MCS T6 - Airconditioning DOMETIC - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis MCS T6 DOMETIC in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over MCS T6 DOMETIC
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Airconditioning in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding MCS T6 - DOMETIC en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. MCS T6 van het merk DOMETIC.
GEBRUIKSAANWIJZING MCS T6 DOMETIC
Gebruiksaanwijzing....117

text_image
1 2 3 4 5 6 7 8 9 22Lees deze handleiding voor de ingebruikneming zorgvuldig door en bewaar hem. Geef de handleiding bij het doorgeven van het product aan de gebruiker.
Inhoud
1 Verklaring van de symbolen .... 118
2 Veiligheidsinstructies .....118
3 Doelgroep van deze handleiding .....119
4 Gebruik volgens bestemming 119
5 Technische beschrijving ..... 119
6 Bedienelementen....120
7 Handleiding ....122
8 Programmeren ....130
9 Oplossing 140
10 Onderhoud....149
11 Garantie....153
12 Afvoer 153
13 Technische gegevens....154
1 Verklaring van de symbolen

WAARSCHUWING!
Veiligheidsaanwijzing: Het niet naleven kan leiden tot overlijden of ernstig letsel.

VOORZICHTIG!
Veiligheidsaanwijzing: Het niet naleven kan leiden tot letsel.

LET OP!
Het niet naleven ervan kan leiden tot materiële schade en de werking van het product beperken.

INSTRUCTIE
Aanvullende informatie voor het bedienen van het product.
2 Veiligheidsinstructies
De fabrikant kan in de volgende gevallen niet aansprakelijk worden gesteld voor schade:
• montage- of aansluitfouten
- beschadiging van het product door mechanische invloeden en overspanningen
- veranderingen aan het product zonder uitdrukkelijke toestemming van de fabrikant
- gebruik voor andere dan de in de handleiding beschreven toepassingen
2.1 Algemene veiligheid

VOORZICHTIG!
• Elektrische toestellen zijn geen speelgoed!
Houd kinderen en gebrekkige personen uit de buurt van elektrische apparaten.
Laat ze elektrische apparaten alleen onder toezicht gebruiken.
- Personen (ook kinderen) die door hun fysieke, zintuiglijke of geestelijke vermogens of hun onervarenheid of onwetendheid niet in staat zijn om de installatie veilig te gebruiken, mogen dit niet zonder toezicht of instructie door een verantwoordelijk persoon doen.
- Gebruik het apparaat alleen volgens de voorschriften.
• Voer geen wijzigingen of verbouwingen aan het toestel uit! - Installatie van en reparatie aan de afzuigkap mogen alleen door vakmensen worden uitgevoerd die bekend zijn met de betreffende geva- ren en voorschriften. Door onvakkundige reparaties kunnen grote gevaren ontstaan. Neem bij reparaties contact op met het services- teunpunt in uw land (adressen aan de achterzijde).
3 Doelgroep van deze handleiding
Deze gebruiksaanwijzing is bestemd voor de gebruiker van de airco.
4 Gebruik volgens bestemming
De bootairco werd voor gebruik op boten en jachten ontwikkeld. De airco kan de binnenruimtes van de boot of de jacht afkoelen of verwarmen.
5 Technische beschrijving
De bootairco's MCS T6, MCS T12 en MCS T16 zijn geschikt voor variabele klimatisering in een boot of een jacht. Ruimtes kunnen worden gekoeld of verwarmd.
De bootairco bestaat uit een aircotoestel en een bedienveld. Het koelmiddel circuleert door de installatie die met zeewater water wordt gekoeld.
6 Bedienelementen
6.1 Bedieningspaneel
Sleutel voor afb. 1, pagina 3:
Pos. Naam Beschrijving
| 1 Toets „Power“ Druk op de toets om de installatie in of uit te schakelen. | |
| 2 Toets „Ventilator“ | Door drukken op de toets schakelt u door de beschikbare ventilatorinstellingen. Voor de bedrijfsmodus handmatige ventilatorinstellingen bestaan de instellingen „1” (laagste) tot „6” (hoogste).De letter „a“ geeft aan dat de bedrijfsmodus voor automatische ventilatorinstelling werd geselecteerd. |
| 3 Toets „Omlaag“ Druk op de toets om de ingestelde waarde weer te geven.Houd de toets „Omlaag“ ingedrukt om de ingestelde waarde te verlagen. Door elke keer drukken op de knop wordt de ingestelde waarde met 0,5 °C of 1 °F verlaagd. | |
| 4 Frontplaatsensor Via de frontplaatsensor wordt de ruimtetemperatuur vastgesteld, tenzij een afstandsluchtsensor werd geïnstalleerd. | |
| 5 Toets „Omhoog“ Druk op de toets om de ingestelde waarde weer te geven.Houd de toets „Omhoog“ ingedrukt om de ingestelde waarde te verhogen. Door elke keer drukken op de knop wordt de ingestelde waarde met 0,5 °C of 1 °F verhoogd. | |
| 6 Weergave op het dis-play | Bij ingeschakelde besturing wordt de binnentemperatuur weergegeven. De ingestelde waarde wordt door drukken op de toetsen „Omlaag“ of „Omhoog“ weergegeven.Op het display verschijnen ook productinformatie en foutcodes.Als de besturing na een stroomuitval weer in bedrijf wordt genomen, worden alle displayleds een seconde lang ingeschakeld. Hierbij gaat het om een normale bedrijfstoestand die als „Terugzetten bij inschakelen“ wordt aangeduid. |
Pos. Naam Beschrijving
| 7 Led „Bedrijfsmodus verwarmen” | Deze led brandt, als– de bedrijfsmodus „Alleen verwarmen“ werd geselecteerd– of als het toestel een verwarmingscyclus uitvoert. |
| 8 Led „Ventilatorweergave“ | Deze led brandt, als een handmatig ventilatortoerental werd geselecteerd. |
| 9 Led „Koelmodus“ Deze led brandt, als– de bedrijfsmodus „Alleen koelen“ werd geselecteerd– of als het toestel een koelcyclus uitvoert. | |
6.2 Toetsen met dubbele functiebezetting
Toetsen „Omhoog“ en „Omlaag“
- In de bedrijfsmodus „Aan“: Druk gelijktijdig op de toetsen „Omhoog“ en „Omlaag“ om de buitentemperatuur weer te geven, onder voorwaarde dat de optionele buitenlucht-temperatuursensor werd geïnstalleerd.
- In de bedrijfsmodus „Programma“: Druk gelijktijdig op de toetsen „Omhoog“ en „Omlaag“ om nieuwe standaardwaarden voor het programma in te voeren.
Toetsen „Power“ en „Omlaag“
- Bij de weergave van het onderhoudsfoutprotocol: Druk gelijktijdig op de toetsen „Power“ en „Omlaag“ om de vermeldingen in het foutprotocol te wissen (zie hoofdstuk „Onderhoudsprotocol“ op pagina 129).
- In de bedrijfsmodus „Aan“: Druk gelijktijdig op de toetsen „Power“ en „Omlaag“ om de bedrijfsmodus „Ontvochtiging“ te activeren (zie hoofdstuk „Bedrijfsmodus „Ontvochtiging“ “ op pagina 125).
7 H a n d l e i d i
7.1 Eerste ingebruikname

LET OP!
Schakel het apparaat niet uit en onmiddellijk daarna weer in. Wacht minstens 30 s voor een koelmiddeldrukcompensatie.
▶Controleer of de kogelklep voor de zeewaterinlaat (zeeklep) geopend is.
▶Schakel de vermogenschakelaar van de airco in.
▶ Als de zeewaterpomp over een vermogenschakelaar beschikt, schakel deze dan in.
▶ Druk op de ventilatortoets (afb. 1 2, pagina 3).
√ Hierdoor wordt de ventilator ingeschakeld.
▶ Controleer of de ventilator draait en een regelmatige luchtstroom uit het toevoer-lucht-beschermrooster stroomt.
Kies als ingestelde waarde voor de temperatuur een lagere waarde dan de actuele cabinetemperatuur.
√ Hierdoor worden de compressor en de zeewaterpomp gestart.
▶ Controleer of een regelmatige zeewaterstroom uit de buitenboord-uitlaat stroomt.
Als u vermoedt dat het toestel niet correct functioneert, lees dan de richtlijnen voor het verhelpen van storingen (hoofdstuk „Oplossing“ op pagina 140).
7.2 Overzicht
Inschakelen
Druk een keer op de toets „Power“ (afb. 1 1, pagina 3) om het toestel te starten.
√ Bij ingeschakeld systeem wordt op het display de ruimtetemperatuur weergegeven. Als het toestel is uitgeschakeld, blijft het display leeg.
Temperatuur instellen
Druk op de toetsen „Omhoog“ of „Omlaag“ (afb. 1 3 en 4, pagina 3) om de gewenste ruimtetemperatuur in te stellen.
Door kort drukken op de toetsen „Omhoog“ of „Omlaag“ kunt u de ingestelde waarde tijdens bedrijf weergeven.
Ventilatortoerental
Het ventilatortoerental wordt automatisch geregeld; het wordt automatisch verlaagd, als de cabinetemperatuur in bedrijfsmodus „Koelen“ de ingestelde waarde nadert. Bij bereiken van de ingestelde waarde draait de ventilator met laag toerental.
▶ Door drukken op de ventilatortoets (afb. 1 2, pagina 3) kunt u de handmatige ventilatortoerentallen selecteren.
Via het programma kunt u de ventilator zodanig instellen dat deze alleen draait, als verwarmen of koelen vereist is. Normaal verloopt de automatische instelling van het ventilatortoerental in de bedrijfsmodus „Verwarmen“ omgekeerd. De ventilator kan echter ook via de programmering zodanig worden ingesteld dat deze in de bedrijfsmodus „Koelen“ functioneert.
Geheugen
Het niet-vluchtige geheugen van de besturing heeft geen batterijen of stroomvoorziening nodig. Als de stroom uitvalt, gaan de bedrijfsparameters niet verloren. Als de stroom terugkeert, zet de besturing het bedrijf overeenkomstig de laatste programmering weer voort.
7.3 Bedrijfsmodi
Bedrijfsmodus „Uit“
Als de bootairco in de bootairco „Uit“ is, zijn alle uitgangen van de besturing uitgeschakeld. De programmaparameters en gebruikersinstellingen worden in het nietvluchtige geheugen opgeslagen.
Bedrijfsmodus „Aan“
Als de bootairco in de bedrijfsmodus „Aan” is, staan de desbetreffende uitgangen onder stroom en wordt op het display de actuele bedrijfsstatus weergegeven.
Gebruik wordt overeenkomstig de programmaparameters voortgezet die werden opgeslagen toen het apparaat de laatste keer werd gebruikt.
Als de bedrijfsmodus „Koelen“ is geselecteerd, brandt de led voor de bedrijfsmodus „Koelen“ en worden de koelsystemen overeenkomstig gebruikt. Als de temperatuur tot onder de ingestelde waarde daalt, wisselt de installatie niet automatisch naar de bedrijfsmodus „Verwarmen“.
Bedrijfsmodus „Verwarmen“
Als de led van de bedrijfsmodus „Verwarmen“ brandt, zijn alleen de verwarmings-systemen geselecteerd en worden overeenkomstig gebruikt. Als de temperatuur boven de ingestelde waarde stijgt, wisselt de installatie niet automatisch naar de bedrijfsmodus „Koelen“.
Bedrijfsmodus „Automatisch“
In de bedrijfsmodus „Automatisch“ stelt de installatie naar behoefte verwarmings- of koelfuncties beschikbaar. De led „Verwarmen“ of „Koelen“ brandt overeenkomstig de bedrijfsmodus.
De temperatuur in een bepaalde bedrijfsmodus wordt binnen 1,1 °C (2 °F) van de ingestelde waarde gehandhaafd. Toch is een verschil van 2,2 °C (4 °F) vereist om de bootairco naar een andere bedrijfsmodus te laten wisselen.
Na de bedrijfsmoduswissel wordt de temperatuur weer binnen 1,1 °C (2 °F) van de ingestelde waarde gehandhaafd.
Handmatige ventilatorbediening
In de bedrijfsmodus voor handmatige ventilatorbediening kunt u het gewenste ventilatortoerental handmatig selecteren. Na selectie van een handmatig ventilatortoerental gaat de ventilator-led branden. De bedrijfsmodus voor handmatige ventilatorbediening is soms de beste keuze, als de cabinetemperatuur door wisselende warmtebelastingen constant verandert.
Het snelste ventilatortoerental is „6“, het langzaamste toerental is „1“.
Houd de toets „Ventilator” tijdens normaal bedrijf ingedrukt om een van de zes mogelijke, handmatige ventilatortoerentallen te selecteren.
Bedrijfsmodus „Circulatielucht“
Als de installatie op het bedienveld is uitgeschakeld, kan de ventilator alleen in de bedrijfsmodus circulatielucht worden gebruikt.
Houd de toets „Ventilator“ bij uitgeschakeld display ingedrukt tot het gewenste toerentalnummer in het venster wordt weergegeven.
▶Laat de toets „Ventilator“ los.
√ De ventilator draait met het geselecteerde toerental als ventilator zonder de lucht te verwarmen of te koelen.
Druk een keer op de toets „Power“ om de bedrijfsmodus „Circulatielucht“ te beëindigen en de bedrijfsmodus „Aan“ te activeren.
Bedrijfsmodus „Ontvochtiging“
Druk bij actieve bedrijfsmodus „Aan“ gelijktijdig op de toetsen „Power“ en „Omlaag“.
√ De eerste cyclus start na een minuut.
Druk op de toets „Power“ om de bedrijfsmodus „Ontvochtiging“ te beeindigen.
√ Als de bedrijfsmodus „Ontvochtiging“ actief is, wordt op het display de korte code „HU1“ weergegeven.
Bedrijfsmodus „Programma”

INSTRUCTIE
De bedrijfsmodus „Programma“ kan alleen vanuit de bedrijfsmodus „Uit“ worden geactiveerd.
Als de bedrijfsmodus „Programma” actief is, kunt u de bedrijfsparameters van de installatie aan bepaalde behoefte van individuele gebruikers aanpassen. Via de bedrijfsmodus „Programma” kunt u het gebruik van de airco binnen een installatie optimaal aanpassen.
Variabelen zoals buisleidingen, positie van de sensor en systeemopbouw beïnvloeden de werking van de installatie. De bootairco beschikt over standaardinstellingen die in het permanente geheugen zijn opgeslagen en te allen tijde weer kunnen worden opgeroepen.
7.4 Gebruik van de bootairco

LET OP!
Schakel het apparaat niet uit en onmiddellijk daarna weer in. Wacht minstens 30 s voor een koelmiddeldrukcompensatie.

INSTRUCTIE
Druk bij het inschakelen van de bootairco slechts heel kort op de toets „Power“ om niet onbedoeld de bedrijfsmodus „Programma“ te active-ren.
Als u de bedrijfsmodus „Programma” onbedoeld activeert, wordt door elke volgende keer drukken op de toetsen „Omhoog” of „Omlaag” de instelling van de parameter „P-1“ gewijzigd. Dit kan leiden tot storing van de installatie.
Druk een keer kort op de toets „Power“ (afb. 1 1, pagina 3) om het toestel te starten.
√ Bij ingeschakeld systeem wordt op het display de ruimtetemperatuur weergegeven. Als het toestel is uitgeschakeld, blijft het display leeg.
Druk op de toetsen „Omlaag“ (afb. 1 3, pagina 3) of „Omhoog“ (afb. 1 5, pagina 3) om de gewenste ingestelde waarde te selecteren.
√ Bij ingeschakeld systeem wordt op het display de ruimtetemperatuur weergegeven. Als het toestel is uitgeschakeld, blijft het display leeg.
√De thermostaat is nu ingesteld om een constante cabinetemperatuur te handhaven.
Druk op de toetsen „Omhoog“ of „Omlaag“ om de gewenste cabinetemperatuur in te stellen.
Door kort drukken op de toetsen „Omhoog“ of „Omlaag“ kunt u de ingestelde waarde tijdens bedrijf weergeven.
Het niet-vluchtige geheugen van de bootairco heeft geen batterijen of stroomvoorziening nodig. Als de stroom uitvalt, gaan de bedrijfsparameters niet verloren. Als de stroom terugkeert, zet de bootairco het bedrijf overeenkomstig de laatste programmering weer voort.
Door de automatische regeling van het ventilatortoerental kan automatisch het toerental worden verlaagd, als in de bedrijfsmodus „Koelen“ de cabinetemperatuur de ingestelde waarde nadert. Bij het bereiken van de ingestelde waarde wordt de ventilator met lage snelheid bedreven.
De handmatige ventilatorsnelheden kunnen via de toets „Ventilator“ worden geselecteerd.
De ventilator kan zodanig worden ingesteld dat deze alleen draait, als verwarmen of koelen vereist is. Normaal verloopt de automatische instelling van het ventilatortoe- rental in de bedrijfsmodus „Verwarmen“ omgekeerd. De ventilator kan echter ook via de programmering zodanig worden ingesteld dat deze in de bedrijfsmodus „Koelen“ functioneert.
7.5 Automatisch zelftestprogramma
De bootairco beschikt over een zelftestprogramma waarbij de totale bootairco als bij een keuring in de fabriek wordt getest. Na de activering van het zelftestprogramma wordt de testcyclus voortgezet tot de energietoevoer wordt onderbroken of de toets „Power“ een keer wordt ingedrukt om de installatie in de bedrijfsmodus „Uit“ te schakelen.
U activeert het zelftestprogramma door de toets „Power” in te drukken terwijl u de installatie met de vermogenschakelaar inschakelt.
Laat de toets „Power“ los, als op het display „888“ wordt weergegeven en de leds branden.
√De bootairco voert nu het zelftestprogramma uit.
√Terwijl het zelftestprogramma actief is, wordt op het display „tSt“ weergegeven.
Na de activering voert de zelftestsoftware de volgende procedure tijdens continu- bedrijf uit:
- De bedrijfsmodus „Verwarmen“ wordt geactiveerd en de installatie verwarmt 10 min lang.
- De bedrijfsmodus „Verwarmen“ wordt aangehouden en de ventilator draait 5 min lang in ventilatormodus.
- De installatie wisselt naar de bedrijfsmodus „Koelen“ en koelt 10 min lang.
- De bedrijfsmodus „Koelen“ wordt aangehouden en de ventilator draait 5 min lang in ventilatorbedrijf.
- De programma keert terug naar stap 1 en de procedure wordt voortgezet tot het programma wordt onderbroken.
Het zelftestprogramma wordt voortgezet tot de energietoevoer wordt onderbroken of de test door een keer drukken op de toets „Power“ wordt aangehouden.
7.6 Hulpmiddelen voor onderhoud
Urenweergave
De totale compressorcyclustijd wordt elke zes minuten bij continue compressor-looptijd in de EEPROM opgeslagen. Cycli met geringere looptijden dan zes minuten worden verworpen om de benodigde geheugenruimte te reduceren en een zo flexibel mogelijke urenweergave te garanderen.
Ga als volgt te werk om de urenweergave weer te geven:
▶Schakel het apparaat uit met de vermogenschakelaar.
▶Houd de toets „Omlaag“ ingedrukt.
▶Schakel het apparaat weer in met de vermogenschakelaar.
√Nadat „Terugzetten bij inschakelen“ is afgesloten, wordt op het display het volgende weergegeven:
- „Hr“ wordt gedurende een seconde weergegeven.
- De displayweergave gaat enkele seconden uit, en vervolgens worden drie seconden lang de eerste beide tekens van de bedrijfsuren weergegeven.
- De displayweergave gaat een seconde uit, en vervolgens worden drie seconden lang de laatste drie tekens van de bedrijfsuren weergegeven.
√ De installatie keert terug naar de laatste bedrijfsstatus – die actief was voordat de energietoevoer werd uitgeschakeld.
Maximaal kunnen 65.536 uren worden geregistreerd. Als deze waarde wordt bereik, stopt de registratie en kan deze alleen door een klantendiensttechnicus worden teruggezet.
Onderhoudsprotocol
De bootairco registreert de laatste acht fouten in een protocol. Bij elke herkende fout wordt een urentimer gestart.
Als binnen dit uur drie fouten achtereen optreden, wordt de installatie uitgeschakeld, de energietoevoer geblokkeerd en een foutcode weergegeven. Als tijdens dit uur dezelfde fout opnieuw optreedt, wordt de fout slechts één keer in het onderhoudsprotocol geregistreerd omgeheugenruimte te besparen. Als tijdens continu bedrijf dezelfde fout niet binnen een uur weer optreedt, wordt de foutteller teruggezet, maar het resultaat blijft in het onderhoudsprotocol tot het wordt overschreven. Als tijdens dit uur een andere fout wordt herkend, wordt deze fout in het serviceprotocol geregistreerd.
De volgende gebeurtenissen worden in het serviceprotocol geregistreerd:
• Koudemiddeldruk te hoog
• Koudemiddeldruk te laag
- Luchtsensorfout
Ga als volgt te werk om het onderhoudsprotocol weer te geven:
▶Schakel het apparaat uit met de vermogenschakelaar.
▶Houd de toets „Ventilator“ ingedrukt.
▶Schakel het apparaat in met de vermogenschakelaar.
▶Nadat „Terugzetten bij inschakelen“ werd afgesloten (op het display wordt „888“ weergegeven en alle leds branden), laat u de toets „Ventilator“ los.
√De displayweergave knippert en toont de laatst herkende fout, gevolgd door het nummer van de gebeurtenischronologie.
Als u andere gebeurtenissen wilt laten weergeven, drukt u op de toetsen „Omhoog“ of „Omlaag“.
Druk gelijktijdig op de toetsen „Power“ en „Omlaag“ om de vermeldingen in het onderhoudsprotocol te wissen.
▶Zo verlaat u het onderhoudsprotocol:
- Druk op de toets „Power“, „Omhoog“ of „Omlaag“ of
- wacht 30 seconden zonder een toets in te drukken.
8 Programmeren
8.1 Bedrijfsmodus „Programma“ activeren
Houd de toets „Power“ ingedrukt, terwijl de installatie zich in de bedrijfsmodus „Uit“ bevindt tot de letter „P“ op het display wordt weergegeven.
√De lettercombinatie „P1“ gevolgd door de parameterinstelling wordt op het display weergegeven.
√ De bootairco bevindt zich nu in de bedrijfsmodus „Programma“.

INSTRUCTIE
De bootairco verlaat de bedrijfsmodus „Programma” en keert terug naar de bedrijfsmodus „Uit“, als een minuut lang geen programmering wordt ingevoerd.
8.2 Programmaparameters wijzigen
Druk op de toets „Ventilator“ om van een programmaparameter naar de volgende te schakelen.
Druk op de toetsen „Omhoog“ of „Omlaag“ om de gegevens te selecteren of de gewenste grenswaarden voor de te programmeren parameters vast te leggen.
8.3 Nieuwe programmaparameters opslaan

INSTRUCTIE
De fabrieksinstellingen uit hoofdstuk „Tabel van de programmeerbare parameters“ op pagina 132 kunnen handmatig worden hersteld (zie hoofdstuk „Opgeslagen standaardinstellingen herstellen“ op pagina 131).
Druk gelijktijdig op de toetsen „Omhoog“ en „Omlaag“ om de nieuwe program-maparameters op te slaan.
√ Daarna worden de nieuwe standaardwaarden voor het programma vastgelegd.
8.4 Bedrijfsmodus „Programma“ verlaten
Er zijn twee methoden om de bedrijfsmodus „Programma“ te verlaten.
▶Druk op de toets „Power”.
√ De bootairco keert terug naar de bedrijfsmodus „Uit“.
... of
Druk een minuut lang geen toets in en voer geen programmawijzigingen uit.
√ De bootairco verlaat de bedrijfsmodus „Programma“.
8.5 Software-identificatie
Voor het verlaten van de bedrijfsmodus „Programma“ wordt gedurende een seconde de softwareversie van de bootairco weergegeven. Het software-identificatienummer, bijvoorbeeld (A12) wordt gedurende een seconde op het display weergegeven. Vervolgens keert de bootairco terug naar de bedrijfsmodus „Uit“.

INSTRUCTIE
Als u met betrekking tot het systeem of de programmering van de bootairco met Dometic contact opneemt, houd dan steeds het software-identificatienummer en het serienummer van de bootairco gereed. Het serienummer staat op het typeplaatje.
8.6 Opgeslagen standaardinstellingen herstellen
U kunt de opgeslagen standaardinstelling als volgt herstellen.
▶Activeer de bedrijfsmodus „Programma“.
▶Leg voor P-17 „rSt“ vast.
▶Verlaat de bedrijfsmodus „Programma”.
√ Het softwareversienummer (bijvoorbeeld „A12“) wordt op het display weergegeven.
√ De opgeslagen standaardinstellingen worden hersteld en de bootairco keert terug naar de bedrijfsmodus „Uit“.
8.7 Programmeerbare parameters
Tabel van de programmeerbare parameters
| Programma-nummer | Beschrijving Standaard Waardenbereik | ||
| P-1 Bedrijfsmodus 0 0 = automatische modus | 1 = alleen koelen2 = alleen verwarmen | ||
| P-2 Begrenzing voor het hoogste ventilatortoerental (willekeurige eenheden) | 95 65 – 95 | ||
| P-3 Begrenzing voor het laagste ventilatortoerental (willekeurige eenheden) | 55 30 – 64 | ||
| P-4 Tijdsvertraging voor compressorordening met meerdere niveaus | 15 5 – 135 s | ||
| P-5 Kalibratie van de temperatuursensor | Omgevingstemperatuur | Omgeving 10 °F, -12,2 °C | |
| P-6 Uitvalbeveiliging 3 0 = minimale bescherming | 1 = continu, zonder weergave2 = continu, met weergave3 = vier fouten, terugzetten vereist | ||
| P-7 Uitschakeling bij lage wisselspanningsvoorziening (volt) | 115 V – OFF220/230 V – OFF | 75 – 105175 – 205 | |
| P-8 Ontdooicyclus 1 OFF | 1 = aan, bij een frontplaatsensorverschil van 5 °F, -15 °C2 = aan, bij een frontplaatsensorverschil van 7 °F, -13,9 °C | ||
| P-9 Temperatuurbegrenzing bij hoog water (°F) | OFF | 100 – 150 | |
| P-10 | Helderheidsbesturing voor het display | 9 4 = minimum | 13 = maximum |
| P-11 | Graadweergave in °F of °C | F | F = FahrenheitC = Celsius |
| Programma-nummer | Beschrijving | Standaard | Waardenbereik |
| P-12 Pompcyclus met compressor of pomp in continubedrijf | OFF OFF = cyclus met compressorOn = pomp in continubedrijf | ||
| P-13 Ventilatortoerentallen in de bedrijfsmodus „Verwarmen” omkeren | rEF nor = normaal ventilatorbedrijfrEF = ventilatoromkering bij verwar-men | ||
| P-14 Ventilator in continubedrijf of ventilatorcyclus met compressor | con CYC = ventilatorcycylus met compressorcon = ventilator in continubedrijf | ||
| P-15 Omgekeerde verwarmingscyclus of geïnstalleerde optie voor uitsluitend elektrische verwarming (apparaten die alleen koelen) | nor nor = omgekeerde verwarmings-cyclusELE = elektrische verwarmings-module geïnstalleerd | ||
| P-16 Selectie van de ventilatormotorsoort: Schakelpool of condensator. | SC SP = schakelpool-ventilatormotorSC = condensator-ventilatormotor | ||
| P-17 Opgeslagen pro-gramma-standaardwaarden herstellen | nor rSt = standaardwaarden herstellennor = normaal | ||
| P-18 Gereserveerd voor toe-komstige opties | - | - | |
| P-19 Gereserveerd voor toe-komstige opties | - | - | |
| P-20 Filterdrempelwaarde (x10 uur) | 00 00 - 250 | ||
| P-21 Actuele filtertijd (x10 uur) x10 bedrijfsuren van het actuele filter | - | ||
| P-22 Spanningskalibratie (volt) Wisselspanning - | |||

INSTRUCTIE
Bij problemen met de programmering of instelling herstelt u de opgeslagen standaardinstellingen door de bedrijfsmodus „Programma“ te activeren en voor de parameter „P-17“ als waarde „rSt“ vast te leggen. Nog niet opgeslagen programmawijzigingen wordt op de als laatste opgeslagen standaardwaarden teruggezet die van de fabrieksinstellingen kunnen afwijken.
P-1: Bedrijfsmodus
U kunt de volgende bedrijfsmodi selecteren:
- Voor de bedrijfsmodus „Automatisch“ selecteert u de „0“.
- Voor de bedrijfsmodus „Alleen koelen“ selecteert u de „1“.
- Voor de bedrijfsmodus „Alleen verwarmen“ selecteert u de „2“.
P-2: Begrenzing voor het hoogste ventilatortoerental
U kunt de bovenste toerentalbegrenzing voor verschillende motoren instellen. De bovenste toerentalbegrenzing voor de ventilatormotor wordt bij geïnstalleerde en lopende installatie ingesteld. Het waardenbereik reikt van 65 tot 95 (willekeurige eenheden).
Stel met de toetsen „Omhoog“ en „Omlaag“ het gewenste toerental in.
- Verhoog de waarde voor een hoger ventilatortoerental.
- Verlaag de waarde voor een lager ventilatortoerental.
P-3: Begrenzing voor het laagste ventilatortoerental
De begrenzing voor het laagste ventilatortoerental bepaalt de toegestane minimale uitvoer voor het laagste ventilatortoerental. Het waardenbereik reikt van 30 tot 64 (willekeurige eenheden).
Stel met de toetsen „Omhoog“ en „Omlaag“ het gewenste toerental voor de onderste begrenzingswaarde in.
- Verhoog de waarde voor een hoger ventilatortoerental.
- Verlaag de waarde voor een lager ventilatortoerental.

INSTRUCTIE
Nadat u de bovenste en onderste begrenzingswaarde voor het ventilato- tortoerental heeft vastgelegd, legt het apparaat automatisch de reste- rende toerentallen vast om drie gelijkmatig verdeelde ventilatorsnelheden voor de ventilatormodi „Automatisch“ en „Hand- matig“ beschikbaar te stellen.
P-4: Tijdsvertraging voor compressorordening met meerdere niveaus
De tijdsvertraging voor compressorordening met meerdere niveaus wordt voor installaties beschikbaar gesteld waarin meer dan een installatie door dezelfde stroombron wordt gevoed. Door vertragingen voor een meervoudige ordening vast te leggen, kunnen de compressors bij een stroomuitval op verschillende tijden starten.
De apparaten moeten met een afstand van 5 s worden gestart. De minimale vertraging bedraagt 5 s en de maximale 135 s.
P-5: Kalibreren van de temperatuursensor
Met deze functie kalibreert u de omgevingssensor.
▶Selecteer P-5.
√De omgevingstemperatuur wordt op het display weergegeven.
▶Stel met de toetsen „Omhoog“ en „Omlaag“ de gewenste waarde in.
√ De temperatuurweergave op het display wordt overeenkomstig de instelling verhoogd of verlaagd.
P-6: Niveau van uitvalbeveiliging
Er zijn vier niveaus van uitvalbeveiliging (zie hoofdstuk „Codes voor uitvalbeveiliging en het verhelpen van storingen“ op pagina 144).
P-7: Onderspanningsuitschakeling
Als u deze functie selecteert, schakelt het apparaat uit, als de spanning tot onder een gevaarlijk laag niveau daalt.
Deze functie is standaard gedeactiveerd, maar kan op een waarde van 175 – 205 worden ingesteld. De functie is vanaf het inschakelen van de installatie actief. Als de installatie loopt, is echter een vertraging van 5 min vereist voordat een fout wordt weergegeven – om misbruik te voorkomen.
De standaardcode is „LAC“ (Low AC).
P-8: Ontdooicyclus
De bootairco is met een ontdooicyclus uitgerust die voorkomt dat zich ijs op de verdamperspoel vormt, als de installatie langdurig koelt. Installatievariabelen zoals de grootte van de beschermroosters, de lengte van de buisleidingen, R-factors van de isolatie en omgevingstemperaturen bepalen de vereiste looptijd bij het koelen om de ingestelde waarde te bereiken. De looptijd kan ook door het gedrag van de klant worden beïnvloed, als de installatie met geopende luiken en deuren wordt bedreven.
De programmering van een onrealistische ingestelde waarde (bijvoorbeeld 18,3 °C/65 °F) en een geopende deur leiden er meestal toe dat de verdamper op warme dagen bij hoge luchtvochtigheid bevriest.
Ontdooien wordt uitgevoerd aan de hand van de algoritme die de ruimtetemperatuur tijdens een koelperiode elke 10 min meet.
De ontdooifunctie beschikt over twee selecteerbare bedrijfsmodi die verschillend functioneren en samen met de in het bedienveld geïntegreerde ruimtetemperatuursensor worden gebruikt. Hierbij wordt geprobeerd om alle temperatuurdiscrepan-ties te compenseren die eventueel op de frontplaatsensor optreden. Hoewel deze discrepantie niet typisch is, kunnen installatievariabelen (bijvoorbeeld waar zich het bedienveld in de ruimte bevindt, nabijheid van een open deur of direct zonlicht) beïnvloeden hoe nauwkeurig de daadwerkelijke ruimtetemperatuur kan worden gemeten.
Bij de standaardinstelling P-8 is „1“ (AAN) wordt het algoritme toegepast in de veronderstelling dat de frontplaatsensor de ruimtetemperatuur met tot 2,8 °C (5 °F) hoger meet dan de daadwerkelijke verdampertemperatuur.
Als voor de programmeerbare parameters P-8 als waarde „2“ wordt vastgelegd, wordt het temperatuurverschil dat voor de meetwaarde van de frontplaatsensor wordt toegepast tot 3,9 °C (7 °F) verhoogd. Deze instelling is geschikt voor extremere installaties. Voor P-8 moet u als waarde alleen „2“ vastleggen, als bij de instelling van „1“ niet kan worden voorkomen dat de verdamper vereist.
Naar keuze kunt u een optionele, alternatieve luchttemperatuursensor installeren (die zich in de luchtuitlaat bevindt) die de effectiviteit van de ontdooifunctie duidelijk verhoogt. Overweeg dit, als de frontplaatsensor de ruimtetemperatuur niet exact kan vastleggen.
P-9: Temperatuurbegrenzing bij hoog water
Selecteer deze functie om het apparaat ui te schakelen, als het waterpeil in de condensatorspoel gevaarlijk hoog wordt.
Deze parameter is standaard gedeactiveerd, maar kan op een waarde tussen 100 en 150 °F worden ingesteld.
De standaardcode is „PLF“.
P-10: Helderheidsbesturing voor het display
De helderheidsinstelling voor het display kan tot een waarde tussen 4 (donker) tot 13 (helder) worden ingesteld.
P-11: Selectie van Fahrenheit of Celsius
De standaardinstelling is „°F“. Selecteer „°C“ voor Celsius. Celsius-waarden worden met een decimaal weergegeven, bijvoorbeeld 22,2.
P-12: Pompcyclus met compressor
Via het programma kan worden vastgelegd of de pomp in continubedrijf of in de cyclus naar behoefte wordt gebruikt.
▶Als u continubedrijf wilt programmeren, leg dan als instelling „On“ vast.
P-13: Automatische ventilatortoerentallen in de bedrijfsmodus „Verwarmen“ omkeren
De automatische ventilatortoerentallen kunnen in de bedrijfsmodus „Verwarmen" worden omgekeerd. Bij benaderen van de ingestelde waarde draait de ventilator met hogere toerental. Als het ventilatortoerental bij koude cabine wordt verlaagd, wordt de waterdruk hoger; dit leidt ertoe dat de toevoerluchttemperatuur wordt verhoogd. Bij het bereiken van de ingestelde waarde wisselt de vervangen naar lagere snelheid en wordt de compressor uitgeschakeld.
Normaal ventilatorbedrif wordt met „nor“ aangegeven.
▶ Om de ventilatortoerentallen bij het verwarmen om te keren, selecteert u „rEF“.
P-14: Ventilatorcycylus met compressor
U kunt de ventilator zodanig programmeren dat deze in ingeschakelde toestand in continubedrijf wordt bedreven of dat hij met de compressor wordt gesynchroniseerd.
De standaardinstelling is „con“ voor ventilator in continubedrijf.
▶ Om het bedrijf van de ventilator met dat van de compressor te koppelen, selecteert u „CYC“.

INSTRUCTIE
Als u de ventilator samen met de optionele, elektrische verwarmings-module gebruikt, draait de ventilator nog 4 min nadat de verwarmings-module werd uitgeschakeld.
P-15: Omgekeerde cyclus of elektrische verwarmingsmodule
▶ Wijzig de standaardparameter niet.
P-16: Selectie van de ventilatormotor

INSTRUCTIE
De hogesnelheidventilator (HV) van het apparaat beschikt over een condensator-ventilatormotor (SC). Deze parameterinstelling is standaard op „SC“ vooringesteld zodat de ventilator met maximale efficiëntie werkt.
Via het programma kan worden vastgelegd of de ventilator met schakelpool-ventilatormotor (SP) wordt gebruikt.
▶Als u de schakelpool-ventilatormotor wilt programmeren, legt u als instelling „SP“ vast.
P-17: Opgeslagen standaardwaarden herstellen
U kunt de opgeslagen standaard-programmaparameter als volgt herstellen:
▶Selecteer „rSt“.
√ Hierdoor worden standaardinstellingen voor de programmeerbare parameters hersteld.
De in hoofdstuk „Tabel van de programmeerbare parameters“ op pagina 132 vermelde standaardparameters kunnen door de handelaar bij de installatie of door de eindgebruiker worden gewijzigd. Nadat de nieuwe standaardwaarden werden ingevoerd en opgeslagen, worden de fabrieksinstellingen overschreven. De oorspronkelijke fabrieksinstellingen voor de programmaparameters kunnen overeenkomstig de tabel handmatig worden hersteld.
P-18, P-19: Gereserveerd voor toekomstige opties
P-20: Filterdrempelwaarde
Deze functie herinnert u eraan dat het luchtfilter moet worden vervangen. De eenheden zijn x10 uur.
Deze parameter is standaard gedeactiveerd. Dit wordt door de instelling „00“ vastgelegd. U kunt echter een waarde tussen 100 en 2500 uur instellen. Nadat de installatie de drempeltijd bereikt, wordt elke 10 s een seconde lang „FIL“ weergegeven.
P-21: Actuele filtertijd
Deze functie wordt gebruikt om de tijdsduur weer te geven die het actuele filter in de installatie al in bedrijf is. De eenheden zijn x10 uur.
▶Om deze parameter terug te zetten, drukt u eenvoudig op de toetsen „Omhoog“ of „Omlaag“.
P-22: Spanningskalibratie
Deze functie toont de gemeten spanning op het display. Door de kalibratie van deze parameter heeft u een exactere spanningsweergave bij de berekening van de lage spanning voor P-7. De waarde toont de actueel gemeten spanning.
Druk op de toetsen „Omhoog“ of „Omlaag“ om de meetwaarde te manipule- ren.
9 O p l o s s i n g
9.1 Algemene oplossing
| Probleem Mogelijke oorzaak Oplossing | ||
| De installatie kan niet worden gestart. | De vermogenschakelaar van de airco is uitgeschakeld. | Schakel de vermogenschakelaar op de console van de boot in. |
| De besturing is niet ingeschakeld. Schakel de besturing in. | ||
| De bekabeling aan de kroonsteen is verkeerd. | Controleer het schakelschema en corri-geer eventueel. | |
| Tijdens de installatie werden de aansluitingen voor de toetsen gescheiden. | Scheid de installatie van de stroomvoorziening en open de schakelkast.Controleer het schakelschema en corri-geer eventueel. | |
| De spanning aan de leidingingang is onvoldoende. | Controleer of de stroombron (land/generator) de juiste spanning beschikbaar stelt.Controleer de grootten en verbindingen van de kabels en aansluitingen.Controleer met een voltmeter of aan het apparaat dezelfde spanning als aan de stroombron voorhanden is. | |
| De ventilator draait niet. | – Lees het desbetreffende gedeelte in hoofdstuk „Verhelpen van fouten – Bedienveld” op pagina 146. | |
| Geen koel- of verwarmingsfunctie. | De ingestelde temperatuurwaarde werd bereikt. | Verlaag of verhoog de ingestelde waarde. |
| De zeewaterstroom is geblok-keerd. | Reinig de zeewaterzeef.Controleer of de Speed-Scoop-rompin-laat geblokkeerd is.Controleer of uit de buitenboord-uitlaat een permanente waterstraal stroomt. | |
| De zeewaterpomp is eventueel door cavitatie geblokkeerd. | Verwijder de slang van de pompuitlaat en laat de lucht uit de leiding. | |
| Koelmiddelgas is uitgetreden. Controleer op de airco of door een lek koelmiddelolie is uitgetreden.Raadpleeg een servicetechnicus. | ||
Probleem Mogelijke oorzaak Oplossing
| Geen koel- of verwarmingsfunctie (voort-zetting). | De zeewatertemperatuur te hoog om te koelen of te laag om te verwarmen. | De zeewatertemperatuur is direct van invloed op de efficiëntie van de airco. Deze airco kan boten effectief bij een maximale watertemperatuur van 32,2 °C (90 °F) koelen en bij een minimale watertemperatuur van tot 4,4 °C (40 °F) verwarmen. |
| De ventilatorspoel is bevoren (bij koelen). | Zie onderstaande. | |
| De ventilator draait niet. Lees het desbetreffende gedeelte in hoofdstuk „Verhelpen van fouten – Bedienveld“ op pagina 146. | ||
| De zeewaterbuisleidingen zijn door cavitatie geblokkeerd. | Controleer of de zeewaterbuisleidingen volgens de richtlijnen uit de installatie-handleiding werden geïnstalleerd. | |
| De bootairco werd voor „Alleen verwarmen“ of „Alleen koelen“ geprogrammeerd, of de mechanische thermostaatregelaar werd te ver richting „koeler“ of „warmer“ gedraaid. | Leg voor P-1 de gewenste waarde vast of stel de mechanische thermostaatregelaar correct in. | |
| De hogedrukschakelaar is geopend (bij koelen), omdat de zeewaterstroom onvoldoende is.Filter of inlaat zijn eventueel verstopt, de zeeklep is eventueel gesloten. | Controleer of de zeewaterslang geknikt of ingedrukt is.Controleer de werking van de pomp.Controleer eventueel de vermogenschakelaar van de pomp. | |
| De hogedrukschakelaar is geopend (bij verwarmen), omdat de luchtstroom onvoldoende is. | Verwijder alle blokkeringen in de luchtuitlaat.Reinig het uitleafilter en het bescherm-rooster.Controleer de buisleidingen op kneuzingen en blokkeringen (de buisleidingen moeten zo recht, effen en stevig als mogelijk worden gemonteerd). | |
| De hogedrukschakelaar is in de bedrijfsmodus „Verwarmen“ geopend. | De installatie schakelt bij hogedruk eventueel, als de zeewatertemperatuur hoger is dan 12,8 °C (55 °F). | |
| Probleem Mogelijke oorzaak Oplossing | ||
| Geen koel- of verwarmingsfunctie (voort-zetting). | De thermische overlastbeveiliging is uit een van bovengenoemde redenen open. | De compressor moet afkoelen.Schakel de installatie uit (bij een thermische overbelasting duurt het eventueel tot drie uur om de beveiliging terug te zetten). |
| Geen koeling Op het bedienveld werd de positie „Koelen“ niet ingesteld. | Stel het bedienveld terug. | |
| De spoel is bevoren. Zie onderstaande. | ||
| Geen verwarming. Op de installatie werd „Alleen koe-len“ ingesteld of als zich de installatie in omkeercyclus bevindt is de omkeerklep eventueel vastge-klemd. | Klop voorzichtig met een rubberhamer op de omkeerklep terwijl de installatie zich in de bedrijfsmodus „Verwarmen“ bevindt.Raadpleeg de service, als het probleem niet kan worden gecorrigeerd. | |
| Lage luchtstroming. | De luchtstroom is geblokkeerd. | Verwijder alle blokkeringen in de uitlaat.Reinig het uitlaatfilter en het bescherm-rooster.Controleer de buisleidingen op kneuzingen en blokkeringen. De buisleidingen moeten recht, effen en stevig worden gemonteerd. |
| De ventilatorspoel is bevoren. Zie onderstaande. | ||
Probleem Mogelijke oorzaak Oplossing
| De ventilatorspoel is bevroren. | De ingestelde waarde van de thermostaat is te laag ingesteld. | Controleer de instelling op het bedienveld.Bij een te extreme instelling voor de voorwaarden verhoogt u de ingestelde waarde tot de installatie wordt uitgeschakeld, zodat de spoel tijd heeft om te ont-dooien. |
| Onvoldoende luchtstroming. Verwijder alle blokkeringen in de luchtuitlaat.Reinig het uitlaatfilter en het bescherm-rooster.Controleer de buisleidingen op kneuzingen en blokkeringen.De buisleidingen moeten zo recht mogelijk worden gemonteerd. Verwijder over-tollige buisleidingen.Informatie over het opnieuw programme-ren vindt u in hoofdstuk „Verhelpen van fouten – Bedienveld” op pagina 146. | ||
| De luchttoevoer wordt te snel geschakeld. | Leid de luchttoevoer om, zodat deze niet in de afvoerluchtstroom blaast.Dicht luchtlekken in de buisleidingen af. | |
| De luchtvochtigheid is te hoog. Sluit luiken en deuren. | ||
| Als niets anders lukt. Schakel de airco in de bedrijfsmodus„Verwarmen“ om het ijs te doen smelten of gebruik hiervoor een föhn. | ||
| De waterspoel is in de bedrijfsmodus „Ver-warmen“ bevroren. | De zeewatertemperatuur is lager dan 4,4 °C (40 °F). | Schakel de installatie uit om beschadig- ging van de condensator te voorkomen.Laat de spoel ontdooien. |
Probleem Mogelijke oorzaak Oplossing
| De installatie loopt continu. | De ingestelde temperatuurwaarde is niet correct ingesteld: te laag om te koelen of te hoog om te verwarmen. | Verhoog of verlaag de ingestelde waarde. |
| Een patrijspoort of luiken zijn geopend. | Sluit alle patrijspoorten en luiken. | |
| De zeewatertemperatuur te hoog om te koelen of te laag om te verwarmen. | De zeewatertemperatuur is direct van invloed op de efficiëntie van de airco. Deze airco kan boten effectief bij een maximale watertemperatuur van 32,2 °C (90 °F) koelen en bij een minimale water-temperatuur van tot 4,4 °C (40 °F) verwarmen (bij geïnstalleerde optie voor de omkeercycylus). | |
| De positie van de luchtsensor is ongunstig gekozen. | Lees het desbetreffende gedeelte in hoofdstuk „Verhelpen van fouten – Bedienveld” op pagina 146. | |
| De compressor werd te snel geschakeld. | Koude luchttoevoer wordt direct naar het beschermrooster van de afvoerlucht geleid. | Leid de luchttoevoer om, zodat deze niet in de afvoerluchtstroom wordt geleid. |
9.2 Codes voor uitvalbeveiliging en het verhelpen van storingen
Als een fout van de bootairco wordt gevonden, wordt een van de volgende korte foutcodes weergegeven:
• „ASF“: Meldt een fout van de luchtsensor.
- „FIL“: Meldt dat het filter moet worden vervangen (onder voorwaarde dat deze parameter werd geactiveerd).
- „HPF“: Meldt een te hoge druk van het -koudemiddel.
- „LAC“: Meldt dat de wisselspanning te laag is (onder voorwaarde dat deze parameter werd geactiveerd).
- „PLF“: Meldt een te hoge watertemperatuur in de verdamperspoel (onder voorwaarde dat deze parameter werd geactiveerd).

INSTRUCTIE
„HPF“ wordt in de bedrijfsmodus „Verwarmen“ niet weergegeven en leidt niet tot een blokkering.
Uitvalbeveiliging niveau 0
Alleen „ASF“ wordt vastgesteld en weergegeven.
De bootairco wordt uitgeschakeld en kan pas weer worden ingeschakeld, als de fout werd gerepareerd.
Na de reparatie van fout wordt de bootairco opnieuw gestart.
Uitvalbeveiliging niveau 1
Alle acties van niveau 0 en alle andere fouten worden herkend maar niet weergegeven.
De installatie wordt 2 min of tot de fout is verholpen uitgeschakeld, afhankelijk van wat langer duurt.
De installatie wordt opnieuw gestart, nadat de fout werd verholpen.
Uitvalbeveiliging niveau 2
Alle acties van niveau 0 en 1. Fouten worden weergegeven.
De installatie wordt 2 min of tot de fout is verholpen uitgeschakeld, afhankelijk van wat langer duurt.
Uitvalbeveiliging niveau 3
Alle actie van niveau 0, 1 en 2.
De installatie wordt 2 min of tot de fout is verholpen uitgeschakeld, afhankelijk van wat langer duurt.
Na vier achtereenvolgende fouten van het type „HPF“ en „LPF“ wordt de installatie geblokkeerd.
Zo maakt u een blokkering ongedaan:
Druk een keer op de toets „Power“ om de bedrijfsmodus „Uit“ te deactiveren.
▶Als u de „Power” opnieuw af te drukken, wordt de bedrijfsmodus „Aan” geactiveerd.
9.3 Verhelpen van fouten – Bedienveld
| Probleem Mogelijke oorzaak Oplossing | ||
| Het bedienveld wordt niet verlicht. | De stekkers van de 8-polige display-kabels hebben geen contact (de stekkers zijn ontkoppeld, vervuild, verbogen of stiften zijn afgebroken). | Schakel de installatie met de vermogenschakelaar uit.Trek de stekker eruit en controleer deze.Als u een beschadiging vaststelt, vervang dan de stekker of de gehele displaykabel. |
| De ventilator draait niet, of niet continu. | Bij de programmering van de boot-airco werd ofwel ventilatorcycylus met compressor of ventilator in conti-nubedrijf vastgelegd. | Programmeer parameter P-14 opnieuw.Aanwijzing: Als de compressor wordt uitgeschakeld, draait de ventilator onafhankelijk van de parameterinstelling in de bedrijfsmodus „Alleen koelen“ 2 min lang en in de bedrijfsmodus „Alleen verwarmen“ 4 min lang verder. |
| De ventilator draait niet, hoewel de compressor loopt. | De triac op de geleideplaat van het bedienveld is uitgevallen. | Verstuur de geleideplaat voor repa-ratie, of raadpleeg een lokale ser-vicetechnicus. |
| De ventilator draait in continubedrijf, hoewel de ventilatorcycylus met compressor is ingesteld. | De triac op de geleideplaat van het bedienveld is uitgevallen. | Verstuur de geleideplaat voor repa-ratie, of raadpleeg een lokale ser-vicetechnicus. |
| Geen koel- of verwarmingsfunctie. | De bootairco werd voor „Alleen verwarmen“ of „Alleen koelen“ geprogrammeerd. | Programmeer parameter P-1 opnieuw. |
| „HPF“ of „LPF“ wordt weergegeven. Zie onderstaande. | ||
| Geen verwarmingsfunctie. | De bootairco werd eventueel voor „Elektrische verwarmingsmodule“, niet „Omkeercycylus“ ingesteld. | Programmeer parameter P-15 opnieuw. |
| De installatie schakelt in de bedrijfsmodus „Koelen“ naar verwarmen. | Als de spoel bevoren is, werd de ontdooifunctie geactiveerd. | Programmeer parameter P-8 opnieuw. |
Probleem Mogelijke oorzaak Oplossing
| De ventilatorspoel is bevroren. | Onvoldoende luchtstroming. Lees het desbetreffende gedeelte in hoofdstuk „Algemene oplossing“ op pagina 140, alvorens de bootairco opnieuw te programmeren.Programmeer parameters P-8 opnieuw om het ontdooien te active-ren.Als de ontdooicyclus het ijs niet doet dooien, de airco in de bedrijfsmodus „Verwarmen“ schakelen tot het ijs smelt of hiervoor een föhn gebruiken.Als het probleem blijft bestaan, pro-grammeer dan de parameter dan voor de „Begrenzing voor het laag-ste ventilatortoerental“ en leg hierbij de maximale waarde vast: leg voor P-3 „64“ vast. | |
| De installatie loopt con-tinu. | De positie van de luchtsensor is ongunstig gekozen. | Controleer de positie van de display-kop.Monteer eventueel de alternatieve luchtsensor. |
| De ingestelde waarde is onrealis-tisch. | Pas de ingestelde waarde aan tot de installatie wordt uitgeschakeld. | |
| „ASF“ (luchtsensorfout) wordt weergegeven. | Meldt dat de luchtsensor in de front-plaat de alternatieve luchtsensor of de displaykabel is uitgevallen. | Trek de kabel van de alternatieve luchtsensor eruit, als deze geïnstal-leerd is of verbind de kabel van de alternatieve luchtsensor, als deze niet geïnstalleerd is.Probeer een andere displaykabel. |
| Steker/bus in de displaykop of op de geleideplaat zijn beschadigd. | Voer een visuele controle uit en stel vast of pennen in de bus zijn verbo-gen of verroest.Repareer het display of de geleide-plaat of voer eventueel een vervan-ging uit. | |
| „FIL“ (filtervervanging) knippert. | Het filter moet worden vervangen. Vervang het filter.Zet P-21 op „00“ terug. | |
Probleem Mogelijke oorzaak Oplossing
| „HPF” (hoge koudemiddeldruk) wordt weergegeven. | De hogedrukschakelaar is geopend (bij koelen), omdat de zeewaterstroom onvoldoende is.Filter of inlaat zijn eventueel verstopt, de zeeklep is eventueel gesloten. | Controleer of de zeewaterslang geknikt of ingedrukt is.Controleer de werking van de pomp.Controleer eventueel de vermogenschakelaar van de pomp. |
| De hogedrukschakelaar is geopend (bij verwarmen), omdat de luchtstroom onvoldoende is. | Verwijder alle blokkeringen van de luchtuitlaat.Reinig het uitlaatfilter en het beschermrooster.Controleer de buisleidingen op kneuzingen en blokkeringen (de buisleidingen moeten zo recht, effen en stevig als mogelijk worden gemonteerd).Als het probleem nog steeds bestaat,-Programmeer dan de parameter dan voor de „Begrenzing voor het laagste ventilatortoerental” en leg hierbij de maximale waarde vast:leg voor P-3 „64” vast.-Leg voor de parameter voor de omgekeerde ventilatorsnelheden P-13 als waarde „rEF” vast of stel handmatig de hoge ventilatorsnelheid in. | |
| „LAC” (lage wisselspanning) wordt weergegeven. | De voedingsspanning is te laag. Controleer de energievoorziening voor de installatie met een multimeter. | |
| De spanning is onvoldoende gekali-breerd. | Controleer met een multimeter of P-22 ,et de spanningswaarde van de installatie overeenkomt. | |
Probleem Mogelijke oorzaak Oplossing
| „PLF” (laag pompdebiet) wordt weergegeven. | De condensatorspoel is te heet geworden. | Controleer of water het apparaat instroomt, en of de condensator bedekt is met algen of afzettingen. |
| De thermistor is beschadigd. Maak de kabel van de watersensor los, indien deze geïnstalleerd is.Sluit een andere aan, indien mogelijk. | ||
| Bus/stekker op de geleideplaat is beschadigd. | Voer een visuele controle uit en stel vast of pennen in de bus zijn verbogen of verroest.Repareer de geleideplaat of vervang deze eventueel. | |
10 Onderhoud
10.1 Omkeerklep
De omkeerklep moet regelmatig onder spanning worden gezet zodat de interne bouwdelen vrij kunnen bewegen.
▶ Schakel een keer per maand de airco enkele seconden in en activeer de bedrijfsmodus „Verwarmen“.
10.2 Zeewaterzeeffilter
▶ Controleer of de zeewatertoevoer naar de pomp voldoende is door de filterkorf regelmatig te reinigen.
▶Controleer regelmatig of uit de buitenboord-uitlaat een permanente waterstraal stroomt.
▶ Controleer of de Speed-Scoop van de zeewaterinlaat niet geblokkeerd is.
▶ Controleer of de slangen niet zijn in elkaar verwikkeld zijn, niet geknikt of ingedrukt zijn.
10.3 Reiniging van de condensatorspoel

WAARSCHUWING!
- Een overmatige, langdurige reiniging van de condensatorspoel met zuurhoudende reinigingsmiddelen verkort de levensduur van de condensator. Door een onvakkundige reiniging vervalt de garantie. Een geautoriseerde vakhandelaar moet voor een reiniging van de condensatorspoel de stroomsterkte-, druk-, temperatuur- en debietwaarden exact documenteren om te controleren wanneer een reiniging nodig is.
- Gebruik geen zoutzuur (waterstofchloride), bleekmiddel of broom. Verhoog niet het debiet, bijvoorbeeld door het blokkeren van condensatoren om een grotere waterhoeveelheid door de andere te laten stromen.
- Bij onvakkundig gebruik kan chloor zeer corrosief reageren. Dometic wijst erop dat de gebruiker bij gebruik van chloorhoudende reinigingsoplossing het risico voor de installatie moet accepteren en de gevaren bij de hantering van corrosieve chemicaliën volledig moet hebben begrepen. Bij overmatig of onvakkundig gebruik kan de installatie worden beschadigd.

INSTRUCTIE
Om het milieu te beschermen moet u alle gecontamineerde oplossingen overeenkomstig de wettelijke regelingen en bepalingen afvoeren.
De reiniging van de condensatorspoel is geen standaardonderhoud en moet alleen worden uitgevoerd, als de zeewaterpomp de volgende eigenschappen heeft: Gedurende een periode van weken of maanden stijgen geleidelijk, vanwege vervuilde condensatorspoelen, de druk en de stroomsterkte terwijl het vermogen daalt.
▶Schakel de installatie van de vermogenschakelaar op de console op de boot.
▶ Scheid de ingangs- en uitgangsverbindingen naar de condensatorspoel.

WAARSCHUWING!
Dometic garandeert geen effectiviteit van reinigingsoplossingen van andere fabrikanten.
Gebruik geen zoutzuur (waterstofchloride), bleekmiddel of broom. De chemicaliën zijn corrosief en kunnen de condensatorspoel beschadigen. Neem de gebruiksaanwijzing in acht en houd de aangegeven concentratie en gebruiksduur aan.
Gebruik chemicaliebestendige slangen (MAS wit PVC 5/8"/16 mm binnendoorsnede, etc.) om de inlaat van de condensatorspoel met de uitlaat van een chemicaliebestendige dompelpomp (MAS P-500 pomp etc.) te verbinden, en laat de slang die met de spoeluitlaat is verbonden, vrij in de container drijven.
Gebruik voor de oplossing een zo groot mogelijk container (19 - 95 l).
▶ Schakel de pomp in en laat de reinigingsoplossing afhankelijk van de grootte van de spoelen en de afmeting van de vervuilingen 15 – 45 min door de condensatorspoel circuleren.
Middels een visuele controle van de oplossing in de container herkent u wanneer de verwijdering van de vervuiling voltooid is.
▶ Spoel de spoel met schoon water om eventueel voorhandene zuurresten uit de installatie te verwijderen.
▶ Start de installatie opnieuw.
▶Controleer de bedrijfsparameters om te garanderen dat de reiniging grondig werd uitgevoerd.
Bij extreme vervuiling is eventueel nog een reiniging vereist.
10.4 Afvoerluchtfilter
▶Controleer maandelijks het afvoerluchtfilter en reinig indien nodig.
▶Zo reinigt u het filter:
- Verwijder het filter uit het afvoerlucht-beschermrooster.
- Spoel deze met water.
- Laat het filter in de lucht drogen en
- monteer het weer.
Als een afvoerluchtrooster deel uitmaakt van de installatie, moet u het op de ver-damper gemonteerde filter verwijderen.
Twee filters zijn niet beter dan één, omdat de gereduceerde luchtstroming het vermogen vermindert en eventueel de verdamperspoel doet bevriezen.
10.5 Winterbestendig maken

INSTRUCTIE
Verzamel alle wegstromende vloeistoffen en recycle deze of voer ze op correcte wijze af.
Kies de optimaalste methode. Bij de volgende vier methoden wordt bij de eerste twee een voor het milieu niet-schadelijke, biologisch afbreekbare 50/50-oplossing van antivries en water gebruikt:
- Pomp de antivriesoplossing in de buitenboord-rompaansluiting en leid de oplossing door de inlaat-rompaansluiting wegstromen tot al het water is uitgespoeld en de oplossing niet meer verdund verschijnt.
- Gebruik de zeewaterpomp om de antivriesoplossing door de installatie te pompen. Laat de oplossing door de buitenboord-rompaansluiting wegstromen tot al het water is weggespoeld en de oplossing niet meer verdund verschijnt:
- Sluit de zeeklep.
- Verwijder de slang van de filteruitlaat.
– Til de slang over de pomp heen (zodat de pomp de aanzuigdruk niet verliest).
– Vul de antivriesoplossing bij.
– Pomp de oplossing door de installatie. - Ontwater het filter en de slang naar de zeeklep.
- Leid perslucht naar binnen door de buitenboord-uitlaataansluiting. Het water wordt via de zeewater-inlaataansluiting geleid.
- Door de perslucht wordt het water van de uitlaat door de buitenboord-uitlaat naar buiten geleid.
De methode die antivriesoplossing omlaag laat stromen moet als methode worden gekozen. Hierbij vervangt de antivriesoplossing alle waterresten en voorkomt dat in deze delen ijs kan worden gevormd.
Omdat de zeewaterpomp een magnetisch aangedreven schoepenrad gebruikt, voert u bovendien het volgende uit:
- Verwijder het schoepenrad van de nattebouwgroep.
• Reinig het schoepenrad met een alcoholoplossing. - Bewaar het schoepenrad tot ingebruikname op een droge en koele plaats.
11 Garantie
De wettelijke garantieperiode is van toepassing. Indien het product defect is, dient u contact op te nemen met een servicepartner in uw land (zie achterzijde van de gebruiksaanwijzing voor adressen).
Onze specialisten helpen u graag verder en bespreken het verdere verloop van de garantie met u.
12 Afvoer
▶Laat het verpakkingsmateriaal indien mogelijk recyclen.

Als u het product definitief buiten bedrijf stelt, informeer dan bij het dichtstbijzijnde recyclingcentrum of uw speciaalzaak naar de betreffende afvoervoorschriften.
13.1 Legendagegevens
| Bootairco MCS T6 | Bootairco MCS T12 | Bootairco MCS T16 | |
| Koelvermogen: 6000 BTU/h1758 W | 12000 BTU/h3517 W | 16000 BTU/h4689 W | |
| Ingangsspanning: 230 V 230 V 230 V | |||
| Stroomverbruik Koeling: 3,7 A 4,3 A 5,5 A | |||
| Verwarmen: 4,7 A 5,3 A 6,9 A | |||
| Koelmiddel: R-410A | R-410A | R-410A | |
| Koelmiddelhoe-veelheid: | 8,5 oz/241 g | 10,5 oz/298 g | 12,5 oz/354 g |
| CO2-equivalent: | 0,503 t | 0,622 t | 0,739 t |
| Aardopwarmings-vermogen (GWP): | 2088 2088 2088 | ||
| Afmetingen(b x h x d):Installatie:Bedienveld:Paneeluitsneding: | 448 x 282 x 272 mm81 x 64 x 24 mm64 x 48 mm | 519 x 318 x 315 mm81 x 64 x 24 mm64 x 48 mm | 544 x 341 x 338 mm81 x 64 x 24 mm64 x 48 mm |
Bevat gefluoreerde broeikasgassen
Hermetisch afgesloten apparatuur
13.2 Specificaties van de installatiebesturing
| Ingestelde waarde-bedrijfsbereik: | 18,3 °C tot 29,4 °C (65 °F tot 85 °F) |
| Weergegeven bedrijfsbereik van de omgevings-temperatuur: | -15 °C tot 65,6 °C (5 °F tot 150 °F) |
| Sensornauwkeurigheid: | ±1,1 °C bij 25 °C (±2 °F bij 77 °F) |
| Laagspanningsgrens voor installatie met 230 V: | 175 V~ |
| Laagspanning-processor terugzetten: 50 V~ | |
| Leidingspanning: 230 V~ | |
| Frequentie: 50 Hz | |
| Ventilator-uitgangsvermogen (max.): | 6 A bij 230 V~ |
| Klep-uitgangsvermogen: 0,25 A bij 230 V~ | |
| Verwarming-uitgangsvermogen (max.): 20 A bij 230 V~ | |
| Pomp-uitgangsvermogen: 1/2 HP bij 230 V~ | |
| Compressor-uitgangsvermogen: 2 HP bij 230 V~ | |
| Minimale bedrijfstemperatuur: | -17,8 °C (0 °F) |
| Maximale omgeving-bedrijfstemperatuur: | 82,2 °C (180 °F) |
| Maximale Rh-voorwaarden: | 99 % zonder condenswatervorming |
| Stroomopname display: | < 5 W |
13.3 Installatie-ingangen
| Omgevingstemperatuur of ruimtetemperatuur: | 1 |
| Drukschakelaar High Pressure Switch, HPF: | 1 |
| Drukschakelaar Low Pressure Switch, LPF (bij MCS niet gebruikt): | 1 |
| Alternatieve omgevingstemperatuur-sensor voor binnenruimtes: | 1 |
| Omgevingstemperatuur-sensor voor de buiten-lucht (optioneel): | 1 |