EWWQ162KBW1N - Airconditioner DAIKIN - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis EWWQ162KBW1N DAIKIN in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over EWWQ162KBW1N DAIKIN
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Airconditioner in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding EWWQ162KBW1N - DAIKIN en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. EWWQ162KBW1N van het merk DAIKIN.
GEBRUIKSAANWIJZING EWWQ162KBW1N DAIKIN
Watergekoelde ijswaterkoelgroepen
Functie van de hoofdonderdelen.... 3
Beveiligingen....3
Interne bedrading – tabel met onderdelen.... 4
Voor het opstarten.... 5
Controle voor het opstarten.... 5
Watertoevoer 5
Algemene aanbevelingen 5
Werking 5
Digitale besturing....5
Bediening van de units 6
Geavanceerde eigenschappen van de digitale besturing.... 9
BMS-aansluiting Modbus 12
Algemene beschrijving van Modbus.... 12
Geïmplementeerde storingscode 13
Definiëren van de BMS-instelling.... 13
Variabelendatabase 13
Storingsopsporing 13
Onderhoud 15
Belangrijke informatie over het gebruikte koelmiddel 15
Wat te doen bij onderhoud.... 15
Vereisten voor het opruimen 15
Menu-overzicht.... 16

LEES AANDACHTIG DEZE HANDLEIDING VOORALEER DE UNIT OP TE STARTEN. GOOI DEZE HANDLEIDING NIET WEG. MAAR BEWAAR DEZE IN UW ARCHIEF VOOR LATERE RAADPLEGING. Lees eerst het hoofdstuk "Werking" op pagina 5 vooraleer de parameters te wijzigen.
De Engelse tekst is de oorspronkelijke versie. Andere talen zijn vertalingen van de oorspronkelijke instructies.
Dit apparaat is niet bedoeld voor gebruik door personen, inclusief kinderen, met verminderde fysieke, zintuiglijke of mentale mogelijkheden, of met een gebrek aan ervaring en kennis, tenzij zijn onderricht zijn in het gebruik van het apparaat door een persoon die verantwoordelijk is voor hun veiligheid.
Zie erop toe dat kinderen niet met het apparaat spelen.
INLEIDING
Deze gebruiksaanwijzing heeft betrekking op Daikin EWWQ-KB watergekoelde ijswaterkoelgroepen. Deze units zijn voorzien voor binnenmontage en om te koelen en/of verwarmen. Voor airconditioningdoeleinden kunt u de units combineren met Daikin ventilatorconvectoren of luchtbehandelingsunits. Ze zijn ook geschikt voor de watertoevoer bij industriële koeling.
Deze handleiding is samengesteld om een juiste werking en onderhoud van de unit te verzekeren. U vindt er informatie in over het optimaal gebruik van de unit en over de procedure bij eventuele problemen. Deze unit is uitgerust met beveiligingen maar deze zullen niet noodzakelijk alle problemen als gevolg van verkeerd gebruik of slecht onderhoud voorkomen.
Raadpleeg uw Daikin-verdeler indien u het probleem niet zelf kunt oplossen.

Vooraleer u de unit voor het eerst opstart moet u er zeker van zijn dat deze correct is gemonteerd. Daarom is het noodzakelijk om eerst de montagehandleiding zorgvuldig door te nemen die is meegeleverd met de unit, evenals de aanbevelingen opgesomd onder het punt "Controle voor het opstarten".
Technische specificaties ^(1)
| Algemeen EWWQ 014 025 033 | ||
| Afmetingen HxBxD | (mm) | 600x600x600 |
| Machinegewicht | (kg) | 120 170 175 |
| Aansluitingen | ||
| • w a t erinlaat G 1 | ||
| • w a t eruitlaat G 1 | ||
| Algemeen EWWQ | 049 | 064 | |
| Afmetingen HxBxD | (mm) | 600x600x1200 | |
| Machinegewicht | (kg) | 310 | 340 |
| Aansluitingen | |||
| • w a t erinlaat | G 1-1/2 | ||
| • w a t eruitlaat | G 1-1/2 | ||
| Compressor | 014 025 033 | |||
| Type | JT140L-P8Y1 | JT236DJ-Y1 | JT315DJ-Y1 | |
| Snelheid | (rpm) | 2900 | ||
| Olietype | FVC68D | |||
| Olievulling | (l) | 1,5 | 3,0 | 3,0 |
| Koelmiddeltype | R410A | |||
| Koelmiddelvulling | (kg) | 1,2 | 2,1 | 3,1 |
| Verdamper | 014 025 033 | |||
| Type | warmtewisselaar met hardgesoldeerde platen | |||
| Min. watervolume | (l) | 62 | 103 155 | |
| Waterhoeveelheid | (l/min) | 31~75 | 53~123 | 76~186 |
| Condensor | 014 025 033 | |||
| Type | warmtewisselaar met hardgesoldeerde platen | |||
| Waterhoeveelheid | (l/min) | 24~95 | 39~157 | 59~237 |
| Compressor | 049 | 064 | |
| Type | 2xJT236DJ-Y1 | 2xJT315DJ-Y1 | |
| Snelheid | (rpm) | 2900 | |
| Olietype | FVC68D | ||
| Olievulling | (i) | 2x 3,0 | 2x 3,0 |
| Koelmiddeltype | R410A | ||
| Koelmiddelvulling | (kg) | 4,6 | 5,6 |
| Verdamper | 049 | 064 | |
| Type | warmtewisselaar met hardgesoldeerde platen | ||
| Min. watervolume | (i) | 205 | 311 |
| Waterhoeveelheid | (l/min) | 101~247 | 152~373 |
| Condensor | 049 | 064 | |
| Type | warmtewisselaar met hardgesoldeerde platen | ||
| Waterhoeveelheid | (l/min) | 79~314 | 118~474 |
Elektrische specificaties ^(1)
Type EWWQ 014 025 033
| Voeding | ||||
| • Fase 3N~ | ||||
| • Frequentie | (Hz) | 50 | ||
| • Spanning | (V) | 400 | ||
| • Spanningsafwijking | (%) | ±10 | ||
| • Aanbevolen zekeringen | (aM) | 16 gG | 25 gG | 25 gG |
| Compressor | ||||
| • Fase 3~ | ||||
| • Frequentie | (Hz) | 50 | ||
| • Spanning | (V) | 400 | ||
| • Nominaal opgenomen amperage | (A) | 6,5 10,5 15,0 | ||
| Besturing | ||||
| • Fase 1~ | ||||
| • Frequentie | (Hz) | 50 | ||
| • Spanning | (V) | 230 | ||
| • Aanbevolen zekeringen | (aM) | geïnstalleerd in de fabriek | ||
| Type EWWQ 049 064 | |||
| Voeding | |||
| • Fase | 3N~ | ||
| • Frequentie (Hz) | 50 | ||
| • Spanning (V) | 400 | ||
| • Spanningsafwijking (%) | ±10 | ||
| • Aanbevolen zekeringen (aM) | 40 gG | 50 gG | |
| Compressor | |||
| • Fase | 3~ | ||
| • Frequentie (Hz) | 50 | ||
| • Spanning (V) | 400 | ||
| • Nominaal opgenomen amperage (A) | 10,5 | 15,0 | |
| Besturing | |||
| • Fase | 1~ | ||
| • Frequentie (Hz) | 50 | ||
| • Spanning (V) | 230 | ||
| • Aanbevolen zekeringen (aM) | geinstalleerd in de fabriek | ||
BESCHRIJVING
De luchtgekoelde EWWQ-waterkoelers zijn verkrijgbaar in 5 standaardgrootten met een nominale koelcapaciteit van 13 tot 64 kW.

text_image
14 15 16 17 18EWWQ014\~033KB

text_image
1 2 3 4
text_image
500 500 500
text_image
9 12 19 11 13
text_image
7 5 8 6 10EWWQ049\~064KB

text_image
2 3 1 1 4 500 500 500
text_image
9 12 11 19 14
text_image
5 7 6 10 8Afbeelding – Hoofdcomponenten
1 Compressor
2 Verdamper
3 Condensor
4 Schakelkast
5 Koelwater in
6 Koelwater uit
7 Condensorwater uit
8 Condensorwater in
9 Temperatuursensor voor inlaatwater aan verdamper
10 Bevriezingssensor
11 Temperatuursensor voor waterinlaat aan condensor
12 Besturing met digitaal scherm
13 Voedingsinlaat
14 Kogelklep (ter plaatse gemonteerd)
15 Waterfilter (ter plaatse gemonteerd)
16 Ontluchtingsklep (ter plaatse gemonteerd)
17 T-stuk voor ontluchting (ter plaatse gemonteerd)
18 Debietschakelaar (met T-stuk) (ter plaatse gemonteerd)
19 Hoofdschakelaar
Ruimte vereist rond de unit voor service
Functie van de hoofdonderdelen
EWWQ014\~033KB

flowchart
graph TD
A["6"] --> B["9"]
B --> C["11"]
C --> D["10"]
D --> E["5"]
E --> F["1"]
F --> G["2"]
G --> H["11"]
H --> I["9"]
I --> J["7"]
J --> K["8"]
K --> L["4"]
L --> M["3"]
M --> N["10"]
N --> O["9"]
O --> P["6"]
Q["RST"] --> R["4"]
S["S4LP"] --> T["1"]
U["M*C"] --> V["HP"]
W["S1HP"] --> X["HP"]
Y["RST"] --> Z["4"]
AA["X"] --> AB["3"]
AC["X"] --> AD["4"]
EWWQ049\~064KB

flowchart
graph TD
A["Input Line"] --> B["Valve 1"]
B --> C["Valve 2"]
C --> D["Valve 3"]
D --> E["Valve 4"]
E --> F["Valve 5"]
F --> G["Valve 6"]
G --> H["Valve 7"]
H --> I["Valve 8"]
I --> J["Valve 9"]
J --> K["Valve 10"]
K --> L["Valve 11"]
L --> M["Valve 12"]
M --> N["Valve 13"]
N --> O["Valve 14"]
O --> P["Valve 15"]
P --> Q["Valve 16"]
Q --> R["Valve 17"]
R --> S["Valve 18"]
S --> T["Valve 19"]
T --> U["Valve 20"]
U --> V["Valve 21"]
V --> W["Valve 22"]
W --> X["Valve 23"]
X --> Y["Valve 24"]
Y --> Z["Valve 25"]
Z --> AA["Valve 26"]
AA --> AB["Valve 27"]
AB --> AC["Valve 28"]
AC --> AD["Valve 29"]
AD --> AE["Valve 30"]
AE --> AF["Valve 31"]
AF --> AG["Valve 32"]
AG --> AH["Valve 33"]
AH --> AI["Valve 34"]
AI --> AJ["Valve 35"]
AJ --> AK["Valve 36"]
AK --> AL["Valve 37"]
AL --> AM["Valve 38"]
AM --> AN["Valve 39"]
AN --> AO["Valve 40"]
AO --> AP["Valve 41"]
AP --> AQ["Valve 42"]
AQ --> AR["Valve 43"]
AR --> AS["Valve 44"]
AS --> AT["Valve 45"]
AT --> AU["Valve 46"]
AU --> AV["Valve 47"]
AV --> AW["Valve 48"]
AW --> AX["Valve 49"]
AX --> AY["Valve 50"]
AY --> AZ["Valve 51"]
AZ --> BA["Valve 52"]
BA --> BB["Valve 53"]
BB --> BC["Valve 54"]
BC --> BD["Valve 55"]
BD --> BE["Valve 56"]
BE --> BF["Valve 57"]
BF --> BG["Valve 58"]
BG --> BH["Valve 59"]
BH --> BI["Valve 60"]
BI --> BJ["Valve 61"]
BJ --> BK["Valve 62"]
BK --> BL["Valve 63"]
BL --> BM["Valve 64"]
BM --> BN["Valve 65"]
BN --> BO["Valve 66"]
BO --> BP["Valve 67"]
BP --> BQ["Valve 68"]
BQ --> BR["Valve 69"]
BR --> BS["Valve 70"]
BS --> BT["Valve 71"]
BT --> BU["Valve 72"]
BU --> BV["Valve 73"]
BV --> BW["Valve 74"]
BW --> BX["Valve 75"]
BX --> BY["Valve 76"]
BY --> BZ["Valve 77"]
BZ --> CA["Valve 78"]
CA --> CB["Valve 79"]
CB --> CC["Valve 80"]
CC --> CD["Valve 81"]
CD --> CE["Valve 82"]
CE --> CF["Valve 83"]
CF --> CG["Valve 84"]
CG --> CH["Valve 85"]
CH --> CI["Valve 86"]
CI --> CJ["Valve 87"]
CJ --> CK["Valve 88"]
CK --> CL["Valve 89"]
CL --> CM["Valve 90"]
CM --> CN["Valve 91"]
CN --> CO["Valve 92"]
CO --> CP["Valve 93"]
CP --> CQ["Valve 94"]
CQ --> CR["Valve 95"]
CR --> CS["Valve 96"]
CS --> CT["Valve 97"]
CT --> CU["Valve 98"]
CU --> CV["Valve 99"]
Afbeelding – Functioneel schema
1 Compressor 7 Wateruitlaat
2 Condensor
3 Filter
4 Expansieklep
5 Verdamper
6 Waterinlaat Lokale leiding
Naarmate het koelmiddel door de unit circuleert treden er wijzigingen op in de toestand of conditie. Deze wijzigingen worden veroorzaakt door de volgende hoofdonderdelen:
■ Compressor
De compressor (M*C) werkt als een pomp en doet het koelmiddel circuleren in het koelmiddelcircuit. Het comprimeert het koelmiddelgas dat uit de verdamper komt tegen een drukniveau dat de verdichting in de condensor goed mogelijk maakt.
■ Condensor
De condensor zet het koelmiddel om van een gas in een vloeistof. De warmte verkregen door het gas in de verdamper wordt door de condensor uitgeblazen en de damp condenseert tot vloeistof.
■ Filter
De filter achter de condensor verwijdert kleine partikels uit het koelmiddel om blokkade van de slangen te voorkomen.
■ Expansieklep
De vloeistof komende uit de condensor komt terecht in de verdamper via een expansieklep. Deze expansieklep brengt het vloeibare koelmiddel op een drukniveau waarbij het gemakkelijk verdampt in de verdamper.
■ Verdamper
De verdamper moet voornamelijk warmte onttrekken uit het water dat erdoor vloeit. Dit is mogelijk door het vloeibare koelmiddel, dat uit de condensor komt, om te zetten in een gas.
■ Aansluitingen van waterinlaat/-uitlaat
De aansluitingen van de waterinlaat en -uitlaat maken een eenvoudige aansluiting mogelijk van de unit op het watercircuit van de luchtbehandelingsunit of de industriële uitrusting.
8 Debietschakelaar (bij de unit geleverd, ter plaatse gemonteerd)
9 Kogelklep (bij de unit geleverd, ter plaatse gemonteerd)
10 Waterfilter (bij de unit geleverd, ter plaatse gemonteerd)
11 Ontluchtingsklep (bij de unit geleverd, ter plaatse gemonteerd)

Beveiligingen
De unit is uitgerust met Algemene beveiligingen: schakelen alle circuits en de hele unit uit.
■ I/O-pcb (A2P) (input/output)
De I/O-printkaart (A2P) bevat een fasebeveiliging. De fasebeveiliging detecteert of de 3 fasen van de voeding correct zijn aangesloten. Als een fase niet is aangesloten of als 2 fasen omgekeerd zijn, kan de unit niet opstarten.
■ Overstroomrelais
De overstroomrelais (K*S) bevindt zich in de schakelkast van de unit en beveiligt de compressormotor in geval van overbelasting, fasestoring of te lage spanning. De instelling van de relais gebeurt in de fabriek en mag niet worden gewijzigd. Als het relais is geactiveerd moet het worden teruggesteld in de schakelkast, waarna ook de besturing manueel dient te worden teruggesteld.
■ Hogedrukschakelaar
De hogedrukschakelaar (S*HP) is gemonteerd op de uitlaatleiding van de unit en meet de condensordruk (druk aan de compressoruitlaat). Als de druk te hoog wordt treedt de drukschakelaar in werking en wordt het circuit stopgezet. Als de drukschakelaar in werking treedt wordt hij automatisch teruggesteld. De besturing daarentegen moet manueel worden teruggesteld.
■ Lagedrukschakelaar
De lagedrukschakelaar (S*LP) is gemonteerd op de aanzuigleiding van de unit en meet de verdamperdruk (druk aan de compressorinlaat). Als de druk te laag wordt, treedt de drukschakelaar in werking en wordt het circuit stopgezet.
Als de drukschakelaar in werking treedt wordt hij automatisch teruggesteld. De besturing daarentegen moet manueel worden teruggesteld.
■ Thermische beveiliging van de uitlaat
De thermische beveiliging van de uitlaat (Q*D) treedt in werking als de temperatuur van het koelmiddel dat de compressor verlaat te hoog wordt. Als de temperatuur weer normaal wordt zal de beveiliging automatisch worden teruggesteld. De besturing daarentegen moet manueel worden teruggesteld.
■ Bevriezingssensor
De temperatuursensor van de wateruitlaat (R4T) meet de watertemperatuur aan de uitlaat van de waterwarmtewisselaar. De beveiliging sluit het circuit af als de koelwatertemperatuur te laag wordt om te voorkomen dat het water tijdens de werking bevriest.
Als de watertemperatuur aan de uitlaat weer normaal wordt, wordt de beveiliging automatisch teruggesteld. De besturing daarentegen moet manueel worden teruggesteld.
■ Zekering voor besturingscircuit (F1U)
De zekering voor het besturingscircuit beschermt de kabels van het besturingscircuit en de onderdelen van de besturing in het geval van een kortsluiting.
■ Zekering voor besturingscircuit (F4)
De zekering van het besturingscircuit beschermt de kabels van het besturingscircuit bij een kortsluiting.
■ Zekering voor digitale besturing (F3U)
De zekering beschermt de kabels van de digitale besturing en de digitale besturing in het geval van een kortsluiting.
■ Debietschakelaar (bij de unit geleverd, ter plaatse gemonteerd)
De debietschakelaar meet de stroming in het watercircuit. Als de stroming de minimaal toegelaten waterstroming niet bereikt, wordt de unit uitgeschakeld.
■ Kogelklep (bij de unit geleverd, ter plaatse gemonteerd)
Voor en na het waterfilter is een kogelklep voorzien zodat het filter kan worden gereinigd zonder het watercircuit af te laten.
■ Waterfilter (bij de unit geleverd, ter plaatse gemonteerd)
Het filter vóór de pomp filtert verontreinigingen uit het water om schade aan de pomp of verstopping van de verdamper of condensor te voorkomen. Maak het waterfilter op regelmatige tijdstippen schoon.
■ Ontluchtingsklep (bij de unit geleverd, ter plaatse gemonteerd)
De resterende lucht in het koelerwatersysteem wordt automatisch verwijderd via de ontluchtingsklep.
Interne bedrading – tabel met onderdelen
Raadpleeg het intern elektrisch schema dat met de unit is meegeleverd. De gebruikte afkortingen hebben de volgende betekenis:
A1P.... PCB: printkaart van besturing
A2P.... PCB: I/O-printkaart (input/output)
A3P....** .... PCB: adreskaart voor BMS ^(1)
A5P,A6P.....** ..... PCB: softstarter voor circuit 1, circuit 2 ^(1)
A7P....** .... PCB: interface voor afstandsbediening ^(1)
A71P.... PCB: voedingskaart
A72P.... PCB: interface voor afstandsbediening
F1,F2,F3.....# ..... Hoofdzekering voor de unit ^(2)
F4 ....* ..... Zekering I/O-pcb
F5 ......## .... Schommelingsvrije zekering
F6 ....# ..... Zekering voor pompschakelaar ^(2)
F1U...... Zekering I/O-pcb
F3U...... Zekering voor controller-pcb
H3P....* .... Alarmlampje ^(2)
H4P....* .... Werkingslampje voor compressor 1 ^(2)
H5P....* .... Werkingslampje voor compressor 2 ^(2)
H6P....* .... Controlelampje voor algemene werking ^2
PE...... Hoofdaardklem
Q1D,Q2D ...... Afvoer thermische beveiliging circuit 1, circuit 2
R3T...... Temperatuursensor voor inlaatwater aan verdamper
R4T...... Temperatuursensor voor uitlaatwater aan verdamper
R5T...... Temperatuursensor voor inlaat aan condensor
S1HP,S2HP...... Hogedrukschakelaar circuit 1, circuit 2
S4LP,S5LP...... Lagedrukschakelaar circuit 1, circuit 2
S7S...... * .... Schakelaar voor selectie koelen/verwarmen vanop afstand of dubbel instelpunt ^(2)
S9S...... * .... Start/stopschakelaar vanop afstand of dubbel instelpunt ^(2)
S10L ...... Debietschakelaar
S12M ...... Hoofdschakelaar
TR1....Transformer 230 V → 24 V voor voeding besturingsprintkaart
TR2....Transformer 230 V → 24 V voor voeding I/O-printkaart (A2P)
Y3R...... Omschakelklep
X1\~3,X1\~82A ..... Connectoren
| Niet geleverd bij standaardunit | ||
| Niet mogelijk als optie Mogelijk als optie | ||
| Verplicht # ## | ||
| Niet verplicht * | ** | |
(1) als optie verkrijgbaar
(2) niet bijgeleverd
VOOR HET OPSTARTEN
Controle voor het opstarten

Zorg ervoor dat de hoofdschakelaar op het voedingspaneel van de unit is uitgeschakeld.
Controleer na de montage van de unit de volgende punten vooraleer de hoofdschakelaar in te schakelen:
1 Lokale bedrading
Zorg ervoor dat de lokale bedrading tussen het voedingspaneel en de unit is uitgevoerd overeenkomstig de instructies vermeld in de montagehandleiding, de elektrische schema's en de geldende Europese en nationale reglementeringen.
2 Zekeringen of beveiligingen
Controleer of het type en de grootte van de zekeringen of de lokaal gemonteerde beveiligingen overeenstemmen met de vereisten vermeld in de montagehandleiding. Zorg ervoor dat er geen zekering of beveiliging is overgeslagen.
3 Aarding
Zorg ervoor dat de aardkabels correct zijn aangesloten en de aardklemmen stevig zijn vastgemaakt.
4 Interne bedrading
Controleer of u geen losse aansluitingen of beschadigde elektrische componenten in de schakelkast ziet.
5 Montage
Controleer of de unit correct is gemonteerd om abnormale geluiden en trillingen te voorkomen bij het opstarten van de unit.
6 Beschadigde onderdelen
Controleer de binnenkant van de unit op beschadigde onderdelen of platgedrukte leidingen.
7 Koelmiddellek
Controleer in de unit of er geen koelmiddellek voorkomt. Raadpleeg uw plaatselijke dealer als er een koelmiddellek is.
8 Olielek
Controleer de compressor op eventuele olielekken. Raadpleeg uw plaatselijke dealer als er een olielek is.
9 Spanning
Controleer de voedingsspanning op het lokale voedingspaneel. De spanning moet overeenkomen met de spanning op het identificatieplaatje van de unit.
Watertoevoer
Vul de waterleidingen, daarbij rekening houdend met de minimum benodigde waterhoeveelheid voor de unit. Raadpleeg het hoofdstuk "Watervulling, stroom en kwaliteit" in de montagehandleiding.
Zorg ervoor dat de waterkwaliteit beantwoordt aan de normen vermeld in de montagehandleiding.
Ontlucht het systeem aan de hoogste punten en controleer de werking van de circulatiepomp en de debietschakelaar.
Algemene aanbevelingen
Neem de onderstaande aanbevelingen door vooraleer u de unit inschakelt:
1 Sluit alle voorpanelen van de unit als de volledige montage en de nodige instellingen zijn gebeurd.
2 Het onderhoudspaneel van de schakelkast mag enkel worden geopend in geval van onderhoud door een erkend elektricien.
WERKING
De EWWQ units zijn uitgerust met een digitale besturing die een gebruikersvriendelijke instelling, gebruik en onderhoud van de unit toelaat.
Dit gedeelte van de handleiding heeft een praktijkgerichte, modulaire structuur. Behalve het eerste onderdeel, dat een kort overzicht biedt van de besturing zelf, behandelt elk onderdeel of subonderdeel een specifieke instelling die u met de unit kunt uitvoeren.
Digitale besturing
Gebruikersinterface
De digitale besturing bestaat uit een numeriek scherm, vier gemerkte druktoetsen en controlelampjes die extra informatie geven voor de gebruiker.

Afbeelding – Digitale besturing

text_image
Set Prg 12.4 ½ SelAfbeelding – Interface voor afstandsbediening (optionele set)
Toetsen op de besturing:
De functie die wordt uitgevoerd als de gebruiker op een of op een combinatie van deze toetsen drukt, hangt af van de status van de besturing en de unit op dat specifieke moment.
| Toetsen digitale besturing | Toetsen interface voor afstandbediening | Hoofddisplay | Sensoruitleesmenu | Parameterselectiemenu | Parameterinstelmenu |
| — Druk één keer op: | Return | Druk één keer op: Return | Druk één keer op: Annuleren en return | ||
| Druk 5 seconden op: Voor toegang tot de DIRECT-parameters | — | Druk één keer op: Selecteren parametergroep of parameter | Druk één keer op: Bevestigen en return | ||
| Druk 5 seconden op: + Sw: OFDruk één keer op: SwVoor toegang tot GEBRUIKER-parameters (na invoeren van GEBRUIKER-wachtwoord) | — | ||||
| Druk 5 seconden op: In/uitschakelen unit in stand verwarmenDruk één keer op: Directe toegang tot uitleesmenusensor (b0 1/b02/b03) | Druk één keer op: Selecteren vorige sensorparameter | Druk één keer op: Selecteren vorige parametergroep of parameter | Druk één keer op: Verhogen waarde | ||
| Druk 5 seconden op: In/uitschakelen unit in stand koelenDruk één keer op: Directe toegang tot uitleesmenusensor (b0 1/b02/b03) | Druk één keer op: Selecteren volgende sensorparameter | Druk één keer op: Selecteren volgende parametergroep of parameter | Druk één keer op: Verlagen waarde | ||
| Druk 5 seconden op: Manueel terugstellen van alarm bij een alarm | — | ||||
Controlelampjes op de besturingsinterface en de interface voor afstandsbediening:
Werking tijdens hoofddisplay (niet in menu)
| Controlelampjes digitale besturing | Interface voor afstandsbediening | Hoofddisplay | |
| 12.4 | Controlelampje (groen) | 12.4 Waterinlaattemperatuur. | |
| Controlelampje (oranje) | Geeft aan dat de unit verwarmt. | ||
| Controlelampje (oranje) | Geeft aan dat de unit koelt. | ||
| Controlelampje (rood) | Geeft aan dat het alarm in werking is. | ||
| Controlelampje (oranje) | Geeft de status van de pomp aan. | ||
| Controlelampje (oranje) | Controlelampje, geeft aan dat minstens één compressor in werking is. | ||
| 1 | Controlelampje (oranje) | 1 | Controlelampje brandt, geeft aan dat compressor 1 in werking is.Controlelampje knippert, geeft aan dat er voor compressor 1 een opstartverzoek is. |
| 2 | Controlelampje (oranje) | 2 | Controlelampje brandt, geeft aan dat compressor 2 in werking is.Controlelampje knippert, geeft aan dat er voor compressor 2 een opstartverzoek is. |
Als u een parametergroep of parameter selecteert, worden verschillende controlelampjes die betrekking hebben op de parametergroep of parameter weergegeven.
Voorbeeld: de controlelampjes * en * worden weergegeven als u een parametergroep of parameters direct selecteert.
LET OP

Afwijking bij het aflezen van de temperatuur: ±1°C.
Het numerieke scherm kan minder goed leesbaar zijn bij direct zonlicht.
Directe en gebruikersparameters
De digitale besturing is uitgerust met directe en gebruikersparameters. De directe parameters zijn belangrijk voor het dagelijks gebruik van de unit, bijvoorbeeld om de temperatuurinstelling te wijzigen of eigenlijke werkingsinformatie op te vragen. De gebruikersparameters daarentegen bieden meer geavanceerde functies zoals het wijzigen van de tijdvertraging.
Elke parameter is bepaald door een code en een waarde. De parameter voor het selecteren van lokale of aan/uit-afstandsbesturing bijvoorbeeld heeft code HO7 en waarde 1 of 0.
Zie "Overzicht van de directe en de gebruikersparameters" op pagina 9 voor een overzicht van de parameters.
Bediening van de units
Dit hoofdstuk biedt informatie voor het alledaags gebruik van de units. Hier vindt u informatie over routinehandelingen zoals:
■ "Inschakelen van de unit" op pagina 7 en "Uitschakelen van de unit" op pagina 7,
■ "Wijzigen van de koeltemperatuur" op pagina 7 en "Wijzigen van de verwarmingstemperatuur" op pagina 7,
■ "Raadplegen van huidige werkingsinformatie" op pagina 8,
■ "Terugstellen van een alarm" op pagina 8,
■ "Terugstellen van een waarschuwing" op pagina 8.
Inschakelen van de unit
Ga als volgt te werk om de unit in de stand koelen in te schakelen:
1 Druk ongeveer 5 seconden op de ⚫▼-toets, het controlelampje ✉ wordt weergegeven.
Ga als volgt te werk om de unit in de stand verwarmen in te schakelen:
1 Druk ongeveer 5 seconden op de ▲-toets, het controlelampje * wordt weergegeven.
Vervolgens wordt in beide gevallen een opstartcyclus opgestart, de controlelampjes ⚠, ⊖, 1 en 2 gaan branden afhankelijk van de geprogrammeerde thermostaatfunctie.
Als het controlelampje 1 of 2 knippert, dan geeft dat aan dat er een opstartverzoek voor compressor 1 of 2 is. De compressor start op als de timer nul heeft bereikt.
LET OP

Zie "Selecteren van lokale of aan/uit-afstandsbesturing" op pagina 11 als aan/uit-afstandsbesturing is ingeschakeld.
2 Als u de unit voor het eerst opstart of als de unit voor langere tijd niet is gebruikt neemt u best de volgende controlelijst door.
Abnormaal geluid of trillingen
Zorg ervoor dat de unit geen abnormaal geluid of trillingen voortbrengt: controleer de bevestigingen en de leidingen. Als de compressor een abnormaal geluid voortbrengt kan dit ook het gevolg zijn van een teveel aan koelmiddel.
Bedrijfsdruk
Het is belangrijk de hoge en lage druk van het koelcircuit te controleren om te verzekeren dat de unit naar behoren functioneert en het nominaal afgegeven vermogen wordt bereikt.

De gemeten drukniveaus zullen schommelen tussen een minimum- en een maximumwaarde, afhankelijk van de temperatuur van het water en de omgeving (op het moment van de meting).
3 Als de unit na een paar minuten niet start dient u de eigenlijke werkingsinformatie te raadplegen in de lijst van directe parameters. Raadpleeg ook het hoofdstuk "Storingsopsporing" op pagina 13.
LET OP

Bij aan/uit-afstandsbesturing (H07=1) is het aanbevolen om een aan/uit-schakelaar te monteren nabij de unit, en dit in serie met de afstandsschakelaar. De unit kan dan vanop beide plaatsen worden uitgeschakeld.
De keuze tussen koelen en verwarmen kan enkel gebeuren bij het opstarten. Omschakelen is onmogelijk zonder de unit uit te schakelen.
Uitschakelen van de unit
Ga als volgt te werk om de unit uit te schakelen als de stand koelen in werking is:
1 Druk ongeveer 5 seconden op de ⚙▼-toets, het controlelampje ❌ dooft.
Ga als volgt te werk om de unit uit te schakelen als de stand verwarmen in werking is:
1 Druk ongeveer 5 seconden op de ▲-toets, het controlelampje * wordt gedoofd.
LET OP

Zie "Selecteren van lokale of aan/uit-afstandsbesturing" op pagina 11 als aan/uit-afstandsbesturing is ingeschakeld.
Directe parameters raadplegen en wijzigen
Zie "Menu-overzicht" op pagina 16 voor een overzicht van de menustructuur.
1 Druk op het hoofddisplay 5 seconden op Sel: De -r'-parametergroep wordt weergegeven.
2 Druk op de ▲※- of ⚫▼-toets om de vereiste parametergroep te selecteren.
3 Druk op de Sel; -toets om de geselecteerde parametergroep in te voeren.
4 Druk op de ▲※- of ⚙▼-toets om de vereiste parameter te selecteren.
5 Druk op de Sel; -toets om de geselecteerde parameter te raadplegen.
6 Druk op de ▲※- of □▼-toets om de waarde van de geselecteerde parameter respectievelijk te verhogen of te verlagen. (Alleen geldig voor lezen/schrijven parameters.)
7 Druk op de Sel: -toets om de gewijzigde instelling te bevestigen. OF
Druk op de _i:sox -toets om de gewijzigde instelling te annuleren.
8 Druk op de Prginem-toets om terug te keren naar de parametergroep.
9 Druk 2 keer op de Prg/oe-toets om terug te keren naar het hoofddisplay.
Als er tijdens de procedure niet 30 seconden lang op een toets wordt gedrukt, dan gaat de weergegeven parametercode of waarde knipperen. Als nog eens 30 seconden niet op een toets wordt gedrukt, dan keert de besturing automatisch terug naar het hoofddisplay zonder een gewijzigde parameter op te slaan.
Raadplegen van parameters sensoruitleesmenu
Zie "Menu-overzicht" op pagina 16 voor een overzicht van de menustructuur.
De 60/602/603 parameters maken deel uit van het "sensoruitleesmenu".
1 Druk op de ▲※- of ⚙▼-toets op het hoofddisplay.
De 60 I-parameter wordt weergegeven.
Als er niet op een toets wordt gedrukt, wordt de waarde van b0 i-sensor weergegeven totdat er weer wordt gedrukt op ▲※ of ※▼ om een andere parameter te selecteren ( b02 of b03 ).
2 Druk op de _1,ssx -toets om terug te keren naar het hoofddisplay.
Als er tijdens de procedure niet 30 seconden lang op een toets wordt gedrukt, dan gaat de weergegeven parametercode of waarde knipperen. Als nog eens 30 seconden lang niet op een toets wordt gedrukt, dan keert de besturing automatisch terug naar het hoofddisplay.
Wijzigen van de koeltemperatuur
1 Wijzig de r-f-koeltemperatuurparameter.
Dit is een directe parameter. Zie "Directe parameters raadplegen en wijzigen" op pagina 7.
LET OP
Als het dubbele instelpunt is geactiveerd (zie "Dubbele-instelpuntbesturing selecteren" op pagina 11).

Wijzigen van de verwarmingstemperatuur
1 Wijzig de r-3-verwarmingstemperatuurparameter.
Dit is een directe parameter. Zie "Directe parameters raadplegen en wijzigen" op pagina 7.
LET OP
Als het dubbele instelpunt is geactiveerd (zie "Dubbele-instelpuntbesturing selecteren" op pagina 11).

Raadplegen van huidige werkingsinformatie
De eigenlijke werkingsinformatie die u kunt raadplegen in de lijst van directe parameters omvat:
■ 601: waterinlaattemperatuur verdamper,
■ 602: wateruitlaattemperatuur verdamper,
■ b03: als de modus koelen is ingeschakeld: temperatuur van inlaatwater aan de condensor. Als de modus verwarmen is ingeschakeld: temperatuur van inlaatwater aan de verdamper.
■ c 10: totaal aantal bedrijfsuren van de compressor 1,
■ c / /: totaal aantal bedrijfsuren van de compressor 2,
■ c 15: totaal aantal bedrijfsuren van de pomp.

■ De parameters 601, 602 en 603 kunnen ook worden geraadpleegd door het "sensoruitleesmenu". Raadpleeg "Raadplegen van parameters sensoruitleesmenu" op pagina 7.
- Om de timers van de parameters c 10, c 11 en c 15 terug te stellen, zie "Terugstellen van een waarschuwing" op pagina 8.
Dit zijn directe parameters, zie "Directe parameters raadplegen en wijzigen" op pagina 7.
Terugstellen van een alarm
Als een alarm wordt vastgesteld gebeurt het volgende:
■ het alarmrelais wordt geactiveerd,
■ het ♠-controlelampje wordt weergegeven
■ het scherm begint te knipperen en toont afwisselend de alarmcode en de waterinlaattemperatuur.
De volgende alarmcodes kunnen op het scherm verschijnen:
■ R 1: een vorstbeveiligingsalarm is in werking gesteld.
■ E 1: de NTC-sonde die de waterinlaattemperatuur aan de verdamper meet is defect.
■ E2: de NTC-sonde die de wateruitlaattemperatuur van de verdamper meet is defect.
■ E3: de zekering voor de verwarmingstape van de verdamper (F4) is gesprongen, er is een tegenfasestoring of een probleem met de I/O-printkaart (A2P).

Als de unit over een vorstbeveiliging beschikt, monteert u best het remote-indicatielampalarm (H3P) (zie bedradingsschema bij de unit). Op deze manier wordt de gesprongen zekering van de verwarmings-tape van de verdamper (F4) sneller gedetecteerd en voorkomt u dat het circuit bevriest als het koud is.
■ EHS: geeft aan dat de voedingsspanning extreem hoog is. In dit geval dient u een erkend elektricien te raadplegen.
■ EL 1: geeft aan dat er een voedingsstoring is (voorbeeld: ruis). In dit geval dient u een erkend elektricien te raadplegen.
■ EL2: geeft aan dat er een voedingsstoring is (voorbeeld: ruis). In dit geval dient u een erkend elektricien te raadplegen.
■ ELS: geeft aan dat de voedingsspanning extreem laag is. In dit geval dient u een erkend elektricien te raadplegen.
■ EPb: geeft aan dat de EEPROM op de printplaat van de besturing binnenin de unit defect is.
■ EPr: geeft aan dat de EEPROM op de printplaat van de besturing binnenin de unit defect is.
■ FL: geeft aan dat er geen waterstroom was gedurende een periode van 15 seconden nadat de pomp was opgestart of gedurende 5 seconden terwijl de compressor werkte of dat de overstroombeveiliging van de pomp is geactiveerd.
■ HP I: geeft aan dat een hogedrukschakelaar, de thermische beveiliging van de uitlaat of de overstroombeveiliging van de compressormotor is geactiveerd of dat de NTC-sonde, die de omgevingstemperatuur meet, defect is.
■ F_L + H^P I : geeft aan dat er waarschijnlijk een RPP-storing is of dat de F4-zekering is doorgebrand.
■ LP 1: geeft aan dat de lagedrukschakelaar is geactiveerd.
■ E: geeft aan dat er sprake is van een communicatiestoring in de interface voor afstandsbediening.
■ Offline: communicatiestoring tussen de digitale controller van de unit en de interface voor afstandsbediening. Bevestig de juiste selectie van de parametercode H23. Deze moet standaardinstelling 0 zijn. Bevestig bovendien de juiste installatie volgens de installatiehandleiding van de interface voor afstandsbediening EKRUMCA.

Als de alarmcodes FL en H 1 afwisselend knipperen is het alarm hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door de fasebeveiliging of door een gesprongen zekering van de verwarmingstape van de verdamper (F4).
Ga als volgt te werk om een alarm terug te stellen:
1 Zoek de oorzaak van de uitval en verhelp het.
Raadpleeg het hoofdstuk "Storingsopsporing" op pagina 13.
2 Als de alarmcodes R I, FL, H P I of L P I op het scherm verschijnen, dient u het alarm manueel terug te stellen door gedurende ongeveer 5 seconden gelijktijdig op de clear-combinatietoetsen ▲※ en ⚫▼ te drukken.
In alle andere gevallen wordt het alarm automatisch teruggesteld.
De storingscode en het -controlelampje verdwijnen van het scherm zodra u het alarm hebt teruggesteld. De besturing zet de normale werking voort en toont de waterinlaattemperatuur.
Terugstellen van een waarschuwing
Bij normale werking kan het scherm van de besturing beginnen knipperen, waarbij afwisselend de waterinlaattemperatuur en de volgende waarschuwingscode verschijnen:
■ Hc I: geeft aan dat compressor 1 aan onderhoud toe is: het totaal aantal werkingsuren van compressor 1 (directe parameter c I0) heeft de ingestelde drempelwaarde van de timer voor onderhoudswaarschuwing overschreden (gebruikersparameter c I4).
■ H_cc2 : geeft aan dat compressor 2 aan onderhoud toe is: het totaal aantal werkingsuren van compressor 2 (directe parameter c i i) heeft de ingestelde drempelwaarde van de timer voor onderhoudswaarschuwing overschreden (gebruikersparameter c i4).
Ga als volgt te werk om de onderhoudswaarschuwing H_C 1 of H_C2 terug te stellen:
1 Raadpleeg c/0 bedrijfsuren van compressor 1 of c/1 bedrijfsuren van compressor 2.
Dit zijn directe parameters, zie "Directe parameters raadplegen en wijzigen" op pagina 7.
2 Druk 5 seconden land gelijktijdig op de ▲※- en ※▼-toets als de c l0- of c l1-parameterwaarde wordt weergegeven. De waarde van de timer wordt □ en de waarschuwing wordt teruggesteld.
LET OP
Vergeet niet de vereiste onderhoudsactiviteiten uit te voeren na het terugstellen van de timers.

U kunt niet alleen timers c 10 en c 11 terugstellen, maar op dezelfde wijze ook timer c 15 (bedrijfsuren van pomp).
Geavanceerde eigenschappen van de digitale besturing
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de directe parameters en gebruikersparameters van de besturing. In het volgende hoofdstuk wordt u geleerd hoe u de unit kunt opzetten en configureren met behulp van deze parameters.
Overzicht van de directe en de gebruikersparameters
De lijst van directe parameters is toegankelijk door gedurende ongeveer 5 seconden de [Sel;]-toets in te drukken. Zie ook "Directe parameters raadplegen en wijzigen" op pagina 7.
| Parametergroep Parametercode | Beschrijving | Standaardwaarde | Min Max Units | Lezen/ schrijven | Gebruiker /direct | Modbus -adres | Parametertype(a) | |||
| -r'-r'23 | Meeteenheid 0=°C l=F | 0 | 0 | 1 | L | / | S | |||
| -R- Geen gebruikers-of directe parameters toegankelijk | ||||||||||
| -b- | b01 | Waterinlaattemperatuur verdamper | 0,1°C | L | D | 102 | A | |||
| b02 | Wateruitlaattemperatuur verdamper | 0,1°C | L | D | 103 | A | ||||
| b03 | Als de modus koelen is ingeschakeld: temperatuur van inlaatwater aan de condensor. Als de modus verwarmen is ingeschakeld: temperatuur van inlaatwater aan de verdamper. | 0,1°C L D | 104 | A | ||||||
| -c- | c07 | Tijdvertraging tussen opstarten pomp en opstarten compressor | 15 | 0 | 999 | 1 sec | L/S | G | 238 | I |
| c08 | Tijddrempelwaarde tussen uitschakelen van unit en uitschakelen van pomp | 0 | 0 | 150 | 1 min | L/S | G | 239 | I | |
| c10 | Totaal aantal bedrijfsuren van compressor 1 | x100 uren | L D 122 | A | ||||||
| c11 | Totaal aantal bedrijfsuren van compressor 2 | x100 uren | L D 123 | A | ||||||
| c14 | Onderhoudsdrempelwaarde voor onderhoudswaarschuwing (c i0 en c i1) | 0 | 0 | 100 | x100 uren | L/S | G | 241 | I | |
| c15 | Totaal aantal bedrijfsuren van pomp | x100 uren | L | D | 126 | A | ||||
| -d- Geen gebruikers-of directe parameters toegankelijk | ||||||||||
| -f- Geen gebruikers-of directe parameters toegankelijk | ||||||||||
| -H- | H06 | Om besturing koelen/verwarmen vanop afstand te activeren 0=niet actief l=actief (alleen als P09=9) | 0 | 0 | 1 | L | / | S | ||
| H07 | Om aan/uit-afstandsbesturing te activeren 0=niet actief l=actief (alleen als P34=23) | 0 | 0 | 1 | L | / | S | |||
| H09 | Om het besturingstoetsenbord te vergrendelen 0=vergrendelen l=ontgrendelen | 1 | 0 | 1 | L | / | S | |||
| H10 | Serieel adres voor BMS-aansluiting | 1 | 1 | 200 | L/S | G | 256 | I | ||
| H23 | Om adreskaartaansluiting te selecteren 0=aansluiting interface voor afstandbediening l=MODBUS-aansluiting | 0 | 0 | 1 | L | / | S | |||
| -P- | P09 | Veranderlijke selectie digitale input S7S 0=geen functie 9=koelen/verwarmen vanop afstand (alleen actief in combinatie met H0b) 13=dubbel instelpunt vanop afstand SELECTEER GEEN ANDERE WAARDEN | 9 | 0 | 27 | L/S | G | 277 | I | |
| P34 | Veranderlijke selectie digitale input S9S 0=geen functie 13=dubbel instelpunt vanop afstand 23=aan/uit-afstandsbesturing (alleen actief in combinatie met H07) SELECTEER GEEN ANDERE WAARDEN | 23 | 0 | 27 | L/S | G | 329 | I | ||
| -r- | r01 | Koeltemperatuur | 12,0 | 8.0(b) | 25,0 | 0,1°C | L/S | D | 41 | A |
| r02 | Koeltemperatuurverschil | 3,0 | 0,3 | 19,9 | 0,1°C | L/S | D | 42 | A | |
| r03 | Verwarmingstemperatuur | 30,0 | 15,0 | 50,0 | 0,1°C | L/S | D | 43 | A | |
| r04 | Verwarmingstemperatuurverschil | 3,0 | 0,3 | 19,9 | 0,1°C | L/S | D | 44 | A | |
| r21 | Koeltemperatuur 2(c) | 12,0 | 8.0(b) | 25,0 | 0,1°C | L/S | D | 55 | A | |
| r22 | Verwarmingstemperatuur 2(c) | 30,0 | 15,0 | 50,0 | 0,1°C | L/S | D | 56 | A | |
| -t- | Geen gebruikers-of directe parameters toegankelijk | |||||||||
| -F-r | H99 | Softwareversie | L | D | 208 | I | ||||
(a) D=digital, A=analoog, I=integer.
(b) -2,0 en -7,0 alleen geldig voor eenheden met glycoltoepassingen.
(c) Gebruikt als dubbel instelpunt is geactiveerd in P09 of P34 en dubbel instelpunt digitale input is gesloten.
Gebruikersparameters raadplegen en wijzigen
LET OP

Als de gebruikersparameters worden geraadpleegd, worden de directe parameters ook getoond.
Zie "Menu-overzicht" op pagina 16 voor een overzicht van de menustructuur.
1 Druk in het geval van een digitale besturing ongeveer 5 seconden op de Prg:in- en Sat: -toetsen totdat 0.0 wordt weergegeven.
Druk in het geval van een interface voor afstandsbediening één keer op Sat.
2 Voer het juiste wachtwoord in met behulp van de ▲※ en ⚫▼-toetsen. De wachtwoordwaarde is 22.
3 Druk op de Sel: -toets om het wachtwoord te bevestigen en het menu te selecteren; S-F wordt weergegeven.
4 Druk op de ^-1 -toets om de parameterinstellingen te raadplegen (=S-P). (L-P betekent dat het parameterniveau wordt geraadpleegd, maar deze functie wordt niet gebruikt). De -r' -parametergroep wordt weergegeven.
5 Druk op de ▲※- of ⚙▼-toets om de vereiste parametergroep te selecteren.
6 Druk op de [Sel] -toets om de geselecteerde parametergroep in te voeren.
7 Druk op de ▲※- of ⚙▼-toets om de vereiste parameter te selecteren.
8 Druk op de Sol: -toets om de geselecteerde parameter te raadplegen.
9 Druk op de ▲- of ⚙▼-toets om de instelling te verhogen of te verlagen. (Alleen geldig voor lezen/schrijven parameters.)
10 Druk op de -toets om de gewijzigde instelling te bevestigen. OF
Druk op de _tow -toets om de gewijzigde instelling te annuleren.
11 Druk op de |x× w -toets om terug te keren naar de parametergroep.
12 Druk 2 keer op de Prg(mox) -toets om terug te keren naar het hoofddisplay.
Als er tijdens de procedure niet 30 seconden lang op een toets wordt gedrukt, dan gaat de weergegeven parametercode of waarde knipperen. Als nog eens 30 seconden niet op een toets wordt gedrukt, dan keert de besturing automatisch terug naar het hoofddisplay zonder een gewijzigde parameter op te slaan.
Bepalen van het koeltemperatuurverschil
Wijzig de -02-koeltemperatuurverschilparameter.
Dit is een directe parameter. Zie "Directe parameters raadplegen en wijzigen" op pagina 7.

text_image
voor 1 compressor compressor AAN UIT 12 15 r01/ r02 waterinlaat- temperatuur van verdamper
line
| temperature (°C) | compressor | | ---------------- | ---------- | | 12 | AAN | | 13.5 | AAN | | 15 | AAN | | 12 | UIT | | 13.5 | UIT | | 15 | AAN | | 12 | UAN | | 13.5 | UAN | | 15 | UAN |Bepalen van het verwarmingstemperatuurverschil
Wijzig de r-04-verwarmingstemperatuurverschilparameter.
Dit is een directe parameter. Zie "Directe parameters raadplegen en wijzigen" op pagina 7.

line
voor 1 compressor | Component | Temperature Range (°C) | | :--- | :--- | | AAN | 27 30 | | UIT | 27 30 | | waterlaat-temperatuur van condensor | - | | r04 | - | | r03/r22 | - |
line
| waterinlaat-temperatuur van condensor | temperature (°C) | | ----------------------------------- | ----------------- | | 27 | 28.5 | | 28.5 | 30 | | 30 | 28.5 |Uit te voeren functies met behulp van gebruikersparameters
Bepalen van de meeteenheid
Afhankelijk van de instelling van gebruikersparameter 2 (meeteenheid), alle temperatuurwaarden worden weergegeven in ^(=0) of in ^(=1) .
Dit is een gebruikersparameter. Zie "Gebruikersparameters raadplegen en wijzigen" op pagina 10.
Bepalen van de tijdvertraging tussen het opstarten van de pomp en van de compressor
Met gebruikersparameter 07 kunt u de tijdvertraging bepalen tussen het opstarten van de pomp en van de compressor.
Dit is een gebruikersparameter. Zie "Gebruikersparameters raadplegen en wijzigen" op pagina 10.
Bepalen van de tijdvertraging tussen het uitschakelen van de unit en van de pomp
Met gebruikersparameter c08 kunt u de tijdvertraging bepalen tussen het uitschakelen van de unit en van de pomp, en meer bepaald de periode waarin de pomp blijft functioneren nadat de unit is uitgeschakeld.
Dit is een gebruikersparameter. Zie "Gebruikersparameters raadplegen en wijzigen" op pagina 10.
Bepalen van de drempelwaarde van de timer voor onderhoudswaarschuwing
Met de gebruikersparameter c 14 kunt u een timerdrempel bepalen (bedrijfsuren van de compressor). Daarna zal de besturing een onderhoudswaarschuwing of -vraag weergeven.
Dit is een gebruikersparameter. Zie "Gebruikersparameters raadplegen en wijzigen" op pagina 10.
Selecteren van lokale of afstandsbesturing voor koelen/verwarmen
De gebruikersparameter HOB in combinatie met de afstandsschakelaar voor koelen/verwarmen (gemonteerd door de klant) laat de gebruiker toe om koelen of verwarmen te selecteren zonder gebruik te maken van de □▼- en ▲■-toetsen op de besturing.
■ Als de gebruikersparameter H∅b is ingesteld op ∅ (=niet actief) dient u koelen of verwarmen te selecteren met behulp van de besturing.
■ Als de gebruiksparameter HOB wordt ingesteld op 1 (=actief) gebeurt het koelen of verwarmen met behulp van de afstandsschakelaar.
Dit is een gebruikersparameter. Zie "Gebruikersparameters raadplegen en wijzigen" op pagina 10.
LET OP

■ Dit geldt alleen als P09 (veranderlijke digitale input selectie S7S) waarde 9 heeft (fabriekswaarde).
■ Als de dubbele-instelpuntfunctie wordt geselecteerd voor deze functie (P09=13), dan is de besturing koelen/verwarmen vanop afstand niet geactiveerd. Dit betekent dat de ⚙▼- of ▲※-toets op de besturing nog steeds actief is.
Selecteren van lokale of aan/uit-afstandsbesturing
Met behulp van gebruikersparameter H07 in combinatie met de aan/uit-afstandsschakelaar (gemonteerd door de klant) kan de gebruiker de unit inschakelen zonder de ⚙▼- of ▲※-toets op de besturing te gebruiken.
■ Als gebruikersparameter H07 is ingesteld op O (=niet actief), kan de unit alleen worden ingeschakeld met behulp van de □▼- en ▲▪-toets op de besturing.
■ Als gebruikersparameter H07 is ingesteld op 1 (actief), dan kan de unit als volgt worden in- of uitgeschakeld:
■ Als de aan/uit-afstandsschakelaar wordt geopend, dan wordt de unit uitgeschakeld en is het niet mogelijk om de unit in/uit te schakelen terwijl de ⚙▼- of ▲※-toets op de besturing wordt ingedrukt (5 sec).
■ Als de aan/uit-afstandsschakelaar wordt gesloten, dan wordt de unit ingeschakeld en is het mogelijk om de unit in/uit te schakelen terwijl de ⚙▼- of ▲※-toets op de besturing wordt ingedrukt (5 sec).
Dit is een gebruikersparameter. Zie "Gebruikersparameters raadplegen en wijzigen" op pagina 10.
LET OP

■ Dit geldt alleen als P34 (veranderlijke digitale input selectie S9S) waarde 23 heeft (fabriekswaarde).
■ Als de dubbele-instelpuntfunctie wordt geselecteerd voor deze functie (P34=13), dan is de aan/uit-afstandsbesturing niet geactiveerd.
Dubbele-instelpuntbesturing selecteren
Gebruikersparameters P09 (veranderlijke digitale selectie S7S) en P34 (veranderlijke digitale selectie S9S) kunnen worden gebruikt om de dubbele-instelpuntbesturing toe te kennen aan S7S of S9S.
Er zijn 3 verschillende besturingen beschikbaar voor 2 verschillende veranderlijke digitale inputs (S7S en S9S):
■ P09: veranderlijke selectie digitale input S7S
■ 0=geen functie
■ 9=koelen/verwarmen vanop afstand
■ 13=dubbel instelpunt vanop afstand
■ P34: veranderlijke selectie digitale input S9S
■ 0=geen functie
■ 13=dubbel instelpunt vanop afstand
■ 23=aan/uit vanop afstand
Als de schakelaar dubbel instelpunt open is, dan wordt het eerste instelpunt geactiveerd (r-01 koeltemperatuur of r-03 verwarmingstemperatuur, afhankelijk van de stand koelen of verwarmen).
Als de schakelaar dubbel instelpunt gesloten is, dan wordt het tweede instelpunt geactiveerd (r-21 koeltemperatuur 2 of r-22 verwarmingstemperatuur 2, afhankelijk van de stand koelen of verwarmen).
Dit is een gebruikersparameter. Zie "Gebruikersparameters raadplegen en wijzigen" op pagina 10.
Afsluiten van het toetsenbord van de besturing
Als de gebruikersparameter H09 op 0 is ingesteld, kunt u de onderstaande geavanceerde functies niet langer uitvoeren met behulp van de besturing:
■ wijzigen van directe en gebruikersparameters (de parameters kunnen worden opgeroepen maar niet gewijzigd),
■ terugstellen van de timers.
■ in/uitschakelen van de unit tijdens koelen of verwarmen
Als de gebruikersparameter H09 op 1 is ingesteld, kunt u de hierboven vermelde geavanceerde functies wel uitvoeren met behulp van de besturing.
Om de waarde van gebruikersparameter H09 van 1 in 0 te wijzigen, kunt u de standaardwijzigingsprocedure gebruikersparameter met het standaardwachtwoord "22" gebruiken. Raadpleeg "Gebruikersparameters raadplegen en wijzigen" op pagina 10.
Om de waarde van gebruikersparameter H09 van D in I te wijzigen, kunt u de wijzigingsprocedure gebruikersparameter met het toegewezen wachtwoord "I" gebruiken. Raadpleeg "Gebruikersparameters raadplegen en wijzigen" op pagina 10.
BMS-AANSLUITING MODBUS
Als u de optionele set adreskaart EKAC10C installeert, kunt u met uw koeler communiceren via een gebouwbeheersysteem of een bewakingssysteem via het Modbus-protocol.
Algemene beschrijving van Modbus
De adreskaart communiceert via het Modbus-protocol.
Verschillende onderdelen van het communicatienetwerk
■ Het communicatienetwerk bestaat uit twee belangrijke onderdelen:
■ Het gebouwbeheersysteem (BMS) of bewakingssysteem.
■ De koeler of meerdere koelers.
■ Het BMS of een ander bewakingssysteem kan communiceren met de koelers via de adreskaart.
De communicatie wordt beheerd overeenkomstig een master-slavestructuur voor polling, waarbij het bewakende BMS de master is en de adreskaarten de slaves zijn.
■ De koelerunit kan worden geïdentificeerd door de bewaker door de toewijzing van een adres in het Modbus-netwerk. Het adres van de koelerunit kan worden geprogrammeerd tijdens de configuratie van de BMS-instellingen.
■ De variabelendatabase van elke koeler met geïnstalleerde adreskaart is het referentiepunt voor de leverancier van het bewakingssysteem in Modbus voor het toekennen van een geschikte betekenis aan de variabelen.
De variabelen kunnen worden gelezen en/of geschreven door het bewakingssysteem. Of de variabelen alleen read-only of read/write zijn is afhankelijk van de aangesloten koeler en/of het applicatieprogramma dat wordt gebruikt.
- A Is het bewakingssysteem een waarde toekent aan een variabele met read-onlystatus, dan wordt de opdracht helemaal niet uitgevoerd.
- V ariabelen die worden opgevraagd door het bewakingssysteem en die niet beschikbaar zijn in een koeler met een adreskaart, worden van de adreskaart naar het bewakingssysteem gestuurd met nul waarde. Het bewakingssysteem moet deze juist beheren.
- A Is het bewakingssysteem probeert om een waarde van een parameter te schrijven die buiten het bereik ligt, dan wordt het schrijven genegeerd.
Algemene informatie over het Modbus-protocol
Het Modicon Modbus-protocol dat wordt uitgevoerd in de adreskaart voldoet aan de inhoud van het volgende document:
Modicon Modbus Protocol
Reference Guide
Juni 1996, PI-MBUS-300 Rev. J
Het Modbus-protocol dat wordt uitgevoerd is van het RTU-type (Remote Terminal Unit) en gebaseerd op transmissietijden. De configuratie maakt gebruik van het multidrop-kenmerk van RS485. Het adres dat binnen het Modbus-pakket wordt verstuurd spreekt de koelerunit aan.
Geïmplementeerde RS485-communicatie-instellingen voor het Modbus-protocol
De RS485-communicatie-instellingen worden als volg geïmplementeerd:
■ Baud-rate: 9600
■ Stopbit: 2
■ Pariteit: geen
Geïmplementeerde commando's voor het Modbus-protocol
De geïmplementeerde commando's in het programma zijn als volgt:
| Modbus-commando Betekenis Aantekeningen | ||
| 01 Coilstatus lezen | Digitale variabele(n) lezen | Vraagt huidige status op (AAN/ UIT) van een groep van logic coils of discrete input |
| 02 Inputstatus lezen | Digitale variabele(n) lezen | Vraagt huidige status op (AAN/ UIT) van een groep van logic coils of discrete input |
| 03 Holding- registers lezen | Analoge variabele(n) lezen | Vraagt huidige binaire waarde op in één of meer holding- registers |
| 04 Inputregisters lezen | Analoge variabele(n) lezen | Vraagt huidige binaire waarde op in één of meer holding- registers |
| 05 Enkele coil forceren | Individuele digitale variabele(n) schrijven | Forceert enkele coil in AAN- of UIT-status |
| 06 Enkel register voorinstellen | Individuele analoge variabele(n) schrijven | Plaatst een specifieke binaire waarde in een holding-register |
| 15 Meerdere coils forceren | Een reeks digitale variabelen schrijven | Forceert de definitie van een reeks van opvolgende logic coils in de AAN- of UIT-status |
| 16 Meerdere registers voorinstellen | Een reeks analoge variabelen schrijven | Plaatst specifieke binaire waarden in een reeks van opvolgende holding-registers |
Let op:
■ Vanwege de variatie van de koelers met geïnstalleerde adreskaarten wordt er geen onderscheid gemaakt tussen inputvariabelen (met read-only-status) en outputvariabelen (met read/write-status) zodat de kennis van de database en het beheer daarvan afhankelijk is van het deel dat aanwezig is in het bewakingssysteem.
■ Op grond van de algemene aard van het systeem antwoordt de adreskaart op dezelfde wijze op verschillende Modbus-commando's.
Gegevensweergave van het Modbus-protocol
■ Digitaal
Alle digitale gegevens zijn gecodeerd door een enkele bit:
■ "0" voor UIT
■ "1" voor AAN.
Alle digitale variabelen zijn toegewezen aan bits van opvolgende registers, waarbij telkens:
■ de lagere-adresvariabele is toegewezen aan de minder belangrijke bit
■ de hogere-adresvariabele is toegewezen aan de belangrijkste bit.
■ Analoge en integere gegevens
Een analoge en integere waarde wordt vertegenwoordigd door een 16-bit WORD-register in binaire notatie. Voor elk register geldt dat de eerste byte de bits met hogere rang bevat en de tweede byte de bits met lagere rang.
■ De analoge variabelen worden weergegeven in tienden: de waarde 10,0 wordt bijv. verzonden als 0064h=100d en de waarde -10,0 wordt bijv. verzonden als FF9Ch=-100d
■ De integere variabelen worden verzonden met behulp van de effectieve waarde:
de waarde 100 wordt bijv. verzonden als 0064h=100d
De adreskaart werkt op registers waarbij één register moet worden beschouwd als 16-bit.
Als het BMS of bewakingssysteem probeert om een waarde van een parameter te schrijven die buiten het bereik ligt, dan wordt het schrijven genegeerd.
Geïmplementeerde storingscode
Code Interpretatie Modbus Toestand
| 1 Ongeoorloofde functie Bericht wordt niet ondersteund of het benodigde aantal variabelen is groter dan de toegestane grenswaarde (lengte ≤20). |
Definiëren van de BMS-instelling
Activeren van het Modbus-protocol
Het Modbus-protocol wordt geactiveerd door de H23-parameter op i in te stellen.
Dit is een gebruikersparameter. Zie "Gebruikersparameters raadplegen en wijzigen" op pagina 10.
Bepalen van het seriële adres van de unit
Stel parameter H 10 in om het unieke seriële adres van elke unit te definiëren dat nodig is voor de communicatie met het bewakingssysteem.
Dit is een gebruikersparameter. Zie "Gebruikersparameters raadplegen en wijzigen" op pagina 10.
Variabelendatabase
Het BMS of het bewakingssysteem en de koelerunit communiceren met elkaar via een vaste set van variabelen. Deze worden ook adresnummers genoemd. Hieronder staat de benodigde informatie over de digitale, integere en analoge variabelen die het BMS of het bewakingssysteem kan lezen uit of kan schrijven naar de adreskaart van de koeler.
Raadpleeg "Overzicht van de directe en de gebruikersparameters" op pagina 9 voor de adressen van alle directe en gebruikersparameters.
Overzicht van alle variabelen die geen directe of gebruikersparameters zijn
| Beschrijving | Modbus-adres | Parametertype (a) | ||
| Circuitalarm | 1=A1, HP1, of LP1 alarmcodes actief0=geen alarmcode actief | Lezen 41 D | ||
| Algemeen alarm | 1=FL alarmcode0=geen alarmcode actief | Lezen 45 D | ||
| Alarm NTC-sonde | 1=E1, E2, of E3 alarmcodes0=geen alarmcode actief | Lezen 46 D | ||
| Input van debietschakelaaralarm | 1=gesloten0=open | Lezen 53 D | ||
| Input van veranderlijke digitale S7S-input | 1=gesloten0=open | Lezen 54 D | ||
| Input van hoge druk of lozingsbeveiliging of overstroombeveiliging | 1=gesloten0=open | Lezen 55 D | ||
| Input van lage-drukschakelaaralarm | 1=gesloten0=open | Lezen 56 D | ||
| Input van veranderlijke digitale S9S-input | 1=gesloten0=open | Lezen 57 D | ||
| Output van compressor 1 | 1=aan0=uit | Lezen 59 D | ||
| Output van compressor 2 | 1=aan0=uit | Lezen 60 D | ||
| Output van pomp | 1=aan0=uit | Lezen 61 D | ||
| Output van omkeerklep | 1=aan0=uit | Lezen 62 D | ||
| Output van alarm | 1=aan0=uit | Lezen 63 D | ||
| Aan of uit | 1=aan0=uit | Lezen/schrijven | 64 | D |
| Koelen of verwarmen | 1=koelen0=verwarmen | Lezen/schrijven | 65 | D |
(a) D=digital.
STORINGSOPSPORING
In dit onderdeel wordt nuttige informatie gegeven over het opsporen en oplossen van bepaalde storingen die in de unit kunnen voorkomen.
Voer altijd eerst een grondige visuele controle uit van de unit en zoek naar voor de hand liggende storingen zoals losse aansluitingen of foute bedrading vooraleer de procedure voor storingsopsporing aan te vangen.
Neem dit hoofdstuk zorgvuldig door vooraleer uw verdeler te raadplegen. Het zal u tijd en geld besparen.

Schakel steeds de hoofdschakelaar van de unit uit vooraleer u het voedingspaneel of de schakelkast controleert.
Als een beveiliging in werking is getreden dient u de unit uit te schakelen en na te gaan waarom de beveiliging in werking is getreden vooraleer deze terug te stellen. De beveiligingen mogen onder geen beding worden overbrugd of op een andere waarde worden ingesteld dan deze van de fabrieksinstelling. Raadpleeg uw plaatselijke verdeler als u de oorzaak van de storing niet kunt vinden.
Fenomeen 1: De unit start niet, maar het controlelampje brandt
| MOGELIJKE OORZAKEN | WAT TE DOEN |
| De temperatuurinstelling is niet correct. | Controleer de instelling van de besturing. |
| Storing in de voeding. Controleer de spanning op het voedingspaneel. | |
| Doorgebrande zekering of onderbreking van een beveiliging. | Controleer de zekeringen en beveiligingen. Vervang deze door zekeringen van dezelfde waarde en hetzelfde type (raadpleeg "Elekt-rische specificaties" op pagina 2). |
| Losse aansluitingen. Controleer de aansluitingen van de lokale bedrading en de interne bedrading van de unit. Maak alle losse aansluitingen vast. | |
| Kortgesloten of gebroken draden. | Controleer de circuits met behulp van een testapparaat en repareer deze indien nodig. |
Fenomeen 2: De unit start niet, maar het controlelampje knippert
| MOGELIJKE OORZAKEN | WAT TE DOEN |
| De vlotterstarttimer loopt nog. De unit | zal na ongeveer15 seconden starten. Controleer ofer water door de verdamper stroomt. |
| De antipendeltimer loopt nog. Het circuit | kan pas na ongeveer6 minuten opstarten. |
| De bewakingstimer loopt nog. Het circuit | kan pas na ongeveer1 minuut opstarten. |
Fenomeen 3: De unit start niet en het controlelampje ▶ brandt niet
| MOGELIJKE OORZAKEN | WAT TE DOEN |
| Eén van de volgende beveiligingen is in werking getreden:• F asebeveiliging• O v erstroomrelais (K*S)• Thermische beveiliging van de afvoer (Q*D)• Thermostaat voor verdampingstemperatuur (S*T)• Debietschakelaar (S10L)• Hogedrukschakelaar (S*HP) | Controleer de besturing en raadpleeg fenomeen "4. Eén van de volgende beveiligingen is in werking getreden". Raadpleeg het hoofdstuk "Terugstellen van een alarm" op pagina 8 bij de toelichting over de digitale besturing. |
| De unit verkeert in vorstbeveiligingsalarm. | Controleer de besturing en raadpleeg fenomeen "4. Eén van de volgende beveiligingen is in werking getreden". Raadpleeg het hoofdstuk bij de toelichting over de digitale besturing. "Terugstellen van een alarm" op pagina 8 |
| De aan/uit-input vanop afstand is ingeschakeld en de afstandsschakelaar is uitgeschakeld. | Schakel de afstandsschakelaar in of schakel de aan/uit-input uit. |
| Het toetsenbord is vergrendeld.De gebruikersparameter H_O^R is ingesteld op O . | Ontgrendel het toetsenbord van de besturing. |
Fenomeen 4: Eén van de volgende beveiligingen is in werking getreden
| Fenomeen 4.1: Overstroomrelais van de compressor | |
| MOGELIJKE OORZAKEN | WAT TE DOEN |
| Storing in één van de fasen. Controleer | de zekeringen op het voedingspaneel of meet de spanningstoevoer. |
| De spanning is te laag. Meet de spanningstoevoer. | |
| De motor is overbelast. Stel deze terug. Raadpleeg uw verdeler van als de storing blijft bestaan. | |
| TERUGSTELLEN Druk op de rode toets van het overstroomrelais in de schakelkast. De besturing moet ook nog worden teruggesteld. | |
| Fenomeen 4.2: Lagedrukschakelaar of antivriesalarm | |
| MOGELIJKE OORZAKEN | WAT TE DOEN |
| Er is te weinig waterstroom naar de waterwarmtewisselaar toe. | Verhoog de waterstroom. |
| Er is te weinig koelmiddel. Controleer de unit op lekken en vul indien nodig koelmiddel bij. | |
| De unit functioneert buiten het werkingsbereik. | Controleer de werkingscondities van de unit. |
| De inlaattemperatuur aan de waterwarmtewisselaar is te laag. | Verhoog de waterinlaattemperatuur. |
| De debietschakelaar functioneert niet of er is geen waterstroom. | Controleer de debietschakelaar en de waterpomp. |
| TERUGSTELLEN Na stijging van de druk wordt de lagedrukschakelaar automatisch teruggesteld, maar de besturing moet dan nog worden teruggesteld. | |
| Fenomeen 4.3: Hogedrukschakelaar | |
| MOGELIJKE OORZAKEN | WAT TE DOEN |
| Er is te weinig waterstroom door de condensor. | Verhoog de waterstroom en/of controleer de filter op verstopping. |
| TERUGSTELLEN Na een drukverlaging wordt de hogedrukschakelaar automatisch teruggesteld maar moet de besturing nog worden teruggesteld. | |
| Fenomeen 4.4: Fasebeveiliging Is Ingeschakeld. | |
| MOGELIJKE OORZAKEN | WAT TE DOEN |
| Twee fasen van de voeding zijn verkoerd aangesloten. | Verwissel twee fasen van de voeding (enkel door een erkend elektricien). |
| Eén fase is niet goed aangesloten. | Controleer de aansluiting van alle fasen. |
| TERUGSTELLEN Na het verwisselen van twee fasen of stevig bevestigen van de voedingskabels wordt de beveiliging automatisch teruggesteld, maar moet de unit nog worden teruggesteld. | |
| Fenomeen 4.5: Thermische beveiliging van de uitlaat is ingeschakeld. | |
| MOGELIJKE OORZAKEN | WAT TE DOEN |
| De unit functioneert buiten het werkingsbereik. | Controleer de werkingscondities van de unit. |
| TERUGSTELLEN Na een temperatuurdaling wordt de thermische beveiliging automatisch teruggesteld maar moet de besturing nog worden teruggesteld. | |
| Fenomeen 4.6: Debitschakelaar Is Ingeschakeld. | |
| MOGELIJKE OORZAKEN | WAT TE DOEN |
| Er is geen waterstroom. | Controleer de waterpomp. |
| TERUGSTELLEN Nadat u de oorzaak van de storing heeft gevonden wordt de debietschakelaar automatisch teruggesteld maar moet de besturing nog worden teruggesteld. | |
Fenomeen 5: De unit valt stil kort nadat deze is ingeschakeld
| MOGELijke OORZAKEN | WAT TE DOEN |
| Eén van de beveiligingen is in werking getreden. | Controleer de beveiligingen (raadpleeg fenomeen "4. Eén van de volgende beveiligingen is in werking getreden"). |
| De spanning is te laag. Controleer de spanning op het voedingspaneel en, indien nodig, op het elektrische gedeelte van de unit (de spanningsdaling door de voedingskabels is te groot). | |
Fenomeen 6: De unit functioneert constant terwijl de watertemperatuur hoger blijft dan de ingestelde temperatuur op de besturing
| MOGELIJKE OORZAKEN | WAT TE DOEN |
| De ingestelde temperatuur op de besturing is respectievelijk te laag of te hoog. | Controleer en wijzig de temperatuurinstelling. |
| De warmteproductie, respectievelijk koudeproductie in het watercircuit is te hoog. | De koel-, respectievelijk verwarmingscapaciteit van de unit is te laag. Neem contact op met uw plaatselijke verdeler. |
| Er is te veel waterstroom. Herbereken | de waterstroom. |
Fenomeen 7: De unit produceert te veel lawaai en trillingen
| MOGELIJKE OORZAKEN | WAT TE DOEN |
| De unit is niet naar behoren bevestigd. | Bevestig de unit overeenkomstig de instructies vermeld in de montagehandleiding. |
ONDERHOUD
Om een optimale werking van de unit te verzekeren dient u op geregelde tijdstippen de unit en de lokale bedrading te controleren.
Als de unit wordt gebruikt voor airconditioningdoeleinden moet de hieronder beschreven controle minstens één maal per jaar worden uitgevoerd. Als de unit voor andere doeleinden wordt gebruikt moet dit om de 4 maanden gebeuren.

Vooraleer een onderhoud of herstelling uit te voeren moet u steeds de hoofdschakelaar op het voedingspaneel uitschakelen, de zekeringen verwijderen of de beveiligingen van de unit openen.
Reinig de unit nooit met water dat onder druk staat.
Belangrijke informatie over het gebruikte koelmiddel
Dit product bevat gefluoreerde broeikasgassen die onder het Kyoto-protocol vallen.
Koelmiddeltype: R410A
GWP ^(1) waarde: 2090
(1) GWP = Global Warming Potential (globaal opwarmingspotentieel)
Afhankelijk van de Europese of lokale wetgeving kunnen periodieke inspecties voor koelmiddellekken vereist zijn. Voor meer informatie, gelieve contact op te nemen met uw lokale dealer.
Wat te doen bij onderhoud

Een erkend elektricien moet instaan voor de controle van de bedrading en de voeding.
■ Lokale bedrading en voeding
- Controleer de voedingsspanning op het lokale voedingspaneel. De spanning moet overeenkomen met de spanning vermeld op het identificatieplaatje van de unit.
- Controleer de aansluitingen en zorg ervoor dat deze naar behoren zijn bevestigd.
- Controleer de goede werking van de hoofdschakelaar en het differentieel op het lokale voedingspaneel.
■ Interne bedrading van de unit
Controleer op het zicht of er in de schakelkasten geen losse aansluitingen steken (klemmen en componenten). Zorg ervoor dat de elektrische componenten niet beschadigd zijn of los zitten.
■ Aarding
Zorg ervoor dat de aardkabels nog steeds naar behoren zijn bevestigd en de aardklemmen stevig zijn vastgemaakt.
■ Koelcircuit
- Controleer de binnenkant van de unit op mogelijke lekken. Raadpleeg uw plaatselijke verdeler als u een lek vaststelt.
- Controleer de bedrijfsdruk van de unit. Raadpleeg "Inschakelen van de unit" op pagina 7.
■ Compressor
- Controleer op mogelijke olielekken. Raadpleeg uw plaatselijke dealer als er een olielek is.
- Controleer de compressor op abnormale geluiden en trillingen. Als u de compressor is beschadigd, neem dan contact op met uw lokale dealer.
■ Watertoevoer
- Controleer of de wateraansluiting nog stevig vastzit.
- Controleer de waterkwaliteit (raadpleeg de montagehandleiding van de unit voor de specificaties).
■ Waterfilters
- Controleer of de maasopeningen niet meer dan 1 mm zijn.
Vereisten voor het opruimen
Het ontmantelen van de unit, behandelen van het koelmiddel, olie en andere onderdelen moet gebeuren in overeenstemming met de relevante lokale en nationale reglementeringen.

flowchart
graph TD
A["Menu sensor uitlezen (b0 1/b02/b03)"] --> B["*b03"]
B --> C["2""]
C --> D["*000"]
D --> E["*b02"]
E --> F["2""]
F --> G["*000"]
G --> H["*b01"]
H --> I["2""]
I --> J["*000"]
J --> K["Prg / min"]
K --> L["*88.8*"]
L --> M["5'"]
M --> N["*00"]
N --> O["S-P"]
O --> P["Set/"]
P --> Q["*L-P"]
Q --> R["Prg / min"]
R --> S["*-b-**"]
S --> T["-R-"]
T --> U["*-r-"]
U --> V["Prg / min"]
V --> W["Parameter-groep selecteren"]
W --> X["Parameter lezen en wijzigen"]
X --> Y["Parameter selecteren"]
Y --> Z["Prg / min"]
Z --> AA["Sef/"]
AA --> AB["Sef/"]
AB --> AC["Sef/"]
AC --> AD["Sef/"]
AD --> AE["Sef/"]
AE --> AF["Sef/"]
AF --> AG["Sef/"]
AG --> AH["Sef/"]
AH --> AI["Sef/"]
AI --> AJ["Sef/"]
AJ --> AK["Sef/"]
AK --> AL["Sef/"]
AL --> AM["Sef/"]
AM --> AN["Sef/"]
AN --> AO["Sef/"]
AO --> AP["Sef/"]
AP --> AQ["Sef/"]
AQ --> AR["Sef/"]
AR --> AS["Sef/"]
AS --> AT["Sef/"]
AT --> AU["Sef/"]
AU --> AV["Sef/"]
AV --> AW["Sef/"]
AW --> AX["Sef/"]
AX --> AY["Sef/"]
AY --> AZ["Sef/"]
AZ --> BA["Sef/"]
BA --> BB["Sef/"]
BB --> BC["Sef/"]
BC --> BD["Sef/"]
BD --> BE["Sef/"]
BE --> BF["Sef/"]
BF --> BG["Sef/"]
BG --> BH["Sef/"]
BH --> BI["Sef/"]
BI --> BJ["Sef/"]
BJ --> BK["Sef/"]
BK --> BL["Sef/"]
BL --> BM["Sef/"]
BM --> BN["Sef/"]
BN --> BO["Sef/"]
BO --> BP["Sef/"]
BP --> BQ["Sef/"]
BQ --> BR["Sef/"]
BR --> BS["Sef/"]
BS --> BT["Sef/"]
BT --> BU["Sef/"]
BU --> BV["Sef/"]
BV --> BW["Sef/"]
CONTENIDO Página
Introducción.... 1