VARIO 1000I - Generator SDMO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis VARIO 1000I SDMO in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Generator in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding VARIO 1000I - SDMO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. VARIO 1000I van het merk SDMO.
GEBRUIKSAANWIJZING VARIO 1000I SDMO
Gebruiks- en onderhoudshandleiding (Vertaling van de oorspronkelijke handleiding)
Inhoudsopgave 1. Voorwoord 5. Het stroomaggregaat onderhouden 2. Instructies en veiligheidsvoorschriften (bescherming van personen) 6. Vervoer en opslag van het stroomaggregaat 3. Ingebruikname van het stroomaggregaat 7. Diagnose van kleine storingen 4. Gebruik van het aggregaat 8. Technische specificaties
1. Voorwoord Voor ieder gebruik moet u deze handleiding nauwlettend lezen. Bewaar hem tijdens de hele levensduur van het stroomaggregaat en houd u zorgvuldig aan de veiligheids-, gebruiks- en onderhoudsvoorschriften van het aggregaat die hierin gegeven worden.
LET OP De informatie van deze handleiding is gebaseerd op de technische gegevens die beschikbaar waren bij het ter perse gaan (de afgebeelde foto's in deze handleiding hebben geen enkele contractuele waarde). Met het oog op de permanente verbetering van de kwaliteit van onze producten, kunnen deze gegevens zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. U kunt via onze website (www.sdmo.com) de originele Franse gebruiksaanwijzing bestellen. In deze handleiding worden gevaren aangegeven door de volgende twee symbolen:
GEVAAR Direct gevaar. Wijst op een dreigend gevaar dat de dood of ernstige verwonding tot gevolg kan hebben. Het niet opvolgen van de aangegeven instructies kan ernstige gevolgen hebben voor de gezondheid en het leven van blootgestelde personen.
LET OP Potentieel gevaar. Wijst op een mogelijk gevaarlijke situatie. Het niet opvolgen van de aangegeven instructies kan lichte verwondingen van blootgestelde personen of materiële schade tot gevolg hebben.
1.1. Identificatie van het aggregaat De identificatieplaat van het stroomaggregaat is gelijmd aan de binnenkant van een van de twee zijplaten of op de chassis. Voorbeeld van identificatieplaat (A): Model (H): Stroomsterkte (B): CE/GOST-merkteken (I): Frequentie van de (indien van toepassing) stroom (C): Gegarandeerd (J): Spanning van de stroom geluidsvermogenniveau (D): Maximaal vermogen (K): Beschermingsindex (E): Nominaal vermogen (L): Referentienorm (F): Vermogensfactor (M): Serienummer (G): Massa De serienummers worden gevraagd in geval van reparatie of bij het bestellen van onderdelen. Noteer de serienummers van het stroomaggregaat en van de motor om ze te bewaren hieronder. Serienummer van het stroomaggregaat : ……../………….. - ……..……..….…. - ……… Motormerk : ……………………………………….. Serienummer van de motor: ……………………………………….. (Bijv. Kohler (SERIAL NO. 4001200908))
2. Instructies en veiligheidsvoorschriften (bescherming van personen) De instructies en veiligheidsvoorschriften moeten aandachtig worden gelezen en beslist in acht genomen om het leven of de gezondheid van mensen niet in gevaar te brengen. In geval van twijfel over het begrijpen van deze instructies, neemt u contact op met de dichtstbijzijnde vertegenwoordiger.
2.1. Betekenis van de op het stroomaggregaat aanwezige pictogrammen
Gevaar: Gevaar: Aarding gevaar voor elektrische spanning risico van brandwonden GEVAAR: 1 - Zie de bij het stroomaggregaat geleverde documentatie. 2 - Uitstoot van giftige uitlaatgassen. Niet gebruiken in een gesloten of slecht geventileerde ruimte. 3 - Stop de motor alvorens brandstof bij te vullen. 3
2.2. Algemene instructies Stroomaggregaten van het gamma voor het grote publiek (niet professioneel) zijn uitsluitend bestemd voor huishoudelijk gebruik en mogen niet gebruikt worden door vakmensen bij het uitoefenen van hun beroep. Laat nooit anderen het aggregaat gebruiken zonder dat zij vooraf de nodige instructies hebben gekregen. Laat nooit een kind aan het stroomaggregaat zitten, zelfs niet als dit niet draait en laat het stroomaggregaat niet werken in aanwezigheid van dieren (angst, nervositeit, enz). Houd u in alle gevallen aan de ter plaatse geldende reglementen inzake het gebruik van stroomaggregaten.
2.3. Risico van elektrocutie ELEKTROCUTIEGEVAAR De stroomaggregaten leveren elektrische stroom tijdens hun gebruik, houd u aan de geldende wetgeving en aan de installatie- en gebruiksvoorschriften die in deze handleiding staan. Sluit het aggregaat niet rechtstreeks aan op andere spanningsbronnen GEVAAR (bijvoorbeeld het openbare stroomverdeelnet); installeer een bronkeuzeschakelaar. Gebruik kabels met een soepele en stevige rubber mantel, conform IEC 60245-4 of gelijkwaardige kabels en zorg dat ze in perfecte staat zijn. Houd u aan de kabellengtes zoals aangegeven in de tabel van de paragraaf (Sectie van de kabels). Verbind de apparaten van klasse I met het stroomaggregaat met behulp van een geaarde kabel (groen/gele draad); deze aardleiding is niet noodzakelijk voor apparaten van klasse II. Gebruik slechts een elektrisch apparaat van klasse I per stopcontact. Naargelang de voorwaarden voor het gebruik (A, B of C) moet u zich eveneens houden aan de volgende metingen van de bescherming: A - Indien het stroomaggregaat niet bij de levering uitgerust is met een geïntegreerde aardlekschakelaar (standaardversie met neutraal geïsoleerd van de klem voor de aarding van het stroomaggregaat): - Gebruik een aardlekschakelaar die gekalibreerd is op 30 mA op elk stopcontact van het stroomaggregaat (plaats iedere voorziening op minstens 1 m van het stroomaggregaat en beschermd tegen weer en wind). - In geval van incidenteel gebruik van een of meerdere mobiele of draagbare apparaten is de aarding van het stroomaggregaat niet noodzakelijk. B - Als het stroomaggregaat, bij levering, uitgerust is met een geïntegreerde aardlekschakelaar (versie met neutraal alternator aangesloten op de klem van de aarding van het stroomaggregaat – voor gebruik in schema TN of TT) - In geval van het voeden van een tijdelijke of semi-permanente installatie (bouwplaats, voorstelling, kermisattractie, enz), verbindt u het stroomaggregaat met de aarde*. - In geval van het voeden van een vaste installatie (als noodaggregaat voor het opvangen van een storing van het elektriciteitsnet bijvoorbeeld), moet de elektrische aansluiting van het stroomaggregaat door een gediplomeerde en erkende elektromonteur worden uitgevoerd met inachtneming van de regelgeving die van toepassing is op de plaats van de installatie. C- Mobiele toepassingen (voorbeeld: stroomaggregaat geïnstalleerd op een rijdend voertuig) Stroomaggregaten zijn gemaakt om stationair te werken. Zijn mogen niet op een voertuig of ander mobiel materiaal worden geïnstalleerd als geen voorafgaand onderzoek naar de verschillende bijzonderheden van de installatie en het gebruik van het stroomaggregaat uitgevoerd is. Elk gebruik tijdens de verplaatsing is verboden. Als de aarding niet mogelijk is, verbind dan de klem van de aarding van het stroomaggregaat met de massa van het voertuig. Raak geen losgekoppelde aansluitingen aan of kabels waarvan de isolatie is verwijderd. Neem nooit een aggregaat vast met vochtige handen of voeten. Stel het materieel nooit bloot aan vloeistofspatten of aan weer en wind, en plaats het niet op een natte vloer. Neem, in geval van twijfel, contact op met de dichtstbijzijnde vertegenwoordiger. Om het stroomaggregaat met de aarding te verbinden: bevestig een koperdraad van 10 mm2 aan de klem van de aarding van het stroomaggregaat en aan een gegalvaniseerde stalen aardingspaal die 1 meter diep in de grond zit
2.3.1 Keus van de aansluitingskabels (oppervlak van de kabels) Houd u aan de in deze tabel voorgeschreven oppervlakken en lengtes bij het installeren of bij het gebruik van elektrische verlengsnoeren. Enkelfasig Driefasen Type stroomaggregaat: 10 A 16 A 32 A 10 A 16 A Type aansluiting van het stroomaggregaat: mm² AWG mm² AWG mm² AWG mm² AWG mm² AWG Aanbevolen oppervlak van de kabel: 0 tot 50 m 4 10 6 9 10 7 1.5 14 2,5 12 Lengte van de 51 tot 100 m 10 7 10 7 25 3 2,5 12 4 10 gebruikte kabel 101 tot 150 m* 10 7 16 5 35 2 4 10 6 9 *Deze kabellengte is de maximum toegelaten lengte, deze mag niet worden overschreden. Manier van plaatsen = kabels op kabelgoten of niet geperforeerd paneel / Toegelaten spanningsval = 5% / Meeraderig / Type kabel PVC 70°C (voorbeeld H07RNF) / Omgevingstemperatuur = 30°C.
2.4. Risico's betreffende uitlaatgassen VERGIFTIGINGSGEVAAR Koolmonoxide in uitlaatgassen is dodelijk als de concentratie ervan in de lucht die men inademt te groot is. Gebruik het aggregaat altijd in een goed geventileerde ruimte waar de GEVAAR gassen zich niet kunnen ophopen. Met het oog op de veiligheid en voor de goede werking van het aggregaat, is een goede ventilatie verplicht (risico van vergiftiging, van oververhitting van de motor en van ongevallen of van schade aan apparatuur of omringende goederen). Indien de apparatuur binnen in een gebouw gebruikt wordt, dan moeten de uitlaatgassen worden afgevoerd naar buiten en moet er een geschikte ventilatie zijn, om te voorkomen dat de aanwezige personen of dieren onwel worden.
GEVAAR BRANDGEVAAR Laat het aggregaat nooit werken in de nabijheid van explosieve stoffen (risico van vonken). Verwijder alle ontvlambare of explosieve stoffen (benzine, olie, doeken etc.) tijdens de werking van het stroomaggregaat. Dek het aggregaat nooit af met welk materiaal dan ook terwijl het in werking is of onmiddellijk nadat het is uitgeschakeld: wacht altijd totdat de motor is afgekoeld (minimaal 30 min).
2.6. Risico van brandwonden Raak de motor noch de uitlaatdemper nooit aan terwijl het aggregaat in werking is of onmiddellijk na een stilstand. Wacht tot de motor koud is voordat u er aan gaat werken (minimum 30 minuten). LET OP Hete olie veroorzaakt brandwonden, vermijd contact met de huid. Alvorens aan het systeem te werken, moet u zich ervan vergewissen dat het niet meer onder druk staat. Start de motor nooit of laat deze nooit draaien zonder de olievuldop (risico van oliespatten).
2.7. Instructies voor de bescherming van het milieu Vang de motorolie bij het aftappen op in een daartoe voorziene verzamelbak: laat de olie nooit op de grond vloeien. Voorkom, voor zover mogelijk, dat geluiden tegen muren of andere bouwsels weerkaatsen (versterking van het volume). Als het aggregaat gebruikt wordt op plaatsen met bomen of struikgewas of op begroeid terrein, en als de uitlaatdemper geen vonkenvanger heeft, verwijder dan de begroeiingen over een voldoende brede zone en let goed op dat vonken geen brand kunnen veroorzaken. Als het stroomaggregaat niet langer wordt gebruikt (levenseinde van het product), breng het dan naar een inzamelpunt voor afval.
3. Ingebruikname van het stroomaggregaat 3.1. Verklaring van de illustraties De illustraties van de omslag tonen de verschillende onderdelen van het stroomaggregaat. De procedures van de handleiding verwijzen naar deze merktekens met behulp van letters en cijfers: "A–1" verwijst bijvoorbeeld naar het verwijsnummer 1 van figuur A.
Aarding Inspectieluik Brandstofkraan Verluchtingsregelaar van de brandstoftank Dop van de brandstoftank Starter Starter rewinder Elektrisch stopcontact Modus MAX / ECO
Deksel van het inspectieluik Dop voor het aanvullen en verwijderen van olie
Drukpomp van de tank Controlelampjes A. Werkingslampje B. Overbelastingslampje C. Oliebeveiligingslampje
12 V-stopcontact (indien aanwezig) Deksel om toegang te krijgen tot de bougie Stil 1 2
C Maximum vulniveau voor de olie
Deksel van de luchtfilter Filterelement Reinigen van het filterelement
Verluchtingsregelaar van de brandstoftank: ON/OFF Drukpomp van de tank Brandstofzeef Maximum vulniveau voor de brandstof
Deksel om toegang te krijgen tot de bougie
3.2. Eerste ingebruikname Controleer bij ontvangst van het aggregaat of het materiaal zich in goede staat bevindt en of alle elementen van de bestelling aanwezig zijn. Als het stroomaggregaat voorzien is van een transportbeugel onder de motor, verwijder deze dan. Vul olie bij (indien nodig) en brandstof en sluit de accu aan (indien aanwezig). Verwissel bij het aansluiten nooit de positieve en negatieve klemmen van de accu (indien aanwezig): door het verwisselen kan de elektrische apparatuur ernstig beschadigen. Sommige stroomaggregaten hebben een inloopperiode nodig, neem contact op met de dichtstbijzijnde vertegenwoordiger voor meer inlichtingen.
4. Gebruik van het aggregaat
LET OP Voor het gebruik moet u alle bedieningselementen en gebruiksmogelijkheden kennen en begrijpen. Sluit de brandstofkraan om het stroomaggregaat in geval van nood stil te leggen. Dit stroomaggregaat is bedoeld voor tijdelijke toepassing en is uitsluitend bestemd voor huishoudelijk gebruik.
4.1. De plaats van gebruik kiezen
Stroomaggregaten zijn gemaakt om stationair te werken. Zij mogen niet op een voertuig of ander mobiel materiaal worden geïnstalleerd als geen voorafgaand onderzoek naar de verschillende bijzonderheden van de installatie en het gebruik van het stroomaggregaat uitgevoerd is. Elk gebruik tijdens de verplaatsing is verboden.
Kies een schone, geventileerde en tegen weer en wind beschutte plaats. Plaats het aggregaat op een effen, horizontaal en voldoende stevig oppervlak zodat het stroomaggregaat niet in de grond zakt (het aggregaat mag in geen geval meer dan 10° hellen). De olie- en brandstofvoorraad mag zich niet dichtbij het stroomaggregaat bevinden als deze in werking is of als het stroomaggregaat nog warm is.
4.2. Controleer de algemene staat van het stroomaggregaat (bouten en moeren, slangen) Controleer vóór iedere start en na ieder gebruik het hele aggregaat om storing of beschadiging te voorkomen.
Controleer alle buizen en slangen om zeker te zijn dat ze in goede staat zijn en niet lekken. Het vervangen van buizen of slangen moet door een vakman worden uitgevoerd, raadpleeg de dichtstbijzijnde vertegenwoordiger. Trek alle bouten na waarop speling zou kunnen zitten. Het natrekken van de cilinderkopbouten moet door een vakman worden uitgevoerd, raadpleeg de dichtstbijzijnde vertegenwoordiger.
4.3. Het peil van de motorolie controleren en bijvullen
Voordat het stroomaggregaat kan worden opgestart, moet altijd eerst het peil van de motorolie worden gecontroleerd. Bijvullen met de aanbevolen olie (zie § Karakteristieken) en met behulp van een trechter, tot aan de bovengrens van de peilstok.
Open het inspectieluik (fig. A – pos. 2). Schroef de olievuldup los (fig. B – pos. 2). Controleer het oliepeil : bij een vlak opgesteld aggregaat moet de olie tot aan de vulopening reiken. Vul indien nodig bij met behulp van een trechter. Schroef de vuldop weer terug. Veeg gemorste olie weg met een schone doek. Sluit het inspectieluik weer.
4.4. Het peil van de brandstof controleren en bijvullen
Bij het tanken van brandstof moet de motor gestopt zijn en moeten de veiligheidsinstructies en geldende wetgeving in acht genomen worden. Plaats, vóór het openen van de tankdop, de schuif van de ventilatie altijd op de stand ON.
Sluit de brandstofkraan (A–3). Plaats de schuif van de ventilatie van de tankdop op de stand ON (A–4 & C–1). Draai de vuldop van de brandstoftank los (A–5). Controleer het brandstofpeil visueel (C–3). Vul bij, inden nodig: Vul de brandstoftank met behulp van een trechter tot de vullimiet en let daarbij op dat u geen brandstof morst. Gebruik alleen zuivere brandstof die geen water bevat. (SP95-E10 ; SP95-E15 ; SP-95-E85 verboden). Overvul de tank niet (er mag geen brandstof in de vulpijp staan). Controleer altijd na het tanken of de tankdop degelijk is gesloten. Vergewis u ervan indien brandstof werd gemorst, dat deze is opgedroogd en de dampen zijn verdreven alvorens het stroomaggregaat in werking te stellen. LET OP Draai de dop van de brandstoftank weer vast. Plaats de schuif van de ventilatie van de tankdop op de stand 'O OFF'.
4.5. Het stroomaggregaat starten Om het aggregaat te starten na een stilstand van meer dan 10 minuten of wanneer het brandstofpeil tot onder de helft is gezakt, dient u de tank op druk te brengen met behulp van de daarvoor bestemde pomp.
Plaats het pijltje op de ventilatieknop voor de brandstoftank op ON (A–4 & C–1). Open de brandstofkraan (A–3). Zet het hendeltje van de choke (A–6) in de stand “
Trek eenmaal langzaam aan de trekstarter (A-7) tot u weerstand voelt en laat hem daarna voorzichtig terugkomen. Trek vervolgens snel en krachtig aan de trekstarter totdat de motor start. Opmerking: Tijdens de eerste start of na een lange periode van opslag is het soms nodig om tien keer aan de trekstarter te trekken. Zet de choke langzaam in de stand “
” en laat het aggregaat enkele minuten draaien voordat u het gebruikt.
4.5.1 Gebruik van de pomp voor het onder druk zetten van de tank De brandstoftank moet op druk gebracht worden met behulp van de pomp: na een stilstand van het aggregaat van meer dan 10 minuten, wanneer het brandstofpeil tot ten minste halverwege de tank gezakt is. De pomp voor het op druk brengen van de tank mag niet vaker dan tien keer worden ingedrukt. Gebruik de pomp voor het op druk brengen van de brandstoftank nooit als het brandstofpeil hoger staat dan halverwege de tank of terwijl het aggregaat in werking (risico op schade aan het aggregaat). OPGELET
Zet het pijltje op de ventilatieknop voor de brandstoftank op OFF (C–1). Duw de pomp voor het op druk brengen van de tank (C–2), maximaal tien keer in. Start het aggregaat en laat het pijltje op de ventilatieknop voor de brandstoftank op OFF staan. Plaats zodra het aggregaat gestart is het pijltje op de ventilatieknop voor de brandstoftank op ON. Zet de choke langzaam in de stand “
” en laat het aggregaat enkele minuten draaien voordat u het gebruikt.
4.6. De geleverde elektriciteit gebruiken
Controleer of het werkingslampje brandt (A–11, A). Schakel modus « MAX » of « ECO » aan (A–9). Schakel het apparaat op het stopcontact van het stroomaggregaat aan (A–8).
Bij overbelasting of kortsluiting dooft het werkingslampje (A–11, A) en brandt het overbelastingslampje (A–11, B) : leg de stroomaggregaat stil en doe de overbelasting verdwijnen.
4.6.1 Gebruik van de MAX-ECO modus Dit aggregaat is voorzien van een motor met variabel toerental, zodat de gebruiker de werking van het aggregaat kan aanpassen aan zijn behoefte. Dit is de modus MAX-ECO (A–9). MAX – I : Als de knop in de stand “M MAX” staat, kan het aggregaat veel stroom leveren. ECO – O : De stand “E ECO” kan gebruikt worden voor kleine belastingen. Het aggregaat verbruikt dan minder en is stiller.
4.6.2 Gebruik van het 12 V stopcontact GEVAAR VAN VERGIFTIGING OF EXPLOSIE Volg de voorschriften van de fabrikant van de accu. Gebruik alleen geïsoleerd gereedschap. Gebruik nooit zwavelzuur of aangezuurd water om de elektrolyt bij te vullen. Plaats de accu nooit in de buurt van een vlam of vuur. Ventileer GEVAAR voldoende tijdens het opladen. Sommige modellen stroomaggregaten zijn uitgerust met een 12 V (A-12) stopcontact dat uitsluitend gebruikt mag voor apparaten die werken op 12 V, altijd met gebruik van een accu (type auto-accu) als buffer. Dit stopcontact kan ook gebruikt worden voor het kortstondig opladen van de accu's. Het stroomaggregaat heeft geen ladingcontroleur, het laden is dus niet geregeld of gelimiteerd. Houd u altijd aan de oplaadtijden en controleer regelmatig de accu met behulp van een densimeter (zuurweger). Nooit zonder toezicht laten. Maak de accu altijd los van het stroomaggregaat als het opladen is beëindigd (permanent laden = risico op beschadiging). Laat de accu niet op het voertuig aangesloten en probeer nooit het voertuig te starten LET OP tijdens het opladen. Houd u aan de polariteiten en sluit de kabels aan voordat u het stroomaggregaat start.
Als het stroomaggregaat draait, stop het dan (cf. § Het stroomaggregaat stoppen). Sluit de 12 V kabels aan op het 12 V stopcontact van het stroomaggregaat en op de accupolen (rood: + ; zwart: -). Start het stroomaggregaat. Als de vermogensschakelaar in werking komt, stop dan het stroomaggregaat en maak de accu los. Zet het stroomaggregaat in de MAX modus (A-9). Houd het laden in de gaten en controleer regelmatig de accu. Het gebruik van de andere stopcontacten van het stroomaggregaat is dan mogelijk. Leg, als het laden klaar is, het stroomaggregaat stil voordat u de 12 V kabels loskoppelt.
4.7. Het stroomaggregaat stoppen
Schakel de apparaten uit en maak ze los. Laat de motor gedurende 1 of 2 min. onbelast draaien. Sluit de brandstofkraan (A–3) en plaats de schuif van de ventilatie van de brandstoftank op "OFF" (A–3). Het stroomaggregaat valt stil. Zorg altijd dat het stroomaggregaat degelijk wordt geventileerd. Zelfs na het uitschakelen, blijft de motor nog warmte afgeven. LET OP
5. Het stroomaggregaat onderhouden De uit te voeren onderhoudswerkzaamheden zijn beschreven in de onderhoudstabel. De aangegeven frequentie geldt ter indicatie en voor aggregaten die gebruikt worden met brandstof en olie die voldoen aan de specificaties die zijn aangegeven in deze handleiding. Kort de onderhoudsintervallen in afhankelijk van de gebruiksomstandigheden van het stroomaggregaat en de behoefte (reinig bijvoorbeeld het luchtfilter frequenter bij gebruik in een stofrijke omgeving).
5.1. Nut van onderhoud Met het oog op de veiligheid, moet het onderhoud van het stroomaggregaat regelmatig en zorgvuldig door personen die beschikken over de benodigde ervaring en geschikt gereedschap beschikken. Garantie is uitgesloten in geval van niet opvolgen van de onderhoudsvoorschriften. Voor vragen of bijzonder onderhoud, neem contact op met de dichtstbijzijnde agent, die u raad kan geven en hulp kan bieden.
5.2. Tabel met onderhoudsintervallen Uitvoeren bij het bereiken van de 1e termijn
Controleer de algemene staat Stroomaggregaat
Elke maand / 10 uren
X Het peil controleren
Elk(e) jaar / 300 uren
X X X Het zeeffilter reinigen Het filter vervangen (indien aanwezig)
X X De slangen en de tank reinigen* Luchtfilter
Elke 6 maanden/ 100 uren
Het stroomaggregaat reinigen
Het peil controleren Brandstof
Het filter reinigen / vervangen
Kleppen De speling instellen* * Deze handelingen moeten door een van onze technici worden uitgevoerd.
5.3. De onderhoudswerkzaamheden uitvoeren Alvorens enig onderhoud uit te voeren: - zet het aggregaat stil, - maak de kap van de ontstekingsbougie los.
LET OP Gebruik uitsluitend originele of gelijkwaardige onderdelen: risico van beschadiging van het aggregaat. Om de onderhoudswerkzaamheden goed te kunnen uitvoeren, is het nodig het toegangsdeksel of controleluik van het stroomaggregaat te openen. Zodra de werkzaamheden klaar zijn dient u deze weer te sluiten of zorgvuldig weer vast te draaien.
5.3.1 Verversen van de olie De gebruikte olie en het filter moeten gerecycled of onschadelijk gemaakt worden volgens de plaatselijk geldende wetgeving. Voor een efficiënter aftappen, is het raadzaam het stroomaggregaat voorafgaan aan het aftappen een tiental minuten te gebruiken om de olie vloeibaarder te maken.
Verwijder, bij lauwe motor, de vul- en aftapdop (B–2). Kantel het stroomaggregaat voorzichtig om de olie in een geschikte opvangbak te laten lopen. Leg het stroomaggregaat niet helemaal op zijn kant. Vul, na het volledig aftappen, weer met de voorgeschreven olie (cf. § Karakteristieken) en controleer het peil. Een te laag of te hoog oliepeil kan de motor van het stroomaggregaat beschadigen. Plaats de vul- en aftapdop weer terug. Controleer of er geen lekken zijn. Veeg alle sporen van olie weg met een schone doek.
5.3.2 Het zeeffilter reinigen EXPLOSIEGEVAAR Houd u aan de plaatselijk geldende wetgeving betreffende de behandeling van olieproducten. Rook niet of maak geen vuur of vonken. GEVAAR Controleer of de dampen verdreven zijn, voordat u het stroomaggregaat start. Bij deze handeling stroomt er brandstof weg, zorg voor een geschikte opvangbak.
Sluit de brandstofkraan (A–3). Verwijder de tankdop (A–5) en het zeeffilter (C–3). Blaas droge perslucht met een lage druk van buiten naar binnen tegen het zeeffilter. Spoel met schone brandstof. Plaats het zeeffilter terug en draai de tankdop zorgvuldig vast.
5.3.3 Vervang van het de brandstoffilter EXPLOSIEGEVAAR Houd u aan de plaatselijk geldende wetgeving betreffende de behandeling van olieproducten. Rook niet of maak geen vuur of vonken. GEVAAR Controleer of de dampen verdreven zijn, voordat u het stroomaggregaat start. Bij deze handeling stroomt er brandstof weg, zorg voor een geschikte opvangbak.
Sluit de brandstofkraan (A–3). Noteer de montagerichting van het filter en bouw het brandstoffilter uit door de slangklemmen te verwijderen (C–1/4). Plaats het nieuwe brandstoffilter, houd u daarbij aan de montagerichting en sluit de slangen weer aan door ze met de slangklemmen vast te zetten. Veeg alle sporen van brandstof weg met een schone doek en controleer of er geen lekkage is.
5.3.4 Reinig of vervang het luchtfilter Gebruik nooit benzine of oplosmiddelen met een laag vlampunt voor het reinigen van het luchtfilterelement (gevaar van brand of explosie). OPGELET
Verwijder het deksel van de filter (D–1).
Verwijder het filterelement (D–2) en controleer het type vervuiling: Droog vuil: Vochtig/olieachtig vuil:
op het filterelement met behulp van een drogepersluchtpistool bij lage druk van binnen uit naar buiten en beweeg het pistool daarbij van boven naar onder totdat al het stof eruit is.
Controleer de staat van het filterelement: vervang hem bij de minste beschadiging van het schuim
Zet het filterelement en zijn deksel terug op hun plaats.
Vervang het filterelement. Zet het filterelement en zijn deksel terug op hun plaats.
5.3.5 Reinigen of vervangen van de bougie
Open het deksel om toegang te krijgen tot de bougie (E–1) en bevestig de ontstekingsbougie met behulp van een bougiesleutel (bijgeleverd). Controleer de staat van de bougie : Indien de elektroden versleten zijn of het isolatiemateriaal gesmolten of afgeschilferd is:
Vervang de bougie. Plaats de nieuwe bougie en draai deze handmatig vast zodat de schroefdraden niet verdraaid worden. Draai de onderkant van de bougie 1/2 met een bougiesleutel om de sluitring dicht te knijpen.
Maak de bougie schoon met een metalen borstel. Contoleer met een vulplaatje de afstand tussen de elektroden : deze moet tussen 0,7 tot 0,8 mm liggen. Controleer de staat van de sluitring. Plaats de nieuwe bougie en draai deze handmatig vast zodat de schroefdraden niet verdraaid worden. Draai de onderkant van de bougie 1/8 of 1/4 met een bougiesleutel om de sluitring dicht te knijpen.
5.3.6 Het stroomaggregaat reinigen Spuit het stroomaggregaat nooit schoon met een waterstraal of met een hogedrukreiniger. LET OP
Verwijder alle stof en vuil rondom de uitlaatdemper (A–14). Was de buitenkant van het stroomaggregaat met een spons en water met mild schoonmaakmiddel (bijvoorbeeld autoshampoo). Het gebruik van zeepsop en afdrogen met een zachte en absorberende doek is ook mogelijk. Spoel met een spons met schoon water elk spoor van schoonmaakmiddel weg.
6. Vervoer en opslag van het stroomaggregaat 6.1. Omstandigheden van vervoer en verplaatsing Controleer voor het vervoeren van de stroomaggregaat, of alle bouten en moeren goed vastzitten, sluit de brandstofkraan (indien aanwezig) en maak de accu los (indien aanwezig). Het stroomaggregaat moet vervoerd worden in zijn normale gebruiksstand, leg het nooit op zijn kant. Behandel het aggregaat voorzichtig en zonder schokken en zorg ervoor dat de plaats waar het aggregaat zal worden opgeslagen of gebruikt op voorhand is klaargemaakt.
6.2. Omstandigheden van de opslag Deze procedure voor de opslag of het overwinteren geldt voor het geval dat het stroomaggregaat meer dan 2 maanden en maximaal 1 jaar niet wordt gebruikt. Als het stroomaggregaat voor een langere periode wordt opgeslagen, adviseren wij contact op te nemen met de dichtstbijzijnde agent of om het stroomaggregaat eens per jaar gedurende enkele uren te laten draaien en na afloop daarvan de opslagprocedure weer uit te voeren. Voor deze handeling moet u een conserveringsmiddel toevoegen in de brandstoftank of de gehele brandstoftank legen (zorg voor een geschikte opvangbak).
Open het controleluik. Houd een geschikte opvangbak bij de hand, en zonder de brandstofkraan te sluiten, opent u de tankdop voordat u het brandstoffiler verwijdert. Laat de brandstof volledig wegvloeien in de opvangbak (aftappen van de tank en de slangen) en plaats vervolgens een nieuw brandstoffilter. Sluit de tankdop, plaats de schuif van de ventilatie op ‘ON’ en gebruik de choke (stand Laat het stroomaggregaat draaien tot het door brandstofgebrek stilvalt.
) om het stroomaggregaat te starten.
Sluit de brandstofkraan en de schuif van de ventilatie (‘OFF’), veeg alle sporen van brandstof weg en controleer of er geen lekkage is. Ververs bij lauwe motor de motorolie. Open het toegangsdeksel van de bougie, verwijder deze (E–2) en giet ongeveer 3 ml (1 soeplepel) schone motorolie door het bougiegat in de cilinder; plaats daarna de bougie terug en sluit het toegangsdeksel weer. Trek 3 tot 4 keer aan de handgreep van de trekstarter (A–7) om de olie in de cilinders te verdelen en ze te beschermen tegen corrosie. Reinig of vervang het luchtfilter (naargelang de staat) en sluit het controleluik. Reinig het stroomaggregaat en dek het aggregaat af met een beschermhoes om het te beschermen tegen stof. Bewaar het aggregaat op een schone en droge plaats. Bewaar het niet op zijn kant liggend.
7. Diagnose van kleine storingen Het stroomaggregaat…
Controleer of: De controles voor het starten zijn uitgevoerd, de controlelamp van de oliebeveiliging is uit.
De startprocedure is gevolgd, de schuif van de ventilatie van de brandstoftank en de brandstofkraan zijn geopend.
JA De brandstoftank is minstens tot de helft gevuld / Het stroomaggregaat heeft minder dan 10 minuten stilgestaan. JA De bougie is correct aangesloten / hoeft niet vervangen te worden. JA De te gebruiken apparaten zijn niet aangesloten voor het starten. JA Het oliepeil is correct, de controlelamp van de oliebeveiliging is uit. JA Het brandstofpeil is goed.
Werkt niet normaal (geluid, rook, enz.)
JA Het onderhoud van de onderdelen van het stroomaggregaat is correct uitgevoerd. JA Laat het stroomaggregaat door een vakman controleren.
Levert geen elektrische stroom
De vermogensschakelaar(s) is/zijn ingeschakeld. JA De aangesloten apparaten of hun elektrische snoer zijn niet defect. JA Laat het stroomaggregaat door een vakman controleren.
NEE NEE NEE NEE NEE NEE NEE NEE NEE NEE Ga over tot de controles.
Volg stap voor stap de startinstructies, open de schuif van de ventilatie van de brandstoftank en de brandstofkraan, indien nodig. Gebruik de pomp voor het onder druk zetten van de brandstoftank volgens de instructies.
Sluit aan, reinig of vervang de bougie. Maak de apparaten los voordat u opnieuw probeert het stroomaggregaat te starten. Vul olie bij. Vul met brandstof of gebruik de pomp voor het onder druk zetten van de brandstoftank volgens de instructies. Voer het onderhoud van het stroomaggregaat conform de voorschriften uit
Controleer de inhoud van het stroomaggregaat en druk op de vermogensschakelaars. Probeer met een ander apparaat en een ander elektrisch snoer.
8. Technische specificaties 8.1. Voorwaarden voor het gebruik De vermelde prestaties van de stroomaggregaten zijn verkregen onder de referentieomstandigheden volgens ISO 8528-1 (2005): Totale atmosferische druk: 100 kPa - Omgevingstemperatuur van de lucht: 25°C (298 K) - Relatieve vochtigheid: 30 %. De prestaties van de aggregaten worden ongeveer 4% verminderd voor elke temperatuurstijging van 10°C en/of ongeveer 1% voor elke toename van de hoogteligging met 100 m. De stroomaggregaten kunnen alleen stationair werken.
8.2. Capaciteit van het stroomaggregaat (overbelasting) Bereken het vereiste elektrische vermogen van de te gebruiken apparaten (in Watt)* alvorens het aggregaat aan te sluiten en in werking te stellen. Overschrijd nooit het totaal van de vermogens (ampère en/of watt) van de gebruikte apparaten noch het nominaal vermogen van het aggregaat tijdens werking in continu bedrijf. *Dit elektrische vermogen staat in de meeste gevallen aangegeven in de technische gegevens of op het typeplaatje van de apparaten. Sommige apparaten hebben meer vermogen nodig bij het starten. Dit minimaal vereiste vermogen mag het maximale vermogen van het stroomaggregaat niet overschrijden.
8.3. Karakteristieken Model van het materiaal Nominaal/Maximaal vermogen Geluidsdrukniveau op 1 m (LpA) / onnauwkeurigheid van de meting Motortype Voorgeschreven brandstof / inhoud van het brandstofreservoir Voorgeschreven olie / inhoud van het oliecarter Oliebeveiliging* Wisselstroom Vermogensschakelaar** Type stopcontacten Type bougie / Accu Afmetingen L x b x h Gewicht (zonder brandstof)
82 dB(A) / 0,70 dB(A)
OLYMP ES 38-1 Benzine zonder lood (SP95E10 ; -E15 ; -E85 niet
toegestaan) / 1,6 L OLYMP ES 100-1 Benzine zonder lood (SP95E10 ; -E15 ; -E85 niet
toegestaan) /2.8 L OLYMP ES 128-1 Benzine zonder lood (SP95E10 ; -E15 ; -E85 niet
toegestaan) / 3,4 L SAE 15W40 / 0,15 L SAE 15W40 / 0,5 L SAE 15W40 / 0,55 L Ja 230 V – 3,2 A Ja
Deze stroomaggregaat is ook conform richtlijn 97/68/CE op de emissie van schadelijke stoffen. *Oliebeveiliging: Als er te weinig olie in het motorcarter is of als de oliedruk te laag is, stopt de oliebeveiliging de motor automatisch om beschadiging te voorkomen. In dat geval dient u het oliepeil van de motor te controleren alvorens op zoek te gaan naar andere oorzaken van storingen. **Vermogensschakelaar: Het elektrisch circuit van het aggregaat is beveiligd door middel van een of meer magnetothermische schakelaars, aardlekschakelaars of thermische schakelaars. Bij een eventuele overbelasting en/of kortsluiting kan de elektrische stroomlevering uitvallen. Vervang, indien nodig, de vermogensschakelaars van het stroomaggregaat door vermogensschakelaars met identieke nominale waarden en karakteristieken.
8.4. EG-conformiteitsverklaring Naam en adres van de fabrikant: SDMO Industries - 12 bis rue de la Villeneuve - CS 92848 29228 BREST Cedex 2 – France.
Beschrijving van de uitrusting:
L. Courtès, gevolmachtigd vertegenwoordiger van de fabikant, verklaart dat de uitrusting beantwoordt aan de volgende Europese Normen: 2006/42/CE Norm machines ; 2006/95/CE Norm laagspanning ; 2004/108/CE Norm voor electromagnetische compatibiliteit ; 2000/14/CE Norm met betrekking tot geluidsverspreiding in de omgeving van de materialen voorzien om buiten gebruikt te worden. Voor de richtlijn 2000/14/CE : Gewaarborgd niveau Procedure van in Gemeten Gemeld organisme : P. toegewezen : van geluidssterkte overeenstemmingbrenging : geluidsvermogensniveau: (LwA) : 92,5 dB(A) 93 dB(A) 720 W CETIM - BP 6794,5 dB(A) 95 dB(A) 1480 W Bijlage VI. F60304 - SENLIS 94,5 dB(A) 95 dB(A) 2000 W Brest, 01/12/2012 L. Courtès, Adjunct-directeur Studies en Projecten.
Notice-Facile