Laguna (2005) - Automobiel RENAULT - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Laguna (2005) RENAULT in PDF-formaat.
| Type product | Auto |
| Merk | Renault |
| Model | Laguna (2005) |
| Categorie | Personenauto |
| Lengte (mm) | 4.578 |
| Breedte (mm) | 1.772 |
| Hoogte (mm) | 1.433 |
| Leeggewicht (kg) | 1.325 - 1.515 |
| Brandstoftype | Benzine of diesel |
| Motorinhoud (cm³) | 1.6 - 2.0 (benzine) / 1.9 - 2.2 (diesel) |
| Vermogen (pk) | 98 - 170 |
| Transmissie | Handmatig (5/6 versn.) of automatisch |
| Brandstofverbruik (l/100km) | 6,0 - 10,0 |
| CO2-uitstoot (g/km) | 140 - 230 |
| Veiligheidssystemen | ABS, ESP, airbags (voor, zij, gordijn) |
| Bandenspanning (bar) | 2,2 - 2,5 |
| Oliecapaciteit (liter) | 4,5 - 5,5 (afhankelijk van motor) |
| Onderhoudsinterval (km) | 30.000 of 2 jaar |
| Versnellingsbakolie (liter) | 2,0 - 2,5 |
| Koelvloeistof (liter) | 6,0 - 7,0 |
| Batterij | 12V, 60-70 Ah |
| Stuurinrichting | Elektrische of hydraulische stuurbekrachtiging |
Veelgestelde vragen - Laguna (2005) RENAULT
Gebruikersvragen over Laguna (2005) RENAULT
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Laguna (2005) - RENAULT en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Laguna (2005) van het merk RENAULT.
GEBRUIKSAANWIJZING Laguna (2005) RENAULT
| Alle motortypes behalve diesel 1.9 dCi met roetfilter | ELF EXCELLIUM LDX 5W-40 ACEA A3 / B4Optimale prestaties, maximale bescherming onder extreme omstandighedenAlle omstandigheden | |
| ELF EVOLUTION SXR 5W-40 ACEA A3 / B4Optimale prestatiesAlle omstandigheden | ||
| Motor 1.9 dCi met roetfilter | ELF SOLARIS RNX 5W-30 ACEA C3Optimale prestaties, duurzame bescherming van het roetfilter en milieuvriendelijkAlle omstandigheden | |
| Benzine- en LPG-motors alle types | ELF EVOLUTION SXR 5W-30 ACEA A5 / B5Lager brandstofverbruik, bescherming van de motor en milieuvriendelijkAlle omstandigheden | |
| Benzine- en LPG-motors alle types | ELF COMPETITION ST 10W-40 ACEA A3 / B4Andere door RENAULT goedgekeurde motorolie, voor normaal gebruik | |
| 6-versnellingsbak5-versnellingsbakAutomatische transmissie | TRANSELF TRP 75W-80 API GL5TRANSELF TRJ 75W-80 API GL5RENAULTMATIC D3 SynUitvoeringen V6, 2.0 T en 2.2 dCi: raadpleeg uw RENAULT-dealer | DEXRON III |
| RENAULT raadt de goedgekeurde ELF oliën aan voor bijvullen en verversen.Raadpleeg het onderhoudsboekje voor de voor uw auto geschikte motorolie.Raadpleeg uw RENAULT-dealer, of kijk op de website www.lubrifiants.elf.com | ![]() | |
RENAULT heet u van harte welkom in uw RENAULT
In dit instructieboekje worden aanwijzingen gegeven voor de bediening en het onderhoud, zodat u:
- uw RENAULT goed leert kennen waardoor u al zijn kwaliteiten en zijn vele mogelijkheden ten volle kunt benutten.
- door het opvolgen van eenvoudige - maar beslist noodzakelijke - onderhoudsvoorschriften, de prestaties optimaal kunt houden.
- zonder overbodig tijdverlies zelf kleine storingen kunt verhelpen waarvoor geen specialist nodig is.
Door dit instructieboekje zorgvuldig te bestuderen, wordt u geïnformeerd over zijn mogelijkheden, de wijze waarop u deze kunt gebruiken en over de nieuwe technieken die in deze auto zijn toegepast. Indien bepaalde onderwerpen u niet geheel duidelijk zijn, dan zijn de technici in onze dealer-organisatie graag bereid u te informeren.
Om het lezen van dit boekje voor u te vergemakkelijken gebruiken wij het volgende symbool:

Om een gevaar of een veiligheidsadvies aan te geven.
Dit instructieboekje is tot stand gekomen aan de hand van de gegevens die op het moment van samenstelling van dit boekje bekend waren. In dit boekje staan alle mogelijke uitrustingen (standaard of optioneel) van dit model beschreven, de aanwezigheid ervan in de auto is afhankelijk van de uitvoering, de gekozen opties en het land van aflevering. Ook kunnen er uitrustingen zijn opgenomen die pas op een later tijdstip in de auto zullen worden toegepast.
Wij wensen u goede reis in uw RENAULT.
Gehele of gedeeltelijke nadruk of vertaling is verboden zonder schriftelijke toestemming van RENAULT, 92100 Billancourt 2005, Frankrijk.
In één oogopslag
- Bandenspanning 0.04 - 0.05
- RENAULT card afstandsbediening: gebruik 1.02 →1.09
- Kinderzitjes 1.37 → 1.47
- Waarschuwingslampjes (instrumentenpaneel) 1.53 →1.68
- Starten/stilzetten motor 2.03 → 2.06
- Rijden 2.02 → 2.40
Parkeerrem 2.12 → 2.14
Controlesysteem bandenspanning 2.19 →2.22
Elektronisch Stabiliteits Programma: ESP 2.23 - 2.24
Tractiecontrole: ASR 2.25 - 2.26
Noodstopbekrachtiging: BAS 2.29
Snelheidsregelaar/-begrenzer 2.30 →2.35
Parkeerhulp 2.36 - 2.37 - Verwarming/airconditioning 3.02 →3.19
- Motorkap/onderhoud 4.02 →4.15
- Praktische tips (vervangen lampen, zekeringen, storingen verhelpen) 5.02 →5.44
I N H O U D
Hoofdstuk
Ken uw auto ....
Rijden ....
Comfort ....
Onderhoud ....
Praktische tips ....
Alfabetische inhoudsopgave ....
1
2
3
4
5
6
7
BANDENSPANNING (in bar of kg/cm² koud)
| Hatchback | 1.6 16V - 2.0 16V2.0 T | 3.0 V6 1.9 dCi | 2.0 dCi2.2 dCi2.0 T |
| Type van de auto(zie constructeursplaatje) | BG1H - BG1G - BG1LBG0P - BG0W - BG0Z | BG0K - BG0Y BG0G - BG1ABG1V - BG10BG1W - BG05 | BG0F - BG11BG0TBG1T - BG1S |
| Niet op autosnelweg• Voor 2,0(1) 2,3 2,2 2,3• Achter 2,0 2,1 2,1 2,1 | |||
| Op autosnelweg (2)• Voor 2,3(1) 2,7 2,5 2,7• Achter 2,2 2,2 2,2 2,2 | |||
| Reservewiel | 2,3 2,7 2,5 2,7 | ||
| Velgmaat (3) | 6,5 J 15 - 6,5 J 16 - 7 J 17 | ||
| Bandenmaat (3) | 195/65 R 15 H - 205/55 R 16 H of V - 205/60 R 16 V - 225/45 R 17 V | ||
Veiligheid van de banden en gebruik van sneeuwkettingen
Raadpleeg de paragraaf "banden" in hoofdstuk 5 voor het onderhoud en de mogelijkheid voor het gebruik van sneeuwket- tingen (afhankelijk van de uitvoering).
(1) Auto met automatische transmissie: aan voorzijde 0,1 bar toevoegen.
(2) Bijzonderheid vol belaste auto (maximum toegelaten totale massa) met een aanhangwagen.
De maximum snelheid is 100 km/u en de bandenspanning moet worden verhoogd met 0,2 bar.
De massa's staan aangegeven in de paragraaf "massa's" in hoofdstuk 6.
(3) De maten van de velgen en van de banden is afhankelijk van de uitvoering en van het land van aflevering.
BANDENSPANNING (in psi koud)
| Hatchback | 1.6 16V - 2.0 16V2.0 T | 3.0 V6 1.9 dCi | 2.0 dCi2.2 dCi2.0 T |
| Type van de auto(zie constructeursplaatje) | BG1G - BG1H - BG0PBG0Z - BG0WBG1L | BG0K - BG0Y BG0G - BG1VBG1A - BG10BG1W - BG05 | BG0F - BG11BG0TBG1T - BG1S |
| Niet op autosnelweg• Voor 29(1) 33 32 33• Achter 29 30 30 30 | |||
| Op autosnelweg (2)• Voor 33(1) 39 36 39• Achter 32 32 32 32 | |||
| Reservewiel | 33 39 36 39 | ||
| Velgmaat (3) | 6,5 J 15 - 6,5 J 16 - 7 J 17 | ||
| Bandenmaat (3) | 195/65 R 15 H - 205/55 R 16 H of V - 205/60 R 16 V - 225/45 R 17 V | ||
Veiligheid van de banden en gebruik van sneeuwkettingen
Raadpleeg de paragraaf "banden" in hoofdstuk 5 voor het onderhoud en de mogelijkheid voor het gebruik van sneeuwket- tingen (afhankelijk van de uitvoering).
(1) Auto met automatische transmissie: aan voorzijde 2 PSI toevoegen.
(2) Bijzonderheid vol belaste auto (maximum toegelaten totale massa) met een aanhangwagen.
De maximum snelheid is 100 km/u en de bandenspanning moet worden verhoogd met 3 PSI.
De massa's staan aangegeven in de paragraaf "massa's" in hoofdstuk 6.
(3) De maten van de velgen en van de banden is afhankelijk van de uitvoering en van het land van aflevering.
BANDENSPANNING (in bar of kg/cm² koud)
| Break | 1.6 16V - 2.0 16V2.0 T | 3.0 V6 1.9 dCi | 2.0 dCi2.2 dCi2.0 T |
| Type van de auto(zie constructeursplaatje) | KG1G - KG1H - KG1LKG0P - KG0W - KG0Z | KG0Y - KG1K KG0G - KG1EKG1A - KG1VKG1W - KG1FKG10 - KG05 | KG0F - KG11KG0TKG1T - KG1S |
| Niet op autosnelweg• Voor 2,0(1) 2,3 2,2 2,3• Achter 2,0 2,1 2,1 2,1 | |||
| Op autosnelweg (2)• Voor 2,3(1) 2,7 2,5 2,7• Achter 2,2 2,2 2,2 2,2 | |||
| Reservewiel | 2,3 2,7 2,5 2,7 | ||
| Velgmaat (3) | 6,5 J 15 - 6,5 J 16 - 7 J 17 | ||
| Bandenmaat (3) | 195/65 R 15 H - 205/55 R 16 H of V - 205/60 R 16 V - 225/45 R 17 V | ||
Veiligheid van de banden en gebruik van sneeuwkettingen
Raadpleeg de paragraaf "banden" in hoofdstuk 5 voor het onderhoud en de mogelijkheid voor het gebruik van sneeuwket- tingen (afhankelijk van de uitvoering).
(1) Auto met automatische transmissie: aan voorzijde 0,1 bar toevoegen.
(2) Bijzonderheid vol belaste auto (maximum toegelaten totale massa) met een aanhangwagen.
De maximum snelheid is 100 km/u en de bandenspanning moet worden verhoogd met 0,2 bar.
De massa's staan aangegeven in de paragraaf "massa's" in hoofdstuk 6.
(3) De maten van de velgen en van de banden is afhankelijk van de uitvoering en van het land van aflevering.
BANDENSPANNING (in psi koud)
| Break | 1.6 16V - 2.0 16V2.0 T | 3.0 V6 1.9 dCi | 2.0 dCi2.2 dCi2.0 T | |
| Type van de auto(zie constructeursplaatje) | KG1G - KG1H - KG1LKG0P - KG0W - KG0Z | KG1K - KG0Y KG | G0G - KG1EKG1A - KG1VKG05 - KG1WKG1F - KG10 | KG0F - KG11KG0TKG1T - KG1S |
| Niet op autosnelweg• Voor 29(1) 33 32 33• Achter 29 30 30 30 | ||||
| Op autosnelweg (2)• Voor 33(1) 39 36 39• Achter 32 32 32 32 | ||||
| Reservewiel | 33 39 36 39 | |||
| Velgmaat (3) | 6,5 J 15 - 6,5 J 16 - 7 J 17 | |||
| Bandenmaat (3) | 195/65 R 15 H - 205/55 R 16 H of V - 205/60 R 16 V - 225/45 R 17 V | |||
Veiligheid van de banden en gebruik van sneeuwkettingen
Raadpleeg de paragraaf "banden" in hoofdstuk 5 voor het onderhoud en de mogelijkheid voor het gebruik van sneeuwkettingen (afhankelijk van de uitvoering).
(1) Auto met automatische transmissie: aan voorzijde 2 PSI toevoegen.
(2) Bijzonderheid vol belaste auto (maximum toegelaten totale massa) met een aanhangwagen.
De maximum snelheid is 100 km/u en de bandenspanning moet worden verhoogd met 3 PSI.
De massa's staan aangegeven in de paragraaf "massa's" in hoofdstuk 6.
(3) De maten van de velgen en van de banden is afhankelijk van de uitvoering en van het land van aflevering.
Hoofdstuk 1: Ken uw auto
RENAULT card afstandsbediening: algemeen, gebruik, extra portiervergrendeling .... 1.02 → 1.09
Portieren 1.10 → 1.15
Startvergrendeling 1.16 - 1.17
Hoofdsteunen - Stoelen 1.18 → 1.25
Autogordels 1.26 →1.29
Aanvullende veiligheidsvoorzieningen 1.30 →1.36
voorin 1.29 →1.33
achterin 1.34
zijkant 1.35
Voor de veiligheid van de kinderen 1.37 →1.47
Uitschakelen passagiersairbag voorin 1.45 →1.47
Bedieningsorganen 1.48 →1.51
Instrumentenpaneel 1.52 →1.67
Infoscherm 1.58 →1.63
Boordcomputer 1.64 →1.67
Klokje en buitentemperatuur 1.68
Stuurwiel 1.69
Spiegels 1.70 - 1.71
Claxon - Lichtsignalen 1.72
Verlichting en richtingaanwijzers 1.73 →1.75
Afstellen van de koplampen 1.76
Ruitenwissers / Sproeiers 1.77 →1.79
Brandstof tanken 1.80 - 1.81
RENAULT CARDS: algemeen

Deze is herkenbaar aan de twee knopjes 1 en 2.
Hiermee kunt u:
- de portieren, de achterklep en de tankdopklep ontgrendelen of vergrendelen (zie de volgende bladzijden);
- afhankelijk van de auto, de ruiten en het open dak automatisch sluiten (zie hiervoor de paragrafen "automatische bediening van de ruiten" en "open dak" in hoofdstuk 3);
- bepaalde voorzieningen bedienen (bijv.: radio, elektrische stoelen);
- de motor starten (zie paragraaf "starten van de motor" in hoofdstuk 2).
RENAULT CARDS: algemeen (vervolg)

Deze is herkenbaar aan de drie knopjes 1, 2 en 3.
Hiermee kunt u:
- als u dat wenst, automatisch de portieren, de achterklep en de tankdopklep ontgrendelen of vergrendelen;
- de portieren, de achterklep en de tankdopklep handmatig ontgrendelen of vergrendelen (zie de volgende bladzijden);
- afhankelijk van de auto, de ruiten en het open dak automatisch sluiten (zie hiervoor de paragrafen "automatische bediening van de ruiten" en "open dak" in hoofdstuk 3);
- bepaalde voorzieningen bedienen (bijv.: radio, elektrische stoelen);
- de motor starten (zie hoofdstuk 2, paragraaf "starten van de motor").
- de "uitschakelvertraging" bedienen (raadpleeg de paragraaf "verlichting en richtingaanwijzers" in hoofdstuk 1).
RENAULT CARDS: algemeen (vervolg)

De RENAULT cards A en B werken op een batterij die vervangen moet worden als het controlelampje van de batterij 4 niet meer oplicht (zie paragraaf "RENAULT card: batterij", hoofdstuk 5)

Bijzonderheid: voor sommige auto's is het mogelijk om in de RENAULT card gekozen instellingen door de gebruiker van de RENAULT card vast te leggen: de instellingen van de thermostatische regeling van de verwarming en de airconditioning, de instellingen van sommige radio's, de afstelling van de elektrisch verstelbare stoel (als deze een geheugen heeft), de stand van de spiegels. Het is dus raadzaam om steeds dezelfde RENAULT card te gebruiken om op deze manier steeds uw persoonlijke instellingen terug te vinden.
Bereik van de RENAULT card
Het bereik van de RENAULT card wordt beïnvloed door de omgeving. Let er bij het vasthouden van de RENAULT card op dat de portieren niet per ongeluk worden vergrendeld of ontgrendeld!

Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Laat uw RENAULT card nooit in de kaartlezer zitten of in de auto liggen als u de auto verlaat en er een kind (of dier) in de auto zit. Het kind zou de motor kunnen starten of bij- voorbeeld de ruiten kunnen be- dienen en door het sluiten ervan ernstig worden verwond aan hals, arm, of hand als deze uit de auto steken. Gevaar voor ernstige verwondingen.
RENAULT CARDS: algemeen (vervolg)

Ingebouwde noodsleutel 5 of afzonderlijke noodsleutel 6(afhankelijk van de auto)
Deze hoeft maar zelden gebruikt te worden: hiermee kan het linker voorportier ontgrendeld of vergrendeld worden als de RENAULT card niet werkt:
- de auto bevindt zich in een sterk elektromagnetisch veld;
- gebruik van apparatuur die met dezelfde frequentie werkt als de card;
- batterij van de RENAULT card leeg, accu ontladen, enz.

Voor het gebruik van de noodsleutel, raadpleegt u de paragraaf "vergrendelen/ontgrendelen van de portieren".
Na het openen van de auto met de noodsleutel, steekt u de RENAULT card in de kaartlezer om te kunnen starten.
Vervangen of extra RENAULT card
Bij verlies of indien u een andere RENAULT card wenst, kunt u deze uitsluitend bij uw RENAULT-dealer bestellen.
Het vervangen van een RENAULT card moet altijd bij een RENAULT-dealer gebeuren. Het systeem moet met alle RENAULT cards worden ingelezen.
Het is mogelijk maximaal vier RENAULT cards per auto te gebruiken.
Storing van de RENAULT card.
Zorg ervoor dat de batterij van de RENAULT card in goede staat verkeert. Zijn levensduur is ongeveer twee jaar.
Raadpleeg de paragraaf "RENAULT card: batterijen" in hoofdstuk 5.
RENAULT CARD AFSTANDSBEDIENING: gebruik

Druk het ontgrendelknopje 1 in.
Het ontgrendelen ziet u aan het één keer oplichten van de knipperlich- ten.
Bijzonderheid (voor sommige landen):
- door één keer o p het kn o p je 1 te drukken, ontgrendelt u uitsluitend het bestuurdersportier,
- door twee keer achter elkaar op het knopje 1 te drukken, ontgrendelt u alle portieren.
Portieren vergrendelen
Druk het vergrendelknopje 2 in.
Het vergrendelen ziet u aan het twee keer oplichten van de knipper- lichten.
- als een voorportier niet goed gesloten is, worden de portieren niet vergrendeld en lichten de knipperlichten niet op.
- als een van de andere portieren niet goed gesloten is, lichten de knipperlichten niet op.
RENAULT CARD HANDSFREE AFSTANDSBEDIENING: gebruik

Draag de RENAULT card bij u en loop naar de auto.
Zodra u uw hand in de handgreep van een portier (deur of achterklep) steekt, ontgrendelen de sloten zich automatisch.
Het ontgrendelen ziet u aan het één keer oplichten van de knipperlichten.
Portieren vergrendelen
Draag de RENAULT card bij u. Na- dat de portieren gesloten zijn, loopt u w e g v a n d e a u t o: de portieren ver- grendelen zich automatisch.
N.B.: de afstand waarop de auto vergrendeld wordt, hangt af van de omgeving.
Het vergrendelen is zichtbaar door het twee keer oplichten van de knipperlichten, en het vast oplichten van de zijknipperlichten (gedurende ongeveer 10 secondes) en er klinkt een geluidssignaal.
Dit geluidssignaal kan op verschillende manieren worden ingesteld of worden uitgeschakeld, raadpleeg uw RENAULT-dealer.

RENAULT CARD HANDSFREE AFSTANDSBEDIENING: gebruik (vervolg)

Handsfree functie opheffen
Als u over wilt gaan naar de handbediende functie, verlaat u de hands-free functie door de portieren te vergrendelen of ontgrendelen door een druk op toets 1 of 2.
De werking van de RENAULT card is dezelfde als hiervoor beschreven in de paragraaf "RENAULT card afstandsbediening: gebruik" wat betreft de vergrendeling en ontgrendeling van de portieren.
Teruggaan naar handsfree func- tie
De handsfree functie wordt weer actief bij het aanzetten van het contact.
Functie "verlichting op afstand"
Hiermee kan de auto op afstand herkend worden, bijvoorbeeld op een parkeerterrein.
Door het indrukken van toets 3 gaan de markeringslichten, de dimlichten, de zijknipperlichten en de binnenverlichting gedurende ongeveer 30 secondes branden.
N.B.: door opnieuw op toets 3 te drukken gedurende de 30 secondes gaat de verlichting weer uit.

EXTRA VERGRENDELING

Met deze functie worden de portieren vergrendeld en kunnen ze niet van binnenuit geopend worden (bijv. in geval van het inslaan van een ruit, waarna iemand wil probe- ren het portier van binnenuit te openen).

Om deze extra portiervergrendeling te activeren, kunt u:
- ofwel twee keer kort de knop 2 in- drukken;
- ofwel één keer lang de knop 2 in- drukken.
Het vergrendelen ziet u aan het vier keer oplichten van de knipperlichten.
Bijzonderheid: de extra vergrendeling werkt niet als de knipperlichten of de markeringslichten branden.
Bijzonderheden van de hands-free functie
Door het gebruik van de extra portiervergrendeling wordt de hands-free functie uitgeschakeld.
Om de portieren te ontgrendelen drukt u op de knop 1 (raadpleeg de paragraaf RENAULT card hands-free: gebruik).
De handsfree functie wordt weer actief bij het aanzetten van het contact.

Gebruik nooit de extra portiervergrendeling als er nog iemand in de auto zit!
PORTIEREN OPENEN EN SLUITEN

Als u de portieren ontgrendeld heeft met behulp van de RENAULT card, pakt u de handgreep 1 en trekt deze naar u toe om het portier te openen.

Openen van binnenuit
Trek aan de handgreep 2.
Waarschuwingssignaal verlichting brandt nog
Als bij het openen van een portier de lichten nog branden terwijl het contact is afgezet dan klinkt er een signaal om u te waarschuwen dat de accu wordt ontladen.
PORTIEREN OPENEN EN SLUITEN (vervolg)

Veiligheid van de kinderen
Auto's uitgerust met schakelaar 3 met ingebouwd lampje
Druk op de schakelaar 3 om de functies ruitbediening achter en openen van de portieren achter op te heffen.
Het oplichten van het controlelamp- je bevestigt de portiervergrendeling.

In geval van storing hoort u een geluidssignaal en licht het ingebouwde controlelampje niet op.

Veiligheid inzittenden achter
De bestuurder kan de wer- king van de ruitbediening
en van de achterportieren uitschakelen door de schakelaar 3 aan de kant van de afbeelding in te drukken.
Verantwoordelijkheid van de be- stuurder
Laat nooit de RENAULT card in de auto liggen als u de auto achterlaat meteen kind (of eendier) kind zouderuitenkunnen en door het sluiten ervan ernstig worden verwond aan hals, arm, of hand als deze uit de auto steken. In geval van beknelling, draait u direct de bewegingsrichting om met behulp van de betreffende schakelaar.

Een achterportier kan niet van binnenuit worden geopend als u het knopje 4 omzet. Controleer of het portier inderdaad niet van binnenuit geopend kan worden. Herhaal
er in dit bij het andere achterportier. nen bedie-
PORTIEREN VERGRENDELEN / ONTGRENDELEN
Vergrendelen/ontgrendelen van de portieren van buitenaf
Dit gebeurt met de RENAULT card: z i e d e p a r a g r a f e n "RENAULT card" in hoofdstuk 1.
In sommige gevallen werkt de RENAULT card niet:
- de auto bevindt zich in een sterk elektromagnetisch veld;
- gebruik van apparaten die op dezelfde frequentie als de card werken (mobiele telefoon, enz.);
- batterij van de RENAULT card leeg, accu ontladen, enz.
In dat geval is het mogelijk:
- de noodsleutel te gebruiken (ingebouwd in de card of, afhankelijk van de auto, afzonderlijk) voor het linker portier;
- de portieren één voor één met de hand te vergrendelen;
- de schakelaar voor het vergrendelen/ontgrendelen van de portieren in het interieur te gebruiken (raadpleeg de paragraaf "Schakelaar voor het vergrendelen/ontgrendelen van binnenuit" in hoofdstuk 1).

Gebruik van de ingebouwde noodsleutel 2
Verwijder het afdekplaatje A van het voorportier links (met behulp van het uiteinde van de noodsleutel) in de uitsparing 1.

Steek de sleutel 2 in het slot en ont-grendel of vergrendel het portier.
VERGRENDELEN / ONTGRENDELEN VAN DE PORTIEREN (vervolg)

Gebruik van de afzonderlijke noodsleutel 3 (afhankelijk van de auto)
Steek de sleutel 3 in het slot van het portier links en vergrendel of ont-grendel het portier.

Bij open portier moet u de schroef 4 draaien (met behulp van bijv. een schroevendraaier of iets dergelijks) en daarna het portier sluiten.
Het portier kan niet meer van bui- tenaf worden geopend.
U kunt het portier alleen nog van binnenuit openen.
VERGRENDELEN / ONTGRENDELEN VAN DE PORTIEREN (vervolg)

Schakelaar voor het vergrendelen/ontgrendelen van de portieren van binnenuit
De schakelaar 5 bedient gelijktijdig de portieren, de achterklep en de tankdopklep.
Als een portier (of achterklep) open of niet goed gesloten is, vergrendelen/ontgrendelen de portieren snel.
Vergrendelen van de portieren en kleppen zonder RENAULT card
Met contact uit en een open voorportier, druk langer dan vijf secondes op de schakelaar 5.
Bij het sluiten van het portier worden alle portieren en kleppen vergrendeld.
Het ontgrendelen van buitenaf van de auto is alleen mogelijk met de RENAULT card.

Laat nooit een RENAULT card in de auto liggen als u de auto verlaat.

Bedenk dat het rijden met vergrendelde portieren een belemmering kan zijn voor hulpverleners I van nood.

Waarschuwingslampje van de portieren
Met contact aan, geeft het waarschuwingslampje in de schakelaar 6 aan of de portieren wel of niet vergrendeld zijn:
- lampje brandt, de portieren zijn vergrendeld;
- lampje uit, de portieren zijn ont- grendeld.
Als u de portieren van buitenaf vergrendelt, blijft het controlelampje 6 gedurende ongeveer een minuut branden.
AUTOMATISCHE PORTIERVERGRENDELING TIJDENS HET RIJDEN
Bedenk eerst of u deze functie wilt gebruiken of niet.
Inschakelen van de functie
Zet het contact aan en houd de schakelaar 1 gedurende 5 secondes ingedrukt aan de kant "vergrendelen" (kantvanheth a bool), tot u een geluidssignaal hoort.
Uitschakelen van de functie
Zet het contact aan en houd de schakelaar 1 gedurende 5 secondes ingedrukt aan de kant "ontgrendelen" (kant tegenover het hangslotsymbool), tot u een geluidssignaal hoort.

Bedenk dat het rijden met vergrendelde portieren een belemmering kan zijn voor hulpverleners
in geval van nood.

De werking van het systeem
Na het wegrijden van de auto, vergrendelen de portieren automatisch als de auto de snelheid van ongeveer 10 km/u heeft bereikt.
De portieren ontgrendelen automatisch
- bij stilstaande auto door het openen van een voorportier.
N.B.: na het openen van een portier vergrendelt dit weer automatisch zodra de auto 10 km/u rijdt;
- als u op de schakelaar 1 voor het ontgrendelen van de portieren drukt.
Bij een storing
Als u een storing constateert (geen automatische vergrendeling, licht het lampje 2 dat in schakelaar 1 geïntegreerd is, niet op bij het vergrendelen van de portieren, enz.) controleer eerst of alle portieren goed gesloten zijn. Als de portieren goed gesloten zijn, moet u een RENAULT-dealer raadplegen.
STARTVERGRENDELING
Hierdoor kan de motor alleen worden gestart door de bezitter van de RENAULT card van de auto.
De auto wordt automatisch na enkele secondes na het stilzetten van de motor beveiligd.

Het kan gevaarlijk zijn om werkzaamheden uit te voeren aan het systeem van de startvergrende-
ling (rekeneenheid, bedrading enz.).
Dit mag alleen door deskundig RENAULT-personeel worden gedaan.

De werking van het systeem
Tijdens het starten brandt het controlelampje 1 gedurende enkele secondes en dooft daarna. Raadpleeg de paragraaf "starten van de motor" in hoofdstuk 2.
Als de auto het signaal niet accepteert gaan het lampje 1 en de kaartlezer continu snel knipperen en kunt u de auto niet starten.
Controle- en waarschuwings- lampjes
Indicatie van de beveiliging
Enkele secondes na het stilzetten van de motor, gaat het lampje 1 continu knipperen.
Controle van de werking van het systeem
Bij het aanzetten van het contact kunt u de motor starten. Het lampje 1 gaat gedurende ongeveer drie secondes branden waarna het dooft.
STARTVERGRENDELING (vervolg)

Waarschuwingslampje storing
Als het lampje 1 na het aanzetten van het contact blijft knipperen of continu blijft branden, wijst dit op een storing in het systeem.
Als de handsfree RENAULT card niet is herkend of is verstoord, steek deze dan in de kaartlezer 2.

In geval van storing in de RENAULT card (snel knipperen van het lampje 1 en van de kaartlezer 2), gebruik dan, indien mogelijk, de tweede RENAULT card (bij de auto geleverd).
U moet in deze gevallen contact opnemen met een RENAULT-dealer. Hij is de enige die aan de startver-grendeling mag werken.
HOOFDSTEUNEN VOOR

Hoofdsteun hoger zetten
Trek de hoofdsteun tot de gewenste hoogte omhoog.
Hoofdsteun lager zetten
Druk op de knop 1 en duw de hoofdsteun tot de gewenste stand omlaag.

Verwijderen van de hoofdsteun
Zet de hoofdsteun zo ver mogelijk omhoog. Druk op de knop 2 en trek de hoofdsteun omhoog tot hij vrijkomt.
N.B.: verander, als de hoofdsteun naar buiten is getrokken, niet de stand van de poten 3.

De hoofdsteun is een veiligheidsorgaan dat altijd op zijn plaats moet zitten. Hij geeft een maximale beveiliging als de bovenkant van de hoofdsteun op gelijke hoogte is met de kruin.

Hoofdsteun terugplaatsen
In het geval dat de poten ontregeld zijn, trekt u de poten 3 zo ver mogelijk naar buiten (let erop dat zij in lijn liggen en schoon zijn).
Controleer in geval van problemen of de tanden naar voren staan.
Steek de poten van de hoofdsteun in de houders (zet de rugleuning indien nodig schuin naar achteren).
Druk de hoofdsteun naar binnen tot deze blokkeert, controleer de vergrendeling.
Druk op de knop 1 en duw de hoofdsteun zo ver mogelijk omlaag.
HOOFDSTEUN ACHTER

Houd de hoofdsteun naar u toege- trokken terwijl u deze langzaam van boven naar beneden schuift.
De hoofdsteun zakt niet helemaal tot beneden. Druk hiervoor gelijktijdig op het lipje 1 en op de hoofdsteun.
Verwijderen
Druk op het lipje 1.
Terugplaatsen:
Plaats de poten van de hoofdsteun metdevertandingnaarvorenge- keerd in de geleiders en schuif hem in de gewenste stand.

Stand van de hoofdsteunen achter wanneer niet in gebruik
Druk het lipje 1 in en laat de hoofdsteun helemaal zakken.
De hoofdsteun in de onderste stand (helemaal naar beneden), is alleen toegestaan als de hoofdsteun niet gebruikt wordt. Indien er een passagier op de stoel zit, mag de hoofdsteun niet in de onderste stand gebruikt worden.

De hoofdsteun is een veiligheidsorgaan dat altijd op zijn plaats moet zitten. Hij geeft een maximale beveiliging als de afstand tussen de hoofdsteun en het achterhoofd zo klein mogelijk is en de bovenkant van de hoofdsteun op gelijke hoogte is met de kruin.
KINDERHOOFDSTEUN

Afhankelijk van de auto zijn de achterplaatsen aan de zijkant uitgerust met een kinderhoofdsteun.
Deze hoofdsteun heeft een dubbele functie:
- gebruik kind (3 tot 10 jaar)
- gebruik volwassene.
De twee hoofdsteunen worden apart in een verpakking geleverd, let bij het plaatsen op de rechter en linker kant.
Als de hoofdsteunen geplaatst zijn, kunt u de originele hoofdsteunen in de verpakking bewaren.

Trek de hoofdsteun naar u toe en verschuif deze gelijktijdig tot de aanbevolen hoogte (zie figuur A).

De hoofdsteun is een veiligheidsorgaan, dat altijd op zijn plaats moet zitten.
Verwijderen van de hoofdsteun
Druk op het lipje 1 en trek de hoofdsteun omhoog tot hij vrijkomt.
Hoofdsteun terugplaatsen
De hoofdsteun moet gemonteerd worden met de houder voor de halsriem 2 aan de kant van het portier. Plaats de poten van de hoofdsteun in de geleiders en schuif hem in de gewenste stand.
KINDERHOOFDSTEUN (vervolg)

Gebruik kind (3 tot 10 jaar)
Til degrendel 4 op, verwijder de riem 3, druk daarnadegre naar beneden. Laat het kussen B helemaal zakken.
Installeer het kind op de stoel. De twee zijdelingse geleidingen 5 moeten aan elke kant van de hals lopen. Stel daarna de hoogte van de hoofdsteun af: de onderkant van de zijdelingse geleidingen 5 moet ongeveer twee centimeter boven de schouders zijn.
Voor meer comfort voor de inzitten- de, laat u de gordel in de houder 2 lopen. Op de sticker C staat hoe u te werk moet gaan.

4 De kinderhoofdsteun mag alleen gebruikt worden als aanvulling op een verhoogd zitkussen dat
goedgekeurd is voor de categorie 2 (15 tot 25 kg) en 3 (22 tot 36 kg). Raadpleeg paragraaf: "voor de veiligheid van de kinderen" in hoofdstuk 1.
In alle andere gevallen, moet het kussen B altijd omhoog staan en vergrendeld zijn.
Deze hoofdsteun past niet bij zittingverhogers met een rugleuning. Zittingverhogers die RENAULT-dealers verkopen, worden aanbevolen.

De kinderhoofdsteun is uit- sluitend bestemd voor de zijplaatsen achter van deze auto. Het mag nooit op een plaats of in een andere auto lleerd worden.
KINDERHOOFDSTEUN (vervolg)

Weer sluiten van de hoofdsteun
Til de grendel 4 op, sluit het kussen B volledig, steek de gordel 3 erin, breng daarnadegrende om hem te vergrendelen. Controleer of het goed vergrendeld is.

Opbergstand kinderhoofdsteun
Druk op het lipje 1 van de hoofdsteungeleider en zet de hoofdsteun helemaal analag.
De hoofdsteun in de onderste stand (opbergstand), is alleen toegestaan als de hoofdsteun niet gebruikt wordt. Indien er een passagier op de stoel zit, mag de hoofdsteun niet in de onderste stand gebruikt worden.
VOORSTOELEN ZONDER ELEKTRISCHE VERSTELLING

Naar voren of naar achteren schui- ven
Trek de beugel 1 omhoog om de stoel te ontgrendelen. In de gewenste stand laat u de beugel los. Controleer of de zitting vergrendeld is.
Rugleuning verstellen
Trek beugel 2 omhoog tot de rugleuning in de gewenste stand staat.
Lendensteun van de bestuurders- stoel verstellen:
Beweeg hendel 5.

Hoogte van de zitting van de be- stuurdersstoel verstellen:
Trek aan de hendel 3 zo vaak als dit nodig is:
- naar boven om het zitkussen hoger te zetten;
- naar beneden om het zitkussen lager te zetten.
Stoelverwarming
Contact aan, druk op schakelaar 4 (een controlelampje op het instrumentenpaneel licht op).

Om veiligheidsredenen mogen deze afstellingen alleen uitgevoerd wor- den als de auto stilstaat.

Voor een optimale werking van de autogordels moet u de rugleuningen niet te veel achterover zetten.
Let er op dat de rugleuningen van de stoelen goed vergrendeld zijn.
Laat geen voorwerpen op de vloer (voor de bestuurder) liggen. In geval van plotseling remmen zouden deze voorwerpen onder de pedalen terecht kunnen komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed zou kunnen bedienen.
Met de schakelaars 1 en 3 regelt u de vorm van de stoel. Schakelaar 1 bedient de stelmotoren in het zitkussen, schakelaar 3 die in de rugleuning.
De gekozen zitpositie kan opgeslagen worden metschak hankelijk van de uitvoering van de auto). Hierbij is het mogelijk de zitpositie in de RENAULT card op te slaan.
Het systeem kan gebruikt worden:
- handsfree card gedetecteerd of afhankelijk van de auto, RENAULT card in stand “accessoires” in de kaartlezer;
- voor de auto's met schakelaar 2, werkt het systeem ook gedurende ongeveer 40 minuten bij contact af als het portier geopend wordt.

-
Vooruit zetten
Druk de schakelaar naar voren. -
Achteruit zetten
Druk de schakelaar naar achteren. -
Hoger zetten
Achterkant van de schakelaar om- hoog bewegen. -
Lager zetten
Achterkant van de schakelaar omlaag bewegen.
Rugleuning verstellen: schakelaar 3
- Helling van de rugleuning verstellen
Druk de schakelaar naar voren of naar achteren.
Stoelverwarming
Contact aan, druk op schakelaar 4 (een controlelampje op het instrumentenpaneel licht op).

Voor een optimale werking van de autogordels moet u de rugleuningen niet te veel achterover
zetten.
Let er op dat de rugleuningen van de stoelen goed vergrendeld zijn.
Laat geen voorwerpen op de vloer (voor de bestuurder) liggen. In geval van plotseling remmen zouden deze voorwerpen onder de pedalen terecht kunnen komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed zou kunnen bedienen.

Om veiligheidsredenen mogen deze afstellingen alleen uitgevoerd wor- den als de auto stilstaat.
MEMORY SYSTEEM VAN DE BESTUURDERSSTOEL
Er kan één zitpositie vastgelegd worden per RENAULT card.
In de zitpositie zijn de afstellingen van de bestuurdersstoel en de buitenspiegels opgenomen.
Als de zitpositie in het geheugen opgenomen is, worden bij het ontgrendelen en het openen van de portieren met de RENAULT card automatisch de instellingen van de stoel en buitenspiegels die op de RENAULT card geregistreerd zijn, gebruikt.
Het systeem kan gebruikt worden:
- handsfree card gedetecteerd of afhankelijk van de auto, RENAULT card in stand "accessoires" in de kaartlezer;
- bij het openen van het bestuurdersporfier, contact af, gedurende ongeveer 40 minuten.

Vastleggen van de zitpositie
Contact aan, zet de stoel in de gewenste stand met behulp van de schakelaars 1 en 3 (raadpleeg de paragraaf "voorstoelen met elektrische verstelling" in hoofdstuk 1).
Druk de knop 2 in totdat u een geluidssignaal hoort: de zitpositie is vastgelegd.
Herhaal deze procedure voor elke RENAULT card.
Oproepen van een geheugenpositie
Druk bij stilstaande auto kort op knop 2.
N.B.: het oproepen van de geheugenpositie wordt onderbroken als u op een van de knoppen van de afstelling van de stoel drukt.
Tijdens het rijden is het mogelijk de zitpositie in te stellen, maar u kunt niet een geheugenpositie oproepen.
AUTOGORDELS
Gebruik tijdens het rijden altijd de autogordel. Het niet dragen van de gordel is gevaarlijk en strafbaar.
Voordat u wegrijdt:
- stel eerst de stoel af in de voor u ideale stand,
- enstelvervolgensdegorde hierna aangegeven wijze af.

Een verkeerd afgestelde autogordel kan bij een ongeval letsel veroorza-ken.
Zwangere vrouwen moeten ook hun gordel dragen. Let in dat geval op dat de heupgordel niet te veel op de onderbuik drukt, zonder dat de gordel te los gedragen wordt.
De juiste zithouding
- Ga goed diep in uw stoel zitten (na uw mantel, jas enz. uitgetrokken te hebben). Dit is belangrijk voor een goede ondersteuning van de rug.
∅ Vdrchuif de stoel zodat u mak- kelijk bij de pedalen kunt komen.
Plaats de stoel zo ver naar achte- ren dat u het koppelingspedaal nog net geheel kunt indrukken. Stel de rugleuning zo af dat u de armen moet strekken om bij de bovenkant van het stuurwiel te kunnen komen.
- Stel de hoofdsteun af. De afstand tussen de hoofdsteun en uw achterhoofd moet zo klein mogelijk zijn.
- Stel de hoogte van het zitkussen af. Verstel het kussen om een zo goed mogelijk zicht op het verkeer te hebben.
- Stel de stand van het stuurwiel af.

Afstellen van de autogordel
Ga goed tegen de rugleuning aan zitten.
De band van de schoudergordel 1 moet zo dicht mogelijk langs de hals over de schouder lopen.
De band van de heupgordel 2 moet vlak over de heupen langs het bekken lopen.
De autogordel moet zo direct mogelijk tegen het lichaam gedragen worden en niet over bijv. te dikke kle- ding of over ertussen gestoken voorwerpen.
AUTOGORDELS (vervolg)

Hoogteverstelling van de auto- gordels
Verplaats knop 3 om de hoogte van de schoudergordel 1 zo goed mogelijk aan uw postuur aan te passen.
- om de gordel te laten zakken: drukt u op knop 3 en laat gelijktijdigdegordelzakken;
- o m d e g o r d e l o m h o o g t e b r e n g e n : duw knop 3 omhoog.
Controleer na het afstellen of de knop weer goed is vergrendeld.

Vergrendelen
Trek de band van de gordel rustig over u heen en druk de gesp 4 in de sluiting 6 (trek aan de gesp 4 om te controleren of hij goed vastzit). Als de gordel blokkeert, moet u de band een stuk terug laten gaan en opnieuw rustig over u heen trekken.
Vastmaken (vervolg)
Indien de gordel niet vrijkomt:
- trekt u de gordel langzaam maar krachtig ongeveer 3 cm naar buiten;
- laat u de gordel zichzelf oprollen;
- rolt u de gordel opnieuw af;
- als de gordel nog niet te gebruiken is, moet u een RENAULT-dealer raadplegen.

Controlelampje gordel be- stuurder vergeten of gordel passagier vergeten
Het brandt continu tot de auto ongeveer 10 km/uur rijdt, hierna gaat het knipperen en klinkt er een geluidssignaal gedurende ongeveer 90 secondes, waarna het vervolgens weer continu gaat branden.
Losmaken
Druk op de rode knop 5 van de sluiting 6, de gordel wordt nu door het oprolmechanisme teruggetrokken. Het oprollen gaat soepeler als u de gesp met de hand begeleidt.
AUTOGORDELS ACHTER
Gordels aan de zijkanten achter
Het vergrendelen, ontgrendelen en afstellengebeurenopdezelfdemanier als bij de voorste gordels.

Middelste gordel
Trek de gordel langzaam uit zijn houder 1.
Klik de zwarte gesp 2 vast in de zwarte sluiting 3.

Klik de laatste verschuifbare gesp 4 in de rode sluiting 5.
Afhankelijk van de auto, zijn de gordels achter aan de zijkant in hoogte af te stellen, raadpleeg het hoofdstuk "In hoogte afstellen van de veiligheidsgordel".
AUTOGORDELS
De volgende raadgevingen gelden voor de autogordels voor en achter.

- Verander niets aan de oorspronkelijke onderdelen van het veiligheidsmechanisme, aan de bevestiging ervan of aan die van de stoelen. Raadpleeg uw RENAULT-dealer voor het monteren van bijv. een kinderzitje.
- Zorg dat er geen voorwerpen tussen de riemen worden gestoken die speling kunnen veroorzaken (wasknijpers, klemmetjes, enz.): een autogordel die te los zit, kan verwondingen veroorzaken in geval van een ongeluk.
- Draag nooit de schoudergordel achter de rug of onder de arm langs aan de kant van het portier.
- Een autogordel mag nooit door meer personen tegelijk gebruikt worden; sla uw gordel nooit om een baby of een kind heen dat op uw schoot zit.
- De gordel mag niet gedraaid zijn.
- Autogordels die in gebruik waren tijdens een ernstige aanrijding moeten altijd vervangen worden, Gordels die beschadigingen vertonen moeten ook worden vervangen.
- Let er bij het terug kantelen van de achterbank op dat de autogordels weer op de juiste wijze gebruikt kunnen worden.
- Stel indien nodig de stand en de spanning van de gordel af op uw postuur.
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN
Dit zijn:
■gordelspanners van de schou-
dergordel,
■de secondaire gordelspanner voor de bestuurder,
■de krachtbegrenzers,
■ frontale airbags voor de bestuurder en voorpassagier.
Deze voorzieningen worden gelijk- tijdig of afzonderlijk, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, geac- tiveerd bij een frontale botsing.
Afhankelijk van de ernst van de aanrijding, kan het systeem de volgende middelen activeren:
- de blokkering van de autogordel;
- de primaire gordelspanner (die geactiveerd wordt om de gordel strak tegen het lichaam te spannen);
- de secondaire gordelspanner (voor de bestuurdersstoel), de kleine frontale airbag en de krachtbegrenzer;
- de grote frontale airbag.

Bij contact aan, kan tijdens een ernstige frontale aanrijding, afhankelijk van de ernst van de schok, het systeem de volgende onderdelen activeren:
- de plunjer 1 die onmiddellijk de gordel strak trekt; - plunjer 2 op de bestuurdersstoel.
De gordelspanners trekken de autogordel strak tegen het lichaam waardoor de doeltreffendheid van de gordel wordt verbeterd.

- Laat al deze veiligheids- voorzieningen controle- ren na een aanrijding.
- Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het gehele systeem (gordelspanners, airbags, rekeneenheden, bedrading) of deze in een andere auto over te zetten.
- Om te voorkomen dat het systeem ten onrechte in werking komt, mag uitsluitend deskundig RENAULT-personeel aan de gordelspanners en airbags werken.
- Het elektrische ontstekingsmechanisme van de gordelspanners mag uitsluitend door speciaal opgeleid personeel met speciaal gereedschap worden gecontroleerd.
- Laat de gaspatronen van de gordelspanners en de airbags door een RENAULT-dealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (vervolg)
Krachtbegrenzer
Vanaf een bepaalde hevigheid van de schok van de aanrijding komt dit mechanisme in werking om de kracht die de gordel op het lichaam uitoefent te begrenzen tot een draag- lijk niveau.
De auto kan zijn voorzien van een airbag bij de linker en de rechter voorstoel.
Het opschrift "Airbag" op het stuurwiel en het dashboard en een pictogram aan de onderkant van de voorruit herinneren aan de aanwezigheid van de aanvullende veiligheidsvoorzieningen (airbags, gordelspanners, enz.) in het interieur.
De airbags hebben:
- een opblaasbaar kussen en een gaspatroon in het stuurwiel voor de bestuurder en in het dashboard voor de passagier;
- een elektronische rekeneenheid, gemeenschappelijk voor beide airbags, met een schokdetector die de aanrijding registreert en de elektrische ontsteking van het gaspatroon activeert;
- een gemeenschappelijk waar-
schuwingslampje

op het
instrumentenpaneel.
Bij het afgaan van de airbag vindt een explosie plaats waardoor warmte en rook vrij komen zonder enig brandgevaar en er klinkt een luide knal. De airbag die onmiddel- lijk naar buiten komt, kan onge- vaarlijke, lichte schaafwonden veroorzaken.
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (vervolg)

Het systeem werkt alleen als het contact aanstaat.
Bij een zware frontale aanrijding worden de luchtkussens in het stuurwiel en in het dashboard snel opgeblazen die de klap opvangen van hethoofdendeborstka bestuurder tegen het stuurwiel en van de passagier tegen het dashboard. Daarna lopen de kussens weer leeg om het verlaten van de auto niet te bemoeilijken.
Bijzonderheid van de frontale airbag
Afhankelijk van de kracht van de schok zijn er twee mogelijkheden:
- de kleine airbag die zich als eerste ontplooit;
- de grote airbag. De stiknaden van ndde airbag scheuren open, waar- door er een groter volume in de airbag vrijkomt (bij een zwaardere botsing).

Storingen
Het lampje 1 op het instrumentenpaneel gaat branden als het contact wordt aangezet en dooft na enkele secondes.
Als het niet oplicht bij het aanzetten van het contact of alshet oplich draaiende motor, wijst dit op een storing in het systeem.
Laat het systeem direct door uw RENAULT-dealer controleren en indien nodig herstellen. Wacht u hier te lang mee dan betekent dat, dat de bescherming in de tussenliggende periode misschien niet optimaal is.
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (vervolg)

Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen.

Waarschuwingen inzake de airbag in het stuurwiel
- Verander niets aan het stuurwiel of de naafdop.
- Dek de naafdop niet af.
- Bevestig geen voorwerpen (speldjes, logo's, klokje, telefoonhouder, enz.) op het stuurwiel.
- Het stuurwiel mag niet worden gedemonteerd. Uitsluitend speciaal opgeleide RENAULT-monteurs mogen er aan werken.
- Ga niet te dicht achter het stuurwiel zitten, maar rijd met licht gebogen armen (zie paragraaf "Afstellen juiste zithouding" van hoofdstuk 1), zodat er voldoende ruimte overblijft voor een goede en effectieve beveiliging door de airbag.
Waarschuwingen inzake de airbag in het dashboard
- Plak of bevestig niets op het dashboard (speldjes, logo's, klokjes enz.) in de airbagzone A.
- Houd de ruimte tussen het dashboard en de voorpassagier vrij (geen dier of pakjes op schoot, geen paraplu of wandelstok tegen het dashboard zetten).
- Laat de passagier nooit zijn voeten op het dashboard leggen. Dit kan zeer gevaarlijk zijn. Kom niet te dicht (met knieën, hoofd of handen) bij het dashboard.
- Zodra het kinderzitje van een passagiersstoel verwijderd is, moet u de airbags weer inschakelen om de passagier bij een botsing te beschermen.
HET IS VERBODEN EEN KINDERZITJE ACHTERSTEVOREN OP DE PASSAGIERSSTOEL VOOR TE PLAATSEN ZOLANG DE AIRBAGS VAN DE VOORPASSAGIER NIET UTTGESCHAKELD ZIJN.
(Raadpleeg de paragraaf
"uitschakelen van de passagiersairbags voorin" in hoofdstuk 1.)
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN AAN DE ZIJKANT ACHTERIN
Dit zijn:
■gordelspanners in het oprolmechanisme.
■krachtbegrenzing.
Deze voorzieningen worden gelijk- tijdig of afzonderlijk, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, geac- tiveerd bij een frontale botsing.
Afhankelijk van de ernst van de aanrijding zijn er twee mogelijkheden:
- alleen de autogordel beschermt de inzittenden:
- de gordelspanners worden geactiveerd om de gordel strak tegen het lichaam van de inzittenden te spannen.
Gordelspanners achter
Het systeem werkt alleen als het contact aan staat.
Bij een ernstige frontale aanrijding trekt een plunjer de sluiting van de gordel met een klap naar achteren waardoor de gordel strak tegen het lichaam komt waardoor de doeltreffendheid ervan wordt verbeterd.

- Laat al deze veiligheids- voorzieningen controle- ren na een aanrijding.
- Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het gehele systeem (gordelspanners, airbags, rekeneenheden, bedrading) of deze in een andere auto over te zetten.
- Om te voorkomen dat het systeem ten onrechte in werking komt, mag uitsluitend deskundig RENAULT-personeel aan de gordelspanners en airbags werken.
- Het elektrische ontstekingsmechanisme van de gordelspanners mag uitsluitend door speciaal opgeleid personeel met speciaal gereedschap worden gecontroleerd.
- Laat de gaspatronen van de gordelspanners en de airbags door een RENAULT-dealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.
Krachtbegrenzer
Vanaf een bepaalde hevigheid van de schok van de aanrijding komt dit mechanisme in werking om de kracht die degordelophetlich uitoefent te begrenzen tot een draaglijk niveau.
BEVESTIGINGSMIDDELEN AAN DE ZIJKANT

Zijairbags A
De zijairbags zijn in de voorstoelen ondergebracht en afhankelijk van de auto, ook in de achterstoelen. Ze ontplooien zich aan de zijkant van de stoel (portierzijde) om de inzittenden te beschermen tegen een aanrijding tegen de zijkant.

De spleten in de rugleuningen (kant van de portieren) komen overeen met de zone waarbinnen
de airbag zich kan opblazen: het is verboden hier voorwerpen in te stoppen.
Zijruitairbags B
Dit is een airbag die zich aan de zijkant boven bevindt en die zich ontplooit langs de zijruiten voor en achter om de inzittenden bij een hevige botsing tegen de zijkant te beschermen.
Een pictogram op de voorruit herinnert aan de aanwezigheid van de aanvullende veiligheids- voorzieningen (airbags, gordelspanners, enz.) in het interieur.

Waarschuwingen inzake de zijairbag
- Stoelhoezen: voor de stoelen met zijairbags speciale stoelhoezen nodig. Poleeg uw RENAULT-dealer te weten of dergelijke hoezen uw auto bestaan in de AULT Boutique. Het gebruik andere hoezen (of hoezen bestemd zijn voor een ander gel) kan de goede werking te zijairbag belemmeren en door de veiligheid van de induden in gevaar brengen.
- Plaats geen accessoires, voorwerpen of dieren tussen de rugleuning, het portier en de interieurbekleding. Dek de rugleuning van de stoel ook nooit af met bijvoorbeeld kleding of accessoires. De werking van de airbag kan hierdoor belemmerd worden en verwondingen veroorzaken als de airbag wordt geactiveerd.
- Demontage of wijziging van de stoel en de interieurbekleding is verboden, tenzij dit gebeurt door deskundig RENAULT-personeel.
AANVULLENDE BEVESTIGINGSMIDDELEN
Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen.

De airbag is een aanvullende bescherming bij het gebruik van de autogordel. Beide organen vormen een veiligheidssysteem. De gordel moet altijd worden gedragen. Het niet dragen kan bij een ongeval de inzittenden blootstellen aan zeer zware verwondingen en de gevolgen van de werking van de airbag verergeren.
Bij een botsing, zelfs een zware, tegen de achterkant of bij het over de kop gaan van de auto worden de gordelspanners of de airbags niet altijd geactiveerd. Klappen onder de auto zoals stoepen, gaten in het wegdek, stenen, kunnen deze systemen activeren.
- Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan airbagsystemen (rekeneenheid, bedrading enz.). Deze mogen uitsluitend door speciaal opgeleide RENAULT-monteurs worden gecontroleerd en gerepareerd.
- Om te voorkomen dat de airbag(s) ten onrechte wordt opgeblazen of juist niet als dat wel nodig zou zijn, mag uitsluitend deskundig RENAULT-personeel aan het systeem werken.
- Laat het airbagsysteem controleren na (een poging tot) diefstal van de auto.
- Als u de auto uitleent of verkoopt, breng de nieuwe berijder/eigenaar dan op de hoogte van deze bijzonderheden door hem dit instructieboekje bij de auto te leveren.
- Laat de gaspatro(o)n(en) door een RENAULT-dealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN
Het gebruik van bevestigingsmiddelen voor baby's en kinderen is aan wettelijke bepalingen gebonden.
In Europa moeten kinderen onder de 10 jaar (1) verplicht vastgemaakt worden met een goedgekeurde voorziening die aan het gewicht en de lengte van het kind aangepast is.
Voor het juiste gebruik van deze voorzieningen is de bestuurder van de auto verantwoordelijk.
Door het verscherpen van de eisen die aan kinderzitjes worden gesteld zijn moderne kinderzitjes veiliger dan oude modellen.
Kies daarom uitsluitend een kinder-zitje dat ten minste voldoet aan de Europese norm ECE 44.
Deze herkent u aan het oranje etiket met de letter E gevolgd door het nummer van het land en het jaar waarin het is goedgekeurd.
Raadpleeg de brochure "Uitrustingen voor de veiligheid van de kinderen", die verkrijgbaar is bij de RENAULT-dealer, om het kinder-zitje te kiezen dat voor uw kind geschikt is en aanbevolen wordt voor uw auto.
U moet weten dat een botsing met 50 km/u overeenkomt met een val van 10 meter hoogte. Anders gezegd: het niet vastmaken van een kind is hetzelfde als het laten spelen op een balkon zonder balustrade op de vierde verdieping!

Baby's en kinderen mogen niet vervoerd worden op de schoot van de inzittenden van de auto.
Bij een frontale botsing bij 50 km/u, verandert een kind van 30 kg in een projectiel van een ton: u kunt het onmogelijk meer vasthouden, zelfs als u in de gordel vastzit.
Het is ook gevaarlijk een kind dat op schoot zit vast te maken. Maak nooit twee personen vast met één gordel.
Op bepaalde passagiersstoelen mo- gen geen kinderzitjes bevestigd wor- den.
Raadpleeg de tabellen op de volgende bladzijden voor het gebruik van de kinderzitjes en de plaatsen die hiervoor geschikt zijn.
Voordat u een kinderzitje op de voorstoel plaatst (indien dit toege-staan is)
Stel de passagiersstoel, indien mogelijk, op de volgende manier af:
- zet de passagiersstoel zoveel mogelijk naar achter;
- zet de rugleuning zoveel mogelijk rechtop;
- zet het zitkussen zo hoog mogelijk;
- zet de hoofdsteun zo hoog mogelijk;
- zet de hoogteafstelling van de gordel in de lage stand.
(1) Houd u altijd aan de wettelijke voorschriften van het land waar u reist. Deze kunnen anders zijn dan de hierboven genoemde bepalingen.
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)
| Leeftijd van het kind(gewicht van het kind) | Plaatsen geschikt voor kinderzitjesAuto's ZONDER de mogelijkheid voor het uitschakelen van de passagiersairbag voorin | ||
| Zitplaats voorpassagier(4) | Plaatsen achteraan de zijkant | Plaatsmiddenachter | |
| Van geboorte tot ongeveer 9 maanden(gewicht minder dan 13 kg) | X U - I (2) | U | |
| Van 9 maanden tot ongeveer 3 jaar(gewicht van 9 tot 18 kg) | X U - I (2) | (3) U | |
| Van 3 jaar tot ongeveer 12 jaar (1)(gewicht van 15 tot 36 kg) | X | U | ( |
X : plaats niet geschikt voor het installeren van een kinderzitje voor deze leeftijdscategorie.
U : plaats geschikt voor het installeren van een kinderzitje dat bevestigd wordt met de autogordel en als “universeel” goedgekeurd is voor deze leeftijdscategorie, controleer of het gemonteerd kan worden.
I : plaats uitgerust met bevestigingen voor het vastmaken met Isofix-grendels van een zitje voor deze leeftijdscategorie, alleen RENAULT-kinderzitjes zijn goedgekeurd.
(1) Vanaf een lengte van 1,36 m of een gewicht van 36 kg kan een kind net als een volwassene rechtstreeks met de autogordel vastgemaakt worden op de zitplaats.
(2) Plaats de rugleuning van het kinderzitje tegen de rugleuning van de auto; stel de hoogte van de hoofdsteun af of verwijder hem, indien nodig.
(3) Zet de voorstoel niet voorbij het midden van de afstelling van de geleiders.

(4) LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIGE VERWONDINGEN: INSTALLEER NOOIT EEN ACHTERSTEVOREN GEPLAATST KINDERZITJE OP DEZE PLAATS.
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)
| Leeftijd van het kind(gewicht van het kind) | Plaatsen geschikt voor kinderzitjesAuto's met de mogelijkheid voor het uitschakelen van de passagiersairbag voorin | ||
| Zitplaats voorpassagier(3) (5) | Zitplaatsen achter aande zijkant | Zitplaatsmiddenachter | |
| Van geboorte tot ongeveer 9 maanden(gewicht minder dan 13 kg) | U | U | - |
| Van 9 maanden tot ongeveer 3 jaar(gewicht van 9 tot 18 kg) | U U - I (2) | (4) U | |
| Van 3 jaar tot ongeveer 12 jaar (1)(gewicht van 15 tot 36 kg) | X | U | ( |
X : plaats niet geschikt voor het installeren van een kinderzitje voor deze leeftijdscategorie.
U : plaats geschikt voor het installeren van een kinderzitje dat bevestigd wordt met de autogordel en als “universeel” goedgekeurd is voor deze leeftijdscategorie, controleer of het gemonteerd kan worden.
I : plaats uitgerust met bevestigingen voor het vastmaken met Isofix-grendels van een zitje voor deze leeftijdscategorie, alleen RENAULT-kinderzitjes zijn goedgekeurd.
(1) Vanaf een lengte van 1,36 m of een gewicht van 36 kg kan een kind net als een volwassene rechtstreeks met de autogordel vastgemaakt worden op de zitplaats.
(2) Plaats de rugleuning van het kinderzitje tegen de rugleuning van de auto; stel de hoogte van de hoofdsteun af of verwijder hem, indien nodig.
(3) Op deze plaats kan uitsluitend een achterstevoren geplaatst kinderzitje geïnstalleerd worden.
(4) Zet de voorstoel niet voorbij het midden van de afstelling van de geleiders.

(5) LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIGE VERWONDINGEN: VOOR HET INSTALLEREN VAN EEN ACHTERSTEVOREN GEPLAATST KINDERZITJE OP DEZE PLAATS, MOET U CONTROLEREN OF DE PASSAGIERSAIRBAG VOORIN WEL UITGESCHAKELD IS.
(Raadpleeg de paragraaf “uitschakelen van de passagiersairbags voorin” in hoofdstuk 1.)
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)
De juiste keuze
De veiligheid van de kinderen is af- hankelijk van u.
Om uw kind zo goed mogelijk te beschermen, adviseren wij u het gebruik van de kinderzitjes die uw RENAULT-dealer u kan leveren.
Als uw auto voorzien is van een Isofix-systeem, gebruik dan bij voorkeur een Isofix kinderzitje (zie hoofdstuk 1, paragraaf "Bevestigingssysteem Isofix kinderzitjes").
Voor iedere categorie zijn er kinderzitjes beschikbaar. Deze zijn ontwikkeld in samenwerking met de fabrikant en getest in RENAULT automobielen.
Vraag uw RENAULT-dealer om advies bij het kiezen van het juiste kinderzitje en laat hij u helpen bij het installeren.

Categorie 0 en 0+ (0 tot 13 kg)
In de eerste twee levensjaren, is de nek van een kind bijzonder kwetsbaar. Plaats uw kind bij voorkeur in een achterstevoren geplaatst kuipstoeltje. Deze stand is veiliger.

Tussen 2 en 4 jaar, is het bekken nog niet voldoende ontwikkeld om altijd goed door de driepunts gordel van de auto op zijn plaats gehouden te worden waardoor het kind buikletsel kan oplopen bij een frontale botsing. Gebruik daarom een kuipzitje of een zitje met harnas of schootkussen.

Om elk risico te vermijden dat uw veiligheid in gevaar kan brengen raden wij u aan om door RENAULT goedgekeurde accessoires te gebruiken: deze zijn aan uw auto aangepast en alleen deze worden door RENAULT gegarandeerd.
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)

Categorie 2 (15 tot 25 kg) en ca- tegorie 3 (22 tot 36 kg)
Gebruik om het bekken van een kind tot 10 jaar, kleiner dan 1,36 m en lichter dan 36 kg, goed op zijn plaats te houden, een zitkussenverhoger met riemgeleider waardoor de driepuntsgordel van de auto horizontaal over de heupen van het kind loopt.
Om ervoor te zorgen dat de gordel zo dicht mogelijk langs de hals loopt, zonder die te raken, advise- renwijeenzitkussenverhoger met een in hoogte verstelbare rugleu- ning en een gordelgeleider.
Zet de hoofdsteun in de hoogste stand, zodat de rugleuning van het kinderzitje goed tegen de rugleuning van de auto steunt.
Bij gebruik van een zitkussenverho- ger zonder rugleuning, moet de hoofdsteun van de auto worden af- gesteld op het postuur van het kind: de bovenrand van de hoofdsteun moet op gelijke hoogte staan met de kruin van het kind en mag nooit la- ger staan dan de hoogte van de ogen.
De norm verdeelt de kinderzitjes in vijf 5 categorieën:
Categorie 0 : van 0 tot 10 kg
Categorie 0+: van 0 tot 13 kg
Categorie 1 : van 9 tot 18 kg
Categorie 2 : van 15 tot 25 kg
Categorie 3 : van 22 tot 36 kg
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)
Bevestigingssysteem van Isofix- kinderzitjes
Dit is een nieuw systeem voor het vastmaken van een kinderzitje. Met dit systeem kan een kinderzitje links of rechts op de achterbank worden vastgemaakt.
Het systeem bestaat uit de volgende elementen:
- twee bevestigingspunten per stoel tussen het zitkussen en de rugleuning.
- een speciaal RENAULT-kinder-zitje met twee haken die in de be-vestigingspunten vastgrijpen.
Voor deze auto zijn uitsluitend de speciale RENAULT-kinderzitjes goedgekeurd. Uw RENAULT-dealer kan u deze zitjes leveren.

- Let op dat de toegang tot de bevestigingspunten bij het plaatsen van het zitje niet wordt belem- (door bijv. speelgoed, doek- uil, enz.).
- Denk er altijd aan het kind goed vast te maken in het kinderzitje voordat u wegrijdt.
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)

Hoofdzaken voor het installeren Isofix-zitje vooruit gemonteerd
Als het kinderzitje vooruit gemonteerd is, mag de voorstoel niet verder dan halverwege de stelrails naar achteren zijn geschoven en moet de rugleuning rechtop staan.

Als het kinderzitje achterstevoren gemonteerd is, mag de voorstoel niet verder dan halverwege de stelrails naar voren zijn geschoven.
De schaal van het kinderzitje moet zo dicht mogelijk bij de rugleuning zijn of ertegen rusten.

Montage van het Isofix kinder- zitje
- Lees voor het monteren van het kinderzitje de gebruiksaanwijzing;
- Om bij de Isofix verankeringspunten te komen, opent u de ritsen A;
- Plaats de geleiders 1 (bij het zitje geleverd) in de openingen die in het zitkussen voorzien zijn;
- Breng de haken 3 van het kinder-zitje tegenover de bevestigingsringen 2 van de zijstoelen achter.
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)

Montage van het kinderzitje (vervolg)
- Vergrendel de haken 3 aan de ringenen controleerde ling door het kinderzitje naar vo-ren/achteren en links/rechts te drukken.
- Druk de onderkant van het kinderzitje krachtig tegen de rugleuning van de achterbank.

Bevestiging van de rugleuning
Bevestigingsring als het kinderzitje vooruit gemonteerd wordt, gebruik derriem 4 diedbij het zitje geleverd wordt:
- haal de riem 4 tussen de twee po- ten van de hoofdsteun achter door;
- zet de haak 5 op de ring 6 in de bagageruimte vast.

Bevestigingsring als het kinderzitje achteruit gemonteerd wordt, gebruik de riem 4 die bij het zitje geleverd wordt:
- schuif het plaatje weg om bij de bevestigingsring 7 te komen;
- zet het haakje 5 van de riem vast aan de bevestigingsring 7.
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)

KINDERVEILIGHEID
- Verander niets aan de oorspronkelijke onderdelen van het veiligheidsmechanisme, de gordels, de stoelen en aan de bevestiging ervan.
- Houd u echter in alle gevallen aan de voorschriften van de betreffende fabrikant.
- Laat het kind geen te dikke kleren dragen en steek niets tussen het kind en het kinderzitje of de gordel.
- De gordel van de auto moet goed strak zijn gespannen, zodat het kinderzitje zo veel mogelijk één geheel vormt met de auto. Controleer de spanning regelmatig.
- Laat de schoudergordel nooit onder de arm of achter de rug langs lopen.
- Het harnas of de gordel moet strak op het lichaam van het kind zijn afgesteld.
- Laat het kind tijdens het rijden nooit op de stoelen of bank rechtop staan of op zijn of haar knieën zitten.
- Controleer regelmatig de juiste houding van het kind, met name als het slaapt.
- Zet het kinderzitje altijd vast met een autogordel, ook als het zitje leeg is: een los zitje verandert bij een botsing in een gevaarlijk projectiel.
- Autogordels en bevestigingsmiddelen die in gebruik waren tijdens een ernstige aanrijding moeten altijd vervangen worden.
- Laat nooit een kind alleen achter in de auto, zelfs niet in het kinderzitje.
- Vergrendel (indien mogelijk) de achterportieren zodat zij niet van binnen uit kunnen worden geopend.
- Laat kinderen nooit uitstappen aan de kant van het verkeer.
- Geef als volwassene het goede voorbeeld door altijd uw autogordel vast te maken voordat de auto wegrijdt.
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)

Uitschakelen van de passagiersairbag voorin (indien aanwezig)
Om een achterstevoren geplaatst kinderzitje te kunnen gebruiken op de passagiersstoel moet u d e p a s s a - giersairbag uitschakelen.
Om de airbag uit te schakelen: duw en draai de grendel 8 naar stand OFF. De airbag is uitgeschakeld.

Controleer met contact aan, altijd of het lampje 9, AIRBAG OFF, op het instrumentenpaneel oplicht of op het display A van het dashboard.

Dit lampje blijft constant branden om u eraan te herinneren dat u een kinderzitje kunt gebruiken, omdat de passagiersairbag uitgeschakeld is.

GEVAAR
Doordat een kind in een achterstevoren geplaatst kinderzitje op een voorstoel met een airbag ernstig gevaar loopt als de airbags zich ontplooien, mag u een kinderzitje op deze plaats alleen gebruiken als de airbags zijn uitgeschakeld. De mogelijkheid hiertoe is afhankelijk van de uitvoering van de auto. Gevaar voor ernstige verwondingen als de airbag zich ontplooit.
Deze voorschriften staan ook op het etiket (op het dashboard) en de markeringen (op de zonneklep).
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)

Inschakelen van de passagiersairbag voorin
Zodra u het kinderzitje van de passagiersstoel hebt verwijderd, moet u de airbag weer inschakelen om de voorpassagier bij een botsing te beschermen.
Om de airbag weer in te schakelen: duw en draai de grendel 8 naar stand ON.
Nadat u het contact weer aangezet heeft, controleert u of het controle-lampje 9, AIRBAG OFF, gedoofd is. De airbag is ingeschakeld.

Storingen
In geval van een storing aan het systeem voor het in- en uitschakelen van de passagiersairbag, is het VERBODEN een achterstevoren geplaatst kinderzitje op de voorstoel te gebruiken.
Het gebruik van de voorstoel door een passagier wordt ook afgeraden.
Laat het systeem direct door uw RENAULT-dealer controleren en indien nodig herstellen.

Het in- en uitschakelen van de passagiersairbag moeten bij stilstaande auto gebeuren.
Het tegelijk oplichten van de con-
trolelampjes

en

wijst op een storing van het sys- teem.
BEDIENINGSORGANEN LINKS STUUR

BEDIENINGSORGANEN LINKS STUUR (vervolg)
De aanwezigheid van de hieronder beschreven organen is afhankelijk van het land, het uitrustingsniveau en eventuele opties van de auto.
1 Zijrooster.
2 Ventilatierooster van zijruit.
3 Stuurkolomschakelaar voor:
- richtingaanwijzers,
- verlichting,
- mistlichten voor,
- mistachterlicht.
- geïntegreerde bediening van handsfree telefoon.
4 Instrumentenpaneel.
5 Stuurwiel airbag. Claxon.
6 • Radiobedieningssatelliet.
- Geïntegreerde bediening van handsfree telefoon.
7 • Schakelaar voor de ruiten-wissers en sproeiers voor en achter.
- Functiekeuze van de boord-computer.
8 Schakelaar voor het starten of stilzetten van de motor.
9 Waarschuwingslampjes voor:
- gordel bestuurder en voor- passagier vergeten,
- controlelampje voor het uitschakelen van de passagiersairbag voorin.
10 Aanduiding, afhankelijk van de auto, van tijd, temperatuur, radiogegevens, telefoon, navigatiesysteem, enz.
11 Display van het navigatiesysteeem.
12 Centrale ventilatieroosters.
13 Opbergruimte of plaats voor CD-wisselaar of navigatiesysteem, enz..
14 Plaats voor airbag in het dashboard.
15 Ventilatierooster van zijruit.
16 Zijrooster.
17 Dashboardkastje.
18 Opbergruimte of ruimte voor radio.
19 Bedieningspaneel voor de ventilatie, verwarming, airconditioning en ruitontwaseming.
20 Schakelaar voor de elektrische portiervergrendeling.
21 Schakelaar voor de alarmknipperlichten.
22 Bedieningsknoppen van het navigatiesysteeem.
23 Versnellingshendel.
24 Asbak en aansteker.
25 Kaartlezer RENAULT card.
26 Hoogte- en diepteverstelling
stuurwiel.
27 Parkeerrem.
28 Knop voor het ontgrendelen van de motorkap.
29 Schakelaars voor:
- verstellen van de koplampen,
- regelweerstand instrumentenverlichting,
- snelheidsregelaar en -begrenzer,
- elektronisch stabiliteits programma (ESP.),
BEDIENINGSORGANEN RECHTS STUUR

BEDIENINGSORGANEN RECHTS STUUR (vervolg)
De aanwezigheid van de hieronder beschreven organen is afhankelijk van het land, het uitrustingsniveau en eventuele opties van de auto.
1 Zijrooster.
2 Ventilatierooster van zijruit.
3 Plaats voor airbag in het dashboard.
4 Opbergruimte of plaats voor CD-wisselaar of navigatiesysteem, enz.
5 Centrale ventilatieroosters.
6 Display van het navigatiesysteeem.
7 Waarschuwingslampjes voor: • gordel bestuurder en voor- passagier vergeten, • controlelampje voor het uit- schakelen van de passa- giersairbag voorin.
8 Aanduiding, afhankelijk van de auto, van tijd, temperatuur, radiogegevens, telefoon, navigatiesysteem, enz.
9 Schakelaar voor het starten of stilzetten van de motor.
10 Stuurkolomschakelaar voor:
- richtingaanwijzers,
- verlichting,
- mistlichten voor,
- mistachterlicht,
- geïntegreerde bediening van handsfree telefoon.
11 Instrumentenpaneel.
12 Stuurwiel airbag. Claxon.
13 • Radiobedieningssatelliet.
- Geïntegreerde bediening van handsfree telefoon.
14 • Schakelaar voor de ruiten-wissers en sproeiers voor en achter.
- Functiekeuze van de boord-computer.
15 Ventilatierooster van zijruit.
16 Zijrooster.
17 Parkeerrem.
18 Knop voor het ontgrendelen van de motorkap.
19 Schakelaars voor:
• verstellen van de koplampen,
- regelweerstand instrumentenverlichting,
- snelheidsregelaar en -begrenzer,
- elektronisch stabiliteits pro-
gramma (ESP.),
20 Hoogte- en diepteverstelling
stuurwiel.
21 Kaartlezer RENAULT card.
22 Asbak en aansteker.
23 Versnellingshendel.
24 Bediening van het navigatiesysteeem.
25 Schakelaar voor de elektrische portiervergrendeling.
26 Schakelaar voor de alarmknipperlichten.
27 Bedieningspaneel voor de ventilatie, verwarming, airconditioning en ruitontwaseming.
28 Opbergruimte of ruimte voor radio.
29 Dashboardkastje.
INSTRUMENTENPANEEL
De aanwezigheid en de werking van de hieronder beschreven lampjes zijn afhankelijk van het land, het uitrustingsniveau en eventuele opties van de auto.
Tegelijk met het oplichten van bepaalde lampjes, laat de sprekende boordcomputer een waarschuwing horen. Raadpleeg hiervoor de paragraaf "sprekende boordcomputer" in hoofdstuk 1.

Het lampje geeft aan dat u binnenkort een RENAULT-dealer moet bezoeken.
Als het lampje

oplicht, moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen en de instructies bij het betreffende lampje opvolgen.
Als er geen enkele informatie op het instrumentenpaneel verschijnt, moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen.
INSTRUMENTENPANEEL (vervolg)
De aanwezigheid en de werking van de hieronder beschreven lampjes zijn afhankelijk van het land, het uitrustingsniveau en eventuele opties van de auto.


huwingslampje roetfilter.
Raadpleeg de paragraaf "bijzonderheden dieselmoto-ren met roetfilter" in hoofd-stuk 2.

Controlelampje groot- licht

Controlelampje dim- licht

Controlelampje mist- lichten voor

Controlelampje mist- achterlicht
2 Toerenteller


huwingslampje remsysteem en waar- schuwingslampje em aangetrokken
Als het tijdens het remmen gaat branden met het waarschu-
wingslampje

en er een
geluidssignaal klinkt, dan wijst het op een daling van de hoeveelheid remvloeistof of een storing aan het remsysteem. Stop en roep de hulp in van een RENAULT-dealer.
4 Brandstofpeilmeter
5 Koelvloeistof temperatuurmeter
Bij normaal gebruik komt de wijzer niet in het gebied 5a. Bij zware motorbelasting kan de wijzer wel in dit gebied komen. Er is pas gevaar als het lampje oplicht.
6 Snelheidsmeter (geeft aan in km/u of mph)
Geluidssignaal snelheidsver- klikker
Afhankelijk van de uitvoering van de auto klinkt er iedere 40 secondes een geluidssignaal gedurende 10 secondes zolang de auto sneller rijdt dan 120 km/u.

elampje snel- heidsbegrenzer snelheidsregelaar
en
Zie voor de werking de paragra- fen “snelheidsregelaar” en “snelheidsbegrenzer” in hoofd- stuk 2.
8 C 14 telampje van het
uitschakelen van de passagiersairbag voor (op instrumentenpaneel of display van dashboard)
Zie voor de werking de paragraaf "voor de veiligheid van de kinderen" in hoofdstuk 1.

Controlelampje stoelverwarming

Waarschuwingslampje antiblokkeersysteem
Dit gaat branden als u het contact aanzet en gaat daarna uit. Als dit lampje tijdens het rijden oplicht, wijst dit op een storing in het ABS-systeem. Er kan dan met de auto worden geremd als bij een auto zonder ABS.
Raadpleeg zo spoedig mogelijk een RENAULT-dealer.
INSTRUMENTENPANEEL (vervolg)
De aanwezigheid en de werking van de hieronder beschreven lampjes zijn afhankelijk van het land, het uitrustingsniveau en eventuele opties van de auto.
Tegelijk met het oplichten van bepaalde lampjes, laat de sprekende boordcomputer een waarschuwing horen. Raadpleeg hiervoor de paragraaf "sprekende boordcomputer" in hoofdstuk 1.

Het lampje geeft aan dat u binnenkort een RENAULT-dealer moet bezoeken.
Als het lampje

oplicht, moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen en de instructies bij het betreffende lampje opvolgen.
Als er geen enkele informatie op het instrumentenpaneel verschijnt, moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen.
INSTRUMENTENPANEEL (vervolg)
De aanwezigheid en de werking van de hieronder beschreven lampjes zijn afhankelijk van het land, het uitrustingsniveau en eventuele opties van de auto.
8 V aat chuwingslampje airbag
Dit lampje gaat branden als het contact wordt aangezet en dooft na enkele seconden.
Als het niet dooft bij het aanzetten van het contact of als het oplicht bij draaiende motor, wijst dit op een storing in het systeem.
Laat het systeem direct door uw RENAULT-dealer controleren en indien nodig herstellen.
8 V. Chuwingslampje
luchtverontreiniging
Voor de auto's die
hiermee uitgerust zijn, licht hij op bij het aanzetten van het contact en dooft daarna.
- Als het continu brandt, moet u zo snel mogelijk uw RENAULT-dealer raadplegen.
- Als het lampje knippert moet u vaart verminderen tot het knipperen ophoudt.
Laat het systeem direct door uw RENAULT-dealer controleren en indien nodig herstellen.
Raadpleeg de paragraaf "Tips voor zuinig rijden en minder luchtverontreiniging" in hoofdstuk 2.

Controlelampje voor- verwarming (dieselmo- tor)
Bij het aanzetten van het contact, moet dit lampje gaan branden; de motor wordt voorverwarmd. Als de voorverwarming is beeindigd, dooft het lampje en kan de motor worden gestart.
9 C lelampje rich- tingaanwijzers rechts
10 W 12 chuwingslampje SERVICE
Ditgaatbrandenbijhetaanz ten van het contact, en dooft na enkele secondes. Het kan met andere waarschuwingslampjes of boodschappen op het instru- mentenpaneel oplichten.
Als het lampje tijdens het rijden oplicht, moet u de auto binnenkort bij een RENAULT-dealer laten controleren.
11 Infoscherm
Op dit infoscherm verschijnen verschillende soorten informatie.
Afhankelijk van het belang van de informatie kunnen tegelijk een of meer controlelampjes oplichten: zie de paragraaf "infoscherm" in hoofdstuk 1.
INSTRUMENTENPANEEL (vervolg)
De aanwezigheid en de werking van de hieronder beschreven lampjes zijn afhankelijk van het land, het uitrustingsniveau en eventuele opties van de auto.
Tegelijk met het oplichten van bepaalde lampjes, laat de sprekende boordcomputer een waarschuwing horen. Raadpleeg hiervoor de paragraaf "sprekende boordcomputer" in hoofdstuk 1.

Het lampje geeft aan dat u binnenkort een RENAULT-dealer moet bezoeken.
Als het lampje

oplicht, moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen en de instructies bij het betreffende lampje opvolgen.
Als er geen enkele informatie op het instrumentenpaneel verschijnt, moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen.
INSTRUMENTENPANEEL (vervolg)
De aanwezigheid en de werking van de hieronder beschreven lampjes zijn afhankelijk van het land, het uitrustingsniveau en eventuele opties van de auto.
12 Aflezen van het oliepeil
Voor een betrouwbare aflezing van het oliepeil moet de auto horizontaal staan en mag de motor geruime tijd niet hebben gedraaid.
Bij het aanzetten van het contact en gedurende een halve minuut:
- als het oliepeil correct is, geeft het display "oil ok" aan. (Om het oliepeil nauwkeuriger af te lezen, zet u de dagteller op nul of drukt u op de functiekeuzetoets van de boordcomputer, indien uw auto hiermee uitgerust is.) De blokjes op het display geven het oliepeil aan. Zij verdwijnen naarmate het oliepeil daalt en worden vervangen door een streepje.
Om andere informatie te kunnen lezen op uw boordcomputer, drukt u opnieuw op de functiekeuzetoets.
- als het oliepeil te laag is, verschijnt het woord ok niet op het display en knipperen de streepjes en het woord oil.
U mag de motor niet starten zolang u geen olie heeft bijgevuld.
Display boordcomputer
Na 30 secondes, schakelt het display over naar de boordcomputerfunctie: zie de paragraaf "boordcomputer" in hoofdstuk 1.
13 STOP Waarschuwingslampje stop onmiddellijk
Dit dooft enkele secondes na het aanzetten van het contact.
Het gaat tegelijk met andere waarschuwingslampjes en/of boodschap(pen) branden en gaat vergezeld van een geluidssignaal.
Als het lampje oplicht, moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen en de instructies bij het betreffende lampje opvolgen.
14

Controlelampje rich- tingaanwijzers links
INFOSCHERM

Op het infoscherm 1 verschijnen verschillende informatieboodschappen, storingsmeldingen en alarmsignalen.
Als er één boodschap is, verschijnt die alleen op het infoscherm. Zijn er meer boodschappen dan wisselen die elkaar af. De boodschappen die het meest urgent zijn verschijnen het eerst op het scherm: dus eerst de alarmsignalen en dan de storingen.
Informatieboodschappen
Deze bieden hulp tijdens het starten van de auto of geven informatie over een keuze die gemaakt kan worden of over de manier van rijden.
Voorbeelden van informatiebood- schappen worden op de volgende bladzijden gegeven.
Storingsmeldingen
Bepaalde boodschappen worden in oranje weergegeven. Zij kunnen afzonderlijk of met het waarschuwingslampje verschijnen.
In het geval van een storingsmelding moet u zo spoedig mogelijk uw RENAULT-dealer raadplegen voor het verhelpen van de storing (met uitzondering van het controlelampje van de ruitensproeiervloeistof).
Voorbeelden van storingsmeldingen worden op de volgende bladzijdes gegeven.
Alarmsignalen
Deze boodschappen worden in rood weergegeven. Zij kunnen alleen of afwisselend met het waarschu-wingslampje STOP verschijnen.
U moet direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen en direct uw RENAULT-dealer raadplegen.
Voorbeelden van alarmsignalen worden op de volgende bladzijdes gegeven.
Het infoscherm wordt donker door een druk op de functiekeuzetoets van de boordcomputer. Raadpleeg de paragraaf "boordcomputer" in hoofdstuk 1.
INFOSCHERM (vervolg)
| Voorbeelden van informatie-boodschappen | Betekenis van de boodschappen |
![]() | "Kaartbatterij vervangen"Storing van de batterij van de card |
![]() | "Bandenspanning"Bandenspanning is goed. |
![]() | "Plaats de versnellingshendel op P"Startvoorwaarde niet conform voor de auto's met automatische transmissie |
![]() | "Snelheidsregelaar"Weergave van de ingestelde geregelde snelheid (zie de paragraaf “snelheidsregelaar” in hoofd-stuk 2). |
INFOSCHERM (vervolg)
| Voorbeelden van storingsmeldingen | Betekenis van de boodschappen |
![]() | "Transmissie controleren"Versnellingsbak defect, raadpleeg zo snel mogelijk een dealer |
![]() | "Oliepeil bijvullen"Hetoliepeilmoetbijgevuldworden,voersneleencontroleuitop |
![]() | "ESP controleren"ESP defect |
![]() | "Airbag controleren"Bestuurdersairbag defect |
![]() | "Luchtverontreiniging controleren"Werking defect |
INFOSCHERM (vervolg)
| Voorbeelden van storingsmeldingen | Betekenis van de boodschappen |
![]() | "Bandenpanning snelweg"De rijsnelheid is niet aangepast aan de bandenspanning.Verminder snelheid of breng de bandenspanning op volbelast |
![]() | "ESP"ES Pinwerking |
![]() | "Bandenspanning corrigeren"Te hoge of lage bandenspanning |
![]() | "Inspuitsysteem controleren"Elektronische storing van het inspuitsysteem |
![]() | "Airbag passagier uitgeschakeld"Airbag passagier uitgeschakeld |
INFOSCHERM (vervolg)
| Alarmsignalen Betekenis van de boodschappen | |
![]() | "Oververhitting motor"Koelvloeistoftemperatuur te hoog |
![]() | "Storing inspuitsysteem - Stop de motor"Ernstige storing inspuitsysteem, stop de auto |
![]() | "Storing remsysteem"Storing van remcircuit |
![]() | "Lekke band - Band verwisselen"In dit voorbeeld is de linker achterband lek |
![]() | "Storing opladen"Storing laadstroom accu |
INFOSCHERM (vervolg)
| Alarmsignalen Betekenis van de boodschappen | |
![]() | "Storing oliedruk"Storing oliedruk |
![]() | "Storing parkeerrem"Automatische parkeerrem buiten gebruik |
![]() | "Zet de parkeerrem vast" |
![]() | "Gevaar van blokkeren stuurinrichting"Storing stuurkolomgrendel |
BOORDCOMPUTER

Nulinstelling van de boordcomputer en van de dagteller
De dagteller kan alleen op nul worden gezet als deze functie is geselecteerd.
Druk dan lang op de toets 2.
Functiekeuze
Met het kort indrukken van deze toets 2 kunt u een voor een de volgende gegevens laten aangeven:
a) totaalteller,
b) dagteller,
c) verbruikte brandstof,
d) gemiddeld verbruik,
e) actueel verbruik,
f) actieradius met de overgebleven brandstof,
g) afgelegde afstand,
h) gemiddelde snelheid,
i) overgebleven afstand tot de vol-
gende olieverversing,
j) uitzetten van het infoscherm
Betekenis van de waarden na een nulinstelling
De waarden van gemiddeld verbruik, bereik en gemiddelde snelheid worden stabieler en nauwkeuriger naarmate de afgelegde afstand vanaf de laatste nulinstelling groter wordt.
Tijdens de eerste paar kilometers na de nulinstelling zult u merken dat:
- de actieradius tijdens het rijden groter wordt. Dit is normaal want het gemiddelde verbruik daalt als:
- de auto met een constante snel- heid rijdt,
- de motor zijn bedrijfstemperatuur bereikt (nulinstelling bij koude motor),
- u vanuit druk stadsverkeer op de buitenweg komt,
Doordat het gemiddelde verbruik daalt, wordt het bereik groter.
- dat het gemiddelde verbruik toe-neemt als de motor stationair draait en de auto stil staat.
Dit is normaal: de boordcomputer telt de verbruikte brandstof zonder dat er een afstand wordt afgelegd.
N.B.
Indien de capaciteit van een van de geheugens wordt overschreden, springt de aanwijzing automatisch op nul terug.
BOORDCOMPUTER (vervolg)
| Voorbeelden van functiekeuzes door achter elkaar 2 in te drukken | Betekenis van de indicatie | |
![]() | ![]() | a) Totaalteller. |
![]() | ![]() | b) Dagteller. |
![]() | ![]() | c) Verbruikte hoeveelheid brandstof (in liters) vanaf de laatste nulinstelling. |
![]() | ![]() | d) Gemiddeld verbruik (in liters/100 km) vanaf de laatste nulinstelling.Deze waarde wordt aangegeven na 400 meter gereden te hebben en wordt berekend aan de hand van de sinds de laatste nulinstelling afgelegde afstand en verbruikte brandstof. |
BOORDCOMPUTER (vervolg)
| Voorbeelden van functiekeuzes door achter elkaar 2 in te drukken | Betekenis van de indicatie | ||
![]() | ![]() | e) Actueel verbruik (in liters/100 km).De waarde wordt aangegeven zodra de auto sneller rijdt dan 35 km/u. | |
![]() | ![]() | f) De actieradius met de overgebleven brandstof (in km afhankelijk van het land)Uitgaande van het gemiddelde verbruik sinds de laatste nulinstelling en de hoeveelheid brandstof in de tank.Deze waarde wordt aangegeven na 400 meter gereden te hebben. | |
![]() | ![]() | g) Afgelegde afstand (in km) vanaf de laatste nulinstelling. | |
![]() | ![]() | h) Gemiddelde snelheid (in km/u) vanaf de laatste nulinstelling.Deze waarde wordt aangegeven na 400 meter gereden te hebben. | |
BOORDCOMPUTER (vervolg)
| Voorbeelden van functiekeuzes door achter elkaar 2 in te drukken | Betekenis van de indicatie |
➔ | i) Afstand verversingOvergebleven afstand tot de volgende onderhoudsbeurt.Er zijn verschillende mogelijkheden:afstand minder dan1500kmofonderhoud binnen twee maanden noodzakelijkDe tekening knippert (gedurende 30 secondes als het display niet staat op “afstand verversing”, anders de hele tijd van de weergave “afstand verversing”), de waarde wordt vervangen door streepjes en afhankelijk van de auto verschijnt “binnenkort olie verversen” op het infoscherm.afstand0kmofonderhoud nu noodzakelijkDe tekeningverschijnt de hele tijd dat de gekozen informatie op het display geselecteerd is, de waarde wordt vervangen door streepjes en afhankelijk van de auto verschijnt de boodschap “binnenkort olie verversen” op het infoscherm.Initialisatie van het display na onderhoud volgens het onderhoudsprogrammaDe overgebleven afstand tot de volgende verversing/onderhoud mag pas opnieuw geïntialiseerd worden na een onderhoudsbeurt die in overeenstemming is met het onderhoudsboekje. Als u besluit om eerder olie te laten verversen, initialiseer deze meter dan niet bij elke olieverversing. Dit voorkomt dat het vervangingsinterval van andere onderdelen, zoals voorzien is in het onderhoudsprogramma, overschreden wordt.Met contact aan, kies de functie “afstand olie verversen” op het display. Houd de toets2meer dan 10 secondes ingedrukt. De waarde op het display knippert 4 keer en wordt vervangen door de waarde “overgebleven afstand tot de volgende verversing” die geïntialiseerd is. Deze waarde knippert 4 keer. Laat toets2los, de waarde wordt vast weergegeven en is in het geheugen opgenomen. |
KLOKJE EN BUTTENTHERMOMETER

De buitentemperatuur en/of de tijd worden aangegeven als het contact aan staat.
Op tijd zetten van het klokje 1
Druk op toets:
H voor de uren,
M voor de minuten.
Buitentemperatuurmeter Bijzonderheid:
Als de buitentemperatuur tussen -3°C en +3°C ligt, knipperen de tekens °C (waarschuwing voor kans op gladheid).

Buitentemperatuurme- ter
De buitenthermometer is beslist geen gladheidsdetector. Gladheid is niet alleen van de temperatuur afhankelijk, maar van meer factoren zoals de ligging van de weg en de vochtigheid van de lucht
Auto's met navigatiesystemen, telefoons, enz.
Raadpleeg de betreffende instructieboekjes voor de bijzonderheden van deze uitrustingen.
Als de elektrische voeding onderbroken is geweest (losgenomen accukabel, zekering doorgebrand) geeft het display niet langer de juiste informatie aan.
Het klokje moet weer gelijk gezet worden.
Zet het alleen bij stilstaande auto gelijk.
STUURWIEL

Hoogte- en diepteafstelling
Trek de hendel 1 naar beneden en zet het stuurwiel in de gewenste stand. Druk de hendel omhoog om het stelmechanisme te blokkeren.

Verstel het stuurwiel uit- sluitend als de auto stil- staat.
Laat het stuurwiel niet te lang in een uiterste stand gedraaid staan om beschadiging van de stuurbekrachtigingspomp te voorkomen.
Zet nooit de motor af tijdens het rijden: bij uitgeschakelde motor is er geen bekrachtiging.
BUTTENSPIEGELS

Buitenspiegels
Als het contact aan staat, kunnen de spiegels worden versteld met de knop 1:
- instand C regelt u de stand van de linker spiegel,
- in stand E regelt u de stand van de rechter spiegel;
Zet na het verstellen de knop weer in de middenstand D terug.

Inklapbare buitenspiegels
Zet de knop 1 in de positie F: de buitenspiegels klappen in.
Om de spiegels weer in de rijstand te zetten, zet u de knop in positie C, D of E.
Verwarmde buitenspiegels
Het spiegelglas wordt verwarmd als de achterruitverwarming aan staat.

De buitenspiegel aan de kant van de bestuurder is in twee delen uitgevoerd. In deel B ziet u wat u met
Voorwerpen die u in deel A ziet, lijken verder weg dan zij in werkelijkheid zijn.
een normale spiegel ziet. Met deel A ziet u een grotere hoek aan de achter- en zijkant van de auto.
SPIEGELS

De binnenspiegel is verstelbaar. Om te voorkomen dat u in het donker verblind wordt door achter u rijden-de voertuigen, kan het spiegelglas in de nachtstand gezet worden met het knopje 1 achter de spiegel.

De spiegel wordt bij duisternis automatisch donkerder onder invloed van de verlichting (grootlicht) van achter u rijdende voertuigen.
CLAXON EN LICHTSIGNALEN

Druk op het midden van het stuur-wiel A.
Lichtsignaal
U geeft een signaal met het groot- licht, ook als de verlichting niet brandt, door de schakelaar 1 naar u toe te trekken.

Druk op de schakelaar 2.

Hiermee schakelt u tegelijkertijd de vier knipperlichten in.
U gebruikt het alarmsignaal als waarschuwing voor de overige weggebruikers:
- als u gedwongen bent de auto stil te zetten op een plaats waar het overige verkeer dit niet verwacht of waar dit verboden is
- in geval van overmacht zoals bij een defect of ongeval.

Beweeg de schakelaar 1 evenwijdig aan het stuurwiel en in de richting waarin u dit gaat draaien.
Bij het rijden op een snelweg wordt het stuur slechts weinig gedraaid, waardoor de schakelaar niet vanzelf terugkomt in ruststand 0. U geeft dan richting aan door de richting-aanwijzerschakelaar in de gewenste stand te drukken.
De schakelaar veert bij het loslaten automatisch in de ruststand 0 terug.
VERLICHTING

Draai het einde van de schakelaar 1 tot het symbool zichtbaar wordt bij het merkteken 3.
De instrumentenverlichting gaat branden. De lichtsterkte ervan kunt u regelen met de draaiknop 2.

Dimlicht

Handbediend
Draai het einde van de schakelaar 1 tot het symbool zichtbaar wordt bij het merkteken 3.
In alle gevallen licht een controle- lampje op het instrumentenpaneel op.
De dimlichten schakelen automatisch in als het buiten donker wordt en uit als het weer licht wordt, zonder dat de schakelaar 1 (stand 0) hoeft te worden gebruikt.
Deze functie kan ingeschakeld of uitgeschakeld worden.
- Uitschakelen: contact aan met stilstaande auto, dra aideschake laar 1 twee keer achter elkaar van stand 0 in de stand markerings- lichten. Een geluidssignaal beves- tigt dit.
- Inschakelen: contact aan met of zonder draaiende motor, draai de schakelaar twee keer achter elkaar van stand 0 in de stand markeringslichten. Een geluidssignaal bevestigt dit.
- Om de grootlichten in te schakelentrektudeschakelaar 1 na toe. Trek deze nog een keer naar u toe om de dimlichten weer in te schakelen.
- De lichten gaan uit na het afzetten van de motor als het bestuurdersportier wordt geopend of als de auto wordt vergrendeld met de RENAULT card.
VERLICHTING (vervolg)

Grootlicht
Met dimlichten aan, trekt u de lichtschakelaar naar u toe.
Als het grootlicht brandt, wordt dit door het bijbehorende controle-lampje op het instrumentenpaneel aangegeven.
O m hetgrootlichtuiten het dimlicht weer in te schakelen, trekt u de lichtschakelaar opnieuw naar u toe.
Lichten uit
Draai de schakelaar 1 terug in de beginstand.

Functie "uitschakelvertraging"
Met deze functie branden de dim- lichten gedurende enige tijd na het verlaten van de auto (bijvoorbeeld om een hek of een garagedeur te openen).
Contact uit, RENAULT card uit de lezer: trek de schakelaar 1 naar u toe: de dimlichten branden gedurende ongeveer dertig secondes.
Dit kan vier keer gedaan worden om een maximum duur van twee minuten te activeren.

Waarschuwingssignaal verlichting brandt nog
Bij het openen van het bestuurdersportier klinkt een signaal om u te waarschuwen indien de lichten nog branden, terwijl het contact is afgezet (de accu wordt dan ontladen).

Controleer, voordat u in het donker wegrijdt, de werking van de verlichting en stel indien nodig d van de koplampen af op sting van de auto.
VERLICHTING (vervolg)

Mistlichten aan de voor- zijde

Draai de middelste ring 4 van de schakelaar tot het symbool zichtbaar wordt bij het merkteken 5 staat en laat dan los.
De werking is afhankelijk van de gevoerde verlichting; het controle-lampje op het instrumentenpaneel gaat branden.

Mistachterlicht

Draai de middelste ring 4 van de schakelaar tot het symbool zichtbaar wordt bij het merkteken 5 staatenlaatdanlos.
De werking is afhankelijk van de gevoerde verlichting; het controle-lampje op het instrumentenpaneel gaat branden.
Zodra de weersomstandigheden dit toelaten moet u het mistachterlicht uitschakelen om de achter u rijden-de weggebruikers niet te hinderen.
N.B. het mistlicht bevindt zich aan de bestuurderskant.
Lichten uit
Draai weer de ring 4 om het merkteken 5 tegenover het symbool van het mistlicht te plaatsen dat u wilt uitschakelen.
Bij het uitschakelen van de verlichting, gaan ook de mistlichten voor en achter uit.
Bij mist schakelen de lichten niet altijd automatisch in, het inschakelen van de mistlichten blijft onder controle van de bestuurder: de controlelampjes op het instrumentenpaneel informeren u of de lichten branden (controlelampje brandt) of gedoofd zijn (controlelampje brandt niet).
Met knop A kan de stand van de koplampen aangepast worden aan de belading van de auto.
Als u de knop A omlaag draait dan gaan de lichtbundels naar beneden; d r a a i t u d e k n o p o m h o o g d de lichtbundels ook omhoog.
| Voorbeelden van de stand van knop A, afhankelijk van de belasting | ||
| Hatchback Break | ||
| Bestuurder alleen of met een passagier voorin | 0 | 0 |
| Bestuurder met een passagier voorin en een passagier achterin | 0 | 0 |
| Bestuurder met een passagier voorin en twee of drie passagiers achterin a n g a a n | 1 | 1 |
| Bestuurder met een passagier voorin, drie passagiers achterin en bagage | 3 | 3 |
| Bestuurder met bagage of belading tot de maximaal toegelaten totale massa | 4 | 4 |
RUITENWISSER / -SPROEIER VOOR

Auto voorzien van rui- tenwisser voor met in- terval

Contact aan, verplaats de schakelaar 1
- A uit
- B wissen met intervallen
De wissers vegen met tussenpozen van enkele secondes. De duur van het interval is te regelen door de middelste ring van de ruitenwisserschakelaar 1 te verdraaien:
• C langzaam continu wissen.
- D snel continu wissen.
Auto voorzien van ruitenwisser voor met regensensor
Contact aan, verplaats de schakelaar 1
- A uit
- B stand "regensensor"
In deze stand signaleert het systeem water op de voorruit en schakelt het wissen in met een aangepaste wissnelheid.
Met de centrale ring van de schakelaar 1 kan de gevoeligheid van de regensensor worden ingesteld van – tot ■:
- lage gevoeligheid
■ hoge gevoeligheid.
• C langzaam continu wissen.
- D snel continu wissen.
Na uitzetten van het contact, is het noodzakelijk terug te gaan naar de ruststand A om de regensensor weer in te schakelen.
Auto met automatische aanpassing van de wissnelheid
Als u tijdens het rijden, een wissnelheid geselecteerd heeft, gaat deze elke keer als de auto stil staat over tot een lagere wissnelheid:
- van snel continu wissen naar langzaam continu wissen;
- van langzaam continu wissen naar wissen met intervallen.
Zodra de auto weer gaat rijden, beginnen de wissers weer met de oorspronkelijk ingestelde snelheid te werken.
Als u bij stilstaande auto schakelaar 1 in een andere stand zet, schakelt u hiermee bovengenoemd automatisme uit.
N.B.: als het mechanisme is geblokkeerd (bijvoorbeeld doordat de wisserbladen zijn vastgevroren aan de voorruit) wordt de voeding van de ruitenwissermotor automatisch uitgeschakeld.
RUITENWISSE / -SPROEIER VOOR (vervolg)

Ruitensproeiers, koplampsproeiers
Contact aan: trek de schakelaar 1 naar u toe.
- Als de verlichting uit is wordt de sproeier van de voorruit ingeschakeld.
- Koplampen branden worden tegelijkertijd ook de kop- lampsproeiers ingeschakeld.
Controleer als het vriest, voordat u wegrijdt, of de ruitenwissers voor en achter niet aan het glas zijn vastgevroren. De wissermotor kan hierdoor te warm worden.
Controleer regelmatig de staat van de ruitenwisserbladen. Zodra hun werking afneemt moet u ze vervangen, ongeveer eens per jaar.
Als u het contact afzet voordat u de ruitenwisser hebt uitgeschakeld (stand A), blijven de wisserarmen onmiddellijk stilstaan.
RUITENWISSER EN -SPROEIER ACHTER

Achterruitwisser met interval

Contact aan, draai het einde van de schakelaar 1 tot het merkteken 2 tegenover het symbool staat.
Achterruitsproeier

Contact aan, draai het einde van de schakelaar 1 tot het merkteken 2 tegenover het symbool staat.
Als u de schakelaar loslaat, blijft de achterruitwisser werken.

De achterruitwisser komt met tussenpozen in werking als u de achteruitversnelling inschakelt terwijl de ruitenwissers van de voorruit in werking zijn.
Voordat u de ruitenwisser achter gebruikt moet u ervoor zorgen dat niets de beweging van de wisser hindert.
Controleer als het vriest, voordat u wegrijdt, of de ruitenwissers voor en achter niet aan het glas zijn vastgevroren. De wissermotor kan hierdoor te warm worden.
Controleer regelmatig de staat van de ruitenwisserbladen. Zodra hun werking afneemt moet u ze vervangen, ongeveer eens per jaar.
BRANDSTOFTANK

Bruikbare inhoud van de tank:
ongeveer 68 liter
Om het klepje A te openen, drukt u aan de kant van het scharnier.
Tijdens het tanken kunt u de dop aan het klepje 1 hangen.

De tankdop is van een speciaal type. Vraag naar ditzelfde type als u een andere dop koopt. Raadpleeg uw JLT-dealer.
Rook niet tijdens het tanken en ontsteek geen open vuur in de nabijheid van de brandstoftank of de tankdop.
Soort brandstof
Gebruik brandstof van een bekend merk met een kwaliteit die overeenkomt met de normen die in ons land zijn vastgelegd.
Benzinemotor
Gebruik uitsluitend ongelode benzi- ne. Het octaangehalte (RON) moet overeen komen met de indicaties op de sticker in de tankdopklep. Raad- pleeg de paragraaf "Gegevens van de motor" in hoofdstuk 6.
Dieselmotor
Gebruik uitsluitend dieselbrandstof die overeenkomt met de indicaties op de sticker aan de binnenkant van de tankdopklep A.
Let er op dat bij het tanken geen water bij de brandstof komt. Het afsluitsysteem van de tankdop en de omgeving ervan moeten stofvrij zijn.

Vermeng de dieselbrand- stof beslist niet met ben- zine.
BRANDSTOFTANK (vervolg)
Tanken van brandstof Benzinemotor
Gebruik alleen ongelode benzine.
Schade die ontstaan is als gevolg van het tanken van loodhoudende benzine wordt niet door de fabrieks-garantie gedekt.
Om te voorkomen dat er abusievelijk loodhoudende benzine wordt getankt, heeft de vulhals een nauwe doorlaat met klep waarin alleen een vulpistool met ongelode benzine past.
- Druk met het vulpistool de klep in de vulhals open en steek het pistool zover mogelijk naar binnen.
- Houd tijdens het tanken het vulpistool in deze stand tot u klaar bent met tanken.
Brandstof tanken (vervolg) Alle uitvoeringen
Als het vulpistool automatisch is afgeslagen, mag u nog maximaal twee liter brandstof bijvullen.

Wijzig of repareer niet zelf het brandstofsysteem (rekeneenheden, bedrading, brandstofcircuit, inspuitstukken of verstui- vers, beschermkappen) vanwege de grote gevaren voor de veilig- heid die hierdoor kunnen ont- staan. Laat deze werkzaamheden uitsluitend door uw RENAULT- dealer uitvoeren.
Aanhoudende stank van brand- stof
In geval van een aanhoudende stank van brandstof, moet u:
- onmiddellijk stoppen, rekening houdend met het overige verkeer en het contact afzetten;
- de alarmknipperlichten aanzetten en alle passagiers uit laten stappen en ze ver van het verkeer houden;
- niet aan het brandstofsysteem komen en de auto niet starten voordat deze door een RENAULT-dealer is nagekeken.
Hoofdstuk 2: Het rijden (met tips voor zuinig en milieubewust autorijden)
Inrijden 2.02
Starten - Stilzetten motor 2.03 → 2.06
Bijzonderheden benzinemotor 2.07
Bijzonderheden dieselmotor 2.08
Bijzonderheden van de dieselmotor met roetfilter 2.09
Versnellingshendel 2.10
Stuurbekrachtiging 2.10
Handrem 2.11
Parkeerrem 2.12 →2.14
Tips voor zuinig rijden en minder luchtverontreiniging 2.15 →2.17
Het milieu 2.18
Controlesysteem bandenspanning 2.19 →2.22
Elektronisch Stabiliteits Programma: ESP 2.23 - 2.24
Tractiecontrole: ASR 2.25 - 2.26
Antiblokkeersysteem: ABS 2.27 - 2.28
Noodstopbekrachtiging: BAS 2.29
Snelheidsbegrenzer 2.30 →2.32
Snelheidsregelaar 2.33 →2.35
Parkeerhulp 2.36 - 2.37
Automatische transmissie 2.38 →2.40
INRIJDEN
Benzinemotor
Rijd de eerste 1.000 km niet sneller dan 130 km/uur in de hoogste ver- snelling en laat de motor met niet meer dan 3.000 tot 3.500 tr/min draaien.
Na 1.000 km kunt u uw auto zonder beperkingen gebruiken; pas na 3.000 km zal hij echter zijn volle vermogen kunnen geven.
Onderhoudsbeurten: raadpleeg het onderhoudsboekje van uw auto voor het uit te voeren onderhoud.
Dieselmotor
Laat de motor de eerste 1500 km niet sneller draaien dan 2500 tr/min. Daarna kunt u sneller rijden maar pas na 6000 km zult u over het volle vermogen van de motor kunnen beschikken.
Trek tijdens het inrijden nooit snel op. Als de motor nog koud is mag u hem in de lagere versnellingen nooit met een hoog toerental laten draaien.
Onderhoudsbeurten: raadpleeg het onderhoudsboekje van uw auto voor het uit te voeren onderhoud.
STARTEN / STILZETTEN VAN DE MOTOR MET RENAULT CARD AFSTANDSBEDIENING

Bij het openen van het portier, licht de kaartlezer 1 op.
Voer de RENAULT card in de kaartlezer 1 in die beschikt over twee standen: de eerste komt overeen met stand "accessoires", de tweede met de stand "starten motor", de boodschap "invoeren card" verschijnt op het infoscherm van het instrumentenpaneel.
Stand "accessoires"
(Eerste stand)
Ook als de motor niet draait, werken de eventuele accessoires (radio, enz.).
Stand "starten motor"
(Tweede stand)
Breng de RENAULTcard in de kaartlezer 1 (tot u het geluid van het ontgrendelen van de stuur- kolom hoort), de knop 2, licht op ter bevestiging dat u de motor kunt starten: druk kort op de knop 2 om te starten. Het waarschuwings- lampje A licht op ter bevestiging dat de motor gestart is.
N.B.: zolang knop 2 niet oplicht, kunt u niet starten (bijvoorbeeld: dieselmotor verwarmt nog voor, versnelling ingeschakeld).
Bijzondere gevallen
In sommige gevallen is het nodig het stuurwiel te bewegen, terwijl u op de schakelaar 2 drukt om de stuurkolom te ontgrendelen.
Stand "starten motor" (vervolg)
Zodra de motor start, dooft de knop 2 en het controlelampje "motor draait" A licht op.
N.B.: laat de card zitten. Een geluidssignaal klinkt als de card niet meer op zijn plaats zit.
STARTEN / STILZETTEN VAN DE MOTOR MET RENAULT CARD AFSTANDSBEDIENING (vervolg)
Stilzetten van de motor
Druk kort, bij stilstaande auto, op de knop 2: het contact wordt uitgezet en het signaal "motor draait" A dooft.
Voor sommige auto's met automatische transmissie, zet u de hendel in de stand parkeren P.
Haal de RENAULT card uit de kaartlezer 1.
Als u de RENAULT card uit de kaartlezer haalt, gaat het binnenlicht branden (als dit in de stand "automatische werking" staat), wordt de stuurkolom geblokkeerd en gaan de accessoires uit.
N.B.: als u de RENAULT card in de kaartlezer laat zitten, klinkt er een geluidssignaal dat u waarschuwt zo- dra u het bestuurdersportier opent en de verlichting van de kaartlezer knippert.

Laat nooit de RENAULT card in de kaartlezer zitten als u de auto achterlaat met een kind (of een dier) erin.
Met contact aan kan het kind de ruiten bedienen en door het omhoog gaan ervan ernstig worden verwond aan hals, arm of hand als deze uit de auto steken. Gevaar voor ernstige verwondingen.
Trek de sleutel niet uit het contact- slot voordat de auto geheel tot stil- stand is gekomen. Als de motor niet meer draait, is er geen stuurbe- krachtiging en rembekrachtiging meer. Ook werken veiligheidsvoor- zieningen zoals airbag en gordel- spanners niet meer.
Als u de RENAULT card uit de kaartlezer haalt, wordt de stuurinrichting geblokkeerd.
STARTEN / STILZETTEN VAN DE MOTOR MET HANDSFREE RENAULT CARD

Als de motor niet draait en de pedalen (rem, koppeling) niet ingedrukt zijn, kunt u door het achtereenvolgens indrukken van de knop 1 deze standen één voor één selecteren.
Afhankelijk van de directe omgeving (installaties buiten of gebruik van apparaat dat op dezelfde frequentie als de RENAULT card werkt)
kan de werking van de RENAULT card gestoord worden. In dat geval moet u de card in de lezer 2 steken om te starten.

Starten van de motor
Met de RENAULT card in de auto (gebied A), met uitzondering van een aantal hoge plaatsen zoals de zonneklep, de brilhouder, enz.):
- druk het koppelingspedaal in en druk op de knop 1; of
- de versnellingshendel in neutraal (auto met handgeschakelde versnellingsbak) of in stand P of N (auto met automatische transmissie), druk het rempedaal in en druk op de knop 1:
25069
Stilzetten van de motor
Bij stilstaande auto, drukt u op de knop 1, accessoires, zoals de radio, die op dat moment ingeschakeld zijn, blijven werken.
Als het bestuurdersportier geopend wordt, gaan de accessoires uit en vergrendelt de stuurkolom.

Laat nooit de RENAULT card in de kaartlezer zitten of in de auto liggen als u de auto achterlaat
met een kind (of een dier) erin. Met contact aan kan het kind elektrische systemen bedienen, bijvoorbeeld de ruiten en door het omhoog gaan hiervan ernstig worden verwond aan hals, arm of hand als deze uit de auto steken. Gevaar voor ernstige verwondingen.
Trek de sleutel niet uit het contactslot voordat de auto geheel tot stilstand is gekomen. Als de motor niet meer draait, is er geen stuurbekrachtiging en rembekrachtiging meer. Ook werken veiligheidsvoorzieningen zoals airbag en gordelspanners niet meer.
STARTEN / STILZETTEN VAN DE MOTOR MET HANDSFREE RENAULT CARD (vervolg)
Tijdelijk uitschakelen
- Als de motor draait, een portier geopend wordt en de card niet langer in de auto is (bijvoorbeeld als de bestuurder uitstapt om zijn garage-deur te openen): de motor blijft draaien.
- Als de motor draait, portieren gesloten en de card niet langer in de auto is (bijvoorbeeld als een passagier uitgestapt is ergens terwijl hij de RENAULT card bij zich had): verschijnt de boodschap "card niet gedetecteerd" op het instrumentenpaneel, het controlelampje knippert op de noodkaartlezer 3 en er klinkt een geluidssignaal bij het sluiten van het laatste portier.
- De werking van de RENAULT card kan gestoord worden in de omgeving van een zendinstallatie of bij gebruik van apparatuur die werkt op dezelfde frequentie als de RENAULT card.

Storing van de handsfree func- tie
Het lampje 2 en de kaartlezer 3 knipperen.

Voer de RENAULT card in de kaartlezer 3 in. Druk op het rem- en/of koppelingspedaal en ga daarna verder zoals aangegeven in "starten/stoppen motor met card afstandsbediening".
BIJZONDERHEDEN VAN DE UITVOERINGEN MET EEN BENZINEMOTOR
Onder bepaalde omstandigheden, zoals:
- Te lang doorrijden als het waarschuwingslampje brandstofreserve brandt.
- Het gebruik van loodhoudende benzine.
- Het gebruik van niet door RENAULT goedgekeurde toevoegingen aan de motorolie of de benzine.
Of bij het optreden van storingen zoals:
- Een defecte ontsteking of losse bougiekabel waardoor de ontsteking overslaat en de auto met horten en stoten rijdt,
• Vermogensverlies van de motor,
kan de katalysator oververhit raken waardoor hij minder effectief wordt en ook andere delen van de auto te heet kunnen worden.
Indien u een van de hiervoor ge- noemde storingen constateert, dient u uw auto zo spoedig mogelijk door uw RENAULT-dealer te laten her- stellen.
Door de in het garantie- en onderhoudsboekje voorgeschreven onderhoudsbeurten uit te laten voeren kunt u dergelijke storingen voorkomen.
Bij startmoeilijkheden
Als de auto niet direct aanslaat mag u de startmotor niet lang achtereen laten draaien om beschadiging van de katalysator te voorkomen. Ook mag de auto niet worden aangeduwd of aangesleept.
Ga niet door met starten maar raadpleeg een RENAULT-dealer en laat de storing verhelpen.

Parkeer de auto niet of blijf niet met draaiende motor staan op een plaats waar de uitlaat zich boven brand-
baar materiaal bevindt. Onder on- gunstige omstandigheden (droogte, harde wind) kan brand ontstaan als de hete uitlaat in contact komt met gras of bladeren.
BIJZONDERHEDEN VAN DE UITVOERINGEN MET EEN DIESELMOTOR
Toerental van de dieselmotor
De dieselmotor heeft een begrenzing dieervoorzorgtdathetafg motortoerental in geen van de ver- snellingen kan worden overschre- den.
Als de tank is leeg gereden
Wanneer de motor door brandstof-gebrek stilgevallen is, en u hebt weer getankt, dan kunt u de motor normaal starten, mits natuurlijk de accu in goede conditie is.
Als de motor echter na een paar startpogingen van enkele secondes niet wil starten, moet u een RENAULT-dealer raadplegen.
Voorzorgen in de winter
Om problemen bij vorst te voorko- ørsene l d e
- zorg dat de accu steeds goed gela- den is.
- laat het brandstofpeil in de tank niet onnodig laag komen om condensatie van waterdamp tegen te gaan.

Parkeer de auto niet of blijf niet met draaiende motor staan op een plaats waar de uitlaat zich boven brand-
baar materiaal bevindt. Onder on- gunstige omstandigheden (droogte, harde wind) kan brand ontstaan als de hete uitlaat in contact komt met gras of bladeren.
BIJZONDERHEDEN VAN DE DIESELMOTOR MET ROETFILTER

Het waarschuwingslampje roetfilter 1 licht op om aan te geven dat de roetfilter bijna verzadigd is.
Om de roetfilter te reinigen, raden wij u aan om met een gemiddelde snelheid van 80 km/uur te rijden, zodra dit mogelijk is en totdat het controlelampje gedoofd is, waarbij u rekening houdt met:
- de verkeersomstandigheden;
- de toegestane maximum snelheid.
Toerental van de dieselmotor
De dieselmotor heeft een begrenzing die er voor zorgt dat het afgestelde motortoerental in geen van de versnellingen kan word den.
Auto's met een roetfilter
Afhankelijk van de gebruikte brandstofsoort, kan er soms witte rook ontstaan tijdens het rijden.
Dit wordt veroorzaakt door het automatisch reinigen van het roetfilter en heeft geen gevolgen voor het rijgedrag van de auto.

Parkeer de auto niet of blijf niet met draaiende motor staan op een plaats waar de uitlaat zich bo-
ven brandbaar materiaal bevindt. Onder ongunstige omstandigheden (droogte, harde wind) kan brand ontstaan als de hete uitlaat in contact komt met gras of bladeren.
Voorzorgen in de winter
Om problemen bij vorst te voorko- men:
- zorg dat de accu steeds goed gela- nden is; erschre -
- laat het brandstofpeil in de tank niet onnodig laag komen om condensatie van waterdamp tegen te gaan.
Als de tank is leeg gereden
Wanneer de motor door brandstofgebrek stilgevallen is en u hebt weer getankt, kunt u de motor normaal starten, mits natuurlijk de accu in goede conditie is: zie de paragraaf "Brandstoftank" in hoofdstuk 1 voor de bijzonderheden van dieselmotoren voorzien van een common rail (hoge druk) inspuitsysteem.
Als de motor echter na een paar startpogingen van enkele secondes niet wil starten, moet u een RENAULT-dealer raadplegen.
VERSNELLINGSHENDEL

Bij stilstaande auto, schakelt u eerst in neutraal en vervolgens verplaatst u de versnellingshendel in de achteruitversnelling.
Auto's met een handgeschakelde versnellingsbak: volg de tekening op de knop 1 van de hendel en, afhankelijk van de uitvoering van de auto, trek de ring 2 omhoog tegen de knop om de achteruitversnelling in te schakelen.

De achteruitrijlichten gaan branden, zodra de achteruitversnelling is ingeschakeld en het contact aanstaat.
Auto's voorzien van parkeerhulp: zie paragraaf "parkeerhulp" in hoofdstuk 2 voor meer bijzonderheden.
HANDREM STUURBEKRACHTIGING

Trek de handgreep iets omhoog waarna u de knop 1 indrukt en de handgreep omlaag duwt.
Indien u de handgreep niet vol- doende terug duwt, blijft op het in- strumentenpaneel een lampje bran- den.

Tijdens het rijden moet de handrem altijd volledig zijn vrij gezet, anders loopt u het risico van
oververhitting van de remmen.
Vastzetten
Trek naar boven en controleer of de auto goed blijft stilstaan.

Afhankelijk van de helling en de belasting van de auto, kan het nodig zijn de handrem minstens twee extra tanden vaster te zetten en een versnelling in te schakelen (1e of achteruitversnelling) voor de auto's met handgeschakelde versnellingsbak of stand P voor de auto's met automatische transmissie.
Laat het stuurwiel niet te lang in een uiterste stand gedraaid staan om beschadiging van de stuurbekrachtigingspomp te voorkomen.
Snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
De snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging past de mate van bekrachtiging automatisch aan de snelheid van de auto aan.
Bij het parkeren is er veel bekrachtiging (voor meer comfort) en met het toenemen van de snelheid vermindert de bekrachtiging (voor een grotere veiligheid bij snel rijden).

Zet nooit de motor af tijdens het rijden: bij uitgeschakelde motor is er geen bekrachtiging.
PARKEERREM

Vastzetten van de parkeerrem Handbediening
Trek aan de handgreep 1 en laat deze weer los.
Automatische werking (afhankelijk van het land)
De parkeerrem houdt de auto automatisch stil als de motor wordt stilgezet door een druk op de start/stopknop van de motor.

In alle andere gevallen, bijvoorbeeld afslaan van de motor, wordt de parkeerrem niet automa-
tisch vastgezet. De handbedie- ning moet dan gebruikt worden.
Het vastzetten van de parkeerrem wordt bevestigd door het continu branden van het lampje 3 op het dashboard en van het lampje 4 op het instrumentenpaneel. De lampjes 3 en 4 gaan uit bij het vergrendelen van de portieren. De boodschap "parkeerrem vastgezet" verschijnt op het instrumentenpaneel.
N.B.:
Als bij het openen van het bestuurdersportier de parkeerrem niet is vastgezet (bijvoorbeeld doordat de motor is afgeslagen), klinkt gedurende 15 secondes een geluidssignaal en verschijnt de boodschap "parkeerrem vrijgezet" op het instrumentenpaneel.
In dat geval moet voor het stil zetten van de auto, de handgreep 1 uitgetrokken en weer losgelaten worden.
Voor bepaalde landen is de automatische werking van het vastzetten niet ingeschakeld. Raadpleeg de paragraaf "handbediening".

Controleer, voordat u de auto verlaat, of de parkeerrem inderdaad is vastgezet.
Het vastzetten is te zien aan het continu branden van het lampje 3 op het dashboard en van het lampje 4 op het instrumentenpaneel.

Vrijzetten van de parkeerrem Handbediening
Om de parkeerrem vrij te zetten: bij draaiende motor trekt u aan grendel 1 terwijl u op het grendelknopje 2 drukt en laat u weer los. Het lampje 3 en het lampje 4 gaan uit.
Het vrijzetten gebeurt automatisch zodra u gas geeft om weg te rijden. De boodschap "parkeerrem vrijgezet" verschijnt op het instrumentenpaneel.
PARKEERREM (vervolg)

Als u op een helling moet stoppen of als u met een caravan of een aanhangwagen parkeert, moet u de handgreep 1 enkele secondes uitgetrokken houden om een maximale remwerking te krijgen.

Parkeren met vrijgezette parkeerrem (bijvoorbeeld als het vriest):
- zet de motor stil door het indrukken van de start/stopknop van de motor
- schakel een versnelling in (handgeschakelde versnellingsbak) of de stand P (automatische transmissie);
- trek aan de handgreep 1 terwijl u op het ontgrendelknopje 2 drukt en laat de handgreep weer los;
- haal de RENAULT card uit de le- zer.
Tijdelijk stoppen
De parkeerrem zet zich niet automa- tisch vast bij draaiende motor.
De parkeerrem kan altijd met de hand worden vastgezet, bijvoorbeeld als u op een helling moet stoppen voor een verkeerslicht.
Hiertoe trekt u aan de handgreep 1. Het vrijzetten gebeurt automatisch zodra u weer gas geeft om weg te rijden.

Als de motor draait als u uit de auto stapt, moet u de parkeerrem met de hand vastzetten om te
voorkomen dat de auto kan gaan rijden.
Het vastzetten is te zien aan het continu branden van het lampje 3 op het dashboard en van het lampje 4 op het instrumentenpaneel.
PARKEERREM (vervolg)
Uitvoering met automatische transmissie
Als het bestuurdersportier is geopend of niet goed is gesloten, wordt het systeem niet automatisch vrijgezet.
Sluit eerst het portier correct en activeer het systeem vervolgens door de selecteurhendel in N of P te zetten.

Laat nooit de RENAULT card in de auto als u de auto achterlaat met een kind (of een dier) erin, want het zou de parkeerrem kunnen vrijzetten waardoor de auto in beweging kan komen.


Storingen
- In geval van een storing verschijnt de boodschap "storing parkeerrem" op het infoscherm 5 en afhankelijk van het geval knipperen de lampjes 3 en 4 permanent.
- In geval de parkeerrem niet beschikbaar is knippert het controlelampje 4 gedurende ongeveer 10 secondes en klinkt een geluidssignaal gedurende 15 secondes bij het starten van de motor en dooft. Telkens als de handgreep 1 wordt bediend en telkens als de motor wordt afgezet, knipperen de lampjes 3 en 4 gedurende ongeveer 10 secondes.
Raadpleeg zo spoedig mogelijk een RENAULT-dealer.

Noodontgrendeling (accustoring of systeem niet beschikbaar).
Om de parkeerrem vrij te zetten, trekt u aan de handgreep 6 (deze bevindt zich onder het kapje onder in de opbergbak tussen de voorstoelen) tot u het systeem hoort ontgrendelen.
Met deze handgreep kan het systeem niet worden vastgezet.
Na het vervangen van de accu, is het systeem weer werkzaam zodra het met de hand wordt vrijgezet.
TIPS VOOR ZUINIG RIJDEN EN MINDER LUCHTVERONTREINIGING
RENAULT heeft uw auto gebouwd opdat deze zo weinig mogelijk schadelijke uitlaatgassen produceert en zo zuinig mogelijk rijdt.
Door zijn ontwerp, door de fabrieks- afstellingen en door zijn matig ver- bruik is uw RENAULT in overeen- stemming met de wettelijke bepalingen over luchtverontreini- ging in ons land. Maar de techniek b e p a a l t n i e t a l l e s . D e l reiniging en het verbruik van uw au- to hangen ook van u af. Schenk aan- dacht aan het onderhoud, uw rijgedrag en de manier waarop u uw auto gebruikt.
Onderhoud
Overtreding van de bepalingen inzake luchtverontreiniging is strafbaar. Voor een goede werking van het uitlaatsysteem en het handhaven van de emissiewaarden mogen er alleen originele RENAULT onderdelen gebruikt worden voor het brandstof- en uitlaatsysteem van uw auto.
Laat hw RENAULT-dealer regelmatig de controles en de afstellingen uitvoeren die in het onderhoudsboekje zijn aangegeven.
Hij beschikt over de uitrusting waarmee uw auto volgens de fabrieksgegevens kan worden afgesteld.
Vergeet nooit dat de hoeveelheid schadelijke uitlaatgassen evenredig is met de hoeveelheid verbruikte brandstof.
Afstelling van de motor
- ontsteking: de ontsteking hoeft niet te worden afgesteld.
- bougies: voor het verkrijgen van de optimale omstandigheden waarbij een laag verbruik, een hoog rendement en goede prestaties samengaan, is het beslist noodzakelijk dat de door ons voorgeschreven bougies worden gebruikt.
Laat steeds bougies van het juiste merk en type met de juiste elek- trodenafstand monteren. Raadpleeg hiervoor uw RENAULT-dealer.
- stationair toerental: dit hoeft niet te worden afgesteld.
- luchtfilter, brandstofffilter (dieselmotor): een vervuild filterelement verhoogt het verbruik. Laat het vervangen.
TIPS VOOR ZUINIG RIJDEN EN MINDER LUCHTVERONTREINIGING (vervolg)
Controle van de uitlaatgassen
Het controlesysteem van de uitlaatgassen waarschuwt bij een storing in de werking van de katalysator.
Een dergelijke storing kan leiden tot een verhoogde uitstoot van schadelijke uitlaatgassen en schade aan mechanische organen.

Dit lampje op het instru- mentenpaneel geeft even- tuele storingen van het sys-
teem aan:
Dit gaat branden als u het contact aan zet en dooft na drie secondes.
Als het continu brandt, moet u zo snel mogelijk uw RENAULT-dealer raadplegen;
- als het lampje knippert, moet u vaart verminderen tot het knipperen ophoudt. Laat het systeem direct door uw RENAULT-dealer controleren en indien nodig herstellen.

- Rijd kalm tot de motor zijn bedrijfstemperatuur heeft bereikt; dit is beter dan warmdraaien bij stilstaande auto.
- Snelheid kost geld.
-
“Sportief” rijden kost brandstof: rijd daarom soepel en kijk ver vooruit.
-
Regel de snelheid van de auto met het gaspedaal door voor een bocht tijdig gas terug te nemen.
- Rijd bij een stoplicht kalm weg.
- Laat het toerental van de motor in de lagere versnellingen niet te ver oplopen.
Kies de hoogst mogelijke versnel- ling zonder echter de motor te zwaar te belasten.
Heeft uw auto een automatische transmissie, rijd dan zoveel mogelijk met de selecteurhendel in stand D.
- Geef op een helling geen gas bij maar houd het gaspedaal bij voorkeur in dezelfde stand.
- Bij een moderne auto is het niet nodig bij het schakelen tweemaal te ontkoppelen of voor het stilzetten van de motor nog even gas te geven.
• Diepe plassen, overstromingen.

Rijd niet door als het water op de weg hoger staat dan de onderrand van de velgen.
TIPS VOOR ZUINIG RIJDEN EN MINDER LUCHTVERONTREINIGING (vervolg)

Tips voor het gebruik
- Ook het opwekken van elektriciteit kost brandstof. Schakel alleen die verbruikers in die u nodig hebt. Maar veiligheid voor alles: Rijd met dim licht zodrahe minder wordt (zien en gezien worden).
- Gebruik de ventilatie-openingen. Bij 100 km/u verhogen openstaande ruiten het verbruik met 4%.
- Gebruik een goedgekeurde dakspoiler als u met een caravan op reis gaat en stel de spoiler in de juiste stand af.
- Voor auto's met een airconditioning, is een hoger brandstofverbruik normaal (vooral in stadsverkeer) als de airconditioning aanstaat. Voor auto's met een airconditioning zonder automatische werkstand, zet het systeem uit, als u het niet meer nodig hebt.
Tips voor zuinig rijden en minder luchtverontreiniging:
Rijd met open ventilatierooster en gesloten ruiten.
Open bij zeer warm weer of als de auto in de zon heeft gestaan enkele minuten de portieren voordat u start, zodat de hete lucht uit de auto kan ontsnappen.
- Vul de tank niet tot aan de rand, u loopt hiermee het gevaar brandstof te verspillen.
• Rijd niet met een leeg imperiaal t z l c h t op uw auto. - Gebruik een aanhangwagen voor het vervoer van grote voorwerpen.

- Gebruik uw auto zo weinig mogelijk op korte afstanden. De motor komt dan niet op temperatuur.
Banden
- Door te lage bandenspanning neemt de rolweerstand en dus ook het verbruik toe.
- Indien banden worden gemonteerd die niet door RENAULT worden aanbevolen, kan de slijtage toenemen.
HET MILIEU
Uw auto is ontwikkeld met een zo groot mogelijke aandacht voor het milieu.
- De meeste uitvoeringen zijn uitgerust met een katalysator en een lambda sonde om de uitlaatgassen te reinigen. Een dampabsorptievat met actieve koolstof voorkomt dat de uit de tank afkomstige benzinedamp in de atmosfeer terecht komt.
- RENAULT hecht veel waarde aan het hergebruik van materialen om de gevolgen voor het milieu zo veel mogelijk te beperken aan het einde van de levensduur van uw auto.
- Uw auto bestaat voor 90 % van de onderdelen en materialen uit recycleerbare delen en vele onderdelen zijn van gerecycleerd plastic of textiel. Om deze delen gemakkelijk te recycleren, hebben alle kunststof delen een herkenningsteken.
- Om het milieu te beschermen, zijn de lak en remschijven van uw auto lood- en cadmiumvrij. Verder hebben wij de gebruikte hoeveelheid chloor met 40 % verminderd in vergelijking tot voorgaande modellen.
Denk zelf ook aan het milieu!
Gooi na een door u zelf uitgevoerde onderhoudsbeurt of reparatie geen onderdelen (accu, oliefilter, luchtfilter, enz.) en olieblikken (leeg of gevuld met oude olie) weg met het huisvuil.
Lever ze in bij de daarvoor bestemde depots voor klein chemisch afval of bij uw RENAULT-dealer. Houdt u aan de lokale voorschriften.
CONTROLESYSTEEM BANDENSPANNING
Als de auto hiermee uitgerust is (in dat geval verschijnen de wielen op het display A), bewaakt dit systeem permanent de bandenspanning.
Corrigeer de spanning bij koude banden.
Indien u de bandenspanning niet bij koude banden kunt controleren, moet u de opgegeven waarden met 0,2 tot 0,3 bar (3 PSI) verhogen.
Verlaag nooit de spanning van een warme band.

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden.
Deze functie neemt niet de taak van de bestuur-
der over. De bestuurder moet al- tijd opletten en blijft verantwoor- delijk.
Controleer de bandenspanning, inclusief het reservewiel, een keer per maand.

De werking van het systeem
Elke band (behalve het reservewiel) beschikt over een drukzender in het ventiel, die de bandenspanning periodiek meet.
De bestuurder wordt via het info- scherm A permanent geïnformeerd of de bandenspanning goed is of dat er afwijkingen zijn.
De bandenspanning verschijnt bij het aanzetten van het contact (gedurende ongeveer 20 secondes), na een druk op de functiekeuzetoets B of in geval van een storing tijdens het rijden.
CONTROLESYSTEEM BANDENSPANNING (vervolg)

Wielen niet verwisselen

Elke drukzender in het ventiel 1 hoort bij een specifiek wiel: in geen enkel geval mogen de
wielen van plaats verwisseld worden.
Gevaar van verkeerde informatie met ernstige gevolgen.

Om gemakkelijk de plaats van het wiel te bepalen, kijkt u naar de kleur van de ring 2 (na deze eventueel schoon gemaakt te hebben) die om elk ventiel zit:
- C: gele ring
- D: zwarte ring
- E: rode ring
- F: groene ring
Banden verwisselen (vervangen van banden of monteren van winterbanden)
Bij het vervangen van de banden moeten bijzondere voorzorgen in acht genomen worden. Wij raden dan ook aan uw RENAULT-dealer hierover te raadplegen.
Lezen van de bandenspanning op het instrumentenpaneel (voor auto's die hiermee uitgerust zijn)
Na controle van de bandenspanning van de auto, verschijnen, zodra een snelheid van meer dan 25 km/u bereikt wordt, de actuele alarmsignalen op het instrumentenpaneef en/of waarden op het infoscherm A.
In de handel verkrijgbare manometers kunnen een afwijkende bandenspanning aangeven (toegestane afwijking).
De spanning die aangegeven wordt op het infoscherm A kan dus afwijken van de spanning die door een door u gebruikte manometer wordt aangegeven. De door het infoscherm opgegeven spanning is de juiste.
CONTROLESYSTEEM BANDENSPANNING (vervolg)
Reservewiel
Het reservewiel heeft geen drukzen- der en wordt dus niet herkend door het systeem.
Als het reservewiel op de plaats van een ander wiel gemonteerd is, geeft het systeem een storing aan.
Vervangen van wielen / velgen, enz.
Voor dit systeem zijn specifieke uit- rustingen nodig (wielen, sierdop- pen).
Raadpleeg uw RENAULT-dealer voor de accessoires die bij dit systeem gebruikt kunnen worden en verkrijgbaar zijn in RENAULT Boutique: bij gebruik van andere accessoires kan het goed functioneren van het systeem niet gegarandeerd worden.
Spuitbussen voor bandenrepa- ratie
Vanwege de specifieke eigenschappen van de wielen, mag u alleen spuitbussen gebruiken die door RENAULT goedgekeurd zijn.

Het infoscherm A informeert u over eventuele afwijkingen (band te zacht, lek, systeem uitgeschakeld, enz.).
Op de volgende bladzijden vindt u de uitleg over het oplichten van de verschillende controlelampjes.
Bij een storing
In bepaalde omstandigheden bij het corrigeren van de spanningen, kan een storingsboodschap enige tijd op het instrumentenpaneel blijven staan (ongeveer 1 uur 45 bij stil- staande auto).
CONTROLESYSTEEM BANDENSPANNING (vervolg)
Voorbeelden van informatie die op het infoscherm A kan verschijnen.
| Infoscherm A Betekenis van de boodschappen | |
![]() | "Bandenspanning"De bandenspanning is goed. |
![]() | "Wielsensor afwezig"Storing in het systeem (bijvoorbeeld als reservewiel of winterbanden op de auto gemonteerd zijn). |
![]() | "Bandenspanning corrigeren"De spanning van het knipperende wiel(en) is te laag of te hoog, verminder uw snelheid en controleer zo snel mogelijk de bandenspanning. |
![]() | "Bandenpanning snelweg"De rijsnelheid is niet aangepast aan de bandenspanning. Verminder uw snelheid of verhoog de bandenspanning, zodat deze overeenkomt met de spanning die hoort bij een vol belaste auto (zie de tabel “bandenspanning”). |
![]() | "Lekke band verwisselen"Vervang de betreffende band of roep de hulp in van een RENAULT-dealer. |
ELEKTRONISCH STABILITEITS PROGRAMMA: ESP MET ONDERSTUURCONTROLE
Ditsysteem helptude control de auto te behouden in kritieke rijsituaties (uitwijken voor een obstakel, verlies van grip op de weg in een bocht, enz.) en voert daarbij een onderstuurcontrole uit.


Deze functie is een extra hulpmiddel in kritieke situaties waarbij het rijgedrag van de auto aanwordt.
Deze functie neemt niet de taak van de bestuurder over. De limieten van de auto kunnen niet overschreden worden en deze functie kan ook geen reden zijn om harder te gaan rijden.
Dezefunctie kaninge enge oplettendheid of de verantwoordelijkheid van de bestuurder overnemen (de bestuurder moet altijd alert zijn op plotselinge gebeurtenissen die zich tijdens het rijden kunnen voordoen).

De werking van het systeem
Een opname element in het stuurwiel registreert de richting waarin de bestuurder de auto wil laten rijden.
Andere opname elementen in de auto registreren de werkelijke verplaatsingsrichting.
Het systeem vergelijkt de door de bestuurder gekozen richting met de werkelijke verplaatsingsrichting van de auto en corrigeert deze laatste door, indien nodig, sommige remmen te laten werken en/of het motorvermogen aan te passen.
Als deze functie in werking is, licht de boodschap A "ESP" op (afhankelijk van de auto) om u te waarschuwen.
Onderstuurcontrole
Dit verbetert de werking van het ESP bij sterk onderstuur van de auto (als de voorwielen hun grip verliezen).
ELEKTRONISCH STABILITEITS PROGRAMMA: ESP MET ONDERSTUURCONTROLE (vervolg)

Buitengebruik stellen functie
De functie wordt buiten gebruik gesteld, door op schakelaar 2 te drukken, de boodschap B "ESP uitgeschakeld" licht op om u te waarschuwen.
Bij het buiten gebruik stellen wordt eveneens de tractiecontrole buiten werking gesteld: zie hiervoor paragraaf "tractiecontrole" in hoofdstuk 2.


Omdat het ESP voor extra veiligheid zorgt, raden wij u af deze functie buiten gebruik te stellen. Activeer de functie zo snel mogelijk door weer op schakelaar 2 te drukken.
N.B.: het ESP wordt automatisch weer geactiveerd bij het aanzetten van het contact van de auto.


Bij een storing
Als het systeem een storing ontdekt verschijnt op het infoscherm de boodschap C "ESP controleren" en het controlelampje .
Raadpleeg uw RENAULT-dealer.
TRACTIECONTROLE: ASR
Dit systeem helpt het slippen van de aangedreven wielen te beperken en de auto bij het wegrijden of accelereren te controleren.

Deze functie is een extra hulpmiddel in kritieke situaties waarbij het rijgedrag van de auto aanwordt.
Deze functie neemt niet de taak van de bestuurder over. De limieten van de auto kunnen niet overschreden worden en deze functie kan ook geen reden zijn om harder te gaan rijden.
Deze functie kan in geen geval de oplettendheid of de verantwoordelijkheid van de bestuurder overnemen (de bestuurder moet altijd alert zijn op plotselinge gebeurtenissen die zich tijdens het rijden kunnen voordoen).


De werking van het systeem
Met behulp van opname elementen bij de wielen, meet en vergelijkt het systeem constant de snelheid van de aangedreven wielen en remt het deze af als ze doorslippen.
Als een wiel neigt naar doorslippen, zorgt het systeem voor het afremmen van het betreffende wiel, totdat de snelheid van het wiel overeenkomt met de grip op de weg.
Het systeem reageert ook door het toerental van de motor aan te passen aan de hoeveelheid grip onder de wielen, onafhankelijk van de mate waarin het gaspedaal wordt ingedrukt.
Als deze functie in werking is, licht de boodschap A "ESP" op om u te waarschuwen.
TRACTIECONTROLE (vervolg)

Buitengebruik stellen functie
In sommige situaties (het rijden op heel zachte ondergrond: bijv. sneeuw, modder of het rijden met sneeuwkettingen), kan het systeem de kracht van de motor verminder en om het slippente beperke u dit niet wil, kan de functie buiten gebruik worden gesteld door schakelaar 2 in te drukken.
De boodschap B "ESP uitgeschakeld" (afhankelijk van de auto) licht op om u te waarschuwen.

Met het buiten gebruik stellen van de tractiecontrole wordt ook de ESP-functie buiten werking gesteld: zie paragraaf "elektronisch stabilitteits programma: ESP" in hoofdstuk 2s
Activeer de functie zo snel mogelijk door weer op schakelaar 2 te drukken.
N.B.: deze functie wordt automatisch geactiveerd bij het aanzetten van het contact.

Bij een storing
Als het systeem een storing ontdekt, verschijnt op het infoscherm afwisselend de boodschap C "ESP controleren" en het controlelampje

Raadpleeg uw RENAULT-dealer.
Bij zeer krachtig remmen denkt de bestuurder slechts aan twee belangrijke zaken: het bereiken van een zo kort mogelijke remweg en daarbij zijn auto onder controle houden. Door de steeds wisselende gesteldheid van het wegdek, de wisselende weersomstandigheden en afhankelijk van de reacties van de bestuurder bestaat altijd de mogelijkheid d a t t e k r a c h t i g w o r d t g e r e m door de wielen blokkeren, de remweg langer wordt en de auto onbestuurbaar wordt. Met een antiblokkeersysteem van de wielen (ABS) kan dit worden voorkomen.
Dit systeem biedt extra veiligheid doordat het voorkomt dat de wielen blokkeren ook bij onverwacht hard remmen, waardoor de auto bestuurbaar blijft. Ook kunnen obstakels nog worden ontweken terwijl er wordt geremd en kunt u de auto blijven beheersen.
en een zo kort mogelijke remweg bereiken ook als bij een of meer wielen de grip op het wegdek sterk wisselt (nat wegdek, modder, natte blade-ren, kiezel of split, enz.).
Ofschoon het antiblokkeersysteem een extra veiligheidsvoorziening is, kan het nooit de grip tussen de banden en de weg verbeteren boven de grenzen van de natuurkunde. Blijf altijd de gebruikelijke voorzichtigheid in acht houden (afstand bewaren, enz.). Laat deze grotere veiligheid u echter niet verleiden tot het nemen van grotere risico's.
Als het systeem de remdruk voor u regelt, voelt u een lichte trilling in het rempedaal. Hieraan merkt u dat de grenswaarde voor de grip tussen banden en wegdek bereikt is; pas uw rijsnelheid aan de staat van het wegdek aan.
ANTIBLOKKEERSYSTEEM: ABS (vervolg)
Bij een storing in een van de onderdelen van dit systeem zijn er twee mogelijkheden:
1 - Hetoranjelamje op
het instrumentenpaneel licht op.
Er kan met de auto nog worden geremd als bij een auto zonder ABS. Raadpleeg op korte termijn een RENAULT-dealer.

2 - Het oranje lampje

en het rode waar-
schuwingslampje van het rem-
systeem

lichten op het
instrumentenpaneel op.
In dit geval is er een ernstige storing in het remsysteem en het ABS-systeem. Het remsysteem werkt nog gedeeltelijk. Maar het is gevaarlijk om krachtig te remmen. U moet direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen. Laat het systeem controleren door een RENAULT-dealer.
Het antiblokkeersysteem regelt de remdruk onafhankelijk van de kracht waarmee op het rempedaal wordt gedrukt. Bij krachtig remmen kunt u dus het rempedaal diep ingedrukt houden Het is niet nodig "pompend" te remmen.
NOODSTOPBEKRACHTIGING
Dit systeem is een aanvulling op het ABS dat zorgt voor het verminderen van de remweg van de auto.
De werking van het systeem
Het systeem herkent wanneer een noodstop wordt uitgevoerd. In dat geval ontwikkelt de noodstopbekrachtiging onmiddellijk zijn maximum vermogen.
Het remmen blijft maximaal zolang het rempedaal ingedrukt is.
Oplichten van de alarmknip- perlichten
Deze kunnen oplichten als er krachtig geremd wordt.

Deze functie is een extra hulpmiddel in kritieke situaties waarbij het rijgedrag van de auto aangepast
wordt.
Deze functie neemt niet de taak van de bestuurder over. De limieten van de auto kunnen niet overschreden worden en deze functie kan ook geen reden zijn om harder te gaan rijden.
Deze functie kan in geen geval de oplettendheid of de verantwoordelijkheid van de bestuurder overnemen (de bestuurder moet altijd alert zijn op plotselinge gebeurtenissen die zich tijdens het rijden kunnen voordoen).
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: begrenzerfunctie

De snelheidsbegrenzer is een functie waarbij u kunt kiezen voor een maximale rijsnelheid.
Dit kan nuttig zijn, bijvoorbeeld in stadsverkeer of gebieden waar een snelheidsbeperking geldt (wegwerkzaamheden), enz.
Het systeem werkt vanaf een snelheid van ongeveer 30 km/u.

1 Hoofdschakelaar Aan/Uit.
2 Instellen van de gewenste snelheid en verhogen van deze snelheid
3 Oproepen van de ingestelde gewenste snelheid.
4 Uitschakelen van de functie (de ingestelde snelheid blijft in het geheugen).
5 Instellen van de gewenste snelheid en verlagen van deze snelheid


Controlelampje

Dit oranje controlelampje licht op het instrumentenpaneel op om aan te geven dat de snelheidsbegrenzer in werking is.
De informatie van de ingestelde snelheid verschijnt op het info-scherm 6 "snelheidsbegrenzer".
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: begrenzerfunctie (vervolg)

Druk op schakelaar 1, a and kant.

Het controlelampje licht op het instrumentenpaneel op en afhankelijk van de auto schakelt de boordcomputer of het infoscherm over op de functie "snelheidsbegrenzer".
Instellen van de maximum snel- heid
Rijdend met constante snelheid (vanaf ongeveer 30 km/u) en in de juiste versnelling (voor de auto's met handgeschakelde versnellingsbak), drukt u schakelaar 2 in: de snelheid wordt vastgelegd in het geheugen.
Het rijden
Als een maximum snelheid in het geheugen is opgenomen, drukt u het gaspedaal in totdat u de snelheidslimiet bereikt.
Vanaf dat moment gaat de auto niet sneller rijden, ook niet als u het gaspedaal verder indrukt, behalve in noodgevallen (raadpleeg de paragraaf "overschrijding van de maximum snelheid").
Het is inherent aan het systeem dat er een verschil kan zijn tussen de snelheid die in het geheugen is opgeslagen en de snelheid die het instrumentenpaneel aangeeft.

Verandering van de ingestelde maximum snelheid
U kunt de ingestelde maximum snelheid veranderen door (het achter elkaar indrukken of het lang ingedrukt houden) van:
- toets 2 om de snelheid te verho- gen,
- toets 5 om de snelheid te verlagen.
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: begrenzerfunctie (vervolg)
Sneller rijden dan de ingestelde snelheid
Noodsituaties
Het blijft altijd mogelijk de ingestelde maximum snelheid te overschrijden door zo snel en diep mogelijk het gaspedaal in te drukken (voorbij het "zware punt").
Tijdens het overschrijden van de snelheid knippert de snelheid op het instrumentenpaneel (info-scherm of boordcomputer) om u te informeren.
Als de bijzondere situatie voorbij is, laat u het gaspedaal los: de functie snelheidsbegrenzer komt weer terug zodra u een snelheid bereikt die onder de maximum ingestelde snelheid ligt.
Onmogelijkheid om de ingestelde maximum snelheid vast te houden
A l s d e i n g e s t e l d e m heid niet vastgehouden kan worden door het systeem (bijv. tijdens een steile afdaling), knippert de snel- heid op het instrumentenpaneel (in- foscherm of boordcomputer) om u te waarschuwen.

Uitschakelen van de functie
De functie snelheidsbegrenzer wordt onderbroken als u drukt op:
- toets 4, in dit geval blijft de ingestelde snelheid in het geheugen bewaard
i teels m, in uit geval verdwijnt de snelheid uit het geheugen.
Het doven van het controlelampje op het instrumentenpaneel bevestigt dat deze functie uitgeschakeld is.

Opnieuw inschakelen van de maximum snelheid
Als een snelheid in het geheugen is opgenomen, is het mogelijk deze op te roepen door toets 3 in te drukken.
SNELHEIDSREGELAAR/BEGRENZER: regelaarfunctie

De snelheidsregelaar is een functie die u helpt de door u gekozen rij-snelheid op een constante waarde vast te houden, dit wordt de ingestelde snelheid genoemd.
Vanaf 30 km/u kunt u de snelheid traploos instellen.

De snelheidsregelaar heeft in geen enkel geval invloed op het remsysteem.

Bedieningsknoppen
1 Hoofdschakelaar Aan/Uit
2 In geheugen zetten en inschakelen van ingestelde snelheid. Verhogen van de gekozen snelheid
3 Oproepen van de in het geheugen vastgelegde snelheid
4 Uitschakelen van de functie (de ingestelde snelheid blijft in het geheugen)
5 In geheugen zetten en inschakelen van ingestelde snelheid. Verlagen van de gekozen snelheid
Controlelampje

Dit groene controlelampje licht op het instrumentenpaneel op om aan te geven dat de snelheidsregelaar in werking is.
De informatie van de ingestelde snelheid verschijnt op het info-scherm 6 "snelheidsregelaar".

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden.
Deze functie neemt niet de taak van de bestuur-
der over. U moet u ten allen tijde houden aan de voorgeschreven snelheid en blijven opletten (u moet altijd klaar zijn om te remmen in alle omstandigheden), de snelheidsregelaar ontslaat de bestuurder niet van zijn verantwoordelijkheid.
De snelheidsregelaar moet niet gebruikt worden in druk verkeer, op een bochtige of gladde weg (ijzel, aquaplaning, kiezelsteentjes) en als de weersomstandigheden ongunstig zijn (mist, regen, zijwind, enz.).
Kans op ongevallen.
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: regelaarfunctie (vervolg)

Druk op schakelaar 1, aan kant.

Het controlelampje licht op het instrumentenpaneel op en het info-scherm schakelt over op de functie "snelheidsregelaar".
Instellen van de snelheid
Rijdend met constante snelheid (ho- ger dan 30 km/u) en in de juiste ver- snelling (voor de auto's met handge- schakelde versnellingsbak), drukt u op schakelaar 2 of 5 : de functie is ingeschakeld en de snelheid wordt in het geheugen vastgelegd.

Als de gewenste snelheid in het geheugen is opgenomen, kunt u uw voet van het gaspedaal nemen.
Let op, het is toch raadzaam de voeten dichtbij de pedalen te houden om te kunnen ingrijpen bij noodsituaties.
Het is inherent aan het systeem dat er een verschil kan zijn tussen de snelheid die in het geheugen is opgeslagen en de snelheid die het instrumentenpaneel aangeeft.
Wijziging van de gekozen snel- heid
U kunt de gekozen snelheid veranderen door het achter elkaar indrukken of het lang ingedrukt houden van:
- toets 2 om de snelheid te verho- gen,
- toets 5 om de snelheid te verlagen.
Sneller rijden dan de gekozen snelheid
Noodsituaties
U kunt de snelheid van de auto al- tijd verhogen door het gaspedaal in te drukken.
Tijdens het inhalen knippert de snelheid op het instrumentenpaneel om u te waarschuwen.
Onmogelijkheid om de ingestelde snelheid vast te houden
Als onder bepaalde rijomstandigheden (bijvoorbeeld in het geval van een steile afdaling) de gekozen snelheid niet gehandhaafd kan worden door het systeem, knippert de ingestelde snelheid op het instrumentenpaneel om u te waarschuwen.
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: regelaarfunctie (vervolg)

Onderbreken van de functie
De functie wordt onderbroken als u drukt op:
- het rempedaal of,
- het koppelingspedaal indrukt of in neutraal schakelt voor de auto's met automatische transmissie,
-detoets4. - in de d riege vallen blijft stelde snelheid in het geheugen bewaard.

Oproepen van de gewenste snel- heid
Als een snelheid in het geheugen staat, is het mogelijk hem op te roepen door een druk op toets 3 op voorwaarde dat ongeveer 30 km/u gereden wordt en dat de verkeersomstandigheden het toelaten (verkeer, staat van het wegdek, weersomstandigheden, enz.).
Een druk op de toetsen 2 of 5 schakelt de regelaarfunctie weer in zonder rekening te houden met de snelheid die in het geheugen is vastgelegd: het is de snelheid van de auto op dat moment, waarmee rekening wordt gehouden.
Uitschakelen van de functie
Druk op toets 4. In dat geval staat de snelheid niet in het geheugen.
Het doven van het controlelampje op het instrumentenpaneel bevestigt dat deze functie uitgeschakeld is.

Het onderbreken of uitschakelen van de snelheidsregelaar brengt geen snelle snelheids-
vermindering met zich mee: u moet remmen door het rempe- daal in te drukken.
PARKEERHULP
De werking van het systeem
Ultrasoondetectors zijn aangebracht in de achterbumper van de auto en meten de afstand tussen de auto en een obstakel tijdens het achteruitrijden.
Deze meting vertaalt zich in geluidssignalen waarvan de frequentie toeneemt naarmate het obstakel dichterbij komt, totdat het een continu geluid wordt als het obstakel ongeveer 25 cm van de auto verwijderd is.
N.B.: zorg ervoor dat de ultrasoon-detectors niet bedekt zijn (vuil, modder, sneeuw, enz.).
Trekken van een aanhangwa- gen of caravan
Elke keer als u achteruit rijdt, signaleert het systeem automatisch een obstakel. In dat geval is het mogelijk om de functie uit te schakelen door een schakelaar in te bouwen: neem contact op met uw RENAULT-dealer.

Als het systeem een storing ontdekt, klinkt bij het inschakelen van de achteruitversnelling gedurende ongeveer 5 secondes een geluidssignaal om u te waarschuwen. Raadpleeg uw RENAULT-dealer.

Deze functie is een extra hulp die door middel van geluidssignalen de afstand tussen de auto en een ob-
stakel aangeeft tijdens het achter- uitrijden.
Deze functie kan in geen enkel ge- val de oplettendheid en verant- woordelijkheid van de bestuurder vervangen bij het achteruit manoeuvreren.
De bestuurder moet altijd op zijn hoede blijven voor plotselinge gebeurtenissen die tijdens het rijden zich kunnen voordoen: let dus altijd op of er geen bewegende obstakels zijn (zoals een kind, dier, kinderwagen, fiets) of een te klein of smal obstakel is (grote steen, paaltje) tijdens de manoeuvre.
PARKEERHULP (vervolg)

Tijdelijke uitschakeling van het systeem
Druk op de schakelaar 1 om het systeem uit te schakelen.
Het controlelampje in de schakelaar licht op om u eraan te herinneren dat het systeem is uitgeschakeld.
Bij opnieuw indrukken schakelt het systeem weer in en dooft het lampje.
Het systeem schakelt automatisch weer in na afzetten van het contact en het weer starten van de motor.
Permanente uitschakeling van het systeem
Het systeem kan permanent worden uitgeschakeld door de schakelaar langer dan ongeveer drie secondes in te drukken.
Het lampje in de schakelaar brandt permanent.
Het op deze manier uitgeschakelde systeem kan weer worden ingeschakeld door de schakelaar langer dan ongeveer drie secondes in te drukken.
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE

Het infoscherm A informeert u over de stand van de hendel 1.


P: parkeren
R : achteruit rijden
N :neutraal
8 : weergave van de ingeschakelde versnelling bij handbediening

: lampje druk rempedaal in om de hendel uit stand P te zetten
: lampje zet de hendel in P of N.
Starten
Met de selecteurhendel in stand P of N zetuhetcontactaan.
Houd uw voet op het rempedaal (het lampje dooft), als u de stand P verlaat.
De hendel mag alleen in stand D of R worden geplaatst als de auto stilstaat. Houd uw voet op de rem en druk het gaspedaal niet in.
Om veiligheidsredenen mag u geen gas geven en moet u het rempedaal indrukken voordat u de selecteur-hendel kunt ontgrendelen met knop 2 om de selecteurhendel uit stand P te verplaatsen.
Stand automatisch
Zet de selecteurhendel in stand D. U hoeft de selecteurhendel niet meer te verplaatsen. Er wordt automatisch geschakeld in overeenstemming met de belasting van de auto, de hoeveelheid gas die u geeft en de helling van de weg.
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (vervolg)
Accelereren en inhalen
Druk het gaspedaal snel en diep in (voorbij het zware punt van het pedaal).
Hierdoor wordt, binnen de mogelijkheden van de motor, teruggeschakeld naar de optimale versneling.
Stand handgeschakeld
Trek de selecteurhendel 1 vanuit stand D naar links: het controle-lampje M en de ingeschakelde versnelling lichten op het instrumentenpaneel op.
Door de hendel 1 even te verplaatsen, kunt u handmatig de versnel- lingen bedienen.
- om naar een lagere versnelling te schakelen, trekt u de hendel even naar achteren.
- om naar een hogere versnelling te schakelen, duwt u de hendel even naar voren.

De ingeschakelde versnelling verschijnt op het instrumentenpaneel: bij de controlelampjes A of op het infoscherm B (afhankelijk van de auto).


Bijzondere gevallen
In sommige gevallen kiest (bijv.: ter bescherming van de motor, bij werking van het elektronisch stabiliteits programma ESP) de transmissie tijdens het rijden toch automatisch de juiste versnelling.
Ook kan, om "verkeerde manoeuvres" te voorkomen, het schakelen door "het systeem" geweigerd worden. In dit geval knippert de aanduiding van de versnelling enkele secondes om u te waarschuwen.
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (vervolg)
Zuinig rijden
Laat de selecteurhendel voor normal gebruik in stand D staan. Als het gaspedaal iets wordt ingedrukt, schakelt de transmissie bij lage snelheid naar de volgende versnelling.
Bijzondere omstandigheden
- Als door de helling van de weg of in bochten de automatische werking niet gehandhaafd kan worden (bijv.: in de bergen), is het raadzaam om op handmatig schakelen over te gaan. Hiermee voorkomt u het automatisch achter elkaar schakelen door de versnellingsbak bij stijgen en is het mogelijk op de motor te remmen bij lange afdalingen.
- Om bij koud weer te voorkomen dat de motor afslaat, raden wij u aan na het starten van de motor even te wachten voordat u de selecteurhendel verplaatst uit P of N naar D of R.
- Bij een auto zonder tractiecontrole is het beter om, op een gladde weg of bij weinig grip, over te gaan op handmatig schakelen en de tweede versnelling in te schakelen voordat u wegrijdt, om te voorkomen dat de wielen doorslippen.
Stilzetten van de auto
Als de auto stilstaat, houdt u het rempedaal ingedrukt en zet u de selecteurhendel in stand P (parkeren): de transmissie staat in neutraal en de voorwielen zijn mechanisch geblokkeerd.
Zet de handrem vast.
Bij een storing
- A l s tijdens het rijden het bericht "versnellingsbak controleren" verschijnt, is er een storing in het systeem. Raadpleeg zo spoedig mogelijk een RENAULT-dealer.
- Als tijdens het rijden, de boodschap "versnellingsbak controleren" verschijnt, laat dan, als de verkeersomstandigheden u dwingen te stoppen, de hendel niet in stand D (of R): zet deze altijd in stand N zolang u stilstaat. Raadpleeg zo spoedig mogelijk een RENAULT-dealer.
- Slepen van een auto met een automatische transmissie: raadpleeg de paragraaf "slepen" in hoofdstuk 5.

- I nd i e n voor het wegrijden de selecteurhendel niet uit de stand P kan worden verplaatst als u het rempedaal indrukt, dan kunt u de hendel als volgt met de hand vrijzetten. Maak hiertoe de bovenkant van de stofhoes 3 los.
De selecteurhendel kan worden verplaatst uit stand P als u tegelijk op de knop onder de stofhoes en de ontgrendelknop 2 drukt.
Hoofdstuk 3: uw comfort
Ventilatieroosters 3.02 - 3.03
Verwarming en Airconditioning 3.04 →3.19
Ruiten 3.20 →3.24
Voorruit 3.24
Zonneklep 3.25
Open dak 3.26 - 3.27
Binnenverlichting 3.28 - 3.29
Opbergruimtes / indeling interieur 3.30 →3.34
Asbakken - Aansteker 3.35
Achterbank 3.36
Bagageruimte 3.37 - 3.38
Achterruit openen 3.39
Bagage-afdekplaat 3.40
Opbergruimtes / indeling bagageruimte 3.41
Vervoer van bagage: in de bagageruimte 3.42
afscheidingsnet 3.43 - 3.44
Multimediauitrusting 3.45
Geïntegreerde bediening van handsfree telefoon 3.46
VENTILATIEROOSTERS

1 - linker ventilatierooster
2 - ontwasemingsrooster linker zijruit
3 - ventilatieroosters voor het ontwa-
semen van de voorruit
4 - centrale ventilatieroosters
5 - bedieningspaneel
6 - ontwasemingsrooster rechter zij-ruit
7 - rechter ventilatierooster
8 - ventilatierooster bij de voeten-
ruimte voor en achter
VENTILATIEROOSTERS

Verdraai knop 1 of 4 (voorbij het zware punt).

: maximale opening.

:dicht.

Rechts/links: verplaats de schuif-knoppen 2 of 3.
Omhoog/omlaag: richt de schuif-knoppen 2 of 3 omhoog of omlaag.
VERWARMING / AIRCONDITIONING

Bedieningsknoppen
A - controlelampje van de voor-
ruitverwarming
B - regeling van de temperatuur
C - inschakeling van de airconditioning
D - verdeling van de lucht in het in- terieur
E - inschakeling van de achterruit-
en voorruitverwarming
F - regeling van de ventilateur-
snelheid
G - inschakeling van de kringloop-functie
Informatie en tips voor het gebruik: raadpleeg het einde van de paragraaf "verwarming/airconditioning".
Regeling van de temperatuur
Verdraai knop B.
Hoe verder u de knop rechtsom draait, hoe warmer het wordt.
VERWARMING / AIRCONDITIONING (vervolg)

Verdeling van de lucht in het in- terieur
VerdraaiknopD.
Stand

Alle lucht wordt naar de voorruit en de roosters aan de zijkanten van het dashboard geleid.
Stand

De lucht wordt naar de ontwase- mingsroosters onder de voorruit en zijruiten gevoerd en naar de voeten- ruimtes voor en achter.
Stand

De lucht wordt naar de ontwase- mingsroosters onder de voorruit en zijruiten gevoerd en naar de voeten- ruimtes en de ventilatieroosters.
Stand

De lucht wordt gevoerd naar alle ventilatieroosters en de voeten- ruimtes voor en achter.
Stand

De lucht wordt uitsluitend naar de ventilatieroosters gevoerd.
VERWARMING / AIRCONDITIONING (vervolg)

Regeling van de ventilateursnelheid
Normaal gebruik
Draai knop F (van 1 tot 4).
De ventilatie in de auto is "gefor- ceerd". De ventilateur regelt de luchttoevoer en zorgt voor een sta- biele temperatuur in het interieur.
Hoe meer de knop naar rechts is gedraaid, hoe groter de luchttoevoer is.
Tijdelijk uitschakelen
De schakelaar F in stand 0.
In deze stand:
- stopt de airconditioning automa- tisch, zelfs als toets C ingedrukt is;
- draait de ventilateur niet;
- is er nog wel een beetje ventilatie als de auto rijdt (rijwind).
VERWARMING / AIRCONDITIONING (vervolg)

Achterruit- en voorruitverwarming
(afhankelijk van auto)
Auto zonder voorruitverwarming
Druk op de toets E (het controle-lampje brandt).
Hiermee worden de achterruit en de buitenspiegels elektrisch verwarmd.
Deze functie kan op twee manieren worden uitgeschakeld:
- automatisch na een door het systeem bepaalde tijdsduur;
- door opnieuw toets E in te drukken.
Auto met elektrische voorruit-verwarming
Meerdere keren toets E in drukken, stellen u in staat te kiezen:
- het inschakelen van de achterruitverwarming en de spiegelverwarming: de indicatie van de in werking zijnde functie van toets E licht op:
- het inschakelen van de achterruitverwarming, de spiegelverwarming en de voorruitverwarming: de indicatie van de in werking zijnde functie van toets E en de in-dicatie vande in werking functie van A lichten op.
Om deze functies uit te schakelen:
- deze functies schakelen automatisch uit na een door het systeem bepaalde tijdsduur;
- drukt u nogmaals op toets E.
VERWARMING / AIRCONDITIONING (vervolg)

Toets van de airconditioning

Met toets C kunt u de koelende werking van de airconditioning in- en uitschakelen. Meerdere keren toets C in drukken, stellen u in staat te kiezen:
- de zuinige koelstand. Het lampje C1 brandt. Het systeem schakelt een minimale koelende werking in om het brandstofverbruik te beperken;
- de maximum koelstand. Het lampje C2 brandt. De koeling is maximaal;
- het uitschakelen van de airconditioning.
Het systeem koelt niet als knop F in stand 0 staat, zelfs als de toets C ingedrukt is (het lampje dooft).
Door het inschakelen van de air-conditioning:
- gaat de temperatuur in het interieur omlaag;
- ontwasemen de ruiten snel.
N.B.:
- De temperatuur kunt u met knop B blijven regelen.
- De airconditioning kan altijd worden ingeschakeld, maar hij zal als het buiten koud is niet in werking komen.
VERWARMING / AIRCONDITIONING (vervolg)

Toets van de airconditioning (vervolg)
Geen gekoelde lucht
Wanneer de airconditioning niet goed werkt, moet u eerst controle- renofallebedieningsorganeninde juiste stand staan. Als dit het geval is, moet u de airconditioning afzet- ten (druk op toets C zodat de contro- lelampjes doven) en raadpleeg een RENAULT-dealer.

Maak het airconditioning- systeem niet open: het gas en de vloeistof zijn schade- lijk voor de ogen en de huid.
VERWARMING / AIRCONDITIONING (vervolg)

Inschakelen van de luchtkring- loop (met isolatie van het interi- eur)
Druk op de toets G, het contro lampje licht op.
In deze stand wordt de lucht vanuit het interieur aangezogen en zonder toevoeging van buitenlucht teruggevoerdindeauto.
De-kringloopstand kan gebruikt worden:
- het interieur worden afgesloten van de buitenlucht als het buiten stinkt:
- om sneller de gewenste temperatuur te bereiken.
Bij langdurig gebruik van de kring- loopfunctie kunnen de ruiten aan de binnenkant beslaan. Ook zal het in de auto, door gebrek aan frisse lucht, kunnen gaan stinken.
Druk daarom opnieuw op toets G om de toevoer van buitenlucht te herstellen zodra de omstandigheden dat toelaten.
Het systeem verlaat na verloop van tijd automatisch de kringloopstand (behalve als het buiten extreem warm is): het lampje van toets G dooft.
THERMOSTATISCH GEREGELDE AIRCONDITIONING

Bedieningsknoppen
1 - toets voor het inschakelen van de thermostatische regeling
2 - toets voor het regelen van de temperatuur links
3 - display
4 - toets voor het regelen van de temperatuur rechts
5 - kringlooptoets en inschakelen van de automatische kringloop
6 - toets voor het uitschakelen van het systeem
7 - toets voor het verdelen van de lucht
8 - toets voor het regelen van de ventilateursnelheid
9 - toets voor het ontwasemen en
het ontdooien van de ruiten
10 - toets van de achterruitverwarming
11 - toets voor de airconditioning
Informatie en tips voor het gebruik: raadpleeg het einde van de paragraaf "verwarming/airconditioning".
In de toetsen 1, 5, 6, 9, 10 en 11 zitten controlelampjes:
- als het lampje brandt, is de functie ingeschakeld,
- als het lampje uit is, is de functie uitgeschakeld.
THERMOSTATISCH GEREGELDE AIRCONDITIONING (vervolg)

De thermostatische regeling van de verwarming en de airconditioning zorgtervoordatdetemp het interieur en de ventilatie van de ruiten (extreme gebruiksomstandigheden daargelaten) optimaal gehandhaafd worden bij een zo optimaal mogelijk brandstofverbruik.
Deze werking wordt aangeraden.
Druk op de toets 1, het controle-lampje brandt.
De airconditioning regelt onafhankelijk van elkaar de gewenste temperatuur aan de linkerkant (knop 2) en aan de rechterkant (knop 4).
- om de temperatuur te verhogen, draait u knop 2 of 4 naar rechts;
- om de temperatuur te verlagen, draait u knop 2 of 4 naar links.
De gewenste temperatuur kan inge- steldwordentussen16en26
Door op toets Auto 1 te drukken, treedt ook de kringloopfunctie in werking (het controlelampje 5b licht op).
Bijzonderheid
Voor sommige auto's slaat de RENAULT card een aantal door de gebruiker ingestelde afstellingen op: waaronder de afstelling van de gewenste temperatuur. Het is dus raadzaam altijd dezelfde RENAULT card te gebruiken om altijd uw persoonlijke instellingen te krijgen.
THERMOSTATISCH GEREGELDE AIRCONDITIONING (vervolg)
Automatische werking (vervolg) Werking
Om de ingestelde temperatuur te bereiken en een goed zicht te handhaven, gebruikt het systeem de volgende elementen:
- de ventilateursnelheid;
- de verdeling van de lucht;
- de kringloopfunctie;
- aan- / uitzetten van de airconditioning;
- de temperatuur van de lucht links of rechts;
- het automatisch inschakelen van de achterruit- en/of voorruitverwarming voor de auto's die hiermee uitgerust zijn.
Het display geeft aan welke temperatuur is ingesteld.
Het heeft geen zin om bij koud of warm weer de temperatuurinstelling te wijzigen om de temperatuur sneller te doen stijgen of dalen. Het systeem regelt zelf de optimale manier om de gewenste temperatuur zo snel mogelijk te bereiken.
Onder normale omstandigheden, tenzij dit als hinderlijk wordt on- dervonden, moeten de roosters in het dashboard open blijven staan, ongeacht de weersomstandighe- den.
THERMOSTATISCH GEREGELDE AIRCONDITIONING (vervolg)

Druk op toets 10, het controlelampje 10a licht op en de symbolen A en B verschijnen op het display 3.
Hiermeewordendeachterruit buitenspiegels elektrisch ver- warmd.
Uitschakelen van deze functie:
- deze functie schakelt automatisch uit na een door het systeem be- pandde tijdsduur;
- druk nogmaals op toets 10.
THERMOSTATISCH GEREGELDE AIRCONDITIONING (vervolg)

Functie "helder zicht"
Druk op toets 9, het controlelampje licht op en de symbolen A, B en C verschijnen op het display 3.
Het controlelampje in de toets Auto gaat uit: de lucht wordt niet langer automatisch verdeeld.
Hiermee worden de voorruit, de zij- ruiten voor, de achterruit en de buitenspiegels snel ontwasemd. De air-conditioning schakelt automatisch in (controlelampje 11a licht op en de kringloopfunctie wordt uitgeschakeld (controlelampjes 5a en 5b zijn gedoofd).
De optimale hoeveelheid lucht wordt nu naar de roosters onder de voorruit en naar de ruiten in de voorportieren geleid.
Bijzonderheid
De elektrische voorruitverwarming schakelt automatisch in bij de auto's die hiermee uitgerust zijn.
N.B.: de ventilateursnelheid kan gewijzigd worden met toets 8, wat in de auto hoorbaar kan zijn.
Voor het uitschakelen van deze functie, zijn er twee mogelijkheden:
- druk op de toets Auto 1 (controle-lampje licht op);
- druk weer op toets 9 (het controle-lampje dooft).
THERMOSTATISCH GEREGELDE AIRCONDITIONING (vervolg)

Veranderen van de automati- sche werking
De normale werking van het systeem is de automatische werking (lampje 1a licht op), maar de keuze van het systeem (verdeling van de lucht, enz.) kan worden veranderd, de mogelijkheden staan op de volgende bladzijdes.
U wordt aangeraden de automatischewerkingt systeem van de automatische air-conditioning garandeert (met uitzondering van extreme gevallen) een temperatuurcomfort in het interieur en het helder houden van de ruiten, bij een zo optimaal mogelijk brandstofverbruik.
Ga terug naar automatische werking zodra dit mogelijk is.
Verdeling van de lucht in het in- terieur
Er zijn zes keuzemogelijkheden die u verkrijgt door achter elkaar op toets 7 te drukken. De pijltjes van het symbool D geven de door u gekozen mogelijkheid aan:
- de pijl naar boven geeft aan dat de lucht naar de ventilatieroosters van de voorruit gevoerd wordt;
- de pijl naar beneden geeft aan dat de lucht naar de voetenruimtes gevoerd wordt;
- de horizontale pijl geeft aan dat de lucht naar de ventilatieroosters van het dashboard gevoerd wordt.
Als u de automatische werking van de luchtverdeling uitschakelt, dooft het controlelampje in toets 1 (automatische werking), maar alleen de luchtverdeling wordt niet meer automatisch gecontroleerd door het systeem.
Om de automatische werkstand weer in te schakelen, drukt u op toets 1.
THERMOSTATISCH GEREGELDE AIRCONDITIONING (vervolg)
Veranderen van de automati- sche werking (vervolg)
Aan- / uitzetten van de airconditioning
Normaal schakelt het systeem automatisch de airconditioning in of uit, afhankelijk van de weersomstandigheden.
Als u op toets 11 drukt, schakelt u de automatische werking uit, het lampje in toets 1 dooft.
Toels11 zorgt voor het inschakelen (controlelampje brandt) of het uitschakelen (controlelampje is uit) van de airconditioning.
N.B.: met het inschakelen van de voorruitverwarming komt de air-conditioning automatisch in werking (controlelampje brandt). Om de automatische werkstand weer in te schakelen, drukt u op toets 1.

Ventilateursnelheid
Normaal zorgt het systeem automatisch voor de juiste ventilateursnelheid om de ingestelde temperatuur te bereiken en te handhaven.
Door op de boven- of onderkant van toets 8 te drukken, schakelt u de automatische stand uit (het controle-lampje van toets AUTO 1 gaat uit). U kunt met deze toets de ventilateur sneller en langzamer laten draaien.
In de automatische werkstand begint de ventilatie niet onmiddellijk op de maximum snelheid: deze wordt geleidelijk verhoogd tot de motor voldoende op temperatuur is gekomen om het interieur te verwarmen. Deze opwarmfase kan variëren van enkele secondes tot een paar minuten.
THERMOSTATISCH GEREGELDE AIRCONDITIONING (vervolg)
Inschakelen van de luchtkring- loop (isolatie van het interieur)
De airconditioning gebruikt buiten- lucht om het interieur te koelen of te verwarmen.
Door het gebruik van de "lucht-kringloop"-functie kan het interieur tijdelijk worden afgesloten van de buitenlucht, bijvoorbeeld als het buiten stinkt.
Door langdurig gebruik van de handbediende kringloopstand kunnen de zijruiten en de voorruit beslaan en kan de atmosfeer in het interieur minder aangenaam worden doordat er geen luchtverversing is. Ga daarom terug naar de automatisch kringloopstand (controlelampje 5a brandt) of over op buitenlucht zodra de omstandigheden dat toelaten.
N.B.
Door op toets AUTO 1 te drukken, komt de "automatisch kringloopstand" in werking (het controle-lampje 5a licht op).

Meerdere keren toets 5 in drukken, stellen u in staat te kiezen:
Het controlelampje 5a licht op. Het systeem analyseert de kwaliteit van de buitenlucht en isoleert, indien nodig, automatisch het interieur.
De handbediende kringloopstand
Het controlelampje 5b licht op. De lucht wordt vanuit het interieur aangezogen en zonder toevoeging van buitenlucht teruggevoerd in de auto.
Buitenlucht
De controlelampjes 5a en 5b zijn uit.
Uitschakelen van het systeem
Druk op toets 6.
Het controlelampje licht op. Er verschijnt geen informatie meer op het display 3. Het systeem is uitgeschakeld. Met deze functie wordt de toevoer van buitenlucht afgesloten.
Om deze functie uit te schakelen, drukt u op toets 1 of 9.
AIRCONDITIONING: informatie en tips voor het gebruik
Verbruik
Het is normaal dat het brandstofverbruik hoger is (vooral in stadsverkeer) als u de airconditioning gebruikt.
Voor auto's met een airconditioning zonder automatische werkstand, zet het systeem uit, als u het niet meer nodig hebt.
Enkele tips om het verbruik te beperken en dus het milieu te sparen: het is raadzaam met open ventilatieroosters en gesloten ramen te rijden.
Open bij zeer warm weer of als de auto in de zon heeft gestaan enkele minuten de portieren voordat u start, zodat de hete lucht uit de auto kan ontsnappen.
Onderhoud
Raadpleeg voor het controle-intervallen het onderhoudsboekje van uw auto.
Bij een storing
Raadpleeg in dit geval een RENAULT-dealer.
- Minder goede werking van ont-dooien, ontwasemen of airconditioning. Dit kan het gevolg zijn van een vervuild patroon van het interieurfilter.
- Geen gekoelde lucht Wanneer de airconditioning niet goed werkt, moet u eerst controleren of alle bedieningsorganen in de juiste stand staan. Als dit niet zo is moet u de werking stoppen.
- Water onder de auto. Maak u niet ongerust als er condenswater onder de auto druppelt, dit is normal na langdurig gebruik van de airconditioning.
Maak nooit de slangen van de air-conditioning los. Het gas en de vloeistof zijn gevaarlijk voor de ogen en tasten de huid aan.
Auto's uitgerust met een aanvul- lende verwarming
Sommige auto's zijn uitgerust met een aanvullende verwarming, waardoor het interieur sneller verwarmd kan worden.
Deze voorziening werkt alleen als de motor draait en als het buiten koud is.
Tijdens deze werking kan er aan de rechter kant van de auto wat rook te zien zijn, die afkomstig is van het verwarmingsapparaat.
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING
Contact aan:
- druk op de schakelaar van de betreffende ruit om deze te laten zakken tot de gewenste hoogte (N.B.: de achterruiten kunnen niet helemaal omlaag);
- trek de schakelaar van de betreffende ruit omhoog om de ruit tot de gewenste hoogte te brengen.

Vanaf de bestuurdersplaats
Gebruik schakelaar:
- 1 voor de bestuurderskant;
- 2 voor de passagierskant voor;
- 3 en 5 voor de passagiers achter.

Vanaf de passagiersplaats voor
Gebruik schakelaar 6
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING (vervolg)

Voor de plaatsen achter
Gebruik schakelaar 7.

Gebruik van de schakelaar 4
Vanaf de bestuurdersplaats kan met de schakelaar 4 de werking van de achterruiten en achterportieren worden uitgeschakeld.

Veiligheid inzittenden
De bestuurder kan de werking van de ruitbediening en van de achterportieren
uitschakelen door de schakelaar 4 aan de kant van de afbeelding in te drukken.
Verantwoordelijkheid van de be- stuurder
Laat nooit de RENAULT card in de auto liggen als u de auto achterlaat met een kind (of een dier) erin. Het kind zou de ruiten kunnen bedienen en door het sluiten ervan ernstig worden verwond aan hals, arm, of hand als deze uit de auto steken. In geval van beknelling, draait u direct de bewegingsrichting om met behulp van de betreffende schakelaar.
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING MET SNELTOETS

Dit is een aanvulling op de elektrische ruitbediening die hiervoor is beschreven.
Als deze aanwezig is in de auto, kan alleen de bestuurdersruit, de voorsteruiten of devierruiten uitgerust zijn.
Gebruik de schakelaars 1, 2, 3, 5, 6 of 7.
Het systeem kan gebruikt wor- den:
- contactaan;
- contact uit totdat een voorportier geopend wordt (beperkt tot ongeveer 20 minuten).

Veiligheid inzittenden
De bestuurder kan de werking van de ruitbediening en van de achterportieren uitschakelen door de schakelaar 4 aan de kant van de afbeelding in te drukken.
Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Laat nooit de RENAULT card in de auto liggen als u de auto achterlaat met een kind (of eendier) erin. Het kind zouderuitenkunnen bedi het sluiten ervan ernstig worden verwond aan hals, arm, of hand als deze uit de auto steken. In geval van beknelling, draait u direct de bewegingsrichting om met behulp van de betreffende schakelaar.
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING MET SNELTOETS (vervolg)
Werking van de sneltoets
Druk de betreffende schakelaar kort en helemaal in: de ruit gaat in één keer geheel omlaag.
Trek de betreffende schakelaar kort en helemaal omhoog: de ruit gaat in één keer geheel omhoog.
Om de beweging van de ruit voortij- digtestoppendruktudeschake opnieuw in.
Werking zonder sneltoets func- tie
Druk de betreffende schakelaar ge- deeltelijk in om de ruit omlaag te la- ten gaan, tot de gewenste hoogte.
Trek de betreffende schakelaar gedeeltelijk omhoog om de ruit omhoog te laten gaan, tot de gewenste hoogte.
Op afstand sluiten van de ruiten
(voor auto's met elektrische ruitbediening met sneltoets).
Als u de portieren van buitenaf vergrendelt met behulp van de RENAULT card en u de vergrendelingsknop van de RENAULT card langer dan 2 secondes indrukt, sluiten de ruiten automatisch.
Bijzonderheid
Indien de ruit tijdens het sluiten een weerstand ontmoet (bijv.: vingers, de poot van een dier of een boom-tak), stopt de ruit en schuift daarna enkele centimeters terug.
Het is echter raadzaam het systeem alleen in te schakelen als de gebruiker de auto goed ziet en er niemand in de auto zit.

Het sluiten van de ruiten kan ernstige verwondingen veroorzaken.
Storingen
Als het sluiten van de ruit niet goed werktofnaeenonderbreking van accuvoeding, schakelt het systeem over op continu werking: u kunt in dit geval de werking herstellen door de schakelaar van de betreffende ruit zo vaak te bedienen tot de ruit geheel is gesloten en de schakelaar dan ingedrukt te houden (kant sluiten) gedurende een seconde om het systeem te initialiseren. Indien nodig, raadpleeg uw RENAULT-dealer.
HANDBEDIENDE RUITEN VOORRUIT

Draai aan slinger 1 om de ruit te openen of te sluiten.
Warmtewerende voorruit
De ruit is voorzien van een reflecte- rende laag die de zonnewarmte (in- frarood straling) tegenhoudt.
De twee zones naast de spiegel zijn bestemd voor op afstand leesbare doorlaatvergunningen (bijv.: tolwegen, parkeergarages, enz.).
ZONNEKLEPPEN

Laat de zonneklep 1 zakken.
Make-up spiegeltje 2 zonder verlichting
Trek het klepje 3 omhoog.
Trek het klepje 3 omhoog.
De verlichting werkt automatisch.

Trek het zonnegordijn omhoog aan het lipje 5 en klik het haakje 4 vast in de daarvoor bestemde uitsparing.
ELEKTRISCH BEDIEND OPEN DAK

Gebruik als kanteldak
Contact aan:
- openen: trek het zonnescherm 1 naar achteren en zet het merkteken 3 van de knop 2 in de stand A, al naar gelang de gewenste kantelstand (in de tussenstanden gaat het dak geleidelijk verder open);
- sluiten: zet het merkteken 3 van de knop 2 in de stand O.

Gebruik als schuifdak
Contact aan:
- openen: zet het merkteken 3 van de knop 2 in de stand B, al naar gelang de gewenste openingsstand (in de tussenstanden gaat het dak geleidelijk verder open). Het zonnescherm 1 wordt tegelijk meegenomen;
- sluiten: breng merkteken 3 van knop 2 in stand O en sluit daarna het zonnescherm 1.
Voorzorgen bij het gebruik van het open dak
- auto met beladen dakdrager
Het gebruik van het open dak wordt ontraden.
Controleer voor het gebruik van het open dak, de accessoires (fietsdrager, dakkoffer, enz.) op de dakdrager: deze moeten op de juiste wijze zijn bevestigd en goed vastzitten en mogen de beweging van het open dak niet hinderen.
Laat u door uw RENAULT-dealer informeren over de verschillende toepassingsmogelijkheden.
- let op dat het dak goed gesloten is als u de auto verlaat;
- reinig het afdichtrubber van het dak eens per drie maanden met een speciaal product dat verkrijgbaar is in de RENAULT Boutique;
- open het dak niet direct na een wasbeurt of een regenbui.
ELEKTRISCH BEDIEND OPEN DAK (vervolg)
Op afstand sluiten van het open dak (auto's met ruit-snelbediening).
Als u de portieren van buitenaf vergrendelt met behulp van de RENAULT card en u de vergrendelingsknop van de RENAULT card langer dan 2 secondes indrukt, sluitenderuitenenhetopenda matisch.
Bijzonderheden
- Indien de ruit van het open dak tijdens het sluiten een weerstand ontmoet (bijv.: vingers, de poot van een dier of een boomtak), stopt de ruit en schuift daarna ongeveer centimeters terug.
- Als u het open dak met behulp van de RENAULT card heeft gesloten, gaat met een druk op knop 2 het open dak weer terug in de stand die u gekozen had voor het sluiten van het dak.

Het sluiten van de ruit kan ernstige verwondingen veroorzaken.

Storing bij het sluiten van het open dak
Druk in dit geval op schakelaar 2, in stand 0, tot het open dak helemaal dicht is.
Raadpleeg uw RENAULT-dealer.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Laat nooit de RENAULT card in de auto liggen als u achterlaat met een kind (of r) erin. Het kind zou het dak en bedienen en door het slui- an ernstig worden verwond is, arm, of hand als deze uit steken.
In geval van beknelling, draait u de knop 2 helemaal naar rechts (stand B) om de bewegingsrichting om te draaien.
BINNENVERLICHTING

Met schakelaar 2 of 6, kunt u kiezen voor:
- een constant brandende binnenverlichting;
- een verlichting die gaat branden als een van de portieren wordt geopend, De binnenverlichting gaat alleen uit als de portieren, waarop de verlichting reageert, goed gesloten zijn;
- een niet brandende verlichting.
Afhankelijk van de uitvoering van de auto, is het mogelijk de lichtsterkte van de verlichting te regelen door knop 4 te verdraaien.

Leesspots
Voor in de auto drukt u op schakelaar 1 voor de bestuurder, en op 3 voor de passagier.
Achter in de auto, drukt u op schakelaar 5 of 7.
De binnenverlichting gaat even branden als de portieren worden ontgrendeld met de RENAULT card. Bij het openen van de portieren gaat de binnenverlichting weer even branden. Daarna dooft de binnenverlichting geleidelijk.
BINNENVERLICHTING (vervolg)

Met schakelaar 8 kunt u kiezen voor:
- een constant brandende binnenverlichting;
- een verlichting die gaat branden als een van de portieren wordt geopend, De binnenverlichting gaat alleen uit als de portieren, waarop de verlichting reageert, goed gesloten zijn;
- het niet branden van de binnen- verlichting.

Verlichting voetenruimte 9
Deze bevindt zich onder het dashboard: zowel aan de bestuurderskant als aan de passagierskant.
De binnenverlichting gaat even branden als de portieren worden ontgrendeld met de RENAULT card. Bij het openen van de portieren gaat de binnenverlichting weer even branden. Daarna dooft de binnenverlichting geleidelijk.

Elk lampje 10 gaat branden bij het openen van het portier.
OPBERGRUIMTES / INDELING INTERIEUR

Om deze te openen, drukt u in het midden van het klepje 1 en laat het dan los: het gaat vanzelf open.
N.B.: afhankelijk van de auto is deze plaats bedoeld voor het inbouwen van de knoppen van de radio, navigatiesysteem (zie de instructieboekjes van deze uitrustingen).

Opbergruimte bij de passagier
Om dit te openen, trekt u aan de handgreep 2.
In de binnenkant van de klep kunt u bekertjes, een kaart of een pen op-bergen.
OPBERGRUIMTES / INDELING INTERIEUR (vervolg)

H et d a s h b o a r d k a s t j e zelfde wijze als het interieur geventileerd en gekoeld door de airconditioning.
Door de afsluiting 3 naar beneden of omhoog te zetten kunt u de lucht-toevoer openen of sluiten.

Kaartenbakken in de portieren voor 4
OPBERGRUIMTES / INDELING INTERIEUR (vervolg)

Opbergruimte in middelste armsteun voor
Toegang tot opbergruimte in console 6.
Trek de leuning 7 omhoog door op knop 8 te drukken.
In de opbergruimte 6 is plaats voor het opbergen van CD's.

Openen bovenste opbergvak 9.
Armsteun gesloten, druk op de getande knop 10 en trek de armsteun omhoog.

Accessoireaansluiting 11
In de binnenkant van deze ruimte is de accessoire-aansluiting 11 bestemd voor de aansluiting van accessoires die door RENAULT goedgekeurd zijn met een maximum vermogen van 180 Watt (spanning: 12V).

Laat geen voorwerpen op de vloer (voor de be-stuurder) liggen. In geval van plotseling remmen zouden deze voorwerpen onder de pedalen terecht kunnen komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed zou kunnen bedienen.
OPBERGRUIMTES / INDELING INTERIEUR (vervolg)

Opbergvakken achter voorstoelen 12

Accessoire-aansluiting 13
De accessoire-aansluiting 13 is bestemd voor de aansluiting van accessoires die door RENAULT goedgekeurdzijnme vermogen van 180 Watt (spanning: 12V).

OPBERGRUIMTES / INDELING INTERIEUR (vervolg)

Til het deksel 16 op met de hand- greep voor het ontgrendelen 17.

Asbak in console voor
Trek het deksel 1 omlaag om de asbak te openen.
U kunt de asbak legen door het deksel naar u toe te trekken zodat de asbak vrijkomt.
Aansteker
Als het contact aan staat, drukt u de aansteker 2 in.
Zodra hij heet is komt hij met een klikje terug. Trek hem los. Plaats hem na gebruik in de houder zonder hem er helemaal in te drukken.

Om deze te openen trekt u de hand- greep 3 tot hij blokkeert.
U kunt de asbak legen door hem nog verder naar u toe te trekken zodat de asbak vrijkomt.
ACHTERBANK

Voor het vervoeren van grote voor- werpen kunnen de rugleuning en het zitkussen worden weggeklapt.
Zitkussen naar voren klappen
Trek het zitkussen A omhoog tegen de voorstoelen.
Rugleuning neerklappen
Zet de hoofdsteun achter helemaal naar beneden, zie paragraaf "hoofdsteunen achter" van hoofdstuk 1.
Druk knop 1 in en kantel de rugleuning B naar voren.
Vervoer van grote voorwerpen
Als u voorwerpen op de neergeklapte rugleuning wilt plaatsen, moet u eerst de hoofdsteunen verwijderen voordat u de rugleuning neerklapt, zodat de rugleuning zo dicht mogelijk tegen het zitkussen kan kante- len . Z i e d e p a r a g r a a f "bagage vervoeren" in hoofdstuk 3.

- Controleer na het terugkantelen van de rugleuning of deze weer goed is vergrendeld.
- Let op bij het gebruik van een stoelhoes, dat deze de vergrendeling van de rugleuning niet belemmert.
- Let op de juiste stand van de autogordels.
- Plaats de hoofdsteunen terug.
BAGAGERUIMTE

De achterklep wordt tegelijk met de portieren elektrisch vergrendeld of ontgrendeld.

Druk de knop 1 in en trek de klep omhoog.

Trek de klep omlaag, waarbij u het eerste stuk gebruik kunt maken van de handgrepen 2 in de klep.
BAGAGERUIMTE (vervolg) ACHTERRUIT

Openen van binnenuit
Bij een elektrische storing, kunt u de achterklep met de hand van binnenuit openen.
- kantel de rugleuningen van de achterbank naar voren, zodat u in de bagageruimte kan komen.
- breng een potlood of iets dergelijks in de holte 3 en verschuif het geheel zoals op de tekening aangegeven is.
- duw tegen de achterklep om hem te openen.

Auto met achterruit die geopend kan worden
De achterruit wordt tegelijk met de portieren elektrisch vergrendeld of ontgrendeld.
Openen
Druk knop 1 in.
Trek de ruit omhoog aan de ruiten- wisservoet 2.
Sluiten
Druk de ruit omlaag aan de ruiten- wisservoet 2 tot hij vergrendelt.

Rijden met een open ach- terruit kan tot gevolg heb- ben dat uitlaatgassen in het interieur van de auto ko-
men. Dit gebruik moet beperkt blijven voor het transport van grote voorwerpen over een korte afstand, waarbij de achterklep gesloten kan blijven. Sluit in dit geval de andere ruiten en open dak en laat de ventilateur met een middelmatige of maximale snelheid draaien, om te voorkomen dat uitlaatgassen het interieur binnendringen.
HOEDENPLANK

De hoedenplank kan worden verwijderd als u de koordjes 1 losmaakt.

Til vervolgens de hoedenplank iets op en trek hem naar achteren. Bij het terugplaatsen gaat u in omgekeerde volgorde te werk.

Zet geen bagage en vooral geen zware of harde voorwerpen op de hoe- denplank. Bij plotseling
remmenofingevalvan geluk kunnen rondslingerende spullen de inzittenden in gevaar brengen.
eenon-
BAGAGE-AFDEKPLAAT

Deze bestaat uit een hard deel (plaat A) en een soepel deel B.
Om het soepele deel B op te rol- len
Trek lichtjes aan de handgreep 1 van de bagage-afdekplaat om de steun-punten los te maken.
Begeleid de oprolbeweging van de bagage-afdekplaat.

Verwijderen van de bagage- afdekplaat
Als het soepele deel B is opgerold, licht de plaat A dan enigszins op en trek hem naar u toe.
Bij het terugplaatsen, gaat u in om- gekeerde volgorde te werk.

Zet geen bagage en vooral geen zware of harde voor-werpen op de hoeden-
plank. Bij plotseling remmen of in geval van een ongeluk kunnen rondslingerende spullen de inzittenden in gevaar brengen.
OPBERGRUIMTES / INDELING BAGAGERUIMTE

Accessoire-aansluiting
De accessoire-aansluiting 1 is bestemd voor de aansluiting van accessoires die door RENAULT goed-gekeurdzijnmete vermogen van 180 Watt (spanning: 12V).

Opbergvakken in de bagage- ruimte
Het opbergvak 2 is bestemd voor accessoires zoals een verbandtrommel ofgevarendziehoek. u m
Op plaats 3 kunt u bijvoorbeeld een ofieblik zetten.
VERVOER VAN BAGAGE
Leterbijhetvervoeropdatdevoor- werpen met hun langste zijde steu- nen tegen ofwel:
- De rugleuning van de achterbank in de normale gevallen (A).

- De neergeklapte achterbank als u grotere voorwerpen moet vervoeren (B).

Als u voorwerpen op de neergeklapte rugleuning wilt plaatsen, moet u eerst de hoofdsteunen verwijderen voordat u de rugleuning neerklapt, zodat de rugleuning zo dicht mogelijk tegen het zitkussen kan kantelen.

Bevestigingspunten 1
De zwaarste voorwerpen plaatst u zo laag mogelijk op de laadvloer. Gebruik de bevestigingspunten op de vloer van de bagageruimte. De lading moet zo geplaatst zijn dat niets naar voren op de passagiers geslingerd kan worden in geval dat de bestuurder plotse-ling moet remmen. Maak de autogordels van de zitplaatsen achter vast, ook als deze niet bezet zijn.
VERVOER VAN GROTE VOORWERPEN: SCHEIDINGSNET

Bijdeauto'sdiehierme zijn, is het nuttig om het scheidingsnet te gebruiken om dieren of bagage te vervoeren om deze af te scheiden van de passagiers.
Hetnetkanoptweeman plaatst worden:
- achter de voorstoelen;
- achter de achterbank.

Aanbrengen varshet scheidingsnet achter de voorstoelen
Aan beide kanten in de auto:
- Til het afdekplaatje 1 omhoog om bij de bovenste bevestigingsring e vanheg net te komen;
- maak het haakje van de band van het net in de ring vast;

- schuif het afdekplaatje opzij om bij de onderste bevestigingsring van het net te komen;
- maak het haakje 2 van de band van het net in de ring vast;
- stel de band van het net zo af, dat het goed strak staat.
VERVOER VAN GROTE VOORWERPEN: SCHEIDINGSNET (vervolg)

Het plaatsen van het scheidingsnet achter de achterbank
Aan beide kanten in de auto:
- Til het afdekplaatje 3 omhoog om bij de bovenste bevestigingsring van het net te komen;
- Maak het haakje van de band van het net in de ring vast;

- Maak het haakje van de onderste bevestigingsband aan het bevestigingshaakje 4 vast;
- Stel de band van het net zo af, dat het goed strak staat.
MULTIMEDIA UITRUSTING

1 Scherm
2 CD-ROM-lezer
3 Bediening
4 Bediening bij het stuurwiel
5 Plaats van de microfoon

Til de armsteun 1 door op de getande knop 2 te drukken om bij de steun te komen.

Bediening bij het stuurwiel 4

Plaats van de microfoon 5
O m dat el kete le f o technische gegevens heeft, is het belangrijk de juiste steun te kiezen voor het monteren in de auto, raadpleeg uw RENAULT-dealer.

Gebruik van de telefoon
Houd u altijd aan de wet- telijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van dit apparaat.
Raadpleeg voor de werking van dit systeem de gebruiksaanwijzing van de betreffende fabrikant.
Het is raadzaam deze voorschriften bij uw instructieboekje te bewaren.
Hoofdstuk 4: Onderhoud
Motorkap 4.02 - 4.03
Sierkappen in de motorruimte 4.04
Oliepeil van de motor / Olie verversen 4.05 →4.08
Het peil van de: koelyloeistof 4.09
stuurbekrachtigingspomp 4.10
remvloeistof 4.11
ruitensproeiervloeistof / koplampsproeiervloeistof 4.12
Filters 4.12
Accu 4.13
Onderhoud van de carrosserie 4.14 - 4.15
Onderhoud van de bekleding 4.16
MOTORKAP

Trek aan de handgreep 1 om de motorkap te openen.

Veiligheidshaak van de motor-kap
Trek de veiligheidshaak 2 omhoog om de motorkap te ontgrendelen.

Bij werkzaamheden onder de motorkap: de koelventi- lateur kan onverwacht gaan draaien.
MOTORKAP (vervolg)

Trek de motorkap zover mogelijk omhoog, maak de steun 4 los uit de klem 5 en plaats hem in de uitsparing 3 van de motorkap en niet ergens anders.
Sluiten van de motorkap
Controleer voordat u de motorkap sluit of er geen gereedschap of andere voorwerpen in de motorruimte zijn achtergebleven.
Om de motorkap te sluiten houdt u deze omhoog, maakt u de steun 4 weer vast in de klem 5 en pakt u de voorkant van de kap in het midden vast en laat u de kap naar beneden zakken. Laat de kap de laatste 20 cm in de vergrendeling vallen. Hij vergrendelt door zijn gewicht.

Controleer de vergrendeling.
SIERKAPPEN IN DE MOTORRUIMTE
Om toegang te hebben tot bepaalde organenindemotorruimte nodig zijn dat van te voren een of meerdere sierkappen weggehaald moeten worden.
Afhankelijk van het motortype, zien ze er anders uit en is hun demonta- gevolgorde verschillend.

Sierkap A
Draai knop 1 een kwart slag en verwijder sierkap A door hem een beetje op te lichten en naar rechts te trekken.

Sierkap B
Draai knoppen 2 en 3 een halve slag verwijder daarna de sierkap door hem in de geleider 4 te laten glijden.

Bij werkzaamheden onder de motorkap: de koelventilateur kan onverwacht gaan draaien.
OLIEPEIL VAN DE MOTOR
Iedere motor verbruikt wat olie voor het smeren en koelen van de gende delen in de motor. Het is daarom normaal dat u tussen twee onderhoudsbeurten soms olie moet bijvullen.
Indien u na de inrijperiode echter meer dan 0,5 liter olie per 1 000 km moet bijvullen, dient u dit aan uw RENAULT-dealer te melden.
Controleer het oliepeil regelmatig en in ieder geval voor elke grote reis: vul indien nodig tijdig olie bij om ernstige schade aan de motor te voorkomen.
Aflezen van het oliepeil
Voor een betrouwbare aflezing moet de auto horizontaal staan en mag de motor geruime tijd niet hebben gedraaid.
U kunt het oliepeil op twee manie- ren aflezen:
- op het instrumentenpaneel;
- met de peilstaaf.

Boodschap 1 Peil voldoende

Boodschap 2 Voorbeeld van het oliepeil

Bericht 3 Minimumpeil (knippert)
Aflezen van het oliepeil op het in- strumentenpaneel
Bij het aanzetten van het contact en gedurende een halve minuut:
- als het peil goed is, verschijnt op het display "oil ok": bericht 1 op het display.
Bijzonderheid: om het oliepeil nauwkeuriger af te lezen, drukt u op de nulinsteltoets van de dagtel- ler of drukt u op de functiekeuze- toets van de boordcomputer.
De blokjes op het display geven het oliepeil aan. Zij verdwijnen naarmate het oliepeil daalt en worden vervangen door streepjes: voorbeeld van bericht 2 op het display.
Om andere informatie te kunnen lezen op uw boordcomputer, drukt u opnieuw op de functiekeuzetoets.
- als het peil te laag is: verschijnt het woord ok niet op het display, de streepjes en het woord oil "knipperen (bericht 3 op het display) en het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel licht op.
U mag de motor niet starten zo- lang u geen olie heeft bijgevuld.
OLIEPEIL VAN DE MOTOR (vervolg)

Aflezen van het oliepeil op de peil- staaf
- haal de peilstaaf uit de motor;
- veeg de peilstaaf af met een droge en niet pluizende doek;
- steek de peilstaaf weer zo diep mogelijk in zijn houder, (als de motor een "peildop" C heeft, draait u deze geheel vast);
- haal de peilstaaf weer uit de motor;
- lees het peil af: het mag nooit onder het minimumpeil A noch boven het maximumpeil B komen.
Als het peil abnormaal of herhaaldelijk daalt, moet u een RENAULT-dealer raadplegen.

Bij werkzaamheden onder de motorkap: de koelventilateur kan onverwacht gaan draaien.

(Bij)vullen
De auto moet horizontaal staan en de motor moet koud zijn (bijvoorbeeld voordat u 's morgens wegrijdt).
OLIEPEIL VAN DE MOTOR (vervolg)



(Bij)vullen (vervolg)
- Draaidop 1 los;
- vul olie bij. Het verschil tussen het hoogste en het laagste peil op de peilstaaf 2 is (afhankelijk van de motor) ongeveer 1,5 tot 2 liter;
- wacht 10 minuten om de olie naar beneden te laten zakken in de motor;
- controleer het oliepeil met de peilstaaf 2 zoals hiervoor is beschreven.
Vul nooit bij tot boven het maxi- mumpeil en vergeet niet de dop 1 weer vast te zetten.


OLIEPEIL VAN DE MOTOR (vervolg) / OLIE VERVERSEN

Motorolie verversen
Interval: raadpleeg het onder- houdsboekje van uw auto.
Inhoud (gemiddeld en ter informatie)
Motor 1.6 16V : 4,80 liter
Motors 2.0 16V
Met inbegrip van het oliefilter.
Zie het onderhoudsboekje voor het juiste interval waarbij het oliefilter moet worden vervangen.
Soort motorolie
Raadpleeg het onderhoudsboekje van uw auto om te weten welke motorolie u mag gebruiken.

Olie aftappen: let op bij het aftappen van hete olie dat u zich er niet aan brandt.

Bij werkzaamheden onder de motorkap: de koelventilateur kan onverwacht gaan draaien.

Bijvullen: let op dat er geen olie wordt gemorst op on- derdelen van de motor of de uitlaat. Hierdoor kan
brand ontstaan. Ook moet de vuldop goed zijn vastgezet om te voorkomen dat hij lostrilt waardoor er olie uit de motor kan spatten met hetzelfde brandgevaar als deze olie op hete delen van de motor of de uitlaat terechtkomt.

Laat de motor nooit in een afgesloten ruimte draaien: uitlaatgassen zijn giftig.
Als het peil abnormaal of herhaaldelijk daalt, moet u een RENAULT-dealer raadplegen.
PEILEN

Het peil moet bij koude motor liggen tussen de merktekens MINI en MAXI die op het expansievat 1 zijn aangegeven.
Vul bij koude motor bij via de vuldop, voordat het peil beneden het MINI-merkteken is gedaald.

Zolang de motor warm is, mogen er geen werkzaamheden aan de motor en het koelsysteem worden uitgevoerd.
Gevaar van brandwonden.
Regelmatige controle van het peil Controleer regelmatig het peil van de koelyloeistof. De motor kan ern- stig beschadigd worden door een ge- brek aan koelyloeistof.
Vul uitsluitend bij met door RENAULT goedgekeurde producten die zorgen voor een bescherming:
- tegen bevriezen;
- tegen corrosie.
Als het peil abnormaal of her-haaldelijk daalt, moet u een RENAULT-dealer raadplegen.
Interval voor het vervangen
Dit onderhoud is inbegrepen in het RENAULT onderhoudsprogramma.
PEILEN (vervolg)

Stuurbekrachtigingsolie 1
Verversingsinterval
Dit onderhoud is inbegrepen in het RENAULT onderhoudsprogramma.
Oliepeil
Verwijder de sierkappen in de motorruimte. Zie paragraaf "sierkappen van de motorruimte" van hoofdstuk 4.
Bij koude motor, moet het peil liggen tussen de merktekens Mini en Maxi die op het reservoir 1 zijn aangegeven.
Gebruik voor het eventueel bijvul- len uitsluitend een door RENAULT goedgekeurd product.

Bij werkzaamheden onder de motorkap: de koelventilateur kan onverwacht gaan draaien.
PEILEN (vervolg)

Controleer regelmatig het peil van de remvloeistof en zeker als u bij het remmen een verschil, hoe gering ook, opmerkt.
Peil 1
Het isnormaaldathetremvloeistof- peil daalt met het slijten van de rem- blokken, maar het mag nooit bene- den het merkteken "MINI" komen.

Bij werkzaamheden onder de motorkap: de koelventilateur kan onverwacht gaan draaien.
PEILEN (vervolg) FILTERS

Reservoir ruitensproeiers / kop- lampsproeiers
Bijvullen
Viadedop1.
Vloeistof
Water + een speciaal product voor ruitensproeiers, in de winter voegt u ook speciale antivries toe.
Sproeiers
U kunt de sproeiers van de voorruit richten met een kleine schroeven-draaier.
Het vervangen van de filters (luchtfilter, interieurfilter, brandstofffilter)
maaktdeeluitvanhetonder-houdsprogramma van uw auto.
Interval voor het vervangen van de filters: raadpleeg het onderhoudsboekje van uw auto.

Bij werkzaamheden onder de motorkap: de koelventilateur kan onverwacht gaan draaien.
ACCU

Deze is onderhoudsvrij: open nooit het deksel 2.

De accu bevat zwavelzuur. Vermijd daarom contact met de ogen, de huid of kleding. Bij onpt contact spoelen met water.
Houd open vuur verwijderd van de accu: explosiegevaar.
Vervangen van de accu
Omdat dit een ingewikkelde ingreep is, adviseren wij dit over te laten aan uw RENAULT-dealer.

De accu is van een speciaal type (met een slang voor het naar buiten afvoeren van het explosielet op dat deze slang aan kan worden op de verde accu. Raadpleeg uw ULT-dealer.
ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE
Bescherming tegen corrosieve invloeden
Uw auto is op doelmatige wijze te- gen roestvorming beschermd. Toch staat hij bloot aan de invloed van:
- agressieve stoffen in de lucht
- luchtverontreiniging in steden en in industriegebieden,
- zilte lucht langs de kust, vooral bij warm weer,
- wisselende klimaatinvloeden en veranderingen in de vochtigheidsgraad (wegenzout in de winter),
- schurende stoffen
Stof in de lucht en zand dat door de wind wordt opgewaaid, modder, opspattende steentjes, enz.,
- de kleine beschadigingen in het dagelijks gebruik
Om de bescherming van de carrosserie zo doelmatig mogelijk te houden, zijn een aantal maatregelen nodig om de hierboven genoemde gevaren te bestrijden.
Wat u niet moet doen
- De auto wassen in de felle zon of als het vriest.
- Vuil of insectenresten wegkrabben, zonder ze eerst met water los te weken.
- De auto verwaarlozen zodat vuil zich kan ophopen.
- Kleine beschadigingen niet (la- ten) bijwerken.
- Vlekken of aanslag verwijderen met oplosmiddelen die niet door RENAULT worden aanbevolen. De lak kan hierdoor worden aangetast.
- In de winterperiode het vuil en pekel in de wielkuipen en op de bodemplaat laten ophopen en de zoute aanslag op de carrosserie laten zitten.
- Een niet door RENAULT goedgekeurde hogedrukspuit gebruiken om mechanische delen (bijv. de motorruimte), scharnierende delen (bijv. tankklep), gespoten kunststof delen (bijv. bumpers) of de onderzijde van de carrosserie te reinigen of deze delen in te spuiten met niet door RENAULT goedgekeurde producten. Hierdoor kunnen defecten of kan oxidatie ontstaan.
ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE (vervolg)
Wat u moet doen
- Was uw auto regelmatig, met door RENAULT geselecteerde shampoos (nooit met schuurmiddelen) en spuit met de waterstraal vooral de wielkuipen en de onderkant van de carrosserie schoon voor het verwijderen van:
- de aanslag door luchtverontreiniging, bloeiende bomen (linden bijvoorbeeld);
- uitwerpselen van vogels die de lak snel doen verkleuren of zelfs kunnen doen loslaten; Deze vlekken moet u direct weg-wassen, want zij kunnen later niet meer door poetsen worden verwijderd;
- zout dat op de gehele auto, maar vooral in de wielkuipen en onder de bodem achterblijft,
-
modder uit de wielkuipen en onder de drempelkokers die anders lange tijd het vocht kunnen vasthouden.
-
Houd bij het rijden op pas geasfalteerde wegen afstand tot de andere auto's om beschadiging van lak en ruiten door opspattend split te voorkomen.
- Kleine beschadigingen van de lak moet u snel herstellen of laten herstellen zodat roest ook daar geen kans krijgt.
- Laat uw RENAULT-dealer regelmatig de carrosserie inspecteren in verband met de RENAULT plaatwerkgarantie. Raadpleeg het onderhoudsboekje.
-
Houd rekening met lokale voorschriften inzake het wassen van een auto, (bijv.: niet op de openbare weg).
-
Als u de auto in een wasstraat of wasportaal met borstels laat schoonmaken, moet u vooraf de bevestiging van de uitrusting aan de buitenkant, bijvoorbeeld extra lampen en spiegels, controleren. Zet de ruitenwisserbladen en de radioantenne met plakband vast.
Verwijder de spriet van de antenne van de autotelefoon indien uw auto hiermee is uitgerust. - Bewegende delen of mechanische organen moeten na reiniging altijd met een door RENAULT goedgekeurd product opnieuw worden beschermd.
In de RENAULT Boutique vindt u een uitgebreid gamma speciale onderhouds- en reinigingsmiddelen voor de carrosserie en het interieur van uw auto.
ONDERHOUD VAN DE BEKLEDING
Wat u moet doen
Reinig de bekleding (ongeacht het soort vlek) met koud of lauwwarm zeepsop op basis van:
- groene zeep,
- afwasmiddel (1:200 verdund).
Veeg de bekleding na met een vochtige, zachte doek.
Bijzonderheden
- Ruiten van instrumenten (bijv. van het instrumentenpaneel, klokje, buitenthermometer, radiopaneel).
Veeg deze schoon met een zachte doek of poetskatoen.
Als dat onvoldoende is, gebruik dan een in zeepsop gedrenkte doek of poetskatoen en veeg de ruit voorzichtig na met een vochtige doek.
Veeg de ruit tenslotte voorzichtig af met een droge zachte doek.
Gebruik geen producten op alco- holbasis.
- Autogordels
Deze moeten goed schoon worden gehouden.
Gebruik producten die door RENAULT Boutique worden geleverd of lauw zeepsop en een spons; veeg de gordels met een doek droog.
Gebruik geen oplosmiddelen of kleurstoffen omdat deze de gordels kunnen aantasten.
Wat u niet moet doen
Het gebruik van een hogedrukreiniger of het sproeien in het interieur van de auto wordt ten strengste afgeraden: als geen bijzondere voorzorgsmaatregelen worden genomen bestaat het gevaar dat elektrische en elektronische componenten in de auto defect raken.
Het wordt met kracht ontraden om voorwerpen zoals deodorant, parfum enz., bij de ventilatieroosters te plaatsen omdat deze de bekleding van het dashboard kunnen aantasten.
Hoofdstuk 5: Praktische tips
Reservewiel 5.02
Gereedschap (krik - wielsleutel) 5.03
Sierdoppen-velgen 5.04
Verwisselen van een wiel 5.05
Banden (veiligheid, wielen, wintergebruik) 5.06 → 5.09
Lampen voor (vervangen van een lamp) 5.10 →5.14
Lampen achter (vervangen van een lamp) 5.15 → 5.17
Zijknipperlichten (vervangen van een lamp) 5.18 - 5.19
Binnenverlichting (vervangen van een lamp) 5.20 →5.24
Zekeringen 5.25 - 5.26
Accu 5.27 →5.29
RENAULT card: batterij 5.30
Inbouwen van een autoradio/accessoires 5.31 - 5.32
Slepen (pech) 5.33 →5.35
Ruitenwisserbladen (vervangen) 5.35 - 5.36
Storingen 5.37 → 5.44
RESERVEWIEL

Het reservewiel bevindt zich in de bagageruimte.
Om erbij te kunnen komen:
- zet u de achterklep open;
- licht de mat van de bodem op aan handgreep 2;
- houdt u deze omhoog met behulp van het haakje 1;
- maakt u bevestiging 4 los en open;

- verwijdert u de krik;
- draait u de centrale bevestiging los;
- verwijdert u het gereedschap;
- verwijdert u het reservewiel.

Laat het reservewiel regelmatig controleren. Na verloop van tijd kan het door veroudering onbruikbaar worden.
Gebruik van het reservewiel
Het controlesysteem van de bandenspanning controleert niet de spanning van de reserveband (het door het reservewiel vervangen wiel verdwijnt van het display en/of het infoscherm).
Raadpleeg de paragraaf "systeem voor het controleren van de bandenspanning" in hoofdstuk 2.
N.B.
De wielbouten van de aluminium velgen zijn bruikbaar op een reser- vewiel met stalen velg.

Auto met een reserve- wiel dat kleiner is dan de andere vier wielen.
Bij gebruik van het reservewiel, mag de auto niet sneller rijden dan 130 km/u.
GEREEDSCHAP

Het gereedschap A bevindt zich in de bagageruimte, op het reserve-wiel.
Om bij het gereedschap te komen, maakt u de bevestiging 1 los en opent hem.

Krik 2
Maak de krik 2 vrij.
Voordat u de krik weer terug plaatst, brengt u hem weer in de oorspronkelijke stand.

Gebruik de krik alleen voor het verwisselen van een wiel. De krik mag nooit als steun bij werk-eden onder de auto wor- pruikt.
Wielmoersleutel 3
Hiermee draait u de wielbouten los en zet u deze weer vast.
Hiermee kunt u de wieldoppen verwijderen.
Sleepoog 6
Raadpleeg de paragraaf "slepen" in hoofdstuk 5.
Opbergruimtes
Bij het gereedschap is ruimte voor het opbergen van reservelampen of een antidiefstal moer.
WIELDOP - WIEL

Steek het haakje van de wieldop- sleutel 3 (opgeborgen bij het gereedschap) in een van de openin- gen langs de omtrek van de wieldop.
Let bij het terug plaatsen op de stand ten opzichte van ventiel 2. Duw de haakjes te beginnen bij de kant van ventiel A daarna B en C en eindig bij de kant tegenover ventiel D.

Maak hem los met behulp van de wieldopsleutel (opgeborgen bij het gereedschap).
Let op bij het terugplaatsen dat de pasnok van de velg samenvalt met de uitsparing in de wieldop.
SIERDOPPEN - WIELEN (vervolg)

Maak deze los met behulp van de wieldopsleutel 7 (opgeborgen bij het gereedschap) door de sleutel 7 in de uitsparing 6 te steken.
Bij het terugplaatsen richt u de dop ten opzichte van de uitsparing 6 en draait u hem vast met de sleutel 7.

Wiel met zichtbare bouten 8
Verwijder de bouten en het wiel.
Noteer het nummer van de sleutel zodat u deze bij verlies kunt nabestellen.
VERWISSELEN VAN EEN WIEL

Zetdeautostilopeen zontale, stroeve (bijv. geen gladde tegels, enz.) en ste- vige ondergrond (leg indien nodig een stevige plank onder de krik), schakel de alarmknipperlichteninenplaatsdeg hoek.
Zet de handrem vast en schakel een versnelling in (eerste of achteruit, of P bij een automatische transmissie).
Laat alle inzittenden uitstappen en op een veilige plaats wachten.
Verwijder de wieldop (indien van h or itoepassing).
Maak wielbouten los met behulp van wielmoersleutel 1. Plaats hem zo dat u deze naar beneden moet duwen.
e v Houde de krik horizontaal, met de kop van de krik bij de metalen steunplaat 2 die het dichtst bij het betreffende wiel is.
Draai de krik met de hand omhoog zodat u de voet van de krik vlak op de grond kunt zetten, iets binnen de rand van de carrosserie.
Draai de zwengel een paar slagen zodat het wiel vrijkomt van de grond.
Verwijder de bouten.
Verwijder het wiel.
Plaats het reservewiel op de naaf en draai het wiel rond tot de gaten voor de wielbouten samenvallen.
Monteer de bouten, draai ze vast en laat de krik zakken.
Zodra de wielen weer op de grond rusten, zet u de bouten stevig vast, laat het vastzetten zo snel mogelijk controleren (aantrekkoppel 110 Nm).

Als u merkt dat een band lek is moet u direct stoppen en het reservewiel monteren.
Een lekke band moet zo snel mogelijk worden gerepareerd en vóór terugplaatsing door een deskundige worden onderzocht.
BANDEN
Veiligheid van de banden - wie- len
De banden vormen de enige verbinding tussen de auto en het wegdek, het is daarom van het grootste belang dat zij in goede staat verkeren. Houd u strikt aan de wettelijke voorschriften op dit gebied.

Als de banden vervangen moeten worden, mag dit alleen gebeuren door even grote banden van
hetzelfde merk, met dezelfde eigenschappen en met hetzelfde profiel.
Zij moeten: ofwel gelijk zijn aan de oorspronkelijk gemonteerde, ofwel voldoen aan de door RENAULT gestelde eisen.
Raadpleeg bij twijfel uw RENAULT-dealer.

Onderhoud van de banden
De banden van uw auto moeten altijd aan de wettelijke voorschriften voldoen. Bovendien moeten de banden, in het belang van een goede wegligging van uw auto, van hetzelfde merk zijn en hetzelfde profiel hebben. De banden moeten in goede staat verkeren en voldoende profiel hebben; de merken die door de fabriek zijn goedgekeurd, zijn voorzien van slijtagecontrolestiften 1.
Als het loopvlak van een band zo ver is afgesleten dat de slijtagecontrolestiften zichtbaar worden bij 2, dan moet u deze band laten vervangen omdat er dan nog slechts 1,6 mm profiel overblijft waardoor de banden op een natte weg onvoldoende grip hebben.
Door een bestuurdersfout, bijvoorbeeld het rijden tegen een stoeprand, kan een band worden beschadigd en kan de afstelling van de voorwielen worden ontregeld.
Ook door overbelasting, door het langdurig snel rijden bij hoge buitentemperaturen en door het regelmatig rijden op slechte wegen, kunnen de banden worden beschadigd, waardoor de veiligheid in gevaar komt.

Bestuurdersfouten, zoals "rijden tegen een stoeprand", kunnen de banden en de velgen bescha-
digen, en de voorwielen of achterwielen ontregelen.
Laat in dat geval hun staat door een RENAULT-dealer controle- ren.
BANDEN (vervolg)
Bandenspanning
Houd u aan de bandenspanning die in de tabel met bandenspanningen wordt genoemd. Controleer de bandenspanning tenminste eenmaal per ma and en z e k e r v o o r e rit. Controleer dan ook de spanning van de reserveband.

Door een te lage banden- spanning ontstaat vroeg- tijdige slijtage en worden de banden abnormaal
heet, met alle gevolgen van dien voor de veiligheid:
- slechte wegligging,
- kans op een klapband of het loslaten van het loopvlak.
De bandenspanning is afhankelijk van de belading en de snelheid van de auto. Pas de bandenspanning indien nodig aan de gebruiksomstandigheden aan (raadpleeg de paragraaf "bandenspanning").
Controleer de spanning bij koude banden, houd geen rekening met een hogere waarde bij warm weer of na een snel gereden rit.
Indien u de bandenspanning niet bij rkoude gbanden kunt controleren, moet u de opgegeven waarden met 0,2 tot 0,3 bar (3 PSI) verhogen.
Verlaag nooit de spanning van een warme band.
Let op: op een kleine sticker aan de binnenkant van de linker voorportierstijl staat ook de bandenspanning aangegeven (afhankelijk van het land of de uitvoering).
Het kruisen van de wielen

De in ieder ventiel ge- monteerde drukzender is speciaal voor dit wiel op deze plaats bestemd: in
geen geval mogen de wielen van plaats worden verwisseld.
Gevaar van verkeerde informatie met ernstige gevolgen.
Vervangen van de banden

Laat, om veiligheidsredenen het vervangen van de banden over aan een deskundige.
Door het monteren van afwijken- de banden kan:
- de auto gaan afwijken van de betreffende wettelijke voorschriften;
- de wegligging verslechteren;
- het sturen zwaarder gaan;
- de geluidsproductie toenemen;
- het gebruik van sneeuwkettingen belemmerd worden.
Reservewiel
Raadpleeg de paragrafen "reserve-wiel" en "verwisselen van een wiel" in hoofdstuk 5.
BANDEN (vervolg)
Debandenindewinter
- Sneeuwkettingen
Sneeuwkettingen mogen uitsluitend rond de voorwielen worden gelegd.
Als een te grote bandenmaat is gemonteerd, kunnen er geen sneeuwkettingen worden gemonteerd.

Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen mogelijk in combinatie met banden die even groot
zijn als de oorspronkelijk op uw auto gemonteerde banden.
Op de wielen kunnen alleen specifieke sneeuwkettingen gemonteerd worden. Raadpleeg uw RENAULT-dealer.
Bijzonderheid uitvoering met 17-inch wielen
Indien u sneeuwkettingen wilt gebruiken, zijn er speciale maatregelen nodig.
Raadpleeg uw RENAULT-dealer.
- Winterbanden
Indien u speciale "winterbanden" laat monteren, raden wij u aan deze banden op alle vier wielen te monteren.
Let op: op deze banden staan soms:
- Een pijl met de draairichting,
- Een indicatie van de maximum snelheid die niet overschreden mag worden, ook al is die lager dan de topsnelheid van de auto.
- Spijkerbanden
Het gebruik van spijkerbanden is slechts onder bepaalde omstandigheden toegestaan.
Houd u aan de ter plaatse geldende voorschriften, en rijd met spijkerbanden niet sneller dan de daarmee toegelaten maximum snelheid.
Indien u voor spijkerbanden kiest, moeten zij in ieder geval links en rechts voor worden ge- monteerd.
Wij raden u in ieder geval aan uw RENAULT-dealer te raadplegen. Hij weet als geen ander welke voorzieningen het beste bij uw auto passen.
KOPLAMPEN: TOEGANG

Om bij de koplampen voor te komen, verwijdert u eerst de sierkappen in de motorruimte A en B.
Toegang tot de linker koplamp Sierkap A
Draai knop 1 een kwart slag en verwijder sierkap A door hem een beetje op te lichten en naar rechts te trekken.

Toegang tot de rechter koplamp Sierkap B
Draai knoppen 2 en 3 een halve slag verwijder daarna de sierkap door hem in de geleider 4 te laten glijden.

Bij werkzaamheden onder de motorkap: de koelventil- lateur kan onverwacht gaan draaien.
KOPLAMPEN MET HALOGEENLAMPEN: vervangen van een lamp

Verwijder de kap A of B door hem een kwart slag te draaien.
Maak de lamp los van de stekker.
Maak de veer 2 of 4 los en verwijder de lamp.
Lamptype: 1 →H1
3 →H7
anti U.V. (zie kader).
Raak het lampglas niet aan. Houd de lamp vast aan de metalen voet.
Vergeet niet, na het vervangen van de lamp, de kap terug te plaatsen.

Markeringslicht voor
Verwijder de lamphouder 5 om bij de lamp te komen.
Lamptype: W5W.
Richtingaanwijzer
Draai de lamphouder 6 een kwart slag en maak de lamp los.
Lamptype: peervormige oranje lamp met bajonetfitting PY21 W.
Schoonmaken van de koplampen
De koplampen hebben een kunststof ruit, die u met een zachte scho- ne doek of poetskatoen kunt schoonvegen.
Als dat onvoldoende is, gebruik dan een in zeepsop gedrenkte doek of poetskatoen en veeg de ruit voorzichtig na met een vochtige doek.
Veeg de ruit tenslotte voorzichtig af met een droge zachte doek.
Gebruik geen producten op alco- holbasis.

De koplampen hebben een kunststof ruit, gebruik daarom alleen anti U.V. 55 W lampen. (Ge-
bruik van andere lampen kan de koplamp beschadigen.)
De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen. Risico van verwonding.
Wij adviseren u een set reserve lampen in de auto mee te nemen.
KOPLAMPEN MET XENONLAMPEN: vervangen van de lampen


Omdat het werken aan hoogspanningssystemen gevaarlijk is, moet het vervangen van dit type tijd uitgevoerd worden n RENAULT-dealer.

Vanwege de speciaal vereiste technologie, is het verboden een xenonlamp te monteren in een kop-
lamp die hier oorspronkelijk niet mee is uitgerust.
Grootlicht
Verwijder de afdekkap B door hem een kwart slag te draaien.
Maak de veer 1 los en verwijder de lamp.
Verwijder de stekker 2 en maak de lamp los.
Lamptype : H1 anti U.V. (zie ka-der).
Raak het lampglas niet aan. Houd de lamp vast aan de metalen voet.
Vergeet niet, na het vervangen van de lamp, de kap B terug te plaatsen.

De koplampen hebben een kunststof ruit, gebruik daarom alleen anti U.V. 55 W lampen. (Ge-
bruik van andere lampen kan de koplamp beschadigen.)
De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen. Risico van verwonding.
Wij adviseren u een set reserve lampen in de auto mee te nemen.
KOPLAMPEN MET XENONLAMPEN: vervangen van de lampen (vervolg)

Markeringslichten voor
Verwijder de kap A door hem een kwart slag te draaien.
Verwijder de lamphouder 4 zodat u de lamp kunt verwisselen.
Lamptype: W5W.

Draai de lamphouder 3 een kwart slag en haal de lamp eruit.
Lamptype: peervormige oranje lamp met bajonetfitting PY21 W.
Schoonmaken van de koplampen
De koplampen hebben een kunst- stof ruit, die u met een zachte scho- ne doek of poetskatoen kunt schoonvegen.
Als dat onvoldoende is, gebruik dan een in zeepsop gedrenkte doek of poetskatoen en veeg de ruit voorzichtig na met een vochtige doek.
Veeg de ruit tenslotte voorzichtig af met een droge zachte doek.
Gebruik geen producten op alco- holbasis.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen. Risico van verwonding.
LAMPEN VOORZIJDE: mistlichten / extra lampen

Mistlichten voor 1
Vervangen van een lamp
Raadpleeg uw RENAULT-dealer.
Lamptype: H11.
Extra lampen
Vraag uw RENAULT-dealer advies indien u extra lampen (mistlichten of verstralers) op uw auto wilt monteren.

Wijzig niet zelf de bedra- ding van de auto want door een verkeerde aan- sluiting kan de elektri-
sche installatie worden beschadigd (bedrading, organen en in het bijzonder de dynamo). Laat eventuele veranderingen door uw RENAULT-dealer uitvoeren die beschikt over de noodzakelijke onderdelen.
LAMPEN ACHTER: vervangen van lampen Hatchback

Richtingaanwijzer/markerings- licht en remlicht
Verwijder de schroef 1 in de bagageruimte.

Maak van binnenuit het achterlicht- huis vrij.
Maak de lamphouder 2 los om bij de lampen te kunnen komen.

Peervormige lamp met bajonetfitting en twee gloeidraden: P21/5 W.
4 Richtingaanwijzer
Peervormige oranje lamp met bajonetfitting PY21 W.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen. Risico van verwonding.
LAMPEN ACHTER: vervangen van lampen Hatchback (vervolg)

Mistachterlicht / achteruitrij- licht en markeringslicht
Maak op de achterklep, de klep 5 los van het betreffende lamphuis om bij de bevestigingsschroef te kunnen komen.
Draai deze schroef los.

Maak van binnenuit het achterlicht- huis vrij.
Maak de lamphouder 6 los om bij de lampen te kunnen komen.

Peervormige lamp met bajonetfitting, P21 W.
8 Mistachterlicht
Peervormige lamp met bajonetfitting, P21 W.
9 Markeringslicht
Peervormige lamp met bajonetfitting en twee gloeidraden: P21/5 W.
LAMPEN ACHTER: vervangen van lampen Break

In de bagageruimte, laat u de klep 1 zakken, zodat deze vrijkomt en u hem kunt verwijderen.
Verwijder de binnenbekleding.

Maak de lamphouder los door op het lipje 2 te drukken.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen. Risico van verwonding.

Peervormige lamp met bajonetfitting en twee gloeidraden: P21/5 W.
4 Richtingaanwijzer
Peervormige oranje lamp met bajonetfitting, PY21W.
5 Achteruitrijlicht
Peervormige lamp met bajonetfitting, P21W.
6 Mistachterlicht
Peervormige lamp met bajonetfitting, P21W.
LAMPEN ACHTER EN ZIJKANT: vervangen lampen Hatchback

Raadpleeg uw RENAULT-dealer.

Kentekenverlichting 8
Druk tegen het lipje 9 en wip het lamphuis 8 los.
Maak het kapje los van het lamp-huis zodat u bij de lamp kunt ko-men.
Lamptype: buislampje C5W.

Zijknipperlichten 10
Wip het zijknipperlicht 10 met een kleine schroevendraaier los.
Draai de lamphouder een kwart slag en maak de lamp los.
Lamptype: W5W.
LAMPEN ACHTER (vervolg) EN ZIJKANT: vervangen van een lamp Break

Raadpleeg uw RENAULT-dealer.

Kentekenverlichting 12
Druk tegen het lipje 13 en wip het lamphuis 12 los.
Maak het kapje los van het lamp-huis zodat u bij de lamp kunt ko-men.
Lamptype: buislampje C5W.

Zijknipperlichten 14
Wip het zijknipperlicht 14 met een kleine schroevendraaier los.
Draai de lamphouder een kwart slag en maak de lamp los.
Lamptype: W5W.
BINNENVERLICHTING: vervangen van een lamp

Binnenlicht A
Wip met een kleine schroeven-draaier de kap 1 los.

Maak de betreffende lamp vrij.
Lamptype 2: W 5 W .
Lamptype 3: C 7 W.
BINNENVERLICHTING: vervangen van een lamp (vervolg)

Binnenlicht B
Maak met een kleine schroeven-draaier de kap 4 los.

Maak de betreffende lamp vrij.
Lamptype 5: W 5 W .
Lamptype 6: C 7 W .
BINNENVERLICHTING: vervangen van een lamp (vervolg)

Binnenlicht C
Wip met een kleine schroeven-draaier de kap 7 los.

BINNENVERLICHTING: vervangen van een lamp (vervolg)

Wip het lamphuis los door met een kleine schroevendraaier het lipje 9 in te drukken.
Maak de stekker los.
Lamptype: buislampje C5W.

Verlichting voetenruimte voor
De verlichting bevindt zich onder en achter het dashboard.
Draai de lamphouder 10 een kwart slag en haal de lamp eruit.
Lamptype: W5W.

Verlichting voetenruimte achter
Deze bevindt zich onder de voor- stoelen.
Haal de lamphouder 11 uit zijn houder en verwijder de lamp.
Lamptype: W5W.
BINNENVERLICHTING: vervangen van een lamp (vervolg)

Wip het lamphuis 12 los met een kleine schroevendraaier.
Draai de lamphouder een kwart slag en maak de lamp los.
Lamptype: W5W.

Wip met een kleine schroeven-draaier het lamphuis 13 los door de twee lipjes aan weerskanten van het lamphuis in te drukken.
Maak de stekker los.

Druk tegen lipje 14 zodat de lamphouder vrijkomt en u het lampje 15 kunt vervangen.
Lamptype: buislampje C5W.
ZEKERINGEN

Als een elektrisch apparaat niet werkt, controleert u eerst de staat van de zekeringen.
Open het deksel 4.
Raadpleeg de sticker 3 en de verklaring op de volgende bladzijde voor het bepalen van de te controleren zekering.
Gebruik niet de ongebruikte plaatsen op de zekeringplaat om reservezekeringen in te steken.

Controleer de betreffende zekering en vervang hem, indien nodig, door een zekering met hetzelfde amperage als de oorspronkelijke zekë- ring.
Dooreentesterkezekeri bedrading te heet worden en kan brand ontstaan als een elektrisch orgaan door een storing te veel stroom verbruikt.

Verwijder de zekering met het tangetje 2.
U kunt de zekering uit het tangetje schuiven.
N.B.
Sluit het deksel 4 voordat u het portier van de auto sluit.
Afhankelijk van de lokale wetgeving of uit voorzorg:
Zorg dat u altijd reservelampen en zekeringen in uw auto heeft, uw RENAÜLT-dealer kan u deze leveren.
ZEKERINGEN (vervolg)
Bestemming van de zekeringen (afhankelijk van de uitvoering)
| Symbol | Bestemming | Symbol | Bestemming | Symbol | Bestemming |
![]() | Grootlicht | [CGAS] | Alarmknipperlichten | ![]() | Dimlicht rechts |
| ALIM LCH | Elektrische regeleenheid/Startvergrendeling | ![]() | Telefoon/Navigatie | ![]() | Markeringslicht links/Ver-lichting |
![]() | Mistlicht voor | ![]() | |||
| Hoogteafstelling Xenon koplampen | ![]() | Airbags | ![]() | Relais/Ruitenwisser achter | |
| ☀️ | Verwarming | ![]() | Antiblokkeersysteem (ABS) | ![]() | Portiervergrendeling |
| ☀️ | Binnenlicht | [HWDS] | Claxon | ![]() | Accessoire-aansluiting in-terieur |
| STOP | Remlichten | ![]() | Elektrische ruitbediening | ![]() | Aansteker |
| ☀️ | Dimlicht links | ![]() | Mistachterlicht | ![]() | |
| ☀️ | Markeringslichten rechts | [BT2K] | Verwarmde buitenspiegels | ![]() | Achterruitverwarming |
ACCU: storing
Om vonkvorming te voorko- men:
- Controleert u of alle stroomverbruikers zijn uitgeschakeld voordat u de accuklemmen losmaakt of aansluit.
- Schakelt u de acculader uit voordat u deze op de accu aansluit of ervan losmaakt.
- Mag u geen metalen of andere geleidende voorwerpen, die kort-sluiting tussen de accupolen kunnen veroorzaken, op de accu leggen.

ACCU: storing (vervolg)
Aansluiting van een acculader
Maak bij stilstaande motor beide accukabels los, te beginnen met de negatieve kabel.
Maak de accukabels nooit los als de motor draait. Houd u aan de voorschriften van de fabrikant van de acculader.
Alleen een goed opgeladen en onderhouden accu heeft een lange levensduur en voorkomt startproblemen.
Houd de accu schoon en droog.
Laat de capaciteit van de accu regel- matig controleren:
- Vooral als de auto veel korte (stads-)ritten maakt;
- Het is normaal dat de capaciteit bij lage temperatuur afneemt. Gebruik in de winter niet meer stroomverbruikers dan u nodig heeft.
- De accu onlaadt natuurlijk ook door "permanente" stroomverbruikers (klokje, radiogeheugen en accessoires met permanente voeding).
Sluit accessoires zoveel mogelijk + na contact in plaats van + voor contact aan. Laat anders een accu met een grotere capaciteit monteren. Raadpleeg hiervoor uw RENAULT-dealer.
Als u de auto langere tijd, vooral in de winter, niet gebruikt, maak dan de accukabels los, of laat de accu regelmatig bijladen. Daarna moet u apparaten met een geheugen (radio, boordcomputer, enz.) wel opnieuw programmeren. Bewaar de accu op een koele, droge vorstvrije plaats.

Voor bepaalde accu's gelden speciale voorwaarden bij het laden, raadpleeg uw RENAULT-
dealer.
De geringste vonk kan een zware explosie veroorzaken. Daarom mag u de accu alleen in een goed geventileerde ruimte opladen. Gevaar voor ernstige verwondingen.
ACCU: storing (vervolg)
Starten met starchulpkabels
Sluit de starchulpkabels als volgt aantussendetweeauto's Controleer of de starchulpkabels dik genoeg zijn en in goede staat verke- ren.
Beide accu's moeten dezelfde spanning hebben: 12 Volt. De hulpaccu moet minstens de capaciteit (Ampère-uur, Ah) hebben van de ontladen accu.
Let erop dat de auto's elkaar niet raken (kortsluitingsgevaar als u de pluspolen met elkaar verbindt) en dat de ontladen accu goed aangesloten is. Zet het contact af van uw auto.
Laat de motor van de hulpauto met een middelmatig toerental draaien.

Sluit de positieve kabel (+) A aan op de pluspool (+) 1 van de ontladen accu en daarna op de pluspool (+) 2 van de hulpaccu.
Sluit de negatieve kabel (-) k a b e l B aan op de minpool (-) 3 van de hulp-accu en daarna op de minpool (-) 4 van de ontladen accu.
Controleer of de kabels A en B elkaar nergens raken en of kabel A (+) geen metalen delen van de hulpauto raakt.
Start de motor op de normale wijze. Zodra de motor draait, maakt u de kabels A en B in omgekeerde volgorde (4-3-2-1) lo s.
RENAULT CARD: BATTERIJ

Vervangen van het batterijtje
Trek met kracht aan de noodsleutel 1. Vervang de batterij 2, let op de polariteitdieopdenoodsleutelisa geven (controleer, afhankelijk van de auto, of het lampje 3 oplicht bij het indrukken van een knop van de RENAULT card).
Batterijtjes zijn verkrijgbaar bij uw RENAULT-dealer.
De sevensduur is ongeveer twee jaar.

Gooi lege batterijen niet weg, maar lever ze in bij een inzamelpunt voor lege batterijen.
RADIO INBOUWEN

Inbouwplaats voor de radio
Wip het plaatje 1 los. De verbindingen: antenne, voeding + en -, luidsprekerdradenbevindachter.

Hoge tonen luidspreker (tweeters)
Wip het rooster 2 met een kleine schrodevendrhaler los, hierachter vindt u de luidsprekerbedrading.

Wip het rooster 3 met een kleine schroevendraaier los, hierachter vindt u de luidsprekerbedrading.
- Volg altijd nauwgezet de inbouwvoorschriften van de fabrikant van de uitrusting op.
- De benodigde steunen en verbindingskabels die de RENAULT Boutique u kan leveren, verschillen per type auto en per type autoradio.
Raadpleeg uw RENAULT-dealer voor meer bijzonderheden - Wijzig niet zelf de bedrading van de auto want door een verkeerde aansluiting kan de elektrische installatie worden beschadigd (bedrading, organen en in het bijzonder de dynamo). Laat eventuele veranderingen door uw RENAULT-dealer uitvoeren.
ACCESSOIRES

Gebruik van telefoons en 27 Mc zendapparatuur.
Telefoons en 27 Mc appara- tuur met een ingebouwde antenne, kunnen de werking beïnvloeden van elektronische systemenindeauto. Gebruikd apparaten daarom met een buitenantenne.
Houd u altijd aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van deze apparaten.

Achteraf inbouwen van accessoires
Om zeker te zijn dat uw auto goed werkt en om elk risico te vermijden dat uw veiligheid kan aantasten, raden wij u aan om door RENAULT goedgekeurde accessoires te gebruiken: deze zijn aan uw auto aangepast en alleen deze worden door RENAULT gega-randeerd.
- wijzig niet zelf de bedrading van de auto want door een verkeerde aansluiting kan de elektrische installatie worden beschadigd (bedrading, organen en in het bijzonder de dynamo). Laat eventuele veranderingen door uw RENAULT-dealer uitvoeren;
- in geval van achteraf inbouwen van een elektrische uitrusting, moetugoedindegaten dat de installatie wel is beschermd door een zekering. Noteer de sterkte van deze zekering en de plaats waar hij zich bevindt.
houden
SLEPEN: pech

Steek de RENAULT card geheel in de kaartlezer zodat het stuurwiel wordt ontgrendeld en de remlichten, richtingaanwijzers enz. gebruikt kunnen worden. 's Nachts moet de auto verlicht zijn.
Bovendien moeten de voorschriften voor het slepen die in ieder land gelden in nacht worden mag de maximum toegelaten aanhangwagenmassa van uw auto, als deze de trekkende auto is, niet worden overschreden. Raadpleeg uw RENAULT-dealer.

Gebruik uitsluitend de sleepogen 1 aan de voorkant en 4 aan de achterkant. Bevestig de sleepkabel nooit aan de aandrijfassen. Het sleepoog mag alleen gebruikt worden om de auto mee te slepen: het mag in geen geval gebruikt worden om de auto direct of indirect aan op te hijsen.
enomenen

Bij stilstaande motor werken de stuur- en rembekrachtiging niet meer.

Toegang tot de sleeppunten
Verwijder het kapje 2 of 5
Draai het sleepoog 3 zo diep mogelijk vast, eerst met de hand, daarna met de wielmoersleutel uit de gereedschapset.
Het sleepoog 3 is bij het gereedschap opgeborgen (raadpleeg de paragraaf "gereedschap" in hoofdstuk 5).
SLEPEN: pech (vervolg)

- RENAULT adviseert het gebruik van een starre sleepstang. Indien u een touw of kabel gebruikt bij het slepen (als dit wettelijk toege- staan is), moet de auto die ge- sleept wordt nog kunnen rem- men.
- De auto die gesleept wordt, moet te allen tijde bestuurbaar zijn.
- Tijdens het slepen, moet zoveel mogelijk het plotseling gas geven of remmen worden vermeden om beschadiging aan de auto te voorkomen.
- Rijd in ieder geval niet sneller dan 25 km/u.
Slepen van een auto met een automatische transmissie
Wanneer de motor niet draait, wordt de automatische transmissie niet meer gesmeerd; u kunt dan ook de auto het beste laten slepen met beide voorwielen van de grond (en niet de achterwielen) of op een plateau vervoeren.
Bij uitzondering, kunt u de auto laten slepen met de vier wielen op de grond, uitsluitend vooruit rijdend met de hendel in stand N en over een afstand van maximaal 50 km.

Bij stilstaande motor werken de stuur- en rembekrachtiging niet meer.

De selecteurhendel moet in stand N staan.
Indien de selecteurhen- del 1 niet uit de stand P kan worden verplaatst als u het rempe- daal indrukt, dan kunt u de hendel als volgt met de hand vrijzetten.
Maak hiertoe de bovenkant van de stofhoes 3 los.
De selecteurhendel kan worden verplaatst uit stand P als u tegelijk op de knop onder de stofhoes en de ontgrendelknop 2 drukt.
TREKKEN (trekhaak) RUITENWISSERBLADEN

Kogeldruk, maximaal toegelaten massa's van geremde en ongeremde aanhangwagens: raadpleeg hoofdstuk 6, paragraaf "massa's".
Montage moet gebeuren volgens de montagevoorschriften van de fabrikant.
Het is raadzaam deze voorschriften bij uw instructieboekje te bewaren.

A:1045mm
Ruitenwisserblad achter 1
- Til de ruitenwisserarm 2 op tegen de aanslag;
- laat het blad 1 kantelen tot het loskomt van zijn asje.
Bij het monteren
Klem het blad vast aan zijn asje. Controleer of het blad goed is vergrendeld.
RUITENWISSERBLADEN (vervolg)

Vervangen van de ruitenwisserbladen voor 1
- Til de ruitenwisserarm 3 op tot hij stuit (de arm kan niet geheel omhoog worden gezet);
- kantel het blad;
- druk op lipje 2 en laat het wisserblad naar beneden draaien (beweging A) tot het haakje 4 van de ruitenwisserarm vrij komt;
-verschuifhetblad(bew

Bij het monteren
Monteer het ruitenwisserblad in omgekeerde volgorde van losma- ken. Controleer of het blad goed is vergrendeld.
Sproeiers van de ruitensproeier van de voorruit
U kunt deze verstellen met een kleine schroevendraaier. g11g B).

- Voordat u de ruitenwis- sers gebruikt moet u ervoor zorgen dat niets de beweging van de wisser- n hindert.
- Controleer als het vriest, voordat u wegrijdt, of de ruitenwisserbladen niet aan het ruit zijn vastgevroren. De wissermotor kan hierdoor te warm worden.
- Controleer regelmatig de wisserbladen. Zodra hun werking afneemtmoetuzevervangen, geveer eens per jaar.
STORINGEN
Onderstaande aanwijzingen helpen u eventuele storingen snel, maar voorlopig, te verhelpen. Laat de auto echter wel zo spoedig mogelijk door een RENAULT-dealer nakijken.
Gebruik van de RENAULT card OORZAKEN WAT TE DOEN
- De RENAULT card werkt niet voor het ontgrendelen of ontgrendelen van de portieren.
De auto bevindt zich in een sterk elektromagnetisch veld. Ontladen accu.
Door het gebruik van apparaten die de dezelfde frequentie gebruiken als de card (mobiele telefoon, enz.).
Batterij van de card leeg.
Gebruik de noodsleutel (raadpleeg de paragraaf "vergrendelen/ontgrendelen van de portieren" in hoofdstuk 1).
Schakel de apparatuur uit of gebruik de noodsleutel (raadpleeg de paragraaf "vergrendelen/ontgrendelen van de portieren" in hoofdstuk 1).
Vervang de batterij
STORINGEN (vervolg)
Onderstaande aanwijzingen helpen u eventuele storingen snel, maar voorlopig, te verhelpen. Laat de auto echter wel zo spoedig mogelijk door een RENAULT-dealer nakijken.
U schakelt de startmotor in OORZAKEN WAT TE DOEN
| • Er gebeurt niets; de controlelampjes gaan niet branden, de startmotor draait niet. | Accukabel zit los of is geoxideerd Controleer de accupoolklemmen: schuur ze blank als ze geoxideerd zijn en zet ze goed vast. | |
| De accu is ontladen Sluit een andere accu aan op de ontladen accu. | ||
| De accu is defect | Vervang de accu. Duw de auto niet aan als de stuurkolom is vergrendeld. | |
| • De controlelampjes gaan steeds zwakker branden, de startmotor draait zeer langzaam. | De accuklemmen zitten niet goed vast. De accupolen zijn geoxideerd | Controleer de accupoolklemmen. Schuur ze blank als ze geoxideerd zijn en zet ze goed vast. |
| De accu is ontladen | Sluit een andere accu aan op de ontladen accu. | |
STORINGEN (vervolg)
U schakelt de startmotor in OORZAKEN WAT TE DOEN
| De motor start moeilijk bij vochtig weer of na een wasbeurt. | Slechte ontsteking: vochtigheid in het ontstekingssysteem. | Maak de bougiekabel en de bobineka-bel droog. |
| De warme motor start moeilijk. | Dampbellen in het brandstofcircuit. | Laat de motor afkoelen. |
| Onvoldoende compressie. Raadpleeg een RENAULT-dealer. | ||
| De motor wil niet starten. | De voorwaarden voor het starten zijn niet vervuld. | Raadpleeg de paragraaf “starten/stil-zetten van de motor” in hoofdstuk 2. |
| De handsfree RENAULT card werkt niet. | Steek de card in de kaartlezer om te starten zoals met een RENAULT card afstandsbediening.(Raadpleeg de paragraaf “starten/stil-zetten van de motor” in hoofdstuk 2.) | |
| De motor weigert te stoppen. | Elektronische storing. | Druk vijf keer snel op de startknop. |
| De stuurkolom blijft vergrendeld. | Stuurwiel geblokkeerd. | Beweeg het stuurwiel terwijl u de startknop van de motor ingedrukt houdt (raadpleeg de paragraaf “starten van de motor” in hoofdstuk 2). |
STORINGEN (vervolg)
Tijdens het rijden OORZAKEN WAT TE DOEN
| • Abnormale witte rook uit de uitlaat. | Mechanische storing: koppakking op-geblazen | Zet de motor af.Raadpleeg een RENAULT-dealer. |
| • Trillingen. | Banden te zacht, beschadigd of uit balans. | Controleer de bandenspanning, als deze goed is laat dan de banden door een RENAULT-dealer nakijken. |
| • De vloeistof in het expansievat bor-relt. | Mechanische storing: koppakking op-geblazen of waterpomp of koelventila-teur defect | Zet de motor af.Raadpleeg een RENAULT-dealer. |
| Koelventilateur defect | Controleer de betreffende zekering, raadpleeg anders een RENAULT-dealer. |
STORINGEN (vervolg)
Tijdens het rijden OORZAKEN WAT TE DOEN
- Rook onder de motorkap. Kortsluiting Zet de motor af en maak een van de ac-
cukabels los.
Koelslang los of gescheurd Raadpleeg een RENAULT-dealer.
- Het waarschuwingslampje voor de oliedruk gaat branden
- in een bocht of bij het remmen
- bij stationair draaien
- dooft langzaam of blijft branden bij accelereren
Oliepeil te laag Oliedruk te laag
Oliedruk te laag
Voeg motorolie bij. Ga direct naar de dichtstbijzijnde RENAULT-dealer.
Stop: neem contact op met een RENAULT-dealer.
- De motor lijkt onvoldoende vermogen te hebben.
Luchtfilter verstopt
Vervang het filterelement.
Brandstoftoevoer niet goed.
Controleer het brandstofpeil.
Bougies versleten of slecht afgesteld
Raadpleeg een RENAULT-dealer.
- De motor draait onregelmatig stationair of slaat af.
Onvoldoende compressie (bougies, ontsteking, valse lucht)
Raadpleeg een RENAULT-dealer.
STORINGEN (vervolg)
Tijdens het rijden OORZAKEN WAT TE DOEN
- Het sturen gaat zwaar. Gebroken aandrijfriem Laat de aandrijfriem vervangen.
Te weinig olie in de pomp. Voeg stuurbekrachtigingsolie bij (zie onderhoud).
Als het probleem hierna niet verholpen is, raadpleegt u een RENAULT-dealer.
- De motor wordt te warm. Het waarschuwingslampje voor de temperatuur van de koelvloeistof brandt (of wijzer van temperatuurmeter staat in het rode gebied).
Waterpomp: aandrijfriem te slap of gebroken
Zet de motor af en raadpleeg een RENAULT-dealer.
Controleer het peil van de vloeistof in het expansievat. Als er te weinig vloeistof in zit, laat u de motor afkoelen en vult u het bij. Pas op dat u zich niet brandt. Dit is slechts een noodmaatregel: raadpleeg zo snel mogelijk een RENAULT-dealer

Radiateur: Zolang de motor heet is, mag u het koelsysteem nooit met koud water bijvullen. Na elke reparatie waarbij het koelsysteem geheel of gedeeltelijk is afgefapt, moet dit met nieuwe koelvloeistof worden bijgevuld. Gebruik hiervoor alleen door RENAULT goedgekeurde koelvloeistof.
STORINGEN (vervolg)
Elektrische apparaten OORZAKEN WAT TE DOEN
| • De ruitenwissers werken niet. | De wisserbladen zitten vastZekering defect (interval, ruststand) Vervang de zekering.Ruitenwissermotor defect Raadpleeg een RENAULT-dealer. | Maak de wisserbladen los van de ruit. | |
| • Knipperfrequentie te hoog. | - Lampje doorgebrand | Vervang het lampje. | |
| • De knipperlichten werken niet. | Aan één kant: | - Lampje doorgebrand- draad los of de stekker zit niet goed vast.- slecht massacontact. | Vervang de lamp.Sluit de draad goed aan.Zoek de massadraad, maak de aansluiting blank en zet hem goed vast aan een metalen deel. |
| Aan twee kanten: | - zekering doorgebrand- knipperautomaat defect | Vervang de zekering.Vervangen: Raadpleeg een RENAULT-dealer. | |
STORINGEN (vervolg)
Elektrische apparaten OORZAKEN WAT TE DOEN
| • De koplampen werken niet. | Aan één kant: - Lampje doorgebrand Vervang het lampje.- draad los of stekker niet goed aange-sloten.- slecht massacontact Zie hierboven. | Controleer en sluit de draad of stekker aan. |
| Aan twee kanten: - als het circuit beschermd is door een zekering. | Controleer en vervang indien nodig de zekering. | |
| • Condenswater in de verlichting. | Dit is geen defect. Dit is een normaal verschijnsel dat door temperatuurver-andering wordt veroorzaakt.Als de lichten branden verdwijnt het water snel. |
Hoofdstuk 6: Technische gegevens

Identificatieplaatjes 6.02 - 6.03
Maten 6.04 - 6.05
Gegevens van de motor 6.06
Aanhangergewichten 6.07 →6.18
Massa's 6.07 → 6.21
Onderdelen 6.22

IDENTIFICATIEPLAATJES

De gegevens op het constructeursplaatje en het motorplaatje moeten bij eventuele klachten en bij het bestellen van onderdelen altijd worden vermeld.
Constructeursplaatje A
1 Typenummer van de auto en chassisnummer.
Deze informatie vindt u terug bij B.
2 Maximaal toelaatbare totaalmassa van de auto.
3 Maximaal toegelaten treinmassa (auto + aanhangwagen).
4 Maximaal toegelaten massa ge-
meten onder de vooras.
5 Maximaal toegelaten massa ge-
meten onder de achteras.
6 Technische bijzonderheden van de auto.
7 Laknummer.
8 Uitrustingsniveau.
9 Typeauto.
10 Stoelbekledingscode.
11 Aanvullende uitrusting.
12 Fabricagenummer.
13 Interieurbekledingscode.
IDENTIFICATIEPLAATJES (vervolg)

De gegevens op het constructeurs- plaatjeenophe moeten bij eventuele klachten en bij het bestellen van onderdelen altijd worden vermeld.
t motor plaatje
Merktekens van de motor C
1 Type van de motor
2 Indicenummer van de motor
3 Nummer van de motor

De gegevens op het constructeurs- plaatjeenophe moeten bij eventuele klachten en bij het bestellen van onderdelen altijd worden vermeld.
Merktekens van de motor C
1 Type van de motor
2 Indicenummer van de motor
3 Nummer van de motor

| Uitvoeringen 1.6 16V 2.0 16V 2.0 T 3.0 V6 | 1.9 dCi 2.0 | dCi 2.2 dCi | |||||
| Type van de motor (zie motorplaatje) | K4MF4R | FR4 turbo | L7X F9Q turbo | M9R G9T turbo | |||
| Cilinderinhoud (cm3) | 1 598 | 1 998 | 2 946 | 1 870 | 1 995 | 2 188 | |
| Soort brandstof | Ongelode benzine met het voorgeschreven octaangetal zoals aangegeven op de sticker in de tankdopklep.In noodgevallen mag ook ongelode benzi-ne worden getankt:- met octaangetal 91 voor een sticker met 95, 98;- met octaangetal 87 voor een sticker waar-op staat 91, 95, 98. | De sticker in de tankdopklep geeft aan welke brandstoffen toegestaan zijn. | |||||
| Bougies | Gebruik uitsluitend de voor uw motor voorgeschreven bougietypen:Het type staat aangegeven op een sticker in de motorruimte, raadpleeg anders uw RENAULT-dealer.Montage van een niet voorgeschreven bougietype kan tot ernstige motorschade leiden. | - | |||||
MASSA'S (in kg)
Basisuitvoering zonder opties. Bepaalde gewichten kunnen per land verschillen door afwijkende meetvoorwaarden. Raadpleeg voor de exacte gegevens uw RENAULT-dealer.
| Hatchback (benzine)(constructeursplaatje) | 1.6 16V 2.0 16V | ||
| Type van de auto(zie constructeursplaatje) | BG1GBG1H | BG0W - BG0P | |
| Automatisch | |||
| Massa leeg rijklaarBestuurderTotaalVoorAchter | 1 2 7 0 1 2 8780 800 830490 480 485 | 0 1 3 1 5 | |
| Max. toegelatenmassa per asVoorAchter | 1 0701 030 | ||
| Max. toegelaten totale massa 1 9 0 0 1 9 1 | 0 1 9 4 5 | ||
| Max. toegelaten aanhangwagenmassa ongeremd | 650 | ||
| Max. toegelaten aanhangwagenmassa ge-remd(1) bestuurder alleen | 1 300 | ||
| anders | 1 000 | ||
| Max. toegelaten treinmassa(= Maximum toegelaten totale massa+ aanhangwagen) | 2 850 | 2 900 | |
| Max. kogeldruk op trekhaak | 75 | ||
| Max. dakbelasting | 80 (met inbegrip van de dragende delen) | ||
MASSA'S (vervolg)
(1) Trekken van een aanhangwagen (caravan, boot enz.)
- Respecteer de in het land toegelaten maximale massa's. Laat uw RENAULT-dealer een trekhaak monteren en de bedrading van de auto aanpassen. In geen geval mag de maximaal toegelaten treinmassa (auto + aanhangwagen) worden overschreden.
- Bij maximale belasting moet de bandenspanning worden verhoogd met 0,2 bar en geldt een maximale snelheid van 100 km/u.
- Het motorvermogen neemt af naarmate u hoger in de bergen rijdt. Wij adviseren u de maximale belasting met 10% per 1000 meter stijging te verminderen.
MASSA'S (in kg)
Basisuitvoering zonder opties. Bepaalde gewichten kunnen per land verschillen door afwijkende meetvoorwaarden. Raadpleeg voor de exacte gegevens uw RENAULT-dealer.
| Hatchback (benzine)(constructeursplaatje) | 2.0T 3.0V6 | ||||
| Type van de auto(zie constructeursplaatje) | BG0T BG0Z | -BG1L | Automatisch | BG1KBG0Y | |
| Massa leeg rijklaarBestuurder | Totaal | 1 320 | 1 340 | 1 430 | 945 |
| Voor | 840 | 855 | 945 | ||
| Achter | 480 | 485 | 485 | ||
| Max. toegelatenmassa per as | Voor | 1 090 | 1 150 | ||
| Achter | 1 030 | 1 070 | |||
| Max. toegelaten totale massa | 1 950 | 1 970 | 2 060 | ||
| Max. toegelaten aanhangwagenmassa ongeremd | 695 | 650 | |||
| Max. toegelaten aanhangwagenmassa ge-remd (1) bestuurder alleen | 1 300 | 1 350 | 1 300 | 1 550 | |
| 1 050 | 1 200 | ||||
| Max. toegelaten treinmassa(= Maximum toegelaten totale massa+ aanhangwagen) | 2 950 | 3 200 | |||
| Max. kogeldruk op trekhaak | 75 | ||||
| Max. dakbelasting | 80 (met inbegrip van de dragende delen) | ||||
MASSA'S (vervolg)
(1) Trekken van een aanhangwagen (caravan, boot enz.)
- Respecteer de in het land toegelaten maximale massa's. Laat uw RENAULT-dealer een trekhaak monteren en de bedrading van de auto aanpassen. In geen geval mag de maximaal toegelaten treinmassa (auto + aanhangwagen) worden overschreden.
- Bij maximale belasting moet de bandenspanning worden verhoogd met 0,2 bar en geldt een maximale snelheid van 100 km/u.
- Het motorvermogen neemt af naarmate u hoger in de bergen rijdt. Wij adviseren u de maximale belasting met 10% per 1000 meter stijging te verminderen.
MASSA'S (in kg)
Basisuitvoering zonder opties. Bepaalde gewichten kunnen per land verschillen door afwijkende meetvoorwaarden. Raadpleeg voor de exacte gegevens uw RENAULT-dealer.
| Hatchback (diesel)(afhankelijk van het land | 1.9 d Ci 2.0 d Ci | ||||
| Type van de auto(zie constructeursplaatje) | BG05 - BG1ABG1V - BG10BG1W - BG12BG13 | BG0G BG1A | BG1VBG12Automatisch | BG1T BG1S | |
| Massa leeg rijklaar TotaalBestuurder Voor Achter | 1 350865485 | 1 345855490 | 1 420930490 | 1 430940490 | |
| Max. toegelaten Voormassa per as Achter | 1 0701 030 | 1 1901 070 | |||
| Max. toegelaten totale massa | 1 980 | 1 975 | 2 050 | 2 060 | |
| Max. toegelaten aanhangwagenmassa ongeremd | 650 | 745 | 750 | ||
| Max. toegelaten aanhangwagenmassa ge-remd (1) bestuurder alleen | 1 500 | 1 550 | |||
| anders | 1 150 | 1 250 | 1 200 | ||
| Max. toegelaten treinmassa(= Maximum toegelaten totale massa+ aanhangwagen) | 3 100 | 3 150 | 3 200 | ||
| Max. kogeldruk op trekhaak | 75 | ||||
| Max. dakbelasting | 80 (met inbegrip van de dragende delen) | ||||
MASSA'S (vervolg)
(1) Trekken van een aanhangwagen (caravan, boot enz.)
- Respecteer de in het land toegelaten maximale massa's. Laat uw RENAULT-dealer een trekhaak monteren en de bedrading van de auto aanpassen. In geen geval mag de maximaal toegelaten treinmassa (auto + aanhangwagen) worden overschreden.
- Bij maximale belasting moet de bandenspanning worden verhoogd met 0,2 bar en geldt een maximale snelheid van 100 km/u.
- Het motorvermogen neemt af naarmate u hoger in de bergen rijdt. Wij adviseren u de maximale belasting met 10% per 1000 meter stijging te verminderen.
MASSA'S (in kg)
Basisuitvoering zonder opties. Bepaalde gewichten kunnen per land verschillen door afwijkende meetvoorwaarden. Raadpleeg voor de exacte gegevens uw RENAULT-dealer.
| Hatchback (diesel)(afhankelijk van het land | 2.2 dCi | ||||
| Type van de auto(zie constructeursplaatje) | BG0F BG11 | BG09 BG0F | BG11 Automatisch | BG1N | |
| Massa leeg rijklaar TotaalBestuurder Voor Achter | 1 460950510 | 1 465955510 | 1 490970520 | 1 495975520 | |
| Max. toegelaten Voormassa per as Achter | 1 1901 070 | ||||
| Max. toegelaten totale massa 2 090 2 085 2 095 2 120 2 125 | |||||
| Max. toegelaten aanhangwagenmassa ongeremd | 650 | ||||
| Max. toegelaten aanhangwagenmassa ge-remd (1) bestuurder alleen anders 1 | 1 500 | 1 550 | |||
| 150 | 1 200 | ||||
| Max. toegelaten treinmassa(= Maximum toegelaten totale massa+ aanhangwagen) | 3 200 | 3 250 | |||
| Max. kogeldruk op trekhaak | 75 | ||||
| Max. dakbelasting | 80 (met inbegrip van de dragende delen) | ||||
MASSA'S (vervolg)
(1) Trekken van een aanhangwagen (caravan, boot enz.)
- Respecteer de in het land toegelaten maximale massa's. Laat uw RENAULT-dealer een trekhaak monteren en de bedrading van de auto aanpassen. In geen geval mag de maximaal toegelaten treinmassa (auto + aanhangwagen) worden overschreden.
- Bij maximale belasting moet de bandenspanning worden verhoogd met 0,2 bar en geldt een maximale snelheid van 100 km/u.
- Het motorvermogen neemt af naarmate u hoger in de bergen rijdt. Wij adviseren u de maximale belasting met 10% per 1000 meter stijging te verminderen.
MASSA'S (in kg)
Basisuitvoering zonder opties. Bepaalde gewichten kunnen per land verschillen door afwijkende meetvoorwaarden. Raadpleeg voor de exacte gegevens uw RENAULT-dealer.
| Break benzine 1.6 16V 2.0 16V | ||||
| Type van de auto (zie constructeursplaatje) | KG1G KG1H | KG0P KG0W | KG0W | KG0P Automatisch |
| Massa leeg rijklaar Totaal Bestuurder Voor Achter | 1 305 1 310 775 530 | 1 315 790 520 | 1 350 795 520 | 825 525 |
| Max. toegelaten Voor massa per as Achter | 1 070 1 070 | |||
| Max. toegelaten totale massa | 1 935 | 1 940 | 1 945 | 1 980 |
| Max. toegelaten aanhangwagenmassa ongeremd | 650 | |||
| Max. toegelaten aanhangwagenmassa geremd (1) bestuurder alleen | 1 300 | |||
| anders | 950 | 1 000 | ||
| Max. toegelaten treinmassa (= Maximum toegelaten totale massa + aanhangwagen) | 2 850 | 2 900 | 2 950 | |
| Max. kogeldruk op trekhaak | 75 | |||
| Max. dakbelasting | 80 (met inbegrip van de dragende delen) | |||
MASSA'S (vervolg)
(1) Trekken van een aanhangwagen (caravan, boot enz.)
- Respecteer de in het land toegelaten maximale massa's. Laat uw RENAULT-dealer een trekhaak monteren en de bedrading van de auto aanpassen. In geen geval mag de maximaal toegelaten treinmassa (auto + aanhangwagen) worden overschreden.
- Bij maximale belasting moet de bandenspanning worden verhoogd met 0,2 bar en geldt een maximale snelheid van 100 km/u.
- Het motorvermogen neemt af naarmate u hoger in de bergen rijdt. Wij adviseren u de maximale belasting met 10% per 1000 meter stijging te verminderen.
MASSA'S (in kg)
Basisuitvoering zonder opties. Bepaalde gewichten kunnen per land verschillen door afwijkende meetvoorwaarden. Raadpleeg voor de exacte gegevens uw RENAULT-dealer.
| Break benzine (constructeursplaatje) | 2.0 T 3.0 V6 | |||||
| Type van de auto (zie constructeursplaatje) | KG0Z KG1L | KG1Y | KG0T KG1Y - KG0Z KG1L Automatisch | KG0Y KG1K | ||
| Massa leeg rijklaar Totaal Bestuurder Voor Achter | 1 355 1 375 | 1 465850525 | 940525 | |||
| Max. toegelaten Voor massa per as Achter | 1 0701 070 | 1 0901 070 | 1 1501 090 | |||
| Max. toegelaten totale massa | 1 985 | 2 005 | 2 095 | |||
| Max. toegelaten aanhangwagenmassa ongeremd | 650 | 715 | 650 | 650 | ||
| Max. toegelaten aanhangwagenmassa geremd (1) bestuurder alleen anders | 1 300 | 1 550 | 1 500 | |||
| 1 000 | 1 050 | 1 200 | 1 150 | |||
| Max. toegelaten treinmassa (= Maximum toegelaten totale massa + aanhangwagen) | 2 950 | 3 000 | 3 250 | 3 200 | ||
| Max. kogeldruk op trekhaak | 75 | |||||
| Max. dakbelasting | 80 (met inbegrip van de dragende delen) | |||||
MASSA'S (vervolg)
(1) Trekken van een aanhangwagen (caravan, boot enz.)
- Respecteer de in het land toegelaten maximale massa's. Laat uw RENAULT-dealer een trekhaak monteren en de bedrading van de auto aanpassen. In geen geval mag de maximaal toegelaten treinmassa (auto + aanhangwagen) worden overschreden.
- Bij maximale belasting moet de bandenspanning worden verhoogd met 0,2 bar en geldt een maximale snelheid van 100 km/u.
- Het motorvermogen neemt af naarmate u hoger in de bergen rijdt. Wij adviseren u de maximale belasting met 10% per 1000 meter stijging te verminderen.
MASSA'S (in kg)
Basisuitvoering zonder opties. Bepaalde gewichten kunnen per land verschillen door afwijkende meetvoorwaarden. Raadpleeg voor de exacte gegevens uw RENAULT-dealer.
| Break (diesel)(afhankelijk van het land | 1.9 d Ci 2.0 d Ci | ||||
| Type van de auto(zie constructeursplaatje) | KG05 - KG1AKG1VKG1W - KG1FKG10KG12 - KG13 | KG0G KG1E | KG1AKG1VKG12Automatisch | KG1T KG1S | |
| Massa leeg rijklaar TotaalBestuurder VoorAchter | 1 385860525 | 1 380850530 | 1 455925530 | 1 465935530 | |
| Max. toegelaten Voormassa per as Achter | 1 0701 070 | 1 1901 100 | |||
| Max. toegelaten totale massa | 2 015 | 2 010 | 2 085 | 2 095 | |
| Max. toegelaten aanhangwagenmassa ongeremd | 650 | 750 | |||
| Max. toegelaten aanhangwagenmassageremd (1) bestuurder alleen anders | 1 500 | 1 550 | 1 500 | ||
| 1 200 | 1 250 | 1 150 | |||
| Max. toegelaten treinmassa(= Maximum toegelaten totale massa+ aanhangwagen) | 3 150 | 3 200 | |||
| Max. kogeldruk op trekhaak | 75 | ||||
| Max. dakbelasting | 80 (met inbegrip van de dragende delen) | ||||
MASSA'S (vervolg)
(1) Trekken van een aanhangwagen (caravan, boot enz.)
- Respecteer de in het land toegelaten maximale massa's. Laat uw RENAULT-dealer een trekhaak monteren en de bedrading van de auto aanpassen. In geen geval mag de maximaal toegelaten treinmassa (auto + aanhangwagen) worden overschreden.
- Bij maximale belasting moet de bandenspanning worden verhoogd met 0,2 bar en geldt een maximale snelheid van 100 km/u.
- Het motorvermogen neemt af naarmate u hoger in de bergen rijdt. Wij adviseren u de maximale belasting met 10% per 1000 meter stijging te verminderen.
MASSA'S (in kg)
Basisuitvoering zonder opties. Bepaalde gewichten kunnen per land verschillen door afwijkende meetvoorwaarden. Raadpleeg voor de exacte gegevens uw RENAULT-dealer.
| Break (diesel)(constructeursplaatje) | 2.2 dCi | |||
| Type van de auto(zie constructeursplaatje) | KG09 KG0F | KG11 | KG1NAutomatisch | |
| Massa leeg rijklaarBestuurder | TotaalVoorAchter | 1 500 1 495 1 525 1 530950 945 965 970550 550 560 560 | ||
| Max. toegelatenmassa per as | VoorAchter | 1 1901 110 | ||
| Max. toegelaten totale massa | 2 130 2 125 2 | 155 2 160 | ||
| Max. toegelaten aanhangwagenmassa ongeremd | 650 | |||
| Max. toegelaten aanhangwagenmassageremd (1) bestuurder alleen | 1 500 | 1 550 | 1 500 | |
| anders | 1 150 1 200 | 1 150 | ||
| Max. toegelaten treinmassa(= Maximum toegelaten totale massa+ aanhangwagen) | 3 250 | |||
| Max. kogeldruk op trekhaak | 75 | |||
| Max. dakbelasting | 80 (met inbegrip van de dragende delen) | |||
MASSA'S (vervolg)
(1) Trekken van een aanhangwagen (caravan, boot enz.)
- Respecteer de in het land toegelaten maximale massa's. Laat uw RENAULT-dealer een trekhaak monteren en de bedrading van de auto aanpassen. In geen geval mag de maximaal toegelaten treinmassa (auto + aanhangwagen) worden overschreden.
- Bij maximale belasting moet de bandenspanning worden verhoogd met 0,2 bar en geldt een maximale snelheid van 100 km/u.
- Het motorvermogen neemt af naarmate u hoger in de bergen rijdt. Wij adviseren u de maximale belasting met 10% per 1000 meter stijging te verminderen.
ONDERDELEN EN REPARATIES
Originele RENAULT onderdelen worden met de grootste zorg ontwikkeld en gecontroleerd. Zij voldoen dan ook aan dezelfde kwaliteitsnormen als de onderdelen die in de fabriek worden gebruikt.
Door het gebruik van originele RENAULT onderdelen houdt u de prestaties van uw RENAULT optimaal. Bovendien zijn reparaties die uitgevoerd zijn door een RENAULT-dealer met originele onderdelen gegarandeerd volgens de voorwaarden die achter op de reparatieopdracht staan.
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE
A aanhangergewicht 6.06 → 6.23
aansteker 3.35
aanvullende veiligheidsvoorzieningen:
achterin 1.34
voorin 1.29 →1.33
zijkant 1.35
ABS 2.27 - 2.28
accessoires 5.32
accessoiresaansluiting 3.32 - 3.33 - 3.41
accu 4.13, 5.27 →5.29
achterbank 3.36
achterruit (ontwasemen) 3.07 - 3.14
achterruit openen 3.38
achterstoelen 3.36
achteruitrijlichten 5.16 - 5.17
achteruitversnelling (inschakelen) 2.10
afscheidingsnet 3.43 - 3.44
afstellen vān de juiste zithouding 1.26
airbag 1.30 →1.36
airbag voorpassagier uitschakelen 1.46 - 1.47
airconditioning 3.04 →3.19
alarmknipperlichten 1.72
asbak 3.35
autogordels 1.26 →1.29
automatische transmissie (gebruik) ...... 2.37 →2.39
B bagage vervoeren:
afscheidingsnet 3.44 - 3.45
bagageruimte 3.37 →3.45
banden:
controlesysteem bandenspanning ..... 2.19 →2.22
lekke band 5.02 →5.05
spanning .... 0.04 - 0.05 - 2.19 →2.22 - 5.07
veiligheid 5.06 →5.08
bedieningsorganen 1.48 →1.51
bergruimtes 3.30 →3.34 - 3.40
bevestigingsringen laadruimte 3.42 - 3.43
binnenlichten 3.28 - 3.29 - 5.20 →5.24
boordcomputer 1.64 →1.67
brandstof: besparen 2.15 - 2.17
B brandstof:
peil 1.53 - 1.64 →1.67
soort 1.80 - 1.81
tanken 1.80
buitentemperatuurmeter 1.68
C caravan trekken 6.06 →6.23
extra schijnwerpers 5.14
F filters:
luchtfilter, interieurfilter 4.12
oliefilter 4.08
roetfilter 2.09
G gegevens van de motor 6.06
geïntegreerde bediening van handsfree telefoon ... 3.46
geluidssignaal snelheidsverklikker 1.53
gereedschap 5.03 - 5.33
gordelspanners voor 1.30 - 1.33
grootlichten 1.74 - 5.11 - 5.12
H handrem 2.11
hoedenplank 3.39
hoofdsteun 1.18 - 1.22
I identificatieplaatjes 6.02 - 6.03
in één oogopslag 0.02
infoscherm 1.58 →1.63
inhoud: brandstoftank 1.80 - 1.81
inrijden 2.02
instrumentenpaneel 1.52 →1.67
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE
K katalysator 2.07
kentekenverlichting 5.18 - 5.19
kinderen 1.04 - 1.11 - 1.33 - 1.37 →1.47
3.22 - 3.23 - 3.26
kinderveiligheid ..... 1.04 - 1.11 - 1.33 - 1.37 →1.47
3.21 - 3.22 - 3.26
kinderzitjes 1.37 →1.47
klokje 1.68
knipperlichten ...... 1.72 - 5.11 - 5.13 - 5.15 - 5.17
knop voor het starten/stoppen motor ..... 2.03 →2.06
koelvloeistof 4.09
koplampen (afstelling) 1.76
koplampen 5.10 →5.14
krík 5.03
L lak:
kleurnummer 6.02
onderhoud 4.14 - 4.15
lampen (vervangen) 5.10 →5.24
lampen 5.09 →5.24
leesspots 3.28 - 3.29
lekke band 5.02 →5.05
lichten:
achteruitrijlichten 5.16 - 5.17
alarmknipperlichten 1.72
dimlichtën 1.73 - 5.11 - 5.12
grootlichten 1.74 - 5.11 - 5.12
kentekenverlichting 5.18 - 5.19
knipperlichten ...... 1.72 - 5.11 - 5.13 - 5.15 - 5.17
koplämpen (afstelling) 1.76
markeringslichten ... 1.73 - 5.11 - 5.13 - 5.15 → 5.17
mistlicht 1.75 - 5.14 - 5.16 - - 5.17
remlichten 5.15 - 5.17 - 5.19
richtingaanwijzers ...... 1.72 - 5.11 - 5.13 - 5.15
5.17 - 5.19
luchtfilter, interieurfilter 4.12
luchtverontreiniging (tips) 2.15 - 2.17
luidsprekers (plaats) 5.31 - 5.32
M make-up spiegeltjes .... 3.25 markeringslichten ..... 1.73 - 5.11 - 5.13 - 5.15 → 5.17
M massa's 6.07 →6.23
maten 6.04 - 6.05
memory systeem bestuurdersstoel 1.25
meters:
instrumentenpaneel .... 1.52 →1.67
richtingaanwijzers .... 1.72
milieu 2.12
mistlicht 1.75 - 5.14 - 5.16 - 5.17
motor:
gegevens van de motor 6.06
knop voor het starten/stoppen motor .... 2.03 →2.06
motorkap 4.02 - 4.03
olie 4.08
starten van de motor 2.03 - 2.06
technische gegevens 6.02 →6.23
multimedia ultrusting 3.45
N noodsleutel .... 1.05 noodstopbekrachtiging: BAS .... 2.29
O olie: filter ..... 4.08 peilstaaf ..... 4.05 →4.07 verversen ..... 4.08 onderdelen ..... 6.24
onderhoud: bekleding .... 4.16 carrosserie .... 4.14 - 4.15 mechanische organen .... 4.04 →4.13
ontwasemen: achterruit .... 3.07 - 3.14 voorruit .... 3.07 - 3.15
opbergruimtes 3.30 →3.32
open dak 3.26 - 3.27
opkrikken (verwisselen van een wiel) 5.05
P parkeerhulp .... 2.36 parkeerrem .... 2.12 - 2.14 peilen .... 4.05 →4.13 peilstaaf motorolie .... 4.05 →4.07
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE
P portieren / achterklep ..... 1.10 → 1.15 - 3.37- 3.38
portiervergrendeling 1.02 →1.15
praktische tips 2.15 →2.17
R radio inbouwen 5.31 - 5.32
remlichten 5.15 - 5.17 - 5.19
remvloeistof 4.11
RENAULT card afstandsbediening:
batterijtje 5.30
gebruik' 1.02 →1.09
reservewiel 5.02
reservoir: brandstoftank (inhoud) 1.80
koelyloeistof 4.09
remvloeistof 4.11
ruitensproeiervloeistof 4.12
richtingaanwijzers 1.72 - 5.11 - 5.13 - 5.15 - 5.17 - 5.19
roetfilter 2.09
ruiten 3.20 →3.24
ruitensproeier 1.77 - 1.79 - 4.12
ruitenwisserbladen 5.36 - 5.35
ruitenwissers 1.77 →1.79
S selecteurhendel automatische transmissie 2.37 →2.39
sierdopsleutel 5.03
sleepogen 5.03 - 5.33 - 5.34
slepen (bij pech) 5.33 - 5.34
snélheidsafhankelijke stuurbekrachtiging ...... 2.10
snelheidsbegrenzer 2.30 →2.32
snelheidsregelaar 2.33 →2.35
snelheidsregelaar/begrenzer 2.30 →2.32
spiegels 1.70 - 1.71
starten van de motor 2.03 - 2.06
startschakelaar 2.03 - 2.06
startvergrendeling 1.15 - 1.16
stoelverwarming 1.23
storingen 5.37 →5.44
stuurbekrachtiging 2.10 - 4.10
stuurbekrachtigingspomp 4.10
stuurwiel (verstellen) 1.69
T tankdop 1.79 - 1.80
temperatuurregeling 3.11 →3.18
tractiecontrole(ASR) 2.25 - 2.26
trekken (caravan) 5.35
uitschakelen passagiersairbag voorin ...... 1.46 - 1.47
V veiligheid kinderen 1.37 →1.47
ventilatie 3.02 - 3.03 - 3.06 - 3.17
ventilatieroosters 3.02 - 3.03
verlichting 1.73 →1.75
verlichting:
binnenkant 3.28 - 3.29
buitenkant 1.73 →1.75
instrumentenpaneel 1.49 →1.51
versnellingshendel 2.10
verstellen voorstoelen 1.18 →1.25
vervangen van lampen 5.10 →5.24
verwarming 3.04 →3.19
verwisselen van een wiel 5.05
voorruit 3.24
voorstoelen verstellen: elektrische verstelling .... 1.24 - 1.25
niet elektrisch 1.23
Wwaarschuwingssignaal 1.10 - 1.74
wassen 4.14 - 4.15
wieldoppen 5.04
wielen: moersleutel .... 5.03 reservewiel .... 5.02 sierdopsleutel .... 5.03 verwisselen van een wiel .... 5.05
Z zekeringen 5.25 - 5.26
zijknipperlichten 5.19
zónneklep 3.25
zonnescherm 3.25
zuinig rijden 2.15 →2.17

CRÉATEUR D'AUTOMOBILES
Het instructieboekje — 82 00 512 369 — NU 706-2 — 01/2005 — Edition néerlandaise








































➔



















