XMAX125 - Scooter YAMAHA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis XMAX125 YAMAHA in PDF-formaat.
| Producttype | Scooter |
| Merk | Yamaha |
| Model | XMAX125 |
| Motortype | 4-takt, vloeistofgekoeld, eencilinder |
| Cilinderinhoud | 125 cc |
| Max. vermogen | 12,2 pk (9,0 kW) bij 9000 tpm |
| Transmissie | Automatische CVT |
| Brandstofsysteem | Brandstofinjectie |
| Startsysteem | Elektrisch |
| Voorrem | Schijfrem, 260 mm |
| Achterrem | Schijfrem, 240 mm |
| Band voor | 120/70-15 |
| Band achter | 140/70-14 |
| Lengte | 2185 mm |
| Breedte | 775 mm |
| Hoogte | 1405 mm |
| Zithoogte | 785 mm |
| Rijklaar gewicht | 179 kg |
| Brandstoftankinhoud | 13 liter |
| Oliecapaciteit | 1,0 liter (bij verversing) |
| Vonkenbougie | NGK CR8E |
| Koelsysteem | Vloeistofkoeling met radiator |
| Verlichting | LED koplamp en achterlicht |
| Instrumentenpaneel | Digitaal met snelheidsmeter, brandstofmeter en klok |
| Opslag onder zadel | Genoeg voor een integraalhelm |
| ABS | Ja (antiblokkeersysteem) |
Veelgestelde vragen - XMAX125 YAMAHA
Gebruikersvragen over XMAX125 YAMAHA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Scooter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding XMAX125 - YAMAHA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. XMAX125 van het merk YAMAHA.
GEBRUIKSAANWIJZING XMAX125 YAMAHA
Verklaren hierbij dat het product:
Type apparaat: STARTBLOKKERING
Typeaanduiding: 5SL-00
in overeenstemming is met de volgende norm(en) of documenten:
R&TTE richtlijn(1999/5/EC)
EN300 330-2 v1.1.1(2001-6), EN60950(2000)
Richtlijn betreffende motorvoertuigen op twee of drie wielen(97/24/EC: Hoofdstuk 8, EMC)
Plaats van afgifte: Shizuoka, Japan
Datum van afgifte: 1 augustus 2002
| Overzicht van wijzigingen | ||
| Nr. | Inhoud | Datum |
| 1 | Om contactpersoon te wijzigen en typeaanduiding te integreren. | 9 juni 2005 |
9/Jan/2005
Algemeen directeur afdeling kwaliteitsbeheer

Naam en handtekening vertegenwoordiger
MORIC CO., LTD.
1450-6 Mori-machi Shuchi-gun Shizuoka 437-0292 JAPAN Telefoon +81-538-85-0757 Fax +81-538-85-0456
URL:http://www.morie.jp.com
DAU10110
Welkom in de wereld van Yamaha rijders!
Als eigenaar van de YP125R profiteert u van Yamaha's ervaring en technische kennis in het ontwerpen en fabriceren van producten van topkwaliteit, waarmee Yamaha haar verdiende reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven.
Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw YP125R. Deze gebruikershandleiding geeft instructies over bediening, inspectie en onderhoud van de scooter, terwijl ook wordt beschreven hoe u uzelf en anderen persoonlijk letsel en schade kunt besparen.
De vele tips in deze handleiding helpen u bovendien om uw scooter in optimale conditie te houden. Als er tenslotte toch nog vragen zijn, aarzel dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.
Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe. En vergeet niet, veiligheid voor alles!
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU34110
Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:
| Het Safety Alert symbool betekent ATTENTIE! LET OP! HET GAAT OM UW VEILIG-HEID! | |
| Wanneer de instructies vermeld in een WAARSCHUWING niet worden opgevolgd, kan dit leiden tot ernstig of zelfs dodelijk letsel voor de bestuurder, omstanders of degene die de scooter inspecteert of repareert. | |
| LET OP: De aanduiding LET OP geeft aan dat er speciale voorzorgsmaatregelen moeten worden getroffen om schade aan de scooter te voorkomen. | |
| OPMERKING: | De aanduiding OPMERKING staat bij belangrijke informatie die procedures kan verge-makkelijken of verhelderen. |
OPMERKING:
- Deze handleiding moet worden gezien als een permanent onderdeel van deze scooter en moet altijd bij de scooter blijven, ook als deze later wordt verkocht.
- Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan er soms sprake zijn van kleine verschillen tussen uw scooter en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recente productinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen heeft over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.
WAARSCHUNG
DWA12410
LEES DEZE HANDLEIDING AANDACHTIG HELEMAAL DOOR VOORDAT U DEZE SCOOTER GAAT GEBRUIKEN.
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAUS1171
Y1252R
HANDLEIDING
©2005 door YAMAHA MOTOR ESPAÑA S.A.
2e uitgave, October 2006
Alle rechten voorbehouden.
Elke vorm van herdruk of onbevoegd gebruik
zonder schriftelijke toestemming van
is uitdrukkelijk verboden.
Gedrukt in Spanje.
INHOUDSOPGAVE
VEILIGHEIDSINFORMATIE ....1-1
BESCHRIJVING 2-1
Aanzicht linkerzijde 2-1
Aanzicht rechterzijde ......2-2
Bedieningen en instrumenten......2-3
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN ....3-1
Startblokkeersysteem 3-1
Contactslot/stuurslot 3-2
Indicatoren, controlelampjes en waarschuwingslampje ....3-3
Snelheidsmeter 3-4
Brandstofniveaumeter 3-4
Temperatuurmeter koelvloeistof .....3-5
Multifunctioneel display 3-5
Antidiefstal-alarmsysteem (optie) .....3-8
Stuurschakelaars 3-8
Voorremhendel....3-10
Achterremhendel ....3-10
Tankdop 3-10
Brandstof 3-11
Uitlaatkatalysator ....3-12
Zadel 3-12
Opbergvak voorin ....3-13
Opbergcompartiment 3-14
Afstellen van de schokdemperunits....3-14
Zijstandaard 3-15
CONTROLES VOOR HET
STARTEN....4-1
Controlelijst voor gebruik....4-2
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-
INFORMATIE 5-1
Starten van een koude motor......5-1
Wegrijden 5-2
Sneller en langzamer rijden ....5-2
Remmen 5-3
Tips voor een zuinig brandstofverbruik ....5-3
Inrijperiode 5-4
Parkeren....5-4
PERIÓDIEK ONDERHOUD EN
KLEINERE REPARATIES....6-1
Boordgereedschapset....6-1
Periodiek smeer- en onderhoudsschema....6-3
Stroomlijn- en framepanelen verwijderen en aanbrengen ......6-6
Controleren van de bougie ....6-7
Motorolie....6-8
Versnellingsbakolie 6-10
Koelvloeistof 6-11
Luchtfilter en luchtfilterelementen in vsnaarbehuizing....6-13
Speling van de gaskabel afstellen..6-14
Klepspeling 6-15
Banden 6-15
Gietwielen 6-17
Vrije slag voor- en achterremhendel ....6-18
Controleren van voor- en achterremblokken......6-18
Controleren van remvloeistofniveau ....6-19
Verversen van remvloeistof......6-20
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel ....6-20
Smeren van voor- en achterremhendels....6-20
Controleren en smeren van middenbok en zijstandaard......6-21
Voorvork controleren ....6-21
Controle van stuursysteem......6-22
Controleren van wiellagers ......6-22
Accu....6-23
Zekeringen vervangen 6-24
Koplampgloeilamp vervangen .....6-25
Gloeilamp in voorste richtingaanwijzer vervangen......6-26
Vervangen van gloeilamp voor remlicht/achterlicht of van gloeilamp voor achterste richtingaanwijzer....6-26
Gloeilamp in kentekenverlichting vervangen....6-27
Parkeerlichtgloeilamp vervangen....6-28
INHOUDSOPGAVE
Problemen oplossen....6-28
Storingzoekschema's......6-29
VERZORGING EN STALLING VAN DE
SCOOTER....7-1
Verzorging 7-1
Stalling 7-3
SPECIFICATIES....8-1
GEBRUIKERSINFORMATIE ......9-1
Identificatienummers ......9-1

VEILIGHEIDSINFORMATIE
DAU10260
SCOOTERS ZIJN TWEEWIELIGE VOERTUIGEN. HUN VEILIG GEBRUIK EN WERKING ZIJN AFHANKELIJK VAN JUISTE RIJ- TECHNIEKEN EN VAN DE DESKUN- DIGHEID VAN DE BESTUURDER. ELKE BESTUURDER MOET BEKEND ZIJN MET DE VOLGENDE VEREIS- TEN ALVORENS MET DEZE SCOO- TER TE GAAN RIJDEN. HIJ OF ZIJ MOET:
●DOOR EEN COMPETENTE INFORMATIEBRON GRONDIG ZIJN INGELICHT OVER ALLE ASPECTEN VAN SCOOTERRIJDEN.
●ZICH HOUDEN AAN DE WAARS-CHUWINGEN EN ONDERHOUDSEISEN VERMELD IN HET INSTRUCTIEBOEKJE VOOR DE EIGENAAR.
●GRONDIG GETRAIND ZIJN IN VEILIGE EN CORRECTE RIJ-TECHNIEKEN.
●GEBRUIK MAKEN VAN PROFESSIONELE TECHNISCHE SERVICE, ZOALS AANGEGEVEN IN HET INSTRUCTIEBOEKJE
- Controleer de machine altijd voor u gaat rijden. Een zorgvuldige controle kan een ongeval helpen voorkomen.
- Deze scooter is gebouwd voor het vervoer van de bestuurder plus een passagier.
- Het niet opmerken en herkennen van scooters door andere weggebruikers vormt de belangrijkste oorzaak van auto-/scooterongevallen. Vaak worden ongevallen veroorzaakt doordat een autobestuurder de scooter niet heeft gezien. Zorg dat u opvalt, dat blijkt het meest effectief om het risico op een dergelijk type ongeval te verminderen.
●Dus:
- Draag een jack in felle kleuren.
- Wees extra voorzichtig bij het naderen en passeren van kruisingen, daar doen ongelukken met scooters zich namelijk het meest voor.
- Ga daar rijden waar andere weggebruikers u kunnen zien. Ga niet rijden in de dode zichthoek van een andere weggebruiker.
- Bij veel ongevallen zijn onervaren bestuurders betrokken. Vaak waren bij een ongeval betrokken bestuurders zelfs niet in het bezit van een geldig rijbewijs.
- Zorg dat u bekwaam bent om te rijden en leen uw machine alleen uit aan ervaren scooterrijders.
- Weet wat u wel en niet aankunt. Door rekening te houden met uw beperkingen helpt u ongelukken voorkomen.
- We raden aan om het scooterrijden te oefenen op plekken waar geen verkeer is, totdat u grondig bekend bent met de scooter en zijn bediening.
- Ongelukken worden vaak veroorzaakt door een fout van de scooterbestuurder. Veel bestuurders houden bij het ingaan van een bocht een TE HOGE RIJSNEL-HEID aan of rijden te lang rechtop
(onvoldoende schuinliggen bij de bewuste rijsnelheid), zodat de bocht dan te wijd wordt genomen.
- Neem altijd de maximum snelheid in acht en rijd nooit sneller dan de wegcondities en het verkeer toestaan.
- Geef altijd richting aan voordat u afslaat of van rijstrook wisselt. Zorg dat andere weggebruikers u kunnen zien.
- De zithouding van de bestuurder en de passagier is belangrijk voor een goede besturing.
- De bestuurder moet tijdens het rijden beide handen aan het stuur houden en beide voeten op de voetplaat, om zo de macht over het stuur te behouden.
- De passagier hoort steeds de bestuurder, de zadelband of de handgreep, indien aanwezig, met beide handen vast te houden en beide voeten op de passagiersvoetsteunen te houden.
- Neem nooit een passagier mee die niet in staat is om beide voeten stevig op de passagiersvoetsteunen te zetten.
●Rijd nooit onder invloed van alcohol of andere drugs.
- Deze scooter is uitsluitend ontworpen voor gebruik op verharde wegen. De machine is niet bedoeld voor off-road gebruik.
Beschermende kleding
Scooterongelukken met dodelijke afloop betreffen meestal hoofdletsel. Het dragen van een helm is de belangrijkste factor bij het voorkomen of reduceren van hoofdletsel.
●Draag altijd een goedgekeurde helm.
- Draag ook een gezichtskap of een veiligheidsbril. De rijwind in uw niet-afgeschermde ogen kan het zicht verslechteren, zodat u gevaren te laat zou opmerken.
●Door een jack, stevige schoenen, een lange broek, handschoenen e.d. te dragen verkleint u de kans op schaafwonden of ontvellingen.
- Draag nooit loszittende kleding, deze kan blijven haken aan schakelhandgrepen of door de wielen worden gegrepen en zo een ongeval of letsel veroorzaken.
●Raak nooit de motor of het uitleaatsysteem aan terwijl de motor draait. Deze onderdelen worden zeer heet en kunnen zo brandwonden veroorzaken. Draag altijd beschermende kleding die uw benen, enkels en voeten bedekt. - De hierboven vermelde voorzorgsmaatregelen gelden ook voor passagiers.
Technische wijzigingen
Door het aanbrengen van technische wijzigingen die niet door Yamaha zijn goedgekeurd, of door originele onderdelen te verwijderen, kan deze scooter onveilig worden in het gebruik en ernstig persoonlijk letsel veroorzaken. Door dergelijke wijzigingen kan het gebruik van uw scooter ook onwettig worden.
Het monteren van accessoires of het vervoer van bagage kan een negatief effect hebben op de rijstabiliteit en

VEILIGHEIDSINFORMATIE
het weggedrag als hierdoor de gewichtsverdeling van de scooter verandert. Wees uiterst voorzichtig bij het monteren van accessoires of het beladen van uw scooter, om zo mogelijke ongevallen te vermijden. Pas extra op wanneer u op een scooter rijdt die beladen is of waaraan accessoires zijn gemonteerd. Hier volgen enkele algemene richtlijnen bij het beladen van de scooter of het monteren van accessoires:
Beladen
Het totale gewicht van de bestuurder, passagier, accessoires en bagage mag de maximale gewichtlimiet van 189 Kg (416.75 lb) niet overschrijden. Let op het volgende wanneer u tot deze gewichtslimiet belaadt:
- Het zwaartepunt van bagage en accessoires moet zo laag mogelijk liggen en zo dicht mogelijk nabij de scooter. Zorg dat het gewicht zo gelijkmatig mogelijk aan beide zijden van de scooter wordt verdeeld, om zo onbalans of instabiliteit te beperken.
- Als gewicht gaat schuiven kan zich een plotselinge onbalans voordoen. Controleer voordat u gaat rijden of accessoires en bagage stevig aan de scooter zijn bevestigd. Controleer de bevestigingspunten voor accessoires en bagage regelmatig.
- Bevestig nooit omvangrijke of zware goederen aan het stuur, de voorvork of het voorwielspatbord. Dergelijke items kunnen een instabiel weggedrag of een te trage reactie op het stuur veroorzaken.
Accessoires
Originele Yamaha accessoires werden speciaal ontworpen voor montage aan deze scooter. Yamaha is niet in staat om alle overige leverbare accessoires te testen. U bent dus zelf verantwoordelijk voor de juiste keuze, installatie en gebruik van niet-Yamaha accessoires. Wees zorgvuldig bij de keuze en installatie van accessoires. Volg bij de montage van accessoires de onderstaande richtlijnen en die vermeld onder het kopje "Beladen".
- Monteer nooit accessoires en vervoer nooit bagage als deze een nadelige invloed hebben op de prestaties van uw scooter. Inspecteer het accessoire zorgvuldig alvorens het te gebruiken, om zeker te zijn dat het de grondspeling of de hellinghoek op geen enkele manier vermindert, de veerweg, de stuuruitslag of de bediening beperkt of lampen of reflectors afdekt.
- Accessoires die aan of nabij het stuur of de voorvork zijn gemonteerd zullen mogelijk instabiliteit veroorzaken door
VEILIGHEIDSINFORMATIE

een foutieve gewichtsverdeling of door aërodynamische effecten. Accessoires aan het stuur of nabij de voorvork moeten zo licht mogelijk zijn en tot een minimum worden beperkt.
- Omvangrijke accessoires kunnen door hun aërodynamisch effect van invloed zijn op de rijstabiliteit van de scooter. De scooter kan door rijwind worden opgetild of bij zijwind instabiel worden. Zulke accessoires kunnen ook instabiliteit veroorzaken terwijl u grote voertuigen inhaalt of door deze wordt ingehaald.
- Sommige accessoires noodzaken de bestuurder om een andere dan de normale zitpositie in te nemen. Zo'n verkeerde zitpositie beperkt de bewegingsvrijheid van de bestuurder en kan een comfortabele bediening hinderen, zodat we dergelijke accessoires sterk afraden.
- Wees voorzichtig bij het aanbren-gen van elektrische accessoires.
Als elektrische accessoires de capaciteit van het elektrisch systeem van de scooter te boven gaan, kan zich een gevaarlijke elektrische storing voordoen waardoor de verlichting of de motor uitvalt.
Benzine en uitlaatgassen
●BENZINE IS ZEER GEMAKKE-LIJK ONTVLAMBAAR:
- Zet de motor altijd af als u benzine tankt.
- Pas op en mors tijdens het tanken geen benzine op de motor of op het uitlaatsysteem.
- Tank niet terwijl u rookt of in de nabijheid bent van open vuur.
- Start de motor nooit in een afgesloten ruimte en laat hem dan niet draaien. De uitlaatgassen zijn gif-tig en kunnen al heel snel bewus-teloosheid of dodelijk letsel vero-orzaken. Start de motor alleen in de open lucht of in een ruimte die voldoende ventilatie heeft.
- Zet de motor altijd uit voordat u de scooter onbeheerd achterlaat en neem de sleutel uit het contactslot. Let op het volgende als
u de scooter gaat parkeren:
- De motor en het uitlaatsysteem kunnen heet zijn, dus parkeer de scooter op een plek waar voetgangers of kinderen hiervan geen hinder hebben.
- Parkeer de scooter niet op een helling of op een zachte ondergrond, om omvallen te voorkomen.
- Parkeer de scooter niet nabij een brandend toestel(bijv. een petroleumkachel) of bij open vuur, hij zou zo vlam kunnen vatten.
- Roep onmiddellijk medische hulp in nadat u benzine heeft ingeslikt, veel benzinedamp heeft ingea- demd of benzine in uw ogen is terecht gekomen. Morst u benzi- ne op uw huid of kleding, spoel de bewuste plek dan direct met zeepwater en trek andere kleding aan.

VEILIGHEIDSINFORMATIE
DAU10371
Andere aandachtspunten voor veilig motorrijden
-Geef duidelijk richting aan wan-
neer u een bocht neemt.
- Op een nat wegdek kan remmen uiterst lastig zijn. Vermijd te hard remmen, de scooter zou kunnen slippen. Bedien de remmen rustig wanneer u op een nat wegdek wilt stoppen.
●Minder snelheid bij het naderen van een bocht of een afslag. Trek langzaam op nadat u de bocht hebt genomen.
- Wees voorzichtig bij het passeren van geparkeerde auto's. Een bestuurder merkt u mogelijk niet op en kan het portier openslaan in uw rijrichting.
- Spoorwegovergangen, tramrails, ijzeren platen gebruikt in de wegenbouw en putdeksels worden in natte toestand zeer glad. Minder snelheid en passeer ze voorzichtig. Houd de scooter recht, anders kan hij gaan schuiven.
- De remvoeringen kunnen nat worden bij het wassen van de scooter. Controleer de remmen na het wassen van de scooter, voordat u gaat rijden.
- Draag steeds een helm, handschoenen, een lange broek (taps toelopend bij de enkel/omslag, om flapperen te voorkomen), en een felgekleurd jack.
- Vervoer op uw scooter niet te veel bagage. Een overbeladen scooter is onstabiel.
DAU10410
Aanzicht linkerzijde

- Achterste opbergcompartiment (pagina 3-14)
- Stelring voor veervoorspanning schokdemperunit (pagina 3-14)
-
luchtfilterelementen (pagina 6-13)
-
Luchtfilterelement in V-snaarbehuizing (pagina 6-13)
-
Zijstandaard (pagina 3-15)
Aanzicht rechterzijde
DAU10420

- Achterremhendel (pagina 3-10)
- Schakelaargroep linkerstuurzijde (pagina 3-8)
- Snelheidsmeter (pagina 3-4)
- Multifunctioneel display (pagina 3-5)
-
Schakelaargroep rechterstuurzijde (pagina 3-8)
-
Voorremhendel (pagina 3-10)
- Gasgreep (pagina 5-2)
- Contactslot/stuurslot (pagina 3-2)
- Voorste opbergcompartiment (pagina 3-13)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU10972
Startblokkeersysteem

- Rode Sleutel
- Zwarte sleutel
Dit voertuig is voorzien van een startblokkeersysteem waarmee diefstal kan worden bemoeilijkt door de codering van de standaardsleutels te wijzigen. Het systeem bestaat uit de volgende onderdelen:
- een codeersleutel (met een rood bovendeel)
- twee standaardsleutels (met een zwart bovendeel) die opnieuw kunnen worden gecodeerd
- een transponder (die is geïntegreerd in de codeersleutel)
●een startblokkeereenheid - een ECU
- een controlelampje van het start-blokkeersysteem (Zie pagina 3-3.)
De sleutel met het rode bovendeel wordt gebruikt om de twee standaardsleutels te coderen. Het wijzigen van de codes is een ingewikkelde procedure. Breng het voertuig daarom met alle drie sleutels naar een Yamaha dealer om deze opnieuw te laten coderen. Gebruik de sleutel met het rode bovendeel niet om met het voertuig te rijden. Deze sleutel dient uitsluitend te worden gebruikt voor het opnieuw coderen van de standaardsleutels. Gebruik altijd een standaardsleutel om met het voertuig te rijden.
DCA11820
LET OP:
- BEWAAR DE CODEERSLEUTEL ZORGVULDIG! NEEM ONMIDDELLIJK CONTACT OP MET UW DEALER ALS DE SLEUTEL VERLOREN RAAKT! Als de codeersleutel verloren raakt, is het niet meer mogelijk om de standaardsleutels
opnieuw te coderen. De standaardsleutels kunnen nog steeds worden gebruikt om het voertuig te starten, maar wanneer de codeersleutel vereist is (bijvoorbeeld als er een nieuwe standaardsleutel wordt gemaakt of alle sleutels verloren zijn geraakt) moet het volledige startblokkeersysteem worden vervangen. Het is daarom aan te bevelen een van de twee standaardsleutels te gebruiken en de codeersleutel te bewaren op een veilige plaats.
●Dompel de sleutels niet onder in water.
- Stel de sleutels niet bloot aan extreem hoge temperaturen.
●Houd de sleutels uit de buurt van magneten (inclusief, maar niet uitsluitend, producten zoals luidsprekers etc.).
-Plaats geen zware voorwerpen op de sleutels.
●Probeer niet de sleutels te slijpen of de vorm ervan te veranderen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
●Probeer niet het kunststof bovendeel van de sleutels open te maken.
- Bevestig niet meer dan één sleutel van hetzelfde startblokkersysteem aan een sleutelring.
●Houd de standaardsleutels en sleutels van andere startblokkeersystemen uit de buurt van de codeersleutel van dit voertuig.
●Houd sleutels van andere startblokkeersystemen uit de buurt van het contactslot, deze kunnen signaalstoring veroorzaken.
Contactslot/stuurslot

Via het contactslot/stuurslot worden het ontstekingssysteem en de verlichtingssystemen bediend en wordt het stuur vergrendeld.
OPMERKING:
Gebruik de standaardsleutel (zwart bovendeel) voor het normale gebruik van het voertuig. Bewaar de codeersleutel (rood bovendeel) op een veilige plaats om verlies te voorkomen en gebruik de sleutel uitsluitend voor het opnieuw coderen van de standaardsleutels.
DAU10471
DAU10550
ON
Alle elektrische circuits worden voorzien van stroom; de instrumentenverlichting, het achterlicht, de kentekenverlichting en het parkeerlicht gaan branden en de motor kan worden gestart. De sleutel kan niet worden uitgenomen.
OPMERKING:
De koplampen gaan automatisch branden als de motor wordt gestart en blijven aan totdat de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid, zelfs als de motor afslaat.
DAU10660
OFF
Alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
DAU10680
LOCK
Het stuur is vergrendeld en alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
Om het stuur te vergrendelen
- Draai het stuur helemaal naar links.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
- Druk de sleutel in de "OFF"-stand in en draai hem dan naar de "LOCK"-stand. Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
- Neem de sleutel uit.
Om het stuur te ontgrendelen
Druk de sleutel in en draai hem dan naar "OFF" terwijl de sleutel ingedrukt wordt gehouden.
DWA10060
WAARSCHUNG
Draai de contactsleutel nooit naar "OFF" of naar "LOCK" terwijl de machine rijdt; elektrische systemen worden dan afgeschakeld en mogelijk zult u zo de macht over het stuur verliezen of een ongeval veroorzaken. Zorg altijd dat de machine stilstaat voordat u de sleutel naar "OFF" of naar "LOCK" draait.
DAU33461
Indicatoren, controlelampjes en waarschuwingslampje

- Indicator brandstofpeil
- Indicatielampje grootlicht "ID"
- Indicatielampje draaien naar links “◀”
- Controlelampje startblokkering " 🔊 "
- Indicatielampje draaien naar rechts "→"
- Waarschuwingslampje motorstoring “ 📄 ”
- Temperatuurindicator
DAU11030
Controlelampjes richtingaanwijzers “◀” en “⇨”
Het bijbehorende controlelampje knippert terwijl de schakelaar voor richtingaanwijzers naar de linker- of rechterstand is gedrukt.
DAU11080
Controlelampje grootlicht "≡D"
Dit controlelampje brandt terwijl de koplamp is ingeschakeld voor grootlicht.
DAU11350
Waarschuwingslampje brandstofniveau "
Dit waarschuwingslampje gaat branden wanneer het brandstofniveau daalt tot beneden ca. 2 L (0,44 US gal) (1,76 Imp.gal). Vul in dat geval zo snel mogelijk brandstof bij.
Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien.
Als het waarschuwingslampje niet een paar seconden lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
DAU11480
Waarschuwingslampje motorstoring“
Dit waarschuwingslampje gaat branden wanneer een elektrisch circuit dat de motorwerking controleert defect is. Vraag in dat geval een Yamaha dealer het zelfdiagnosesysteem te controleren.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien. Als het waarschuwingslampje niet een paar seconden lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
DAUS1310
Controlelampje startblokkering
“!”
Het elektrisch circuit voor het contro- lelampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien.
Als het controlelampje niet een paar seconden lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
Als de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid, begint het controlelampje te knipperen om aan te geven dat de startblokkering ingeschakeld is. Het controlelampje stopt na 24 uur met knipperen, maar het startblokkeersysteem blijft ingeschakeld.
DAU11590
Snelheidsmeter

- Snelheidsmeter
De snelheidsmeter toont de actuele rijsnelheid.
DAU12110
Brandstofniveaumeter

- Indicator brandstofpeil
- Indicatielampje brandstof "H"
De brandstofniveaumeter geeft aan hoeveel brandstof in de tank aanwezig is. De naald beweegt naar "E" (Empty) naarmate het brandstofniveau daalt. Wanneer de aanwijsnaald bij "E" staat, is er nog ca. 2.0L (0.44 USgal) (1.76 Impgal) brandstof in de tank aanwezig. Vul in dat geval zo snel mogelijk brandstof bij.
OPMERKING:
Voorkom dat de brandstoftank geheel droog komt te staan.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12171
DAUM2050
Temperatuurmeter
koelvloeistof

- Rode zone
- Temperatuurindicator
Met de contactsleutel in de stand "ON" geeft de temperatuurmeter koelvloeistof de temperatuur van de koelvloeistof aan. De koelvloeistof-temperatuur is afhankelijk van de weersomstandigheden en de motorbelasting. Als de naald bij of in de rode zone staat, zet de machine dan stil en laat de motor afkoelen. (Zie pagina 6-30.)
DCA10020
LET OP:
Laat de motor niet draaien terwijl deze oververhit is.
Multifunctioneel display

- Knop "MODUS"
- Multifunctiedisplay
- Knop "AFSTELLING"
Het multifunctionele display toont de volgende voorzieningen:
- een kilometerteller (die de totale afgelegde afstand toont)
- twee rittellers (die de afgelegde afstand tonen sinds deze voor het laatst op nul zijn gezet, de tijd die is verlopen sinds de rittellers op nul zijn gezet en de gemiddel-de gereden snelheid gedurende deze tijd)
- een ritteller voor brandstofreserve (die de afgelegde afstand aangeeft sinds het waarschuwingslampje brandstofreserve aanging)
•een klok
- een omgevingstemperatuurweergave
- een indicator olieverversing (die gaat branden wanneer de motorolie moet worden ververst)
OPMERKING:
●Voor het Verenigd Koninkrijk wordt de afgelegde afstand aangegeven in mijlen en wordt de temperatuur aangegeven in °F.
●Voor andere landen wordt de afgelegde afstand aangegeven in kilometers en wordt de temperatuur aangegeven in °C.

flowchart
graph TD
A["20°C 20:38 Total"] --> B["Mode"]
B --> C["20°C 20:38 Trip"]
C --> D["26.78 km"]
D --> E["Mode"]
E --> F["20°C 20:38 Trip/Fuel"]
F --> G["00.0 km"]
G --> H["Mode"]
H --> I["20°C 20:38 Trip"]
I --> J["128.0 km"]
J --> K["Mode"]
K --> L["1"]
L --> M["2"]
M --> N["4"]
N --> O["3"]
ZALM391
1. Total
2. Trip 1
3. Trip 2
4. Trip/Fuel
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Kilometerteller- en rittellermodus
Door indrukken van de "MODE"-toets wisselt de weergave volgens onderstaande volgorde tussen kilometerteller "Total" en ritteller "Trip":
- Afstand
- Tijd
- Gemiddelde snelheid
OPMERKING:
- De kilometerteller "Trip/fuel" wordt alleen geactiveerd wanneer het waarschuwingslampje brandstofniveau gaat branden.
- De kilometerteller "Trip 2" wordt automatisch op nul teruggesteld nadat de sleutel naar "OFF" is gedraaid en er twee uren zijn verstreken.
Door indrukken van de "SET"-toets in de kilometertellermodus wisselt de weergave volgens onderstaande volgorde tussen de verschillende kilometertellerfuncties:
Als het waarschuwingslampje brandstofniveau gaat branden (Zie pagina 3-3.), wisselt de weergave automatisch naar brandstofreserve-ritteller "Trip/fuel" -modus en wordt de afgelegde afstand vanaf dat punt
aangegeven. In dat geval wordt door het indrukken van de "MODE"-toets in de onderstaande volgorde gewisseld tussen de diverse weergaven van rittellers en kilometerteller:
Als u de ritteller op nul wilt terugstellen, selecteert u deze met een druk op de "MODE"-toets, waarna u de "SET"-toets minstens 1 seconde lang ingedrukt houdt. Wanneer u de brandstofreserve-ritteller niet zelf met de hand op nul terugstelt, wordt deze automatisch teruggesteld zodra na het tanken 5 km (3 mi) is gereden en verschijnt de vorige weergavemodus weer.
Klokweergave
De klok op tijd zetten:
- Houd de "SET"-toets minstens 2 seconden lang ingedrukt terwijl de "Total"-weergave actief is.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

- Zodra de urenaanduiding begint te knipperen, drukt u op de "SET"-toets om de uren in te stellen.

- Druk op de "MODE"-toets en de minutenaanduiding zal gaan knipperen.
-
Druk op de "SET"-toets om de minuten in te stellen.
-
Druk op de "MODE"-toets en laat deze dan los om de klok te starten. De weergave keert weer terug naar de "Total"-modus. Omgevingstemperatuurweergave

- Indicator vorstwaarschuwing
- Minteken
- Temperatuur
Deze weergave toont de omgevings-temperatuur vanaf -30°C (-22°F) tot 50°C (122°F).
Het waarschuwingslampje vorst “*” gaat automatisch branden als de temperatuur lager is dan 3°C (37,4°F).

- Controlelampje olieverversingstermijn
Indicator olieverversing "OIL"
De motorolie moet worden ververst wanneer deze indicator gaat branden. De indicator blijft branden totdat deze wordt teruggesteld. Nadat de motorolie is ververst, stelt u de indicator als volgt terug.
- Houd de "MODE"-toets en de "SET"-toets ingedrukt en draai de sleutel naar "ON".
- Houd de "MODE"-toets en de "SET"-toets nog twee tot vijf seconden ingedrukt.
- Laat de knoppen los. De indicator olieverversing zal nu uitgaan.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
OPMERKING:
- De indicator olieverversing gaat branden na de eerste 1000 km (600 mi) en daarna om de 6000 km (3600 mi).
●Als de motorolie werd ververst voordat de indicator olieverversing brandde (dus voordat de intervalperiode voor olieverversing was verstreken), moet de indicator na de olieverversing worden teruggesteld zodat het eerstvolgende tijdstip voor olieverversing weer correct wordt aangegeven. Na het terugstellen brandt de indicator gedurende twee seconden. Als de indicator niet gaat branden, herhaalt u de procedure.
DAU12331
Antidiefstal-alarmsysteem (optie)
Dit model kan door een Yamaha dealer worden uitgerust met een optioneel antidiefstal-alarmsysteem. Neem contact op met een Yamaha dealer voor nadere informatie.
DAU12343
DAUS1300
Stuurschakelaars
Lichtsignaalschakelaar "PASSING"

- Schakelaar belichtingsregelaar "≡D/≡D"
- Schakelaar lichtvlagen
- Knipperlichtschakelaar "♦/♦"
- Claxonschakelaar "◀"

- Startschakelaar "③"
- Schakelaar noodknipperlichten " "
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Druk deze schakelaar in om de koplamp een lichtsignaal te laten afgeven.
DAUS1020
Dimlichtschakelaar "≡D/≡D"
Zet deze schakelaar op "ID" voor grootlicht en op "ID" voor dimlicht. Druk de schakelaar in de dimlichtstand omlaag om een lichtsignaal te geven met de koplamp.
DAU12460
Richtingaanwijzerschakelaar “♣/♦” Druk deze schakelaar naar “♣” om afslaan naar rechts aan te geven. Druk deze schakelaar naar “♣” om afslaan naar links aan te geven. Na loslaten keert de schakelaar terug naar de middenstand. Om de richtingaanwijzers uit te schakelen wordt de schakelaar ingedrukt nadat hij is teruggekeerd in de middenstand.
DAU12500
Claxonschakelaar "→"
Druk deze schakelaar in om een claxonsignaal te geven.
DAUM1131
Startknop “③”

- Startschakelaar "④"
- Schakelaar noodknipperlichten " "
Druk op deze knop terwijl u de voor- of achterrem bekrachtigt om de motor te starten met de startmotor.
DCA10050
LET OP:
Zie pagina 5-1 voor startinstructies voordat u de motor start.
DAUM1990
Schakelaar alarmverlichting “ ” “ ⊙ ”
Met de contactsleutel in de stand "○" zet u deze schakelaar op " △ voor het inschakelen van de alarmverlichting (gelijktijdig knipperen van alle richtingaanwijzers). Zet deze schake-
laar op “ ” en draai de sleutel naar “ ☒ ” om de alarmverlichting uit te schakelen.
OPMERKING:
Zelfs wanneer u de sleutel draait van "○" naar "✕" met ingeschakelde alarmverlichting, blijft deze verlichting knipperen, ongeacht de stand van de schakelaar van de alarmverlichting. Als u de alarmverlichting wilt uitschakelen, moet u de sleutel in de stand "○" zetten en de schakelaar van de alarmverlichting in de stand "✕".
De alarmverlichting wordt gebruikt in een noodgeval of om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen als uw scooter stilstaat in een mogelijk gevaarlijke verkeerssituatie.
DCA10060
LET OP:
Gebruik de alarmverlichting niet gedurende langere tijd, anders kan de accu ontladen raken.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12900
DAU12950
DAU13161
Voorremhendel

De voorremhendel bevindt zich aan de rechterstuurgreep. Trek deze hengel naar het stuur toe om de voorrem te bekrachtigen.
Achterremhendel

De achterremhendel bevindt zich aan de linkerstuurgreep. Trek deze hendel naar het stuur toe om de achterrem te bekrachtigen.
Tankdop
Openen van de tankdop
- Open het paneel door de hendel naar voren te schuiven en trek dan de hendel omhoog.

- Steek de sleutel in het slot en draai hem rechtsom. Het slot wordt ontgrendeld en de tankdop kan worden verwijderd.
Aanbrengen van de tankdop
- Zet de uitlijnmerktekens tegenover elkaar, steek de tankdop in de tankopening en druk de dop omlaag.
- Draai de sleutel linksom naar de oorspronkelijke positie en neem hem dan uit.
- Sluit het paneel.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DWA11120
DAU13230
! WAARSCHUNG
Controleer voor u gaat rijden of de tankdop correct is aangebracht en vergrendeld.
Brandstof
Controleer of voldoende brandstof in de brandstoftank aanwezig is.

- Vulpijp
- Benzinepeil
DWA10990
! WAARSCHUNG
Vanwege de ontvlambaarheid van benzine moeten de volgende voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen.
-
Zet de motor af alvorens te tanken.
●Vul de tank van de scooter nooit bij terwijl u rookt of in de nabijheid van open vuur. -
Let op en mors tijdens bijvullen geen benzine op de motor of de uitlaatdemper als deze direct na gebruik nog heet zijn.
- Veeg eventuele op motor of uitlaatdemper gemorste benzi-ne af alvorens te starten.
DCA10070
LET OP:
Veeg gemorste brandstof direct af met een schone, droge en zachte doek, de brandstof kan immers schade toebrengen aan de lak of aan kunststof onderdelen.
DAU33500
Voorgeschreven brandstof: UITSLUITEND NORMALE LOODV- RIJE BENZINE
Inhoud brandstoftank:
12,5 L (2,75 US gal) (11 Imp.gal) Hoeveelheid reservebrandstof (als het waarschuwingslampje brands-tofniveau gaat branden):
2 L (0,44 US gal) (1,76 Imp.gal)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DCA11400
DAU13431
DAU13931
LET OP:
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Loodhoudende benzine veroorzaakt ernstige schade aan inwendige motoronderdelen als kleppen en zuigerveren en ook aan het uitlaatsysteem.
Uw Yamaha motorblok is gebouwd op het gebruik van normale loodvrije benzine met een octaangetal van RON 91 of hoger. Als de motor gaat detoneren (pingelen), gebruik dan benzine van een ander merk of gebruik loodvrije superbenzine. Door loodvrije benzine te gebruiken gaan bougies langer mee en blijven de onderhoudskosten beperkt.
Uitlaatkatalysator
Dit model is uitgerust met een uitlaatkatalysator.
DWA10860
! WAARSCHUNG
Het uitlaatsysteem is heet nadat de motor heeft gedraaid. Controleer of het uitlaatsysteem is afgekoeld alvorens onderhoudswerkzaamheden uit te voeren.
DCA10700
LET OP:
De volgende voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om brand of andere schaderisico's te voorkomen.
-Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Bij gebruik van loodhoudende benzine zal onherstelbare schade worden toegebracht aan de uitlaatkatalysator.
●Parkeer de machine nooit nabij brandgevaarlijke stoffen, zoals op gras of op ander materiaal dat gemakkelijk vlamvat.
●Laat de motor niet te lang aaneen stationair draaien.
Zadel
Openen van het zadel
- Zet de scooter op de middenbok.
- Steek de sleutel in het contacts- lot en draai hem dan linksom.
OPMERKING:
Druk de sleutel niet in terwijl u deze draait.
3. Klap het zadel omhoog.

Sluiten van het zadel.
- Klap het zadel omlaag en druk dan aan om te vergrendelen.
- Neem de sleutel uit het contacts- lot als de scooter onbeheerd wordt achtergelaten.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
OPMERKING:
Controleer of het zadel stevig is vergrendeld alvorens te gaan rijden.
DAU14540
Opbergcompartiment

Om het opbergcompartiment te openen
Steek de sleutel in het slot, draai een kwartslag rechtsom, en trek er dan aan om het deksel van het opberg-compartment te openen.

Om het opbergcompartiment te sluiten
Duw het deksel van het opbergcom- partiment in de originele positie, en verwijder dan de sleutel.
DWA10960
WAARSCHUNG
- Overschrijd het maximumlaadgewicht van 1 kg (2,205 lb) voor het opbergcompartiment niet.
- Overschrijd het maximumlaadgewicht van 189 kg (416,75 lb) voor de machine niet.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU14451
Opbergcompartiment

Het opbergcompartiment bevindt zich onder het zadel. (Zie pagina 3-12.)
DWA10961
! WAARSCHUNG
- Overschrijd het maximumlaadgewicht van 5 kg (11,02 lb) voor het opbergcompartiment niet.
- Overschrijd het maximumgewicht van 189 kg (416,75 lb) voor het voertuig niet.
Als de handleiding of andere documentatie in het opbergcompartiment wordt opgeborgen, doe ze dan in een plastic zak om nat worden te voorko-
men. Zorg bij het wassen van de machine dat geen water het opberg-compartment kan binnendringen.
DAU14880
Afstellen van de schokdemperunits
Elke schokdemperunit is uitgerust met een stelring voor veervoorspanning.
DCA10100
LET OP:
Probeer nooit een stelmechanisme voorbij de maximum- of minu-minstelwaarden te verdraaien.
DWA10210
WAARSCHUNG
Geef beide vorkpoten steeds dezelfde afstelling, anders kan slecht weggedrag en verminderde rijstabiliteit het gevolg zijn.
Stel de veervoorspanning als volgt af.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

- Regelaar veervoorspanning
- Standindicator
Draai om de veervoorspanning te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelring op beide schokdemperunits in de richting (a). Draai om de veervoorspanning te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelring op beide schokdemperunits in de richting (b).
OPMERKING:
Zet de gewenste inkeping in de stelring tegenover de positie-indicator op de schokdemper.
Afstelling veervoorspanning:
Minimum (zacht):
1
Standaard:
1
Maximum (hard):
4
DAU15301
Zijstandaard
De zijstandaard bevindt zich aan de linkerzijde van het frame. Trek of druk de zijstandaard met uw voet omhoog of omlaag terwijl u de machine rechtop houdt.

- Schakelaar zijbok
- Zijbok
OPMERKING:
De ingebouwde sperschakelaar voor de zijstandaard maakt deel uit van het startspersysteem, dat in bepaalde situaties de werking van het ontstekingssysteem blokkeert. (Zie hierna voor een nadere uitleg over het startspersysteem.)
DWA10240
WAARSCHUNG
Met de machine mag nooit worden gereden terwijl de zijstandaard omlaag staat of niet behoorlijk kan worden opgetrokken (of niet omhoog blijft), anders kan de zijstandaard de grond raken en zo de bestuurder afleiden, waardoor de machine mogelijk onbestuurbaar wordt. Het Yamaha startspersysteem is ontworpen om de bestuurder te helpen bij zijn verantwoordelijkheid de zijstandaard op te trekken alvorens weg te rijden. Controleer dit systeem daarom regelmatig zoals hierna beschreven en laat het repareren door een Yamaha dealer als de werking niet naar behoren is.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

flowchart
graph TD
A["Start de motor?"] --> B["NEE JA"]
B --> C["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
C --> D["De remschakelaar is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
D --> E["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
E --> F["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
F --> G["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
G --> H["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
H --> I["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
I --> J["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
J --> K["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
K --> L["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
L --> M["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
M --> N["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
N --> O["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
O --> P["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
P --> Q["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
Q --> R["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
R --> S["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
S --> T["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
T --> U["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
CONTROLES VOOR HET STARTEN
DAU15591
De eigenaar is verantwoordelijk voor de conditie van zijn voertuig. Vitale onderdelen kunnen bijvoorbeeld bij blootstelling aan weer en wind vrij snel en onverwachts achteruitgaan, ook als de machine niet wordt gebruikt. Eventuele schade, vloeisto-flekkage of het wegvallen van de bandspanning kan ernstige gevolgen hebben. Het is daarom van belang om voorafgaand aan elke rit een visuele inspectie uit te voeren en bovendien de volgende punten te controleren.
OPMERKING:
Voordat de machine wordt gebruikt moet telkens een korte algemene controle worden uitgevoerd. Zo'n inspectie neemt maar weinig tijd in beslag en de hiermee gegarandeerde veiligheid is die tijd alleszins waard.
DWA11150
WAARSCHUNG
Als een onderdeel uit de Controle- lijst voor gebruik niet naar behoren werkt, laat het dan controleren en repareren alvorens de machine te gebruiken.
Controlelijst voor gebruik
DAU15603
| ITEM CONTROLES | PAGINA | |
| Brandstof • Vul indien nodig brandstof bij. 3-4, 3-11• Controleer de brandstofleiding op lekkage. | ||
| Motorolie | • Controleer het olieniveau in de motor.• Vul indien nodig het aanbevolen type olie bij tot aan het voorgeschreven niveau.• Controleer de machine op olielekkage. | 6-8 |
| Versnellingsbakolie • Controleer de machine op olielekkage. 6-10 | ||
| Koelvloeistof | • Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.• Vul indien nodig de aanbevolen koelvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.• Controleer het koelsysteem op lekkage. | 3-5, 6-11 |
| Voorrem • Vervang indien nodig. | • Controleer de werking.• Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.• Controleer de remblokken op slijtage.3-10, 5-3, 6-18• Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.• Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.• Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | |
| Achterrem • Vervang indien nodig. | • Controleer de werking.• Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.• Controleer de remblokken op slijtage.3-10, 5-3, 6-18• Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.• Vul indie nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.• Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | |
CONTROLES VOOR HET STARTEN
| ITEM CONTROLES | PAGINA | |
| Gasgreep | Controleer of de werking soepel is.Controleer de vrije slag van de kabel.Vraag indien nodig de Yamaha dealer om de vrije slag van de kabel af te stellen, en de kabel en het kabelhuis te smeren. | 5-2, 6-14, 6-20 |
| Wielen en banden | Controleer op schade.Controleer de conditie van de band en de profieldiepte.Controleer de bandspanning.Corrigeer indien nodig. | 6-15 ~ 6-17 |
| Remhendels | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de hendelscharnierpunten. | 3-10 , 6-18 |
| Middenbok, zijstandaard | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de scharnierpunten. | 6-21 |
| Framebevestigingen | Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet.Zet indien nodig vast. | — |
| Instrumenten, verlichting, signaleringssysteem en schakelaars | Controleer de werking.Corrigeer indien nodig. | — |
| Sperschakelaar voor de zijstandaard | Controleer de werking van het startspersysteem.Als het systeem defect is, vraag dan een Yamaha dealer de machine 3-15 - 3-16 na te kijken. |
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU15970
DWA11250
DAUM1210
WAARSCHUNG
●Zorg dat u volkomen vertrouwd bent met alle bedieningsfuncties en hun werking voordat u gaat rijden. Informeer bij een Yamaha dealer als u de werking van een schakelaar of functie niet volkomen begrijpt.
- Start de motor nooit in een afgesloten ruimte en laat deze hierin ook niet lange tijd aane-en draaien. Uitlaatgassen zijn giftig en het inademen ervan kan al binnen korte tijd leiden tot bewusteloosheid en dode- lijk letsel. Controleer altijd of er voldoende ventilatie is.
- Start de motor om veiligheidsredenen te allen tijde met de middenbok naar beneden.
- Kom nooit met uw handen of voeten in de buurt van het achterwiel wanneer de middenbok uitgeklapt is terwijl de motor stationair draait.
Starten van een koude motor
DCA10250
LET OP:
Zie pagina 5-4 voor instructies over het inrijden van de motor alvorens de machine in gebruik wordt genomen.
- Draai de sleutel naar "○".
- Sluit de gasklep volledig.

- Start de motor door de startknop in te drukken terwijl de voor- of achterrem wordt bekrachtigd.
OPMERKING:
Als de motor niet wil starten, laat dan de startknop los, wacht een paar seconden en probeer het dan
opnieuw. ledere startpoging moet zo kort mogelijk duren om de accu te sparen. Laat de startmotor nooit langer dan 10 seconden aaneen draaien.
DCA11040
LET OP:
Trek nooit snel op terwijl de motor nog koud is, dit verkort de levensduur van de motor!
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16760
Wegrijden
OPMERKING:
Laat de motor warmdraaien voordat u wegrijdt.

-
Handgreep
-
Houd met uw linkerhand de achterremhendel ingedrukt, houd met uw rechterhand de rechterhandgreep vast en duw de scooter van de middenbok af.
- Ga schrijlings op het zadel zitten en stel de achteruitkijkspiegels af.
-
Zet de richtingaanwijzer aan.
-
Controleer op tegemoetkomend verkeer en draai voorzichtig aan de gasgreep (rechts) om weg te rijden.
- Schakel de richtingaanwijzer uit.
DAU16780
Sneller en langzamer rijden

De rijsnelheid wordt geregeld door de gasgreep open of dicht te draaien. Draai de gasgreep richting (a) om sneller te gaan rijden. Draai de gasgreep richting (b) om langzamer te gaan rijden.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16791
Remmen

- Sluit de gasklep volledig.
- Knijp de voor- en achterremmen gelijktijdig in en oefen geleidelijk meer druk uit.
DWA10300
WAARSCHUNG
- Vermijd hard en abrupt remmen (met name wanneer u naar één kant overhelt). De scooter zou namelijk kunnen slippen of omvallen.
●Spoorwegovergangen, tramrails, ijzeren platen gebruikt in de wegenbouw en putdeksels worden in natte toestand zeer glad. U dient deze obstakels daarom met aangepaste snel-
heid te naderen en voorzichtig te passeren.
- Onthoud dat remmen op een nat wegdek veel moeilijker is.
●Rijd langzaam heuvelafwaarts, remmen kan tijdens afdalingen soms lastig zijn.
DAU16820
Tips voor een zuinig brandstofverbruik
Het brandstofverbruik is vooral afhankelijk van uw rijstijl. Hierna volgen enkele tips om het brandstofverbruik te verlagen:
●Voer het motortoerental tijdens accelereren niet te hoog op.
●Voer het toerental niet te hoog op terwijl de motor onbelast draait.
●Laat de motor niet langdurig stationair draaien maar zet hem af (bijvoorbeeld in files, bij stoplichten of bij spoorwegovergangen).
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16841
DAUM2010
DAU17212
Inrijperiode
De belangrijkste periode in de levensduur van het motorblok is de tijd tussen 0 en 1600 km (1000 mi). Lees daarom de volgende informatie aan dachtig door.
Omdat het motorblok gloednieuw is, mag dit de eerste 1600 km (1000 mi) niet te zwaar worden belast. De verschillende onderdelen van de motor slijten op elkaar in totdat de juiste bedrijfsspelingen zijn bereikt. Rijd tijdens deze periode nooit langdurig volgas en vermijd ook andere manoeuvres die tot oververhitting van de motor kunnen leiden.
0\~1000 km (0\~600 mi)
Houd de gasgreep niet langdurig voorbij een derde opengedraaid.
1000\~1600 km (600\~1000 mi)
Houd de gasgreep niet langdurig voorbij halverwege opengedraaid.
LET OP:
Nadat de eerste 1000 km (600 mi) zijn afgelegd, moet de motorolie en de cardanolie worden ververst.
1600 km (1000 mi) en verder
De machine kan nu normaal worden gebruikt.
LET OP:
Als tijdens de inrijperiode motorschade optreedt, vraag dan direct een Yamaha dealer de machine te controleren.
Parkeren
Zet om te parkeren de motor af en neem dan de sleutel uit het contactslot.
DWA10310
! WAARSCHUNG
- De motor en het uitlaatsysteem kunnen zeer heet worden, parkeer dus op een plek waar voetgangers of kinderen niet gemakkelijk met deze onderdelen in aanraking kunnen komen.
●Parkeer niet op een helling of op een zachte ondergrond, de machine zou dan kunnen omvallen.
DCA10380
LET OP:
Parkeer nooit op een plek waar sprake is van brandgevaar, zoals op droog gras of nabij ander ontvlambaar materiaal.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU17280
DWA10330
DAU17380
De eigenaar is verplicht de optimale veiligheid te waarborgen. Door periodiek inspecties, afstellingen en smeerbeurten uit te laten voeren, zorgt u ervoor dat uw machine in zo veilig en efficiënt mogelijke conditie blijft. Op de volgende pagina's wordt de belangrijkste informatie met betrekking tot inspecties, afstellingen en smeerbeurten gegeven.
De intervalperioden vermeld in het periodiek smeer- en onderhoudsschema moeten worden beschouwd als een algemene richtlijn onder normale rijcondities Het is echter mogelijk dat de INTERVALPERIODEN VOOR ONDERHOUD MOETEN WORDEN VERKORT AFHANKELIJK VAN HET WEER, HET TERREIN, DE GEOGRAFISCHE LOCATIE EN INDIVIDUEEL GEBRUIK.
WAARSCHUNG
Deze scooter is uitsluitend ontworpen voor gebruik op verharde wegen. Wanneer deze scooter wordt gebruikt in een abnormaal stoffige, modderige of vochtige omgeving, dient het luchtfilterelement vaker te worden gereinigd of te worden vervangen om snelle slijtage van de motor te voorkomen. Raadpleeg een Yamaha dealer voor de juiste onderhoudsperiodes.
Boordgereedschapset

De boordgereedschapset is te vinden onder het rijderzadel. (Zie pagina 3-12.)
De onderhoudsinformatie in deze handleiding en het gereedschap in de boordgereedschapset zijn bedoeld om u te ondersteunen bij het uitvoeren van preventief onderhoud en kleinere reparaties. Het gebruik van extra gereedschap zoals een momentsleutel kan echter nodig zijn om bepaalde onderhoudswerkzaamheden correct uit te voeren.
WAARSCHUNG
Vraag een Yamaha dealer het onderhoudswerk uit te voeren als u hiermee niet echt vertrouwd bent.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
OPMERKING:
Laat een Yamaha dealer onderhoud verrichten als u niet beschikt over het gereedschap of de ervaring die voor bepaalde werkzaamheden vereist zijn.
DWA10350
WAARSCHUNG
Door modificaties die niet door Yamaha zijn goedgekeurd kan het motorvermogen achteruitgaan of de machine te onveilig worden om nog te gebruiken Raadpleeg een Yamaha dealer voordat u zelf wijzigingen aanbrengt.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU17705
Periodiek smeer- en onderhoudsschema
OPMERKING:
- De jaarlijkse controles horen eenmaal per jaar te worden uitgevoerd, behalve wanneer in plaats daarvan een onderhoudsbeurt op kilometerbasis wordt verricht.
●Herhaal de onderhoudsintervallen vanaf 30000 km, beginnend vanaf 6000 km. - Werkzaamheden gemarkeerd met een asterisk horen te worden uitgevoerd door een Yamaha dealer, omdat hiertoe speciaal gereedschap, technische gegevens en vakmanschap vereist zijn.
| KILOMETERSTAND(x 1000 km) | JAARLIJK-SE CON-N TROLE | ||||||||
| 16 | 12 18 24 | ||||||||
| 1 | * | Brandstofleiding | • Controleer de brandstof- en onderdrukslangen op scheurtjes of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 2 | Bougie | • Controleer de conditie.• Reinigen en elektrodenafstand afstellen. | √ | √ | |||||
| • Vervangen. | √ | √ | |||||||
| 3 | * | Ventielen | • Controleer de klepspeeling.• Afstellen. | √ | √ | ||||
| 4 | Luchtfilterelement | • Vervangen. | Elke 20000 km | ||||||
| 5 | * | V-snaar | • Vervangen. | Elke 20000 km | |||||
| 6 | * | Voorrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en controleer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remblokken. | Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | ||||||||
| 7 | * | Achterrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en controleer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remblokken. | Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | ||||||||
R. ITEM
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
| KILOMETERSTAND(x 1000 km) | JAARLIJK-SE CON-N TROLE | ||||||||
| 16121824 | |||||||||
| 8 | * | Remslang | • Controleer op scheurtjes en beschadigingen.√√ | √ | √ | √ | |||
| • Vervangen. Elke 4 jaar | |||||||||
| 9 | * | Wielen | • Controleer de speling en controleer op beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 10 | * | Banden | • Controleer op slijtage en beschadigingen.• Vervang indien nodig.• Controleer de bandspanning.• Corrigeer indien nodig. | √ | √ | √ | √ | ||
| 11 | * | Wiellagers | • Controleer op speling of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 12 | * | Balhoofdlagers | • Controleer de lagers op speling en oppervlakteruwheid. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| • Smeren met lithiumvet. | Elke 20000 km | ||||||||
| 13 | * | Framebevestigingen | • Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet. | √ | √ | √ | √ | ||
| 14 | Zijstandaard, middenbok | • Controleer de werking.• Smeren. | √ | √ | √ | √ | |||
| 15 | * | Zijstandaardschakelaar | • Controleer de werking. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 16 | * | Voorvork | • Controleer op een correcte werking en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
| 17 | * | Schokdemperunits | • Controleer op een correcte werking en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
| 18 | * | Brandstofinjectiesysteem | • Controleer het stationair toerental. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 19 | Motorolie | • Verversen. (Zie pagina 6-8.) | √ | Wanneer het controlelampje olieverver-singstermijn gaat branden (elke 6000 km) | |||||
| • Controleer het olieniveau en controleer de machine op olielekkage. | √ | Elke 3000 km | |||||||
| 20 | Oliefilterelement | • Vervangen. | √ | √ | √ | ||||
| 21 | Versnellingsbakolie | • Controleer de machine op olielekkage. | √ | √ | √ | ||||
| • Verversen. | √ | √ | √ | ||||||
R. ITEM
√
√
√
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
| KILOMETERSTAND(x 1000 km) | JAARLIJK-SE CON-N TROLE | ||||||||
| 16 | 12 18 24 | ||||||||
| 22 | * | Koelsysteem machine op vl | • Controleer het koelvloeistofniveau en controleer de vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
| • Verversen. Elke 3 jaar | |||||||||
| 23 | * | Luchtfilterelement in vsnaarbehuizing | • Reinigen. | Elke 6000 km | |||||
| • Vervangen. | Elke 20000 km | ||||||||
| 24 | * | Voor- en achterremschakelaar | • Controleer de werking. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 25 | Bewegende delen en kabels | • Smeren. | √ | √ | √ | √ | |||
| 26 | * | Gaskabelhuis en gaskabel | • Controleer de werking en speling.• Stel indien nodig de speling af.• Smeer het gaskabelhuis en de gaskabel. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 27 | * | Uitlaatdemper en uitlaatpijp | • Controleer of de schroefklem goed vastzit. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 28 | * | Lampen, richtingaanwijzers en schakelaars | • Controleer de werking.• Stel de koplamplichtbundel af. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
R. ITEM
DAU18660
OPMERKING:
-
Het luchtfilter dient vaker te worden gecontroleerd wanneer u in een extreem vochtige of stoffige omgeving rijdt.
● Hydraulisch remsysteem -
Controleer regelmatig het remvloeistofniveau en vul indien nodig bij.
- Elke twee jaar moeten de inwendige onderdelen van de hoofdremcilinder en de remklauw worden vervangen en de remvloeistof worden ververst.
- De remslangen dienen elke vier jaar te worden vervangen, of wanneer deze zijn gescheurd of beschadigd.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU18712
Stroomlijn- en framepanelen verwijderen en aanbrengen
Bij het uitvoeren van sommige onderhoudswerkzaamheden beschreven in dit hoofdstuk moeten de afgebeelde stroomlijn- en framepanelen worden verwijderd. Neem deze paragraaf door wanneer een stroomlijn- of framepaneel moet worden verwijderd of aangebracht.
DAU18790
Stroomlijnpaneel A
Verwijderen van stroomlijnpaneel

Verwijderen van stroomlijnpaneel

Verwijder de schroeven en neem het stroomlijnpaneel los.
Aanbrengen van het stroomlijnpaneel Plaats het stroomlijnpaneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroeven aan.
DAUM1250
Paneel A
Verwijderen van het paneel
- Open het opbergcompartiment. (Zie pagina 3-13.)

- Verwijder de schroef en haal dan het paneel los.
Aanbrengen van het paneel
-
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroef aan.
-
Sluit het opbergcompartiment.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAUS1280
Controleren van de bougie
De bougie is een belangrijk motoronderdeel dat gemakkelijk te controle- ren is. Door hitte en aanslag slijten bougies op de lange duur. Daarom moeten bougies worden verwijderd en gecontroleerd volgens het peri- dieke onderhouds- en smeerschema. Bovendien kan aan het uiterlijk van de bougie de conditie van de motor wor- den afgelezen.
De bougie verwijderen
- Open het zadel. (Zie pagina 3-12.)
- Verwijder het opbergcompartiment onder het zadel door de bouten te verwijderen.

- Verwijder de bougiedop.

- Verwijder de bougie zoals weergegeven met behulp van de bougiesleutel uit de boordgereedschapset.
Controleren van de bougie
- Controleer of de porseleinen isolator rondom de centrale elektrode van de bougie een middel-donkere tot lichte kleur vertoont (de ideale kleur bij normaal gebruik van de motorfiets).
OPMERKING:
De motor is misschien defect als de bougie een duidelijk andere kleur heeft. Probeer dergelijke problemen niet zelf vast te stellen. Laat in plaats daarvan uw motorfiets nakijken door een Yamaha dealer.
- Controleer de bougie op afslijting van de elektroden en op overmatige koolstof- of andere aanslag. Vervang indien nodig de bougie.
Voorgeschreven bougie: NGK / CPR 9EA-9
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
De bougie monteren

-
Elektrodenafstand
-
Meet de elektrodenafstand met een draadvoelmaat. Stel de afstand indien nodig af volgens de specificatie.
Elektrodenafstand:
0.8 - 0.9 mm (0.031 - 0.035 in)
- Reinig het oppervlak van de bougiepakking en het pasvlak en verwijder eventueel vuil uit de schroefdraad van de bougie.
- Breng de bougie aan met behulp van de bougiesleutel en zet vast met het correcte aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Bougie:
12.5 Nm (1.25 m•kgf, 9.05 ft•lbf)
OPMERKING:
Als u bij het aanbrengen van de bougie geen momentsleutel voorhanden hebt, geeft een kwartslag\~halve slag verder dan handvast een goede benadering van het correcte aanhaalmoment. De bougie moet echter zo snel mogelijk naar het juiste aanhaalmoment worden aangedraaid.
- Installeer de bougiedop.
- Bevestig het opbergcompartiment door de bouten aan te brengen.
- Sluit het zadel.
DAUM1550
Motorolie
Vóór iedere rit moet het motorolieniveau worden gecontroleerd. Verder moet de olie worden ververst volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema en wanneer het controlelampje olieverversingstermijn gaat branden.
Om het motorolieniveau te controleren
- Zet de scooter op de middenbok.
OPMERKING:
Zorg dat de scooter rechtop staat bij het controleren van het motorolieniveau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen.
- Start de motor, laat hem een paar minuten warmdraaien en zet hem dan uit.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Staaf
- Aanduidingen maximum
-
Aanduidingen minimum
-
Wacht een paar minuten om de olie tot rust te laten komen, verwijder de olievuldop, veeg de peilstok schoon, steek deze weer in de vulopening (zonder vast te draaien) en neem dan weer uit om het olieniveau te controleren.
OPMERKING:
Het motorolieniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximumniveau staan.
- Als de motorolie beneden de merkstreep voor minimumniveau staat, vul dan voldoende olie, van
de aanbevolen soort, bij tot het correcte niveau.
- Steek de peilstok in de vulopening en draai dan de olievuldop vast.
Verversen van de motorolie
- Start de motor, laat hem een paar minuten warmdraaien en zet hem dan uit.
- Zet een oliecarter onder de motor om de gebruikte olie op te van-gen.

-
Olieaftapplug
-
Verwijder de olievuldop en de aftapplug om de olie uit het carter te laten stromen.
-
Controleer of de onderlegring beschadigd is en vervang indien nodig.

- Olieaftapplug
- Ring
- Breng de onderlegring en de olie- aftapplug aan en zet de plug dan vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Olieaftapplug:
20 Nm (2.0 m•kgf, 14.5 ft•lbf)
OPMERKING:
Controleer of de onderlegring correct aanligt.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
- Vul bij met de voorgeschreven hoeveelheid van de aanbevolen motorolie, monteer dan de olie-vuldop en zet deze vast.
Aanbevolen motorolie:
Zie pagina 8-1.
Oliehoeveelheid bij verversing:
1.4 L (1.48 US qt) (1.23 Imp.qt)
DCA11670
LET OP:
-Gebruik geen olie met een "CD"-dieselspecificatie of een hogere kwaliteit dan gespecificeerd. Gebruik ook geen olie met een "ENERGY CONSERVING II" of hogere aanduiding.
●Zorg dat er geen verontreini-
gingen in het carter terecht
komen.
7. Start de motor, laat hem een paar minuten stationair draaien en controleer daarbij op olielekkage. Als er sprake is van olielekkage, zet de motor dan direct af en zoek de oorzaak.
8. Stel de indicator olieverversing terug. (Zie pagina 3-7.)
DAU20060
Versnellingsbakolie
Vóór elke rit moet het eindoverbren-gingshuis worden gecontroleerd op olielekkage. In geval van lekkage dient u de scooter door een Yamaha dealer te laten nakijken en te laten repareren. Bovendien dient de vers-nellingsbakolie als volgt te worden ververst op de aangegeven tijdstip-pen in het periodieke onderhouds- en smeerschema.
- Start de motor, warm deze op door een paar minuten te gaan rijden en zet dan de motor af.
- Zet de scooter op de middenbok.
- Plaats een olieopvangbak onder het eindoverbrengingshuis om de gebruikte olie op te vangen.

-
Olievulplug eindoverbrenging
-
Verwijder de olievuldop en de aftapplug om de olie uit het eindoverbrengingshuis af te tappen.

- Breng de olieaftapplug van de versnellingsbakolie aan en zet hemvast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Olieaftapplug versnellingsbakolie: 20 Nm (2.0 m•kgf, 14.5 ft•lbf)
- Voeg de benodigde hoeveelheid aanbevolen versnellingsbakolie toe, breng de olievuldop aan en draai deze vast.
Aanbevolen versnellingsbakolie: Zie pagina 8-1.
Oliehoeveelheid: 0.21 L (0.22 US qt) (0.18 Imp.qt)
DWA11310
WAARSCHUNG
-
Zorg dat er geen verontreini-gingen het cardanhuis kunnen binnendringen.
●Zorg dat er geen olie op de banden of wielen terechtkomt. -
Controleer de versnellingsbak op olielekkage. Zoek in geval van lekkage naar de oorzaak.
DAU20070
Koelvloeistof
Voor iedere rit moet het koelvloeistof-niveau worden gecontroleerd. Ook moet de koelvloeistof worden ververst volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAUS1270
Controleren van het koelvloeistofniveau
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
OPMERKING:
- Het koelvloeistofniveau moet worden gecontroleerd terwijl de motor koud is, temperatuurverschillen zijn namelijk van invloed op het niveau.
●Zorg dat de machine rechtop staat bij het controleren van het koelvloeistofniveau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Aanduiding maximumpeil
- Aanduiding minimumpeil
- Controleer het koelvloeistofniveau via het kijkglas.
OPMERKING:
Het koelvloeistofniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximumniveau staan.

-
Sluitdop koelvloeistoftank
-
Als het koelvloeistofniveau op of onder de merkstreep voor mini-mumniveau staat, verwijder dan de rechtermat op de voetplaat door deze omhoog te trekken.
- Open de dop van het koelvloeistofreservoir, en vul koelvloeistof bij tot aan de merkstreep voor maximumniveau.
Inhoud koelvloeistofreservoir: 0.26 L (0.28 US qt) (0.23 Imp.qt)
DCA10470
LET OP:
●Als er geen koelvloeistof voorhanden is, gebruik in plaats daarvan dan gedistilleerd water of zacht leidingwater. Gebruik geen hard water of zout water, hierdoor kan de motor worden beschadigd.
●Wanneer water werd gebruikt in plaats van koelvloeistof, ververs dan zo snel mogelijk met koelvloeistof, anders wordt de motor onvoldoende gekoeld en is het koelsysteem niet beschermd tegen bevriezing en corrosie.
- Als water aan de koelvloeistof is toegevoegd, vraag dan zo snel mogelijk een Yamaha dealer het antivries percentage van de koelvloeistof te controleren, anders zal de koelvloeistof minder effectief zijn.
DWA10380
WAARSCHUNG
Verwijder de koelvloeistofradiator-vuldop nooit terwijl de motor nog heet is.
- Sluit de dop van het koelvloeisto-freservoir.
- Plaats de mat van de voetplaat weer terug in de oorspronkelijke positie en druk de mat omlaag om hem goed vast te zetten.
DAU33030
De koelvloeistof verversen
DWA10380
WAARSCHUNG
Verwijder de koelvloeistofradiator-vuldop nooit terwijl de motor nog heet is.
De koelvloeistof moet volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
ververst worden. Laat de koelvloeistof verversen door een Yamaha dealer. DAUM1320
Luchtfilter en luchtfilterelementen in v- snaarbehuizing
Het luchtfilter en de luchtfilterelementen in de v-snaarbehuizing moeten worden gereinigd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Reinig beide luchtfilterelementen vaker als u in zeer stoffige of vochtige gebieden rijdt.
Reinigen van het luchtfilterelement 1. Zet de scooter op de middenbok.

- Luchtfilterdeksel
-
Schroeven
-
Verwijder het luchtfilterdeksel door de schroeven te verwijderen.
- Trek het luchtfilterelement los.

- Geef een paar tikjes tegen het luchtfilterelement om het meeste stof en vuil te verwijderen en blaas dan het nog achtergebleven vuil weg met perslucht.
- Controleer het luchtfilterelement op beschadiging en vervang het indien nodig.
- Steek het luchtfilterelement in het luchtfilterhuis.
- Monteer het luchtfilterdeksel door de schroeven aan te brengen.
Reinigen van het luchtfilterelement in de v-snaarbehuizing
- Verwijder het luchtfilterdeksel op de v-snaarbehuizing door de schroeven te verwijderen.

- Verwijder het luchtfilterelement en blaas vervolgens het vuil weg met perslucht zoals getoond.

-
Controleer het luchtfilterelement op beschadiging en vervang het indien nodig.
-
Breng het luchtfilterelement aan met de gekleurde kant naar buiten.
- Bevestig het luchtfilterdeksel in de v-snaarbehuizing door de schroeven aan te brengen.
LET OP:
- Controleer of beide luchtfilterelementen correct in de behuizingen zijn aangebracht.
●Laat de motor nooit draaien terwijl de luchtfilterelementen afwezig zijn, dat kan leiden tot overmatige slijtage bij de zuiger(s) en/of de cilinder(s).
DAUS1290
Speling van de gaskabel afstellen

De speling van de gaskabel dient 4 \~ 6 mm (0.16 \~ 0.24 in) te zijn bij de gasgreep. Controleer de vrije slag van de gaskabel regelmatig en stel deze indien nodig als volgt af.
OPMERKING:
Het stationair toerental moet correct zijn afgesteld voordat de gaskabelspeling wordt gecontroleerd en afgesteld.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
- Verwijder het stroomlijnpaneel A (zie pagina 6-6).
- Draai de borgmoer los.

- Draai de stelmoer richting (a) voor meer gaskabelspeling. Draai de stelmoer richting (b) voor minder gaskabelspeling.
- Draai de borgmoer aan.
- Breng het stroomlijnpaneel aan.
DAU21401
Klepspeling
De klepspeling kan tijdens gebruik gaan afwijken, waardoor de lucht/brandstof-verhouding kan veranderen en/of het motorgeluid toe-neemt. Om dit te voorkomen moet de klepspeling door een Yamaha dealer worden afgesteld volgens de interval-perioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU21870
Banden
Let ten aanzien van de voorgeschreven banden op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw motorfiets.
Bandenspanning

De bandenspanning moet voor elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden bijgesteld.
DWA10500
! WAARSCHUNG
- De bandspanning moet worden gecontroleerd en afgesteld terwijl de banden koud zijn (wanneer de temperatuur van de banden gelijk is aan de omgevingstemperatuur).
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
- De bandspanning moet worden aangepast aan de rijsnelheid en het totale gewicht van rijder, passagier, bagage en accessoires dat voor dit model is vastgesteld.
Bandenspanning (gemeten op koude banden):
Tot 90 kg (198 lb):
Voor:
190 kPa (27 psi) (1.9 kgf/cm²)
Achter:
220 kPa (31 psi) (2.2 kgf/cm²)
90 kg (198 lb)\~maximale:
Voor:
210 kPa (30 psi) (2.1 kgf/cm²)
Achter:
250 kPa (36 psi) (2.5 kgf/cm²)
Maximale belasting\*:
198 kg (417 lb)
* Totaal gewicht van motorrijder, passagier, bagage en accessoires
DWA10450
WAARSCHUNG
De aanwezigheid van bagage heeft grote invloed op het weggedrag, de rem- en rij-eigenschappen en de
veiligheid van uw machine. Neem daarom de volgende voorzorgsma- atregelen in acht.
- DE MACHINE NOOIT OVERBELADEN! Rijden met een overbeladen machine kan leiden tot beschadiging van de banden, controleverlies of ernstig letsel. Zorg ervoor dat het totale gewicht van de motorrijder, lading en accessoires de maximaal toegestane belasting van de machine niet overschrijdt.
●Vervoer geen los verpakte spullen die tijdens de rit kunnen gaan schuiven.
-Bevestig de zwaarste spullen op veilige wijze dicht bij het midden van de machine en verdeel het gewicht over beide zijden.
●Pas de luchtdruk in de wielop-hanging en de bandspanning aan op het te vervoeren gewicht. - Controleer vóór iedere rit de conditie en spanning van de banden.
Inspectie van banden

- Diepte van de tekening van het bandprofiel
Voor elke rit moeten de banden worden gecontroleerd. Als de bandprofieldiepte op het midden van de band de vermelde limiet heeft bereikt, de band spijkers of stukjes glas bevat of wanneer de wang van de band scheurtjes vertoont, moet de band onmiddellijk door een Yamaha dealer worden vervangen.
Minimale bandprofieldiepte (voor en achter):
1.6 mm (0.06 in)
OPMERKING:
De slijtagelimiet voor bandprofieldiepte is voor diverse landen verschillend.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Neem altijd de lokale voorschriften in acht.
Bandeninformatie
Deze motorfiets is uitgerust met tubeless banden.
Voorband:
Maat:
120/70-15 56P
Fabrikant/model:
Michelin Gold Standard
Pirelli / GTS23
Achterband:
Maat:
140/7014 68P
Fabrikant/model:
Michelin Gold Standard
Pirelli / GTS24
DWA10470
WAARSCHUNG
●Laat sterk versleten banden door een Yamaha dealer vervangen. Rijden op een machine met versleten banden is niet alleen verboden, maar dit heeft ook een averechts effect op de rijstabiliteit, waardoor u de macht over het stuur zou kunnen verliezen.
- De vervanging van onderdelen van wielen en remmen, inclusief banden, dient te worden overgelaten aan een Yamaha dealer, die over de nodige vakkundige kennis en ervaring beschikt.
DAU21960
Gietwielen
Let ten aanzien van de voorgeschreven wielen op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw motorfiets.
- Controleer de velgen voor iedere rit op scheurtjes, verbuiging of kromtrekken. Laat ingeval van schade het wiel door een Yamaha dealer vervangen. Probeer het wiel nooit zelf te repareren, hoe klein de reparatie ook is. Vervang een wiel dat vervormd is of haarscheurtjes vertoont.
●Na het vervangen van een wiel of band moet het wiel worden uitgebalanceerd. Een niet uitgebalanceerd wiel zal mogelijk slecht functioneren, of kan een slechte wegligging en een verkorte levensduur van de banden tot gevolg hebben.
●Rijd niet te snel direct na het verwisselen van een band. Het bandoppervlak dient eerst te zijn ingereden voordat het zijn optimale eigenschappen verkrijgt.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU33451
DAU22390
DAU22520
Vrije slag voor- en
achterremhendel
Voor

Aan de uiteinden van de remhendels mag geen vrije slag aanwezig zijn. Als er toch een vrije slag is, laat dan een Yamaha dealer het remsysteem inspecteren.
Controleren van voor- en achterremblokken
De remblokken in de voor- en achterrem moeten worden gecontroleerd op slijtage volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU22400
Remblokken voorrem

Controleer elk voorremblok op schade en meet de remvoeringsdikte. Als een remblok beschadigd is of als de remvoeringsdikte minder is dan 0.5 mm (0.02 in), vraag dan een Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.
Remblokken achterrem
De achterrem heeft een inspectieplug; nadat deze is verwijderd kan de remblokslijtage worden gecontroleerd zonder de rem te hoeven demonteren. Bekrachtig de rem en let op de stand van de slijtage-indicator om de remblokslijtage te controleren. Wanneer een remblok zover is afgesleten dat de slijtage-indicator de remschijf bijna raakt, vraag dan een Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU22580
Controleren van remvloeistofniveau
Bij een tekort aan remvloeistof kan lucht het remsysteem binnendringen, waarna de remwerking mogelijk minder effectief is.
Controleer alvorens te gaan rijden of de remvloeistof boven de merkstreep voor minimumniveau staat en vul indien nodig bij. Een laag remvloeistofniveau wijst mogelijk op verregaande remblokslijtage en/of lekkage in het remsysteem. Als het remvloeistofniveau laag is, controleer dan de remblokken op slijtage en het remsysteem op lekkage.
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:

- Bij het controleren van het remvloeistofniveau moet het bovenvlak van het remvloeistofreservoir horizontaal staan.
- Gebruik uitsluitend de voorgeschreven kwaliteit remvloeistof, anders kunnen de rubber afdichtingen verslechteren en zo lekkage en slechte remwerking teweegbrengen.
Aanbevolen remvloeistof: DOT 4
●Vul bij met hetzelfde type remvloeistof. Bij vermengen van verschillende typen remvloeistof kunnen schadelijke chemische reacties optreden en kan de remwerking verslechteren.
●Pas op en zorg dat tijdens bijvullen geen water het remvloeistofreservoir kan binnendringen. Water zal het kookpunt van de remvloeistof aanzienlijk verlagen zodat dampbelvorming kan optreden.
- Remvloeistof kan gelakte of kunststof onderdelen aantasten. Veeg gemorste remvloeistof steeds direct af.
●Naarmate de remblokken afslij- ten, zal het remvloeistofniveau geleidelijk verder dalen. Vraag echter wel een Yamaha dealer om een inspectie als het remvloeistofniveau plotseling sterk is gedaald.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAUM1360
DAU23111
DAU23170
Verversen van remvloeistof
Vraag een Yamaha dealer de remvloeistof te verversen volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Laat bovendien de remslang eens in de vier jaar vervangen, of zodra deze lek is of beschadigd blijkt.
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel
De werking van de gasgreep hoort voorafgaand aan elke rit te worden gecontroleerd. Smeer ook de gaskabel volgens de intervaltijden gespecificeerd in het periodiek onderhoudsschema.
Smeren van voor- en achterremhendels

De scharnierpunten van de voor- en achterremhendels moeten worden gesmeerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet (universeel vet)
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23211
Controleren en smeren van middenbok en zijstandaard

De werking van de middenbok en de zijstandaard moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de scharnierpunten en de metaal-opmetaal contactvlakken moeten indien nodig worden gesmeerd.
DWA10740

WAARSCHUNG
Als de middenbok of de zijstandaard niet soepel omhoog en omlaag beweegt, vraag dan een Yamaha dealer deze te controleren of te repareren.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet (universeel vet)
DAU23271
Voorvork controleren
De conditie en de werking van de voorvork moeten als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om de conditie te controleren
DWA10750
WAARSCHUNG
Zorg dat de motorfiets veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.
Controleer de binnenste vorkbuizen op krassen, beschadigingen en overmatige olielekkage.
Om de werking te controleren

- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
- Bekrachtig de voorrem en druk het stuur een paar keer stevig naar beneden om te controleren of de voorvork soepel in- en uitveert.
DCA10590
LET OP:
Als schade wordt gevonden of de voorvork niet soepel beweegt, vraag dan een Yamaha dealer te repareren of te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23280
Controle van stuursysteem
Losse of versleten balhoofdlagers kunnen gevaarlijk zijn. De werking van het stuur moet als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
- Plaats een standaard onder de motor zodat het voorwiel los is van de grond.
DWA10750
WAARSCHUNG
Zorg dat de motorfiets veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.

- Houd de voorvorkpoten beet bij het ondereinde en probeer ze naar voren en achteren te bewegen. Als speling kan worden gevoeld, vraag dan een Yamaha dealer het stuursysteem te testen.
DAU23290
Controleren van wiellagers
De voor- en achterwiellagers moeten worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Als de wielnaaf speling vertoont of het wiel niet soepel draait, vraag dan een Yamaha dealer de wiellagers te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23380
Accu
De accu bevindt zich achter paneel A. (Zie pagina 6-6.)
Dit model is uitgerust met een permanent-dichte accu (onderhoudsvrij type) waarvoor geen onderhoud vereist is. De elektrolyt hoeft niet te worden gecontroleerd en er hoeft geen gedistilleerd water te worden bijgevuld.
LET OP:
Probeer nooit om celafdichtingen op de accu te verwijderen, hierdoor kan permanente schade aan de accu worden toegebracht.
DWA10760
WAARSCHUNG
- Elektrolyt is giftig en gevaarlijk omdat het zwavelzuur bevat, een stof die ernstige brandwonden veroorzaakt. Vermijd contact met de huid, ogen of kleding en bescherm uw ogen altijd bij werkzaamheden nabij accu's. Voer als volgt EERSTE HULP uit als er lichamelijk con-
tact is geweest met elektrolyt.
- UITWENDIG: Spoel overvloe-dig met water.
- INWENDIG: Drink grote hoeveelheden water of melk en roep direct de hulp in van een arts.
- OGEN: Spoel gedurende 15 minuten met water en roep direct medische hulp in.
- Accu's produceren het explosieve waterstofgas. Houd daarom vonken, open vuur, sigaretten e.d. uit de buurt van de accu en zorg voor voldoende ventilatie bij acculaden in een afgesloten ruimte.
●HOUD DEZE EN ALLE ACCU'S BUITEN BEREIK VAN KINDEREN.
Om de accu op te laden
Vraag zo snel mogelijk een Yamaha dealer de accu te laden als deze ontladen lijkt te zijn. Vergeet niet dat de accu sneller ontladen raakt als de machine is uitgerust met optionele elektrische accessoires.
Om de accu op te bergen

-
Accu
-
Verwijder de accu als de machine langer dan een maand niet wordt gebruikt, laad volledig bij en zet hem dan weg op een koele en droge plek.
- Als de accu langer dan twee maanden wordt weggeborgen, moet deze minstens eenmaal per maand worden gecontroleerd; laad de accu dan indien nodig steeds volledig bij.
- Laad de accu volledig bij alvo- rens te installeren.
- Controleer na installatie of de accukabels correct zijn aangesloten op de accupolen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DCA10630
DAU23610
LET OP:
- Zorg dat de accu altijd geladen blijft. Door een accu in ontladen toestand weg te bergen kan permanente accuschade ontstaan.
- Om een permanent-dichte accu (onderhoudsvrij type) te laden, is een speciale acculader (met constante laadspanning) vereist. Bij gebruik van een conventionele acculader raakt de accu beschadigd. Wanneer u niet beschikt over een speciale acculader voor permanent-dichte accu's (onderhoudsvrij type), vraag dan een Yamaha dealer uw accu op te laden.
Zekeringen vervangen

De hoofdzekering en het kastje met zekeringen voor afzonderlijke circuits bevinden zich achter stroomlijnpaneel B. (Zie pagina 6-6.)
Vervang een zekering als volgt als deze is doorgebrand.
- Draai de contactsleutel naar "OFF" en schakel het betreffende elektrische circuit uit.
- Verwijder de doorgebrande zekering en breng een nieuwe zekering met de voorgeschreven ampèrewaarde aan.
Voorgeschreven zekeringen:
Hoofdzekering:
30 A
Koplampzekering: 15 A
Zekering signaleringssysteem: 15 A
Zekering ontstekingssysteem: 5 A
Zekering klokcircuit (backup):
5 A
Zekering radiatorkoelvin
10 A
DCA10640
LET OP:
Gebruik geen zekering met een hoger ampèrage dan is voorgeschreven, om ernstige schade aan het elektrisch systeem en mogelijk brandgevaar te vermijden.
- Draai de contactsleutel in "ON" en schakel het betreffende elektrische circuit in om te zien of de apparatuur werkt.
- Als de zekering direct opnieuw doorbrandt, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch systeem te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23910
Koplampgloeilamp vervangen
De koplampen op dit model hebben halogeen gloeilampen. Vervang een koplampgloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
- Verwijder het stroomlijnpaneel B. (Zie pagina 6-6.)

-
Gloeilamphouder
-
Maak de koplampstekker los en verwijder dan de gloeilampkap.
- Verwijder de gloeilamphouder volgens de instructies hierna en verwijder dan de defecte gloeilamp.

- Aansluiting gloeilampje koplamp voorin
OPMERKING:
De werkwijze bij verwijderen is afhankelijk van het type gloeilamphouder dat op uw machine is gebruikt.
DWA10790
! WAARSCHUNG
Koplampgloeilampen worden zeer heet. Houd daarom brandbare pro- ducten uit de buurt van een koplampgloeilamp en raak het lampglas niet aan zolang dit niet is afgekoeld.
- Breng een nieuwe gloeilamp aan en zet deze dan vast met de gloeilamphouder.

Raak het glas van de koplampgloeilamp niet aan zodat dit vetvrij blijft, anders kan de doorzichtigheid van het glas, de lichtintensiteit en de levensduur nadelig worden beïnvloed. Wrijf eventuele verontreinigingen en vingerafdrukken op het gloeilampglas weg met een doekje gedrenkt in alcohol of thinner.
- Breng de gloeilampkap aan en sluit dan de stekker aan.
- Breng het stroomlijnpaneel aan.
- Vraag indien nodig een Yamaha-dealer de koplamplichtbundel af te stellen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAUT1260
Gloeilamp in voorste richtingaanwijzer vervangen
DCA10670
LET OP:
Het is aan te bevelen dit werk uit te laten voeren door een Yamaha dealer.
- Zet de scooter op de middenbok.
- Verwijder stroomlijnpaneel A. (Zie pagina 6-6.)
- Verwijder de lampfitting (samen met de gloeilamp) door deze linksom te draaien.

-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.
-
Breng een nieuwe gloeilamp aan in de fitting, druk de lamp aan en draai rechtsom tot hij stuit.
- Breng de lampfitting aan (samen met de gloeilamp) door deze rechtsom te draaien.
- Breng het stroomlijnpaneel aan.
DAUS1250
Vervangen van gloeilamp voor remlicht/achterlicht of van gloeilamp voor achterste richtingaanwijzer Gloeilamp remlicht/achterlicht

- Verwijder de lamplens van het remlicht/achterlicht door de schroeven los te draaien.
- Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.
- Breng een nieuwe gloeilamp aan in de fitting, druk de lamp aan en draai rechtsom tot hij stuit.
- Monteer de lamplens door de schroeven aan te brengen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Gloeilamp achterste richtingaanwijzer

- Verwijder de lamplens van het remlicht/achterlicht door de schroef los te draaien.
- Verwijder de lamplens van de richtingaanwijzer door de schroef los te draaien.
- Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.
- Breng een nieuwe gloeilamp aan in de fitting, druk de lamp aan en draai rechtsom tot hij stuit.
-
Bevestig de lamplens van de richtingaanwijzer door de schroef vast te draaien.
-
Bevestig de lamplens van het remlicht/achterlicht door de schroef vast te draaien.
DCA10680
LET OP:
Zet de schroeven niet overdreven strak vast, anders kan de lamplens breken.
DAUS1150
Gloeilamp in kentekenverlichting vervangen
- Verwijder de lamplens door de schroef te verwijderen.

- Verwijder de defecte gloeilamp door deze uit te trekken.
- Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
- Monteer de lamplens door de schroef aan te brengen.
LET OP:
Zet de schroef niet overdreven strak vast, anders kan de lamplens breken.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAUS1260
Parkeerlichtgloeilamp vervangen
Vervang een parkeerlichtgloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
- Verwijder het stroomlijnpaneel B. (Zie pagina 6-6.)

- Verwijder de lampfitting (samen met de gloeilamp) door deze naar buiten te trekken.
- Verwijder de defecte gloeilamp door deze uit te trekken.
- Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
-
Breng de lampfitting aan (samen met de gloeilamp) door deze vast te drukken.
-
Breng het stroomlijnpaneel B aan.
DAU25B80
Problemen oplossen
Yamaha scooters ondergaan een grondige inspectie voordat ze vanaf de fabriek op transport gaan, maar tijdens gebruik kunnen toch storingen optreden. Problemen in de brandstof-, compressie- of ontstekingssystemen kunnen bijvoorbeeld de oorzaak zijn van slecht starten of een afname in motorvermogen.
In de volgende storingzoekschema's is een snelle en gemakkelijke werkwijze weergegeven om deze vitale systemen zelf te kunnen controleren. Ga met uw scooter echter wel naar een Yamaha dealer als reparaties nodig zijn, hier zijn vakkundige monteurs aanwezig die beschikken over het benodigde gereedschap en de ervaring en vakkennis om het nodige onderhoud aan de machine correct te verrichten.
Gebruik uitsluitend originele Yamaha vervangingsonderdelen. Niet-originele onderdelen lijken misschien op Yamaha onderdelen maar zijn toch vaak van mindere kwaliteit en hebben een kortere levensduur, zodat dan later mogelijk toch dure reparaties nodig zijn.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Storingzoekschema's
Startproblemen of slechte werking van de motor
DAU25921
WAARSCHUNG
DWA10840
Houd open vuur uit de buurt en rook niet terwijl het brandstofsysteem wordt getest of hieraan wordt gewerkt.
1. Brandstof

flowchart
graph TD
A["Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank."] --> B["Er is voldoende brandstof aanwezig."]
A --> C["Er is geen brandstof aanwezig."]
B --> D["Controleer de compressie."]
C --> E["Vul brandstof bij."]
E --> F["De motor start niet.<br>Controleer de compressie."]
2. Compressie

flowchart
graph TD
A["Bedien de elektrische startknop."] --> B["Er is compressie."]
A --> C["Er is geen compressie."]
B --> D["Controleer de ontsteking."]
C --> E["Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren."]
3. Ontsteking

flowchart
graph TD
A["Verwijder de bougie en controleer de elektroden."] --> B["Nat"]
A --> C["Droog"]
B --> D["Schoonvegen met een droge doek. Stel de elektrodenafstand van de bougie af of vervang de bougie."]
C --> E["Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren."]
D --> F["Draai de gasgreep tot halverwege open en bedien de elektrische startknop."]
E --> G["De motor start niet. Controleer de accu."]
4. Accu

flowchart
graph LR
A["Bedien de elektrische startknop."] --> B["De motor draait snel rond."]
A --> C["De motor draait langzaam rond."]
B --> D["De accu is in orde."]
C --> E["Controleer de aansluitingen van de accukabels en laad de accu indien nodig."]
D --> F["De motor start niet. Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren."]
E --> F
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Oververhitte motor

WAARSCHUNG
DWA10400
- Verwijder de koelvloeistofradiatorvuldop niet terwijl de motor en de koelvloeistofradiator nog heet zijn. Hete vloeistof en stoom kan naar buiten spuiten en zo ernstige brandwonden veroorzaken. Wacht tot de motor is afgekoeld.
- Breng na verwijderen van de borgbout voor de radiatorvuldop een dikke doek, bijvoorbeeld een handdoek, aan over de radiatorvuldop en draai deze dan langzaam linksom tegen de aanslag zodat de nog aanwezige druk kan ontsnappen. Druk de dop omlaag zodra het sisgeluid stopt en draai deze linksom en verwijder de dop.

flowchart
graph TD
A["Wacht tot de motor is afgekoeld."] --> B["Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir en in de radiator."]
B --> C["Het koelvloeistofniveau is laag. Controleer het koelsysteem op lekkage."]
B --> D["Het koelvloeistofniveau is in orde."]
C --> E["Er is lekkage."]
C --> F["Er is geen lekkage."]
E --> G["Vraag een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren en te repareren."]
F --> H["Vul koelvloeistof bij. (Zie OPMERKING.)"]
H --> I["Start de motor. Vraag een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren en te repareren als de motor opnieuw oververhit raakt."]
OPMERKING:
Als geen koelvloeistof beschikbaar is, kan tijdelijk leidingwater worden gebruikt, maar dit moet wel zo snel mogelijk door de voorgeschreven koelvloeistof worden vervangen.
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
DAU26090
Verzorging
De open constructie van een scooter maakt de fraaie techniek beter zichtbaar, maar de machine is hierdoor ook meer kwetsbaar. Er kan sprake zijn van roestvorming en corrosie, ook al zijn hoogwaardige componenten gebruikt. Een roestige uitlaatpijp valt bij een auto niet zo op, bij een scooter is dit echter nadelig voor de algehele aanblik. Regelmatige en correcte verzorging is niet alleen vereist volgens de garantiebepalingen, maar verzekert ook een fraai uiterlijk van de scooter, verlengt de levensduur en verbetert de prestaties.
Alvorens te reinigen
- Dek de uitlaatdemperopening af met een plastic zak nadat de motor is afgekoeld.
- Controleer of alle doppen en afdekpluggen, ook de bougie-doppen, en alle elektrische stek- kers en aansluitingen stevig zijn bevestigd.
- Verwijder hardnekkige vervuiling, zoals verbrande olie op het carter, met een ontvetter en een borstel,
maar gebruik dergelijke producten nooit op afdichtingen, pakkingen en wielassen. Spoel vuil en ontvetter altijd af met water.
Reinigen
DCA10780
LET OP:
●Vermijd het gebruik van sterke en bijtende wielreinigingsmiddelen, vooral bij spaakwielen. Als dergelijke producten toch worden gebruikt om hardnekking vuil los te maken, laat het reinigingsmiddel dan niet langer inwerken dan is vermeld in de gebruiksinstructies. Spoel het betreffende gebied grondig schoon met water, laat direct drogen en breng daarna een corrosiewerende spray aan.
- Bij verkeerd reinigen kunnen de kuipruit, de stroomlijnpanelen, framepanelen en andere kunststof delen worden beschadigd. Gebruik alleen een zachte, schone doek of een spons met zachte zeep en water om kunststof delen te reinigen.
- Gebruik geen bijtende chemische reinigingsmiddelen op kunststof delen. Vermijd het gebruik van doeken of sponzen die in contact zijn geweest met bijtende of schurende reinigingsmiddelen, oplosmiddelen of thinner, brandstof (benzine), roestverwijderingsmiddelen of corrosieremmers, remvloeistof, antivries of elektrolyt.
- Gebruik geen hogedrukreinigers of stoomreinigers, omdat dan op de volgende plaatsen water kan doordringen en zo schade kan ontstaan: afdichtingen (van wiel- en achterbruglagers, voorvork en remmen), elektrische componenten (kabelstekkers, messtekkers, instrumenten, schakelaars en verlichting), beluchtings- en ontluchtingsslangen.
●Bij scooters met een kuipruit: gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen of harde sponzen, deze veroorzaken dofheid en laten krasjes achter. Sommige reinigingsmiddelen voor
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
kunststof laten eveneens krasjes achter op de kuipruit. Test het product op een klein, nietzichtbaar gedeelte van de kuipruit om zeker te zijn dat geen sporen achterblijven op de kuipruit. Als de kuipruit krasjes vertoont, breng dan na wassen een hoogwaardige polish voor gebruik op kunststof aan.
Na normaal gebruik
Verwijder vuil met warm water, zachte zeep en een zachte, schone spons en spoel dan grondig met schoon water. Gebruik een tandenborstel of een flessenborstel op moeilijk bereikbare plekken. Hardnekkig vastzittend vuil en insectenresten laten gemakkelijker los als de bewuste plek alvorens te reinigen een paar minuten met een vochtige doek wordt bedekt.
Na rijden in regen, aan de kust of op bepekelde wegen
Zilte zeelucht en wegenzout waarmee wegen 's winters worden bestrooid hebben in combinatie met water een zeer corrosieve werking; handel daarom als volgt na een rit in een regenbui, nabij de kust of op bepekelde wegen.
OPMERKING:
's Winters gestrooid wegenzout kan nog tot in de lente aanwezig blijven.
- Reinig de scooter met koud water en zachte zeep nadat de machine is afgekoeld.
DCA10790
LET OP:
Gebruik geen heet water, dit vers- terkt de corrosieve werking van het zout.
- Breng met een spuitbus een corrosiewerend middel aan op alle metalen delen, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
Na reiniging
-
Droog de scooter met een zeem- leren lap of een vochtabsorbe- rende doek.
-
Gebruik een chroompolish om verchroomde, aluminium en roestvrijstalen delen te doen glanzen, ook het uitlaatsysteem.
(Zelfs thermische verkleuringen op roestvrijstalen uitlaatsystemen kunnen door oppoetsen worden verwijderd.)
- Het is aan te bevelen om met een spuitbus een corrosiewerend middel aan te brengen op alle metalen delen, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
- Gebruik oliespray als universeel schoonmaakmiddel om eventueel nog achtergebleven vuil te verwijderen.
- Werk kleine lakbeschadigingen bij veroorzaakt door steenslag e.d.
- Zet alle gelakte oppervlakken in de was.
- Laat de scooter volledig drogen alvorens te stallen of af te dekken.
DWA10940
WAARSCHUNG
- Controleer of er geen olie of was op de wielen of de remmen zit. Reinig de remschijven en remvoeringen indien nodig
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
met een normale remschijfreiniger of aceton en spoel de banden schoon met lauw water en een mild reinigingsmiddel.
- Test voor u de scooter in gebruik neemt eerst de remwerking en het weggedrag in bochten.
DCA10800
LET OP:
- Breng een geringe hoeveelheid oliespray en was aan en verwijder overtollige hoeveelheden.
- Breng oliespray of was nooit aan op rubber of kunststof delen, behandel deze met een daartoe bestemd verzorgingsmiddel.
●Vermijd het gebruik van schurende poetsmiddelen, deze tasten de lak aan.
OPMERKING:
Vraag een Yamaha dealer om advies over de te gebruiken producten.
DAU26300
Stalling
Korte termijn
Stal uw scooter steeds op een koele en droge plek en bescherm indien nodig tegen stof met een luchtdoorlatende stallinghoes.
DCA10820
LET OP:
- Als de scooter wordt gestald in een slecht geventileerde ruimte of in vochtige toestand wordt afgedekt met een dekzeil, zal water en vocht kunnen binnendringen en roestvorming veroorzaken.
- Voorkom corrosie door de machine niet te stallen in een vochtige kelder, een stal (i.v.m. de aanwezigheid van ammoniakdamp) en in een opslagruimte voor sterke chemicaliën.
Lange termijn
Alvorens uw scooter gedurende meerdere maanden aaneen te stallen:
-
Volg alle instructies op in de paragraaf "Verzorging" in dit hoofdstuk.
-
Leeg de vlotterkamer in de carburateur door de aftapplug los te draaien; u voorkomt zo dat neerslag uit de brandstof achterblijft. Giet de afgetapte brandstof terug in de brandstoftank.
- Vul de brandstoftank en voeg een stabilisatoradditief (indien verkrijgbaar) toe om roestvorming in de tank en achteruitgang van de brandstof te voorkomen.
- Voer de volgende stappen uit om de cilinder, de zuigerveren etc. te beschermen tegen corrosie.
a. Verwijder de bougiedop en de bougie.
b. Giet een theelepel motorolie in het bougiegat.
c. Breng de bougiedop aan op de bougie en leg dan de bougie zodanig op de cilinderkop dat de elektroden aan massa liggen. (Dit voorkomt vonken tijdens de volgende stap.)
d. Laat de motor een paar keer ronddraaien op de startmotor. (De cilinderwand wordt zo geolied.)
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
e. Haal de bougiedop los van de bougie en breng dan de bougie en de bougiedop weer aan.
DWA10950
! WAARSCHUNG
Om schade of letsel door vonkvorming te voorkomen, moeten de bougie-elektroden aan massa liggen terwijl de motor wordt rondgedraaid.
- Smeer alle bedieningskabels en scharnierpunten van alle hendels en pedalen en van de zijstandaard/middenbok.
- Controleer de bandspanning en corrigeer deze indien nodig en breng dan de scooter omhoog zodat beide wielen los van de grond zijn. Een andere mogelijkheid is de wielen elke maand iets te draaien, zodat de banden niet op één gedeelte sterker achteruitgaan.
- Dek de uitlaatdemper af met een plastic zak om te voorkomen dat vocht kan binnendringen.
- Verwijder de accu en laad deze volledig bij. Berg de accu op een
koele en droge plek op en laad hem eens per maand bij. Berg de accu niet op een zeer warme of koude plek op (minder dan 0 °C (30 °F) of meer dan 30 °C (90 °F)]. Zie pagina 6-23 voor meer informatie over het opbergen van de accu.
OPMERKING:
Verricht eventueel noodzakelijke reparaties alvorens de scooter te stallen.
Afmetingen
Totale lengte
2210 mm (87.0 in)
Totale breedte
790 mm (31.1 in)
Totale hoogte
1380 mm (54.3 in)
Zadelhoogte
785 mm (30.9 in)
Wielbasis
1545 mm (60.8 in)
Grondspeling
113 mm (4.45 in)
Kleinste draaicirkel
3650 mm (143.7 in)
Gewicht
Incl. olie en brandstof
166 kg (366 lb)
Motor
Type motor
Vloeistofgekoeld, 4-takt, SOHC
Cilinderopstelling
1-cilinder, vooroverhellend
Slagvolume
124.66 cm³ (7.61 cu*in)
Boring x slag
52 x 58.6 mm (2.05 x 2.31 in)
Compressieverhouding
11.2:1
Startsysteem
Aanbevolen kwaliteit motorolie
API service type SG of hoger

Hoeveelheid motorolie
Zonder vervanging van oliefilterpatroon
1.4 L (1.48 US qt) (1.23 Imp qt)
Met vervanging van oliefilterpatroon
1.5L (1.59 US qt) (1.32 Imp qt)
Versnellingsbakolie
Type
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de
merkstreep voor maximumniveau)
Aanbevolen brandstof
Uitsluitend normale loodvrije benzine
Inhoud brandstoftank
12.5 L (13.21 US qt) (11.00 Imp qt)
Hoeveelheid reservebrandstof
2 L (2.11 US qt) (1.76 Imp qt)
Primair reductiesysteem
Schroeftandwiel
Primaire reductieverhouding
41/14 (2.929)
Secundair reductiesysteem
Schroeftandwiel
Secundaire reductieverhouding
44/13 (3.385)
SPECIFICATIES
Type versnellingbak
Automatisch, V-snaar
Bediening
Automatisch centrifugaal
Chassis
Type frame
Stalen onderdraagbuis
Spoorhoek
28°
Naspoor
100 mm (3.94 in)
Voorband
Type
Tubeless
Maat
120/70-15 M/C 56P or 56S
Fabrikant/model
Michelin / Gold Standard
Pirelli / GTS23
Achterband
Type
Tubeless
Maat
140/70-14 M/C 68P or 68S
Fabrikant/model
Michelin / Gold Standard
Pirelli / GTS24
Belading
Maximale belasting
189 kg (417 lb)
Totaal gewicht van bestuurder, passagier,
Bandenspanning (gemeten aan koude banden)
Gewichtsverdeling
0–90 kg (0–198 lb)
Voor
190 kPa (27 psi) (1.9 kgf/cm²)
Achter
220 kPa (31 psi) (2.2 kgf/cm²)
Gewichtsverdeling
90 kg (198 lb)-Maximale belasting
Voor
210 kPa (30 psi) (2.1 kgf/cm²)
Achter
250 kPa (36 psi) (2.5 kgf/cm²)
Voorwiel
Type wiel
Gietwiel
Velgmaat
15 x MT3.5
Achterwiel
Type wiel
Gietwiel
Velgmaat
14 x MT3.75
Voorrem
Type
Enkele schijfrem
Bediening
Bediening met rechterhand
Aanbevolen remvloeistof
DOT 4
Achterrem
Type
Enkele schijfrem
Bediening
Bediening met rechterhand
Aanbevolen remvloeistof
DOT 4
Voorwielophanging
Type
Telescoopvork
Veer/schokdempertype
Schroefveer/oliedemper
Veerweg
94 mm (3.70 in)
Achterwielophanging
Type
Unit swing
Veer/schokdempertype
Schroefveer/oliedemper
Veerweg
83 mm (3.27 in)
Elektrische installatie
Ontstekingssysteem
Transistorontsteking (digitaal)
Laadsysteem
Wisselstroomdynamo met permanente
magneten
Accu
Fabrikant/model:
Yuasa/YTX9-BS
Voltage, capaciteit
12 V, 8.0 Ah
Gloeilampen voltage, wattage x aantal
Koplamp
12 V, 35.0 W / 35.0 W x 2
Parkeerlicht
12 V, 5.0 W × 2
| Achterlicht/remlicht unit12 V, 21.0 W / 5.0 W x 2 | Zekering reserve5 A |
| Voorste richtingaanwijzer12 V, 10.0 W x 2 | Zekering reserve10 A |
| Achterste richtingaanwijzer12 V, 10.0 W x 2 | Zekering reserve15 A |
| Kentekenverlichting12 V, 5.0 W x 1 | Zekering reserve30 A |
Instrumentenverlichting LED
Controlelampje brandstofniveau LED
Controlelampje grootlicht LED
Controlelampje brandstofniveau LED x 2
Waarschuwingslampje motorstoring LED
Controlelampje startblokkering LED
Zekeringen
Hoofdzekering 30 A
Koplampzekering 15 A
Zekering signaleringssysteem 15 A
Zekering ontstekingssysteem 5 A
Zekering radiatorkoelvin 10 A
Zekering ECU-circuit 5 A
Backup-zekering 5 A
GEBRUIKERSINFORMATIE
DAU26351
DAU26381
DAU26410
Identificatienummers
Noteer het sleutelnummer, het voertuigidentificatienummer en de modelinformatiesticker in onderstaande ruimtes. Deze nummers heeft u nodig om reserveonderdelen bij een Yamaha dealer te bestellen of wanneer uw machine is gestolen.
SLEUTELIDENTIFICATIE NUMMER:

- Sleutelplaatje
- Rode Sleutel
- Zwarte sleutel
Het sleutelnummer is ingeslagen op het sleutelplaatje. Noteer dit nummer in het daartoe bestemde vakje en gebruik dit als referentie bij het bestellen van een nieuwe sleutel.
Voertuigidentificatienummer

Het voertuigidentificatienummer is ingeslagen op het frame.
OPMERKING:
Het voertuigidentificatienummer is bedoeld voor identificatie van uw motorfiets en kan worden gebruikt om uw motor in uw land aan te melden voor kentekenregistratie.
DAU26540
Modelinformatiesticker

De modelinformatiesticker is onder het zadel bevestigd aan het frame. (Zie pagina 3-12.) Noteer de informatie op deze sticker in het daartoe bestemde vakje. Deze informatie is nodig om reserve-onderdelen te bestellen bij een Yamaha dealer.
INHOUDSOPGAVE
A
Aanzicht linkerzijde 2-1
Aanzicht rechterzijde....2-2
Accu 6-23
Achterremhendel 3-10
Afstellen van de schokdemperunits......3-14
Antidiefstal-alarmsysteem (optie)....3-8
B
Banden 6-15
Bedieningen en instrumenten .....2-3
Boordgereedschapset 6-1
Brandstof....3-11
Brandstofniveaumeter 3-4
C
Contactslot/stuurslot....3-2
Controle van stuursysteem 6-22
Controlelijst voor gebruik ....4-2
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel ....6-20
Controleren en smeren van middenbok en zijstandaard ....6-21
Controleren van de bougie 6-7
Controleren van remvloeistofniveau .....6-19
Controleren van voor- en achterremblokken 6-18
Controleren van wiellagers....6-22
G
Gietwielen 6-17
Gloeilamp in kentekenverlichting vervangen 6-27
Gloeilamp in voorste richtingaanwijzer vervangen 6-26
|
Identificatienummers....9-1
Indicatoren, controlelampjes en waarschuwingslampje ....3-3
Inrijperiode 5-4
K
Klepspeling 6-15
Koelvloeistof....6-11
Koplampgloeilamp vervangen 6-25
L
Luchtfilter en luchtfilterelementen in vsnaarbehuizing....6-13
M
Motorolie 6-8
Multifunctioneel display 3-5
0
Opbergcompartiment....3-14
Opbergvak voorin 3-13
P
Parkeerlichtgloeilamp vervangen .....6-28
Parkeren 5-4
Periodiek smeer- en onderhoudsschema ..6-3
Problemen oplossen 6-28
R
Remmen 5-3
s
Smeren van voor- en achterremhendels..6-20
Snelheidsmeter 3-4
Sneller en langzamer rijden 5-2
Speling van de gaskabel afstellen .....6-14
Stalling 7-3
Startblokkeersysteem 3-1
Starten van een koude motor ....5-1
Storingzoekschema's 6-29
Stroomlijn- en framepanelen verwijderen en aanbrengen....6-6
Stuurschakelaars 3-8
T
Tankdop 3-10
Temperatuurmeter koelvloeistof....3-5
Tips voor een zuinig brandstofverbruik .....5-3
U
Uitlaatkatalysator 3-12
V
Versnellingsbakolie....6-10
Vervangen van gloeilamp voor remlicht/achterlicht of van gloeilamp voor achterste richtingaanwijzer....6-26
Verversen van remvloeistof 6-20
Verzorging 7-1
Voorremhendel 3-10
Voorvork controleren....6-21
Vrije slag voor- en achterremhendel .....6-18
W
Wegrijden 5-2
z
Zadel 3-12
Zekeringen vervangen....6-24
Zijstandaard 3-15

YAMAHA MOTOR ESPAÑA, S.A.
PRINTED IN SPAIN
2006.10-NOVOPRINT, S.A.
(D)