JOG 50R (2005) - Scooter YAMAHA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis JOG 50R (2005) YAMAHA in PDF-formaat.
| Merk | Yamaha |
| Model | JOG 50R (2005) |
| Type product | Scooter |
| Motorinhoud | 49 cc |
| Motortype | 2-takt, luchtgekoeld |
| Brandstof | Mengsmering (1:50 olie/benzine) |
| Transmissie | Automatische V-snaar |
| Startsysteem | Kickstarter (en optioneel elektrisch) |
| Afmetingen (L x B x H) | ca. 1680 mm x 670 mm x 1030 mm |
| Gewicht | ca. 68 kg |
| Banden voor | 120/90-10 |
| Banden achter | 130/90-10 |
| Remmen voor | Schijfrem |
| Remmen achter | Trommelrem |
| Brandstoftankinhoud | 5,5 liter |
| Verlichting | 12V |
| Onderhoud | Regelmatig olie verversen, luchtfilter reinigen, bougie controleren |
| Veiligheid | Gebruik altijd helm, handgrepen en spiegels controleren |
| Reparatie | Originele Yamaha onderdelen gebruiken |
Veelgestelde vragen - JOG 50R (2005) YAMAHA
Gebruikersvragen over JOG 50R (2005) YAMAHA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Scooter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding JOG 50R (2005) - YAMAHA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. JOG 50R (2005) van het merk YAMAHA.
GEBRUIKSAANWIJZING JOG 50R (2005) YAMAHA
Welkom in de wereld van Yamaha rijders!
Als eigenaar van de CS50Z/CS50 profiteert u van Yamaha's ervaring en technische kennis in het ontwerpen en fabriceren van producten van topkwaliteit, waarmee Yamaha haar verdiende reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven. Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw CS50Z/CS50. Deze gebruikershandleiding geeft instructies over bediening, inspectie en onderhoud van de scooter, terwijl ook wordt beschreven hoe u uzelf en anderen persoonlijk letsel en schade kunt besparen.
De vele tips in deze handleiding helpen u bovendien om uw scooter in optimale conditie te houden. Als er tenslotte toch nog vragen zijn, aarzel dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.
Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe. En vergeet niet, veiligheid voor alles!
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU34110
Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:
| Het Safety Alert symbool betekent ATTENTIE! LET OP! HET GAAT OM UW VEILIG-HEID! | |
| Wanneer de instructies vermeld in een WAARSCHUWING niet worden opgevolgd, kan dit leiden tot ernstig of zelfs dodelijk letsel voor de bestuurder, omstanders of degene die de scooter inspecteert of repareert. | |
| LET OP De aanduiding LET OP geeft aan dat er speciale voorzorgsmaatregelen moeten worden getroffen om schade aan de scooter te voorkomen. | |
| OPMERKING: | De aanduiding OPMERKING staat bij belangrijke informatie die procedures kan verge-makkelijken of verhelderen. |
OPMERKING:
- Deze handleiding moet worden gezien als een permanent onderdeel van deze scooter en moet altijd bij de scooter blijven, ook als deze later wordt verkocht.
- Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan er soms sprake zijn van kleine verschillen tussen uw scooter en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recente productinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen heeft over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.
WAARSCHUWING
DWA12410
LEES DEZE HANDLEIDING AANDACHTIG HELEMAAL DOOR VOORDAT U DEZE SCOOTER GAAT GEBRUIKEN.
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAUS1171
CS50Z/CS50
HANDLEIDING
©2005 door YAMAHA MOTOR ESPAÑA S.A.
1e uitgave, September 2005
Alle rechten voorbehouden.
Elke vorm van herdruk of onbevoegd gebruik
zonder schriftelijke toestemming van
is uitdrukkelijk verboden.
Gedrukt in Spanje.
INHOUDSOPGAVE
VEILIGHEIDSINFORMATIE ....1-1
BESCHRIJVING 2-1
Aanzicht linkerzijde 2-1
Aanzicht rechterzijde ......2-2
Bedieningen en instrumenten......2-3
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN
BEDIENINGEN 3-1
Contactslot/stuurslot 3-1
Controlelampjes....3-1
Snelheidsmeterunit 3-2
Brandstofniveaumeter ....3-3
Klok....3-3
Stuurschakelaars 3-3
Voorremhendel....3-4
Achterremhendel 3-4
Tankdop en dop van het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering....3-4
Brandstof 3-5
2-takt injectiesmering 3-5
Kickstarter....3-6
Zadel 3-6
Opbergcompatiment....3-6
CONTROLES VOOR HET STARTEN .4-1
Controlelijst voor gebruik......4-2
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-
INFORMATIE ....5-1
Starten van een koude motor......5-1
Wegrijden 5-1
Sneller en langzamer rijden ....5-2
Remmen 5-2
Inrijperiode 5-2
Parkeren....5-2
PERIODIEK ONDERHOUD EN
KLEINERE REPARATIES....6-1
Periodiek smeer- en onderhoudsschema....6-2
Controleren van de bougie ....6-5
Versnellingsbakolie 6-6
Koelvloeistof (alleen voor vloeistofgekoelde modellen)......6-6
Reinigen van het luchtfilterelement ..6-8
Vrije slag van remhendel afstellen ..6-11
Vrije slag van achterremhendel afstellen 6-11
Controleren van voorremblokken en achterremschoenen....6-12
Controleren van remvloeistofniveau voorrem 6-13
Verversen van remvloeistof......6-13
Controleren en smeren van kabels.6-13
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel....6-14
Afstellen van de Autolube pomp ....6-14
Smeren van voor- en achterremhendels....6-14
Controleren en smeren van de middenbok 6-14
Voorvork controleren 6-15
Controle van stuursysteem......6-15
Controleren van wiellagers .....6-15
Vervangen van de koplampgloeilamp of gloeilamp vande voorste richtingaanwijzer..6-16
Een richtingaanwijzergloeilamp of de gloeilamp in remlicht/achterlicht vervangen....6-16
Gloeilamp in kentekenverlichting vervangen....6-17
Accu....6-17
Zekering vervangen 6-18
Problemen oplossen....6-19
Storingzoekschema 6-20
VERZORGING EN STALLING VAN DE
SCOOTER....7-1
Verzorging 7-1
Stalling 7-3
SPECIFICATIES....8-1
GEBRUIKERSINFORMATIE .....9-1
Identificatienummers....9-1

VEILIGHEIDSINFORMATIE
DAUT1010
SCOOTERS ZIJN TWEEWIELIGE VOERTUIGEN. HUN VEILIG GEBRUIK EN WERKING ZIJN AFHANKELIJK VAN JUISTE RIJ- TECHNIEKEN EN VAN DE DESKUN- DIGHEID VAN DE BESTUURDER. ELKE BESTUURDER MOET BEKEND ZIJN MET DE VOLGENDE VEREIS- TEN ALVORENS MET DEZE SCOO- TER TE GAAN RIJDEN. HIJ OF ZIJ MOET:
- DOOR EEN COMPETENTE INFORMATIEBRON GRONDIG ZIJN INGELICHT OVER ALLE ASPECTEN VAN SCOOTERRIJDEN.
- ZICH HOUDEN AAN DE WAARS-CHUWINGEN EN ONDERHOUDSEISEN VERMELD IN HET INSTRUCTIEBOEKJE VOOR DE EIGENAAR.
- GRONDIG GETRAIND ZIJN IN VEILIGE EN CORRECTE RIJ-TECHNIEKEN.
- GEBRUIK MAKEN VAN PROFES-SIONELE TECHNISCHE SERVICE, ZOALS AANGEGEVEN IN HET INSTRUCTIEBOEKJE EN/OF
WANNEER DE MECHANISCHE CONDITIES DIT VEREISEN.
Veilig rijden
- Controleer de machine altijd voor u gaat rijden. Een zorgvuldige controle kan een ongeval helpen voorkomen.
- Deze scooter is gebouwd voor het vervoer van de bestuurder plus een passagier.
OPMERKING:
Hoewel deze scooter is gebouwd voor het vervoeren van de bestuurder en een passagier, dient u altijd de lokale wet- en regelgeving na te leven.
- Het niet opmerken en herkennen van scooters door andere weggebruikers vormt de belangrijkste oorzaak van auto/scooter ongevallen. Vaak worden ongevallen veroorzaakt doordat een autobestuurder de scooter niet heeft gezien. Zorg dat u opvalt, dat blijkt het meest effectief om het risico op een dergelijk type ongeval te verminderen.
Dus:
- Draag een jack in felle kleuren.
- Wees extra voorzichtig bij het naderen en passeren van krui-singen, daar doen ongelukken met scooters zich namelijk het meest voor.
-
Ga daar rijden waar andere weggebruikers u kunnen zien. Ga niet rijden in de dode zichthoek van een andere weggebruiker.
-
Bij veel ongevallen zijn onervaren bestuurders betrokken. Vaak waren bij een ongeval betrokken bestuurders zelfs niet in het bezit van een geldig rijbewijs.
- Zorg dat u bekwaam bent om te rijden en leen uw machine alleen uit aan ervaren scooterrijders.
- Weet wat u wel en niet aankunt. Door rekening te houden met uw beperkingen helpt u ongelukken voorkomen.
-
We raden aan om het scooterrijden te oefenen op plekken waar geen verkeer is, totdat u grondig bekend bent met de scooter en zijn bediening.
-
Ongelukken worden vaak veroorzaakt door een fout van de scooterbestuurder. Veel bestuurders houden bij het ingaan van een bocht een TE HOGE RIJSNELHEID aan of rijden te lang rechtop (onvoldoende schuinleggen bij de bewuste rijsnelheid), zodat de bocht dan te wijd wordt genomen.
- Neem altijd de maximum snelheid in acht en rijd nooit sneller dan de wegcondities en het verkeer toestaan.
- Geef altijd richting aan voordat u afslaat of van rijstrook wisselt. Zorg dat andere weggebruikers u kunnen zien.
- De zithouding van de bestuurder en de passagier is belangrijk voor een goede besturing.
- De bestuurder moet tijdens het rijden beide handen aan het stuur houden en beide voeten op de voetplaat, om zo de macht over het stuur te behouden.
- De passagier hoort steeds de bestuurder, de zadelband of de handgreep, indien aanwezig,
met beide handen vast te houden en beide voeten op de passagiersvoetsteunen te houden.
- een nooit een passagier mee die niet in staat is om beide voeten stevig op de passagiersvoetsteunen te zetten.
- Rijd nooit onder invloed van alcohol of andere drugs.
- Deze scooter is uitsluitend ontworpen voor gebruik op verharde wegen. De machine is niet bedoeld voor off-road gebruik.
Beschermende kleding
Scooterongelukken met dodelijke afloop betreffen meestal hoofdletsel. Het dragen van een helm is de belangrijkste factor bij het voorkomen of reduceren van hoofdletsel.
- Draag altijd een goedgekeurde helm.
- Draag ook een gezichtskap of een veiligheidsbril. De rijwind in uw niet-afgeschermde ogen kan het zicht verslechteren, zodat u gevaren te laat zou opmerken.
- Door een jack, stevige schoenen, een lange broek, handschoenen e.d. te dragen verkleint u de kans
op schaafwonden of ontvellingen.
- Draag nooit loszittende kleding, deze kan blijven haken aan schakelhandgrepen of door de wielen worden gegrepen en zo een ongeval of letsel veroorzaken.
- Raak nooit de motor of het uitlaatsysteem aan terwijl de motor draait. Deze onderdelen worden zeer heet en kunnen zo brandwonden veroorzaken. Draag altijd beschermende kleding die uw benen, enkels en voeten bedekt.
- De hierboven vermelde voorzorgsmaatregelen gelden ook voor passagiers.
Technische wijzigingen
Door het aanbrengen van technische wijzigingen die niet door Yamaha zijn goedgekeurd, of door originele onderdelen te verwijderen, kan deze scooter onveilig worden in het gebruik en ernstig persoonlijk letsel veroorzaken. Door dergelijke wijzigingen kan het gebruik van uw scooter ook onwettig worden.
Het monteren van accessoires of het

VEILIGHEIDSINFORMATIE
vervoer van bagage kan een negatief effect hebben op de rijstabiliteit en het weggedrag als hierdoor de gewichts-verdeling van de scooter verandert.
Wees uiterst voorzichtig bij het monteren van accessoires of het beladen van uw scooter, om zo mogelijke ongevallen te vermijden. Pas extra op wanneer u op een scooter rijdt die beladen is of waaraan accessoires zijn gemonteerd. Hier volgen enkele algemene richtlijnen bij het beladen van de scooter of het monteren van accessoires:
Beladen
Het totale gewicht van de bestuurder, passagier, accessoires en bagage mag de maximale gewichtlimiet van CS50Z 158 kg (348,39lb), CS50 161 kg (355lb) niet overschrijden. Let op het volgende wanneer u tot deze gewichtslimiet belaadt:
- Het zwaartepunt van bagage en accessoires moet zo laag mogelijk liggen en zo dicht mogelijk nabij de scooter. Zorg dat het gewicht zo gelijkmatig mogelijk aan beide zijden van de scooter wordt verdeeld, om zo onbalans of instabiliteit te beperken.
- Als gewicht gaat schuiven kan zich een plotselinge onbalans voordoen. Controleer voordat u gaat rijden of accessoires en bagage stevig aan de scooter zijn bevestigd. Controleer de bevestigingspunten voor accessoires en bagage regelmatig.
- Bevestig nooit omvangrijke of zware goederen aan het stuur, de voorvork of het voorwielspatbord. Dergelijke items kunnen een instabiel weggedrag of een te trage reactie op het stuur veroorzaken.
Accessoires
Originele Yamaha accessoires werden speciaal ontworpen voor montage aan deze scooter. Yamaha is niet in staat om alle overige leverbare accessoires te testen. U bent dus zelf verantwoordelijk voor de juiste keuze, installatie en gebruik van niet-Yamaha accessoires. Wees zorgvuldig bij de keuze en installatie van accessoires. Volg bij de montage van accessoires de onderstaande richtlijnen en die vermeld onder het kopje "Beladen".
• Monteer nooit accessoires en
vervoer nooit bagage als deze een nadelige invloed hebben op de prestaties van uw scooter. Inspecteer het accessoire zorgvuldig alvorens het te gebruiken, om zeker te zijn dat het de grondspeling of de hellinghoek op geen enkele manier vermindert, de veerweg, de stuuruitslag of de bediening beperkt of lampen of reflectors afdekt.
- Accessoires die aan of nabij het stuur of de voorvork zijn gemonteerd zullen mogelijk instabiliteit veroorzaken door een foutieve gewichtsverdeling of door aârodynamische effecten. Accessoires aan het stuur of nabij de voorvork moeten zo licht mogelijk zijn en tot een minimum worden beperkt.
- Omvangrijke accessoires kunnen door hun aârodynamisch effect van invloed zijn op de rijstabiliteit van de scooter. De scooter kan door rijwind worden opgetild of bij zijwind instabiel worden. Zulke accessoires kunnen ook instabiliteit
veroorzaken terwijl u grote voertuigen inhaalt of door deze wordt ingehaald.
- Sommige accessoires noodzaken de bestuurder om een andere dan de normale zitpositie in te nemen. Zo'n verkeerde zitpositie beperkt de bewegingsvrijheid van de bestuurder en kan een comfortabele bediening hinderen, zodat we dergelijke accessoires sterk afraden.
- Wees voorzichtig bij het aanbren-gen van elektrische accessoires. Als elektrische accessoires de capaciteit van het elektrisch systeem van de scooter te boven gaan, kan zich een gevaarlijke elektrische storing voordoen waardoor de verlichting of de motor uitvalt.
Benzine en uitlaatgassen
• BENZINE IS ZEER GEMAKKE-LIJK ONTVLAMBAAR:
- Zet de motor altijd af als u benzine tankt.
- Pas op en mors tijdens het tanken geen benzine op de motor of op het uitlaatsysteem.
- Tank niet terwijl u rookt of in de nabijheid bent van open vuur.
- Start de motor nooit in een afgesloten ruimte en laat hem dan niet draaien. De uitlaatgassen zijn gif-tig en kunnen al heel snel bewus-teloosheid of dodelijk letsel vero-orzaken. Start de motor alleen in de open lucht of in een ruimte die voldoende ventilatie heeft.
- Zet de motor altijd uit voordat u de scooter onbeheerd achterlaat en neem de sleutel uit het contactslot. Let op het volgende als u de scooter gaat parkeren:
- De motor en het uitlaatsysteem kunnen heet zijn, dus parkeer de scooter op een plek waar voetgangers of kinderen hiervan geen hinder hebben.
- arkeer de scooter niet op een helling of op een zachte ondergrond, om omvallen te voorkomen.
- Parkeer de scooter niet nabij een brandend toestel(bijv. een petroleumkachel) of bij open vuur, hij zou zo vlam kunnen vatten.
- Roep onmiddellijk medische hulp in nadat u benzine heeft ingeslikt, veel benzinedamp heeft ingea- demd of benzine in uw ogen is terecht gekomen. Morst u benzi- ne op uw huid of kleding, spoel de bewuste plek dan direct met zeepwater en trek andere kleding aan.
Aanzicht linkerzijde
DAU10410

- Koplamp (bladzijde6-16)
- Richtingaanwijzer voor (bladzijde 6-16)
- Zadel (bladzijde 3-6)
-
Steunbeugel
-
Richtingaanwijzer achter links (bladzijde 6-16)
- Starthendel (bladzijde 3-6)
- Luchtfilter (bladzijde 6-8)
- Middenbok (bladzijde 6-14)
Aanzicht rechterzijde
DAU10420

-
Wiel (voor) (bladzijde 6-9)
-
Richtingaanwijzer achter rechts (bladzijde 6-16)
-
Achterlicht (bladzijde 6-16)
-
Benzinetank (bladzijde 3-4)
-
Helmopbergruimte (bladzijde 3-6)
-
Accu (bladzijde 6-17)
-
Wiel (achter) (bladzijde 6-9)
-
Koelvloeistofreservoir (bladzijde 6-7)
Bedieningen en instrumenten
DAU10430


- Achterremhendel (bladzijde 6-11)
- Dimlichtschakelaars (bladzijde 3-3)
- Snelheidsmeter (bladzijde 3-2)
- Controlelampje richtingaanwijzers (bladzijde 3-1)
- Controlelampje grootlicht (bladzijde 3-1)
- Oliepeilcontrolelampje (bladzijde 3-1)
- Controlelampje koelvloeistoftemperatuur (bladzijde 3-1)
-
Knop "TRIP" (bladzijde 3-2)
-
Brandstofmeter (bladzijde 3-3)
- Voorremhendel (bladzijde 3-4)
- Rechter stuurschakelaar (bladzijde 3-3)
- Richtingaanwijzerschakelaar (bladzijde 3-3)
- Claxonschakelaar (bladzijde 3-3)
- Contactslot (bladzijde 3-1)
- Peilglas voor het Koelvloeistof Niveau (bladzijde 6-7)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU10460
DAU10670
DWA10060
Contactslot/stuurslot

Via het contactslot/stuurslot worden het ontstekingssysteem en de verlichtingssystemen bediend en wordt het stuur vergrendeld. De diverse standen worden hierna beschreven.
DAU10630
AAN
Alle elektrische systemen komen onder stroom en de motor kan worden gestart. De sleutel kan niet worden uitgenomen.
DAU10660
OFF
Alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
Het waarschuwingslampje 2-takt injectiesmering moet gaan branden. (Zie pagina 3-2.)
DAU10680
LOCK
Het stuur is vergrendeld en alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen. Om het stuur te vergrendelen
- Draai het stuur helemaal naar links.
- Druk de sleutel in de "OFF"-stand in en draai hem dan naar de "LOCK"-stand. Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
- Neem de sleutel uit.
Om het stuur te ontgrendelen
Druk de sleutel in en draai hem dan naar "OFF" terwijl de sleutel ingedrukt wordt gehouden.
WAARSCHUWING
Draai de contactsleutel nooit naar "OFF" of naar "LOCK" terwijl de machine rijdt; elektrische systemen worden dan afgeschakeld en mogelijk zult u zo de macht over het stuur verliezen of een ongeval veroorzaken. Zorg altijd dat de machine stilstaat voordat u de sleutel naar "OFF" of naar "LOCK" draait.
DAU10980
Controlelampjes

- Controlelampjes richtingaanwijzers "♦♦"
- Controlelampje groot licht "ID"
- Oliepeilcontrolelampje "☐"
- Controlampje Koelvloeistoftemperatuur "↓"
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU11030
DCA11570
DAUM1090
Controlelampjes
richtingaanwijzers “♦” en “♦”
Het bijbehorende controlelampje knippert terwijl de schakelaar voor richtingaanwijzers naar de linker- of rechterstand is gedrukt.
DAU11080
Controlelampje grootlicht "≡D"
Dit controlelampje brandt terwijl de koplamp is ingeschakeld voor grootlicht.
DAU11130
Waarschuwingslampje 2-takt injectiesmering “☐”
Dit waarschuwingslampje gaat branden als het niveau voor 2-takt injectiesmering laag is.
Het elektrisch circuit van het waarschu- wingslampje kan volgens de volgende procedure worden gecontroleerd.
- Draai de sleutel naar "ON".
- Schakel de versnellingsbak in de vrijstand.
- Als het waarschuwingslampje niet gaat branden, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te testen.
LET OP
Gebruik de motorfiets alleen als u weet dat het 2-takt motorolieniveau voldoende hoog is.
OPMERKING:
Bij een voldoende hoog olieniveau voor 2-takt injectiesmering kan het waarschuwingslampje soms toch knipperen bij rijden op een helling of bij plotseling afremmen of optrekken, er is dan echter geen sprake van een storing.
DAU11430
Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur “⊥”
Dit waarschuwingslampje gaat branden als de motor oververhit raakt. Zet in zo'n geval de motor onmiddellijk af en geef deze de tijd om af te koelen.
DCA10020
LET OP
Laat de motor niet draaien terwijl deze oververhit is.
Snelheidsmeterunit

- Snelheidsmeter
- Brandstofmeter
- Klok
- Kilometerteller (TOTAL/TRIP)
- Knop TRIP
De snelheidsmeterunit is voorzien van een snelheidsmeter, een kilometerteller en een ritteller. De snelheidsmeter toont de actuele rijsnelheid. De kilometerteller toont de totale afgelegde afstand. De ritteller toont de afstand afgelegd sinds de teller het laatst werd teruggesteld op nul.
Door indrukken van de terugstelknop wisselt de weergave tussen kilometer-tellerweergave "TOTAL"- en ritteller-weergave "TRIP". Om de ritteller terug
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
te stellen activeert u de de "TRIP"-weergave en houdt u de terugstelknop minstens 2 seconden ingedrukt.
De ritteller kan samen met de brands-tofniveaumeter worden gebruikt om de afstand te schatten die met een volle brandstoftank kan worden afgelegd. Deze informatie stelt u in staat de volgende tankstops te plannen.
DAU12140
Brandstofniveaumeter
De brandstofniveaumeter geeft aan hoeveel brandstof in de tank aanwezig is. De naald beweegt naar "E" (Empty) naarmate het brandstofniveau daalt. Vul zo snel mogelijk brands-tof bij als de naald bij "E" staat.
OPMERKING:
Voorkom dat de brandstoftank geheel droog komt te staan.
DAUS1010
Klok
Om de klok op tijd te zetten
-
Draai de sleutel naar "○".
-
Stel het kilometerteller/ritteller display in op "TOTAL" door de "SET"-toets in te drukken.
- Houd de "SET"-toets minstens twee seconden ingedrukt.
- Zodra de urenaanduiding begint te knipperen, drukt u op de "SET"-toets om de uren in te stellen.
- Houd de "SET"-toets opnieuw minstens twee seconden ingedrukt en de minutenaanduiding begint te knipperen.
- Druk op de "SET"-toets om de minuten in te stellen.
- Houd de "SET"-toets minstens twee seconden ingedrukt om de klok in te schakelen en terug te gaan naar de kilometerteller/ritte-ller.
OPMERKING:
De klok wordt alleen getoond als de sleutel in de “○”-stand staat.
DAU12343
Stuurschakelaars

- Claxonschakelaar
- Richtingaanwijzerschakelaar
- Dimlichtschakelaar
DAU12400
Dimlichtschakelaar "≡D/≡D"
Zet deze schakelaar op “≡D” voor grootlicht en op “≡D” voor dimlicht.
DAU12440
Richtingaanwijzerschakelaar "TURN"
Druk deze schakelaar naar rechts om afslaan naar rechts aan te geven. Druk deze schakelaar naar links om afslaan naar links aan te geven. Na loslaten keert de schakelaar terug naar de middenstand. Om de richtingaanwijzers uit te schakelen wordt de schakelaar ingedrukt nadat hij is teruggekeerd in de middenstand.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12500
Claxonschakelaar "→"
Druk deze schakelaar in om een cla- xonsignaal te geven.
DAUM1131
Startknop “③”

Druk op deze knop terwijl u de voor- of achterrem bekrachtigt om de motor te starten met de startmotor.
DCA10050
LET OP
Zie pagina 5-1 voor startinstructies voordat u de motor start.
DAU12900
Voorremhendel

De voorremhendel bevindt zich aan de rechterstuurgreep. Trek deze hendel naar het stuur toe om de voorrem te bekrachtigen.
DAU12950
Achterremhendel

De achterremhendel bevindt zich aan de linkerstuurgreep. Trek deze hendel naar het stuur toe om de achterrem te bekrachtigen.
DAU13200
Tankdop en dop van het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering

De tankdop en de dop van het oliere-servoir voor 2-takt injectiesmering bevinden zich onder het zadel. (Zie pagina 3-6.)
Tankdop
Om de tankdop te verwijderen wordt deze linksom gedraaid en dan losgenomen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Om de tankdop aan te brengen wordt deze rechtsom gedraaid.
Dop oliereservoir voor 2-takt injectiesmering
De dop van het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering wordt los getrokken om te verwijderen.
Om de dop van het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering aan te brengen wordt deze vast gedrukt in de reservoiropening.
DWA10140
WAARSCHUWING
Controleer alvorens te gaan rijden of de tankdop en de dop van het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering correct zijn aangebracht.
DAU13220
Brandstof

- De vulpijp
- Het brandstofpeil
Controleer of voldoende brandstof in de brandstoftank aanwezig is. Steek om te tanken het mondstuk van de pompslang in de vulopening van de brandstoftank en vul tot onderaan de vulpijp, zoals getoond in de afbeelding.
DWA10860
! WAARSCHUWING
- Overvul de brandstoftank niet, anders zal benzine uitstromen zodra deze warm wordt en uitzet.
- Mors geen brandstof op een heet motorblok.
DCA10070
LET OP
Veeg gemorste brandstof direct af met een schone, droge en zachte doek, de brandstof kan immers schade toebrengen aan de lak of aan kunststof onderdelen.
DAU13270
Voorgeschreven brandstof:
UITSLUITEND NORMALE LOODV- RIJE BENZINE
Inhoud brandstoftank:
5,5 L (1,21 US gal) (4,8 Imp.gal)
Brandstofreserve:
1,9 L (0,42 US gal) (1,67 Imp.gal)
Uw Yamaha motorblok is gebouwd op het gebruik van normale loodvrije benzine met een octaangetal van RON 91 of hoger. Als de motor gaat detoneren (pingelen), gebruik dan benzine van een ander merk of gebruik loodvrije superbenzine. Door loodvrije benzine te gebruiken gaan bougies langer mee en blijven de onderhoudskosten beperkt.
DAU13460
2-takt injectiesmering
Controleer of voldoende olie aanwezig is in het reservoir voor 2-takt injectiesmering. Vul indien nodig de voorgeschreven 2-takt injectiesmering bij.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
OPMERKING:
Controleer of de dop op het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering correct is aangebracht.
Aanbevolen olie:
Yamalube 2 of gelijkwaardige 2-takt injectiesmeerolie (JASO grade "FC" of ISO grades "EG-C" of "EG-D")
Oliehoeveelheid:
1,4 L (0,31 US qt) (1,23 Imp.qt)
DAUS1050
Kickstarter

Trap om de motor te starten het kickstartpedaal licht omlaag totdat de tandwielen aangrijpen en trap het pedaal dan soepel maar krachtig omlaag.
Zadel

Openen van het zadel
- Zet de scooter op de middenbok.
- Steek de sleutel in het contacts- lot en draai hem dan linksom.
OPMERKING:
Druk de sleutel niet in terwijl u deze draait.
- Klap het zadel omhoog.
Sluiten van het zadel.
- Klap het zadel omlaag en druk dan aan om te vergrendelen.
- Neem de sleutel uit het contacts- lot als de scooter onbeheerd wordt achtergelaten.
DAU13931
OPMERKING:
Controleer of het zadel stevig is vergrendeld alvorens te gaan rijden.
DAU14510
Opbergcompatiment

- Opbergcompatiment
Onder het zadel is een opbergcom- partiment aanwezig. (Zie pagina 3-6.)
DWA10960
WAARSCHUWING
- Overschrijd het maximumlaadgewicht van 3,5 kg voor het opbergcompartiment niet.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
- Overschrijd het maximumlaadgewicht van 158 kg (CS50Z), 161 kg (CS50) voor de machine niet.
DCA10080
LET OP
Let op het volgende bij het gebruik van het opbergcompartiment.
- Het opbergcompartiment wordt snel warmer als het is blootgesteld aan direct zonlicht, bewaar hierin dus geen goederen die slecht tegen warmte kunnen.
- Wikkel natte voorwerpen in een plastic zak, om zo vochtig worden van het opbergcompartiment te voorkomen.
- Het opbergcompartiment kan nat worden als de scooter wordt gewassen, omwikkel te bewaren voorwerpen dus in een plastic zak.
- Bewaar geen waardevolle of breekbare voorwerpen in het opbergcompartiment.
Om een helm op te bergen in het opbergcompartiment, moet de helm omgekeerd geplaatst worden en met de voorkant naar voren toe.
OPMERKING:
- Sommige helmen kunnen vanwege hun grootte of vorm niet worden weggeborgen in het opberg-compartment.
- Laat uw scooter niet onbeheerd achter met het zadel open.
CONTROLES VOOR HET STARTEN
DAU15591
De eigenaar is verantwoordelijk voor de conditie van zijn voertuig. Vitale onderdelen kunnen bijvoorbeeld bij blootstelling aan weer en wind vrij snel en onverwachts achteruitgaan, ook als de machine niet wordt gebruikt. Eventuele schade, vloeisto-flekkage of het wegvallen van de bandspanning kan ernstige gevolgen hebben. Het is daarom van belang om voorafgaand aan elke rit een visuele inspectie uit te voeren en bovendien de volgende punten te controleren.
OPMERKING:
Voordat de machine wordt gebruikt moet telkens een korte algemene controle worden uitgevoerd. Zo'n inspectie neemt maar weinig tijd in beslag en de hiermee gegarandeerde veiligheid is die tijd alleszins waard.
DWA11150
! WAARSCHUWING
Als een onderdeel uit de Controle- lijst voor gebruik niet naar behoren werkt, laat het dan controleren en repareren alvorens de machine te gebruiken.
Controlelijst voor gebruik
DAU15603
| ITEM CONTROLES | PAGINA | |
| Brandstof Vul indien nodig brandstof bij. 3-3, 3-4Controleer de brandstofleiding op lekkage. | ||
| 2-takt injectiesmering | • Controleer het olieniveau in het oliereservoir.• Vul indien nodig het aanbevolen type olie bij tot aan het voorgeschreven niveau.• Controleer de machine op olielekkage. | 3-4, 3-5 |
| Versnellingsbakolie | • Controleer het olieniveau in het versnellingsbakhuis.• Vul indien nodig het aanbevolen type olie bij tot aan het voorgeschreven niveau. | 6-6 |
| Voorrem • Vervang indien nodig. | • Controleer de werking.• Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.• Controleer de remblokken op slijtage.3-4, 6-11, 6-12, 6-13• Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.• Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.• Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | |
| Achterrem | • Controleer de werking.• Smeer indien nodig de kabel.• Controleer de vrije slag van de koppelingshendel.• Stel indien nodig bij. | 3-4, 6-11, 6-12 |
| Gasgreep | • Controleer of de werking soepel is.• Controleer de vrije slag van de kabel.• Vraag indien nodig de Yamaha dealer om de vrije slag van de kabel af te stellen, en de kabel en het kabelhuis te smeren. | 6-9, 6-14 |
| Wielen en banden | • Controleer op schade.• Controleer de conditie van de band en de profieldiepte.• Controleer de bandspanning.• Corrigeer indien nodig. | 6-9, 6-15 |
| Remhendels | • Controleer of de werking soepel is.• Smeer indien nodig de hendelscharnierpunten. | 3-4, 6-11, 6-14 |
CONTROLES VOOR HET STARTEN
| ITEM CONTROLES | PAGINA | |
| Middenbok | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig het scharnierpunt. | 6-14 |
| Framebevestigingen | Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet.Zet indien nodig vast. | — |
| Instrumenten, verlichting, signaleringssysteem en schakelaars | Controleer de werking. | — |
| Koelvloeistof | Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig de aanbevolen koelvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer het koelsysteem op lekkage. | 6-6, 6-7 |
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU15980
DWA10870
WAARSCHUWING
- Zorg dat u volkomen vertrouwd bent met alle bedieningsfuncties en hun werking voordat u gaat rijden. Informeer bij een Yamaha dealer als u de werking van een schakelaar of functie niet volkomen begrijpt.
- Start de motor nooit in een afgesloten ruimte en laat deze hierin ook niet lange tijd aaneen draaien. Uitlaatgassen zijn giftig en het inademen ervan kan al binnen korte tijd leiden tot bewusteloosheid en dode- lijk letsel. Controleer altijd of er voldoende ventilatie is.
- Start de motor om veiligheidsredenen te allen tijde met de middenbok naar beneden.
DAU16560
Starten van een koude motor
DCA10250
LET OP
Zie pagina 5-2 voor instructies over het inrijden van de motor alvorens de machine in gebruik wordt geno- men.
- Draai de sleutel naar “*” en draai naar “ON” zodra het waarschu-wingslampje olieniveau gaat branden.
DCA10240
LET OP
Als het waarschuwingslampje voor olieniveau niet gaat branden, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te testen.
- Sluit de gasklep volledig.
- Start de motor door de startknop in te drukken of het kickstarter-pedaal omlaag te trappen terwijl tegelijkertijd de voor- of achterrem is bekrachtigd.
OPMERKING:
Als de motor na indrukken van de startknop niet wil starten, laat dan de startknop los, wacht een paar secon- den en probeer het dan opnieuw. ledere startpoging moet zo kort mogelijk duren om de accu te sparen. Laat de startmotor nooit langer dan 5 seconden aaaneen draaien. Probeer de kickstarter als de motor niet via de startmotor wil aanslaan.
DCA11040
LET OP
Trek nooit snel op terwijl de motor nog koud is, dit verkort de levensduur van de motor!
DAU16760
Wegrijden
OPMERKING:
Laat de motor warmdraaien voordat u wegrijdt.
- Houd met uw linkerhand de achterremhendel ingedrukt, houd met uw rechterhand de rechterhandgreep vast en duw de scooter van de middenbok af.
- Ga schrijlings op het zadel zitten en stel de achteruitkijkspiegels af.
- Zet de richtingaanwijzer aan.
- Controleer op tegemoetkomend verkeer en draai voorzichtig aan de gasgreep (rechts) om weg te rijden.
- Schakel de richtingaanwijzer uit.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16780
Sneller en langzamer rijden
De rijsnelheid wordt geregeld door de gasgreep open of dicht te draaien. Draai de gasgreep richting (a) om sneller te gaan rijden. Draai de gasgreep richting (b) om langzamer te gaan rijden.
DAU16791
Remmen
- Sluit de gasklep volledig.
- Knijp de voor- en achterremmen gelijktijdig in en oefen geleidelijk meer druk uit.
DWA10300
WAARSCHUWING
- Vermijd hard en abrupt remmen (met name wanneer u naar één kant overhelt). De scooter zou namelijk kunnen slippen of omvallen.
-
Spoorwegovergangen, tramrails, ijzeren platen gebruikt in de wegenbouw en putdeksels worden in natte toestand zeer glad. U dient deze obstakels daarom met aangepaste snelheid te naderen en voorzichtig te passeren.
-
Onthoud dat remmen op een nat wegdek veel moeilijker is.
- Rijd langzaam heuvelafwaarts, remmen kan tijdens afdalingen soms lastig zijn.
DAU16830
Inrijperiode
De belangrijkste periode in de levensduur van het motorblok is de tijd tussen 0 en 1000 km (600 mi). Lees daarom de volgende informatie aandachtig door.
Omdat het motorblok gloednieuw is, mag dit gedurende de eerste 1000 km (600 mi) niet te zwaar worden belast. De verschillende onderdelen van de motor slijten op elkaar in totdat de juiste bedrijfsspelingen zijn bereikt. Rijd tijdens deze periode nooit langdurig volgas en vermijd ook andere manoeuvres die tot oververhitting van de motor kunnen leiden.
DAUT1110
0\~150 km (0\~90 mi)
Draai de gasgreep niet tot voorbij 1/3 open. Zet de motor steeds af nadat deze een uur heeft gedraaid en laat
dan gedurende 5 tot 10 minuten afkoelen. Varieer de rijsnelheid van de scooter zo nu en dan. Verander de stand van de gasgreep regelmatig. 150\~500 km (90\~300 mi)
Houd de gasgreep niet langdurig voorbij halverwege opengedraaid.
500\~1000 km (300\~600 mi)
Houd geen kruissnelheid aan waarbij de gasgreep voorbij driekwart is opengedraaid.
DCAT1010
LET OP
Nadat de eerste 1000 km (600 mi) zijn afgelegd moet de cardanolie worden ververst.
1000 km (600 mi) en verder
Laat de motor niet langdurig volgas draaien. Varieer het toerental zo nu en dan.
DAU17200
Parkeren
Zet om te parkeren de motor af en neem dan de sleutel uit het contactslot.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DWA10310
WAARSCHUWING
- De motor en het uitlaatsysteem kunnen zeer heet worden, parkeer dus op een plek waar voetgangers of kinderen niet gemakkelijk met deze onderdelen in aanraking kunnen komen.
- Parkeer niet op een helling of op een zachte ondergrond, de machine zou dan kunnen omvallen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU17280
De eigenaar is verplicht de optimale veiligheid te waarborgen. Door periodiek inspecties, afstellingen en smeerbeurten uit te laten voeren, zorgt u ervoor dat uw machine in zo veilig en efficiânt mogelijke conditie blijft. Op de volgende pagina's wordt de belangrijkste informatie met betrekking tot inspecties, afstellingen en smeerbeurten gegeven.
De intervalperioden vermeld in het periodiek smeer- en onderhoudsschema moeten worden beschouwd als een algemene richtlijn onder normale rijcondities Het is echter mogelijk dat de INTERVALPERIODEN VOOR ONDERHOUD MOETEN WORDEN VERKORT AFHANKELIJK VAN HET WEER, HET TERREIN, DE GEOGRAFISCHE LOCATIE EN INDIVIDUEEL GEBRUIK.
DWA10320
WAARSCHUWING
Vraag een Yamaha dealer het onderhoudswerk uit te voeren als u hiermee niet echt vertrouwd bent.
DWA10330
! WAARSCHUWING
Deze scooter is uitsluitend ontworpen voor gebruik op verharde wegen. Wanneer deze scooter wordt gebruikt in een abnormaal stoffige, modderige of vochtige omgeving, dient het luchtfilterelement vaker te worden gereinigd of te worden vervangen om snelle slijtage van de motor te voorkomen. Raadpleeg een Yamaha dealer voor de juiste onderhoudsperiodes.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU17710
Periodiek smeer- en onderhoudsschema
OPMERKING:
- De jaarlijkse controles horen eenmaal per jaar te worden uitgevoerd, behalve wanneer in plaats daarvan een onderhoudsbeurt op kilometerbasis wordt verricht.
- Herhaal de onderhoudsintervallen vanaf 30000 km, beginnend vanaf 6000 km.
- Werkzaamheden gemarkeerd met een asterisk horen te worden uitgevoerd door een Yamaha dealer, omdat hiertoe speciaal gereedschap, technische gegevens en vakmanschap vereist zijn.
| NR. | IT | ITEM CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT 1 6 12 18 24 | KILOMETERSTAND (x 1000 Km) JAARLIJSE | CONTROLE | |||||
| 1 | * | Brandstofleiding | • Controleer de brandstof- en onderdrukslangen op scheurtjes of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 2 | Bougie | • Controleer de conditie.• Reinigen en elektrodenafstand afstellen. | √ | √ | |||||
| • Vervangen. √ √ | |||||||||
| 3 | Luchtfilterelement | • Reinigen. | √ | √ | |||||
| • Vervangen. √ √ | |||||||||
| 4 | * | Voorrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en controleer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remblokken. | Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | ||||||||
| 5 | * | Achterrem | • Controleer de werking en stel de speling van de remhendel af. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remschoenen. | Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | ||||||||
| 6 | * | Remslang | • Controleer op scheurtjes en beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| • Vervangen. | Elke 4 jaar | ||||||||
| 7 | * | Wielen | • Controleer de speling en controleer op beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
| NR. | ITEM CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT 1 6 12 18 24 CONTROLE | KILOMETERSTAND (x 1000 Km) JAARLIJSE | ||||||
| 8 | * | Banden | Controleer op slijtage en beschadigingen.Vervang indien nodig.Controleer de bandspanning.Corrigeer indien nodig. | √ | √ | √ | √ | |
| 9 | * | Wiellagers | Controleer op speling of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | |
| 10 | * | Balhoofdlagers | Controleer de lagers op speling en oppervlakteruwheid. | √ | √ | √ | √ | √ |
| Smeren met lithiumvet. | Elke 24000 km | |||||||
| 11 | * | Framebevestigingen | Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet. | √ | √ | √ | √ | |
| 12 | Middenbok | Controleer de werking.Smeren. | √ | √ | √ | √ | ||
| 13 | * | Voorvork | Controleer op een correcte werking en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | |
| 14 | * | Schokdemperunit | Controleer op een correcte werking en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | |
| 15 | * | Carburateur | Stel het stationair toerental af. | √ | √ | √ | √ | √ |
| 16 | * | Autolube pomp | Controleer de werking.Ontlucht indien nodig. | √ | √ | √ | ||
| 17 | * | Koelsysteem | Controleer het koelvloeistofniveau en controleer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | |
| Verversen. | Elke 3 jaar | |||||||
| 18 | Versnellingsbakolie | Controleer de machine op olielekkage. | √ | √ | √ | |||
| Verversen. | √ | √ | √ | |||||
| 19 | * | V-snaar | Vervangen. | Elke 12000 km | ||||
| 20 | * | Voor- en achterremschakelaar | Controleer de werking. | √ | √ | √ | √ | √ |
| 21 | Bewegende delen en kabels | Smeren. | √ | √ | √ | √ | ||
| 22 | * | Lampen, richtingaan-wijzersen schakelaars | Controleer de werking.Stel de koplamplichtbundel af. | √ | √ | √ | √ | √ |
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU18660
OPMERKING:
- Het luchtfilter dient vaker te worden gecontroleerd wanneer u in een extreem vochtige of stoffige omgeving rijdt.
• Hydraulisch remsysteem - Controleer regelmatig het remvloeistofniveau en vul indien nodig bij.
- Elke twee jaar moeten de inwendige onderdelen van de hoofdremcilinder en de remklauw worden vervangen en de remvloeistof worden ververst.
- De remslangen dienen elke vier jaar te worden vervangen, of wanneer deze zijn gescheurd of beschadigd.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU19602
Controleren van de bougie
De bougie is een belangrijk motoronderdeel dat gemakkelijk te controle- ren is. Door hitte en aanslag slijten bougies op de lange duur. Daarom moeten bougies worden verwijderd en gecontroleerd volgens het peri- dieke onderhouds- en smeerschema. Bovendien kan aan het uiterlijk van de bougie de conditie van de motor wor- den afgelezen.
De bougie verwijderen
- Verwijder de bougiedop.
- Verwijder de bougie zoals weergegeven met behulp van de bougiesleutel uit de boordgereedschapset.
Controleren van de bougie
- Controleer of de porseleinen isolator rondom de centrale elektrode van de bougie een middel-donkere tot lichte kleur vertoont (de ideale kleur bij normaal gebruik van de machine).
OPMERKING:
De motor is misschien defect als de bougie een duidelijk andere kleur
heeft. Probeer dergelijke problemen niet zelf vast te stellen. Laat in plaats daarvan uw motorfiets nakijken door een Yamaha dealer.
- Controleer de bougie op afslijting van de elektroden en op overmatige koolstof- of andere aanslag. Vervang indien nodig de bougie.
Voorgeschreven bougie: BR8HS/NGK
De bougie monteren

-
Afstand tussen de elektroden
-
Meet de elektrodenafstand met een draadvoelmaat. Stel de afstand indien nodig af volgens de specificatie.
Elektrodenafstand:
0,6 \~ 0,7 mm (0,24 \~ 0,27in)
- Reinig het oppervlak van de bougiepakking en het pasvlak en verwijder eventueel vuil uit de schroefdraad van de bougie.
- Breng de bougie aan met behulp van de bougiesleutel en zet vast met het correcte aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Bougie: 20 Nm (2,0 m•kgf, 14,6 ft•lbf)
OPMERKING:
Als geen momentsleutel beschikbaar is, wordt de bougie correct vastgezet door handvast te zetten en dan nog 1/4\~1/2 slag verder te draaien. De bougie moet echter zo snel mogelijk naar het juiste aanhaalmoment worden aangedraaid.
- Installeer de bougiedop.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Versnellingsbakolie

Vóór elke rit moet het eindoverbren-gingshuis worden gecontroleerd op olielekkage. In geval van lekkage dient u de scooter door een Yamaha dealer te laten nakijken en te laten repareren. Bovendien dient de vers-nellingsbakolie als volgt te worden ververst op de aangegeven tijdstippen in het periodieke onderhouds- en smeerschema.
- Start de motor, warm deze op door een paar minuten te gaan rijden en zet dan de motor af.

-
Aftapplug
-
Zet de scooter op de middenbok.
- Plaats een olieopvangbak onder het eindoverbrengingshuis om de gebruikte olie op te vangen.
- Verwijder de olievuldop en de aftapplug om de olie uit het eindoverbrengingshuis af te tappen.
- Breng de olieaftapplug van de versnellingsbakolie aan en zet hemvast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Olieaftapplug versnellingsbakolie: 18 Nm (1,8 m•kgf, 13,2 ft•lbf)
- Voeg de benodigde hoeveelheid aanbevolen versnellingsbakolie
toe, breng de olievuldop aan en draai deze vast.
Aanbevolen versnellingsbakolie: Zie pagina 8-1.
Oliehoeveelheid: 0,11 L (0,0003 Imp.qt)
DWA11310
WAARSCHUWING
-
Zorg dat er geen verontreini-gingen het cardanhuis kunnen binnendringen.
• Zorg dat er geen olie op de banden of wielen terechtkomt. -
Controleer de versnellingsbak op olielekkage. Zoek in geval van lekkage naar de oorzaak.
DAUS1200
Koelvloeistof (alleen voor vloeistofgekoelde modellen)
Voor iedere rit moet het koelvloeistof-niveau worden gecontroleerd. Ook moet de koelvloeistof worden ververst volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAUS1080
Controleren van het koelvloeistofniveau
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
OPMERKING:
- Het koelvloeistofniveau moet worden gecontroleerd terwijl de motor koud is, temperatuurverschillen zijn namelijk van invloed op het niveau.
- Zorg dat de machine rechtop staat bij het controleren van het koelvloeistofniveau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen.

- Peilglas voor het Koelvloeistof Niveau
- Controleer het koelvloeistofniveau via het kijkglas.
OPMERKING:
Het koelvloeistofniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximumniveau staan.

-
Coolant reservoir
-
Als het koelvloeistofniveau op of onder de merkstreep voor het minimumniveau staat, verwijder dan het voorste stroomlijnpaneel door de schroeven te verwijderen.
- Open de dop van het koelvloeistofreservoir, en vul koelvloeistof bij tot aan de merkstreep voor maximumniveau.
Inhoud koelvloeistofreservoir: 0,380 L (0,00103 Imp. qt)
DCA10470
LET OP
- Als er geen koelvloeistof voorhanden is, gebruik in plaats daarvan dan gedistilleerd water of zacht leidingwater. Gebruik geen hard water of zout water, hierdoor kan de motor worden beschadigd.
- Wanneer water werd gebruikt in plaats van koelvloeistof, ververs dan zo snel mogelijk met koelvloeistof, anders wordt de motor onvoldoende gekoeld en is het koelsysteem niet beschermd tegen bevriezing en corrosie.
-
Als water aan de koelvloeistof is toegevoegd, vraag dan zo snel mogelijk een Yamaha dealer het antivries percentage van de koelvloeistof te controleren, anders zal de koelvloeistof minder effectief zijn.
-
Sluit de dop van het koelvloeisto- freservoir, en bevestig het voor- ste stroomlijnpaneel weer door de schroeven aan te brengen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAUS1090
Reinigen van het luchtfilterelement
Het luchtfilterelement moet worden gereinigd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Reinig het luchtfilterelement vaker als u in zeer stoffige of vochtige gebieden rijdt.

- Deksel de hetluchtfilter
- Schroeven
-
Schroeven
-
Verwijder de schroefklem en de schroeven waarmee het luchtfilterhuis aan het carter bevestigd is.

- Deksel de hetluchtfilter
-
Schroeven (x3)
-
Verwijder het luchtfilterdeksel door de schroeven te verwijderen.
- Trek het luchtfilterelement los.
- Reinig het luchtfilterelement met een oplosmiddel en wring dan het achterblijvende oplosmiddel uit.

Gebruik uitsluitend een oplosmiddel dat speciaal geschikt is voor het reinigen van onderdelen. Voorkom brand- en explosiegevaar door geen benzine of oplosmiddelen te gebruiken met een lage ontvlamtemperatuur.
DCA10510
LET OP
Hanteer het schuimrubber materiaal voorzichtig en verwring het niet om beschadigingen te voorkomen.
- Breng olie van de aanbevolen soort aan op het hele oppervlak van de filterspons en wring dan de overtollige olie uit.
OPMERKING:
Het luchtfilterelement moet nat zijn maar mag niet druipen.
Aanbevolen olie:
Motorolie
- Steek het filterelement in het luchtfilterhuis.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DCA10480
DAU21300
LET OP
- Controleer of het luchtfilterelement correct in het luchtfilterhuis is geplaatst.
- Laat de motor nooit draaien zonder dat het luchtfilterelement aanwezig is, dat kan leiden tot overmatige slijtage bij de zuiger(s) en/of de cilinder(s).

- Monteer het luchtfilterdeksel door de schroeven aan te brengen.
- Breng de schroefklem en de schroeven waarmee het luchtfilterhuis aan het carter bevestigd is weer aan.
De carburateur vormt een belangrijk onderdeel van de motor en moet zeer precies worden afgesteld. Laat daarom alle carburateurafstellingen over aan een Yamaha dealer die over de benodigde vakkennis en ervaring beschikt.
DAU21370
Speling van de gaskabel afstellen
De vrije slag van de gaskabel dient 2\~5 mm (0,08\~0,20 in) te bedragen bij de gasgreep. Controleer de vrije slag van de gaskabel regelmatig en stel deze indien nodig als volgt af.
OPMERKING:
Het stationair toerental moet correct zijn afgesteld voordat de gaskabelspeling wordt gecontroleerd en afgesteld.

- Borgmoer
- Afstelmoer
-
Speling
-
Draai de borgmoer los.
- Draai de stelmoer richting (a) voor meer gaskabelspeling. Draai de stelmoer richting (b) voor minder gaskabelspeling.
- Draai de borgmoer aan.
DAU33600
Banden
Let ten aanzien van de voorgeschreven banden op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw machine.
Bandspanning
De bandspanning moet voor elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden bijgesteld.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DWA10500
DWA11200
WAARSCHUWING
- De bandspanning moet worden gecontroleerd en afgesteld terwijl de banden koud zijn (wanneer de temperatuur van de banden gelijk is aan de omgevingstemperatuur).
- De bandspanning moet worden aangepast aan de rijsnelheid en het totale gewicht van rijder, passagier, bagage en accessoires dat voor dit model is vastgesteld.
Bandspanning (gemeten op koude banden):
Tot 90 kg (198 lb):
Voor:
175 kPa (24,90lb) (1,75 kgf/cm²)
Achter:
* Totaal gewicht van motorrijder, passagier, bagage en accessoires
⚠ WAARSCHUWING
De aanwezigheid van bagage heeft grote invloed op het weggedrag, de rem- en rij-eigenschappen en de veiligheid van uw machine. Neem daarom de volgende voorzorgsmaatregelen in acht.
- DE MACHINE NOOIT OVERBELADEN! Rijden met een overbeladen machine kan leiden tot beschadiging van de banden, controleverlies of ernstig letsel. Zorg dat het totale gewicht van de bestuurder, de passagier, de bagage en de gemonteerde accessoires nooit het voorgeschreven maximumlaadgewicht voor de machine overschrijdt.
- Vervoer geen los verpakte spullen die tijdens de rit kunnen gaan schuiven.
- Bevestig de zwaarste spullen op veilige wijze dicht bij het midden van de machine en verdeel het gewicht over beide zijden.
- Pas de luchtdruk in de wielophanging en de bandspanning aan op het te vervoeren gewicht.
- Controleer vóór iedere rit de conditie en spanning van de banden.

Inspectie van banden
Voor elke rit moeten de banden worden gecontroleerd. Als de bandprofieldiepte op het midden van de band de vermelde limiet heeft bereikt, de band spijkers of stukjes glas bevat of wanneer de wang van de band scheurtjes vertoont, moet de band onmiddellijk door een Yamaha dealer worden vervangen.
Minimale bandprofieldiepte (voor en achter):
1.6 mm (0.06 in)
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
OPMERKING:
De slijtagelimiet voor bandprofieldiepte is voor diverse landen verschillend. Neem altijd de lokale voorschriften in acht.
Bandeninformatie
Dit model is uitgerust met tubeless banden.
Voorband:
Maat:
110/70-12
Achterband:
Maat:
120/70-12 (Spain)
130/70-12
DWA10470
WAARSCHUWING
- Laat sterk versleten banden door een Yamaha dealer vervangen. Rijden op een machine met versleten banden is niet alleen verboden, maar dit heeft ook een averechts effect op de rijstabiliteit, waardoor u de macht over het stuur zou kunnen verliezen.
- De vervanging van onderdelen van wielen en remmen, inclusief banden, dient te worden
overgelaten aan een Yamaha dealer, die over de nodige vak-kundige kennis en ervaring beschikt.
DAU22100
Vrije slag van remhendel afstellen

De vrije slag van de remhendel dient 2\~5 mm (0,08\~0,20 in) te bedragen, zoals weergegeven. Controleer de vrije slag van de remhendel regelmatig en laat deze indien nodig door een Yamaha dealer afstellen.
DWA10640
WAARSCHUWING
Als de vrije slag van de remhendel niet normaal is, wijst dat op een
serieus defect in het remsysteem. Laat het remsysteem vóór gebruik van de motorfiets nakijken of repareren door een Yamaha dealer.
DAU22170
Vrije slag van achterremhendel afstellen

De vrije slag van de remhendel dient 5\~10 mm (0,2\~0,4 in) te bedragen, zoals weergegeven. Controleer de vrije slag van de remhendel regelmatig en stel deze indien nodig als volgt af.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Stelschroet
- Verminderen speling
- Vergroten speling
Draai de stelmoer op de remankerplaat richting (a) voor meer vrije slag van de remhendel. Draai de stelmoer richting (b) voor minder vrije slag van de remhendel.
DWA10650
WAARSCHUWING
Vraag een Yamaha dealer de afstelling te doen als de juiste afstelling niet haalbaar is volgens de beschreven werkwijze.
DAU22380
Controleren van voorremblokken en achterremschoenen
De voorremblokken en achterremschoenen moeten worden gecontroleerd op slijtage volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU22430
Remblokken voorrem

- Slijtage-indicator
- Remschijf
(a) Slijtagegrens 0,8 mm.
Elk voorremblok is voorzien van slijtage-indicatorgroeven, zodat het remblok kan worden gecontroleerd zonder de rem te hoeven demonteren. Let op de slijtage-indicatorgroeven om de remblokslijtage te controleren.
Wanneer een remblok zover is afges- leten dat de slijtage-indicatorgroeven vrijwel zijn verdwenen, vraag dan een Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.
DAU22540
Remschoenen achterrem

De achterrem heeft een slijtage-indicator zodat de remschoenslijtage kan worden gecontroleerd zonder de rem te hoeven demonteren. Bekrachtig de rem en let op de stand van de slijtage-indicator om de remschoenslijtage te controleren. Wanneer een remschoen zover is afgesleten dat de slijtage-indicator bij de slijtagelimiet komt, vraag dan een Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU32343
Controleren van
remvloeistofniveau voorrem

- Minimum nivo
Bij een tekort aan remvloeistof kan lucht het remsysteem binnendringen, waarna de remwerking mogelijk minder effectief is.
Controleer alvorens te gaan rijden of de remvloeistof boven de merkstreep voor minimumniveau staat en vul indien nodig bij. Een laag remvloeistofniveau wijst mogelijk op verregaande remblokslijtage en/of lekkage in het remsysteem. Als het remvloeistofniveau laag is, controleer dan de remblokken op slijtage en het remsysteem op lekkage.
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:
- Zorg bij het controleren van het remvloeistofniveau dat de bovenzijde van de hoofdremcilinder horizontaal is door het stuur te draaien.
- Gebruik uitsluitend de voorgeschreven kwaliteit remvloeistof, anders kunnen de rubber afdichtingen verslechteren en zo lekkage en slechte remwerking teweegbrengen.
Aanbevolen remvloeistof: DOT 4
- Vul bij met hetzelfde type remvloeistof. Bij vermengen van verschillende typen remvloeistof kunnen schadelijke chemische reacties optreden en kan de remwerking verslechteren.
- Pas op en zorg dat tijdens bijvullen geen water de hoofdremcilinder kan binnendringen. Water zal het kookpunt van de remvloeistof aanzienlijk verlagen zodat dampbelvorming kan optreden.
- Remvloeistof kan gelakte of kunststof onderdelen aantasten. Veeg gemorste remvloeistof steeds direct af.
- Naarmate de remblokken afslijten, zal het remvloeistofniveau geleidelijk verder dalen. Vraag echter wel een Yamaha dealer om een inspectie als het remvloeistofniveau plotseling sterk is gedaald.
DAU22720
Verversen van remvloeistof
Vraag een Yamaha dealer de remvloeistof te verversen volgens de intervalperioden voorgeschreven onder OPMERKING in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Laat bovendien de oliekeeringen van de hoofdremcilinder, de remklauwen en de remslang vervangen volgens de intervalperioden of wanneer ze lekken of zijn beschadigd.
- Oliekeeringen: Vervang elke twee jaar.
- Remslang: Vervang elke vier jaar.
DAU23100
Controleren en smeren van kabels
De werking van alle bedieningskabels en de conditie van alle kabels moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de kabel en kabeleinden moeten indien nodig worden
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
gesmeerd. Vraag een Yamaha dealer een kabel te controleren of te vervangen wanneer deze is beschadigd of niet soepel beweegt.
Aanbevolen smeermiddel: Motorolie
DWA10720

WAARSCHUWING
Bij schade aan de buitenkabel kan de goede werking van de kabel worden belemmerd en kan de binnenkabel gaan roesten. Vervang een beschadigde kabel zo snel mogelijk om onveilige condities te voorkomen.
DAU23110
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel
De werking van de gasgreep hoort voorafgaand aan elke rit te worden gecontroleerd. Smeer of vervang ook de gaskabel volgens de intervaltijden gespecificeerd in het periodiek onderhoudsschema.
DAU23120
Afstellen van de Autolube pomp
De Autolube 2-takt olie-injectiepomp vormt een vitaal en geavanceerd onderdeel van de motor en moet door een Yamaha dealer worden afgesteld volgens de intervalperioden zoals vermeld in het periodiek smering- en onderhoudsschema.
DAU23170
Smeren van voor- en achterremhendels

De scharnierpunten van de voor- en achterremhendels moeten worden gesmeerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet (universeel vet)
DAU23190
Controleren en smeren van de middenbok

De werking van de middenbok moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de scharnierpunten en de metaal-op-metaal contactvlakken moeten indien nodig worden gesmeerd.
DWA11300

WAARSCHUWING
Als de middenbok niet soepel omhoog en omlaag beweegt, vraag dan een Yamaha dealer deze te controleren of te repareren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet (universeel vet)
DAU23271
Voorvork controleren
De conditie en de werking van de voorvork moeten als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om de conditie te controleren DWA10750
WAARSCHUWING
Zorg dat de motorfiets veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.

Controleer de binnenste vorkbuizen op krassen, beschadigingen en overmatige olielekkage.
Om de werking te controleren
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
- Bekrachtig de voorrem en druk het stuur een paar keer stevig naar beneden om te controleren of de voorvork soepel in- en uitveert.
DCA10590
LET OP
Als schade wordt gevonden of de voorvork niet soepel beweegt, vraag dan een Yamaha dealer te repareren of te controleren.
DAU23280
Controle van stuursysteem

Losse of versleten balhoofdlagers kunnen gevaarlijk zijn. De werking van het stuur moet als volgt worden
gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
- Plaats een standaard onder de motor zodat het voorwiel los is van de grond.
DWA10750
WAARSCHUWING
Zorg dat de motorfiets veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.
- Houd de voorvorkpoten beet bij het ondereinde en probeer ze naar voren en achteren te bewegen. Als speling kan worden gevoeld, vraag dan een Yamaha dealer het stuursysteem te testen.
DAU23290
Controleren van wiellagers
De voor- en achterwiellagers moeten worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Als de wielnaaf speling vertoont of het wiel niet soepel draait, vraag dan een Yamaha dealer de wiellagers te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAUS1110
Vervangen van de koplamp-gloeilamp of gloeilamp van de voorste richtingaanwijzer

Vervang een gloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
DCA10670
LET OP
Het is aan te bevelen dit werk uit te laten voeren door een Yamaha dealer.
Koplampgloeilamp
- Verwijder het voorpaneel door de schroeven te verwijderen.
DWA10790
WAARSCHUWING
Koplampgloeilampen worden zeer heet. Houd daarom brandbare pro- ducten uit de buurt van een
koplampgloeilamp en raak het lampglas niet aan zolang dit niet is afgekoeld.
- Verwijder de defecte gloeilamp uit de fitting.
- Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
- Bevestig het voorpaneel weer door de schroeven aan te brengen.
- Vraag indien nodig een Yamaha dealer de koplamplichtbundel af te stellen.

- Gloeilamp van de richtingaanwijzer voor
Gloeilamp voorste richtingaanwijzer
- Verwijder het voorpaneel door de schroeven te verwijderen.
-
Verwijder de defecte gloeilamp uit de fitting.
-
Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
- Bevestig het voorpaneel weer door de schroeven aan te brengen.
DAU24281
Een richtingaanwijzergloeilamp of de gloeilamp in remlicht/achterlicht vervangen

-
Gloeilamp van het achterlicht
-
Verwijder de lamplens door de schroeven te verwijderen.
- Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.
- Breng een nieuwe gloeilamp aan in de fitting, druk de lamp aan en draai rechtsom tot hij stuit.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

-
Gloeilamp van de richtingaanwijzers
-
Monteer de lamplens door de schroeven aan te brengen.
LET OP
Zet de schroeven niet overdreven strak vast, anders kan de lamplens breken.
DAU24310
Gloeilamp in kentekenver- lichting vervangen

-
Gloeilamp van de nummerplaatverlichting
-
Verwijder de lampeenheid voor kentekenverlichting door de schroeven los te draaien.
- Verwijder de lampfitting (samen met de gloeilamp) door deze naar buiten te trekken.
- Verwijder de defecte gloeilamp door deze uit te trekken.
- Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
- Breng de lampfitting aan (samen met de gloeilamp) door deze vast te drukken.
- Monteer de lampeenheid voor kentekenverlichting door de schroeven aan te brengen.
DAU23370
Accu

Dit model is uitgerust met een permanent-dichte accu (onderhoudsvrij type) waarvoor geen onderhoud vereist is. De elektrolyt hoeft niet te worden gecontroleerd en er hoeft geen gedistilleerd water te worden bijgevuld.
DCA10620
LET OP
Probeer nooit om celafdichtingen op de accu te verwijderen, hierdoor kan permanente schade aan de accu worden toegebracht.
DWA10760
WAARSCHUWING
- Elektrolyt is giftig en gevaarlijk omdat het zwavelzuur bevat,
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
een stof die ernstige brand- wonden veroorzaakt. Vermijd contact met de huid, ogen of kleding en bescherm uw ogen altijd bij werkzaamheden nabij accu's. Voer als volgt EERSTE HULP uit als er lichamelijk con- tact is geweest met elektrolyt.
- UITWENDIG: Spoel overvloe-dig met water.
- INWENDIG: Drink grote hoeveelheden water of melk en roep direct de hulp in van een arts.
- OGEN: Spoel gedurende 15 minuten met water en roep direct medische hulp in.
- Accu's produceren het explosieve waterstofgas. Houd daarom vonken, open vuur, sigaretten e.d. uit de buurt van de accu en zorg voor voldoende ventilatie bij acculaden in een afgesloten ruimte.
• HOUD DEZE EN ALLE ACCU'S BUITEN BEREIK VAN KINDEREN.
Om de accu op te laden
Vraag zo snel mogelijk een Yamaha dealer de accu te laden als deze ontladen lijkt te zijn. Vergeet niet dat de accu sneller ontladen raakt als de machine is uitgerust met optionele elektrische accessoires.
Om de accu op te bergen
- Verwijder de accu als de machine langer dan een maand niet wordt gebruikt, laad volledig bij en zet hem dan weg op een koele en droge plek.
- Als de accu langer dan twee maanden wordt weggeborgen, moet deze minstens eenmaal per maand worden gecontroleerd; laad de accu dan indien nodig steeds volledig bij.
- Laad de accu volledig bij alvo- rens te installeren.
- Controleer na installatie of de accukabels correct zijn aangesloten op de accupolen.
DCA10630
LET OP
- Zorg dat de accu altijd geladen blijft. Door een accu in ontladen toestand weg te bergen kan permanente accuschade ontstaan.
- Om een permanent-dichte accu (onderhoudsvrij type) te laden, is een speciale accula-
der (met constante laadspanning) vereist. Bij gebruik van een conventionele acculader raakt de accu beschadigd. Wanneer u niet beschikt over een speciale acculader voor permanent-dichte accu's (onderhoudsvrij type), vraag dan een Yamaha dealer uw accu op te laden.
DAUS1180
Zekering vervangen

De hoofdzekeringhouder bevindt zich naast de accubehuizing.
Vervang de zekering als volgt als deze is doorgebrand.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
- Draai de contactsleutel naar "OFF" en schakel alle elektrische circuits uit.
- Verwijder de doorgebrande zekering en breng een nieuwe zekering met de voorgeschreven ampärewaarde aan.
Voorgeschreven zekering: 7,5 A x 1
DCA10640
LET OP
Gebruik geen zekering met een hoger ampärage dan is voorgeschreven, om ernstige schade aan het elektrisch systeem en mogelijk brandgevaar te vermijden.
- Draai de contactsleutel naar "ON" en schakel de elektrische circuits in om te zien of de appa- ratuur werkt.
- Als de zekering direct opnieuw doorbrandt, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch systeem te controleren.
DAU25860
Problemen oplossen
Yamaha scooters ondergaan een grondige inspectie voordat ze vanaf de fabriek op transport gaan, maar tijdens gebruik kunnen toch storingen optreden. Problemen in de brandstof, compressie- of ontstekingssystemen kunnen bijvoorbeeld de oorzaak zijn van slecht starten of een afname in motorvermogen.
In het volgende storingzoekschema is een snelle en gemakkelijke werkwijze weergegeven om deze vitale systemen zelf te kunnen controleren. Ga met uw scooter echter wel naar een Yamaha dealer als reparaties nodig zijn, hier zijn vakkundige monteurs aanwezig die beschikken over het benodigde gereedschap en de ervaring en vakkennis om het nodige onderhoud aan de machine correct te verrichten.
Gebruik uitsluitend originele Yamaha vervangingsonderdelen. Niet-originele onderdelen lijken misschien op Yamaha onderdelen maar zijn toch vaak van mindere kwaliteit en hebben een kortere levensduur, zodat dan
later mogelijk toch dure reparaties nodig zijn.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Storingzoekschema
DAU25901
WAARSCHUWING
DWA10840
Houd open vuur uit de buurt en rook niet terwijl het brandstofsysteem wordt getest of hieraan wordt gewerkt.
1. Brandstof
![graph TD A["Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank."] --> B["Er is voldoende brandstof aanwezig."] A --> C["Er is geen brandstof aanwezig."] B --> D["Controleer de compressie."] C --> E["Vul brandstof bij."] E --> F["De motor start niet.<br>Controleer de compressie."]](/content/2026/05/1111158/images/470097984b79daa26144c4ca85699342ea79cb59325d45900d032bea33811136.jpg)
2. Compressie
![graph TD A["Bedien de elektrische startknop."] --> B["Er is compressie."] A --> C["Er is geen compressie."] B --> D["Controleer de ontsteking."] C --> E["Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren."]](/content/2026/05/1111158/images/d31eb6cd850f01e6c43f5d0fdf5c78331219d7b355388f6995a4b8fcb8879a2c.jpg)
3. Ontsteking
![graph TD A["Verwijder de bougie en controleer de elektroden."] --> B["Det"] A --> C["Droog"] B --> D["elektrodenafstand van de bougie af of vervang de bougie."] C --> E["Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren."] D --> F["en bedien de elektrische startknop."] E --> G["De motor start niet.…](/content/2026/05/1111158/images/8ae810405d7b7f9896aa835a30971d5a37389efb1756f42b19bebd98a966b369.jpg)
4. Accu
![graph LR A["Bedien de elektrische startknop."] --> B["De motor draait snel rond."] A --> C["De motor draait langzaam rond."] B --> D["De accu is in orde."] C --> E["Controleer de aansluitingen van de accukabels en laad de accu indien nodig."] D --> F["De motor start niet. Vraag een Yamaha dealer de…](/content/2026/05/1111158/images/0750ed433564f4c250d2dc1db309ccad3b7ee127a66cd9b07fdaa6c298154fa2.jpg)
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
DAU26090
Verzorging
De open constructie van een scooter maakt de fraaie techniek beter zichtbaar, maar de machine is hierdoor ook meer kwetsbaar. Er kan sprake zijn van roestvorming en corrosie, ook al zijn hoogwaardige componenten gebruikt. Een roestige uitlaatpijp valt bij een auto niet zo op, bij een scooter is dit echter nadelig voor de algehele aanblik. Regelmatige en correcte verzorging is niet alleen vereist volgens de garantiebepalingen, maar verzekert ook een fraai uiterlijk van de scooter, verlengt de levensduur en verbetert de prestaties.
Alvorens te reinigen
- Dek de uitlaatdemperopening af met een plastic zak nadat de motor is afgekoeld.
- Controleer of alle doppen en afdekpluggen, ook de bougie-doppen, en alle elektrische stek- kers en aansluitingen stevig zijn bevestigd.
- Verwijder hardnekkige vervuiling, zoals verbrande olie op het carter, met een ontvetter en een borstel,
maar gebruik dergelijke producten nooit op afdichtingen, pakkingen en wielassen. Spoel vuil en ontvetter altijd af met water.
Reinigen
DCA10780
LET OP
- Vermijd het gebruik van sterke en bijtende wielreinigingsmiddelen, vooral bij spaakwielen. Als dergelijke producten toch worden gebruikt om hardnekking vuil los te maken, laat het reinigingsmiddel dan niet langer inwerken dan is vermeld in de gebruiksinstructies. Spoel het betreffende gebied grondig schoon met water, laat direct drogen en breng daarna een corrosiewerende spray aan.
-
Bij verkeerd reinigen kunnen de kuipruit, de stroomlijnpanelen, framepanelen en andere kunststof delen worden beschadigd. Gebruik alleen een zachte, schone doek of een spons met zachte zeep en water om kunststof delen te reinigen.
-
Gebruik geen bijtende chemische reinigingsmiddelen op kunststof delen. Vermijd het gebruik van doeken of sponzen die in contact zijn geweest met bijtende of schurende reinigingsmiddelen, oplosmiddelen of thinner, brandstof (benzine), roestverwijderingsmiddelen of corrosieremmers, remvloeistof, antivries of elektrolyt.
- Gebruik geen hogedrukreinigers of stoomreinigers, omdat dan op de volgende plaatsen water kan doordringen en zo schade kan ontstaan: afdichtingen (van wiel- en achterbruglagers, voorvork en remmen), elektrische componenten (kabelstekkers, messtekkers, instrumenten, schakelaars en verlichting), beluchtings- en ontluchtingsslangen.
- Bij scooters met een kuipruit: gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen of harde sponzen, deze veroorzaken dofheid en laten krasjes achter. Sommige reinigingsmiddelen voor
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
kunststof laten eveneens krasjes achter op de kuipruit. Test het product op een klein, nietzichtbaar gedeelte van de kuipruit om zeker te zijn dat geen sporen achterblijven op de kuipruit. Als de kuipruit krasjes vertoont, breng dan na wassen een hoogwaardige polish voor gebruik op kunststof aan.
Na normaal gebruik
Verwijder vuil met warm water, zachte zeep en een zachte, schone spons en spoel dan grondig met schoon water. Gebruik een tandenborstel of een flessenborstel op moeilijk bereikbare plekken. Hardnekkig vastzittend vuil en insectenresten laten gemakkelijker los als de bewuste plek alvorens te reinigen een paar minuten met een vochtige doek wordt bedekt.
Na rijden in regen, aan de kust of op bepekelde wegen
Zilte zeelucht en wegenzout waarmee wegen 's winters worden bestrooid hebben in combinatie met water een zeer corrosieve werking; handel daarom als volgt na een rit in een regenbui, nabij de kust of op bepekelde wegen.
OPMERKING:
's Winters gestrooid wegenzout kan nog tot in de lente aanwezig blijven.
- Reinig de scooter met koud water en zachte zeep nadat de machine is afgekoeld.
DCA10790
LET OP
Gebruik geen heet water, dit vers- terkt de corrosieve werking van het zout.
- Breng met een spuitbus een corrosiewerend middel aan op alle metalen delen, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
Na reiniging
-
Droog de scooter met een zeem- leren lap of een vochtabsorbe- rende doek.
-
Gebruik een chroompolish om verchroomde, aluminium en roestvrijstalen delen te doen glanzen, ook het uitlaatsysteem.
(Zelfs thermische verkleuringen op roestvrijstalen uitlaatsystemen kunnen door oppoetsen worden verwijderd.)
- Het is aan te bevelen om met een spuitbus een corrosiewerend middel aan te brengen op alle metalen delen, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
- Gebruik oliespray als universeel schoonmaakmiddel om eventueel nog achtergebleven vuil te verwijderen.
- Werk kleine lakbeschadigingen bij veroorzaakt door steenslag e.d.
- Zet alle gelakte oppervlakken in de was.
- Laat de scooter volledig drogen alvorens te stallen of af te dekken.
DWA10940
WAARSCHUWING
- Controleer of er geen olie of was op de wielen of de remmen zit. Reinig de remschijven en remvoeringen indien nodig
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
met een normale remschijfreiniger of aceton en spoel de banden schoon met lauw water en een mild reinigingsmiddel.
- Test voor u de scooter in gebruik neemt eerst de remwerking en het weggedrag in bochten.
DCA10800
LET OP
- Breng een geringe hoeveelheid oliespray en was aan en verwijder overtollige hoeveelheden.
- Breng oliespray of was nooit aan op rubber of kunststof delen, behandel deze met een daartoe bestemd verzorgingsmiddel.
- Vermijd het gebruik van schurende poetsmiddelen, deze tasten de lak aan.
OPMERKING:
Vraag een Yamaha dealer om advies over de te gebruiken producten.
DAU26300
Stalling
Korte termijn
Stal uw scooter steeds op een koele en droge plek en bescherm indien nodig tegen stof met een luchtdoorlatende stallinghoes.
DCA10820
LET OP
- Als de scooter wordt gestald in een slecht geventileerde ruimte of in vochtige toestand wordt afgedekt met een dekzeil, zal water en vocht kunnen binnendringen en roestvorming veroorzaken.
- Voorkom corrosie door de machine niet te stallen in een vochtige kelder, een stal (i.v.m. de aanwezigheid van ammoniakdamp) en in een opslagruimte voor sterke chemicaliën.
Lange termijn
Alvorens uw scooter gedurende meerdere maanden aaneen te stallen:
-
Volg alle instructies op in de paragraaf "Verzorging" in dit hoofdstuk.
-
Leeg de vlotterkamer in de carburateur door de aftapplug los te draaien; u voorkomt zo dat neerslag uit de brandstof achterblijft. Giet de afgetapte brandstof terug in de brandstoftank.
- Vul de brandstoftank en voeg een stabilisatoradditief (indien verkrijgbaar) toe om roestvorming in de tank en achteruitgang van de brandstof te voorkomen.
- Voer de volgende stappen uit om de cilinder, de zuigerveren etc. te beschermen tegen corrosie.
a. Verwijder de bougiedop en de bougie.
b. Giet een theelepel motorolie in het bougiegat.
c. Breng de bougiedop aan op de bougie en leg dan de bougie zodanig op de cilinderkop dat de elektroden aan massa liggen. (Dit voorkomt vonken tijdens de volgende stap.)
d. Laat de motor een paar keer ronddraaien op de startmotor. (De cilinderwand wordt zo geolied.)
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
e. Haal de bougiedop los van de bougie en breng dan de bougie en de bougiedop weer aan.
hem eens per maand bij. Berg de accu niet op een zeer warme of koude plek op (minder dan 0 °C (30 °F) of meer dan 30 °C (90 °F)]. Zie pagina 6-17 voor meer informatie over het opbergen van de accu.
WAARSCHUWING
Om schade of letsel door vonkvorming te voorkomen, moeten de bougie-elektroden aan massa liggen terwijl de motor wordt rondgedraaid.
- Smeer alle bedieningskabels en scharnierpunten van alle hendels en pedalen en van de zijstandaard/middenbok.
- Controleer de bandspanning en corrigeer deze indien nodig en breng dan de scooter omhoog zodat beide wielen los van de grond zijn. Een andere mogelijkheid is de wielen elke maand iets te draaien, zodat de banden niet op één gedeelte sterker achteruitgaan.
- Dek de uitlaatdemper af met een plastic zak om te voorkomen dat vocht kan binnendringen.
- Verwijder de accu en laad deze volledig bij. Berg de accu op een koele en droge plek op en laad
OPMERKING:
Verricht eventueel noodzakelijke reparaties alvorens de scooter te stallen.
SPECIFICATIES
Afmetingen
Totale lengte
1740 mm
Totale breedte
675 mm
Totale hoogte
1065 mm
Zadelhoogte
770 mm
Wielbasis
1210 mm
Grondspeling
132 mm
Gewicht
Incl. olie en brandstof
CS50 80.5 kg
CS50Z 83.7 kg
Motor
Type motor
CS50 Luchtgekoeld, 2-takt
CS50Z Vloeistofgekoeld, 2-takt
Cilinderopstelling
1-cilinder, vooroverhellend
Slagvolume
49.2 cm³
"Boring x slag"
40.0 x 39.2 mm
Compressieverhouding
CS50 10.20 :1
CS50Z 11.40 :1
Luchtfilterelement
Nat element
Type koppeling
Droog, automatisch centrifugaal
Type versnellingbak
1-trapsautomaat
Startsysteem
Elektrische startmotor en kickstarter
Elektrische installatie
Ontstekingssysteem
CDI
Chassis
Spoorhoek
25.00 graad
Naspoor
80.0 mm
Steering
Fuel
Inhoud brandstoftank
5.5 L
Voorrem
Type
Enkele schijfrem
Achterrem
Type
Trommelrem
Suspension
Type
Telescoopvork
Type
Unit swing
Shock absorber
Veer/schokdempertype
Schroefveer/oliedemper
Veer/schokdempertype
Schroefveer/oliedemper
Voorband
Maat
110/70-12 47L
Achterband
Maat
120/70-12 51L 130/70-12 56L
Versnellingsbak
Primaire reductieverhouding
52/13 (4.000)
Secundaire reductieverhouding
CS50 42/13 (3.230)
CS50Z 43 x 13 (3.310)
Headlight type
Bulb type
Voorste richtingaanwijzer
12 V, 16.0 W x 2
Achterste richtingaanwijzer
12 V, 10.0 W × 2
Instrumentenverlichting
12 V, 1.2 W × 2
Indicator light
Waarschuwingslampje olieniveau
LED
Controlelampje brandstofniveau
NONE
Hoeveelheid motorolie
Hoeveelheid
1.4 L
Versnellingsbakolie
Oliehoeveelheid bij verversing 0.10 L
Total amount 0.11 L
Vrije slag voorremhendel 2.0-5.0 mm
Vrije slag achterremhendel 10.0-20.0 mm
Front disc brake
Remvoeringdikte binnen 4.0 mm
Limit 0.8 mm
Remvoeringdikte buiten 4.0 mm
Limit 0.8 mm
Aanbevolen remvloeistof DOT 4
Rear drum brake
Bandenspanning (gemeten aan koude
banden)
Voor 175 kPa
Achter 200 kPa
Accu
Model GT4L-BS
Voltage, capacitit 12 V, 4.0 A/u
Ignition system
Ignition timing (B.T.D.C.) 14.0 graad/5000 tpm
Bougie(s)
Fabrikant/model NGK/BR8HS
Elektrodenafstand 0.6-0.7 mm
Zekeringen
Hoofdzekering 7.5 A
GEBRUIKERSINFORMATIE
DAU26351
Identificatienummers
Noteer het sleutelnummer, het voertuigidentificatienummer en de modelinformatiesticker in onderstaande ruimtes. Deze nummers heeft u nodig om reserveonderdelen bij een Yamaha dealer te bestellen of wanneer uw machine is gestolen.
SLEUTELIDENTIFICATIE NUMMER:

Het sleutelnummer is ingeslagen op het sleutelplaatje. Noteer dit nummer in het daartoe bestemde vakje en gebruik dit als referentie bij het bestellen van een nieuwe sleutel.
DAU26410
Voertuigidentificatienummer

- Voertuigidentificatienummer
DAU26381
Het voertuigidentificatienummer is ingeslagen op het frame.
OPMERKING:
Het voertuigidentificatienummer is bedoeld voor identificatie van uw motorfiets en kan worden gebruikt om uw motor in uw land aan te melden voor kentekenregistratie.
DAU26540
Modelinformatiesticker

- Modelinformatiesticker
De modelinformatiesticker is onder het zadel bevestigd aan het frame. (Zie pagina 3-6.) Noteer de informatie op deze sticker in het daartoe bestemde vakje. Deze informatie is nodig om reserve-onderdelen te bestellen bij een Yamaha dealer.
INHOUDSOPGAVE
2
2-takt injectiesmering ....3-5
A
Aanzicht linkerzijde 2-1
Aanzicht rechterzijde....2-2
Accu 6-17
Achterremhendel....3-4
Afstellen van de Autolube pomp ......6-14
Contactslot/stuurslot 3-1
Controle van stuursysteem....6-15
Controlelampjes 3-1
Controlelijst voor gebruik....4-2
Controleren en smeren van de middenbok....6-14
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel 6-14
Controleren en smeren van kabels .....6-13
Controleren van de bougie 6-5
Controleren van remvloeistofniveau voorrem....6-13
Controleren van voorremblokken en achterremschoenen....6-12
Controleren van wiellagers....6-15
E
Een richtingaanwijzergloeilamp of de gloeilamp in remlicht/achterlicht vervangen 6-16
G
Gloeilamp in kentekenverlichting vervangen 6-17
|
Identificatienummers....9-1 Inrijperiode ....5-2
K
Kickstarter....3-6 Klok....3-3 Koelvloeistof (alleen voor vloeistofgekoelde modellen)....6-6
0
Opbergcompatiment....3-6
P
Parkeren....5-2 Periodiek smeer- en onderhoudsschema..6-2 Problemen oplossen ....6-19
R
Reinigen van het luchtfilterelement....6-8 Remmen....5-2
s
Smeren van voor- en achterremhendels..6-14 Snelheidsmeterunit .....3-2 Sneller en langzamer rijden .....5-2 Speling van de gaskabel afstellen .....6-9 Stalling .....7-3 Starten van een koude motor .....5-1 Storingzoekschema .....6-20 Stuurschakelaars .....3-3
T
Tankdop en dop van het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering ....3-4
V
Versnellingsbakolie....6-6
Vervangen van de koplampgloeilamp of gloeilamp vande voorste richtingaanwijzer ....6-16
Verversen van remvloeistof....6-13
Verzorging 7-1
Voorremhendel 3-4
Voorvork controleren....6-15
Vrije slag van achterremhendel afstellen....6-11 Vrije slag van remhendel afstellen ....6-11
W
Wegrijden 5-1
z
Zadel ....3-6 Zekering vervangen ....6-18

YAMAHA
YAMAHA MOTOR ESPAÑA, S.A.
PRINTED IN SPAIN