Picanto - Automobiel KIA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Picanto KIA in PDF-formaat.
| Type product | Auto (personenauto) |
| Merk | Kia |
| Model | Picanto |
| Afmetingen (L x B x H) | 3495 mm x 1595 mm x 1480 mm |
| Wielbasis | 2370 mm |
| Spoorbreedte voor/achter | 1400 mm / 1385 mm |
| Brandstoftank | 35 liter |
| Motorolie (inhoud) | 3,0 liter (incl. filter) |
| Koelvloeistof (inhoud) | 3,76 liter (handgeschakeld) / 3,86 liter (automaat) |
| Transmissievloeistof (handgeschakeld) | 1,9 liter (API GL-4 SAE 75W-85) |
| Automatische transmissievloeistof | 5,2 liter (ESSO JWS 3314) |
| Remvloeistof | 0,7-0,8 liter (DOT-3 of DOT-4) |
| Bandenmaat (standaard) | 155/70 R13 (velg 4.5J x 13) |
| Bandenspanning voor/achter | 2,1 bar (210 kPa) |
| Koplampen | 55/60 W (dimlicht/grootlicht) |
| Interieurverlichting | 10 W |
| Veiligheidssystemen | Airbags (bestuurder, passagier, zijkant), startblokkering, ISOFIX, kinderslot |
| Elektrische ramen | Ja, met blokkeerschakelaar |
| Buitenspiegels | Elektrisch of handmatig verstelbaar |
| Onderhoud | Regelmatig olie verversen, banden controleren, lampen vervangen volgens schema |
| Garantie | Raadpleeg garantieboekje; onderhoud bij officiële Kia-dealer |
Veelgestelde vragen - Picanto KIA
Gebruikersvragen over Picanto KIA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Picanto - KIA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Picanto van het merk KIA.
GEBRUIKSAANWIJZING Picanto KIA
Nu u eigenaar bent van een Kia krijgt u waarschijnlijk veel vragen over uw auto en over het bedrijf, zoals "Wat is een Kia?", "Wie is Kia?" en "Wat betekent 'Kia'?"
Hier volgen enige antwoorden. Ten eerste, Kia is de oudste autoproducent in Korea. Het bedrijf bestaat uit duizenden werknemers die zich concentreren op het bouwen van auto's met een hoge kwaliteit tegen een redelijke prijs, aangezien de werknemers zelf een aanzienlijk aandeel in het bedrijf hebben.
De eerste lettergreep, Ki, in het woord "Kia" betekent "opkomende zon". De tweede lettergreep, a, betekent "Azië". Dus het woord Kia, betekent "opkomende zon uit Azië".
Veel plezier met uw auto!
Hartelijk dank voor het kiezen van een Kia.
Onthoud dat voor onderhoud uw officiële Kia-dealer de aangewezen persoon is. Uw dealer heeft door de importeur getrainde monteurs in dienst, beschikt over de aanbevolen speciale gereedschappen, originele Kia-onderdelen en zal er alles aan doen u optimaal van dienst te zijn.
Bewaar het instructieboekje in de auto voor een eventuele volgende eigenaar.
Dit instructieboekje omvat alle Picanto modellen en zal u vertrouwd maken met de bediening, het onderhoud en de veiligheidsaspecten van uw nieuwe auto.
Bij het instructieboekje hoort een garantieboekje waarin u informatie vindt over de garantie. We raden u aan om deze informatie zorgvuldig te lezen en de daarin opgenomen aanwijzingen zorgvuldig op te volgen, zodat u veilig en probleemloos van uw nieuwe auto kunt genieten. Kia rust zijn talrijke modellen uit met een grote verscheidenheid aan opties, componenten en kenmerken.
Het is dan ook mogelijk dat de uitrusting die in dit instructieboekje beschreven staat en die op illustraties afgebeeld is, niet allemaal van toepassing is op uw auto. De in dit instructieboekje opgenomen informatie en specificaties golden ten tijde van het ter perse gaan. Kia Motors behoudt zich te allen tijde het recht voor wijzigingen door te voeren zonder voorafgaande kennisgeving. Als u vragen heeft, kunt u zich te allen tijde tot uw Kia-dealer wenden.
Wij zullen er alles aan doen om u optimaal en tot volle tevredenheid van uw nieuwe Kia te laten genieten.
© 2005 Kia Motors Nederland b.v.
Alle rechten voorbehouden.
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, in welke vorm dan ook, zonder de schriftelijke toestemming van Kia Motors.
INHOUDSTABEL
Inleiding
Uw auto in één oogopslag
Kennismaking met uw auto
Besturing van uw auto
Rijtips
In geval van nood
Onderhoud
Specifications
Index
Inleiding
1
Hoe gebruikt u deze handleiding / 1-2
Inrijden van het voertuig / 1-3
HOE GEBRUIKT U DEZE HANDLEIDING
We willen u helpen, het grootst mogelijke rijplezier uit uw auto te haien. Deze handleiding kunt u daar zeker bij helpen. We raden u met aandrang aan, de hele handleiding grondig door te nemen.
Om ernstige of zelfs dodelijke ongelukken te vermijden, dient u minstens de paragrafen WAARSCHUWING en VOORZICHTIG in alle hoofdstukken van deze handleiding aandachtig te lezen. U kan ze gemakkelijk herkennen aan de speciale markeringen die u hieronder ziet.
De illustraties vormen een aanvulling op de tekst in deze handleiding zodat u alle aanwijzingen voor een optimaal rijplezier goed begrijpt. Bij het lezen van uw handleiding zal u alles vernemen over de kenmerken van uw auto, belangrijke veiligheidsinformatie en rijgedrag in verschillende omstandigheden.
De algemene opbouw van de handleiding is te zien in de inhoudstabel. Een goed beginpunt is de index, die een alfabetisch overzicht van alle informatie in deze handleiding geeft.
Hoofdstukken: Deze handleiding bestaat uit acht hoofdstukken en een index. Elk hoofdstuk begint met een korte inhoudstabel, zodat u in één oogopslag ziet of de informatie die u zoekt in dit hoofdstuk te vinden is.
In deze handleiding zal u op diverse plaatsen WAARSCHUWING, VOORZICHTIG en OPMERKING aantreffen.
De paragrafen WAARSCHUWING, VOORZICHTIG en OPMERKING werden ingevoegd om uw veiligheid en uw blijvende tevredenheid over uw Kia Carnival te verzekeren. ALLE procedures en aanbevelingen in deze paragrafen WAARSCHUWING, VOORZICHTIG en OPMERKING dient u aandachtig te lezen en precies na te leven.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING wijst op een situatie waarin het negeren van de waarschuwing tot ernstige of zelfs dodelijke lichamelijke verwondingen kan leiden.
Z VOORZICHTIG
VOORZICHTIG wijst op een situatie waarin het negeren van de aanmaning tot voorzichtigheid tot lichamelijke verwondingen, eventueel ernstig, kan leiden.
* OPMERKING
OPMERKING wijst op een situatie waarin uw auto schade kan oplopen als u de aanwijzingen negeert.


INRIJDEN VAN HET VOERTUIG
Er dient geen speciale inrijperiode in acht genomen te worden. Door de eerste 1000 km enkele eenvoudige voorzorgen te nemen, kunt u de prestaties, zuinigheid en de levensduur van uw auto verhogen.
- Laat de motor niet op hoog toerental draaien.
- Rij geen lange periodes met dezelfde snelheid (hoog of laag). Varieer uw snelheid zodat de motor goed kan inlopen.
- Vermijd bruusk remmen, tenzij in noodgevallen, zodat de remmen zich goed kunnen zetten.
- Vermijd het wegrijden met vol gas.

Uw auto in één oogopslag
Overzicht exterieur / 2-2
Overzicht interieur / 2-4
Overzicht dashboard / 2-5
OVERZICHT EXTERIEUR
2

- Kinderslot achterportier
- Tankdopklep
- Achterruit
- Achterruitenwisser (indien van toepassing)
- Achterklep
- Reservewiel (indien van toepassing) of TireMobilityKit (indien van toepassing)
- Buitenspiegel
- Achterlichten
- Portiergreep (bestuurderszijde)
- Portiergreep (passagierszijde)
1SAE0002
OVERZICHT INTERIEUR

- Hendel vergrendelen/ontgrendelen portier
- Schakelaar spiegelbediening (indien van toepassing)
- Schakelaars ruitbediening (indien van toepassing)
- Hoofdschakelaar centrale portiervergrendeling (indien van toepassing)
- Bediening uitstroomopeningen
- Instrumentenpaneel
- Hendel achterklepontgrendeling
- Hoogteverstelling stuurwiel (indien van toepassing)
- Hendel motorkapontgrendeling
- Rempedaal
- Gaspedaal
- Ontgrendelhendel tankdopklep
1SAE0004/1SAA0005/1SAA0006
OVERZICHT DASHBOARD

- Airbag bestuurder (indien van toepassing)
- Schakelaar verlichting/richtingaanwijzers
- Instrumentenpaneel
- Ruitenwisser/-sproeier
- Contact
- Alarmknipperlichten
- Verwarmings- en ventilatiesysteem
- Selectiehendel
- Airbag passagier (indien van toepassing)
- Dashboardkastje
- Audiobediening (indien van toepassing)
1SAA0003
Sleutels / 3-2
Afstandsbediening / 3-4
Startblokkering / 3-7
Sloten / 3-8
Kennismaking met uw auto
Ruiten / 3-13
Stoelen / 3-16
Veiligheidsgordels / 3-32
Airbag - aanvullend veiligheidssysteem / 3-56
Motorkap / 3-75
Tankdopklep / 3-77
Spiegels / 3-80
Interieurverlichting / 3-83
Opbergvak / 3-84
Overige voorzieningen / 3-86
Bagagenet / 3-90
Antenne / 3-91
Kennismaking met uw auto
Het sleutelnummer is ingeslagen in het sleutelplaatje. Door dit nummer kan een officiële Kia-dealer bij verlies eenvoudig een sleutel bijbestellen. Verwijder het plaatje en bewaar dit op een veilige plaats. Noteer daarnaast het nummer en bewaar dit op een veilige plaats buiten de auto.

Wordt gebruikt om de motor te starten en de portieren te vergrendelen en ontgrendelen.
② Afstandsbediening
Wordt gebruikt om de portieren te vergrendelen en ontgrendelen (indien van toepassing).
WAARSCHUWING
- Contactsleutel
Kinderen alleen achterlaten in de auto met de contactsleutel is gevaarlijk, zelfs wanneer deze niet in het contact steekt. Kinderen doen graag volwassenen na en zouden de sleutel in het contact kunnen steken. Met de contactsleutel is het mogelijk voor kinderen om de elektrisch bedienbare ruiten te openen of andere bedieningsorganen in werking te stellen. Het is zelfs mogelijk dat ze de motor starten waardoor ernstig lichamelijk letsei het gevoig kan zijn. Laat kinderen nooit zonder toezicht achter met de contactsleutels in de auto.
Z. VOORZICHTIG
Gebruik uitsluitend een originele Kia-contactsleutel in uw auto. Als er een imitatiesleutel wordt gebruikt, kan het gebeuren dat de het contactslot na het aanslaan van de motor niet van stand START naar stand ON terugkeert. Hierdoor blijft de startmotor continu draaien en kan er schade ontstaan aan de startmotor. Tevens kan er brand ontstaan als gevolg van oververhitting in de bedrading.

AFSTANDSBEDIENING (INDIEN VAN TOEPASSING)

Druk nogmaals op de toets vergrendelen/ontgrendelen (①) om alle portieren te ontgrendelen.
Na het indrukken van deze toets zullen de portieren automatisch vergrendeld worden tenzij u ze binnen 30 s opent.
* OPMERKING
In de volgende omstandigheden werkt de afstandsbediening niet:
- Als het contact aan staat.
- Als de afstandsbediening buiten het bereik van de ontvanger is (5 m).
- Als de batterij in de afstandsbediening (bijna) leeg is.
- Als er zich voorwerpen tussen de afstandsbediening en de ontvanger bevinden.
- Als de buitentemperatuur erg laag is.
- Als de afstandsbediening zich in de buurt van een radiozender of een luchthaven bevindt, waardoor de normale werking van de afstandsbediening verstoord wordt.
Vergrendel en ontgrendel de portieren met de contactsleutel wanneer de afstandsbediening niet juist werkt. Neem contact op met een officiële Kia-dealer indien u problemen met de afstandsbediening heeft.
* OPMERKING
Zorg ervoor dat de afstandsbediening niet nat wordt. Beschadiging van de afstandsbediening door water of andere vloeistoffen, valt niet onder de fabrieksgarantie.
Het bereik van de afstandsbediening kan afhankelijk zijn van de plaats waar deze wordt gebruikt. Bijvoorbeeld in de buurt van politieposten, kantoren, zendmasten, militaire objecten, luchthavens enz. kan het bereik minder zijn.
Let op dat u de portieren ook ontgrendeld met de afstandsbediening wanneer u ze met de afstandsbediening vergrendeld heeft. Als u in dat geval de portieren met de sleutel ontgrendelt, zal het alarm afgaan. Het alarm kan worden uitgeschakeld door het contact gedurende minimaal 30 seconden in stand ON te zetten.

Vervangen van batterij
De afstandsbediening is voorzien van een 3 Volt lithium batterij, die bij normaal gebruik enkele jaren meegaat. Vervang de batterij op de volgende manier.
- Verwijder de schroef (①) met een kruisschroevendraaier.
- Plaats een smal stukje gereedschap in de opening in wip het middelste dekseltje (②) van de afstandsbediening los.
- Verwijder de afdekkap van de accu (③).
- Vervang de batterij door een nieuwe. Plaats de nieuwe batterij op de aangegeven manier met de pluskant "+" naar boven gericht.
- Plaats de batterij in omgekeerde volgorde van verwijderen.
Kennismaking met uw auto
* OPMERKING

3
De afstandsbediening is ontworpen voor jarenlang probleemloos gebruik. Door vocht of statische elektriciteit kan de afstandsbediening echter defect raken.
Raadpleeg voor vragen over het gebruik van de afstandsbediening of voor het vervangen van de batterij een officiële Kia-dealer.
Neem contact op met uw officiële Kia-dealer voor het programmeren van een vervangende afstandsbediening.
* OPMERKING
- Door het gebruik van een verkeerde batterij kan de afstandsbediening niet goed werken. Gebruik altijd de juiste batterij.
- Laat, om beschadiging van de afstandsbediening te voorkomen, deze niet vallen en stel hem niet bloot aan vocht, hitte of zonlicht.
STARTBLOKKERING (INDIEN VAN TOEPASSING)
Uw auto is uitgerust met een elektronische startblokkering om de kans op ongeoorloofd gebruik te verminderen.
De startblokkering bestaat uit een kleine transponder in de contactsleutel, een ontvangstspoel in het contactslot en een elektronische module in de stuurkolom.
Dit systeem zorgt ervoor dat, zodra u het contact in stand ON zet, de spoel in het contactslot een signaal ontvangt en dit doorstuurt naar de elektronische geregeld veersysteem.
De elektronische geregeld veersysteem controleert eerst of dit signaal juist is.
Als het signaal juist is, kan de motor worden gestart.
Als het signaal niet juist is, kan de motor niet worden gestart.
Uitschakelen van de startblokkering:
Steek de sleutel in het contact en draai hem in stand ON.
Inschakelen van de startblokkering:
Zet het contact in stand OFF. De startblokkering wordt automatisch ingeschakeld. Zonder een bijpassende sleutel kan de motor niet meer worden gestart.
* OPMERKING
Houd bij het starten van de motor andere sleutels met transponder uit de buurt.
Anders slaat de motor misschien niet aan of slaat hij na het starten weer af. Bewaar de sleutels die u bij uw auto krijgt gescheiden van elkaar om problemen te voorkomen.
Z VOORZICHTIG
De transponder in uw contactsleutel is een belangrijk onderdeel van het startblokkeersysteem.
Hij is ontworpen voor jarenlang probleemloos gebruik. Let op voor vocht, statische elektriciteit en een ruwe behandeling. Hierdoor kan de startblokkering defect raken.
Z VOORZICHTIG
Breng geen wijzigingen aan in het startblokkeersysteem. Hierdoor kan het systeem defect raken. Laat het systeem indien nodig controleren en repareren door een officiële Kia-dealer.
Storingen veroorzaakt door onjuiste afstelling of eigenhandige modificaties van het startblokkeersysteem vallen niet onder de fabrieksgarantie.
SLOTEN

3

Portiersloten van buitenaf vergrendelen/ontgrendelen
- Draai de sleutel naar de achterzijde van de auto om het portier te ontgrendelen en naar de voorzijde om het portier te vergrendelen.
-
De portieren kunnen ook met de afstandsbediening worden vergrendeld en ontgrendeld.
-
Trek de portiergreep na het ontgrendelen omhoog om het portier te openen.
- Druk het portier met de hand dicht. Zorg ervoor dat het portier goed dicht zit.
- Centrale portiervergrendeling (indien van toepassing)
Als het voorportier met de sleutel wordt vergrendeld/ontgrendeld, zullen alle overige portieren en de achterklep gelijktijdig vergrendeld/ontgrendeld worden.

Druk om een portier zonder sleutel te vergrendelen de vergrendelknop (①) aan de binnenzijde in en sluit het portier (②).
* OPMERKING
Verwijder altijd de contactsleutel, bedien de parkeerrem, sluit alle ruiten en vergrendel alle portieren als u uw auto onbeheerd achterlaat.
* OPMERKING
Als het portier een aantal keren snel achter elkaar wordt vergrendeld en weer ontgrendeld, ofwel met de sleutel ofwel met de schakelaar portiervergrendeling, zal de werking van het systeem tijdelijk worden onderbroken om beschadiging van de onderdelen te voorkomen.

Portiersloten van binnenuit vergrendelen/ontgrendelen
- Trek aan de vergrendelknop van het portier in de stand ONTGRENDELD om het portier te ontgrendelen.
- Zet de vergrendelknop (①) in de stand VERGRENDELD om het portier te vergrendelen.
- Trek aan de portiergreep (②) om het portier te openen.
- Centrale portiervergrendeling (indien van toepassing)
Als het voorportier met de toets wordt vergrendeld/ontgrendeld, zullen alle overige portieren en de achterklep gelijktijdig vergrendeld/ontgrendeld worden.


Z VOORZICHTIG
- De portieren moeten tijdens het rijden aftijd volledig gesloten en vergrendeld blijven om het onverwachts openen van de portieren te voorkomen. Vergrendelde portieren schrikken ook mogelijke indringers af wanneer de auto langzaam rijdt of stilstaat.
- Let bij het openen van het portier goed op of er geen ander verkeer aankomt. Anders kan er schade of letsel ontstaan.
WAARSCHUWING
Als u de auto niet vergrendeld achterlaat, geeft u gelegenheid tot diefstal. Verwijder altijd de contactsleutel, bedien de parkeerrem, sluit alle ruiten en vergrendel alle portieren als u uw auto onbeheerd achterlaat.
WAARSCHUWING
- Kinderen alleen achterlaten Een afgesloten auto kan binnenin erg warm worden, waardoor achtergelaten kinderen of huisdieren die niet uit de auto kunnen komen, letsel kunnen oplopen. Bovendien kunnen kinderen gewond raken door het bedienen van bepaalde systemen in de auto. Laat kinderen en huisdieren nooit zonder toezicht achter in de auto.

Het kinderslot zorgt ervoor dat kinderen de achterportieren niet per ongeluk van binnenuit kunnen openen. Schakel het kinderslot altijd in als u gaat rijden met kinderen.
- Open het achterportier.
- Zet het kinderslot aan de achterkant van het portier in stand LOCK. Als het kinderslot in stand LOCK (⊕) staat, kan het achterportier niet van binnenuit worden geopend.
- Sluit het achterportier.
- Het achterportier kan worden geopend met de buitenste handgreep.
Zelfs als het achterportier niet is vergrendeld, kan het portier niet met de binnenste portiergreep (①) worden geopend, totdat het kinderslot wordt uitgeschakeld (⑦).
⚠ WAARSCHUWING - Vergrendeling achterportieren
Als kinderen tijdens het rijden per ongeluk de achterportieren openen, kunnen ze uit de auto vallen en ernstig letsel oplopen. Om te voorkomen dat kinderen de achterportieren van binnenuit openen, dienen de kindersloten gebruikt te worden zodra er kinderen in de auto worden meegenomen.
Kennismaking met uw auto


• U kunt de achterklep ook vergrendelen/ontgrendelen (maar niet openen) met behulp van het afstandsbedieningssysteem (indien aanwezig).
- Indien de achterklep ontgrendeld is, kunt u hem openen door de hendel (③) in te drukken en de klep omhoog te trekken.
Achterklep
Openen van de achterklep
- De achterklep is vergrendeld of ontgrendeld met de sleutel.
- Steek voor het openen van de achterklep de sleutel in het slot (①), draai hem naar de stand ontgrendelen (②) en trek de achterklep omhoog door de hendel (③) in te drukken.
RUITEN
![graph TD A["Raw Material Input"] --> B["Step ①"] B --> C["Step ②"] C --> D["Step ③"] D --> E["Final Product Output"] F["Raw Material Input"] --> G["Step ④"] G --> H["Step ⑤"] H --> I["Step ⑥"] I --> J["Step ⑦"] J --> K["Final Product Output"] L["Raw Material Input"] --> M["Step ②"] M --> N["Step ③"]…](/content/2026/06/1151817/images/adf178f7a935d0674e07adcd552426a8c959253933fad67b41a72b9e94757a56.jpg)
Elektrisch bedienbare ruiten (indien van toepassing)
① Schakelaar ruitbediening bestuurdersportier
② Schakelaar ruitbediening passagiersportier
③ Schakelaar ruitbediening achterportier (links) (indien van toepassing)
④ Schakelaar ruitbediening achterportier (rechts) (indien van toepassing)
⑤ Ruiten openen en sluiten
(zie bladzijde 3-14)
⑥ Auto down-schakelaar elektrisch bedienbare ruit (bestuurdersportier, indien van toepassing)
⑦ Blokkeerschakelaar ruitbediening (indien van toepassing, zie bladzijde 3-14)
Kennismaking met uw auto
Ruiten openen en sluiten
Het bestuurdersportier beschikt over een hoofdschakelaar, waarmee alie ruiten van de auto kunnen worden bediend. Druk de desbetreffende schakelaar aan de voorzijde in (5) of trek deze omhoog (5) om een ruit te openen of te sluiten.
Auto down-schakelaar elektrisch bedienbare ruit (bestuurdersportier, indien van toepassing)
Door de schakelaar kortstondig in te drukken tot de tweede stand (⑥), wordt de ruit automatisch geheel geopend, zelfs als de schakelaar wordt losgelaten. Om de ruitbeweging te stoppen, kan de schakelaar kortstondig omhoog worden getrokken.
Als de accu ontladen is geweest of als de accukabels zijn losgenomen, kan de elektrische ruitbediening als volgt worden gereset:
- Zet het contact in stand ON.
- Sluit elke ruit en houd de schakelaar van de desbetreffende ruit nog minstens 0,5 seconde omhoog nadat de ruit is gesloten.

Blokkeerschakelaar ruitbediening (indien van toepassing)
- De bestuurder kan de schakelaars van de ruitbediening voor een portier uitschakelen door de blokkeerschakelaar in het bestuurdersportier in te drukken.
- Als de blokkeerschakelaar van de ruitbediening is ingedrukt, kunnen de ruiten ook niet worden bediend met de hoofdschakelaars in het bestuurdersportier.
Elektrisch bedienbare ruiten (indien van toepassing)
Om de ruiten elektrisch te kunnen bedienen moet het contact in stand ON staan. leder portier is voorzien van een schakelaar voor de bediening van de desbetreffende ruit. De bestuurder beschikt echter over een blokkeerschakelaar waarmee de ruitbediening van de schakelaars op de overige portieren uitgeschakeld kan worden.
Als u hinderlijk windgeruis ondervindt wanneer één van de zijruiten geopend is, kunt u de ruit aan de andere zijde iets openen.
* OPMERKING
Open of sluit telkens maar één ruit tegelijk. Anders kan de elektrische ruitbediening beschadigd raken. Hierdoor zal bovendien de zekering langer meegaan.
Z VOORZICHTIG
- Zorg ervoor dat de handen en het gezicht zich op een veilige afstand van de ruit bevinden, alvorens de ruit de sluiten.
- Laat kinderen niet met de ruitbediening spelen. Schakel de blokkeerschakeiaar zoveel mogelijk in (ingedrukt). Het onbedoeld bedienen van een ruit kan vooral bij kinderen tot ietsel leiden.
- Steek tijdens het rijden de armen en het gezicht niet naar buiten.
- Controleer altijd dubbel of er zich geen armen, handen of andere belemmeringen in de buurt bevinden voordat een ruit gesloten wordt.

Open en sluit de ruiten met behulp van de ruitslinger.
STOELEN


① Stoelverstelling vooruit/achteruit (zie bladzijde 3-18)
② Rugleuningverstelling
(zie bladzijde 3-19)
③ Schakelaar stoelverwarming * (zie bladzijde 3-20)
④ Afstellen van hoofdsteun
(zie bladzijde 3-21)
Passagiersstoel
⑤ Stoelverstelling vooruit/achteruit (zie bladzijde 3-22)
⑥ Rugleuningverstelling
(zie bladzijde 3-23)
⑦ Schakelaar stoelverwarming * (zie bladzijde 3-24)
⑧ Afstellen van hoofdsteun
(zie bladzijde 3-25)
Achterstoelen
⑨ Neerklappen van de achterbank* (zie bladzijde 3-26)
⑩ Afstellen van hoofdsteun*
(zie bladzijde 3- 31)
WAARSCHUWING
- Losliggende voorwerpen in de voetenruimte van de bestuurder kunnen de werking van de pedalen nadelig beïnvloeden en mogelijk een ongeval veroorzaken. Losliggende voorwerpen kunnen ook de verstelling in lengterichting van de stoel hinderen. Plaats niets onder de voorstoelen.
• Laat kinderen nooit alleen achter in de auto.
WAARSCHUWING
- Bestuurdersstoel
• Probeer de stoel nooit tijdens het rijden te verstellen. Hierdoor kunt u de controle verliezen waardoor een ongeluk met ernstig letsel of schade het gevolg kan zijn.
• Zorg ervoor dat de rugleuning altijd in de normale positie kan staan. Als de rugleuning vanwege hinderlijk geplaatste voorwerpen of andere oorzaken niet goed vergrendeld kan worden, kan dit bij een noodstop of aanrijding ernstig letsel tot gevoig hebben.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Zet voor het wegrijden de rugleuning altijd rechtop en plaats de heupgordel strak en zo laag mogelijk over de heupen. Op deze manier bent u het best beschermd bij een eventuele aanrijding.
- Zet de stoel altijd zo ver mogelijk naar achteren, om te voorkomen dat airbags te dicht bij het lichaam worden geactiveerd, waardoor ernstig letsel kan ontstaan. Zorg ervoor dat de afstand tussen het stuurwiel en het bovenlichaam tenminste 250 mm (10 inch) bedraagt.
Kennismaking met uw auto
Verstellen van bestuurdersstoel
Verstelling in lengterichting
Verstel de stoel als volgt naar voren of naar achteren:
-
Houd de hendel voor de langsverstelling aan de voorzijde van de stoel omhooggetrokken.
-
Schuif de stoel in de gewenste positie.
- Laat de hendel los en controleer of de stoel vergrendeld is.
Druk de knop naar voren of naar achteren om de stoel in de gewenste stand te zetten. Als de knop wordt losgelaten, zal de stoel in de ingestelde positie worden vergrendeld.
Veiligheidsgordels
Om de kans op ernstig letsel ten gevolge van een aanrijding te minimaliseren, dienen bestuurder en passagiers altijd de veiligheidsgordel te dragen. Kinderen moeten in een geschikt kinderzitje plaatsnemen. De aanwezigheid van airbags verandert hier niets aan. Integendeel, de airbags kunnen alleen goed werken als de inzittenden goed op hun plaats worden gehouden. Zorg ervoor dat u bekend bent met de informatie in dit hoofdstuk, inclusief de informatie over kinderzitjes. Lees ook de veiligheidsaanwijzingen op de zonnekleppen in uw auto.
Wij raden bestuurder en alle passagiers sterk aan de in de auto aanwezige veiligheidsgordels altijd op de juiste manier te dragen. Het juiste gebruik van de veiligheidsgordels vermindert het risico van ernstig letsel bij aanrijdingen of bij onverwachts remmen.
Alle zitplaatsen (al dan niet inclusief de middelste zitplaats achter) zijn uitgerust met driepuntsgordels. Een vertraging in de blokkeerautomaten zorgt ervoor dat de veiligheidsgordels onder normale omstandigheden niet geblokkeerd zijn. Hierdoor hebben de inzittenden een beetje bewegingsruimte en wordt het comfort van de veiligheidsgordels verbeterd. Wanneer krachten worden uitgeoefend op de auto, zoals bij krachtig remmen, een scherpe bocht of bij een aanrijding, zullen de blokkeerautomaten de veiligheidsgordels automatisch blokkeren.
Aangezien de vertraging in de automaat ook buiten een aanrijding om kan blokkeren, zou u tijdens het remmen of in een scherpe bocht kunnen merken dat de veiligheidsgordels geblokkeerd worden.
Bevestig kinderzitjes altijd op de achterbank.
Wanneer de middelste zitplaats achter niet beschikbaar is, mag een kinderzitje gebruikt worden op de buitenste zitplaats achter. Plaats een kinderzitje nooit op de voorstoel, omdat een geactiveerde airbag op die positie ernstig letsel kan veroorzaken bij kleine kinderen.
Kennismaking met uw auto
[Illegible Text]

Veiligheidsgordels bieden de beste bescherming wanneer:
- De rugleuning rechtop staat.
- De inzittende rechtop zit (rechte rug).
- De heupgordel strak over de heupen zit.
- De schoudergordel strak over het bovenlichaam zit.
- De knieën recht naar voren wijzen. Waarschuwingslampje veiligheidsgordel (zie bladzijde 3-38).
⚠ WAARSCHUWING - Na een aanrijding
- Veiligheidsgordels kunnen beschadigd raken als ze blootgesteld worden aan grote trekkrachten.
- Alle veiligheidsgordels moeten altijd na een botsing gecontroleerd worden. Alle veiligheidsgordels die tijdens een ernstige aanrijding zijn gebruikt, moeten compleet vervangen worden. Laat de bevestigingspunten indien nodig op de juiste wijze repareren.
WAARSCHUWING - Kofferruimte
Laat nooit passagiers meerijden in de kofferruimte. Er zijn geen veiligheidsriemen gemonteerd in de kofferruimte. Personen die in een auto rijden zonder dat zij in de veiligheidsriemen zitten, lopen een veel grotere kans dat zij bij een ongeluk ernstig lichamelijk letsel oplopen of komen te overlijden.
⚠ WAARSCHUWING -
Gedraaide veiligheidsgordels Een gedraaide of klemmende veiligheidsgordel biedt onvoldoende bescherming.
Ga onmiddellijk naar een officiële Kia-dealer wanneer u de veiligheidsgordel niet in orde kunt krijgen. Draag nooit een gedraaide of bekneld zittende veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
- Gebruik van gordels
Veiligheidsgordels werken alleen goed als ze correct worden gedragen. ledere zitplaats in uw auto beschikt over een specifieke veiligheidsgordel die bestaat uit een bij elkaar passende gordelsluiting en een gesp.
Volg de onderstaande aanwijzingen voor de meest effectieve werking van de veiligheidsgordels:
- Gebruik de schoudergordel alleen voor de buitenste schouder. Draag nooit de schoudergordel onder de arm door.
- Draag nooit de veiligheidsgordel rond de hals zodat de gordel over de binnenste schouder loopt.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel om de hals of over het gezicht.
- Draag de heupgordel zo laag mogelijk. Zorg ervoor dat de heupgordel goed over de heupen past. Draag de heupgordel nooit over de middel, maar altijd over de heupen, waar het lichaam het sterkst is.
- Gebruik een veiligheidsgordel nooit voor meerdere personen.
- De rugleuningen van de voorstoelen moeten tijdens het rijden altijd zo comfortabel mogelijk rechtop worden gehouden.

⚠ WAARSCHUWING - Onderhoud veiligheidsgordels
- Een beschadigde veiligheidsgordel biedt onvoldoende bescherming bij een aanrijding.
- De veiligheidsgordels dienen regelmatig op slijtage en beschadigingen gecontroleerd te worden. Trek alle gordels volledig uit en controleer ze op de aanwezigheid van rafels, insnijdingen, brandplekken en andere beschadigingen. Laat de veiligheidsgordels een aantal keer af- en oprollen. Controleer of de gordels soepel en goed oprollen.
- Controleer of de sluitingen zonder problemen en direct vast- of losklikken.
- Sluit nooit de portieren wanneer er een veiligheidsgordel tussen zit.
- ledere gordel die niet in orde is of niet goed werkt, moet direct vervangen worden.
Z. VOORZICHTIG
Sluit nooit de portieren wanneer er een veiligheidsgordel tussen zit. De veiligheidsgordel of de gordelsluiting kan hierdoor beschadigd raken en de kans op letsel bij een ongeval verhogen.

Waarschuwingslampje veiligheidsgordel
Als herinnering voor bestuurder en passagiers licht telkens als het contact in stand ON wordt gezet het waarschuwingslampje van de veiligheidsgordels gedurende 6 seconden op.
Wanneer de veiligheidsgordel van de bestuurder niet vastgemaakt is, zal gedurende ongeveer 6 seconden het waarschuwingslampje gaan knipperen zodra het contact in stand ON wordt gezet.

Vastmaken van de driepuntsgordel vóór:
- Pak de gordelsluiting en de gesp vast.
- Trek de gordel langzaam uit de blokkeerautomaat.

- Steek de gesp (①) in de opening van de gordelsluiting (②) totdat een klik hoorbaar is. De klik geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is.

- Leg het heupgedeelte (①) ZO LAAG MOGELIJK OM DE HEUPEN om het risico dat u bij een aanrijding onder de gordel doorschiet zoveel mogelijk te beperken. Stel de gordel af door het schoudergedeelte (②) STRAK tegen het lichaam aan te trekken. De oprolautomaat is ontworpen om een teveel aan speling automatisch op te heffen en de gordel de benodigde spanning te geven. Houd, voor een optimale veiligheid, de veiligheidsgordel niet slapper dan noodzakelijk.


- Stel het bevestigingspunt af op uw lengte (indien van toepassing). Omhoog: druk het bevestigingspunt naar boven (①). Omlaag: druk (②) de knop (③) in en schuif het bevestigingspunt naar beneden (③). Controleer na het afstellen of het bevestigingspunt vergrendeld is.

Losmaken van de
driepuntsgordei voor:
Druk de ontgrendelknop op de gordelsluiting in en laat de gordel langzaam oprollen.
WAARSCHUWING
- De rugleuningen moeten tijdens het rijden altijd zo comfortabel mogelijk rechtop worden gehouden. De veiligheidsgordels bieden de meeste bescherming wanneer de rugleuningen rechtop staan.
• Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel onder de arm of achter de rug langs.
• Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel om de hals of over het gezicht. - Draag het heupgedeelte van de veiligheidsgordel zo laag mogelijk over de heupen. Zorg ervoor dat de heupgordel goed over de heupen past. Draag nooit de heupgordei rond uw middel.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Draag nooit een gedraaide of bekneld zittende veiligheidsgordel.
Ga onmiddellijk naar de dichtstbijzijnde Kia-dealer wanneer u de veiligheidsgordel niet in orde kunt krijgen. - Gebruik een veiligheidsgordel nooit voor meerdere personen.
Door het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregelen kan de kans op en de ernst van letsel bij een aanrijding toenemen.

Driepuntsgordel achter
Driepuntsgordels achter vastmaken:
- Pak de gordelsluiting en de gesp vast.
- Trek de gordel langzaam uit de blokkeerautomaat.
- Steek de gesp (①) in de opening van de gordelsluiting (②) totdat een klik hoorbaar is. De klik geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is.

- Leg het heupgedeelte (①) ZO LAAG MOGELIJK OM DE HEUPEN om het risico dat u bij een aanrijding onder de gordel doorschiet zoveel mogelijk te beperken. Stel de gordel af door het schoudergedeelte (②) STRAK tegen het lichaam aan te trekken. De oprolautomaat is ontworpen om een teveel aan speling automatisch op te heffen en de gordel de benodigde spanning te geven. Houd, voor een optimale veiligheid, de veiligheidsgordel niet slapper dan noodzakelijk.
Losmaken:
Druk de ontgrendelknop op de gordelsluiting in en laat de gordei langzaam oprollen.
WAARSCHUWING
- Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel onder de arm of achter de rug langs.
- Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel om de hals of over het gezicht.
- Draag het heupgedeelte van de veiligheidsgordel zo laag mogelijk over de heupen. Zorg ervoor dat de heupgordel goed over de heupen past. Draag nooit de heupgordel rond uw middel.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Draag nooit een gedraaide of bekneld zittende veiligheidsgordel.
Ga onmiddellijk naar de dichtstbijzijnde Kia-dealer wanneer u de veiligheidsgordel niet in orde kunt krijgen. - Gebruik een veiligheidsgordel nooit voor meerdere personen.
Door het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregelen kan de kans op en de ernst van letsel bij een aanrijding toenemen.

Heupgordel (indien van toepassing)
Vastmaken van heupgordel:
- Pak de gordelsluiting vast en trek deze over de onderbuik.

- Steek de gesp (①) in de opening van de gordelsluiting (②) totdat een klik hoorbaar is. De klik geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is. Zorg ervoor dat de gordel niet verdraaid zit.

- Trek het losse uiteinde van de gordel zodanig strak dat de gordel goed en zo laag mogelijk over de heupen past. Houd de gesp haaks op de gordel en trek eraan om de gordel langer te maken.

- Zorg ervoor dat de gordel zo LAAG MOGELIJK over de heupen geplaatst is.


Losmaken van heupgordel: Druk de ontgrendelknop (①) op de gordelsluiting in.
Zorg ervoor dat de heupgordel strak over de heupen ligt en niet over uw middel. Wanneer u de heupgordel niet over de heupen draagt maar rond uw middel kan de kans op en de ernst van letsel bij een aanrijding toenemen.


Gebruik voor het bevestigen van de middelste veiligheidsgordel achter de gordelsluiting met de aanduiding CENTER.

Opbergen van veiligheidogordels achter (indien van toepassing)
• Als de veiligheidsgordels achterin niet gebruikt worden, kunnen de gordelsluitingen in het opbergvak tussen rugleuning in zitting worden geschoven.
• De middeiste veiligheidsgordel achter kan worden opgerold en ook in het opbergvak tussen rugleuning en zitten worden geschoven.
Juist gebruik en onderhoud van de veiligheidsgordels
Neem de volgende instructies in acht om ervoor te zorgen dat de veiligheidsgordels maximale bescherming bieden:
- Draag de gordels te allen tijde - ook tijdens korte ritten.
- Herstel een verdraaide veiligheidsgordel voor het gebruik.
• Houd scherpe randen en voorwerpen die beschadigingen kunnen veroorzaken uit de buurt van de gordels. -
Controleer de gordels, de bevestigingspunten, de gordelsluitingen en de overige onderdelen regelmatig op slijtage en beschadigingen. Vervang beschadigde, versleten of dubieuze onderdelen onmiddellijk.
-
Reinig de gordels met een zachte zeepoplossing die speciaal geschikt is voor het reinigen van bekleding en tapijt. Volg de aanwijzingen op het etiket van het reinigingsmiddel.
- Breng geen aanpassingen of aanvullingen op de veiligheidsgordel aan.
° Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel na het afdoen volledig oprolt. Let op dat de gordel niet tussen het portier komt te zitten.
WAARSCHUWING
De gordels niet bleken of verven. Hierdoor kan de sterkte van de vezels afnemen, waardoor de gordels tijdens een aanrijding niet meer optimaal functioneren.
Veiligheidsgordeis en zwangere vrouwen
Ook zwangere vrouwen dienen een veiligheidsgordel te dragen, tenzij hun arts daar bezwaar tegen heeft. Het heupgedeelte van de gordel moet zo STRAK en LAAG MOGELIJK gedragen worden.
WAARSCHUWING
- Zwangere vrouwen
Zwangere vrouwen mogen het heupgedeelte van de veiligheidsgordel nooit over of boven de onderbuik dragen.
Veiligheidssystemen voor baby's en kleine kinderen
Voor een optimale veiligheid moeten baby's en kleine kinderen in een geschikt kinderzitje, dat is afgestemd op leeftijd en gewicht, worden vervoerd.
Laat een kind tijdens het rijden nooit knielen of staan op de zitting van een stoel. Laat nooit twee kinderen of een kind en een volwassene op hetzelfde moment gebruik maken van dezelfde veiligheidsgordel.
Laat kinderen bij voorkeur plaatsnemen op de achterbank.
⚠ WAARSCHUWING
- Kinderen op schoot
Houd nooit een kind op uw schoot of in uw armen in een rijdende auto.
Zelfs een zeer krachtig persoon kan een kind niet vasthouden bij een lichte aanrijding.
Z VOORZICHTIG
- Hete metalen onderdelen
Veiligheidsgordels en stoelen kunnen warm worden wanneer een auto tijdens warm weer afgesloten heeft gestaan. Kinderen kunnen zich hieraan branden. Controleer de stoelen en de gordelsluitingen voordat u een kind laat plaatsnemen.
Veel bedrijven maken veiligheidssystemen voor baby's en kleinere kinderen (kinderzitjes). Een geschikt kinderzitje moet altijd voldoen aan de veiligheidseisen van het land waarin u woont. Controleer of het kinderzitje dat u in uw auto gebruikt voorzien is van een label waarop staat dat het zitje aan die eisen voldoet.
Bij de keuze van een kinderzitje moet u letten op de grootte van het kind en de afmetingen van de zitplaats in de auto. Zorg ervoor dat u eventuele instructies die door de fabrikant bij het kinderzitje geleverd zijn, opvolgt bij het plaatsen.
Veiligheidsgordels en grotere kinderen
Naarmate kinderen groeien, kunnen grotere kinderzitjes of zitkussens nodig zijn die beter geschikt zijn voor hun lengte.
Kinderen die het kinderzitje ontgroeid zijn, moeten gebruik maken van de in de auto aanwezige veiligheidsgordels. Bij de buitenste zitplaatsen moeten zowel het heupals het schoudergedeelte worden gebruikt.
Probeer het kind verder naar het midden plaats te laten nemen wanneer het schoudergedeelte over de hals of het gezicht van het kind loopt. Maak gebruik van een kinderzitje wanneer de schoudergordel hun gezicht of hals nog steeds raakt. Ook is het mogelijk om in de handel verkrijgbare voorzieningen te gebruiken die de veiligheidsgordel omlaag houden, zodat deze niet het gezicht of de hals raakt.
WAARSCHUWING - Schoudergordels en kleine kinderen
- Laat een schoudergordel nooit het gezicht of de hals van een kind raken tijdens het rijden.
- Wanneer de veiligheidsgordels niet op de juiste manier gedragen worden en afgesteld zijn, is de kans op ernstig letsel voor zo'n kind hoog.
Kinderzitjes (indien van toepassing)
Voor kleine kinderen en baby's wordt het gebruik van een kinderzitje sterk aanbevolen. Dit kinderzitje moet de juiste maat hebben voor het kind en dient volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant te worden geplaatst. Verder wordt aanbevolen dat het zitje op de achterbank van het voertuig wordt geplaatst, aangezien dat een belangrijke bijdrage aan de veiligheid kan leveren.
Om de kans op letsel bij een ongeval, hard remmen of plotselinge manoeuvre te minimaliseren, kunnen kinderen het beste op de achterbank zitten en dienen ze altijd goed beschermd te zijn. Volgens ongevallenstatistieken zijn kinderen veiliger in een kinderzitje op de achterbank dan in een kinderzitje op de voorstoel. Grotere kinderen dienen een van de in de auto aanwezige veiligheidsgordels te gebruiken.
U bent volgens de wet verplicht veiligheidssystemen voor kinderen te gebruiken. Als er kleine kinderen meerijden in uw voertuig dient u gebruik te maken van een kinderzitje.
Zonder adequate bescherming kunnen kinderen ernstig letsel oplopen bij een ongeval. Kleine kinderen en baby's moeten in een kinderzitje geplaatst worden. Voordat u een bepaald kinderzitje koopt, moet u eerst controleren of het in uw auto past en of het de juiste maat heeft voor uw kind. Volg bij het plaatsen van het kinderzitje altijd de gebruiksaanwijzing van de fabrikant.

- Een kinderzitje dient op de achterbank geplaatst te worden. Installeer een kinderzitje nooit op de passagiersstoel. Mocht er zich een ongeval voordoen waarbij de passagiersairbag opgeblazen wordt, dan kan de airbag een kind in een kinderzitje ernstig leisei toebrengen. Gebruik daarom een kinderzitje alleen op de achterbank van uw voertuig.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Aangezien een veiligheidsgordel of kinderzitje zeer warm kunnen worden als ze in een gesloten voertuig worden achtergelaten, dient u altijd de bekleding en gordelsluitingen te controleren voordat u uw kind in de auto zet.
• Doe het kinderzitje in de bagageruimte of maak het vast met een veiligheidsgordel als het niet gebruikt wordt, zodat het niet naar voren geworpen wordt bij hard remmen of een ongeval. - Kinderen die te groot zijn voor een kinderzitje dienen op de achterbank plaats te nemen en gebruik te maken van de aanwezige driepuntsgordels. Laat kinderen nooit op de passagiersstoel meerijden.
(Vervolg)
(Vervolg)
• Let erop dat het schoudergedeelte van de gordel altijd over het midden van de schouder loopt, en nooit over de nek of achter de rug. Wanneer het schoudergedeelte niet goed aansluit, kan het helpen als uw kind iets meer richting het midden van de auto gaat zitten. Het heupgedeelte van de driepuntsgordel dient altijd zo nauwsluitend mogelijk en zo laag mogelijk op de heupen van het kind geplaatst te worden.
• Als de veiligheidsgordel niet goed past, raden wij u aan om een goedgekeurd zitkussen op de achterbank te plaatsen om zo de zithoogte van het kind te verhogen zodat de gordel wel past.
(Vervolg)
(Vervolg)
• Laat een kind nooit op de stoel staan of knielen.
- Gebruik nooit een kinderzitje dat over de rugleuning van een stoel "vasthaakt"; een dergelijk zitje biedt mogelijk geen adequate bescherming bij een ongeval.
- Laat nooit iemand een kind vasthouden in een rijdend voertuig. Dit kan bij een ongeval of hard remmen leiden tot ernstig letsel van het kind. Een kind vasthouden in een rijdend voertuig biedt het kind geen enkele bescherming tijdens een ongeval, zelfs al heeft degene die het kind vasthoudt een veiligheidsgordel om.
Installatie op de achterste zitplaatsen
WAARSCHUWING
- Lees voor u het kinderzitje installeert eerst de handleiding van de fabrikant.
- Wanneer u de aanwijzingen in dit instructieboekje en de instructies bij het kinderzitje niet opvolgt, kan de kans en de ernst van letsel bij een aanrijding toenemen.
WAARSCHUWING
- Installeer geen kinderzitje op de passagiersstoel. Mocht er zich een ongeval voordoen waarbij de passagiersairbag opgeblazen wordt, dan kan de airbag een kind in een kinderzitje ernstig letsel toebrengen. Gebruik daarom een kinderzitje alleen op de achterbank van uw voertuig.
- Als een kinderzitje niet goed bevestigd wordt, neemt de kans op ernstig letsel bij een ongeval aanzienlijk toe.

Installeren van een kinderzitje met behulp van een driepuntsgordel (op de buitenste zitplaats van de achterbank) Volg voor het installeren van een kinderzitje op de buitenste of middelste zitplaats van de achterbank de volgende stappen:
- Plaats het kinderzitje op de gewenste positie.
- Trek de driepuntsgordel uit de blokkeerautomaat.

- Voer de driepuntsgordel door het kinderzitje volgens de instructies van de fabrikant.

- Maak de gordel vast en zorg ervoor dat de gordel overal goed aansluit. Controleer na het installeren of het kinderzitje goed vastzit door het in alle richtingen te bewegen.
Als de gordel strakker moet, beweeg dan meer band richting de blokkeerautomaat. Wanneer u de gordel losmaakt zodat die ingetrokken wordt, gaat de blokkeerautomaat automatisch terug naar de stand waarin hij normaal blokkeert in een noodsituatie.


Monteren van een kinderzitje met behulp van een systeem met bevestigingsbanden (indien van toepassing)
De bevestigingspunten voor de gordels van een kinderzitje bevinden zich aan de binnenzijde van de achterbumper in de bagageruimte.
- Open het afdekkapje. (indien van toepassing)

- Voer de band van het kinderzitje over de rugleuning.
Voer bij voertuigen met verstelbare hoofdsteun de band onder de hoofdsteun en tussen de stijlen van de hoofdsteun door. Voer in andere gevallen de band over de bovenkant van de hoofdsteun.
- Plaats de haak van de band in de haakhouder van het kinderzitje en trek de band strak om het zitje vast te zelten.
Monteren van een kinderzitje met behulp van een ISOFIX-systeemen een systeem met bevestigingsbanden (indien van toepassing)
ISOFIX is een gestandaardiseerde methode voor het monteren van kinderzitjes die een einde maakt aan het vastmaken van kinderzitjes met de standaard veiligheidsgordel. Hierdoor is een veel veiligere en meer betrouwbare bevestiging mogelijk en verloopt bovendien het installeren een stuk eenvoudiger en sneller.
Een ISOFIX-kinderzitje mag alleen worden gebruikt als het specifiek is goedgekeurd voor uw auto volgens de eisen die gesteld zijn in de Europese norm ECE-R44.

Aan elke zijde van de zitplaats achter, tussen de zitting en de rugleuning, bevinden zich twee ISOFIX-bevestigingspunten in combinatie met een bevestigingspunt voor de bovenste band aan de binnenzijde van de achterbumper in de bagageruimte. Tijdens het installeren moet het zitje in de bevestigingspunten worden vastgeklikt (controleer of het zitje vastzit door eraan te trekken!) en worden vastgezet met de bovenste bevestigingsband op het bijbehorende punt aan de binnenzijde van de achterbumper in de bagageruimte.
Volg bij het installeren en gebruiken van een kinderzitje de installatiehandleiding die bij het ISOFIX-zitje wordt geleverd.

Vastzetten van het kinderzitje
-
Om het kinderzitje vast te zetten in het ISOFIX-bevestigingspunt dient u de vergrendeling van het kinderzitje in het ISOFIX-bevestigingspunt vast te klikken. Controleer of een klikkend geluid hoorbaar is.
-
Plaats de haak van de band in de haakhouder van het kinderzitje en trek de band strak om het zitje vast te zetten. Zie "Monteren van een kinderzitje met behulp van een systeem met bevestigingsbanden" op bladzijde 3-52.
WAARSCHUWING
- Installeer geen kinderzitje in het midden van de achterbank met behulp van de ISOFIX-bevestigingen. De ISOFIX-bevestigingen zijn alleen bedoeld voor de buitenste zitplaatsen links en rechts op de achterbank. Misbruik de ISOFIX-bevestigingen niet door te proberen een kinderzitje in het midden van de achterbank te monteren. Bij een ongeval zijn de ISOFIX-bevestigingen voor een kinderzitje dan mogelijk niet sterk genoeg om het kinderzitje op zijn plaats te houden in het midden van de achterbank. De bevestigingen kunnen dan afbreken en ernstig letsel veroorzaken.
(Vervoig)
(Vervolg)
- Monteer niet meer dan één kinderzitje aan een van de onderste bevestigingspunten. Het extra gewicht kan ertoe leiden dat de bevestigingspunten of banden afbreken, wat ernstig letsel kan veroorzaken.
- Bevestig het ISOFIX-kinderzitje of het voor ISOFIX geschikte kinderzitje alleen aan de daarvoor bestemde bevestigingspunten, zoals aangegeven in de afbeelding.
- Volg altijd de instructies voor installatie en gebruik van de fabrikant van het kinderzitje.
Geschikte positie voor een kinderzitje
Gebruik kinderzitjes die officieel goedgekeurd zijn en die geschikt zijn voor uw kinderen. Zie de volgende tabel voor het gebruik van kinderzitjes.
| Leeftijd | Positie | |||
| Voorpassagier | Buitenste achter | Middelste achter | ||
| 4 stoelen | 5 stoelen | |||
| 0 : Tot 10 kg(0 - 9 maanden) | X | U | X | X |
| 0+ : Tot 13 kg(0 - 2 jaar) | X | U | X | X |
| I : 9 - 18 kg(9 maanden - 4 jaar) | X | U, L1 | X | UF |
| II&III : 15 - 36 kg(4 - 12 jaar) | X | UF | X | UF |
X : Zitpositie niet geschikt voor kinderen in deze gewichtsklasse
U : Geschikt voor de categorie "universele" zitjes, goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
UF : Geschikt voor de categorie "universele" in de rijrichting geplaatste zitjes, goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
L1 : Geschikt voor "Römer ISOFIX GR1", goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse (Goedkeuringsnr.: E1 R44-03301133)

AIRBAG - AANVULLEND VEILIGHEIDSSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)




1SAE2047/1SAA2048/1SAA2049/1SAA2050/1SAA2051/1SAA2052/1SAA2053
① Airbag bestuurder
(zie bladzijde 3- 59)
② Airbag voorpassagier
(zie bladzijde 3- 60)
③ Zijairbag
(zie bladzijde 3- 62)
④ Airbagmodule
(zie bladzijde 3-64)
⑤ Zijairbagsensor
(zie bladzijde 3-64)
■ Voorwaarden voor activeren airbags (zie bladzijde 3-65)
■ Voorwaarden voor niet activeren airbags (zie bladzijde 3-67)
■ Waarschuwingslampje AIRBAG (zie bladzijde 3-72)
■ Onderhoud aanvullend
veiligheidssysteem
(zie bladzijde 3-72)
Airbagwaarschuwingslabel (zie bladzijde 3-74)
Wat het airbagsysteem doet
De airbags voor bestuurder en voorpassagier zijn ontworpen om, in combinatie met de veiligheidsgordels, een extra bijdrage aan de veiligheid te leveren bij frontale aanrijdingen. De zijairbags zijn bedoeld voor extra bescherming bij aanrijdingen van opzij, ook weer in combinatie met de veiligheidsgordels.
Bij lichte aanrijdingen bieden de veiligheidsgordels voldoende bescherming. Bij zwaardere aanrijding bieden de veiligheidsgordels niet altijd voldoende bescherming. Om de bestuurder en de andere inzittenden in de auto bij een aanrijding optimaal te beschermen, moeten ook de veiligheidsgordels op de juiste manier worden gedragen.
Wat het airbagsysteem niet doet
Het airbagsysteem is ontworpen als aanvulling op de veiligheidsgordels. HET KOMT NIET IN DE PLAATS VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS.

De noodzaak van het gebruik van veiligheidsgordels
Er zijn vier belangrijke redenen om veiligheidsgordels te dragen in combinatie met het aanvullend veiligheidssysteem. Ze:
- Zorgen ervoor dat u in de juiste positie blijft (buiten het bereik van de airbag als deze opgeblazen wordt).
- Beperken de kans op letsel bij het over de kop slaan van de auto, bij aanrijdingen van achteren of van opzij. Dit omdat de airbag vóór niet ontworpen is om in dergelijke situaties opgeblazen te worden en omdat zelfs zijairbags in bepaalde gevallen niet geactiveerd worden.
- Beperken de kans op letsel bij frontale aanrijdingen of aanrijdingen van opzij die niet ernstig genoeg zijn om het aanvullend veiligheidssysteem te activeren.
- Beperken het risico dat u uit uw auto geslingerd wordt.
WAARSCHUWING -
Airbags en veiligheidsgordels
- Zelfs in auto's uitgerust met airbags, dienen u en uw passagiers te allen tijde de aanwezige veiligheidsgordels te dragen om de kans op letsel of de ernst daarvan bij een aanrijding of bij het over de kop slaan van de auto te beperken.
- Draag uw veiligheidsgordel altijd. Deze kan ervoor zorgen dat u tijdens hard afremmen net voor een aanrijding uit de buurt van de airbag blijft.
- Personen die geen veiligheidsgordel dragen of verkeerd op de stoel zitten kunnen niet voldoende worden beschermd en hebben een grotere kans op ernstig letsel.
(Vervolg)
(Vervolg)
- De voorste airbags zijn zo ontworpen dat ze bij bepaalde frontale aanrijdingen worden geactiveerd. Zijairbags zijn bedoeld voor bepaalde zijdelingse aanrijdingen.
Ze bieden geen bescherming bij aanrijdingen van opzij (uitvoeringen zonder zijairbags) of van achteren en ook niet als de auto over de kop gaat en bij lichte frontale aanrijdingen. Zij bieden geen bescherming bij aanrijdingen die het gevolg zijn van een kettingbotsing.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Wanneer er water in uw auto heeft gestaan (bijvoorbeeld natte vloerbedekking/laagje water op de vloer enz.) of wanneer uw auto op enige andere wijze waterschade opgelopen heeft, moet eerst de accukabel worden losgenomen voordat de motor gestart wordt of de sleutel in het contact wordt gestoken. Anders kan de airbag geactiveerd worden waardoor ernstig persoonlijk letsel op kan treden. Laat de auto naar een officiële Kia-dealer slepen om hem te laten controleren en zonodig te laten repareren.
Onderdelen airbagsysteem
De belangrijkste onderdelen van het aanvullend veiligheidssysteem zijn:
- Om aan te geven dat uw auto is voorzien van airbags, staat op de afdekkappen van de airbags SRS AIRBAG.
- Airbag bestuurder (zie bladzijde 3-59)
- Airbag voorpassagier (zie bladzijde 3- 60)
- Zijairbag (zie bladzijde 3-62)
- Een diagnosesysteem dat de werking van het systeem voortdurend controleert.
- Een waarschuwingslampje om u op de hoogte te brengen van een mogelijk probleem in het systeem.

Airbag bestuurder (indien van toepassing)
De airbag van de bestuurder bevindt zich midden in het stuurwiel.

WAARSCHUWING
- Ga altijd zo ver mogelijk van het stuurwiel afzitten (bovenlichaam tenminste 250 mm (10 inch) van het stuurwiel), zonder de comfortabele zitpositie voor de bediening van de auto te verliezen, zodat het risico van ernstig letsel bij een aanrijding beperkt blijft.
- Plaats nooit voorwerpen op de airbag of tussen de airbag en uzelf. Dergelijk voorwerpen kunnen u door de kracht en de snelheid waarmee de airbag opgeblazen wordt ernstig verwonden.
- Breng geen stickers of andere versierselen aan op het stuurwielkussen. Deze kunnen het activeren van de airbag hinderen.

Airbag voorpassagier (indien van toepassing)
De airbag voor de voorpassagier bevindt zich boven het dashboardkastje in het dashboard.
Plaats geen voorwerpen op het dashboard om te voorkomen dat deze bij het activeren van de airbag worden weggeslingerd.
WAARSCHUWING
- De airbag voor de voorpassagier is veel groter en wordt met een aanzienlijk grotere kracht opgeblazen dan de airbag van de bestuurder. Deze kan een passagier die niet de goede zitpositie heeft en de veiligheidsgordel niet op de juiste manier draagt ernstig verwonden.
De voorpassagier moet de stoel altijd zo ver mogelijk naar achteren schuiven en helemaal achterin de stoel gaan zitten.
- Het is van groot belang dat de voorpassagier altijd zijn of haar veiligheidsgordel draagt, zelfs bij het rijden op een parkeerterrein of op de oprit naar een garage.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Als de bestuurder krachtig moet remmen in een noodsituatie, worden de inzittenden naar voren gedrukt. Als de voorste inzittenden in dat geval geen gordel dragen, zullen zij tegen de nog ontploffende airbag worden gedrukt. In dat geval kan ernstig letsel het gevolg zijn.
• Zorg ervoor dat de voorpassagier niet de handen of voeten op het dashboard laat rusten of met het gezicht te dicht in de buurt van het dashboard komt. Anders kan de airbag tijdens het activeren met grote kracht tegen de passagier aankomen.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Laat geen kinderen, zwangere vrouwen en andere zwakkere personen plaatsnemen op de voorstoel. Plaats ook geen kinderzitje op de voorstoel. Als de airbag wordt geactiveerd kan dit ernstig letsel tot gevolg hebben.
- Plaats geen voorwerpen op het dashboard en breng geen sticker aan op het dashboard. Plaats geen accessoires of extra spiegels op de voorruit. Deze kunnen het correct uitvouwen van de airbag verhinderen, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.

Zijairbag (indien van toepassing)
De zijairbags zijn ondergebracht in de linkerzijde van de bestuurdersstoel en de rechterzijde van de passagiersstoel. Zij zullen worden geactiveerd, zodra aan de voorwaarden hiervoor wordt voldaan (bij een aanrijding van opzij).
WAARSCHUWING
- Gebruik bij uitvoeringen met zijairbags geen stoelhoezen.
Stoelhoezen kunnen de correcte werking van de zijairbags verhinderen.
Als de stoel of de bekleding beschadigd is, laat deze dan repareren door een officiële Kia-dealer. Vertel daarbij dat uw auto is uitgerust met zijairbags.
- Breng geen aanpassingen of aanvullingen op de stoelen aan. Stoelen die niet door Kia Motors zijn goedgekeurd kunnen storingen in het airbagsysteem veroorzaken, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.
- De zijairbags zijn niet ontworpen om opgeblazen te worden bij frontale aanrijdingen, aanrijdingen van achteren en in de meeste situaties waarbij de auto over de kop slaat.
- De zijairbags zijn ontworpen om alleen tijdens bepaalde aanrijdingen van opzij geactiveerd te worden, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, de hoek, de snelheid en de plaats van impact. De zijairbags zijn niet ontworpen om bij alle aanrijdingen van opzij opgeblazen te worden.
WAARSCHUWING
- Voor een optimale bescherming door de zijairbags moeten de inzittenden vóór zoveel mogelijk rechtop zitten en de veiligheidsgordel op de juiste manier dragen.
- Laat passagiers niet met het hoofd of andere delen van het lichaam tegen het portier leunen, steek de armen niet uit het raam en plaats geen voorwerpen tussen de passagier en de portieren als de auto is uitgerust met zijairbags en curtainbags.
- Probeer nooit de onderdelen van de zijairbags te openen of te repareren. Laat dit altijd over aan een officiële Kia-dealer.
Het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregelen kan ertoe leiden dat de inzittenden bij een aanrijding letsel oplopen.

Kennismaking met uw auto

Waarom werd de airbag bij een aanrijding niet opgeblazen?
(Voorwaarden voor wel of niet activeren van de airbags)
Er zijn veel soorten ongevallen waarbij de airbag geen aanvullende bescherming biedt.
Voorbeelden hiervoor zijn aanrijdingen van achter, tweede en volgende stoten bij een kettingbotsing en aanrijdingen bij lage snelheid. Met andere woorden, wees niet verrast wanneer de airbag(s) niet opgeblazen werd(en) hoewel uw auto beschadigd of zelfs total loss is.

② Zijairbagsensor (indien van toepassing)
WAARSCHUWING
- Let op dat u niet tegen plaatsen aanstoot waar de airbagsensoren zijn ingebouwd.
Anders kan de airbag onverwacht geactiveerd worden waardoor ernstig persoonlijk letsel op kan treden.
- Als de inbouwpositie van de airbagsensoren wordt gewijzigd, kan dit leiden tot activeren van de airbags in situaties waarin dit niet nodig is of het juist niet activeren van de airbags in situaties waar het wel nodig is.
Voer daarom geen reparaties uit aan of in de buurt van de airbagsensoren. Laat de auto controleren en repareren door een officiële Kia-dealer.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Er kunnen problemen ontstaan als de hoek waaronder de sensoren zijn ingebouwd wordt gewijzigd als gevolg van vervorming van de voorbumper of de carrosserie op plaatsen waar de airbagsensoren zijn ingebouwd. Laat de auto controleren en repareren door een officiële Kia-dealer.
- Uw auto is ontworpen om botsenergie zoveel mogelijk te absorberen en in bepaalde gevallen de airbag(s) te activeren. Het monteren van niet-originele bumpers of accessoires op de bumper kan een nadelige invloed hebben op de bescherming bij een aanrijding.

Voorwaarden voor activeren airbags
Voorste airbags
De voorste airbags (voor bestuurder en voorpassagier) worden geactiveerd bij frontale aanrijdingen, waarbij rekening wordt gehouden met de botskracht, de botshoek en de rijsnelheid.


Zijairbag (indien van toepassing)
Zijairbags zijn ontworpen om geactiveerd te worden als de sensoren voor de zijdelingse versnelling hiertoe een signaal geven. Of ze dat doen is afhankelijk van de kracht, de snelheid en de hoek waaronder de aanrijding van opzij plaatsvindt.
Ofsoon de voorste airbags (voor bestuurder en voorpassagier) ontworpen zijn voor frontale aanrijdingen, kunnen ze ook bij andere aanrijdingen, waarbij een bepaalde botskracht in de lengterichting optreedt, worden geactiveerd.
Ofschoon de airbags opzij ontworpen zijn voor zijdelingse aanrijdingen, kunnen ze ook bij andere aanrijdingen, waarbij een bepaalde botskracht in de dwarsrichting optreedt, worden geactiveerd.
Ze kunnen dus ook worden geactiveerd bij aanrijdingen onder een hoek, bij aanrijdingen waarbij de auto onder een vrachtwagen of bus schuift of als de auto over de kop rolt. Rijd daarom altijd voorzichtig.
De airbags kunnen ook worden geactiveerd als de auto zware stoten ondervindt bij het rijden op zeer slechte wegen. Rijd daarom voorzichtig op slechte wegen.
Bij bepaalde aanrijdingen van opzij kunnen als extra bescherming ook de voorste airbags worden geactiveerd.

Voorwaarden voor niet activeren airbags
- Bij sommige aanrijdingen bieden de veiligheidsgordels voldoende bescherming en worden de airbags niet geactiveerd. Als de airbags worden geactiveerd, bestaat er een kans op letsel (lichte schaaf-, brand- en snijwonden en dergelijke) en zou de bestuurder de controle over de auto kunnen verliezen.

- Bij aanrijding van achter worden de airbags meestal niet geactiveerd, omdat de inzittenden dan door de botskracht naar achteren worden gedrukt. In dat geval zijn de airbags overbodig.

- De voorste airbags worden bij zijdelingse aanrijdingen soms niet geactiveerd. De inzittenden bewegen altijd in de richting van de aanrijding, waardoor het activeren van de voorste airbags overbodig kan zijn. In dat geval kunnen de zijairbags (indien van toepassing) wel worden geactiveerd.


- Bij een aanrijding onder een schuine hoek is de botskracht kleiner dan bij een frontale botsing. In dat geval worden de airbags mogelijk ook niet geactiveerd.

- Op het moment van een aanrijding zal de bestuurder in een reflex hard remmen. Doordat de voorkant van de auto door de remkracht inveert, kan de auto onder hoge voertuigen schuiven. In dat geval is de botskracht mogelijk vrij klein, en worden de airbags niet geactiveerd.

- Als de auto over de kop gaat, bieden de voorste airbags onvoldoende bescherming. Deze worden dan niet geactiveerd. De zijairbags bieden wel extra bescherming als de auto over de kop gaat en worden in dat geval ook geactiveerd.

• De airbags worden soms niet geactiveerd bij een aanrijding tegen een boom of paal, waarbij de botskracht zich concentreert op een klein gedeelte van de auto, buiten het bereik van de sensoren.
Werking van airbagsysteem
- De airbags kunnen alleen worden geactiveerd als het contact in stand ON of START staat.
- De airbags worden bij zwaardere aanrijdingen onmiddellijk geactiveerd om de inzittenden te beschermen tegen letsel.
-
De airbags worden niet bij slechts één bepaalde rijsnelheid opgeblazen.
Of de airbags worden geactiveerd, hangt voornamelijk af van de kracht en de richting van de aanrijding. Deze twee factoren bepalen of de sensoren een elektronisch activeringssignaal uitzenden. -
Of de airbags al dan niet opgeblazen worden, is afhankelijk van een aantal factoren, zoals de rijsnelheid, de hoek van de aanrijding, de massa en de stijfheid van de bij de aanrijding betrokken auto's of objecten. Ook andere factoren kunnen een rol spelen.
- De voorste airbags worden direct volledig opgeblazen, waarna ze meteen weer leeglopen.
Het is vrijwel onmogelijk om tijdens een ongeval waar te nemen dat de voorste airbags opgeblazen worden. Het is aannemelijker dat u de leeggelopen airbags na de aanrijding uit het stuurwiel of het dashboard ziet hangen.
Kennismaking met uw auto
- Om bij een zware aanrijding bescherming te bieden, moeten de airbags snel opgeblazen worden. De snelheid waarmee de airbag wordt opgeblazen speelt een belangrijke rol in het voorkomen van ernstig letsel. Deze vormt dus een belangrijk punt tijdens het ontwerpen van een airbag.
Het opblazen van een airbag kan dus ook letsel zoals schaafwonden, blauwe plekken en gebroken ledematen veroorzaken. - Er zijn zelfs omstandigheden waaronder het contact met de airbag in het stuurwiel tot ernstig letsel kan leiden, vooral wanneer de inzittende te dicht op het stuurwiel zit.
WAARSCHUWING
- De bestuurder moet zover mogelijk van het stuurwiel af(tenminste 250 mm) gaan zitten om de kans op letsel te verminderen.
De voorpassagier moet de stoel altijd zo ver mogelijk naar achteren schuiven en helemaal achterin de stoel gaan zitten. - De airbags worden bij een aanrijding onmiddellijk geactiveerd en door de grote kracht waarmee dit gebeurt, kunnen de passagiers ernstig gewond raken als ze te dicht bij de airbag zitten.
- Het activeren van de airbags kan letsel veroorzaken als schaafwonden, verwondingen door brillen en brandwonden door de explosieve lading van de airbags.
Geluid en rookontwikkeling bij activeren airbag
Bij het opblazen van de airbags is een hard geluid hoorbaar en komt rook en poeder vrij. Dit is normaal en wordt veroorzaakt doordat het ontstekingsmechanisme van de airbag geactiveerd wordt. Nadat de airbags opgeblazen zijn, kunt u een poosje last hebben bij het ademhalen doordat uw borstkas in contact is geweest met zowel de veiligheidsgordel als de airbag en doordat u de rook hebt ingeademd. Wij adviseren u met klem zo snel mogelijk na een aanrijding de portieren en/of de ruiten te openen wanneer dit mogelijk is, om te voorkomen dat u te lang in aanraking blijft met de rook.
Hoewel de rook en het poeder niet giftig zijn, kunnen deze wel huidirritaties veroorzaken in de buurt van ogen, neus en hals. Was in dat geval de desbetreffende plek schoon en spoel deze met koud water na. Raadpleeg een dokter als de symptomen aanhouden.
WAARSCHUWING
Als de airbags geactiveerd zijn, zijn de bij het airbagsysteem behorende onderdelen in het stuurwiel en/of instrumentenpaneel en/of de zijkanten van de stoelen zeer heet. Raak de onderdelen van het airbag-systeem niet aan direct nadat een airbag opgeblazen is, om letsel te voorkomen.

Het is verboden om een kinderzitje op de voorstoel te plaatsen.
Gebruik nooit een kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar achteren gericht op de voorstoel zit. Als de airbag wordt opgeblazen, oefent deze op een dergelijk geplaatst kinderzitje een grote kracht uit, waardoor het kind ernstig letsel kan oplopen.
Gebruik op de voorstoel ook geen kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar voren is gericht. Als de airbag van de voorpassagier wordt geactiveerd, zou dit ernstig letsel kunnen veroorzaken.
WAARSCHUWING
Gebruik nooit een kinderzitje op de voorstoel. Als de airbag van de voorpassagier wordt geactiveerd, zou dit ernstig letsel kunnen veroorzaken.

AIR BAG
Waarschuwingslampje AIRBAG
Het doel van het waarschuwingslampje AIRBAG in het dashboard is om u te waarschuwen voor een mogelijke storing in de airbag - het aanvullend veiligheidssysteem (SRS).
Als het contact in stand ON wordt gezet, moet het lampje gedurende ongeveer 6 seconden gaan knipperen en daarna uitgaan.
Laat het systeem controleren wanneer:
- Het lampje niet kort gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet.
- Het lampje blijft branden nadat de motor aanslaat.
- Het lampje gaat branden tijdens het rijden.
Onderhoud aanvullend veiligheidssysteem
Uw aanvullend veiligheidssysteem is nagenoeg onderhoudsvrij. Het bevat geen onderdelen waaraan u onderhoud kunt uitvoeren.
Laat het systeem onder de volgende omstandigheden nakijken:
- Vervang een airbag wanneer deze opgeblazen is geweest. Probeer nooit zelf de airbag te verwijderen. Laat dit over aan een officiële Kia-dealer of een gekwalificeerde monteur.
- Laat het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren als het waarschuwingslampje AIRBAG een storing aangeeft. Anders kan het airbagsysteem mogelijk niet goed werken.
Het hele aanvullend veiligheidssysteem moet 10 jaar nadat de auto de fabriek verlaten heeft, gecontroleerd worden door een officiële Kia-dealer.
Z. VOORZICHTIG
Breng geen wijzigingen aan in het aanvullend veiligheidssysteem. Door aanpassingen kan het systeem niet meer correct werken.
WAARSCHUWING
- Breng geen wijzigingen aan in het stuurwiel of in een ander onderdeel van het aanvullend veiligheidssysteem. Door aanpassingen kan het systeem niet meer correct werken.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Voer geen werkzaamheden uit aan onderdelen of aan de bedrading van het systeem. Hierdoor kunnen de airbags per ongeluk opgeblazen worden, waardoor ernstig letsel kan ontstaan. Door werkzaamheden aan het systeem kan het ook uitgeschakeld worden waardoor de airbags bij een aanrijding niet opgeblazen worden.
- Alle werkzaamheden aan het aanvullend veiligheidssysteem, zoals het verwijderen, het plaatsen of het repareren ervan, of werkzaamheden aan het stuurwiel moeten uitgevoerd worden door een gekwalificeerde Kia-monteur. Een onjuiste behandeling van het airbagsysteem kan leiden tot ernstig persoonlijk letsel.
Bij reparaties aan of afvoeren van de auto
- Door reparaties aan het stuurwiel, het instrumentenpaneel, de middenconsole en het dak, bij het installeren van een audiosysteem en bij het spuiten van plaatwerk aan de voorzijde van de auto kan het airbagsysteem ontregeld raken. Laat deze handelingen uitvoeren door een officiële Kia-dealer.
- Vermeld bij het afleveren van de auto bij de Kia-dealer dat uw auto is uitgerust met een airbagsysteem en laat het instructieboekjes achter in de auto.
- Het airbagsysteem bevat explosieve chemicaliën. Neem contact op met een officiële Kia-dealer voor het afvoeren van de auto.
Kennismaking met uw auto
3


1SAE2068/1SAE2069/1SAE2072/1SAA2073/1SAA2074
Airbagwaarschuwingslabel
Het airbagwaarschuwingslabel is bedoeld om de bestuurder en passagiers te waarschuwen voor mogelijke gevaren van het airbagsysteem
MOTORKAP

- Trek aan de ontgrendelknop links onder het dashboard om de motorkap te ontgrendelen. De motorkap komt iets omhoog.

- Ga naar de voorzijde van de auto en til de motorkap iets op. Trek de veiligheidshaak (①) in het midden van de motorkap naar u toe en til de motorkap omhoog (②).

- Open de motorkap en plaats het uiteinde van de steun in de opening in de kap (①).
Z VOORZICHTIG
Pak de steun altijd vast bij het deel dat omwikkeld is met rubber. Het rubber voorkomt dat u zich brandt aan het hete metaal als de motor warm is.
Sluiten van motorkap
- Controleer de volgende punten alvorens de motorkap te sluiten:
* Of alle vuldoppen correct teruggeplaatst zijn. - Of er geen handschoenen, doeken of andere brandbare materialen in de motorruimte zijn achtergebleven.
- Zet de steun vast in de clip.
- Laat de motorkap zakken totdat hij ongeveer 30 cm (12 inch) openstaat en laat hem vervolgens los, zodat hij goed in het slot valt.
Controleer of de motorkap goed vergrendeld is alvorens te gaan rijden.
Z. VOORZICHTIG
- Controleer, voordat u de motorkap sluit, of alle losse onderdelen en gereedschappen uit de motorruimte verwijderd zijn en er geen personen in de buurt van de motorkap staan wiens handen bekneld zouden kunnen raken.
• Laat geen handschoenen, doeken of andere brandbare materialen achter in de motorruimte. Deze zouden door de hitte in brand kunnen vliegen.
TANKDOPKLEP

- Zet de motor uit.
- Trek aan de ontgrendelhendel om de tankdopklep te openen.
Z VOORZICHTIG
Draag in verband met scherpe randen beschermende handschoenen tijdens het openen van de tankdopklep.

1SAA2019
- Open de tankdopklep.
- Draai de tankdop linksom om deze te verwijderen.
- Vul de tank met brandstof.
- Plaats de dop terug en draai hem rechtsom toldat deze klikt. Dat geeft aan dat de dop goed vastzit.
- Sluit de tankdopklep en druk deze goed dicht.
WAARSCHUWING
- Tanken
In de brandstoftank kan een verhoogde druk heersen, waardoor er bij het openen van de tankdop een beetje brandstof uit kan spuiten. Verwijder de tankdop altijd voorzichtig en langzaam. Als er brandstof naar buiten komt of er een sissend geluid hoorbaar wordt, moet u even wachten voordat u de dop verder losdraait.
WAARSCHUWING
Brandstof is licht ontvlambaar en explosief. Neem bij het tanken de volgende richtlijnen in acht. Het niet opvolgen van deze richtlijnen kan leiden tot ernstig persoonlijk letsel als gevolg van brand of een explosie.
- Kijk vóór het tanken altijd of er een noodknop voor het afsluiten van de brandstof is bij de brandstofpomp. - Raak, voordat u de tankdop en vulopening aanraakt, altijd even een ander metalen deel aan de voorzijde van de auto aan, om brandgevaar als gevolg van statische elektriciteit te voorkomen.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Stap niet terug in de auto tijdens het tanken. Raak geen stof aan die statische elektriciteit kan produceren (polyester, satijn, nylon, enz.). Statische elektriciteit kan brandstofdampen doen ontbranden, wat explosiegevaar oplevert. Als u tijdens het tanken toch terug in de auto moet stappen, raak ook dan even een metalen deel aan de voorzijde van de auto aan om eventuele statische elektriciteit kwijt te raken. - Als u een jerrycan wilt vullen, plaats deze dan op de grond. Een met statische elektriciteit geladen jerrycan kan brandstofdampen doen ontbranden. Zodra u begint te tanken, dient u contact te maken met de auto tot het tanken is voltooid.
Gebruik alleen jerrycans die geschikt zijn voor brandstof.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Gebruik geen mobiele telefoon in de buurt van een brandstofpomp. Elektrische stroom en/of elektronische storing van mobiele telefoons kan brandstofdampen doen ontbranden. Als u toch moet bellen, doe dat dan niet in de buurt van een brandstofpomp. - Zet de motor uit vóór het tanken. De elektrische onderdelen van de motor kunnen vonken produceren die brandstofdampen kunnen doen ontbranden. Zorg er altijd voor dat de motor UIT is vóór en tijdens het tanken. Controleer na het tanken of de tankdop en het tankdopklepje goed dicht zijn voordat u de motor start.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Gebruik geen open vuur bij een tankstation. Gebruik GEEN lucifers of aansteker en ROOK NIET. Laat ook geen brandende sigaret achter in de auto terwijl u gaat tanken. Brandstof is licht ontvlambaar en explosief.
- Als er tijdens het tanken brand uitbreekt, verlaat dan onmiddellijk de auto en breng de manager van het tankstation, de politie en de brandweer op de hoogte. Volg hun veiligheidsinstructies op.
* OPMERKING
• Tank bij een benzinemotor uitsluitend ioodvrije benzine.
• Zorg er na het tanken voor dat de tankdopklep goed dicht zit.
- Gebruik, als de tankdop vervangen moet worden, uitsluitend een originele Kia-dop of een andere, voor uw auto geschikte dop. Een verkeerde tankdop kan een ernstige storing in het brandstofsysteem of het emissieregelsysteem veroorzaken. De juiste vervangende dop is verkrijgbaar bij de officiële Kia-dealers.
- Mors geen brandstof op de buitenzijde van de auto. Brandstof kan de lak aantasten.
• Druk voorzichtig op de tankdopklep of tik er zachtjes op als deze vastgevroren zit.

Kennismaking met uw auto
Stel de spiegels af voordat u gaat rijden.
Uw auto is uitgerust met zowel een linker als een rechter buitenspiegel. De spiegels kunnen van binnenuit met een hendel versteld worden of elektrisch met behulp van een schakelaar afhankelijk van het gebruikte type. De spiegels kunnen worden ingeklapt om beschadigingen in een automatische wasserette of bij het rijden door een smalle straat te voorkomen.
% VOORZICHTIG
• De rechter buitenspiegel is convergerend.
Bij uitvoeringen voor sommige landen is ook de linker buitenspiegel convergerend. Objecten in de spiegel zijn daardoor dichterbij dan ze lijken.
- Gebruik bij het veranderen van rijstrook daarom uw binnenspiegel of kijk opzij om de werkelijke afstand tot het achteropkomende verkeer vast te stellen.

Handbediening
(indien van toepassing)
Beweeg de buitenspiegel om hem te verstellen.
* OPMERKING
Gebruik geen krabber om de spiegel ijsvrij te maken; hierdoor kan het spiegelglas beschadigd raken. Forceer een bevoren spiegel niet tijdens het verstellen. Verwijder ijs met een ruitontdooler of met een spons of zachte doek en heel water.

Verstel de buitenspiegel door de hendel aan de binnenzijde te bewegen.

Elektrische bediening (indien van toepassing)
Met behulp van de schakelaar kunt u de linker en rechter buitenspiegel elektrisch verstellen. Zet de keuzeschakelaar (①) in de stand R of L afhankelijk van de spiegel die u wilt verstellen. Druk vervolgens op het desbetreffende deel (°) van de bedieningsschakelaar om de spiegel naar boven of naar beneden, naar links of rechts te verstellen.
Zet het hendeltje na het verstellen terug in het midden om te voorkomen dat de spiegel onbedoeld wordt versteld.
* OPMERKING - Elektrisch versteibare spiegel
- De spiegels stoppen hun beweging als de maximale stelhoek bereikt is. De stelmotor blijft echter draaien zoiang de schakelaar ingedrukt blijft. Houd de schakelaar niet langer ingedrukt dan nodig om te voorkomen dat de stelmotor beschadigd wordt.
• Probeer nooit de spiegels tijdens het rijden te verstellen. Anders kan er schade ontstaan.

Kennismaking met uw auto
Pak de buitenspiegel bij de behuizing vast en klap deze naar achteren.
Binnenspiegel met dag-/nachtstand (indien van toepassing)
Stel de binnenspiegel zo af dat u in het midden van de spiegel het midden van de achterruit ziet. Stel de spiegel af voordat u gaat rijden.
Z VOORZICHTIG
Zorg er indien mogelijk voor dat het uitzicht door de achterruit niet belemmerd wordt

Stel de spiegel af voordat u wegrijdt en deze in de dag-stand staat.
Trek de hendel onder aan de spiegel naar u toe om de spiegel in de nachtstand te zetten om verblinding door de koplampen van achteropkomend verkeer te voorkomen.
Houd er rekening mee dat het beeld in de spiegel in de nachtstand minder duidelijk is dan in de dagstand.
- De interieurverlichting blijft uit, zelfs als een portier wordt geopend.
② DOOR ( )
- De verlichting gaat aan als een portier wordt geopend.
③ ON (♀)
- De verlichting is aan, ook als alle portieren gesloten zijn.

Bagageruimteverlichting
De bagageruimteverlichting gaat branden zodra de achterklep geopend wordt. De verlichting blijft branden zolang de achterklep niet volledig gesloten is.
* OPMERKING
Zorg ervoor dat de achterklep goed dichtzit. Als deze niet goed dichtzit, kan de accu leeg raken als de motor niet draaft.

Kennismaking met uw auto
[Unreadable]
OPBERGVAK
* OPMERKING
• Laat geen waardevolle spullen achter in de opbergvakken, om diefstal te voorkomen.
- Plaats voorwerpen zodanig in de opbergvakken dat ze niet rammelen of op enige manier gevaar op kunnen leveren tijdens het rijden.
• Houd de deksels van de opbergvakken tijdens het rijden gesloten. Plaats niet te veel voorwerpen in de opbergvakken om te voorkomen dat de deksels niet gesloten kunnen worden.
WAARSCHUWING
Bewaar geen aanstekers of andere brandbare of explosieve materialen in de auto. Deze kunnen ontploffen of vlam vatten wanneer de auto gedurende lange tijd blootgesteld staat aan hoge temperaturen.

Voor (indien van toepassing)
Trek om het opbergvak te openen aan de voorzijde van het vak (①) en trek het vak naar buiten (②). Het kan gebruikt worden voor het bewaren van kleine voorwerpen. Controleer na gebruik of het opbergvak goed gesloten is.

Trek om het dashboardkastje te openen aan de hendel (①) en het dashboardkastje opent automatisch (②). Sluit het dashboardkastje na gebruik.
Z VOORZICHTIG
Houd het dashboardkastje tijdens het rijden altijd gesloten om de kans op letsel in geval van een aanrijding of bij plotseling remmen te verminderen.

Opbergvak voor zonnebril (indien van toepassing)
Trek aan de klep om het opbergvak voor de zonnebril te openen. Plaats uw zonnebril met de glazen naar boven gericht in het opbergvak. Trek aan de klep om het opbergvak voor de zonnebril te openen.
* OPMERKING
Controleer of het opbergvak goed dicht zit alvorens te gaan rijden.
Z VOORZICHTIG
Gebruik het opbergvak voor de zonnebril niet tijdens het rijden. Hierdoor kunt u de controle verliezen waardoor een ongeluk met ernstig letsel of schade het gevolg kan zijn.

Kennismaking met uw auto
OVERIGE VOORZIENINGEN

Voor het gebruik de aansteker indrukken en loslaten. Als het element voldoende verhit is, komt de aansteker automatisch naar buiten en is hij gereed voor gebruik.
Als de motor niet draait, moet het contact in stand ACC staan om de aansteker te kunnen gebruiken.
* OPMERKING
• Houd de aansteker niet ingedrukt omdat daardoor oververhitting kan ontstaan.
• Als aansteker mag alleen een originele Kia-aansteker worden gebruikt.
Het gebruik van de aansteker als voedingsbron voor accessoires (scheerapparaten, kruimelzuigers, koffiezetapparaten, enz.) kan de aanstekerbus beschadigen of kortsluiting veroorzaken.
- Verwijder de aansteker met de hand wanneer deze niet binnen 30 seconden naar buiten springt om oververhitting te voorkomen.

Open het deksel om de asbak te gebruiken.
Trek de asbak omhoog om hem te verwijderen en hem leeg of schoon te kunnen maken.
WAARSCHUWING
- Gebruik van asbak
- Gebruik de asbakken in de auto niet voor afval.
- Er kan brand ontstaan wanneer brandende sigaretten of lucifers in een asbak met brandbare materialen worden gestopt.
Bekerhouder
WAARSCHUWING
- Hete vloeistoffen
- Plaats geen bekers met hete vloeistof in de houder tijdens het rijden. Het morsen van hete vloeistof kan brandwonden tot gevolg hebben. Als dit bij de bestuurder gebeurt, zou deze de controle over de auto kunnen verliezen.
- Om het risico van persoonlijk letsel bij een aanrijding of een noodstop tot een minimum te beperken, mogen tijdens het rijden geen open flesjes, bekers, blikjes enz. in de bekerhouder worden geplaatst.

In de bekerhouders kunnen bekers en blikjes frisdrank worden geplaatst.

Achter (indien van toepassing)
In de bekerhouders kunnen bekers en blikjes frisdrank worden geplaatst.

Zonneklep
Gebruik de zonneklep om verblinding door direct zonlicht via de voor- en zijruiten tegen te gaan.
Trek de zonneklep omlaag om deze te kunnen gebruiken.
Trek de zonneklep omlaag, neem hem uit de steun (①) en draai hem naar de zijruit om bescherming te verkrijgen tegen zon van opzij (②).
In de zonneklep aan bestuurderszijde bevindt zich een opbergvak (③) voor kaartjes of papieren (indien van toepassing).
De make-upspiegel kunt u gebruiken door de zonneklep te openen en het afdekkapje (④, indien van toepassing) van de spiegel op te klappen.
* OPMERKING
Sluit het afdekkapje van de make- upspiegel goed en klap de zonneklep omhoog na gebruik. Als het afdekkapje van de make-upspiegel niet goed wordt gesloten, blijft het lampje branden, waardoor de accu leegraken en de zonneklep mogelijk beschadigd raakt.

Digitale klok (indien van toepassing)
Als de accukabels, de zekeringen A/V of CLOCK of de voedingsstekker zijn losgenomen, moet de tijd opnieuw worden ingesteld.
Wanneer het contact in stand ACC of ON staat, werken de knoppen van de klok als volgt:
• UREN:
Door de knop (H) naar links te draaien, gaat de weergegeven tijd een uur vooruit.
• MINUTEN:
Door de knop (M) naar rechts te draaien, gaat de weergegeven tijd een minuut vooruit.

Kennismaking met uw auto
BAGAGENET (INDIEN VAN TOEPASSING)

Om te voorkomen dat uw spullen door de bagageruimte heen en weer schuiven, kunt u de twee haken in de bagageruimte gebruiken om het bagagenet vast te zetten.
* OPMERKING
Plaats niet te veel of te grote voorwerpen onder het bagagenet. Ze kunnen beschadigd raken. Leg geen breekbare voorwerpen in de bagageruimte tijdens het rijden.
WAARSCHUWING
Voorkom oogletsel. NIET overspannen. Hou gezicht en lichaam op voldoende afstand.
Niet gebruiken als band zichtbare slijtage of schade vertoont.
ANTENNE

Dakantenne (indien van toepassing)
Als uw auto is uitgerust met een audiosysteem, is hij tevens voorzien van een antenne met versterker.
Deze antenne kan omhoog en omlaag worden versteld en worden verwijderd als u uw auto wilt wassen.
* OPMERKING
- Zorg ervoor dat u de antenne verwijdert voordat u de auto in een automatische wasserette reinigt om te voorkomen dat deze beschadigd wordt.
- Draai de antenne bij het plaatsen volledig vast om ervoor te zorgen dat de ontvangst goed is.

Contactslot / 4-2
Starten van de motor / 4-4
Handgeschakelde transmissie / 4-5
Automatische transmissie / 4-6
Remsysteem / 4-13
Stuurwiel / 4-20
Instrumentenpaneel / 4-23
Besturing van uw auto
Meters / 4-24
Waarschuwings- en controlelampjes / 4-26
Verlichting / 4-33
Ruitenwissers en ruitensproeiers / 4-38
Achterruitverwarming / 4-41
Alarmknipperlichten / 4-42
Handbediend verwarmings-en ventilatiesysteem / 4-43
Voorruit ontdooien en ontwasemen / 4-52
Antidiefstalsysteem / 4-53
CONTACTSLOT

Contactslot en stuurslot
Standen contactslot
LOCK
Het stuurslot beschermt tegen diefstal. De contactsleutel kan alleen uit het contact worden verwijderd als het contact in stand LOCK staat.
Om de contactsleutel vanuit stand ACC in stand LOCK te zetten, moet deze ingedrukt worden.
ACC (Accessoires)
Het stuurwiel is van het stuurslot en de elektrische accessoires werken.
ON
Voordat de motor wordt gestart lichten de waarschuwingslampjes ter controle op. Het contactslot keert na het starten terug in deze stand.
Laat het contact niet in stand ON staan als de motor niet draait.
START
Draai de contactsleutel in stand START om de motor te starten. De startmotor zal rondgedraaid worden totdat u de sleutel loslaat. De sleutel keert vervolgens terug in de stand ON. In deze stand licht het waarschuwingslampje van het remsysteem ter controle op.
Draai het stuurwiel naar links en naar rechts om de contactsleutel om te kunnen draaien.
WAARSCHUWING
- Contactsleutel
- Zet het contact nooit in stand LOCK of ACC terwijl de auto rijdt. Hierdoor wordt sturen en remmen onmogelijk, wat onmiddellijk tot ongevallen kan leiden.
- Het stuurslot dient niet ter vervanging van de parkeerrem. Zet de versnellingspook voor u de bestuurdersstoel verlaat steeds in de de 1ste versnelling bij een handgeschakelde versnellingsbak of op P (parkeren) bij een automatische versnellingsbak; trek de handrem helemaal aan EN schakel de motor uit. Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Steek nooit tijdens het rijden uw hand door het stuurwiel om de contactsleutel of andere bedieningsorganen te bedienen. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen.
- Plaats geen voorwerpen onder de bestuurdersstoel. Deze kunnen verschuiven waardoor ongelukken kunnen ontstaan

STARTEN VAN DE MOTOR
Starten van de benzinemotor
- Controleer of de parkeerrem is aangetrokken.
- Handgeschakelde transmissie - Trap het koppelingspedaal volledig in en zet de versnellingspook in de vrijstand. Houd het koppelingspedaal ingetrapt tijdens het starten van de motor.
Automatische transmissie - Zet de selectiehendel in stand P. Trap het rempedaal volledig in.
De motor kan ook gestart worden met de selectiehendel in stand N.
- Draai de contactsleutel in stand START en houd de sleutel in deze stand totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden). Laat de sleutel vervolgens los.
- Laat bij extreme kou (lager dan - 18°C) of wanneer de auto een aantal dagen niet is gebruikt, de motor warmdraaien zonder het gaspedaal in te trappen.
Of de motor nu warm is of koud, hij dient gestart te worden zonder het gaspedaal in te trappen.
Z VOORZICHTIG
Probeer de selectiehendel niet in stand P te zetten wanneer de motor tijdens het rijden afslaat. Als het veilig is met het oog op het overige verkeer, kunt u de selectiehendel tijdens het rijden in stand N zetten en kunt u de motor opnieuw proberen te starten door het contact in stand START te zetten.
* OPMERKING
Laat de startmotor niet langer dan 10 seconden achter elkaar draaien. Wacht als de motor afslaat of niet aanslaat 5 tot 10 seconden alvorens de startmotor opnieuw in te schakelen. Als de startmotor niet correct bediend wordt, kan deze beschadigd raken.

HANDGESCHAKELDE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING)

MMSA4002
Bedienen van de handgeschakelde transmissie
De handgeschakelde transmissie heeft vijf versnellingen vooruit.
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen geheel in en laat het langzaam opkomen.
Een speciale beveiliging voorkomt dat per ongeluk van de 5e versnelling naar de achteruit kan worden geschakeld. Voordat u de achteruit kunt inschakelen, moet de versnellingspook eerst in de vrijstand worden gezet.
Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat de achteruit wordt ingeschakeld.
* OPMERKING
Laat uw voet tijdens het rijden niet op het koppelingspedaal rusten om vroegtijdige slijtage en beschadiging van de koppeling te voorkomen. Gebruik de koppeling ook niet om de auto stil te laten staan op een helling. (bijvoorbeeld bij een verkeerslicht enz.)
WAARSCHUWING
- Handgeschakelde transmissie
Trek altijd de parkeerrem stevig aan en zet de motor uit alvorens de auto te verlaten. Controleer vervolgens of de 1e versnelling is ingeschakeld als de auto op een horizontale weg of een helling wordt geparkeerd. Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.
Terugschakelen
Als u moet afremmen voor het overige verkeer op de weg of als u een helling oprijdt, schakel dan tijdig terug naar een lagere versnelling. Dit beperkt de kans op afslaan van de motor en zorgt voor een betere acceleratie op het moment dat u uw snelheid weer moet verhogen. Bij het afrijden van een steile helling helpt terugschakelen bij het handhaven van een veilige snelheid en bij het ontzien van het remsysteem.

AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING)

![graph TD A["Shipped"] --> B["Down"] B --> C["Down"] C --> D["Down"] D --> E["Down"] E --> F["Down"] F --> G["Up"] H["P"] --> I["Down"] J["R"] --> K["Down"] L["N"] --> M["Down"] N["D"] --> O["Down"] P["2"] --> Q["Down"] R["L"] --> S["Down"] T["↑"] --> U["↑"] V["↑"] --> W["↑"] X["↑"] --> Y["↑"]](/content/2026/06/1151817/images/d8434f6f7271f8084c5d3cb4f992b02b2cc87811b9bb950e3ef6dc068a927a2d.jpg)
Vergrendelknop, voorkomt bewegen van de selectiehendel wanneer de knop niet wordt ingedrukt.


Trap het rempedaal in en druk de knop in om te schakelen.

Druk de vergrendelknop in om de selectiehendel te bewegen.

De selectiehendel kan worden verplaatst zonder de vergrendelknop in te drukken.
1SAA3019
Automatische transmissie; bedienen van
Rijden onder normale omstandigheden vindt plaats met de selectiehendel in stand D.
Om de selectiehendel uit stand P te zetten, moet het rempedaal zijn ingetrapt en moet de vergrendelknop worden ingedrukt.
Trap voor een soepele en veilige bediening het rempedaal in bij het overschakelen van stand N naar een vooruit- of de achteruitversnelling.
WAARSCHUWING
- Automatische transmissie
Controleer altijd of stand P is ingeschakeld, trek de parkeerrem volledig aan en zet de motor uit voordat u de auto verlaat.
Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.
* OPMERKING
- Geef geen gas wanneer stand R of één van de vooruitversnellingen is ingeschakeld en het rempedaal ingetrapt is.
- Houd de auto bij stilstaan op een helling nooit op zijn plaats door gas te geven. Gebruik de bedrijfsrem of de parkeerrem.
- Schakel niet van stand N of P in stand D of R wanneer het motortoerental meer is dan het stationaire toerental.

Standen selectiehendel
Stand P (parkeren)
In deze stand zijn de transmissie en de voorwielen geblokkeerd. Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat deze stand wordt ingeschakeld.
WAARSCHUWING
- Wanneer stand P tijdens het rijden wordt ingeschakeld, blokkeren de voorwielen en raakt u de controle over de auto kwijt.
- Gebruik stand P niet in plaats van de parkeerrem. Zorg er altijd voor dat de selectiehendel in stand P vergrendeld staat en niet kan bewegen als de vergrendelknop niet wordt ingedrukt en trek de parkeerrem altijd volledig aan.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Controleer altijd of stand P is ingeschakeld voordat u de auto verlaat. Trap het parkeerrempedaal volledig in, zet de motor uit en verwijder de sleutel. Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.
- Laat een kind nooit zonder toezicht achter in de auto.
* OPMERKING
De transmissie kan beschadigd raken wanneer u stand P tijdens het rijden inschakelt.

Stand R (achteruit)
Gebruik deze stand om de auto achteruit te rijden.
* OPMERKING
Laat de auto helemaal tot stilstand komen alvorens de selectiehendel in of uit stand R te zetten. Anders zou de transmissie kunnen beschadigen, behalve onder de omstandigheden uitgelegd onder OP EIGEN KRACHT LOSTREKKEN VAN DE AUTO in dit instructieboekje.
Stand N (neutraal)
In stand N zijn de transmissie en de wielen niet geblokkeerd. De auto kan vrij rollen, zelfs als de vierwielaandrijving is ingeschakeld, tenzij de parkeerrem wordt of het rempedaal wordt ingetrapt.
Stand D (Drive)
Dit is de normale stand voor het rijden in voorwaartse richting. De transmissie schakelt automatisch tussen de vier vooruitversnellingen voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik en optimale prestaties.
Druk voor extra vermogen tijdens inhaalmanoeuvres of het beklimmen van een steile helling het gaspedaal volledig in.
Hierdoor zal de automatische transmissie automatisch een lagere versnelling kiezen.
Besturing van uw auto
2 (Tweede versnelling)
Schakel stand 2 (tweede versnelling) in voor meer vermogen bij het oprijden van een helling en voor beter afremmen op de motor bij het dalen. Als de selectiehendel in stand 2 (tweede versnelling) staat, zal de transmissie automatisch schakelen tussen de 1e en 2e versnelling.
Stand L (Laag)
Zet de selectiehendel in deze stand wanneer een maximale trekkracht nodig is en bij het op- of afrijden van steile hellingen.
Z VOORZICHTIG
Overschrijd de geadviseerde maximumsnelheden in 2 (2e versnelling) of L (laag) niet. Het overschrijden van de geadviseerde maximumsnelheden in 2 (2e versnelling) of L (laag) kan leiden tot een overmatige hitteontwikkeling, waardoor de automatische transmissie beschadigd of defect kan raken.

O/D OFF-Functie (indien van toepassing)
De overdrive kan worden in- en uitgeschakeld door de O/D-knop in te drukken. Als de overdrive is uitgeschakeld, brandt het controlelampje O/D OFF en wordt er geschakeld tussen de 1e en 3e versnelling. De transmissie zal pas naar de 4e versnelling schakelen als de O/D-schakelaar nogmaals wordt ingedrukt.
Bij het afrijden van een helling met de transmissie in O/D(4e), kunt u snelheid verminderen zonder het rempedaal in te trappen door de knop O/D OFF in te drukken.
Door nogmaals op deze schakelaar te drukken wordt de O/D OFF-functie weer uitgeschakeld.
Controlelampje O/D OFF
Dit lampje gaat branden als de O/D OFF-functie is ingeschakeld.
* OPMERKING
Indien het controlelampje O/D OFF knippert, is er een elektrisch defect in de transmissie aanwezig. Als dit gebeurt, laat de auto dan zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer, behalve onder de omstandigheden uitgelegd onder OP EIGEN KRACHT LOSTREKKEN VAN DE AUTO.

Vanuit stilstand een steile helling oprijden
Trap het rempedaal in en zet de selectiehendel in stand D om vanuit stilstand een steile helling op te rijden. Kies de juiste versnelling afhankelijk van de mate waarin de auto belast is en de steilheid van de helling en ontgrendel de parkeerrem. Trap het gaspedaal geleidelijk in terwijl u het rempedaal op laat komen.
Schakelblokkeersysteem (indien van toepassing)
De automatische transmissie heeft een schakelblokkeersysteem dat voorkomt dat de selectiehendel uit de stand P kan worden gezet zonder dat het rempedaal is ingetrapt.
Om de selectiehendel uit stand P te zetten:
- Houd het rempedaal ingetrapt.
- Druk de ontgrendelknop in en verplaats de selectiehendel.
Als het rempedaal herhaaldelijk wordt ingetrapt en losgelaten met de selectiehendel in de stand P, kan een ratelend geluid bij de selectiehendel worden gehoord. Dit is een normaal verschijnsel.
Sleutelblokkeersysteem (indien van toepassing)
De sleutel kan alleen uit het contact worden genomen als de selectiehendel in stand P staat. Als de selectiehendel in een andere stand staat, kan de sleutel niet worden verwijderd.
REMSYSTEEM
Rembekrachtiging
Uw auto is voorzien van bekrachtigde remmen die bij normaal gebruik automatisch afgesteld worden.
Als de rembekrachtiging uitvalt omdat de motor is afgeslagen of door een andere oorzaak, kunt u de auto alsnog tot stilstand brengen door het rempedaal met een grotere kracht dan normaal in te drukken. De remweg zal echter langer dan gewoonlijk zijn.
Als de motor niet draait, wordt de mate van bekrachtiging steeds minder naarmate u vaker het rempedaal indrukt. Als de rembekrachtiging uitvalt, probeer dan niet "pompend" te remmen. Rem alleen "pompend" als de wielen dreigen te blokkeren.
Problemen bij het remmen
Als de bedrijfsremmen tijdens het rijden uit zouden valien, kunt u de auto met behulp van de parkeerrem alsnog tot stilstand brengen. Houd daarbij dan wel rekening met een veel langere remweg dan normaal.
WAARSCHUWING
- Parkeerrem
Wanneer tijdens het rijden met een normale snelheid de parkeerrem wordt aangetrokken, kunt u plotseling de controle over de auto verliezen. Trek de parkeerrem voorzichtig aan wanneer u deze gebruikt om de auto tot stilstand te brengen.
WAARSCHUWING
- Remmen
- Laat tijdens het rijden uw voet niet op het rempedaal rusten. Hierdoor kan de temperatuur van de remmen abnormaal hoog worden, kunnen de remblokken en -schoenen overmatig slijten en kan de remweg vergroot worden.
- Schakel bij het afrijden van een lange of een steile helling een lagere versnelling in en vermijd langdurig achter elkaar remmen. Door langdurig achter elkaar te remmen zullen de remmen oververhit raken en kan een tijdelijk verlies van remprestaties het gevolg zijn.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Als de remmen nat zijn, remt de auto minder dan normaal en kan de auto naar één kant trekken tijdens het remmen. Door het rempedaal licht in te trappen kunt u controleren of het remvermogen door het nat worden is verminderd. Controleer uw remmen altijd op deze manier nadat u door waterplassen bent gereden. Druk voor het drogen van de remmen het rempedaal licht in terwijl u met een lage snelheid rijdt, totdat het remvermogen weer op het normale niveau is.
Remblokslijtage-indicators
Uw auto is voorzien van schijfremmen.
Wanneer de remblokken vóór of achter versleten zijn, hoort u als waarschuwing een piepend geluid van de remmen (indien van toepassing). Dit geluid kan af en toe hoorbaar zijn of op het moment dat u het rempedaal intrapt.
Onder sommige rijomstandigheden of bij sommige klimaten kunnen de remmen piepen wanneer u het rempedaal voor de eerste keer of lichtjes intrapt. Dit is normaal en duidt niet op een probleem met de remmen.
* OPMERKING
Blijf niet rijden met versleten remblokken om kostbare reparaties aan de remmen te voorkomen.
Dit waarschuwingsgeluid geeft aan dat de remblokken van uw auto vervangen moeten worden. Wanneer u deze waarschuwing negeert, kunnen de remprestaties na een poosje verminderen wat tot ernstige ongevallen kan leiden.
Z VOORZICHTIG
Vervang altijd de remblokken van één en dezelfde as gelijktijdig.


Trek de parkeerremhendel krachtig en volledig omhoog terwijl het rempedaal ingetrapt is.
VOORZICHTIG
Wanneer met ingetrapte parkeerrem gereden wordt, zullen de remblokken overmatig slijten.

Trek voor het ontgrendelen van de parkeerrem de hendel iets omhoog en druk de knop in. Houd de knop ingedrukt en laat de hendel vervolgens zakken totdat de parkeerrem vrij is.
WAARSCHUWING
- Parkeerrem
- Gebruik stand P niet in plaats van de parkeerrem om de auto op zijn plaats te houden. Trek de parkeerrem aan EN controleer of de versnellingspook in de 1e versnelling of de achteruit staat bij handgeschakelde transmissie of de selectiehendel in stand P staat bij auto's met een automatische transmissie.
- Laat kinderen en personen die niet bekend zijn met de auto niet aan de parkeerrem komen. Als de parkeerrem per ongeluk ontgrendeld wordt, kan er ernstig letsel ontstaan.

W-75
Controleer of het waarschuwingslampje van het remsysteem werkt door het contact in stand ON te zetten (start de motor niet). Dit lampje gaat branden wanneer het contact in stand START of ON wordt gezet en de parkeerrem aangetrokken is.
Zorg ervoor dat de parkeerrem voor het wegrijden vrij is en het waarschuwingslampje van het remsysteem uit is.
Als het waarschuwingslampje van het remsysteem blijft branden nadat de parkeerrem vrij is, kan er een storing in het remsysteem zijn. Laat dit direct controleren.
Breng de auto indien mogelijk direct tot stilstand. Als dat niet mogelijk is, rijdt dan erg voorzichtig door naar een plaats waar u wel kunt stoppen.
Parkeren bij stoepranden
- Als u de auto op een helling omhoog wilt parkeren, zet deze dan zo dicht mogelijk bij de stoeprand en draai de voorwielen van de stoeprand af, zodat de het voorwiel achteruit de stoeprand raakt, mocht deze onverhoopt gaan rollen.
- Als u de auto op een helling omlaag wilt parkeren, zet deze dan zo dicht mogelijk bij de stoeprand en draai de voorwielen naar de stoeprand toe, zodat het voorwiel vooruit de stoeprand raakt, mocht deze onverhoopt gaan rollen.
Antiblokkeersysteem (ABS) (indien van toepassing)
WAARSCHUWING
- Remsysteem met ABS
Het antiblokkeersysteem ontheft u niet van de noodzaak om voorzichtig rijden. Het blijft mogelijk dat u bij een ongeval betrokken raakt.
Het ABS zal niet altijd een ongeval kunnen voorkomen, zeker onder de volgende omstandigheden:
- Bij roekeloos, te hard of te dicht achter de voorganger rijden.
- Bij rijden met hoge snelheid als de grip op de weg minder is, door bijvoorbeeld regenval.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Bij te snel rijden op slechte wegen. Het ABS is ontworpen om de maximale remwerking te verhogen op met name autowegen en wegen die in een goede staat verkeren. Op slechte wegen kan het ABS de remwerking zelfs verminderen.
Het ABS registreert continu de snelheid van de wielen. Zodra de wielen dreigen te blokkeren, vermindert het ABS de hydraulische remdruk op de wielen.
in dat geval is een tikkend geluid hoorbaar in het remsysteem en kan het rempedaal gaan trillen. Dit is normaal. Het betekent dat het ABS in werking is getreden.
Om in een noodsituatie het maximale rendement uit het ABS te halen, dient u niet zelf "pompend" te gaan remmen. Trap het rempedaal zo hard mogelijk in en laat het ABS verder het werk doen.
- Zelfs met het antiblokkeersysteem heeft uw auto nog steeds voldoende remweg nodig. Bewaar altijd een veilige afstand tot de auto voor u.
- Rem altijd af voor een bocht. Het antiblokkeersysteem kan geen ongevaallen voorkomen die het gevolg zijn van te snel rijden.
- Op wegen met los grind of wegen die niet vlak zijn kan het antiblokkeersysteem voor een langere remweg zorgen dan bij auto's zonder antiblokkeersysteem.

W-78
* OPMERKING
- Wanneer het waarschuwingslampje ABS brandt en blijft branden, is er mogelijk een probleem aanwezig in het ABS. In dat geval werken de remmen echter wel normaal.
- Het waarschuwingslampje ABS licht nadat het contact om stand ON is gezet ongeveer 3 seconden op. Het ABS voert dan een zelfdiagnose uit en het lampje zal uitgaan wanneer alles in orde is. Wanneer het lampje blijft branden, is er mogelijk een probleem aanwezig in het ABS. Laat de auto zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.
* OPMERKING
- Als u op een weg rijdt waar erg weinig grip is, is het mogelijk dat bij het remmen het ABS continu in werking is en het waarschuwingslampje ABS oplicht. Zet de auto stil op een veilige plaats en zet de motor uit.
- Start de motor opnieuw. Als het waarschuwingslampje ABS uitgaat, is het ABS in orde. Anders is er mogelijk een storing in het ABS. Laat de auto zo snel mogelijk controlleren door een officiële Kia-dealer.
* OPMERKING
Als u de auto met een hulpaccu moet starten doordat de accu is leeggeraakt, draait de motor mogelijk niet soepel rond en kan bovendien het waarschuwingslampje ABS oplichten. Dit komt door de lage accuspanning. Het betekent niet dat er een storing in het ABS is.
- Rem niet "pompend"!
- Laat de accu bijladen voordat u wegrijdt.

Besturing van uw auto
STUURWIEL
Stuurbekrachtiging (indien van toepassing)
De stuurbekrachtiging reduceert de benodigde stuurkracht door gebruik te maken van het vermogen dat de motor levert. Bij een niet-draaiende motor of bij een defecte stuurbekrachtiging blijft de auto bestuurbaar, maar is de benodigde stuurkracht veel groter.
Indien u merkt dat onder normale omstandigheden het sturen van de auto zwaarder gaat dan normaal, moet u de stuurbekrachtiging door een officiële Kia-dealer laten controleren.
* OPMERKING
• Houd het stuurwiel bij een draaiende motor nooit langer dan 5 seconden tegen een van beide aanslagen (links of rechts). Als het stuurwiel langer dan 5 seconden tegen de aanslag wordt gehouden, kan er schade aan de stuurbekrachtigingspomp ontstaan.
- Als de aandrijfriem van de stuurbekrachtigingspomp breekt of de pomp defect raakt, zal de benodigde stuurkracht aanzienlijk groter worden.
* OPMERKING
Als de auto bij koud weer lange tijd heeft buitengestaan, (temperatuur lager dan 10°C), dan functioneert de stuurbekrachtiging mogelijk minder goed, als de motor voor de eerste maal wordt gestart.
Dit wordt veroorzaakt door een stijging van de viscositeit van de stuurbekrachtigingsvloeistof en duidt niet op een storing.
Als dit gebeurt, laat het toerental van de motor dan oplopen tot 1.500 omw/min en laat vervolgens het gaspedaal los, of laat de motor twee of drie minuten stationair draaien om de stuurbekrachtigingsvloeistof te laten opwarmen.
Verstelbare stuurkolom (indien van toepassing)
Een verstelbare stuurkolom maakt het mogelijk het stuurwiel af te stellen voordat u gaat rijden. Daarnaast kunt u het stuurwiel omhoog kantelen zodat uw benen meer ruimte hebben bij het in- en uitstappen.
Het stuurwiel moet zo worden afgesteld dat u een tijdens het rijden een comfortabele positie achter het stuur kunt vinden en tegelijkertijd een goed zicht heeft op de waarschuwingslampje en meters in het instrumentenpaneel.
WAARSCHUWING
- Stel het stuurwiel nooit af tijdens het rijden. Als u dat wel doet kunt u de macht over het stuur verliezen waardoor ongevallen en letsel veroorzaakt kunnen worden.
- Controleer na het afstellen of het stuurwiel goed vastzit.

Trek de vergrendeling (①) omhoog, zet het stuurwiel in de gewenste stand (②) en laat de vergrendeling weer los om het stuurwiel te blokkeren.
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden.
Besturing van uw auto


Om te claxonneren drukt u op het claxonsymbool op het stuurwiel.
Controleer regelmatig de werking van de claxon.
Z VOORZICHTIG
- Om te claxonneren drukt u in de omgeving van het claxonsymbool op het stuurwiel (zie afbeelding).
- Om de claxon te bedienen hoeft u niet op het claxongedeelte te slaan. Druk het claxongedeelte niet in met een scherp voorwerp.
INSTRUMENTENPANEEL


- Toerenteller (indien van toepassing)
- Controlelampje richtingaanwijzer
- Snelheidsmeter
- Controlelampje motortemperatuur
- Waarschuwings- en controlelampjes
- Kilometerteller/dagteller
- Functie-/resetknop dagteller
- Brandstofmeter
1SAA2090/1SAE2090
Besturing van uw auto
METERS
Snelheidsmeter
De snelheidsmeter geeft de snelheid aan als de auto vooruit rijdt.
Door op de functieknop te drukken kunt u kiezen tussen de kilometerteller, dagteller A en dagteller B.
Kilometerteller
De kilometerteller geeft de totale afstand aan die met de auto gereden is.
Dagteller
TRIPA: Dagteller A
TRIPB: Dagteller B
De dagteller geeft de gereden afstand per afzonderlijke rit aan. Dagteller A en B kunnen gereset worden door de resetknop gedurende één seconde of langer in te drukken en vervolgens los te laten.

1SAE2090
Toerenteller (indien van toepassing)
De toerenteller geeft het aantal omwentelingen per minuut (omw/min) bij benadering weer.
Gebruik de toerenteller om de juiste schakelmomenten te kiezen en voorkom dat de motor zwaar moet trekken of met te hoge motortoerentallen draait.
De naald van de toerenteller kan licht bewegen wanneer het contact in stand ACC of ON staat en de motor uit is. Deze beweging is normaal en beïnvloedt de nauwkeurigheid van de toerenteller niet als de motor eenmaal draait.
* OPMERKING
Zorg ervoor dat het motortoerental niet toeneemt tot in het rode gebied. Hierdoor kan ernstige motorschade ontstaan.

Brandstofmeter
De brandstofmeter geeft bij benadering de hoeveelheid brandstof aan die nog in de tank aanwezig is.
Inhoud brandstoftank - 35 liter.
De brandstofmeter is daarnaast uitgerust met een
waarschuwingslampje laag brandstofniveau in het dashboard.
Dit lampje gaat branden als de brandstofvoorraad minder dan ongeveer 6 liter bedraagt.

Besturing van uw auto
[Unreadable]
Waarschuwingslampjes/-signalen
Controieer werking
De waarschuwingslampjes kunnen worden gecontroleerd door het contact in stand ON te zetten (start de motor niet). Ieder lampje dat niet gaat branden, moet gecontroleerd worden door een officiële Kia-dealer.
Controleer nadat de motor aanslaat of alle waarschuwingslampjes uit zijn. Eventuele lampjes die nog branden, kunnen op een storing duiden. Het waarschuwingslampje van het remsysteem moet uitgaan zodra de parkeerrem vrij is. Het waarschuwingslampje laag brandstofniveau blijft branden als er nog maar weinig brandstof in de tank zit.
Controlelampje motortemperatuur

Wanneer het contact in stand ON staat, geven deze controlelampjes de koelvloeistoftemperatuur weer.
Het rode controlelampje brandt als de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan 117 ± 3°C (240 ± 5,5°F).
Het blauwe controlelampje brandt als de koelvloeistoftemperatuur lager is dan 60 ± 3°C (140 ± 5,5°F).
Blijf niet doorrijden met een oververhitte motor. Raadpleeg OVERVERHITTING in de index wanneer de motor oververhit raakt.
* OPMERKING
Als het rode controlelampje brandt, is de motor oververhit waardoor schade aan de motor kan ontstaan.
Waarschuwingslampje ABS (indien van toepassing)

Dit lampje gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet en gaat na ongeveer 3 seconden uit als het systeem in orde is.
Wanneer het lampje blijft branden, is er mogelijk een probleem aanwezig in het ABS. Laat de auto zo snel mogelijk controlleren door een officiële Kia-dealer.
Waarschuwingslampje EBD (indien van toepassing)

Als tijdens het rijden twee waarschuwingslampjes gelijktijdig gaan branden, dan zit er een probleem in het ABS- of EBD-systeem.

In dat geval werken het antiblokkeersysteem en het remsysteem misschien niet normaal. Laat uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.
WAARSCHUWING
Als zowel het waarschuwingslampje ABS als het waarschuwingslampje remsysteem brandt en blijft branden, zal het remsysteem niet normaal werken. Er kan dus een onverwachte en gevaarlijke situatie ontstaan bij plotseling remmen. Vermijd in dit geval hard rijden en plotseling remmen. Laat uw auto zo snel mogelijk controlleren door een officiële Kia-dealer.
Oliedruklampje

Waarschuwingslampje laadsysteem

Waarschuwingslampje veiligheidsgordel

Dit waarschuwingslampje geeft aan dat de oliedruk van de motor laag is. Als het waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden:
- Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto tot stilstand.
- Controleer het motoroliepeil wanneer de motor uit is. Vul indien nodig olie bij wanneer het peil laag is.
Neem contact op met een officiële Kia-dealer als het waarschuwingslampje na het bijvullen blijft branden.
Dit waarschuwingslampje duidt op een storing in de dynamo of in het laadsysteem.
Handel als volgt als het lampje gaat branden tijdens het rijden:
- Rijd naar de dichtstbijzijnde veilige locatie.
- Schakel de motor uit en controleer of de dynamoriem onvoldoende spanning heeft of gebroken is.
- Als de dynamoriem in orde is, bevindt het probleem zich in het laadsysteem. Laat de auto zo snel mogelijk repareren door een officiële Kia-dealer.
Als herinnering voor bestuurder en passagiers licht telkens als het contact in stand ON wordt gezet het waarschuwingslampje van de veiligheidsgordels gedurende 6 seconden op.
Dit gebeurt ook als de veiligheidsgordel weer losgemaakt wordt als het contact in stand ON staat. Roep de hulp in van een officiële Kia-dealer wanneer het systeem niet werkt zoals beschreven.
* OPMERKING
Ernstige motorschade kan het gevolg zijn wanneer u de motor niet onmiddellijk uitzet.
Waarschuwingslampje remsysteem

Waarschuwing ingeschakelde parkeerrem
Dit lampje gaat branden wanneer het contact in stand START of ON wordt gezet en de parkeerrem ingeschakeld is. Zodra de parkeerrem niet langer meer is ingeschakeld, moet het lampje UIT zijn.
Waarschuwing laag remvloeistofniveau
Als het waarschuwingslampje blijft branden, kan dit duiden op een laag remvloeistofpeil in het reservoir.
Handel als volgt wanneer het waarschuwingslampje blijft branden:
- Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand.
- Schakel de motor uit en controleer het remvloeistofpeil direct. Vul indien nodig remvloeistof bij. Controleer alle onderdelen van het remsysteem op lekkage.
- Rijd niet met de auto als het waarschuwingslampje aan blijft of als de remmen niet goed werken. Laat de auto naar een officiële Kia-dealer slepen om het remsysteem te laten controleren en zonodig te laten repareren.
Controleer of het waarschuwingslampje van het remsysteem in orde is en brandt als het contact in stand ON staat.
WAARSCHUWING
Rijden met een auto waarvan het waarschuwingslampje brandt, is gevaarlijk. Laat het remsysteem direct controleren en repareren door een officiële Kia-dealer als het waarschuwingslampje blijft branden.

Controlelampje O/D OFF (indien van toepassing)
Dit lampje zal gaan branden als het O/D-systeem uitgeschakeld is.
Waarschuwingslampje laag brandstofniveau
Dit waarschuwingslampje geeft aan dat de brandstoftank bijna leeg is. Dit lampje gaat branden als de brandstofvoorraad minder dan ongeveer 6 liter bedraagt. Vul zo snel mogelijk brandstof bij.

Controlelampje startblokkeersysteem (indien van toepassing)
Dit lampje gaat branden als de sleutel in het contact gestoken wordt en in stand ON wordt gedraaid. Laat het systeem controleren door een officiële Kia-dealer wanneer het lampje niet gaat branden of gaat knipperen als het contact in stand ON staat en de motor nog niet is gestart.

Waarschuwingslampje achterklep (indien van toepassing)

Dit waarschuwingslampje gaat branden als de achterklep niet volledig gesloten is.
Waarschuwingslampje open portier

Dit waarschuwingslampje gaat branden als een portier niet goed gesloten is (in alle standen van het contact).
Dit controlelampje gaat branden als het grootlicht wordt ingeschakeld of een lichtsignaal wordt gegeven.

Waarschuwingslampje AIRBAG (indien van toepassing)
AIR BAG
Dit waarschuwingslampje zal ongeveer 6 seconden gaan knipperen iedere keer dat het contact in stand ON wordt gezet.
Roep onmiddellijk de hulp in van een officiële Kia-dealer wanneer het lampje niet uit gaat of tijdens het rijden gaat branden.
Controlelampje motormanagement (indien van toepassing)

Dit controlelampje maakt deel uit van het motorregelsysteem dat verschillende onderdelen van het emissieregelsysteem in de gaten houdt. Als dit lampje tijdens het rijden gaat branden, geeft het aan dat een mogelijk probleem gesignaleerd werd in de emissieregelsystemen.
Over het algemeen kunt u met uw auto blijven rijden en hoeft deze niet gesleept te worden. Laat het systeem echter zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.
Besturing van uw auto
• Wanneer u langere tijd met een brandend controlelampje motormanagement ( ) blijft doorrijden, kan schade aan de emissieregelsystemen ont-staan. Dit kan een nadelige invloed hebben op de rijprestaties en/of het brandstofverbruik.
- Wanneer het controlelampje motormanagement ( ) begint te knipperen, kan de katalysator beschadigd zijn. Hierdoor kan het motorvermogen teruglopen. Laat het motorregelsysteem zo snel mogelijk controlleren door een officiële Kia-dealer.
VERLICHTING
Energiebesparingsfunctie (indien van toepassing)
- Deze functie dient om te voorkomen dat de accu ontladen wordt door automatisch de parkeerlichten uit te schakelen op het moment dat het bestuurdersportier geopend wordt nadat de sleutel uit het contactslot is genomen.
- De parkeerlichten worden automatisch uitgeschakeld als de auto in het donker langs de kant van de weg geparkeerd wordt.
Volg onderstaande procedure als de parkeerlichten moeten blijven branden, wanneer de contactsleutel is verwijderd:
1) Open het portier aan bestuurderszijde.
2) Schakel de parkeerlichten uit en in met de lichtschakelaar op de stuurkolom.

Bediening verlichting
De lichtschakelaar heeft een stand voor het parkeerlicht en voor de dimverlichting.
De verlichting kan worden bediend door het uileinde van de combischakelaar in één van de volgende standen te zetten:
Als de lichtschakelaar in de stand parkeerlicht staat (1e stand), branden de achterlichten, het parkeerlicht, de kentekenplaatverlichting en de verlichting van het instrumentenpaneel.
Besturing van uw auto

Dimlicht (300)
Als de lichtschakelaar in de stand dimlicht staat (2e stand), branden de koplampen, de achterlichten, het parkeerlicht, de kentekenplaatverlichting en de verlichting van het instrumentenpaneel.

Grootlicht
Druk de combischakelaar van u af om het grootlicht in te schakelen. Trek de schakelaar naar u toe om het dimlicht in te schakelen.
Het controlelampje voor het grootlicht gaat branden wanneer het grootlicht wordt ingeschakeld.
Om te voorkomen dat de accu uitgeput raakt, dient u de verlichting niet gedurende langere tijd te laten branden terwijl de motor niet draait.

Trek de combischakelaar naar u toe om een lichtsignaal te geven. Als u de combischakelaar loslaat, keert deze weer terug naar zijn oorspronkelijke positie (dimlicht). De verlichting hoeft niet aan te staan om een lichtsignaal te kunnen geven.

Richtingaanwijzers ( Ⓐ)
Om de richtingaanwijzers te laten werken, moet het contact in stand ON staan. Beweeg de combischakelaar omhoog of omlaag om de richtingaanwijzers in te schakelen. Een groen controlelampje in de vorm van een pijl in het dashboard geeft aan welke richtingaanwijzer in werking is. Na een bocht keert de combischakelaar vanzelf weer terug in de middenstand. Zet de combischakelaar handmatig terug in de middenstand als de richtingaanwijzers na een bocht blijven knipperen.
Signaal rijstrookwisseling ( ⑧)
Beweeg de combischakelaar gedeeltelijk naar beneden of naar boven en houd hem vast om een wisseling van rijstrook aan te geven. Als u de combischakelaar loslaat, keert deze weer terug naar zijn oorspronkelijke positie.
Wanneer een controlelampje blijft branden, niet knippert of abnormaal knippert, kunnen één of meer lampen doorgebrand zijn en dienen deze vervangen te worden.
* OPMERKING
Als de richtingaanwijzer abnormaal snel of langzaam knippert, duidt dit op een kapotte lamp of een slecht contact in het circuit van de richtingaanwijzers.

Besturing van uw auto

Mistlampen vóór (indien van toepassing)
De mistlampen dienen voor een beter zicht en ter voorkoming van ongevallen onder omstandigheden waarbij het zicht sterk verminderd wordt door mist, regen, sneeuwval enz. De mistlampen gaan branden als de mistlampschakelaar is ingedrukt nadat de koplampen zijn ingeschakeld.
Druk nogmaals op de schakelaar om de mistlampen uit te schakelen.
* OPMERKING
De mistlampen verbruiken zeer veel stroom. Gebruik de mistlampen alleen bij slecht zicht om te voorkomen dat de laadstroom volledig wordt gebruikt door de mistlampen en de accu leegraakt.
Motorvoertuigverlichting overdag (MVO) (indien van toepassing)
Door motorvoertuigenverlichting overdag (MVO) kunnen medeweggebruikers uw auto overdag beter zien.
Motorvoertuigenverlichting overdag kan onder verschillende rijomstandigheden handig zijn, maar vooral in de periode rond zonsondergang en zonsopgang.
De motorvoertuigenverlichting overdag wordt uitgeschakeld wanneer:
-
De koplampen worden ingeschakeld.
-
De parkeerlichten worden ingeschakeld.
-
De motor afslaat.

Koplampverstelling (indien van toepassing)
Dit handmatig bediende systeem dient om te voorkomen dat tegemoetkomend verkeer wordt verblind door de koplampen van uw auto. De koplampen kunnen worden versteld door het wieltje in een van de volgende standen te draaien.
Stand schakelaar:
| Stand | Lading op | ||
| Voorstoelen | Achterbank | Bagageruimte | |
| 0 | Alleen bestuurder | - | - |
| 2 personen | - | - | |
| 1 | 2 personen | 3 personen | - |
| 2 | 2 personen | 3 personen | 55 kg |
| 3 | Alleen bestuurder | - | 320 kg |


Mistachterlicht (indien van toepassing)
Druk de schakelaar in om het mistachterlicht in te schakelen als het dimlicht is ingeschakeld. Het controlelampje in de schakelaar gaat branden.
De mistachterlichten gaan aan als de schakelaar van de mistlampen vóór aan is en de schakelaar voor de verlichting in de stand parkeerlicht staat. (indien van toepassing)
Druk nogmaals op de schakelaar of zet de verlichting uit om het mistachterlicht uit te schakelen.
Besturing van uw auto
RUITENWISSERS EN RUITENSPROEIERS

De werking is als volgt als het contact in stand ON staat.
OFF : Ruitenwisser uitgeschakeld
INT : Ruitenwisser werkt met regelmatige intervallen.
Gebruik deze stand bij motregen of mist. Stel de intervaltijd in met de knop (①), S = langzaam en F = snel.
LO : Normale wissersnelheid
H! : Hoge wissersnelheid
: Druk voor een enkele wisbeweging de bedieningsschakelaar naar voren en laat hem weer los terwijl de ruitenwissers niet ingeschakeld zijn. De ruitenwissers zullen blijven werken zolang de schakelaar naar boven wordt gedrukt en wordt vastgehouden.
* OPMERKING
Maak de ruit vrij van sneeuw en ijs alvorens de ruitenwissers te gebruiken. Anders werkt de ruitenwisser mogelijk niet goed en kan deze beschadigd raken.

Variabele interval
Zet de hendel in stand INT en kies de gewenste intervalsnelheid door de ring (①) te verdraaien.

Enkele wisbeweging ruitenwissers
Druk voor een enkele wisbeweging de bedieningsschakelaar naar boven en laat hem weer los terwijl de ruitenwissers niet ingeschakeld zijn.
De ruitenwissers zullen blijven werken zolang de schakelaar naar boven wordt gedrukt en wordt vastgehouden.
* OPMERKING
• Schakel de ruitenwissers niet in als de ruit droog is om beschadiging van de wissers en de voorruit te voorkomen.
- Gebruik geen benzine, petroleum, thinner of andere oplosmiddelen in de buurt van de ruitenwisserbladen om beschadiging te voorkomen.
• Probeer de ruitenwissers nooit met de hand te bewegen om beschadiging van de ruitenwisserarmen en van andere onderdelen te voorkomen.


Trek de hendel naar voren om de ruitensproeier in te schakelen. Als de ruitenwisser in stand OFF staat, zal deze 2-3 wisslagen maken.
Gebruik deze functie om de voorruit te reinigen.
De ruitensproeier en de ruitenwissers blijven werken tot u de hendel loslaat.
Controleer het peil van de ruitensproeiervloeistof als de ruitensproeiers niet werken. Vul het reservoir met een geschikte, niet schurende ruitensproeiervloeistof wanneer het peil te laag is.
De vulpijp van het reservoir bevindt zich vooraan in de motorruimte aan de kant van de passagier.
* OPMERKING
Gebruik de ruitensproeiers niet wanneer het reservoir leeg is om beschadiging van de ruitensproeierpomp te voorkomen.
WAARSCHUWING
Gebruik de ruitensproeiers niet bij temperaturen onder het vriespunt zonder eerst de voorruit met behulp van de voorruitontwaseming te hebben verwarmd; de vloeistof kan anders op de voorruit bevriezen en uw uitzicht belemmeren.

Schakelaar achterruitenwisser en -sproeier (indien van toepassing)
De schakelaar voor de achterruitenwisser en -sproeier bevindt zich aan het uiteinde van de ruitenwisser- en sproeierschakelaar. Zet de schakelaar in de gewenste stand om de achterruitenwisser en -sproeier te bedienen.
- Normale ruitenwisserbediening
- Ruitensproeiervloeistof ops- puiten en wissen
ACHTERRUITVERWARMING

De achterruitverwarming ontdoet de achterruit aan de binnen- en buitenzijde van rijp, condens en ijs als de motor is gestart.
* OPMERKING
- Om beschadiging van de geleiders op het binnenoppervlak van de achterruit te voorkomen, mag u de raam aan de binnenkant nooit met scherpe voorwerpen of schuurmiddelen reinigen.
• Om te voorkomen dat de accu uitgeput raakt, dient de achterruitverwarming alleen ingeschakeld te worden wanneer de motor draait.
• Zie "Voorruit ontdooien en ontwasemen" in dit deel als u condens en ijs van de voorruit wilt verwijderen.
Druk op de toets in de middenconsole om de achterruitverwarming in te schakelen. Het controlelampje in de toets gaat branden wanneer de achterruitverwarming ingeschakeld is.
Verwijder eerst eventueel aanwezige sneeuw van de achterruit voordat de achterruitverwarming ingeschakeld wordt.

Besturing van uw auto
De alarmknipperlichten dienen ervoor om de overige weggebruikers te waarschuwen om extra voorzichtigheid in acht te nemen bij het naderen, inhalen of passeren van uw auto.
Druk op de schakelaar om de alarmknipperlichten in te schakelen. Deze schakelaar werkt onafhankelijk van de stand van het contact.
Druk nogmaals op de schakelaar om de knipperlichten weer uit te schakelen.
HANDBEDIEND VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)

- Aanjagerschakelaar
- Luchtcirculatieknop
-
Regeling van de temperatuur
-
Luchttoevoerhendel
- Toets A/C (indien van toepassing)
1SAA2120
Besturing van uw auto

Er zijn vier (4) regelbare ventilatorsnelheden: hoe hoger het nummer, des te hoger de snelheid. De ventilator werkt alleen als de contactsleutel in de stand ON staat.
0 - Ventilator uit
1 - Lage snelheid
2 - Gematigde snelheid
3 - Hoge snelheid
4 - Maximumsnelheid

Regeling van de temperatuur
Met de knop vóór de temperatuurcontrole kunt u de temperatuur regelen van de lucht die uit het ventilatiesysteem stroomt. U kunt de temperatuur van de lucht in het passagiersgedeelte als volgt regelen:
Draai de knop naar rechts vóór warme tot hete lucht of naar links vóór koelere lucht.

De luchtcirculatieknop regelt de circulatie van de lucht door het ventilatiesysteem.

De lucht stroomt naar de romp en naar het hoofd. Daarnaast kan iedere uitstroomopening versteld worden om de richting van de luchtstroom te wijzigen. (Uitstroomopening: ⑧)
Stand VENTILEREN/VERWARMEN

De lucht stroomt naar het hoofd en naar de voetenruimte. De lucht die naar de voetenruimte stroomt, is warmer dan de lucht die naar het hoofd stroomt. (Behalve wanneer de temperatuur in de laagste stand staat.) (Uitstroomopening: Ⓑ, Ⓒ)
1SAA2121
Stand VERWARMEN

De meeste lucht stroomt naar de voetenruimte en een klein gedeelte stroomt naar de voorruit en de zijruitontwaseming.
(Uitstroomopening:
C, A, D)
Stand VERWARMEN/ ONTWASEMEN

De meeste lucht stroomt naar de voetenruimte en de voorruit en een klein gedeelte stroomt door de zijruitontwaseming.
(Uitstroomopening:
(A, C, D)
Stand ONTWASEMEN

De meeste lucht stroomt naar de voorruit en een klein gedeelte stroomt door de zijruitontwaseming.
Controleer de uitstroomopeningen in het dashboard als de luchttoevoer niet naar behoren functioneert.
Uitstroomopening (⑧) kan afzonderlijk worden geopend of gesloten met het verticale wieltje. Draai het wieltje omhoog om de uitstroomopening te sluiten. Draai het omlaag om de uitstroomopening te openen.
Daarnaast kan de richting van de luchtstroom worden afgesteld in horizontale en verticale richting.
Luchttoevoertoets
Hiermee kan de stand BUITENLUCHT of de stand RECIRCULATIE worden gekozen.
Beweeg de hendel om de luchttoevoer te wijzigen.

In de stand RECIRCULATIE wordt de lucht uit het passagierscompartiment door het systeem gerecirculeerd en, afhankelijk van de gekozen functie, gekoeld of verwarmd.

In de stand BUITENLUCHT stroomt de lucht van buitenaf in het passagierscompartiment. Deze lucht wordt, afhankelijk van de gekozen functie, verwarmd of gekoeld.
* OPMERKING
Let op: Door langdurig gebruik van de stand RECIRCULATIE kunnen de ruiten beslaan en zal de lucht in het passagierscompartiment muf worden.
Daarnaast kan de lucht in het passagierscompartiment extreem droog worden bij langdurig gebruik van de airconditioning in de stand RECIRCULATIE.
WAARSCHUWING
- Langdurig recirculeren kan leiden tot een verhoogde luchtvochtigheid in het interieur, waardoor de ruiten kunnen beslaan en het uitzicht belemmerd wordt.
- Ga niet slapen in de auto wanneer het airconditioningssysteem of de verwarming ingeschakeld is. Door een afname van de zuurstofconcentratie en/of de lichaamstemperatuur kunnen de inzittenden letsel oplopen.
- Langdurig recirculeren kan slaperigheid veroorzaken, waardoor de bestuurder de controle over de auto kan verliezen. Schakel daarom zo veel mogelijk de stand BUITENLUCHT in.

Toets A/C (indien van toepassing)
Druk op toets A/C om de airconditioning in te schakelen. Het controlelampje gaat branden.
Druk nogmaals op de toets om de airconditioning uit te schakelen.
Werking systeem
Ventileren
- Schakel de stand 📋 in met de luchtcirculatietoets.
- Schakel de stand BUITENLUCHT in met de luchttoevoertoets.
- Stel de temperatuur in op de gewenste waarde.
- Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
Verwarmen
- Schakel de stand 📋 in met de luchtcirculatietoets.
- Schakel de stand BUITENLUCHT in met de luchttoevoertoets.
- Stel de temperatuur in op de gewenste waarde.
- Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
- Als u de uitstromende lucht gedroogd wil hebben, kunt u de airconditioning (indien van toepassing) aanzetten.
- Wanneer in stand VENTILEREN/VERWARMEN meer warme lucht nodig is voor de voetenruimte, zet dan de luchtcirculatietoets in stand
- Schakel de stand 📋, 📋 in met de luchtcirculatietoets wanneer de voorruit beslaat.
Airconditioning
(indien van toepassing)
Alle Kia-airconditioningssystemen zijn gevuld met het milieuvriendelijke koelmiddel R134a dat niet schadelijk is voor de ozonlaag.
- Start de motor. Druk op toets A/C.
- Schakel de stand ➞ in met de luchtcirculatietoets.
- Schakel de stand RECIRCULATIE in met de toets luchttoevoer.
- Stel de temperatuur in op de gewenste waarde.
- Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
- Stel de aanjagersnelheid en de temperatuur bij om een maximaal comfort te bereiken.
- Zet de luchtcirculatie in de stand en stel de temperatuur bij wanneer in de stand VENTILEREN/VERWARMEN meer warme lucht in de voetenruimte nodig is.
- Wanneer maximale koeling gewenst is, draai dan de temperatuurregelknop geheel naar links, kies de stand RECIRCULATIE en schakel de aanjager in op de hoogste snelheid.
* OPMERKING
• Houd de temperatuurmeter nauwlettend in de gaten wanneer de airconditioning wordt gebruikt als u lange hellingen oprijdt of als u in druk verkeer rijdt bij hoge buitentemperaturen. Door het gebruik van het airconditioningssysteem kan de motor oververhit raken. Blijf de aanjager gebruiken en schakel het airconditioningssysteem uit wanneer de temperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit raakt.
• Bij het openen van de ruiten bij vochtig weer kan de airconditioning druppelvorming in het interieur veroorzaken. Omdat te veel vocht in het interieur schade aan elektrische componenten kan veroorzaken, moet de airconditioning alleen worden gebruikt als de ruiten gesloten zijn.
Aanwijzingen voor gebruik airconditioning
- Open de ruiten een tijdje wanneer de auto tijdens warm weer in de volle zon geparkeerd is geweest, zodat de warme lucht naar buiten kan.
- Om het beslaan van de ruiten tijdens regenachtig weer te verminderen, kunt u de vochtigheidsgraad in het interieur terugbrengen door de airconditioning in te schakelen.
• Tijdens de werking van de airconditioning ziet u het motortoerental bij stationair draaien zo nu en dan iets veranderen wanneer de aircocompressor inschakelt. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem. - Schakel de airconditioning iedere maand enkele minuten aan.
-
Na gebruik van de airconditioning kan onder de rechterzijde van de auto een plas heldere vloeistof gelekt zijn. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem.
-
De airconditioning is uitgerust met een functie die de aircocompressor automatisch uitschakelt wanneer de koelvloeistoftemperatuur te hoog wordt. De aircocompressor schakelt opnieuw in wanneer de koelvloeistoftemperatuur weer normaal wordt.
De aircocompressor wordt daarnaast automatisch enige seconden uitgeschakeld wanneer het gaspedaal volledig wordt ingetrapt. - Gebruik de stand BUITENLUCHT wanneer de airconditioning ingeschakeld is.
- Als de stand RECIRCULATIE wordt gebruikt wanneer de airconditioning ingeschakeld is, wordt wel een maximaal koeleffect bereikt, maar kan het gebruik van deze stand gedurende een langere tijd ertoe leiden dat de lucht in het interieur muf wordt.

Hoeveelheid koudemiddel en compressorolie controleren (indien van toepassing)
Als er te weinig koudemiddel in het systeem zit, neem de koelcapaciteit van de airconditioning af. Een teveel aan koudemiddel heeft ook nadelige effecten op de werking van het systeem.
Laat de auto controleren door een officiële Kia-dealer als het systeem niet correct functioneert.
Koudemiddel en compressorolle
Het systeem voldoet aan de norm SAE J-639.
| Onderwerp | Type | Hoeveelheid |
| Koudemiddel | R-134a | 16~17 oz. (425 ~ 475 g) |
| Compressorolie | FD46XG (PAG) | 110 ~ 130 cc (6,6~7,8 in3) |
VOORZICHTIG
Onderhoud aan het airconditioningssysteem moet worden uitgevoerd door een officiële Kia-deafer. Een onjuiste werkmethode kan ernstig letsel tot gevolg hebben.
* OPMERKING
Als de prestaties van het airconditioningssysteem teruggelopen zijn, is het belangrijk het systeem bij te vullen met de juiste soort en hoeveelheid olie en koudemiddel. Anders kan er schade aan de compressor ontstaan en kan het systeem niet goed gaan functioneren.
VOORRUIT ONTDOOIEN EN ONTWASEMEN

Handbediend verwarmings- en ventilatiesysteem
Binnenkant voorruit ontwasemen
- Kies een willekeurige aanjagersnelheid, uitgezonderd 0.
- Stel de gewenste temperatuur in.
- Kies de stand 🚫 of 📄.
- Schakel het airconditioningssysteem in.
- Kies de stand BUITENLUCHT.

①|②

④

(1)

⑤

Voorruit ontdooien
- Zet de aanjager in stand 3 of 4.
- Stel de temperatuur in op maximaal.
- Kies de stand 📄.
- Schakel het airconditioningssysteem in.
- Kies de stand BUITENLUCHT.
VOORZICHTIG
Gebruik de stand of niet in combinatie met koelen bij een extreem hoge luchtvochtigheid. Door het temperatuurverschil tussen de buitenlucht en de voorruit, kan de voorruit plotseling beslaan, waardoor het zicht wegvalt. Zet in dat geval de luchtcirculatieknop in de stand en de aanjager op de laagste stand.
ANTIDIEFSTALSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)
![graph TD A["Antidiefstal-systeme ingeschak -ld"] --> B["Antidiefstal-systeme uitgeschak -eld"] A --> C["Alarm geactiveerd"] C --> A](/content/2026/06/1151817/images/57854e923f87129625481cfabea7d242a3577c56c32d5c10a6a1b99c3c44e549.jpg)
HMR.082
Het antidiefstalsysteem wordt uitgeschakeld zodra de sleutel in het contactslot wordt gestoken.
Als de portieren zijn vergrendeld met de afstandsbediening, dient het ontgrendelen ook plaats te vinden met de afstandsbediening.
Als de vergrendeltoets op de afstandsbediening wordt ingedrukt terwijl een portier of de achterklep geopend is, wordt het antidiefstalsysteem nog niet ingeschakeld. Zodra alle portieren en de achterklep gesloten zijn, wordt het desbetreffende portier of de achterklep vergrendeld en treedt het antidiefstalsysteem in werking.
Antidiefstalsysteem ingeschakeld
Als het contact in stand LOCK staat en de sleutel zich niet in het contactslot bevindt, wordt het antidiefstalsysteem automatisch ingeschakeld onder de volgende omstandigheden:
- Na het indrukken van de vergrendeltoets op de afstandsbediening terwijl alle portieren en de achterklep gesloten zijn.
- Als binnen 30 seconden nadat de portieren met de afstandsbediening zijn ontgrendeld, geen van de portieren of de achterklep wordt geopend. Behalve dat het antidiefstalsysteem wordt ingeschakeld, worden ook de portieren weer vergrendeld.
Besturing van uw auto
Het alarm zal in de volgende situaties worden geactiveerd:
- Als een portier zonder de sleutel of de afstandsbediening geopend wordt.
- Als de achterklep wordt geopend zonder de afstandsbediening te gebruiken. Als de achterklep met de sleutel wordt geopend, wordt het alarm ook geactiveerd.
De sirene en de alarmknipperlichten worden gedurende 30 seconden ingeschakeld. In deze periode is het niet mogelijk de motor te starten.
Antidiefstalsysteem uitgeschakeld
Het antidiefstalsysteem wordt op de volgende manier uitgeschakeld. De alarmknipperlichten knipperen tweemaal ter bevestiging.
- Wanneer op de ontgrendeltoets van de afstandsbediening gedrukt wordt. Als binnen 30 seconden nadat de portieren met de afstandsbediening zijn ontgrendeld, geen van de portieren of de achterklep wordt geopend. Behalve dat het antidiefstalsysteem wordt ingeschakeld, worden ook de portieren weer vergrendeld.
- Wanneer de contactsleutel gedurende 30 seconden of meer in stand ON staat.
Emissieregelsysteem / 5-3
Voor het rijden / 5-5
Suggesties voor brandstofbesparing / 5-6
Speciale omstandigheden / 5-7
Rijden met een aanhanger / 5-13
Overbelading / 5-21
Informatie op labels / 5-22
Rijtips
VEREISTE BRANDSTOF
Benzinemotor (loodvrij)
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine met een octaangetal van 91 RON of meer voor uw nieuwe Kia.
Bij gebruik van LOODVRIJE BENZINE zijn de prestaties maximaal en de uitlaatgassen het schoonst en wordt vervuiling van de bougies tegengegaan.
* OPMERKING
GEBRUK NOOIT
LOODHOUDENDE BENZINE. Loodhoudende benzine is schadelijk voor de katalysator en de lambdasensor van het motorregelsysteem en zal de emissieregeling nadelig beïnvioeden. Voeg nooit andere dan door Kia voorgeschreven brandstofadditieven of gelijkwaardige producten toe aan het brandstofsysteem. (Neem voor details contact op met een officiële Kia-dealer.)
Benzine die alcohol en methanol bevat
In sommige landen is naast benzine ook gasohol verkrijgbaar. Dit is een mengsel van benzine en ethanol of methanol.
Gebruik dit mengsel niet met meer dan 10% ethanol en gebruik geen benzine of mengsel dat methanol bevat. Deze brandstoffen kunnen rijproblemen en schade aan het brandstofsysteem veroorzaken.
Gebruik gasohol niet langer wanneer rijproblemen optreden.
Schade aan de auto of rijproblemen vallen mogelijk niet onder de fabrieksgarantie wanneer ze veroorzaakt worden door het gebruik van:
- Benzinemengsels met meer dan 10% ethanol.
- Benzine of gasohol die methanol bevat.
- Loodhoudende benzine.
* OPMERKING
Gebruik nooit benzinemengsels die methanol bevatten. Gebruik gasohol producten niet langer wanneer rijproblemen optreden.
EMISSIEREGELSYSTEEM
Op het emissieregelsysteem van uw auto is een aangepaste garantieregeling van toepassing. Raadpleeg de garantie-informatie in het boekje Garantie & Onderhoud voor meer informatie.
Aanpassingen aan de auto
Er mogen geen aanpassingen aan deze auto worden gedaan. Door aanpassingen kunnen de prestaties, de veiligheid of de levensduur van uw Kia beïnvloed worden.
Aanpassingen kunnen zelfs in strijd zijn met overheidsbepalingen en milieuvoorschriften.
Daarnaast kunnen schade of problemen met de prestaties als gevolg van aanpassingen mogelijk niet onder de garantie vallen.
Uitlaatgassen (koolmonoxide); voorzorgsmaatregelen
WAARSCHUWING
Uitlaatgassen bevatten onder andere het reukloze en kleurloze gas koolmonoxide (CO) dat bij inademing dodelijk kan zijn. Hoewel het kleurloos en reukloos is, is het gevaarlijk en kan het bij inademing dodelijk zijn.
Neem de volgende aanwijzingen in acht ter voorkoming van koolmonoxidevergiftiging.
- Koolmonoxide kan samen met andere uitlaatgassen aanwezig zijn. Laat het uitlaatsysteem van uw auto direct door een officiële Kia-dealer of een ander daartoe bevoegd garagebedijf controleren indien u in het interieur uitlaatgas ruikt. Rijd niet met de auto als u uitlaatgassen ruikt, maar als het niet anders kan, rijd dan met alle ruiten volledig open. Laat uw auto onmiddellijk controleren en repareren.
- Laat de motor in een afgesloten ruimte (bijvoorbeeld een garage) niet langer draaien dan nodig is om de auto naar binnen of naar buiten te rijden.
- Stel het ventilatiesysteem zo af dat er verse buitenlucht naar het interieur gevoerd wordt, als de auto in een open ruimte stilstaat terwijl de motor wat langer moet blijven draaien.
- Blijf nooit met draaiende motor gedurende langere tijd in een stilstaande auto zitten.
- Controleer het emissieregel systeem als de motor afslaat.
• Probeer de startmotor niet meer dan 3 keer opnieuw in te schakelen wanneer de motor afslaat of niet wil aanslaan.
Als de motor overmatig afslaat of de startmotor te vaak opnieuw wordt ingeschakeld kan het emissieregelsysteem beschadigd raken.
Voorzorgsmaatregelen katalysator
Een heet uitlaatsysteem kan brandbare materialen onder de auto in brand doen vliegen. Parkeer de auto nooit boven brandbare materialen zoals droog gras, papier, bladeren enz.
5
Uw auto is uitgerust met een katalysator ten behoeve van de emissieregeling.
Daarom moeten de volgende voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen:
- Gebruik bij een benzinemotor uitsluitend loodvrije benzine.
- Gebruik de auto niet als de motor duidelijk storingen, zoals overslaan of vermogensverlies, vertoont.
• Doe geen dingen die slecht zijn voor de motor. Voorbeelden hiervan zijn: de auto in de versnelling laten uitrollen terwijl het contact in stand LOCK staat en een helling af rijden met het contact in stand LOCK.
- Laat de motor niet langdurig (5 minuten of langer) met een hoog stationair toerental draaien.
• Voer zelf geen aanpassingen of wijzigingen uit aan de motor of het emissieregelsysteem.
Alle controles en afstellingen moeten door een erkende Kia-dealer uitgevoerd worden.
Wanneer bovenstaande voorzorgsmaatregelen niet in acht worden genomen, kan schade aan de katalysator en aan uw auto ontstaan. Bovendien kan hierdoor de garantie vervallen.
VOOR HET RIJDEN
Vóór het instappen:
- Zorg ervoor dat alle ruiten, buitenspiegel(s) en lampen schoon zijn.
- Controleer de toestand van de banden.
- Controleer of er geen sporen van lekkage onder de auto te zien zijn.
- Controleer of er zich geen obstakels achter de auto bevinden wanneer u achteruit wilt rijden.
Noodzakelijke controles
De volgende vloeistofpeilen dienen regelmatig, afhankelijk van het gebruikte interval gecontroleerd te worden: motorolie, koelvloeistof, remvloeistof en ruitensproeiervloeistof. Nadere informatie vindt u in Hoofdstuk 7 ONDERHOUD.
Vóór het starten
- Sluit alle portieren.
- Verstel de stoel zodanig dat u alle bedieningsorganen gemakkelijk kunt bereiken.
- Stel de binnen- en buitenspiegels af.
- Controleer of alle verlichting werkt.
- Controleer alle instrumenten.
- Controleer of alle waarschuwingslampjes werken als het contact in stand ON staat
- Ontgrendel de parkeerrem en controleer of het waarschuwingslampje van het remsysteem uitgaat.
Voor een veilig gebruik is het noodzakelijk dat u volledig vertrouwd bent met uw auto en de bedieningsorganen.
WAARSCHUWING -
Rijden onder invloed van alcohol of drugs
Rijden onder invloed is gevaarlijk. Rijden onder invloed is de belangrijkste doodsoorzaak in het verkeer. Zelfs een geringe hoeveelheid alcohol zal het reactie-, waarnemings- en beoordelingsvermogen verminderen.
De kans op een ernstige aanrijding is vele malen groter als u gaat rijden onder invloed.
Ga niet rijden als u gedronken heeft of drugs heeft gebruikt. Rijd ook niet mee met een bestuurder die onder invloed van alcohol of drugs is. Bepaal van tevoren wie er rijdt of neem een taxi.
Rijden onder invloed van drugs is minstens even gevaarlijk als rijden onder invloed van aclohol.
SUGGESTIES VOOR BRANDSTOFBESPARING
Het brandstofverbruik van uw auto is voornamelijk afhankelijk van uw rijstijl, hoe, waar en wanneer u rijdt. Uw rijstijl is van invloed op de totale hoeveelheid kilometers die u op een liter brandstof kunt afleggen. Door de onderstaande suggesties op te volgen, verbruikt uw auto zo min mogelijk brandstof en bespaart u geld op zowel de brandstof als op reparaties en onderhoud:
- Laat de motor niet stationair draaiend op bedrijfstemperatuur komen. Rijd weg zodra de motor soepel draait. Denk eraan dat het bij lagere buitentemperaturen langer duurt voordat de motor op bedrijfstemperatuur is.
- Bespaar brandstof door na een stop langzaam op te trekken.
-
Zorg ervoor dat de motor goed afgesteld is en houd u aan de voorgeschreven periodieke onderhoudsbeurten. Dat komt de levensduur van alle onderdelen ten goede en beperkt de onderhoudskosten.
-
Gebruik de airconditioning niet onnodig.
• Rijd langzaam op slechte wegen. - Zorg ervoor dat de banden altijd op de voorgeschreven spanning zijn. Dat verlaagt het brandstofverbruik en komt de levensduur van de banden ten goede.
- Bewaar voldoende afstand tot overige weggebruikers om noodstops te voorkomen. De remmen zullen hierdoor minder snel slijten. Bovendien neemt het brandstofverbruik af, omdat het versnellen tot de normale rijsnelheid na sterk afgeremd te hebben extra brandstof kost.
• Vervoer geen onnodig gewicht in de auto. - Laat tijdens het rijden uw voet niet op het rempedaal rusten. Dat veroorzaakt onnodige slijtage en mogelijk schade aan de remmen alsmede een hoger brandstofverbruik.
-
Bij een onjuiste wieluitlijning zullen de banden sneller slijten en is het brandstofverbruik hoger.
-
Geopende ruiten verhogen bij hoge snelheid het brandstofverbruik.
- Het brandstofverbruik neemt toe bij zijn- en tegenwind. Verminder onder deze omstandigheden snelheid om het brandstofverbruik enigszins te beperken.
Het in goede staat houden van uw auto is van groot belang voor zowel de veiligheid als het brandstofverbruik. Laat daarom het voorgeschreven periodieke onderhoud uitvoeren door een officiële Kia-dealer.
WAARSCHUWING
- Rijden met uitgezette motor Zet nooit de motor uit om een helling af te rijden of tijdens het rijden. Als de motor niet draait, werken de stuurbekrachtiging en de rembekrachtiging niet. Laat de motor draaien en schakel terug naar de juiste versnelling om optimaal op de motor te kunnen afremmen.
SPECIALE OMSTANDIGHEDEN
Rijden onder moeilijke omstandigheden
Neem de volgende raadgevingen in acht als ten gevolge van zware regenval, sneeuw, ijzel, modder of zand het rijden bemoeilijkt wordt:
- Rijd voorzichtig en bewaar extra afstand tot het overige verkeer.
• Vermijd abrupt remmen of sturen. - Rem "pompend".
* OPMERKING
Als uw auto is uitgerust met ABS dient u niet "pompend" te remmen.
- Probeer weg te rijden in de tweede versnelling als de auto vastzit in sneeuw, modder of zand. Geef voorzichtig gas om te voorkomen dat de wielen doorslippen.
- Gebruik zand, pekel, sneeuwkettingen of ander anti-slipmateriaal onder de aangedreven wielen als de auto vast is komen te zitten in ijs, sneeuw of modder.
WAARSCHUWING
- Terugschakelen
Op een glad wegdek terugschakelen naar stand L bij een automatische transmissie kan ongelukken veroorzaken. Door de plotselinge verandering in wielsnelheid kunnen de banden slippen. Wees voorzichtig met het terugschakelen op een glad wegdek.
Op eigen kracht lostrekken van de auto
Verdraai eerst het stuurwiel een aantal keren naar rechts en naar links om de voorwielen vrij te maken wanneer de auto vastzit in ijs, modder of sneeuw en het nodig is de auto heen en weer te schommelen om te proberen hem los te trekken. Schakel vervolgens afwisselend de eerste versnelling en de achteruitversnelling (bij een handgeschakelde transmissie) in of stand R en één van de vooruitversnellingen (bij een automatische transmissie). Laat de motor niet met een te hoog toerental draaien en laat de wielen niet te lang doorslippen. Als de auto na enkele pogingen nog vastzit, dient u de auto los te laten trekken om oververhitting van de motor en beschadiging van de transmissie te voorkomen.
* OPMERKING
Het langdurig op eigen kracht lostrekken van de auto kan oververhitting van de motor en beschadiging van de transmissie en van de banden veroorzaken.
WAARSCHUWING
- Slippende wielen
Laat de wielen niet doorslippen, vooral niet met hoge snelheid. Het met hoge snelheid door laten slippen van de wielen wanneer de auto stilstaat kan oververhitting van de banden veroorzaken waardoor deze kunnen exploderen en voorbijgangers kunnen verwonden.
Rijden in het donker
Omdat het rijden in het donker meer gevaren oplevert dan het rijden bij daglicht, volgen hier een aantal belangrijke tips om te onthouden:
- Rijd langzamer en houd meer afstand tussen u en uw voorliggers omdat het zicht in het donker beperkter is, vooral in gebieden waar geen straatverlichting is.
• Stel uw spiegels bij om schittering door de koplampen van andere auto's te beperken.
• Houd uw koplampen schoon en, indien uw auto niet is uitgerust met automatische koplampverstelling, op de juiste wijze afgesteld. Vuile of verkeerd afgestelde koplampen beperken het zicht in het donker.
• Vermijd rechtstreeks kijken in de koplampen van tegemoetkomende auto's. U kunt daardoor tijdelijk verblind raken en het duurt enkele seconden voordat uw ogen weer aan de duisternis gewend zijn.
Rijden in de regen
Regen en natte wegen kunnen het rijden gevaarlijk maken, vooral wanneer u er niet op bedacht bent. Hier volgen een aantal aandachtspunten voor het rijden in de regen:
- Door hevige regenval zal het zicht beperkt worden en de remafstand groter worden. Rijd daarom langzamer.
- Zorg ervoor dat uw ruitenwissers in goede staat verkeren. Vervang de ruitenwisserbladen als ze strepen achterlaten of bepaalde stukken overslaan.
- Wanneer de banden niet in een goede staat verkeren, kunnen de wielen bij een noodstop op een nat wegdek gaan slippen waardoor een ongeluk kan ontstaan. Zorg ervoor dat de banden in goede staat verkeren.
-
Schakel uw verlichting in zodat anderen u beter kunnen zien.
-
Te snel door grote waterplassen rijden kan uw remmen aantasten. Als u door plassen moet rijden, probeer dit dan langzaam te doen.
- Trap het rempedaal tijdens het rijden licht in totdat de remmen weer normaal werken wanneer u vermoed dat uw remmen nat geworden zijn.
Rijden in de winter
- Wij adviseren dat u een noodpakket meeneemt. Dit pakket kan bestaan uit sneeuwkettingen, een ijskrabber, ruitondooier, een zak zand of zout, een pechlamp, een kleine schep en startkabels.
- Zorg ervoor dat het koelsysteem voldoende tegen vorst beschermd is.
- Controleer de toestand van de accu en de accukabels. Lage buitentemperaturen verminderen de capaciteit van de accu. Om in de winter voldoende startcapaciteit te hebben, moet de accu in topconditie verkeren.
- Controleer of de viscositeit van de motorolie geschikt is voor de winterse omstandigheden.
-
Controleer het ontstekingssysteem op loszittende aansluitingen en beschadigingen.
-
Vul het ruitensproeierreservoir met ruitensproeier-antivries (Gebruik hiervoor geen koelvloeistof.)
- Schakel bij het parkeren bij een handgeschakelde transmissie de eerste versnelling of de achteruit in en bij een automatische transmissie stand P en blokkeer de achterwielen.

Winterbanden
Als u winterbanden op uw Kia laat monteren, controleer dan of deze dezelfde afmetingen en beladingsindex hebben als de originele banden. Monteer sneeuwbanden op alle vier de wielen, voor een optimale wegligging onder alle weersomstandigheden. Let er op dat de grip op droge weg met winterbanden iets lager is dan met de originele banden. Rijd ook voorzichtig als de weg vrij is. Raadpleeg uw bandenleverancier voor de maximum snelheid van de banden.
WAARSCHUWING
- Afmetingen winterbanden
De afmeting en het type van de winterbanden moeten gelijk zijn aan die van de standaard gemonteerde banden. Anders kan de veiligheid en het rijgedrag van uw auto negatief beïnvloed worden.
Monteer geen banden met spikes zonder eerst na te gaan of het gebruik hiervan niet wettelijk verboden is.

Omdat de wangen van een radiaalband vrij dun zijn, kunnen ze door sommige typen sneeuwkettingen beschadigd raken. Daarom wordt aanbevolen om winterbanden te gebruiken in plaats van sneeuwkettingen. Monteer geen sneeuwkettingen op auto's met lichtmetalen velgen. In dat geval kunnen de velgen beschadigd raken. Als u niet om het gebruik van sneeuwkettingen heen kunt, gebruik dan bij voorkeur kettingen met platte schakels met een dikte van maximaal 15 mm. Schade door gebruik van verkeerde sneeuwkettingen valt buiten de fabrieksgarantie.
Breng ze alleen aan rond de voorwielen.
* OPMERKING
• Zorg ervoor dat de sneeuwkettingen geschikt zijn voor de maat en het type band dat op uw auto gemonteerd is. Verkeerde sneeuwkettingen kunnen schade toebrengen aan de carrosserie en de wielophanging die buiten de fabrieksgarantie valt. Bovendien kunnen de bevestigingsshaken beschadigd raken bij contact met de auto, waardoor de sneeuwkettingen los kunnen komen. Gebruik uitsluitend sneeuwkettingen van SAE-klasse S. • Controleer na ca. 0,5 - 1 km te hebben gereden, of de kettingen nog goed zitten. Span de kettingen of monteer ze opnieuw als ze los zitten.
Sneeuwkettingen; aanbrengen van
Volg voor het plaatsen van de kettingen de aanwijzingen van de fabrikant en trek de kettingen zo strak mogelijk aan. Matig uw snelheid als u met sneeuwkettingen rijdt. Als u de kettingen tegen de carrosserie of het chassis hoort slaan, stop dan meteen en trek de kettingen aan. Als ze daarna nog tegen de auto slaan, ga dan zoveel langzamer rijden dat dit niet meer gebeurt. Verwijder de kettingen zodra u weer op een schone weg rijdt.
WAARSCHUWING
- Monteren van sneeuwkettingen
Parkeer de auto op een vlakke ondergrond en uit de buurt van het overige verkeer voor het monteren van de sneeuwkettingen.
Zet de alarmknipperlichten aan en plaats indien mogelijk een gevarendriehoek achter de auto. Zet de transmissie in stand P, trek de bedien de parkeerrem en zet de motor uit alvorens de sneeuwkettingen te monteren.
- Het rijgedrag van de auto kan door het gebruik van kettingen negatief beïnvloed worden.
- Rijd nooit sneller dan 30 km/h of sneller dan de door de fabrikant aanbevolen snelheid. Houd de laagste snelheid aan.
- Rijd voorzichtig en vermijd oneffenheden, gaten, scherpe bochten en andere situaties waardoor de auto plotseling zou kunnen uitveren.
- Vermijd het maken van scherpe bochten en het remmen met geblokkeerde wielen.
- Kettingen die een verkeerde maat hebben of niet goed gemonteerd zijn, kunnen de remleidingen, wielophanging, carrosserie, en velgen van uw auto beschadigen.
- Stop onmiddellijk en span de kettingen aan zodra u ze tegen de auto hoort tikken.
Rijtips
Doorwaden van water
Vermijd het doorwaden van water tenzij u er zeker van bent dat het water niet hoger komt dan de onderzijde van de wielnaven. Rijd steeds langzaam bij het doorwaden van water. Bewaar voldoende remafstand omdat het remvermogen verminderd kan zijn.
Droog de remmen door na het doorwaden bij lage snelheid het rempedaal een aantal malen voorzichtig in te trappen.
RIJDEN MET EEN AANHANGER
WAARSCHUWING
- Rijden met een aanhanger Bij verkeerd gebruik van de aanhanger, kunt u de controle over de auto verliezen. Als de aanhanger bijvoorbeeld te zwaar beladen is, kunnen de remmen niet goed of zelfs helemaal niet werken. U en uw passagiers kunnen in dat geval ernstig letsel oplopen. Ga alleen rijden met een aanhanger als u de volgende aanwijzingen hebt opgevolgd.
* OPMERKING
Bij verkeerd gebruik van een aanhanger kan uw auto beschadigd raken, waardoor dure reparaties nodig zijn die niet onder de garantie vallen. Houd u aan de volgende regels bij het rijden met een aanhanger.
| MotorOnderwerp | Benzinemotor | ||
| Handgeschakelde transmissie | Automatische transmissie | ||
| Maximaal aanhangwagengewicht kg | Ongeremd | 400 | 0 |
| Geremd | 700 | 400 | |
| Maximale kogeldruk kg | 28 | 25 | |
| Gebruik alleen een goedgekeurde trekhaak! mm | 570 | 570 | |


1SAE5001A
Uw auto is geschikt om met een aanhanger te rijden.
Raadpleeg de informatie onder "Aanhangwagengewicht" verderop in dit hoofdstuk om te bepalen hoe zwaar de aanhanger maximaal mag zijn.
Let op dat rijden met een aanhanger anders is dan rijden zonder aanhanger. Bij rijden met een aanhanger is de besturing anders en nemen slijtage en brandstofverbruik toe. Voor goed en veilig rijden met een aanhanger is het belangrijk dat de aanhanger technisch in orde is en op de juiste manier aan de auto is gekoppeld.
In dit hoofdstuk worden een aantal belangrijke aanwijzingen genoemd. Veel van deze hebben betrekking op uw eigen veiligheid en die van uw passagiers. Lees dit hoofdstuk daarom zorgvuldig door voordat u gaat rijden met een aanhanger.
Bepaalde onderdelen, zoals de motor, de transmissie en de banden, worden door het getrokken extra gewicht zwaarder belast. De motor moet wat meer toeren maken en moet meer vermogen leveren. Hierdoor neemt ook de warmteontwikkeling toe. De aanhanger zorgt bovendien voor een hogere luchtweerstand, waardoor de belasting nog verder toeneemt.
Als u gaat rijden met een aanhanger
Let op de volgende punten als u gaat rijden met een aanhanger:
• Overweeg de aanschaf van stabilisatorkoppeling. Raadpleeg de leverancier van uw aanhanger voor meer informatie.
- Uw auto is het meest geschikt voor het trekken van een aanhanger als deze minimaal 800 km heeft gereden. Als u gedurende de eerste 800 km met een aanhanger wilt rijden, rijd dan niet harder dan 80 km/h en accelereer niet voluit. Hierdoor wordt de motor en de rest van de auto niet overmatig belast tijdens de inrijperiode.
- Rijd met aangepaste snelheid (maximaal 80 km/h).
- Neem de volgende overwegingen met betrekking tot het extra gewicht in acht:
Gewicht van de aanhanger
Hoe zwaar kan de aanhanger veilig worden beladen? Hij mag nooit meer wegen dan het maximale aanhangergewicht voor een geremde aanhanger.
Dat hangt af van de manier waarop de aanhanger wordt gebruikt. Zo zijn onder andere de rijsnelheid, de hoogte, hellingshoek, buitentemperatuur en ervaring belangrijke factoren. Het maximale aanhangergewicht is ook afhankelijk van eventuele voorziening die op de auto zijn aangebracht.

Kogeldruk
Bij het trekken van een aanhanger zijn de kogeldruk en het maximaal toelaatbaar totaalgewicht van belang. Onder het totaalgewicht worden gerekend het ledig gewicht van de auto plus het gewicht van de belading en de inzittenden. Bij het slepen van een aanhanger dient bovendien het gewicht van de aanhanger hierbij worden opgeteld.
De kogeldruk mag maximaal 4% van het totale aanhangergewicht bedragen. Controleer na het beladen van de aanhanger of de kogeldruk in orde is. Als dat niet het geval is, kan deze worden aangepast door de belading van de aanhanger anders te verdelen.
WAARSCHUWING
- Zorg ervoor dat de aanhanger aan de voorzijde altijd zwaarder is dan aan de achterzijde. De verhouding tussen de belading voor en achter dient ongeveer 60/40 te zijn.
- Belaad de aanhanger niet zwaarder dan volgens de fabrikant van de aanhanger c.q. trekhaak is toegestaan. Een verkeerde belading kan beschadiging van de auto en/of persoonlijk letsel tot gevolg hebben. Controleer het aanhangergewicht met een geschikte weegschaal of op een weegbrug.
- Door een verkeerde belading van de aanhanger bestaat de kans dat u de controle over de auto verliest.
Trekhaak
Een goede trekhaak is zéér belangrijk. Zijwind, rukwinden door passerende vrachtwagens en hobbelige wegen vormen een zware belasting voor de trekhaak. Neem de volgende regels in acht:
- Moeten er voor het bevestigen van de trekhaak gaten worden geboord in het chassis? Zorg er in dat geval voor dat, wanneer de trekhaak weer wordt verwijderd, deze gaten weer worden afgedicht.
Als dat niet gebeurt, zouden koolmonoxide (CO) uit de uitlaat, alsmede stof en water in het interieur terecht kunnen komen.
- De bumper is niet geschikt voor het monteren van een trekhaak. Monteer nooit een trekhaak los op de bumper. Gebruik alleen een trekhaak die op het chassis moet worden bevestigd.

Losbreekvoorziening
Bevestig altijd een stalen kabel of ketting tussen de aanhanger en de auto. Laat de kabel onder de koppeling doorlopen, zodat bij het losraken van de originele koppeling de dissel de grond niet kan raken.
Raadpieeg voor het gebruik van de losbreekvoorziening eventueel ook de aanwijzingen van de fabrikant van de trekhaak of van de aanhanger. Bevestig de kabel of ketting niet te strak, zodat de aanhanger vrij kan bewegen in bochten. Laat de kabel of ketting niet over de grond slepen.
Remsysteem aanhanger
Als uw aanhanger zwaarder is dan het maximaal toegestane ongeremde aanhangergewicht, moet de aanhanger zijn voorzien van een eigen, goed werkend remsysteem. Volg de instructies van de fabrikant voor het gebruiken, afstellen en onderhouden van het remsysteem van de aanhanger.
- Breng nooit wijzigingen aan in het remsysteem van de auto.
WAARSCHUWING
Ga niet rijden met een aanhanger met eigen remsysteem voordat dit systeem goed is afgesteld. Voor het afstellen is specifieke vakkennis benodigd. Laat dit daarom uitvoeren bij een gespecialiseerd bedrijf.
Rijden met een aanhanger
Voor het rijden met een aanhanger is enige ervaring vereist. Ga, voordat u zich op de openbare weg begeeft, eerst oefenen met het rijden met een aanhanger. Probeer vertrouwd te raken met het gewijzigde stuur- en remgedrag. Houd altijd in gedachten dat de auto met aanhanger langer is en minder snel reageert.
Controleer voordat u gaat rijden de bevestiging van de koppeling en de losbreekvoorziening, de elektrische aansluiting, de verlichting, de banden en de afstelling van de spiegels. Als de aanhanger is voorzien van elektrische remmen, controleer dan de remmen door langzaam te gaan rijden met de aanhanger en de remmen handmatig te bekrachtigen. Dit is tevens een goede controle van de elektrische aansluiting.
Controleer tijdens het rijden af en toe of de lading nog goed vastzit en of de verlichting en de remmen nog werken.

Afstand tot voorganger
Houd tenminste tweemaal zo veel afstand als tijdens het rijden zonder aanhanger. Hierdoor kunt u plotselinge remacties en uitwijkmanoeuvres voorkomen.
Inhalen
Het inhalen met een aanhanger neemt meer tijd in beslag. Bovendien moet u door de extra lengte de in te halen auto verder voorbij voordat u weer terug kunt keren naar de oorspronkelijke rijbaan.
Achteruitrijden
Houd het stuurwiel aan de onderzijde vast met één hand. Beweeg uw hand naar links om de aanhanger naar links te laten gaan. Beweeg uw hand naar rechts om de aanhanger naar rechts te laten gaan. Rijd altijd langzaam achteruit en laat u indien mogelijk door iemand anders begeleiden.
Rijden in bochten
Rijd met een aanhanger ruimer door bochten dan normaal. Anders kan de aanhanger te veel naar binnen komen en stoepranden, verkeersborden, bomen enz. raken.
Voorkom schokkerige en plotselinge manoeuvres. Geen ruim van tevoren richting aan.
Richtingaanwijzers aanhanger
De aanhanger dient te zijn voorzien van richtingaanwijzers. Als u de richtingaanwijzers inschakelt, gaan de groene pijlen in het instrumentenpaneel knipperen. De richtingaanwijzers van de aanhanger dienen gelijktijdig mee te knipperen.
Ook als de richtingaanwijzers van de aanhanger niet werken, zullen de groene pijlen in het instrumentenpaneel knipperen.
Daarom is het belangrijk om af en toe te controleren of de richtingaanwijzers van de aanhanger nog werken. Controleer steeds na het opnieuw aankoppelen van de aanhanger of de verlichting en de richtingaanwijzers werken.
Sluit de verlichting van de aanhanger niet rechtstreeks aan op de verlichting van de auto. Gebruik hiervoor speciale goedgekeurde bedrading.
Raadpleeg uw Kia-dealer voor meer informatie.
VOORZICHTIG
Het gebruik van niet goedgekeurde bedrading kan schade aan het elektrisch systeem van de auto en/of persoonlijk letsel veroorzaken.
Rijden op hellingen
Verminder snelheid en schakel naar een lagere versnelling voordat u een lange of steile helling afrijdt. Als u niet terugschakelt, moet u de remmen vaker intrappen waardoor deze oververhit raken en niet meer goed werken.
Schakel bij het oprijden van een lange helling terug en verminder snelheid tot ongeveer 70 km/h (45 mph). Hierdoor wordt voorkomen dat de motor en de transmissie oververhit raken.
Rijd in stand D wanneer de auto uitgerust is met een automatische transmissie en u met een aanhanger rijdt die meer weegt dan het maximaal toegestane ongeremde aanhangergewicht.
Wanneer u in stand D rijdt met een aanhanger wordt de levensduur van de transmissie door een lagere bedrijfstemperatuur verlengd.
Rijd in de vierde versnelling (of, indien nodig, een lagere versnelling) wanneer uw auto is uitgerust met een handgeschakelde transmissie.
* OPMERKING
- Houd de motortemperatuur goed in de gaten als u met een aanhanger een steile helling (meer dan 12%) oprijdt. Hierdoor kan de motor oververhit raken. Als de koelvloeistoftemperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit dreigt te raken, breng de auto dan op een veilige plaats tot stilstand om de motor af te laten koelen. Zodra de motor voldoende is afgekoeld, kunt u uw weg vervolgen.
• Pas uw snelheid aan afhankelijk van het gewicht van de aanhanger en de hellingshoek van de weg, zodat de motor en de transmissie niet oververhit raken.
Parkeren op een helling
Parkeer uw auto met aangekoppelde aanhanger bij voorkeur niet op een helling. Als de auto naar beneden zou rollen, zou deze beschadigd kunnen raken of ernstig letsel aan voorbijgangers kunnen toebrengen.
WAARSCHUWING
- Parkeren op een helling
Als u de auto met aanhanger op een heiling parkeert, kunnen mensen ernstig letsel oplopen of zelfs dodelijk gewond raken als aanhanger onbedoeld los zou raken van de auto.
Is het niet anders mogelijk dan de auto op een helling te parkeren, doe dit dan als volgt:
- Druk het rempedaal in en zet de transmissie in de neutraalstand.
- Laat iemand anders blokken achter de wielen van de aanhanger plaatsen.
- Laat het rempedaal voorzicht los, als de blokken geplaatst zijn en laat de aanhanger tegen de blokken rollen.
- Rem opnieuw. Trek de parkeerrem aan en schakel bij een handgeschakelde transmissie de achteruit in of bij een automatische transmissie stand P.
- Laat het rempedaal los.
WAARSCHUWING
- Parkeerrem
Stap niet uit voordat de parkeerrem goed is aangetrokken.
Als u de motor laat draaien, kan de auto plotseling in beweging komen. Uzelf of andere mensen kunnen hierdoor ernstig letsel oplopen.
Wegrijden op een helling
- Zet de handgeschakelde transmissie in de vrijstand of de automatische transmissie in stand P en houd het rempedaal ingetrapt wanneer:
- Start de motor.
• Zet de transmissie in stand D. - Ontgrendel de parkeerrem.
- Laat het rempedaal langzaam los.
- Rijd langzaam vooruit tot de aanhanger los komt van de blokken.
- Stop en laat de blokken door iemand oprapen en opbergen.
Onderhoud bij het rijden met een aanhanger
Uw auto heeft vaker onderhoud nodig wanneer u regelmatig met een aanhanger rijdt. Belangrijke zaken die speciale aandacht verdienen zijn: de motorolie, de automatische-transmissievloeistof, de smering van de aandrijfassen en de koelvloeistof. De toestand van de remmen moet ook regelmatig gecontroleerd worden. Alle zaken staan in dit instructieboekje beschreven. De index is hierbij een handig hulpmiddel. Het is verstandig dat u deze gedeeltes te lezen voordat u met een aanhanger op pad gaat.
Vergeet ook niet de aanhanger en de trekhaak te onderhouden. Volg het onderhoudsschema van de aanhanger en controleer hem regelmatig. Voer de controle bij voorkeur leder keer uit wanneer u gaat rijden.
Het is van het grootste belang dat de trekhaakmoeren en -bouten vastzitten.
* OPMERKING
• Vanwege de hogere belasting tijdens het rijden met een aanhanger, kan bij warm weer of bij bergop rijden de motor oververhit raken. Als de koelyloeistoftemperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit dreigt te raken, schakel dan de airconditioning uit en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand om de motor af te laten koelen.
- Als met de auto een aanhanger getrokken wordt, moet de transmissievloeistof vaker worden gecontroleerd.
- Als uw auto niet is uitgerust met een airconditioning, moet u een extra ventilator laten monteren om de koeling van de motor te optimaliseren als u een aanhanger trekt.
OVERBELADING
Z VOORZICHTIG
De maximale asbelasting en de maximale massa van het voertuig staan vermeld op het typeplaatje bevestigd aan het bestuurdersportier.
Het overschrijden van deze waardes kan een ongeval of schade aan de auto veroorzaken. U kunt het gewicht van uw lading berekenen door de voorwerpen (of personen) vooraf te wegen. Wees voorzichtig uw auto niet te overbeladen.

INFORMATIE OP LABELS
In uw auto bevinden zich verschillende belangrijke labels en identificatienummers. De plaats van de labels wordt in de volgende afbeeldingen aangegeven:


Voertuig-identificatienummer (VIN)
Verwijder de kap onder de passagiersstoel om het chassisnummer te controleren.



Rijtips

Waarschuwingssignalen / 6-2
Oververhitting / 6-3
Starten met hulpaccu / 6-4
Bescherming elektrische circuits / 6-7
Stepen / 6-14
Wiel verwisselen bij een lekke band / 6-20
In geval van nood
In geval van nood
[Unreadable]
De alarmknipperlichten dienen ervoor om de overige weggebruikers te waarschuwen om extra voorzichtigheid in acht te nemen bij het naderen, inhalen of passeren van uw auto. Ze dienen te worden gebruikt in noodsituaties of als de auto aan de kant van de weg tot stilstand is gekomen.
Druk de schakelaar van de alarmknipperlichten in met het contact in een willekeurige stand. De schakelaar alarmknipperlichten bevindt zich in het dashboard. De schakelaar zorgt ervoor dat alle knipperlichten geactiveerd worden.
• De alarmknipperlichten werken ongeacht of de motor draait of niet.
• De richtingaanwijzers werken niet wanneer de alarmknipperlichten ingeschakeld zijn.
- Wees voorzichtig bij het gebruiken van de alarmknipperlichten wanneer de auto gesleept wordt.
OVERVERHITTING
Als uw temperatuurmeter een te hoge temperatuur aangeeft, als u een vermogensverlies bespeurt of wanneer u luid kloppende of pingelende geluiden hoort, is de motor waarschijnlijk oververhit geraakt. Handel in dat geval als volgt:
- Schakel de alarmknipperlichten in en rijd naar de dichtstbijzijnde veilige plaats. Breng de auto tot stilstand, zet de automatisch transmissie in stand P of de handgeschakelde transmissie in de vrijstand en trek de parkeerrem aan.
- Zorg ervoor dat de airconditioning uitgeschakeld is.
- Zet de motor uit en neem contact op met een officiële Kia-dealer voor hulp wanneer koelvloeistof of stoom uit de radiateur komt.
Laat de motor stationair draaien en open de motorkap om de motor geleidelijk af te laten koelen wanneer er geen koelvloeistof uit de radiateur komt.
Zet de motor uit wanneer de temperatuur bij stationair draaien niet daalt en wacht voldoende lang om de motor de gelegenheid te geven af te koelen.
- Controleer vervolgens het koelvloeistofpeil. Wanneer het peil in het expansievat laag is, controleer dan de slangen en de aansluitingen van de radiateur, de slangen en de aansluitingen van de kachel, de radiateur en de waterpomp op lekkage. Start de motor niet totdat het probleem is verholpen wanneer u een grote lekkage of een ander probleem vindt dat vermoedelijk de oorzaak was van het oververhit raken van de motor. Neem voor hulp contact op met een officiële Kia-dealer. Vul voorzichtig koelvloeistof bij in het expansievat wanneer u geen lekkage of een ander probleem vindt.
⚠ WAARSCHUWING - Losdraaien van de radiateurdop
Verwijder bij een warme motor en radiateur de radiateurdop niet. Hete koelvloeistof en stoom kunnen onder druk naar buiten spuiten. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.
Laat het koelsysteem controleren en repareren door een officiële Kia-dealer wanneer de motor regelmatig oververhit raakt.
STARTEN MET HULPACCU
Starten met een hulpaccu
Starten met een hulpaccu kan gevaarlijk zijn als dit niet op de juiste manier gebeurt. Volg daarom de procedures voor het starten met een hulpaccu op bladzijde 6-6 om te voorkomen dat u letsel oploopt of de auto en de accu beschadigd raken. Wij adviseren u met klem om bij twijfel een expert te raadplegen.
* OPMERKING
Maak alleen gebruik van een 12 volt hulpaccu. Door het gebruik van een 24 V spanningsbron (twee seriegeschakelde 12 V accu's of een 24 V snelstart-apparaat) kunt u de startmotor, het ontstekingssysteem en andere onderdelen van het elektrisch systeem beschadigen.
WAARSCHUWING
- Accu
Controleer nooit het elektrolytniveau in de accu. Hierdoor kan de accu scheuren of ontploffen, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.
WAARSCHUWING
- Accu
- Houd vonken en open vuur uit de buurt van de accu. In de accu komt waterstof vrij dat kan exploderen wanneer het wordt blootgesteld aan vlammen of vonken.
• Probeer uw auto niet met een hulpaccu te starten als de lege accu bevroren is of het elektrolytpeil laag is; de accu kan scheuren of exploderen.
Aansluiten van startkabels
Sluit de kabels in de aangegeven volgorde aan en neem ze in de omgekeerde volgorde los.

RSAA4001
Startprocedure met behulp van een hulpaccu
- Controleer of de hulpaccu die u wilt gebruiken een 12 V accu is en controleer als deze zich in een andere auto bevindt of hij met de minpool aan massa
- Als de hulpaccu zich in een andere auto bevindt, mogen beide auto's elkaar niet raken.
- Schakel alle elektrische verbruikers uit.
- Sluit de startkabels aan in de volgorde die in de afbeelding is aangegeven. Sluit eerst één klem van de startkabel aan op de pluspool van de lege accu (①) en de andere klem van dezelfde kabel op de pluspool van de hulpaccu (②). Sluit vervolgens één klem van de andere kabel aan op de minpool van de hulpaccu (③) en de andere klem op een metalen onderdeel (bijvoorbeeld het motorhijsoog) uit de buurt van de accu. Sluit de startkabel niet aan op of in de buurt van draaiende onderdelen (④). Sluit de startkabel verbonden met de minpool (-) van de hulpaccu niet aan op de minpool (-) van de lege accu.
Zorg ervoor dat de startkabels uitsluitend contact maken met de juiste accupolen of de juiste massaverbinding. Leun bij het aansluiten niet over de accu.
- Start de motor van de auto met de hulpaccu en laat deze met 2.000 omw/min draaien. Start vervolgens de motor van de auto met de lege accu.
Laat uw auto controleren door een officiële Kia-dealer als de oorzaak van de lege accu niet duidelijk is.
Zie de afbeelding op bladzijde 6-5.
Aanduwen of aanslepen
Een auto uitgerust met een handgeschakelde transmissie mag niet worden aangeduwd of aangesleept omdat hierdoor het emissieregelsysteem beschadigd kan raken.
Auto's die uitgerust zijn met een automatische transmissie kunnen niet worden aangeduwd of aangesleept.
Volg de aanwijzingen in dit gedeelte voor het starten met een hulpaccu.
Z. VOORZICHTIG
Probeer nooit een auto door middel van slepen te starten. Wanneer de auto plotseling naar voren schiet als de motor aanslaat, kan een aanrijding veroorzaakt worden.
BESCHERMING ELEKTRISCHE CIRCUITS
Standaard

Hoofdzek-
ering

Normaal

Doorgebrand1LDA4002
Zekeringen
Het elektrisch systeem van een auto is tegen overbelasting beveiligd door middel van zekeringen.
Deze auto heeft twee zekeringkasten, één in het onderpaneel aan bestuurderszijde en de andere in de motorruimte vlak bij de accu.
Controleer de zekering van het desbetreffende circuit wanneer een bepaalde verlichting, accessoire of bedieningsorgaan niet werkt. Een doorgebrande zekering kunt u herkennen aan een onderbreking in het metalen element in de zekering.
Controleer de zekeringkast aan bestuurderszijde wanneer het elektrisch systeem niet werkt.
Vervang een zekering altijd door een zekering met dezelfde stroomsterkte.
Als de vervangende zekering ook doorbrandt, duidt dit op een elektrische storing. Probeer het betreffende systeem niet te gebruiken en neem onmiddellijk contact op met een officiële Kia-dealer.
Er worden twee soorten zekeringen gebruikt: een standaard zekering voor lagere stroomsterktes en een hoofdzekering voor hogere stroomsterktes.
Zekeringen vervangen
WAARSCHUWING
- Zekering vervangen
- Vervang een zekering alleen door een zekering met dezelfde stroomsterkte.
- Een zekering met een hogere capaciteit kan door oververhitting schade en brand veroorzaken.
- Vervang een zekering nooit door iets anders - ook niet als noodreparatie. Hierdoor kan het elektrische circuit overbelast worden, waardoor brand kan ontstaan.
- Verwijder een zekering niet met een schroevendraaier of een ander metalen voorwerp omdat hierdoor kortsluiting kan ontstaan, waardoor schade aan het elektrisch systeem kan worden veroorzaakt.

Onderpaneel bestuurderszijde
- Zet het contact in stand LOCK en alle andere schakelaars uit.

- Verwijder de verdachte zekering. Gebruik het demontagegereedschap (A).
- Controleer de verwijderde zekering; vervangen indien deze is doorgebrand.
Er bevinden zich reservezekeringen in de zekeringkast in de motorruimte.
- Plaats een nieuwe zekering met dezelfde stroomsterkte en controleer of de zekering goed vastzit.
Neem contact op met een officiële Kia-dealer als de zekering niet goed vastzit.
Als u geen reservezekering heeft, kunt u de zekering van een ander circuit gebruiken, bijvoorbeeld van de radio of de interieurverlichting, die niet nodig is om te kunnen rijden, mits deze dezelfde stroomsterkte heeft.
Controleer de zekeringkast in de motorruimte wanneer de koplampen of andere elektrische componenten niet werken. Vervang een doorgebrande zekering.

- Zet het contact in stand LOCK en alle andere schakelaars uit.
- Verwijder het deksel van de zekeringkast door de lippen in te drukken en het deksel omhoog te trekken.
- Controleer de verwijderde zekering; vervangen indien deze is doorgebrand.
- Plaats een nieuwe zekering met dezelfde stroomsterkte en controleer of de zekering goed vastzit.
Neem contact op met een officiële Kia-dealer als de zekering niet goed vastzit.
* OPMERKING
Plaats het deksel op de juiste manier nadat de zekeringkast in de motorruimte gecontroleerd is.
Wanneer dit niet het geval is, kunnen elektrische storingen ten gevolge van binnendringend vocht optreden.

Vervang de doorgebrande hoofdzekeringen BATT (100A) als volgt:
1. Neem de minpool los van de accu.
2. Verwijder de schroeven die in de bovenstaande afbeelding worden aangegeven.
3. Vervang de zekering door een nieuwe met dezelfde stroomsterkte.
4. Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde van verwijderen.
Zekering-/relaiskast
Aan de binnenzijde van de deksels vindt u een label met daarop de naam van de zekeringen en relais en de capaciteit.
Motorruimte

Onderpaneel bestuurderszijde

1SAA4008/1SAE4007
Motorruimte
| Omschrijving | Stroomsterkte zekering | Beveiligd onderdeel |
| ECU1 | 20A (30A) | Elektronische geregeld veersysteem |
| STOP | 10A | Remlichten |
| FR/FOG | 10A | Mistlampen vóór |
| A/CON | 10A | Airconditioning |
| HORN | 10A | Claxon |
| ECU2 | 10A | Elektronische geregeld veersysteem |
| SPARE | 10A | Reservezekering |
| SPARE | 15A | Reservezekering |
| SPARE | 10A | Reservezekering |
| ABS2 | 30A | Antiblokkeersysteem |
| ABS1 | 30A | Antiblokkeersysteem |
| B+ | 30A | Voeding dashboard |
| BLOWER | 30A | Aanjager |
| IGN1 | 30A | Ontsteking |
| IGN2 | 30A | Ontsteking |
| TAIL LH | 10A | Achterlicht (links) |
| TAIL RH | 10A | Achterlicht (rechts) |
| DRL | 10A | Motorvoertuigverlichting overdag |
| HAZARID | 15A | Alarmknipperlichten |
| R/LP | 10A | Interieurverlichting |
| AUDIO | 15A | Audiosysteem |
| P/WDW | 30A | Elektrisch bedienbare ruiten |
| Omschrijving | Stroomsterkte zekering | Beveiligd onderdeel |
| RAD | 30A | Koelventilateur |
| BATT | 100A (120A) | Dynamo, Accu |
| F/FOG | - | Relais mistlampen vóór |
| A/CON | - | Relais airconditioning |
| HORN | - | Claxonrelais |
| START | - | Startrelais |
| RAD1 | - | Relais koelventilator |
| RAD2 | - | Relais koelventilator |
| RR FOG | - | Relais mistachterlicht |
| TAIL | - | Relais achterlicht |

In geval van nood
Onderpaneel bestuurderszijde
| Omschrijving | Stroomsterkte zekering | Beveiligd onderdeel |
| START SIG | 10A | Startmotor |
| RR FOG LP | 10A | Mistachterlicht |
| A/CON SW | 10A | Airconditioning |
| CLUSTER | 10A | Instrumentenpaneel |
| SEAT HTD | 15A | Stoelverwarming |
| C/LIGHTER | 15A | Aansteker |
| A/BAG | 10A | Airbag |
| R/WIPER | 15A | Achterruitenwisser |
| ABS | 10A | Antiblokkeersysteem |
| IGN COIL | 15A | Ontsteking |
| T/SIG LP | 10A | Richtingaanwijze |
| HTD GLASS1 | 20A | Achterruitverwarming |
| HTD GLASS2 | 10A | Achterruitverwarming |
| P/WDW RR | 25A | Elektrisch bedienbare ruiten (achter) |
| IGN O/S MIR | 10A | Buitenspiegel |
| P/WDW FRT | 25A | Elektrisch bedienbare ruiten (vóór) |
| FRT WIPER | 20A | Ruitenwisser (vóór) |
| H/LP (LH) | 10A | Koplamp (links) |
| H/LP (RH) | 10A | Koplamp (rechts) |
| FUEL PUMP | 10A | Brandstolpomp |
| INJ | 15A | Inspuitventiel |
| SNSR | 10A | Lambdasensor |
| Omschrijving | Stroomsterkte zekering | Beveiligd onderdeel |
| C/DR LOCK | 20A | Centrale portiervergrendeling |
| A/BAG IND | 10A | Waarschuwingslampje AIRBAG |
| TCU B/UP | 15A | Automatische transmissie |
| DSL ECU1 | 20A | - |
| DSL ECU2 | 10A | - |

Uw auto is uitgerust met een backup- zekering, waarmee u kunt voorkomen dat de accu leeg raakt, wanneer de auto gedurende langere tijd niet wordt gebruikt. Bereid de auto op de volgende manier voor wanneer deze voor langere tijd niet gebruikt wordt.
- Zet de motor uit.
- Schakel de verlichting uit.
- Open het deksel van de zekeringkast in de motorruimte en verwijder de zekering ROOMLAMP 10A/AUDIO 15A.
* OPMERKING
- Als de backup-zekering omhoog is gezet, werken de waarschuwingszoemer, het audiosysteem, de klok, de interieurverlichting enz. niet meer. Sommige systemen zullen na het opnieuw inschakelen gereset moeten worden. (Zie "Te resetten systemen" op blz. 7-38.)
- Zelfs als de MEMORY zekering is verwijderd, kan de accu ontladen worden door brandende verlichting of de werking van andere elektrische systemen.

SLEPEN


1SAA4018
Laat de auto bij voorkeur wegslepen door een officiële Kia-dealer of een erkend bergingsbedrijf. De juiste procedures voor het slepen zijn noodzakelijk om beschadigingen aan uw auto te voorkomen. Wij bevelen het gebruik van dollies aan.
Zie hoofdstuk 5 "Aanwijzingen voor het rijden" voor meer informatie over het rijden met een aanhanger.

De auto mag gesleept worden met de achterwielen op de grond (zonder dollies) en de voorwielen van de grond.
Als er geen dollies worden gebruikt, moet de auto worden gesleept met de voorwielen van de grond.

- Sleep de auto nooit achteruit met de voorwielen op de grond. Hierdoor kan de auto beschadigd raken.
- Sleep de auto nooit met een takelwagen. Gebruik alleen een auto-ambulance of een bril.
Slepen in noodgevallen zonder dollies:
- Zet het contact in stand ACC.
- Zet de selectiehendel in stand N (neutraal).
- Ontgrendel de parkeerrem.
* OPMERKING
Als de selectiehendel niet in stand N wordt gezet, kan dit inwendige schade in de transmissie tot gevolg hebben.

Transportogen (voor vervoer op een auto-ambulance)
Z VOORZICHTIG
Gebruik de ogen aan de voorzijde en de achterzijde van de auto niet voor en achter het slepen. Deze ogen dienen UITSLUITEND om de auto tijdens transport vast te zetten. Wanneer de transportogen gebruikt worden om te slepen, kunnen ze beschadigd raken en ontstaat er mogelijk ernstig letsel.


- Open de achterklep en verwijder het sleepoog uit de gereedschapset.
-
Verwijder het afdekkapje (①) in de voorbumper door het aan de onderzijde in te drukken.
-
Plaats het sleepoog door het rechtsom te draaien totdat het volledig vastzit (②).
- Verwijder het sleepoog na het gebruik en plaats het afdekkapje.

Slepen zonder takelwagen
Laat de auto bij voorkeur wegslepen door een officiële Kia-dealer of een erkend bergingsbedrijf.
Als dit niet mogelijk is, mag de auto tijdelijk worden gesleept met een sleepkabel of -ketting die aan het sleepoog aan de voor- of achterzijde van de auto is bevestigd. Wees voorzichtig bij het slepen van de auto. Laat een ervaren bestuurder in de gesleepte auto achter om te sturen en de remmen te bedienen. Op deze manier slepen mag alleen op verharde wegen, over een korte afstand en met lage snelheid. Bovendien moeten de wielen, aandrijfassen, transmissie, stuurinrichting en remmen in orde zijn.
- Gebruik de sleepogen niet om een andere auto weg te slepen die vastzit in de modder of iets dergelijks waar hij niet op eigen kracht uit kan komen.
- Sleep geen auto's die zwaarder zijn dan de auto waarmee wordt gesleept.
- De bestuurders van beide auto's dienen goed met elkaar te communiceren.
* OPMERKING
- Bevestig een sleepkabel alleen aan de sleepogen.
• Als de sleepkabel aan een ander onderdeel van de auto wordt bevestigd, kan dit leiden tot beschadigingen. - Gebruik alleen een sleepkabel of -ketting die speciaal bedoeld is voor het slepen van auto's. Bevestig de kabel of ketting goed aan de sleepogen.
- Controleer voor het slepen of de sleepogen niet gebroken of op een andere manier beschadigd zijn.
- Bevestig de kabel of ketting goed aan de sleepogen.
- Voorkom schokbewegingen tijdens het slepen. Sleep met een gelijkmatige kracht.
- Trek niet in dwarsrichting of omhoog of omlaag aan het sleepoog. Anders kan het sleepoog beschadigd raken. Trek alleen in de lengterichting van de auto.


Z VOORZICHTIG
Wees voorzichtig bij het slepen van de auto.
- Probeer abrubt accelereren en remmen, alsmede vreemde manoeuvres te voorkomen, zodat de sleepkabel of -ketting en de sleepogen niet te zwaar worden belast. Anders kunnen deze breken, waardoor ernstig letsel of schade kan ontstaan.
- Als er nauwelijks beweging in de auto zit, ga dan niet onnodig door met slepen. Neem contact op met een officiële Kia-dealer of een deskundig bergingsbedrijf voor hulp.
- Sleep de auto onder een zo recht mogelijke hoek.
- Blijf op veilige afstand van de auto tijdens het slepen.

- Gebruik een sleepkabel van maximaal 5 meter. Bevestig een rode doek in het midden.
- Rijdt voorzichtig tijdens het slepen om te voorkomen dat de sleepkabel slap komt te hangen.
Als de auto niet door een takelwagen kan worden gesleept
- Zet het contact in stand ACC, zodat het stuurslot niet kan worden ingeschakeld.
- Zet de selectiehendel in stand N (neutraal).
- Ontgrendel de parkeerrem.
- Auto's met automatische transmissie mogen niet worden gesleept met een snelheid hoger dan 45 km/h (28 mph) en de gesleepte afstand mag maximaal 80 km (50 mijl) zijn.
-
Auto's met een handgeschakelde transmissie moeten niet worden gesleept met een snelheid hoger dan 88 km/h (55 mph) en niet over een afstand die groter is dan 645 km (400 mijl).
-
Vanwege de verminderde remwerking, moet het rempedaal krachtiger worden bediend.
- Het sturen gaat zwaarder omdat de stuurbekrachtiging niet werkt.
- Tijdens een afdaling kunnen de remmen oververhit raken, waardoor de remwerking afneemt. Stop in dat geval regelmatig om de remmen af te laten koelen.
* OPMERKING
Om inwendige beschadiging van de transmissie te voorkomen, mag de auto nooit achteruit worden gesleept met alle vier de wielen op het wegdek.
Tips voor het slepen van een auto die vastzit
Een auto die vastzit in de modder of iets dergelijks, waar deze niet op eigen kracht uit kan komen, kan mogelijk op de volgende manieren loskomen.
- Verwijder los zand of modder voor en achter de wielen.
- Plaats stenen of hout onder de banden.

WIEL VERWISSELEN BIJ EEN LEKKE BAND
(ALS DE AUTO IS UITGERUST MET EEN RESERVEWIEL)

Het reservewiel, de krik en de krikslinger en de wielmoersleutel zijn opgeborgen in de bagageruimte. Leg de vloerbedekking opzij om bij deze onderdelen te komen.

Verwijderen van het reservewiel
Draai de bevestigingsbout van het wiel linksom.
Plaats het wiel in omgekeerde volgorde van verwijderen.
Plaats het reservewiel en het gereedschap zorgvuldig terug om te voorkomen dat ze tijdens het rijden gaan rammelen.
Belangrijk – gebruik van het compacte reservewiel
Uw auto is uitgerust met een compact reservewiel. Dit compacte reservewiel neemt minder ruimte in beslag dan een reservewiel van normale afmetingen. Deze band is smaller dan een conventionele band en is uitsluitend bedoeld voor tijdelijk gebruik.
Z VOORZICHTIG
- Als het compacte reservewiel onder de auto gemonteerd is, moet u extra voorzichtig rijden. Het compacte reservewiel moet zo snel mogelijk weer worden vervangen door een normale band en veig.
• Afgeraden wordt de auto te gebruiken als er meer dan één compact reservewiel gemonteerd is.
Z VOORZICHTIG
Dit reservewiel is uitsluitend bedoeld om gebruikt te worden over ZEER korte afstanden. Leg NOOIT lange afstanden af met de auto als er een compact reservewiel gemonteerd is.
De juiste bandenspanning van het compacte reservewiel is 60 psi (420 kPa).
* OPMERKING
Controleer de bandenspanning nadat het reservewiel gemonteerd is. Breng de band indien nodig op de voorgeschreven spanning.
Neem bij het gebruik van het compacte reservewiel de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:
• Rijd niet harder dan 80 km/h (50 mph): door een hogere snelheid kan de band beschadigd raken.
• Rijd langzaam genoeg om objecten op de weg te kunnen ontwijken. Objecten als putdeksels of afgevallen lading en andere voorwerpen, kunnen het compacte reservewiel ernstig beschadigen.
- Door het reservewiel te lang te gebruiken kan de band beschadigen en kunt u de macht over het stuur verliezen en mogelijk letsel oplopen.
- Overschrijd het laadvermogen van de auto niet en overschrijd ook niet het draagvermogen van de reserveband dat op de zijkant van de band is aangegeven.
- Rijd niet over objecten heen. De diameter van het compacte reservewiel is kleiner dan die van een conventioneel wiel, waardoor de grondspeling ongeveer 25 mm (1 inch) kleiner wordt en er sneller schade aan de auto kan ontstaan.
• Maak geen gebruik van een wasstraat als het reservewiel gemonteerd is.
- Monteer geen sneeuwketting op het reservewiel. Vanwege de kleinere afmetingen zal een sneeuwketting niet goed passen. Hierdoor kan schade aan de auto ontstaan en kan de sneeuwketting losraken.
- Deze band mag niet op de vooras gemonteerd worden als er over sneeuw of ijs gereden moet worden.
- Gebruik dit reservewiel niet onder een andere auto omdat het speciaal ontworpen is voor uw auto.
- De levensduur van de reserveband is korter dan die van een conventionele band. Controleer uw reserveband regelmatig en vervang een versleten reserveband door een band met dezelfde maat, gemonteerd op dezelfde velg.

Wiel; verwisselen van
Aanwijzingen voor krikken
De krik is uitsluitend bedoeld voor het verwisselen van een wiel.
Neem de onderstaande aanwijzingen in acht om letsel te voorkomen.
WAARSCHUWING
- Verwisselen van wielen
- Verwissel een wiel nooit op de rijbaan.
- Zet de auto altijd in de berm. Plaats de krik indien mogelijk op een stevige, vlakke ondergrond.
Bel de wegenwacht voor hulp wanneer u de auto niet op een veilige plek kunt plaatsen.
- Overschrijd de maximum belasting van de krik niet: 600 kg.
- Plaats de krik uitsluitend op de daartoe bestemde plaats; nooit onder de bumper of iets dergelijks.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Anders zou de krik gemakkelijk om kunnen vallen en ernstig letsel veroorzaken. Begeef u nooit onder een auto die alleen met een krik wordt ondersteund. Plaats altijd eerst extra steunen.
- Start de motor niet en laat hem niet draaien zolang de auto is opgekrikt.
- Zorg dat er niemand meer in de auto aanwezig als deze wordt opgekrikt.
- Zorg ervoor dat kinderen op een veilige afstand van de auto en van de weg worden gehouden voordat de auto wordt opgekrikt.

- Plaats de auto op een stevige en vlakke ondergrond en trek de parkeerrem stevig aan.
- Zet de versnellingspook in de achteruit (bij handgeschakelde transmissie) of de selectiehendel in stand P (bij automatische transmissie).
-
Schakel de alarmknipperlichten in.
-
Neem de wielmoersleutel, de krik, de krikslinger en het reservewiel uit de auto.
- Plaats wielblokken voor en achter het wiel dat zich diagonaal tegenover het te verwisselen wiel bevindt.
WAARSCHUWING
- Wielen verwisselen
- Trek daarom altijd de parkeerrem volledig aan en blokkeer het wiel dat zich diagonaal tegenover het te verwisselen wiel bevindt om te voorkomen dat de auto tijdens het verwisselen van een wiel beweegt.
- Het wordt aanbevolen om blokken voor en achter de wielen te plaatsen en dat iedereen de auto verlaat voordat deze wordt opgekrikt.



- Draai de wielmoeren linksom één slag los. Verwijder deze nog niet voordat het wiel los van de grond is.

- Plaats de krik onder het steunpunt dat zich het dichtst bij het te verwisselen wiel bevindt. Plaats de krik op de aangegeven plaats onder de dorpel. De krikpunten zijn extra verstevigd en zijn herkenbaar aan de uitsparingen in de dorpelrand.
Gebruik altijd de bij de auto aanwezige krik en de juiste kriksteunpunten. Gebruik nooit andere delen van de carrosserie om de auto op te krikken. Dit om de kans op letsel te beperken.

- Steek de krikslinger in de krik en draai de slinger rechtsom totdat het wiel net van de grond loskomt. (Ongeveer 30 mm) Controleer alvorens de wielmoeren te verwijderen of de auto stabiel staat en er geen kans bestaat dat de auto van de krik glijdt of beweegt.
- Verwijder de wielmoeren door ze linksom te draaien en verwijder daarna het wiel.
- Plaats het reservewiel en draai de moeren met de schuine zijde naar binnen gericht met de hand vast.

- Laat de auto nu volledig zakken en draai de wielmoeren verder totdat ze niet verder gedraaid kunnen worden. Draai de wielmoeren kruislings goed vast. Laat bij het dichtstbijzijnde garagebedrijf de wielmoeren controleren als u niet zeker bent over het gebruikte aanhaalmoment.
Z VOORZICHTIG
De tapeinden en de wielmoeren van uw auto zijn voorzien van metrische draad. Zorg er bij het verwisselen van een wiel voor dat dezelfde moeren gebruikt worden voor het plaatsen - of wanneer de wielen vervangen worden, moeren met dezelfde metrische draad gebruikt worden. Bij het plaatsen van een niet metrische moer op een tapeind met metrische schroefdraad of omgekeerd, zal het wiel niet op de juiste manier aan de naaf worden bevestigd en zal het tapeind beschadigd raken, waardoor deze vervangen moet worden.
Houd er rekening mee dat de meeste wielmoeren geen metrisch schroefdraad hebben. Controleer goed het type schroefdraad voordat u niet originele wielmoeren of wielen gaat plaatsen. Neem bij twijfel contact op met een officiële Kia-dealer.
WAARSCHUWING
- Tapeinden
Wanneer de tapeinden beschadigd zijn, kunnen ze het wiel niet meer goed op zijn plaats houden. Hierdoor kan het wiel losraken en een ongeval veroorzaken.
Plaats de krik, de krikslinger, de wielmoersleutel en het gereedschapsetui zorgvuldig om te voorkomen dat ze tijdens het rijden gaan "rammelen".
WAARSCHUWING
Controleer na het plaatsen van het reservewiel zo spoedig mogelijk de bandenspanning. Breng de band indien nodig op de voorgeschreven spanning. Raadpleeg hoofdstuk 8, "Specificaties".
ALS U EEN LEKKE BAND HEEFT (AUTO'S UITGERUST MET TIREMOBILITYKIT)

Lees voordat u de TireMobilityKit gaat gebruiken eerst de instructies.
Introductie
Met de TireMobilityKit blijft u mobiel, ook na een lekke band.
Het systeem met compressor en afdichtingsmiddel zorgt ervoor dat de meest voorkomende lekken in een personenautoband, veroorzaakt door spijkers enz. effectief gedicht kunnen worden en dat de band na reparatie weer op spanning kan worden gebracht.
Nadat u zich ervan overtuigd heeft dat de lekkage is verholpen, kunt u voorzichtig (maximaal 200 km) met een maximumsnelheid van 80 km/h verder rijden naar een bandenspecialist of een garagebedrijf om de band te laten vervangen.
In sommige gevallen, bij grotere beschadigingen in het loopvlak of in de wangen van de band, kan het gebeuren dat de lekkage niet afdoende verholpen kan worden.
Een te lage bandenspanning heeft een negatieve invloed op de prestaties van de band.
Daarom moet u abrupte stuurbewegingen of andere manoeuvres vermijden, vooral als de auto zwaar beladen is of als er een aanhanger getrokken wordt.
De TireMobilityKit is niet ontworpen of bedoeld voor een permanente reparatie van een band en mag maar voor 1 band gebruikt worden.
Deze handleiding laat u stap voor stap zien hoe u op een eenvoudige en betrouwbare manier een lekke band kunt repareren. Lees het hoofdstuk "Veilig gebruik van de TireMobilityKit".
⚠ WAARSCHUWING
Gebruik de TireMobilityKit niet bij een band die ernstig beschadigd is door het te lang blijven rijden met de lekke band of door het te lang blijven rijden met een te lage bandenspanning.
Alleen lekken in het loopvlak van de band kunnen met de TireMobilityKit worden gerepareerd.
Uit veiligheidsoverwegingen mag het systeem niet gebruikt worden om beschadigingen aan de zijwangen te repareren.
Wat te doen bij een lekke band
Een lekke band wordt in twee stappen gerepareerd. Allereerst wordt er afdichtingsmiddel in de band gespoten, wordt de band op spanning gebracht en moet er over een korte afstand (3 km) worden gereden om het afdichtingsmiddel in de band te verspreiden. Vervolgens moet de bandenspanning worden gecontroleerd en indien nodig worden gecorrigeerd. Daarna kan er voorzichtig met de auto worden gereden over een afstand van maximaal 200 km met een maximumsnelheid van 80 km/h naar een bandenspecialist of garagebedrijf om de band te laten vervangen. Waarschuw indien nodig de andere bestuurders van de auto om te vertellen dat een band is gerepareerd met de TireMobilityKit, zodat ze hun rijgedrag kunnen aanpassen.

1e stap: Vul de band met afdichtingsmiddel en lucht
- Open de afdekklep en verwijder het snelheidslabel (①) uit de TireMobilityKit en plaats dit in de auto, in het zicht van de bestuurder.

1SAE6103
2. Verwijder de slang (②) en de voedingskabel (③) uit de TireMobilityKit.

1SAE6104
3. Schroef de dop (④) van de houder en het deksel (⑤) van de fles afdichtingsmiddel.

1SAE6105
4. Schroef de fles rechtsom op de aansluiting (⑥) totdat hij helemaal vastzit.
Z VOORZICHTIG
Door het vastschroeven van de fles wordt de verzegeling verbroken. Schroef de volle fles niet los van de aansluiting - hierdoor kan er afdichtingsmiddel naar buiten komen.
- Schroef de ventieldop van de defecte band los.
- Draai de slang (⑦) van de TireMobilityKit stevig op het ventiel.
- Controleer of de AAN/UIT- schakelaar (⑧) in stand O staat.
- Steek de plug (⑨) in de aanstekerhouder (12 volt, zie het instructieboekje van de auto). Gebruik geen andere elektrische aansluiting in de auto.
- Start de motor van de auto (alleen als de auto in een niet-afgesloten ruimte staat!).
Z VOORZICHTIG
Koolmonoxidevergiftiging en verstikking kunnen het gevolg zijn als de motor draait in een niet- of onvoldoende geventileerde ruimte.
- Zet de AAN/UIT-schakelaar in de stand I.
Opmerking: Als het afdichtingsmiddel via het ventiel in de band gespoten wordt, kan de druk die wordt aangegeven op de manometer oplopen tot ongeveer 4 - 6 bar (60 - 90 psi) maar na ongeveer 30 seconden zal de druk weer zakken.
VOORZICHTIG
Ga tijdens het op spanning brengen van de band niet naast de band staan. Controleer tijdens het vullen van de band de zijwangen op abnormale bulten of vervormingen. Stop het op spanning brengen van de band en laat de druk ontsnappen met behulp van de knop (10) als u iets bijzonders ziet.
- Breng de band op een spanning van minimaal 1,8 bar (26 psi) en maximaal 3,5 bar (51 psi) binnen 7 minuten. Zet de compressor eventjes uit door op O te drukken zodat u de werkelijke bandenspanning kunt aflezen.
VOORZICHTIG
Als de bandenspanning binnen 7 minuten niet minimaal 1,8 bar (26 psi) is, is de band te ernstig beschadigd en kan er niet met de band verder worden gereden. Roep in dat geval hulp in.
- Als de bandenspanning 1,8 bar (26 psi) is, zet dan de schakelaar in stand O en draai de slang snel los van het ventiel [rde4]. Haal de kabel uit de aanstekerhouder. Schroef de fles niet los. Berg de TireMobilityKit, de kap van de fles en het deksel van de flessenhouder op een gemakkelijk bereikbare plaats op, u heeft dit alles nodig om straks de bandenspanning te controleren.
- Ga direct voorzichtig met de auto rijden over een afstand van ongeveer 3 km, zodat het afdichtingsmiddel het lek kan dichten. Rijd niet harder dan 80 km/h. Als u tijdens het rijden ongewone trillingen opmerkt, een abnormaal rijgedrag ervaart of bijgeluiden hoort, verlaag dan uw snelheid en rijd voorzichtig verder totdat u de auto ergens op een veilige plaats tot stilstand kunt brengen. Roep in dat geval hulp in.

1SAE6105
2 stap: Controleer de bandenspanning
- Stop na ongeveer 3 km en controleer de bandenspanning van de gerepareerde band als volgt
a) Controleer of de AAN/UIT-
schakelaar (⑧) in stand O staat.
b) Schroef de slang op het ventiel van de gerepareerde band.
c) Steek de plug van de voedingskabel in de houder van de aansteker (12 V-aansluiting).
d) Lees de bandenspanning af op de manometer van de TireMobilityKit.
VOORZICHTIG
Rijd niet verder met de auto als de bandenspanning lager is dan 1,3 bar (19 psi). Roep in dat geval hulp in.

- Als de bandenspanning 1,3 bar (19 psi) of hoger is, zet dan de schakelaar in stand I en breng de band op de juiste spanning (zie instructieboekje van de auto). Verlaag de spanning als deze te hoog is door op de knop (⑩) te drukken.
-
Zet de compressor uit door de schakelaar in de stand O te zetten. Schroef de slang los van het ventiel en neem de plug van de voedingskabel uit de houder van de aansteker.
-
Schroef de fles niet los. Berg de TireMobilityKit veilig op in de auto.
Z VOORZICHTIG
Nadat de band is gerepareerd, is de maximum toegestane snelheid 80 km/h en moet de band zo spoedig mogelijk, in ieder geval binnen 200 km, worden vervangen. Als u tijdens het rijden ongewone triflingen opmerkt, een abnormaal rijgedrag ervaart of bijgeluiden hoort, verlaag dan uw snelheid en rijd voorzichtig verder totdat u de auto ergens op een veilige plaats tot stilstand kunt brengen. Roep in dat geval hulp in.
- Rijd naar de dichtstbijzijnde bandenspecialist of garage om de band te laten vervangen.
* OPMERKING
Als er gedurende langere tijd niet meer met de auto gereden is, moet de bandenspanning worden gecontroleerd voordat u gaat rijden.
- Als u de TireMobilityKit gebruikt heeft om een lekke band te repareren, moeten de slang, het afdichtingsmiddel en bijbehorende onderdelen worden vervangen. Zie de laatste bladzijde van deze handleiding. Als u de band laat vervangen, moet u vooraf de monteur vertellen dat u afdichtingsmiddel heeft gebruikt om de band tijdelijk te repareren!


3e stap: Controleren van de bandenspanning
- Open de klep van de TireMobilityKit.
- Verwijder de slang (②) en de voedingskabel (③).
- Schroef de ventieldop van de defecte band los.

- Schroef de slang (⑦) stevig op het ventiel.
- U kunt nu de bandenspanning aflezen. Ga naar punt 6 als de bandenspanning te laag is.
- Controleer of de AAN/UIT- schakelaar (⑧) in stand O staat.
- Steek de plug (⑨) in de aanstekerhouder (12 volt, zie het instructieboekje van de auto).
-
Start de motor (alleen als de auto buiten staat).
-
Zet de AAN/UIT-schakelaar in stand I en breng de band op de juiste spanning.
- Zet de TireMobilityKit uit en controleer nogmaals de bandenspanning.
- Schroef de slang los, neem de plug uit de houder van de aansteker en berg de TireMobilityKit veilig op als u de band op spanning heft gebracht.
Aanwijzingen voor het veilig gebruik van de TireMobilityKit
- Breng uw auto tot stilstand op een veilige plaats zodat u bij het werken met de TireMobilityKit niet gehinderd wordt door het passerende verkeer. Plaats uw gevarendriehoek op een opvallende plaats om het overige verkeer te attenderen op uw auto.
- Trek de parkeerrem aan, ook als de auto tamelijk horizontaal staat, zodat de auto niet in beweging kan komen.
- Gebruik de TireMobilityKit uitsluitend voor het repareren van personenautobanden. Gebruik de set niet voor het repareren van motorfietsbanden, fietsbanden of andere soorten banden.
-
Verwijder het voorwerp dat de lekkage heeft veroorzaakt - spijkers, schroeven enz. - niet uit de band.
-
Lees voor het gebruik van de TireMobilityKit de veiligheidsvoorschriften op de fles afdichtingsmiddel.
- Laat de motor draaien als de auto in een niet-afgesloten ruimte staat. Anders kan het gebruik van de compressor er uiteindelijk toe leiden dat de accuspanning te ver daalt.
- Verlies de TireMobilityKit tijdens het gebruik niet uit het oog.
- Laat de compressor niet langer dan 10 minuten achter elkaar draaien omdat hij anders oververhit kan raken.
- Gebruik de TireMobilityKit niet bij een buitentemperatuur lager dan - 30°C/-20°F.
- Gebruik het afdichtingsmiddel niet als de uiterste houdbaarheidsdatum, te vinden op het label van de flies, verstreken is.
• Houd de uit de buurt van kinderen.
VOORZICHTIG
Gebruik de TireMobilityKit niet als de band ernstig beschadigd is doordat er te lang doorgereden is met een te lage bandenspanning (als er buiten, scheuren, insnijdingen of andere defecten aanwezig zijn).
Repareer een lek alleen als dit zich in het loopvlak van de band bevindt.
Uit veiligheidsoverwegingen mogen lekkages in de zijwang van de band niet worden gerepareerd.


Technische specificaties
Systeemspanning:
12 V gelijkspanning
Bedrijfsspanning:
10 - 15 V gelijkspanning
Opgenomen ampérage:
max. 15 A
Geschikt voor gebruik bij
temperaturen van:
-30 - +70°C
Max. werkdruk:
8 bar/116 psi
Afmetingen: compressor:
170 × 150 × 65 mm
Fles afdichtingsmiddel:
142 x 88 ø mm
Gewicht compressor:
1,2 kg
Hoeveelheid afdichtingsmiddel:
560 ml
Afdichtingsmiddel en reserveonderdelen zijn verkrijgbaar bij de officiële dealer of de bandenspecialist. Lege flessen afdichtingsmiddel kunnen op normale wijze worden afgevoerd. Breng restanten afdichtingsmiddel naar uw dealerbedrijf of bandenspecialist of voer het af als klein chemisch afval.
Onderhoudswerkzaamheden / 7-3
Onderhoudsschema bij normaal gebruik / 7-5
Onderhoud bij verzwaard gebruik / 7-8
Door de eigenaar uit te voeren
onderhoudswerkzaambeden / 7-10
Motorruimte / 7-13
Motorolie en oliefilter / 7-14
Koelsysteem / 7-17
Remmen en koppeling / 7-20
Parkeerrem / 7-21
Aandrijfriemen / 7-22
Stuurbekrachtiging / 7-23
Stuurwiel / 7-24
Handgeschakelde transmissie / 7-25
Automatische transmissie / 7-27
Onderhoud
Smeermiddelen en vloeistoffen / 7-30
Luchtfilter / 7-31
Vervangen van lampen / 7-48
Specificaties smeermiddelen / 7-55
Onderhoud exterieur / 7-57
Onderhoud interieur / 7-61
Onderhoud
ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN
Neem bij het uitvoeren van eventueel onderhoud en controles de grootst mogelijke voorzichtigheid in acht om schade aan uw auto en/of persoonlijk letsel te voorkomen.
Indien u niet zeker bent van de handelswijze die voor het onderhoud of de reparatie dient te worden gevolgd, is het raadzaam de werkzaamheden te laten verrichten door uw officiële Kia-dealer.
Een officiële Kia-dealer heeft getrainde technici in dienst, beschikt over originele Kia-onderdelen en kan daardoor het juiste onderhoud aan uw auto uitvoeren. Raadpleeg een officiële Kia-dealer voor deskundig advies en voor service van topkwaliteit.
Niet doelmatig, onvoldoende of gebrekkig onderhoud kan problemen bij het gebruik van uw auto veroorzaken, wat kan leiden tot schade aan de auto, een ongeval of persoonlijk letsel.
Verantwoordelijkheid van de eigenaar
* OPMERKING
Het laten uitvoeren van onderhoud en de registratie daarvan behoort tot de verantwoordelijkheid van de eigenaar.
U dient aan te kunnen tonen dat het juiste onderhoud aan uw auto is uitgevoerd overeenkomstig de voorgeschreven intervallen zoals weergegeven op de volgende bladzijden. U heeft deze informatie nodig om aanspraak te kunnen maken op de door Kia verstrekte garantie.
De garantievoorwaarden vindt u in het garantieboekje.
Reparaties en afstellingen die nodig zijn als gevolg van te weinig of verkeerd onderhoud vallen niet onder de garantie.
Wij adviseren u de auto te laten repareren en onderhouden door een officiële KIA-dealer of erkende reparateur: deze voldoen aan onze kwaliteitseisen en verlenen u service van hoge kwaliteit.

Uitzonderingen op het onderhoudsschema
Volg het "Onderhoudsschema bij normaal gebruik" wanneer de auto normaalgesproken wordt gebruikt onder andere dan de hieronder vermelde omstandigheden. Volg in de onderstaande gevallen het "Onderhoudsschema bij verzwaard gebruik".
- Veel korte ritjes.
• Rijden in extreem stoffige of zanderige gebieden. - Intensief gebruik van het remsysteem.
- Rijden in gebieden waar veel zout of andere agressieve stoffen worden gebruikt.
• Rijden op ruwe, modderige wegen.
• Rijden in heuvelachtige gebieden. - Langdurig stationair draaien of rijden met lage toerentallen.
• Gedurende lange tijd rijden bij lage temperaturen en/of in een extreem vochtig klimaat.
- Voor meer dan 50% rijden in druk stadsverkeer bij temperaturen boven de 32°C (90°F).
Wanneer uw auto wordt gebruikt onder een van de bovenstaande omstandigheden dienen voor het controleren, vervangen en verversen kortere intervallen te worden aangehouden dan aangegeven in het "Onderhoudsschema bij normaal gebruik".
Voig ook na 96 maanden of 120.000 km (80.000 mijl) de voorgeschreven onderhoudsintervallen.
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK
| ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSIN-TERVAL | Aantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt | ||||||||
| Maanden | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | 84 | 96 | |
| Mijl ×1.000 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 | 60 | 70 | 80 | |
| Kmx1.000 | 15 | 30 | 45 | 60 | 75 | 90 | 105 | 120 | |
| Aandrijfriemen 1 | C | C | C | C | C | C | C | C | |
| Motorolie en oliefilter 2 | V | V | V | V | V | V | V | V | |
| Distributieriem | C | V | |||||||
| Luchtfilterelement | C | V | C | V | C | V | C | V | |
| Bougies | V | V | V | V | |||||
| Klepspeling | C | C | C | C | |||||
| Ontluchtingsslang en tankdop | C | C | C | C | |||||
| Vacuüm- en carterventilatieslangen | C | C | C | C | |||||
| Brandstofffilter | V | V | |||||||
| Brandstofleidingen en -slangen | C | C | C | C | |||||
C: Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
V: Vervangen/verversen.
: Stel de aandrijfriem van de dynamo en van de waterpomp en, indien van toepassing, die van de stuurbekrachtiging en de airconditioning af. Controleren en indien nodig af- of bijstellen of vervangen.
2 : Controleer het oliepeil en controleer de motor op lekkage iedere 500 km of voordat u een lange reis gaat maken.

ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (vervolg)
| ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSIN-TERVAL | Aantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt | ||||||||
| Maanden | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | 84 | 96 | |
| Mijl ×1.000 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 | 60 | 70 | 80 | |
| Km×1.000 | 15 | 30 | 45 | 60 | 75 | 90 | 105 | 120 | |
| Koelsysteem | Controleer het koelsysteem dagelijks op lekkage en vul indien nodig koelvloeistof bij | ||||||||
| Controleer de waterpomp bij het vervangen van de aandrijfriem of distributieriem | |||||||||
| Koelvloeistof *3 | Eerste keer vervangen na 60 maanden of 90.000 km: daarna na iedere 24 maanden of 45.000 km. | ||||||||
| Accutoestand | C | C | C | C | C | C | C | C | |
| Alle elektrische systemen | C | C | C | C | |||||
| Remleidingen en aansluitingen | C | C | C | C | C | C | C | C | |
| Remsysteem, Koppelingspedaal | C | C | C | C | |||||
| Parkeerrem | C | C | C | C | |||||
| Rem- en koppelingsvloeistof | C | V | C | V | C | V | C | V | |
| Remschijven en remblokken | C | C | C | C | C | C | C | C | |
| Remtrommels en remvoeringen | C | C | C | C | |||||
| Stuurbekrachtigingssysteem en -slangen | C | C | C | C | |||||
| Stuurhuis, stuurstangen en stofhoezen | C | C | C | C | C | C | C | C | |
C: Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
V: Vervangen/verversen.
3: Vul het koelsysteem alleen bij met goedgekeurde koelvloeistof en vul het koelsysteem niet bij met water. Een onjuist koelvloeistofmengsel kan storingen en schade aan de motor veroorzaken.
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (vervolg)
| ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSPUNT | Aantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt | ||||||||
| Maanden | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | 84 | 96 | |
| Mijl ×1.000 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 | 60 | 70 | 80 | |
| Km×1.000 | 15 | 30 | 45 | 60 | 75 | 90 | 105 | 120 | |
| Aandrijfassen en aandrijfashoezen | C | C | C | C | |||||
| Banden (spanning en profiel) | C | C | C | C | C | C | C | C | |
| Voorwielophanging | C | C | C | C | C | C | C | C | |
| Bouten en moeren van chassis en carrosserie | C | C | C | C | C | C | C | C | |
| Koudemiddel airconditioning (indien van toepassing) | C | C | C | C | C | C | C | C | |
| Aircocompresso (indien van toepassing) | C | C | C | C | C | C | C | C | |
| Interieurfilter airconditioning (indien van toepassing) | V | V | V | V | V | V | V | V | |
| Vloeistof handgeschakelde transmissie(indien van toepassing) | C | C | C | C | C | C | C | C | |
| Automatische-transmissievloeistof(indien van toepassing) | C | C | C | C | C | V | C | C | |
C: Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
V : Vervangen/verversen.
ONDERHOUD BIJ VERZWAARD GEBRUIK
Controleer de volgende zaken vaker wanneer de auto veelvuldig onder zware rijomstandigheden wordt gebruikt. Raadpleeg de onderstaande tabel voor de juiste onderhoudsintervallen.
C: Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
V : Vervangen/verversen.
| Onderhoudspunt | Onderhoudswerkzaamheden | Onderhoudsinterval | Rijomstandigheid |
| Motorolie en oliefilter | V | Elke 7.500 km (5.000 mijl) of 6 maanden | A, B, C, F, G |
| Luchtfilterelement | C | Afhankelijk van de omstandigheden vaker controleren | C, E |
| Bougie | C | Controleer bij motorproblemen en vervang inzien nodig | B, H |
| Distributieriem | V | Elke 60.000 km (37.000 mijl) of 48 maanden | D, E, F, G |
| Vloeistof handgeschakelde transmissie (indien van toepassing) | V | Elke 90.000 km (60.000 mijl) | A, C, D, E, F, G, H, I |
| Automatische-transmissievloeistof (indien van toepassing) | V | Elke 45.000 km (30.000 mijl) | A, C, E, F, G ,H, I |
| Stuurhuis, stuurstangen en stofhoezen | C | Afhankelijk van de omstandigheden vaker controleren | C, D, E, F, G |
| Voorwielophanging | C | Afhankelijk van de omstandigheden vaker controleren | C, D, E, F, G |
| Schijfremmen en remblokken, remklauwen en remschijven | C | Afhankelijk van de omstandigheden vaker controleren | C, D, E, G, H |
| Remtrommels en remvoeringen | C | Afhankelijk van de omstandigheden vaker controleren | C, D, E, G, H |
| Parkeerrem | C | Afhankelijk van de omstandigheden vaker controleren | C, D, E, G, H |
| Aandrijfassen en aandrijfashoezen | C | Afhankelijk van de omstandigheden vaker controleren | C, D, E, F |
| Interieurfilter airconditioning (indien van toepassing) | V | Afhankelijk van de omstandigheden vaker controleren | C, E |
Zware rijomstandigheden
A : Veel korte ritjes
B : Langdurig stationair draaien
C : Rijden op stoffige, onverharde wegen
D: Rijden in gebieden waar veel zout of andere agressieve stoffen worden gebruikt. Of rijden onder koude weersomstandigheden
E : Rijden in een omgeving met veel zand
F : Voor meer dan 50% rijden in druk stadsverkeer bij temperaturen boven de 32°C (90°F)
G : Rijden in heuvelachtige gebieden.
H : Rijden met een aanhanger
I : Politieauto's, taxi's, bedrijfsauto's of bij het slepen van een auto


DOOR DE EIGENAAR UIT TE VOEREN ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN
Schema voor onderhoud uitgevoerd door eigenaar
De eigenaar of officiële Kia-dealer dient de onderstaande controles volgens het aangegeven interval uit te voeren om een veilige en betrouwbare werking van de auto te garanderen.
Neem bij bijzonderheden zo spoedig mogelijk contact op met uw dealer.
Eventuele werkzaamheden die uit deze controles voortvloeien vallen doorgaans niet onder de fabrieksgarantie en zullen, samen het arbeidsloon en eventuele onderdelen en smeermiddelen, in rekening gebracht worden. ed.
Bij het tanken:
- Controleer het motoroliepeil.
- Controleer het koelvloeistofpeil in het expansievat
WAARSCHUWING
Wees voorzichtig bij het controleren van het koelvloeistofpeil wanneer de motor warm is. Hete koelvloeistof en stoom kunnen onder druk naar buiten spuiten. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.
- Controleer het niveau van de ruitensproeiervloeistof.
- Controleer of de bandenspanning in orde is.
Tijdens het rijden:
- Let op veranderingen in het uitlaatgeluid en let erop dat u in het interieur geen uitlaatgassen ruikt.
- Controleer op trillingen in het stuurwiel. Controleer of het sturen niet zwaarder of lichter gaat dan normaal en of de rechtuitstand niet is gewijzigd.
- Controleer of de auto niet naar één kant trekt op een vlakke, rechte weg.
- Controleer bij het remmen op vreemde geluiden, naar één kant trekken, een grotere slag van het rempedaal of een "hard" rempedaal.
- Controleer als de transmissie slipt of niet normaal werkt het niveau van de automatische-transmissievloeistof.
- Controleer de werking van stand P (Park) van de automatische transmissie.
- Controleer de werking van de parkeerrem.
- Controleer onder uw auto op lekkage (na het gebruik van de airconditioning kan er een plasje water onder uw auto ontstaan; dit is een normaal verschijnsel en duidt niet op lekkage).
Maandelijks:
- Controleer het koelvloeistofniveau in het expansievat.
- Controleer de werking van alle verlichting van uw auto, inclusief de remlichten, richtingaanwijzers en alarmknipperlichten.
- Controleer de bandenspanning van alle wielen inclusief het reservewiel.
Twee keer per jaar
(in het voorjaar en in het najaar):
- Controleer de radiateurslangen en de slangen van de verwarming en de airconditioning op lekkage en beschadigingen.
- Controleer de werking van de ruitenwissers en -sproelers. Reinig de ruitenwisserbladen met een schone, met ruitensproeiervloeistof doordrenkte doek.
- Controleer de stand van de koplampen.
- Controleer de dempers, de uitlaatpijpen, de hitteschilden en de bevestigingen van de uitlaat.
- Controleer de werking van de driepuntsgordels en controleer op slijtage.
- Controleer of het profiel van de banden nog voldoende is en controleer of de wielmoeren goed zijn aangedraaid.
Eén keer per jaar:
- Reinig de afvoeropeningen aan de onderzijde van de portieren en de dorpels.
- Smeer alle portierscharnieren, slotvangers en motorkapscharnieren.
- Smeer de portier- en motorkapsloten, -vergrendelingen.
• Smeer de portierrubbers. - Controleer vóór de zomer de werking van de airconditioning.
- Controleer het vloeistofniveau van de stuurbekrachtiging.
- Controleer en smeer het bedieningsmechanisme van de automatische transmissie.
- Reinig de accu en de accupolen.
- Controleer het remvloeistofniveau.

Voorzorgsmaatregelen voor onderhoud uitgevoerd door eigenaar
Verkeerd of onvolledig onderhoud kan problemen opleveren. In dit hoofdstuk worden alleen aanwijzingen gegeven voor werkzaamheden die eenvoudig uit te voeren zijn.
Zoals eerder uitgelegd in dit hoofdstuk kunnen verschillende werkzaamheden alleen door een gekwalificeerde monteur worden uitgevoerd die de beschikking heeft over speciaal gereedschap.
* OPMERKING
Het verkeerde onderhoud door de eigenaar tijdems de garantieperiode kan ertoe leiden dat de garantie vervalt. Lees voor details het bij de auto geleverde Kia-garantieboekje. Laat in twijfelgevallen het onderhoud altijd uitvoeren door een officiële Kia-dealer.
WAARSCHUWING
- Onderhoudswerkzaamheden
- Het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan een auto kan gevaarlijk zijn. Bij sommige onderhoudsprocedures kunt u ernstig verwond raken. Laat het werk uitvoeren door een gekwalificeerde monteur wanneer u niet over voldoende kennis en ervaring of over het juiste gereedschap beschikt.
- Werkzaamheden uitvoeren onder de motorkap terwijl de motor draait is gevaarlijk. Het is zelfs nog gevaarlijker wanneer u sieraden of losse kleding draagt. Zij kunnen verstrikt raken in de draaiende onderdelen en letsel veroorzaken. Zorg er daarom voor dat u alle sieraden afdoet (vooral ringen, armbanden, horloges en halskettingen) en losse kleding verwijdert voordat u bij een draaiende motor onder de motorkap in de buurt van de motor of de koeiventilators komt.
MOTORRUIMTE

Controle van het motoroliepeil
- Controleer of de auto horizontaal staat.
- Start de motor en laat deze op de normale bedrijfstemperatuur komen.
- Zet de motor uit en wacht ongeveer 5 minuten zodat de olie naar het carter terug kan lopen.
- Trek de peilstok uit de houder, veeg hem schoon en steek hem weer geheel in de houder.
- Trek de peilstok opnieuw uit de houder en controleer het peil. Het peil moet zich ergens tussen F en L bevinden.

Als het peil zich bij of op de L bevindt, moet u olie bijvullen tot de F. Vul niet te veel olie bij.
Gebruik alleen de voorgeschreven motorolie. (Raadpleeg "Aanbevolen smeermiddelen" verderop in dit hoofdstuk.)
Motorolie verversen en filter vervangen
Ververs de motorolie en vervang het filter overeenkomstig het in het begin van dit hoofdstuk beschreven onderhoudsschema.
WAARSCHUWING
Gebruikte motorolie kan irritatie of huidkanker veroorzaken indien de huid langdurig in contact komt met de olie. De stoffen die in gebruikte motorolie aanwezig zijn, hebben bij laboratoriumproeven geleid tot kanker bij proefdieren. Was uw handen zorgvuldig met zeep en warm water als ze in contact zijn geweest met gebruikte motorolie.
- Laat de motor enkele minuten warmdraaien en zet hem dan uit. Verwijder de olievuldop.
- Zet de auto op bokken.
WAARSCHUWING
- Opkrikken van de auto
Gebruik bij het op bokken zetten van uw auto alle vier de kriksteunpunten van de auto. Gebruik geen krik die alleen bestemd is voor het wisseien van een wiel. Gebruik alleen een krik die bestemd is voor het uitvoeren van werkzaamheden onder de auto. Plaats de auto en de krik op een stabiele en vlakke ondergrond die sterk genoeg is om het volledige gewicht van de auto te dragen zonder te vervormen. Indien de ondergrond onvoldoende stabiel is, kan de auto van de veiligheidssteunen glijden, waardoor ernstig letsel kan ontstaan. Voig de aanwijzingen bij gebruik van een krik.

- Tap de olie af in een geschikte opvangbak nadat de aftapplug verwijderd is.
VOORZICHTIG
• Zowel de olie als de motor zijn
heet. Brand uzelf niet.
• Houd motorolie buiten het bereik van kinderen.

- Verwijder het motoroliefilter met een oliefiltersleutel.
* OPMERKING
Zorg er bij het plaatsen van het nieuwe oliefilter voor dat de oude filterpakking van het pasvlak verwijderd is. Anders kan er olieelkkege optreden en motorschade ontstaan. Verwijder de oude pakking volledig zodat een nieuwe pakking goed geplaatst kan worden en goed afdicht.
- Reinig het pasvlak van het oliefilter met een schone doek.
- Breng een beetje motorolie aan op de nieuwe O-ringpakking van het oliefilter.

- Plaats het oliefilter en draai deze vast. (Raadpleeg het label op het oliefilter voor aanwijzingen bij het vastdraaien.)
- Plaats een nieuwe ring op de aftapplug. Gebruik een oude ring niet opnieuw.
- Draai de aftapplug vast nadat alle olie volledig afgetapt is. Draai de aftapplug vast met 34,3 - 44,1 N·m (3,5 - 4,5 k·gm, 25,3 - 32,5 lb·ft).
- Vul de motor met nieuwe olie tot aan het merkteken F op de peilstok. Vul niet te veel bij.
- Plaats de olievuldop en draai hem goed vast.
- Start de motor en controleer het oliefilter op lekkage. Zet de motor uit.
- Controleer het oliepeil en vul indien nodig bij tot het merkteken F.
Hoeveelheid motorolie
Met filter:
3,0 liters (3,2 US qt.)
Zonder filter:
2,8 liters (3,0 US qt.)
Gebruik alleen de voorgeschreven motorolie. (Raadpleeg "Aanbevolen smeermiddelen" verderop in dit hoofdstuk.)
* OPMERKING
- Hoewel twee oliefilters er precies hetzelfde uit kunnen zien, kunnen ze inwendig volledig anders zijn. Deze filters kunnen niet door elkaar gebruikt worden. Gebruik alleen het voorgeschreven filter om mogelijke motorschade te voorkomen. Neem contact op met een officiële Kia-dealer.
• Volg deze aanwijzingen nauwkeurig op. Als het oliefilter onjuist gemonteerd wordt, kan er olielekkage optreden en motorschade ontstaan. Zorg ervoor dat afgewerkte olie volgens de wettelijke voorschriften wordt afgevoerd. Gooi afgewerkte olie niet in het riool of bij het overige afval.
KOELSYSTEEM
Het hogedruk-koelsysteem is voorzien van een reservoir dat gevuld is met een koelvloeistof die ook voldoende bescherming biedt tegen bevriezing. Het reservoir is in de fabriek gevuld.
Controleer de vorstbescherming en het koelvloeistofpeil tenminste één keer per jaar, aan het begin van het winterseizoen en voordat u naar een kouder klimaat reist.
Koelvloeistofpeil controleren
WAARSCHUWING
- Losdraaien van de radiateurdop
- Verwijder de radiateurdop nooit terwijl de motor draait of nog een hoge temperatuur heeft. Daardoor kan er schade aan het koelsysteem en de motor ontstaan; bovendien kunt u ernstig letsel oplopen doordat er hete koelvloeistof of stoom ontsnapt.
- Zet de motor uit en wacht tot deze is afgekoeld. Zelfs dan dient u uiterst voorzichtig te zijn bij het verwijderen van de radiateurdop. Wikkel een dikke doek rond de dop en draai hem voorzichtig linksom tot de eerste aanslag. Ga een stukje achteruit wanneer de druk van het koelsysteem af gaat.
(Vervolg)
(Vervolg)
Pas als u zeker weet dat er geen overdruk meer is, drukt u de dop met de doek in en draait u hem verder linksom om hem te verwijderen.
- Verwijder de radiateurdop of de aftapplug niet als de motor en de radiateur nog heet zijn, zelfs niet als de motor niet loopt. Er kan nog steeds hete koelvloeistof en stoom ontsnappen, waardoor er ernstig letsel kan ontstaan.


Controleer de toestand en de aansluitingen van alle slangen van het koelsysteem en van de verwarming. Vervang beschadigde en slechte slangen.
Het koelvloeistofpeil in het expansievat dient tussen de merktekens F en L te liggen als de motor koud is.
Vul als het niveau laag is voldoende voorgeschreven koelvloeistof bij om het systeem tegen vorst en corrosie te beschermen. Vul bij tot de F, maar vul niet te veel bij. Neem contact op met een officiële Kia-dealer indien u het reservoir regelmatig moet bijvullen.
Koelvloeistof verversen
Ververs de koelvloeistof volgens het onderhoudsschema.
- Gebruik alleen gedemineraliseerd of gedestilleerd water.
De motor van uw auto heeft aluminium onderdelen. Gebruik daarom een koelvloeistof op ethyleen-glycolbasis ter voorkoming van corrosie en bevriezing.
- Gebruik GEEN koelvloeistof op ethanol- of methanol-basis; meng ook geen ethanol- of methanol-antivries met de voorgeschreven koelvloeistof.
- Gebruik geen mengsel met meer dan 60% of minder dan 35% antivries; in dat geval is een optimale koelende werking niet gewaarborgd.
Zie de volgende tabel voor de mengverhouding.
| Buitentemperatuur | Mengverhouding (hoeveelheid) | |
| Antivries | Water | |
| -15°C | 35 | 65 |
| -25°C | 40 | 60 |
| -35°C | 50 | 50 |
| -45°C | 60 | 40 |

WAARSCHUWING
Verwijder bij een warme motor en radiateur de radiateurdop niet. Hete koelvloeistof en stoom kunnen onder druk naar buiten spuiten. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.

- Draai de radiateurdop linksom om hem te verwijderen.
- Draai de aftapplug van de radiateur los en tap de koelvloeistof af in een geschikte opvangbak.
- Spoel het systeem door met stromend water terwijl de aftapplug verwijderd is.
-
Tap het systeem volledig af en draai de aftapplug weer vast. Vul het systeem met de voorgeschreven hoeveelheid ethyleen-glycolkoelvloeistof en water in de juiste mengverhouding. Houd u in een extreem koud klimaat aan de hoeveelheid ethyleen-glycol-antivries die de producent van de koelvloeistof voorschrijft.
-
Laat de motor stationair draaien terwijl de radiateurdop verwijderd is. Voeg langzaam de nodige koelvloeistof toe.
- Wacht dan tot de motor zijn normale bedrijfstemperatuur heeft bereikt. Trap het gaspedaal 2 of 3 keer in en voeg indien nodig koelvloeistof bij. Zorg ervoor dat u zich niet brandt.
- Plaats de radiateurdop. Controleer alle aansluitingen op lekkage en controleer het koelvloeistofpeil in het expansievat opnieuw. Controleer na een aantal dagen opnieuw en vul indien nodig bij.

REMMEN EN KOPPELING (INDIEN VAN TOEPASSING)

Rem en koppeling; controleren van vloeistofpeil
Controleer regelmatig het niveau in het remvloeistofreservoir. Het vloeistofniveau dient zich tussen de merktekens MAX en MIN aan de zijkant van het reservoir te bevinden. Reinig het gebied rondom de dop van het reservoir grondig alvorens de dop te verwijderen en vloeistof bij te vullen om te voorkomen dat deze vervuild raakt.
Vul vloeistof bij tot aan het merkteken MAX wanneer het niveau te laag is. Het niveau van de remvloeistof zal na verloop van tijd dalen. Dit is normaal en wordt veroorzaakt door het slijten van de remblokken. Laat het remsysteem controleren door een officiële Kia-dealer wanneer het peil erg laag is.
Gebruik alleen de voorgeschreven rem- en koppelingsvloeistof. (Raadpleeg "Aanbevolen smeermiddelen" verderop in dit hoofdstuk.)
Meng nooit verschillende soorten vloeistof door elkaar.
WAARSCHUWING
Als u het remvloeistofreservoir regelmatig moet bijvullen, moet u de auto laten controleren door een officiële Kia-dealer.
⚠ WAARSCHUWING
Wees voorzichtig bij het vervangen of bijvullen van remen koppelingsvloeistof. Zorg ervoor dat de vloeistof niet in contact komt met uw ogen. Spoel uw ogen direct met een ruime hoeveelheid leidingwater wanneer u rem- en koppelingsvloeistof in uw ogen krijgt. Laat uw ogen zo snel mogelijk onderzoeken door een dokter.
PARKEERREM
Z VOORZICHTIG
Zorg ervoor dat rem- en koppelingsvloeistof niet in contact komt met het lakwerk van de auto. De lak kan hierdoor beschadigen. De kwaliteit van een rem- en koppelingsvloeistof die gedurende lange tijd blootgesteld is aan de buitenlucht kan niet gegarandeerd worden. Gebruik het juiste type vloeistof. Slecht een paar druppels minerale olie, bijvoorbeeld motorolie, in het remsysteem kunnen de onderdelen van het systeem beschadigen.

Controleren van de parkeerrem
Controleer de slag van de parkeerrem door het aantal klikken te tellen wanneer de hendel volledig wordt aangetrokken. De parkeerrem alleen moet de auto veilig op een vrij steile helling kunnen houden. Laat de parkeerrem afstellen door een officiële Kia-dealer wanneer de slag van het pedaal niet volgens de specificatie is.
Slag: 6 - 8 klikjes bij een kracht van 20 kg (44 lbs, 196 N).

AANDRIJFRIEMEN

De spanning van de aandrijfriemen moet periodiek worden gecontroleerd en indien nodig worden afgesteld. Verder moeten de aandrijfriemen ook worden gecontroleerd op scheurtjes, slijtage, rafelen en andere tekenen van veroudering en indien nodig worden vervangen.
Ook moet worden gecontroleerd of de aandrijfriemen elkaar niet raken en ook niet aanlopen tegen andere delen van de motor. Twee tot drie weken na het vervangen van een aandrijfriem moet de riem worden nagesteld om de rek die optreedt nadat de riem in gebruik is genomen, te elimineren.
Controle van aandrijfriem compressor
Als de airconditioning regelmatig wordt gebruikt, moet de spanning van de aandrijfriem van de compressor minimaal een keer per maand worden gecontroleerd.
Zet de motor uit en controleer de riemspanning door de riem tussen de krukaspoelie en de compressorpoelie in te drukken. Als u de riem met uw vinger indrukt, mag de riem niet verder dan 8,5 mm (0,33 in) doorbuigen. Als u over het juiste gereedschap beschikt, kunt u controleren of de riem bij een kracht van 98 N (22 lb.) 8,0 mm (0,315 in) doorbuigt. Als de aandrijfriem te los staat, laat hem dan afstellen door een officiële Kia-dealer.
STUURBEKRACHTIGING

Controleren van vloeistofniveau stuurbekrachtiging
Controleer regelmatig het niveau van het reservoir van de stuurbekrachtigingsvloeistof. Het vloeistofniveau dient zich bij normale temperaturen tussen de merktekens MAX en MIN aan de zijkant van het reservoir te bevinden.
Reinig het gebied rondom de dop van het reservoir grondig alvorens stuurbekrachtigingsvloeistof bij te vullen om te voorkomen dat deze vervuild raakt.
Vul vloeistof bij tot aan het merkteken MAX wanneer het niveau te laag is.
Als u het reservoir regelmatig moet bijvullen, moet u de stuurinrichting laten controleren door een officiële Kia-dealer.
* OPMERKING
- Blijf niet te lang doorrijden met een te laag vloeistofniveau in het reservoir om schade aan de stuurbekrachtigingspomp te voorkomen.
• Start de motor nooit als het reservoir leeg is.
• Voorkom bij het bijvullen van vloeistof dat er vuil in het reservoir komt.
• Als het vloeistofniveau te laag is, zal het sturen zwaarder gaan en kunnen er vreemde geluiden te horen zijn. - Door niet de voorgeschreven vloeistof te gebruiken, zal de stuurbekrachtiging minder effectief zijn en kan schade aan de stuurinrichting ontstaan.
Gebruik alleen de voorgeschreven stuurbekrachtigingsvloeistof. (Raadpleeg "Aanbevolen smeermiddelen" verderop in dit hoofdstuk.)
Slangen stuurbekrachtiging
Controleer voor het rijden de slangen van de stuurbekrachtiging op loszitten, lekkage, beschadigingen en verdraaling.

STUURWIEL

1SAA5019
Zet de auto op een vlakke ondergrond, start de motor en zet de wielen in de rechtuitstand. Draai het stuurwiel zonder te forceren naar links en rechts en controleer de spelling tot er weerstand in het stuurwiel is te voelen.
Standaardwaarde: 30 mm of minder
* OPMERKING
Laat als de gemeten waarde hoger is dan de standaardwaarde de stuurinrichting controleren door een officielle Kia-dealer.
HANDGESCHAKELDE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING)
Controleren van peil handgeschakelde-transmissieolie
- Krik uw auto op en ondersteun hem goed of zet hem op een brug.
WAARSCHUWING
- Opkrikken van uw auto
Zorg er bij het opkrikken van uw auto voor dat hij door de vier krik- of hijspunten ondersteund wordt. Gebruik geen krik die alleen bestemd is voor het wisselen van een wiel. Gebruik alleen een krik die bestemd is voor het uitvoeren van werkzaamheden onder de auto. Plaats de auto en de krik op een stabiele en vlakke ondergrond die sterk genoeg is om het volledige gewicht van de auto te dragen zonder te vervormen. Indien de ondergrond onvoldoende stabiel is, kan de auto van de veiligheidssteunen glijden, waardoor ernstig letsel kan ontstaan. Volg de aanwijzingen bij gebruik van een krik.

- Verwijder de vul-/controleplug aan de zijkant van de transmissie.

- Controleer of de olie tot aan de onderkant van de vul-/controle-opening staat. Vul bij indien nodig.
Als het niveau te laag is, controleer de transmissie dan eerst op lekkage alvorens hem bij te vullen. Vul niet te veel bij. Gebruik alleen de voorgeschreven transmissieolie. (Raadpleeg "Aanbevolen smeermiddelen" verderop in dit hoofdstuk.) - Plaats een nieuwe ring op de vul-/controleplug en draai de plug vast met 6,0 - 8,0 kg·m (43 - 58 lb·ft, 60 - 80 N·m).
Vervangen van transmissieolie handgeschakelde transmissie
- Krik de auto op en zorg voor een goede ondersteuning.
WAARSCHUWING
- Opkrikken van uw auto
Zorg er bij het opkrikken van uw auto voor dat hij door de vier krik- of hijspunten ondersteund wordt. Gebruik geen krik die alleen bestemd is voor het wisselen van een wiel. Gebruik alleen een krik die bestemd is voor het uitvoeren van werkzaamheden onder de auto. Plaats de auto en de krik op een stabiele en vlakke ondergrond die sterk genoeg is om het volledige gewicht van de auto te dragen zonder te vervormen. Indien de ondergrond onvoldoende stabiel is, kan de auto van de veiligheidssteunen glijden, waardoor ernstig letsel kan ontstaan. Volg de aanwijzingen bij gebruik van een krik.

- Verwijder de aftapplug aan de onderzijde van de transmissie.
- Plaats nadat de vloeistof volledig is afgetapt een nieuwe ring op de aftapplug, plaats de aftapplug en draai hem vast met 6,0 - 8,0 kg·m (43 - 58 lb·ft, 60 - 80 N·m).

- Verwijder de vul-/controleplug aan de zijkant van de transmissie.
- Vul de transmissie met olie tot aan de onderste rand van de vul-/controleopening.
- Plaats een nieuwe ring op de vul-controleplug.
- Plaats een nieuwe ring op de vul-/controleplug en draai de plug vast met 6,0 - 8,0 kg·m (43 - 58 lb·ft, 60 - 80 N·m).
Gebruik alleen de voorgeschreven transmissieolie. (Raadpleeg "Aanbevolen smeermiddelen" verderop in dit hoofdstuk.)
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING)

Het peil van de automatische-transmissievloeistof moet regelmatig gecontroleerd worden.
Het volume van de transmissievloeistof verandert met de temperatuur. Hoewel het aanbevolen wordt het niveau te controleren nadat minstens 30 minuten met de auto is gereden, kan het niveau ook gecontroleerd worden nadat de vloeistof volgens de volgende procedure is opgewarmd.
- Plaats de auto op een stevige en vlakke ondergrond en zet de parkeerrem stevig vast.
- Laat de motor ongeveer 2 minuten met stationair toerental draaien.
- Trap het rempedaal in en beweeg de selectiehendel langzaam door alle standen en schakel daarna stand P (Park) in.
- Trek bij stationair draaiende motor de peilstok uit de houder, veeg deze schoon en plaats hem vervolgens weer.
- Trek de peilstok opnieuw uit de houder en controleer het niveau.
Z VOORZICHTIG
- Een te laag vloeistofpeil kan slippen van de transmissie veroorzaken. Een te hoog peil kan schuimvorming, verlies van vloeistof en storingen in de transmissie veroorzaken.
- Het gebruik van andere dan de voorgeschreven vloeistof kan storingen en defecten in de transmissie veroorzaken.
WAARSCHUWING
- Parkeerrem
Zet de parkeerrem vast en trap het rempedaal in bij het verplaatsen van de selectiehendel om te voorkomen dat de auto onverwachts in beweging komt.



Als de vloeistof op de normale bedrijfstemperatuur van ongeveer 70 - 80°C is gekomen, moet het vloeistofniveau zich in het gebied HOT bevinden.
* OPMERKING
Gebruik het merkteken COLD alleen als een ruwe schatting en NIET om het niveau van de automatische-transmissievloeistof vast te stellen.
* OPMERKING
Nieuwe automatische-transmissievloeistof is rood van kleur. De rode kleurstof is toegevoegd door de fabrikant en dient om de automatische-transmissievloeistof te kunnen onderscheiden van motorolie en antivries. Alhoewel de kleurstof na verloop van tijd niet meer zichtbaar is, zegt dit niets over de kwaliteit van de vloeistof. Door het rijden, wordt de automatische-transmissievloeistof donkerder. De kleur wordt uiteindelijk lichtbruin. Laat de automatische-transmissievloeistof overeenkomstig het in het begin van dit hoofdstuk beschreven onderhoudsschema verversen door een officiële Kia-dealer.
Verversen van de automatische-transmissievloeistof
- Zet de auto op bokken.
WAARSCHUWING
- Opkrikken van de auto
Gebruik bij het op bokken zetten van uw auto alle vier de kriksteunpunten van de auto. Gebruik geen krik die alleen bestemd is voor het wisselen van een wiel. Gebruik alleen een krik die bestemd is voor het uitvoeren van werkzaamheden onder de auto. Plaats de auto en de krik op een stabiele en vlakke ondergrond die sterk genoeg is om het volledige gewicht van de auto te dragen zonder te vervormen. Indien de ondergrond onvoldoende stabiel is, kan de auto van de veiligheidssteunen glijden, waardoor ernstig letsel kan ontstaan. Volg de aanwijzingen bij gebruik van een krik.

- Verwijder de aftapplug aan de onderzijde van het transmissiecarter.
- Plaats nadat de vloeistof volledig is afgetapt een nieuwe ring op de aftapplug, plaats de aftapplug en draai hem vast met 29 - 34 N·m (2,9 - 3,4 kg·m, 21 - 24 lb·ft).
- Laat de auto zakken.
- Verwijder de peilstok van de automatische-transmissievloeistof (in de motorruimte bij het midden van het schutbord) en vul de transmissie met behulp van een trechter met de benodigde hoeveelheid automatische-transmissievloeistof.
Gebruik alleen de voorgeschreven automatische-transmissievloeistof.
(Raadpleeg "Aanbevolen smeermiddelen" verderop in dit hoofdstuk.)
* OPMERKING
Vul NIET te veel automatische-transmissievloeistof bij. Hierdoor kunnen keerringen "weggeblazen" worden, waardoor lekkage kan ontstaan met alle gevolgen van dien. In het geval er te veel vloeistof is bijgevuld, moet het teveel aan vloeistof voor het rijden worden afgetapt. Waarschijnlijk zal er na het aftappen echter vloeistof in de transmissie achterblijven, vooral als voor het verwijderen van de aftapplug de auto aan de voorzijde was opgekrikt.
- Controleer het vloeistofniveau. Vul indien nodig een kleine hoeveelheid vloeistof bij en controleer het niveau opnieuw. Ga hiermee door tot het niveau binnen het bereik HOT ligt.
- Plaats de peilstok en zorg ervoor dat de afgewerkte transmissievloeistof volgens de voorschriften wordt afgevoerd.
SMEERMIDDELEN EN VLOEISTOFFEN

Controleren van vloeistofniveau ruitensproeier
Het reservoir is transparant, zodat het niveau snel visueel kan worden gecontroleerd.
Controleer het vloeistofpeil in het sproeierreservoir en vul indien nodig vloeistof bij. Als u geen ruitensproeiervloeistof bij de hand heeft, kunt u het reservoir bijvullen met gewoon water. Gebruik in koude klimaten echter speciale ruitensproeiervloeistof om bevriezing te voorkomen.
WAARSCHUWING
- Gebruik geen koelvloeistof of antivries in het sproeierreservoir.
- Koelvloeistof kan het zicht ernstig belemmeren wanneer dit op de voorruit terechtkomt waardoor u de macht over de auto kunt verliezen of de lak beschadigd kan raken.
- Ruitensproeiervloeistof bevat alcohol en kan onder bepaalde omstandigheden licht ontvlambaar zijn. Houd open vuur en vonken uit de buurt van de ruitensproeiervloeistof en het sproeierreservoir. De auto kan beschadigd raken en de inzittenden kunnen letsel oplopen.
- Ruitensproeiervloeistof is giftig voor mensen en dieren. Drink geen ruitensproeiervloeistof en vermijd contact met ruitensproeiervloeistof. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.
Smeren van carrosseriedelen
Alle bewegende delen van de carrosserie, zoals scharmieren van portieren, achterklep en motorkap en sloten dienen telkens als de motorolie wordt ververst, te worden gesmeerd. Gebruik bij koud weer een smeermiddel dat bevriezen van de sloten voorkomt.
Zorg ervoor dat de veiligheidshaak de motorkap tegenhoudt wanneer deze ontgrendeld is.
LUCHTFILTER

Afhankelijk van de toestand van dit element kan het gereinigd worden of moet het vervangen worden. Schud het filterelement om de verontreinigingen te verwijderen, tenzij het zeer sterk vervuild is. Veeg de binnenzijde van het filterhuis en van het filterdeksel met een vochtige doek schoon wanneer het filterelement gecontroleerd wordt. Reinig en vervang dit filterelement vaker dan in het onderhoudsschema is aangegeven als de auto wordt gebruikt in gebieden met zeer veel stof of zand. Blaas het filterelement van binnen naar buiten door met perslucht.

Luchfilterelement; vervangen van
- Neem de bevestigingsclips los om het luchtfilterdeksel te verwijderen.

- Veeg de binnenzijde van het luchtfilterhuis met een vochtige doek schoon.




- Vervang het luchtfilterelement. Het wordt aanbevolen het luchtfilterelement te vervangen door een origineel Kia-luchtfilterelement.
- Bevestig het deksel met de bevestigingsclips.
Vervang het element volgens het onderhoudsschema.
Vervang het element vaker dan in het onderhoudsschema is aangegeven als de auto wordt gebruikt in gebieden met zeer veel stof of zand. (Raadpleeg "Onderhoudsschema bij gebruik onder zware omstandigheden" in dit hoofdstuk.)
VOORZICHTIG
• Rijd niet met de auto wanneer het luchtfilter verwijderd is; hierdoor kan de motor overmatig slijten.
- Wanneer zonder luchtfilter gereden wordt, bestaat eerder de kans op terugslag waardoor brand kan ontstaan.
• Zorg er om schade aan de motor te voorkomen voor dat bij het verwijderen van het luchtfilterelement geen stof en vuil in de luchtinlaat komt.
INTERIEURFILTER AIRCONDITIONING (INDIEN VAN TOEPASSING)

Het interieurfilter, dat achter het dashboardkastje gemonteerd is, filtert de lucht die via het verwarmings- en airconditioningssysteem naar het interieur wordt gevoerd. Als het filter in de loop van de tijd verstopt raakt door stof 'en andere verontreinigingen, neemt de luchttoevoer via de uitstroomopeningen af en kan de voorruit aan de binnenzijde beslaan, ook al is de stand BUITENLUCHT gekozen. Laat, als dat het geval is, het interieurfilter vervangen door een officiële Kia-dealer.
Het interieurfilter moet elke 15.000 km vervangen worden. Als er veelvuldig met de auto gereden wordt in druk stadsverkeer of een stoffige omgeving, moet het filter vaker worden gecontroleerd en zo nodig worden vervangen. Als u als eigenaar het filter zelf wilt vervangen, volg dan onderstaande procedure en let erop geen andere onderdelen te beschadigen.

Vervangen van filter
- Verwijder bij een geopend dashboardkastje de nokken aan beide zijden zodat het dashboardkastje alleen nog maar aan zijn scharnieren hangt.



- Trek de haken van het interieurfilterhuis (①) naar buiten.

- Vervang het interieurfilter (②).
- Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde van verwijderen.

* OPMERKING
Plaats het nieuwe interieurfilter met irachineming van het merkteken AIR FLOW(↓). Als het filter is omgekeerd, zal het systeem veel lawsai produceren en zal het filter minder effectief zijn.
RUITENWISSERBLADEN

Onderhoud van ruitenwisserbladen
* OPMERKING
In de handel verkrijgbare hot wax zoals gebruikt in automatische wasserettes bemoeilijkt het reinigen van de voorruit.
Verontreiniging van de voorruit of de ruitenwisserbladen door bepaalde substanties kan het effect van de ruitenwissers verminderen. Bekende vormen van verontreiniging zijn insecten, sap van bomen en hot wax-behandelingen gebruikt in sommige automatische wasserettes. Indien de bladen niet goed wissen, reinig dan zowel de ruit als de bladen met een goed schoonmaakmiddel of een zacht reinigingsmiddel en spoel grondig na met schoon water.
* OPMERKING
Gebruik geen benzine, petroleum, thinner of andere oplosmiddelen in de buurt van de ruitenwisserbladen om beschadiging te voorkomen.
Vervangen van ruitenwisserbladen
Als de ruitenwissers de ruit niet langer goed schoonmaken, kan het zijn dat ze versleten of gescheurd zijn en dienen ze te worden vervangen.
* OPMERKING
Probeer de ruitenwissers nooit met de hand te bewegen om beschadiging van de ruitenwisserarmen en van andere onderdelen te voorkomen.
* OPMERKING
Het gebruik van niet-voorgeschreven ruitenwisserbladen kan storingen en problemen veroorzaken.


- Trek de ruitenwisserarm omhoog en klap het ruitenwisserblad om zodat de kunststof vergrendeling zichtbaar wordt.

- Druk de klem in en schuif het wisserblad naar beneden. Verwijder het vervolgens van de arm.

- Haak het wisserblad uit de ruitenwisserarm.
- Plaats het ruitenwisserblad in omgekeerde volgorde van verwijderen.
* OPMERKING
Laat de ruitenwisserarm niet tegen de voorruit klappen.
ACCU
WAARSCHUWING
- Gevaren accu

Lees de volgende aanwijzingen voor het omgaan met de accu zorgvuldig door.

Houd brandende sigaretten, vonken en open vuur uit de buurt van de accu.

Er bevindt zich altijd wat van het zeer licht ontvlambare waterstof in de accucellen. Dit kan ontploffen.

Houd accu's buiten bereik van kinderen, aangezien accu's het zeer agressieve zwavelzuur bevatten. Laat accuzuur niet in contact komen met uw huid, uw ogen, kleding en de lak van de auto.
(Vervolg)
(Vervolg)

Spoel uw ogen gedurende tenminste 15 minuten en roep onmiddellijk medische hulp in wanneer u elektrolyt in uw ogen krijgt. Blijf, indien mogelijk, spoelen met water totdat medische hulp gearriveerd is. Was uw huid grondig wanneer deze in aanraking komt met elektrolyt. Roep onmiddellijk medische hulp in wanneer u pijn of een brandend gevoel heeft.

Draag een veiligheidsbril tijdens het opladen van en het werken in de buurt van accu's. Zorg altijd voor ventilatie wanneer in een afgesloten ruimte wordt gewerkt.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Bij het optillen van een accu met een kunststof behuizing kan door de druk accuzuur naar buiten komen, waardoor persoonlijk letsel optreedt. Houd bij het optillen uw handen aan de zijkant van de accu.
- Laad nooit een accu bij terwijl de accukabels nog aangesloten zijn.
- Het ontstekingssysteem werkt met hoogspanning. Raak de onderdelen van de ontsteking niet aan als de motor draait of het contact in stand ON staat.

Voor een optimale werking van de accu:
- Zorg ervoor dat de accu altijd goed vastzit.
- Houd de bovenzijde van de accu schoon en droog.
• Houd de accupolen en de accupoolklemmen schoon, zorg ervoor dat ze goed vastzitten en bescherm ze met vaseline. - Spoel gemorst elektrolyt direct af met een oplossing van water en natriumbicarbonaat (dubbel koolizure soda).
- Neem de accukabels los als u de auto gedurende een langere periode niet gaat gebruiken.
Accu; laden van
Uw auto is uitgerust met een onderhoudsvrije accu.
Laad de accu gedurende 10 uur met behulp van een druppellader wanneer de accu in een kort tijd leeggeraakt is (doordat bijv. lampen of interieurverlichting zijn blijven branden terwijl de motor uit was).
- Wanneer de accu geleidelijk onlaadt door een hoge elektrische belasting tijdens het rijden, moet deze gedurende 2 uur met een stroomsterkte van 20 - 30 A opgeladen worden.
Te resetten onderdelen nadat de accu is ontladen of na het weer aansluiten van de accukabels.
• Klok (zie bladzijde 3-89)
* Audio (zie het instructieboekje van het audiosysteem)

Neem bij het laden van de accu de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:
- De accu moet uit de auto worden verwijderd en in een goed geventileerde ruimte geplaatst worden.
• Houd sigaretten, vonken en open vuur uit de buurt van de accu. - Houd de accu tijdens het laden in de gaten; beëindig het laden of wijzig de laadstroom wanneer het elektrolyt in de cellen begint te borrelen of de temperatuur van het elektrolyt hoger dan 49°C wordt.
- Draag een veiligheidsbril wanneer u de accu tijdens het opladen controleert.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Neem de acculader in de onderstaande volgorde los.
- Zet de hoofdschakelaar van de acculader uit.
- Neem de klem los van de minpool.
- Neem de klem los van de pluspool.
* OPMERKING
- Schakel vóór het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan de accu of het laden van de accu alle elektrische verbruikers af en zet de motor uit.
- Neem de minkabel van de accu altijd eerst los en sluit de minkabel van de accu altijd als laatste weer aan.

BANDEN EN WIELEN
Onderhoud van de banden
Voor uw veiligheid, een maximale levensduur van de banden en een zo laag mogelijk brandstofverbruik, dient u de banden steeds op de aanbevolen spanning te houden en dient u het totaalgewicht en de maximale asbelasting niet te overschrijden.
Bandenspanning
De spanning van de banden (inclusief het reservewiel) dient dagelijks bij koude banden gecontroleerd te worden. 'Koude banden' wil zeggen dat er de laatste drie uur niet met de auto is gereden of niet meer dan 1,6 km (1 mijl).
Voor optimale rijeigenschappen, een optimale wegligging en een zo laag mogelijke bandenslijtage dient u de banden op de aanbevolen spanning te houden.

Alle specificaties (afmetingen en spanningen) vindt u op een label op de dorpel bij het bestuurdersportier.
WAARSCHUWING
Een te lage bandenspanning (meer dan 0,7 bar te laag) leidt tot een enorme warmte-ontwikkeling, vooral bij hoge buitentemperaturen en hoge snelheden. Hierdoor is het mogelijk dat het profiel vervormt of dat andere bandafwijkingen optreden, waardoor u de conirole over de auto kunt verliezen en ernstig letsel oploopt.
* OPMERKING
- Wanneer banden warm zijn, zal de bandenspanning normaalgesproken 0,3 tot 0,4 bar hoger zijn dan wanneer ze koud zijn. Laat om de banden op de juiste spanning te brengen geen lucht ontsnappen uit warme banden. Hierdoor zal de bandenspanning te laag worden.
- Een te lage bandenspanning resulteert in overmatige slijtage, slechte rijeigenschappen, een verhoogd brandstofverbruik en vergroot de kans op een klapband doordat de banden te warm worden. Bovendien kan door een te lage bandenspanning ongelijkmatige slijtage van de banden ontstaan. Wanneer de bandenspanning extreem laag is, kan de band vervormen en/of van de velg aflopen. Houd de banden daarom op de juiste spanning. Laat een band controleren door een officiële Kia-dealer wanneer er regelmatig lucht bij moet.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Een te hoge bandenspanning heeft een negatieve invloed op het rijcomfort en de rijeigenschappen en zorgt voor een verhoogde slijtage in het midden van het loopvlak. Bovendien bestaat er een grotere kans op beschadiging door oneffenheden in het wegdek.
- Vergeet niet de ventieldopjes terug te plaatsen. Zonder het ventieldopje kan er vuil en vocht in het ventiel komen, waardoor lucht kan ontsnappen. Zorg bij verlies van een ventieldopje zo snel mogelijk voor een nieuw exemplaar.
WAARSCHUWING
- Bandenspanning
Een te hoge of een te lage bandenspanning reduceert de levensduur van de banden, beïnvloedt de rijeigenschappen van de auto in negatieve zin en kan tot onverwachte bandproblemen leiden. Hierdoor bestaat de kans dat u de macht over de auto verliest.
Wielen; onderling verwisselen
Om de banden zo gelijkmatig mogelijk te laten slijten wordt aangeraden de wielen iedere 12.000 km (7.500 mijl) of eerder, indien het slijtagepatroon daartoe aanleiding geeft, te verwisselen.
Controleer bij het verwisselen van de wielen tevens de balans.
Controleer de banden bij het verwisselen van de wielen op ongelijkmatige slijtage en beschadigingen. Abnormale slijtage wordt meestal veroorzaakt door een onjuiste bandenspanning, een onjuiste wieluitlijning, onbalans, veelvuldig hard remmen en snelle bochten. Controleer het profiel en de zijkant van de band op zwellingen. Vervang de band wanneer u dit aantreft. Vervang de band ook wanneer het canvas of de koordlagen zichtbaar zijn. Breng na het verwisselen van de wielen de banden op de juiste spanning en controleer of de wielmoeren vastzitten.
Raadpleeg hoofdstuk 8, "Specifications".
Met een volwaardig reservewiel

Banden met een specifieke draairichting (indien van toepassing)

CBGQ0707A

Controleer bij het verwisselen van de wielen tevens de remblokken en de achterremschoenen op slijtage.
* OPMERKING
Verwissel radiaalbanden met een asymmetrisch profiel alleen van voor naar achter en niet van links naar rechts.

Als de band gelijkmatig afgesleten is verschijnt de slijtage-indicator als een onderbroken lijn door het loopvlak. Dit geeft aan dat er minder dan 1,6 mm (1/16 inch) profieldikte op de band aanwezig is. Vervang in dat geval de band.
Wacht niet met het vervangen van de band totdat de slijtage-indicator over de gehele profielbreedte zichtbaar is.
Wielen; uitlijnen en balanceren van
De wielen van uw auto zijn af fabriek zorgvuldig uitgelijnd en gebalanceerd voor een lange levensduur van de banden en optimale prestaties.
Normaalgesproken is het niet nodig de wielen nogmaals uit te lijnen. In het geval de banden van uw auto echter abnormale slijtage vertonen of als de auto naar één kant trekt, kan het zijn dat de auto opnieuw moet worden uitgelijnd.
Wanneer de auto tijdens het rijden op een vlakke weg trilt, kan het zijn dat de wielen opnieuw moeten worden gebalanceerd.
* OPMERKING
De verkeerde balanceergewichtjes kunnen de lichtmetalen velgen van uw auto beschadigen. Gebruik alleen goedgekeurde balanceergewichtjes.
WAARSCHUWING
- Gebruik bij het vervangen van banden nooit radiaalbanden en diagonaalbanden door elkaar. Alle vier de banden moeten dezelfde afmetingen, constructie en hetzelfde profiel hebben. Combineer uitsluitend banden die aanbevolen worden op het label onder de slotplaat van het bestuurdersportier. Overtuig u ervan dat alle banden en velgen dezelfde maat en hetzelfde draagvermogen hebben. Combineer uitsluitend banden en velgen die aanbevolen worden op het label of door een officiële Kia-dealer. Het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregelen kan de veiligheid en de rijeigenschappen van uw auto nadelig beïnvloeden.
(Vervolg)
(Vervolg)
• Als er andere banden gemonteerd worden, kunnen de rijeigenschappen, het comfort, de bodemspeling, de speling tussen band en wielkast en de kalibratie van de snelheidsmeter negatief beïnvloed worden.
- Rijden met versleten banden is bijzonder gevaarlijk; versleten banden hebben een negatieve invloed op de remwerking, de besturing en de tractie.
- Het is het beste om alle vier de banden gelijktijdig te vervangen. Vervang als dit niet mogelijk of nodig is alleen de twee voor- of achterbanden. De rijeigenschappen van de auto kunnen ernstig beïnvloed worden wanneer slechts één band wordt vervangen.
Velgen; vervangen van
Als u om de een of andere reden de velgen wilt vervangen, dient u erop te letten dat de nieuwe velgen gelijkwaardig zijn aan de originele velgen voor wat betreft diameter, velgbreedte en offset (wielbolling).
WAARSCHUWING
Een velg van de verkeerde maat heeft een negatieve invloed op de levensduur van de velg en van het wiellager, de remweg, de rijeigenschappen, de grondspeling, de speling tussen band en carrosserie, de speling bij het gebruik van sneeuwkettingen, de kalibratie van de snelheidsmeter, de koplampafstelling en de bumperhoogte.


Aanduiding bandenmaat
De bandenmaat staat aangegeven op de wang van de banden. Deze informatie zal nodig zijn bij de aanschaf van nieuwe banden voor uw auto. De letters en cijfers in de aanduiding van de bandenmaat hebben de volgende betekenis.
Voorbeeld aanduiding bandenmaat: 155/70 R13 75T
(Deze maat dient slechts ter illustratie; de bandenmaat van uw auto is afhankelijk van de uitvoering.) 155 - Breedte band in millimeter.
70 - Hoogte-/breedteverhouding. De hoogte van de wang van de band als percentage van de breedte.
R - Type band (radiaalband).
13 - Velgdiameter in inch.
75 - Index draagvermogen, een numerieke code die het maximale draagvermogen van de banden aangeeft.
T - Snelheidsclassificatie. Zie het overzicht in dit hoofdstuk voor meer informatie.
Aanduiding velgmaat
Ook velgen zijn voorzien van informatie die van belang kan zijn bij eventuele vervanging. De letters en cijfers in de aanduiding van de velgmaat hebben de volgende betekenis.
Voorbeeld aanduiding velgmaat: 4.5 J x 13
4.5 - Velgbreedte in inch.
J - Aanduiding offset.
13 - Velgdiameter in inch.

Snelheidsclassificatie banden
In het onderstaande overzicht staan de meest gebruikte snelheidsclassificaties voor autobanden weergegeven.
De aanduiding van de snelheidsclassificatie maakt deel uit van de aanduiding van de bandenmaat op de wang van de band. Deze aanduiding geeft de maximumsnelheid weer waarvoor deze band is ontworpen.
| Aanduidingsnelheidsclassificatie | Maximumsnelheid |
| S | 180 km/h (112 mph) |
| T | 190 km/h (118 mph) |
| H | 210 km/h (130 mph) |
| V | 240 km/h (149 mph) |
| Z | Boven 240 km/h (149 mph) |
• Type A

Universele kwaliteitsgradatie banden
Slijtage loopviak
De slijtageclassificatie van het loopvlak is een relatieve classificatie gebaseerd op de mate van slijtage onder gecontroleerde omstandigheden op een officieel erkende testbaan. Voorbeeld: een band met de aanduiding 150 zal 1,5 keer langer meegaan dan een band met de aanduiding 100.
De levensduur van de banden zal in belangrijke mate afhankelijk zijn van de gebruiksomstandigheden.
De levensduur kan echter van de norm afwijken door de rijstijl van de bestuurder, onderhoud van de banden, de toestand van de wegen en het klimaat.
De indicator is bij autobanden aangebracht op de wang. Het aanbod van bij Kia-automobielen standaard gemonteerde of als optie leverbare banden is afhankelijk van de slijtagegraad.
Grip - A, B en C
Er zijn drie gripclassificaties, van hoog naar laag A, B en C. De gripclassificatie geeft aan in hoeverre de banden op een nat wegdek doorglijden bij het maken van een noodstop, zoals gemeten onder gecontroleerde omstandigheden op een officieel erkende testbaan, zowel op asfalt als op beton. Een band met classificatie C is een band met relatief weinig grip.
Temperatuur - A, B en C
Er zijn drie temperatuurclassificaties mogelijk: A (de hoogste), B en C. Deze classificaties geven aan in hoeverre de band hittebestendig is en in welke mate de band warmte afvoert, zoals getest onder gecontroleerde omstandigheden op een testwiel in een officieel erkend laboratorium.
Door aanhoudende hoge temperaturen gaat het materiaal van de banden achteruit, waardoor de banden minder lang meegaan. Bij extreem hoge temperaturen kunnen de banden zelfs plotseling lek gaan. De classificaties A en B geven aan dat het testresultaat van de band in het laboratorium beter is dan het in de wet voorgeschreven minimum.
WAARSCHUWING
- Temperatuur banden
De temperatuurclassificatie van deze band geldt voor een band die de juiste spanning heeft en niet overbelast is.
Extreem hoge rijsnelheden, een te lage bandenspanning en/of overbelasting kunnen een concentratie van hitte in de band veroorzaken, wat kan leiden tot een klapband. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen en ernstig letsel oplopen.

Controleren van de leeftijd van de banden
De sterkte van de banden en de prestaties nemen af naarmate de banden ouder worden. Banden die ouder zijn dan 6 jaar (af te leiden uit de productiedatum), inclusief de reserveband, moeten worden vervangen, ongeacht het aantal kilometers dat er mee gereden is. U kunt de productiedatum vinden op de zijkant van de band (aan de binnen- of buitenzijde). De productiedatum heeft de vorm van een DOT-nummer (Department Of Transportation), bestaande uit letters en cijfers. De productiedatum kunt u afleiden uit de laatste vier cijfers van de DOT-code.
De eerste letters en cijfers van de DOT-code staan voor de productielocatie, de bandenmaat en het type profiel en de laatste vier cijfers staan voor de productieweek en het productiejaar.
Bijvoorbeeld:
DOT XXXX XXXX 4003 geeft aan dat de band is geproduceerd in week 40 van 2003.
WAARSCHUWING
Bij een band ouder dan 6 jaar kunnen de koordlagen binnenin de band loslaten, waardoor u de controle over de auto kunt verliezen met ernstig letsel als gevolg. Controleer daarom de productiedatum en laat de banden binnen 6 jaar na de productiedatum vervangen.


VERVANGEN VAN LAMPEN
WAARSCHUWING
- Vervangen van gloeilampen Zet, voordat u gloeilampen gaat vervangen, de parkeerrem stevig vast en controleer of het contact in stand LOCK staat om te voorkomen dat de auto plotseling in beweging komt, dat u zich brandt of dat u een schok krijgt.
Gebruik alleen lampen met de voorgeschreven wattage.
* OPMERKING
Raadpleeg een officiële Kia-dealer wanneer u niet over het juiste gereedschap, de juiste lampen en/of ervaring beschikt. In veel gevallen kan het zelf vervangen van lampen problemen opleveren vanwege het feit dat om bij de lamp te kunnen komen, eerst andere onderdelen verwijderd dienen te worden. Dat is in het bijzonder het geval als u de voorbumper moet verwijderen om bij de gloeilamp(en) te kunnen komen. Het verwijderen en plaatsen van de voorbumper of onderdelen kan leiden tot beschadigingen aan de auto.

① Koplamp (grootlicht/dimlicht)
② Richtingaanwijzer vóór / Parkeerlicht
③ Mistlamp vóór (indien van toepassing) 1SAA5032
Vervangen van lamp koplamp
* OPMERKING
Na zware regenval of het wassen van de auto kan het lijken alsof er vocht in de koplampen en achterlichten zit. Dit wordt veroorzaakt door het temperatuurverschil tussen de binnenzijde en de buitenzijde van het lampglas. Dit is vergelijkbaar met het beslaan van de ruiten bij het rijden onder regenachtige omstandigheden en duidt niet op een probleem met uw auto. Laat in het geval er vocht in het circuit van de verlichting is gekomen de auto controleren door een officiële Kia-dealer.

WAARSCHUWING - Halogeenfampen
- Halogeenlampen bevatten gas onder druk, zodat de halogeenlamp bij het vallen kan ontploffen waardoor kleine glasdeeltjes vrijkomen.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Behandel halogeenlampen altijd voorzichtig om krassen te voorkomen. Voorkom contact met vloeistoffen wanneer de lampen branden. Raak het glas nooit met de vingers aan. Door achtergebleven vet kan de lamp te heet worden en knappen wanneer deze brandt. De lamp mag alleen in gemonteerde toestand worden ingeschakeld.
- Vervang een beschadigde of gebarsten lamp direct en gooi deze niet zomaar weg.
- Draag bij het vervangen van een lamp een veiligheidsbril. Laat de lamp alvorens hem te vervangen afkoelen.

- Open de motorkap.
- Verwijder de afdekkap van de koplamp door de kap linksom te draaien.
- Neem de stekker los van de koplamp.
- Maak de klem van de lamp los door het uiteinde in te drukken en dit omhoog te duwen.
- Verwijder de lamp uit de koplampunit.


- Plaats een nieuwe lamp in de koplampunit en bevestig deze door de klem op zijn plaats te drukken.
- Sluit de stekker van de koplamp aan.
- Plaats de afdekkap van de koplamp door de kap rechtsom te draaien.

Richtingaanwijzer/parkeerlicht vóór; vervangen van lamp
- Open de motorkap.
- Neem de stekker los van de koplamp.
- Maak de klem van de lamp los door het uiteinde in te drukken en dit omhoog te duwen.
-
Verwijder de lamp uit de koplampunit.
-
Plaats een nieuwe lamp in de koplampunit en bevestig deze door de klem op zijn plaats te drukken.
Vervangen van gloeilamp mistlamp vóór
Laat als een lamp niet werkt de auto controleren door een officiële Kia-dealer.

Vervangen van lamp interieurverlichting
- Wrik de lens met een platte schroevendraaier voorzichtig los uit het huis van de interieurverlichting.
Z VOORZICHTIG
Controleer, voordat u de lamp gaat vervangen, of toets OFF is ingedrukt om te voorkomen dat u zich brandt of een schok krijgt.
- Trek de lamp naar buiten.
- Steek een nieuwe lamp in de fitting.
- Breng de lipjes van de lens in lijn met de uitsparingen in het huis van de interieurverlichting en klik de lens vast.

Richtingaanwijzer opzij (indien van toepassing)
- Verwijder de lichtunit van de auto door de lens naar voren te duwen en de lichtunit uit het scherm te trekken.
- Neem de stekker los van de lamp.
- Neem de lens los van de fitting door de fitting linksom te draaien tot de nokjes in lijn staan met de uitsparingen.
Onderhoud
- Trek de lamp naar buiten.
- Steek een nieuwe lamp in de fitting.
- Monteer de fitting en de lens.
- Sluit de stekker van de lamp aan.
- Plaats de lichtunit in de carrosserie.

Kentekenplaatverlichting, vervangen van lamp
- Draai de bevestigingsschroeven van de lichtunit los met een kruiskopschroevendraaier.
- Neem de stekker los van de lamp.
- Neem de lens los van de fitting door de fitting linksom te draaien tot de nokjes in lijn staan met de uitsparingen.
- Trek de lamp naar buiten.
-
Steek een nieuwe lamp in de fitting.
-
Monteer de fitting en de lens.
- Sluit de stekker van de lamp aan.
- Plaats de lichtunit en draai de bevestigingsschroeven goed vast.

① Mistachterlicht (indien van toepassing)
② Richtingaanwijzer achter
③ Achteruitrijlicht
④ Rem-/achterlicht
⑤ Achterlicht (indien van toepassing)1SAE5034
Vervangen van lamp achterlichtunit
- Open de achterklep.

- Verwijder de achterlichtunit door de schroef linksom te draaien en de unit te verwijderen.

- Verwijder de fitting uit de lichtunit door deze linksom te draaien tot de nokjes van de fitting in lijn liggen met de uitsparingen van de lichtunit.



-
Verwijder de lamp uit de fitting door de lamp in te drukken en deze een willekeurige kant op te draaien tot de nokjes van de lamp in lijn liggen met de uitsparingen van de fitting. Trek de lamp uit de fitting.
-
Plaats een nieuwe lamp in de fitting en draai de lamp een willekeurige kant op tot hij vastzit.
-
Plaats de fitting in de lichtunit door de nokjes op de fitting in lijn te brengen met de uitsparingen in de lichtunit. Duw de fitting in de lichtunit en draai de fitting een kwartslag rechtsom.
- Plaats het deksel en draai de schroef vast.
SPECIFICATIES SMEERMIDDELEN
Aanbevolen smeermiddelen
Gebruik voor een optimale werking en een lange levensduur van motor en aandrijflijn uitsluitend smeermiddelen van de juiste kwaliteit. Het gebruik van de juiste smeermiddelen helpt ook het motorrendement verhogen wat een verbeterd brandstofverbruik oplevert.
Tegenwoordig zijn er energiebesparende motoroliën beschikbaar.
Naast andere extra voordelen, dragen zij bij aan een laag brandstofverbruik door de hoeveelheid brandstof te beperken die nodig is om wrijving in de motor te overwinnen. Vaak zijn deze verbeteringen moeilijk waar te nemen in het dagelijks gebruik, maar op jaarbasis kunnen ze toch merkbaar kosten en energie besparen.
Deze smeermiddelen en vloeistoffen worden aanbevolen voor gebruik in uw auto.
| Smeermiddel/vloeistof | Classificatie |
| Motorolie *1 | API Service SJ, SL of hoger,ILSAC GF-3 of hoger |
| Vloeistof handgeschakelde transmissie | API GL-4 (SAE 75W-85, gevuld voor de totale levensduar van de auto) |
| Automatische-transmissievloeistof | ESSO JWS 3314 |
| Stuurbekrachtigingsvloeistof | PSF-III |
| Rem- en koppelingsvloeistof | FMVSS116 DOT-3 of DOT-4 |
*1 Zie de SAE-viscositeitsindex op de volgende bladzijde.
Aanbevolen SAE-viscositeitsindex
* OPMERKING
Zorg ervoor dat u de omgeving rond vuldoppen, aftappluggen en de peilstok altijd goed reinigt alvorens het peil te controleren of de vloecistof af te tappen. Dit is vooral van belang in gebieden met veel stof of zand en als er met de auto over onverharde wegen wordt gereden. Door het schoonmaken wordt voorkomen dat vuil en zand in de motor of andere componenten binnendringt en schade veroorzaakt.

De viscositeit (vloeibaarheid) van de motorolie is van invloed op het brandstofverbruik en op de werking onder koude weersomstandigheden (starten en oliecirculatie). Motoroliën met een lagere viscositeit geven een lager brandstofverbruik en betere prestaties onder koude weersomstandigheden, terwijl motoroliën met een hogere viscositeit echter wenselijk zijn voor een goede smering bij warme buitentemperaturen. Het gebruik van oliën met een andere dan de aanbevolen viscositeit kan resulteren in motorschade.
Houd bij de keuze van een olie rekening met de te verwachten buitentemperaturen tot aan de volgende olieverversing. Kies dan aan de hand van de tabel de aanbevolen olieviscositeit.
| Temperatuurbereik SAE-viscositeitsindex | |||||||||
| Temperatuur °C(°F) | -30 | -20 | -10 | 0 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 |
| -10 | 0 | 20 | 40 | 60 | 80 | 100 | 120 | ||
| Motorolie benzinemotor *1 | 20W-50 | ||||||||
| 15W-40 | |||||||||
| 10W-30 | |||||||||
| 5W-20, 5W-30 | |||||||||
- Voor een beter brandstofverbruik wordt aangeraden om motorolie met viscositeit SAE 5W-20, 5W-30 (API SJ, SL / ILSAC GF-3) te gebruiken. Echter, als deze motorolie niet in uw land verkrijgbaar is, kies dan een geschikte motorolie aan de hand van de viscositeitstabel.
ONDERHOUD EXTERIEUR
Onderhoud exterieur - Algemeen
Het is van groot belang bij gebruik van chemische reinigingsmiddelen of polish de aanwijzingen op het etiket van het desbetreffende product op te volgen. Lees de waarschuwingen en opmerkingen op het etiket.
Lak; onderhoud van
Wassen
Was uw auto minimaal eenmaal per maand grondig met lauw of koud water om de lak tegen roest en veroudering te beschermen.
Was, nadat u op een stoffige of modderige weg gereden heeft, de auto zo snel mogelijk. Besteed hierbij de nodige zorg aan het verwijderen van opeengehoopt zout, vuil of modder. Controleer of de afvoeropeningen aan de onderzijde van de portieren en de dorpels open en schoon blijven.
Insecten, teer, sap van bomen, uitwerpselen van vogels, industrieel vuil en dergelijke kunnen de lak van uw auto aantasten als ze niet direct verwijderd worden.
Zelfs bij het direct verwijderen kan blijken dat water alleen niet toereikend is. Gebruik in dat geval een speciale autoshampoo.
Spoel de auto na het wassen grondig af met lauw of koud water. Laat de shampoo niet op de lak opdrogen.
* OPMERKING
Gebruik geen agressieve reinigingsmiddelen, oplosmiddelen of te heet water en was de auto niet in de volle zon of wanneer de carrosserie warm is.
WAARSCHUWING
Test na het wassen de remmen van uw auto bij lage snelheid om te controleren of de remwerking door binnengedrongen water beïnvloed is. Droog de remmen door het rempedaal bij lage snelheid licht in te trappen wanneer de remprestaties verminderd zijn.
Z VOORZICHTIG
- Water in de motorruimte kan de werking van de elektrische circuits beïnvloeden.
- Let zeer goed op wanneer u de motorruimte reinigt met water.

In de was zetten
Zet de auto in de was wanneer het water niet langer druppels op de lak vormt.
Was en droog de auto altijd eerst voordat u hem in de was zet. Gebruik een goede kwaliteit vaste of vloeibare was en volg de aanwijzingen van de fabrikant. Zet de sierlijsten in de was om deze te beschermen en hun glans te laten behouden.
Het verwijderen van olie, teer en dergelijke stoffen met een vlekkenverwijderaar verwijdert gewoonlijk ook de was van de lak. Zet deze delen daarom na het verwijderen van de verontreiniging opnieuw in de was.
* OPMERKING
- Als u stof of vuil met een droge doek wegveegt, komen er krassen op de lak.
- Gebruik geen staalwol, schuurmiddelen of sterk alkalische of bijtende oplosmiddelen op onderdelen die verchroomd zijn of op onderdelen die vervaardigd zijn van geanodiseerd aluminium. Het gebruik van deze middelen kan de beschermlaag aantasten waardoor verkleuring of glansverlies kan optreden.
Bijwerken van lakbeschadigingen
Repareer diepe krassen en steenslagbeschadigingen in de lak direct. Het blanke metaal gaat snel roesten waardoor ingrijpendere reparatiekosten noodzakelijk worden.
* OPMERKING
Wanneer uw auto beschadigd is en reparatie of vervanging van metalen delen nodig is, let er dan op dat de garage anti-corrosiemiddel aanbrengt op de gerepareerde of vervangen onderdelen.
Onderhoud van verchroomde onderdelen
- Gebruik een teerverwijderaar en geen schraper of ander scherp voorwerp voor het verwijderen van teer of insecten.
- Breng ter bescherming een waslaag aan op verchroomde onderdelen of bescherm ze met een speciaal conserveringsmiddel.
- Bescherm de verchroomde onderdelen onder winterse omstandigheden of bij gebruik van de auto in kustgebieden met een dikkere laag was of conserveringsmiddel. U kunt eventueel vaseline of een ander beschermingsmiddel gebruiken.
Onderhoud van de onderzijde
Zand en pekel kunnen zich ophopen aan de onderzijde van de carrosserie. Als deze middelen niet verwijderd worden, kan versnelde roestvorming optreden aan onderdelen aan de onderzijde van de carrosserie zoals brandstofleidingen, subframes, bodemplaat en uittlaatsysteem, ook al zijn deze onderdelen tegen corrosie beschermd.
Spoel daarom de onderzijde van de carrosserie en de wielkuipen eenmaal per maand, na het rijden op stoffige of modderige wegen en aan het eind van de winter grondig schoon met lauw of koud water. Besteed hieraan de nodige zorg; de opeenhopingen zijn niet altijd even gemakkelijk te zien. Als u het vuil alleen maar nat maakt zonder het te verwijderen, is het effect averechts. Houd ook de afvoeropeningen in portieren en dorpels te allen tijde open. Water dat in portieren en dorpels blijft staan, veroorzaakt roestvorming van binnenuit.
WAARSCHUWING
Test na het wassen de remmen van uw auto bij lage snelheid om te controleren of de remwerking door binnengedrongen water beïnvloed is. Droog de remmen door het rempedaal bij lage snelheid licht in te trappen wanneer de remprestaties verminderd zijn.


Onderhoud van lichtmetalen velgen
De lichtmetalen velgen zijn voorzien van een beschermende transparante laklaag.
- Gebruik voor het reinigen van lichtmetalen velgen geen schuur of polijstmiddelen, oplosmiddelen of een staalborstel. Deze kunnen de laklaag aantasten.
- Gebruik uitsluitend een zachte zeep of een neutraal oplosmiddel en spoel grondig na met water. Let er ook op de velgen te reinigen nadat u over wegen met pekel gereden heeft. Dit helpt corrosie te voorkomen.
- Vermijd het wassen van de velgen met behulp van de sneldraaiende borstels in de automatische wasserette.
- Gebruik geen bijtende middelen. Deze kunnen schade en corrosie van de velgen veroorzaken, die zijn voorzien van een beschermende transparante laklaag.
ONDERHOUD INTERIEUR
Onderhoud interieur - Algemeen
Voorkom dat bijtende vloeistoffen als parfum en cosmetische oliën in aanraking komen met het dashboard, omdat deze beschadiging of verkleuring kunnen veroorzaken. Indien deze stoffen toch met het dashboard in aanraking komen, moeten ze direct worden verwijderd. Raadpleeg de instructies voor het reinigen van kunststof.
Reinigen van de interieurbekleding
Kunststof
Verwijder stof en los vuil van de kunststof bekleding met een plumeau of een stofzuiger. Reinig de kunststof oppervlakken met een vinylreiniger.
Stoffen
Verwijder stof en los vuil van de stoffen bekleding met een plumeau of een stofzuiger. Reinig met een zachte zeepoplossing die geschikt is voor bekleding of vloerbedekking. Verwijder nieuwe vlekken onmiddellijk met een vlekkenverwijderaar. Wanneer nieuwe vlekken niet direct verwijderd worden, kunnen er permanente vlekken of verkleuringen in de bekleding achterblijven. Daarnaast kunnen de brandwerende eigenschappen verminderen wanneer de bekleding niet op de juiste wijze wordt onderhouden.
VOORZICHTIG
Het gebruik van andere dan de voorgeschreven reinigingsmiddelen en procedures kan het uiterlijk van de stof aantasten en de brandwerende eigenschappen verminderen.
Reinigen van de veiligheidsgordels
Reinig de gordels met een zachte zeepoplossing die speciaal geschikt is voor het reinigen van bekleding en tapijt. Volg de aanwijzingen op het etiket van het reinigingsmiddel. Bleek of verf de gordels nooit omdat dit een negatieve invloed op de sterkte van de gordel kan hebben.
Reinigen van de binnenzijde van de ruiten
Als de ruiten aan de binnenzijde snel beslagen raken (vette aanslag), moeten ze gereinigd worden met een speciale glasreiniger. Volg de aanwijzingen op het etiket van de glasreiniger.
* OPMERKING
Ga niet met scherpe voorwerpen over de binnenzijde van de achterruit. Hierdoor kunnen de draden van de achterruitverwarming beschadigd raken.
De hierna volgende specificaties dienen uitsluitend ter informatie. Uw officièle Kia-dealer kan u nauwkeuriger en meer up-to-date informatie verschaffen.
Afmetingen
| Onderwerp | mm |
| Totale lengte | 3.495 |
| Totale breedte | 1.595 |
| Totale hoogte | 1.480 |
| Spoorbreedte vóór | 1.400 |
| Spoorbreedte achter | 1.385 |
| Wielbasis | 2.370 |
Banden
| Bandenmaat | Velgmaat | Bandenspa-nningbar (psi,kPa) | Aanhaalmomentwielmoeren kg•m(lb•ft, N•m) | |
| Voor | Achter | |||
| 155/70 R13 | 4.5J x 13 | 2,1(30, 210) | 2,1(30, 210) | 9~11(65~79, 88~107) |
| 165/60 R14 | 5J x 14 | |||
| 175/50 R15 | 5.5J x 15 | |||
Capaciteiten
| Smeermiddel/vloeistof | Inhoud | Classificatie | |
| Motorolie " | 3,0 / | API Service SJ, SL of hoger, ILSAC GF-3 of hoger | |
| Vloeistof handgeschakelde transmissie | 1,9 / | API GL-4 SAE 75W-85 (gevuld voor de totale levensduar van de auto) | |
| Automatische-transmissievloeistof | 5,2 / | ESSO JWS 3314 | |
| Stuurbekrachtiging | 0,8 / | PSF-III | |
| Koelvloeistof | Handgeschakelde transmissie | 3,76 / | Op ethyleenglycolbasis voor een aluminium radiateur |
| Automatische transmissie | 3,86 / | ||
| Rem- en koppelingsvloeistof | 0,7~0,8 / | FMVSS116 DOT-3 of DOT-4 | |
| Brandstof | 35 / | - | |
*1 Zie de SAE-viscositeitsindex op bladzijde 7-56.
Gloeilampen
| Gloeilamp | Watt |
| Koplampen (dimlicht/grootlicht) | 55/60 |
| Lampen richtingaanwijzers voor | 21 |
| Parkeerlichten | 5 |
| Richtingaanwijzers opzij(indien van toepassing) | 5 |
| Mistlampen vóór(indien van toepassing) | 27 |
| Rem-/achterlichten | 21/5 |
| Richtingaanwijzers achter | 21 |
| Achteruitrijlicht | 21 |
| Mistachterlicht (indien van toepassing) | 21 |
| Derde remlicht (indien van toepassing) | 17 |
| Kentekenplaatverlichting | 5 |
| Interieurverlichting | 10 |
| Bagageruimteverlichting | 5 |

Aandrijfriemen....7-22
Accu 7-37
Achterruitverwarming....4-41
Afstandsbediening 3-4
Airbag - aanvullend veiligheidssysteem....3-56
Alarmknipperlichten 4-42
Antenne 3-91
Antidiefstalsysteem 4-53
Automatische transmissie....4-6,7-27
B
Bagagenet....3-90
Banden en wielen 7-40
Bescherming elektrische circuits....6-7
C
Contactslot 4-2
D
Door de eigenaar uit te voeren onderhoudswerkzaamheden 7-10
E
Emissieregelsysteem....5-3
H
Handbediend verwarmings-en ventilatiesysteem .. 4-43
Handgeschakelde transmissie....4-5,7-25
Hoe gebruikt u deze handleiding....1-2
1
Informatie op labels....5-22
Inrijden van het voertuig....1-3
Instrumentenpaneel 4-23
Motorolie en oliefilter....7-14
Motorruimte....7-13
0
Onderhoud bij verzwaard gebruik .... 7- 8
Onderhoud exterieur 7-57
Onderhoud interieur 7-61
Onderhoudsschema bij normaal gebruik .....7- 5
Onderhoudswerkzaamheden....7-3
Opbergvak 3-84
Overbelading 5-21
Overige voorzieningen....3-86
Oververhitting 6-3
Overzicht dashboard 2-5
Overzicht exterieur 2-2
Overzicht interieur....2-4
P
Parkeerrem....7-21
R
Remmen en koppeling 7-20
Remsysteem 4-13
Rijden met een aanhanger....5-13
Ruiten....3-13
Ruitenwisserbladen 7-35
Ruitenwissers en ruitensproeiers....4-38
S
Slepen 6-14
Sleutels 3-2
Sloten 3-8
Smeermiddelen en vloeistoffen 7-30
Speciale omstandigheden....5-7
Specificaties 8-2
Specificaties smeermiddelen 7-55
Spiegels....3-80
Startblokkering 3-7
Starten met hulpaccu....6-4
Starten van de motor....4-4
Stoelen 3-16
Stuurbekrachtiging 7-23
Stuurwiel....4-20,7-24
Suggesties voor brandstofbesparing .... 5- 6
T
Tankdopklep....3-77
V
Veiligheidsgordels....3-32
Vereiste brandstof 5-2
Verlichting 4-33
Vervangen van lampen....7-48
Voor het rijden....5-5
Voorruit ontdooien en ontwasemen....4-52

Index
W
Waarschuwings- en controlelampjes....4-26
Waarschuwingssignalen....6-2
Wiel verwisselen bij een lekke band ..... 6-20
A070-H051E
(네덜란드어/유럽)

KIA MOTORS