VERSITY300 - Scooter YAMAHA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis VERSITY300 YAMAHA in PDF-formaat.
| Producttype | Scooter |
| Merk | Yamaha |
| Model | VERSITY300 (VP300) |
| Afmetingen (L x B x H) | 2170 mm x 765 mm x 1465 mm |
| Wielbasis | 1480 mm |
| Grondspeling | 155 mm |
| Zadelhoogte | 805 mm |
| Gewicht (inclusief olie en brandstof) | 174,0 kg |
| Maximale belading | 202 kg (bestuurder, passagier, bagage en accessoires) |
| Motortype | 4-takt, SOHC, 1-cilinder, vloeistofgekoeld |
| Cilinderinhoud | 264,0 cm³ |
| Brandstoftankinhoud | 10,9 L (reserve 1,9 L) |
| Aanbevolen brandstof | Normale loodvrije benzine (min. RON 91) |
| Transmissie | Automatische V-snaar, centrifugaalkoppeling |
| Voorrem | Enkele schijfrem, hydraulisch (DOT 4) |
| Achterrem | Enkele schijfrem, hydraulisch (DOT 4) |
| Banden voor | 120/80-14 58P (tubeless) |
| Banden achter | 150/70-14 66P (tubeless) |
| Accu | 12 V, 9,0 Ah |
| Verlichting | Halogeen koplamp (35 W x 2), LED instrumentenverlichting |
| Startspersysteem | Ja (zijstandaardbeveiliging) |
| Multifunctioneel display | Kilometerteller, rittellers, klok, omgevingstemperatuur, olieverversingsindicator |
| Opbergruimte | Voorste opbergvakken (max 1 kg), achterste opbergcompartiment onder zadel (max 5 kg) |
| Accessoireaansluiting | 12V DC, max 2,5 A (30 W) |
| Veiligheidssystemen | Startspersysteem, antidiefstal-alarm (optioneel), zijstandaardbeveiliging |
Veelgestelde vragen - VERSITY300 YAMAHA
Gebruikersvragen over VERSITY300 YAMAHA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Scooter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding VERSITY300 - YAMAHA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. VERSITY300 van het merk YAMAHA.
GEBRUIKSAANWIJZING VERSITY300 YAMAHA
Welkom in de wereld van Yamaha rijders!
Als eigenaar van de VP300 profiteert u van Yamaha's ervaring en technische kennis in het ontwerpen en fabriceren van producten van topkwaliteit, waarmee Yamaha haar verdiende reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven.
Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw VP300. Deze gebruikershandleiding geeft instructies over bediening, inspectie en onderhoud van de scooter, terwijl ook wordt beschreven hoe u uzelf en anderen persoonlijk letsel en schade kunt besparen.
De vele tips in deze handleiding helpen u bovendien om uw scooter in optimale conditie te houden. Als er tenslotte toch nog vragen zijn, aarzel dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.
Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe. En vergeet niet, veiligheid voor alles!
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU34110
Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:
| Het Safety Alert symbool betekent ATTENTIE! LET OP! HET GAAT OM UW VEILIGHEID! | |
| Wanneer de instructies vermeld in een WAARSCHUWING niet worden opgevolgd, kan dit leiden tot ernstig of zelfs dodelijk letsel voor de bestuurder, omstanders of degene die de scooter inspecteert of repareert. | |
| LET OP: | De aanduiding LET OP geeft aan dat er speciale voorzorgsmaatregelen moeten worden getroffen om schade aan de scooter te voorkomen. |
| OPMERKING: | De aanduiding OPMERKING staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijken of verhelderen. |
OPMERKING:
- Deze handleiding moet worden gezien als een permanent onderdeel van deze scooter en moet altijd bij de scooter blijven, ook als deze later wordt verkocht.
- Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan er soms sprake zijn van kleine verschillen tussen uw scooter en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recente productinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen heeft over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.
WAARSCHUWING
DWA12410
LEES DEZE HANDLEIDING AANDACHTIG HELEMAAL DOOR VOORDAT U DEZE SCOOTER GAAT GEBRUIKEN.
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAUM1010
VP300
HANDLEIDING
©2004 door MBK INDUSTRIE
1e Uitgave, augustus 2004
Alle rechten voorbehouden
Elke vorm van herdruk of onbevoegd ge-
bruik
zonder schriftelijke toestemming van
MBK INDUSTRIE
is uitdrukkelijk verboden.
Gedrukt in Frankrijk.
INHOUDSOPGAVE
VEILIGHEIDSINFORMATIE ....1-1
Andere aandachtspunten voor veilig motorrijden 1-4
BESCHRIJVING 2-1
Aanzicht linkerzijde....2-1 Aanzicht rechterzijde....2-2 Bedieningen en instrumenten....2-3
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN
EN BEDIENINGEN 3-1
Contactslot/stuurslot ....3-1 Controlelampjes ....3-2 Snelheidsmeter ....3-2 Brandstofniveaumeter ....3-3 Accuspanningsmeter/ temperatuurmeter voor koelvloeistof ....3-3
Multifunctioneel display ....3-4 Antidiefstal-alarmsysteem (optie) ....3-7 Stuurschakelaars ....3-7 Voorremhendel ....3-8 Achterremhendel ....3-9 Tankdop ....3-9
Afstellen van de schokdemperunits .... 3-14 Bagagehaak .... 3-14 Zijstandaard .... 3-15 Startspersysteem .... 3-15 Gelijkstroom aansluitcontact voor accessoires .... 3-17
CONTROLES VOOR
HET STARTEN .... 4-1 Controlelijst voor gebruik .... 4-2
GEBRUIK EN BELANGRIJKE
RIJ-INFORMATIE 5-1 Starten van de motor 5-1 Wegrijden 5-2 Sneller en langzamer rijden 5-2 Remmen 5-2 Tips voor een zuinig brandstofverbruik 5-3 Inrijperiode 5-3 Parkeren 5-4
PERIODIEK ONDERHOUD EN
KLEINERE REPARATIES .... 6-1 Boordgereedschapset .... 6-1 Periodiek smeer- en onderhoudsschema .... 6-2 Stroomlijn- en framepanelen verwijderen en aanbrengen .... 6-6 Controleren van de bougie .... 6-10
Motorolie .... 6-11 Versnellingsbakolie .... 6-13 Koelvloeistof .... 6-14 Luchtfilter en luchtfilterelementen in v-snaarbehuizing .... 6-15 Afstellen van de carburateur .... 6-17 Controleren van de vrije slag gaskabel .... 6-17 Klepspeling .... 6-18 Banden .... 6-18 Gietwielen .... 6-20
Vrije slag van voor- en achterremhendel controleren .... 6-20 Controleren van voor- en achterremblokken .... 6-21 Controleren van remvloeistofniveau .... 6-21 Verversen van remvloeistof .... 6-22 Controleren en smeren van kabels .... 6-23 Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel .... 6-23 Smeren van voor- en achterremhendels .... 6-23 Controleren en smeren van middenbok en zijstandaard .... 6-24 Voorvork controleren .... 6-24 Controle van stuursysteem .... 6-25 Controleren van wiellagers .... 6-25 Accu .... 6-26
INHOUDSOPGAVE
Zekeringen vervangen 6-27
Koplampgloeilamp vervangen .....6-28
Gloeilamp in voorste richtingaanwijzer vervangen .....6-29
Gloeilamp voor remlicht/achterlicht of van gloeilamp voor achterste richtingaanwijzer vervangen .....6-30
Gloeilamp in kentekenverlichting vervangen 6-30
Problemen oplossen ....6-31
Storingzoekschema's 6-32
VERZORGING EN STALLING
VAN DE SCOOTER....7-1
Verzorging 7-1
Stalling 7-3
SPECIFICATIES 8-1
GEBRUIKERSINFORMATIE....9-1
Identificatienummers ......9-1

VEILIGHEIDSINFORMATIE
DAU10260
SCOOTERS ZIJN TWEEWIELIGE VOERTUIGEN. HUN VEILIG GEBRUIK EN WERKING ZIJN AFHANKELIJK VAN JUIS-TE RIJTECHNIEKEN EN VAN DE DESKUNDIGHEID VAN DE BESTUURDER. ELKE BESTUURDER MOET BEKEND ZIJN MET DE VOLGENDE VEREISTEN ALVORENS MET DEZE SCOOTER TE GAAN RIJDEN. HIJ OF ZIJ MOET:
●DOOR EEN COMPETENTE INFORMATIEBRON GRONDIG ZIJN INGELICHT OVER ALLE ASPECTEN VAN SCOOTERRIJDEN.
●ZICH HOUDEN AAN DE WAAR-SCHUWINGEN EN ONDERHOUD-SEISEN VERMELD IN HET INSTRUCTIEBOEKJE VOOR DE EI-GENAAR.
●GRONDIG GETRAIND ZIJN IN VEILIGE EN CORRECTE RIJTECHNIEKEN.
●GEBRUIK MAKEN VAN PROFES- SIONELE TECHNISCHE SERVICE, ZOALS AANGEGEVEN IN HET IN- STRUCTIEBOEKJE EN/OF WAN- NEER DE MECHANISCHE CONDITIES DIT VEREISEN.
Veilig rijden
- Controleer de machine altijd voor u gaat rijden. Een zorgvuldige controle kan een ongeval helpen voorkomen.
- Deze scooter is gebouwd voor het vervoer van de bestuurder plus een passagier.
- Het niet opmerken en herkennen van scooters door andere weggebruikers vormt de belangrijkste oorzaak van auto/scooter ongevallen. Vaak worden ongevallen veroorzaakt doordat een autobestuurder de scooter niet heeft gezien. Zorg dat u opvalt, dat blijkt het meest effectief om het risico op een dergelijk type ongeval te verminderen.
- Draag een jack in felle kleuren.
- Wees extra voorzichtig bij het nade- ren en passeren van kruisingen, daar doen ongelukken met scooters zich namelijk het meest voor.
- Ga daar rijden waar andere weggebruikers u kunnen zien. Ga niet rijden in de dode zichthoek van een andere weggebruiker.
Dus:
- Bij veel ongevallen zijn onervaren bestuurders betrokken. Vaak waren bij een ongeval betrokken bestuurders zelfs niet in het bezit van een geldig rijbewijs.
- Zorg dat u bekwaam bent om te rijden en leen uw machine alleen uit aan ervaren scooterrijders.
- Weet wat u wel en niet aankunt. Door rekening te houden met uw beperkingen helpt u ongelukken voorkomen.
- We raden aan om het scooterrijden te oefenen op plekken waar geen verkeer is, totdat u grondig bekend bent met de scooter en zijn bedie- ning.
- Ongelukken worden vaak veroorzaakt door een fout van de scooterbestuurder. Veel bestuurders houden bij het ingaan van een bocht een TE HOGE RIJSNELHEID aan of rijden te lang rechtop (onvoldoende schuinleggen bij de bewuste rijsnelheid), zodat de bocht dan te wijd word genomen. - Neem altijd de maximum snelheid in acht en rijd nooit sneller dan de wegcondities en het verkeer toestaan.
- Geef altijd richting aan voordat u afslaat of van rijstrook wisselt. Zorg dat andere weggebruikers u kunnen zien.
- De zithouding van de bestuurder en de passagier is belangrijk voor een goede besturing.
- De bestuurder moet tijdens het rijden beide handen aan het stuur houden en beide voeten op de voetplaat, om zo de macht over het stuur te behouden.
- De passagier hoort steeds de bestuurder, de zadelband of de handgreep, indien aanwezig, met beide handen vast te houden en beide voeten op de passagiersvoetsteunen te houden.
- Neem nooit een passagier mee die niet in staat is om beide voeten stevig op de passagiersvoetsteunen te zetten.
●Rijd nooit onder invloed van alcohol of andere drugs.
- Deze scooter is uitsluitend ontworpen voor gebruik op verharde wegen. De machine is niet bedoeld voor off-road gebruik.
Beschermende kleding
Scooterongelukken met dodelijke afloop betreffen meestal hoofdletsel. Het dragen van een helm is de belangrijkste factor bij het voorkomen of reduceren van hoofdletsel.
●Draag altijd een goedgekeurde helm.
- Draag ook een gezichtskap of een veiligheidsbril. De rijwind in uw niet-afgeschermde ogen kan het zicht verslechteren, zodat u gevaren te laat zou opmerken.
●Door een jack, stevige schoenen, een lange broek, handschoenen e.d. te dragen verkleint u de kans op schaafwonden of ontvellingen.
- Draag nooit loszittende kleding, deze kan blijven haken aan schakelhandgrepen of door de wielen worden gegrepen en zo een ongeval of letsel veroorzaken.
●Raak nooit de motor of het uitlaatsysteem aan terwijl de motor draait. Deze onderdelen worden zeer heet en kunnen zo brandwonden veroorzaken. Draag altijd beschermende kleding die uw benen, enkels en voeten bedekt.
- De hierboven vermelde voorzorgsmaatregelen gelden ook voor passagiers.
Technische wijzigingen
Door het aanbrengen van technische wijzigingen die niet door Yamaha zijn goedgekeurd, of door originele onderdelen te verwijderen, kan deze scooter onveilig worden in het gebruik en ernstig persoonlijk letsel veroorzaken. Door dergelijke wijzigingen kan het gebruik van uw scooter ook onwettig worden.
Het monteren van accessoires of het vervoer van bagage kan een negatief effect hebben op de rijstabiliteit en het weggedrag als hierdoor de gewichtsverdeling van de scooter verandert. Wees uiterst voorzichtig bij het monteren van accessoires of het beladen van uw scooter, om zo mogelijke ongevallen te vermijden. Pas extra op wanneer u op een scooter rijdt die beladen is of waaraan accessoires zijn gemonteerd. Hier volgen enkele algemene richtlijnen bij het beladen van de scooter of het monteren van accessoires:
Beladen
Het totale gewicht van de bestuurder, passagier, accessoires en bagage mag de maximale gewichtlimiet van 202 kg (445 lb) niet overschrijden. Let op het volgende wanneer u tot deze gewichtslimiet belaadt:

VEILIGHEIDSINFORMATIE
- Het zwaartepunt van bagage en accessoires moet zo laag mogelijk liggen en zo dicht mogelijk nabij de scooter. Zorg dat het gewicht zo gelijkmatig mogelijk aan beide zijden van de scooter wordt verdeeld, om zo onbalans of instabiliteit te beperken.
●Als gewicht gaat schuiven kan zich een plotselinge onbalans voordoen. Controleer voordat u gaat rijden of accessoires en bagage stevig aan de scooter zijn bevestigd. Controleer de bevestigingspunten voor accessoires en bagage regelmatig. - Bevestig nooit omvangrijke of zware goederen aan het stuur, de voorvork of het voorwielspatbord. Dergelijke items kunnen een instabiel weggedrag of een te trage reactie op het stuur veroorzaken.
Accessoires
Originele Yamaha accessoires werden speciaal ontworpen voor montage aan deze scooter. Yamaha is niet in staat om alle overige leverbare accessoires te testen. U bent dus zelf verantwoordelijk voor de juiste keuze, installatie en gebruik van niet-Yamaha accessoires. Wees zorgvuldig bij de keuze en installatie van accessoires.
Volg bij de montage van accessoires de onderstaande richtlijnen en die vermeld onder het kopje "Beladen".
- Monteer nooit accessoires en vervoer nooit bagage als deze een nadelige invloed hebben op de prestaties van uw scooter. Inspecteer het accessoire zorgvuldig alvorens het te gebruiken, om zeker te zijn dat het de grondspeling of de hellinghoek op geen enkele manier vermindert, de veerweg, de stuuruitslag of de bediening beperkt of lampen of reflectors afdekt.
- Accessoires die aan of nabij het stuur of de voorvork zijn gemonteerd zullen mogelijk instabiliteit veroorzaken door een foutieve gewichtsverdeling of door aërodynamische effecten. Accessoires aan het stuur of nabij de voorvork moeten zo licht mogelijk zijn en tot een minimum worden beperkt.
- Omvangrijke accessoires kunnen door hun aërodynamisch effect van invloed zijn op de rijstabiliteit van de scooter. De scooter kan door rijwind worden opgetild of bij zijwind instabiel worden. Zulke accessoires kunnen ook instabiliteit veroorzaken terwijl u grote voertuigen inhaalt of door deze wordt ingehaald.
- Sommige accessoires noodzaken de bestuurder om een andere dan de normale zitpositie in te nemen. Zo'n verkeerde zitpositie beperkt de bewegingsvrijheid van de bestuurder en kan een comfortabele bediening hinderen, zodat we dergelijke accessoires sterk afraden.
- Wees voorzichtig bij het aanbrengen van elektrische accessoires. Als elektrische accessoires de capaciteit van het elektrisch systeem van de scooter te boven gaan, kan zich een gevaarlijke elektrische storing voordoen waardoor de verlichting of de motor uitvalt.
Benzine en uitlaatgassen
●BENZINE IS ZEER GEMAKKELIJK ONTVLAMBAAR:
- Zet de motor altijd af als u benzine tankt.
- Pas op en mors tijdens het tanken geen benzine op de motor of op het uitlaatsysteem.
- Tank niet terwijl u rookt of in de na-bijheid bent van open vuur.
- Start de motor nooit in een afgesloten ruimte en laat hem dan niet draaien. De uitlaatgassen zijn giftig en kunnen al heel snel bewusteloosheid of dode-
lijk letsel veroorzaken. Start de motor alleen in de open lucht of in een ruimte die voldoende ventilatie heeft.
- Zet de motor altijd uit voordat u de scooter onbeheerd achterlaat en neem de sleutel uit het contactslot. Let op het volgende als u de scooter gaat parkeren:
- De motor en het uitlaatsysteem kunnen heet zijn, dus parkeer de scooter op een plek waar voetgangers of kinderen hiervan geen hinder hebben.
- Parkeer de scooter niet op een helling of op een zachte ondergrond, om omvallen te voorkomen.
- Parkeer de scooter niet nabij een brandend toestel(bijv. een petroleumkachel) of bij open vuur, hij zou zo vlam kunnen vatten.
- Roep onmiddellijk medische hulp in nadat u benzine heeft ingeslikt, veel benzinedamp heeft ingeademd of benzine in uw ogen is terecht gekomen. Morst u benzine op uw huid of kleding, spoel de bewuste plek dan direct met zeepwater en trek andere kleding aan.
DAU10371
Andere aandachtspunten voor veilig motorrijden
- Geef duidelijk richting aan wanneer u een bocht neemt.
- Op een nat wegdek kan remmen uiterst lastig zijn. Vermijd te hard remmen, de scooter zou kunnen slippen. Bedien de remmen rustig wanneer u op een nat wegdek wilt stoppen.
●Minder snelheid bij het naderen van een bocht of een afslag. Trek langzaam op nadat u de bocht hebt genomen.
- Wees voorzichtig bij het passeren van geparkeerde auto's. Een bestuurder merkt u mogelijk niet op en kan het portier openslaan in uw rijrichting.
- Spoorwegovergangen, tramrails, ijzeren platen gebruikt in de wegenbouw en putdeksels worden in natte toestand zeer glad. Minder snelheid en passeer ze voorzichtig. Houd de scooter recht, anders kan hij gaan schuiven.
- De remvoeringen kunnen nat worden bij het wassen van de scooter. Controleer de remmen na het wassen van de scooter, voordat u gaat rijden.
●Draag steeds een helm, handschoenen, een lange broek (taps toelopend bij de enkel/omslag, om flapperen te voorkomen), en een felgekleurd jack.
●Vervoer op uw scooter niet te veel bagage. Een overbeladen scooter is onstabiel.
Aanzicht linkerzijde
DAU10410

- Achterste opbergcompartiment (pagina 3-13)
- Stelring voor veervoorspanning schokdemperunit (pagina 3-14)
- Luchtfilterelement (pagina 6-15)
- Luchtfilterelement in V-snaarbehuizing (pagina 6-15)
- Zijstandaard (pagina 3-15/6-24)
- Kijkglas koelvloeistofniveau (pagina 6-14)
Aanzicht rechterzijde
DAU10420

- Achterremhendel (pagina 3-9)
- Schakelaargroep linkerstuurzijde (pagina 3-7)
- Voorste opbergcompartiment B (pagina 3-12)
- Snelheidsmeter/multifunctioneel display (pagina 3-2/3-4)
- Bagagehaak (pagina 3-14)
- Contactslot/stuurslot (pagina 3-1)
- Schakelaargroep rechterstuurzijde (pagina 3-7)
-
Gasgreep (pagina 6-17)
-
Voorremhendel (pagina 3-8)
- Voorste opbergcompartiment A (pagina 3-12)
11.Zekeringenkastje (pagina 6-27)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Contactslot/stuurslot

Via het contactslot/stuurslot worden het ontstekingssysteem en de verlichtingssystemen bediend en wordt het stuur vergrendeld. De diverse standen worden hierna beschreven.
DAU34121
ON “()”
Alle elektrische circuits worden voorzien van stroom; de instrumentenverlichting, het achterlicht, de kentekenverlichting en de parkeerlichten gaan branden en de motor kan worden gestart. De sleutel kan niet worden uitgenomen.
OPMERKING:
De koplampen gaan automatisch branden wanneer de motor wordt gestart en blijven aan totdat de sleutel naar “☒” wordt ge draaid of de zijstandaard omlaag wordt bewogen.
DAU10660
OFF "
Alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
DAU10680
LOCK "
Het stuur is vergrendeld en alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
Om het stuur te vergrendelen
- Draai het stuur helemaal naar links.
- Druk de sleutel in de "☒" -stand in en draai hem dan naar de "☒" -stand. Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
- Neem de sleutel uit.
Om het stuur te ontgrendelen
Druk de sleutel in en draai hem dan naar "☒" terwijl de sleutel ingedrukt wordt gehouden.
DWA10060
WAARSCHUWING
Draai de contactsleutel nooit naar “ ^✉ of naar “ ^✉ terwijl de machine rijdt; elektrische systemen worden dan afgeschakeld en mogelijk zult u zo de macht over het stuur verliezen of een ongeval veroorzaken. Zorg altijd dat de machine stilstaat voordat u de sleutel naar “ ^✉ of naar “ ^✉ draait.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Controlelampjes

2014.57
- Controlelampje dimlicht "∅
- Controlelampje linker richtingaanwijzers "◀"
- Controlelampje rechter richtingaanwijzers "→"
- Controlelampje grootlicht "
DAU10980
Controlelampje dimlicht "Dit controlelampje brandt terwijl de koplamp is ingeschakeld voor dimlicht.
DAUM1050
Snelheidsmeter

761IMDOP
1. Snelheidsmeter
Alleen UK

ZAUM3608
1. Snelheidsmeter
De snelheidsmeter toont de actuele rijsnelheid.
Controlelampjes richtingaanwijzers

Het bijbehorende controlelampje knippert terwijl de schakelaar voor richtingaanwijzers naar de linker- of rechterstand is gedrukt.
DAU11080
Controlelampje grootlicht "
Dit controlelampje brandt terwijl de koplamp is ingeschakeld voor grootlicht.
DAU11590
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAUM1470
Brandstofniveaumeter

ZAUMON03
1. Brandstofniveaumeter
2. Waarschuwingslampje brandstofniveau
De brandstofniveaumeter geeft aan hoeveel brandstof in de tank aanwezig is. De naald beweegt naar "E" (Empty) naarmate het brandstofniveau daalt. Wanneer de brandstof in de tank ongeveer 1.9 L (0.50 US gal) (0.42 Imp.gal) bereikt, gaat het waarschuwingslampje brandstofniveau branden en schakelt het multifunctionele display automatisch naar "Trip/fuel"-modus. (Zie pagina 3-4.) Vul in dat geval zo snel mogelijk brandstof bij.
OPMERKING:
Voorkom dat de brandstoftank geheel droog komt te staan.
DAUM1101
Accuspanningsmeter/temperatu urmeter voor koelvloeistof

Wanneer de sleutel wordt gedraaid naar "☒", geeft deze meter het accuspanningsniveau aan voordat de motor werd uitgeschakeld.
OPMERKING:
Als de naald daalt naar het merkteken "9V" (laag), moet u een Yamaha dealer vragen de accu te controleren.
Wanneer de sleutel wordt gedraaid naar "○", geeft deze meter de temperatuur van de koelvloeistof aan. Als de naald in de rode zone staat, moet u de scooter stilzetten en de motor laten afkoelen. (Zie pagina 6-32.)

- Rode zone
DCA10020
LET OP:
Laat de motor niet draaien terwijl deze oververhit is.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Multifunctioneel display
DAUM2050

Het multifunctionele display toont de volgende voorzieningen:
- een kilometerteller (die de totale afgelegde afstand toont)
- twee rittellers (die de afgelegde afstand tonen sinds deze voor het laatst op nul zijn gezet, de tijd die is verlopen sinds de rittellers op nul zijn gezet en de gemiddelde gereden snelheid gedurende deze tijd)
- een ritteller voor brandstofreserve (die de afgelegde afstand aangeeft sinds het waarschuwingslampje brandstofreserve aanging)
- een klok
- een omgevingstemperatuurweergave
- een indicator olieverversing (die gaat branden wanneer de motorolie moet worden ververst)
OPMERKING:
●Voor het Verenigd Koninkrijk wordt de afgelegde afstand aangegeven in mijlen en wordt de temperatuur aangegeven in °F.
●Voor andere landen wordt de afgelegde afstand aangegeven in kilometers en wordt de temperatuur aangegeven in °C.
Kilometerteller- en rittellermodus
Door indrukken van de "MODE"-toets wisselt de weergave volgens onderstaande volgorde tussen kilometerteller "Total" en ritteller "Trip":
- De kilometerteller "Trip/fuel" wordt alleen geactiveerd wanneer het waarschuwingslampje brandstofniveau gaat branden.
- De kilometerteller "Trip 2" wordt automatisch op nul teruggesteld nadat de sleutel naar "☒" is gedraaid en er twee uren zijn verstreken.
Door indrukken van de "SET"-toets in de kilometertellermodus wisselt de weergave volgens onderstaande volgorde tussen de verschillende kilometertellerfuncties:
ZAUM1992
1. Afstand
2. Tijd
3. Gemiddelde snelheid
Als het waarschuwingslampje brandstofni- niveau gaat branden (Zie pagina 3-3.), wisselt de weergave automatisch naar brandstofre- serve-ritteller "Trip/fuel"-modus en wordt de afgelegde afstand vanaf dat punt aangege- ven. In dat geval wordt door het indrukken van de "MODE"-toets in de onderstaande volgorde gewisseld tussen de diverse weergaven van rittellers en kilometerteller:
Als u de ritteller op nul wilt terugstellen, selecteert u deze met een druk op de "MODE"-toets, waarna u de "SET"-toets minstens 1 seconde lang ingedrukt houdt. Wanneer u de brandstofreserve-ritteller niet zelf met de hand op nul terugstelt, wordt deze automatisch teruggesteld zodra na het tanken 5 km (3 mi) is gereden en verschijnt de vorige weergavemodus weer.
Klokweergave
De klok op tijd zetten:
- Houd de "SET"-toets minstens 2 seconden lang ingedrukt terwijl de "Total"-weergave actief is.
- Zodra de urenaanduiding begint te knipperen, drukt u op de "SET"-toets om de uren in te stellen.

ZAUW0304
- Druk op de "MODE"-toets en de minutenaanduiding zal gaan knipperen.
- Druk op de "SET"-toets om de minuten in te stellen.
- Druk op de "MODE"-toets en laat deze dan los om de klok te starten. De weergave keert weer terug naar de "Total"-modus.

ZAUM396
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Omgevingstemperatuurweergave

26.10.1995
1. Waarschuwingslampje vorst "★"
2. Minteken
3. Temperatuur
Deze weergave toont de omgevingstemperatuur vanaf -30^ (-86^) tot 50^ (122°F).
Het waarschuwingslampje vorst “*” gaat automatisch branden als de temperatuur lager is dan 3 °C (37.4 °F).
Indicator olieverversing "OIL"

- Indicator olieverversing "OIL"
De motorolie moet worden ververst wanneer deze indicator gaat branden. De indicator blijft branden totdat deze wordt teruggesteld. Nadat de motorolie is ververst, stelt u de indicator als volgt terug.
- Houd de "MODE"-toets en de "SET"-toets ingedrukt en draai de sleutel naar "O".
- Houd de "MODE"-toets en de "SET"-toets nog twee tot vijf seconden ingedrukt.
- Laat de knoppen los. De indicator olieverversing zal nu uitgaan.
OPMERKING:
- De indicator olieverversing gaat branden na de eerste 1000 km (600 mi) en daarna om de 3000 km (4800 mi).
●Als de motorolie werd ververst voordat de indicator olieverversing brandde (dus voordat de intervalperiode voor olieverversing was verstreken), moet de indicator na de olieverversing worden teruggesteld zodat het eerstvolgende tijdstip voor olieverversing weer correct wordt aangegeven. Na het terugstellen brandt de indicator gedurende twee seconden. Als de indicator niet gaat branden, herhaalt u de procedure.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12330
Antidiefstal-alarmsysteem (optie)

ZAUMONOS
- Waarschuwingscontrolelampje
Deze motor kan door een Yamaha dealer worden uitgerust met een optioneel antidiefstal-alarmsysteem. Neem contact op met een Yamaha dealer voor nadere informatie.
DAU12343
Stuurschakelaars
Links

-
Lichtsignaalschakelaar "≡D"
-
Dimlichtschakelaar " A O
-
Richtingaanwijzerschakelaar "
-
Claxonschakelaar "▶"
Rechts

- Noodstopschakelaar " (∞) ✉
- Schakelaar alarmverlichting
- Startknop " (≠)"
DAU12350
Lichtsignaalschakelaar "≡D"
Druk deze schakelaar in om de koplamp een lichtsignaal te laten afgeven.
Dimlichtschakelaar

DAU12400
Zet deze schakelaar op "≡D" en op "≡D" voor dimlicht.
voor grootlicht
DAU12460
Richtingaanwijzerschakelaar

Druk deze schakelaar naar "→" om afslaan naar rechts aan te geven. Druk deze schakelaar naar "←" om afslaan naar links aan te geven. Na loslaten keert de schakelaar terug naar de middenstand. Om de richtingaanwijzers uit te schakelen wordt de schakelaar ingedrukt nadat hij is teruggekeerd in de middenstand.
DAU12500
Claxonschakelaar "

Druk deze schakelaar in om een claxonsig- naal te geven.
DAU12660
Noodstopschakelaar "∅" ✉

Zet deze schakelaar voor u de motor start op "○". Zet deze schakelaar op "×" om de motor direct uit te schakelen in een noodgeval, zoals wanneer de machine omslaat of als de gaskabel blijft hangen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12720
Startknop “ ≡ ”
Druk met de zijstandaard omhoog op deze knop terwijl u de voor- of achterrem bekrachtigt om de motor te starten met de startmotor.
DCA10050
LET OP:
Zie pagina 5-1 voor startinstructies voordat u de motor start.
De alarmverlichting wordt gebruikt in een noodgeval of om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen als uw scooter stilstaat in een mogelijk gevaarlijke verkeerssituatie.
DCA10060
LET OP:
Gebruik de alarmverlichting niet gedurende langere tijd, anders kan de accu ontladen raken.
DAUM1990 Schakelaar alarmverlichting “•”, “⚠” Met de contactsleutel in de stand “○” zet u deze schakelaar op “⚠” voor het inschakelen van de alarmverlichting (gelijktijdig knipperen van alle richtingaanwijzers). Zet deze schakelaar op “•” en draai de sleutel naar “☒” om de alarmverlichting uit te schakelen.
OPMERKING:
Zelfs wanneer u de sleutel draait van “○” naar “✕” met ingeschakelde alarmverlichting, blijft deze verlichting knipperen, ongeacht de stand van de schakelaar van de alarmverlichting. Als u de alarmverlichting wilt uitschakelen, moet u de sleutel in de stand “○” zetten en de schakelaar van de alarmverlichting in de stand “●”.
DAU12900
Voorremhendel

De voorremhendel bevindt zich aan de rechterstuurgreep. Trek deze hendel naar het stuur toe om de voorrem te bekrachtigen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12950
DAU13140
Achterremhendel

De achterremhendel bevindt zich aan de linkerstuurgreep. Trek deze hendel naar het stuur toe om de achterrem te bekrachtigen.
Tankdop
Verwijderen van de tankdop
- Open het zadel. (Zie pagina 3-11.)

-
Tankdop
-
Steek de sleutel in het slot en draai een kwartslag rechtsom. Het slot wordt ontgrendeld en de tankdop kan worden verwijderd.
Aanbrengen van de tankdop
- Breng de tankdop aan in de vulopening van de brandstoftank met de merktekens op de dop en de tank tegenover elkaar.
- Draai de sleutel linksom naar de oorspronkelijke positie en neem hem dan uit.
- Breng het zadel aan.
OPMERKING:
De tankdop kan alleen worden aangebracht met de sleutel in het slot. Bovendien kan de sleutel niet worden uitgenomen als de tankdop niet correct aangebracht en vergrendeld is.
DWA10120
WAARSCHUWING
Controleer of de tankdop correct is afge- sloten en vergrendeld alvorens te gaan rijden.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Brandstof
DAU13210

ZAUM0020
1. Vulpijp brandstoftank
2. Brandstofniveau
Controleer of voldoende brandstof in de brandstoftank aanwezig is. Vul de brandstoftank tot onderaan de vulpijp zoals getoond.
DWA10880
WAARSCHUWING
●Overvul de brandstoftank niet, anders zal benzine uitstromen zodra deze warm wordt en uitzet.
●Mors geen brandstof op een heet motorblok.
DCA10070
LET OP:
Veeg gemorste brandstof direct af met een schone, droge en zachte doek, de brandstof kan immers schade toebrengen aan de lak of aan kunststof onderdelen.
DAU13320
Voorgeschreven brandstof:
UITSLUITEND NORMALE LOOD-VRIJE BENZINE
Inhoud brandstoftank:
10.9 L (2.88 US gal) (2.40 Imp.gal)
Brandstofreserve:
1.9 L (0.50 US gal) (0.42 Imp.gal)
DCA11400
LET OP:
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Loodhoudende benzine veroorzaakt ernstige schade aan inwendige motoronderdelen als kleppen en zuigerveren en ook aan het uitlaatsysteem.
Uw Yamaha motorblok is gebouwd op het gebruik van normale loodvrije benzine met een octaangetal van RON 91 of hoger. Als de motor gaat detoneren (pingelen), gebruik dan benzine van een ander merk of
gebruik loodvrije superbenzine. Door loodvrije benzine te gebruiken gaan bougies langer mee en blijven de onderhoudskosten beperkt.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU13440
Uitlaatkatalysator
Deze machine heeft een uitlaatkatalysator die gemonteerd is in de uitlaatdemper.
DWA10860
WAARSCHUWING
Het uitlaatsysteem is heet nadat de motor heeft gedraaid. Controleer of het uitlaatsysteem is afgekoeld alvorens onderhoudswerkzaamheden uit te voeren.
DCA10700
LET OP:
De volgende voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om brand of andere schaderisico's te voorkomen.
-Gebruik uitsluitend loodvrije benzi-
ne. Bij gebruik van loodhoudende
benzine zal onherstelbare schade
worden toegebracht aan de uitlaat-
katalysator.
●Parkeer de machine nooit nabij brandgevaarlijke stoffen, zoals op gras of op ander materiaal dat gemakkelijk vlamvat.
●Laat de motor niet te lang aaneen stationair draaien.
Zadel
Openen van het zadel
- Zet de scooter op de middenbok.
- Steek de sleutel in het contactslot en draai hem dan linksom.

Druk de sleutel niet in terwijl u deze draait.
- Klap het zadel omhoog.
Sluiten van het zadel.
- Klap het zadel omlaag en druk dan aan om te vergrendelen.
- Neem de sleutel uit het contactslot als de scooter onbeheerd wordt achtergelaten.
DAU13931
OPMERKING:
Controleer of het zadel stevig is vergrendeld alvorens te gaan rijden.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Opbergcompartiment

Om het opbergcompartiment te ontgren- delen
Steek de sleutel in het slot en draai een kwartslag rechtsom.
Om het opbergcompartiment te openen wanneer dit is ontgrendeld
Draai de knop een kwartslag rechtsom. De knop keert terug naar de oorspronkelijke positie zodra deze wordt losgelaten.
Om het opbergcompartiment te sluiten
Duw het deksel in de oorspronkelijke stand.
Om het opbergcompartiment te vergren- delen
Steek de sleutel in het slot, draai een kwartslag linksom en verwijder de sleutel.
DWA10960
WAARSCHUWING
- Overschrijd het maximumlaadgewicht van 1 kg (2.2 lb) voor het opbergcompartiment niet.
- Overschrijd het maximumlaadgewicht van 202 kg (445 lb) voor de machine niet.
DAUM1490
Opbergcompartiment

Om het opbergcompartiment te openen
Duw op het merkteken “—” op het deksel van het opbergcompartiment.
Om het opbergcompartiment te sluiten
Duw het deksel in de oorspronkelijke stand.
DWA11160
WAARSCHUWING
Berg in dit compartiment geen zware spullen op.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAUM1190
Opbergcompartiment

- Achterste opbergcompartiment
Onder het zadel is een opbergcompartiment aanwezig. (Zie pagina 3-11.)
DWA10960
WAARSCHUWING
- Overschrijd het maximumlaadgewicht van 5 kg (11 lb) voor het opbergcompartiment niet.
- Overschrijd het maximumlaadge-wicht van 202 kg (445 lb) voor de machine niet.
DCA10080
LET OP:
Let op het volgende bij het gebruik van het opbergcompartiment.
- Het opbergcompartiment wordt snel warmer als het is blootgesteld aan direct zonlicht, bewaar hierin dus geen goederen die slecht tegen warmte kunnen.
●Wikkel natte voorwerpen in een plastic zak, om zo vochtig worden van het opbergcompartiment te voorkomen. - Het opbergcompartiment kan nat worden als de scooter wordt gewassen, omwikkel te bewaren voorwerpen dus in een plastic zak.
●Bewaar geen waardevolle of breekbare voorwerpen in het opbergcompartiment.
Als u een helm wilt opbergen in het opberg-compartiment, moet de helm worden ge-plaatst met de voorkant naar achteren.
OPMERKING:
- Sommige helmen kunnen vanwege hun grootte of vorm niet worden weggeborgen in het opbergcompartiment.
●Laat uw scooter niet onbeheerd achter met het zadel open.
DAUM1940
Slotcompartiment
Het slotcompartiment, dat zich in het opbergcompartiment onder het zadel bevindt, is ontworpen voor een origineel U-slot van Yamaha. (Zie pagina 3-11.) Bij het opbergen van een U-slot in het opbergcompartiment moet dit stevig met de riemen worden bevestigd. Als het U-slot niet in het opbergcompartiment is opgeborgen, maak dan de riemen vast om deze niet te verliezen.
OPMERKING:
Sommige U-sloten passen niet in het slot-compartiment vanwege hun grootte of vorm.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU14880
Afstellen van de schokdemperunits

- Stelring veervoorspanning
- Positie-indicator
Elke schokdemperunit is uitgerust met een stelring voor veervoorspanning.
DCA10100
LET OP:
Probeer nooit een stelmechanisme voorbij de maximum- of minimuminstelwaarden te verdraaien.
DWA10210
WAARSCHUWING
Geef beide vorkpoten steeds dezelfde afstelling, anders kan slecht weggedrag en verminderde rijstabiliteit het gevolg zijn.
Stel de veervoorspanning als volgt af.
Draai om de veervoorspanning te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelring op beide schokdemperunits in de richting (a). Draai om de veervoorspanning te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelring op beide schokdemperunits in de richting (b).
OPMERKING:
Zet de gewenste inkeping in de stelring te- genover de positie-indicator op de schok- demper.
Afstelling veervoorspanning:
Minimum (zacht):
1
Standaard:
2
Maximum (hard):
4
DAUT1070
Bagagehaak

- Bagagehaak
DWAT1030
WAARSCHUWING
- Overschrijd het maximumlaadgewicht van 3 kg (6.6 lb) voor de bagagehaak niet.
- Overschrijd het maximumlaadgewicht van 202 kg (445 lb) voor de machine niet.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU15300
Zijstandaard

- Zijstandaardschakelaar
De zijstandaard bevindt zich aan de linker-zijde van het frame. Trek of druk de zijstandaard met uw voet omhoog of omlaag terwijl u de scooter verticaal houdt.
OPMERKING:
De ingebouwde sperschakelaar voor de zijstandaard maakt deel uit van het startspersysteem, dat in bepaalde situaties de werking van het ontstekingssysteem blokkeert. (Zie hierna voor een nadere uitleg over het startspersysteem.)
DWA10240
WAARSCHUWING
Met de machine mag nooit worden gere- den terwijl de zijstandaard omlaag staat of niet behoorlijk kan worden opgetrok- ken (of niet omhoog blijft), anders kan de
zijstandaard de grond raken en zo de bestuurder afleiden, waardoor de machine mogelijk onbestuurbaar wordt. Het Yamaha startspersysteem is ontworpen om de bestuurder te helpen bij zijn verantwoordelijkheid de zijstandaard op te trekken alvorens weg te rijden. Controleer dit systeem daarom regelmatig zoals hierna beschreven en laat het repareren door een Yamaha dealer als de werking niet naar behoren is.
DAU15371
Startspersysteem
Het startspersysteem (waarvan de zijstandaardschakelaar en de remlichtschakelaars deel uitmaken) heeft de volgende functies:
- Het verhindert starten wanneer de zijstandaard is opgetrokken, terwijl geen der remmen is bekrachtigd.
- Het verhindert starten wanneer een der remmen is bekrachtigd, terwijl de zijstandaard nog omlaag staat.
- Het schakelt een draaiende motor af zodra de zijstandaard omlaag bewogen wordt.
Controleer de werking van het startspersysteem regelmatig, ga daarbij als volgt te werk.
DWA10250
WAARSCHUWING
Als zich een storing voordoet, vraag dan alvorens te gaan rijden een Yamaha dealer het systeem te controleren.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

flowchart
graph TD
A["Start de motor?"] --> B["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> C["De remschakelaar is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> D["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> E["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> F["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> G["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> H["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> I["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> J["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> K["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> L["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> M["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> N["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> O["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> P["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> Q["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> R["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> S["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> T["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> U["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> V["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> W["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> X["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> Y["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> Z["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AA["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AB["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AC["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AD["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AE["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AF["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AG["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AH["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AI["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AJ["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AK["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AL["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AM["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AN["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AO["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AP["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AQ["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AR["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AS["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AT["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AU["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AV["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AW["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AX["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> AY["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAUM2000
Gelijkstroom aansluitcontact voor accessoires

75UM2417
1. Gelijkstroom aansluitcontact voor accessoires
Deze scooter is uitgerust met een gelijkstroom aansluitcontact voor accessoires. Dit bevindt zich in het opbergcompartiment. 12V-accessoires die zijn aangesloten op dit aansluitcontact, kunnen worden gebruikt wanneer de sleutel in de stand "O" staat en moeten alleen worden gebruikt wanneer de motor draait.
DCA10200
LET OP:
Accessoires die zijn aangesloten op het gelijkstroom aansluitcontact voor accessoires moeten niet worden gebruikt terwijl de motor uit staat en de gezamen-
lijke stroomonttrekking mag niet meer bedragen dan 2.5 A of 30 W, anders raakt de accu mogelijk ontladen.
Gebruiken van het gelijkstroom aansluitcontact voor accessoires
- Draai de sleutel naar " ✉".
- Verwijder de stofkap van het aansluit-contact.
- Plaats de stekker van het accessoire in het aansluitcontact.
- Draai de sleutel naar “ ∅” en start de motor. (Zie pagina 5-1.)
- Wanneer het aansluitcontact voor accessoires niet wordt gebruikt, moet de stofkap over het aansluitcontact worden geplaatst ter bescherming.
CONTROLES VOOR HET STARTEN
DAU15591
De eigenaar is verantwoordelijk voor de conditie van zijn voertuig. Vitale onderdelen kunnen bijvoorbeeld bij blootstelling aan weer en wind vrij snel en onverwachts achteruitgaan, ook als de machine niet wordt gebruikt. Eventuele schade, vloeistoflekkage of het wegvallen van de bandspanning kan ernstige gevolgen hebben. Het is daarom van belang om voorafgaand aan elke rit een visuele inspectie uit te voeren en bovendien de volgende punten te controleren.
OPMERKING:
Voordat de machine wordt gebruikt moet telkens een korte algemene controle worden uitgevoerd. Zo'n inspectie neemt maar weinig tijd in beslag en de hiermee gegarandeerde veiligheid is die tijd alleszins waard.
DWA11150
4
WAARSCHUWING
Als een onderdeel uit de Controlelijst voor gebruik niet naar behoren werkt, laat het dan controleren en repareren alvorens de machine te gebruiken.
Controlelijst voor gebruik
DAU15603
| ITEM CONTROLES | PAGINA | |
| Brandstof | Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.Vul indien nodig brandstof bij.Controleer de brandstofleiding op lekkage. | 3-10 |
| Motorolie | Controleer het olieniveau in de motor.Vul indien nodig het aanbevolen type olie bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer de machine op olielekkage. | 6-11 |
| Versnellingsbakolie | Controleer de machine op olielekkage. | 6-13 |
| Koelvloeistof | Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig de aanbevolen koelvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer het koelsysteem op lekkage. | 6-14 |
| Voorrem | Controleer de werking.Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.Controleer de remblokken op slijtage.Vervang indien nodig.Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-20, 6-21, 6-21 |
| Achterrem | Controleer de werking.Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.Controleer de remblokken op slijtage.Vervang indien nodig.Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschroven niveau.Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-20, 6-21, 6-21 |
CONTROLES VOOR HET STARTEN
| ITEM CONTROLES | PAGINA | |
| Gasgreep | Controleer of de werking soepel is.Controleer de vrije slag van de kabel.Vraag indien nodig de Yamaha dealer om de vrije slag van de kabel af te stellen, en de kabel en het kabelhuis te smeren. | 6-17, 6-23 |
| Wielen en banden | Controleer op schade.Controleer de conditie van de band en de profieldiepte.Controleer de bandspanning.Corrigeer indien nodig. | 6-18, 6-20 |
| Remhendels | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de hendelscharnierpunten. | 6-23 |
| Middenbok, zijstandaard | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de scharnierpunten. | 6-24 |
| Framebevestigingen | Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet.Zet indien nodig vast. | — |
| Instrumenten, verlichting, signaleringssysteem en schakelaars | Controleer de werking.Corrigeer indien nodig. | — |
| Sperschakelaar voor de zijstandaard | Controleer de werking van het startspersysteem.Als het systeem defect is, vraag dan een Yamaha dealer de machine na te kijken. | 3-15 |
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU15980
DWA10870
WAARSCHUWING
●Zorg dat u volkomen vertrouwd bent met alle bedieningsfuncties en hun werking voordat u gaat rijden. Informeer bij een Yamaha dealer als u de werking van een schakelaar of functie niet volkomen begrijpt.
- Start de motor nooit in een afgesloten ruimte en laat deze hierin ook niet lange tijd aaneen draaien. Uitlaatgassen zijn giftig en het inade- men ervan kan al binnen korte tijd leiden tot bewusteloosheid en do- delijk letsel. Controleer altijd of er voldoende ventilatie is.
- Start de motor om veiligheidsredenen te allen tijde met de middenbok naar beneden.
DAU16600
Starten van de motor
[Non-Text]
DCA10250
LET OP:
Zie pagina 5-3 voor instructies over het inrijden van de motor alvorens de machine in gebruik wordt genomen.
Het startspersysteem staat starten alleen toe als de zijstandaard is opgetrokken.
DWA10290
WAARSCHUWING
-
Controleer voor het starten van de motor de werking van het startspersysteem en volg daarbij de werkwijze beschreven op pagina 3-15.
●Ga nooit rijden terwijl de zijstandaard omlaag staat. -
Draai de contactsleutel naar “○” controleer of de noodstopschakelaar op “○” is gezet.
- Sluit de gasklep volledig.
- Start de motor door de startknop in te drukken terwijl de voor- of achterrem wordt bekrachtigd.

ZUJIA118

- Achterremhendel
- Noodstopschakelaar
- Startknop
- Voorremhendel
OPMERKING:
Als de motor niet wil starten, laat dan de startknop los, wacht een paar seconden en probeer het dan opnieuw. ledere startpoging moet zo kort mogelijk duren om de accu te sparen. Laat de startmotor nooit langer dan 10 seconden aaaneen draaien. Als de motor niet wil starten draai dan de gasgreep 1/8 slag open en probeer het nog eens.
DCA11040
LET OP:
Trek nooit snel op terwijl de motor nog koud is, dit verkort de levensduur van de motor!
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16760
DAU16780
Wegrijden
OPMERKING:
Laat de motor warmdraaien voordat u wegrijdt.
- Houd met uw linkerhand de achterremhendel ingedrukt, houd met uw rechterhand de rechterhandgreep vast en duw de scooter van de middenbok af.

-
Handgreep
-
Ga schrijlings op het zadel zitten en stel de achteruitkijkspiegels af.
- Zet de richtingaanwijzer aan.
- Controleer op tegemoetkomend verkeer en draai voorzichtig aan de gasgreep (rechts) om weg te rijden.
- Schakel de richtingaanwijzer uit.
Sneller en langzamer rijden

ZALM0130
De rijsnelheid wordt geregeld door de gasgreep open of dicht te draaien. Draai de gasgreep richting (a) om sneller te gaan rijden. Draai de gasgreep richting (b) om langzamer te gaan rijden.
DAU16791
Remmen
- Sluit de gasklep volledig.
- Knijp de voor- en achterremmen gelijk- tijdig in en oefen geleidelijk meer druk uit.

●Vermijd hard en abrupt remmen (met name wanneer u naar één kant overhelt). De scooter zou namelijk kunnen slippen of omvallen.
●Spoorwegovergangen, tramrails, ijzeren platen gebruikt in de wegenbouw en putdeksels worden in natte toestand zeer glad. U dient deze obstakels daarom met aangepaste snelheid te naderen en voorzichtig te passeren.
- Onthoud dat remmen op een nat wegdek veel moeilijker is.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
●Rijd langzaam heuvelafwaarts, remmen kan tijdens afdalingen soms lastig zijn.
DAU16820
Tips voor een zuinig brandstofverbruik
Het brandstofverbruik is vooral afhankelijk van uw rijstijl. Hierna volgen enkele tips om het brandstofverbruik te verlagen:
- Voer het motortoerental tijdens acce- lereren niet te hoog op.
- Voer het toerental niet te hoog op terwijl de motor onbelast draait.
●Laat de motor niet langdurig stationair draaien maar zet hem af (bijvoorbeeld in files, bij stoplichten of bij spoorweg-overgangen).
DAU16B41
Inrijperiode
De belangrijkste periode in de levensduur van het motorblok is de tijd tussen 0 en 1600 km (1000 mi). Lees daarom de volgende informatie aandachtig door.
Omdat het motorblok gloednieuw is, mag dit de eerste 1600 km (1000 mi) niet te zwaar worden belast. De verschillende onderdelen van de motor slijten op elkaar in totdat de juiste bedrijfsspelingen zijn bereikt. Rijd tijdens deze periode nooit langdurig volgas en vermijd ook andere manoeuvres die tot oververhitting van de motor kunnen leiden.
DAUM2010
0–1000 km (0–600 mi)
Houd de gasgreep niet langdurig voorbij een derde opengedraaid.
1000–1600 km (600–1000 mi)
Houd de gasgreep niet langdurig voorbij halverwege opengedraaid.
DCA11660
LET OP:
Nadat de eerste 1000 km (600 mi) zijn afgelegd, moet de motorolie en de cardanolie worden ververst.
1600 km (1000 mi) en verder
De machine kan nu normaal worden gebruikt.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DCA10270
LET OP:
Als tijdens de inrijperiode motorschade optreedt, vraag dan direct een Yamaha dealer de machine te controleren.
DAU17212
Parkeren
Zet om te parkeren de motor af en neem dan de sleutel uit het contactslot.
DWA10310
WAARSCHUWING
- De motor en het uitlaatsysteem kunnen zeer heet worden, parkeer dus op een plek waar voetgangers of kinderen niet gemakkelijk met deze onderdelen in aanraking kunnen komen.
●Parkeer niet op een helling of op een zachte ondergrond, de machine zou dan kunnen omvallen.
DCA10380
LET OP:
Parkeer nooit op een plek waar sprake is van brandgevaar, zoals op droog gras of nabij ander ontvlambaar materiaal.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU17280
De eigenaar is verplicht de optimale veiligheid te waarborgen. Door periodiek inspecties, afstellingen en smeerbeurten uit te laten voeren, zorgt u ervoor dat uw machine in zo veilig en efficiënt mogelijke conditie blijft. Op de volgende pagina's wordt de belangrijkste informatie met betrekking tot inspecties, afstellingen en smeerbeurten gegeven.
De intervalperioden vermeld in het periodiek smeer- en onderhoudsschema moeten worden beschouwd als een algemene richtlijn onder normale rijcondities Het is echter mogelijk dat de INTERVALPERIODEN VOOR ONDERHOUD MOETEN WORDEN VERKORT AFHANKELIJK VAN HET WEER, HET TERREIN, DE GEOGRAFISCHE LOCATIE EN INDIVIDUEEL GEBRUIK.
DWA10320

WAARSCHUWING
Vraag een Yamaha dealer het onderhoudswerk uit te voeren als u hiermee niet echt vertrouwd bent.
DWA10330

WAARSCHUWING
Deze scooter is uitsluitend ontworpen voor gebruik op verharde wegen. Wanneer deze scooter wordt gebruikt in een
abnormaal stoffige, modderige of vochtige omgeving, dient het luchtfilterelement vaker te worden gereinigd of te worden vervangen om snelle slijtage van de motor te voorkomen. Raadpleeg een Yamaha dealer voor de juiste onderhoudsperiodes.
DAUT1120
Boordgereedschapset
De boordgereedschapset vindt u in het voorste opbergcompartiment. (Zie pagina 3-12.)
De onderhoudsinformatie in deze handleiding en het gereedschap in de boordgereedschapsset zijn bedoeld om u te ondersteunen bij het uitvoeren van preventief onderhoud en kleinere reparaties. Het gebruik van extra gereedschap zoals een momentsleutel kan echter nodig zijn om bepaalde onderhoudswerkzaamheden correct uit te voeren.
OPMERKING:
Laat een Yamaha dealer onderhoud verrichten als u niet beschikt over het gereedschap of de ervaring die voor bepaalde werkzaamheden vereist zijn.
DWA10350

WAARSCHUWING
Door modificaties die niet door Yamaha zijn goedgekeurd kan het motorvermogen achteruitgaan of de machine te onveilig worden om nog te gebruiken Raadpleeg een Yamaha dealer voordat u zelf wijzigingen aanbrengt.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Periodiek smeer- en onderhoudsschema
DAU17705
OPMERKING:
- De jaarlijkse controles horen eenmaal per jaar te worden uitgevoerd, behalve wanneer in plaats daarvan een onderhoudsbeurt op kilometerbasis wordt verricht.
●Herhaal de onderhoudsintervallen vanaf 50000 km, beginnend vanaf 10000 km. - Werkzaamheden gemarkeerd met een asterisk horen te worden uitgevoerd door een Yamaha dealer, omdat hiertoe speciaal gereedschap, technische gegevens en vakmanschap vereist zijn.
| NR. | ITEM CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) JAAR-LIJKSECON-TROLE | ||||||
| 1 | 1 | 0 | 2 | 0 | ||||
| 1 | * | Brandstofleiding | • Controleer de brandstof- en onderdrukslangen op scheur-tjes of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | |
| 2 | Bougie | • Controleer de conditie.• Reinigen en elektrodenafstand afstellen. | √ | √ | ||||
| • Vervangen. √ √ | ||||||||
| 3 | * | Ventielen | • Controleer de klepspeeling.• Afstellen. | √ | √ | |||
| 4 | Luchtfilterelement | • Reinigen. | √ | √ | ||||
| • Vervangen. √ √ | ||||||||
| 5 | Luchtfilterelement in v-snaarbehuizing | • Reinigen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 6 | * | Voorrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en contro-leer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remblokken. | Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) | JAAR-LIJKSE CON-TROLE | |||||
| 1 | 10 | 20 | 30 | 40 | |||||
| 7* | Achterrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en contro-leer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| • Vervang de remblokken. Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||||
| 8* | Remslangen | • Controleer op scheurtjes en beschadigingen. √ √ | √ | √ | √ | ||||
| • Vervangen. Elke 4 jaar | |||||||||
| 9 | * | Wielen | • Controleer de speling en controleer op beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 10 | * | Banden | • Controleer op slijtage en beschadigingen.• Vervang indien nodig.• Controleer de bandspanning.• Corrigeer indien nodig. | √ | √ | √ | √ | ||
| 11 | * | Wiellagers | • Controleer op speling of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 12 | * | Balhoofdlagers | • Controleer de lagers op speling en oppervlakteruwheid. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| • Smeren met lithiumvet. | Elke 20000 km | ||||||||
| 13 | * | Framebevestigingen | • Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet. | √ | √ | √ | √ | ||
| 14 | Zijstandaard, midden-bok | • Controleer de werking.• Smeren. | √ | √ | √ | √ | |||
| 15 | * | Zijstandaardschakelaar | • Controleer de werking. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 16 | * | Voorvork | • Controleer op een correcte werking en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
| 17 | * | Schokdemperunits | • Controleer op een correcte werking en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
| 18 | * | Carburateur | • Stel het stationair toerental af. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) | JAAR-LIJKSE CON-TROLE | |||||
| 1 | 10 | 20 | 30 | 40 | |||||
| 19 | Motorolie | • Verversen. (Zie pagina 3-4.) √ | Wanneer de indicator olieverversing gaat branden (elke 3000 km) | ||||||
| • Controleer het olieniveau en controleer de machine op olielekkage. | Elke 3000 km √ | ||||||||
| 20 | * | Olie-aanzuigzeef | • Reinigen. | √ | |||||
| 21 | * | Koelsysteem | • Controleer het koelvloeistofniveau en controleer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
| • Verversen. Elke 3 jaar | |||||||||
| 22 | Versnellingsbakolie | • Controleer de machine op olielekkage. √ √ | √ | ||||||
| • Verversen. | √ | √ | √ | ||||||
| 23 | * | V-snaar | • Vervangen. | Elke 20000 km | |||||
| 24 | * | Voor- en achterrem-schakelaar | • Controleer de werking. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 25 | Bewegende delen en kabels | • Smeren. | √ | √ | √ | √ | |||
| 26 | * | Gaskabelhuis en gas-kabel | • Controleer de werking en speling.• Stel indien nodig de speling af.• Smeer het gaskabelhuis en de gaskabel. | √ | √ | √ | √ | ||
| 27 | * | Lampen, richtingaan-wijzers en schakelaars | • Controleer de werking.• Stel de koplampichtbundel af. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
DAUM2070
OPMERKING:
- Het luchtfilter dient vaker te worden gecontroleerd wanneer u in een extreem vochtige of stoffige omgeving rijdt.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
- Controleer regelmatig het remvloeistofniveau en vul indien nodig bij.
- Ververs de remvloeistof elke twee jaar.
- De remslangen dienen elke vier jaar te worden vervangen, of wanneer deze zijn gescheurd of beschadigd.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU18711
Stroomlijn- en framepanelen verwijderen en aanbrengen
Bij het uitvoeren van sommige onderhoudswerkzaamheden beschreven in dit hoofdstuk moeten de afgebeelde stroomlijn- en framepanelen worden verwijderd. Neem deze paragraaf door wanneer een stroomlijn- of framepaneel moet worden verwijderd of aangebracht.

-
Paneel D
-
Verwijder de schroeven in het stroom- lijnpaneel.

-
Stroomlijnpaneel A
-
Schroef
-
Mat op de voetplaat
-
Maak de koplampstekker en de richtingaanwijzerstekker los.

- Paneel E

-
Kabelboomstekker richtingaanwijzer
-
Koplampstekker
-
Trek het stroomlijnpaneel los.
Aanbrengen van het stroomlijnpaneel
-
Sluit de koplampstekker en de richtingaanwijzerstekker aan.
-
Plaats het stroomlijnpaneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroeven aan.
-
Monteer het paneel.
-
Leg de voetplaatmatten terug in de oorspronkelijke positie.
DAUM1520
Stroomlijnpaneel B
Verwijderen van stroomlijnpaneel
- Trek de voetplaatmat aan beide kan- ten van de scooter omhoog.

-
Mat op de voetplaat
-
Verwijder de schroeven aan beide kanten van de scooter en verwijder het stroomlijnpaneel.
Stroomlijnpaneel A
Verwijderen van stroomlijnpaneel
- Trek de voetplaatmat aan beide kan- ten van de scooter omhoog.
- Verwijder paneel A. (Zie pagina 6-8.)
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Schroef
- Stroomlijnpaneel B

- Schroef
- Stroomlijnpaneel B
Aanbrengen van het stroomlijnpaneel
-
Plaats het stroomlijnpaneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroeven aan.
-
Leg de voetplaatmatten terug in de oorspronkelijke positie.
DAUM1530
Paneel A
Verwijderen van het paneel
- Verwijder de schroeven en neem de kuipruit los.

- Kuipruit
- Schroef
- Verwijder de schroeven en trek het paneel los zoals getoond.

- Schroef
- Paneel A
Aanbrengen van het paneel
- Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroeven aan.
- Plaats de kuipruit in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroeven aan.
DAU19280
Paneel B
Verwijderen van het paneel
Verwijder de schroef en trek het paneel dan los zoals getoond.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Schroef
- Paneel B
Aanbrengen van het paneel
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroef aan.
DAUM1540
Paneel C
Verwijderen van het paneel
- Trek de voetplaatmat aan rechterzijde omhoog.

- Mat op de voetplaat
- Verwijder het paneel zoals getoond.

- Paneel C
Aanbrengen van het paneel
- Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie.
- Leg de voetplaatmat terug in de oorspronkelijke positie.
Paneel D
DAU19501
Verwijderen van het paneel
Trek het paneel los zoals getoond.

Aanbrengen van het paneel
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie.
Paneel E
DAU19280
Verwijderen van het paneel
Verwijder de schroef en trek het paneel dan los zoals getoond.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Paneel E
- Schroef
Aanbrengen van het paneel
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroef aan.
DAU19630
Controleren van de bougie
De bougie is een belangrijk motoronderdeel dat gemakkelijk te controleren is. Door hitte en aanslag slijten bougies op de lange duur. Daarom moeten bougies worden verwijderd en gecontroleerd volgens het periodieke onderhouds- en smeerschema. Bovendien kan aan het uiterlijk van de bougie de conditie van de motor worden afgelezen.
De bougie verwijderen
- Verwijder het stroomlijnpaneel B. (Zie pagina 6-7.)
- Verwijder de bougiedop.

-
Bougiedop
-
Verwijder de bougie zoals weergegeven met behulp van de bougiesleutel uit de boordgereedschapsset.

- Bougiesleutel
Controleren van de bougie
- Controleer of de porseleinen isolator rondom de centrale elektrode van de bougie een middeldonkere tot lichte kleur vertoont (de ideale kleur bij normaal gebruik van de scooter).
OPMERKING:
De motor is misschien defect als de bougie een duidelijk andere kleur heeft. Probeer dergelijke problemen niet zelf vast te stellen. Laat in plaats daarvan uw scooter nakijken door een Yamaha dealer.
- Controleer de bougie op afslijting van de elektroden en op overmatige koolstof- of andere aanslag. Vervang indien nodig de bougie.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Voorgeschreven bougie: NGK/DR8EA
De bougie monteren
- Meet de elektrodenafstand met een draadvoelmaat. Stel de afstand indien nodig af volgens de specificatie.

- Reinig het oppervlak van de bougiepakking en het pasvlak en verwijder eventueel vuil uit de schroefdraad van de bougie.
- Breng de bougie aan met behulp van de bougiesleutel en zet vast met het correcte aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Bougie:
17.5 Nm (1.75 m·kgf, 12.5 ft·lbf)
OPMERKING:
Als geen momentsleutel beschikbaar is, wordt de bougie correct vastgezet door handvast te zetten en dan nog 1/4–1/2 slag verder te draaien. De bougie moet echter zo snel mogelijk naar het juiste aanhaalmoment worden aangedraaid.
- Installeer de bougiedop.
- Breng het stroomlijnpaneel aan.
DAUM1550
Motorolie
Vóór iedere rit moet het motorolieniveau worden gecontroleerd. Verder moet de olie worden ververst volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema en wanneer het controlelampje olieverversingstermijn gaat branden.
Om het motorolieniveau te controleren
- Zet de scooter op de middenbok.
OPMERKING:
Zorg dat de scooter rechtop staat bij het controleren van het motorolieniveau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen.
- Start de motor, laat hem een paar minuten warmdraaien en zet hem dan uit.
- Wacht een paar minuten om de olie tot rust te laten komen, verwijder de olie-vuldop, veeg de peilstok schoon, steek deze weer in de vulopening (zonder vast te draaien) en neem dan weer uit om het olieniveau te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
OPMERKING:
Het motorolieniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximumniveau staan.

24JW2490
1. Olievuldop
2. Merkstreep maximumniveau
3. Merkstreep minimumniveau
4. Als de motorolie beneden de merkstreep voor minimumniveau staat, vul dan voldoende olie, van de aanbevolen soort, bij tot het correcte niveau.
5. Steek de peilstok in de vulopening en draai dan de olievuldop vast.
Verversen van de motorolie
-
Start de motor, laat hem een paar minuten warmdraaien en zet hem dan uit.
-
Zet een oliecarter onder de motor om de gebruikte olie op te vangen.
-
Verwijder de olievuldop en de aftap- plug om de olie uit het carter te laten stromen.

-
Olieaftapplug
-
Controleer of de onderlegring beschadigd is en vervang indien nodig.

- Olieaftapplug
-
Ring
-
Breng de onderlegring en de olieaftap- plug aan en zet de plug dan vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Olieaftapplug: 20 Nm (2.0 m·kgf, 14 ft·lbf)
OPMERKING:
Controleer of de onderlegring correct aan- ligt.
- Vul bij met de voorgeschreven hoeveelheid van de aanbevolen motorolie, monteer dan de olievuldop en zet deze vast.
Aanbevolen motorolie:
Zie pagina 8-1.
Oliehoeveelheid bij verversing:
1.20 L (1.27 US qt) (1.06 Imp.qt)
DCA11670
LET OP:
- Gebruik geen olie met een "CD"-dieselspecificatie of een hogere kwaliteit dan gespecificeerd. Gebruik ook geen olie met een "ENERGY CONSERVING II" of hogere aanduiding.
●Zorg dat er geen verontreinigingen in het carter terecht kommen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
- Start de motor, laat hem een paar minuten stationair draaien en controleer daarbij op olielekkage. Als er sprake is van olielekkage, zet de motor dan direct af en zoek de oorzaak.
- Stel de indicator olieverversing terug. (Zie pagina 3-2.)
DAU20060
Versnellingsbakolie
Vóór elke rit moet het eindoverbrengings-huis worden gecontroleerd op olielekkage. In geval van lekkage dient u de scooter door een Yamaha dealer te laten nakijken en te laten repareren. Bovendien dient de versnellingsbakolie als volgt te worden ververst op de aangegeven tijdstippen in het periodieke onderhouds- en smeerschema.
- Start de motor, warm deze op door een paar minuten te gaan rijden en zet dan de motor af.
- Zet de scooter op de middenbok.
- Plaats een olieopvangbak onder het eindoverbrengingshuis om de gebruikte olie op te vangen.
- Verwijder de olievuldop en de aftap- plug om de olie uit het eindoverbren- gingshuis af te tappen.

-
Olievulplug eindoverbrenging
-
Breng de olieaftapplug van de versnel- lingsbakolie aan en zet hem vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.

Olieaftapplug versnellingsbakolie:
22 Nm (2.2 m·kgf, 15.9 ft·lbf)
- Voeg de benodigde hoeveelheid aan- bevolen versnellingsbakolie toe, breng de olievuldop aan en draai deze vast.
Aanbevolen versnellingsbakolie:
Zie pagina 8-1.
Oliehoeveelheid:
●Zorg dat er geen verontreinigingen het cardanhuis kunnen binnendringen.
●Zorg dat er geen olie op de banden of wielen terechtkomt.
- Controleer de versnellingsbak op olielekkage. Zoek in geval van lekkage naar de oorzaak.
DAU20070
Koelvloeistof
Voor iedere rit moet het koelvloeistofniveau worden gecontroleerd. Ook moet de koelvloeistof worden ververst volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU20230
Controleren van het koelvloeistofniveau Het koelvloeistofreservoir bevindt zich onder de accukap. (Zie pagina 6-8.)
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
OPMERKING:
-
Het koelvloeistofniveau moet worden gecontroleerd terwijl de motor koud is, temperatuurverschillen zijn namelijk van invloed op het niveau.
●Zorg dat de machine rechtop staat bij het controleren van het koelvloeistofni-veau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen. -
Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.
OPMERKING:
Het koelvloeistofniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum en maximum niveau staan.

- Merkstreep maximumniveau
-
Merkstreep minimumniveau
-
Open de reservoirdop, vul koelvloeistof bij tot de merkstreep voor maximumniveau en sluit de reservoirdop weer als de koelvloeistof bij of beneden de merkstreep voor minimumniveau staat.

- Dop koelvloeistofreservoir
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de merkstreep voor maximumni-veau):
●Als er geen koelvloeistof voorhanden is, gebruik in plaats daarvan dan gedistilleerd water of zacht leidingwater. Gebruik geen hard water of zout water, hierdoor kan de motor worden beschadigd.
●Wanneer water werd gebruikt in plaats van koelvloeistof, ververs dan zo snel mogelijk met koelvloeistof, anders wordt de motor onvoldoende gekoeld en is het koelsysteem niet beschermd tegen bevriezing en corrosie.
●Als water aan de koelvloeistof is toegevoegd, vraag dan zo snel mogelijk een Yamaha dealer het antivries percentage van de koelvloeistof te controleren, anders zal de koelvloeistof minder effectief zijn.
OPMERKING:
- De radiatorkoelvin schakelt automatisch aan of uit, afhankelijk van de temperatuur van de koelvloeistof in de koelvloeistofradiator.
●Als de motor oververhit raakt, staan op pagina 6-32 nadere instructies vermeld.
DAU33030
De koelvloeistof verversen
DWA10380

WAARSCHUWING
Verwijder de koelvloeistofradiator-vuldop nooit terwijl de motor nog heet is.
De koelvloeistof moet volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeeren onderhoudsschema ververst worden. Laat de koelvloeistof verversen door een Yamaha dealer.
DAUM2030
Luchtfilter en
luchtfilterelementen in v- snaarbehuizing
Het luchtfilter en de luchtfilterelementen in de v-snaarbehuizing moeten worden gereinigd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Reinig beide luchtfilterelementen vaker als u in zeer stoffige of vochtige gebieden rijdt.
DCA10530
LET OP:
- Controleer of beide luchtfilterelementen correct in de behuizingen zijn aangebracht.
●Laat de motor nooit draaien terwijl de luchtfilterelementen afwezig zijn, dat kan leiden tot overmatige slijtage bij de zuiger(s) en/of de cilinder(s).
Reinigen van het luchtfilterelement
- Zet de scooter op de middenbok.
- Verwijder het luchtfilterdeksel door de schroeven te verwijderen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Luchtfilterdeksel
- Schroef
- Filterspons
-
Gaasvel
-
Trek de filterspons samen met het gaasplaatje naar buiten, reinig hem met oplosmiddel en wring het overgebleven oplosmiddel uit de spons.
- Controleer of de filterspons beschadigd is en vervang indien nodig.
- Laat de filterspons eerst drogen.
- Breng olie van de aanbevolen soort aan op het hele oppervlak van de filterspons en wring dan de overtollige olie uit.

Het sponsmateriaal moet nat zijn maar mag niet druipen.
Aanbevolen olie:
Olie voor schuimrubberen luchtfilters
- Breng het sponsmateriaal aan in het luchtfilterhuis.
- Monteer het luchtfilterdeksel door de schroeven aan te brengen.
Het luchtfilterelement in de v-snaarbe-huizing reinigen
- Verwijder het luchtfilterdeksel door de schroeven te verwijderen.
- Verwijder het luchtfilterdeksel op de v- snaarbehuizing door de schroeven te verwijderen.

- Luchtfilterdeksel v-snaarbehuizing
-
Schroef
-
Blaas het vuil met perslucht uit het luchtfilterelement (zie afbeelding).

- Luchtfilterdeksel v-snaarbehuizing
-
Luchtfilterelement in V-snaarbehuizing
-
Controleer het luchtfilterelement in de v-snaarbehuizing op beschadiging en vervang indien dat nodig is.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
- Monteer het luchtfilterdeksel in de v-snaarbehuizing door de schroeven aan te brengen.
- Monteer het luchtfilterdeksel door de schroeven aan te brengen.
DAU21300
De carburateur vormt een belangrijk onderdeel van de motor en moet zeer precies worden afgesteld. Laat daarom alle carburateurafstellingen over aan een Yamaha dealer die over de benodigde vakkennis en ervaring beschikt.
DAU21381
Controleren van de vrije slag gaskabel

ZAJIAOIS
- Vrije slag gaskabel
De vrije slag van de gaskabel dient 1.5–3.0 mm (0.06–0.12 in) te bedragen bij de gasgreep. Controleer de vrije slag van de gaskabel regelmatig en laat de vrije slag indien nodig afstellen door een Yamaha dealer.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU21401
DAUM2040
Klepspeling
De klepspeling kan tijdens gebruik gaan afwijken, waardoor de lucht/brandstof-verhouding kan veranderen en/of het motorgeluid toeneemt. Om dit te voorkomen moet de klepspeling door een Yamaha dealer worden afgesteld volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Banden
Let ten aanzien van de voorgeschreven banden op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw machine.
Bandspanning

De bandspanning moet voor elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden bijgesteld.
DWA10500
WAARSCHUWING
- De bandspanning moet worden gecontroleerd en afgesteld terwijl de banden koud zijn (wanneer de temperatuur van de banden gelijk is aan de omgevingstemperatuur).
- De bandspanning moet worden aangepast aan de rijsnelheid en het totale gewicht van rijder, passagier, bagage en accessoires dat voor dit model is vastgesteld.
Bandspanning (gemeten op koude banden):
0–90 kg (0–198 lb):
Voor:
180 kPa (26 psi) (1.80 kgf/cm²)
Achter:
190 kPa (28 psi) (1.90 kgf/cm²)
* Totaal gewicht van bestuurder, passagier, bagage en accessoires
DWA11200
WAARSCHUWING
De aanwezigheid van bagage heeft grote invloed op het weggedrag, de rem- en rij-eigenschappen en de veiligheid van uw machine. Neem daarom de volgende voorzorgsmaatregelen in acht.
- DE MACHINE NOOIT OVERBELADEN! Rijden met een overbeladen machine kan leiden tot beschadiging van de banden, controleverlies of ernstig letsel. Zorg dat het totale gewicht van de bestuurder, de passagier, de bagage en de gemonteerde accessoires nooit het voorgeschreven maximumlaadgewicht voor de machine overschrijdt.
●Vervoer geen los verpakte spullen die tijdens de rit kunnen gaan schuiven. - Bevestig de zwaarste spullen op veilige wijze dicht bij het midden van de machine en verdeel het gewicht over beide zijden.
●Pas de luchtdruk in de wielophanging en de bandspanning aan op het te vervoeren gewicht. - Controleer vóór iedere rit de conditie en spanning van de banden.
Inspectie van banden

-
Bandprofieldiepte
-
Wang van band
Voor elke rit moeten de banden worden gecontroleerd. Als de bandprofieldiepte op het midden van de band de vermelde limiet heeft bereikt, de band spijkers of stukjes glas bevat of wanneer de wang van de band scheurtjes vertoont, moet de band onmiddellijk door een Yamaha dealer worden vervangen.
Minimale bandprofieldiepte (voor en achter):
1.6 mm (0.06 in)
OPMERKING:
De slijtagelimiet voor bandprofieldiepte is voor diverse landen verschillend. Neem altijd de lokale voorschriften in acht.
Bandeninformatie
Dit model is uitgerust met tubeless banden.
Voorband:
Maat:
120/80-14 58P
Fabrikant/model:
MICHELIN/PILOT CITY TL
Achterband:
Maat:
150/70-14 66P
Fabrikant/model:
MICHELIN/PILOT CITY TL
DWA10470
WAARSCHUWING
●Laat sterk versleten banden door een Yamaha dealer vervangen. Rijden op een machine met versleten banden is niet alleen verboden, maar dit heeft ook een averechts effect op de rijstabiliteit, waardoor u de macht over het stuur zou kunnen verliezen.
- De vervanging van onderdelen van wielen en remmen, inclusief banden, dient te worden overgelaten aan een Yamaha dealer, die over de nodige vakkundige kennis en ervaring beschikt.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU21960
DAUM2060
Gietwielen
Let ten aanzien van de voorgeschreven wielen op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw scooter.
- Controleer de velgen voor iedere rit op scheurtjes, verbuiging of kromtrekken. Laat ingeval van schade het wiel door een Yamaha dealer vervangen. Probeer het wiel nooit zelf te repareren, hoe klein de reparatie ook is. Vervang een wiel dat vervormd is of haar-scheurtjes vertoont.
●Na het vervangen van een wiel of band moet het wiel worden uitgebalanceerd. Een niet uitgebalanceerd wiel zal mogelijk slecht functioneren, of kan een slechte wegligging en een verkorte levensduur van de banden tot gevolg hebben.
●Rijd niet te snel direct na het verwisselen van een band. Het bandoppervlak dient eerst te zijn ingereden voordat het zijn optimale eigenschappen verkrijgt.
Vrije slag van voor- en achterremhendel controleren

ZALRIN107
1. Vrije slag voorremhendel

De vrije slag van de remhendel dient 2.0–5.0 mm (0.08–0.20 in) te bedragen, zoals weergegeven. Controleer de vrije slag van
de remhendel regelmatig en laat indien nodig een Yamaha dealer het remsysteem controleren.
DWA10640
WAARSCHUWING
Als de vrije slag van de remhendel niet normaal is, wijst dat op een serieus defect in het remsysteem. Laat het remsysteem vóór gebruik van de scooter nakijken of repareren door een Yamaha dealer.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU22390
Controleren van voor- en achterremblokken
De remblokken in de voor- en achterrem moeten worden gecontroleerd op slijtage volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU22420
Remblokken voorrem

- Slijtage-indicatorgroef remblok
Elk voorremblok heeft een eigen slijtage-indicatorgroef, zodat het remblok kan worden gecontroleerd zonder de rem te demonteren. Let op de slijtage-indicatorgroef om de remblokslijtage te controleren. Wanneer een remblok zover is afgesleten dat de slijtage-indicatorgroef vrijwel is verdwenen, vraag dan een Yamaha-dealer de remblokken als set te vervangen.
DAU22500
Remblokken achterrem

Controleer elk achterremblok op schade en meet de remvoeringsdikte. Als een remblok beschadigd is of als de remvoeringsdikte minder is dan 3.8 mm (0.15 in), vraag dan een Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.
DAU22580
Controleren van remvloeistofniveau
Voorrem

- Merkstreep minimumniveau
Achterrem

- Merkstreep minimumniveau
Bij een tekort aan remvloeistof kan lucht het remsysteem binnendringen, waarna de remwerking mogelijk minder effectief is.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Controleer alvorens te gaan rijden of de remvloeistof boven de merkstreep voor minimumniveau staat en vul indien nodig bij. Een laag remvloeistofniveau wijst mogelijk op verregaande remblokslijtage en/of lekkage in het remsysteem. Als het remvloeistofniveau laag is, controleer dan de remblokken op slijtage en het remsysteem op lekkage.
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:
- Bij het controleren van het remvloeistofniveau moet het bovenvlak van het remvloeistofreservoir horizontaal staan.
- Gebruik uitsluitend de voorgeschreven kwaliteit remvloeistof, anders kunnen de rubber afdichtingen verslechteren en zo lekkage en slechte remwerking teweegbrengen.
Aanbevolen remvloeistof: DOT 4
●Vul bij met hetzelfde type remvloeistof. Bij vermengen van verschillende typen remvloeistof kunnen schadelijke chemische reacties optreden en kan de remwerking verslechteren.
●Pas op en zorg dat tijdens bijvullen geen water het remvloeistofreservoir kan binnendringen. Water zal het
kookpunt van de remvloeistof aanzienlijk verlagen zodat dampbelvorming kan optreden.
- Remvloeistof kan gelakte of kunststof onderdelen aantasten. Veeg gemorste remvloeistof steeds direct af.
●Naarmate de remblokken afslijten, zal het remvloeistofniveau geleidelijk verder dalen. Vraag echter wel een Yamaha dealer om een inspectie als het remvloeistofniveau plotseling sterk is gedaald.
DAUM1360
Verversen van remvloeistof
Vraag een Yamaha dealer de remvloeistof te verversen volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeeren onderhoudsschema. Laat bovendien de remslang eens in de vier jaar vervangen, of zodra deze lek is of beschadigd blijkt.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23100
Controleren en smeren van kabels
De werking van alle bedieningskabels en de conditie van alle kabels moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de kabel en kabeleinden moeten indien nodig worden gesmeerd. Vraag een Yamaha dealer een kabel te controleren of te vervangen wanneer deze is beschadigd of niet soepel beweegt.
Aanbevolen smeermiddel: Motorolie
DWA10720
WAARSCHUWING
Bij schade aan de buitenkabel kan de goede werking van de kabel worden belemmerd en kan de binnenkabel gaan roesten. Vervang een beschadigde kabel zo snel mogelijk om onveilige condities te voorkomen.
DAU23110
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel
De werking van de gasgreep hoort voorafgaand aan elke rit te worden gecontroleerd. Smeer of vervang ook de gaskabel volgens de intervaltijden gespecificeerd in het periodiek onderhoudsschema.
DAU23170
Smeren van voor- en achterremhendels

De scharnierpunten van de voor- en achterremhendels moeten worden gesmeerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet (universeel vet)
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23210
Controleren en smeren van middenbok en zijstandaard

De werking van de middenbok en de zijstandaard moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de scharnierpunten en de metaal-op-metaal contactvlakken moeten indien nodig worden gesmeerd.
DWA10740
WAARSCHUWING
Als de middenbok of de zijstandaard niet soepel omhoog en omlaag beweegt, vraag dan een Yamaha dealer deze te controleren of te repareren.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet (universeel vet)
DAU23271
Voorvork controleren
De conditie en de werking van de voorvork moeten als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om de conditie te controleren
DWA10750
WAARSCHUWING
Zorg dat de scooter veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.
Controleer de binnenste vorkbuizen op krassen, beschadigingen en overmatige olielekkage.

Om de werking te controleren
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
- Bekrachtig de voorrem en druk het stuur een paar keer stevig naar beneden om te controleren of de voorvork soepel in- en uitveert.
DCA10590
LET OP:
Als schade wordt gevonden of de voorvork niet soepel beweegt, vraag dan een Yamaha dealer te repareren of te controleren.
DAU23280
DAU23290
Controle van stuursysteem
Losse of versleten balhoofdlagers kunnen gevaarlijk zijn. De werking van het stuur moet als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
- Plaats een standaard onder de motor zodat het voorwiel los is van de grond. DWA10750
WAARSCHUWING
Zorg dat de scooter veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.
- Houd de voorvorkpoten beet bij het on- dereinde en probeer ze naar voren en achteren te bewegen. Als speling kan worden gevoeld, vraag dan een Yamaha dealer het stuursysteem te testen.

Controleren van wiellagers
De voor- en achterwiellagers moeten worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Als de wielnaaf speling vertoont of het wiel niet soepel draait, vraag dan een Yamaha dealer de wiellagers te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23390
Accu

- Accu
De accu bevindt zich achter paneel B. (Zie pagina 6-8.)
Dit model is uitgerust met een permanent-dichte accu (onderhoudsvrij type) waarvoor geen onderhoud vereist is. De elektrolyt hoeft niet te worden gecontroleerd en er hoeft geen gedistilleerd water te worden bij-gevuld.
Om de accu op te laden
Vraag zo snel mogelijk een Yamaha dealer de accu te laden als deze ontladen lijkt te zijn. Vergeet niet dat de accu sneller ontladen raakt als de machine is uitgerust met optionele elektrische accessoires.
DWA10760
WAARSCHUWING
- Elektrolyt is giftig en gevaarlijk omdat het zwavelzuur bevat, een stof die ernstige brandwonden veroorzaakt. Vermijd contact met de huid, ogen of kleding en bescherm uw ogen altijd bij werkzaamheden nabij accu's. Voer als volgt EERSTE HULP uit als er lichamelijk contact is geweest met elektrolyt.
- UITWENDIG: Spoel overvloedig met water.
- INWENDIG: Drink grote hoeveelheden water of melk en roep direct de hulp in van een arts.
- OGEN: Spoel gedurende 15 minuten met water en roep direct medische hulp in.
- Accu's produceren het explosieve waterstofgas. Houd daarom vonken, open vuur, sigaretten e.d. uit de buurt van de accu en zorg voor voldoende ventilatie bij acculaden in een afgesloten ruimte.
● HOUD DEZE EN ALLE ACCU'S BUITEN BEREIK VAN KINDEREN.
Om de accu op te bergen
- Verwijder de accu als de machine langer dan een maand niet wordt gebruikt, laad volledig bij en zet hem dan weg op een koele en droge plek.
- Als de accu langer dan twee maanden wordt weggeborgen, moet deze minstens eenmaal per maand worden gecontroleerd; laad de accu dan indien nodig steeds volledig bij.
- Laad de accu volledig bij alvorens te installeren.
- Controleer na installatie of de accukabels correct zijn aangesloten op de accupolen.
DCA10630
LET OP:
●Zorg dat de accu altijd geladen blijft. Door een accu in ontladen toestand weg te bergen kan permanente accuschade ontstaan.
- Om een permanent-dichte accu (onderhoudsvrij type) te laden, is een speciale acculader (met constante laadspanning) vereist. Bij gebruik van een conventionele acculader raakt de accu beschadigd. Wanneer u niet beschikt over een speciale acculader voor permanent-dichte
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
accu's (onderhoudsvrij type), vraag dan een Yamaha dealer uw accu op te laden.
Zekeringen vervangen
De hoofdzekeringhouder bevindt zich achter paneel C. (Zie pagina 6-9.)

- Hoofdzekering
- Reservezekering
DAUM1561

- Backup-zekering
- Koplampzekering
- Zekering radiatorkoelvin
- Zekering signaleringssysteem
- Zekering ontstekingssysteem
- Circuitzekering aansluitcontact voor accessoires
- Reservezekering
- Zekeringklemmen
Het zekeringenblok met de zekeringen voor afzonderlijke circuits bevindt zich in opberg-compartment A. (Zie pagina 3-12.)
Vervang een zekering als volgt als deze is doorgebrand.
- Draai de contactsleutel naar "☒" en schakel het betreffende elektrisch circuit uit.
- Verwijder de doorgebrande zekering en breng een nieuwe zekering met de voorgeschreven ampèrewaarde aan.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Voorgeschreven zekeringen:
Hoofdzekering:
30.0 A
Backup-zekering:
3.0 A
Koplampzekering:
15.0 A
Zekering radiatorkoelvin:
15.0 Å
Zekering signaleringssysteem:
15.0 A
Zekering ontstekingssysteem:
7.5 A
Circuitzekering aansluitcontact voor
accessoires:
3.0 A
DCA10640
LET OP:
Gebruik geen zekering met een hoger ampèrage dan is voorgeschreven, om ernstige schade aan het elektrisch systeem en mogelijk brandgevaar te vermijden.
- Draai de contactsleutel naar "○" en schakel het betreffende elektrisch circuit in om te zien of de apparatuur werkt.
- Als de zekering direct opnieuw doorbrandt, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch systeem te controleren.
DAU23841
Koplampgloeilamp vervangen
De koplamp op dit model heeft een halogeen gloeilamp. Vervang de koplampgloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
- Verwijder stroomlijnpaneel A samen met de koplampunit. (Zie pagina 6-7.)
- Maak de koplampstekker los en verwijder dan de gloeilampkap.

- Gloeilampkap
- Koplampstekker
- Verwijder de gloeilamphouder door deze in te duwen en linksom te draaien en verwijder vervolgens de defecte gloeilamp.

Koplampgloeilampen worden zeer heet. Houd daarom brandbare producten uit de buurt van een koplampgloeilamp en raak het lampglas niet aan zolang dit niet is afgekoeld.
- Breng een nieuwe koplampgloeilamp aan en zet deze dan vast met de gloeilamphouder.

Raak het glas van de koplampgloeilamp niet aan zodat dit vetvrij blijft, anders kan de doorzichtigheid van het glas, de lichtintensiteit en de levensduur nadelig worden beïnvloed. Wrijf eventuele verontreinigingen en vingerafdrukken op het gloeilampglas weg met een doekje gedrenkt in alcohol of thinner.

-
Raak het glas van de gloeilamp niet aan.
-
Breng de gloeilampkap aan en sluit dan de koplampstekker aan.
- Monteer het stroomlijnpaneel samen met de koplampunit.
- Vraag indien nodig een Yamaha dealer de koplamplichtbundel af te stellen.
DAUT1260
Gloeilamp in voorste richtingaanwijzer vervangen
DCA10670
LET OP:
Het is aan te bevelen dit werk uit te laten voeren door een Yamaha dealer.
- Zet de scooter op de middenbok.
- Verwijder stroomlijnpaneel A. (Zie pagina 6-7.)
- Verwijder de lampfitting (samen met de gloeilamp) door deze linksom te draaien.

-
Fitting gloeilamp richtingaanwijzer
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.
-
Breng een nieuwe gloeilamp aan in de fitting, druk de lamp aan en draai rechtsom tot hij stuit.
-
Breng de lampfitting aan (samen met de gloeilamp) door deze rechtsom te draaien.
- Breng het stroomlijnpaneel aan.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAUT1270
Gloeilamp voor remlicht/achterlicht of van gloeilamp voor achterste richtingaanwijzer vervangen

- Fitting gloeilamp richtingaanwijzer
-
Gloeilampfitting remlicht/achterlicht
-
Zet de scooter op de middenbok.
- Verwijder paneel E. (Zie pagina 6-9.)
- Verwijder de lampfitting (samen met de gloeilamp) door deze linksom te draaien.
- Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.
-
Breng een nieuwe gloeilamp aan in de fitting, druk de lamp aan en draai rechtsom tot hij stuit.
-
Breng de lampfitting aan (samen met de gloeilamp) door deze rechtsom te draaien.
- Monteer het paneel.
DAUM1460
Gloeilamp in kentekenverlichting vervangen
- Verwijder het kapje over de kentekenverlichting door de schroef los te draaien.

- Gloeilampfitting
-
Schroef
-
Verwijder de lampfitting (samen met de gloeilamp) door deze naar buiten te trekken.
- Verwijder de defecte gloeilamp door deze uit te trekken.
- Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
- Breng de lampfitting aan (samen met de gloeilamp) door deze vast te drukken.
- Monteer de kentekenverlichting door de schroef aan te brengen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU25B80
Problemen oplossen
Yamaha scooters ondergaan een grondige inspectie voordat ze vanaf de fabriek op transport gaan, maar tijdens gebruik kunnen toch storingen optreden. Problemen in de brandstof-, compressie- of ontstekings-systemen kunnen bijvoorbeeld de oorzaak zijn van slecht starten of een afname in motorvermogen.
In de volgende storingzoekschema's is een snelle en gemakkelijke werkwijze weergegeven om deze vitale systemen zelf te kunnen controleren. Ga met uw scooter echter wel naar een Yamaha dealer als reparaties nodig zijn, hier zijn vakkundige monteurs aanwezig die beschikken over het benodigde gereedschap en de ervaring en vakkennis om het nodige onderhoud aan de machine correct te verrichten.
Gebruik uitsluitend originele Yamaha vervangingsonderdelen. Niet-originele onderdelen lijken misschien op Yamaha onderdelen maar zijn toch vaak van mindere kwaliteit en hebben een kortere levensduur, zodat dan later mogelijk toch dure reparaties nodig zijn.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Storingzoekschema's
DAU25921
Startproblemen of slechte werking van de motor
DWA10840
WAARSCHUWING
Houd open vuur uit de buurt en rook niet terwijl het brandstofsysteem wordt getest of hieraan wordt gewerkt.
1. Brandstof
Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.
Er is voldoende brandstof aanwezig.
Controleer de compressie.
Er is geen brandstof aanwezig.
Vul brandstof bij.
De motor start niet.
Controleer de compressie.
2. Compressie
Bedien de elektrische startknop.
Er is compressie.
Controleer de ontsteking.
Er is geen compressie.
Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
3. Ontsteking
Verwijder de bougie en controleer de elektroden.
Nat
Schoonvegen met een droge doek. Stel de elektrodenafstand van de bougie af of vervang de bougie.
Draai de gasgreep tot halverwege open en bedien de elektrische startknop.
Droog
Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
De motor start niet. Controleer de accu.
4. Accu
Bedien de elektrische startknop.
De motor draait snel rond.
De accu is in orde.
De motor draait langzaam rond.
Controleer de aansluitingen van de accukabels en laad de accu indien nodig.
De motor start niet. Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Oververhitte motor
DWA10400
WAARSCHUWING
- Verwijder de koelvloeistofradiatorvuldop niet terwijl de motor en de koelvloeistofradiator nog heet zijn. Hete vloeistof en stoom kan naar buiten spuiten en zo ernstige brandwonden veroorzaken. Wacht tot de motor is afgekoeld.
- Breng na verwijderen van de borgbout voor de radiatorvuldop een dikke doek, bijvoorbeeld een handdoek, aan over de radiatorvuldop en draai deze dan langzaam linksom tegen de aanslag zodat de nog aanwezige druk kan ontsnappen. Druk de dop omlaag zodra het sisgeluid stopt en draai deze linksom en verwijder de dop.

flowchart
graph TD
A["Wacht tot de motor is afgekoeld."] --> B["Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir en in de radiator."]
B --> C["Het koelvloeistofniveau is laag. Controleer het koelsysteem op lekkage."]
B --> D["Het koelvloeistofniveau is in orde."]
C --> E["Er is lekkage."]
C --> F["Er is geen lekkage."]
E --> G["Vraag een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren en te repareren."]
F --> H["Vul koelvloeistof bij. (Zie OPMERKING.)"]
H --> I["Start de motor. Vraag een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren en te repareren als de motor opnieuw oververhit raakt."]
OPMERKING:
Als geen koelvloeistof beschikbaar is, kan tijdelijk leidingwater worden gebruikt, maar dit moet wel zo snel mogelijk door de voorgeschreven koelvloeistof worden vervangen.
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
DAU26090
Verzorging
De open constructie van een scooter maakt de fraaie techniek beter zichtbaar, maar de machine is hierdoor ook meer kwetsbaar. Er kan sprake zijn van roestvorming en corrosie, ook al zijn hoogwaardige componenten gebruikt. Een roestige uitlaatpijp valt bij een auto niet zo op, bij een scooter is dit echter nadelig voor de algehele aanblik. Regelmatige en correcte verzorging is niet alleen vereist volgens de garantiebepalingen, maar verzekert ook een fraai uiterlijk van de scooter, verlengt de levensduur en verbetert de prestaties.
Alvorens te reinigen
- Dek de uitlaatdemperopening af met een plastic zak nadat de motor is afgekoeld.
- Controleer of alle doppen en afdekpluggen, ook de bougiedoppen, en alle elektrische stekkers en aansluitingen stevig zijn bevestigd.
- Verwijder hardnekkige vervuiling, zoals verbrande olie op het carter, met een ontvetter en een borstel, maar gebruik dergelijke producten nooit op afdichtingen, pakkingen en wielassen. Spoel vuil en ontvetter altijd af met water.
Reinigen
DCA10780
LET OP:
●Vermijd het gebruik van sterke en bijtende wielreinigingsmiddelen, vooral bij spaakwielen. Als dergelijke producten toch worden gebruikt om hardnekkig vuil los te maken, laat het reinigingsmiddel dan niet langer inwerken dan is vermeld in de gebruiksinstructies. Spoel het betreffende gebied grondig schoon met water, laat direct drogen en breng daarna een corrosiewerende spray aan.
●Bij verkeerd reinigen kunnen de kuipruit, de stroomlijnpanelen, framepanelen en andere kunststof delen worden beschadigd. Gebruik alleen een zachte, schone doek of een spons met zachte zeep en water om kunststof delen te reinigen.
- Gebruik geen bijtende chemische reinigingsmiddelen op kunststof delen. Vermijd het gebruik van doeken of sponzen die in contact zijn geweest met bijtende of schurende reinigingsmiddelen, oplosmiddelen of thinner, brandstof (benzine),
roestverwijderingsmiddelen of corrosieremmers, remvloeistof, antivries of elektrolyt.
- Gebruik geen hogedrukreinigers of stoomreinigers, omdat dan op de volgende plaatsen water kan doordringen en zo schade kan ontstaan: afdichtingen (van wiel- en achterbruglagers, voorvork en remmen), elektrische componenten (kabelstekkers, messtekkers, instrumenten, schakelaars en verlichting), beluchtings- en ontluchtingsslangen.
●Bij scooters met een kuipruit: gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen of harde sponzen, deze veroorzaken dofheid en laten krasjes achter. Sommige reinigingsmiddelen voor kunststof laten eveneens krasjes achter op de kuipruit. Test het product op een klein, niet-zichtbaar gedeelte van de kuipruit om zeker te zijn dat geen sporen achterblijven op de kuipruit. Als de kuipruit krasjes vertoont, breng dan na wassen een hoogwaardige polish voor gebruik op kunststof aan.
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
Na normaal gebruik
Verwijder vuil met warm water, zachte zeep en een zachte, schone spons en spoel dan grondig met schoon water. Gebruik een tandenborstel of een flessenborstel op moeilijk bereikbare plekken. Hardnekkig vastzittend vuil en insectenresten laten gemakkelijker los als de bewuste plek alvorens te reinigen een paar minuten met een vochtige doek wordt bedekt.
Na rijden in regen, aan de kust of op bepekelde wegen
Zilte zeelucht en wegenzout waarmee wegen 's winters worden bestrooid hebben in combinatie met water een zeer corrosieve werking; handel daarom als volgt na een rit in een regenbui, nabij de kust of op bepekelde wegen.
OPMERKING:
's Winters gestrooid wegenzout kan nog tot in de lente aanwezig blijven.
- Reinig de scooter met koud water en zachte zeep nadat de machine is afgekoeld.
DCA10790
LET OP:
Gebruik geen heet water, dit versterkt de corrosieve werking van het zout.
- Breng met een spuitbus een corrosie-werend middel aan op alle metalen de- len, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo cor- rosie te voorkomen.
Na reiniging
- Droog de scooter met een zeemleren lap of een vochtabsorberende doek.
- Gebruik een chroompolish om verchroomde, aluminium en roestvrijstalen delen te doen glanzen, ook het uitlaatsysteem. (Zelfs thermische verkleuringen op roestvrijstalen uitlaatsystemen kunnen door oppoetsen worden verwijderd.)
- Het is aan te bevelen om met een spuitbus een corrosiewerend middel aan te brengen op alle metalen delen, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
- Gebruik oliespray als universeel schoonmaakmiddel om eventueel nog achtergebleven vuil te verwijderen.
- Werk kleine lakbeschadigingen bij veroorzaakt door steenslag e.d.
- Zet alle gelakte oppervlakken in de was.
- Laat de scooter volledig drogen alvo- rens te stallen of af te dekken.
DWA10940
WAARSCHUWING
- Controleer of er geen olie of was op de wielen of de remmen zit. Reinig de remschijven en remvoeringen indien nodig met een normale remschijfreiniger of aceton en spoel de banden schoon met lauw water en een mild reinigingsmiddel.
- Test voor u de scooter in gebruik neemt eerst de remwerking en het weggedrag in bochten.
DCA10B00
LET OP:
- Breng een geringe hoeveelheid oliespray en was aan en verwijder overtollige hoeveelheden.
- Breng oliespray of was nooit aan op rubber of kunststof delen, behandel deze met een daartoe bestemd verzorgingsmiddel.
●Vermijd het gebruik van schurende poetsmiddelen, deze tasten de lak aan.
OPMERKING:
Vraag een Yamaha dealer om advies over de te gebruiken producten.
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
DAU26300
Stalling
Korte termijn
Stal uw scooter steeds op een koele en droge plek en bescherm indien nodig tegen stof met een luchtdoorlatende stallinghoes.
DCA10820
LET OP:
- Als de scooter wordt gestald in een slecht geventileerde ruimte of in vochtige toestand wordt afgedekt met een dekzeil, zal water en vocht kunnen binnendringen en roestvorming veroorzaken.
- Voorkom corrosie door de machine niet te stallen in een vochtige kelder, een stal (i.v.m. de aanwezigheid van ammoniakdamp) en in een opslagruimte voor sterke chemicaliën.
Lange termijn
Alvorens uw scooter gedurende meerdere maanden aaneen te stallen:
-
Volg alle instructies op in de paragraaf "Verzorging" in dit hoofdstuk.
-
Leeg de vlotterkamer in de carburateur door de aftapplug los te draaien; u voorkomt zo dat neerslag uit de brandstof achterblijft. Giet de afgetapte brandstof terug in de brandstoftank.
- Vul de brandstoftank en voeg een stabilisatoradditief (indien verkrijgbaar) toe om roestvorming in de tank en achteruitgang van de brandstof te voorkomen.
- Voer de volgende stappen uit om de cilinder, de zuigerveren etc. te beschermen tegen corrosie.
a. Verwijder de bougiedop en de bougie.
b. Giet een theelepel motorolie in het bougiegat.
c. Breng de bougiedop aan op de bougie en leg dan de bougie zodanig op de cilinderkop dat de elektroden aan massa liggen. (Dit voorkomt vonken tijdens de volgende stap.)
d. Laat de motor een paar keer ronddraaien op de startmotor. (De cilinderwand wordt zo geolied.)
e. Haal de bougiedop los van de bougie en breng dan de bougie en de bougiedop weer aan.
DWA10950
WAARSCHUWING
Om schade of letsel door vonkvorming te voorkomen, moeten de bougie-elektroden aan massa liggen terwijl de motor wordt rondgedraaid.
- Smeer alle bedieningskabels en scharnierpunten van alle hendels en pedalen en van de zijstandaard/middenbok.
- Controleer de bandspanning en corri- geer deze indien nodig en breng dan de scooter omhoog zodat beide wielen los van de grond zijn. Een andere mo- gelijkheid is de wielen elke maand iets te draaien, zodat de banden niet op één gedeelte sterker achteruitgaan.
- Dek de uitlaatdemper af met een plastic zak om te voorkomen dat vocht kan binnendringen.
- Verwijder de accu en laad deze volledig bij. Berg de accu op een koele en droge plek op en laad hem eens per maand bij. Berg de accu niet op een zeer warme of koude plek op [minder dan 0 °C (30 °F) of meer dan 30 °C (90 °F)]. Zie pagina 6-26 voor meer informatie over het opbergen van de accu.
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
OPMERKING:
Verricht eventueel noodzakelijke reparaties alvorens de scooter te stallen.
Afmetingen:
Totale lengte:
2170 mm (85.4 in)
Totale breedte:
765 mm (30.1 in)
Totale hoogte:
1465 mm (57.7 in)
Zadelhoogte:
805 mm (31.7 in)
Wielbasis:
1480 mm (58.3 in)
Grondspeling:
155 mm (6.10 in)
Kleinste draaicirkel:
1706 mm (67.2 in)
Gewicht:
Incl. olie en brandstof:
174.0 kg (384 lb)
Motor:
Type motor:
Vloeistofgekoeld, 4-takt, SOHC
Cilinderopstelling:
1-cilinder, vooroverhellend
Slagvolume:
264.0 cm³ (16.11 cu.in)
Boring × slag:
Aanbevolen kwaliteit motorolie:
API service type SE, SF, SG of hoger
Hoeveelheid motorolie:
Zonder vervanging van oliefilterpatroon:
1.20 L (1.27 US qt) (1.06 Imp.qt)
Eindoverbrengingsolie:
Type:
SAE10W30 type SE motorolie
Hoeveelheid:
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de
merkstreep voor maximumniveau):
Inhoud radiator (inclusief alle leidingen):
1.60 L (1.69 US qt) (1.41 Imp.qt)
Luchtfilter:
Luchtfilterelement:
Nat element
Brandstof:
Aanbevolen brandstof:
Uitsluitend normale loodvrije benzine
Inhoud brandstoftank:
10.9 L (2.88 US gal) (2.40 Imp.gal)
Hoeveelheid reservebrandstof:
1.9 L (0.50 US gal) (0.42 Imp.gal)
Carburateur:
Fabrikant:
TEIKEI
Model × aantal:
Y28V-1J x 1
Bougie(s):
Fabrikant/model:
NGK/DR8EA
Elektrodenafstand:
Primair reductiesysteem:
Schroeftandwiel
Primaire reductieverhouding:
40/15 (2.666)
Secundair reductiesysteem:
Schroeftandwiel
Secundaire reductieverhouding:
37/12 (3.083)
Type versnellingbak:
Automatisch, V-snaar
Bediening:
Automatisch centrifugaal
Chassis:
Type frame:
Stalen onderdraagbuis
Spoorhoek:
26.00
Naspoor:
90.0 mm (3.54 in)
Voorband:
Type:
Tubeless
Maat:
120/80-14 58P
Fabrikant/model:
MICHELIN/PILOT CITY TL
Achterband:
Type:
Tubeless
Maat:
150/70-14 66P
Fabrikant/model:
MICHELIN/PILOT CITY TL
Belading:
Maximale belasting:
202 kg (445 lb)
(Totaal gewicht van bestuurder, passagier,
bagage en accessoires)
Bandenspanning (gemeten aan koude
banden):
Gewichtsverdeling:
0–90 kg (0–198 lb)
Voor:
180 kPa (26 psi) (1.80 kgf/cm²)
Achter:
190 kPa (28 psi) (1.90 kgf/cm²)
Gewichtsverdeling:
Bediening met rechterhand
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Achterrem:
Type:
Enkele schijfrem
Bediening:
Bediening met linkerhand
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Voorwielophanging:
Type:
Telescoopvork
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/oliedemper
Veerweg:
108.0 mm (4.25 in)
Achterwielophanging:
Type:
Unit swing
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/oliedemper
Veerweg:
120.0 mm (4.72 in)
Elektrische installatie:
Ontstekingssysteem:
Transistorontsteking
Laadsysteem:
Wisselstroomdynamo met permanente
magneten
Accu:
Model:
F9-12B
Voltage, capaciteit:
12 V, 9.0 A/u
Koplamp:
Type gloeilamp:
Halogeenlamp
SPECIFICATIES
Gloeilampen voltage, wattage × aantal:
Koplamp:
12 V, 35 W/35.0 W × 2
Voorste richtingaanwijzer:
12 V, 21.0 W × 2
Achterste richtingaanwijzer:
12 V, 10.0 W × 2
Parkeerlicht:
12 V, 5.0 W × 2
Kentekenverlichting:
12 V, 5.0 W × 1
Instrumentenverlichting:
LED
Controlelampje richtingaanwijzers:
LED
Zekeringen:
Hoofdzekering:
30.0 A
Koplampzekering:
15.0 A
Zekering signaleringssysteem:
15.0 A
Zekering ontstekingssysteem:
7.5 A
Zekering radiatorkoelvin:
15.0 A
Circuitzekering aansluitcontact voor
accessoires:
3.0 A
Backup-zekering:
3.0 A
GEBRUIKERSINFORMATIE
DAU26351
Identificatienummers
Noteer het sleutelnummer, het voertuigidentificatienummer en de modelinformatiesticker in onderstaande ruimtes. Deze nummers heeft u nodig om reserveonderdelen bij een Yamaha dealer te bestellen of wanneer uw machine is gestolen.
SLEUTELIDENTIFICATIE NUMMER:

Het sleutelnummer is ingeslagen op het sleutelplaatje. Noteer dit nummer in het daartoe bestemde vakje en gebruik dit als referentie bij het bestellen van een nieuwe sleutel.
DAU26381
DAU26410
Voertuigidentificatienummer

- Voertuigidentificatienummer
Het voertuigidentificatienummer is ingeslagen op het frame.
OPMERKING:
Het voertuigidentificatienummer is bedoeld voor identificatie van uw scooter en kan worden gebruikt om uw motor in uw land aan te melden voor kentekenregistratie.
GEBRUIKERSINFORMATIE
DAU26490
Modelinformatiesticker

- Modelinformatiesticker
De modelinformatiesticker is bevestigd aan de onderzijde van het zadel. (Zie pagina 3-11.) Noteer de informatie op deze sticker in het daartoe bestemde vakje. Deze informatie is nodig om reserve-onderdelen te bestellen bij een Yamaha dealer.
A
Aandachtspunten voor veilig motorrijden 1-4
Accu....6-26
Accuspanningmeter/temperatuurmeter voor koelvloeistof.... 3-3 Antidiefstal-alarmsysteem (optie) .... 3-7
B
Bagagehaak 3-14
Banden 6-18
Bougie, controlleren 6-10
Brandstof 3-10
Brandstofniveaumeter 3-3
Brandstofverbruik, tips voor een zuinig.... 5-3
C
Contactslot/stuurslot 3-1
Controlelampje dimlicht 3-2
Controlelampje grootlicht 3-2
Controlelampjes.... 3-2
Controlelampjes richtingaanwijzers ..... 3-2
Controlelijst voor gebruik 4-2
D
Gelijkstroom aansluitcontact voor accessoires 3-17
Gereedschapset 6-1
Gloeilamp in remlicht/achterlicht of gloeilamp richtingaanwijzer (achter), vervangen 6-30
Gloeilamp kentekenverlichting, vervangen 6-30
Gloeilamp richtingaanwijzer (voor), vervangen 6-29
|
Identificatienummers ......9-1
Inrijperiode 5-3
K
Kabels, controlleren en smeren ......6-23
Klepspeling....6-18
Koelvloeistof....6-14
Koplampgloeilamp, vervangen....6-28
L
Lichtsignaalschakelaar....3-7
Locaties van onderdelen 2-1
Luchtfilter en luchtfilterelementen in v-snaarbehuizing, reinigen....6-15
M
Middenbok en zijstandaard, controleren en smeren....6-24
Modelinformatiesticker 9-2
Motorolie 6-11
N
Noodstopschakelaar 3-7
0
Opbergcompartiment ....3-12, 3-13
P
Parkeren....5-4
Periodiek smeer- en onderhoudsschema ....6-2
Problemen oplossen 6-31
R
Remhendel, achterrem 3-9
Remhendels, smeren.... 6-23
Remmen 5-2
Remvloeistofniveau, controleren ..... 6-21
Remvloeistof, verversen 6-22
Richtingaanwijzerschakelaar 3-7
S
Schakelaar alarmverlichting.... 3-8
Schokdemperunits, afstellen.... 3-14
Sleutelnummer.... 9-1
Slotcompartiment.... 3-13
Snelheidsmeter.... 3-2
Sneller en langzamer rijden 5-2
Specifications.... 8-1
Stalling 7-3
Starten van de motor 5-1
Startknop 3-8
Startspersysteem.... 3-15
Storingzoekschema's 6-32
Stroomlijn- en framepanelen, verwijderen en aanbrengen 6-6
Stuurschakelaars 3-7
Stuursysteem, controleren.... 6-25
T
Tankdop.... 3-9
U
Uitlaatkatalysator 3-11
V
Veiligheidsinformatie.... 1-1
Versnellingsbakolie.... 6-13
Verzorging 7-1
Voertuigidentificatienummer 9-1
INDEX
Voor- en achterremblokken controleren.... 6-21
Voorremhendel 3-8
Voorvork, controleren....6-24
Vrije slag gaskabel, controleren.... 6-17
Vrije slag voor- en achterremhendel, controleren.... 6-20
W Wegrijden....5-2 Wielen....6-20 Wiellagers controleren....6-25
Z Zadel .... 3-11 Zekeringen, vervangen .... 6-27 Zijstandaard .... 3-15

YAMAHA
YAMAHA MOTOR CO., LTD.
PRINTED IN FRANCE
2004.09 (D)