAFSCHEIDER (DIESEL)
De waterafscheider vangt het water uit de brandstof op.
Het waarschuwingslampje gaat branden wanneer het contact in stand ON staat en water zich in de waterafscheider verzameld heeft.
Z. VOORZICHTIG
Als het water in de afscheider niet of niet vaak genoeg wordt afgetapt, kan er schade ontstaan aan belangrijke onderdelen doordat er water in het brandstoffilter komt.

Ontwatering van de Afscheider
- Plaats een bak onder de afscheider.
- Verwijder de aftapplug en laat het water af.
- Draai na het aftappen de aftapplug goed vast.
- Controleer na het starten van de motor of het waarschuwingslampje WATERAFSCHEIDER uit is.
LUCHTFILTER

Vervanging van het Filterelement
Er wordt een droog papieren luchtfilter gebruikt. Het moet indien nodig gecontroleerd en vervangen worden.
- Neem de bevestigingsclips los om het luchtfilterdeksel te verwijderen.
- Maak het luchtfilterhuis aan de binnenkant schoon met een vochtige doek.
- Vervang het luchtfilterelement.
- Bevestig het deksel met de bevestigingsclips.
Vervang het filterelement op de aangegeven tijdstippen in het Onderhoudsschema.
Als u met uw auto in extreem stoffige of zandige streken rijdt, moet uw luchtfilter vaker dan normaal vervangen worden.
(Raadpleeg "Onderhoudsschema bij gebruik onder zware omstandigheden" eerder in dit hoofdstuk.)
VOORZICHTIG
• Rij nooit zonder luchtfilter. Hierdoor zou uw motor abnormaal verslijten. - Als u zonder luchtfilter rijdt neemt de kans op naontsteking toe. Dit kan brand in de motorruimte veroorzaken. • Zorg ervoor dat bij het verwijderen van het luchtfilterelement geen stof en vuil in de luchtinlaat komt. Dit kan schade veroorzaken.
WISSERBLADEN
Onderhoud van de Ruitenwisserbladen
* OPMERKING
De hete was die in automatische wasinstallaties wordt gebruikt maakt uw voorruit moeilijk reinigbaar.
Door vervuiling van uw voorruit of ruitenwisserbladen met vreemde stoffen, kunnen de ruitenwissers minder efficiënt worden. Veelvoorkomende bronnen van vervuiling zijn insecten, boomsappen en behandelingen met hete was die in sommige wasinstallaties worden toegepast.
Werken de ruitenwisserbladen niet goed, reinig dan zowel de ruit als de bladen met een goed reinigingsmiddel of een milde detergent en spoel grondig na met zuiver water.
* OPMERKING
Gebruik geen benzine, kerosine, verfverdunner of andere oplosmiddelen op of in de buurt van de ruitenwisserbladen om beschadiging te voorkomen.
Vervanging van de ruitenwisserbladen
Als de ruitenwissers niet meer doeltreffend werken, kan dit op slijtage of beschadiging van de ruitenwisserbladen wijzen. Vervang de ruitenwisserbladen in dit geval.
* OPMERKING
Beweeg de ruitenwissers nooit met de hand om beschadiging van de wisserarmen of andere onderdelen te voorkomen.
* OPMERKING
Het gebruik van imitatie ruitenwisserbladen kan storingen en problemen veroorzaken.

- Til de wisserarm op en draai het ruitenwisserblad zodat de plastic bevestigingsklem zichtbaar wordt. Druk de klem in en schuif het wisserblad naar beneden. Verwijder het vervolgens van de arm.
* OPMERKING
Laat de wisserarm niet op de voorruit vallen.

- Neem het uiteinde van het ruitenwisrubber vast en trek het uit de metalen ruitenwisserbladhouder.

- Haal de metalen klemhoudertjes van het ruitenwisrubber en bevestig ze op het nieuwe ruitenwisrubber.

- Breng voorzichtig een nieuw ruitenwisrubber aan en bevestig het wisserblad opnieuw.
* OPMERKING
Buig de metalen klemhoudertjes niet.
Installeer het wisserblad met het uitstekende deel naar de onderkant van de wisserarm gericht.
ACCU
WAARSCHUWING
- Gevaren accu

Lees de volgende aanwijzingen voor het omgaan met de accu zorgvuldig door.

Houd brandende sigaretten, vonken en open vuur uit de buurt van de accu.

Er bevindt zich altijd wat van het zeer licht ontvlambare waterstof in de accucellen. Dit kan ontploffen.

Spoel uw ogen gedurende tenminste 15 minuten en roep onmiddellijk medische hulp in wanneer u elektrolyt in uw ogen krijgt. Blijf, indien mogelijk, spoelen met water totdat medische hulp gearriveerd is. Was uw huid grondig wanneer deze in aanraking komt met elektrolyt. Roep onmiddellijk medische hulp in wanneer u pijn of een brandend gevoel heeft.

Houd accu's buiten bereik van kinderen, aangezien accu's het zeer agressieve zwavelzuur bevatten. Laat accuzuur niet in contact komen met uw huid, uw ogen, kleding en de lak van de auto.

Draag een veiligheidsbril tijdens het opladen van en het werken in de buurt van accu's. Zorg altijd voor ventilatie wanneer in een afgesloten ruimte wordt gewerkt.
• Bij het optillen van een accu met een kunststof behuizing kan door de druk accuzuur naar buiten komen, waardoor persoonlijk letsel optreedt. Houd bij het optillen uw handen aan de zijkant van de accu. • Laad nooit een accu bij terwijl de accukabels nog aangesloten zijn. - Het ontstekingssysteem werkt met hoogspanning. Raak de onderdelen van de ontsteking niet aan als de motor draait of het contact in stand ON staat.

Hoe Kunt u uw Accu het Best Onderhouden:
• Zorg ervoor dat de accu stevig gemonteerd is. • Hou de bovenkant van de accu schoon en droog. - Hou de poolklemmen en aansluitingen schoon en stevig bevestigd. - Verwijder gemorst elektrolyt onmiddellijk van het accuoppervlak met een oplossing van water en natriumcarbonaat. - Gaat u lange tijd niet met uw auto rijden, koppel de accukabels dan los.
Oplading van de Accu
Uw auto is met een accu op calcium-basis uitgerust, die vrij van onderhoud is.
- Loopt de accu in een korte tijd leeg (bijvoorbeeld omdat uw koplampen of binnenverlichting per ongeluk zijn blijven branden terwijl u niet met uw auto reed), dan kan ze door druppellading gedurende 10 uur weer geleidelijk opgeladen worden.
- Loopt de accu geleidelijk leeg door de hoge belasting gedurende het rijden, herlaad deze dan gedurende twee uur op 20-30A.
WAARSCHUWING
- Opladen van de accu
Neem bij het opladen van de accu de volgende voorzorgsmaatregelen:
- Haal de accu uit de auto en zet ze op een goed geventileerde plaats.
- Hou sigaretten, vonken of vlammen uit de buurt van de accu.
- Hou de accu tijdens het laden in het oog en stop of verminder de oplading als er gas uit de accucellen vrijkomt (koken) of als de temperatuur van het elektrolyt in een van de cellen boven 49°C stijgt.
- Zet een veiligheidsbril op om de accu tijdens de oplading te controleren.
• Koppel de acculader als volgt af. 1. Schakel de acculader met de hoofdschakelaar uit. 2. Maak de negatieve klem van de negatieve accupool los. 3. Maak de positieve klem van de positieve accupool los.
* OPMERKING
- Schakel voor u de accu onderhoudt of oplaadt alle stroomverbruikers uit en zet de motor af.
- Verwijder de negatieve accukabel altijd eerst en sluit hem het laatst weer aan.
ONDERHOUD
BANDEN EN WIELEN
Onderhoud van de banden
Voor een optimale werking en veiligheid en een maximale zuinigheid moet u ervoor zorgen dat de banden altijd de juiste spanning hebben en dat u uw auto niet overlaadt en het gewicht gelijkmatig verdeelt.
Bandenspanning
Controleer maandelijks de spanning van alle banden (inclusief de reserveband) in koude toestand. De banden zijn 'koud' als uw auto minstens drie uur niet gereden heeft of minder dan 1,6 km gereden heeft. Met de aanbevolen bandenspanning zullen het rijcomfort en de bestuurbaarheid van uw auto optimaal zijn en zullen de banden minder snel verslijten.

Alle specificaties (afmetingen en spanningen) vindt u op een label op de dorpel bij het bestuurdersportier. Alle 4 banden en het volwaardige reservewiel moeten een spanning van 2,2 bar hebben.
WAARSCHUWING
Een te lage bandenspanning (meer dan 0,7 bar lager) leidt tot een enorme warmte-ontwikkeling, vooral bij hoge buitentemperaturen en hoge snelheden. Hierdoor is het mogelijk dat het profiel vervormt of dat andere bandafwijkingen optreden, waardoor u de controle over de auto kunt verliezen en ernstig letsel oploopt.
* OPMERKING
- Bij warme banden stijgt de spanning ongeveer met 28 tot 41 kPa in vergelijking met de aanbevolen bandenspanning in koude toestand.
- Laat geen lucht uit uw warme banden lopen om de spanning tot de aanbevolen waarde in koude toestand te verlagen. Anders worden uw banden te plat. Bij een te lage bandenspanning verslijten de banden sneller, wordt het stuurgedrag slechter, neemt het brandstofverbruik toe en vergroot de kans op oververhitting. Bovendien kan een te lage bandenspanning een slechte afdichting van de velgschouder veroorzaken. Is de spanning veel te laag, dan kan het wiel vervormen en kan de band loskomen. Hou daarom uw banden op de voorgeschreven spanning. Moet u een band vaak oppompen, laat hem dan nakijken door uw Kia-dealer of in een goede reparatiewerkplaats.
- Bij een te hoge bandenspanning rijdt uw auto ruw en is hij moeilijker bestuurbaar. Bovendien verslijt het profiel in het midden van de band overmatig en neemt de kans op beschadiging door voorwerpen op de weg toe.
Een te hoge of te lage bandenspanning verlaagt de levensduur van de band, maakt de auto moeilijker bestuurbaar en kan tot een plotseling defect aan de banden leiden, waardoor u de controle over het stuur kan verliezen.
Verwisseling van de Banden
Voor een gelijkmatige slijtage van het profiel is het aan te bevelen, de banden om de 12.000 km te verwisselen. Dit kan ook vroeger als u merkt dat de banden onregelmatig afslijten.
Controleer bij het verwisselen van de banden of ze correct gebalanceerd zijn.
Controleer de banden bij het verwisselen op ongelijkmatige slijtage en beschadigingen. Een abnormale slijtage is meestal te wijten aan een verkeerde bandenspanning, slechte uitlijning of balancering van de wielen, bruusk remmen of scherpe bochten nemen. Controleer het profiel en de zijkant van de banden op bulten en uitstulpingen. Stelt u een van deze gebreken vast, dan is uw band aan vervanging toe. Vervang de band ook als u textiel of koord ziet zitten. Pomp na de verwisseling de banden vooraan en achteraan tot de aanbevolen spanning op en controleer of alle moeren goed aangedraaid zijn.
![graph TD subgraph "Met een standaardformaat-reserveband" A1[" "] --> B1[" "] A2[" "] --> C1[" "] A3[" "] --> D1[" "] A4[" "] --> E1[" "] A5[" "] --> F1[" "] A6[" "] --> G1[" "] A7[" "] --> H1[" "] A8[" "] --> I1[" "] A9[" "] --> J1[" "] A10[" "] --> K1[" "] A11[" "] --> L1[" "] A12[" "] --> M1[" "]…](/content/2026/06/1152184/images/b2a2bf44404dee013163af59da36f138d122eb258b501642d1139b67e2f1c27e.jpg)
Inspecteer de remvoeringen op slijtage bij elke bandenwissel.
* OPMERKING
Radiale banden met een asymmetrisch profiel mogen alleen van voor naar achter en omgekeerd maar niet van links naar rechts en omgekeerd verwisseld worden.

Vervanging van de Banden
Is een band gelijkmatig afgesleten, dan verschijnt er een profielslijtage-indicator in de vorm van een volle strook van 12,7 mm breed over het profiel. Dit wijst erop dat het profiel van uw band minder dan 1,6 mm diep is.
Vervang de band als u dit vaststelt. Wacht niet tot deze strook over het hele profiel verschijnt om de band te vervangen.
Wieluitlijning en Balancering van de Banden
Naast een juiste bandenspanning, draagt een juiste wieluitlijning bij tot het beperken van de bandenslijtage. De wieluitlijning van uw auto moet iedere 12 maanden of 15.000 km gecontroleerd worden.
De wielen zijn in de fabriek uitgebalanceerd, maar het kan nodig zijn ze opnieuw te balanceren voordat ze versleten zijn. Laat uw Kia-dealer de banden controleren wanneer u tijdens het rijden een constante trilling voelt. Balanceer een wiel altijd wanneer de band van de velg verwijderd is geweest.
* OPMERKING
Een foutief wielgewicht kan de aluminium wielen van uw auto beschadigen. Gebruik alleen goedgekeurde wielgewichten.
Z VOORZICHTIG
- Gebruik als u banden vervangt nooit radiale banden en diagonale bandentypes door elkaar. Monteer altijd vier banden met hetzelfde formaat, hetzelfde profiel en dezelfde constructie. Monteer alleen banden met een bandenmaat die op het specificatieplaatje aan de portierstijl aan bestuurderszijde aangegeven wordt. Zorg ervoor dat alle banden en wielen hetzelfde formaat en hetzelfde draagvermogen hebben. Gebruik alleen de aanbevolen band-wiel-combinaties op het specificatieplaatje of die uw Kia-dealer aanraadt. Als u deze aanbevelingen niet volgt, kunnen de veiligheid en het stuurgedrag van uw auto in het gedrang komen.
- Het gebruik van banden met een andere bandenmaat of van een ander type kan een ingrijpende invloed hebben op de wegligging, besturing, bodemvrijheid, bandenvrijheid en kalibrering van de snelheidsmeter.
- Met versleten banden rijden is erg gevaarlijk omdat de remafstand toeneemt, het sturen moeilijker verloopt en de banden minder grip hebben.
- Het is aan te raden de vier banden tegelijk te vervangen. Is dit niet mogelijk of niet nodig, vervang de banden vooraan of achteraan dan als paar. Als u maar één band vervangt, kan dit het stuurgedrag van uw auto negatief beïnvloeden.
Vervanging van de Wielen
Dienen de metalen wielen om een of andere reden vervangen worden, gebruik dan alleen wielen die identiek zijn aan de originele exemplaren qua diameter, velgbreedte en naloop.
VOORZICHTIG
Een wiel van een verkeerd formaat kan een ingrijpende invloed hebben op de levensduur van wielen en lagers, de remkracht en -afstand, het stuurgedrag, de bodemvrijheid, speling tussen carrosserie en banden, ruimte voor sneeuwkettingen, kalibrering van de snelheidsmeter, hoogte van de koplampen en bumperhoogte.
ONDERHOUD
Bandenmaataanduiding
De bandenmaat staat op de zijkant van de band aangeduid. Deze maat hebt u nodig wanneer u uw banden door nieuwe wilt vervangen. Hieronder vindt u een verklaring van de betekenis van alle letters en cijfers in de bandenmaat.
Voorbeeld bandenmaat:
195/60 R15 88H
205/60 R15 91H
195/205 - Bandbreedte in millimeter.
60 - Breedte-hoogteverhouding. De hoogte van de band als percentage van zijn breedte.
R - Bandconstructiecode (Radiaal).
15 - Velgdiameter in inch.
88/91 - Draagvermogen, een cijfercode die aanduidt welk gewicht de band maximaal kan dragen.
H - Snelheidskwalificatiesymbool. Voor meer informatie zie het snelheidskwalificatiediagram in dit hoofdstuk.
Wielmaataanduiding
Ook op de wielen vindt u belangrijke informatie die u nodig hebt als u ooit een wiel moet vervangen. Hieronder vindt u een verklaring van de letters en cijfers waaruit de wielmaat bestaat.
Voorbeeld wielmaat: 6,0 JJ x 15
6,0 - Velgbreedte in inch.
JJ - Velgprofielaanduiding.
15 - Velgdiameter in inch.
Bandensnelheidskwalificaties
In de tabel hieronder vindt u de verschillende snelheidskwalificaties die momenteel voor de banden van personenauto's gebruikt worden. De snelheidskwalificatie maakt deel uit van de bandenmaat die op de zijkant van elke band aangeduid staat. Dit symbool geeft de maximumsnelheid voor een veilige werking van de betreffende band aan.
| Snelheids kwalificati esymbool | Maximumsnelheid |
| S | 180 km/u (112 mph) |
| T | 190 km/u (118 mph) |
| H | 210 km/u (130 mph) |
| V | 240 km/u (149 mph) |
| Z | Boven 240 km/u (149 mph) |

Uniforme Bandenkwaliteitsclassificatie
Slijtage van het profiel
De profielslijtageklasse is een vergelijkingswaarde gebaseerd op de slijtage van de band bij tests in gecontroleerde omstandigheden op een officieel testtraject. Een band uit klasse 150 zou bijvoorbeeld anderhalve keer minder afslijten op het officiële traject dan een band van klasse 100.
De relatieve slijtvastheid van de banden hangt echter van de reële omstandigheden waarin ze gebruikt worden af. Maar ook de rijstijl van de bestuurder, het onderhoud en de verschillende eigenschappen van de wegen en het klimaat spelen een rol.
Deze klasse is in de zijkant van elke band voor personenauto's ingegoten. De banden die als standaard- of optionele uitrusting voor de Kia-auto's worden gebruikt kunnen verschillen van klasse.
Grip - A, B & C
De waarden zijn van hoog naar laag A, B en C. Deze waarden geven het vermogen van de band weer om te stoppen op een nat wegdek, gemeten onder gecontroleerde omstandigheden op een officieel testtraject van asfalt en beton. Een band met waarde C presteert slecht wat grip betreft.
Temperatuur - A, B & C
De temperatuurwaarden A (hoogste), B en C geven de weerstand van de band tegen warmteontwikkeling en zijn vermogen om de warmte te verdelen weer, gemeten onder gecontroleerde omstandigheden op een wiel in een laboratoriumtest. Door aanhoudende hoge temperaturen kan het materiaal van de band degenereren en kan de levensduur van de band afnemen, een overmatige temperatuur kan tot een plotseling defect aan de band leiden. De waarden A en B staan voor een betere prestatie van het testwiel in het laboratorium dan de wettelijke minimumvereisten.
WAARSCHUWING
- Bandentemperatuur
De temperatuurwaarde van een band wordt vastgesteld voor een band met de juiste spanning die niet overbelast wordt. Door overdreven snelheid, te lage bandenspanning of overbelasting, afzonderlijk of in combinatie, kan er warmteaccumulatie optreden en kan de band plotseling defect raken. Hierdoor kan het voertuig onbestuurbaar worden met ernstige of dodelijke gevolgen.
VERVANGING LAMPJES
WAARSCHUWING
- Vervangen van Gloeilampen
Trek, voordat u gloeilampen gaat vervangen, de parkeerrem stevig aan en controleer of het contact in stand LOCK staat om te voorkomen dat de auto plotseling in beweging komt, dat u zich brandt of dat u een schok krijgt.
Gebruik alleen lampen met de voorgeschreven wattage.
* OPMERKING
Bij het rijden onder natte weersomstandigheden of na het wassen van de auto kunnen de lenzen beslagen zijn. Dit wordt veroorzaakt door het temperatuurverschil tussen de binnen- en buitenzijde. Dat is normaal. Neem echter contact op met een officiële Kia-dealer wanneer water in de behuizing blijft staan.
Vervanging Koplampen
WAARSCHUWING
- Halogeenlampen
- Halogeenlampen bevatten een gas onder druk. Breken ze, dan kunnen er glasscherven wegspringen.
- Behandel ze voorzichtig en vermijd krassen en schrammen. Zorg ervoor dat de brandende lampjes niet met vloeistoffen in contact komen. Raak het glas nooit met uw handen aan. Door vetsporen kan het lampje overhitten en bij inschakeling barsten. Laat het lampje alleen branden als het in de koplamp geïnstalleerd is.
(Wordt vervolgd)
(Vervolg)
- Vervang beschadigde of gebarsten lampjes onmiddellijk en werp ze op een veilige manier weg.
- Zet een veiligheidsbril op om de lampjes te vervangen. Laat het lampje afkoelen voor u het vast pakt.
ONDERHOUD

- Open de motorkap.
- Draai de bouten los om de lichtunit uit de carrosserie te verwijderen.

- Neem de hoofdstekker los van de koplamp.
- Neem het kapje van de gloeilamp van de koplamp-unit los door het tegen de wijzers van de klok in te draaien.

- Neem de koplampstekker los.
- Klik de koplamp uit de klemveer door het einde ervan in te drukken en het naar boven te duwen.
- Verwijder de lamp uit de koplampunit.
- Plaats een nieuwe lamp in de koplampunit en bevestig deze door de klem op zijn plaats te drukken.
- Sluit de koplampstekker aan.
- Plaats het kapje van de koplampunit door het met de wijzers van de klok mee vast te draaien.
- Sluit de hoofdstekker aan op de koplamp.
- Plaats de lichtunit in de carrosserie.

Vervanging Richtingaanwijzers Vóór en Parkeerlichten
- Open de motorkap.
- Draai de bouten los om de lichtunit uit de carrosserie te verwijderen.
- Neem de stekker los van de richtingaanwijzer vóór.
- Haal de fitting uit de lichtunit door de fitting linksom te draaien tot de lipjes in lijn staan met de lichtunit.
- Verwijder het lamp uit de fitting door het in te drukken en te draaien totdat de lipjes van het lamp precies gelijk zitten met de fitting. Trek het lamp uit de fitting.
ONDERHOUD
- Steek een nieuw lamp in de fitting en draai het tot het vastzit.
- Plaats de fitting in lichtunit door de nokjes op de fitting in lijn te brengen met de uitsparingen in lichtunit. Draai de fitting een kwartslag rechtsom.
- Sluit de stekker van de richtingaan-wijzer vóór aan.
- Plaats de lichtunit in de carrosserie.

Parkeerlicht (Indien van toepassing)
- Open de motorkap.
- Draai de bouten los om de lichtunit uit de carrosserie te verwijderen.
- Haal de fitting uit de lichtunit door de fitting linksom te draaien tot de lipjes in lijn staan met de lichtunit.
- Trek de lamp naar buiten.
- Steek een nieuwe lamp in de fitting.
- Plaats de fitting in het huis door de nokjes op de fitting in lijn te brengen met de uitsparingen in het huis. Draai de fitting een kwartslag rechtsom.

- Steek uw hand door de voorbumper, onder de mistlamp.
- Haal de fitting uit de lamphouder door de fitting tegen de wijzers van de klok te draaien tot de pennetjes van de fitting precies tegenover de gleufjes van de houder zitten.
- Trek de lamp naar buiten.
- Steek een nieuwe lamp in de fitting.
- Plaats de fitting in het huis door de nokjes op de fitting in lijn te brengen met de uitsparingen in het huis. Draai de fitting een kwartslag rechtsom.

Interieurverlichting; Vervangen van lamp
- Wrik de lens met een platte schroevendraaier voorzichtig los uit het huis van de interieurverlichting.
WEES VOORZICHTIG
Controleer, voordat u de lamp gaat vervangen, of toets OFF is ingedrukt om te voorkomen dat u zich brandt of een schok krijgt.
- Trek de lamp naar buiten.
- Steek een nieuwe lamp in de fitting.
- Breng de lipjes van de lens in lijn met de uitsparingen in het huis van de interieurverlichting en klik de lens vast.

Vervanging Kentekenplaatverlichting
- Draai de bevestigingsschroeven van de lens los met een kruiskop-schroevendraaier.
- Neem de lens uit.
- Trek de lamp naar buiten.
- Steek een nieuwe lamp in de fitting.
- Plaats de lens en draai de bevestigingsschroeven goed vast.

Vervanging Achterverlichting (Achterlicht, Achteruitrijverlichting en Remlicht)
- Open het achterportier.
- Wrik het afdekkapje met een platte schroevendraaier voorzichtig los van het huis.

- Haal de fitting uit de lamphouder door de fitting tegen de wijzers van de klok te draaien tot de pennetjes van de fitting precies tegenover de gleufjes van de houder zitten.
- Verwijder het lampje uit de fitting door het in te drukken en te draaien totdat de pennetjes van het lampje precies gelijk zitten met de gleufjes in de fitting. Trek het lampje uit de fitting.

- Steek een nieuw lamp in de fitting en draai het tot het vastzit.
- Plaats de fitting in lichtunit door de nokjes op de fitting in lijn te brengen met de uitsparingen in lichtunit. Draai de fitting een kwartslag rechtsom.
- Plaats het kapje.

Vervanging Richtingaanwijzers Opzij
- Verwijder de lichtunit uit de carrosserie door de unit naar voren te trekken.
- Neem de lampstekker los.
- Neem de lens los van de fitting door de fitting linksom te draaien tot de lipjes in lijn staan met de uitsparingen.
ONDERHOUD
- Trek de lamp naar buiten.
- Steek een nieuwe lamp in de fitting.
- Monteer de fitting en de lens.
- Sluit de lampstekker aan.
- Plaats de lichtunit in de carrosserie.
SPECIFICATIES
SMEERMIDDELEN
Aanbevolen smeermiddelen
Gebruik uitsluitend smeermiddelen van de juiste kwaliteit, om ervoor te zorgen dat de motor en de aandrijving de juiste prestaties leveren en een lange levensduur hebben. De juiste smeermiddelen bevorderen ook een efficiënte werking van de motor die leidt tot een zuiniger brandstofverbruik.
Er zijn nu motoroliën leverbaar die Energy Conserving Oils (Energiebesparende oliën) worden genoemd. Naast andere bijkomende voordelen, dragen zij bij tot brandstofbesparing doordat zij de hoeveelheid brandstof verminderen die nodig is om de wrijving van de motor te overwinnen. Deze verbeteringen zijn vaak moeilijk te meten bij de dagelijkse ritten met de auto, maar over een jaar gerekend kunnen zij aanzienlijke besparingen van kosten en energie opleveren.
De volgende smeermiddelen en vloeistoffen worden voor uw auto aanbevolen.
| Smeermiddel | Classificatie | |
| Motorolie *1 | Benzine | API Service SG of hoger |
| Diesel | API Service CE of hoger | |
| Versnellingsbakolie | API Service GL-4 (SAE 75W-90, gevuld voor de totale levensduur van de auto) | |
| Automatische-transmissievloeistof | SK ATF SP-III of DIAMOND ATF SP-III | |
| Stuurbekrachtigingsvloeistof | PSF-III | |
| Rem- en koppelingsvloeistof | FMVSS116 DOT-3 of DOT-4 | |
*1 Voor de aanbevolen SAE-viscositeitsklassen zie de volgende pagina.
Aanbevolen SAE-viscositeitsklasse
* OPMERKING
Reinig de omgeving rond de vuldop, aftapplug of peilstok altijd voor u het smeermiddelpeil controleert of het smeermiddel aftapt. Vooral in stoffige of zandige gebieden en wanneer de auto vaak op onverharde wegen rijdt is dit erg belangrijk. Door de omgeving rond de vuldop, aftapplug en peilstok te reinigen voorkomt u dat er stof en vuil in de motor en de andere delen binnendringen en daar schade aanrichten.
De motorolieviscositeit (dikte) beïnvloedt het brandstofverbruik en de werking bij koud weer (starten en olieomloop). Motorolie met een lage viscositeit levert een zuiniger brandstofverbruik en een beter rendement bij koud weer op, maar voor een doeltreffende smering bij warm weer is een motorolie met een hogere viscositeit vereist. Door gebruik van motorolie met een viscositeit die niet aan de aanbevelingen voldoet kunt uw motor schade oplopen. Hou bij de keuze van een motorolie rekening met het temperatuurbereik waaraan uw auto tot de volgende olieverversing blootgesteld zal worden. Kies vervolgens de aanbevolen olieviscositeit uit de tabel.
| Temperatuurbereik voor SAE-viscositeitsklassen | ||||||||||
| Temperatuur | °C(°F) | -30 | -20 | -10 | 0 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 |
| -20 | 0 | 20 | 40 | 60 | 80 | 100 | 120 | |||
| Motorolie | Benzine-motor | 5W-20*1 | ||||||||
| 5W-30*1 | ||||||||||
| 5W-40*1 | ||||||||||
| 10W-30 | ||||||||||
| 10W-40, 10W-50 | ||||||||||
| 15W-40, 15W-50 | ||||||||||
| 20W-40, 20W-50 | ||||||||||
| Diesel-motor | ||||||||||
| 30 | ||||||||||
| 20W-40 | ||||||||||
| 15W-40 | ||||||||||
| 10W-30 | ||||||||||
| 5W-30 | ||||||||||
| OW-30*1 | ||||||||||
*1 Afhankelijk van de rijomstandigheden en de omgeving. Niet geschikt voor langdurig gebruik bij hoge snelheden.
ONDERHOUD BUITENKANT
Algemene Voorzorgsmaatregelen Buitenkant
Volg bij gebruik van chemische reinigingsmiddelen en polish steeds de aanwijzingen op het etiket. Lees aandachtig alle waarschuwingen en opmerkingen op het etiket.
Onderhoud Afwerking
Wassen
Was uw auto regelmatig grondig, minstens eenmaal per maand, met lauw of koud water om hem te beschermen tegen roest en aantasting.
Rijdt u met uw auto op ongebaand terrein, was hem dan na elke uitstap. Let er vooral op dat u alle restanten van zout, vuil, modder en andere vreemde materialen verwijdert. Zorg ervoor dat de openingen aan de onderranden van de portieren en aan de achterklep vrij en schoon gehouden worden.
Insecten, teer, boomsappen, vogeluitwerpselen, industriële vervuiling en gelijkaardig vuil kunnen de laklaag van uw auto aantasten als ze niet onmiddellijk verwijderd worden.
Zelfs door uw auto onmiddellijk met zuiver water te wassen kunt u soms niet alle vuil verwijderen. Gebruik in dit geval een milde zeepoplossing die geschikt is voor gelakte oppervlakken. Spoel uw auto na het wassen grondig met lauw of koud water. Laat de zeep niet aan de carrosserie opdrogen.
OPMERKING
Gebruik geen sterke zeep, chemische detergenten of heet water en was uw auto niet in de volle zon of wanneer de carrosserie warm is.
VOORZICHTIG
Controleer nadat u uw auto gewassen hebt of de remmen niet nat geworden zijn. Is het remvermogen aangetast, rijd dan langzaam een eindje terwijl u lichtjes remt om de remmen te drogen.
VOORZICHTIG
- Water in de motorruimte kan de werking van de elektrische circuits beïnvloeden.
- Let zeer goed op wanneer u de motorruimte reinigt met water.
Behandeling met was
Behandel uw auto met was zodra u merkt dat het water geen druppels meer vormt op de laklaag.
Was uw auto en droog hem af voor u de was aanbrengt. Gebruik een vloeibare of vaste was van goede kwaliteit en volg de aanwijzingen van de fabrikant. Behandel alle metalen sierstrips met was zodat ze blijven glanzen.
Wanneer u met een vlekkenmiddel olie, teer en gelijkaardige vlekken van uw auto verwijdert, zal ook de waslaag op die plaats verdwijnen. Breng altijd een nieuwe waslaag op deze delen aan, ook als de rest van uw auto nog geen nieuwe wasbehandeling nodig heeft.
OPMERKING
- Wis geen stof of vuil van de carrosserie met een droge doek. Zo krast u de laklaag.
- Gebruik nooit staalwol, schuurmiddelen of krachtige detergenten met sterk alkalische of bijtende bestanddelen op de verchroomde delen en delen uit geanodiseerd aluminium. Hierdoor zou u de beschermlaag beschadigen en zou er verkleuring of aantasting van de lak kunnen optreden.
Reparatie van Lakbeschadigingen
Diepe krassen of steeninslagen in de laklaag moeten zo snel mogelijk hersteld worden. Onbeschermd metaal gaat immers snel roesten waardoor de reparatiekosten hoog kunnen oplopen.
* OPMERKING
Is uw auto beschadigd en moeten er delen van de carrosserie hersteld of vervangen worden, ga dan na of de herstelde of vervangen delen in de reparatiewerkplaats een anticorrosiebehandeling kregen.
Onderhoud Glanzende Metalen Delen
- Verwijder teer en insecten met een speciaal reinigingsproduct voor teer en niet met een krabber of een ander scherp voorwerp.
- Bescherm het oppervlak van glanzende metalen delen tegen corrosie met een laagje was of chroom-poetsmiddel en boen deze delen tot ze mooi glanzen.
- Breng in de winter of in kustgebieden een dikker laagje was of chroombescherming op de glanzende metalen delen aan. Bescherm deze delen indien nodig met een laagje niet-corrosief petrolatum of een ander beschermingsproduct.
Onderhoud Carrosserieonderkant
Corrosieve producten die op de weg gestrooid worden om ze ijs-, sneeuw- en stofvrij te houden kunnen zich aan de onderkant van de carrosserie ophopen. Worden deze producten niet verwijderd, dan kunnen bepaalde delen aan de onderkant van uw auto sneller gaan roesten, bijvoorbeeld de brandstofleidingen, het chassis, de vloerplaat en het uitlaatsysteem, zelfs als ze een roestwerende behandeling kregen.
Spuit de onderkant van de carrosserie en de wielkassen daarom eenmaal per maand, na elke rit op onverhard terrein en op het einde van de winter grondig af met lauw of koud water. Let hierbij extra goed op want de modder en het vuil zijn niet overal even goed te zien. Door het vuil gewoon nat te spuiten zonder het te verwijderen doet u meer kwaad dan goed.
In de onderrand van de portieren, achterklep en chassisdelen zitten er openingen die niet met vuil verstopt mogen raken. Anders zou het ingesloten water in deze delen roestvorming kunnen veroorzaken.
Z VOORZICHTIG
Test uw remmen nadat u de auto gewassen hebt. Doe dit door een poosje langzaam te rijden en licht te remmen, om te controleren of uw remvermogen afgenomen is.
ONDERHOUD
Onderhoud Aluminium Wielen
De aluminium wielen zijn van een doorschijnend beschermlaagje voorzien.
- Gebruik nooit schuurmiddelen, polijstpasta of schuurborstels op de aluminium wielen. Zo zou u het beschermlaagje beschadigen.
- Reinig de wielen uitsluitend met een milde zeep of een neutraal detergent en spoel ze grondig na met water. Reinig de wielen altijd nadat u op wegen met strooizout gereden hebt. Zo voorkomt u corrosie.
- Was de wielen niet met automatische borstels op hoge snelheid.
- Gebruik geen agressieve reinigingsmiddelen. Deze kunnen de laklaag van de lichtmetalen velgen aantasten of beschadigen.
ONDERHOUD BINNENKANT
Algemene voorzorgsmaatregelen binnenkant
Vermijd het contact van bijtende oplossingen zoals parfum en cosmetische producten met het dashboard. Ze kunnen immers beschadigingen en verkleuring veroorzaken. Komen dergelijke producten toch in contact met het dashboard, verwijder deze dan onmiddellijk. Hoe u de vinylbekleding reinigt leest u hieronder.
Reiniging van de bekleding en binnenafwerking
Vinyl
Stof en los vuil kunt u met een plumeau of stofzuiger van het vinyl verwijderen. Reinig het vinyloppervlak met een speciale vinylreiniger.
Textiel
Stof en los vuil kunt u met een plumeau of stofzuiger verwijderen. Reinig de bekleding met een milde zeepoplossing die aanbevolen wordt voor de reiniging van bekledingstextiel of tapijten. Verwijder nieuwe vlekken onmiddellijk met een vlekkenmiddel voor textiel. Verwijdert u nieuwe vlekken niet onmiddellijk dan zullen ze er later misschien niet meer uitkomen en kan er verkleuring van de bekleding optreden. Als het materiaal niet goed onderhouden wordt, kan het zijn brandwerende eigenschappen ook verliezen.
Z. VOORZICHTIG
Bij gebruik van andere middelen en methodes dan die welke hier aanbevolen worden, kan de stof verkleuren en zijn brandwerende eigenschappen verliezen.
Reiniging van de Driepuntsgordel
Reinig de gordel met een milde zeepoplossing die aanbevolen wordt voor bekledingstextiel en tapijten. Volg de instructies van de fabrikant. Behandel de gordel niet met bleekmiddel of verf. Anders zou hij zijn stevigheid kunnen verliezen.
Reiniging Ruiten aan de Binnenkant
Zijn de ruiten aan de binnenkant beslagen (ligt er een vette film op), reinig ze dan met glasreiniger. Volg de instructies op het etiket van het product.
* OPMERKING
Schraap of kras niet op het binnenoppervlak van de achterruit. Anders zou u de geleiders van de achterruitverwarming kunnen beschadigen.
SPECIFICATIES
SPECIFICATIES
De hieronder opgesomde specificaties zijn enkel algemene waarden ter informatie. Raadpleeg een erkend Kia-dealer voor meer precieze en de meest recente informatie.
Airconditioning
| Koelmiddel volgens SAE J639 | R134a |
| Maximale inhoud | 680 ± 25g |
Afmetingen
| Onderwerp | mm (in) |
| Totale lengte | 4493 (176,9) |
| Totale breedte | 1748 (68,8) |
| Totale hoogte zonder roof rack | 1609 (63,3) |
| Totale hoogte met roof rack | 1650 (65,0) |
| Spoorbreedte vóór | 1490 (58,7) |
| Spoorbreedte achter | 1483 (58,4) |
| Wielbasis | 2560 (100,8) |
Gewichten kg (lb)
| Onderwerp | Dieselmotor | 1,8 Benzinemotor | 1,6 Benzinemotor | |||||||
| 5 Stoelen | 6 Stoelen | 5 Stoelen | 6 Stoelen | 5 Stoelen | ||||||
| M/T | A/T | M/T | A/T | M/T | A/T | M/T | A/T | M/T | ||
| CW | 1474(1511) | 1486(1523) | 1489(1525) | 1501(1523) | 1387(1424) | 1410(1447) | 1403(1439) | 1427(1449) | 1347-1369 | |
| GVWR | 1965 | 1975 | 1975 | 1975 | 1880 | 1905 | 1895 | 1905 | 1830 | |
| GAWR | Voor | 1040 | 1020 | 980 | 980 | 930 | ||||
| Achter | 1010 | 1020 | 1010 | 1030 | 1010 | |||||
GVWR: Maximale massa voertuig GAWR: Maximale asbelasting
Motor
| Onderwerp | Dieselmotor | 1,6 Benzinemotor | 1,8 Benzinemotor |
| Boring x slag (mm) | 83 x 92 | 78 x 83,4 | 81 x 87 |
| Cilinderinhoud (cc) | 1991 | 1594 | 1793 |
| Compressieverhouding | 17,7 ± 3% | 10 | 9,5 |
| Ontstekingsvolgorde | 1-3-4-2 | 1-3-4-2 | 1-3-4-2 |
| Stationair toerental (omw/min) | 800 ± 100 | 800 ± 100 | 800 ± 100 |
Elektrisch Systeem
| Onderwerp | Dieselmotor | 1,6 Benzinemotor | 1,8 Benzinemotor | ||
| Accu | 88 AH | 60 AH | 60AH | ||
| Dynamo | MT | 12 V - 120 A | 12V-80A | 12V-90A | |
| AT | 12 V - 120 A | 12V-80A | 12V-90A | ||
| Startmotor | MT | 12 V - 2,2 KW | 12 V - 0,85 KW | 12 V - 0,9 KW | |
| AT | 12 V - 2,2 KW | 12 V - 0,85 KW | 12 V - 1,2 KW | ||
| Bougie | Elektrodenafstand | - | 1,0~1,1 mm | 0,7~0,8 mm | |
| Specificatie | BKR6ES-11 | BKR6ES | |||
Gloeilampen
| Gloeilampen | Watt |
| Koplampen (dimlicht/grootlicht) | 60/55 |
| Richtingaanwijzers vóór/Parkeerlichten | 28/8 |
| Parkeerlichten | 8 |
| Richtingaanwijzers opzij | 5 |
| Mistlampen vóór (indien van toepassing) | 27 |
| Mistachterlicht (indien van toepassing) | 27 |
| Richtingaanwijzers achter | 21/5 |
| Achteruitrijlichten | 21 |
| Derde remlicht | 16 |
| Kentekenplaatverlichting | 0,75 |
| Interieurverlichting | 5 |
| Kaartleeslampje | 10 |
| Bagageruimteverlichting | 10 |
Inhoud
| Smeermiddel | Inhoud (I) | Classificatie | ||
| Motorolie 1 | DSL | Met Filter | 5,9 | API SERVICE CE of hoger |
| Zonder Filter | 5,4 | |||
| 1,6 GSL | Met Filter | 3,4 | API SERVICE SG of hoger | |
| Zonder Filter | 3,2 | |||
| 1,8 GSL | Met Filter | 4,0 | ||
| Zonder Filter | 3,8 | |||
| Transmissievloei stof | M/T | 1,6 GSL | 2,65 | API SERVICE GL-4 SAE 75W-90 (gevuld voor de totale levensduur van de auto) |
| 1,8 GSL | 2,70 | |||
| 2,0 DSL | 2,10 | |||
| A/T | GSL | 5,4 | DIAMOND ATF SP-III of SKATF SP-III | |
| 2.0 DSL | 7,8 | |||
| Stuurbekrachtiging | 0,8 | PSF-III | ||
| Koelvloeistof | 1,6 GSL | 7,3 | Op ethyleenglycolbasis voor een aluminium radiateur | |
| 1,8 GSL | 7,7 | |||
| DSL | 7,7 | |||
| Remvloeistof | 0,2 | FMVSS116 DOT-3 of DOT-4 | ||
| Brandstof | 55 | - | ||
GSL: Benzinemotor
DSL: Dieselmotor
MT: Handgeschakelde transmissie
AT: Automatische transmissie
Banden
| Afmetingen | Bandenspanning | ||
| Voor | Achter | ||
| 195/60R15 | ![]() | 2,2 kg/cm2(32 psi, 220 kPa) | 2,2 kg/cm2(32 psi, 220 kPa) |
| 205/60R15 | ![]() | 2,2 kg/cm2(32 psi, 220 kPa) | 2,3 kg/cm2(33 psi, 230 kPa) |
Overbrengingsverhouding
| Motor Versnelling | DSL | 1,6 GSL | 1,8 GSL | ||
| M/T | A/T | M/T | M/T | A/T | |
| 1ste | 3,636 | 2,842 | 3,583 | 3,307 | 2,800 |
| 2de | 2,056 | 1,529 | 1,895 | 1,833 | 1,540 |
| 3de | 1,296 | 1,000 | 1,296 | 1,310 | 1,000 |
| 4de | 0,943 | 0,712 | 0,968 | 1,030 | 0,700 |
| 5de | 0,698 | - | 0,780 | 0,795 | - |
| Achteruit | 3,455 | 2,480 | 3,272 | 3,166 | 2,330 |
INDEX
INDEX
2e zitrij 3-17
Accu 7-30
Achterklep 3-56
Afscheidingsnet 3-80
Airbag - Aanvullend Veiligheidssysteem .....3-44
Antenne 3-79
Benodigde Brandstof 5-2
Beveiliging van de Elektrische Circuits 6-7
Bijzondere Rijomstandigheden 5-9
Brandstoffilter en Waterafscheider (Diesel) .....7-25
Contactslot 4-2
De Achterbank - Rij 3 ....3-22
Handbediend Verwarmings- en Ventilatiesysteem 4-52
Handgeschakelde Transmissie 4-9
Hoe Gebruikt u Deze Handleiding .....1-2
Informatie op Labels 5-24
inrijden van het Voertuig 1-3
instrumentenpaneel 4-29
Interieurverlichting ....3-65
Knipperlichten 4-51
Lichten 4-42
Luchtfilter 7-26
Meters 4-33
Middelste Opbergvak Bagageruimte 3-85
Motorkap 3-57
Motorkoelsysteem 7-16
Motorolie en Oliefilter 7-14
Motorruimte 7-12
Noodstart 6-4
Onderhoud Binnenkant 7-53
Onderhoud Buitenkant 7-49
Onderhoud door de Eigenaar 7-8
Onderhoudsschema bij Gebruik onder Zware omstandigheden 7-7
Onderhoudsschema bij Normaal Gebruik 7-4
Onderhoudswerken 7-2
Ontwaseming 4-50
Opbergvak voor Zonnebril ....3-70
Opbergvak 3-68
Overige Voorzieningen ....3-74
Overlading 5-24
Oververhitting 6-3
Overzicht Binnenkant en Buitenkant .....2-2
Overzicht Dashboard 2-3
Parkeerhulpsysteem 4-41
Parkeerrem 7-20
Portiersloten 3-6
Portiervergrendeling met Afstandsbediening .....3-3
Ramen 3-9
Remmen en Koppeling 7-19
Remsysteem 4-18
Rolhoes 3-84
Dakraam 3-73
Ruitenwissers en ruitensproeiers ..... 4-46
Schuif-/kanteldak 3-70
Slepen 6-15
Sleutels 3-2
Smeermiddelen en vloeistoffen .....7-24
Specificaties smeermiddelen 7-47
Specificaties 8-2
Spiegels 3-71
Startblokkeersysteem 3-5
Starten van de benzinemotor 4-4
INDEX
Starten van de dieselmotor 4-7
Stuurbekrachtiging 7-21
Stuurwiel 4-24
Tankdopklep 3-59
Tips voor Zuinig Rijden 5-8
Trekken van een Aanhangwagen 5-15
Uitlaatsysteem 5-4
Veiligheidsgordels ....3-25
Vervanging Lampjes 7-39
Voertuig-identificatienummer (VIN) 5-24
Voor u Wegrijdt 5-6
Waarschuwing van Andere Weggebruikers ..... 6-2
Waarschuwingstekens en Indicatoren ..... 4-35
Wiel Verwisselen bij een Lekke Band ..... 6-19
Wisserbladen 7-28
(Nederlands/Europa)

KIA MOTORS


