XTZ1200 - Motorfiets YAMAHA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis XTZ1200 YAMAHA in PDF-formaat.
| Producttype | Motorfiets |
| Merk | Yamaha |
| Model | XTZ1200 (Super Ténéré) |
| Motortype | Vloeistofgekoelde 4-takt DOHC tweecilinder lijnmotor |
| Slagvolume | 1199 cm³ |
| Boring x slag | 98,0 x 79,5 mm |
| Compressieverhouding | 11,0:1 |
| Startsysteem | Elektrische startmotor |
| Brandstoftype | Loodvrije superbenzine (RON 95 of hoger) |
| Inhoud brandstoftank | 23,0 L (reserve 3,9 L) |
| Motorolie (met filter) | 3,40 L |
| Motorolie (zonder filter) | 3,10 L |
| Cardanolie | Yamaha cardanolie SAE 80 API |
| Transmissie | 6-versnellingsbak constant mesh, cardanaandrijving |
| Voorvering | Telescoopvork, veerweg 190 mm, instelbare veervoorspanning en demping |
| Achtervering | Swingarm met schokdemper, veerweg 190 mm, instelbare veervoorspanning en demping |
| Voorremmen | Dubbele schijfremmen, ABS |
| Achterremmen | Enkele schijfrem, ABS |
| Voorband | 110/80R19M/C 59V |
| Achterband | 150/70R17M/C 69V |
| Afmetingen (LxBxH) | 2255 x 980 x 1410 mm |
| Wielbasis | 1540 mm |
| Zadelhoogte | 845/870 mm (verstelbaar in twee standen) |
| Grondspeling | 205 mm |
| Rijklaar gewicht | 261 kg |
| Maximale belading | 209 kg (bestuurder, passagier, bagage en accessoires) |
| Elektrisch systeem | 12 V, accu YTZ12S 11,0 Ah |
| Verlichting koplamp | Halogeen 12 V 55 W x 2 |
| Instrumentenverlichting | LED |
| Rijmodi | D-mode: Toermodus "T" en Sportmodus "S" |
| Tractieregeling | Drie modi: 1 (standaard), 2 (sportief), Off (uit) |
| Startblokkeersysteem | Transponder-gebaseerd, met codeersleutel (rood) en standaardsleutels (zwart) |
| Gekoppeld remsysteem | Ja, regelt voor- en achterrem gelijktijdig bij gebruik remhendel |
| Multifunctionele meter | Snelheid, toeren, kilometerteller, rittellers, brandstofniveau, temperatuur, brandstofverbruik, klok, foutcodes |
| Overige veiligheidsvoorzieningen | Startspersysteem (zijstandaard, koppeling, vrijstand), antidiefstal alarmsysteem (optioneel) |
Veelgestelde vragen - XTZ1200 YAMAHA
Gebruikersvragen over XTZ1200 YAMAHA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Motorfiets in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding XTZ1200 - YAMAHA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. XTZ1200 van het merk YAMAHA.
GEBRUIKSAANWIJZING XTZ1200 YAMAHA
⚠ Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze machine gaat gebruiken.
HANDLEIDING
SUPER TENERE
XT1200Z
23P-F8199-D1
⚠️ Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze machine gaat gebruiken. Deze handleiding dient bij de machine te blijven als deze wordt verkocht.
YAMAHA
YAMAHA MOTOR ELECTRONICS CO., LTD.
1450-6, Mori, Mori-machi, Shuchi-gun, Shizuoka-ken, 437-0292 Japan
Verklaren hierbij dat het product:
Type apparaat: STARTBLOKKERING
Typeaanduiding: 5SL-00
in overeenstemming is met de volgende norm(en) of documenten:
R&TTE richtlijn(1999/5/EG)
EN300 330-2 v1.1.1(2001-6), EN60950-1(2001)
Richtlijn betreffende motorvoertuigen op twee of drie wielen(97/24/EG: Hoofdstuk 8, EMC)
Plaats van afgifte: Shizuoka, Japan
Datum van afgifte: 1 augustus 2002
Overzicht van wijzigingen
| Nr. | Inhoud Datum | |
| 1 | Om contactpersoon te wijzigen en typeaanduilding te Integreren. | 9 Juni 2005 |
| 2 | Overgang van norm EN60950 maar EN60950-1 | 27 februari 2006 |
| 3 | Om bedrijfsnaam te wijzigen | 1 maart 2007 |
Algemeen directeur afdeling kwaliteitsbeheer

DAU10102
Welkom in de wereld van Yamaha!
Als eigenaar van de XT1200Z profiteert u van de enorme ervaring en technische kennis van Yamaha op het gebied van het ontwerpen en fabriceren van hoogwaardige producten, waarmee Yamaha zijn reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven.
Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw XT1200Z. De Gebruikershandleiding geeft instructies voor de bediening, inspectie en het onderhoud van de machine en beschrijft hoe u uzelf en anderen kunt beschermen tegen persoonlijk letsel of schade.
Verder helpen allerlei tips in deze handleiding om uw machine in optimale conditie te houden. Als er ten slotte toch nog vragen zijn, aarzel dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.
Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe. En vergeet niet, veiligheid voor alles!
Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan soms sprake zijn van kleine tegenstrijdigheden tussen uw machine en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recente productinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen hebt over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.
DWA10031
WAARSCHUWING
Lees deze handleiding aandachtig helemaal door voordat u deze machine gaat gebruiken.
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU10132
Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:
| Dit is het Safety Alert-symbol. Het wordt gebruikt om u te waarschuwen voor risico's op persoonlijk letsel. Volg alle veiligheidsaanwijzingen bij dit symbool op om mogelijk letsel of overlijden te voorkomen. | |
| Een WAARSCHUWING duidt een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, kan resul- teren in ernstig letsel of overlijden. | |
| LET OP | De aanduiding LET OP staat bij speciale voorzorgen die moeten worden genomen om scha- de aan de machine of andere eigendommen te voorkomen. |
| OPMERKING | De aanduiding OPMERKING staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijken of verhelderen. |
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU36390
XT1200Z
HANDLEIDING
©2010 door Yamaha Motor Co., Ltd.
1e uitgave, juli 2010
Alle rechten voorbehouden.
Elke vorm van herdruk of onbevoegd ge-
bruik
zonder schriftelijke toestemming van
Yamaha Motor Co., Ltd.
is uitdrukkelijk verboden.
Gedrukt in Nederland.
INHOUDSOPGAVE
VEILIGHEIDSINFORMATIE ....1-1
BESCHRIJVING 2-1
Aanzicht linkerzijde....2-1
Aanzicht rechterzijde 2-2
Bedieningen en instrumenten......2-3
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN 3-1
D-mode (rijmodus) 3-1
Startblokkeersysteem 3-1
Contactslot/stuurslot 3-2
Controle- en waarschuwingslampjes ....3-4
Multifunctionele meter 3-8
Antidiefstal-alarmsysteem (optie) 3-15
Stuurschakelaars ....3-15
Koppelingshendel ....3-16
Schakelpedaal 3-17
Remhendel 3-17
Rempedaal 3-18
ABS 3-19
Tractieregeling 3-20
Tankdop 3-21
Brandstof 3-22
Tankbeluchtingsslang/ overloopslang ....3-23
Uitlaatkatalysator 3-23
Bestuurderszadel ....3-24
De hoogte van het bestuurderszadel verstellen ..... 3-25
Kuipruit 3-26
Voorvork afstellen 3-27
Schokdemperunit afstellen ..... 3-28
Bagagedragers 3-30
Bagageriembevestiging 3-31
Zijstandaard 3-31
Startspersysteem 3-32
Gelijkstroom aansluitcontact voor accessoires 3-34
VOOR UW VEILIGHEID – CONTROLES VOOR HET RIJDEN ... 4-1
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE 5-1
Starten van de motor 5-1
Schakelen 5-2
Tips voor een zuinig brandstofverbruik 5-3
Inrijperiode 5-3
Parkeren 5-4
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN 6-1
Boordgereedschapset 6-2
Periodiek onderhoudsschema voor het uitstootcontrolesysteem ...... 6-3
Algemeen smeer- en onderhoudsschema 6-4
Stroomlijnpanelen verwijderen en aanbrengen 6-8
Controleren van de bougies ...... 6-10
Motorolie en oliefilterpatroon ..... 6-11
Cardanolie 6-14
Koelvloeistof 6-15
Luchtfilterelement 6-16
Stationair toerental controleren .... 6-17
De vrije slag van de gasgreep controleren 6-17
Klepspeling 6-17
Banden 6-18
Spaakwielen 6-20
Koppelingshendel 6-20
Vrije slag van remhendel controleren 6-20
Remlichtschakelaars 6-21
Controleren van voor- en achterremblokken 6-21
Controleren van remvloeistofniveau 6-22
Rem- en koppelingsvloeistof verversen 6-23
Kabels controleren en smeren ..... 6-23
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel .... 6-24
Controleren en smeren van rem- en schakelpedalen ...... 6-24
Controleren en smeren van rem- en koppelingshendels ..... 6-25
INHOUDSOPGAVE
Middenbok en zijstandaard controleren en smeren ....6-25
Achterbrugscharnierpunten smeren 6-26
Voorvork controleren 6-26
Stuursysteem controleren ....6-27
Controleren van wiellagers .....6-27
Accu 6-28
Zekeringen vervangen 6-29
Koplampgloeilamp vervangen .....6-31
Gloeilamp in richtingaanwijzer vervangen 6-32
Gloeilamp kentekenverlichting vervangen 6-33
Parkeerlichtgloeilamp vervangen 6-34
Problemen oplossen 6-36
Storingzoekschema's 6-37
VERZORGING EN STALLING
VAN DE MOTORFIETS....7-1
Matkleur, let op ....7-1
Verzorging 7-1
Stalling 7-3
SPECIFICATIES 8-1
GEBRUIKERSINFORMATIE......9-1
Identificatienummers ......9-1

VEILIGHEIDSINFORMATIE
DAU10318
1
Wees een verantwoordelijke eigenaar
Als eigenaar van de machine bent u verantwoordelijk voor de veilige en juiste bediening ervan.
Motorfietsen zijn tweewielige voertuigen. Voor een veilig gebruik zijn de toepassing van de juiste rijtechnieken en de ervaring van de bestuurder van belang. Elke bestuurder moet bekend zijn met de volgende vereisten alvorens met deze motorfiets te gaan rijden.
Hij of zij moet:
●Door een competente informatiebron grondig zijn ingelicht over alle aspecten van het motorrijden.
- Zich houden aan de waarschuwingen en onderhoudseisen zoals vermeld in deze Gebruikershandleiding.
- Grondig getraind zijn in veilige en correcte rijtechnieken.
- Gebruikmaken van professionele technische service, zoals aangegeven in deze Gebruikershandleiding en/of wanneer de mechanische condities dit vereisen.
Veilig rijden
Voer vóór elke rit de controles voor het rijden uit om u ervan te verzekeren dat de machine in veilige staat verkeert. Onvoldoende inspectie of onderhoud van de machine vergroot het risico op ongeval of schade. Zie pagina 4-1 voor een lijst met controles voor het rijden.
- Deze motorfiets is gebouwd voor het vervoer van de bestuurder plus een passagier.
- Het niet opmerken en herkennen van motorfietsen door andere weggebruikers vormt de belangrijkste oorzaak van auto-/motorongevallen. Vaak worden ongevallen veroorzaakt doordat een autobestuurder de motor niet heeft gezien. Zorg dat u opvalt, dat blijkt het meest effectief om het risico op een dergelijk type ongeval te verminderen.
Dus:
- Draag een jack in felle kleuren.
- Wees extra voorzichtig bij het nade- ren en passeren van kruisingen, daar doen ongelukken met motor- fietsen zich namelijk het meest voor.
- Ga daar rijden waar andere weggebruikers u kunnen zien. Ga niet rijden in de dode zichthoek van een andere weggebruiker.
- Bij veel ongevallen zijn onervaren bestuurders betrokken. Veelal zijn bestuurders die bij een ongeval betrokken waren zelfs niet in het bezit van een geldig motorrijbewijs.
- Zorg dat u bekwaam bent om te rijden en leen uw motorfiets alleen uit aan ervaren motorrijders.
- Weet wat u wel en niet aankunt. Door rekening te houden met uw beperkingen helpt u ongelukken voorkomen.
- We raden aan om het motorrijden te oefenen op plekken waar geen verkeer is, totdat u grondig bekend bent met de motor en zijn bediening.
- Ongelukken worden vaak veroorzaakt door een fout van de motorbestuurder. Veel bestuurders houden bij het ingaan van een bocht een te hoge rij-
snelheid aan of gaan onvoldoende schuinliggen voor de rijsnelheid, waardoor ze wijd uit de bocht komen.
- Neem altijd de maximumsnelheid in acht en rijd nooit sneller dan de wegcondities en het verkeer toestaan.
- Geef altijd richting aan voordat u afslaat of van rijstrook wisselt. Zorg dat andere weggebruikers u kunnen zien.
- De zithouding van de bestuurder en de passagier is belangrijk voor een goede besturing.
- De bestuurder moet tijdens het rijden beide handen aan het stuur houden en beide voeten op de bestuurdersvoetsteunen, om zo de macht over het stuur te behouden.
- De passagier hoort steeds de bestuurder, de zadelband of de handgreep, indien aanwezig, met beide handen vast te houden en beide voeten op de passagiersvoetsteunen te houden. Neem nooit een passagier mee die niet in staat is om beide voeten stevig op de passagiersvoetsteunen te zetten.
●Rijd nooit onder invloed van alcohol of andere drugs.
Beschermende uitrusting
Motorongelukken met dodelijke afloop betreffen meestal hoofdletsel. Het dragen van een helm is de belangrijkste factor bij het voorkomen of reduceren van hoofdletsel.
●Draag altijd een goedgekeurde helm.
●Draag ook een vizier of een veiligheidsbril. Zonder oogbescherming kan uw zicht door de rijwind verslechteren, waardoor u gevaren mogelijk te laat opmerkt.
●Door een jack, stevige schoenen, een lange broek, handschoenen e.d. te dragen verkleint u de kans op schaafwonden of ontvellingen.
- Draag nooit loszittende kleding, deze kan blijven haken aan bedieningshandgrepen of door de wielen worden gegrepen en zo een ongeval of letsel veroorzaken.
- Draag altijd beschermende kleding die uw benen, enkels en voeten bedekt. De motor en het uitlaatsysteem kunnen tijdens en na het rijden zeer heet zijn en brandwonden veroorzaken.
- De hierboven vermelde voorzorgsmaatregelen gelden ook voor passagiers.
Voorkom koolmonoxidevergiftiging
De uitlaatgassen van verbrandingsmotoren bevatten koolmonoxide, een dodelijk gas. Inademing van koolmonoxide kan hoofdpijn, duizeligheid, sufheid, misselijkheid, verwarring en uiteindelijk de dood veroorzaken.
Koolmonoxide is een kleurloos, reukloos, smaakloos gas dat ook aanwezig kan zijn als u geen uitlaatgassen ziet of ruikt. Het koolmonoxideniveau kan zeer snel oplopen, waardoor u het bewustzijn kunt verliezen en uzelf niet meer kunt redden. In afgesloten of slecht geventileerde ruimtes kunnen dodelijke hoeveelheden koolmonoxide dagenlang blijven hangen. Als u symptomen van koolmonoxidevergiftiging ervaart, verlaat de ruimte dan onmiddellijk, ga naar de open lucht en ROEP MEDI-SCHE HULP IN.
●Laat de motor niet binnen draaien. Zelfs als u ventileert met ventilatoren of open ramen en deuren kan de hoeveelheid koolmonoxide snel oplopen tot gevaarlijke niveaus.
●Laat de motor niet draaien in slecht ge-ventileerde of deels afgesloten ruimtes zoals schuren of garages.

VEILIGHEIDSINFORMATIE
●Laat de motor niet buiten draaien op plaatsen waar de uitlaatgassen in een gebouw kunnen worden getrokken via openingen zoals ramen en deuren.
Beladen
Het monteren van accessoires of het vervoer van bagage kan een negatief effect hebben op de rijstabiliteit en het weggedrag als hierdoor de gewichtsverdeling van de motor verandert. Wees uiterst voorzichtig bij het monteren van accessoires of het beladen van uw motor, om zo mogelijke ongevallen te vermijden. Pas extra op wanneer u op een motor rijdt die beladen is of waaraan accessoires zijn gemonteerd. Hieronder volgen naast de informatie over accessoires enkele richtlijnen voor het beladen van uw motorfiets:
Het totale gewicht van de bestuurder, passagier, accessoires en bagage mag de maximale gewichtslimiet niet overschrijden. Rijden met een te zwaar belaste machine kan leiden tot een ongeval.
Maximale belasting:
209 kg (461 lb)
Let op het volgende wanneer u tot deze gewichtslimiet belaadt:
- Het zwaartepunt van bagage en accessoires moet zo laag mogelijk liggen en zo dicht mogelijk bij de motor. Bevestig zware goederen zo dicht mogelijk bij het midden van de machine en verdeel het gewicht zo gelijkmatig mogelijk over beide zijden om onbalans of instabiliteit te minimaliseren.
●Als gewicht gaat schuiven kan zich een plotselinge onbalans voordoen. Controleer voordat u gaat rijden of accessoires en bagage stevig aan de motor zijn bevestigd. Controleer de bevestigingspunten voor accessoires en bagage regelmatig.
- Pas de vering aan de te vervoeren bagage aan (alleen voor modellen met instelbare vering) en controleer de toestand en spanning van uw banden.
- Bevestig nooit omvangrijke of zware goederen aan het stuur, de voorvork of het voorwielspatbord. Dergelijke voorwerpen, inclusief bagage als slaapzakken, plunjezakken of tenten, kunnen een instabiel weggedrag of een te trage reactie op het stuur veroorzaken.
- Deze machine is niet ontworpen voor het trekken van een aanhanger of bevestiging van een zijspan.
Originele Yamaha accessoires
De keuze van accessoires voor uw machine vormt een belangrijke beslissing. Originele Yamaha accessoires, die alleen verkrijgbaar zijn bij de Yamaha dealer, zijn door Yamaha ontwikkeld, getest en goedgekeurd voor gebruik op uw machine.
Veel bedrijven die niet zijn gelieerd aan Yamaha produceren onderdelen en accessoires of bieden aanpassingssets voor Yamaha voertuigen. Yamaha kan niet alle producten testen die deze bedrijven produceren. Om die reden kan Yamaha accessoires die niet door Yamaha zijn verkocht of wijzigingen die niet door zijn Yamaha zijn aangeraden niet goedkeuren of aanbevelen, zelfs niet als deze zijn verkocht en geïnstalleerd door een Yamaha dealer.
In de handel verkrijgbare onderdelen, accessoires en aanpassingssets
Hoewel er producten verkrijgbaar zijn die qua ontwerp en kwaliteit sterk lijken op originele Yamaha accessoires, dient u te beseffen dat sommige in de handel verkrijgbare accessoires of aanpassingssets niet geschikt zijn vanwege mogelijke veiligheidsrisico's voor uzelf of anderen. Het monteren van in de handel verkrijgbare producten of het verrichten van aanpassingen die de ontwerp- of bedieningskenmerken
van uw machine wijzigen kan het risico op ernstig letsel of overlijden van uzelf of anderen vergroten. U bent verantwoordelijk voor letsel dat voortvloeit uit wijzigingen aan de machine.
Volg bij de montage van accessoires de onderstaande richtlijnen en die vermeld onder het kopje "Beladen".
- Monteer nooit accessoires en vervoer nooit bagage als deze een nadelige invloed hebben op de prestaties van uw motor. Inspecteer het accessoire zorgvuldig alvorens het te gebruiken om te waarborgen dat het de grondspeling of de hellinghoek op geen enkele manier vermindert, de veerweg, de stuuruitslag of de bediening niet beperkt en geen lampen of reflectors afdekt.
- Accessoires die aan of nabij het stuur of de voorvork zijn gemonteerd zullen mogelijk instabiliteit veroorzaken door een foutieve gewichtsverdeling of door aerodynamische effecten. Accessoires aan het stuur of nabij de voorvork moeten zo licht mogelijk zijn en tot een minimum worden beperkt.
- Omvangrijke accessoires kunnen door hun aerodynamisch effect van invloed zijn op de rijstabiliteit van de motor. De motor kan door rijwind
worden opgetild of bij zijwind instabiel worden. Zulke accessoires kunnen ook instabiliteit veroorzaken terwijl u grote voertuigen inhaalt of door deze wordt ingehaald.
- Sommige accessoires dwingen de bestuurder om een andere dan de normale zitpositie in te nemen. Zo'n verkeerde zitpositie beperkt de bewegingsvrijheid van de bestuurder en kan een comfortabele bediening hinderen, zodat we dergelijke accessoires sterk afraden.
- Wees voorzichtig bij het aanbrengen van elektrische accessoires. Als elektrische accessoires de capaciteit van het elektrisch systeem van de motorfiets te boven gaan, kan zich een gevaarlijke elektrische storing voordoen waardoor de verlichting of de motor uitvalt.
In de handel verkrijgbare banden en velgen
De banden en velgen die bij uw motorfiets werden geleverd, zijn ontworpen om de mogelijkheden van de motorfiets te ondersteu- nen en bieden de beste combinatie van rijprestaties, remvermogen en comfort. Andere banden, velgen, maten of combinaties zijn mogelijk niet geschikt. Zie pagina 6-18 voor bandenspecificaties en meer informatie over het vervangen van uw banden.
De motorfiets vervoeren
Volg de onderstaande instructies als u de motorfiets in een ander voertuig wilt vervoeren.
- Verwijder alle loszittende voorwerpen van de motorfiets.
- Controleer of de brandstofkraan (indien aanwezig) in de "OFF"-stand staat en er geen brandstoflekkage is.
●Zorg dat het voorwiel recht naar voren wijst op de aanhanger of de laadvloer en zet het wiel vast in een goot om beweging te voorkomen.
●Schakel een versnelling in (bij modelen met een handgeschakelde versnellingsbak).
- Zet de motorfiets vast met spanbanden of andere geschikte banden aan stevige delen van de motorfiets, zoals het frame of de bovenste voorvorkklem (en niet aan, bijvoorbeeld, het stuur, de richtingaanwijzers of onderdelen die kunnen afbreken). Kies de plaats voor de spanbanden zorgvuldig om te voorkomen dat deze tijdens het transport schuurplekken op de lak veroorzaken.

VEILIGHEIDSINFORMATIE
●Zorg indien mogelijk dat de vering iets door de spanbanden wordt ingedrukt, zodat de motorfiets tijdens het transport niet overmatig kan stuiteren.
Aanzicht linkerzijde
DAU10410

Aanzicht rechterzijde
DAU10420

- Vloeistofreservoir achterrem (pagina 6-22)
- Stelknop voor veervoorspanning schokdemperunit (pagina 3-28)
- Stelschroef voor uitveerdemping voorvork (pagina 3-27)
- Stelbout voor veervoorspanning voorvork (pagina 3-27)
- Hoofdzekering (pagina 6-29)
- Zekering ABS-motor (pagina 6-29)
- Zekeringenkastje (pagina 6-29)
-
Stelschroef voor inveerdemping voorvork (pagina 3-27)
-
Boordgereedschapset (pagina 6-2)
10.Accu (pagina 6-28)
11.Olievuldop (pagina 6-11)
12.Kijkglas olieniveau (pagina 6-11)
13.Rempedaal (pagina 3-18)
14.Stelknop voor uitveerdemping schokdemperunit (pagina 3-28)
Bedieningen en instrumenten
DAU10430

- Koppelingshendel (pagina 3-16)
- Schakelaargroep linkerstuurzijde (pagina 3-15)
- Reservoir koppelingsvloeistof (pagina 6-22)
- Multifunctionele meter (pagina 3-8)
- Gelijkstroom aansluitcontact voor accessoires (pagina 3-34)
- Vloeistofreservoir voorrem (pagina 6-22)
- Schakelaargroep rechterstuurzijde (pagina 3-15)
-
Remhendel (pagina 3-17)
-
Gasgreep (pagina 6-17)
- Contactslot/stuurslot (pagina 3-2)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU49431
D-mode (rijmodus)
D-mode is een elektronisch geregeld motor-prestatiesysteem met twee modusselecties (toermodus "T" en sportmodus "S").
Druk de rijmodusschakelaar "MODE" in om te wisselen tussen de modi. (Zie pagina 3-16 voor uitleg over de rijmodusschakelaar.)

- Rijmodusschakelaar "MODE"
OPMERKING
Maak uzelf vertrouwd met de werking van D-mode en de rijmodusschakelaar MODE alvorens het systeem te gebruiken.
Toermodus "T"
De toermodus "T" is geschikt voor verschillende rijsituaties.
Deze modus biedt een soepel rijgedrag van het lage- tot het hogetoerenbereik.
Sportmodus "S"
Vergeleken met de toermodus biedt deze modus een sportievere motorrespons in het lage- en middelhogetoerenbereik.
Startblokkeersysteem
DAU10977

- Codeersleutel (rood bovendeel)
- Standaardsleutels (zwart bovendeel)
Dit voertuig is voorzien van een startblokkeersysteem waarmee diefstal kan worden bemoeilijkt door de codering van de standaardsleutels te wijzigen. Het systeem bestaat uit de volgende onderdelen:
- een codeersleutel (met een rood bo- vendeel)
- twee standaardsleutels (met een zwart bovendeel) die opnieuw kunnen worden gecodeerd
- een transponder (die is geïntegreerd in de codeersleutel)
●een startblokkeereenheid
●een ECU - een controlelampje van de startblokkering (Zie pagina 3-8.)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
De sleutel met het rode bovendeel wordt gebruikt om de twee standaardsleutels te coderen. Het wijzigen van de codes is een ingewikkelde procedure. Breng het voertuig daarom met alle drie sleutels naar een Yamaha dealer om deze opnieuw te laten coderen. Gebruik de sleutel met het rode bovendeel niet om met het voertuig te rijden. Deze sleutel dient uitsluitend te worden gebruikt voor het opnieuw coderen van de standaardsleutels. Gebruik altijd een standaardsleutel om met het voertuig te rijden.
DCA11821
LET OP
●ZORG DAT U DE CODEERSLEUTEL NIET VERLIEST! NEEM DIRECT CONTACT OP MET UW DEALER ALS U HEM VERLOREN HEBT! Als de codeersleutel verloren is, kunnen de standaardsleutels niet opnieuw gecodeerd worden. U kunt het voertuig dan nog steeds starten met de standaardsleutels, maar als ze opnieuw gecodeerd moeten worden (d.w.z. als er een nieuwe standaardsleutel is gemaakt of als alle sleutels verloren zijn), dient het gehele startblokkeersysteem vervangen te worden. Daarom wordt u sterk aangeraden een van de stan-
daardsleutels te gebruiken en de codeersleutel op een veilige plek te bewaren.
●Dompel de sleutels nooit in water.
- Stel de sleutels nooit bloot aan extreem hoge temperaturen.
●Leg de sleutels nooit vlakbij magnetische voorwerpen (zoals bijvoorbeeld speakers enz.).
●Plaats nooit voorwerpen die elektrische signalen uitzenden vlakbij de sleutels.
-Plaats nooit zware voorwerpen op de sleutels.
●U mag de sleutels nooit slijpen of de vorm ervan wijzigen.
- U mag het plastic gedeelte van de sleutels nooit demonteren.
●Hang nooit twee sleutels van een startblokkeersysteem aan dezelfde sleutelring.
●Bewaar de standaardsleutels en ook de sleutels van andere startblokkeersystemen altijd op een andere plek dan de codeersleutel van het voertuig.
●Houd sleutels van andere startblokkeersystemen altijd uit de buurt van het contactslot, want anders kunnen ze signaalstoring veroorzaken.
Contactslot/stuurslot

Via het contactslot/stuurslot worden het ontstekingssysteem en de verlichtingssystemen bediend en wordt het stuur vergrendeld. De diverse standen worden hierna beschreven.
OPMERKING
Gebruik de standaardsleutel (zwarte greep) voor regelmatig gebruik van de machine. Bewaar de codeersleutel (rode greep) op een veilige plaats en gebruik deze uitsluitend voor hercodering om het risico op verlies te minimaliseren.
DAU26811
ON
Alle elektrische circuits worden voorzien van stroom; de instrumentenverlichting, de achterlichten, de kentekenverlichting en de
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
parkeerlichten gaan branden en de motor kan worden gestart. De sleutel kan niet worden uitgenomen.
OPMERKING
De koplampen gaan automatisch branden als de motor wordt gestart en blijven aan totdat de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid.
DAU10661
OFF
Alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
DWA10061
WAARSCHUWING
Draai nooit de sleutel naar "OFF" of "LOCK" terwijl de machine rijdt. Hierdoor worden de elektrische systemen uitgeschakeld, wat mogelijk kan leiden tot verlies van de controle of een ongeval.
DAU10691
LOCK
Het stuur is vergrendeld en alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
Om het stuur te vergrendelen


- Drukken.
-
Draaien.
-
Draai het stuur helemaal naar links of rechts.
- Druk de sleutel in de "OFF"-stand in en draai deze dan naar "LOCK". Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
- Neem de sleutel uit.
Om het stuur te ontgrendelen


- Drukken.
- Draaien.
Druk de sleutel in het contactslot en draai deze dan naar "OFF". Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
DAU39460
p≤ (Parkeren)
Het stuur is vergrendeld en de achterlichten, de kentekenverlichting en de parkeerlichten branden. De alarmverlichting en richtingaanwijzers kunnen worden ingeschakeld, maar alle andere elektrische systemen zijn uit. De sleutel kan worden uitgenomen.
Het stuur moet zijn vergrendeld om de sleutel naar "p≤" te kunnen draaien.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DCA11020
DAU49391
DAU11030
LET OP
Gebruik de parkeerstand niet gedurende langere tijd, anders kan de accu ontladen raken.
Controle- en waarschuwings- lampjes

- Waarschuwingslampje motorstoring "☐"
- Waarschuwingslampje olieniveau "
- Controlelampje tractieregeling "TCS"
- Controlelampje linker richtingaanwijzers "
- ABS-waarschuwingslampje " (E)
- Controlelampje grootlicht "≡D"
- Vrijstandcontrolelampje "N"
- Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur "E"
- Controlelampje startblokkering
- Controlelampje rechter richtingaanwijzers “→”
Controlelampjes
richtingaanwijzers “⇐” en “⇨”
Het bijbehorende controlelampje knippert terwijl de schakelaar voor richtingaanwijzers naar de linker- of rechterstand is gedrukt.
DAU11060
Vrijstandcontrolelampje "N"
Dit controlelampje brandt terwijl de versnelingsbak in de vrijstand staat.
DAU11080
Controlelampje grootlicht "≡D"
Dit controlelampje brandt terwijl de koplamp is ingeschakeld voor grootlicht.
DAU11254
Waarschuwingslampje
olieniveau "
Dit waarschuwingslampje gaat branden als het motorolieniveau laag is.
Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
Licht het waarschuwingslampje niet meteen op wanneer u de sleutel naar "ON" draait of blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
OPMERKING
- Bij een voldoende hoog olieniveau kan het waarschuwingslampje soms toch knipperen bij rijden op een helling of bij plotseling afremmen of optrekken, er is dan echter geen sprake van een storing.
- Dit model is ook uitgerust met een zelf-diagnosesysteem voor het circuit van het waarschuwingslampje olieniveau. Als het waarschuwingscircuit voor het olieniveau een probleem aangeeft, wordt de volgende cyclus herhaald totdat de storing is opgeheven: Het waarschuwingslampje olieniveau knippert tien keer en dooft dan gedurende 2.5 seconden. Als dit zich voordoet, vraag dan een Yamaha dealer de machine te controleren.
DAU49423
Waarschuwingslampje
koelvloeistoftemperatuur “
Dit waarschuwingslampje gaat branden als de motor oververhit raakt. Zet in zo'n geval de motor onmiddellijk af en geef deze de tijd om af te koelen.
Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
Licht het waarschuwingslampje niet meteen op wanneer u de sleutel naar "ON" draait of blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
DCA10021
LET OP
Laat de motor niet draaien terwijl deze oververhit is.
OPMERKING
- Bij machines met een of meer radiatorkoelvinnen schakelt de radiatorkoelvin automatisch in of uit op basis van de koelvloeistoftemperatuur in de radiator.
●Als de motor oververhit raakt, staan op pagina 6-37 nadere instructies vermeld.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
| Weergave Condities Wat te doen | |||
| Onder 39 °C(Onder 103 °F) | ![]() | De aanduiding “Lo” wordt getoond. | OK. U kunt rijden. |
| 40–116 °C(104–242 °F) | ![]() | Koelvloeistoftemperatuur wordt getoond. | OK. U kunt rijden. |
| 117–120 °C(243–248 °F) | ![]() | Aanduiding “HI” knippert. | Breng de machine tot stilstand en laat de motor stationair draaien tot de koel-vloeistoftemperatuur daalt. |
| Boven 121 °C(Boven 249 °F) | ![]() | Aanduiding “HI” knippert.Het waarschuwingslampje gaat branden. | Zet de motor af en laat afkoelen. (Zie pagina 6-37.) |
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU11534
DWA10081
Waarschuwingslampje
motorstoring "☐"
Dit waarschuwingslampje gaat branden of knipperen wanneer er een probleem wordt aangegeven in het elektrisch circuit dat de motor controleert. Vraag in dat geval een Yamaha dealer het zelfdiagnosesysteem te controleren. (Zie pagina 3-13 voor uitleg over de werking van het zelfdiagnosesysteem.)
Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
Licht het waarschuwingslampje niet meteen op wanneer u de sleutel naar "ON" draait of blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
ABS-waarschuwingslampje “(R)”
Als dit waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden of knipperen, werken het ABS-systeem en gekoppelde remsysteem mogelijk niet goed. Vraag in dat geval zo snel mogelijk een Yamaha dealer het systeem te controleren. (Zie pagina 3-19.)
WAARSCHUWING
Als het ABS-waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden of knipperen, wordt alleen het conventionele remsysteem gebruikt. Wees dan voorzichtig en zorg dat de wielen tijdens plotseling remmen niet blokkeren. Als het waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden of knipperen, vraag dan zo snel mogelijk een Yamaha dealer het remsysteem te controleren.
Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
Licht het waarschuwingslampje niet meteen op wanneer u de sleutel naar "ON" draait of blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
DAU49401
Controlelampje tractieregeling "TCS"
Dit controlelampje gaat knipperen wanneer de tractieregeling wordt ingeschakeld.
Het elektrisch circuit voor het lampje kan worden gecontroleerd door de sleutel naar "ON" te draaien. Het lampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
Als het lampje niet oplicht wanneer de sleutel naar "ON" wordt gedraaid of blijft branden, vraag dan uw Yamaha dealer om het elektrisch circuit na te zien.
Als de schakelaar is ingesteld op "TCS"-modus "1" of "2" en de tractieregeling actief is, knippert het controlelampje.
Als de tractieregeling tijdens het rijden wordt uitgeschakeld, wordt "TCS" "Off" weergegeven en gaan het controlelampje en het waarschuwingslampje motorstoring branden. (Zie pagina 3-20 voor uitleg over de werking van de tractieregeling.)

- Controlelampje tractieregeling "TCS"
- Waarschuwingslampje motorstoring "☐"
- Modusweergave tractieregeling
Probeer in dat geval om de tractieregeling en de lampjes terug te stellen door de procedures in "Terugstellen" op pagina 3-21 te volgen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU38624
Controlelampje startblokkering
Het elektrisch circuit voor het controlelampje kan worden gecontroleerd door de sleutel naar "ON" te draaien. Het controlelampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
Licht het controlelampje niet meteen op wanneer u de sleutel naar "ON" draait of blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
Als de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid, begint het controlelampje na 30 seconden te knipperen om aan te geven dat het startblokkeersysteem is ingeschakeld. Het controlelampje stopt na 24 uur met knipperen, maar het startblokkeersysteem blijft ingeschakeld.
Het zelfdiagnosesysteem detecteert ook storingen in de circuits van het startblokkeersysteem. (Zie pagina 3-13 voor uitleg over de werking van het zelfdiagnosesysteem.)
DAU49604
Multifunctionele meter

- Toerenteller
- Modusweergave tractieregeling
- Weergave koelvloeistoftemperatuur/weergave inlaatluchttemperatuur/weergave huidige brandstofverbruik/weergave gemiddelde brandstofverbruik
- Snelheidsmeter
- Brandstofniveaumeter
- Rijmodusweergave
- Klok
- Rechter instelknop
- Linker instelknop
10.Kilometerteller/ritteller/ritteller brandstofreserve
11.Schakelaar tractieregeling
DWA12422
WAARSCHUWING
Zorg dat de machine stilstaat voordat u wijzigingen in de instellingen van de multifunctionele meter gaat aanbrengen. Het aanbrengen van wijzigingen tijdens het rijden kan u afleiden en vergroot het risico op een ongeval.
De multifunctionele meter biedt de volgende voorzieningen:
●een snelheidsmeter
- een toerenteller
●een kilometerteller
- twee rittellers (die de afgelegde afstand aangeven sinds de tellers het laatst werden teruggesteld op nul)
- een ritteller voor brandstofreserve (die de afgelegde afstand aangeeft sinds het laatste segment van de brandstof-niveaumeter begon te knipperen)
●een klok
●een brandstofniveaumeter
- een weergave luchtaanzuigtemperatuur
- een weergave koelvloeistoftemperatuur
- een weergave voor het brandstofverbruik (functies voor huidig en gemiddeld verbruik)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
- een rijmodusweergave (die de geselecteerde rijmodus aangeeft)
- een modusweergave voor de tractiere-geling (die de geselecteerde modus van de tractieregeling aangeeft)
- een voorziening voor zelfdiagnose
- een regelmodus voor de helderheid van het LCD-display en de toerenteller
Met de insteltoetsen links en rechts, die zich onder het display bevinden, kunt u de instellingen in de multifunctionele meter regelen of wijzigen.
OPMERKING
- Om de toetsen links en rechts te kunnen gebruiken moet de sleutel naar "ON" worden gedraaid, met uitzondering van de helderheidsmodus.
- Alleen voor Groot-Brittannië: Om te wisselen tussen de kilometer- en mijlenweergave van de snelheidsmeter en de kilometerteller/ritteller/verbruiksmeter houdt u de linkertoets minstens twee seconden lang ingedrukt.
Toerenteller

- Toerenteller
- Rode zone toerenteller
Met de elektrische toerenteller kan de bestuurder het motortoerental controleren en dit binnen het ideale bereik houden.
Als de sleutel naar "ON" wordt gedraaid, slaat de naald van de toerenteller eenmaal helemaal uit tot het hoogste aantal toeren per minuut en keert daarna weer terug naar nul tpm om het elektrische circuit te testen.
DCA10031
LET OP
Laat de motor niet draaien terwijl de toerenteller in de rode zone wijst.
Rode zone: 7750 tpm en hoger
Kilometerteller- en rittellermodus

- Kilometerteller/ritteller/ritteller brandstofreserve
- Linker instelknop
Door indrukken van de linkertoets wisselt de weergave tussen de kilometertellermodus "ODO" en de rittellermodi "TRIP 1" en "TRIP 2", in de onderstaande volgorde:
ODO → TRIP 1 → TRIP 2 → ODO
OPMERKING
Bij het selecteren van "TRIP 1" of "TRIP 2" knippert het display vijf seconden lang.
Als nog ca. 3.9 L (1.03 US gal, 0.86 Imp.gal) brandstof in de brandstoftank aanwezig is, wisselt de weergave automatisch naar "TRIP F", de brandstofreserve-ritteller, en wordt de afgelegde afstand vanaf dat punt aangegeven. Wanneer u nu de linkertoets
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
indrukt, wisselt de weergave van de ritteller en kilometerteller in de onderstaande volgorde:
TRIP F → ODO → TRIP 1 → TRIP 2 → TRIP F
OPMERKING
Bij het selecteren van "TRIP 1", "TRIP 2" of "TRIP F" knippert de weergave vijf secon- den lang.
Om een ritteller op nul terug te stellen, selecteert u deze door op de linkertoets te drukken en houdt u deze toets vervolgens minstens een seconde lang ingedrukt terwijl de weergave knippert. Wanneer u de brandstofreserve-ritteller niet zelf met de hand op nul terugstelt, wordt deze automatisch teruggesteld zodra na het tanken 5 km (3 mi) is gereden en wordt de vorige ritteller weergegeven.
Klok

- Klok
- Rechter instelknop
- Linker instelknop
De klok wordt weergegeven als de sleutel naar "ON" wordt gedraaid. Daarnaast kan de klok gedurende 10 seconden worden weergegeven door op de linkertoets te drukken als het contactslot in de stand "OFF" of "LOCK" staat.
De klok op tijd zetten:
- Houd de linker- en rechtertoets tegelijkertijd minstens drie seconden lang ingedrukt.
- Als de urenaanduiding begint te knipperen, drukt u op de rechtertoets om de uren in te stellen.
-
Druk op de linkertoets en de minuten-aanduiding begint te knipperen.
-
Druk de rechtertoets in om de minuten in te stellen.
- Druk op de linkertoets; de klok begint te lopen zodra de toets wordt losgelaten.
Brandstofniveaumeter

- Brandstofniveaumeter
De brandstofniveaumeter geeft aan hoeveel brandstof in de tank aanwezig is. De displaysegmenten van de brandstofniveaumeter verdwijnen richting "E" (leeg) naarmate het brandstofniveau verder daalt. Als het laatste segment begint te knipperen, dient u zo snel mogelijk te tanken.
Wanneer de sleutel naar "ON" wordt gedraaid, lichten alle displaysegmenten één keer op om het elektrische circuit te testen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
OPMERKING
Deze brandstofniveaumeter is voorzien van een zelfdiagnosesysteem. Als in het elektrisch circuit een storing wordt gedetecteerd, gaan alle displaysegmenten knipperen. Vraag in dat geval een Yamaha dealer het elektrisch circuit te testen.
Weergave luchtaanzuigtemperatuur, koelvloeistoftemperatuur, huidige brandstofverbruik en gemiddelde brandstofverbruik

- Weergave koelvloeistoftemperatuur/weergave inlaatluchttemperatuur/weergave huidige brandstofverbruik/weergave gemiddelde brandstofverbruik
- Rechter instelknop
Druk op de rechtertoets om de weergave te wisselen tussen de luchtaanzuigtemperatuur, koelvloeistoftemperatuur, het huidige
brandstofverbruik "km/L" of "L/100 km" en het gemiddelde brandstofverbruik "AVE_._km/L" of "AVE_._L/100 km", in de onderstaande volgorde:
luchtaanzuigtemperatuur → koelvloeistof-temperatuur → km/L of L/100 km → AVE_._km/L of AVE_._L/100 km → luchtaanzuigtemperatuur
Alleen Verenigd Koninkrijk:
Druk op de rechtertoets om de weergave te wisselen tussen de luchtaanzuigtemperatuur, koelvloeistoftemperatuur, het huidige brandstofverbruik "km/L", "L/100 km" of "MPG" en het gemiddelde brandstofverbruik "AVE_ _. km/L", "AVE_ _. L/100 km" of "AVE_ _. MPG", in de onderstaande volgorde:
luchtaanzuigtemperatuur → koelvloeistof-temperatuur → km/L, L/100 km of MPG → AVE_ _. km/L, AVE_ _. L/100 km of AVE_ _. MPG → luchtaanzuigtemperatuur
Luchtaanzuigtemperatuurmodus

- Weergave luchtaanzuigtemperatuur
De weergave luchtaanzuigtemperatuur geeft de temperatuur aan van de lucht die het luchtfilterhuis wordt binnengezogen.
OPMERKING
Zelfs als de weergave luchtaanzuigtemperatuur is geselecteerd, gaat het waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur branden als de motor oververhit raakt.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Weergave koelvloeistoftemperatuur

- Weergave koelvloeistoftemperatuur
De weergave koelvloeistoftemperatuur geeft de temperatuur van de koelvloeistof aan.
DCA10021
LET OP
Laat de motor niet draaien terwijl deze oververhit is.
Modus huidig brandstofverbruik

- Huidig brandstofverbruik
- Rechter instelknop
De weergave van het huidige brandstofverbruik "km/L", "L/100 km" of "MPG" (alleen Verenigd Koninkrijk) geeft het brandstofverbruik onder de huidige rijomstandigheden aan.
- De weergave "km/L" geeft de afstand aan die kan worden afgelegd op 1.0 L brandstof.
- De weergave "L/100 km" geeft de hoeveelheid brandstof aan die nodig is om 100 km af te leggen.
- Alleen Verenigd Koninkrijk: De weergave "MPG" geeft de afstand aan die kan worden afgelegd op 1.0 Imp.gal brandstof.
Druk op de rechtertoets om te wisselen tussen de weergaven voor het huidige brandstofverbruik terwijl een van de weergaven wordt getoond.
OPMERKING
Het huidige brandstofverbruik wordt weergegeven wanneer de machine een snelheid bereikt van 20 km/h (12 mi/h).
Modus gemiddeld brandstofverbruik

- Gemiddeld brandstofverbruik
- Rechter instelknop
De weergave van het gemiddelde brandstofverbruik "AVE_ _. km/L", "AVE_ _. L/100 km" of "AVE_ _. MPG" (alleen Vere-nigd Koninkrijk) geeft het gemiddelde brandstofverbruik aan sinds de weergave voor het laatst werd teruggesteld.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
- De weergave "AVE_ _. km/L" geeft de gemiddelde afstand aan die kan worden afgelegd op 1.0 L brandstof.
- De weergave "AVE_ _._ L/100 km" geeft de gemiddelde hoeveelheid brandstof aan die nodig is om 100 km af te leggen.
- Alleen Verenigd Koninkrijk: De weergave "AVE____.MPG" geeft de gemiddelde afstand aan die kan worden afgelegd op 1.0 Imp.gal brandstof.
Druk op de rechtertoets om te wisselen tussen de weergaven voor het gemiddelde brandstofverbruik terwijl een van de weergaven wordt getoond.
Om de weergave van het gemiddelde brandstofverbruik terug te stellen, selecteert u deze door op de rechtertoets te drukken en houdt u deze toets vervolgens minstens een seconde lang ingedrukt terwijl de weergave knippert.
OPMERKING
Nadat de weergave is teruggesteld, wordt het gemiddelde brandstofverbruik pas weer weergegeven nadat de machine 1 km (0.6 mi) heeft gereden.
Rijmodusweergave

- Rijmodusweergave
Deze weergave geeft aan welke rijmodus is geselecteerd: Toermodus "T" of sportmodus "S". Zie voor meer informatie over de modi en hoe u deze kunt selecteren pagina 3-1 en 3-16.
Modusweergave tractieregeling

- Modusweergave tractieregeling
Deze weergave geeft aan welke modus van de tractieregeling is geselecteerd: "1", "2" of "Off". Zie voor meer informatie over de modi en hoe u deze kunt selecteren pagina 3-20.
Zelfdiagnosesysteem

- Weergave foutcode
Dit model is uitgerust met een zelfdiagnose- systeem voor diverse elektrische circuits.
Als in de circuits van het startblokkeersysteem een storing wordt gedetecteerd, knippert het controlelampje startblokkering en geeft het display een foutcode weer.
Als in enig ander circuit een storing wordt gedetecteerd, gaat het waarschuwingslampje motorstoring branden en geeft het display een foutcode weer.
Als het display foutcodes weergeeft, noteer deze dan en vraag een Yamaha dealer om het voertuig te controleren.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
OPMERKING
Als het display foutcode 52 van het circuit van het startblokkeersysteem weergeeft, betreft dit mogelijk een storing in het transpondersignaal. Als deze fout zich voordoet, probeer dan de volgende procedure.
- Start de motor met behulp van de codeersleutel.
OPMERKING
Houd andere startblokkeersleutels uit de buurt van het contactslot en bewaar niet meer dan één startblokkeersleutel aan dezelfde sleuteling! Startblokkeersleutels kunnen signaalstoring veroorzaken, waardoor de motor mogelijk niet kan worden ge- start.
- Als de motor start, zet deze dan weer uit en probeer hem opnieuw te starten met de standaardsleutels.
- Als de motor niet kan worden gestart met een of beide standaardsleutels, breng dan het voertuig, de codeersleutel en beide standaardsleutels naar een Yamaha dealer en laat de standaardsleutels opnieuw coderen.
DCA11590
LET OP
Wanneer het display een foutcode aangeeft, moet de machine zo spoedig mogelijk worden gecontroleerd om motorschade te voorkomen.
Regelmodus voor de helderheid van het LCD-display en de toerenteller

- Toerentellerpaneel
- Toerentellernaald
- LCD
- Helderheidsniveau
- Rechter instelknop
- Linker instelknop
Met deze functie regelt u de helderheid van het LCD-display en de toerenteller in overeenstemming met het aanwezige daglicht.
Om de helderheid in te stellen
- Draai de sleutel naar "OFF".
- Druk de linkertoets in en houd deze ingedrukt.
- Draai de sleutel naar "ON", wacht vijf seconden en laat dan de linkertoets los.
- Druk op de rechtertoets om de gewenste displayhelderheid te kiezen.
- Druk op de linkertoets om het geselecteerde helderheidsniveau te bevestigen. Het display keert terug naar de kilometerteller- of rittellerweergave.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12331
Antidiefstal-alarmsysteem (op-tie)
Dit model kan door een Yamaha dealer worden uitgerust met een optioneel antidiefstal-alarmsysteem. Neem contact op met een Yamaha dealer voor nadere informatie.
DAU12348
Stuurschakelaars
Links

- Lichtsignaalschakelaar "PASS"
- Dimlichtschakelaar "ED"
- Schakelaar alarmverlichting "△"
- Richtingaanwijzerschakelaar "
- Claxonschakelaar "▶"
Rechts

- Noodstopschakelaar "() ✉
- Rijmodusschakelaar "MODE"
- Startknop " ≧"
DAU12370
Lichtsignaalschakelaar "PASS"
Druk deze schakelaar in om met de koplampen een lichtsignaal te geven.
Dimlichtschakelaar "≡D/≡D"
DAU12400
Zet deze schakelaar op "≡D" voor grootlicht en op "≡D" voor dimlicht.
Richtingaanwijzerschakelaar “◀” → Druk deze schakelaar naar “◀” om afslaan naar rechts aan te geven. Druk deze scha- kelaar naar “◀” om afslaan naar links aan te geven. Na loslaten keert de schakelaar terug naar de middenstand. Om de richtin-
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
gaanwijzers uit te schakelen wordt de schakelaar ingedrukt nadat hij is teruggekeerd in de middenstand.
DAU12500
Claxonschakelaar "
Druk deze schakelaar in om een claxonsignaal te geven.
DAU12660
Noodstopschakelaar "○/※"
Zet deze schakelaar voor u de motor start op “○”. Zet deze schakelaar op “✕” om de motor direct uit te schakelen in een noodgeval, zoals wanneer de machine omslaat of als de gaskabel blijft hangen.
DAU12711
Startknop “ ≡”
Druk deze knop in om via de startmotor de motor rond te draaien. Zie pagina 5-1 voor startinstructies voordat u de motor start.
DAU42340
Het waarschuwingslampje voor motorstoring en het ABS-waarschuwingslampje gaan branden als de sleutel naar "ON" wordt gedraaid en de startknop wordt ingedrukt. Dit wijst echter niet op een storing.
DAU12733
Schakelaar alarmverlichting "△"
Met de sleutel in de stand "ON" of "P≤" kan deze schakelaar worden gebruikt voor het inschakelen van de alarmverlichting (gelijktijdig knipperen van alle richtingaanwijzers). De alarmverlichting wordt gebruikt in een noodgeval of om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen als uw machine stilstaat in een mogelijk gevaarlijke verkeerssituatie.
DCA10061
LET OP
Gebruik de alarmverlichting niet gedurende langere tijd als de motor niet draait omdat hierdoor de accu kan ontladen.
DAU49571
Rijmodusschakelaar "MODE"
DWA15340
WAARSCHUWING
Wijzig de rijmodus niet tijdens het rijden.
Met deze schakelaar kan de rijmodus worden gewisseld tussen de toermodus "T" en de sportmodus "S".
De gasgreep moet volledig gesloten zijn bij het wijzigen van de rijmodus.
De geselecteerde modus wordt getoond in de rijmodusweergave. (Zie pagina 3-13.)
DAU12830
Koppelingshendel

- Koppelingshendel
- Stelwiel voor afstelpositie koppelingshendel
- Pijlteken
- Afstand tussen koppelingshendel en stuur- greep
De koppelingshendel bevindt zich aan de linkerstuurgreep. Trek de hendel naar het stuur toe om de koppeling te ontkoppelen. Laat de hendel los om de koppeling te laten aangrijpen. Voor een soepele werking van de koppeling moet de hendel snel ingetrokken worden en langzaam worden losgelaten.
De koppelingshendel is voorzien van een stelwiel voor het instellen van de stand van de koppelingshendel. Verstel de afstand tussen de koppelingshendel en de stuurgreep door het stelwiel te verdraaien terwijl de hendel van het stuur vandaan wordt ge-
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
houden. Controleer of het correcte instelpunt op het stelwiel tegenover het pijlteken op de koppelingshendel staat.
De koppelingshendel is voorzien van een sperschakelaar die deel uitmaakt van het startspersysteem. (Zie pagina 3-32.)
DAU12871
Schakelpedaal

Het schakelpedaal bevindt zich aan de linkerzijde van de motor en wordt in combinatie met de koppelingshendel gebruikt bij het schakelen van de versnellingen van de 6-traps constant-mesh versnellingsbak op deze motorfiets.
DAU49516
Remhendel
De remhendel bevindt zich aan de rechterstuurgreep. Trek de hendel naar het stuur toe om de voorrem te bekrachtigen.
Dit model is uitgerust met een gekoppeld remsysteem.
Wanneer u aan de remhendel trekt, wordt de voorrem en een gedeelte van de achterrem bekrachtigd. Voor maximale remkracht dient u gelijktijdig zowel de remhendel in te knijpen als het rempedaal in te drukken.
Het gekoppelde remsysteem wordt geregeld door een ECU die het gekoppelde remsysteem uitschakelt en terugkeert naar gewoon remmen als er een storing optreedt.
OPMERKING
- Er kunnen weerstand en trillingen voelbaar zijn in het rempedaal wanneer de voorrem wordt bekrachtigd en het gekoppelde remsysteem is ingeschakeld, maar dit duidt niet op een storing.
- Het gekoppelde remsysteem functioneert pas wanneer het voertuig in beweging komt.
●Na het tot stilstand komen door middel van het inknijpen van de remhendel, is het gekoppelde remsysteem nog steeds actief. Verder inknijpen van de
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
remhendel leidt niet tot een grotere remkracht van de achterrem, dus bekrachtig de achterrem als meer remkracht vereist is (zoals bij parkeren op een helling).
Het gekoppelde remsysteem wordt uitgeschakeld nadat de remhendel wordt losgelaten. Het remsysteem werkt dan weer als een gewoon remsysteem.
Wanneer het voertuig in beweging komt, wordt het gekoppelde remsysteem weer ingeschakeld.
- Het gekoppelde remsysteem werkt niet wanneer alleen het rempedaal wordt gebruikt of het rempedaal wordt ingedrukt voordat de remhendel wordt ingeknepen.
De remhendel is voorzien van een stelwiel voor de positie van de remhendel. Om de afstand tussen de remhendel en de stuurgreep af te stellen, wordt het stelwiel gedraaid terwijl de hendel van het stuur vandaan wordt gehouden. Controleer of het correcte instelpunt op het stelwiel tegenover het “△” merkteken op de remhendel staat.

- Remhendel
- Stelwiel afstelpositie remhendel
- “△” -merkteken
- Afstand tussen remhendel en stuurgreep
DAU49481
Rempedaal

Het rempedaal bevindt zich aan de rechterzijde van de motorfiets. Trap op het rempedaal om de achterrem te bekrachtigen.
OPMERKING
Er kunnen weerstand en trillingen voelbaar zijn in het rempedaal wanneer de voorrem wordt bekrachtigd en het gekoppelde rem- systeem is ingeschakeld, maar dit duidt niet op een storing.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU49770
ABS
Het Yamaha ABS (anti-blokkeervoorziening remsysteem) bestaat uit een dubbel uitgevoerd elektronisch regelsysteem dat de voorrem en achterrem onafhankelijk aanstuurt. Het ABS wordt bewaakt door een ECU, die in geval van een storing zal terugvallen op handmatig remmen.
DWA10090
WAARSCHUWING
- Het ABS-systeem functioneert het meest effectief over lange remwegen.
-Op sommige wegtypen (ruw wegdek of grint) kan de remweg langer zijn dan bij remmen zonder ABS. Houd daarom steeds voldoende afstand tot uw voorligger, afgestemd op uw rijsnelheid.
OPMERKING
- Het ABS voert gedurende enkele seconden een zelftest uit elke keer dat de machine wegrijdt nadat de sleutel naar "ON" is gedraaid. Tijdens deze test hoort u een "klikkend" geluid vanonder de zitting en wanneer u de remhendel of het rempedaal licht aantrekt
of intrapt, voelt u eventueel een trilling in de hendel of het pedaal. Dit is normal.
●Wanneer ABS is geactiveerd, worden de remmen op de gebruikelijke wijze bediend. In de remhendel of het rempedaal kunnen pulsaties worden gevoeld, maar dat duidt niet op een storing.
- Dit ABS-systeem is uitgerust met een testfunctie, waarbij de bestuurder de pulsaties kan voelen in het rempedaal of in de remhendel terwijl ABS actief is. Er is echter speciaal gereedschap vereist, dus neem voor het uitvoeren van deze test contact op met uw Yamaha dealer.
DCA16830
LET OP
Houd alle soorten magneten (inclusief magneetgrijpers, magnetische schroevendraaiers etc.) uit de buurt van de voorste en achterste wielnaaf, anders kunnen de magnetische rotors van de wielnaven beschadigd raken met een onjuiste werking van het ABS-systeem en gekoppelde remsysteem tot gevolg.

- Voorste wielnaaf

- Achterste wielnaaf
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU49416
Tractieregeling
De tractieregeling draagt bij aan het behouden van grip bij het optrekken op gladde oppervlakken, zoals onverharde of natte wegen. Wanneer sensoren detecteren dat het achterwiel begint te slippen (ongecontroleerde slip), grijpt de tractieregeling in door het motorvermogen te reguleren totdat de grip is hersteld. Het controlelampje tractieregeling knippert om de bestuurder te laten weten dat de tractieregeling is ingeschakeld.
OPMERKING
Er zijn mogelijk ook kleine veranderingen in het motor- en uitlaatgeluid waarneembaar wanneer de tractieregeling wordt ingeschakeld.
DWA15431
! WAARSCHUWING
De tractieregeling vormt geen vervanging voor verstandig rijgedrag dat is aangepast aan de omstandigheden. De tractieregeling biedt geen bescherming tegen gripverlies door te snel ingaan van bochten, snel optrekken bij schuin overhangen of door remmen, en kan wegglijden van het voorwiel niet voorkomen.
Rijd altijd voorzichtig op oppervlakken die mogelijk glad kunnen zijn en vermijd bijzonder gladde oppervlakken.
De tractieregeling kent drie modi:
● "TCS"-modus "1": Standaardmodus
- "TCS"-modus "2": Sportieve modus In deze modus grijpt de tractieregeling minder snel in, waardoor het achterwiel vrijer kan slippen dan in "TCS"-modus "1".
- "TCS"-modus "Off": De tractieregeling is uitgeschakeld. Bij sommige rijomstandigheden kan het systeem ook automatisch worden uitgeschakeld (zie "Terugstellen" op pagina 3-21).
Wanneer de sleutel naar "ON" wordt gedraaid, wordt de tractieregeling ingeschakeld en wordt "TCS" "1" weergegeven op de multifunctionele meter.
De modus van de tractieregeling kan alleen worden gewijzigd met de sleutel in de stand "ON" en het voertuig in stilstand.
OPMERKING
Als de machine vast is komen te zitten in modder, zand of een ander zacht oppervlak, kies dan de "TCS"-modus "Off" om het vrijmaken van het achterwiel te vergemakkelijken.
DCA16B00
LET OP
Gebruik uitsluitend de voorgeschreven banden. (Zie pagina 6-18.) Bij gebruik van banden met een andere maat zal de tractieregeling de wielrotatie niet nauwkeurig kunnen regelen.
Tractieregeling instellen
DWA15440
WAARSCHUWING
Zorg dat de machine stilstaat voordat u wijzigingen aanbrengt in de instellingen van de tractieregeling. Het aanbrengen van wijzigingen tijdens het rijden kan u afleiden en vergroot het risico op een ongeval.
Druk de schakelaar van de tractieregeling op de multifunctionele meter minder dan een seconde lang in om te wisselen tussen "TCS"-modus "1" en "2". Houd de schakelaar minstens twee seconden lang ingedrukt om de "TCS"-modus "Off" te selecteren en de tractieregeling uit te schakelen. Druk de schakelaar opnieuw in om terug te keren naar de eerder geselecteerde modus "1" of "2".
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

- Schakelaar tractieregeling
- Modusweergave tractieregeling
Terugstellen
De tractieregeling wordt uitgeschakeld in de volgende omstandigheden:
- Het achterwiel wordt rondgedraaid met de machine op de middenbok en de sleutel in de stand "ON".
- Het voor- of achterwiel komt van de grond tijdens het rijden.
●Overmatig doorslaan van het achterwiel
Als de tractieregeling is uitgeschakeld, brandt zowel het controlelampje tractieregeling als het waarschuwingslampje motor-storing.
Om de tractieregeling terug te stellen: Draai de sleutel naar "OFF". Wacht minstens één seconde en draai de sleutel dan terug naar "ON". Het controlelampje tractieregeling dient nu uit te gaan en het systeem wordt ingeschakeld. Het waarschuwingslampje motorstoring dient uit te gaan nadat een rijsnelheid van minstens 20 km/h (12 mi/h) is bereikt. Als het controlelampje tractieregeling en/of het waarschuwingslampje motorstoring na het terugstellen blijven branden, kan nog steeds met de machine worden gereden; laat de machine echter zo snel mogelijk nazien door uw Yamaha dealer.
DAU13074
Tankdop

- Ontgrendelen.
- Slotplaatje tankdop
Openen van de tankdop
Open het slotplaatje op de tankdop, steek de sleutel in het slot en draai hem dan 1/4 slag rechtsom. Het slot wordt ontgrendeld en de tankdop kan worden verwijderd.
Sluiten van de tankdop
- Druk de tankdop in positie met de sleutel in het slot.
- Draai de sleutel linksom naar de oorspronkelijke positie, neem hem uit en sluit dan het slotplaatje.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
OPMERKING
De tankdop kan alleen worden gesloten met de sleutel in het slot. Bovendien kan de sleutel niet worden uitgenomen als de tankdop niet correct gesloten en vergrendeld is.
DWA11091
WAARSCHUWING
Na het tanken moet de tankdop goed worden aangedraaid. Door brandstoflek-kage ontstaat brandgevaar.
DAU13221
Brandstof
Controleer of er voldoende brandstof in de brandstoftank aanwezig is.
DWA10881
WAARSCHUWING
Benzine en benzinedampen zijn zeer brandbaar. Volg de onderstaande instructies om brand en ontploffing te voorkomen en het letselrisico tijdens het tanken te verlagen.
- Zet alvorens te tanken de motor af en zorg dat er niemand op de machine zit. Rook nooit tijdens het tanken en tank nooit in de nabijheid van vonken, open vuur of andere ontstekingsbronnen zoals de waakvlammen van geisers en kledingdrogers.
- Maak de brandstoftank niet te vol. Steek bij het tanken het vulpistool goed in de vulopening van de brandstoftank. Stop met vullen zodra de brandstof de onderkant van de vulhals heeft bereikt. Omdat brandstof uitzet als deze warm wordt, kan de warmte van de motor of de zon ervoor zorgen dat brandstof uit de brandstoftank stroomt.

- Vulpijp brandstoftank
- Maximaal brandstofniveau
- Veeg uitgestroomde brandstof onmiddellijk af. LET OP: Veeg gemorste brandstof onmiddellijk af met een schone, droge, zachte doek, aangezien de brandstof de gelakte oppervlakken en kunststof delen kan aantasten. [DCA10071]
- Draai de tankdop stevig vast.
DWA15151
WAARSCHUWING
Benzine is giftig en kan letsel of overlijden veroorzaken. Spring zorgvuldig om met benzine. Probeer nooit om benzine via de mond over te hevelen. Roep onmiddellijk medische hulp in nadat u benzine heeft ingeslikt, veel benzinedamp heeft ingeademd of benzine in uw ogen heeft gekregen. Als benzine op uw huid
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
terechtkomt, was deze dan af met water en zeep. Als u benzine op uw kleding morst, trek dan andere kleding aan.
DAU49461
Voorgeschreven brandstof:
Uitsluitend loodvrije superbenzine
Inhoud brandstoftank:
23.0 L (6.08 US gal, 5.06 Imp.gal)
Brandstofreserve:
3.9 L (1.03 US gal, 0.86 Imp.gal)
DCA11400
LET OP
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Loodhoudende benzine veroorzaakt ernstige schade aan inwendige motoronderdelen als kleppen en zuigerveren en ook aan het uitlaatsysteem.
Uw Yamaha motorblok is gebouwd op het gebruik van loodvrije superbenzine met een octaangetal van RON 95 of hoger. Als de motor gaat detoneren (pingelen), gebruik dan benzine van een ander merk. Door loodvrije benzine te gebruiken gaan bougies langer mee en blijven de onderhoudskosten beperkt.
DAU34072
Tankbeluchtingsslang/overloop- slang

Alvorens de motorfiets te gebruiken:
- Controleer de aansluiting van de tank-beluchtingsslang/overloopslang.
- Controleer de tankbeluchtings-slang/overloopslang op scheuren of beschadiging en vervang indien nodig.
- Controleer of het uiteinde van de tankbeluchtingsslang/overloopslang niet verstopt is en reinig indien nodig.
- Zorg dat het uiteinde van de tankbeluchtingsslang/overloopslang buiten het stroomlijnpaneel geplaatst is.
DAU13433
Uitlaatkatalysator
Dit model is uitgerust met een uitlaatkatalysator.
DWA10862
WAARSCHUWING
Het uitlaatsysteem is heet nadat de motor heeft gedraaid. Let op het volgende om brandgevaar of brandwonden te voorkomen:
●Parkeer de machine nooit nabij brandgevaarlijke stoffen, zoals op gras of op ander materiaal dat gemakkelijk vlam vat.
●Parkeer de machine op een plek waar voetgangers of kinderen niet gemakkelijk met het hete uitlaatsysteem in aanraking kunnen komen.
- Controleer of het uitlaatsysteem is afgekoeld alvorens onderhoudswerkzaamheden uit te voeren.
●Laat de motor niet langer dan enkele minuten stationair draaien. Lang stationair draaien kan leiden tot oververhitting.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DCA10701
LET OP
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Bij gebruik van loodhoudende benzine zal onherstelbare schade worden toegebracht aan de uitlaatkatalysator.
DAU49442
Bestuurderszadel
Verwijderen van het bestuurderszadel
- Steek de sleutel in het slot van het be-stuurderszadel en draai linksom.

-
Ontgrendelen.
-
Slot bestuurderszadel
-
Trek de voorzijde van het bestuurders-zadel omhoog en duw het zadel naar voren.
Aanbrengen van het bestuurderszadel
- Steek het uitsteeksel aan de achterzijde van het bestuurderszadel in de zadelbevestiging zoals getoond en druk dan de achterzijde van het zadel omlaag om te vergrendelen.

-
Uitsteeksel
-
Zadelbevestiging
-
Neem de sleutel uit.
OPMERKING
- Controleer of het bestuurderszadel stevig is vergrendeld alvorens te gaan rijden.
- De hoogte van het bestuurderszadel kan worden versteld om de rijpositie aan te passen. (Zie "De hoogte van het bestuurderszadel verstellen".)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU49473
De hoogte van het bestuurders- zadel verstellen
Het bestuurderszadel kan in twee verschillende standen worden gezet, al naar gelang de voorkeur van de bestuurder.
Bij aflevering staat het bestuurderszadel in de hoge stand.

Het bestuurderszadel in de lage stand zetten
- Verwijder het bestuurderszadel. (Zie pagina 3-24.)
- Verwijder de afsteller voor de zadelhoogte door deze uit te trekken.

-
Afsteller hoogte bestuurderszadel
-
Plaats de afsteller voor de zadelhoogte zo dat het referentiemerkteken is uitgelijnd met het "L"-merkteken zoals getoond.

- Afsteller hoogte bestuurderszadel
- Merkteken "L"
-
Referentiemerkteken
-
Steek het uitsteeksel aan de achterzijde van het bestuurderszadel in zadelbevestiging A zoals getoond.

- Uitsteeksel
- Zadelbevestiging A (voor lage stand)
Het bestuurderszadel in de hoge stand zetten
- Verwijder het bestuurderszadel. (Zie pagina 3-24.)
- Verwijder de afsteller voor de zadelhoogte door deze uit te trekken.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

-
Afsteller hoogte bestuurderszadel
-
Plaats de afsteller voor de zadelhoogte zo dat het referentiemerkteken is uitgelijnd met het "H"-merkteken zoals getoond.

- Afsteller hoogte bestuurderszadel
- Merkteken "H"
-
Referentiemerkteken
-
Steek het uitsteeksel aan de achterzijde van het bestuurderszadel in zadelbevestiging B zoals getoond.

- Uitsteeksel
- Zadelbevestiging B (voor hoge stand)
OPMERKING
Controleer of de zadels stevig zijn vergren- deld alvorens te gaan rijden.
DAU49880
Kuipruit
Als de oorspronkelijke kuipruit verwijderd en vervolgens opnieuw gemonteerd wordt, zorg er dan voor om de schroeven van de kuipruit in de onderste gaten aan te brengen.
OPMERKING
Een kuipruit is beschikbaar als optionele accessoire bij uw Yamaha dealer. De bovenste gaten mogen alleen voor het monteren van een optionele kuipruit gebruikt worden.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Voorvork afstellen
DAU14743
DWA10180
WAARSCHUWING
Geef beide vorkpoten steeds dezelfde afstelling, anders kan slecht weggedrag en verminderde rijstabiliteit het gevolg zijn.
Deze voorvork is voorzien van stelbouten voor veervoorspanning, stelschroeven voor uitgaande demping en stelschroeven voor ingaande demping.
DCA10101
LET OP
Probeer nooit voorbij de maximum- of minimuminstellingen te draaien om schade aan het mechanisme te voorkomen.
Veervoorspanning
Draai om de veervoorspanning te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (a). Draai om de veervoorspanning te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (b).

- Stelbout veervoorspanning
Breng de gewenste groef op het stelmechanisme in lijn met het bovenvlak van de vorkplug.

- Huidige instelling
- Vorkplug
Afstelling veervoorspanning:
Minimum (zacht):
8
Standaard:
5.5
Maximum (hard):
0
Uitgaande demping
Draai om de uitgaande demping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelschroef op beide vorkpoten in de richting (a). Draai om de uitgaande demping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelschroef op beide vorkpoten in de richting (b).

- Stelschroef voor uitveerdemping
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Afstelling uitgaande demping:
Minimum (zacht):
10 klik(ken) in de richting (b)*
Standaard:
8 klik(ken) in de richting (b)*
Maximum (hard):
1 klik(ken) in de richting (b)*
* Met de stelschroef volledig gedraaid in de richting (a)
Ingaande demping
Draai om de ingaande demping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelschroef op beide vorkpoten in de richting (a). Draai om de ingaande demping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelschroef op beide vorkpoten in de richting (b).

- Stelschroef voor inveerdemping
Afstelling ingaande demping:
Minimum (zacht):
13 klik(ken) in de richting (b)*
Standaard:
6 klik(ken) in de richting (b)*
Maximum (hard):
1 klik(ken) in de richting (b)*
* Met de stelschroef volledig gedraaid in de richting (a)
OPMERKING
Door geringe productie-afwijkingen zal het totaal aantal klikken van een instelmechanisme voor veerdemping niet altijd exact met bovenstaande specificaties overeenkomen; het werkelijke aantal klikken vormt echter wel altijd het complete afstelbereik. Voor een precieze afstelling is het aan te raden het aantal klikken van elk veerdempingsinstelmechanisme te controleren en de specificaties dienovereenkomstig aan te passen.
DAU49690
Schokdemperunit afstellen
Deze schokdemperunit is uitgerust met een stelknop voor veervoorspanning en een stelknop voor uitgaande demping.
DCA10101
LET OP
Probeer nooit voorbij de maximum- of minimuminstellingen te draaien om schade aan het mechanisme te voorkomen.
Veervoorspanning
Draai om de veervoorspanning te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelknop in de richting (a). Draai om de veervoorspanning te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelknop in de richting (b).
OPMERKING
Lijn het toepasselijke merkteken op het stelmechanisme uit met de overeenstemmende rand.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

- Stelknop veervoorspanning
- Overeenstemmende rand
Afstelling veervoorspanning:
Minimum (zacht):
6
Standaard:
4
Maximum (hard):
1

- Stelknop voor uitveerdemping
Afstelling uitgaande demping:
Minimum (zacht):
20 klikken in de richting (b)*
Standaard:
10 klikken in de richting (b)*
Maximum (hard):
3 klikken in de richting (b)*
* Met de stelknop volledig gedraaid in de richting (a)
Uitgaande demping
Draai om de uitgaande demping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelknop in de richting (a). Draai om de uitgaande demping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelknop in de richting (b).
OPMERKING
Om een nauwkeurige afstelling te bereiken, is het raadzaam om het aantal klikken of slagen te tellen waarmee elk afstelmechanisme van de demping wordt verdraaid. Het kan voorkomen dat dit afstelbereik vanwege kleine productieverschillen niet exact overeenkomt met de opgegeven specificaties.
DWA10221
WAARSCHUWING
Deze schokdemperunit is gevuld met stikstofgas onder hoge druk. Lees de onderstaande informatie zorgvuldig door alvorens werkzaamheden uit te voeren aan de schokdemperunit.
●Probeer de gascilinder niet te openen en blijf er verder vanaf.
- Stel de schokdemperunit niet bloot aan open vuur of een andere hittebron. Hierdoor kan de gasdruk zo hoog oplopen dat de unit explodeert.
- Voorkom vervorming of beschadigging van de cilinder. Schade aan de cilinder zal resulteren in slechte dempingsprestaties.
●Werp een beschadigde of versleten schokdemperunit niet zelf weg. Breng de schokdemperunit voor elk onderhoud naar een Yamahadealer.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU49701
Bagagedragers
Deze machine is voorzien van een standaardbagagedrager en een extra bagagedrager onder het duozadel. De extra bagagedrager vergroot het laadoppervlak en laadvermogen van de standaardbagagedrager.
Raadpleeg voor het gebruik van de extra bagagedrager uw Yamaha dealer.
Standaardbagagedrager

- Standaardbagagedrager
Extra bagagedrager

- Overschrijd het maximumgewicht van 209 kg (461 lb) voor het voertuig niet.
●Ga niet zitten op de standaard- of extra bagagedrager en neem er nooit een passagier op mee. - Overschrijd nooit het laadvermo-gen van de standaardbagagedrager van 5 kg (11 lb).
- Overschrijd nooit het laadvermogen van de extra bagagedrager van 5 kg (11 lb).
DCA16821
LET OP
Til de machine niet op aan een bagagedrager.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU49490
Er zijn vier bagageriembevestigingspunten aangebracht onder het duozadel.
DAU15304
Zijstandaard
De zijstandaard bevindt zich aan de linkerzijde van het frame. Trek of druk de zijstandaard met uw voet omhoog of omlaag terwijl u de machine rechtop houdt.
OPMERKING
De ingebouwde sperschakelaar voor de zijstandaard maakt deel uit van het startspersysteem, dat in bepaalde situaties de werking van het ontstekingssysteem blokkeert. (Zie pagina 3-32 voor een uitleg over het startspersysteem.)
DWA10241
WAARSCHUWING
Met de machine mag nooit worden gere- den terwijl de zijstandaard omlaag staat of niet behoorlijk kan worden opgetrok- ken (of niet omhoog blijft), anders kan de zijstandaard de grond raken en zo de be- stuurder afleiden, waardoor de machine mogelijk onbestuurbaar wordt. Het Yamaha startspersysteem is ontworpen om de bestuurder te helpen bij zijn ver- antwoordelijkheid de zijstandaard op te trekken alvorens weg te rijden. Contro- leer dit systeem daarom regelmatig en
laat het repareren door een Yamaha dealer als de werking niet naar behoren is.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU44902
Startspersysteem
Het startspersysteem (waarvan de zijstandaardschakelaar, de koppelingshendelschakelaar en de vrijstandschakelaar deel uitmaken) heeft de volgende functies.
- Het verhindert starten wanneer de versnellingsbak in een versnelling is geschakeld en de zijstandaard is opgeklapt, terwijl de koppelingshendel niet is ingetrokken.
- Het verhindert starten wanneer de versnellingsbak in een versnelling is geschakeld en de koppelingshendel is ingetrokken, terwijl de zijstandaard nog omlaag staat.
- Het schakelt een draaiende motor uit wanneer de versnellingsbak in een versnelling staat en de zijstandaard omlaag wordt bewogen.
Controleer de werking van het startspersysteem regelmatig volgens de onderstaande procedure.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

flowchart
graph TD
A["Start de motor?"] --> B{JA NEE}
B -->|Yes| C["De vrijstandschakelaar werkt mogelijk niet goed. Rijd niet met de motorfiets voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
B -->|No| D["De zijstandaardschakelaar werkt mogelijk niet goed. Rijd niet met de motorfiets voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A --> E{JA NEE}
E -->|Yes| F["De koppelingsschakelaar werkt mogelijk niet goed. Rijd niet met de motorfiets voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
E -->|No| G["De vrijstandschakelaar werkt mogelijk niet goed. Rijd niet met de motorfiets voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
H["Start de motor?"] --> I{JA NEE}
I -->|Yes| J["De motorfiets mag worden gebruikt."]
I -->|No| K["De koppelingsschakelaar werkt mogelijk niet goed. Rijd niet met de motorfiets voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
L["Start de motor"] --> M{JA NEE}
M -->|Yes| N["De koppelingsschakelaar werkt mogelijk niet goed. Rijd niet met de motorfiets voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
M -->|No| O["De koppelingsschakelaar werkt mogelijk niet goed. Rijd niet met de motorfiets voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
P["Start de motor af?"] --> Q{JA NEE}
Q -->|Yes| R["De vrijstandschakelaar werkt mogelijk niet goed. Rijd niet met de motorfiets voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
Q -->|No| S["De zijstandaardschakelaar werkt mogelijk niet goed. Rijd niet met de motorfiets voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
T["Start de motor"] --> U{JA NEE}
U -->|Yes| V["De koppelingsschakelaar werkt mogelijk niet goed. Rijd niet met de motorfiets voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
U -->|No| W["De koppelingsschakelaar werkt mogelijk niet goed. Rijd niet met de motorfiets voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
X["Start de motor"] --> Y{JA NEE}
Y -->|Yes| Z["De koppelingsschakelaar werkt mogelijk niet goed. Rijd niet met de motorfiets voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
Y -->|No| AA["De zijstandaardschakelaar werkt mogelijk niet goed. Rijd niet met de motorfiets voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
AB["Start de motor"] --> AC{JA NEE}
AC -->|Yes| AD["De koppelingsschakelaar werkt mogelijk niet goed. Rijd niet met de motorfiets voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
AC -->|No| AE["De zijstandaardschakelaar werkt mogelijk niet goed. Rijd niet met de motorfiets voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU49451
Gelijkstroom aansluitcontact voor accessoires
DCA15431
LET OP
Het accessoire dat is aangesloten op het gelijkstroom aansluitcontact voor accessoires moet niet worden gebruikt terwijl de motor uit staat en de belasting mag niet meer bedragen dan 30 W (2.5 A), anders kan de zekering doorbranden of de accu ontladen raken.
DWA14360

WAARSCHUWING
Om een elektrische schok of kortsluiting te voorkomen, dient u te controleren of de dop op het gelijkstroom aansluitcontact is aangebracht als het contact niet wordt gebruikt.
Dit voertuig is uitgerust met een gelijkstroom aansluitcontact voor accessoires. Een 12V-accessoire dat is aangesloten op dit gelijkstroom aansluitcontact voor accessoires, kan worden gebruikt wanneer de sleutel in de stand "ON" staat, maar mag alleen worden gebruikt wanneer de motor draait.
Gebruiken van het gelijkstroom aansluitcontact voor accessoires
- Draai de sleutel naar "OFF".
- Verwijder het deksel van het aansluitcontact.

-
Dop gelijkstroom aansluitcontact
-
Zet het accessoire uit.
- Plaats de stekker van het accessoire in het aansluitcontact.

- Gelijkstroom aansluitcontact voor accessoires
- Draai de sleutel naar "ON" en start de motor. (Zie pagina 5-1.)
- Zet het accessoire aan.
VOOR UW VEILIGHEID – CONTROLES VOOR HET RIJDEN
DAU15596
Inspecteer uw machine voor elk gebruik om te waarborgen dat deze in een veilige werkende staat is. Volg altijd de schema's en procedures voor inspectie en onderhoud in de gebruikershandleiding.
DWA11151
WAARSCHUWING
Onvoldoende inspectie of onderhoud van de machine vergroot het risico op ongeval of schade. Rijd niet met de machine als u een probleem hebt gevonden. Als een probleem niet kan worden opgelost via de procedures in deze handleiding, laat de machine dan nazien door een Yamaha dealer.
Controleer voor het gebruik van deze machine de volgende punten:
| ITEM CONTROLES PAGINA | ||
| Brandstof | Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.Vul indien nodig brandstof bij.Controleer de brandstofleiding op lekkage.Controleer de tankbeluchtingsslang/overloopslang op obstakels, scheuren of beschadiging en controleer de slangaansluiting. | 3-22, 3-23 |
| Motorolie | Controleer het olieniveau in het oliereservoir.Vul indien nodig het aanbevolen type olie bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer de machine op olielekkage. | 6-11 |
| Cardanolie • Controleer de machine op olielekkage. 6-14 | ||
| Koelvloeistof | Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig de aanbevolen koelvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer het koelsysteem op lekkage. | 6-15 |
VOOR UW VEILIGHEID – CONTROLES VOOR HET RIJDEN
| ITEM CONTROLES PAGINA | ||
| Voorrem | Controleer de werking.Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.Controleer de remblokken op slijtage.Vervang indien nodig.Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-21, 6-22 |
| Achterrem | Controleer de werking.Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.Controleer de remblokken op slijtage.Vervang indien nodig.Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschroven niveau.Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-21, 6-22 |
| Koppeling | Controleer de werking.Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-20 |
| Gasgreep | Controleer of de werking soepel is.Controleer de vrije slag van de gasgreep.Vraag indien nodig de Yamaha dealer om de vrije slag van de gasgreep af te stellen en de kabel en het kabelhuis te smeren. | 6-17, 6-24 |
| Bedieningskabels | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig. | 6-23 |
| Wielen en banden | Controleer op schade.Controleer de conditie van de band en de profieldiepte.Controleer de bandspanning.Corrigeer indien nodig. | 6-18, 6-20 |
VOOR UW VEILIGHEID – CONTROLES VOOR HET RIJDEN
| ITEM CONTROLES | PAGINA | |
| Rem- en schakelpedalen | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de pedaalscharnierpunten. | 6-24 |
| Rem- en koppelingshendels | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de hendelscharnierpunten. | 6-25 |
| Middenbok, zijstandaard | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de scharnierpunten. | 6-25 |
| Framebevestigingen | Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet.Zet indien nodig vast. | — |
| Instrumenten, verlichting, signaleringssysteem en schakelaars | Controleer de werking.Corrigeer indien nodig. | — |
| Zijstandaardschakelaar | Controleer de werking van het startspersysteem.Als het systeem niet correct werkt, vraag dan een Yamaha dealer de machine te controleren. | 3-31 |
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU15951
DAU48710
DAU49541
Lees de gebruikershandleiding zorgvuldig door om u vertrouwd te maken met alle bedieningselementen. Als u de werking van een functie of bedieningselement niet begrijpt, vraag dan uw Yamaha dealer om uitleg.
DWA10271
WAARSCHUWING
Een onvoldoende vertrouwdheid met de bedieningselementen kan leiden tot verlies van de controle, met mogelijk een ongeval of letsel tot gevolg.
OPMERKING
Dit model is uitgerust met:
- een hellingshoeksensor, waarbij de motor afslaat bij kanteling. In dat geval wordt op het multifunctionele display foutcode 30 weergegeven, maar dit betreft geen storing. Draai de sleutel naar "OFF" en vervolgens naar "ON" om de foutcode te wissen. Als u dat niet doet zal de motor niet starten, ondanks dat de motor wordt aangezwengeld als u op de startknop drukt.
- een automatische motorstop. De motor stopt automatisch als deze 20 minuten stationair draait. Als de motor stopt, druk dan simpelweg op de startknop om de motor opnieuw te starten.
Starten van de motor
Door het startspersysteem is starten alleen mogelijk als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
- De versnellingsbak staat in de vrijstand.
-
De versnellingsbak staat in een versnelling geschakeld terwijl de koppelingshendel is ingetrokken en de zijstandaard is opgeklapt.
Zie pagina 3-32 voor meer informatie. -
Draai de contactsleutel naar "ON" en controleer of de noodstopschakelaar op "○" is gezet.
De volgende waarschuwingslampjes en controlelampjes moeten enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
●Waarschuwingslampje olieniveau
●Waarschuwingslampje motorstoring
●Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur
●ABS-waarschuwingslampje
●Controlelampje tractieregeling
●Controlelampje startblokkering
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DCA11B33
DAU16671
LET OP
Als een waarschuwings- of controle-lampje niet gaat branden wanneer de sleutel naar "ON" wordt gedraaid, of wanneer een waarschuwings- of controle-lampje niet dooft, zie dan pagina 3-4 voor een controle van het circuit van het betreffende waarschuwings- of controle-lampje.
- Schakel de versnellingsbak in de vrijstand. Het vrijstandcontrolelampje moet gaan branden. Als dit niet gebeurt, vraag dan een Yamaha dealer het elektrische circuit na te kijken.
- Start de motor door de startknop in te drukken.
Als de motor niet wil starten, laat dan de startknop los, wacht een paar seconden en probeer het dan opnieuw. ledere startpoging moet zo kort mogelijk duren om de accu te sparen. Laat de startmotor nooit langer dan 10 seconden achtereen draaien.
DCA11042
LET OP
Trek nooit snel op terwijl de motor nog koud is, dit verkort de levensduur van de motor!
Schakelen

- Schakelpedaal
- Vrijstand
Door de versnellingen te schakelen kunt u het beschikbare motorvermogen doseren bij het wegrijden, optrekken, tegen een helling oprijden etc.
De schakelstanden worden getoond in de afbeelding.
OPMERKING
Om de versnellingsbak in de vrijstand te schakelen wordt het schakelpedaal enkele malen ingetrapt totdat het einde van de slag bereikt is, waarna het pedaal iets wordt opgetrokken.
DCA10260
LET OP
●Rijd niet lange tijd met afgezette motor, ook niet met de versnellingsbak in de vrijstand, en sleep de motorfiets niet over lange afstanden. De versnellingsbak wordt alleen afdoende gesmeerd terwijl de motor draait. Door onvoldoende smering kan de versnellingsbak worden beschadigd.
- Gebruik altijd de koppeling om de versnellingsbak te schakelen om zo schade aan de motor, de versnellingsbak en de aandrijving te voorkomen; door hun constructie zijn deze niet bestand tegen de schokken die optreden bij belast schakelen.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16810
Tips voor een zuinig brandstof-verbruik
Het brandstofverbruik is vooral afhankelijk van uw rijstijl. Hierna volgen enkele tips om het brandstofverbruik te verlagen:
●Schakel snel en soepel door en vermijd hoge toerentallen terwijl u accele-reert.
- Geef geen gas tijdens het terugschakelen en voorkom dat de motor onbelast met een hoog toerental draait.
●Laat de motor niet langdurig stationair draaien maar zet hem af (bijvoorbeeld in files, bij stoplichten of bij spoorweg-overgangen).
Inrijperiode
De belangrijkste periode in de levensduur van het motorblok is de tijd tussen 0 en 1600 km (1000 mi). Lees daarom de volgende informatie aandachtig door.
Omdat het motorblok gloednieuw is, mag dit de eerste 1600 km (1000 mi) niet te zwaar worden belast. De verschillende onderdelen van de motor slijten op elkaar in totdat de juiste bedrijfsspelingen zijn bereikt. Rijd tijdens deze periode nooit langdurig volgas en vermijd ook andere manoeuvres die tot oververhitting van de motor kunnen leiden.
DAU16841
DAU17123
1600 km (1000 mi) en verder
De machine kan nu normaal worden gebruikt.
DCA10310
LET OP
- Voer het toerental niet zover op dat de toerenteller in de rode zone wijst.
- Als tijdens de inrijperiode motor-schade optreedt, vraag dan direct een Yamaha dealer de machine te controleren.
0–1000 km (0–600 mi)
Laat de motor niet langdurig meer dan 3900 tpm maken. LET OP: Na 1000 km (600 mi) moeten de motorolie en de eindoverbrengingsolie worden ververst en moet de oliefilterpatroon of het oliefilterelement worden vervangen. [DCA10332]
1000–1600 km (600–1000 mi)
Laat de motor niet langdurig meer dan 4700 tpm draaien.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU17213
Parkeren
Zet om te parkeren de motor af en neem dan de sleutel uit het contactslot.
DWA10311
WAARSCHUWING
- De motor en het uitlaatsysteem kunnen zeer heet worden, parkeer dus op een plek waar voetgangers of kinderen niet gemakkelijk met deze onderdelen in aanraking kunnen komen en brandwonden kunnen oplopen.
●Parkeer nooit op een helling of een zachte ondergrond, hierdoor kan de machine kantelen met mogelijk brandstoflekkage en brand tot gevolg.
●Parkeer niet nabij gras of andere brandbare materialen die vlam zou-den kunnen vatten.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU17243
Door periodiek inspecties, afstellingen en smeerbeurten uit te laten voeren, zorgt u ervoor dat uw machine in zo veilig en efficiënt mogelijke conditie blijft. De eigenaar/bestuurder van de machine is verplicht de optimale veiligheid te waarborgen. Op de volgende pagina's wordt de belangrijkste informatie met betrekking tot inspecties, af- stellingen en smeerbeurten gegeven.
De intervalperioden vermeld in de periodieke onderhoudsschema's moeten worden beschouwd als een algemene richtlijn onder normale rijcondities. Het is echter mogelijk dat de intervalperioden voor onderhoud moeten worden verkort afhankelijk van het weer, het terrein, de geografische locatie en individueel gebruik.
DWA10321
! WAARSCHUWING
Het niet of onjuist uitvoeren van onderhoud aan de machine vergroot het risico op letsel of overlijden tijdens het uitvoeren van onderhoud of het rijden met de machine. Als u niet bekend bent met voertuigonderhoud, laat het onderhoud dan uitvoeren door uw Yamaha dealer.
DWA15121
WAARSCHUWING
Zet voor het uitvoeren van onderhoud de motor af tenzij anders aangegeven.
- Een draaiende motor heeft bewe- gende delen die lichaamsdelen of kleding kunnen grijpen en elektri- sche onderdelen die schokken of brand kunnen veroorzaken.
- Het laten draaien van de motor tijdens het uitvoeren van onderhoud kan leiden tot oogletsel, brandwonden, brand of koolmonoxidevergiftiging, mogelijk met de dood tot gevolg. Zie pagina 1-1 voor meer informatie over koolmonoxide.
DWA15460
WAARSCHUWING
Remschijven, -klauwen, -trommels en -voeringen kunnen tijdens het gebruik zeer heet worden. Laat onderdelen van het remsysteem afkoelen alvorens deze aan te raken.
DAU17302
Emissiecontroles zorgen niet alleen voor een betere luchtkwaliteit, maar zijn ook zeer belangrijk voor een juiste werking van de motor en om maximale prestaties te behalen. In de volgende periodieke onderhoudsschema's is het emissiecontroleonderhoud apart gegroepeerd. Dit onderhoud vereist gespecialiseerde gegevens, kennis en gereedschap. Onderhoud, vervanging, of reparatie van emissiecontroleapparatuur en -systemen kan door elke gecertificeerde reparateur worden uitgevoerd (indien van toepassing). Yamaha dealers beschikken over de training en het gereedschap om dit onderhoud uit te voeren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Boordgereedschapset
DAU49561

De boordgereedschapset bevindt zich achter stroomlijnpaneel A. (Zie pagina 6-8.) Verwijder voor toegang tot de boordgereedschapset stroomlijnpaneel A met de zeskantsleutel aan de onderzijde van het bestuurderszadel. (Zie pagina 3-24.)

- Zeskantsleutel
De onderhoudsinformatie in deze handleiding en het gereedschap in de boordgereedschapsset zijn bedoeld om u te ondersteunen bij het uitvoeren van preventief onderhoud en kleinere reparaties. Voor de correcte uitvoering van bepaalde onderhoudswerkzaamheden kan echter het gebruik van extra gereedschap zoals een momentsleutel vereist zijn.
OPMERKING
Laat een Yamaha dealer onderhoud verrichten als u niet beschikt over het gereedschap of de ervaring die voor bepaalde werkzaamheden vereist zijn.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU46861
OPMERKING
- De jaarlijkse controles horen eenmaal per jaar te worden uitgevoerd, behalve wanneer in plaats daarvan een onderhoudsbeurt op kilometerbasis of, voor Groot-Brittannië, op mijlbasis wordt verricht.
- Herhaal de onderhoudsintervallen vanaf 50000 km (30000 mi), beginnend vanaf 10000 km (6000 mi).
- Werkzaamheden gemarkeerd met een asterisk horen te worden uitgevoerd door een Yamaha dealer, omdat hiertoe speciaal gereedschap, technische gegevens en vakmanschap vereist zijn.
Periodiek onderhoudsschema voor het uitstootcontrolesysteem
DAU46910
| NR. | TEM | CONTROLE OF ONDER-HOUDSBEURT | KILOMETERSTAND | JAARLIJK-SE CON-TROLE | |||||
| 1000 km(600 mi) | 10000 km(6000 mi) | 20000 km(12000 mi) | 30000 km(18000 mi) | 40000 km(24000 mi) | |||||
| 1 | * | Brandstofleiding | • Controleer de brandstofslangen op scheurtjes of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 2 | * | Bougies | • Controleer de conditie.• Reinigen en elektrodenafstand af-stellen. | √ | √ | ||||
| • Vervangen. √ | √ | ||||||||
| 3 | * | Ventielen | • Controleer de klepspeeling.• Afstellen. | Elke 40000 km (24000 mi) | |||||
| 4 | * | Brandstofinjectie-systeem | • Stel de synchronisatie af. √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 5 | * | Uitlaatdemper en uitlaatpijp | • Controleer of de schroef-klem(men) goed vastzit(ten). | √ | √ | √ | √ | √ | |
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Algemeen smeer- en onderhoudsschema
DAU1770C
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDER-HOUDSBEURT | KILOMETERSTAND | JAARLIJK-SE CON-TROLE | |||||
| 1000 km(600 mi) | 10000 km(6000 mi) | 20000 km(12000 mi) | 30000 km(18000 mi) | 40000 km(24000 mi) | |||||
| 1 | * | Luchtfilterelement | • Vervangen. | √ | |||||
| 2 | * | Koppeling | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en controleer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 3 | * | Voorrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en controleer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remblokken. Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||||
| 4 | * | Achterrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en controleer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remblokken. Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||||
| 5 | * | Remslangen | • Controleer op scheurtjes en be-schadigingen. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| • Vervangen. Elke 4 jaar | |||||||||
| 6 | * | Wielen | • Controleer de speling en de spaakspanning en controleer op beschadigingen.• Trek indien nodig de spaken aan. | Na de eerste 1000 km (600 mi) en vervolgens elke 5000 km (3000 mi). | |||||
| 7 | * | Banden | • Controleer op slijtage en bescha-digingen.• Vervang indien nodig.• Controleer de bandspanning.• Corrigeer indien nodig. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 8 | * | Wiellagers | • Controleer op speling of bescha-digingen. | √ | √ | √ | √ | ||
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDER-HOUDSBEURT | KILOMETERSTAND | JAARLIJK-SE CON-TROLE | |||||
| 1000 km(600 mi) | 10000 km(6000 mi) | 20000 km(12000 mi) | 30000 km(18000 mi) | 40000 km(24000 mi) | |||||
| 9* | Achterbrug | • Controleer op een correcte wer-king en overmatige speling. | √ | √ | √ | √ | |||
| • Smeren met lithiumvet. Elke 50000 km (30000 mi) | |||||||||
| 10* | Balhoofdlagers | • Controleer de lagers op speling en oppervlakteruwheid. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| • Smeren met lithiumvet. Elke 50000 km (30000 mi) | |||||||||
| 11* | Framebevestigingen | • Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastge-zet. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 12 | Scharnieras van remhendel | • Smeren met siliconenvet. √ | √ | √ | √ | √ | |||
| 13 | Scharnieras van rempedaal | • Smeren met lithiumvet. √ | √ | √ | √ | √ | |||
| 14 | Scharnieras van koppelingshendel | • Smeren met siliconenvet. √ | √ | √ | √ | √ | |||
| 15 | Scharnieras van schakelpedaal | • Smeren met lithiumvet. √ | √ | √ | √ | √ | |||
| 16 | Zijstandaard, mid-denbok | • Controleer de werking.• Smeren met lithiumvet. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 17* | Zijstandaardscha-kelaar | • Controleer de werking. √ | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 18* | Voorvork | • Controleer op een correcte wer-king en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | |||
| 19* | Schokdemperunit | • Controleer op een correcte wer-king en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | |||
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDER-HOUDSBEURT | KILOMETERSTAND | JAARLIJK-SE CON-TROLE | |||||
| 1000 km(600 mi) | 10000 km(6000 mi) | 20000 km(12000 mi) | 30000 km(18000 mi) | 40000 km(24000 mi) | |||||
| 20 | * | Relaisarm achter-wielophanging en scharnierpunten verbindingsarm | • Controleer de werking. √ | √ | √ | √ | |||
| 21 | Motorolie | • Verversen.• Controleer het olieniveau en con-troleer de machine op olielekka-ge. | √ | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 22 | Oliefilterpatroon | • Vervangen. | √ | √ | √ | ||||
| 23 | * | Koelsysteem | • Controleer het koelvloeistofniveau en controleer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| • Verversen. Elke 3 jaar | |||||||||
| 24 | Cardanolie | • Controleer het olieniveau en con-troleer de machine op olielekka-ge. | √ | √ | √ | ||||
| • Verversen. √ | √ | √ | |||||||
| 25 | * | Voor- en achterrem-schakelaar | • Controleer de werking. √ | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 26 | Bewegende delen en kabels | • Smeren. √ √ | √ | √ | √ | ||||
| 27 | * | Gasgreep | • Controleer de werking.• Controleer de vrije slag van de gasgreep en stel deze indien no-dig af.• Smeer de kabel en het kabelhuis. | √ | √ | √ | √ | √ | |
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
| NR. | TEM | CONTROLE OF ONDER-HOUDSBEURT | KILOMETERSTAND | JAARLIJK-SE CON-TROLE | |||||
| 1000 km(600 mi) | 10000 km(6000 mi) | 20000 km(12000 mi) | 30000 km(18000 mi) | 40000 km(24000 mi) | |||||
| 28 | * | Lampen, richtin-gaanwijzers en schakelaars | • Controleer de werking.• Stel de koplamplichtbundel af. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
DAU36771
OPMERKING
●Luchtfilter
- Het luchtfilter op dit model is voorzien van een geolied papieren filterelement. Reinig dit niet met perslucht om beschadiging te voorkomen.
- Het luchtfilterelement moet u vaker vervangen als u vaak in extreem vochtige of stoffige gebieden rijdt.
- Onderhoud aan hydraulisch rem- en koppelingssysteem
- Controleer regelmatig het rem- en koppelingsvloeistofniveau en vul indien nodig bij.
- Vervang de inwendige onderdelen van de hoofdremcilinders en remklauwen en van de koppelingshoofdcilinder en -werkcilinder na elke twee jaar en ververs dan ook de rem- en de koppelingsvloeistof.
- Vervang de rem- en koppelingsslangen na elke vier jaar of als ze zijn gescheurd of beschadigd.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU18781
Stroomlijnpanelen verwijderen en aanbrengen
Bij het uitvoeren van sommige onderhoudswerkzaamheden die in dit hoofdstuk worden beschreven, moeten de afgebeelde stroomlijnpanelen worden verwijderd. Neem deze paragraaf steeds door wanneer u een stroomlijnpaneel moet verwijderen of aanbrengen.

- Stroomlijnpaneel A
- Stroomlijnpaneel B

Verwijderen van stroomlijnpaneel Verwijder de drukclips en trek daarna het paneel los zoals getoond.

- Stroomlijnpaneel A
- Snelsluitschroef
Aanbrengen van het stroomlijnpaneel
- Steek de uitsteeksels van het stroomlijnpaneel in de bijbehorende gaten van het stroomlijnpaneel B.

- Uitsteeksel
- Bijbehorend gat
- Stroomlijnpaneel B
- Breng de drukclips aan.
Stroomlijnpaneel B
DAU49520
Verwijderen van stroomlijnpaneel
- Verwijder het stroomlijnpaneel A.
- Verwijder de bouten en de drukclips en trek dan het stroomlijnpaneel los.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

- Stroomlijnpaneel B
- Bout

Verwijderen van stroomlijnpaneel
Verwijder de bouten en moeren en haal het stroomlijnpaneel los.

- Stroomlijnpaneel C
- Moer
- Bout

- Stroomlijnpaneel C
- Moer
- Bout
Aanbrengen van het stroomlijnpaneel
Plaats het stroomlijnpaneel in de oorspron- kelijke positie en breng dan de bouten en moeren aan.
Aanbrengen van het stroomlijnpaneel
- Plaats het stroomlijnpaneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de bouten en de drukclips aan.
- Breng het stroomlijnpaneel A aan.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU19652
Controleren van de bougies
Bougies vormen belangrijke onderdelen van de motor die periodiek moeten worden gecontroleerd, bij voorkeur door een Yamaha dealer. Omdat bougies door verhitting en neerslag altijd langzaam slijten, moeten de bougies worden verwijderd en gecontroleerd volgens de tijden genoemd in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. De conditie van de bougies kan daarnaast veel duidelijk maken over de conditie van de motor.
De porseleinen isolator rond de centrale elektrode moet licht tot gemiddeld bruin verkleurd zijn (de ideale kleur als normaal met de machine wordt gereden), en alle bougies in de motor horen dezelfde verkleuring te hebben. Wanneer een bougie een heel andere kleur vertoont, werkt de motor mogelijk niet naar behoren. Probeer dergelijke problemen niet zelf vast te stellen. Laat in plaats daarvan uw machine nakijken door een Yamaha dealer.
Vervang een bougie als de elektroden blijken te zijn afgesleten en als overmatige koolaanslag of andere neerslag gevonden wordt.
Voorgeschreven bougie: NGK/CPR8EB9
Voordat een bougie wordt aangebracht moet de elektrodenafstand met een draadvoelmaat worden gemeten; breng indien nodig de elektrodenafstand op specificatie.

Reinig het oppervlak van de bougiepakking en het pasvlak en verwijder eventueel vuil uit de schroefdraad van de bougie.
Aanhaalmoment: Bougie: 13 Nm (1.3 m·kgf, 9.4 ft·lbf)
OPMERKING
Als geen momentsleutel beschikbaar is, wordt de bougie correct vastgezet door handvast te zetten en dan nog 1/4-1/2 slag
verder te draaien. De bougie moet echter zo snel mogelijk naar het juiste aanhaalmoment worden aangedraaid.
DCA10B40
LET OP
Gebruik geen gereedschap om de bougiedop te verwijderen of aan te brengen, om de bobinekabel niet te beschadigen. De bougiedop is mogelijk lastig te verwijderen omdat de rubber afdichting aan het uiteinde stevig vastzit. Haal de bougiedop los door hem heen en weer te draaien en tegelijkertijd los te trekken; breng de bougiedop aan door heen en weer te draaien en tegelijkertijd aan te drukken.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU49503
Motorolie en oliefilterpatroon
Vóór iedere rit moet het motorolieniveau worden gecontroleerd. Verder moet de olie worden ververst en de oliefilterpatroon worden vervangen volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om het motorolieniveau te controleren
- Zet de machine op de middenbok. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen.
- Start de motor en laat deze tien minuten opwarmen totdat de motorolie een normale temperatuur van 60 °C (140 °F) heeft bereikt. Zet vervolgens de motor uit.
- Wacht een paar minuten tot de olie tot rust is gekomen en controleer dan het olieniveau via het kijkglas voor het motorolieniveau rechtsonder in het carter.
OPMERKING
Het motorolieniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximumniveau staan.

- Kijkglas olieniveau
- Merkstreep maximumniveau
- Merkstreep minimumniveau
-
Olievuldop
-
Als de motorolie beneden de merkstreep voor minimumniveau staat, vul dan voldoende olie, van de aanbevolen soort, bij tot het correcte niveau.
Om de motorolie te verversen (met of zonder vervanging van oliefilterpatroon)
- Zet de machine op een vlakke ondergrond.
- Start de motor, laat deze een paar minuten warmdraaien en zet hem dan af.
-
Zet een olieopvangbak onder het olie-reservoir om de oude olie op te van-gen.
-
Verwijder de olievuldop en de aftap- plug met de pakking om de olie uit het oliereservoir te laten stromen.

- Olieaftapplug (oliereservoir)
- Pakking
- Zet een olieopvangbak onder de motor om de gebruikte olie op te vangen.
- Verwijder de aftapplug met de pakking om de olie uit het carter te laten stro- men.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

Sla de stappen 7–11 over als de oliefilterpatroon niet wordt vervangen.
- Verwijder het stroomlijnpaneel C. (Zie pagina 6-8.)
- Verwijder de oliefilterpatroon met een oliefiltersleutel.

- Oliefilterpatroon
- Oliefiltersleutel
OPMERKING
De Yamaha dealer kan een oliefiltersleutel leveren.
- Smeer een dun laagje schone motorolie op de O-ring van de nieuwe oliefilterpatroon.

Zorg dat de o-ring correct aanligt.
- Plaats de nieuwe oliefilterpatroon met een oliefiltersleutel en zet hem dan met een momentsleutel vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.

- Breng het stroomlijnpaneel aan.
- Monteer de olieaftappluggen met hun nieuwe pakking en zet de pluggen vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmomenten:
Olieaftapplug (carter):
20 Nm (2.0 m·kgf, 14 ft·lbf)
Olieaftapplug (oliereservoir):
20 Nm (2.0 m·kgf, 14 ft·lbf)
- Vul bij met de voorgeschreven hoeveelheid van de aanbevolen motorolie, breng dan de olievuldop aan en zet deze vast.
Aanbevolen motorolie:
Zie pagina 8-1.
Oliehoeveelheid:
Zonder vervanging van oliefilterpatroon:
3.10 L (3.28 US qt, 2.73 Imp.qt)
Met vervanging van oliefilterpatroon:
3.40 L (3.59 US qt, 2.99 Imp.qt)
OPMERKING
Veeg enige gemorste olie af nadat de motor en het uitlaatsysteem zijn afgekoeld.
DCA11620
LET OP
- Om het slippen van de koppeling te voorkomen (de motorolie smeert immers ook de koppeling) mogen geen chemische additieven worden toegevoegd. Gebruik geen oliën met een "CD" dieselspecificatie of oliën met een hogere kwaliteit dan gespecificeerd. Gebruik ook geen oliën met een "ENERGY CONSERVING II" of hogere aanduiding.
●Zorg dat er geen verontreinigingen in het carter terecht kommen.
- Start de motor, laat deze een paar minuten stationair draaien en controleer daarbij op olielekkage. Als er sprake is van olielekkage, zet de motor dan direct af en zoek de oorzaak.
OPMERKING
Nadat de motor is gestart moet het waarschuwingslampje olieniveau uitgaan als het olieniveau correct is.
DCA10401
LET OP
Zet de motor direct af als het waarschu- wingslampje olieniveau knippert of blijft branden en laat het voertuig controleren door een Yamaha dealer, zelfs als het olieniveau in orde is.
- Zet de motor af en wacht een paar minuten tot de olie tot rust is gekomen. Controleer dan het olieniveau en corri-geer indien nodig.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU20016
Cardanolie
Vóór elke rit moet het cardanhuis worden gecontroleerd op olielekkage. In geval van lekkage dient u de machine door een Yamaha dealer te laten nakijken en repareren. Controleer verder als volgt het niveau van de cardanolie en ververs de olie volgens de intervaltijden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DWA10370
WAARSCHUWING
●Zorg ervoor dat geen verontreini-
gingen het cardanhuis kunnen bin-
nendringen.
●Zorg dat er geen olie op de banden of wielen terechtkomt.
Controleren van het olieniveau in het cardanhuis
- Zet de machine op de middenbok.
OPMERKING
Zorg dat de machine rechtop staat bij het controleren van het olieniveau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen.
- Verwijder de vulplug van de cardanolie met de pakking en controleer het olieniveau in het cardanhuis.
OPMERKING
Het olieniveau moet bij de rand van de vulo- pening staan.

- Vulplug cardanolie
- Pakking
-
Correct olieniveau
-
Als de olie onder de rand van de vulopening staat, vul dan genoeg olie van de aanbevolen soort bij tot het correcte niveau.
- Controleer of de pakking beschadigd is en vervang indien nodig.
- Monteer de vulplug van de cardanolie met de pakking en zet de plug vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Vulplug cardanolie: 23 Nm (2.3 m·kgf, 17 ft·lbf)
Om de cardanolie te verversen
- Zet de machine op een vlakke ondergrond.
- Plaats een olieopvangbak onder het cardanhuis om de gebruikte olie op te vangen.
- Verwijder de vulplug van de cardanolie en de aftapplug van de cardanolie met hun pakkingen om de olie uit het cardanhuis af te tappen.

- Vulplug cardanolie
- Aftapplug cardanolie
- Pakking
- Monteer de aftapplug van de cardanolie met de nieuwe pakking en zet de plug vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Aanhaalmoment:
Aftapplug cardanolie:
23 Nm (2.3 m·kgf, 17 ft·lbf)
- Vul de aanbevolen cardanolie bij tot aan de rand van de vulopening.
Aanbevolen cardanolie:
Originele Yamaha cardanolie SAE
- Controleer de pakking van de olievul- plug op beschadiging en vervang in- dien nodig.
- Monteer de olievulplug met de pakking en zet de plug vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Vulplug cardanolie:
23 Nm (2.3 m·kgf, 17 ft·lbf)
- Controleer het cardanhuis op olielekkage. Zoek in geval van lekkage naar de oorzaak.
DAU20070
Koelvloeistof
Voor iedere rit moet het koelvloeistofniveau worden gecontroleerd. Ook moet de koelvloeistof worden ververst volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU40154
Controleren van het koelvloeistofniveau
- Zet de machine op de middenbok.
OPMERKING
-
Het koelvloeistofniveau moet worden gecontroleerd terwijl de motor koud is, temperatuurverschillen zijn namelijk van invloed op het niveau.
●Zorg dat de machine rechtop staat bij het controleren van het koelvloeistofni-veau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen. -
Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.
OPMERKING
Het koelvloeistofniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximum-niveau staan.

- Koelvloeistofreservoir
- Merkstreep maximumniveau
-
Merkstreep minimumniveau
-
Als het koelvloeistofniveau zich op of onder de merkstreep voor minimumni-veau bevindt, open dan de reservoird-op.

- Vul koelvloeistof of gedestilleerd water bij tot aan de merkstreep voor maximumniveau en sluit de reservoirdop. WAARSCHUWING! Verwijder alleen de dop van het koelvloeistofreservoir. Probeer nooit om de radiator-vuldop te verwijderen als de motor koud is. [DWA15161] LET OP: Als er geen koelvloeistof aanwezig is, gebruik dan in plaats daarvan gedistilleerd water of onthard leidingwater. Gebruik geen hard water of zout water, dit is schadelijk voor de motor. Als er in plaats van koelvloeistof water is gebruikt, vervang dit dan zo snel mogelijk door koelvloeistof, anders is het systeem niet beschermd tegen vorst en corrosie. Als er water aan de koelvloeistof is toegevoegd, laat dan een Yamaha dealer zo snel mogelijk het antivriesgehalte van de koelvloeistof controleren om te voorkomen dat de effectiviteit van de koelvloeistof afneemt. [DCA10472]
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de merkstreep voor maximum-niveau):
0.26 L (0.27 US qt, 0.23 Imp.qt)
DAU33031
De koelvloeistof verversen
De koelvloeistof moet volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeeren onderhoudsschema ververst worden. Laat de koelvloeistof verversen door een Yamaha dealer. WAARSCHUWING! Probeer nooit om de radiatorvuldop te verwijderen als de motor warm is. [DWA10381]
DAU36764
Luchtfilterelement
Het luchtfilterelement moet worden vervangen volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Vraag een Yamaha dealer het luchtfilterelement te vervangen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU44734
Stationair toerental controleren
Controleer het stationair toerental en laat het indien nodig door een Yamaha dealer bijstellen.
Stationair toerental:
1050–1150 tpm
DAU21384
De vrije slag van de gasgreep controleren

- Vrije slag van gasgreep
De vrije slag van de gasgreep dient bij de binnenrand van de gasgreep 3.0–5.0 mm (0.12–0.20 in) te bedragen. Controleer de vrije slag van de gasgreep regelmatig en laat de vrije slag indien nodig afstellen door een Yamaha dealer.
DAU21401
Klepspeling
De klepspeeling kan tijdens gebruik gaan afwijken, waardoor de lucht/brandstof-verhouding kan veranderen en/of het motorgeluid toeneemt. Om dit te voorkomen moet de klepspeeling door een Yamaha dealer worden afgesteld volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU49673
Banden
Let ten aanzien van de voorgeschreven banden op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw motorfiets.
Bandenspanning
De bandenspanning moet voor elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden bijgesteld.
DWA10503
WAARSCHUWING
Rijden met deze machine met een onjuiste bandenspanning kan leiden tot verlies van de controle met mogelijk ernstig letsel of overlijden tot gevolg.
- De bandspanning moet worden gecontroleerd en afgesteld terwijl de banden koud zijn (wanneer de temperatuur van de banden gelijk is aan de omgevingstemperatuur).
- De bandspanning moet worden aangepast aan de rijsnelheid en het totale gewicht van rijder, passagier, bagage en accessoires dat voor dit model is vastgesteld.
Bandenspanning (gemeten op koude banden):
0–90 kg (0–198 lb):
Voor:
225 kPa (2.25 kgf/cm², 33 psi)
Achter:
250 kPa (2.50 kgf/cm², 36 psi)
* Totaal gewicht van bestuurder, passagier, bagage en accessoires
DWA10511
WAARSCHUWING
Belaad uw machine nooit te zwaar. Rijden met een te zwaar belaste machine kan leiden tot een ongeval.
Inspectie van banden

- Wang van band
- Bandprofieldiepte
Voor elke rit moeten de banden worden gecontroleerd. Als de bandprofieldiepte op het midden van de band de vermelde limiet heeft bereikt, de band spijkers of stukjes glas bevat of wanneer de wang van de band scheurtjes vertoont, moet de band onmiddellijk door een Yamaha dealer worden vervangen.
Minimale bandprofieldiepte (voor en achter):
1.6 mm (0.06 in)
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
OPMERKING
De slijtagelimiet voor bandprofieldiepte is voor diverse landen verschillend. Neem altijd de lokale voorschriften in acht.
DWA10471
WAARSCHUWING
●Laat sterk versleten banden door een Yamaha dealer vervangen. Rijden op een machine met versleten banden is niet alleen verboden, maar dit heeft ook een averechts effect op de rijstabiliteit, waardoor u de macht over het stuur zou kunnen verliezen.
- De vervanging van onderdelen van wielen en remmen, inclusief banden, dient te worden overgelaten aan een Yamaha dealer, die over de nodige vakkundige kennis en ervaring beschikt om dit te doen.
●Rijd niet te snel direct na het verwisselen van een band. Het bandoppervlak dient eerst te zijn ingereden voordat het zijn optimale eigenschappen verkrijgt.
Bandeninformatie



- Bandventiel
- Bandventielbuis
- Bandventieldop met afdichting
Deze machine is uitgerust met spaakwielen en tubeless banden met ventielen.
DWA10901
WAARSCHUWING
- Monteer altijd voor- en achterbanden van hetzelfde merk en type. Verschillende banden kunnen het weggedrag van de machine veranderen, wat kan leiden tot een ongeval.
- Controleer altijd of de ventieldopjes stevig zijn bevestigd om zo luchtlekkage te voorkomen.
-Gebruik uitsluitend de hierna vermelde bandventielen en luchtventielbuisjes om te voorkomen dat de banden onder het rijden leeglopen.
Na uitgebreide tests zijn alleen de hieronder vermelde banden voor dit model goedgekeurd door Yamaha Motor Co., Ltd.
Voorband:
Maat: 110/80R19M/C 59V
Fabrikant/model: BRIDGESTONE/BW501 METZELER/TOURANCE EXP C
Achterband:
Maat: 150/70R17M/C 69V
Fabrikant/model: BRIDGESTONE/BW502 METZELER/TOURANCE EXP C
VOOR en ACHTER:
Bandventiel: TR412 Luchtventielbuis:
9100 (origineel)
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU49711
DAU42850
Spaakwielen
Let ten aanzien van de voorgeschreven wielen op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw voertuig.
●Voor elke rit moeten de velgranden worden gecontroleerd op scheurtjes, verbuiging, kromheid of andere schade en de spaken op losheid of beschadiging. Laat in geval van schade het wiel door een Yamaha dealer vervangen. Probeer het wiel nooit zelf te repareren, hoe klein de reparatie ook is. Vervang een wiel dat vervormd is of haarscheurtjes vertoont.
●Na het vervangen van een wiel of band moet het wiel worden uitgebalanceerd. Een niet uitgebalanceerd wiel zal mogelijk slecht functioneren of kan een slechte wegligging en een verkorte levensduur van de banden tot gevolg hebben.
Koppelingshendel
Omdat dit model is uitgerust met een hydraulische koppelingsbediening, hoeft de vrije slag van de koppelingshendel niet te worden afgesteld. Het is echter wel nodig het hydraulisch systeem vóór elke rit op lekkage te controleren. Misschien zit er lucht in het koppelingssysteem als de koppelingshendel te veel vrije slag heeft en schakelen moeizaam gaat, of als de koppeling slipt en de machine slecht accelereert. Als er lucht in het hydraulisch systeem zit, moet het systeem door een Yamaha dealer worden ontlucht voordat de motorfiets wordt gebruikt.
DAU37913
Vrije slag van remhendel controleren

Aan het uiteinde van de remhendel mag geen vrije slag aanwezig zijn. Als er toch een vrije slag is, laat dan een Yamaha dealer het remsysteem inspecteren.
DWA14211
WAARSCHUWING
Een zacht of sponzig gevoel in de remhendel kan betekenen dat er lucht in het hydraulisch systeem aanwezig is. Als er lucht in het hydraulisch systeem zit, laat dan het systeem door een Yamaha dealer ontluchten voordat de machine wordt gebruikt. Lucht in het hydraulisch systeem heeft een negatief effect op de
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
remwerking, waardoor u de macht over het stuur zou kunnen verliezen met een ongeluk als gevolg.
DAU36503
Remlichtschakelaars
Het remlicht, dat wordt geactiveerd door het rempedaal en de remhendel, moet oplichten net voordat de remmen aangrijpen. Laat de remlichtschakelaars indien nodig door een Yamaha dealer afstellen.
DAU22392
Controleren van voor- en achter- remblokken
De remblokken in de voor- en achterrem moeten worden gecontroleerd op slijtage volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU36890
Remblokken voorrem

Elk voorremblok heeft een eigen slijtage-indicator, zodat het remblok kan worden gecontroleerd zonder de rem te hoeven demonteren. Bekrachtig de rem en let op de stand van de slijtage-indicator om de remblokslijtage te controleren. Wanneer een remblok zover is afgesleten dat de slijtage-
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
indicator de remschijf bijna raakt, vraag dan een Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.
Remblokken achterrem
DAU22500

Controleer elk achterremblok op schade en meet de remvoeringsdikte. Als een remblok beschadigd is of als de remvoeringsdikte minder is dan 0.8 mm (0.03 in), vraag dan een Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.
DAU40260
Controleren van remvloeistofni-veau
Voorrem

- Merkstreep minimumniveau
Achterrem

- Merkstreep minimumniveau
Bij een tekort aan remvloeistof kan lucht het remsysteem binnendringen, waarna de remwerking mogelijk minder effectief is.
Controleer alvorens te gaan rijden of de remvloeistof boven de merkstreep voor minimumniveau staat en vul indien nodig bij. Een laag remvloeistofniveau wijst mogelijk op verregaande remblokslijtage en/of lekkage in het remsysteem. Als het remvloeistofniveau laag is, controleer dan de remblokken op slijtage en het remsysteem op lekkage.
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:
- Bij het controleren van het remvloeistofniveau moet het bovenvlak van het remvloeistofreservoir horizontaal staan.
- Gebruik uitsluitend de voorgeschreven kwaliteit remvloeistof, anders kunnen de rubber afdichtingen verslechteren en zo lekkage en slechte remwerking teweegbrengen.
Aanbevolen remvloeistof: DOT 4
●Vul bij met hetzelfde type remvloeistof. Bij vermengen van verschillende typen remvloeistof kunnen schadelijke chemische reacties optreden en kan de remwerking verslechteren.
●Pas op en zorg dat tijdens het bijvullen geen water of stof het remvloeistofreservoir binnendringen. Water zal het
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
kookpunt van de remvloeistof aanzienlijk verlagen zodat dampbelvorming kan optreden en vuil de hydraulisch bediende kleppen van de ABS eenheid kan verstoppen.
- Remvloeistof kan gelakte of kunststof onderdelen aantasten. Veeg gemorste remvloeistof steeds direct af.
●Naarmate de remblokken afslijten, zal het remvloeistofniveau geleidelijk verder dalen. Vraag echter wel een Yamaha dealer om een inspectie als het remvloeistofniveau plotseling sterk is gedaald.
DAU22751
Rem- en koppelingsvloeistof ver- versen
Vraag een Yamaha dealer de remvloeistof en de koppelingsvloeistof te verversen volgens de intervalperioden voorgeschreven onder OPMERKING bij het periodieke meer- en onderhoudsschema. Laat bovendien de oliekeerringen van de hoofdremcilinder en de koppelingshoofdcilinder, de remklauwen en de rem- en koppelingsslangen vervangen volgens de hierna vermelde intervalperioden of wanneer ze lekken of zijn beschadigd.
●Vloeistofafdichtingen: Vervang elke twee jaar.
- Rem- en koppelingslangen: Vervang elke vier jaar.
DAU23095
Kabels controleren en smeren
De werking van alle bedieningskabels en de conditie van alle kabels moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de kabel en kabeleinden moeten indien nodig worden gesmeerd. Vraag een Yamaha dealer een kabel te controleren of te vervangen wanneer deze is beschadigd of niet soepel beweegt. WAARSCHUWING! Schade aan de buitenbehuizing van kabels kan leiden tot interne roestvorming en storing veroorzaken met de beweging van kabels. Vervang beschadigde kabels zo snel mogelijk om onveilige omstandigheden te voorkomen. [DWA10711]
Aanbevolen smeermiddel:
De werking van de gasgreep hoort voorafgaand aan elke rit te worden gecontroleerd. Daarnaast moet de kabel door een Yamaha dealer worden gesmeerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke onderhoudsschema.
De gaskabel is voorzien van een rubber afdekking. Zorg ervoor dat de afdekking stevig is aangebracht. Zelfs als de afdekking correct is aangebracht, is de kabel niet volledig beschermd tegen binnendringend water. Let er daarom op dat er geen water direct op de afdekking of kabel komt bij het wassen van de machine. Als de kabel of de afdekking vies wordt, wrijf deze dan schoon met een vochtige doek.
DAU44272
Controleren en smeren van rem- en schakelpedalen
Rempedaal

De werking van het rem- en het schakelpedaal moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de pedaalscharnierpunten moeten indien nodig worden gesmeerd.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU43800
Controleren en smeren van rem- en koppelingshendels
Remhendel

De werking van de rem- en de koppelingshendel moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de hendelscharnierpunten moeten indien nodig worden gesmeerd.
Aanbevolen smeermiddel: Siliconenvet
DAU23213
Middenbok en zijstandaard con- troleren en smeren

De werking van de middenbok en de zijstandaard moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de scharnierpunten en de metaal-op-metaal contactvlakken moeten indien nodig worden gesmeerd.
DWA10741
WAARSCHUWING
Als de middenbok of de zijstandaard niet soepel omhoog en omlaag beweegt, vraag dan een Yamaha dealer deze te controleren of te repareren. Een slecht functionerende middenbok of zijstandaard kan het wegdek raken en u afleiden, waardoor u de controle over de machine kunt verliezen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet
DAUM1651
Achterbrugscharnierpunten smeren

De achterbrugscharnierpunten moeten worden gesmeerd door een Yamaha dealer volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet
DAU23272
Voorvork controleren
De conditie en de werking van de voorvork moeten als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om de conditie te controleren
Controleer de binnenste vorkbuizen op krassen, beschadigingen en overmatige olielekkage.
Om de werking te controleren
-
Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop. WAARSCHUWING! Ondersteun de machine zorgvuldig om omvallen en mogelijk letsel te voorkomen. [DWA10751]
-
Bekrachtig de voorrem en druk het stuur een paar keer stevig naar beneden om te controleren of de voorvork soepel in- en uitveert.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

Als schade wordt gevonden of de voorvork niet soepel beweegt, vraag dan een Yamaha dealer te repareren of te controleren.
DAU45511
Stuursysteem controleren
Losse of versleten balhoofdlagers kunnen gevaarlijk zijn. De werking van het stuursysteem moet als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
-
Zet de machine op de middenbok. WAARSCHUWING! Ondersteun de machine zorgvuldig om omvallen en mogelijk letsel te voorkomen. [DWA10751]
-
Houd de voorvorkpoten aan het onderste uiteinde beet en probeer ze naar voren en achteren te bewegen. Als speling wordt gevoeld, vraag dan een Yamaha dealer het stuursysteem te inspecteren of repareren.

Controleren van wiellagers

De voor- en achterwiellagers moeten worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Als de wielnaaf speling vertoont of het wiel niet soepel draait, vraag dan een Yamaha dealer de wiellagers te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU34225
Accu

- Positieve accukabel (rood)
- Negatieve accukabel (zwart)
- Accu
6
De accu bevindt zich achter stroomlijnpaneel A. (Zie pagina 6-8.)
Dit model is voorzien van een VRLA (Valve Regulated Lead Acid)-accu. De elektrolyt hoeft niet te worden gecontroleerd en er hoeft geen gedistilleerd water te worden bijgevuld. Het is echter wel nodig om de accukabelverbindingen te controleren en, indien nodig, vast te zetten.
DWA10760
WAARSCHUWING
- Elektrolyt is giftig en gevaarlijk omdat het zwavelzuur bevat, een stof die ernstige brandwonden veroorzaakt. Vermijd contact met de huid, ogen of kleding en bescherm uw
ogen altijd bij werkzaamheden nabij accu's. Voer als volgt EERSTE HULP uit als er lichamelijk contact is geweest met elektrolyt.
- UITWENDIG: Spoel overvloedig met water.
- INWENDIG: Drink grote hoeveelheden water of melk en roep direct de hulp in van een arts.
- OGEN: Spoel gedurende 15 minuten met water en roep direct medische hulp in.
- Accu's produceren het explosieve waterstofgas. Houd daarom vonken, open vuur, sigaretten e.d. uit de buurt van de accu en zorg voor voldoende ventilatie bij acculaden in een afgesloten ruimte.
● HOUD DEZE EN ALLE ACCU'S BUITEN BEREIK VAN KINDEREN.
Om de accu op te laden
Vraag zo snel mogelijk een Yamaha dealer de accu te laden als deze ontladen lijkt te zijn. Vergeet niet dat de accu sneller ontladen raakt als de machine is uitgerust met optionele elektrische accessoires.
DCA16521
LET OP
Voor het opladen van een VRLA (Valve Regulated Lead Acid)-accu is een speciale acculader (met constante spanning) vereist. Bij gebruik van een conventionele acculader raakt de accu beschadigd.
Om de accu op te bergen
-
Verwijder de accu als het voertuig langer dan een maand niet wordt gebruikt, laad hem volledig bij en zet dan weg op een koele en droge plek. LET OP: Draai voordat u de accu verwijdert de sleutel naar "OFF" en haal dan eerst de negatieve kabel en daarna de positieve kabel los. [DCA16302]
-
Als de accu langer dan twee maanden wordt weggeborgen, moet deze minstens eenmaal per maand worden gecontroleerd; laad de accu dan indien nodig steeds volledig bij.
-
Laad de accu volledig bij alvorens te installeren. LET OP: Draai voordat u de accu plaatst de sleutel naar "OFF" en sluit vervolgens eerst de positieve kabel en daarna de negatieve kabel aan. [DCA16840]
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
- Controleer na installatie of de accukabels correct zijn aangesloten op de accupolen.
DCA16530
LET OP
Houd de accu steeds opgeladen. Stallen van een ontladen accu kan leiden tot permanente accuschade.
DAU49581
Zekeringen vervangen
De zekeringenkastjes en de zekering van de ABS-motor bevinden zich achter stroomlijnpaneel A en de hoofdzekering bevindt zich achter stroomlijnpaneel B. (Zie pagina 6-8.)

- Zekering ABS-motor
- Reservezekering ABS-pompmotor
- Hoofdzekering
- Zekeringenkastje

- Koplampzekering
- Zekering van de ABS-solenoïdeklep
- Zekering elektronische smoorklep
- Zekering brandstofinjectiesysteem
- Backup-zekering (voor klok en startblokkeersysteem)
- Zekering radiatorkoelvin
- Zekering ontstekingssysteem
- Zekering signaleringssysteem
- Zekering ABS-regeleenheid
- Circuitzekering aansluitcontact voor accessoires
11.Zekering achterlichtcircuit
12.O/P (optie) zekering - Reservezekering
Vervang een zekering als volgt als deze is doorgebrand.
- Draai de contactsleutel naar "OFF" en schakel het betreffende elektrische circuit uit.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
- Verwijder de doorgebrande zekering en breng een nieuwe zekering met de voorgeschreven ampèrewaarde aan. WAARSCHUWING! Gebruik geen zekeringen met een hogere amperage dan aanbevolen om ernstige schade aan het elektrische systeem en mogelijk brand te voorkomen.
[DWA15131]
Voorgeschreven zekeringen:
Hoofdzekering:
50.0 A
Koplampzekering:
20.0 A
Zekering achterlichtcircuit:
7.5 A
Zekering signaleringssysteem:
10.0 Å
Zekering ontstekingssysteem:
20.0 A
Zekering radiatorkoelvin:
20.0 Å
Backup-zekering:
7.5 A
Zekering brandstofinjectiesysteem:
10.0 Å
Zekering ABS-regeleenheid:
7.5 A
Circuitzekering aansluitcontact voor
accessoires:
3.0 A
Zekering ABS-motor:
30.0 A
O/P (optie) zekering:
20.0 A
-
Draai de contactsleutel naar "ON" en schakel het betreffende elektrische circuit in om te zien of de apparatuur werkt.
-
Als de zekering direct opnieuw doorbrandt, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch systeem te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU39013
Koplampgloeilamp vervangen
De koplampen op dit model hebben halogeen gloeilampen. Vervang een koplamp-gloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
DCA10850
LET OP
Pas op en zorg dat de volgende onderde- len niet worden beschadigd:
●Koplampgloeilamp
Raak het glas van de koplampgloeilamp niet aan zodat dit vetvrij blijft, anders kan de doorzichtigheid van het glas, de lichtintensiteit en de levensduur nadelig worden beïnvloed. Wrijf eventuele verontreinigingen en vingerafdrukken op het gloeilampglas weg met een doekje gedrenkt in alcohol of thinner.
●Koplamplens
Plak geen kleurfolie of stickers op de koplamplens.
Gebruik geen koplampgloeilamp met een hoger wattage dan is voorgeschreven.

-
Raak het glas van de gloeilamp niet aan.
-
Verwijder de gloeilampkap door deze linksom te draaien.

-
Gloeilampkap
-
Maak de koplampstekker los.

-
Koplampstekker
-
Haak de gloeilamphouder los en verwijder dan de defecte gloeilamp.

-
Koplampgloeilamp
-
Gloeilamphouder
-
Breng een nieuwe koplampgloeilamp aan en zet deze dan vast met de gloeilamphouder.
-
Sluit de koplampstekker aan.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
- Monteer de gloeilampkap door deze rechtsom te draaien.
- Vraag indien nodig een Yamaha dealer de koplamplichtbundel af te stellen.
DAU24181
Dit model is uitgerust met een LED-type remlicht/achterlicht.
Als het remlicht/achterlicht niet gaat branden, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te testen.
DAU24204
Gloeilamp in richtingaanwijzer vervangen
- Verwijder de lamplens van de richtingaanwijzer door de schroeven te verwijderen.

- Lamplens richtingaanwijzer
- Schroef
- Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

-
Gloeilamp richtingaanwijzer
-
Plaats een nieuwe gloeilamp in de fitting, druk deze in en draai rechtsom tot hij stuit.
- Monteer de lamplens door de schroef aan te brengen. LET OP: Draai de schroef niet te vast, hierdoor kan de lens breken. [DCA11191]
Gloeilamp kentekenverlichting vervangen
- Verwijder de bouten van kentekenver- lichtingunit.

- Kentekenverlichtingsunit
- Bout kentekenverlichtingsunit
- Verwijder de gloeilampfitting van de kentekenverlichting (samen met de gloeilamp) door deze eerst linksom te draaien en daarna eruit te trekken.
DAU49720
- Gloeilampfitting kentekenverlichting
- Verwijder de defecte gloeilamp door deze uit te trekken.


-
Gloeilamp kentekenverlichting
-
Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
- Breng de fitting (samen met de gloeilamp) aan door deze eerst in te drukken en daarna rechtsom te draaien totdat hij stuit.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
- Plaats de kentekenverlichtingunit in de oorspronkelijke positie en breng dan de bouten aan.
DAU49622
Parkeerlichtgloeilamp vervangen
Dit model is voorzien van twee parkeerlichten. Vervang een parkeerlichtgloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
- Verwijder de kuipruit door de schroeven los te halen.

-
Kuipruit
-
Schroef
-
Verwijder het paneel door de drukclips los te halen.

- Paneel
- Drukclip
- Verwijder de kap van de koplampunit door de bouten los te halen.

- Kap van koplampunit
- Bout
- Verwijder de bouten van de koplampunit en trek de koplampunit iets naar buiten, waarbij u ervoor zorgt dat deze
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
ondersteund blijft. LET OP: Let erop dat niet aan de koplampbedrading wordt getrokken. [DCA16810]

-
Koplampdraad
-
Verwijder de fitting van de parkeerlichtgloeilamp (samen met de gloeilamp) door deze linksom te draaien.

-
Fitting parkeerlichtgloeilamp
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze uit te trekken.

-
Parkeerlichtgloeilamp
-
Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
-
Monteer de fitting van de parkeerlicht-gloeilamp (samen met de gloeilamp) door deze in te drukken en rechtsom te draaien.
-
Monteer de koplampunit door de bouten aan te brengen en zet deze dan vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Bout koplampunit:
7 Nm (0.7 m·kgf, 5.1 ft·lbf)
- Monteer de kap van de koplampunit door de bouten aan te brengen.
- Monteer het paneel door de drukclips aan te brengen.
- Monteer de kuipruit door de schroeven aan te brengen en zet deze dan vast met het voorgeschreven aanhaalmoment. WAARSCHUWING! Een loszittende kuipruit kan een ongeluk veroorzaken. Draai de schroeven vast met het voorgeschreven aanhaalmoment. [DWA15510]
Aanhaalmoment:
Kuipruitschroef:
0.5 Nm (0.05 m·kgf, 0.36 ft·lbf)
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU25871
DWA15141
Problemen oplossen
Yamaha motorfietsen ondergaan een grondige inspectie voordat ze vanaf de fabriek op transport gaan, maar tijdens gebruik kunnen toch storingen optreden. Problemen in de brandstof-, compressie- of ontstekingssystemen kunnen bijvoorbeeld de oorzaak zijn van slecht starten of een afname in motorvermogen.
In de volgende storingzoekschema's is een snelle en gemakkelijke werkwijze weergegeven om deze vitale systemen zelf te kunnen controleren. Ga met uw motorfiets echter wel naar een Yamaha dealer als reparaties nodig zijn, hier zijn vakkundige monteurs aanwezig die beschikken over het benodigde gereedschap en de ervaring en vakkennis om het nodige onderhoud aan de motorfiets correct te verrichten.
Gebruik uitsluitend originele Yamaha vervangingsonderdelen. Niet-originele onderdelen lijken misschien op Yamaha onderdelen maar zijn toch vaak van mindere kwaliteit en hebben een kortere levensduur, zodat dan later mogelijk toch dure reparaties nodig zijn.
WAARSCHUWING
Rook niet tijdens het controleren van het brandstofsysteem en let erop dat er geen open vuur of vonken in de omgeving zijn, inclusief waakvlammen van geisers of ovens. Benzine en benzinedampen kunnen vlam vatten of exploderen, met ernstig letsel of schade aan eigendommen tot gevolg.
Storingzoekschema's
DAU42502
Startproblemen of slechte werking van de motor
1. Brandstof
Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.
Er is voldoende brandstof aanwezig.
Controleer de compressie.
Er is geen brandstof aanwezig.
Vul brandstof bij.
De motor start niet. Controleer de compressie.
2. Compressie
Bedien de elektrische startknop.
Er is compressie.
Controleer de ontsteking.
Er is geen compressie.
Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
3. Ontsteking
Verwijder de bougies en controleer de elektroden.
Nat
Schoonvegen met een droge doek. Stel de elektrodenafstand van de bougies af of vervang de bougies.
Bedien de elektrische startknop.
Droog
Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
De motor start niet. Controleer de accu.
4. Accu
Bedien de elektrische startknop.
De motor draait snel rond.
De accu is in orde.
De motor draait langzaam rond.
Controleer de aansluitingen van de accukabels en vraag indien nodig een Yamaha dealer om de accu te laden.
De motor start niet. Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Oververhitte motor
DWAT1040
WAARSCHUWING
- Verwijder de radiatorvuldop niet terwijl de motor en de koelvloeistofradiator nog heet zijn. Hete vloeistof en stoom kunnen naar buiten spuiten en zo ernstige brandwonden veroorzaken. Wacht tot de motor is afgekoeld.
- Breng een dikke doek, bijvoorbeeld een handdoek, aan over de radiatorvuldop en draai deze dan langzaam linksom tegen de aanslag zodat de nog aanwezige druk kan ontsnappen. Druk de dop omlaag zodra het sisgeluid stopt en draai deze linksom en verwijder de dop.

flowchart
graph TD
A["Wacht tot de motor is afgekoeld."] --> B["Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir en in de radiator."]
B --> C["Het koelvloeistofniveau is laag. Controleer het koelsysteem op lekkage."]
B --> D["Het koelvloeistofniveau is in orde."]
C --> E["Er is lekkage."]
D --> F["Er is geen lekkage."]
E --> G["Vraag een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren en te repareren."]
F --> H["Vul koelvloeistof bij. (Zie OPMERKING.)"]
H --> I["Start de motor. Vraag een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren en te repareren als de motor opnieuw oververhit raakt."]
OPMERKING
Als geen koelvloeistof beschikbaar is, kan tijdelijk leidingwater worden gebruikt, maar dit moet wel zo snel mogelijk door de voorgeschreven koelvloeistof worden vervangen.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
Matkleur, let op
DAU37833
DCA15192
LET OP
Sommige modellen zijn uitgerust met matkleurige onderdelen. Raadpleeg een Yamaha dealer voor advies over wat voor producten gebruikt moeten worden om het voertuig te reinigen. Het gebruik van een borsteltje, chemische producten of reinigingsmiddelen tijdens het reinigen van deze onderdelen kan het oppervlak bekrassen of beschadigen. Ook was moet niet worden aangebracht op een van de matkleurige onderdelen.
DAU26054
Verzorging
De open constructie van een motorfiets maakt de fraaie techniek beter zichtbaar, maar de machine is hierdoor ook kwetsbaarder. Er kan roestvorming en corrosie optreden, ook al zijn hoogwaardige componenten gebruikt. Een roestige uitlaatpijp valt bij een auto niet zo op, maar doet bij een motorfiets afbreuk aan het algehele uiterlijk. Regelmatige en correcte verzorging is niet alleen vereist volgens de garantiebepalingen, maar zorgt ook dat de motorfiets er langer mooi uit blijft zien, verlengt de levensduur en verbetert de prestaties.
Alvorens te reinigen
- Dek de uitlaatdemperopening af met een plastic zak nadat de motor is afgekoeld.
- Controleer of alle doppen en afdekpluggen, ook de bougiedoppen, en alle elektrische stekkers en aansluitingen stevig zijn bevestigd.
- Verwijder hardnekkige vervuiling, zoals verbrande olie op het carter, met een ontvetter en een borstel, maar gebruik dergelijke producten nooit op afdichtingen, pakkingen en wielassen. Spoel vuil en ontvetter altijd af met water.
Reinigen
DCA10772
LET OP
●Vermijd het gebruik van sterke en bijtende wielreinigingsmiddelen, vooral bij spaakwielen. Als dergelijke producten toch worden gebruikt om hardnekkig vuil los te maken, laat het reinigingsmiddel dan niet langer inwerken dan is vermeld in de gebruiksinstructies. Spoel vervolgens grondig na met water, laat direct drogen en breng daarna een corrosiewerende spray aan.
●Bij verkeerd reinigen kunnen kunststof delen (zoals stroomlijnpanelen, framepanelen, kuipruiten, koplamplenzen, lenzen van de instrumentenverlichting enz.) en de uitlaatdempers beschadigd raken. Gebruik alleen een zachte, schone doek of een spons met water om kunststof delen te reinigen. Als de kunststof delen met water niet afdoende kunnen worden gereinigd, kan een mild reinigingsmiddel met water worden gebruikt. Spoel reinigingsmiddelresten zorgvuldig af met grote hoeveelheden water, aangezien ze de kunststof delen kunnen beschadigen.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
- Gebruik geen bijtende chemische reinigingsmiddelen op kunststof delen. Vermijd het gebruik van doeken of sponzen die in contact zijn geweest met bijtende of schurende reinigingsmiddelen, oplosmiddelen of thinner, brandstof (benzine), roestverwijderingsmiddelen of corrosieremmers, remvloeistof, antivries of elektrolyt.
- Gebruik geen hogedrukreinigers of stoomreinigers, omdat dan op de volgende plaatsen water kan doordringen en zo schade kan ontstaan: afdichtingen (van wiel- en achterbruglagers, voorvork en remmen), elektrische componenten (kabelstekkers, messtekkers, instrumenten, schakelaars en verlichting), beluchtings- en ontluchtingsslangen.
●Bij motorfietsen met een kuipruit: Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen of harde sponzen, deze veroorzaken dofheid en laten krasjes achter. Sommige reinigingsmiddelen voor kunststof laten eveneens krasjes achter op de kuipruit. Test het product op een klein, niet-zichtbaar gedeelte van de kuipruit om zeker te zijn dat geen
sporen achterblijven op de kuipruit. Als de kuipruit krasjes vertoont, breng dan na wassen een hoogwaardige polish voor gebruik op kunststof aan.
Na normaal gebruik
Verwijder vuil met warm water, een mild reinigingsmiddel en een zachte, schone spons en spoel dan grondig met schoon water. Gebruik een tandenborstel of flessenborstel voor moeilijk bereikbare plekken. Hardnek- kig vastzittend vuil en insectenresten laten gemakkelijker los als de bewuste plek alvo- rens te reinigen een paar minuten met een vochtige doek wordt bedekt.
Na rijden in regen, aan de kust of op bepekelde wegen
Zeelucht en wegenzout waarmee wegen in de winter worden bestrooid hebben in combinatie met water een zeer corrosieve werking; handel daarom als volgt na een rit in een regenbui, nabij de kust of op bepekelde wegen.
OPMERKING
In de winter gestrooid wegenzout kan nog tot in de lente aanwezig blijven.
- Reinig de motorfiets met koud water en een mild reinigingsmiddel nadat de motor is afgekoeld. LET OP: Gebruik geen warm water, dit versnelt de corrosieve werking van het zout. [DCA10781]
- Breng met een spuitbus een corrosiewerend middel aan op alle metalen de- len, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
Na reiniging
- Droog de motorfiets met een zeemleren lap of een vochtabsorberende doek.
- Gebruik een chroompolish om verchroomde, aluminium en roestvrijstalen delen te doen glanzen, ook het uitlaatsysteem. (Zelfs thermische verkleuringen op roestvrijstalen uitlaatsystemen kunnen door oppoetsen worden verwijderd.)
- Het is aan te bevelen om met een spuitbus een corrosiewerend middel aan te brengen op alle metalen delen, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
- Gebruik oliespray als universeel schoonmaakmiddel om nog achtergebleven vuil te verwijderen.
- Werk kleine lakbeschadigingen door steenslag e.d. bij.
- Zet alle gelakte oppervlakken in de was.
- Laat de motorfiets volledig drogen al- vorens deze te stallen of af te dekken.
DWA11131
WAARSCHUWING
Verontreiniging van de remmen of banden kan leiden tot verlies van de controle over de machine.
- Controleer of er geen olie of was op de remmen of banden zit.
●Reinig de remschijven en remvoeringen indien nodig met een normale remschijfreiniger of aceton en spoel de banden schoon met lauw water en een mild reinigingsmiddel. Test de remwerking en het weggedrag van de machine in bochten voordat u met hoge snelheden gaat rijden.
DCA10B00
LET OP
- Breng een geringe hoeveelheid oliespray en was aan en verwijder overtollige hoeveelheden.
- Breng oliespray of was nooit aan op rubber of kunststof delen, behandel deze met een daartoe bestemd verzorgingsmiddel.
●Vermijd het gebruik van schurende poetsmiddelen, deze tasten de lak aan.
OPMERKING
●Vraag een Yamaha dealer om advies over de te gebruiken producten.
●Door wassen, regenachtig weer of een vochtig klimaat kan de koplamplens beslagen raken. Inschakelen van de koplamp gedurende een korte periode zal helpen bij de verwijdering van het vocht.
DAU49591
Stalling
Korte termijn
Stal uw motorfiets steeds op een koele en droge plek en bescherm indien nodig tegen stof met een luchtdoorlatende stallinghoes. Zorg ervoor dat de motor en het uitlaatsysteem zijn afgekoeld alvorens de motorfiets af te dekken.
DCA10810
LET OP
●Als de motorfiets wordt gestald in een slecht geventileerde ruimte of in vochtige toestand wordt afgedekt met een hoes of een dekzeil, zal water en vocht kunnen binnendringen en roestvorming veroorzaken.
- Voorkom corrosie door de machine niet te stallen in een vochtige kelder, een stal (i.v.m. de aanwezigheid van ammoniakdamp) en in een opslagruimte voor sterke chemicaliën.
Lange termijn
Alvorens uw motorfiets gedurende meerde- re maanden aaneen te stallen:
- Volg alle instructies op in de paragraaf "Verzorging" in dit hoofdstuk.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
- Vul de brandstoftank en voeg een stabilisatoradditief (indien verkrijgbaar) toe om roestvorming in de tank en achteruitgang van de brandstof te voorkomen.
- Voer de volgende stappen uit om de cilinders, de zuigerveren etc. te beschermen tegen corrosie.
a. Verwijder de bougiedoppen en de bougies.
b. Giet een theelepel motorolie in elk bougiegat.
c. Breng de bougiedoppen aan op de bougies en leg dan de bougies zodanig op de cilinderkop dat de elektroden aan massa liggen. (Dit voorkomt vonken tijdens de volgende stap.)
d. Laat de motor een paar keer ronddraaien op de startmotor. (De cilinderwanden worden zo geolied.) WAARSCHUWING! Verbind de bougie-elektrodes met de massa bij het ronddraaien van de motor om schade of letsel door vonkvorming te voorkomen. [DWA10951]
e. Haal de bougiedoppen los van de bougies en breng dan de bougies en de bougiedoppen weer aan.
- Smeer alle bedieningskabels en scharnierpunten van alle hendels en pedalen en van de zijstandaard/middenbok.
- Controleer de bandenspanning, corri- geer deze indien nodig en breng dan de motorfiets omhoog, zodat beide wielen los van de grond zijn. Een an- dere mogelijkheid is de wielen elke maand iets te draaien, zodat de ban- den niet op één gedeelte sterker ach- teruitgaan.
- Dek de uitlaatdemper af met een plastic zak om te voorkomen dat vocht kan binnendringen.
- Verwijder de accu en laad deze volledig bij. Berg de accu op een koele en droge plek op en laad deze eens per maand bij. Berg de accu niet op een overmatig koude of warme plek op [onder 0 °C (30 °F) of boven 30 °C (90 °F)]. Zie pagina 6-28 voor meer informatie over het opbergen van de accu.
OPMERKING
Voer eventueel benodigde reparaties uit voordat u uw motorfiets stalt.
Afmetingen:
Totale lengte:
2255 mm (88.8 in)
Totale breedte:
980 mm (38.6 in)
Totale hoogte:
1410 mm (55.5 in)
Zadelhoogte:
845/870 mm (33.3/34.3 in)
Wielbasis:
1540 mm (60.6 in)
Grondspeling:
205 mm (8.07 in)
Kleinste draaicirkel:
2700 mm (106.3 in)
Gewicht:
Rijklaar gewicht:
261 kg (575 lb)
Motor:
Type motor:
Vloeistofgekoeld, 4-takt, DOHC
Cilinderopstelling:
2-cilinder lijnmotor
Slagvolume
1199 cm³
Boring × slag:
98.0 × 79.5 mm (3.86 × 3.13 in)
Compressieverhouding:
11.00:1
Startsysteem:
Aanbevolen kwaliteit motorolie:
Hoeveelheid motorolie:
Zonder vervanging van oliefilterpatroon:
3.10 L (3.28 US qt, 2.73 Imp.qt)
Met vervanging van oliefilterpatroon:
3.40 L (3.59 US qt, 2.99 Imp.qt)
Cardanolie:
Type:
Originele Yamaha cardanolie SAE 80 API
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de
merkstreep voor maximumniveau):
0.26 L (0.27 US qt, 0.23 Imp.qt)
Inhoud radiator (inclusief alle leidingen):
1.83 L (1.93 US qt, 1.61 Imp.qt)
Luchtfilter:
Luchtfilterelement:
Papieren element met oliecoating
Brandstof:
Aanbevolen brandstof:
Uitsluitend loodvrije superbenzine
Inhoud brandstoftank:
23.0 L (6.08 US gal, 5.06 Imp.gal)
Hoeveelheid reservebrandstof:
3.9 L (1.03 US gal, 0.86 Imp.gal)
Brandstofinjectie:
Gasklephuis:
Het teken van identificatie:
23P1 00
Bougie(s):
Fabrikant/model:
NGK/CPR8EB9
Elektrodenafstand:
Nat, meervoudige plaat
Versnellingsbak:
Primaire reductieverhouding:
1.466 (85/58)
Eindoverbrenging:
As
Secundaire reductieverhouding:
2.987 (21/25 x 32/9)
Type versnellingbak:
Constant mesh, 6 versnellingen
Bediening:
Bediening met linkervoet
Overbrengingsverhoudingen:
1e:
2.769 (36/13)
2e:
2.063 (33/16)
3e:
1.571 (33/21)
4e:
1.250 (30/24)
5e:
1.042 (25/24)
6e:
0.929 (26/28)
Chassis:
Type frame:
Backbone
Spoorhoek:
28.00 graad
Naspoor:
126 mm (5.0 in)
Voorband:
Type:
Tubeless
Maa
110/80R19M/C 59V
Fabrikant/model:
BRIDGESTONE/BW501
Fabrikant/model:
METZELER/TOURANCE EXP C
Achterband:
Type:
Tubeless
Maat:
150/70R17M/C 69V
Fabrikant/model:
BRIDGESTONE/BW502
Fabrikant/model:
METZELER/TOURANCE EXP C
Belading:
Maximale belasting:
209 kg (461 lb)
(Totaal gewicht van bestuurder, passagier,
bagage en accessoires)
Bandenspanning (gemeten aan koude banden):
Gewichtsverdeling:
0–90 kg (0–198 lb)
Voor:
225 kPa (2.25 kgf/cm², 33 psi)
Achter:
250 kPa (2.50 kgf/cm², 36 psi)
Gewichtsverdeling:
Bediening met rechterhand
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Achterrem:
Type:
Enkele schijfrem
Bediening:
Bediening met rechtervoet
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Voorwielophanging:
Type:
Telescoopvork
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/oliedemper
Veerweg:
190.0 mm (7.48 in)
Achterwielophanging:
Type:
Achterbrug (link-ophanging)
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/gas-oliedemper
Veerweg:
190.0 mm (7.48 in)
Elektrische installatie:
Ontstekingssysteem:
Transistorontsteking
Laadsysteem:
Wisselstroomdynamo met permanente
magneten
Accu:
Model:
YTZ12S
Voltage, capaciteit:
12 V, 11.0 Ah
Koplamp:
Type gloeilamp:
Halogeenlamp
Gloeilampen voltage, wattage × aantal:
Koplamp:
12 V, 55 W × 2
Voorste richtingaanwijzer:
12 V, 10.0 W × 2
Achterste richtingaanwijzer:
12 V, 10.0 W × 2
Parkeerlicht:
12 V, 5.0 W × 2
Kentekenverlichting:
12 V, 5.0 W × 1
Instrumentenverlichting:
LED
Controlelampje vrijstand:
LED
Waarschuwingslampje olieniveau:
LED
Controlelampje richtingaanwijzers:
LED
Waarschuwingslampje
koelvloeistoftemperatuur:
LED
Waarschuwingslampje motorstoring:
LED
ABS-waarschuwingslampje:
LED
Controlelampje startblokkering:
LED
Controlelampje tractieregeling:
LED
Zekeringen:
Hoofdzekering:
50.0 A
Koplampzekering:
20.0 A
Zekering achterlichtcircuit:
7.5 A
Zekering signaleringssysteem:
10.0 A
Zekering ontstekingssysteem:
20.0 A
Zekering radiatorkoelvin:
20.0 A
Zekering brandstofinjectiesysteem:
10.0 A
Zekering ABS-regeleenheid:
7.5 A
Zekering ABS-motor:
30.0 A
Zekering van de ABS-solenoïdeklep:
20.0 A
Circuitzekering aansluitcontact voor
accessoires:
3.0 A
Backup-zekering:
7.5 A
O/P (optie) zekering:
20.0 A
GEBRUIKERSINFORMATIE
DAU48611
Identificatienummers
Noteer het voertuigidentificatienummer en de gegevens op de modelinformatiesticker in onderstaande ruimtes. Deze gegevens heeft u nodig om reserveonderdelen bij een Yamaha dealer te bestellen of wanneer uw voertuig is gestolen.
VOERTUIGIDENTIFICATIENUMMER:

natural_image
Empty rectangular frame with no text, symbols, or markingsMODELINFORMATIESTICKER:

DAU26400
Voertuigidentificatienummer

- Voertuigidentificatienummer
Het voertuigidentificatienummer is ingeslagen op de balhoofdbuis. Noteer dit nummer in het daartoe bestemde vakje.
OPMERKING
Het voertuigidentificatienummer is bedoeld voor identificatie van uw motorfiets en kan worden gebruikt om uw motor in uw land aan te melden voor kentekenregistratie.
DAU26470
Modelinformatiesticker

- Modelinformatiesticker
De modelinformatiesticker is onder het bestuurderszadel bevestigd aan het frame. (Zie pagina 3-24.) Noteer de informatie op deze sticker in het daartoe bestemde vakje. Deze informatie is nodig om reserve-onderdelen te bestellen bij een Yamaha dealer.
A
ABS 3-19
ABS-waarschuwingslampje.... 3-7
Accu.... 6-28
Achterbrugscharnierpunten, smeren .... 6-26
Bestuurderszadel.... 3-24
Bougies, controlleren.... 6-10
Brandstof 3-22
Brandstofverbruik, tips voor een zuinig.... 5-3
C
Cardanolie 6-14
Claxonschakelaar 3-16
Contactslot/stuurslot 3-2
Controle- en waarschuwingslampjes ..... 3-4
Controlelampje grootlicht.... 3-4
Controlelampjes richtingaanwijzers ..... 3-4
Controlelampje startblokkeersysteem .... 3-8
Controlelampje tractieregeling.... 3-7
D
Dimlichtschakelaar 3-15
D-mode (rijmodus).... 3-1
G
Gasgreep en gaskabel, controlleren en smeren 6-24
Gelijkstroom aansluitcontact voor accessoires 3-34
Gereedschapset 6-2
Gloeilamp kentekenverlichting, vervangen 6-33
Gloeilamp richtingaanwijzer, vervangen 6-32
H
Hoogte bestuurderszadel, verstellen.....3-25
|
Identificatienummers ......9-1
Inrijperiode 5-3
K
Kabels, controleren en smeren .....6-23
Klepspeling....6-17
Koelvloeistof....6-15
Koplampgloeilamp, vervangen......6-31
Koppelingshendel....3-16, 6-20
Kuipruit....3-26
L
Lichtsignaalschakelaar....3-15
Luchtfilterelement....6-16
M
Matkleur, let op....7-1
Middenbok en zijstandaard, controleren en smeren 6-25
Modelinformatiesticker 9-1
Motorolie en oliefilterpatroon....6-11
Multifunctionele meter 3-8
N
Noodstopschakelaar ....3-16
0
Onderhoud, uitstootcontrolesysteem .....6-3
P
Parkeerlichtgloeilamp, vervangen .....6-34
Parkeren....5-4
Plaats van de onderdelen 2-1
Problemen oplossen.... 6-36
R
Rem- en koppelingshendels, controleren en smeren.... 6-25
Rem- en koppelingsvloeistof, verversen.... 6-23
Rem- en schakelpedalen, controleren en smeren.... 6-24
Remhendel 3-17
Remlichtschakelaars.... 6-21
Rempedaal 3-18
Remvloeistofniveau, controlleren ..... 6-22
Richtingaanwijzerschakelaar 3-15
S
Schakelaar alarmverlichting.... 3-16
Schakelen 5-2
Schakelpedaal 3-17
Schokdemperunit, afstellen 3-28
Smering en onderhoud, periodiek...... 6-4
Specifications.... 8-1
Stalling 7-3
Startblokkeersysteem 3-1
Starten van de motor 5-1
Startknop 3-16
Startspersysteem.... 3-32
Stationair toerental, controlleren...... 6-17
Storingzoekschema's.... 6-37
Stroomlijnpanelen, verwijderen en aanbrengen 6-8
Stuurschakelaars 3-15
Stuursysteem, controleren.... 6-27
T
Tankbeluchtingsslang/overloopslang.... 3-23
Tankdop.... 3-21
INDEX
Tractieregeling 3-20
U
Uitlaatkatalysator 3-23
v
Veiligheidsinformatie.... 1-1
Verzorging....7-1
Voertuigidentificatienummer .....9-1
Voor- en achterremblokken controleren.... 6-21
Voorvork, afstellen 3-27
Voorvork, controleren....6-26
Vrije slag van gasgreep, controleren .... 6-17
Vrije slag van remhendel, controleren.... 6-20
Vrijstandcontrolelampje.... 3-4
W
Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur .... 3-5
Waarschuwingslampje motorstoring ..... 3-7
Waarschuwingslampje olieniveau.... 3-4
Wielen....6-20
Wiellagers controleren 6-27
Z
Zekeringen, vervangen 6-29
Zijstandaard 3-31

YAMAHA
YAMAHA MOTOR CO., LTD.
PRINTED IN THE NETHERLANDS
2010.08



