T 5500H - Generator DOMETIC - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis T 5500H DOMETIC in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over T 5500H DOMETIC
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Generator in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding T 5500H - DOMETIC en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. T 5500H van het merk DOMETIC.
GEBRUIKSAANWIJZING T 5500H DOMETIC
1.3 Vervoer - verplaatsing - opslag......................... 29
2.3.3 Aansluiting afstandbedieningspaneel ................ 30
2.4 Installeren van de benzinetank
Aansluiting aan de gasfles ................................ 31
3.0 Algemene bediening ................................... 31
3.1 Beschrijving van de generator en zijn werking .. 31
4.5 Praktische aanwijzingen ................................... 32
5.2 Onderhoudswerkzaamheden waar geen
gekwalificeerd personeel bij nodig is ................ 33
5.3 Onderhoudswerkzaamheden waar
gekwalificeerd personeel bij nodig is ................ 34
7.0 Wat te doen bij brand ................................. 35
Dometic Italy srl Alle rechten voorbehouden Gedrukt in Italië Teksten en grafieken door: VEGA - Forlì Niets uit deze uitgave mag in enige vorm of op enige wijze worden gereproduceerd, gekopieerd of verspreid, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Dometic Italy srl. Figuren, omschrijvingen, verwijzingen en technische gegevens in deze handleiding worden slechts als voorbeeld gebruikt en zijn niet bindend. Aangezien Dometic Italy srl een beleid voert waarbij producten en veiligheid voortdurend worden verbeterd, behouden wij het recht voor op leder moment, zonder mededeling vooraf, wijzigingen aan te brengen.29
Het -identificatieplaatje van de machine is aan de buitenzijde van de platen behuizing (zie fig. 1) bevestigd.
In deze handleiding worden drie soorten „veiligheidsafbeeldingen“ gebruikt om verschillende gevarenniveaus of andere belangrijke informatie aan te duiden. GEVAAR Vestigt uw aandacht op potentieel gevaarlijke situaties die ernstig persoonlijk letsel kunnen veroorzaken. PAS OP Vestigt uw aandacht op potentieel gevaarlijke situaties die persoonlijk letsel of materiële schade kunnen veroorzaken. LET OP Vestigt uw aandacht op situaties die storingen of schade aan de machine kunnen veroorzaken.
De generator wordt door middel van geschikte verpakking bestaande uit karton, polystyreen en een versterkte houten bodem beschermd tegen plotselinge schokken. De generator dient horizontaal te worden opgeslagen in een droge en goed geventileerde ruimte.
De verpakte generator kan met normale hef- en transportmiddelen worden verplaatst. Kisten zijn uitgerust met afstandsstukken voor het gebruik van handmatige vorkhefwerktuigen. GEVAAR Neem de voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van ongelukken en de veiligheidsvoorschriften nauwkeurig in acht tijdens het heffen en vervoeren en maak altijd gebruik van machines met een hoger maximaal vermogen dan de lading die moet worden opgetild.
De generator mag alleen door bevoegd personeel op het voertuig (caravan, camper of bijzonder voertuig) worden geïnstalleerd en wel door vakbekwame monteurs of werkplaatsen die direct door Dometic Italy srl zijn geauto- riseerd Modell
DIM. OPENING30 Wanneer de installatie door onbevoegde monteurs of werkplaatsen is uitgevoerd wijst Dometic Italy srl elke verantwoordelijkheid voor de veiligheid en efficiënte werking van de generator volgens machinerichtlijn 89/392/EEG van de hand. GEVAAR De aanwijzingen in paragraaf 2.2 2.3 2.4 zijn alleen bestemd voor gekwalificeerde monteurs.
2.2 MONTAGE VAN DE GENERATOR
De generatormodellen 2500 - 4000 zijn uitgerust met bevestigingsbeugels, trillingsdempers en een benzinefilter die aan de brandstofvoedingsleiding naar de generator dient te worden bevestigd. Met de bevestigingsbeugels kan de generator zowel hangend (montagetype „A“, zie fig. 3) als op traditionele wijze worden gemonteerd (montagetype „B“, zie fig. 4). Dit is mogelijk door het draagvermogen van de buitenconstructie. Model 5500 is uitgerust met beugels ter bevestiging van de buitenafdichting, beugels voor de verankering van de eenheid, trillingsdempers, een geluiddemper (nr. 29 fig. 16) die aan de uitlaatleiding die wordt geleverd als accessoire AG 125 (nr. 34 fig. 16) moet worden aangebracht en een benzinefilter die standaard binnen de behuizing wordt geïnstalleerd (nr. 33 fig. 15). Met de beugels (nr. 31 fig. 16) waarmee de afdichting (nr. 35 fig. 16) kan worden bevestigd is het mogelijk de generator volledig - inclusief afdichting - binnen de bestemde ruimte te monteren en de zijkant van het voertuig perfect af te dichten. De uitlaatslang kan naar wens worden gelegd, zoals te zien in fig. 16, door de kromming binnen het apparaat naar boven of naar onder te draaien. Door de kromming te verwijderen is het ook mogelijk de uitlaatleiding direct door de behuizing aan
linkerzijde aan te brengen. De bestemde installatieplaats moet zowel het gewicht van de generator als de trillingen als gevolg van de bewegingen van het voertuig kunnen verdragen („TYPE B“-montage). Montagetype „A“ (hangende installatie) biedt de volgende voordelen: kleinere afmetingen, snelle installatie, eenvoudige toegang voor normale en bijzondere onderhoudswerkzaamheden. Zorg ervoor dat er voldoende ruimte is rondom de behuizing van de generator, zodat de lucht er goed langs kan stromen (afkoeling). Het is ook noodzakelijk een afstand van ten minste 20 mm te behouden tussen de behuizing en de omliggende onderdelen. Wanneer de behuizing achter een wiel van het voertuig wordt gemonteerd dient u er voor te zorgen dat tijdens het rijden op natte wegen de band geen water in de generator kan spatten. Voor montagetype „A“ moet u de meegeleverde metalen steunen gebruiken om ervoor te zorgen dat de generatorgroep goed vast zit. Wanneer de voorkeur wordt gegeven aan montagetype „B“ (traditionele installatie), moet er eerst voor een waterdicht compartiment (fig. 2) gezorgd worden - tegen het voertuiginterieur en met de afmetingen die zijn gegeven in paragraaf 1.3.3 - met geboorde uitlaatgaten en luchtinlaten in de vloer en deur. Maak bovendien gebruik van een als accessoire geleverde uitlaatverbindingsstuk (fig. 4) dat direct op de
eneratorbehuizing wordt bevestigd met schroeven of klinken. Om te voorkomen dat het uitlaatgas hercirculeert binnen het compartiment dient er een vuurvaste afdichting rondom het uitlaatverbindingsstuk te worden aangebracht.
2.3 ELEKTRISCHE AANSLUITINGEN
Maak voor 230V gebruik van een standaard kabel met een doorsnede die overeenstemt met de onderstaande tabel 1. Steek hem binnen de behuizing via de draaddoorgang (nr. 30 fig. 7 en 9) en verbind hem met de aansluitklemmen (nr. 17/18 fig. 6 en 14) Verbind de aarddraad met nr. 15. De elektrische stroomkring moet over een relais of een wisselschakelaar beschikken (b.v. accessoire AG 102/ AG113) om te voorkomen dat de generator wordt beschadigd wanneer de camper aan een externe netvoeding wordt aangesloten (er wordt automatisch prioriteit gegeven aan het stroomnet).
2.3.1 AANSLUITING VAN DE ACCULADER
Maak gebruik van een draad met een minimale doorsnede die overeenstemt met de bovenstaande tabel 1 om de aansluitklem (nr. 16 fig. 6 en 14) te verbinden met de pluspool van de op te laden accu. Voeg de spanningsregelaar AG111 of eventueel een schakelaar toe om het opladen af te kunnen breken. (Zie aansluitschema’s, pagina 55 - 71).
2.3.2 AANSLUITING VAN DE STARTACCU
Om de generator te starten moet u een vuurvaste, beklede snoer met een doorsnede die overeenstemt met de bovenstaande tabel 1 verbinden met de pluspool van de startaccu van het voertuig en met de aansluitklem (nr. 12 fig. 6 en 14). De aarddraad moet dezelfde doorsnede hebben en vanaf nr. 13 verbonden zijn met het frame van het voertuig. Zorg ervoor dat de verbinding schoon en roestvrij is (m.a.w. schuur het oppervlak als het geverfd is) en bescherm deze met vet.
AANSLUITING AFSTANDBEDIENINGSPANEEL Plaats het bedieningspaneel op de gewenste positie binnen het voertuig en maak gebruik van de afzonderlijk geteste verlengingskabel AG103 om hem via de connector (nr. 14 fig. 6 en 14) met de generatorgroep te verbinden. Mod. Doo.
Monteer de benzinetank zo dicht mogelijk bij de generator en (indien mogelijk) op dezelfde hoogte, of maximaal 30 cm daar onder. Behalve dat u de lengte van de benzineleiding zo klein mogelijk moet houden moet u er ook voor zorgen dat de slang niet is verbogen of platgedrukt. Plaats de tank niet bij warmtebronnen en zorg ervoor dat er geen water kan binnendringen. Monteer alle aansluitingen met LOCTITE 577 om lekkage van benzine te voorkomen. Maak gebruik van een met rubber beklede slang van 6x13mm (van hetzelfde type als gebruikt voor de generatorgroep) die geschikt is voor loodvrije benzine. Voor de verlenging dient men de meegeleverde klemmen en het filter te gebruiken. Het is aan te raden benzineslang AG118 (accessoire) te gebruiken voor de verbinding van de tank naar de tankmond. LET OP Model 5500 heeft geen benzinetank nodig, aangezien deze standaard in de behuizing van de generatorgroep is gemonteerd.
AANSLUITING AAN DE GASFLES
PAS OP Voor de LPG-generatorgroep moet het gas uit het bovenste deel van de rechtop staande fles worden genomen, achter de gasafnamesteunen en ACHTER de drukregelaar van de fles, zodat het gas de generatorgroep in gasvorm en onder eb druk binnengaat. (De werkdruk van de generator is 30 mbar)
3.0 ALGEMENE BEDIENING
LET OP De onderneming wijst iedere verantwoordelijkheid af voor schades als gevolg van storingen in de generator.
De generator bestaat uit een endothermische benzinemotor die verbonden is met een stroomopwekker die zowel wissel- als gelijkstroom produceert. De eenheid is gehuld in een geluiddichte behuizing van plaatstaal en wordt geïsoleerd met speciale dempende materialen. De benzine gaat naar de verbrandingsmotor via een pomp die standaard op de eenheid zelf wordt gemonteerd.
3.2 VEILIGHEIDSADVIES
De eenheid zit in een perfect afgesloten behuizing. Hierdoor is het niet mogelijk dat hete of bewegende onderdelen of spanningsleidingen worden aangeraakt. De deur van de eenheid is uitgerust met een slot en de sleutel mag niet binnen het bereik van kinderen of onbevoegd personeel worden achtergelaten. GEVAAR
- De eenheid mag alleen worden gebruikt als de deur is gesloten.
- Houd brandgevaarlijke stoffen als benzine, verf, oplosmiddelen, etc. uit de buurt van de generator.
- Laat de hete onderdelen van de generatorgroep niet in contact komen met brandbare materialen.
- Nooit tanken terwijl de motor loopt als de tank dicht bij de generator is geplaatst.
- Raak de generator en zijn aansluitingen nooit aan met natte handen.
- Vervang de zekeringen of thermoschakelaars nooit met exemplaren met een hogere amperage.
- Alle controles aan elektrische onderdelen vinden plaats als de motor stil staat en mogen alleen door bevoegd personeel worden uitgevoerd. De generator wordt vervaardigd volgens de veiligheidsvoorschriften die worden beschreven in de conformiteitsverklaring.
De generator is onderworpen aan een geluidemissietest bij een gekwalificeerd ISTEDIL-laboratorium, waar alle noodzakelijke tests zijn uitgevoerd en EG-certificaat nr. I- 225/92 werd verstrekt, met de volgende resultaten: Gemeten volgens EG-richtlijn 84/536 GELUIDSNIVEAU: Mod. 2500 .......................................... LwA 85 Mod. 4000 .......................................... LwA 87 Mod. 5500 .......................................... LwA 8732
Normaal wordt de accu van 12 V gebruikt om de generatorgroep te starten. Zet eerst de rode knop (nr. 27 fig. 5) op het bedieningspaneel in de positie „I“. Om de generatorgroep bij een koude motor te starten moet u de groene START-knop (nr. 25 fig. 5) tegelijk met de witte CHOKE-knop gedurende max. 5 seconden ingedrukt houden. PAS OP Probeer niet gedurende langere tijd of meerdere keren (meer dan 5 pogingen achter elkaar) de generatorgroep te starten, aangezien hierdoor de startmotor beschadigd kan raken. Om de generatorgroep te starten als de motor al warm is, of in de zomer wanneer de buitentemperaturen hoog zijn, hoeft u alleen op de groene START-knop (nr. 25 fig. 5) te drukken. Bij noodgevallen kan de generatorgroep met de hand worden gestart door middel van een starthendel (nr. 4 fig. 8 en 15), terwijl (als de motor koud is) de chokemagneet (nr. 36 fig. 8 en 15) met één hand wordt gesloten. De groene LED op het bedieningspaneel (nr. 23 fig. 5) geeft aan dat de generatorgroep correct werkt.
4.2 DE GENERATOR STOPPEN
Zet de rode STOP-toets (nr. 27 fig. 5) op het bedieningspaneel in de positie „0“. Bij de modellen 2500 - 4000 - 5500 kunt u eventueel ook gebruik maken van de veiligheidsschakelaar op de generatorgroep zelf (nr. 7 fig. 6 en 14).
4.3 ONVERMIJDBARE RISICO’S
GEVAAR De generator is uitgerust met een verbrandingsmotor en maakt zodoende gebruik van licht ontvlambare brandstoffen. Uitlaatgassen komen onder de behuizing en zijn, hoewel zij met koelingslucht worden vermengd, zeer heet. Raak de onderdelen van de behuizing vlakbij de uitlaat niet aan en plaats geen handen of andere objecten in de behuizing.
GEVAAR De generator mag alleen door gekwalificeerd personeel worden geïnstalleerd, volgens de aanwijzingen van de producent. De generator mag uitsluitend worden gebruikt voor het opwekken van stroom voor voertuigen die zijn uitgerust met een standaard elektrische stroomkring die overeenstemt met de stroom die door de generator wordt voorzien.
4.5 PRAKTISCHE AANWIJZINGEN
Voor het beste gebruik van de generator herinneren wij u er aan dat kleine, maar langdurige overbelastingen als gevolg kunnen hebben dat de thermoschakelaars (nr. 10 en 11 in fig. 6 en 14) worden uitgeschakeld. Gedurende de inlooptijd is het raadzaam de nieuwe motor niet te onderwerpen aan belastingen die de nominale belastingen met 70% overschrijden, in ieder geval tijdens de eerste 50 werkuren.
Hieronder volgt een lijst met storingen die voor kunnen komen, met de respectievelijke oorzaken en mogelijke oplossingen. Als er storingen zijn die niet in deze lijst voorkomen, kunt u advies vragen bij een bevoegd klantenservicecentrum. 1 Wanneer de groene START-knop (nr. 25 fig. 5) op het bedieningspaneel wordt ingedrukt, werkt de generator niet. Oorzaken en oplossingen:
1.1 Controleer of de rode schakelaar (nr. 27 fig. 5) in de
1.2 Stroomsnoeren zijn los.
(Door bevoegd personeel laten controleren).
1.3 Geen stroomvoorziening naar startmotor.
(Door bevoegd personeel laten controleren).
1.4 Aarddraad van de generator niet aangesloten.
(Door bevoegd personeel laten controleren). 2 De startmotor draait, maar de generator wil niet starten. Oorzaken en oplossingen:
Controleer of het rode waarschuwingslampje (nr. 6 fig. 5) op het bedieningspaneel knippert tijdens het starten. Olieniveau controleren en eventueel bijvullen (zie Onderhoud).
2.3 De veiligheidsschakelaar (nr. 7 fig. 6 en 14) is in de
(Door bevoegd personeel laten controleren).
2.6 Er gaat geen brandstof naar de carburateur.
(Door bevoegd personeel laten controleren). 3 De generator slaat af. Oorzaken en oplossingen:
Controleren en bijvullen. (Zie Onderhoud).
3.3 Luchtfilter is vies.
(Door bevoegd personeel laten controleren). 4 De generator produceert geen stroom Oorzaken en oplossingen:
4.1 Thermoschakelaar is uitgeschakeld.
Aanzetten door op de schakelaars te drukken (nr. 10 fig. 6 en 14) voor 230V A.C., (nr. 11 fig. 6 en 14) voor 12V D.C.
4.2 Condensator (nr. 19 fig. 8) is beschadigd.
(Door gekwalificeerd personeel laten controleren).
4.3 Diodenbrug (nr. 21 fig. 8) is beschadigd.
In dit geval werken alleen de 12V D.C. en de groene LED op het controlepaneel niet. (Door gekwalificeerd personeel laten controleren).
4.4 Rotordioden zijn beschadigd.
(Door gekwalificeerd personeel laten controleren).
4.5 Frequentie te laag.
(Door gekwalificeerd personeel laten controleren). 5 De geleverde stroom produceert schommelingen Oorzaken en oplossingen:
Laat de carburateur schoonmaken door gekwalificeerd personeel.
LET OP Maak alleen gebruik van originele reserveonderdelen. De generator kan worden beschadigd als er nietoriginele onderdelen worden gebruikt die andere kwaliteitsnormen kennen. Goed en regelmatig onderhoud zijn van essentieel belang om de generator op maximaal vermogen te laten werken. Bovendien zal de generator bij regelmatig onderhoud langer meegaan. GEVAAR Voordat u controles of onderhoudswerkzaamheden gaat uitvoeren aan de generatorgroep, moet u de veiligheidsschakelaar (nr. 7 fig. 6 en 14) naar positie „O“ draaien, om te voorkomen dat de eenheid per ongeluk wordt gestart.
Om deze werkzaamheden uit te kunnen voeren moet eerst de deur van de generator worden geopend. Hierbij dienen de volgende maatregelen in acht genomen te worden:
1) De generator moet in een volledige stilstandspositie zijn
en alle onderdelen moeten afgekoeld zijn.
2) Laat de eenheid afkoelen.
3) Zet de veiligheidsschakelaar in positie „0“.
N.B. Zet hem na de controle weer in positie „I“. OLIEPEILCONTROLE
1) Verwijder de olievuldop (nr. 9 fig. 8) en maak de peilstok
2) Breng de peilstok terug door hem er weer volledig in te
3) Verwijder de peilstok en controleer of het olieniveau
tussen de minimum- en maximumniveaus ligt. Zo niet, bijvullen met de aanbevolen olie.
4) Breng de dop weer aan.
LET OP Alle controles moeten worden uitgevoerd terwijl de generatorgroep waterpas staat. controle verversen
(2) Toerentalof frequentie afstellen
(2) Benzineslangen controle Iedere twee jaar (2)(eventueel vervangen)N.B. (1): In stoffige gebieden vaker schoonmaken(2): Alleen door vakpersoneel laten uitvoerenREGULIERE PERIODES TUSSEN ONDERHOUDSBEURTENuitvoeren met de tussenperiodes of na de werkurendie in de tabel worden gegeven, afhankelijk van desituatie die zich het eerst voordoet.Iedere anno
300 uurIedere6 maa. 100 uurEerstemaand 20 uurIedere3 maa. 50 uurMotorolieIedergebruik34
Voor sommige onderhoudswerkzaamheden kan de eenheid na het losdraaien van de klemschroeven (nr. 28 fig. 7 en 15) uit de behuizing worden getrokken.
5.3.1 OLIE VERVERSEN
Maak gebruik van detergent-olie voor viertaktmotoren, klasse API SG of SF (aangegeven op oliecontainer) met een SAE-viscositeit die geschikt is voor het klimaat (zie tabel). Om de olie er gemakkelijker uit te laten lopen kunt u de motor ongeveer 3 - 5 minuten laten lopen. Vervolgens loost u de olie terwijl de motor nog warm is, zodat de olie na het verwijderen van de afvoerklep (nr. 8 fig 8 en 15) sneller en vollediger via de afvoerpijp (nr. 2 fig. 8 en 15) naar buiten stroomt. Aanvullen met de aanbevolen olie via de vulklep (nr. 9 fig. 8) Tabel 2 toont de hoeveelheid olie in de oliepan. Model Liters 2500 0,6 4000 1,1 5500 1,1 TAB. 2 GEVAAR
- U kunt zich aan de hete olie verbranden.
- Wanneer u de motor met weinig olie laat lopen, kan de motor zelf ernstige schadeoplopen.
- Controleer het olieniveau wanneer de motor stil staat. LET OP Laat de gebruikte olie niet op de grond lopen. De olie dient te worden opgevangen en overgeleverd aan gekwalificeerde bedrijven voor verwerking volgens de plaatselijk geldende regels.
5.3.2 ONDERHOUD LUCHTFILTER
LET OP Een vervuild luchtfilter vermindert de luchtstroom naar de carburateur. Om de carburateur goed te laten werken moet u het filter regelmatig controleren. Vaker controleren wanneer de motor in stoffige gebieden wordt gebruikt. GEVAAR Maak voor het schoonmaken van het luchtfilter nooit gebruik van dieselolie of oplosmiddelen met een laag verdampingspunt, aangezien dit brand of ontploffingen kan veroorzaken. Laat de motor nooit zonder luchtfilter lopen, aangezien hij in korte tijd beschadigd kan raken. 1 Controleer beide patronen. Vervang ze als er gaten of scheuren in zitten (model 1000 H/HG is uitgerust met één patroon). 2 Patroon van schuimrubber: wassen met een neutrale reinigingsoplossing en goed afspoelen. Laat de patroon volledig opdrogen en vervolgens doorweken i n schone motorolie. Overtollige olie uitwringen. 3 Patroon van papier: enkele malen zacht tegen een hard oppervlak slaan om het vuil te verwijderen, of perslucht van binnen naar buiten door het filter blazen. Probeer het vuil niet weg te borstelen: hierdoor zou het vuil alleen maar in de vezels komen. Als de papieren patroon te vies is dient u hem te vervangen.
Maak nooit gebruik van bougies met andere thermische waarden. 1 Verwijder de bougiestekker (nr. 1 fig. 8) en maak gebruik van een geschikte bougiesleutel om de bougie te verwijderen. 2 Controleer de bougie. Als hij versleten is of de isolator beschadigd of aangetast is, dient u hem te vervangen. Maak de bougie schoon met een ijzeren borstel als hij opnieuw moet worden gebruikt. 3 Meet de afstand tussen de elektroden met behulp van een diktemeter. De afstand moet 0,7 - 0,8 mm zijn. Indien nodig aanpassen door de zij-electrode te buigen. 4 Controleer of de afdichtring van de bougie in goede conditie verkeerd en schroef hem met de hand vast en zorg ervoor dat hij goed recht zit. 10W 30 -30° -20° -10° 0 10° 20° 30° 40° KamertemperatuurMULTIGRADE SG / SF Warme klimatenKoude klimaten15W 5035 5 Na de montage de bougie vastdraaien met behulp van een bougiesleutel met het juiste aandrijfmoment. LET OP Bij de montage van een nieuwe bougie dient u deze een halve slag te draaien nadat hij stevig tegen de afdichting is geplaatst. Wanneer u dezelfde bougie opnieuw gebruikt is een 1/8 1/4 slag voldoende. PAS OP De bougie moet goed worden vastgedraaid. Een losse bougie kan zeer heet worden en de motor beschadigen.
5.3.4 SPANNINGSREGELING
De regeling dient te worden uitgevoerd als de motor warm is en de generator zonder belasting loopt. Controleer de spanning van de generator door middel van een testapparaat of voltmeter verbonden met de stekkerbus van 230V of de aansluitklemmen (nr. 17-18 fig. 6 en 14) van de generator. De spanning moet tussen 230 en 240 Volt liggen. Als deze waarden niet worden gemeten moet u de stroomregelschroef (nr. 32 fig. 10 en 15) bijstellen. Met de wijzers van de klok meedraaien om de spanning te verhogen. Tegen de wijzers van de klok in draaien om zowel het toerental als de spanning te verlagen.
De eenheid mag alleen door gekwalificeerd werkplaatsen worden gedemonteerd.
7.0 WAT TE DOEN BIJ BRAND
In het geval van brand mag u de generatorbehuizing niet openen en moet u gebruik maken van de goedgekeurde brandblussers.36
ype synchroon, enkelfasig, zelfregulerend, zelfbekrachtigend, tweepolig, b orstelloos Max. piekvermogen W 2200 3800 5300 Voor continu gebruik W 2000 3500 4500
fmetingen (Lengte x Breedte x Hoogte)
230-12V-klemborduitgang diodenbrug uurmeter stopschakelaar choke-knop startknop in-bedrijflampje waarschuwingslampje brandstof lampje lage oliestand 9-polige stekker afstandbediening startschakelaar startmotor elektromagneet voor koude start startspoel stroomopwekker voertuigaccu extra accu bran dstoflampje besturingseenheid omkeerschakelaar AG102/AG113 oil alert 12V thermoschakelaar 230V thermoschakelaar weerstand 230V-externe aansluiting condensator motor bedieningspaneel diode conden sator noodstopschakelaar 0 / 1 elektronische regelaar AG 111 Rif
230-12V-klemborduitgang diodenbrug uurmeter stopschakelaar choke-knop startknop in-bedrijflampje waarschuwingslampje brandstof lampje lage oliestand 9-polige stekker afstandbediening startschakelaar startmotor elektromagneet voor koude start startspoel stroomopwekker voertuigaccu extra accu bran dstoflampje besturingseenheid omkeerschakelaar AG 102/AG 113 oil alert 12V thermoschakelaar 230V thermoschakelaar weerstand 230V-externe aansluiting condensator motor bedieningspaneel diode conden sator noodstopschakelaar 0 / 1 elektronische regelaar AG 111 diode elektromagnetische gask lep Rif
SimpelGids