ecoTEC plus VHR NL 25/5-5 S - Ketel VAILLANT - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis ecoTEC plus VHR NL 25/5-5 S VAILLANT in PDF-formaat.
| Type toestel | HR-ketel (hoogrendement) |
| Merk | Vaillant |
| Model | ecoTEC plus VHR NL 25/5-5 S |
| Categorie | CV-ketel met geïntegreerde warmwaterbereiding |
| Afmetingen (B x H x D) | 440 x 720 x 334 mm |
| Nettogewicht | ca. 33 kg |
| Elektrische voeding | 230 V / 50 Hz (190-253 V) |
| Max. elektrisch vermogen | 80 W |
| Stand-by vermogen | < 2 W |
| Beschermingsgraad | IP X4 D |
| Gasaansluiting | 15 mm (dubbele klemkoppeling) |
| CV-aanvoer/retour | 22 mm |
| Warmwater- en koudwateraansluiting | G 3/4 inch |
| Condensafvoer | min. 19 mm |
| Rookgasaansluiting | 80/80 mm parallel (optioneel 80/125 concentrisch) |
| Max. rookgasleidinglengte | 16 m (incl. 2 bochten en dakdoorvoer) |
| Max. aanvoertemperatuur CV | 75 °C (instelbaar) |
| Warmwatertemperatuur | 35-65 °C (instelbaar) |
| CV-deellast | Automatisch of handmatig instelbaar |
| Pomp | Hoogefficiënte pomp met modulerend toerental |
| Gasgroep (standaard) | Aardgas G25 (25 mbar), ook propaan G31 mogelijk |
| Gaskeur | Basis, HR107, SV, CW5 |
| CE-keurmerk | CE-0085CM0321 |
| Onderhoudsinterval | Instelbaar, richtwaarde ca. 2800 bedrijfsuren bij 25 kW |
Veelgestelde vragen - ecoTEC plus VHR NL 25/5-5 S VAILLANT
Gebruikersvragen over ecoTEC plus VHR NL 25/5-5 S VAILLANT
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Ketel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding ecoTEC plus VHR NL 25/5-5 S - VAILLANT en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. ecoTEC plus VHR NL 25/5-5 S van het merk VAILLANT.
GEBRUIKSAANWIJZING ecoTEC plus VHR NL 25/5-5 S VAILLANT
Installatie- en onderhoudshandleiding

1.1 Waarschuwingen bij handelingen.... 4
1.2 Vereiste kwalificatie van het personeel 4
1.3 Algemene veiligheidsinstructies .... 4
1.4 Voorschriften (richtlijnen, wetten, normen)...... 6
2 Aanwijzingen bij de documentatie.... 7
2.1 Aanvullend geldende documenten in acht nemen.... 7
2.2 Documenten bewaren 7
2.3 Geldigheid van de handleiding 7
3 Productbeschrijving 7
3.1 CE-markering.... 7
3.2 Gaskeur 7
3.3 Gegevens op het typeplaatje.... 7
3.4 Productopbouw.... 8
3.5 Productopbouw.... 9
4 Montage.... 9
4.1 Product uitpakken.... 9
4.5 Montagesjabloon gebruiken 10
4.6 Product ophangen 11
4.7 Frontmantel de-/monteren 11
4.8 Zijdeel de-/monteren.... 11
5 Installatie 12
5.1 Installatievoorwaarden.... 12
5.2 Gasaansluiting installeren 13
5.3 Koud- en warmwateraansluiting installeren...... 13
5.4 Boileraansluitingen installeren.... 13
5.5 CV-aanvoer en CV-retour aansluiten 13
5.6 Condensafvoerleiding aansluiten 14
5.7 Afvoerbuis aan de veiligheidsklep monteren ..... 14
5.8 Rookgasinstallatie.... 14
5.9 Elektrische installatie 17
6 Bediening 19
6.1 Bedieningsconcept 19
6.2 Installateurniveau oproepen 19
6.3 Live monitor (statuscodes) 19
6.4 Warmwatertemperatuur instellen.... 19
7 Ingebruikname 20
7.1 Product in-/uitschakelen 20
7.2 Installatieassistent doorlopen 20
7.3 Installatieassistent opnieuw starten.... 20
7.4 Gasfamiliecontrole uitvoeren 21
7.5 Controleprogramma's 21
7.6 Controleprogramma's gebruiken 21
7.7 Verwarmingswater/vul- en bijvulwater controleren en conditioneren ....
7.8 Te lage waterdruk vermijden 23
7.9 CV-installatie vullen 23
7.10 CV-installatie ontluchten.... 23
7.11 Warmwatersysteem vullen en ontluchten.... 23
7.12 Sifonbeker vullen 24
7.13 Gasinstelling 24
7.14 Functie en dichtheid controlleren 25
8 Aanpassing aan de CV-installatie 26
8.1 Diagnosecodes oproepen.... 26
8.2 CV-deellast instellen.... 26
8.3 Pompnalooptijd en pompmodus instellen.... 26
8.4 Maximale aanvoertemperatuur instellen.... 26
8.5 Retourtemperatuurregeling instellen 26
8.6 Branderwachttijd...... 26
8.7 Onderhoudsinterval instellen.... 27
8.8 Pompvermogen instellen 27
8.9 Overstroomklep instellen 28
8.10 Tapwaternaverwarming op zonne-energie instellen.... 28
8.11 Product aan de gebruiker opleveren 28
9 Inspectie en onderhoud 28
9.1 Reserveonderdelen aankopen 29
9.2 Functiemenu.... 29
9.3 Zelftest elektronica.... 29
9.4 Compacte thermomodule demonteren.... 29
9.5 Warmtewisselaar reinigen 30
9.6 Brander controlleren.... 30
9.7 Sifonbeker vullen 30
9.8 Zeef in koudwateringang reinigen 30
9.9 Compacte thermomodule inbouwen.... 31
9.10 Product leegmaken.... 31
9.11 Voordruk van het expansievat controleren...... 31
9.12 Inspectie- en onderhoudswerkzaamheden afsluiten 31
10 Verhelpen van storingen.... 31
10.1 Servicemeldingen controleren 31
10.2 Fouten verhelpen.... 32
10.3 Foutgeheugen oproepen/wissen 32
10.4 Parameters naar fabrieksinstellingen resetten .... 32
10.5 Reparatie voorbereiden 32
10.6 Defecte componenten vervangen.... 32
10.7 Reparatie afsluiten.... 35
11 Buitenbedrijfstelling 35
11.1 Product tijdelijk buiten bedrijf stellen 35
11.2 Product buiten bedrijf stellen 35
12 Recycling en afvoer.... 36
12.1 Recycling en afvoer 36
13 Fabrieksklantenservice.... 36
Inspectie- en onderhoudswerkzaamheden - overzicht 43
D Statuscodes - overzicht 44
E Overzicht foutcodes 45
F Gaskeurlabel 48
G Bedradingsschema's.... 49
G.1 Bedradingsschema VHR 20 - 34 kW.... 49
G.2 Bedradingsschema VHR 37 kW 50
G.3 Bedradingsschema VHR...S 25 - 35 kW ..... 51
1.1 Waarschuwingen bij handelingen
Classificatie van de waarschuwingen bij handelingen
De waarschuwingen bij handelingen zijn als volgt door waarschuwingstekens en signaal- woorden aangaande de ernst van het potenti- ele gevaar ingedeeld:
Waarschuwingstekens en signaalwoorden

Gevaar!
Direct levensgevaar of gevaar voor ernstig lichamelijk letsel

Gevaar!
Levensgevaar door een elektrische schok

Waarschuwing!
Gevaar voor licht lichamelijk letsel

Opgelet!
Kans op materiële schade of milieu- schade
1.2 Vereiste kwalificatie van het personeel
Ondeskundige werkzaamheden aan het product kunnen materiële schade aan de volledige installatie en als gevolg daarvan zelfs lichamelijk letsel veroorzaken.
- Voer alleen werkzaamheden aan het product uit als u een geautoriseerde installateur bent.
1.3 Algemene veiligheidsinstructies
Er kan bij ondeskundig of oneigenlijk gebruik gevaar ontstaan voor lijf en leven van de gebruiker of derden resp. schade aan het product en andere voorwerpen.
Het product is als warmtebron voor gesloten warmwater-CV-installaties en de warmwater- bereiding bestemd.
De in de handleiding genoemde producten mogen alleen in combinatie met het in de van toepassing zijnde documenten vermeld toebehoren voor de VLT/VGA worden geïnstalleerd en gebruikt.
Uitzonderingen: bij installatietypes B23P volgt u de aanwijzingen uit de voorhanden handleiding.
Het reglementaire gebruik houdt in:
- het naleven van de bijgevoegde gebruiks-, installatie- en onderhoudshandleidingen ti- van het product en van alle andere componenten van de installatie - de installatie en montage conform de product- en systeemvergunning - het naleven van alle in de handleidingen vermelde inspectie- en onderhoudsvoorwaarden.
Het reglementaire gebruik omvat bovendien de installatie conform de IP-klasse.
Een ander gebruik dan het in deze handleiding beschreven gebruik of een gebruik dat van het hier beschreven gebruik afwijkt, geldt als niet reglementair. Als niet reglementair gebruik geldt ook ieder direct commercieel of industrieel gebruik.
Attentie!
leder misbruik is verboden.
1.3.2 Levensgevaar door lekkend gas
Bij gaslucht in gebouwen:
▶ Vermijd ruimtes met gaslucht.
- Doe, indien mogelijk, deuren en ramen wijd open en zorg voor tocht.
▶ Vermijd open vuur (bv. aansteker, lucifer).
▶ Niet roken.
- Bedien geen elektrische schakelaars, geen stekkers, geen deurbellen, geen telefoons en andere communicatiesystemen in het k gebouw.
- Sluit de gasteller-afsluitkraan of de hoofdkraan.
- Sluit, indien mogelijk, de gaskraan op het product.
- Waarschuw de huisbewoners door te roepen of aan te kloppen.
- Verlaat onmiddellijk het gebouw en verhinder het betreden door derden.
- Alarmeer politie en brandweer zodra u buiten het gebouw bent.
- Neem contact op met de storingsdienst van het energiebedrijf vanaf een telefoon-aansluiting buiten het gebouw.
1.3.3 Levensgevaar door afgesloten of ondichte rookgastrajecten
Door installatiefouten, beschadiging, manipulatie, niet toegestane opstellingsplaats of dergelijke kan rookgas lekken en tot vergift gingen leiden.
Bij gaslucht in gebouwen:
- Doe alle toegankelijke deuren en ramen wijd open en zorg voor tocht.
▶ Schakel het product uit. - Controleer de rookgastrajecten in het product en de afvoerleidingen voor rookgas.
1.3.4 Vergiftigings- en verbrandingsgevaar door lekkende hete rookgassen
- Gebruik het product alleen met volledig gemonteerde VLT/VGA.
- Gebruik het product – behalve kortstondig voor testdoeleinden – alleen met gemon-teerde en gesloten frontmantel.
1.3.5 Levensgevaar door kastachtige mantels
Een kastachtige mantel kan bij een van de omgevingslucht afhankelijk werkend product tot gevaarlijke situaties leiden.
- Zorg ervoor dat het product voldoende van verbrandingslucht voorzien wordt. 1.3
1.3.6 Levensgevaar door explosieve en ontvlambare stoffen
- Gebruik of bewaar geen explosieve of or vlambare stoffen (bijv. benzine, papier, verf, enz.) in de opstellingsruimte van het product.
1.3.7 Vergiftigingsgevaar door onvoldoende toevoer van verbrandingslucht
Voorwaarden: Van omgevingslucht afhankelijke werking
- Zorg voor een permanent ongehinderde en voldoende luchttoevoer naar de opstellingsruimte van het product volgens de ventilatievereisten.
1.3.8 Levensgevaar door ontbrekende veiligheidsinrichtingen
De in dit document opgenomen schema's ge-ven niet alle voor een deskundige installatie -vereiste veiligheidsinrichtingen weer.
- Installeer de nodige veiligheidsinrichtingen in de installatie.
- Neem de betreffende nationale en internationale wetten, normen en richtlijnen in acht.
21.3.9 Levensgevaar door een elektrische schok
Als u spanningvoerende componenten aanraakt, dan bestaat levensgevaar door elektrische schok.
Voor u aan het product werkt:
- Schakel het product spanningsvrij (elektrilig sche scheidingsinrichting met minstens 3 mm contactopening, bijv. zekering of vermogensschakelaar).
▶ Beveilig tegen herinschakelen. - Wacht minstens 3 min. tot de condensato- ren ontladen zijn.
- Controleer op spanningvrijheid.
- Dek of sluit in de omgeving onder spanning staande delen af.
1.3.10 Verbrandingsgevaar door hete componenten
Aan alle water- en rookgasvoerende componenten is er gevaar voor verbrandingen.
nt- Voer werkzaamheden aan deze onderde- len pas uit als deze zijn afgekoeld.
1.3.11 Levensgevaar door lekkende rookgassen
Als u het product met lege sifonbeker gebruikt, dan kunnen rookgassen in de kamerlucht ontsnappen.
- Zorg ervoor dat de sifonbeker voor het gebruik van het product altijd gevuld is.
1.3.12 Gevaar door verbrandingen met heet drinkwater
Aan de tappunten voor warm water bestaat bij warmwatertemperaturen van meer dan 60°C gevaar voor verbranding. Kleine kinde-
ren en oudere mensen lopen zelfs bij lagere1.4 Voorschriften (richtlijnen, wetten, temperaturen al risico's. normen)
- Kies een gepaste gewenste temperatuur.
Voor het installeren dienen de volgende voorschiften, normen en richtlijnen in acht genomen te worden:
1.3.13 Kans op materiële schade door ongeschikt gereedschap
- Om schroefverbindingen vast te draaien of te lossen, dient u geschikt gereedschap te gebruiken.
- NEN 1078 Voorschriften voor aardgasin- of stallaties;
e GAVO 1987 (en aanvullingen);
- NPR 3378. Toelichting bij NEN 1078;
- NEN 2757. Toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rook van verbrandingstoe-stellen;
1.3.14 Kans op materiële schade door vorst
- Installeer het product niet in ruimtes waar vorstgevaar bestaat.
- NEN 2920. Eisen voor huishoudelijke gas-verbruikersinstallaties en vergelijkbare in-stallaties in midden- en kleinbedrijf door handel, horeca en nijverheid bedreven met handelsbutaan, handelspropaan en butaan/ propaan (B/P)-mengsels;
1.3.15 Kans op corrosieschade door ongeschikte verbrandings- en kamerlucht
Sprays, oplosmiddelen, chloorhoudende reinigingsmiddelen, verf, lijm, ammoniakverbindingen, stof e.d. kunnen tot corrosie aan het product en in de VLT/VGA leiden.
- Zorg ervoor dat de verbrandingsluchttoe- voer altijd vrij is van fluor, chloor, zwavel, stof enz.
- Zorg ervoor dat er op de opstellingsplaats geen chemische stoffen opgeslagen worden.
- Zorg ervoor dat de verbrandingslucht niet via oude schoorstenen van oliegestookte ketels toegevoerd wordt.
- Als u uw product in kapsalons, lakkerijen of schrijnwerkerijen of reinigingsbedrijven e.d. installeert, dan kiest u een afzonderlijke opstellingsruimte waarin een verbrandingsluchttoevoer technisch vrij van chemische stoffen gegarandeerd is.
1.3.16 Kans op materiële schade aan de gegolfde gasbuis
De gegolfde gasbuis kan door belasting met gewicht beschadigd worden.
- Hang de compacte thermomodule, bijv. bij het onderhoud, niet aan de flexibele gegolfde gasbuis.
NEN 1010. Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties;
NEN 3028. Veiligheidseisen voor centrale-verwarmingsinstallaties;
NEN 1006. Algemene voorschriften voor drinkwaterinstallaties;
De waterwerkbladen;
Het bouwbesluit;
Algemene bepalingen en plaatselijke ver- ordeningen.
2 Aanwijzingen bij de documentatie
2.1 Aanvullend geldende documenten in acht nemen
▶ Neem absoluut goed nota van alle bedienings- en instal-
latiehandleidingen die bij de componenten van de instal Gaskeur CW Gebruiksklasse 4 geeft aan dat het product:
latie worden meegeleverd.
2.2 Documenten bewaren
▶ Gelieve deze handleiding alsook alle aanvullend geldende documenten aan de gebruiker van de installatie te geven.
2.3 Geldigheid van de handleiding
Deze handleiding geldt uitsluitend voor:
3 Productbeschrijving
3.1 CE-markering

Met de CE-markering wordt aangegeven dat de producten volgens het typeplaatje voldoen aan de fundamentele vereisten van de geldende richtlijnen.
De conformiteitsverklaring kan bij de fabrikant geraadpleegd worden.
3.2 Gaskeur
De tabel bij het Gaskeurlabel vindt u in de bijlage.
Gaskeurlabel ( → Pagina 48)
Gaskeur basis geeft aan dat het product de minimumvereisten van de stichting EPK (Energie Prestatie Keurmerk energieprestatiekeurmerk) vervult.
Gaskeur SV geeft aan dat de maximale vereisten m.b.t. tot de uitstoot van schadelijke stoffen niet overschreden worden.
Gaskeur NZ geeft aan dat het product als naverwarmer van een warmwaterbereider met zonne-energie geschikt is.
Gaskeur CW Gebruiksklasse 3 geeft aan dat het product:
- voor de voorziening van een keukenaftappunt met minstens 6 l/min bij 60 °C geschikt is,
- voor een douchefunctie van 6 l/min tot minstens 10 l/m bij 40 °C geschikt is,
- voor het vullen van een klein bad met 100 liter water met een temperatuur van 40 °C binnen 12 minuten geschikt is,
- niet voor het gelijktijdige gebruik van meerdere aftappunten geschikt is.
Gaskeur CW Gebruiksklasse 4 geeft aan dat het product:
- voor de voorziening van een keukenaftappunt met minstens 7,5 l/min bij 60 °C geschikt is,
- voor een douchefunctie van 6 l/min tot minstens 12,5 l/min bij 40 °C geschikt is,
- voor het vullen van een klein bad met 120 liter water met een temperatuur van 40 °C binnen 11 minuten geschikt is,
- niet voor het gelijktijdige gebruik van meerdere aftappunten geschikt is.
Gaskeur CW Gebruiksklasse 5 geeft aan dat het product:
- voor de voorziening van een keukenaftappunt met minstens 7,5 l/min bij 60 °C geschikt is,
- voor een douchefunctie van 6 l/min tot minstens 12,5 l/min bij 40 °C geschikt is,
- voor het vullen van een klein bad met 150 liter water met een temperatuur van 40 °C binnen 10 minuten geschikt is,
- niet voor het gelijktijdige gebruik van meerdere aftappunten geschikt is.
Gaskeur CW Gebruiksklasse 6 geeft aan dat het product:
- een warmwaterdebiet van minstens 7,5 l/ min. met 60 °C
- een warmwaterdebiet van minstens 7,5 l/min. met 60 °C met een gelijktijdige douchefunctie van minstens 3,6 l/min. tot hoogstens 7,5 l/min. met 60 °C (komt overeen met 6 tot 12,5 l/min. met 40 °C)
- het vullen van een bad met 150 liter water met gemiddeld 40°C binnen 10 min. met een gelijktijdig warmwaterdebiet van minstens 7,5 l/min. met 60 °C
- het vullen van een bad met 200 liter water met gemiddeld is- 40°C binnen 10 min. zonder het gelijktijdige gebruik van een andere functie geschikt is.
a De maximale specifieke leidinglengte 10/12 mm is de maximale lengte die een warmwaterleiding met 10 mm binnendoorsnede en 12 mm buitendoorsnede mag hebben om de criteria van het Gaskeur CW-keurzegel nog te vervullen. Om de CW-gebruiksklassen te bereiken, moet de warmwatertemperatuur op 60 °C ingesteld worden en moet de comfortmodus geactiveerd zijn. Voor de waarden van het CW-label moet u de gewenste warmwatertemperatuur op 61°C en de gewenste offset warme start (D.073) op -8 zetten.
3.3 Gegevens op het typeplaatje
Het typeplaatje is af fabriek aan de achterkant van het product aangebracht.
| Gegevens op het typeplaatje | Betekenis |
![]() | → Hoofdst. "CE-markering" |
![]() | Handleiding lezen! |
| VHR...S Typeaanduiding | |
3 Productbeschrijving
| Gegevens op het typeplaatje | Betekenis |
| ..4/5-5 Vermogen[4]/u | trusting productgeneratie |
| ecoTEC plus Productbenaming | |
| 2L, G25 - 25 mbar (2,5 kPa) | Gasgroep af fabriek en gasaansluitdruk |
| ww/jjjj Productiedatum: | week/jaar |
| Cat. Toegestane toestelcategorieën | |
| Type Toegestane gastoesteltypes | |
| PMS Toegestane max. | overdruk |
| Tmax | Max. aanvoertemperatuur |
| ED 92/42 Actuele rendementsrichtlijn met 4* ver-vuld | |
| V Hz Netspanning en netfrequentie | |
| W Max. elektrisch opgenomen vermogen | |
| IP Beschermingsklasse | |
![]() | CV-bedrijf |
| [kxKZ] | Warmwaterbereiding |
| P Nominaal warmtevermogensbereik | |
| Q Warmtebelastingsbereik | |
![]() | → Hoofdst. "Recycling en afvoer" |
![]() | Barcode met serienummer,7e tot 16e cijfer = artikelnummer van he product |
3.4 Productopbouw
Geldigheid: Product zonder geïntegreerde warmwaterbereiding met aangesloten warmwaterboiler

1 Gasblok 9 Ventilator
2 Waterdruksensor 10 Snelontluchter
3 Warmtewisselaar 11 Manometer
4 Aansluiting voor VLT/VGA 12 Hoogefficiënte pomp
5 Meetaansluiting rookgas 13 Overstroomklep
6 Luchtaanzuigbuis 14 Veiligheidsventiel
7 Compacte thermomodule 15 Driewegklep
8 Ontstekingselektrode 16 Schakelkast
3.5 Productopbouw
Geldigheid: Product met geïntegreerde warmwaterbereiding

1 Gasblok 10 Snelontluchter
2 Waterdruksensor 11 Manometer
3 Warmtewisselaar 12 Hoogefficiënte pomp
4 Aansluiting voor VLT/VGA 13 Overstroomklep
5 Meetaansluiting rookgas 14 Veiligheidsventiel
6 Luchtaanzuigbuis 15 Schakelkast
7 Compacte thermomodule 16 Driewegklep
8 Ontstekingselektrode 17 Stromingssensor
9 Ventilator 18 Secundaire warmtewisse-
laar
4.2 Leveringsomvang
Geldigheid: Product zonder geïntegreerde warmwaterbereiding met aangesloten warmwaterboiler
| Hoe-veel-heid | Omschrijving |
| 1 | Warmteopwekker |
| 1 Montageset met volgende inhoud | |
| 1 | - Producthouder |
| 1 | - Aansluitbuis veiligheidsventiel |
| 1 - Dubbele klemkoppeling gas, 15 mm | |
| 2 - Aansluitstuk met klemkoppeling 22 mm (aansluiting verwarmingsaanvoer en -retour) | |
| 2 - Zakje met kleine delen | |
| 1 Montagesjabloon | |
| 1 | Condensafvoerslang |
| 1 | Zakje met documentatie |
Geldigheid: Product met geïntegreerde warmwaterbereiding
| Hoe-veel-heid | Omschrijving |
| 1 | Warmteopwekker |
| 1 Montageset met volgende inhoud | |
| 1 | - Producthouder |
| 1 | - Aansluitbuis veiligheidsventiel |
| 1 - Dubbele klemkoppeling gas, 15 mm | |
| 2 - Aansluitstuk met klemkoppeling 22 mm (aansluiting verwarmingsaanvoer en -retour) | |
| 2 - Aansluitstuk met klemkoppeling 15 mm (aansluiting warm en koud water) | |
| 2 - Zakje met kleine delen | |
| 1 Montagesjabloon | |
| 1 | Condensafvoerslang |
| 1 | Zakje met documentatie |
4 Montage
4.1 Product uitpakken
- Haal het product uit de kartonverpakking.
- Verwijder de beschermfolie van alle delen van het product.
4.3 Afmetingen



*** De rookgasadapter kan alternatief naar de linker of rechter zijde wijzigend gemonteerd worden.
Inbouwdiepte, maat A
| VHR NL 20-24/5-5 | 334 mm |
| VHR NL 25-30/5-5 | 334 mm |
| VHR NL 30-34/5-5 | 368 mm |
| VHR NL 35-38/5-5 | 402 mm |
| VHR NL 34/5-5 I | 563 mm |
| VHR NL 25/5-5 S | 334 mm |
| VHR NL 35/5-5 S | 402 mm |
4.4 Minimumafstanden

| Minimumafstand | |
| A | 300 mm: VLT/VGA ≈ 80/80 mm |
| B | 50 mm |
| C | 180 mm |
4.5 Montagesjabloon gebruiken
- Gebruik de montagesjabloon om de plaatsen vast te leggen waar u gaten moet boren en doorbraken moet maken.
1 Producthouder
2 CV-aanvoer (∅ 22 × 1,5)
3* Warmwateraansluiting
(∅ 15 × 1,5)
4 Gasaansluiting
(∅ 15 × 1,5)
5* Koudwateraansluiting
(∅ 15 × 1,5)
6 CV-retour (∅ 22 × 1,5)
7 Aansluiting afvoertrechter/sifonbeker R1
8 Aansluiting rookgas
9 Aansluiting verbrandings- lucht
10 Aansluiting condensafvoer ∅ 19 mm
11 Sifonbeker
12**Boilerretour ∅ 15 mm
13**Boileraanvoer ∅ 15 mm
14 Aansluiting afvoerleiding verwarmingsveiligheids-klep ∅ 15 mm
4.6 Product ophangen

- Controleer of de muur voor het bedrijfsgewicht van het product voldoende draagvermogen heeft.
- Controleer of het bijgeleverde bevestigingsmateriaal voor de muur gebruikt mag worden.
Voorwaarden: Draagvermogen van de wand volstaat, Bevestigingsmateriaal is voor de muur toegestaan
▶ Hang het product op, zoals beschreven.
▶ Monteer de producthouder (1) aan de muur.
- Hang het product van boven met de ophangbeugel op de producthouder.
Voorwaarden: Draagvermogen van de wand volstaat niet
Zorg voor een ophanginrichting met voldoende draagvermogen. Gebruik hiervoor bijv. een individuele staander of een muurbekleding.
Als u geen ophanginrichting met voldoende draagvermigen kunt maken, hang het product dan niet op.
Voorwaarden: Bevestigingsmateriaal is voor de muur niet toegestaan
- Hang, zoals beschreven het product met door de klant ter beschikking gesteld, toegestaan bevestigingsmateriaal op.
4.7 Frontmantel de-/monteren

4.8 Zijdeel de-/monteren

Aanwijzing
U kunt bij voldoende zijafstand (minstens 50 mm) voor het vergemakkelijken van onderhouds- of reparatiewerkzaamheden ook de zijdelen demonteren.

Opgelet!
Risico op materiële schade door mechanische vervorming!
Als u beide zijdelen demonteert, dan kan het product mechanisch wegtrekken, wat tot schade aan bijv. de buizen kan leiden, waardoor lekken kunnen ontstaan.
▶ Demonteer altijd slechts een zijdeel, nooit beide zijdelen tegelijk.

Verbrandingsgevaar en/of kans op materiële schade door ondeskundige installatie en daardoor lekkend water!
Spanningen in de aansluitingsleidingen kunnen tot ondichtheden leiden.
▶ Monteer de aansluitleidingen spanningsvrij.

Opgelet!
Risico op materiële schade door gasdicht-heidscontrole!
Gasdichtheidscontroles kunnen bij een testdruk >1,1 kPa (110 mbar) tot schade aan gasblok leiden.
Als u bij gasdichtheidscontroles ook de gasleidingen en het gasblok in het product onder druk zet, gebruik dan een max. testdruk van 1,1 kPa (110 mbar).
Als u de testdruk niet tot 1,1 kPa (110 mbar) kunt begrenzen, sluit dan voor de gasdichtheidscontrole een voor het product geïnstalleerde gasafsluitkraan.
Als u bij gasdichtheidscontroles een vooh het product geïnstalleerde gasafsluitkraan gesloten hebt, ontspan dan de gasleiding druk voor u deze gasafsluitkraan opent.

Opgelet!
Risico op materiële schade door corrosie!
Niet diffusiedichte kunststof buizen in de CV-installatie veroorzaken lucht in het verwarmingswater en corrosie in het warmtebroncircuit en de warmteopwekker.
▶ Voer bij het gebruik van niet diffusiedichte kunststof buizen in de CV-installatie een systeemscheiding uit door een externe warmtewisselaar tussen warmteopwekker en CV-installatie in te bouwen.

Opgelet!
Kans op materiële schade door warmte-overdracht bij het solderen!
Als de aansluitstukken aan de onderhoudskranen geschroefd zijn, soldeer dan niet aan de aansluitstukken.
5.1 Installatievoorwaarden
5.1.1 Installatie onder de begane grond

Gevaar!
Levensgevaar door lekken bij de installatie onder de begane grond!
Als het product onder de begane grond geïnstalleerd wordt, dan verzamelt zich bij lekken propaan aan de grond. In dit geval bestaat explosiegevaar.
Zorg ervoor dat propaan in geen geval uit het product en de gasleiding kan ontsnappen. Installeer bijvoorbeeld een externe magneetklep.
- Als u het product in ruimtes onder de begane grond installeert, dan moet u de nationale wetten en richtlijnen in acht nemen.
5.1.2 Stooruitschakeling door gebrekkige ontluchting van de tank met vloeibaar gas
Als de tank slecht is ontlucht, kunnen er problemen bij de ontsteking ontstaan.
Bij nieuwe installatie van de installatie het volgende in acht nemen:
▶ Verzeker u ervan dat de gastank ontlucht is voordat u het product installeert.
▶ Neem contact op met de vuller of de leverancier van vloeibaar gas.
5.1.3 Stooruitschakeling door verkeerde soort vloeibaar gas
Het gebruik van de verkeerde gassoort kan tot stooruitscha-
kelingen van het product leiden. Verder kunnen ontstekingsen verbrandingsgeluiden in het product ontstaan.
▶ Gebruik uitsluitend propaan G 31.
5.1.4 Nodige voorbereidende werkzaamheden
- Installeer een afsluitkraan in de gasleiding.
Geldigheid: Product met geïntegreerde warmwaterbereiding
Bouw in de productuitloop (aanvoer verwarming) een terugslagklep in om een extra activering van de warmestartfunctie door terugstroming te verhinderen.
- Monteer in de installatie, echter zo ver mogelijk van het product verwijderd, een automatische, instelbare verschildrukregelaar (bypassklep) of een driewegthermostaatklep.

1 Vulaansluiting
4 Inlaatcombinatie voor de koudwaterleiding
2 Sifon voor condensafvoer
5 Gasafsluitkraan
3 Expansievat (aan de CV-retour)
3. Monteer een expansievat in de retourleiding van de CV-installatie (ø ≤ 22 mm).
4. Monteer een afvoertrechter met sifon voor de condensafvoer en de afblaasbuis van de veiligheidsklep. Plaats de afvoerleiding zo kort mogelijk en met verval van de afvoertrechter weg.
5.2 Gasaansluiting installeren

- Monteer de gasleiding volgens de erkende regels van de techniek.
- Sluit het product volgens de erkende regels van de techniek aan de gasleiding aan.
- Verwijder resten uit de gasleiding door de gasleiding vooraf uit te blazen.
- Ontlucht de gasleiding voor de ingebruikname.
- Controleer de gasleiding op dichtheid.
5.3 Koud- en warmwateraansluiting installeren

▶ Sluit de wateraansluitingen (1) volgens de normen aan.
5.4 Boileraansluitingen installeren

▶ Verbind de boileraansluitingen (1) met de warmwaterboiler.
5.5 CV-aanvoer en CV-retour aansluiten

▶ Sluit de verwarmingsaansluitingen (1) volgens de normen aan.
5 Installatie
5.6 Condensafvoerleiding aansluiten


Gevaar!
Levensgevaar door lekken van rookgas- sen!
De condensafvoerleiding van de sifon mag niet dicht met een afvalwaterleiding verbon- den zijn, omdat anders de interne sifonbeker leeggezogen kan worden en er rookgas kan ontsnappen.
▶ Verbind de condensafvoerleiding niet dicht met de afvalwaterleiding.
- Steek de condensafvoerleiding (1) op de sifonbeker.
- Als u de condensafvoerleiding moet verlengen, gebruik dan alleen buizen van zuurbestendig materiaal (bijv. kunststof).
- Laat onder de sifonbeker een montageruimte van minstens 180 mm vrij.
- Hang de condensafvoerleiding over de voorgeinstalleerde afvoertrechter (2).
5.7 Afvoerbuis aan de veiligheidsklep monteren

▶ Monteer de afvoerbuis zoals weergegeven (niet inkorten!).
5.8 Rookgasinstallatie
Standaard zijn alle producten uitgerust met een gescheiden VLT-/VGA-aansluiting 80/80 mm uitgerust. Deze standaardaansluiting kan indien nodig door een concentrische VLT/VGA-aansluiting met 80/125 mm vervangen worden. De keuze van het meest geschikte systeem is afhankelijk van de specifieke inbouwsituatie of toepassing.
Concentrische VLT/VGA

De volgende concentrische VLT/VGA's staan als toebehoren ter beschikking en kunnen met het product gecombineerd worden:
| Art.-nr. Omschrijving | |
| 303202 Verlengingsbuis 0,5 m concentrisch 80/125 mm PP | |
| 303203 Verlengingsbuis 1,0 m concentrisch 80/125 mm PP | |
| 303205 Verlengingsbuis 2,0 m concentrisch 80/125 mm PP | |
| 303209 Horizontale wanddoorvoer concentrisch 80/125 mm PP | |
| 303210 90°-bocht concentrisch 80/125 mm PP | |
| 303211 45°-bocht (twee stuks) concentrisch 80/125 mm PP | |
| 303221 Verticale dakdoorvoer concentrisch 80/125 mm PP | |
| 0020147469 VLT/VGA-aansluiting concentrisch 80/125 mm PP | |
| Art.-nr. | VHRNL20-24/5-5 | VHRNL25-30/5-5 | VHRNL30-34/5-5VHRNL34/5-5 I | VHRNL35-38/5-5 | VHRNL35/5-5 S | VHRNL25/5-5S | |
| Horizon-tale wand-door-voer | 303209 | 25 mplus1 x boch 90° | 25 mpluscht x boch 90° | 23 mpluscht x boch 90° | 25 mpluscht x boch 90° | 25 mpluschtx boch 90° | 25 mpluschtx boch 90° |
| Verticale dak-door-voer | 303221 | 27 m | 27 m 25 | m 27 m | 27 m | 27 m |
| Toebehoren Toevoer Afvoer | ||
| Universele concentrische verticale dakdoorvoer 2 x 80 mm | 43 Pa | |
| Universele concentrische wand-/dakdoorvoer 2 x 80 mm | 30 Pa | |
| 1 meter rechte buis 80 mm 2,1 Pa | 2,4 Pa | |
| 90°-bocht 80 mm 8,5 Pa 10,1 Pa | ||
| 45°-bocht 80 mm 2,4 Pa 3,1 Pa | ||
Aansluiting van flexibele Panflex® 50 mm rookgasbuizen van roestvrij staal
▶ Bepaal aan de hand van de volgende twee tabellen het volledige drukverlies van het toe-/afvoersysteem.

Aanwijzing
Het gebruik van 50 mm rookgasbuizen is alleen toegestaan als de luchtbuis een diameter van 80 mm heeft.
Drukverliezen
Maximale lengte rookgas- en luchtbuis bij VHR NL 20 - 24/5-5: telkens 33 m (buis + 2 bochten 90° + dakdoorvoer)
| Toebehoren Toevoer Afvoer | ||
| Universele concentrische verticale dakdoorvoer 2 x 80 mm | 17 Pa | |
| Universele concentrische wand-/dak- doorvoer 2 x 80 mm | 12 Pa | |
| 1 meter rechte buis 80 mm 0,9 Pa | 1 Pa | |
| 90°-bocht 80 mm 3,4 Pa 4 Pa | ||
| 45°-bocht 80 mm 1 Pa 1,2 Pa | ||
Maximale lengte rookgas- en luchtbuis bij VHR NL 25/5-5 en VHR NL 25 -30/5-5: telkens 16 m (buis + 2 bochten dakdoorvoer)
| Toebehoren Toevoer Afvoer | ||
| Universele concentrische verticale dakdoorvoer 2 x 80 mm | 27 Pa | |
| Universele concentrische wand-/dak- doorvoer 2 x 80 mm | 19 Pa | |
| 1 meter rechte buis 80 mm 1,3 Pa | 1,5 Pa | |
| 90°-bocht 80 mm 5,3 Pa 6,3 Pa | ||
| 45°-bocht 80 mm 1,5 Pa 1,9 Pa | ||
Maximale lengte rookgas- en luchtbuis bij VHR NL 30 - 345 en VHR NL 34/5-5 I: telkens 18,4 m (buis + 2 bochten + dakdoorvoer)
| Toebehoren Toevoer Afvoer | ||
| Universele concentrische verticale dakdoorvoer 2 x 80 mm | 34 Pa | |
| Universele concentrische wand-/dak- doorvoer 2 x 80 mm | 24 Pa | |
| 1 meter rechte buis 80 mm 1,7 Pa | 1,9 Pa | |
| 90°-bocht 80 mm 6,8 Pa 8,1 Pa | ||
| 45°-bocht 80 mm 1,9 Pa 2,5 Pa | ||
Maximale lengte rookgas- en luchtbuis bij VHR NL 35/5-5 en VHR NL 35 -38/5-5: telkens 16,5 m (buis + 2 bochten + dakdoorvoer)

Aanwijzing
Het gebruik van 50 mm rookgasbuizen in combinatie met de VHR NL 30-34/5-5, de VHR NL 34/5-5 I, de VHR NL 35/5-5 S en de VHR NL 35-38/5-5 is niet toegestaan.
| Drukverlies van de afzonderlijke elementen in Pa per stuk resp. lengte bij VHR NL 20 - 24/5-5 | Aan- mal/lengte | Drukverlies in Pa | ||
| Toevoer | 80 mm buis | 0,9 | ||
| 90°-bocht 80 mm | 3,4 | |||
| 45°-bocht 80 mm | 1,0 | |||
| Afvoer | 80 mm buis | 1,0 | ||
| 90°-bocht 80 mm | 4,0 | |||
| 45°-bocht 80 mm | 1,2 | |||
| Adapter Pan- flex® 80 mm naar 50 mm | 15 | |||
| Flexibele Panflex®-buis 50 mm | 11,2 | |||
| Som drukverlies | ||||
| Beschikbare transportdruk zonder toerentalaan- passing in Pa | 95 | |||
| Verschil (beschikbare transportdruk - som druk- verlies) | ||||
| Drukverlies van de afzonderlijke elementen in Pa per stuk resp. m lengte bij VHR NL 25/5-5 S en VHR NL 25 - 30/5-5 | Aan-tal/lengte | Drukverlies in Pa | ||
| Toevoer | 80 mm buis | 1,3 | ||
| 90°-bocht 80 mm | 5,3 | |||
| 45°-bocht 80 mm | 1,5 | |||
| AfvoerS90° | 80 mm buis | 1,5 | ||
| 90°-bocht 80 mm | 6,3 | |||
| 45°-bocht 80 mm | 1,9 | |||
| Afvoer Adapter Pan-flex® 80 mm naar 50 mm | 23,5 | |||
| FlexibelePanflex®-buis50 mm | 17,5 | |||
| Som drukverlies | ||||
| Beschikbare transportdruk zonder toerentalaan-passing in Pa | 95 | |||
| Verschil (beschikbare transportdruk - som druk-verlies) | ||||
Als het drukverlies in het toe-/afvoersysteem groter is dan de beschikbare resttransporthoogte van de ventilator, dan is een aanpassing van het maximale ventilatortoerental via het diagnosepunt D.051 nodig. Een verhoging met de waarde 50 komt overeen met 50 bijkomende omwentelingen van de ventilator per minuut en verhoogt de resttransportdruk zoals in de beide volgende tabellen aangegeven.

Aanwijzing
De instelwaarde van D.051 af fabriek is afhankelijk van het product, d.w.z. dat er geen algemene fabrieksinstelling is.
| Bijkomend beschikbare ventilatorresttransportdruk met toe- rentalaanpassing bij VHR NL 20 - 24/5-5 | |
| Wijziging van de waarde van D.051 | Verhoogt de resttransportdruk met |
| D.051 waarde + 50 14,0 Pa | |
| D.051 waarde + 100 28,0 Pa | |
| D.051 waarde + 150 42,0 Pa | |
| D.051 waarde + 200 56,0 Pa | |
| D.051 waarde + 250 70,0 Pa | |
| D.051 waarde + 300 84,0 Pa | |
| D.051 waarde + 350 98,0 Pa | |
| D.051 waarde + 400 112,0 Pa | |
| Bijkomend beschikbare ventilatorresttransportdruk met toe- rentalaanpassing bij VHR NL 25 - 30/5-5 | |
| Wijziging van de waarde van D.051 | Verhoogt de resttransportdruk met |
| D.051 waarde + 50 15,5 Pa | |
| D.051 waarde + 100 31,0 Pa | |
| D.051 waarde + 150 46,5 Pa | |
| D.051 waarde + 200 62,0 Pa | |
| D.051 waarde + 250 77,5 Pa | |
| D.051 waarde + 300 93,0 Pa | |
| D.051 waarde + 350 108,5 Pa | |
| D.051 waarde + 400 124,0 Pa | |
▶ Verhoog het ventilatortoerental door het vergroten van waarde in D.051 tot de ventilatortransportdruk minstens
zo groot is als het totale drukverlies van het toe-/afvoersysteem.

Aanwijzing
De waarde van D.051 is ALTIJD negatief. D.w.z. dat als u deze waarde verhoogt, het getal alsmaar kleiner wordt (zie volgende voorbeelden). De maximaal mogelijke waarde is bereikt als daar "0" staat.

Aanwijzing
Stel het toerental wegens de overbelasting niet hoger in dan maximaal nodig. Als het totale drukverlies groter is dan de maximale resttransportdruk van de ventilator, dan vermindert de belasting, waardoor het product niet meer aan de criteria van het gaskeur CW-label voldoet.
Noteer de wijziging van de transportdruk en de nieuw ingestelde waarde van D.051 om de meegeleverde sticker.
Kleef de sticker aan de achterkant van de elektronicabox van het product.
Voorbeeld 1
| Drukverlies van de afzonderlijke elementen in Pa per stuk resp. m lengte bij VHR NL 25/5-5 S en VHR NL 25 - 30/5-5 | Aan-tal/lengte | Drukverlies in Pa | ||
| Toevoer 80 mm buis 1,3 1 | 1,3 | |||
| 90°-bocht 80 mm | 5,3 | 1 5,3 | ||
| 45°-bocht 80 mm | 1,5 | |||
| Afvoer 80 mm buis 1,5 2 3 | ||||
| 90°-bocht 80 mm | 6,3 | 2 12,6 | ||
| 45°-bocht 80 mm | 1,9 | |||
| Adapter Pan-flex® 80 mm naar 50 mm | 23,5 | 1 23,5 | ||
| Flexibele Panflex®-buis 50 mm | 17,5 | 2,5 | ||
| Som drukverlies | 89,5 | |||
| Beschikbare transportdruk zonder toerentalaan-passing in Pa | 95 | |||
| Verschil (beschikbare transportdruk - som druk-verlies) | 5,5 | |||
Omdat het verschil in dit voorbeeld groter is dan nul, mag het product zonder een verandering van de waarde van D.051 gebruikt worden.
Voorbeeld 2
| Drukverlies van de afzonderlijke elementen in Pa per stuk resp. lengte bij VHR NL 20 - 24/5-5 | Aan-ntal/lengte | Drukverlies in Pa | ||
| Toevoer 80 de | 0 mm buis 0,9 1 | 0,9 | ||
| 90°-bocht 80 mm | 3,4 | 1 3,4 | ||
| 45°-bocht 80 mm | 1,0 | 0 | ||
| Afvoer 80 | mm buis 1,0 2 2 | |||
| Afvoer 90°-bocht 80 mm 4,0 | 2 8 | |||
| 45°-bocht 80 mm | 1,2 0 | |||
| Adapter Pan-flex® 80 mm naar 50 mm | 15 1 | 15 | ||
| Flexibele Panflex®-buis 50 mm | 11,2 | 13 145,6 | ||
| Som drukverlies 174,9 | ||||
| Beschikbare transportdruk zonder toerentalaan-passing in Pa | 95 | |||
| Verschil (beschikbare transportdruk - som druk-verlies) | -79,9 | |||
Omdat het verschil in dit voorbeeld kleiner is dan nul, mag het product zonder een verandering van de waarde van
D.051 gebruikt worden! De tabel → (bijkomend beschikbare ventilatorresttransportdruk met toerentalaanpassing bij
VHR NL 20 - 24/5-5) toont dat een verhoging van de waar van D.051 met 250 een bijkomend beschikbare ventilator- resttransportdruk van slechts 70 Pa tot gevolg heeft, de in verhoging van de waarde van D.051 met 300 echter een bijkomend beschikbare ventilatorresttransportdruk van 84 Pa. In dit voorbeeld mag het product alleen gebruikt worden als de waarde van D.051 met 300 verhoogd wordt.
Bijkomend beschikbare ventilatorresttransportdruk met toerentalaanpassing bij VHR NL 20 - 24/5-5 (→ Pagina 16)

Aanwijzing
De waarde van D.051 is ALTIJD negatief. D.w.z. dat als daar voordien bijv. -450 stond, dan verhoogt de waarde in dit voorbeeld met 300 tot -150.
Voorbeeld 3
| Drukverlies van de afzonderlijke elementen in Pa per stuk resp. m lengte bij VHR NL 25/5-5 S en VHR NL 25 - 30/5-5 | Aan-tal/lengte | Drukverlies in Pa | ||
| Toevoer 80 | 0 mm buis | 1,3 1 | 1,3 | |
| 90°-bocht 80 mm | 5,3 1 | 5,3 | ||
| 45°-bocht 80 mm | 1,5 0 | |||
| Afvoer 80 | mm buis 1,5 2 3 | |||
| 90°-bocht 80 mm | 6,3 2 | 12,6 | ||
| 45°-bocht 80 mm | 1,9 0 | 0 | ||
| Adapter Pan-flex® 80 mm naar 50 mm | 23,5 | 1 23,5 | ||
| Flexibele Panflex®-buis 50 mm | 17,5 | 8 140,0 | ||
| Som drukverlies 185,7 | ||||
| Beschikbare transportdruk zonder toerentalaan-passing in Pa | 95 | |||
| Verschil (beschikbare transportdruk - som druk-verlies) | -90,7 | |||
Omdat het verschil in dit voorbeeld kleiner is dan nul, mag het product zonder een verandering van de waarde van D.051 gebruikt worden! De tabel → (bijkomend beschikbare ventilatorresttransportdruk met toerentalaanpassing bij VHR NL 25/5-5 S en VHR NL 25 - 30/5-5) toont dat een verhoging van de waarde van D.051 met 250 een bijkomend beschikbare ventilatorresttransportdruk van slechts 77,5 Pa tot gevolg heeft, de verhoging van de waarde van D.051 met 300 echter een bijkomend beschikbare ventilatorresttransportdruk van 93 Pa. In dit voorbeeld mag het product alleen gebruikt worden als de waarde van D.051 met 300 verhoogd wordt.
Bijkomend beschikbare ventilatorresttransportdruk met toerentalaanpassing bij VHR NL 25 - 30/5-5 (→ Pagina 16)

Aanwijzing
De waarde van D.051 is ALTIJD negatief. D.w.z. dat als daar voordien bijv. -450 stond, dan verhoogt de waarde in dit voorbeeld met 300 tot -150.
5.9
Elektrische installatie
Alleen gekwalificeerde elektriciens mogen de elektrische installatie uitvoeren.

Gevaar!
Levensgevaar door elektrische schok!
Ook bij uitgeschakelde aan-/uitknop staat er nog stroom op de netaansluitklemmen L en N.
▶ Schakel de stroomtoevoer uit.
▶ Beveilig de stroomtoevoer tegen opnieuw inschakelen.
5.9.1 Schakelkast openen/sluiten

5.9.2 Bedrading uitvoeren

Opgelet!
Risico op materiële schade door ondeskundige installatie!
Netspanning aan verkeerde klemmen en stekkerklemmen kan de elektronica kapot maken.
▶ Sluit aan de klemmen eBUS (+/-) geen netspanning aan.
Klem de netaansluitkabel uitsluitend op de daarvoor gemarkeerde klemmen aan!
- Breng de aansluitleidingen van de aan te sluiten componenten door de kabeldoorvoer links aan de onderkant van het product naar binnen.
- Gebruik de snoerontlastingen.
- Verkort de aansluitleidingen indien nodig.

- Om kortsluitingen bij het per ongeluk loskomen van een draad te vermijden, ontmantelt u de buitenste omhulling van flexibele leidingen slechts maximaal 30 cm.
- Zorg ervoor dat de isolatie van de binnenste draden tijdens het ontmantelen van de buitenste omhulling niet beschadigd wordt.
- Isoleer de binnenste draden slechts zodanig dat goede, stabiele verbindingen tot stand gebracht kunnen worden.
- Om kortsluitingen door losse draden te vermijden, dient u de geïsoleerde einden van de draden van draadeind hulzen te voorzien.
- Schroef de betreffende stekker aan de aansluitleiding.
- Controleer of alle draden mechanische vast in de stekkerklemmen van de stekker zitten. Corrigeer evt.
- Steek de stekker in de bijbehorende stekkerplaats van de printplaat.
5.9.3 Stroomvoorziening tot stand brengen
- Zorg ervoor dat de nominale spanning van het stroomnet 230 V bedraagt.
- Open de elektronicabox (→ Pagina 17).
- Sluit het product via een vaste aansluiting en een scheidingsinrichting met minstens 3 mm contactopening (bijv. zekeringen of vermogensschakelaar) aan.
- Plaats een genormeerde drieaderige netaansluitkabel door de kabeldoorvoer in het product.
- Netaansluitkabel: flexibele kabel
- Voer de bedrading uit. (→ Pagina 18)
- Schroef de meegeleverde ProE-stekker aan de netaansluitkabel.
- Sluit de elektronicabox (→ Pagina 17).
- Zorg ervoor dat de toegang tot de netaansluiting altijd gegarandeerd is en niet afgedekt is.
Voorwaarden: Installatie vochtige ruimte
Zorg voor de nodige aansluiting aan rookgaszijde aan de van de omgevingslucht onafhankelijke VLT/VGA (→ Pagina 14).
5.9.4 Product in een vochtige ruimte installeren

Gevaar!
Levensgevaar door elektrische schok!
Als u het product in ruimtes installeert waarin vocht optreedt, bijv. badkamer, neem dan de nationale erkende regels van de techniek voor elektrische installatie in acht. Als u de evt. af fabriek gemonteerde aansluitkabel met aardcontactstekker gebruikt, dan is er gevaar voor een levensgevaarlijke elektrische schok.
- Gebruik bij de installatie in vochtige ruimtes nooit de evt. af fabriek gemonteerde aansluitkabel met aardcontactstekker.
▶ Sluit het product via een vaste aansluiting en een scheidingsinrichting met minstens 3 mm contactopening (bijv. zekeringen of vermogensschakelaar) aan. -
Gebruik voor de netaansluitleiding, die door de kabeldoorvoer in het product geleid wordt, een flexibele leiding.
-
Open de elektronicabox (→ Pagina 17).
- Trek de ProE-stekker aan de stekkerplaats van de printplaat voor de netaansluiting af (X1).
- Schroef de ProE-stekker van de evt. af fabriek gemonteerde netaansluitkabel af.
- Gebruik in de plaats van de evt. af fabriek gemonteerde, een geschikte, genormeerde drie-aderige netaansluitkabel.
- Voer de bedrading uit. (→ Pagina 18)
- Sluit de elektronicabox (→ Pagina 17).
5.9.5 Externe thermostaat aan openTHERM-module aansluiten

- Verwijder de jumper aan de grijze ProE-stekker (1) van de openTHERM-module.
- Sluit de externe thermostaat aan de grijze ProE-stekker van de openTHERM-module aan.
-
Let op de poling van de aansluitingen.
-
Gebruik de snoerontlastingen (2).
5.9.6 Thermostaat aan de elektronica aansluiten
- Monteer indien nodig de thermostaat.
- Open de elektronicabox (→ Pagina 17).
- Breng de bedrading zoals in het bedradingsschema (→ Pagina 49) in de bijlage aan.
Voorwaarden: Aansluiting van een weersafhankelijke thermostaat of kamerthermostaat via eBUS
▶ Sluit de thermostaat aan de eBUS-aansluiting aan.
▶ Brug de aansluiting "24 V = RT" (X100 of X106) als geen jumper voorhanden is.
Voorwaarden: Aansluiting van een laagspanningsregelaar (24 V)
▶ Verwijder de jumper en sluit de thermostaat aan de sluiting "24 V = RT" (X100 of X106) aan.
Voorwaarden: Aansluiting van een maximaalthermostaat aan een vloerverwarming
▶ Verwijder de jumper en sluit de maximaalthermostaat aan de aansluiting "Burner off" aan.
-
Sluit de elektronicabox (→ Pagina 17).
-
Verander voor multicircuitregelaars de D.018 Pompmodus van Eco (intermitterende pom) naar Comfort (verder lopende pomp), zie Diagnosecodes oproepen (→ Pagina 26).
5.9.7 Bijkomende componenten aansluiten
Met behulp van het ingebouwde tijdrelais kunt u een bijkomend component aansturen, met de multifunctionele module twee bijkomende componenten.
5.9.7.1 Hulprelais gebruiken
-
Sluit een bijkomend component via de grijze stekker op de printplaat direct op het geïntegreerde hulprelais aan
-
Breng de bedrading zoals beschreven in de paragraaf "Thermostaat aan de elektronica aansluiten (→ Pagina 19)" aan.
-
Activeer het component via D.026, zie Diagnosecodes oproepen (→ Pagina 26).
5.9.7.2 VR 40 (multifunctionele module 2 uit 7) gebruiken
- Monteer de componenten conform de desbetreffende handleiding.
Voorwaarden: Component aan relais 1 aangesloten
▶ Activeer D.027, zie Diagnosecodes oproepen (→ Pagina 26).
Voorwaarden: Component aan relais 2 aangesloten
▶ Activeer D.028, zie Diagnosecodes oproepen (→ Pagina 26).
5.9.8 Circulatiepomp volgens de behoefte aansturen
- Breng de bedrading volgens "Thermostaat aan de elektronica aansluiten (→ Pagina 19)" aan.
- Verbind de aansluitleiding van de externe toets met de klemmen 1(40) en 6 (FB) van de randstekker X41, die bij de thermostaat geleverd is.
- Steek de randstekker op de steekplaats X41 van de printplaat.
6r Bediening
6.1 Bedieningsconcept
Het bedieningsconcept alsook de aflees- en instelmoge- aijkheden van het gebruikersniveau zijn eveneens in de ge- bruiksaanwijzing beschreven.
Een overzicht van de aflees- en instellingsmogelijkheden van het installateurniveau vindt u in de tabel "Installateurniveau - overzicht" in de bijlage.
Installateurniveau - overzicht (→ Pagina 37)
6.2 Installateurniveau oproepen
- Roep het installateurniveau alleen op als u een erkende installateur bent.
- Navigeer naar het Menu → Installateurniveau en bevestig met
- Stel de waarde 17 (code) in en bevestig met.
6.3 Live monitor (statuscodes)
Menu → Live Monitor
Statuscodes op het display informeren over de actuele bedrijfstoestand van het product.
Statuscodes - overzicht (→ Pagina 44)
6.4 Warmwatertemperatuur instellen
Voorwaarden: Waterhardheid: > 3,57 mol/m³

Gevaar!
Levensgevaar door legionellabacteriën!
Legionellabacteriën ontwikkelen zich bij temperaturen onder 60 °C.
Zorg ervoor dat de gebruiker alle maatregelen voor de legionellabeveiliging kent om de geldende voorschriften voor het voorkomen van legionellabacteriën te vervullen.
▶ Stel de warmwatertemperatuur op max. 50 °C in.
7 Ingebruikname
7 Ingebruikname
7.1 Product in-/uitschakelen
▶ Druk op de aan-/uittoets van het product.
◀ Op het display verschijnt het startscherm.
7.2 Installatieassistent doorlopen
De installatieassistent verschijnt telkens bij het inschakelen van het product tot hij eens met succes afgesloten werd biedt directe toegang tot de belangrijkste controleprogramma's en configuratie-instellingen bij de ingebruikname van het product.
Om de belangrijkste systeemparameters nog eens te contro- leren en in te stellen, roept u de Toestel configuratie op.7
Menu → Installateurniveau → Toestel configuratie
Instelmogelijkheden voor complexere installaties vindt u in het Diagnosemenu.
Menu → Installateurniveau → Diagnose menu
▶ Bevestig de start van de installatieassistent met.
Zolang de installatieassistent actief is, zijn alle verwarmings- en warmwateraanvragen geblokkeerd.

Aanwijzing
Als u de start van de installatieassistent niet bevestigt, dan verschijnt 10 seconden na het inschakelen het startscherm.
- Om naar het volgende punt te gaan, bevestigt u telkens met ☐
7.2.1 Taal
▶ Stel de gewenste taal in.
- Om de ingestelde taal te bevestigen en het per ongeluk wijzigen van de taal te vermijden, bevestigt u twee keer met
Als u per ongeluk een taal ingesteld hebt die u niet verstaat, dan verandert u dit als volgt:
Druk tegelijk op en houd deze knoppen ingedrukt.
▶ Druk bijkomend kort op
Houd en ingedrukt tot het display de mogelijkheid voor het instellen van de taal weergeeft.
▶ Kies de gewenste taal.
▶ Bevestig de wijziging twee keer met.
7.2.2 Vulmodus
De vulmodus (controleprogramma P.06) is in de installatie-assistent automatisch geactiveerd zolang de vulmodus op het display weergegeven wordt.
▶ Vul de CV-installatie. (→ Pagina 23)
7.2.3 Ontluchting
- Om het systeem te ontluchten, start u het controleprogramma P.00 door, afwijkend van de bediening in het menu op controleprogramma's of tetdrukken.
- Om evt. het te ontluchten circuit te wisselen, drukt u op ☐.
7.2.4 Gewenste aanvoertemperatuur, warmwatertemperatuur, comfortmodus
Hij. Om de gewenste aanvoertemperatuur, de warmwater-temperatuur en de comfortmodus in te stellen, drukt u op en . +
2. Bevestig de instelling met.
7.2.5 CV-deellast
De CV-deellast van het product is af fabriek op auto ingesteld. Het product bepaalt automatisch het optimale verwarmingsvermogen afhankelijk van de actuele warmtebehoefte van de installatie. De instelling kunt u achteraf in het Diagnosemenu onder D.000 wijzigen..
7.2.6 Hulprelais en multifunctionele module
- Als u bijkomende componenten aan het product aangesloten hebt, wijs deze componenten dan aan de verschillende relais toe.
Bevestig telkens met

Aanwijzing
Deze instelling kunt u achteraf in het Diagnosemenuvia D.026, D.027 en D.028 wijzigen.
7.2.7 Contactgegevens
▶ Sla eventueel uw telefoonnummer in de Toestelconfiguuratie op (max. 16 cijfers/geen spaties). De gebruiker kan het telefoonnummer laten weergeven.
7.2.8 Installatieassistent beëindigen
- Als u de installatieassistent met succes doorlopen hebt, bevestig dan met
De installatieassistent wordt gesloten en start bij het volgende inschakelen van het product niet meer.
7.3 Installatieassistent opnieuw starten
Menu → Installateurniveau → Start Ins.assistent
U kunt de installatieassistent altijd opnieuw starten door hem in het menu op te roepen.
7.4 Gasfamiliecontrole uitvoeren

Gevaar!
Vergiftigingsgevaar!
Ontoereikende verbrandingskwaliteit (CO), weergegeven door F.92/93, leidt tot verhoogd vergiftigingsgevaar.
▶ Verhelp absoluut eerst de fout voor u het product permanent buiten bedrijf stelt.
Menu → Installateurniveau → Test → Gasfamiliecontrole
De gasfamiliecontrole controleert de productinstelling met betrekking tot de verbrandingskwaliteit.

Aanwijzing
Als bijkomende HR-toestellen in de CV-installatie op dezelfde rookgasleiding aangesloten zijn, zorg er dan voor dat tijdens het volledige controleprogrammaverloop geen van deze HR-toestellen in bedrijf is of in bedrijf gaat zodat het testresultaat niet vervalst wordt.
| Resultaat Betekenis Maatregel | ||
| F.93Fout gas-groep | Verbrandings-kwaliteit buiten het toegestane bereik | Beschadigd of verkeerd gasmondstuk (geel: aardgas G20, blauw: aardgas G25, grijs: vloeibaar gas), verkeerde gasgroep, intern druk-meetpunt in de venturi verstopt (geen smeer-middelen aan de O-ring in de venturi gebruiken!), recirculatie, defecte af-dichting.Product ontstoren.Correcte CO2-waarde met testprogrammaP.01 (instelschroef in de venturi) instellen.Gasfamiliecontrole op-nieuw uitvoeren. |

Aanwijzing
Tijdens de gasfamiliecontrole is geen CO₂-meting mogelijk!
▶ Voer de gasfamiliecontrole in het kader van het regelmatige productonderhoud, na het vervangen van componenten, werkzaamheden aan het grastraject uit.
| Resultaat Betekenis Maatregel | ||
| F.92Fout codeer-weerstand | Codeerweer-stand op de printplaat past niet bij de inge-voerde gasgroep | Codeerweerstand con-troleren, gasfamiliecon-trole opnieuw uitvoeren en correcte gasgroep in-voeren. |
| "succesvol" Verbrandings-kwaliteit is goed.Toestelconfigura-tie komt met de opgegeven gas-groep overeen. | geen | |
| "Waarschu-wing" | Verbrandings-kwaliteit onto-reikend.CO2-waarde is niet correct. | Testprogramma P.01 starten en CO2-waarde met instelschroef in de venturi instellen.Als de correcte CO2-waarde niet ingesteld kan worden: gasmond-stuk op correctheid (geel: aardgas G20, blauw: aardgas G25, grijs: vloeibaar gas) en beschadiging controle-ren.Gasfamiliecontrole op-nieuw uitvoeren. |
Naast de installatieassistent kunt u voor de ingebruikname, het onderhoud en het verhelpen van storingen ook de volgende testprogramma's oproepen.
- Controleprogramma's
- Functiemenu
- Zelftest elektronica
7.6 Controleprogramma's gebruiken
Menu → Installateurniveau → Test → Test programma
| Weergave | Betekenis |
| P.00 Controleprogramma ontluchting:De interne pomp wordt cyclusgewijs aangestuurd.Het CV-circuit en het warmwatercircuit worden via snelontluchter ontlucht (de kap van de snelontluchte moet losgemaakt zijn).1 x→start ontluchting CV-circuit2 x→→): start ontluchting warmwatercircuit3 x→→) nieuwe start ontluchting CV-circuit1 x→Annuleren): ontluchtingsprogramma beëindigenAanwijzingOntluchtingsprogramma loopt per circuit 7,5 min. en eindigt daarna.CV-circuit ontluchten:Driewegklep in stand CV-bedrijf, aansturing van de interne pomp voor 9 cycli: 30 s aan, 20 s uit. Indicatie aktief verwarmings circuit.Warmwatercircuit ontluchten:Na het verstrijken van de hierboven genoemde cyc of na het nogmaals indrukken van de rechter keuzetoets: driewegklep in de stand warm water, aansturing van de interne pomp zoals boven. Indicatie aktief warmwater circuit. | |
| P.01 Controleprogramma maximale last:Het product loopt na succesvolle ontsteking met maximale warmtebelasting. | |
| P.02 Controleprogramma minimale last:Het product loopt na succesvolle ontsteking met minimale warmtebelasting. | |
| P.06 Controleprogramma vulmodus:De driewegklep wordt in middelste stand gebracht. Brander en pomp worden uitgeschakeld (voor vulle en legen van het product). | |
7.7 Verwarmingswater/vul- en bijvulwater controleren en conditioneren

Opgelet!
Kans op materiële schade door minderwaardige verwarmingswater
Zorg voor verwarmingswater van voldoende kwaliteit.
▶ Voor u de installatie vult of bijvult, dient u de kwaliteit van het verwarmingswater te controleren.
Kwaliteit van het verwarmingswater controleren
▶ Neem een beetje water uit het CV-circuit.
- Controleer het uitzicht van het verwarmingswater.
▶ Als u sedimenterende stoffen vaststelt, dan moet u de installatie spuien.
- Controleer met een magneetstaaf of er magnetiet (ijzer oxide) voorhanden is.
▶ Als u magnetiet vaststelt, reinig de installatie dan en neem de nodige maatregelen voor de corrosiebescherming. Of bouw een magneetfilter in.
- Controleer de pH-waarde van het afgetapte water bij 25 °C.
▶ Bij waarden onder 8,2 of boven 10,0 reinigt u de installatie en conditioneert u het verwarmingswater.
Zorg ervoor dat er geen zuurstof in het verwarmingswater kan dringen, zie (→ Pagina 25).
Vul- en bijvulwater controleren
- Meet de hardheid van het vul- en bijvulwater voor u de installatie vult.
Vul- en bijvulwater conditioneren
▶ Neem voor de conditionering van het vul- en suppletie-water de geldende nationale voorschriften en technische regels in acht.
Voor zover nationale voorschriften en technische regelingen geen hogere eisen stellen, geldt het volgende:
U moet het CV-water conditioneren,
- als de volledige vul- en bijvulwaterhoeveelheid tijdens de gebruiksduur van de installatie het drievoudige van het nominale volume van de CV-installatie overschrijdt of
- wanneer de in de volgende tabel genoemde richtwaarden niet worden aangehouden of
- als de pH-waarde van het verwarmingswater onder 8,2 of boven 10,0 ligt.
| Totaalverwarmings-vermo-gen | Totale hardheid bij specifiek installatievolume | |||||
| ≤ 20 l/kW | >20 l/kW≤ 50 l/kW | >50 l/kW | ||||
| kW °dH | mol/m3 | °dH | mol/m3 | °dH | mol/m3 | |
| < 50 | < 16,8 | < 3 | 11,2 | 2 | 0,11 | 0,02 |
| >50 tot ≤ 200 | 11,2 | 2 | 8,4 | 1,5 0,11 | 0,02 | |
| >200 tot ≤ 600 | 8,4 | 1,5 | 0,11 | 0,02 | 0,11 | 0,02 |
| >600 | 0,11 | 0,02 | 0,11 | 0,02 | 0,11 | 0,02 |
| 1) Liter nominale inhoud/verwarmingsvermogen; bij meerketelin-stallaties moet het kleinste individuele vermogen ingezet worde | ||||||

Opgelet!
Kans op materiële schade door verrijking van het verwarmingswater met ongeschikte additieven!
Ongeschikte additieven kunnen veranderingen aan componenten, geluiden in de CV-functie en evt. verdere gevolgschade veroorzaken.
- Gebruik geen ongeschikte antivries- en corrosiewerende middelen, biociden en afdichtmiddelen.
Bij ondeskundig gebruik van de volgende additieven werden met onze producten tot nu toe geen onverdraagzaamheden vastgesteld.
▶ Neem bij het gebruik absoluut de aanwijzingen van de fabrikant van het additief in acht.
Voor de verdraagzaamheid van additieven in het overige CV-systeem en voor de werkzaamheid ervan aanvaarden we geen aansprakelijkheid.
Additieven voor reinigingsmaatregelen (aansluitend uitspoelen vereist)
- Fernox F3
- Sentinel X 300
- Sentinel X 400
Additieven die permanent in de installatie blijven
- Fernox F1
- Fernox F2
- Sentinel X 100
- Sentinel X 200
Antivriesmiddelen die permanent in de installatie blijven
– Fernox Antifreeze Alphi 11
- Sentinel X 500
▶ Als u de hierboven genoemde additieven gebruikt hebt, informeer dan de gebruiker over de nodige maatregelen,
▶ Informeer de gebruiker over de noodzakelijke werkwijze voor de vorstbeveiliging.
7.8 Te lage waterdruk vermijden
Voor een perfecte werking van de CV-installatie moet de wijzer van de manometer bij een koude CV-installatie in de bovenste helft van het grijze bereik of in het middelste be-7, reik van de balkindicatie op het display (door de gestippelde grenswaarden gemarkeerd) staan. Dit komt overeen met een vuldruk tussen 0,1 MPa en 0,2 MPa (1,0 bar en 2,0 bar).
Als de CV-installatie zich over meerdere verdiepingen uitstrekt, dan kunnen hogere waarden voor de vuldruk vereist zijn om lucht in de CV-installatie te vermijden.
Het product signaleert bij het onderschrijden van 0,08 kPa 2 (0,8 bar) vuldruk het druktekort met een knipperende drukwaarde op het display. Als de vuldruk een waarde van 0,05 MPa (0,5 bar) onderschrijdt, dan schakelt het product uit. Het display toont F.22.
▶ Vul CV-water bij om het product opnieuw in gebruik te nemen.
Het display geeft de drukwaarde knipperend weer tot een druk van 0,11 MPa (1,1 bar) of hoger bereikt is.
7.9 CV-installatie vullen

- Spoel de CV-installatie.
- Draai de dop van de snelontluchter (1) met een tot twee draaien los en laat deze geopend, omdat ook tijdens het continubedrijf het product automatisch via de snelontluchter ontlucht wordt.
- Kies het controleprogramma P.06.
De driewegklep beweegt zich in de middelste stand, de pompen lopen niet en het product treedt niet in werking.
-
Verbind vul- en aftapkraan van de CV-installatie volgens de normen met een CV-watertoevoer, indien mogelijk met de koudwaterkraan.
-
Open de CV-wateraanvoer.
-
Open alle thermostaatkranen.
-
Controleer evt. of beide onderhoudskranen aan het product geopend zijn.
-
Open langzaam de vul- en aftapkraan zodat het water in het verwarmingssysteem stroomt.
-
Ontlucht de laagst gelegen radiator tot het water aan het ontluchtingsventiel er zonder bellen uitkomt.
-
Ontlucht alle andere radiatoren tot het CV-systeem compleet met water gevuld is.
t11. Sluit alle ontluchtingsventielen.
-
Houd de stijgende vuldruk in de CV-installatie in het e oog.
-
Vul water bij tot de vereiste vuldruk bereikt is.
-
Sluit de vul- en aftapkraan en de koudwaterkraan.
-
Controleer alle aansluitingen en het volledige systeem op ondichtheden.
e-7.10 CV-installatie ontluchten
Kies het controleprogramma P.00.
◀ Het product treedt niet in werking, de interne pomp loopt intermitterend en ontlucht naar keuze het CV-circuit of het warmwatercircuit.
◀ Het display toont de vuldruk van de CV-installatie.
- Controleer of de vuldruk van de CV-installatie niet onder de min. vuldruk daalt.
- ≥ 0, 0 8 MPa (≥ 0, 8 0 bar )
Na het beëindigen van de vulprocedure moet de vuldruk van de CV-installatie minstens 0,02 MPa (0,2 bar) boven de tegendruk van het expansievat (ADG) liggen ( Pinstallatie ≥ RADG + 0,02 MPa (0,2 bar)).
- Als zich na het beëindigen van het controleprogramma P.00 nog teveel lucht in de CV-installatie bevindt, start het controleprogramma dan opnieuw.
7.11 Warmwatersysteem vullen en ontluchten
Geldigheid: Product met geïntegreerde warmwaterbereiding
- Open de koudwaterstopkraan aan het product.
- Vul het warmwatercircuit door alle warmwatertappunten te openen tot er water uit komt.
7 Ingebruikname
7.12 Sifonbeker vullen
- Haal het onderste sifondeel eraf.
- Vul het onderste deel van de sifon tot 10 mm onder de bovenkant met water.
- Bevestig het onderste sifondeel aan de sifonbeker.
7.13 Gasinstelling
7.13.1 Gasinstelling af fabriek controleren
De verbranding van het product werd af fabriek gecontroleerd en voor het gebruik met de gasgroep, die op het typeplaatje vastgelegd is, vooraf ingesteld.
- Controleer de gegevens over de gasgroep op het type plaatje en vergelijk deze met de aan de installatieplaats beschikbare gasgroep.
Voorwaarden: De uitvoering van het product komt niet met de plaatselijke gasgroep overeen
▶ Voer een gasomstelling aan het product met de als toebehoren beschikbare ombouwkit uit, zoals in de meegeleverde omstelhandleiding beschreven. Als een gasomstelling naar vloeibaar gas uitgevoerd werd, is de kleinst mogelijke deellast hoger dan op het display aangegeven. De correcte waarden vindt u terug in de technische gegevens.
Voorwaarden: De uitvoering van het product komt overeen met de plaatselijke gasgroep
▶ Ga te werk zoals hierna beschreven.
7.13.2 Gasstroomdruk controleren
- Sluit de gasafsluitkraan.

- Draai de afdichtingsschroef van de meetnippel (1) (onderste schroef) aan het gasblok met behulp van een schroevendraaier los.
- Sluit een manometer (2) aan de meetnippel (1) aan.
- Open de gasafsluitkraan.
- Neem het product met het controleprogramma P.01 in gebruik.
- Meet de gasstroomdruk ten opzichte van de atmosfeer- druk.
- Toegestane gasstroomdruk bij gebruik met aardgas G25: 2,0 ... 3,0 kPa (20,0 ... 30,0 mbar)
- Toegestane gasstroomdruk bij gebruik met vloeibaar gas G31: 2,5 ... 4,5 kPa (25,0 ... 45,0 mbar)
- Stel het product buiten bedrijf.
- Sluit de gasafsluitkraan.
- Verwijder de manometer.
- Draai de schroef van de meetnippel (1) vast.
- Open de gasafsluitkraan.
- Controleer de meetnippel op gasdichtheid.
Voorwaarden: Gasstroomdruk niet in het toegestane bereik

Opgelet!
Kans op materiële schade en bedrijfsstoringen door verkeerde gasstroomdruk!
Als de gasstroomdruk buiten het toegestane bereik ligt, dan kan dit tot storingen in de werking en tot schade aan het product leiden.
▶ Voer geen instellingen aan het product uit.
▶ Neem het product niet in gebruik.
Als u de fout niet kunt verhelpen, breng dan de gas- voorwaarden: Instelling van het CO₂-gehalte vereist
maatschappij op de hoogte.
▶ Sluit de gasafsluitkraan.
7.13.3 CO₂-gehalte controleren en evt. instellen (instelling luchtgetal)
Geldigheid: Nederland
- Neem het product met het controleprogramma P.01 in gebruik.
- Wacht minstens 5 minuten tot het product bedrijfstemperatuur bereikt heeft.

- Meet het CO₂-gehalte aan de rookgasmeetaansluiting (1).
- Vergelijk de meetwaarde met de betreffende waarde in de tabel.
| Instelwaarden Een- | held | Aardgas G25 | Propaan G31 |
| CO2na 5 min ge-bruik met vollast met gesloten frontmantel | Vol.-% | 9,0 ± 1,0 10 | 4 ± 0,5 |
| CO2na 5 min ge-bruik met vollast met afgenomen front-mantel | Vol.-% | 8,8 ± 1,0 10 | 2 ± 0,5 |
| Ingesteld voor Wobbe-index W0 | kWh/m3 | 11,53 21,34 | |
| O2na 5 min gebruik met vollast met gesloten frontmantel | Vol.-% | 4,6 ± 1,8 5,1 | ± 0,8 |

- Doorprik de afdekkap (1) met een kleine sleufschroevendraaier aan de markering en schroef deze eruit.
- Stel het CO₂-gehalte (waarde met afgenomen frontmantel) in door aan de schroef (2) te draaien.

Aanwijzing
Naar links draaien: hoger CO₂-gehalte Naar rechts draaien: geringer CO₂-gehalte
- Alleen voor aardgas: verstel slechts in stappen van 1 omwenteling en wacht na elke verstelling ca. 1 minuut tot de waarde gestabiliseerd is.
- Alleen voor vloeibaar gas: verstel slechts in kleine stappen (ca. 1/2 omwenteling) en wacht na elke verstelling ca. 1 minuut tot de waarde gestabiliseerd is.
- Nadat u de instellingen uitgevoerd hebt, kiest u (Annu- leren).
- Als een instelling in het opgegeven instelbereik niet mogelijk is, dan mag u het product niet in gebruik nemen.
- Breng het serviceteam in dit geval op de hoogte.
- Schroef de afdekkap er opnieuw in.
- Monteer de frontmantel.
7.14 Functie en dichtheid controleren
Voor u het product aan de gebruiker overhandigt:
- Controleer de gasleiding, het rookgasafvoersysteem, de CV-installatie en de warmwaterleidingen op lekkages.
- Controleer of de VLT/VGA en de condensafvoerleidingen perfect functioneren.
▶ Controleer de frontmantel op correcte montage.
7.14.1 CV-bedrijf controleren
- Controleer of er een warmtevraag is.
- Roep de Live monitor op.
Als het product correct functioneert, dan verschijnt op het display S.04.
8.2 CV-deellast instellen
De CV-deellast van het product is af fabriek op auto ingesteld. Als u toch een vaste maximale CV-deellast wilt instellen, dan kunt u onder D. 000 een waarde instellen die over-teenkomt met het productvermogen in kW.
7.14.2 Warmwaterbereiding controleren
Geldigheid: Product zonder geïntegreerde warmwaterbereiding met aangesloten warmwaterboiler
- Zorg ervoor dat de boilerthermostaat warmte vraagt.
- Roep de Live monitor op.
Als de boiler correct geladen wordt, verschijnt op display S.24.
Voorwaarden: Thermostaat aangesloten
▶ Stel de warmwatertemperatuur aan de CV-ketel op maximaal mogelijke temperatuur in.
▶ Stel de gewenste temperatuur voor de aangesloten ler aan de thermostaat in.
De CV-ketel neemt de aan de thermostaat ingestelde gewenste temperatuur over.
7.14.3 Warmwaterbereiding controleren
Geldigheid: Product met geïntegreerde warmwaterbereiding
- Draai een warmwaterkraan volledig open.
- Roep de Live monitor op.
Als de warmwaterbereiding correct functioneert, dan verschijnt op het display S.24.

Aanwijzing
Als een gasomstelling naar vloeibaar gas uitgevoerd werd, is de kleinst mogelijke CV-deellast hoger dan op het display aangegeven. De correcte waarden vindt u terug in de technische gegevens.
8.3 Pompnalooptijd en pompmodus instellen
Onder D.001 kunt u de pompnalooptijd instellen (fabrieksin-stelling 5 min.).
Onder D.018 kunt u de pompmodi Eco of comfort instellen.
deBij comfort wordt de interne pomp ingeschakeld als de verwarmingsaanvoertemperatuur niet op Verwarming uit staat bqi- gebruiksaanwijzing) en de warmteaanvraag via een externe thermostaat vrijgeschakeld is.
Eco (fabrieksinstelling) is zinvol om bij erg geringe warmtebehoefte en grote temperatuurverschillen tussen gewenste waarde warmwaterbereiding en gewenste waarde CV-bedrijf de restwarmte na een warmwaterbereiding af te voeren. Hierdoor vermijdt u dat woonruimtes te weinig verwarmd worden. Bij warmtevraag wordt de pomp na verstrijken van de nalooptijd elke 25 minuten gedurende 5 minuten ingeschakeld.
8.4 Maximale aanvoertemperatuur instellen
Onder D.071 kunt u de maximale aanvoertemperatuur voor het CV-bedrijf instellen (fabrieksinstelling 75 °C).
8 Aanpassing aan de CV-installatie
Om de belangrijkste systeemparameters nog eens in te len, gebruikt u het menupunt Toestel configuratie.
Menu → Installateurniveau → Toestel configuratie
Of start handmatig nog eens de installatieassistent.
Menu → Installateurniveau → Start Ins.assistent
8.5 Retourtemperatuurregeling instellen
Bij aansluiting van het product aan een vloerverwarming kan de temperatuurregeling onder D.017 van aanvoertemperatuurregeling (fabrieksinstelling) op retourtemperatuurregeling omgeschakeld worden. Als u onder D.017 de retourtemperatuurregeling geactiveerd hebt, dan is de functie van het automatisch bepalen van het verwarmingsvermogen niet actief. Als u D.000 toch op Auto zet, dan werkt het product met max. mogelijke CV-deellast.
8.1 Diagnosecodes oproepen
Instelmogelijkheden voor complexere installaties vindt u in het Diagnosemenu.
Menu → Installateurniveau → Diagnose menu
Diagnosecodes - overzicht (→ Pagina 39)
8.6 Branderwachttijd
Om het frequent in- en uitschakelen van de brander en hierdoor energieverlies te vermijden, wordt steeds na het uitschakelen van de brander voor een bepaalde tijd een elektronische herinschakelblokkering geactiveerd. De branderwachttijd is alleen voor de CV-functie actief. De warmwater-
Met behulp van de parameters, die in het overzicht diagnofunctie wordt tijdens een lopende branderwachttijd niet beïnsecodes als instelbaar gemarkeerd zijn, kunt u het productvloed door de tijdsinstelling (fabrieksinstelling: 20 min). aan de CV-installatie en de wensen van de klant aanpassen.
- Om de diagnosecode te wisselen, drukt u op of
- Om de parameter voor een wijziging te kiezen, drukt u op □.
- Om de actuele instelling te wijzigen, drukt u-op of.
Bevestig met
8.6.1 Branderwachttijd instellen
- Navigeer naar het Menu → Installateurniveau → Diagnosemenu → D.002 Max. wachttijd verwarming en bevestig met
- Stel de branderwachttijd in en bevestig met.
8.6.2 Resterende branderwachttijd terugzetten
1. Alternatief 1 / 2
▶ Navigeer naar het Menu → Reset wachttijd.
◀ Op het display verschijnt de actuele branderwachttijd.
▶ Druk op om de branderwachttijd terug te zetten.
1. Alternatief 2 / 2
▶ Druk op
8.7 Onderhoudsinterval instellen
- Navigeer naar het Menu → Installateurniveau → Diagnosemenu → D.084 Onderhoud over en bevestig met
- Stel het onderhoudsinterval (bedrijfsuren) tot aan het volgende onderhoud in en bevestig met.
| Warmte-vraag | Aantal personen | Richtwaarden van de bran-derbedrijfsuren tot aan de volgende inspectie en het volgende onderhoud in een gemiddelde bedrijfstijd van een jaar (afhankelijk van het type installatie) |
| 5,0 kW | 1 - 2 | 1.050 h |
| 2 - 3 | 1.150 h | |
| 10,0 kW | 1 - 2 | 1.500 h |
| 2 - 3 | 1.600 h | |
| 15,0 kW | 2 - 3 | 1.800 h |
| 3 - 4 | 1.900 h | |
| 20,0 kW | 3 - 4 | 2.600 h |
| 4 - 5 | 2.700 h | |
| 25,0 kW | 3 - 4 | 2.800 h |
| 4 - 6 | 2.900 h | |
| > 27,0 kW | 3 - 4 | 3.000 h |
| 4 - 6 | 3.000 h |
8.8 Pompvermogen instellen
▶ Navigeer naar het Menu → Installateurniveau → Diagnosemenu → D.014 Pomptoerental gew. waarde en bevestig met
▶ Stel het pompvermogen in en bevestig met.
Voorwaarden: Open verdeler geïnstalleerd
▶ Schakel de toerentalregeling uit en stel het pompvermogen op een vaste waarde in.
8.8.1 Restopvoerhoogte van de pomp
Pompkarakteristiek VHR NL 20 - 24/5-5
![| Debleit [l/h] | Restovoerhoogte [mbar] (PWM 100%) | Restovoerhoogte [mbar] (PWM 85%) | Restovoerhoogte [mbar] (PWM 70%) | Restovoerhoogte [mbar] (PWM 60%) | Restovoerhoogte [mbar] (PWM 53%) | | ------------- | ---------------------------------- | -------------------------------- | ----------------…](/content/2026/06/1162247/images/5779bec0e2120352c1308bbb24ff0e6c83c5a1eb224003f7456f220dcfdbf7f5.jpg)
Pompkarakteristiek VHR NL 25 - 30/5-5, VHR NL 25/5-5 S
9 Inspectie en onderhoud
![| Debiet [l/h] | Restoverhoogte [mbar] (100% PWM) | Restoverhoogte [mbar] (85%) | Restoverhoogte [mbar] (70%) | Restoverhoogte [mbar] (60%) | Restoverhoogte [mbar] (53%) | | ------------ | -------------------------------- | --------------------------- | --------------------------- | ----------------…](/content/2026/06/1162247/images/bd43f7c3f3de3f74c8c87cab259d1f10cdfc764d573d4d3723e0161514064ed5.jpg)
Pompkarakteristiek VHR NL 30 - 34/5-5, VHR NL 34/5-5 I
![| Debiet [l/h] | Restovoerhoogte [mbar] (100% PWM) | Restovoerhoogte [mbar] (85%) | Restovoerhoogte [mbar] (70%) | Restovoerhoogte [mbar] (60%) | Restovoerhoogte [mbar] (53%) | Restovoerhoogte [mbar] (Minimum bij auto) | | ------------ | ---------------------------------- | -------------------------…](/content/2026/06/1162247/images/5b2060dfa23103ab9fbc91ee9bd864319e1f31d903739c8d1d1ce82a072eedbd.jpg)
Pompkarakteristiek VHR NL 35 - 38/5-5, VHR NL 25/5-5
![| Debleit [l/h] | 100% PWM | 85% | 70% | 60% | 53% | Minimum | bij auto | | ------------- | -------- | --- | --- | --- | --- | ------- | -------- | | 0 | 350 | 350 | 350 | 350 | 350 | 350 | 350 | | 200 | 350 | 350 | 350 | 350 | 350 | 350 | 350 | | 400 | 350 | 350 | 350 | 350 | 350 | 350 | 350 | | 60…](/content/2026/06/1162247/images/b36a3cbe4eadc692570754fdcc5ff83a6a0651123f3f469e463b10ab588975ff.jpg)
8.9 Overstroomklep instellen
- Demonteer de frontmantel (→ Pagina 11).

- Regel de druk aan de instelschroef (1).
| Stand van de instelschroef | Druk in MPa (mbar) | Opmerking/toepassing |
| Rechtse aan-slag (helemaal naar onderen ge-draaid) | 0,035 (350) | Als de radiatoren bij fabrieksinstelling niet vol-doende warm worden. In dit geval moet u de pomp op max. stand zetten. |
| Middelste stand (5 draaien naar links) | 0,025 (250) | Fabrieksinstelling |
| Vanuit de middel-ste stand nog 5 draaien naar links | 0,017 (170) | Als er geluiden aan radi-atoren of radiatorkranen optreden |
- Monteer de frontmantel.
8.10 Tapwaternaverwarming op zonne-energie instellen
▶ Navigeer naar het Menu → Installateurniveau → Diagnosemenu → D.058 Naverwarming zonne-energie en bevestig met.
▶ Stel de naverwarming met zonne-energie in en bevestig met ☐.
- Instelbereik: 60 ... 80 °C (140,0 ... 176,0 °F)
▶ Vervang bij producten met geïntegreerde doorstroombegrenzer de doorstroombegrenzer door een speciale versie voor hoge watertemperaturen.
Zorg ervoor dat de temperatuur aan de koudwateraansluiting van het product niet meer dan 70 °C bedraagt.
▶ Bouw evt. voor het product een thermostatische mengkraan in.
8.11 Product aan de gebruiker opleveren
Plak na de installatie de meegeleverde sticker met het verzoek de handleiding te lezen in de taal van de gebruiker op de voorkant van het product.
- Geef aan de gebruiker uitleg over positie en werking van de veiligheidsinrichtingen.
▶ Instrueer de gebruiker over de bediening van het product.
▶ Wijs de gebruiker vooral op de veiligheidsvoorschriften die hij in acht moet nemen.
▶ Informeer de gebruiker over de noodzaak om het product volgens de opgegeven intervallen te laten onderhouden.
▶ Overhandig de gebruiker alle handleidingen en productpapieren, zodat hij/zij deze kan bewaren.
Instrueer de gebruiker over getroffen maatregelen voor de VLT/VGA en wijs hem erop dat hij aan de VLT/VGA niets mag veranderen.
9 Inspectie en onderhoud
▶ Neem de minimale inspectie- en onderhoudsintervallen in acht. Afhankelijk van de resultaten van de inspectie kan een vroeger onderhoud nodig zijn.
Inspectie- en onderhoudswerkzaamheden - overzicht (→ Pagina 43)
9.1 Reserveonderdelen aankopen
De originele componenten van het product werden in het kader van de CE-conformiteitskeuring mee gecertificeerd. Als u bij het onderhoud of de reparatie geen mee gecertificeerde Vaillant originele reserveonderdelen gebruikt, dan vervalt de CE-conformiteit van het product. Daarom adviseren we u uitdrukkelijk van enkel Vaillant originele reserveonderdelen. Informatie over de beschikbare Vaillant originele reserveonderdelen vindt u op het aan de achterkant vermelde contactadres.
Als u bij het onderhoud of de reparatie reserveonderdelen nodig hebt, gebruik dan uitsluitend Vaillant originele reserveonderdelen.
9.2 Functiemenu
Menu → Installateurniveau → Test → Functie menu
Met het functiemenu kunt u afzonderlijke componenten van de CV-installatie aansturen en testen.
| Weergave | Testprogramma | Handeling |
| T.01 Interne pomp controleren | Interne pomp in- en uitschakelen. | |
| T.02 Driewegklep controleren | Interne driewegklep in verwarmings- of warmwaterpositie brengen. | |
| T.03 Ventilator controleren | Ventilator in- en uitschakelen. De ventilator loopt met maximaal toerental. | |
| T.04 Boilerlaadpomp controleren | Boilerlaadpomp in- en uitschakelen. | |
| T.05 Circulatiepomp controleren | Circulatiepomp in- en uitschakelen. | |
| T.06 Externe pomp controleren | Externe pomp in- en uitschakelen. | |
| T.08 Brander controleren | Het product start en gaat in minimale belasting. Op het display wordt de aanvoertemperatuur weergegeven. | |
9.3 Zelftest elektronica
Menu → Installateurniveau → Test → Zelftest
Met de elektronicazelftest kunt u de printplaat controleren.
9.4 Compacte thermomodule demonteren

Aanwijzing
De bouwgroep compacte thermomodule bestaat uit vijf hoofdcomponenten:
- toerentalgeregelde ventilator,
- gasblok incl. klemplaat,
- venturi incl. massastroomsensor en gasverbindingsbuis,
- Branderflens,
- voormengbrander.

Gevaar!
Levensgevaar en kans op materiële schade door hete rookgassen!
Afdichting, isolatiemat en zelfborgende moeren aan de branderflens mogen niet beschadigd zijn. Anders kunnen hete rookgassen lekken en tot verwondingen en materiële schade leiden.
▶ Vervang telkens na het openen van de branderdeur de afdichting.
▶ Vervang telkens na het openen van de branderflens de zelfborgende moeren aan de branderflens.
Als de isolatiemat aan de branderflens of aan de achterkant van de warmtewisse- laar tekenen van beschadiging vertoont, vervang dan de isolatiemat.
- Schakel het product met de aan-/uittoets uit.
- Sluit de gasafsluitkraan.
- Demonteer de frontmantel.
- Klap de schakelkast naar voren.

- Draai de klemschroef (2) eruit en haal de luchtaanzuig-buis (1) van de aanzuigaansluiting.
- Schroef ofwel de wartelmoer aan het gasblok (3) of de wartelmoer (4) tussen gegolfde gasbuis en vaste gasbuis af.
9 Inspectie en onderhoud

- Trek de stekker van de ontstekingsleiding (7) en de aardleiding (6) van de ontstekingselektrode.
- Trek de stekker (4) aan de ventilatormotor af door de grendelnok in te drukken.
- Trek de drie stekkers aan het gasblok (5) eraf.
- Trek de stekker aan de venturi (3) eraf door de grendelnok in te drukken.
- Maak de kabelboom uit de clip aan de houder van het gasblok los.
- Schroef de vier moeren (8) eraf.
- Trek de complete compacte thermomodule (2) van de warmtewisselaar (1).
- Controleer de brander en de warmtewisselaar op schade en verontreinigingen.
- Indien nodig, reinig of vervang dan de componenten volgens de volgende paragrafen.
- Bouw een nieuwe branderflensafdichting in.
- Controleer de isolatiemat aan de branderflens en aan de achterwand van de warmtewisselaar. Als u tekener van schade vaststelt, vervang dan telkens de relevante isolatiemat.
9.5 Warmtewisselaar reinigen
- Bescherm de naar beneden geklapte schakelkast tegen spatwater.

- Draai in geen geval de vier moeren los aan de borstbouten (1) en draai ze in geen geval na.
- Reinig de verwarmingsspiraal (3) van de warmtewisse- 1. Sluit de koudwaterstopkraan. laar (4) met water of indien nodig met azijn (tot max.25%Maak het toestel aan warmwaterzijde leeg.
- Sluit de koudwaterstopkraan.
25% Maak het toestel aan warmwaterzijde leeg.
zuur). Laat de azijn 20 minuten lang op de warmtewisselaar inwerken.
- Spoel het losgekomen vuil met een scherpe waterstraal af of gebruik een kunststofborstel. Richt de waterstraal niet direct op de isolatiemat (2) aan de achterkant van de warmtewisselaar.
◀ Het water loopt uit de warmtewisselaar door de sifonbeker weg.
9.6 Brander controleren

- Controleer het oppervlak van de brander (1) op beschadigingen. Als u schade vaststelt, vervang dan de brander.
- Bouw een branderflensafdichting (3) in.
- Controleer de isolatiemat (2) aan de branderflens. Als u tekenen van schade vaststelt, vervang dan de isolatie-mat.
9.7 Sifonbeker vullen
- Haal het onderste sifondeel eraf.
- Vul het onderste deel van de sifon tot 10 mm onder de e bovenkant met water.
- Bevestig het onderste sifondeel aan de sifonbeker.
9.8 Zeef in koudwateringang reinigen
Geldigheid: Product met geïntegreerde warmwaterbereiding

- Schroef de wartelmoer (2) en de contramoer (1) aan behuizing van het product af.

- Klap de schakelkast naar voren.
- Verwijder de klem aan de stromingssensor (2).
- Haal de buis (1) uit het product.
- Spoel de zeef onder een waterstraal tegen de stromingsrichting uit.
- Als de zeef beschadigd is, of niet meer voldoende gereinigd kan worden, vervang de zeef dan.
- Plaats de buis er opnieuw in.
- Steek de klem er opnieuw in.
- Gebruik altijd nieuwe afdichtingen en schroef de wartel 3 moeren en de contramoer opnieuw vast.
- Open de koudwaterstopkraan.
9.9 Compacte thermomodule inbouwen

- Steek de compacte thermomodule (2) op de warmte-wisselaar (1).
- Draai de vier nieuwe moeren (8) kruiselings vast tot de branderflens gelijkmatig tegen de aanslagvlakken zit.
- Aanhaalmoment: 6 Nm
- Steek de stekkers (3) tot (7) er opnieuw op.
- Sluit de gasleiding met een nieuwe afdichting aan. Beveilig hierbij de gasbuis tegen het verdraaien.
- Open de gasafsluitkraan.
- Zorg ervoor dat er geen ondichtheden zijn.
- Controleer of de afdichtingsring in de luchtaanzuigbuis goed in de uitsparing zit.
- Steek de luchtaanzuigbuis opnieuw op de aanzuigaansluiting.
e9. Bevestig de luchtaanzuigbuis met de klemschroef.
- Controleer de gasstroomdruk. (→ Pagina 24)
9.10 Product leegmaken
- Sluit de onderhoudskranen van het product.
- Start het controleprogramma P.06 (middelste stand driewegklep).
- Open de aftapkleppen.
- Zorg ervoor dat de kap van de snelontluchter aan de interne pomp geopend is opdat het product volledig geleegd wordt.
9.11 Voordruk van het expansievat controleren
- Sluit de onderhoudskranen en maak het product leeg.
- Meet de voordruk van het expansievat aan de klep van het vat.
Voorwaarden: Voordruk < 0,075 MPa (0,75 bar)
- Vul het expansievat volgens de statische hoogte van de CV-installatie idealerwijs met stikstof, anders met lucht bij. Zorg ervoor dat de ontluchtingsklep tijdens het bijvullen geopend is.
- Als aan de klep van het expansievat water naar buiten komt, dan moet u het expansievat vervangen.
- Vul de CV-installatie. (→ Pagina 23)
- Ontlucht de verwarmingsinstallatie. (→ Pagina 23)
9.12 Inspectie- en onderhoudswerkzaamheden afsluiten
▶ Controleer de gasstroomdruk. (→ Pagina 24)
- Controleer het CO 2 -gehalte en stel het evt. in (luchtgetal-instelling). ( → Pagina 25)
▶ Stel evt. het onderhoudsinterval (→ Pagina 28) opnieuw in.
10 Verhelpen van storingen
10.1 Servicemeldingen controleren
verschijnt bijv. als u een onderhoudsinterval ingesteld hebt en dit verstreken is of als er servicemelding is. Het product bevindt zich niet in de foutmodus.
- Om meer informatie over de servicemelding te krijgen, roept u de Live monitor (→ Pagina 19) op.
Voorwaarden: S.40 wordt weergegeven
Het product bevindt zich in de comfortveiligheidsmodus. Het product loopt met beperkt comfort verder nadat het een storing herkend heeft.
- Om vast te stellen of een component defect is, leest u het foutgeheugen (→ Pagina 32) uit.

Aanwijzing
Als er geen foutmelding voorhanden is, zal het product na een bepaalde tijd automatisch opnieuw naar het normale bedrijf wisselen.
10.2 Fouten verhelpen
Als foutmeldingen (F.XX) optreden, verhelp de fout dan 10.6.1 Brander vervangen na controle van de tabel in de bijlage of met behulp van het functiemenu (→ Pagina 29) of de controleprogram- 1. Demonteer de compacte thermomodule. (→ Pagina 29)
ma's (→ Pagina 21).
Overzicht foutcodes (→ Pagina 45)
Als er meerdere fouten tegelijk optreden, dan geeft het display de bijbehorende foutmeldingen afwisselend gedurende telkens twee seconden weer.
Druk op (max. 3 keer) om het product opnieuw in gebruik te nemen.
Als u de fout niet kunt verhelpen en deze ook na ontstoringspogingen opnieuw optreedt, neem dan contact op met de fabrieksklantenservice.
10.3 Foutgeheugen oproepen/wissen
Als er fouten opgetreden zijn, dan staan max. de 10 laatste foutmeldingen in het foutgeheugen ter beschikking.
▶ Navigeer naar het menu Foutenlijst en bevestig met.
Op het display wordt het aantal opgetreden fouten het foutnummer en de bijbehorende tekst weergegeven.
Druk op of on de verschillende foutmeldingen op te roepen.
Druk twee keer op-om de foutlijst te wissen.
10.4 Parameters naar fabrieksinstellingen resetten
-
Navigeer naar het Menu → Installateurniveau → Diagnosemenu → D.096 Naar fabrieksinstellingen terugzetten? en bevestig met.
-
Druk op tom de waarde op 1 te zetten en bevestig met ☐
10.5 Reparatie voorbereiden
- Stel het product tijdelijk buiten bedrijf (→ Pagina 35).
- Verbreek de verbinding van het product met het elektriciteitsnet.
- Demonteer de frontmantel (→ Pagina 11).
- Sluit de onderhoudskranen in de CV-aanvoer, in de CV retour en in de koudwaterleiding.
- Als u watervoerende componenten van het product wilt vervangen, leeg dan het product (→ Pagina 31).
- Zorg ervoor dat er geen water op stroomvoerende onderdelen (bijv. de schakelkast) druppelt.
- Gebruik alleen nieuwe afdichtingen.
10.6 Defecte componenten vervangen
10.6.1 Brander vervangen
- Demonteer de compacte thermomodule. (→ Pagina 29)

- Maak de vier schroeven (1) aan de brander los.
- Haal de brander eraf.
- Monteer de nieuwe brander met een nieuwe afdichting (2).
- Zorg ervoor dat de uitsparingen in afdichting en brander boven het kijkglas van de branderflens liggen.
- Bouw de compacte thermomodule in. (→ Pagina 31)
10.6.2 Ventilator vervangen

- Haal de luchtaanzuigbuis eraf.
- Trek de drie stekkers van het gasblok (5) eraf.
- Trek de stekker aan de sensor van de venturi (3) eraf door de grendelnok in te drukken.
- Trek de stekker (s) (afhankelijk van de uitvoering van het toestel) (4) van de ventilatormotor eraf door telkens de grendelnok in te drukken.
- Schroef de beide wartelmoeren (7) en (6) aan het gasblok los. Houd bij het losschroeven aan de tegenovergestelde zijde van het gasblok met een steeksleutel tegen.
- Schroef drie schroeven (2) tussen mengbuis (1) en ventilatorflens eruit.

- Haal de volledige eenheid bestaande uit ventilator, venturi en gasblok uit het product.
- Draai de bevestigingsschroef (2) van het gasblok eruit.
- Haal het gasblok van de ventilator door de bajonetsluiting tegen de klok in tot aan de aanslag te draaien en uit te trekken.
- Vervang de defecte ventilator.

- Bouw de componenten in omgekeerde volgorde opnieuw in. Gebruik hierbij absoluut nieuwe afdichtingen (4) en (5). Neem de aanschroefvolgorde van de drie schroeven tussen ventilator en mengbuis volgens de nummering (1), (2) en (3) in acht.
- Schroef de flexibele gasleiding aan het gasblok. Gebruik daarbij nieuwe afdichtingen.
- Houd bij het vastschroeven van de wartelmoer aan het gasblok aan de tegenovergestelde zijde van het gasblok met een steeksleutel tegen.
- Voer na de montage van de nieuwe ventilator een gas-familiecontrole (→ Pagina 21) uit.
10.6.3 Gasblok vervangen

Aanwijzing
Voor het vervangen van het gasblok hebt u een torx T20 nodig. Voor de directe demontage van het gasblok van voren hebt u een haakse schroevendraaier of een bit torx T20 nodig. Als u niet over een haakse schroevendraaier of dergelijke beschikt, moet u eerst de volledige eenheid ventilator met gasblok demonteren voor u het gasblok van de houder kunt demonteren.

- Haal de luchtaanzuigbuis eraf.
- Trek de drie stekkers van het gasblok (2) eraf.
- Trek de stekker aan de sensor van de venturi (1) eraf door de grendelnok in te drukken.
- Schroef de beide wartelmoeren (5) en (4) aan het gasblok los. Houd bij het losschroeven met een steeksleutel aan de tegenovergestelde zijde van het gasblok (4) resp. (5) tegen.
- Demonteer ofwel de eenheid ventilator met gasblok (Ventilator vervangen (→ Pagina 32)) of draai met behulp van een haakse schroevendraaier of een bit torx T20 de bevestigingsschroef van het gasblok (3) uit de houder.

Aanwijzing
De schroef aan de houder van het gasblok beveiligt het gasblok tegen verdraaien en moet na het vervangen van het gasblok absoluut opnieuw gemonteerd worden.
- Haal het gasblok uit de houder.
- Bouw het nieuwe gasblok in de omgekeerde volgorde opnieuw in. Gebruik daarbij nieuwe afdichtingen.
- Houd bij het vastschroeven van de wartelmoeren aan het gasblok met een steeksleutel aan de tegenovergestelde zijde van het gasblok (4) resp. (5) tegen.
- Voer na de montage van het nieuwe gasblok een dichtheidscontrole (→ Pagina 25), een controle gassoort (→ Pagina 21) en een gasinstelling (→ Pagina 24) uit.
10.6.4 Venturi vervangen

- Haal de luchtaanzuigbuis eraf.
- Trek de stekker aan de sensor van de venturi (1) eraf door de grendelnok in te drukken.
- Schroef de wartelmoer (3) van de gasverbindingsbuis (2) aan het gasblok los.
- Neem de venturi met de gasverbindingsbuis uit de ventilator door de bajonetafsluiting van de venturi tegen de klok in tot aan de aanslag te draaien en recht uit ventilator te trekken.

- Demonteer de gasverbindingsbuis (1) van de venturi (3) door de klem (4) af te trekken en de gasverbindingsb er verticaal uit te trekken. Voer de afdichting (7) af.
- Trek het gasmondstuk (6) er recht uit en voer het af.
- Controleer of de venturi aan gasinlaatzijde vrij is van resten.
- Plaats het voor de gasgroep geschikte gasmondstuk in de nieuwe venturi (geel: E-gas).
-
Bouw de componenten in omgekeerde volgorde opnieuw in. Gebruik daarbij nieuwe afdichtingen.
-
Voer na de montage van de nieuwe venturi een gasfamiliecontrole (→ Pagina 21) en een CO₂-meting (→ Pagina 25) uit.
10.6.5 Warmtewisselaar vervangen
- Maak het product leeg. (→ Pagina 31)
- Demonteer de compacte thermomodule. (→ Pagina 29)
- Trek de condensafvoerslang van de warmtewisselaar af.

- Trek de klemmen (2) en (3) aan de aanvoeraansluiting en aan de retouraansluiting eraf.
- Maak de aanvoeraansluiting los.
- Maak de retouraansluiting los.
- Verwijder telkens twee schroeven (1) aan de beide houders.

-
Verwijder de onderste drie schroeven (2) aan het achterste deel van de houder.
-
Zwenk de houder rond de bovenste schroef (1) opzij.
- Trek de warmtewisselaar naar onderen en naar rechts en haal hem uit het product.
- Monteer de nieuwe warmtewisselaar in omgekeerde volgorde.
- Vervang de pakkingen.

Aanwijzing
Om u te helpen bij het monteren kunt u water of in de handel verkrijgbare zeep gebruiken in de plaats van vetten.
- Steek de aanvoer- en retouraansluiting tot aan de aanslag in de warmtewisselaar.
- Zorg voor correcte aanbrenging van de klemmen aan aanvoer- en retouraansluiting.
- Bouw de compacte thermomodule in. (→ Pagina 31)
- Vul (→ Pagina 23) en ontlucht (→ Pagina 23) het product en, indien nodig, de CV-installatie.
10.6.6 Printplaat of display vervangen

Aanwijzing
Als u slechts een component vervangt, dan neemt het nieuwe component bij het inschakelen van het product de vooraf ingestelde parameters over van het component dat niet is vervangen.
- Open de elektronicabox (→ Pagina 17).
- Vervang de printplaat of het display conform de bijgeleverde montage- en installatiehandleidingen.

- Als u de printplaat vervangt, trek dan de codeerweerstand (1) (stekker X24) op de oude printplaat eraf en steek de stekker op de nieuwe printplaat.
- Sluit de elektronicabox ( → Pagina 17).
10.6.7 Printplaat en display vervangen
- Open de elektronicabox (→ Pagina 17).
- Vervang de printplaat en het display conform de bijgeleverde montage- en installatiehandleidingen.

- Trek de codeerweerstand (1) (stekker X24) op de oude printplaat eraf an steek de stekker op de nieuwe printplaat.
- Sluit de elektronicabox (→ Pagina 17).
- Druk op de aan-/uittoets van het product. (→ Pagina 20)
◀ Het product wisselt na het inschakelen direct naar het menu voor de instelling van de taal. Af fabriek is Engels ingesteld.
- Kies de gewenste taal en bevestig met.
◀ U gaat automatisch naar de instelling van de toestelidentificatie D.093.
- Stel volgens de volgende tabel de juiste waarde voor het betreffende producttype in en bevestig met.
Toestelidentificaties van de producttypes
| VHR NL 20-24/5-5 | 8 |
| VHR NL 25-30/5-5 | 12 |
| VHR NL 30-34/5-5 | 16 |
| VHR NL 35-38/5-5 | 19 |
| VHR NL 34/5-5 I | 16 |
| VHR NL 25/5-5 S | 12 |
| VHR NL 35/5-5 S | 19 |
De elektronica is nu ingesteld op het producttype en de parameters van alle diagnosecodes komen overeen met de fabrieksinstellingen.
◀ De installatieassistent start.
- Voer de installatiespecifieke instellingen uit.
10.7 Reparatie afsluiten
- Breng de stroomvoorziening tot stand.
- Schakel het product (→ Pagina 20) opnieuw in als dit nog niet gebeurd is.
- Monteer de frontmantel (→ Pagina 11).
- Open alle onderhoudskranen en de gasafsluitkraan.
- Controleer functie en dichtheid (→ Pagina 25).
11 Buitenbedrijfstelling
11.1 Product tijdelijk buiten bedrijf stellen
▶ Druk op de aan-/uittoets.
◀ Het display gaat uit.
▶ Sluit de gasafsluitkraan.
▶ Sluit bij combiproducten producten met aangesloten warmwaterboiler bijkomend de koudwaterafsluitkraan aan.
11.2 Product buiten bedrijf stellen
▶ Druk op de aan-/uittoets.
◀ Het display gaat uit.
▶ Verbreek de verbinding van het product met het elektrici- teitsnet.
▶ Sluit de gasafsluitkraan.
▶ Sluit de koudwaterstopkraan.
▶ Maak het product leeg. (→ Pagina 31)
12 Recycling en afvoer
12 Recycling en afvoer
12.1 Recycling en afvoer
Verpakking afvoeren
▶ Voer de verpakking reglementair af.
Product en toebehoren afvoeren
- Geef noch het product noch het toebehoren met het huisvuil mee.
▶ Voer het product en alle accessoires reglementair af.
▶ Neem alle relevante voorschriften in acht.
13 Fabrieksklantenservice
13.1 Serviceteam
Het Serviceteam dient ter ondersteuning van de installateur en is tijdens kantooruren te bereiken op nummer:
Serviceteam: 020 565 94 40
Bijlage
A Installateurniveau - overzicht
| Instelniveau Waarden | Eenheid | Stappengrootte, selectie, uitleg | Fabrieks-instelling | ||
| min. | max. | ||||
| Installateurniveau → | |||||
| Code invullen | 00 | 99 | - | 1 (installateurcode 17) | - |
| Installateurniveau → Foutlijst → | |||||
| F.XX - F.XX 1 Actuele waarde | - | - | - | ||
| Installateurniveau → Testprogramma's → | |||||
| Gasfamiliecontrole | Actuele waarde | - | LPG, aardgas | - | |
| Installateurniveau → Testprogramma's → Controleprogramma's → | |||||
| P.XX - P.XX | Actuele waarde | - | - | - | |
| Installateurniveau → Testprogramma's → Functiemenu → | |||||
| T.XX - T.XX | Actuele waarde | - | - | - | |
| Installateurniveau → Testprogramma's → | |||||
| Zelftest elektronica | - | - | - | Ja, Nee | - |
| Installateurniveau → Toestelconfiguratie → | |||||
| Taal | - | - | - | Deutsch, English, Français, Italiano, Dansk, Netherlands, Castellano, Türkce, Magyar, Русский, Українська, Svenska, Norsk, Polski, Čeština, Hrvatski, Slovenčina, Română, Slovenščina, Português, Srpski | English |
| Aanvoertemp. Gew. | 30 | 75 | °C | 1 | - |
| Warmwatertemp. | 30 | 60 | °C | 1Product met warmwaterbereiding | - |
| Comfortmodus | - | - | - Aan, UitProduct met warmwaterbereiding | - | |
| Hulprelais (D.026) | 1 | 10 | - | 1 = circulatiepomp2 = externe pomp3 = boilerlaadpomp4 = afzuigkap5 = externe magneetklep6 = externe storingsmelding7 = zonnepomp (niet actief)8 = afstandsbediening eBUS (niet actief)9 = legionellabeveiligingspomp (niet actief)10 = zonneklep (niet actief) | 2 |
| Toebehorenrelais 1 (D.027) | 1 | 10 | - | 1 = circulatiepomp2 = externe pomp3 = boilerlaadpomp4 = afzuigkap5 = externe magneetklep6 = externe storingsmelding7 = zonnepomp (niet actief)8 = afstandsbediening eBUS (niet actief)9 = legionellabeveiligingspomp (niet actief)10 = zonnelep (niet actief) | 2 |
| 1 Foutlijsten zijn alleen voorhanden en kunnen gewist worden als fouten opgetreden zijn. | |||||
| Toebehorenrelais 2 (D.028) 1 10 - | 1 = circulatiepomp | 2 = externe pomp3 = boilerlaadpomp4 = afzuigkap5 = externe magneetklep6 = externe storingsmelding7 = zonnepomp (niet actief)8 = afstandsbediening eBUS (niet actief)9 = legionellabeveiligingspomp (niet actief)10 = zonneklep (niet actief) | 2 | ||
| CV-deellast - - kW Alleen deellast, | alleen | vollast, auto auto | |||
| Fabrieksinstelling | - | - | - | Nee, Ja | - |
| Installateurniveau → Diagnosemenu → | |||||
| D.XXX - D.XXX | Actuele waarde | - | - | - | |
| Installateurniveau → Start ins.assistent → | |||||
| Taal | - | - | - | Deutsch, English, Français, Italiano, Dansk, Netherlands, Castellano, Türkce, Magyar, Русский, Українська, Svenska, Norsk, Polski, Čeština, Hrvatski, Slovenčina, Română, Slovenščina, Português, Srpski | English |
| Vulmodus driewegklep is in middelste stand | 0 | 2 | - 0 = normale werking1 = middelste stand (parallel bedrijf)2 = permanente stand CV-bedrijf | - | |
| Ontluchtingsprogramma circuit kiezen | - - | - | Niet actief, verwarmingscircuit, warmwatercircuit, actief | - | |
| Aanvoertemp. Gew. | 30 | 75 | °C | 1 | - |
| Warmwatertemp. | 35 | 60 | °C | 1Product met warmwaterbereiding | - |
| Comfortmodus | - | - | - Aan, UitProduct met warmwaterbereiding | - | |
| CV-deellast - - kW Alleen deellast, | alleen | vollast, auto auto | |||
| Hulprelais | 1 10 | - 1 = circulatiepomp2 = externe pomp3 = boilerlaadpomp4 = afzuigkap5 = externe magneetklep6 = externe storingsmelding7 = zonnepomp (niet actief)8 = afstandsbediening eBUS (niet actief)9 = legionellabeveiligingspomp (niet actief)10 = zonneklep (niet actief) | 2 | ||
| Toebehorenrelais 1 | 1 | 10 | - | 1 = circulatiepomp2 = externe pomp3 = boilerlaadpomp4 = afzuigkap5 = externe magneetklep6 = externe storingsmelding7 = zonnepomp (niet actief)8 = afstandsbediening eBUS (niet actief)9 = legionellabeveiligingspomp (niet actief)10 = zonneklep (niet actief) | - |
| *Foutlijsten zijn alleen voorhanden en kunnen gewist worden als fouten opgetreden zijn. | |||||
| Toebehorenrelais 2 1 10 - 1 = circulatiepomp | 2 = externe pomp3 = boilerlaadpomp4 = afzuigkap5 = externe magneetklep6 = externe storingsmelding7 = zonnepomp (niet actief)8 = afstandsbediening eBUS (niet actief)9 = legionellabeveiligingspomp (niet actief)10 = zonneklep (niet actief) | 2 | |||
| Contactgegevens Telefoonnum-mer | - 0-9 - | ||||
| Installatieassistent beëindigen? | - | - | - | Ja, Nee | - |
| 1 Foutlijsten zijn alleen voorhanden en kunnen gewist worden als fouten opgetreden zijn. | |||||
B Diagnosecodes - overzicht
| Code | Parameter | Waarden of verklaringen | Fabrieksin-stelling | Eigen in-stelling |
| D.000 | CV-deellast | Instelbare CV-deellast in kWauto: product past max. deellast automatisch aan de actuele behoefte van de installatie aan | auto | |
| D.001 | Nalooptijd interne pomp voor CV-bedrijf | 1 ... 60 min | 5 min | |
| D.002 | Max. branderwachttijd verwarming bij 20 °C aanvoertemperatuur | 2 ... 60 min | 20 min | |
| D.003 | Warmwater temp. gemeten | in °C | niet verstel-baar | |
| D.004 | Meetwaarde van de warmwatersensor | in °C | niet verstel-baar | |
| D.005 | Gewenste aanvoertemperatuur (of gewenste retourtemperatuur) | in °C, max. van de in d.071 ingestelde waarde, begrensd door een eBus-thermostaat, indien aangesloten | niet verstel-baar | |
| D.006 | Gewenste waarde warmwatertemperatuur (alleen product met geïntegreerde warmwaterbereiding) | 35 ... 65 °C | niet verstel-baar | |
| D.007 | Gewenste waarde warmestarttemperatuur (alleen product met geïntegreerde warmwaterbereiding)Gewenste waarde boilertemperatuur (alleen product zonder geïntegreerde warmwaterbereiding) | 35 ... 65 °C-15 °C is vorstbeveiliging, dan 40 tot 70 °C (max. temperatuur onder D.020 instelbaar) | niet verstel-baar | |
| D.008 | Kamerthermostaat aan klemmen RT | Kamerthermostaat geopend (geen warmtevraag)Kamerthermostaat gesloten (warmtevraag) | niet verstel-baar | |
| D.009 | Gewenste waarde van externe eBUS thermostaat | in °C | niet verstel-baar | |
| D.010 | Status interne pomp | Aan, Uit | niet verstel-baar | |
| D.011 | Status externe CV-pomp | Aan, Uit | niet verstel-baar | |
| D.012 | Status boilerlaadpomp | Aan, Uit | niet verstel-baar | |
| D.013 | Status warmwater - circulatiepomp | Aan, Uit | niet verstel-baar | |
| Code | Parameter Waarden of verklaringen | Fabrieksinstelling | Eigen instelling | |
| D.014 | Pomp snelheid ingesteld (hoogefficiënte pomp) | Gewenste waarde hoogeficiënte pomp in %. Mogelijke instellingen:0 = auto1 = 532 = 603 = 704 = 855 = 1006 = auto ( Δp limiet)7 = vast ( Δp limiet) | 0 = auto | |
| D.015 | Pomptoerental werkelijke waarde (hoogefficiënte pomp) | Werkelijke waarde hoogeficiënte pomp in % niet verstel- | baar | |
| D.016 | Kamerthermostaat 24V DC geopend/gesloten | CV-bedrijf uit/aan niet verstel- | baar | |
| D.017 | Omschakeling aanvoer-/retourtemperatuurregeling verwarming | Regelingswijze:0 = aanvoer, 1 = retour | 0 = aanvoer | |
| D.018 | Instelling van de pompmodus 1 = Comfort (verder lopende pomp)3 = Eco (intermitterende pomp) | 3 = Eco | ||
| D.019 | Modus van de 2-traps pomp niet relevant niet verstel- | baar | ||
| D.020 | Max. instelwaarde voor gewenste boilerwaarde | Instelbereik 50 - 70 °C (actoSTOR 65 °C) 65 °C | ||
| D.022 | Vraag warm water via C1/C2, vleugelwiel of APC | Aan, Uit niet verstel- | baar | |
| D.023 | Zomer-/winterstand (verwarming aan/uit) | Verwarming aan, verwarming uit (zomermodus) niet verstel- | baar | |
| D.025 | Warmwaterbereiding vrijgegeven door eBus-thermostaat | Aan, Uit niet verstel- | baar | |
| D.026 | Aansturing hulprelais 1 = circulatiepomp2 = externe pomp3 = boilerlaadpomp4 = afzuigkap5 = externe magneetklep6 = externe storingsmelding7 = zonnepomp (niet actief)8 = afstandsbediening eBUS (niet actief)9 = legionellabeveiligingspomp (niet actief)10 = zonneklep (niet actief) | 2 = externe pomp | ||
| D.027 | Omschakeling relais 1 naar de „2 uit 7“ multifunctionele module VR 40 | 1 = circulatiepomp2 = externe pomp3 = boilerlaadpomp4 = afzuigkap5 = externe magneetklep6 = externe storingsmelding7 = zonnepomp (niet actief)8 = afstandsbediening eBUS (niet actief)9 = legionellabeveiligingspomp (niet actief)10 = zonneklep (niet actief) | ||
| D.028 | Omschakeling relais 2 naar de „2 uit 7“ multifunctionele module VR 40 | 1 = circulatiepomp2 = externe pomp3 = boilerlaadpomp4 = afzuigkap5 = externe magneetklep6 = externe storingsmelding7 = zonnepomp (niet actief)8 = afstandsbediening eBUS (niet actief)9 = legionellabeveiligingspomp (nietactief)10 = zonneklep (niet actief) | ||
| Code | Parameter Waarden of verklaringen | Fabrieksin-stelling | Eigen in-stelling | |
| D.033 | Gewenste waarde ventilatortoerental | In rpm niet verstel- | baar | |
| D.034 | Actuele waarde ventilatortoerental In | rpm niet verstel- | baar | |
| D.035 | Stand van de driewegklep CV-bedrijf | Parallel bedrijf (middelste stand)Warmwaterbedrijf | niet verstel-baar | |
| D.036 | Warmwaterdebiet (stromingssensor) in | l/min niet verstel- | baar | |
| D.039 | Zonne-inlooptemperatuur Werkelijke waarde in °C niet verstel- | baar | ||
| D.040 | Aanvoertemperatuur | Werkelijke waarde in °C niet verstel- | baar | |
| D.041 | Retourtemperatuur | Werkelijke waarde in °C niet verstel- | baar | |
| D.044 | Gedigitaliseerde ionisatiewaarde | Weergavebereik 0 tot 1020>800 geen vlam< 400 goed vlambeeld | niet verstel-baar | |
| D.046 | Soort pomp | 0 = uitschakelen via relais1 = uitschakelen via PWM | 0 = uitscha-kelen via relais | |
| D.047 | Buitentemperatuur (met weersafhan-kelijke Vaillant thermostaat) | Werkelijke waarde in °C niet verstel- | baar | |
| D.050 | Offset voor minimaal toerental | in rpm, instelbereik: 0 tot 3000 | Nominale waarde af fabriek ingesteld | |
| D.051 | Offset voor maximaal toerental | in rpm, instelbereik: -990 tot 0 | Nominale waarde af fabriek ingesteld | |
| D.058 | Activering naverwarming via zonne-energie voor combiproduct | 0 = naverwarming via zonne-energie gedeactiveerd3 = WW-activering ingestelde waarde minimum 60°C | 0 = naver-warming via zonne-energie ge-deactiveerd | |
| D.060 | Aantal uitschakelingen door temperatuurbegrenzer | Aantal uitschakelingen | niet verstel-baar | |
| D.061 | Aantal storingen branderautomaat | Aantal mislukte ontstekingen bij laatste poging | niet verstel-baar | |
| D.064 | Gemiddelde ontstekingstijd | In seconden | niet verstel-baar | |
| D.065 | Maximale ontstekingstijd | In seconden | niet verstel-baar | |
| D.067 | Resterende branderwachttijd | In minuten | niet verstel-baar | |
| D.068 | Mislukte ontstekingen bij 1e poging | Aantal mislukte ontstekingen | niet verstel-baar | |
| D.069 | Mislukte ontstekingen bij 2e poging | Aantal mislukte ontstekingen | niet verstel-baar | |
| D.070 | Instellen stand driewegklep | 0 = normale werking1 = parallel bedrijf (middelste stand)2 = permanente stand CV-bedrijf | 0 = normale werking | |
| D.071 | Gewenste waarde max. aanvoertem-peratuur verwarming | 40 ... 80 °C | 75 °C | |
| D.072 | Nalooptijd interne pomp na boilerla-ding | Instelbaar van 0-10 minuten in stappen van 1 minuut | 2 min | |
| D.073 | Gewenste warme start offset | Instelbaar van -15 K tot 5 K | 0 | |
| Code | Parameter Waarden of verklaringen | Fabrieksinstelling | Eigen instelling | |
| D.074 | Legionellabeveiligingsfunctie actoSTOR | 0 = uit1 = aan | 1 = aan | |
| D.075 | Max. laadtijd voor warmwaterboiler zonder eigen regeling | 20 - 90 min 45 min | ||
| D.076 | Toestelidentificatie (Device specific number = DSN) | 8 = VHR NL 20-24/5-512 = VHR NL 25-30/5-5; VHR NL 25/5-5 S16 = VHR NL 30-34/5-519 = VHR NL 35-38/5-5; VHR NL 35/5-5 S16 = VHR NL 34/5-5 I | niet verstelbaar | |
| D.077 | Begrenzing van het boilerlaadvermo-gen in kW | Instelbaar boilerlaadvermogen in kW | ||
| D.078 | Begrenzing van de boilerlaadtempe-ratuur in °C | 55 °C - 80 °CAanwijzingDe gekozen waarde moet min. 15 K resp. 15 °C boven de ingestelde gewenste boilerwaarde liggen. | 75 °C | |
| D.080 | Bedrijfsuren verwarming in h niet ver stel- | baar | ||
| D.081 | Bedrijfsuren warmwaterbereiding in h | niet verstel- | baar | |
| D.082 | Aantal branderstarts in CV-bedrijf Aa | antal branderstarts niet verstel- | baar | |
| D.083 | Aantal branderstarts in warmwater-bedrijf | Aantal branderstarts niet verstel- | baar | |
| D.084 | Onderhoudsindicatie: aantal uren tot de volgende onderhoudsbeurt | Instelbereik: 0 tot 3000 h en “---” voor gedeactiveerd ----” | ||
| D.088 | Inschakelvertraging voor warmwater-tapherkenning via vleugelwiel (alleen product met geïntegreerde warmwa-terbereiding) | 0 = 1,5 l/min en geen vertraging,1 = 3,7 l/min en 2 s vertraging | 1,5 l/min en geen vertraging | |
| D.090 | Status digitale thermostaat herkend, | niet herkend | niet verstel-baar | |
| D.091 | Status DCF bij aangesloten buiten-temperatuurvoeler | geen ontvangstontvangstgesynchroniseerdgeldig | niet verstel-baar | |
| D.092 | actoSTOR moduleherkenning | 0 = niet aangesloten1 = verbindingsfout: geen communicatie via PeBus,actoSTOR module werd vroeger herkend2 = verbinding actief | niet verstel-baar | |
| D.093 | Instelling toestelidentificatie (Device Specific Number = DSN) | Instelbereik: 0 tot 99 | ||
| D.094 | Foutcode historie verwijderen | Wissen van de foutlijst0 = nee1 = ja | ||
| D.095 | Softwareversie PeBUS-componenten | Printplaat (BMU)Display (AI)actoSTOR (APC)HBI/VR34 | niet verstel-baar | |
| D.096 | Fabrieksinstelling | Reset van alle instelbare parameters naar fabrieksinstel-ling0 = nee1 = ja | ||
| D.097 | Activering installateurniveau | Code: 17 | ||
| Code | Parameter Waarden of verklaringen | Fabrieksin-stelling | Eigen in-stelling | |
| D.098 | Waarde van de codeerweerstanden voor gasgroep en vermogensgrootte | Indicatie xx.yyxx = codeerweerstand 1 in de kabelboom voor vermogensgrootte:8 = VHR NL 20-24/5-59 = VHR NL 25-30/5-5; VHR NL 25/5-5 S10 = VHR NL 30-34/5-511 = VHR NL 35-38/5-5; VHR NL 35/5-5 S10 = VHR NL 34/5-5 lyy = codeerweerstand 2 op printplaat voor gasgroep:02 = P-gas03 = E-gas07 = L-gas | niet verstel-baar | |
C Inspectie- en onderhoudswerkzaamheden - overzicht

Aanwijzing
De volgende tabel geeft de vereisten van de fabrikant i.v.m. minimale inspectie- en onderhoudsintervallen weer. Als nationale voorschriften en richtlijnen kortere inspectie- en onderhoudsintervallen vereisen, neem dan in de plaats daarvan deze intervallen in acht.
| Nr. | Werkzaamheden | Inspectie (jaarlijks) | Onderhoud (min. om de 2 jaar) |
| 1 | Controleer de VLT/VGA op dichtheid en reglementaire bevestiging. Zorg ervoor dat deze niet verstopt of beschadigd is en in overeenstemming met de relevante montagehandleiding correct gemonteerd werd. | X | X |
| 2 | Controleer de algemene toestand van het product. Verwijder verontreinigingen aan het product en in de onderdrukkamer. | X | X |
| 3 | Controleer visueel de volledige warmtecel op algemene toestand en in het bijzonder op tekenen van corrosie, roet of andere schade. Als er u schade opvalt, voer dan het nodige onderhoud uit. | X | X |
| 4 | Controleer de gasaansluitdruk bij maximale warmtebelasting. Als de gasaansluitdruk niet in het correcte bereik ligt, voer dan het nodige onderhoud uit. | X | X |
| 5 | Controleer het CO2-gehalte (het luchtgetal) van het product en stel deze evt. opnieuw in. Noteer dit. | X | X |
| 6 | Verbreek de verbinding van het product met het elektriciteitsnet. Controleer de elektrische steek-verbindingen en aansluitingen op goede zitting en corrigeer deze eventueel. | X | X |
| 7 | Sluit de gasafsluitkraan en de onderhoudskranen. | X | |
| 8 | Leeg het product aan waterzijde (controleer de manometer). Controleer de voordruk van het expansievat, vul het evt. bij (ca. 0,03 MPa/0,3 bar onder vuldruk van de installatie). | X | |
| 9 | Alleen product met geïntegreerde warmwaterbereiding met actoSTOR: controleer de voordruk in het expansievat van de gelaagde boiler. Corrigeer de druk indien nodig. | X | X |
| 10 | Demonteer de compacte thermomodule. | X | |
| 11 | Controleer de isolatiematten in het verbrandingsbereik. Als u schade vaststelt, dan dient u de isolatiematten te vervangen. Vervang de branderflensafdichting bij elke opening en bij elk onderhoud. | X | |
| 12 | Reinig de warmtewisselaar. | X | |
| 13 | Controleer de brander op schade en vervang deze evt. | X | |
| 14 | Controleer de sifonbeker in het product, reinig en vul de deze eventueel. | X | X |
| 15 | Bouw de compacte thermomodule in. Attentie: vervang de afdichtingen! | X | |
| 16 | Alleen product met geïntegreerde warmwaterbereiding: vervang de secundaire warmtewisselaar als de waterhoeveelheid onvoldoende is of als de uitlooptemperatuur niet bereikt wordt. | X | |
| 17 | Alleen product met geïntegreerde warmwaterbereiding: reinig de zeef in de koudwateringang. Als de verontreinigingen niet meer verwijderd kunnen worden of als de zeef beschadigd is, vervang de zeef dan. Controleer in dit geval ook de stromingssensor op vervuiling en beschadigingen, reinig de sensor (geen perslucht gebruiken!) en vervang deze bij beschadigingen. | X | X |
| 18 | Open de gasafsluitkraan, verbind het product opnieuw met het stroomnet en schakel het product in. | X | X |
| 19 | Open de onderhoudskranen, vul product/CV-installatie tot 0,1 - 0,2 MPa/1,0 - 2,0 bar (afhankelijk van de statische hoogte van de CV-installatie), start het ontluchtingsprogramma P.00. | X | |
| 20 | Voer een test van product en CV-installatie incl. warmwaterbereiding uit en ontlucht de installatie indien nodig nog een keer. | X | X |
| 21 | Voer de gasfamiliecontrole uit. | X | |
| 22 | Controleer visueel het ontstekings- en brandergedrag. | X | X |
| 23 | Controleer opnieuw het CO2-gehalte (luchtgetal) van het product. | X | |
| 24 | Controleer het product op gas-, rookgas-, warmwater-, en condenszijdige lekken, verhelp deze indien nodig. | X | X |
| 25 | Inspectie/onderhoud noteren. | X | X |
D Statuscodes - overzicht
| Statuscode | Betekenis |
| CV-bedrijf | |
| S.00 | Verwarming geen warmtevraag |
| S.01 | CV-bedrijf ventilatorstart |
| S.02 | CV-bedrijf pompvoorloop |
| S.03 | CV-bedrijf ontsteking |
| S.04 | CV-bedrijf brander aan |
| S.05 | CV-bedrijf pomp-/ventilatornaloop |
| S.06 | CV-bedrijf ventilatornaloop |
| S.07 | CV-bedrijf pompnaloop |
| S.08 | CV-bedrijf restwachttijd |
| Warmwaterbedrijf | |
| S.10 | Warmwatervraag door stromingssensor |
| S.11 | Warmwaterbedrijf ventilatorstart |
| S.13 | Warmwaterbedrijf ontsteking |
| S.14 | Warmwaterbedrijf brander aan |
| S.15 | Warmwaterbedrijf pomp-/ventilatornaloop |
| S.16 | Warmwaterbedrijf ventilatornaloop |
| S.17 | Warmwaterbedrijf pompnaloop |
| Comfortmodus | warme start of warmwaterbedrijf met boiler |
| S.20 | Warmwateraanvraag |
| S.21 | Warmwaterbedrijf ventilatorstart |
| S.22 | Warmwaterbedrijf pompvoorloop |
| S.23 | Warmwaterbedrijf ontsteking |
| S.24 | Warmwaterbedrijf brander aan |
| S.25 | Warmwaterbedrijf pomp-/ventilatornaloop |
| S.26 | Warmwaterbedrijf ventilatornaloop |
| S.27 | Warmwaterbedrijf pompnaloop |
| S.28 | Warm water branderwachttijd |
| Andere | |
| S.30 | Kamerthermostaat (RT) blokkeert CV vraag |
| S.31 | |
| S.32 | Wachttijd wegens afwijking ventilatortoerental |
| S.34 | Vorstbeveiligingsfunctie actief |
| S.39 "burner | off contact" is geactiveerd (bijv. aanleg-thermostaat of condenspomp) |
| S.40 | Comfortveiligheidsmodus is actief: product loopt met beperkt verwarmingscomfort |
| S.41 Waterdruk > 2,8 bar | |
| S.42 Bevestigingssignaal van de rookgasklep blokkeert branderfunctie (alleen in combinatie met toebehoren VR40) of condenspomp defect, warmtevraag wordt geblokkeerd | |
| S.46 Comfortbeveiligingsmodus vlamverlies minimum-last | |
| S.53 Product | bevindt zich in de wachttijd van de modulatieblokkering/blokkeringsfunctie op grond van watergebrek (spreiding aanvoer-retour te groot) |
| S.54 Product | bevindt zich in de wachttijd van de blokkeringsfunctie op grond van watergebrek (tempe-ratuurgradiënt) |
| S.57 Wachttijd | comfortbeveiligingsmodus |
| S.58 Modulatiebegrenzing wegens geluidsvorming/wind | |
| S.61 Gasfamiliecontrole niet succesvol: codeerweer-stand op de printplaat past niet bij de ingevoerde gasgroep (zie ook F.92). | |
| S.62 Gasfamiliecontrole niet succesvol: CO/CO2 -waarden bij grenswaarden. Verbranding controleren. | |
| S.63 Gasfamiliecontrole niet succesvol: verbrandings-kwaliteit buiten het toegestane bereik (zie F.93). Verbranding controleren. | |
| S.76 Installatie druk te gering. Water bijvullen. | |
| S.93 Rookgasmeting niet mogelijk omdat nog niet alle meetprogramma's doorlopen zijn | |
| S.96 Retourvoelertest loopt, verwarmingsvragen zijn geblokkeerd. | |
| S.97 Waterdruksensortest loopt, verwarmingsvragen zijn geblokkeerd. | |
| S.98 Aanvoer-/retourvoelertest loopt, verwarmingsvragen zijn geblokkeerd. | |
E Overzicht foutcodes
| Code Betekenis Mogelijke oorzaken | |
| F.00 Onderbreking aanvoertemperatuurvoeler NTC-stekker | niet aangesloten of los, multistekker op de printplaat niet correct aangesloten, onderbreking in de kabelboom, NTC defect |
| F.01 Onderbreking retourtemperatuurvoeler NTC-stekker niet | aangesloten of los, multistekker op de printplaat niet correct aangesloten, onderbreking in de kabelboom, NTC defect |
| F.02 Onderbreking boilerlaadsensor actoSTOR (NTC), alleen in combinatie met F.91 | NTC defect, NTC kabel defect, defecte steekverbinding aan de NTC, defecte steekverbinding aan de actoSTOR elektronica |
| F.03 Onderbreking boilersensor actoSTOR (NTC), alleen in combinatie met F.91 | NTC defect, NTC kabel defect, defecte steekverbinding aan de NTC, defecte steekverbinding aan de actoSTOR elektronica |
| F.10 Kortsluiting aanvoertemperatuurvoeler NTC defect, kortsluiting in de kabelboom, kabel/behuizing | |
| F.11 Kortsluiting retourtemperatuurvoeler NTC defect, kortsluiting in de kabelboom, kabel/behuizing | |
| F.12 Onderbreking aan de boilerlaadsensor (NTC), alleen in combinatie met F.91 | NTC defect, kortsluiting in de kabelboom, kabel/behuizing |
| F.13 Combiproduct: kortsluiting warmestartvoeler/boilervoelerCombiproduct met actoSTOR: kortsluiting aan de boilersensor, alleen in combinatie met F.91 | NTC defect, kortsluiting in de kabelboom, kabel/behuizing |
| Code Betekenis Mogelijke oorzaken | ||
| F.20 Veiligheidsuitschakeling: temperatuurbegrenzer Massaverbinding kabelboom naar het product niet correct, aanvoer- ofretour-NTC defect (loszittend contact), zwarte ontlading via ontstekings-kabel, ontstekingsstekker of ontstekingselektrode | ||
| F.22 Veiligheidsuitschakeling: watergebrek Geen of te weinig water in het product, waterdruksensor defect, kabelnaar de pomp of waterdruksensor los/niet aangesloten/defect | ||
| F.23 Veiligheidsuitschakeling: temperatuurspreiding tegrootPomp geblokkeerd, minder vermogen van de pomp, lucht in het product,aanvoer- en retour-NTC verwisseld | ||
| F.24 Veiligheidsuitschakeling: temperatuurstijging tesnelPomp geblokkeerd, minder vermogen van de pomp, lucht in het product,systeemdruk te laag, zwaartekrachtrem geblokkeerd/verkeerd ingebouwd | ||
| F.25 Veiligheidsuitschakeling: rookgastemperatuur tehoogSteekverbinding optionele rookgas-veiligheidstemperatuurbegrenzeronderbroken, onderbreking in de kabelboom | ||
| F.26 Fout: gasblok zonder functie Gasblokstappenmotor nietaangesloten, multistekker op de printplaat nietcorrect aangesloten, onderbreking in de kabelboom, gasblokstappenmo-tor defect, elektronica defect | ||
| F.27 Veiligheidsuitschakeling: vlamsimulatie Vocht op de eelektronica, elektronica (vlambewaking) defect, elektromag-netische gasklep lek | ||
| F.28 Uitval bij aanloop: ontsteking mislukt Gasteller defectof gasdrukmeter is uitgevallen, lucht in het gas, gas-stroomdruk te gering, thermische afsluitvoorziening geactiveerd, conden-traject verstopt, verkeerd gasmondstuk, verkeerd ET-gasblok, storingbij het gasblok, multistekker op de printplaat niet correct aangesloten,onderbreking in de kabelboom, ontstekingssysteem (ontstekingstrafo,ontstekingskabel, ontstekingsstekker, ontstekingselektrode) defect, on-derbreking van de ionisatiestroom (kabel, elektrode), verkeerde aardingvan het product, elektronica defect | ||
| F.29 Uitval tijdens werking: opnieuw ontsteken zondersuccessGastoevoer tijdelijk onderbroken, rookgasrecirculatie, condenstrajectverstopt, foute aarding van het product, ontstekingstransformator heeftontstekingsweigeringen | ||
| F.32 Fout ventilator Stekker op ventilator niet correct aangesloten, multistekker op de print-plaat niet correct aangesloten, onderbreking in de kabelboom, ventilatorgeblokkeerd, Hallsensor defect, elektronica defect | ||
| F.42 Fout codeerweerstand (evt. in combinatie metF.70)Kortsluiting/onderbreking codeerweerstand vermogensgrootheden (inde kabelboom aan de warmtewisselaar) of gasgroepweerstand (op deprintplaat) | ||
| F.49 Fout eBUS Kortsluiting bij de eBus, eBus-overbelasting of twee spanningsvoorzie-ningen met verschillende polariteiten op de eBus | ||
| F.52 Contactfout-massastroomsensor/venturi Massastroomsensor/venturi is elektrisch niet verbondenStekker is niet correct aangeslotenStekker is niet aangeslotenStekker is defectSteekplaats is defect (loszittend contact)Massastroomsensor/venturi defect | ||
| F.53 Regelingsfout-verbranding Verbrandingsregeling heeft een fout herkendGasstroomdruk te geringCodeerweerstand vloeibaar gas bij werking met aardgas gebruiktIndien de fout herhaald na ontstoren optreedt:Gasblok defectMassastroomsensor/venturi defect, nat of verstopt (indien de foutmeermaals na ontstoren optreedt): sensor niet nat maken, geensmeermiddelen aan de O-ring aan de venturi gebruiken! | ||
| F.54 Fout in de gastoevoer (in combinatie metF.28/F.29)Voor het gebruik van het toestel is er niet voldoende gastoevoerGasafsluitkraan resp. -kranen geslotenTe lage gasstroomdrukGasblok defect | ||
| F.56 Componentfout-verbranding Component in de verbrandingsleiding is defectContactfout aan het gasblok (stekker niet correct of niet ingestoken,stekker defect, steekplaats is defect (loszittend contact))Codeerweerstand aardgas bij werking met vloeibaar gas gebruiktIndien de fout herhaald na ontstoren optreedt: gasblok defect | ||
| F.57 Annuleren comfortbeveiligingsmodus Actieve comfortbeveiligingsmodus heeft regelingsfout herkend- Ontstekingselektrode sterk gecorrodeerd | ||
| F.61 Aansturingsfout gasblok Gasblok kan niet aangestuurd worden- Kabelboomtoevoerleiding naar het gasblok defect (massasluiting, kortsluiting)- Gasblok defect- Printplaat defect | ||
| F.62 Uitschakelvertraging gasblok Vertraagde uitschakeling van het gasblok gedetecteerd- Vreemd licht (ontstekings- en bewakingselektrode vertoont een vertraagd uitgaan van het vlamsignaal)- Gasblok defect- Printplaat defect | ||
| F.63 Fout EEPROM Elektronica defect | ||
| F.64 Fout elektronica/NTC Kortsluiting aanvoer- of retour-NTC, elektronica defect | ||
| F.65 Storing elektronicatemperatuur Elektronica door externe inwerking te heet, elektronica defect | ||
| F.67 Storing elektronica/vlam Ongeldig vlamsignaal, elektronica defect | ||
| F.68 Fout instabiel vlamsignaal Lucht in het gas, gasstroomdruk te gering, verkeerd luchtgetal, condenstraject verstopt, verkeerd gasmondstuk, onderbreking van de ionisatie-stroom (kabel, elektrode), rookgasrecirculatie, condenstraject | ||
| F.70 Ongeldige toestel-ID (DSN) | Werden er reserveonderdelen ingebouwd: display en printplaat tegelijk vervangen en toestel-ID niet opnieuw ingesteld, verkeerde of ontbrekende codeerweerstand van de vermogensgrootheid | |
| F.71 Fout aanvoertemperatuurvoeler Aanvoertemperatuurvoeler meldt constante waarde:- Aanvoertemperatuurvoeler ligt niet juist tegen de aanvoerbuis- Aanvoertemperatuurvoeler defect | ||
| F.72 Fout aanvoer- en/of retourtemperatuurvoeler | Temperatuurverschil aanvoer-/retour-NTC te groot → aanvoer- en/ of retourtemperatuurvoeler defect | |
| F.73 Signaal waterdruksensor in verkeerd bereik (te laag) | Onderbreking/kortsluiting waterdruksensor, onderbreking/kortsluiting naar GND in toevoerleiding waterdruksensor of waterdruksensor defect | |
| F.74 Signaal waterdruksensor in verkeerd bereik (te hoog) | Leiding naar de waterdruksensor heeft een kortsluiting met 5V/24V of interne fout in de waterdruksensor | |
| F.75 Fout geen druksprongherkenning bij het starten van de pomp | Waterdruksensor en/of pomp defect, lucht in de CV-installatie, te weinig water in het product; instelbare bypass controleren, extern expansievat aan de retour aansluiten | |
| F.77 Fout rookgasklep/condenspomp Geen bevestiging rookgasklep of condenspomp defect | ||
| F.78 Onderbreking warmwateruitloopvoeler aan de externe regelaar | UK link box is aangesloten, maar de warmwater-NTC is niet gebrugd | |
| F.80 Onderbreking of kortsluiting inloopsensor secundaire warmtewisselaar; alleen in combinatie met F.91 | NTC defect, NTC kabel defect, defecte steekverbinding aan de NTC, defecte steekverbinding aan de actoSTOR elektronicaStekker aan de voeler heeft massasluiting met de behuizing, kortsluiting in de kabelboom, voeler defect | |
| F.81 actoSTOR laadpomp defect; alleen in combinatie met F.91 | Boiler is na bepaalde tijd niet volledig geladen.- Boilerlaadsensor en boilersensor controleren- Lucht in de actoSTOR pomp- Kabelboom naar de pomp controleren- Stromingssensor en/of limiter in het product controleren- Driewegklep defect- Secundaire warmtewisselaar verstopt- Pomp defect | |
| F.83 Fout temperatuurwijziging aanvoer- en/of retourtemperatuurvoeler | Bij branderstart wordt geen of een te kleine temperatuurwijziging aan de aanvoer- of retourtemperatuurvoeler geregistreerd.- Te weinig water in het product- Aanvoer- of retourtemperatuurvoeler ligt niet juist tegen de buis | |
| F.84 Fout temperatuurverschil aanvoer-/retourtemperatuursensor niet plausibel | Aanvoer- en retourtemperatuurvoeler melden niet plausibele waarden.- Aanvoer- en retourtemperatuurvoeler zijn verwisseld- Aanvoer- en retourtemperatuurvoeler zijn niet correct gemonteerd | |
| F.85 Fout | aanvoer- of retourtemperatuurvoeler verkeerd gemonteerd | Aanvoer- en/of retourtemperatuurvoeler zijn op dezelfde/foute buis ge-monteerd |
| F.90 Communicatie met actoSTOR module onderbro-ken | Kabelboom van het product naar de actoSTOR module controleren (PEBus).Als het product zonder actoSTOR module gebruikt moet worden, D.092 = 0 instellen. | |
| F.91 Sensor/actorfout aan de actoSTOR module | ||
| F.92 Fout | codeerweerstand Codeerweerstand op de printplaat past niet bij de ingevoerde gasgroep: weerstand controleren, gasfamiliecontrole opnieuw uitvoeren en correcte gasgroep invoeren. | |
| F.93 Slechte verbrandingskwaliteit Verbrandingsregeling heeft een slechte verbrandingskwaliteit gedetec-teerd- Verkeerd gasmondstuk voor de gasfamilie gemonteerd (het gaat om een andere gasfamilie)- Recirculatie- Massastroomsensor/venturi defect (nat, verstopt): sensor niet nat maken, geen smeermiddelen aan de O-ring aan de venturi gebruik-ken! | ||
| LED actoSTOR module | Status actoSTOR elektronica LED aan: communicatie okLED knipperend: communicatie niet okLED uit: geen spanningsvoorziening | |
| Commu-nicatie-fout | Geen communicatie met de printplaat Communicatiefout tussen display en printplaat in de schakelkast | |
F Gaskeurlabel
| VHR NL 20-24/5-5 Gas-keur basis | VHR NL 25-30/5-5 Gas-keur basis | VHR NL 30-34/5-5 Gas-keur basis | VHR NL 35-38/5-5 Gas-keur basis | VHR NL 34/5-5 I Gas-keur basis |
| Gaskeur HR107 | ||||
| Gaskeur HRww | ||||
| Gaskeur SV | ||||
| Gaskeur CW Gebruiks-klasse 3 | Gaskeur CW Gebruiks-klasse 4 | Gaskeur CW Gebruiks-klasse 5 | Gaskeur CW Gebruiks-klasse 5 | Gaskeur CW Gebruiks-klasse 6 |
| Gaskeur NZ — | ||||
| VHR NL 25/5-5 SGaskeur basis VHR NL 35/5-5 SGaskeur basis |
| Gaskeur HR107 |
| Gaskeur SV |
G Bedradingsschema's
G.1 Bedradingsschema VHR 20 - 34 kW

G.2 Bedradingsschema VHR 37 kW

G.3 Bedradingsschema VHR...S 25 - 35 kW
![graph TD subgraph Power Source X51["Display-aansluiting"] --> A1["Aansluiting openTHERM-module"] X31["X31"] --> A2["Aansluiting openTHERM-module"] X22["X22"] --> PWM["Power Signal"] X25["X25"] --> Gsklep["Gasklep"] X25 --> Houdmagneet["Houdmagneet"] X25 --> Stappenmotor["Stappenmotor"] X25 --> Massa…](/content/2026/06/1162247/images/e12947d8daee927ed2573b1d43788242d4b562285fddadacb4cef5877c317d54.jpg)
Technische gegevens - warmwaterbedrijf
| VHR NL 20-24/5-5 | VHR NL 25-30/5-5 | VHR NL 30-34/5-5 | VHR NL 35-38/5-5 | VHR NL 34/5-5 I | |
| Kleinste waterhoeveelheid | 1,5 l/min 1,5 | l/min 1,5 l/min | 1,5 l/min 1,5 | l/min | |
| Waterhoeveelheid (bij ΔT = 30 K) | 11,5 l/min 14 | ,3 l/min 16,2 | l/min 18,2 l/min | 16,2 l/min | |
| Waterhoeveelheid (bij ΔT = 30 K) | 6,9 l/min 8,6 | l/min 9,7 l/min | 10,9 l/min 9 | 7 l/min | |
| CW-tapvermogen | 6,0 l/min 7,5 | l/min 7,5 l/min | 7,5 l/min 7,5 | l/min | |
| Toegestane overdruk | 1,0 MPa(10,0 bar) | 1,0 MPa(10,0 bar) | 1,0 MPa(10,0 bar) | 1,0 MPa(10,0 bar) | 1,0 MPa(10,0 bar) |
| Vereiste aansluitdruk | 0,035 MPa(0,350 bar) | 0,035 MPa(0,350 bar) | 0,035 MPa(0,350 bar) | 0,035 MPa(0,350 bar) | 0,035 MPa(0,350 bar) |
| Warmwateruitlooptemperatuurbereik | 35 ... 65 °C | 35 ... 65 °C | 35 ... 65 °C | 35 ... 65 °C | 35 ... 65 °C |
| Effectieve wachttijd | < 2 s < 2 s | < 5 s < 5 s | < 5 s |
Technische gegevens – algemeen
| VHR NL 20-24/5-5 | VHR NL 25-30/5-5 | VHR NL 30-34/5-5 | VHR NL 35-38/5-5 | VHR NL 34/5-5 I | VHR NL 25/5-5 S | VHR NL 35/5-5 S | |
| Land van bestemming (benaming conform ISO 3166) | NL (Nederland) | NL (Nederland) | NL (Nederland) | NL (Nederland) | NL (Nederland) | NL (Nederland) | NL (Nederland) |
| Toegestane toestelcategorie-gorieën | II2L3P | II2L3P | II2L3P | II2L3P | II2L3P | II2L3P | II2L3P |
| Gasaansluiting toestel-zijde | 15 mm 15 mm | 15 mm 15 mm | 15 mm 15 mm | 15 mm 15 mm | |||
| CV-aansluitingen aan-voer/retour toestelzijde | 22 mm 22 mm | 22 mm 22 mm | 22 mm 22 mm | 22 mm 22 mm | |||
| Koud- en warmwateraansluiting toestelzijde | G 3/4 inch G | 3/4 inch G | 3/4 inch G | 3/4 inch G | inch G | inch | |
| Aansluitbuis veiligheids-ventiel (min.) | 15 mm 15 mm | 15 mm 15 mm | 15 mm 15 mm | 15 mm 15 mm | |||
| Verbrandingslucht-/rook-gasaansluiting | 80/80 pa-rallel, optio-neel 80/125 (concen-trisch) | 80/80 pa-rallel, optio-neel 80/125 (concen-trisch) | 80/80 pa-rallel, optio-neel 80/125 (concen-trisch) | 80/80 pa-rallel, optio-neel 80/125 (concen-trisch) | 80/80 pa-rallel, optioneel 80/125 (concen-trisch) | 80/80 pa-rallel, optioneel 80/125 (concen-trisch) | 80/80 pa-rallel, optioneel 80/125 (concen-trisch) |
| Condensafvoerleiding (min.) | 19 mm 19 mm | 19 mm 19 mm | 19 mm 19 mm | 19 mm 19 mm | |||
| Gasaansluitdruk aardgas G25 | 0,25 kPa(2,50 mbar) | 0,25 kPa(2,50 mbar) | 0,25 kPa(2,50 mbar) | 0,25 kPa(2,50 mbar) | 0,25 kPa(2,50 mbar) | 0,25 kPa(2,50 mbar) | 0,25 kPa(2,50 mbar) |
| Gasaansluitdruk pro-paan G31 | 0,3 kPa(3,0 mbar) | 0,3 kPa(3,0 mbar) | 0,3 kPa(3,0 mbar) | 0,3 kPa(3,0 mbar) | 0,3 kPa(3,0 mbar) | 0,3 kPa(3,0 mbar) | 0,3 kPa(3,0 mbar) |
| Aansluitwaarde bij 15 °C en 1013 mbar (evt. m.b.t. warmwaterbereiding), G25 | 3,2 m3/h | 3,9 m3/h | 4,5 m3/h | 5,0 m3/h | 4,5 m3/h | 3,9 m3/h | 5,0 m3/h |
| Aansluitwaarde bij 15 °C en 1013 mbar (evt. m.b.t. warmwaterbereiding), G31 | 1,92 kg/h 2,40 g/s | 2,73 kg/h | 3,05 kg/h | 2,73 kg/h 2,40 g/s | 2,73 kg/h 2,40 g/s | 3,05 kg/h | |
| Rookgasmassastroom min. (G25) | 1,80 g/s 2,50 g/s | 2,80 g/s | 3,10 g/s 2,80 g/s | 2,50 g/s | 3,10 g/s | ||
| Rookgasmassastroom min. (G31) | 2,40 g/s 2,90 g/s | 4,10 g/s | 4,10 g/s 4,10 g/s | 2,90 g/s | 4,10 g/s | ||
| Rookgasmassastroom max. | 11,19 g/s 14,0 g/s | 15,9 g/s | 17,76 g/s 15,9 g/s | 14,0 g/s | 15,9 g/s | ||
| Rookgastemperatuur min. | 40 °C | 40 °C | 40 °C | 40 °C | 40 °C | 40 °C | 40 °C |
| Rookgastemperatuur max. | 70 °C | 74 °C | 80 °C | 80 °C | 80 °C | 74 °C | 80 °C |
| Toegestane rookgasaan-sluitingen | C13, C33, C43, C53, C63, C83, B53 | C13, C33, C43, C53, C63, C83, B53 | C13, C33, C43, C53, C63, C83, B53 | C13, C33, C43, C53, C63, C83, B53 | C13, C33, C43, C55, C63, C83, B53 | C13, C33, C43, C53, C63, C83, B53 | C13, C33, C43, C53, C63, C83, B53 |
| 30% rendement | 108 % 108 % 108 % 108 | % 108 % 108 | % 108 % | ||||
| NOx-klasse | 5 5 5 5 5 5 | ||||||
| Toestelafmeting, breedte | 440 mm 440 | mm 440 mm | 440 mm 440 | mm 440 mm | 440 mm | ||
| Toestelafmeting, hoogte | 720 mm 720 | mm 720 mm | 720 mm 720 | mm 720 mm | 720 mm | ||
| Toestelafmeting, diepte | 334 mm 334 | mm 368 mm | 402 mm 563 | mm 334 mm | 402 mm | ||
| Nettogewicht ca. | 31,5 kg 33 kg | 35,5 kg 38,5 kg | 38 kg 31 kg | 33 kg | |||
* met geïnstalleerde openTHERM-module telkens 1 W groter
| VHR NL 20-24/5-5 | VHR NL 25-30/5-5 | VHR NL 30-34/5-5 | VHR NL 35-38/5-5 | VHR NL 34/5-5 I | VHR NL 25/5-5 S | VHR NL 35/5-5 S | |
| Elektrische aansluiting | 230 V /50 Hz | 230 V /50 Hz | 230 V /50 Hz | 230 V /50 Hz | 230 V /50 Hz | 230 V /50 Hz | 230 V /50 Hz |
| Toegestane aansluit-spanning | 190... 253 V | 190... 253 V | 190... 253 V | 190... 253 V | 190... 253 V | 190... 253 V | 190... 253 V |
| Ingebouwde zekering (traag) | 2 A 2 A 2 A | 2 A 2 A 2 A | 2 A | ||||
| Min. elektrisch opgenomen vermogen | 35 W 35 W | 45 W 50 W | 45 W 35 W 50 W | ||||
| Elektrisch opgenomen vermogen max. | 80 W 80 W | 95 W 115 W | 95 W 80 W | 115 W | |||
| Elektrisch opgenomen vermogen stand-by* | < 2 W < 2 | W < 2 W < 3,3 W < 2 W | < 2 W < 3,3 W | ||||
| Beschermingsklasse | IP X4 D IP | X4 D IP X4 D | IP X4 | D IP X4 D IP | X4 D | IP X4 D | |
| Keurmerk/registratienr. | CE-0085CM0321 | CE-0085CM0321 | CE-0085CM0321 | CE-0085CM0321 | CE-0085CM0321 | CE-0085CM0321 | CE-0085CM0321 |
Trefwoordenlijst
A
Aansluitmaten....10
Aanvoertemperatuur, maximale 26
Afsluiten, reparatie 35
Afsluitinrichtingen 35
Afvoer, toebehoren.... 36
Afvoer, verpakking.... 36
B
Bedieningsconcept 19
Brander controleren.... 30
Brander vervangen.... 32
Branderwachttijd......26
Branderwachttijd instellen 27
Branderwachttijd resetten.... 27
Buitenbedrijfstelling 35
Buitenbedrijfstelling, tijdelijk 35
C
CE-markering 7
Circulatiepomp: 19
CO₂ - gehalte.... 2
Comfortmodus....20
Comfortveiligheidsmodus.... 31
Compacte thermomodule.... 6
Compacte thermomodule demonteren.... 29
Compacte thermomodule inbouwen.... 3
Componententest 29
Condensafvoerleiding.... 14
Contactgegevens 20
Controleprogramma's....21
Corrosie.... 6
CV-aanvoer 13
CV-deellast.... 20, 26
CV-retour.... 13
CV-water conditioneren 22
D
Diagnosecodes oproepen 26
Documenten....7
E
Elektriciteit 5
F
Foutcodes....32, 45
Foutgeheugen oproepen.... 32
Foutgeheugen wissen 3:
Foutmeldingen....32
Frontmantel 5
Functies testen 29
G
Gasblok 32
Gasblok vervangen 3
Gasfamiliecontrole....21
Gasinstelling controlleren.... 24
Gaslucht 4
Gegolfde gasbuis
Gereedschap....6
Gewenste aanvoertemperatuur....20
Gewicht 11
H
Hulprelais ....20
|
In-/uitschakelen 20
Inspectiewerkzaamheden.... 28, 43
Inspectiewerkzaamheden afsluiten ....31
Installateurniveau oproepen.... 19
Installatieassistent beëindigen 20
Installatieassistent opnieuw starten.... 20
K
Koudwateraansluiting....13
L
Netaansluiting....18
0
Onderhoudsinterval instellen.... 27
Onderhoudswerkzaamheden 28, 43
Onderhoudswerkzaamheden afsluiten.... 31
Ontluchten.... 23
5Opstellingsplaats.... 5-6
Overdracht gebruiker 28
Overstroomklep instellen.... 28
P
Pompmodus 26
Pompnalooptijd....26
Pompvermogen instellen.... 27
Printplaat en display vervangen 35
Printplaat of display vervangen 35
Product afvoeren ....36
Product leegmaken 31
Product uitschakelen.... 35
Productafmetingen 10
R
Reparatie afsluiten 35
Reparatie voorbereiden.... 32
Reserveonderdelen.... 29
Restopvoerhoogte, pomp 27
Retourtemperatuurregeling 26
Rookgastraject 5
s
Schakelkast.... 17
Schema 5
Stroomvoorziening 18
T
Taal 20
Tapwaternaverwarming.... 28
Telefoonnummer installateur.... 20
Thermostaat aansluiten.... 19
Toebehoren afvoeren.... 36
Typeplaatje....7
U
Uitschakelen....35
Trefwoordenlijst
V
Veiligheidsinrichting.... 5
Ventilator vervangen 32
Venturi 32
Verbrandingsgevaar....5
Verbrandingslucht 6
Verbrandingsluchttoevoer 5
Verpakking afvoeren 36
VLT/VGA 5
Voordruk expansievat controleren....31
Voorschriften 6
Vorst 6
Vullen 23
Vulmodus 20
W
Warmtewisselaar reinigen 30
Warmtewisselaar vervangen.... 34
Warmwateraansluiting....13
Warmwatertemperatuur.... 20
Z
Zeef, koudwateringang reinigen.... 30
Zelftest....29
Zelftest elektronica 29
0020116691_05 23.07.2014




