Grand Cherokee (2000) - Automobiel JEEP - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Grand Cherokee (2000) JEEP in PDF-formaat.
| Type product | Auto |
| Merk | Jeep |
| Model | Grand Cherokee (2000) |
| Afmetingen (L x B x H) | Ongeveer 4610 x 1830 x 1760 mm |
| Wielbasis | 2690 mm |
| Leeg gewicht | Ongeveer 1950 kg |
| Brandstoftype | Benzine |
| Inhoud brandstoftank | Ongeveer 78 liter |
| Motorvermogen | Ongeveer 145 kW (197 pk) |
| Aandrijving | Vierwielaandrijving (4WD) |
| Versnellingsbak | Automatisch, 4 versnellingen |
| Zitplaatsen | 5 |
| Laadvermogen | Ongeveer 600 kg |
| Maximaal trekgewicht | Ongeveer 2268 kg (geremd) |
| Onderhoud | Regelmatige olieverversing, controle vloeistoffen, bandenspanning |
| Reiniging | Wassen met zachte zeep, onderhoud interieur met stofzuiger en reinigingsmiddel |
| Veiligheid | ABS, airbags, stabiliteitscontrole (ESP), gordelspanners |
| Onderdelen & reparatie | Originele onderdelen via dealer, reparatiehandleiding inbegrepen |
| Garantie | Fabrieksgarantie (bij aankoop), 3 jaar of 100.000 km |
Veelgestelde vragen - Grand Cherokee (2000) JEEP
Gebruikersvragen over Grand Cherokee (2000) JEEP
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Grand Cherokee (2000) - JEEP en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Grand Cherokee (2000) van het merk JEEP.
GEBRUIKSAANWIJZING Grand Cherokee (2000) JEEP
Wij danken u dat u hebt gekozen voor één van onze populaire Jeep-modellen. U kunt erop rekenen dat uw auto staat voor vakmanschap en precisie, exclusieve styling en de hoge kwaliteit waar de auto's van Jeep zo bekend om zijn.
Dit is een speciaal voertuig en werd ontworpen om op normale wegen en off-road (op het terrein) te rijden. Derhalve kan deze auto rijden op plaatsen waar traditionele auto's met voor- of achterwielaandrijving nooit kunnen komen. De auto rijdt en manoeuvreert anders dan een normale personenauto - zowel op de normale weg als off-road. Neem dus de nodige tijd om aan deze auto te wennen.
Vóór u met deze auto gaat rijden, moet u dit instructieboekje en alle bijvoegsels goed lezen. U moet goed bekend zijn met de bediening van de auto, vooral met de remmen, de stuurinrichting en het schakelen. Leer hoe uw auto zich gedraagt op verschillende wegen. Uw rijvaardigheid zal vooruitgaan als u meer ervaring heeft, maar voor ieder voertuig geldt dat u zeker in het begin zeer voorzichtig moet zijn. Wanneer u off-road rijdt, mag u de auto niet overbeladen. De auto kan ook de wetten van de natuur niet omzeilen. Houd altijd de plaatselijk geldende regels in acht, waar u ook rijdt.
Net als bij andere auto's van dit type, kunt u de macht over het stuur verliezen, of een ongeval veroorzaken als u de auto niet op de juiste wijze bedient. Lees daarom aandachtig de instructies in dit instructieboekje met betrekking tot het rijden op de weg en op het terrein.
Omkiepgevaar
Terreinwagens hebben een aanzienlijk hogere omkiepratio dan andere voertuigen. Deze auto heeft een hogere bodemspeling, een hoger zwaartepunt en een smallere spoorbreedte dan een normale personenauto. Hij kan beter presteren op heel wat verschillende soorten terrein. Wanneer u onveilig of onvoorzichtig rijdt, zal elke auto onbestuurbaar worden. Omwillie van het hogere zwaartepunt en de smallere spoorbreedte kan deze auto omkantelen als hij buiten controle raakt - dit in tegenstelling tot een ander type voertuig.
Probeer daarom bij hoge snelheden geen uiterst scherpe draaimanoeuvres of andere onveilige handelingen te maken waardoor u de controle over het stuur kunt verliezen. Wanneer u onveilig rijdt, kunt u een ongeval veroorzaken, overkop gaan, en ernstige letseis of zelfs de dood veroorzaken. Rij voorzichtig.

Als de standaard ingebouwde veiligheidsgordels niet gebruikt worden, kan dat verwondingen veroorzaken, mogelijk met dodelijke afloop. Bij het overkop gaan, loopt een inzittende zonder veiligheidsgordel veel meer gevaar op dodelijk letsel dan iemand die wel een gordel draagt. Draag dus altijd een veiligheidsgordel.
Als u de auto met te hoge snelheid of onder invloed bestuurt, kan het gevolg zijn dat u de macht over het stuur verliest, een aanrijding veroorzaakt met een ander voertuig of voorwerp, dat u van de weg af raakt, of over de kop gaat. Al deze situaties kunnen leiden tot ernstig of zelfs dodelijk letsel. Als de veiligheidsgordels niet gebruikt worden, staan de bestuurder en de passagiers bloot aan een grotere kans op verwondingen, mogelijk met dodelijke afloop.
Om uw auto altijd in prima conditie te houden, raden wij absoluut aan de auto op de aanbevolen tijdstippen te laten nakijken door een geautoriseerde dealer. Hij heeft speciaal opgeleid personeel, speciaal gereedschap en de nodige uitrusting om alle servicetaken uit te voeren. Chrysler International en haar distributeurs willen immers dat u helemaal tevreden bent met uw auto. Wanneer een probleem inzake onderhoud of garantie niet tot uw tevredenheid opgelost werd, kunt u de zaak altijd bespreken met de directie van uw geautoriseerde dealer.
Uw geautoriseerde dealer zal u graag helpen bij alle vragen betreffende uw auto.
INLEIDING
AL HET MATERIAAL IN DEZE UITGAVE IS GEBASEERD OP DE NIEUWSTE INFORMATIE DIE BESCHIKBAAR WAS OP HET MOMENT VAN GOEDKEURING. HET RECHT OM OP ENIG MOMENT HERZIENINGEN TE PUBLICEREN IS VOORBEHOUDEN.
Dit instructieboekje is samengesteld in samenwerking met specialisten op het gebied van auto-techniek en -onderhoud, om u kennis te laten maken met de werking en het onderhoud van uw nieuwe auto. U krijgt ook een boekje met aantekeningen over het onderhoud en nog enkele documenten die voor de klant bedoeld zijn. Lees deze informatie zorgvuldig door. Als u de instructies en raadgevingen in dit instructieboekje opvolgt, zult u uw auto veilig en met veel plezier kunnen gebruiken.
Nadat u het instructieboekje gelezen heeft, moet u het op een gemakkelijk bereikbare plaats opbergen in de auto en het daar bewaren, ook als de auto verkocht wordt.
Chrysler International behoudt zich het recht voor om veranderingen aan te brengen in het ontwerp en in de specificaties, en/of toevoegingen of verbeteringen aan de producten aan te brengen, zonder dat dit verplichtingen voor Chrysler zelf met zich mee brengt om deze te installeren op eerder gefabriceerde producten.
In het instructieboekje voor de eigenaar worden voorzieningen geillustreerd en beschreven die standaard zijn of als optie tegen meerprijs leverbaar. Daarom kan het voorkomen dat bepaalde accessoires en apparatuur uit deze uitgave niet op of in uw auto voorkomen.
OPMERKING: Lees in ieder geval eerst het instructieboekje voor de eigenaar, vóór u met uw auto gaat rijden en vóór u onderdelen, accessoires of andere modificaties op de auto aanbrengt.
Er zijn vele vervangingsonderdelen en accessoires van verschillende fabrikanten op de markt. Chrysler International kan niet garanderen dat de veiligheid bij het besturen van uw Jeep niet in gevaar gebracht wordt door montage of installatie van deze onderdelen. Zelfs als zulke onderdelen officieel goedgekeurd zijn (bijvoorbeeld als het onderdeel onder een algemene vergunning valt of als het ontwerp van het onderdeel officieel goedgekeurd is), of als een speciale vergunning uitgegeven werd voor de auto na de montage van zulke onderdelen, kan men niet zonder meer aannemen dat de veiligheid bij het besturen van uw Jeep is gegarandeerd. Daarom zijn de experts noch de officiële agentschappen aansprakelijk. Chrysler International kan alleen verantwoordelijkheid op zich nemen wanneer het gaat om onderdelen die duidelijk door Chrysler International officieel goedgekeurd of aanbevolen zijn, en bovendien gemonteerd of geïnstalleerd worden door een geautoriseerde dealer. Hetzelfde geldt wanneer modificaties aangebracht zijn op originele Chrysler-auto's.
Originele Mopar-onderdelen, accessoires en andere producten die goedgekeurd zijn door Chrysler International zijn verkrijgbaar bij uw officiële dealer. U kunt daar ook advies krijgen van bevoegd personeel.
Bij onderhoudswerkzaamheden moet u bedenken dat uw geautoriseerde dealer uw auto het best kent. Hij heeft op de fabriek geschoolde technici in dienst en levert originele Mopar-onderdelen, en heeft er belang bij dat u tevreden bent.
Raadpleeg de inhoudsopgave als u wilt weten in welk hoofdstuk de informatie staat die u nodig hebt.
In de gedetailleerde index achterin dit instructieboek, vindt u een complete lijst van alle onderwerpen.
Dit instructieboek bevat WAARSCHUWINGEN voor handelingen die kunnen resulteren in een ongeval of kunnen leiden tot lichamelijk letsel. Ook wordt duidelijk aangegeven waar u VOORZICHTIG moet zijn bij handelingen die kunnen leiden tot schade aan uw auto of aan accessoires. Als u dit instructieboek niet volledig leest, kan het zijn dat u belangrijke informatie over het hoofd ziet. Let telkens extra goed op als er in de tekst WAARSCHUWING of VOORZICHTIG staat.
CHASSISNUMMER
Het chassisnummer of voertuigidentificatie-nummer (VIN) van de auto bevindt zich op een metalen plaatje linksvoor in de hoek van de dashboardbekleding en is zichtbaar door de voorruit.

OPMERKING:
Knoei niet met het plaatje van het chassis-nummer.
2
WAT U MOET WETEN VOOR U UW AUTO START
• UW SLEUTELS 9
- Beveiligde sentry-sleutel 9
• Reservesleutels 9 - Programmeren door de klant 9
• Verwijderen van de contactsleutel 10 - Waarschuwingssysteem sleutel in slot 10
• STUURSLOT 10
- Het stuurwiel handmatig vergrendelen 10
- Het stuurslot ontgrendelen 10
• SLOTEN VAN PORTIEREN EN ACHTERKLEP 11
- Glazen achterklep 11
- Portiersloten 11
• Elektrisch bediende portiersloten 12
• INSTAPVERLICHTING 12
• VEILIGHEIDSGORDELS 13
• Waarschuwingslampje veiligheidsgordel 13
• Driepuntsgordels 13
- Gebruik van de automatische driepuntsgordels .... 14
• Gordelhoogteverstelling 15
• Veiligheidsgordels en zwangerschap 15
• Bekkengordel achter in het midden 16
- Kinderbeveiliging 16
- Extra beveiligingssysteem voor bestuurder en voorpassagier (SRS) — Airbag 18
• INRIJDEN VAN DE MOTOR 21
• DE VEILIGHEID VAN UW AUTO CONTROLEREN ..... 21
• Uitlaatgassen 21
• Veiligheidscontroles in de auto 22
- Veiligheidscontroles aan de buitenzijde van de auto .. 22
UW SLEUTELS
De sleutels van uw nieuwe auto zitten in een plastic zakje met daarop het sleutelnummer (de sleutelcode). Wanneer u de sleutels zonder dat plastic zakje hebt ontvangen, moet u naar dit codenummer vragen bij uw geautoriseerde dealer. U vindt de sleutelcode ook terug op de factuur die u van de geautoriseerde dealer hebt gekregen.

Beveiligde sentry-sleutel
Uw auto is uitgerust met het sentry-sleutelsysteem. Een sentry-sleutel is een elektronisch gecodeerde contactsleutel die een code-signaal naar de elektronica van de auto verzendt. Wanneer de elektronica dit signaal herkent, zal de motor starten en kunt u rijden. Wanneer het signaal van de contactsleutel niet door het systeem wordt herkend, start de auto wel, maar valt de motor na twee seconden uit.
Het controlelampje van de sentry-sleutel blijft ongeveer 2 seconden lang branden wanneer u het contact de eerste keer aanzet (contactsleutel in de positie ON). Als de elektronica van de auto het signaal van de contactsleutel niet herkent, blijft het controlelampje van de sentry-sleutel knipperen, om aan te geven dat de auto beveiligd is. Wanneer het controlelampje van de sentry-sleutel blijft branden tijdens het rijden, wil dat zeggen dat er een storing is in de systeemelektronica.
Alle sleutels van uw nieuwe auto zijn speciaal geprogrammeerd voor de elektronica van alleen deze auto.
OPMERKING:
Het sentry-sleutelsysteem werkt niet samen met afstandbediende startsystemen. Gebruik van dergelijke systemen kan startproblemen en storingen in de veligheidsvoorzieningen veroorzaken.
Grote metalen voorwerpen kunnen eveneens startproblemen veroorzaken. Deze kunnen weliswaar geen schade toebrengen aan het sentry-sleutelsysteem, maar kunnen een tijdelijk probleem veroorzaken als ze tijdens het starten te dicht bij een sentry-sleutel liggen. Als dat gebeurt, moet u het contact uitzetten en alle metalen voorwerpen van de sleutelhanger van de sentry-sleutel wegdraaien. Start de motor opnieuw.
Reservesleutels
OPMERKING:
U kunt de motor alleen starten met sleutels die speciaal werden geprogrammeerd voor uw auto.
De PIN-code van vier cijfers hebt u nodig om reservesleutels bij uw geautoriseerde dealer te bestellen; vraag bij de verkoper hiernaar. Het laten dupliceren van sleutels kan bij een geautoriseerde dealer. U kunt dat ook zelf door een speciale programmeerprocedure uit te voeren. Bij die procedure programmeert u een 'blanco' sleutel voor de elektronica van uw auto. Een 'blanco' sleutel is een sleutel die nooit eerder is geprogrammeerd.
OPMERKING:
Wanneer u het sentry-systeem laat repareren of nakijken, dient u alle voertuigsleutels aan uw geautoriseerde dealer te overhandigen.
Programmeren door de klant
U kunt zelf nieuwe sleutels programmeren voor uw auto. U hebt wel twee geldige sleutels nodig en moet de volgende procedure uitvoeren:
-
Steek de eerste geldige sleutel in het contact en draai het contactslot minimaal 3 seconden en maximaal 15 seconden in de positie ON.
-
Zet het contact opnieuw in de stand OFF en verwijder de eerste sleutel.
-
Plaats de tweede geldige sleutel en zet het contact binnen 15 seconden in de positie ON. Na 10 seconden hoort u een gongsignaal en gaat het controlelampje van de sentry-sleutel knipperen.
Zet het contact opnieuw in de stand OFF en verwijder de tweede sleutel.
- Steek een 'blanco' sentry-sleutel in het contact en zet het contact in de positie ON. Dit moet gebeuren binnen 60 seconden nadat u de tweede geldige sleutel hebt verwijderd. 10 seconden later hoort u een gongsignaal. Het controlelampje van de sentry-sleutel gaat uit. Daarna gaat het nogmaals 2 seconden branden, om tenslotte helemaal te doven.
Uw nieuwe sentry-sleutel is nu geprogrammeerd. U kunt deze procedure herhalen voor maximaal 8 sleutels.
Algemene informatie
De sentry-sleutel werkt met een draaggolf-frequentie van 433,92 MHz, conform de bepalingen van de EU. Deze apparatuur dient te zijn gecertificeerd voor de bepalingen van elk land. Hiervoor gelden twee normreeksen: ETS (European Telecommunication Standard) 300-220, van toepassing in de meeste landen en de Duitse richtlijn BZT 225Z125, die is gebaseerd op de norm ETC 300-220, maar daarnaast nog enkele specifieke bepalingen bevat. De apparatuur moet voldoen aan de volgende twee voorwaarden:
- Deze apparatuur mag geen hinderende storingen veroorzaken.
- Deze apparatuur moet eventuele ontvangen storingen kunnen verwerken, inclusief storingen die kunnen leiden tot problemen met de werking.
Verwijderen van de contactsleutel
Plaats de dubbelzijdige sleutel volledig in het contact en draai hem in één van de vijf aangeduide posities. U kunt de sleutel alleen verwijderen als hij in de positie LOCK staat. Druk de sleutel verder in het contactslot en draai hem in de positie LOCK (de automatische versnellingsbak dient in de stand PARK te worden gezet).

Waarschuwingssysteem sleutel in slot Wanneer het bestuurdersportier wordt geopend terwijl de contactsleutel nog in het slot zit en het contact niet is ingeschakeld, zal een signaal u hierop attent maken.
VOORZICHTIG!
Verwijder de sleutel altijd uit het contact en vergrendel alle portieren wanneer u de auto onbewaakt achterlaat.
STUURSLOT
Uw auto is uitgerust met een passief stuurslot. Dat slot zorgt ervoor dat de auto zonder contactsleutel onbestuurbaar is. Wanneer het stuurwiel meer dan een halve slag wordt gedraaid en er geen sleutel in het contactslot zit, zal het stuurslot het stuurwiel vergrendelen.
Het stuurwiel handmatig vergrendelen:
Draai het stuurwiel een halve slag terwijl de motor draait. Zet de motor af en verwijder de contact-sleutel. Draai het stuurwiel tot het vergrendelt.
Het stuurslot ontgrendelen:
Steek de sleutel in het contactslot en draai het stuurwiel een beetje naar links of rechts om het slot te ontgrendelen.
OPMERKING:
Als u het stuurwiel naar rechts hebt gedraaid om het slot te vergrendelen, moet u het stuur een beetje naar rechts draaien om het te ont-grendelen. Als u het stuurwiel naar links hebt gedraaid om het slot te vergrendelen, moet u het stuur lichtjes naar links draaien om het te ont-grendelen.
Met dezelfde sleutel waarmee u de auto start, opent u ook het bestuurdersportier. Om het bestuurdersportier te ontgrendelen, steekt u de sleutel in het slot en draait u de sleutel om.
Er zijn geen cilindersloten aanwezig voor de andere drie portieren, de achterklep of de glazen achterklep. Ontgrendel de overige portieren, de achterklep of de glazen achterklep met behulp van de ontgrendelingsschakelaars aan de binnenzijde of de afstandsbediening van de sleutel.
Om de achterklep te openen, ontgrendelt u de klep zoals eerder beschreven en trekt u aan de portiergreep.
WAARSCHUWING!
Als u met een geopende achterklep rijdt, kunnen giftige uitlaatgassen de auto binnendringen. U en uw passagiers kunnen door deze gassen worden vergiftigd. Houd de achterklep daarom gesloten als de motor draait.
Glazen achterklep
De glazen achterklep wordt samen met de achterklep ontgrendeld. Om de glazen klep te openen, drukt u op de ruitknop die u op de achterklep vindt. Wanneer de glazen achterklep openstaat, wordt de achterste ruitenwisser automatisch uitgeschakeld, om schade aan het achterste wisblad te voorkomen.

Als u met een geopende glazen achterklep rijdt, kunnen giftige uitlaatgassen de auto binnendringen. U en uw passagiers kunnen door deze gassen worden vergiftigd. Houd de glazen achterklep daarom gesloten als de motor draait.
Portiersloten
Alle portieren zijn aan de binnenzijde uitgerust met een schakelaar voor de portiervergrendeling. Om een portier te vergrendelen, schuift u de schakelaar naar achteren (de achterzijde van de auto) in de positie LOCK.
Vergrendelde achterportieren kunnen van binnenuit opnieuw worden geopend door de schakelaar te ontgrendelen. De voorportieren kunnen echter nog steeds van binnenuit worden geopend met behulp van de portierhendel.
Om een deur open te laten bij het verlaten van de auto, schuif de schakelaar naar voren (de voorzijde van de auto) in de positie UNLOCK.
WAARSCHUWING!
Voor uw persoonlijke veiligheid bij een ongeval, moeten de autoportieren zijn vergrendeld tijdens het rijden en wanneer u na het parkeren de auto verlaat.
Kindersloten
De achterportieren van uw auto zijn uitgerust met speciale kindersloten. Wanneer u de vergrendelingshendel aan de binnenzijde van het portier naar boven drukt, kan het portier niet van binnenuit geopend worden. Klik de hendel naar beneden om het kinderslot uit te schakelen.

Voorkom dat u iemand insluit bij een botsing. Denk eraan dat de achterportieren alleen van buitenuit kunnen worden geopend als het kinderslot is ingeschakeld.
Elektrisch bediende portiersloten
De elektrisch bediende portiersloten zijn tuimelschakelaars. VERGRENDEL de portieren door de tuimelschakelaar naar achteren te drukken. ONT-GRENDEL de portieren door de tuimelschakelaar naar voren te drukken. De schakelaar voor bestuurders- en passagiersportieren bedient alle portieren, ook de achterklep.
Voor uw veiligheid zal de elektrische portiervergrendeling niet functioneren wanneer het portier open staat en de sleutel in het contact zit.

Vergrendelde achterportieren kunnen van binnenuit opnieuw worden geopend door de schakelaar te ontgrendelen. De twee voorportieren kunnen echter nog steeds van binnenuit worden geopend met behulp van de portierhendel.
Deze functie vergrendelt de portiersloten automatisch wanneer de auto sneller rijdt dan 24 km/u (15 mph) en wanneer alle portieren gesloten zijn. Wanneer een portier geopent wordt, wordt de functie uitgeschakeld.
Deze functie kunt u aan- en uitzetten. Lees ook "Door de klant programmeerbare functies" in het hoofdstuk Dakconsole of raadpleeg uw geautoriseerde dealer voor meer informatie.
Automatisch ontgrendelen bij het uitstappen
Deze functie ontgrendelt alle portieren als het bestuurdersportier is ontgrendeld wanneer de auto stilstaat en de selectiehendel in de stand Park of Neutraal staat. Lees ook "Door de klant programmeerbare functies" in het hoofdstuk Dakconsole of raadpleeg uw geautoriseerde dealer voor meer informatie.
INSTAPVERLICHTING
De binnenverlichting gaat automatisch branden wanneer u een portier opent. De verlichting blijft ca. 30 seconden lang branden nadat alle portieren zijn gesloten en wordt daarna uitgeschakeld.
De verlichting gaat ook uit wanneer u het contact aanzet en alle portieren gesloten zijn.
VEILIGHEIDSGORDELS
Eén van de belangrijkste veiligheids- voorzieningen in uw auto is het beveiligings- systeem voor de inzittenden. Dit systeem omvat de veiligheidsgordels voor- en achterin en de airbags voor de bestuurder en de voorpassagier. Als u kinderen laat meerijden die te klein zijn voor gordels voor volwassenen, kunt u de veiligheid- gordels ook gebruiken voor baby- en kinderzitjes.
Lees de informatie in dit gedeelte zeer aandachtig door. Het is van groot belang dat u uw beveiligingssysteem voor de inzittenden op de juiste wijze gebruikt, opdat uw passagiers en uzelf dan zo goed mogelijk beveiligd zijn.
Waarschuwingslampje veiligheidsgordel

Een waarschuwingssignaal en een waarschuwingslampje herinneren u eraan uw gordel te dragen wanneer u de auto start. Het lampje zal aanblijven tot de gordel van de bestuurder vast zit.
WAARSCHUWING!
Bij een aanrijding kunnen u en uw passagiers zeer ernstig letsel oplopen wanneer de veiligheidsgordels niet op de juiste wijze worden gedragen. U kunt in aanraking komen met de binnenkant van uw auto of met andere passagiers, of zelfs uit de auto worden geslingerd. Zorg dat u en de passagiers in uw auto de veiligheidsgordels altijd op de juiste wijze dragen.
Draag altijd uw veiligheidsgordel, ook als u een uitstekend bestuurder bent of slechts een korte rit maakt. Iemand anders onderweg kan een slechte bestuurder zijn en een aanrijding veroorzaken. Dit kan ver van huis gebeuren, maar ook bij u in de straat.
Onderzoek heeft aangetoond dat veiligheidsgordels levens redden. Ze kunnen ernstig letsel bij aanrijdingen voorkomen. De ernstigste verwondingen komen voor als personen uit de auto worden geslingerd. Veiligheidsgordels kunnen dit voorkomen. Ze reduceren het risico van letsel veroorzaakt door aanraking met de binnenzijde van de auto. Iedere inzittende van een motorvoertuig moet altijd een veiligheidsgordel dragen.
Driepuntsgordels
De buitenste stoelen voor- en achterin zijn uitgerust met driepuntsgordels. Dat is een combinatie van schouder- en heupgordel. Het oprolmechanisme van de veiligheidsgordels blokkeert alleen bij plotseling stoppen of bij een aanrijding. Daardoor kan het schoudergedeelte van de gordel onder normale omstandigheden vrij bewegen. Tijdens een aanrijding zal de gordel echter blokkeren, om proberen te voorkomen dat u tegen het dashboard slaat of uit de auto wordt geslingerd.
WAARSCHUWING!
- Onjuist gebruik van de veiligheidsgordel is gevaarlijk. Veiligheidsgordels zijn zo ontworpen dat ze over de sterkste delen van het lichaam worden gedragen. Op deze manier kunnen de krachten van een aanrijding het beste worden opgevangen. Wanneer u de veiligheidsgordel niet goed draagt, kunnen de gevolgen van een aanrijding veel ernstiger zijn. U kunt inwendig letsel oplopen of zelfs uit de veiligheidsgordel glijden. Volg de instructies om uw veiligheidsgordel veilig te dragen en uw passagiers te beschermen.
- Als twee personen één veiligheidsgordel gebruiken, kan dit ernstig letsel veroorzaken. Deze twee personen kunnen met een klap tegen elkaar komen tijdens een ongeval en elkaar ernstig verwonden. Gebruik nooit een gordel voor meer dan één persoon, hoe klein de personen ook zijn.
Gebruik van de automatische driepuntsgordels
- Stap in de auto en sluit het portier. Ga zitten en stel de stoel in.
- De gesp van de veiligheidsgordel bevindt zich boven de rugleuning van uw stoel. Pak de gesp
en trek de veiligheidsgordel uit. Schuif de gesp zo ver over de veiligheidsgordel heen als nodig is, zodat de gordel over uw middel past.

- Wanneer de gordel lang genoeg is, plaatst u de gesp in het slotmechanisme tot u een "klik" hoort.

Een veiligheidsgordel die in het verkeerde slotmechanisme zit, beschermt u niet voldoende. Uw middel zou, in verhouding tot de rest van uw lichaam, te hoog opgetild kunnen worden, met inwendige verwondingen tot gevolg. Vergrendel uw veiligheidsgordel altijd in het slotmechanisme direct naast u.
Ook een te losse veiligheidsgordel beschermt u onvoldoende. Bij plotseling stoppen kunt u te ver naar voren schuiven en is er meer kans op letsel. Uw veiligheidsgordel moet goed passen.
Een gordel die onder de arm wordt gedragen is zeer gevaarlijk. Uw kunt bij een aanrijding met een klap tegen de binnenkant van de auto terechtkomen, met hoofd- en nekletsels tot gevolg. Een gordel die onder de arm gedragen wordt kan inwendig letsel veroorzaken.
Draag de gordel altijd over uw schouder, zodat een sterk gedeelte van uw lichaam de kracht opvangt bij een aanrijding.
- Plaats de heupgordel over uw dijen, onder de buik. Om een loszittende bekkengordel strak te trekken, moet u aan het schoudergedeelte van de gordel trekken. Om een te strakke bekkengordel losser te maken, tilt u de gesp op en trekt u aan de
bekkengordel. Een goed passende veiligheids-gordel voorkomt dat u onder de gordel doorschuift tijdens een aanrijding.
WAARSCHUWING!
Een heupgordel die te hoog gedragen wordt, kan inwendig letsel veroorzaken tijdens een aanrijding. De krachten van de gordel worden dan niet uitgeoefend op de heupen en het bekken, maar op uw buik. Draag de heupgordel altijd zo laag mogelijk en zorg dat deze goed past.
- Plaats de schoudergordel langs uw borst zo- dat hij comfortabel zit en niet op uw nek rust. De gordelspanner spant de gordel automatisch aan.
WAARSCHUWING!
Een gedraaide gordel beschermt u onvoldoende. Bij een aanrijding kan de gordel zelfs snijwonden veroorzaken. Controleer of de gordel recht loopt. Als u de gordel niet recht krijgt, gaat u naar uw geautoriseerde dealer voor reparatie.

- Om de gordel los te maken, drukt u op de rode knop met de aanduiding PRESS op het slotmechanisme. De gordel wordt automatisch opgerold tot de beginpositie. Indien nodig, schuift u de gesp over de gordel zodat deze volledig wordt opgerold.
Gordelhoogteverstelling
Bij de voorste zitplaatsen en de buitenste zitplaatsen achter kan de bevestiging van de schouder-gordel naar beneden of naar boven worden afgesteld, zodat de gordel niet op uw nek rust. Druk op de ontgrendeling van de bevestiging en schuif deze naar boven of naar beneden om een comfortabele positie te bereiken.

Als u minder groot bent dan gemiddeld, zult u een lagere positie gebruiken. Als u langer bent dan gemiddeld, zult u een hogere positie gebruiken. Wanneer u de bevestiging hebt verplaatst, pro-beer dan de bevestiging omhoog of omlaag te bewegen om de bevestiging te vergrendelen.
Veiligheidsgordels en zwangerschap
Wij adviseren zwangere vrouwen om de veiligheidsgordel ook te gebruiken tijdens de zwangerschap. De veiligheid van de moeder is de veiligheid van het kind.
Een zwangere vrouw draagt het bekkengedeelte van de gordel rond het middel en zo strak mogelijk over de heupen. Houd de gordel laag zodat hij niet over de buik loopt. Zo kunnen de heupen bij een aanrijding de krachten opvangen.
Bekkengordel achter in het midden
De zitplaats achter in het midden is alleen uitgerust met een bekkengordel. Schuif de gesp in het slotmechanisme om de bekkengordel te vergrendelen tot u een klik hoort.
Voor het verlengen van de bekkengordel houdt u de gesp schuin en trekt u aan de gordel. Trek aan het losse deel van de gordel om de gordel te spannen. Draag de gordel strak om de heupen. Ga achterover en rechtop in de stoel zitten. Span de gordel aan zodat deze comfortabel zit.
WAARSCHUWING!
Een bekkengordel die te los of te hoog gedragen wordt is gevaarlijk. Door een te losse gordel kunt u bij een aanrijding naar beneden weg-schuiven, onder de gordel vandaan. Bij een te hoge gordel komen de krachten van een aanrijding op de buik terecht, in plaats van op de heupen. In beide gevallen is het gevaar van inwendig letsel groter. Draag de bekkengordel dus laag en vrij strak.
WAARSCHUWING!
Een gerafelde of verdraaide gordel kan bij een aanrijding scheuren, waardoor u onbeschermd bent. Controleer geregeld de veiligheidsgordels op scheuren, rafels en losse delen. Laat elke schade onmiddellijk repareren. Probeer de gordels niet zelf te wijzigen of te demonteren. Veiligheidsgordels dienen onmiddellijk te worden vervangen na een aanrijding of als er beschadigingen zijn ontstaan (sluiting of gesp verbogen, scheurtjes en rafels, enz.).
Kinderbeveiliging
ledereen in uw auto moet altijd een veiligheids-gordel dragen, ook baby's en kinderen.
Kinderen van 12 jaar en jonger moeten goed vastgegespt op de achterbank plaatsnemen (als dat mogelijk is). Statistieken tonen aan dat kinderen veiliger zijn, wanneer ze op de achterbank zijn vastgegespt (en niet op de voorste stoelen).
WAARSCHUWING!
Bij een aanrijding kan een kind zonder gordel of een kleine baby naar voren worden geslingerd. De kracht die bijvoorbeeld nodig is om een baby op uw schoot vast te houden kan zo groot zijn dat u het kind niet kunt vasthouden, hoe sterk u ook bent. Dat kan leiden tot ernstige verwondingen. Voor elk kind in uw auto moet het juiste veiligheidssysteem worden gebruikt, aangepast aan de grootte van het kind.
Baby's en kleine kinderen
Er zijn verschillende soorten veiligheidssystemen in verschillende maten voor kinderen die pas geboren zijn, tot kinderen die bijna groot genoeg zijn voor een veiligheidsgordel voor volwassenen. Gebruik het juiste veiligheidssysteem voor uw kind.
- Een kinderzitje waarin het kind met het gezicht naar achteren zit is geschikt voor baby's tot ongeveer 9 kg (20 lbs.) of meer en een jaar oud of ouder. Dat type kinderzitje mag NOOIT op de voorste stoel worden geplaatst als uw auto is uitgerust met een passagiersairbag. Een opgeblazen airbag kan zware verwondingen of zelfs de dood van uw baby veroorzaken. Bevestig het kinderzitje met de bekkengordel of met de driepuntsgordel.
- Kinderzitjes waarbij de kinderen in de rijrichting kijken zijn geschikt voor kinderen van 9 tot 18 kg (20 tot 40 lbs.) en vanaf een leeftijd van één jaar. Bevestig het kinderzitje met de bekkengordel of met de driepuntsgordel.
- Een speciale stoelverhoging is geschikt voor kinderen die meer dan 18 kg (40 lbs.) wegen. Het kind en de stoelverhoging worden beveiligd met behulp van de driepuntsgordel. (Sommige modellen zijn uitgerust met een voorscherm en worden op hun plaats gehouden met het bekkengedeelte van de rolgordel.)
Enkele tips om uw kinderstoeltjes optimaal te gebruiken: - Controleer vóór de aankoop of het kinderstoeltje voldoet aan de vereiste veiligheidsnormen. Chrysler International raadt u aan om voordat u het veiligheidssysteem voor uw kind(eren) koopt, het systeem eerst te proberen in de auto, op de stoel die u gaat gebruiken.
- Het veiligheidssysteem moet geschikt zijn voor het gewicht en de lengte van uw kind. Controleer daarom het label op het stoeltje.
- Volg nauwkeurig de aanwijzingen op van de fabrikant wanneer u een kinderzitje installeert. Als u het zitje niet op de juiste wijze installeert, werkt het misschien niet zoals nodig. De veiligheidsgordel is uitgerust met een gesp zoals bij
een zadelriem, die de gordel strak om het kinderzitje houdt. Het is dan ook niet nodig een speciale vergrendelingsclip te gebruiken. Trek aan het schoudergedeelte, respectievelijk het vrije uiteinde van de bekkengordel om de gordel goed strak te spannen. De gesp houdt de gordel gespannen.
- Sommige fabrikanten van kinderzitjes adviseren het gebruik van een bevestiging aan de bovenkant (bevestigingsband aan de rugleuning) samen met de heupgordel. Uw auto heeft bevestigingspunten voor bevestigingsbanden achter de zitplaatsen achterin voor het gebruik met deze kinderzitjes. U vindt de bevestigingspunten dichtbij de achterruit, tussen het pafond en de bekleding. Uw geautoriseerde dealer kan u de benodigdheden en de installatie-instructies leveren.
WAARSCHUWING!
Een onjuist bevestigde gordel kan een defect aan het zitje en verwondingen bij uw kind veroorzaken. Bij een aanrijding kan het zitje losraken. Het kind kan in de passagiersruimte worden geslingerd, kan andere passagiers raken of zelfs uit de auto worden geslingerd. Gebruik alleen de aangeduide verankeringsposities om een kinderzitje met extra bevestigingspunten te bevestigen.
- Plaats het kind in het zitje zoals de fabrikant dit aangeeft.
- Wanneer u het baby- of kinderzitje niet gebruikt, bevestigt u het met de veiligheidsgordel of verwijdert u het uit de auto. Laat het niet los in de auto liggen. Bij een noodstop of een aanrijding kan het de inzittenden raken en verwonden.
WAARSCHUWING!
- Een stoeltje dat tegen de rijrichting wordt geplaatst, mag alleen op de achterstoel worden gemonteerd. In een naar achteren gericht kinderzitje kan een kind ernstig of zelfs dodelijk gewond raken als het op de voorstoel geplaatst wordt en de airbag van de passagier in werking treedt.
- Een onjuist gemonteerd kinderzitje kan op het kritieke ogenblik falen. Het kan losschieten bij een aanrijding. Het kind kan ernstig verwond of zelfs gedood worden. Volg daarom bij de montage van een kinderzitje de aanwijzingen van de fabrikant nauwgezet op.
WAARSCHUWING!
"Zeer gevaarlijk! Plaats een kinderstoeltje nooit tegen de rijrichting in op een stoel die beveiligd wordt door een airbag!" Lees ook de waarschuwingsstickers op het instrumentenpaneel.
Kinderen die te groot zijn voor een kinderzitje Kinderen die te groot zijn voor een kinderzitje en die zelf rechtop kunnen zitten, moeten de be- schikbare driepuntsgordels gebruiken en op de achterbank plaatsnemen, omdat dit het veiligst is.
- Controleer of het kind rechtop in de stoel zit.
- De heupgordel moet laag om de heupen vastgemaakt worden en zo strak mogelijk aangetrokken zijn.
- Controleer de positie van de veiligheidsgordel geregeld. De bewegingen van het kind kunnen de veiligheidsgordel uit positie brengen.
Als de schoudergordel het gezicht of de nek raakt, plaatst u het kind meer naar het midden van de auto. Als dit niet helpt, plaatst u het kind midden op de achterbank en gebruikt u alleen de heupgordel. Laat nooit toe dat een kind de schouderriem onder de arm draagt.
Extra beveiligingssysteem voor bestuurder en voorpassagier (SRS) — Airbag
Deze auto heeft airbags voor de bestuurder en de voorpassagier als aanvulling op de veiligheidsgordelsystemen. De airbag voor de bestuurder bevindt zich in het stuurwiel. De airbag aan de passagierszijde bevindt zich in het dashboard, boven het handschoenenvakje, onder een deksel met het opschrift SRS/AIRBAG. Deze airbags worden opgeblazen tijdens een aanrijding met hoge snelheid. In combinatie met de kniebeschermingen in het dashboard en de veiligheidsgordels zorgen ze voor een grotere veiligheid van de bestuurder en de voorpassagier.
OPMERKING:
Deze airbags worden minder krachtig opgeblazen.
WAARSCHUWING!
- Als u alleen op de airbags vertrouwt, kan dit leiden tot ernstig letsel. Draag uw veiligheids-gordels ook als u airbags heeft.
- Wanneer u het oplichtende AIRBAG-waarschuwingslampje negeert, wil dat zeggen dat u bij een aanrijding niet op deze extra veiligheid kunt rekenen. Wanneer het lampje na de eerste 6 tot 8 seconden niet gaat branden, 6 tot 8 seconden na het starten van de motor blijft branden of tijdens het rijden gaat branden, moet u onmiddellijk het airbag-systeem laten controleren.
- De veiligheidsgordels zijn ontworpen om u te beschermen bij bepaalde soorten aanrijdingen. De airbags worden alleen opgeblazen bij frontale botsingen en worden niet opgeblazen bij aanrijdingen met een lage snelheid. Bij aanrijdingen waarbij de airbags worden opgeblazen, is de veiligheidsgordel noodzakelijk om u in de juiste positie voor de airbags te houden, zodat ze u voldoende bescherming kunnen bieden.
Hier volgen enkele eenvoudige stappen om het risico van verwondingen door een opgeblazen airbag te verminderen.
- Kinderen van 12 jaar en jonger moeten goed vastgegespt op de achterbank plaatsnemen (als dat mogelijk is).
- Baby's in naar achteren gerichte veiligheidszijtes mogen NOOIT in de voorste stoel plaatsnemen in een voertuig met een airbag aan de passagierszijde. De opblazende airbag kan zware verwondingen of zelfs de dood van uw kind veroorzaken.
- Wanneer een kind van 1 tot 12 jaar oud toch voorin moet zitten, omdat de zitplaatsen achterin bezet zijn, moet u de stoel zo ver mogelijk naar achteren verplaatsen en een geschikt kinderzitje gebruiken. Zie de aanwijzingen in het hoofdstuk Kinderzitjes.
- Alle inzittenden moeten hun driepuntsgordel op de juiste wijze dragen.
- De stoelen van de bestuurder en de voorpassagier moeten zo ver mogelijk naar achteren worden geschoven, om de airbags ruimte te geven om te worden opgeblazen.
- Lees ook aandachtig de instructies in de gebruiksaanwijzing van het kinderzitje, zo- dat u het altijd correct gebruikt.
Het airbag-systeem bestaat uit de volgende onderdelen:
• Airbag-stuurmodule (ACM)
• Airbag-controlelampje
- Opblaasmodule van de airbag
- Speciaal stuurwiel en speciale stuurkolom
- Bedrading
• Kniebescherming
Zo werkt het airbagsysteem
- De ACM (Airbag-stuurmodule) sensor van de stuurmodule reageert niet op zijdelingse aanrijdingen, aanrijdingen van achteren of wanneer de auto over de kop slaat.
- De ACM controleert de werking van de elektronische onderdelen van het systeem wanneer de contactschakelaar in de stand START of ON staat. Dat zijn alle hierboven opgesomde onderdelen, met uitzondering van de kniebescherming, het instrumentenpaneel, de stuurkolom en het stuurwiel. Bovendien bevat de module software om te bepalen of een frontale aanrijding voldoende ernstig is om de airbag te activeren.
De ACM schakelt ook voor 6 tot 8 seconden het AIRBAG-controlelampje in op het dashboard, wanneer de ontsteking wordt ingeschakeld.
Daarna wordt het opnieuw gedoofd. Als er een defect geregistreerd wordt in het systeem, zal het lampje knipperen of constant branden.
- De airbag-opblaassystemen bevinden zich in het midden van het stuurwiel voor de bestuurder en in de rechterzijde van het dashboard aan de passagierszijde. Wanneer de computer een aanrijding registreert waarbij de airbags nodig zijn, wordt een signaal naar de opblaassystemen gestuurd. Een grote hoeveelheid niet-giftig stikstof- en/of argongas wordt geactiveerd om de airbags op te blazen. De airbagdeksels op het stuurwiel en bovenaan op het dashboard aan de passagierszijde springen open, terwijl de airbags worden opgeblazen tot hun maximale grootte. De airbags worden volledig opgeblazen in ongeveer 50-70 milliseconden. Dit is ongeveer de helft van de tijd die nodig is om met uw ogen te knipperen. De airbags lopen vervolgens snel leeg via de speciale openingen en/of poriën van de airbagstof. Op deze manier belemmeren de airbags niet uw controle over de auto.
Als de airbags worden opgeblazen
Het airbag-systeem is ontworpen om te worden geactiveerd wanneer de impactsensoren een ma- tige tot ernstige frontale botsing signaleren, en om vervolgens onmiddellijk leeg te lopen.
OPMERKING:
Bij een frontale botsing die niet ernstig genoeg is voor de airbag-bescherming, zal het systeem niet geactiveerd worden. Dit houdt niet in dat het airbag-systeem niet werkt.
Als u een aanrijding heeft waarbij de airbags worden opgeblazen, dan kan het volgende gebeuren:
- Het nylon van de airbag kan schaafwonden en/of een rode huid veroorzaken bij de bestuurder en de voorpassagier, wanneer de airbags in het stuurwiel en het dashboard worden geactiveerd.
De schaafwonden zijn gelijk aan de schaafwonden die u kunt oplopen bij het schaven met een touw, vloerbedekking of de vloer van een gymnastiekzaal. De schaafwonden worden niet veroorzaakt door de aanraking met chemische producten. De schaafwonden zijn niet blijvend en helen snel. Echter, als uw schaafwonden na een aantal dagen niet geheeld zijn, of als u last heeft van blaren, ga dan onmiddellijk naar de huisarts.
- Als de airbags leeglopen kunt u rookachtige deeltjes zien. Deze deeltjes zijn een normaal bijproduct van het proces dat het niet-giftige gas activeert voor het opblazen van de airbags. Deze rondzwevende deeltjes kunnen de huid, de ogen, de neus of de keel irriteren.
Spoel met koud water, als u last heeft van oog- of huidirritaties. Zorg voor frisse lucht bij neus- of keelirritaties. Raadpleeg uw huisarts als de irritatie blijft.
Als deze deeltjes op uw kleding komen, volgt u bij het reinigen de wasvoorschriften van de fabrikant.
- Uw auto kan veilig bestuurbaar zijn na het opblazen van de airbags. Duw de bestuurders-airbag terug in de opening van het stuurwiel om het besturen van de auto gemakkelijker te maken. De passagiersairbag kunt u terug in de opening van het dashboard duwen.
WAARSCHUWING!
Eenmaal opgeblazen airbags kunnen u niet meer beschermen bij een volgende aanrijding. Laat de airbags daarom zo snel mogelijk vervangen door een geautoriseerde dealer.
Onderhoud van uw airbag-systeem
WAARSCHUWING!
- Wijzigingen aan delen van het airbag-systeem kunnen tot gevolg hebben dat het systeem in een noodgeval niet functioneert. U kunt gewond raken wanneer de airbag niet werkt en u niet beschermt. Verander nooit de componenten of de bedrading. Plak nooit emblemen of stickers op de airbag-deksels. Wijzig nooit de voorbumper of de carrosserie van de auto.
- U hebt een goede kniebescherming nodig bij een aanrijding. Plaats of monteer nooit accessoires op of achter de kniebeschermers.
- Het is gevaarlijk om zelf te proberen delen van het airbag-systeem te repareren. Probeer het airbag-systeem nooit zelf te repareren. Waarschuw iedereen die aan uw auto werkt dat de auto is uitgerust met airbags.
Airbag-controlelampje
De airbags moeten gereed zijn om bij een aanrijding onmiddellijk geactiveerd te kunnen worden en u te beschermen. In principe heeft het airbag-systeem geen onderhoud nodig. Laat het systeem echter onmiddellijk controleren door een geautoriseerde dealer als zich het volgende voordoet:
- Het AIRBAG-controlelampje brandt niet gedurende 6-8 seconden nadat de contactschakelaar voor het eerst omgedraaid wordt.
- Het lampje blijft branden na het interval van 6-8 seconden.
- Het lampje gaat branden wanneer u rijdt.
INRIJDEN VAN DE MOTOR
Voor een maximale levensduur van de motor, dient u deze richtlijnen te volgen voor de eerste duizend kilometers.
- Controleer geregeld de vloeistofniveaus en het motoroliepeil en zorg ervoor dat er geen onderdelen van de auto oververhit raken. Het is normaal dat nieuwe motoren in het begin meer brandstof en motorolie verbruiken. Verwacht dus de eerste 1.900 km (1.200 mijl) geen uiterst zuinige prestaties.
- Laat een koude motor na het starten ca. 15 seconden opwarmen voordat u een versnelling kiest.
- Rijd de eerste 160 km (100 mijl) niet sneller dan 80 km/u (50 mph) en daarna de eerste 800 (500 mijl) km niet sneller dan 88 km/u (55 mijl). Vermijd plankgas of topsnelheden, langdurig constante snelheden of te lang stationair draaien tijdens deze inrijperiode. Vermijd ook snel accelereren en abrupt remmen.
- Speciale inrij-olie is niet nodig. De originele motorolie is van hetzelfde type als de normaal aanbevolen olie. U hoeft deze olie niet speciaal te laten verversen of de oliefilter te vervangen tot aan het eerste geplande onderhoud, behalve bij gebruik in extreme omstandigheden. Voeg geen anti-wrijvingsmiddelen of speciale inrij-olie toe tijdens de eerste twee- tot drieduizend kilometer. Deze kunnen immers het correcte 'inlopen' van de zuigerveren belemmeren.
OPMERKING:
Tijdens het inrijden is het belangrijk dat u de vloeistofniveaus goed op peil houdt. Zie ook Onderhoudswerkzaamheden voor de controle van de vloeistofniveaus.
DE VEILIGHEID VAN UW AUTO CONTROLEREN
Uitlaatgassen
WAARSCHUWING!
Uitlaatgassen zijn zeer giftig en kunnen dodelijk zijn. Ze bevatten koolmonoxide (CO), een kleuren reukloos gas. Het inademen kan bewusteloosheid en vergiftiging veroorzaken. Om het inademen van CO-gas te voorkomen, dient u de volgende adviezen op te volgen.
- Laat de motor niet langer in een gesloten garage of een beschutte ruimte draaien dan noodzakelijk is om de auto te verplaatsen.
- Als het noodzakelijk is om stil te blijven staan met een draaiende motor, brengt u met de bediening van de verwarming of de koeling buitenlucht in de auto. Zet de aanjager op de hoogste stand.
- Adem nooit uitlaatgassen in. Ze bevatten koolmonoxide, een kleur- en reukloos gas dat do-delijk kan zijn. Laat de motor nooit in een gesloten ruimte (garage) draaien en blijf nooit langere tijd in een stilstaande auto met draaiende motor zitten. Wanneer de auto langere tijd met draaiende motor stilstaat in een
open gebied, moet u het verluchtingssysteem zodanig afstellen dat er verse buitenlucht in de auto wordt geblazen.
- Regelmatig onderhoud is een prima bescherming tegen koolmonoxide. Laat het uitlaatsysteem controleren telkens wanneer de auto op een hefbrug gezet wordt. Laat abnormale toestanden onmiddellijk repareren. Rijd zolang alleen met volledig geopende ruiten.
- Houd de achterklep gesloten wanneer u met de auto rijdt. Zo voorkomt u dat koolmonoxide en andere giftige uitlaatgassen in de auto terechtkomen.
WAARSCHUWING!
Wanneer u toch met open achterklep moet rijden, moet u er zeker van zijn dat alle ramen gesloten zijn en dat de aanjager van de airco op de hoogste stand staat. Gebruik NOOIT de functie "binnenlucht circuleren".
Veiligheidscontroles in de auto
Veiligheidsgordels
Controleer geregeld de veiligheidsgordels op scheuren, rafels en losse delen. Laat elke schade onmiddellijk repareren. Probeer de gordels niet zelf te wijzigen of te demonteren.
Veiligheidsgordels dienen onmiddellijk te worden vervangen na een aanrijding of als er beschadigingen zijn ontstaan (sluiting of gesp verbogen, scheurtjes en rafels, enz.). Wanneer er ook maar enige twijfel bestaat over de toestand van het oprolmechanisme, dient u de gordel te laten vervangen.
Voorruitverwarming
Controleer de werking door de ontdooistand te selecteren en de aanjager op de hoogste stand te zetten. U moet nu de lucht die langs de voorruit geblazen wordt, kunnen voelen.
Veiligheidscontroles aan de buitenzijde van de auto
Banden
Controleer de banden op overmatige slijtage of ongelijkmatige slijtpatronen. Controleer de banden op stenen, spijkers, glas of andere voorwerpen die kunnen blijven steken in het loopvlak. Controleer het loopvlak op scheuren of barsten in de wangen. Controleer de wielmoeren en de bandenspanning (ook die van het reservewiel).
Verlichting
Laat iemand de werking van de verlichting controleren terwijl u in de auto de verlichting bedient. Controleer de indicatielampjes van richtingaanwijzers en grootlicht op het dashboard.
Vloeistoflekkage
Kijk onder de auto na een nacht parkeren. Controleer op remvloeistof-, brandstof-, water-, olie- of andere vloeistoflekkages. Als u benzinedampen ruikt, moet de oorzaak onmiddellijk verholpen worden.
3
DE VOORZIENINGEN IN UW AUTO LEREN KENNEN
• AFSTANDSBEDIENING 27
- Zo ontgrendelt u de portieren en de achterklep .... 27
- Zo vergrendelt u de portieren en de achterklep .... 27
• Algemene informatie 27
• Extra afstandsbedieningen programmeren ..... 27
• De batterij van de afstandsbediening verwisselen ... 27 - Jeep Memory System—Indien aanwezig 28
• ALARMSYSTEEM—INDIEN AANWEZIG 29
- Het alarm activeren 29
- Het systeem uitschakelen 29
• ELEKTRISCHE RUITBEDIENING 29
• STOELEN 30
• Voorste stoel instellen—Rugleuning 30
• Hoofdsteunen 31
• Elektrische stoelverstelling 31
- Jeep Memory System—Indien aanwezig 33
- Verwarmde stoelen—Indien aanwezig 34
• 60/40 Neerklapbare achterbank 34
• SPIEGELS 36
• Binnenspiegel dag/nacht 36
- Spiegel met automatische dimstand—
Indien aanwezig 36
- Inklapbare buitenspiegels 37
• Buitenspiegels 37
- Elektrisch bediende en verwarmde spiegels—
Indien aanwezig 37
• Elektrisch bediende buitenspiegels 37
- Elektrisch inklapbare buitenspiegels—
Indien aanwezig 37
• Verlichte make-up-spiegeltjes—Indien aanwezig .... 37
• VERLICHTING 38
• Binnenverlichting 38
- Kaartleeslampjes voorin 38
- Multifunctionele bedieningshendel 38
- Accuspaarfunctie—Buitenverlichting 38
- Koplampen, parkeerlichten en verlichting instrumentenpaneel 39
• Waarschuwing lichten aan 39
• Voorste mistlampen—Indien aanwezig 39
- Achtermistlichten 39
• Richtingaanwijzers 39
• Dimlichtschakelaar 39
• Passeersignaal 39
- Regeling van de lichtbundelhoogte—Indien aanwezig .. 40
• Uitschakelvertraging koplampen 40
• RUITENWISSERS EN RUITENSPROEIERS ..... 40
- Mist 41
• Snelheidsafhankelijke intervalschakeling 41
• VERSTELBARE STUURKOLOM 41
• ELEKTRONISCHE SNELHEIDSREGELING 42
• In werking stellen 42
- Instellen op een gewenste snelheid 42
- Buiten werking stellen 42
- Weer op snelheid komen 42
- Snelheidsinstelling variëren 42
- Accelereren bij het inhalen 42
• Rijden op hellingen 43
• SIGARETTENAANSTEKER EN ASBAKJE 43
• VOEDING ACCESSOIRES 43
• HANDSCHOENENVAKJE 44
• BEKERHOUDERS 44
- DAKCONSOLE—INDIEN AANWEZIG 44
- Plafondlampje/leeslampjes 44
-Boordcomputer 45
- Door de klant programmeerbare functies 45
• Kompas/Temperatuur/Boordcomputer 47
- Boordcomputer 47
• ELEKTRISCH BEDIEND ZONNEDAK— INDIEN AANWEZIG 50
- Snel automatisch openen 50
- Handmatig openen 50
- Het zonnedak sluiten 50
- Ventilatiestand 50
- Werking bij uitgeschakeld contact 50
• Zonnescherm 50 - Onderhoud 51
• FUNCTIES VAN DE ACHTERRUIT 51
- Achterste ruitenwisser/ruitensproeier 51
- Achterruitontdooiing 51
• LAADRUIMTE 52
• Kofferruimteverlichting 52
- Afdekscherm laadruimte 52
• Sjorringen voor lading 52
• IMPERIAAL 53
• MOTORKAP OPENEN EN SLUITEN 54
AFSTANDSBEDIENING

Met behulp van de zender van de afstandsbedie- ning kunt u de portieren en de achterklep ontgre- delen en vergrendelen tot op een afstand van 7 meter (23 voet). U hoeft de zender niet op de auto te richten.
Zo ontgrendelt u de portieren en de achterklep:
Druk één keer kort op de toets UNLOCK van de afstandsbediening om het bestuurdersportier te ontgrendelen. Om alle portieren en de achterklep te ontgrendelen, drukt u twee keer kort op de toets. De instapverlichting gaat eveneens branden.
OPMERKING:
U kunt het systeem voor de volgende handelingen programmeren:
- alle portieren ontgrendelen na de eerste toetsdruk
- de knipperlichten twee keer laten knipperen bij het ontgrendelen
- In auto's met een dakconsole kunnen deze functies worden geselecteerd met behulp van de "programmeerbare functies". Lees ook "Door de klant programmeerbare functies" in het hoofdstuk Dakconsole of raadpleeg uw geautoriseerde dealer voor meer informatie.
Zo vergrendelt u de portieren en de achterklep:
Druk één keer op de toets LOCK in de kop van de sleutel om de portieren en de achterklep te vergrendelen. Als u wilt, kunnen de richtingaanwijzers één keer knipperen om aan te geven dat het systeem actief is. Hoe u die functie programmeert, leest u in het hoofdstuk "Dakconsole". U kunt ook uw geautoriseerde dealer raadplegen voor meer informatie.
Algemene informatie
De zender en ontvanger werken met een draaggolffrequentie van 433,92 MHz, conform de bepalingen van de EU. Deze apparatuur dient te zijn gecertificeerd voor de bepalingen van elk land. Hiervoor gelden twee normreeksen: ETS (European Telecommunication Standard) 300-220, van toepassing in de meeste landen en de Duitse richtlijn BZT 225Z125, die is gebaseerd op de norm ETC 300-220, maar daarnaast nog enkele specifieke bepalingen heeft. De apparatuur moet voldoen aan de volgende twee voorwaarden:
- De apparatuur mag geen hinderenlijke storingen veroorzaken.
- Deze apparatuur moet eventuele ontvangen storingen kunnen verwerken, inclusief storingen die kunnen leiden tot problemen met de werking.
Als uw afstandsbediening niet goed werkt vanaf de normale afstand, controleer dan het volgende: - De batterijen van de zender. De gemiddelde levensduur van de batterijen is één tot twee jaar.
- De afstand tot een radiozender, een zendmast, een luchthavenzender, legerzender en bepaalde mobiele radio's of andere zendapparatuur.
Extra afstandsbedieningen programmeren
U kunt maximaal 4 zenders programmeren. Uw geautoriseerde dealer vertelt u hier graag meer over.
De batterij van de afstandsbediening verwisselen
De aanbevolen vervangingsbatterij is de CR 2016.
OPMERKING:
Raak nooit de batterijpolen aan op de achterzijde van de behuizing of op de print.
- Draai de sleutel om zodat de toetsen van de zender naar beneden wijzen en druk met een dun muntstuk beide helften van de afstandsbediening uit elkaar. Let erop dat u de rubberen dichting niet beschadigt.

- Vervang de batterijen. Vermijd aanraking van de batterijpolen met uw vingers. Het vet van de huid kan leiden tot een verminderde werking. Wanneer u een batterijpool hebt aangeraakt, kunt u die reinigen met een beetje reinigingsalcohol.
-
Klik beide helften van de behuizing opnieuw samen om de behuizing te sluiten. Zorg voor een gelijkmatige "opening" tussen beide helften.
-
De zender resetten door acht keer na elkaar op de ontgrendelingstoets te drukken. De zender testen.
Jeep Memory System—Indien aanwezig
Wanneer uw auto met dit systeem werd uitgerust, kunt u met de afstandsbediening van uw sentry-sleutel of met de geheugentoets aan de binnen-zijde van het bestuurdersportier eerder opgeslagen gegevens m.b.t. de stand van de bestuurdersstoel, de buitenspiegels en de voorkeuzestations van de radio oproepen.
Met de geheugentoetsen aan de binnenzijde van het bestuurdersportier roept u altijd eerder gemaakte instellingen op. De afstandsbediening kan worden geprogrammeerd om alleen posities op te roepen wanneer de ontgrendelingsknop ingedrukt wordt. Hoe u die functie programmeert, leest u in het hoofdstuk "Dakconsole". U kunt ook uw geautoriseerde dealer raadplegen voor meer informatie.
OPMERKING:
De versnellingsbak moet in de stand Park staan en u kunt de veiligheidsgordel niet om- doen om geheugenposities op te roepen.
Uw auto is geleverd met twee afstandsbedieningen. Deze afstandsbedieningen hebben een kleurcodering die overeenstemt met de geheugentoetsen op het bestuurdersportier. De zenders bedienen de geheugentoetsen nr. "1" (zwart) en nr. "2" (grijs) op het bestuurdersportier. Wanneer de geheugentoets is geprogrammeerd, geldt dat meteen ook voor de afstandsbediening.
OPMERKING:
Indien het geheugen niet op de door u gewenste positie ingesteld staat, zullen de positie van de stoel en de spiegels telkens wanneer u de afstandsbediening gebruikt, terugkeren naar de standaardinstelling.

Volg de onderstaande procedure om het geheu-gen in te stellen:
- Zet het contact aan (ON).
-
Zet de stoel, rugleuning en achteruitkijkspiegels in de gewenste stand.
-
Stel de radio af zoals u dat wil (voorkeuze- stations, max. 10 AM en 10 FM). Zie ook hoofdstuk 4 in deze handleiding voor meer informatie.
- Druk kort op de toets SET. Een indicatielampje op de schakelaar gaat knipperen, zodat u weet dat u in de geheugenmodus bent.
- Druk kort op toets "1" of toets "2" op het bestuurdersportier, afhankelijk van de afstandsbediening die u gebruikt. Het knipperende lampje van de set-toets gaat uit. Het geheugen is geprogrammeerd.
Indien u de afstandsbediening verliest, kunt u een nieuwe bestellen bij uw Chrysler-dealer. U moet aangeven of de verloren afstandsbediening nr. 1 of 2 was. Uw geautoriseerde dealer moet immers de nieuwe afstandsbediening overeenkomstig programmeren.
ALARMSYSTEEM—INDIEN AANWEZIG
Dit systeem bewaakt de portieren, de achterklep, de glazen achterklep, de motorkap en de ontsteking van de auto en voorkomt ongeoorloofd instappen of starten. Wanneer het alarm afgaat, hoort u een alarmsirene en ziet u waarschuwingssignalen. De sirene zal herhaaldelijk 25 seconden lang loeien. Bovendien gaan de koplampen en achterlichten 25 seconden lang knipperen.
Het alarm activeren
Het alarm is actief wanneer u de portieren en de achterklep vergrendelt met de afstandsbediening, of wanneer u de portiervergrendeling bij geopend portier indrukt. Nadat alle portieren zijn gesloten en vergrendeld, gaat er bovenop het dashboard 15 seconden lang een rood lampje knipperen, om aan te geven dat het systeem wordt ingeschakeld. Tijdens deze periode van 15 seconden zal het openen van een portier of van de achterklep het systeem uitschakelen. Wanneer het alarm actief is, zal het rode lampje trager gaan knipperen.
Het systeem uitschakelen
Om het systeem uit te schakelen, ontgrendelt u het bestuurdersportier met de afstandsbediening of de sleutel. Als het alarm is afgegaan tijdens uw afwezigheid, zullen de voorste en achterste parkeerlichten knipperen wanneer u de portieren ontgrendelt. Controleer of er in de auto is ingebroken.
Het diefstalalarm is ontworpen om uw auto te beschermen. Er zijn echter omstandigheden waarbij een vals alarm kan optreden. Wanneer u in de auto blijft en de portieren met de afstandsbediening vergrendelt, zal het alarm afgaan wanneer u aan de portiergreep trekt om het portier te ongtrendelen en te openen. Als dat gebeurt, drukt u op de ongtrendelingstoets van de afstandsbediening om het systeem uit te schakelen. U kunt ook onverhoeds het systeem uitschakelen door het bestuurdersportier met de sleutel te ontgrendelen en opnieuw te vergrendelen. Het portier is dan vergrendeld, maar het alarm is niet actief.
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING

Elke ruit heeft een eigen tuimelschakelaar voor de elektrische bediening. Druk de tuimelschakelaar in om de ruit te openen. Trek aan de schakelaar om de ruit te sluiten. De ruitbediening op het
bestuurdersportier heeft schakelaars voor alle ruiten. Een speciale vergrendelingstoets zorgt ervoor dat alleen de bestuurder de ruiten kan bedienen.

Een klein indicatielampje in de ruitbediening van elk passagiersraam duidt aan of de vergrendeling al dan niet actief is.
De ruit in het bestuurdersportier heeft een automatische openingsfunctie. Druk op de tuimelschakelaar voorbij het drukpunt, laat hem weer los, en de ruit gaat automatisch helemaal naar beneden.
De elektrische ruitbediening blijft 45 seconden ingeschakeld nadat u het contact hebt UITGEZET. Deze functie wordt uitgeschakeld door een voorportier te openen.
STOELEN
WAARSCHUWING!
Het is gevaarlijk om tijdens het rijden een stoel in te stellen. Door een plotselinge beweging van de stoel kunt u de controle over uw auto verliezen. De veiligheidsgordel is dan ook niet op de juiste wijze ingesteld en u kunt gewond raken. Stel de stoel alleen af als de auto geparkeerd staat.
Voorste stoel instellen—Rugleuning
Om de rugleuning in te stellen, trekt u aan de hendel aan de buitenzijde van de stoel. Leun naar achteren en laat de hendel los wanneer de leuning de gewenste stand heeft bereikt. Om de stoel in zijn normale stand te zetten, trekt u aan de hendel, leunt u naar voren en laat u de hendel los.

Rijd nooit met de rugleuning zo ver naar achteren dat de gordel niet meer tegen uw borst rust. Bij een aanrijding kunt u onder de veiligheids-gordel vandaan schuiven en ernstig of zelfs dodelijk gewond raken. Gebruik de slaapstoel alleen wanneer de auto geparkeerd is.
WAARSCHUWING!
Het is uiterst gevaarlijk om in de laadruimte mee te rijden - zowel binnenin als buitenop een laadbak. Bij een ongeval zijn deze passagiers totaal onbeveiligd en kunnen ernstig gewond raken of zelfs gedood worden.
Laat geen passagiers toe op een plaats in uw auto die niet speciaal is uitgerust met stoelen en veiligheidsgordels.
Controleer of iedereen in de auto in een stoel zit en een veiligheidsgordel heeft omgegespt.
Hoofdsteunen
Het gebruik van hoofdsteunen kan het risico van een 'whiplash' verminderen bij een aanrijding aan de achterzijde. De verstelbare hoofdsteunen moeten zo ingesteld worden, dat de bovenrand op een praktische hoogte uitkomt.

De hoofdsteunen zijn uitgerust met een vergrendelingstoets die moet worden ingedrukt om de hoofdsteunen te kunnen neerlaten tot op welke positie dan ook, tenzij u de hoofdsteun helemaal naar beneden wilt laten. Om de hoofdsteun helemaal naar beneden te laten hoeft u de toets niet in te drukken.
Om de hoofdsteunen omhoog te laten hoeft u de knop niet in te drukken.
Elektrische stoelverstelling
WAARSCHUWING!
Rijd nooit met de rugleuning zo ver naar achteren dat de schoudergordel niet meer tegen uw borst rust. Bij een aanrijding kunt u onder de veiligheidsgordel vandaan schuiven en ernstig of zelfs dodelijk gewond raken. Gebruik de slaapstoel alleen wanneer de auto geparkeerd is.

De schakelaars voor de bediening van de elektrisch verstelbare stoel bevinden zich aan de buitenzijde van de stoel, dicht bij de vloer.
6-Voudige elektrische stoelverstelling met handmatig bediende rugleuning—Indien aanwezig
Deze schakelaar bevindt zich onderaan aan de buitenzijde van de stoel. Hiermee schuift u de stoel omhoog, omlaag, naar voren of naar achteren; u kunt er ook de rugleuning mee kantelen.

Deze stoel heeft ook een handmatig bediende rugleuninghendel achter de elektrische schakelaar. Trek de hendel naar boven om de rugleuning te verstellen.

10-Voudige elektrisch bediende stoel met rugleuningverstelling en lendensteun—Indien aanwezig
Deze schakelaars bevinden zich onderaan aan de buitenzijde van de stoel. Hiermee schuift u de stoel omhoog, omlaag, naar voren of naar achteren, kunt u de rugleuning kantelen, of de mate van ondersteuning van ledematen vergroten of verkleinen.

Plaats geen voorwerpen onder een elektrisch bediende stoel. Dat kan ernstige schade toebrengen aan het mechanisme.
De bediening van de elektrisch verstelbare lendensteun bevindt zich aan de buitenzijde van de stoel. Met deze schakelaar kunt u meer of minder steun voor uw lendenen instellen.

De bediening van de rugleuning bevindt zich aan de portierzijde van de stoel. Met deze schakelaar kunt u de rugleuning helemaal plat leggen en opnieuw rechtop zetten.

Rijd nooit met de rugleuning zo ver naar achteren dat de gordel niet meer tegen uw borst rust. Bij een aanrijding kunt u onder de veiligheids-gordel vandaan schuiven en ernstig of zelfs dodelijk gewond raken. Gebruik de slaapstoel alleen wanneer de auto geparkeerd is.
Jeep Memory System—Indien aanwezig
Wanneer uw auto met dit systeem werd uitgerust, kunt u met de afstandsbediening van uw sentry-sleutel of met de geheugentoets aan de binnen-zijde van het bestuurdersportier eerder opgeslagen gegevens m.b.t. de stand van de bestuurdersstoel, de buitenspiegels en de voorkeuzestations van de radio oproepen.
Met de geheugentoetsen aan de binnenzijde van het bestuurdersportier roept u altijd eerder gemaakte instellingen op. De afstandsbediening kan worden geprogrammeerd om alleen posities op te roepen wanneer de ontgrendelingsknop ingedrukt wordt. Hoe u die functie programmeert, leest u in het hoofdstuk "Dakconsole". U kunt ook uw geautoriseerde dealer raadplegen voor meer informatie.
OPMERKING:
De versnellingsbak moet in de stand Park staan en u kunt de veiligheidsgordel niet om- doen om geheugenposities op te roepen.
Uw auto is geleverd met twee afstandsbedieningen. Deze afstandsbedieningen hebben een kleurcodering die overeenstemt met de geheugentoetsen op het bestuurdersportier. De zenders bedienen de geheugentoetsen nr. "1" (zwart) en nr. "2" (grijs) op het bestuurdersportier. Als de geheugentoets is geprogrammeerd, geldt dat meteen ook voor de afstandsbediening.
OPMERKING:
Indien het geheugen niet op de door u gewenste positie ingesteld staat, zullen de positie van de stoel en de spiegels telkens wanneer u de afstandsbediening gebruikt, terugkeren naar de standaardinstelling.

Volg de onderstaande procedure om het geheu-gen in te stellen:
- Zet het contact aan (ON).
- Zet de stoel, rugleuning en achteruitkijkspiegels in de gewenste stand.
- Stel de radio af zoals u dat wil (voorkeuze-stations, max. 10 AM en 10 FM). Zie ook hoofdstuk 4 in deze handleiding voor meer informatie.
- Druk kort op de toets SET. Een indicatielampje op de schakelaar gaat knipperen, zodat u weet dat u in de geheugenmodus bent.
- Druk kort op toets "1" of toets "2" op het bestuurdersportier, afhankelijk van de afstandsbediening die u gebruikt. Het knipperende lampje van de set-toets gaat uit. Het geheugen is nu geprogrammeerd.
Indien u de afstandsbediening verliest, kunt u een nieuwe bestellen bij uw Chrysler-dealer. U moet aangeven of de verloren afstandsbediening nummer 1 of 2 was. Uw geautoriseerde dealer moet immers de nieuwe afstandsbediening overeenkomstig programmeren.
Verwarmde stoelen—Indien aanwezig
Deze functie verwarmt de stoelen van de bestuurder en de voorste passagier. De bediening van de stoelverwarming vindt u op het dashboard, naast het asbakje.

Met ingeschakeld contact kunt u kiezen tussen de standen HIGH (hoog), OFF (uit) of LOW (laag). Een indicatielampje op de schakelaar gaat branden als de verwarming is ingeschakeld. Om de stoelverwarming uit te zetten, zet u de schakelaar in de middelste stand.
60/40 Neerklapbare achterbank
Elke zijde van de achterbank kan worden neergeklapt om zo meer bagageruimte vrij te maken en toch nog plaats te bieden aan achterpassagiers.
OPMERKING:
Zorg ervoor dat de voorste stoelen helemaal rechtop staan. Zo is het gemakkelijker om de achterbank neer te klappen.
Ga als volgt te werk om de achterbank (eventueel gedeeltelijk) neer te klappen:
- Gebruik de speciale treklussen op elk stoel-kussen van de achterbank. Trek aan de lus en kantel de zitting naar voren zodat ze evenwijdig staat met de rugleuning van de voorste stoel.

- Trek aan de hendel van de hoofdsteunen en kantel die naar voren tot deze vastklikken in een naar voren geplooide stand.

Wanneer u de hoofdsteunen naar voren kantelt en vergrendelt, zullen de metalen steunen enkele tanden verder naar buiten komen, zodat de hoofdsteunen vergrendeld blijven. De ont-grendelingshendel draait niet mee met de hoofdsteun.

- Zoek de ontgrendelingshendel van de achterbank (bovenaan aan de buitenzijde van elke rugleuning). Trek de hendel naar boven en kantel de hendel naar voren tot de rugleuning ontgrendelt. Klap de rugleuning volledig naar beneden.

Wanneer de rugleuning helemaal neergeklapt is, moeten de hoofdsteunen tegen het stoelkussen aanleunen en moet de rugleuning vlak liggen.

Er zijn speciale haken en lussen op de schouderriem en aan de binnenbekleding. Haak de gordel hiermee vast wanneer u de achterbank neerklapt.
Zo kunt u de gedeeltelijk (60/40) neerklapbare achterbank weer rechtop zetten:
Trek de rugleuning omhoog en klik deze vast. Wanneer voorwerpen in de bagageruimte verhinderen dat de leuning goed vastklikt, zal het ook moeilijk zijn om het stoelkussen opnieuw in de juiste positie te kantelen. Draai de hoofsteunen in hun normale stand. U moet de ontgrendelingshendel niet gebruiken.
WAARSCHUWING!
Zorg ervoor dat de rugleuning goed vastklikt. Als dat niet zo is, biedt de rugleuning onvoldoende stabiliteit voor kinderzitjes en/of passagiers. Een onjuist vergrendelde stoel kan ernstige verwondingen veroorzaken.
Kantel het stoelkussen opnieuw naar achteren tot het vastklikt.
SPIEGELS
Binnenspiegel dag/nacht
Draai de spiegel zo dat u door het midden van de achterruit kijkt. Via een dubbel scharniersysteem kunt u de spiegel horizontaal en verticaal verstellen. De spiegel moet worden afgesteld terwijl het hendeltje in de dagstand staat (naar de voorruit van de auto).

Hinderlijke reflecties kunnen worden verminderd door het hendeltje onder de spiegel in de nachtstand te zetten (naar de achterkant van de auto).
Spiegel met automatische dimstand—Indien aanwezig
Deze spiegel dimt automatisch het hinderlijke licht van koplampen van voertuigen achter u. U kunt deze functie uitschakelen met behulp van de knop aan de spiegelvoet. Een lampje naast de spiegel geeft aan of de dimfunctie al dan niet is ingeschakeld.

Om schade aan de spiegel te voorkomen, mag u nooit reinigingsmiddelen direct op de spiegel sproeien. Reinig de spiegel alleen met een zachte, vochtige doek.
Buitenspiegel bestuurderszijde met automatische dimstand—Indien aanwezig
De dimmende bestuurdersspiegel wordt samen met de binnenspiegeldimmer ingeschakeld. De spiegel zal automatisch gaan dimmen zodat u niet wordt gehinderd door vervelende koplampen van achterliggers.
OPMERKING:
De buitenspiegels aan de passagierszijde hebben deze functie niet.
Inklapbare buitenspiegels
Alle buitenspiegels kunnen naar voren of naar achteren bewogen worden om beschadigingen te voorkomen. Er zijn drie standen: volledig naar voren, volledig naar achteren en normaal.
Buitenspiegels
Voor optimaal resultaat dient u de spiegels zo af te stellen dat u de naastliggende rijbaan goed in het zicht hebt en er tevens een geringe overlapping is met de binnenspiegel.
WAARSCHUWING!
Auto's en andere voorwerpen in de bolle spiegels aan de passagierszijde lijken kleiner en verder weg dan ze werkelijk zijn. Als u te veel op uw buitenspiegels vertrouwt, kan het gebeuren dat u tegen een ander voertuig of voorwerp aan rijdt. Met behulp van uw binnenspiegel kunt u de grootte of de afstand van een voertuig in de bolle spiegels schatten.
Elektrisch bediende en verwarmde spiegels—Indien aanwezig

Deze spiegels zijn verwarmd ter bescherming tegen rijp en ijzel. Deze functie wordt ingeschakeld wanneer u de achterruitverwarming inschakelt.
Elektrisch bediende buitenspiegels
De bedieningselementen van de elektrische ver- stelbare buitenspiegels bevinden zich op het be- kledingspaneel van het bestuurdersportier, boven de tuimelschakelaars van de ruitbediening.

Zet de bovenste schakelaar op links of rechts voor de gewenste spiegel. Zet de schakelaar in de middelste stand om onverhoedse bediening van de spiegels te voorkomen. Om een spiegel in te stellen, kiest u de gewenste spiegelzijde (links of rechts) en drukt u op één van de vier pijltjes- toetsen om de spiegel te bewegen.

buitenspiegels—Indien aanwezig
De bediening van de elektrisch inklapbare buiten- spiegels vindt u in het midden van de elektrische spiegelbediening.
Druk één keer op de toets om de spiegels naar binnen te klappen. Druk nogmaals op de toets om de spiegels naar buiten te klappen.
Beide spiegels bewegen altijd samen, en vouwen op wanneer de toets ingedrukt wordt. Het contact hoeft niet in de "ON" positie te staan.
Verlichte make-up-spiegeltjes—Indien aanwezig
Het verlichte make-up-spiegeltje vindt u aan de achterzijde van een zonneklep.

Klap het spiegelklepje omhoog. De verlichting gaat nu automatisch branden. Met de schuifregelaar kunt u de lichtsterkte instellen.
VERLICHTING
Binnenverlichting

De binnenverlichting is samengesteld uit de instapverlichting onder het dashboard, het plafondlampje met leeslampjes voor bestuurder en passagier, de leeslampjes boven de achterportieren en de verlichting van de bagageruimte. Wanneer u een portier opent of het midden-gedeelte van de multischakelaar helemaal naar boven schuift, gaan alle binnenverlichtingen branden.
Kaartleeslampjes voorin
Deze lampjes vindt u op de dakconsole. Elk lampje kan apart worden ingeschakeld door op de insparing van de lamplens te drukken. Druk nogmaals op dat lensgedeelte om het leeslampje weer uit te zetten. Er zijn ook leeslampjes boven de achterportieren. Elk lampje kan apart worden ingeschakeld door op de voorste insparing van de lamplens te drukken. Druk nogmaals op dat lensgedeelte om het leeslampje weer uit te zetten.
Multifunctionele bedieningshendel

De multifunctionele bedieningshendel bedient de dimlichten, parkeerlichten, richtingaanwijzers, grootlicht en koplampen, dimmer van de instrumentenverlichting, instapverlichting, voorste mistlampen en achtermistlicht.
Accuspaarfunctie—Buitenverlichting
Wanneer de multifunctionele hendel in de posities koplamp of achtermistlicht staat en u de sleutel uit het contact trekt, wordt de buitenverlichting automatisch na 8 minuten uitgeschakeld. Wanneer de multifunctionele hendel in de stand parkeerlichten staat, blijven de parkeerlichten branden tot de
hendel in een andere stand wordt gezet. De normale werking wordt voortgezet zodra het contact wordt ingeschakeld of wanneer de koplampschakelaar in een andere stand wordt gezet.
Koplampen, parkeerlichten en verlichting instrumentenpaneel
Draai het uiteinde van de multifunctionele bedieningshendel tot aan de eerste stand om de parkeerlichten in te schakelen. Draai de schakelaar in de tweede klikpositie om de koplampen in te schakelen. Draai de schakelaar in de derde klikpositie voor AUTO koplampbediening (indien aanwezig. Een lampje op het instrumentenpaneel gaat branden wanneer de lichten aan zijn.

Om de helderheid van de instrumentenpaneelverlichting te wijzigen, draait u aan de middelste regelaar van de hendel.
Waarschuwing: lichten aan
Wanneer u de koplampen of parkeerlichten laat branden nadat u het contact uitgezet heeft, hoort u een waarschuwingsgong wanneer het bestuurdersportier wordt geopend.
Voorste mistlampen—Indien aanwezig
De schakelaar voor de voorste mistlampen bevindt zich in de multifunctionele hendel. Om de voorste mistlichten in te schakelen, zet u de multifunctionele hendel in de eerste klikpositie en trekt u het uit-einde van de bedieningshendel naar buiten. Een lampje op het instrumentenpaneel geeft aan dat de voorste mistlampen aan zijn.
OPMERKING:
De voorste mistlampen worden ingeschakeld wanneer de parkeerlichten vooraan, dimlichten, koplampen of het achtermistlicht zijn ingeschakeld.
Een mistlamp vooraan verschaft verlichting, voor de wagen uit, in de mist, wanneer het regent of sneewt, of wanneer er veel stof rondwaait. Mistlampen vooraan vullen voornamelijk de dimlichten aan.
OPMERKING:
Stel de voorste mistlampen juist af, zodat ze uw tegenliggers niet verblinden.
Achtermistlichten

De schakelaar voor het achtermistlicht bevindt zich in de multifunctionele hendel. Om het achtermistlicht in te schakelen, draait u de multifunctionele hendel tot
aan de derde klikpositie. Een lampje op het instrumentenpaneel geeft aan dat het achtermistlicht brandt.
Richtingaanwijzers
Beweeg de bedieningshendel naar boven of beneden. De pijlen aan beide kanten van het instrumentenpaneel gaan knipperen om aan te geven wanneer de richtingaanwijzers voor en achter werken. U kunt aangeven dat u van rijstrook verandert (kort knipperen) door de hendel van de richtingaanwijzer gedeeltelijk naar boven of beneden te duwen.
Dimlichtschakelaar
Trek de richtingaanwijzerhendel naar u toe om het grootlicht in te schakelen. Trek de richtingaanwijzerhendel nogmaals naar u toe om het grootlicht uit te schakelen.
Passeersignaal
U kunt met uw koplampen een lichtsignaal geven aan een ander voertuig door de hendel van de richtingaanwijzer even naar u te trekken. Op deze manier wordt het grootlicht ingeschakeld tot u de hendel weer loslaat.
Regeling van de lichtbundelhoogte—Indien aanwezig
Met de regeling van de lichtbundelhoogte kan de bestuurder altijd de juiste koplampafstelling hebben, onafhankelijk van de lading van de auto. De schakelaar vindt u links naast de stuurkolom op het dashboard.

Bediening: Zet de schakelaar op het nummer dat overeenkomt met de voertuigbelasting. Raadpleeg daarvoor de onderstaande tabel. Hoe hoger het getal, hoe lager de stand van de koplampen.
| AANTAL PERSONEN | VOORIN | 1 | 2 | 2 | 2 | 1 |
| ACHTERIN | 3 | 3 | ||||
| EXTRA LADING IN BAGAGE-RUIMTE | MAX* | MAX* | ||||
| STAND SCHAKELAAR | 0 | 0 | 1 | 2 | 3 | |
| Berekeningen gebaseerd op een passagiergewicht van 75 kg (165 lbs). | ||||||
| * Het totale gewicht van de personen plus een gelijkmatig verdeelde lading in de bagageruimte is gelijk aan de maximale laadcapaciteit van het voertuig. | ||||||
OPMERKING:
Wanneer u een aanhangwagen trekt, moet u de lichtbundelregeling één stand hoger zetten dan in de tabel is aangegeven, om zo de extra last te compenseren.
Uitschakelvertraging koplampen
De auto heeft ook een functie die de koplampen nog 30, 60 of 90 seconden laat branden nadat u het contact hebt uitgeschakeld. Om deze uitschakelvertraging te activeren, moet u de multifunctionele hendel in de stand OFF zetten nadat u het contact hebt uitgezet. Alleen de koplampen blijven branden. Lees ook de informatie over de dakconsole om deze functie te activeren of uit te schakelen en om het tijdsinterval in te stellen.
RUITENWISSERS EN RUITENSPROEIERS
De voorste en achterste ruitenwissers en -sproeiers bedient u met een schakelaar in de rechter bedieningshendel. Voor meer informatie over de achterste ruitenwisser/-sproeier leest u best "Kenmerken van de acherruit". Draai aan het middengedeelte van de bedieningshendel om de gewenste snelheid te kiezen.

Verwijder altijd ophopingen van sneeuw die verhinderen dat de wisbladen terugkeren naar hun normale positie. Wanneer de ruitenwisser- schakelaar op OFF gezet wordt en de wis- bladen niet naar hun normale positie kunnen terugkeren, kan dat schade veroorzaken aan de ruitenwissermotor.

Om de ruitensproeier te bedienen, trekt u de hendel naar u toe zolang u dat wenst. Als u aan de hendel trekt terwijl de intervalschakeling gebruikt wordt, zal de ruitenwisser enkele seconden werken nadat u de hendel hebt losgelaten, en vervolgens weer gewoon met tussenpozen.
Als u aan de hendel trekt in de stand OFF, zullen de ruitenwissers blijven bewegen tot de schakelaar wordt losgelaten, en dan nog enkele keren op en neer gaan voor ze worden uitgeschakeld.
Mist
Gebruik deze functie wanneer u door het slechte weer af en toe de ruitenwissers moet gebruiken. Duw de hendel kort naar beneden om de wissers één keer te laten wissen.
Snelheidsafhankelijke intervalschakeling
Gebruik de intervalschakeling wanneer het door de weersomstandigheden wenselijk is om de ruitenwissers af en toe op en neer te laten gaan, met variabele pauzes. Zet de hendel in de intervalstand en kies daarna het gewenste wisinterval. U kunt het wisinterval regelen vanaf maximaal 18 seconden tussen de cycli, tot een cyclus van 1/2 seconde.
OPMERKING:
De tussenpozen tussen het wissen worden bepaald door de voertuigsnelheid. Het wis-interval wordt verdubbeld wanneer u langzamer rijdt dan 16 km/u (10 mph).
Om het in- en uitstappen te vergemakkelijken, of om het rijcomfort te verbeteren:
- Trek de ontgrendelingshendel van de stuurkolom in de richting van het stuurwiel.
- Beweeg het stuurwiel naar boven of beneden.
- Laat de hendel weer los om het stuur stevig in zijn stand te vergrendelen.
WAARSCHUWING!
Het is gevaarlijk om tijdens het rijden het stuur in te stellen. Zonder een stabiele stuurkolom kunt u de controle over de auto verliezen en zou u een ongeval kunnen krijgen. Stel de stuurkolom alleen af als de auto stilstaat. Controleer of deze is vergrendeld voordat u gaat rijden.
Wanneer u deze functie inschakelt, regelt het systeem automatisch de acceleratie en vertraging wanneer u sneller rijdt dan 60 km/u (40 mph). De bediening hiervoor vindt u op het stuurwiel: de toetsen ON/OFF, SET, RESUME/ACCEL, CANCEL en COAST.

In werking stellen
Druk op de toets ON/OFF om het systeem in te schakelen. Om het systeem uit te schakelen, drukt u opnieuw op de knop ON/OFF. Schakel het systeem uit (OFF) wanneer u het niet gebruikt. Bij de kilometerteller gaat het lampje CRUISE branden wanneer het systeem is ingeschakeld.
Instellen op een gewenste snelheid
Wanneer de auto de gewenste snelheid bereikt, druk dan op de SET-knop en laat deze weer los. Laat het gaspedaal los en de auto zal met de ingestelde snelheid blijven rijden.
Buiten werking stellen
Door een lichte aanraking van het rempedaal, normaal remmen of het indrukken van de CANCEL-knop wordt de snelheidsregeling buiten werking gesteld, zonder dat het geheugen wordt gewist. Als u op de knop ON/OFF drukt of het contact uitzet, wordt de snelheidsregeling uitgeschakeld en het geheugen gewist.
Weer op snelheid komen
Om terug te keren naar een eerder ingestelde snelheid, drukt u op de RESUME/ACCEL-knop en laat u deze weer los. U kunt dan opnieuw met elke snelheid boven 48 km/u (30 mph) gaan rijden.
Snelheidsinstelling variëren
Wanneer de snelheidsregeling is ingeschakeld, kunt u de snelheid verhogen door op de RESUME/ ACCEL-knop te drukken en deze ingedrukt te houden. Wanneer u de knop loslaat, wordt er een nieuwe snelheid ingesteld.
Eén tikje op de RESUME/ACCEL-knop geeft een snelheidsverhoging van ongeveer 3 km/u (2 mph). Elke keer als u de knop even indrukt, wordt de snelheid verhoogd. Drie keer tikken op de knop, bijvoorbeeld, vergroot de snelheid met 10 km/u (6 mph), enz.
Wanneer de snelheidsregeling is ingeschakeld en afgesteld (ON en SET), kunt u de snelheid verlagen door op de COAST-knop te drukken en deze vast te houden. Laat de knop los wanneer de gewenste snelheid is bereikt. De nieuwe snelheid wordt dan ingesteld.
Accelereren bij het inhalen
Trap op de normale wijze op het gaspedaal. Wanneer u het pedaal loslaat, keert de auto terug naar de ingestelde snelheid.
OPMERKING:
Wanneer u bergop rijdt, op een hoogte van meer dan 610 meter (2.000 voet) of wanneer het voertuig zwaar beladen is (zeker als u een aanhangwagen trekt) kan het voorkomen dat de snelheid beneden het SET-punt daalt. Als de auto trager gaat rijden dan 48 km/u (30 mph), wordt de snelheidsregeling automatisch uitgeschakeld. Als dat gebeurt, moet u opnieuw het gaspedaal intrappen om de gewenste snelheid te houden.
Het kan gebeuren dat de auto dan vaker van vierde naar derde versnelling schakelt. Om het vaak schakelen te voorkomen en betere prestaties te bereiken, kunt u in dat geval beter de overdrive-functie uitschakelen. Druk daarvoor op de O/D OFF knop rechts naast de selectiehendel.
WAARSCHUWING!
Het is gevaarlijk om de snelheidsregeling ingeschakeld te houden wanneer deze niet in gebruik is. U kunt per ongeluk het systeem instellen en zo sneller gaan rijden dan u wilt. U kunt de controle over het stuur verliezen en een ongeval veroorzaken. Laat het systeem altijd UIT staan als u het niet gebruikt.
Rijden op hellingen
Wanneer u een helling op- of afrijdt, kan het gebeuren dat de autosnelheid verandert, ook als de snelheidsregeling is ingeschakeld. Wanneer u een steile helling afrijdt, kan de auto sneller gaan rijden. Druk dan op het rempedaal, zodat de snelheidsregeling wordt uitgeschakeld en u de auto zelf kunt vertragen.
Met een handgeschakelde versnellingsbak kunt u naar een lagere versnelling schakelen wanneer de auto zijn snelheid bergop niet langer kan houden.
WAARSCHUWING!
Wij adviseren om de snelheidsregeling niet te gebruiken onder deze omstandigheden:
- Wanneer de ingestelde snelheid niet kan worden aangehouden.
- Op gladde wegen, bij sneeuw en ijzel.
- Bij druk verkeer, wanneer u vaak moet accele- reren en vertragen of op bochtige wegen.
- Schakel de snelheidsregelaar uit (OFF) wanneer u die niet gebruikt. Zo voorkomt u onverhoeds inschakelen.
SIGARETTENAANSTEKER EN ASBAKJE
De sigarettenaansteker werkt alleen als het contact in de stand ON of ACC staat. De aansteker wordt heet wanneer u hem indrukt. Hij springt automatisch naar buiten als hij voldoende opgewarmd is. Om het verwarmingselement te ontzien, mag u de aansteker niet in de opwarmstand ingedrukt houden.

Rechts naast het asbakje vindt u een speciale adapter voor elektrische accessoires. Druk voorzichtig op de bovenzijde van het plastic dekseltje om de adapter zichtbaar te maken.
Er is nog een adapter rechts in de bagageruimte, achter het opbergkastje/cd-wisselaar (optioneel).

De adapters halen hun stroom direct van de voertuigaccu, zodat ze ook werken bij uitgeschakeld contact.
Alle aangesloten accessoires moeten worden losgekoppeld of uitgeschakeld wanneer u de auto niet gebruikt. Zo ontziet u de accu van de auto.
VOORZICHTIG!
De adapter gebruiken bij afgezette motor
- Een groot aantal toebehoren kan worden aangesloten op de accu van de auto, ook als de auto niet rijdt (b.v. een autotelefoon). Wanneer u het apparaat te lang ingeschakeld laat, zal de accu van de auto leeglopen, zodat u de auto niet langer kunt starten.
- Accessoires met een hoog verbruik (zoals koelers, stofzuigers, verlichting, enz.) zullen de accu sneller ontladen. Gebruik deze apparatuur slechts kort en niet te vaak.
- Nadat u accessoires met hoog verbruik heeft aangesloten, of als u de auto over een langere periode niet heeft gestart (en de apparatuur ingeschakeld was), moet u eerst een tijdje met de auto gaan rijden, zodat de dynamo de accu opnieuw voldoende kan laden.
HANDSCHOENENVAKJE
De verlichting van het handschoenenvakje blijft branden als het niet goed is gesloten. Daardoor wordt de accu onnodig belast.
BEKERHOUDERS
Op de middenconsole vindt u twee bekerhouders voor de voorsle passagiers.

De achterste passagiers beschikken over twee bekerhouders die uit de achterzijde van de middelste armsteun kunnen worden getrokken.
DAKCONSOLE—INDIEN AANWEZIG
De dakconsole bevat de plafondverlichting met leeslampjes, een optionele schakelaar voor het zonnedak en een elektronisch infocenter (EVIC) met de volgende functies:
• Kompas/temperatuurdisplay
- Boordcomputer
- Informatie en waarschuwingsberichten m.b.t. de auto
• Door de klant programmeerbare functies
Met behulp van de toets "MENU" kiest u de aangeduide programmafuncties. Met de toets "STEP" selecteert u de beschikbare keuzemogelijkheden. Met de toets "C/T" (kompas/temperatuur) schakelt u heen en weer tussen kompasweergave en temperatuuraanduiding. Meer informatie leest u in de aparte paragrafen hierover. Zie verder in dit hoofdstuk.
Plafondlampje/leeslampjes
In de console vindt u twee plafond-/leeslampjes.

De plafond-/leeslampjes gaan branden wanneer een portier of de achterklep wordt geopend of
wanneer de binnenverlichting wordt ingeschakeld met behulp van de dimmer op de multifunctionele bedieningshendel.
De leeslampjes gaan branden wanneer u op het lensgedeelte van het lampje drukt.
OPMERKING:
De plafond-/leeslampjes blijven branden tot de schakelaar een tweede keer wordt ingedrukt. Vergeet ze dus niet uit te zetten wanneer u uit de auto stapt.
Boordcomputer

Wanneer er zich bepaalde storingen of gebeurtenissen voordoen, ziet u een WAARSCHUWING en pictogram op de boordcomputer. Elk bericht wordt begeleid door een reeks pieptonen:
• MOTORKAP OPEN (met pictogram)
• RICHTINGAANWIJZERS AAN (met pictogram)
• ONDERHOUDSBEURT NOODZAKELIJK
• PORTIER OPEN (één of meer, met pictogram)
• ACHTERKLEP OPEN (met pictogram)
• KOELVLOEISTOFNIVEAU LAAG (met pictogram)
• VLOEISTOFNIVEAU RUITENSPROEIER LAAG (met pictogram)
Door de klant programmeerbare functies
Druk op de menutoets tot één van de volgende keuzemogelijkheden verschijnt:

TAAL
In dit display kunt u uit één van de vijf talen kiezen voor de displayweergave en de boordcomputerfuncties. Druk op "STEP". Op het display verschijnen de keuzemogelijkheden English, Français, Deutsch, Italiano en Espanol. Wanneer u doorgaat verschijnen de schermberichten in de geselecteerde taal.

VS OF METRISCH
Met de toets "STEP" kunt u hier kiezen tussen Amerikaanse eenheden en metrische eenheden. Op de dakconsole en de instrumentendisplays worden de waarden in het geselecteerde systeem weergegeven.
AUTO DOOR LOCKS (AUTOMATISCHE PORTIERVERGRENDELING)
Wanneer u deze functie selecteert, worden alle portieren en de achterklep automatisch vergrendeld wanneer de auto sneller rijdt dan 24 km/u
(15 mph). Met de toets "STEP" kunt u hier kiezen tussen YES (functie selecteren) of NO (functie niet selecteren).
AUTO UNLOCK ON EXIT (ONTGRENDELEN BIJ UITSTAPPEN - alleen beschikbaar wanneer AUTO DOOR LOCKS is ingeschakeld)
Met deze functie worden alle portieren van de auto ontgrendeld wanneer u het bestuurdersportier opent en de versnellingsbak in Park, resp. Neutraal staat. Met de toets "STEP" kunt u hier kiezen tussen YES (functie selecteren) of NO (functie niet selecteren).
REMOTE UNLOCK DRIVER'S DOOR 1ST (ONTGRENDELEN VAN BESTUURDERSPORTIER MET AFSTANDSBEDIENING)
Met deze functie wordt alleen het bestuurdersportier ontgrendeld nadat u de eerste keer op de ontgrendelingstoets van de afstandsbediening hebt gedrukt. De andere portieren en de achterklep blijven vergrendeld tot u een tweede keer op deze toets drukt. Wanneer u "REMOTE UNLOCK ALL DOORS" selecteert, worden alle portieren en de achterklep ontgrendeld, wanneer u één keer op de ontgrendelingstoets van de afstandsbediening drukt. Met de toets "STEP" ziet u na elkaar op het display de opties "'DRIVER'S DOOR 1ST' (bestuurdersportier) of "ALL DOORS" (alle portieren).
REMOTE LINKED TO MEMORY (AFSTANDBEDIENING VOOR STOELGEHEUGEN, alleen beschikbaar met stoelgeheugen)
Wanneer u deze functie selecteert, worden de stoel, spiegels en radio ingesteld volgens de eerder in het geheugen opgeslagen waarden als u op de ontgrendelingstoets van de afstandsbediening drukt. Wanneer u deze functie niet selecteert, zullen de opgeslagen stoelpositie, spiegelen radio-instellingen alleen worden opgeroepen wanneer u de geheugentoets op het portier indrukt. Met de toets "STEP" kunt u hier kiezen tussen YES (functie selecteren) of NO (functie niet selecteren).
FLASH LIGHTS ON LOCK/UNLOCK? (KNIPPERLICHTEN BIJ VERGRENDELEN/ONTGRENDELEN)
Met deze functie kiest u of de voorste en achterste richtingaanwijzers knipperen wanneer u de portieren vergrendelt of ontgrendelt met de afstandsbediening. U kunt bovendien nog bepalen of u ook een geluidssignaal hoort bij het vergrendelen. Met de toets "STEP" kunt u hier kiezen tussen YES (functie selecteren) of NO (functie niet selecteren).
HEADLIGHT DELAY (UITSCHAKELVERTRAGING KOPLAMPEN)
Met deze functie kunt u kiezen of de koplampen 30, 60 of 90 seconden lang blijven branden wanneer u uit de auto stapt. Met de toets "STEP" ziet en kiest u achtereenvolgens de waarden 30, 60, 90 en OFF.
SERVICE INTERVAL
Met deze functie kunt u kiezen tussen een onderhoudsinterval tussen 3.200 en 12.000 kilometer (2.000 en 7.500 mijl) in stappen van 800 kilometer (500 mijl). Met de toets "STEP" ziet en kiest u achtereenvolgens de onderhoudsintervals tussen 3.200 en 12.000 kilometer in stappen van 800 kilometer.
LOW FUEL CHIME (GONGSIGNAAL LEGE TANK)
Wanneer u deze functie activeert, hoort u een waarschuwingssignaal wanneer het brandstoflampje gaat branden op het instrumentenpaneel. Met de toets "STEP" kunt u hier kiezen tussen YES (functie selecteren) of NO (functie niet selecteren).
EASY EXIT SEAT (UITSTAPHULP - ALLEEN BESCHIKBAAR MET STOELGEHEUGEN)
Wanneer u deze functie selecteert, zal de bestuurdersstoel 55 mm (2 inches) naar achteren worden verplaatst (of helemaal naar achteren wanneer de afstand kleiner is dan 55 mm) wanneer de sleutel uit het contact wordt getrokken. Zo gaat het uitstappen heel wat eenvoudiger. De stoel keert terug in de opgeslagen positie indien REMOTE LINK TO MEMORY op "YES" staat, of
wanneer u het portier ontgrendelt met de afstandsbediening. Met de toets "STEP", kunt u hier kiezen tussen YES (functie selecteren) of NO (functie niet selecteren).
Kompas/Temperatuur/Boordcomputer
Dit display toont de buitentemperatuur of de rijrichting (één van acht windrichtingen) en reisinformatie. De normale weergave bestaat uit kompas en temperatuur. Wanneer u op de knop "C/T" drukt of wanneer u de programmeerbare functies hebt doorgelopen, verschijnt opnieuw de weergave van kompas en temperatuur.


Boordcomputer
Met deze functie van de dakconsole ziet u bepaalde reisinformatie wanneer u het display, het kompas en de temperatuur weergeeft en u op "STEP" drukt:
De knop STEP
Gebruik deze knop om te kiezen uit één van de kompas-/boordcomputerdisplays.

Gemiddeld verbruik
Geeft het gemiddelde brandstofverbruik aan sinds deze functie de laatste keer op nul werd gezet.
Actieradius
Geeft de geschatte afstand aan die u nog kunt rijden voordat u moet tanken. De afstand wordt berekend aan de hand van het brandstofverbruik van de laatste kilometers.
Actueel verbruik
Geeft het brandstofverbruik aan gedurende de laatste seconden.
Dagteller
Geeft de afgelegde afstand aan sinds deze functie de laatste keer op nul werd gezet.

Toont de totale tijd dat het contact in de stand AAN heeft gestaan sinds deze functie de laatste keer op nul werd gezet.
Service Interval
Geeft aan hoelang u nog kunt rijden tot de volgende onderhoudsbeurt.
OPMERKING:
U kunt opnieuw de Service Interval afstellen door drie maal op de RESET knop te drukken.
Leeg display
U ziet een leeg display. Met de toets "STEP" keert u terug naar de weergave van kompas/temperatuur.
Automatische kompaskalibratie
Het kompas is zelfkalibrerend. U hoeft het dus onder normale omstandigheden niet meer te kalibreren. Bij een nieuwe auto kan het kompas onregelmatig lijken en verschijnt het CAL-symbol op het display.
Als u met de auto drie volledige cirkels van 360° maakt in een omgeving zonder grote metalen voorwerpen, verdwijnt het CAL-symbol en functioneert het kompas weer normaal.
Handmatige kompaskalibratie
Als het kompas onregelmatig lijkt en het CAL-symbool niet verschijnt, moet u het kompas handmatig kalibreren.
De kalibreerfunctie kiezen
Zet het contact aan en zet het display op Compass/Temperature. Houd de "RESET"-knop ingedrukt om het display te veranderen van VAR (kompasafwijking) naar CAL (kompaskalibratie). Wanneer u het pictogram CAL ziet, moet u drie keer 360 graden draaien. Doe dat wel in een gebied zonder grote metalen voorwerpen of hoogspanningslijnen. Het CAL-symbol verdwijnt en het kompas is gekalibreerd.

De kompasafwijking is het verschil tussen het magnetische noorden en het geografische noorden. In sommige landen is het verschil tussen magnetische noorden en geografische noorden voldoende groot om een afleesfout te veroorzaken. Als dat zo is, moet de juiste kompasafwijking ingesteld worden, in overeenstemming met de kompasafwijkingskaart.

Kompasafwijkingskaart
80bbc346
De kompasafwijking instellen: Zet het contact aan en zet het display op Compass/Temperature. Houd de "RESET"-knop ongeveer tien seconden lang ingedrukt. De laatste afwijkingszone verschijnt op het display. Druk op "STEP" om een nieuwe afwijkingszone in te stellen. Druk op RESET om terug te keren naar normaal gebruik.
ELEKTRISCH BEDIEND ZONNEDAK—INDIEN AANWEZIG
Het zonnedak wordt elektrisch bediend met behulp van een schakelaar op de dakconsole. Om het zonnedak te kunnen bedienen, moet het contact ingeschakeld zijn. Het zonnedak kan zowel handmatig als snel automatisch worden geopend.

Snel automatisch openen
Om het zonnedak snel automatisch te openen drukt u de schakelaar minder dan een seconde lang naar achteren. Het zonnedak gaat automatisch open en stopt ca. 10 cm (4 inches) voor de volledig geopende stand. Zo voorkomt u hinderlijke windgeluiden bij lage snelheden. U kunt het zonnedak ook volledig openen. Druk de knop nogmaals minder dan een seconde lang naar achteren.
Handmatig openen
U kunt het zonnedak ook handmatig openen door de knop naar achteren te drukken en ingedrukt te houden. Wanneer u de knop langer dan één seconde ingedrukt houdt, gaat het zonnedak zolang open tot u de knop weer loslaat. U kunt het zonnedak daarna ook automatisch volledig openen. Druk daarvoor nogmaals minder dan één seconde lang op de knop.

Het zonnedak sluiten
Om het zonnedak te sluiten, drukt u de schakelaar naar voren tot het zonnedak helemaal is gesloten. Wanneer u de schakelaar eerder loslaat, stopt het zonnedak in deze stand.
Ventilatiestand
U kunt het zonnedak ook in een speciale ventilatiestand zetten om de auto te luchten. Druk bij gesloten zonnedak de schakelaar naar voren. Wanneer u de schakelaar eerder loslaat, stopt het zonnedak in de geselecteerde stand. Om de volledige verluchtingsstand te selecteren, houdt u de schakelaar ingedrukt tot het zonnedak stopt. Om het zonnedak opnieuw te sluiten, drukt u de schakelaar naar achteren tot het zonnedak helemaal is gesloten.

Werking bij uitgeschakeld contact
Als u het contact uitzet, kunt u het zonnedak nog 45 seconden lang bedienen. Dat kan echter niet langer als binnen 45 seconden één van de beide voorportieren wordt geopend.
Zonnescherm
Het zonnescherm gaat samen met het zonnedak open en dient handmatig te worden gesloten. U
kunt het ook handmatig openen en sluiten zonder het zonnedak te bedienen. Zo kunt u op koude dagen toch van de zonnewarmte genieten.
WAARSCHUWING!
Bij een ongeval bestaat er een groter risico dat u uit het voertuig wordt geslingerd als het zonnedak open staat. U kunt ernstig gewond raken of zelfs worden gedood. Doe daarom altijd uw gordel om en zorg ervoor dat ook uw passagiers hun veiligheidsgordel dragen.
Onderhoud
Houd de binnenzijde van het zonnedak altijd schoon. Gebruik een niet bijtend reinigingsmiddel en een zachte doek.
WAARSCHUWING!
Laat kleine kinderen nooit het zonnedak bedienen. Steek ook nooit voorwerpen uit de opening van het zonnedak. U kunt ernstige verwondingen veroorzaken.
FUNCTIES VAN DE ACHTERRUIT
Achterste ruitenwisser/ruitensproeier
Met een schakelaar aan de rechterzijde van de stuurkolom bedient u de achterste ruitenwissers/ruitensproeiers. Draai het midden- gedeelte van de schakelaar in de stand ON (aan) of DELAY (interval) om de ruitenwisser aan te zetten. Duw de hendel naar voren om de ruitensproeier aan te zetten. De sproeierpomp blijft werken tot u de hendel loslaat. Daarna wissen de ruitenwissers nog drie keer.

Wanneer de achterste ruitenwisser ingeschakeld is en u het contact uitzet, keert het wisblad automatisch terug in de "PARK"-positie. Als u de auto opnieuw start blijft de ruitenwisser in de "PARK"-positie tot u de schakelaar eerst uit- en daarna opnieuw aanzet.
Wanneer de glazen achterklep open staat, wordt de achterste ruitenwisser automatisch uitgeschakeld om schade aan het achterste wisblad te voorkomen. Wanneer u de achterklep daarna opnieuw sluit, blijft de ruitenwisser in de "PARK"-positie tot u de schakelaar uit- en opnieuw aanzet.
Achterruitontdooiing
Onderaan links op het paneel van de klimaatregeling ziet u een drukknop voor de achterruit-ontdooiing. Een amberkleurig lampje in de knop gaat branden wanneer u de ontdooiing aanzet. Druk een tweede keer op de toets om de ontdooiing voor de automatische uitschakeling uit te zetten.

De ontdooiing wordt na tien minuten automatisch uitgeschakeld. Druk nogmaals op de knop als u de ontdooiing vijf extra minuten wenst aan te zetten. Om de accu te ontzien, mag u de achterruitontddooing alleen bij draaiende motor
gebruiken. De druktoets zet meteen ook de spiegelverwarming aan (indien aanwezig).
VOORZICHTIG!
Wees voorzichtig wanneer u de binnenzijde van de achterruit reinigt. U kunt de verwarmingsdraden beschadigen. Gebruik een zachte doek en een milde zeepsop en wijf evenwijdig met de verwarmingsdraden. Zorg er ook voor dat geen scherpe voorwerpen schade kunnen toebrengen aan de verwarmingsdraden van de achterruit.
LAADRUIMTE
Kofferruimteverlichting
De kofferruimteverlichting gaat branden wanneer u de achterklep of een portier opent, of wanneer u de dimmer op de multifunctionele hendel helemaal naar boven draait. Wanneer alle portieren zijn gesloten en alleen de achterklep open staat, kunt u alle binnenverlichting uitschakelen door op het lenskapje van de kofferruimteverlichting te drukken. Druk nogmaals op het lenskapje om de binnenverlichting opnieuw aan te zetten.
Afdekscherm laadruimte
Zo bedekt u de laadruimte:
-
Pak het scherm bij de middelste handgreep. Trek het over de laadruimte.
-
Haak de pennen van het scherm in de sleuven van de stijlbekleding.
- Als het afdekscherm geplaatst is, kunt u nog steeds de achterklep openen.

Bij een ongeval kan een los afdekscherm in de auto verwondingen veroorzaken. Het kan rondslingeren en een inzittende raken. Leg daarom het afdekscherm niet op de laadvloer of in de passagiersruimte. Neem het afdekscherm uit de auto als u het niet gebruikt. Laat het niet in de auto liggen.
Sjorringen voor lading
Met behulp van de sjorringen op de laadvloer kunt u losse lading vastsjorren.

De sjorringen zijn geen veilige bevestiging voor kinderzitjes. Wanneer u plots moet remmen of bij een ongeval kunnen ze lossen waardoor het kinderzitje wordt weggeslingerd. Het kind kan emstig verwond worden. Gebruik alleen de speciale bevestigingspunten voor kinderzitjes.
WAARSCHUWING!
Door het gewicht van passagiers en lading kan het zwaartepunt van het voertuig en daarmee ook het stuurgedrag veranderen. Om te voorkomen dat u de controle over het stuur verliest, dient u deze richtlijnen te volgen:
- Transporteer nooit ladingen die zwaarder zijn dan het maximale gewicht op het label van het linker portier of de linker portierzuil.
- Verdeel de lading altijd gelijk over de laadvloer. Plaats zware voorwerpen zo laag en zo ver mogelijk naar voren.
- Plaats zoveel mogelijk lading voor de achteras. Te veel of ongelijk verdeeld gewicht achter de achteras kan het achterste gedeelte van de auto doen uitbreken.
- Stapel bagage of lading nooit hoger dan de bovenrand van de achterbank. Anders belemmert u het zicht naar achteren. Bovendien is de lading dan een gevaarlijk projectiel bij een noodstop of aanrijding.
WAARSCHUWING!
Om veiligheidsredenen mogen passagiers nooit plaats nemen in de achterste laadruimte. De laadruimte is alleen voor bagage bedoeld en niet voor passagiers. Deze moeten plaats nemen op de stoelen en moeten veiligheidsgordels dragen.
IMPERIAAL
Om de dwarssteunen aan te passen trekt u de hendel aan beide kanten van de dwarssteun naar boven zodat u de blokkeerpen losmaakt. Pak de dwarststeun vast in het midden en schuif de steun langs de zijrails in de gewenste positie. Druk de hendels aan beide kanten van de dwarststeun opnieuw naar beneden en schuif de steun een beetje naar voren en achteren tot hij vastklikt in de zijrails.

OPMERKING:
De dwarssteunen en zijrails werden ontworpen om lading te dragen. De strips tussen de zijrails dienen alleen als bescherming van het dak.

Verdeel de bagage evenredig over de imperiaalsteunen. Beperk het gewicht tot 68 kg (150 lbs.). Het imperiaalsysteem vergroot niet de totale draagcapaciteit van de auto. De totale lading in de bagageruimte en de lading op het imperiaal mogen de maximaal toegelaten laadcapaciteit van de auto niet overschrijden. Raadpleeg de maximale laadcapaciteit op het label van het bestuurdersportier (onder het slot).
VOORZICHTIG!
Om schade aan de imperiaal en de auto en verwondingen te voorkomen, dient u het volgende in acht te nemen:
- Laad nooit meer dan 68 kg (150 lbs.) op de imperiaal.
- Verdeel zware lasten altijd zo evenredig mogelijk over het dak en sjor de last goed vast.
- Ladingen die langer zijn dan de voorruit (zoals houten panelen of bootjes) en ladingen met een breed frontoppervlak moeten extra worden vastgesjord aan de voor- en achterbumper. Rijd trager en wees voorzichtig in bochten als u zware of grote daklasten vervoert. De windkrachten kunnen - vooral bij brede en platte voorwerpen - ernstige schade veroorzaken.
- Wanneer u de imperiaal niet gebruikt, plaatst u de dwarssteunen het beste achter de voorste stoelen over de achterste passagiersruimte.
- De afdekkapjes mogen niet worden gebruikt als bevestigingsbout. Er zijn speciale bevestigingsgaten voorzien aan de voor- en achterzijde van de schuifrail.
- Bij voertuigen met een zonnedak dient de daklading op de zijsteunen van de imperiaal te worden geplaatst. Plaats nooit lading op het zonnedak of de staalplaat van het zonnedak. U kunt schade toebrengen aan het glas en/of het mechanisme van het zonnedak.
WAARSCHUWING!
- Zorg er altijd voor dat de lading stevig is vastgesjord voordat u gaat rijden. Verkeerd gesjorde lading is gevaarlijk. Ze kan loskomen en schade of verwondingen veroorzaken. Steeds de eerder vermelde instructies volgen wanneer u lading op de imperiaal vervoert. Zorg ervoor dat de lading stevig vastgesjord en niet te zwaar is.
- Een te zware lading kan een ongeval veroorzaken. Overgewicht in of op uw auto kan het weggedrag sterk beïnvloeden. U kunt de controle over het stuur kwijtraken. Overschrijd nooit de maximale laadcapaciteit.
MOTORKAP OPENEN EN SLUITEN
Voor het openen van de motorkap moeten twee vergrendelingen geopend worden. Trek eerst aan de motorkaphendel links onder het dashboard.

Trek nu aan de veiligheidspal onder de motorkap en open de motorkap.

De verlichting gaat branden en verlicht de motor- ruimte wanneer u de motorkap opent.
WAARSCHUWING!
Als de motorkap niet volledig dicht is, kan deze omhoog komen wanneer de auto rijdt. Controleer altijd of de motorkap volledig vergrendeld is voor u gaat rijden.
4
FUNCTIES VAN HET INSTRUMENTENPANEEL
• INSTRUMENTENPANEEL EN BEDIENINGSELEMENTEN .. 60
• INSTRUMENTENPANEEL—BENZINEMOTOREN ..... 61
• BESCHRIJVING INSTRUMENTENPANEEL (BENZINE) ... 62
• INSTRUMENTENPANEEL—DIESELMOTOREN ..... 65
• BESCHRIJVING INSTRUMENTENPANEEL (DIESEL) .... 66
• BEDIENING VAN DE RADIO EN AUTOTELEFOONS .... 69
• BEDIENINGSFUNCTIES AM/FM STEREO RADIO,
CASSETTESPELER EN CD-WISSELAAR 69
• Bedieningsinstructies - Radio 69
- Aan/uit-schakelaar, volumeregelaar 69
- Seek-toets (radio-ontvangst) 70
- Afstemmen 70
• Balans 70
- Fade 70
- Klankregeling 70
• FM 1-2/AUTO 70
- MW/LW 70
- Instellen van de voorkeuzetoetsen 70
- AST-toets (automatisch afstemmen) 70
• Bedieningsinstructies - RDS-functies 70
• Toets Tape Side (∇Δ)/ Time 70
• TA-toets (verkeersmelding) 71 - De toets PTY (programmatype) 71
• AF LOC (Alternatieve en Locale frequenties) ..... 71
• Bedieningsinstructies - Cassettespeler 72
• Toets Tape Side (∇Δ)/ Time 72
• TAPE/CD-C-toets 72 - Seek-toets (zoekfunctie) 72
• Snel opspoelen (FF) 72
• Terugspoelen (RW) 72 - Uitwerptoets (Eject) 72
- Selectie Metal Tape (70μs) 72
• Terugtrekken van de aandrukrol 72
• Dolby ruisonderdrukking 72
• Bedieningsinstructies - cd-wisselaar 73
• TAPE/CD-C-toets 73
• DISC UP/1-toets 73
• RND/4-toets (Random weergave) 73
• FF (TUNE) RW 73
• DISC DOWN/5-toets 73 - Seek-toets (zoekfunctie) 73
• Time-toets 73
• AM STEREO & FM STEREO RADIO MET GRAFISCHE EQUALIZER, CASSETTESPELER EN CD-SPELER—INDIEN AANWEZIG 73
• Bedieningsinstructies - Radio 73
• Aan/uit-schakelaar, volumeregelaar 73
- Seek-toets (radio-ontvangst) 74
• Afstemmen 74
• Balans 74
- Fade 74
- Klankregeling 74
• FM 1-2/AUTO 74
• MW/LW 74
- Instellen van de voorkeuzetoetsen 74
- AST-toets (automatisch afstemmen) 74
• Bedieningsinstructies - RDS-functies 74
• Toets Tape Side (∇Δ)/ Time 75
• TA-toets (verkeersmelding) 75
- De toets PTY (programmatype) 75
• AF LOC (Alternatieve en Locale frequenties) ..... 75
• Bedieningsinstructies - Cassettespeler 76
• Toets Tape Side (∇Δ)/ Time 76
• TAPE/CD-C-toets 76
- Seek-toets (zoekfunctie) 76
- Snel vooruitspoelen (FF) 76
• Terugspoelen (RW) 76
• Uitwerptoets cassette △ 76
- Selectie Metal Tape (70μs) 76
• Terugtrekken van de aandrukrol 76
• Dolby-ruisonderdrukking 76
• Bedieningsinstructies — cd-speler 77
- Een cd plaatsen 77
- Seek-toets (zoekfunctie) 77
• EJT CD Uitwerptoets 77
• FF/TUNE/RW-toets 77
• Program-toets (Random weergave) 77
• Toets Tape CD 77
• Time-toets 77
• AFSTANDSBEDIENING VAN DE RADIO— INDIEN AANWEZIG 77
• Radio 78
• Cassettespeler 78
• Cd-speler 78
• CD-WISSELAAR—INDIEN AANWEZIG 78
• CD'S IN DE LADER PLAATSEN 79
- ONDERHOUD VAN DE CASSETTESPELER EN DE CASSETTEBANDJES 80
• VERZORGING VAN DE COMPACT DISC 80 - KLIMAATREGELING 81
• Bediening van de aanjager 81
• Temperatuurregelknop 81
• Luchtcirculatieknop 82
• Airconditioning 82
- Infrarode klimaatregeling met twee klimaatzones—
Indien aanwezig 82
- Ontwaseming 84
INSTRUMENTENPANEEL EN BEDIENINGSELEMENTEN

- Ventilatieroosters
- Bestuurdersairba
- Instrumentenpaneel
- Radio
-
Airbag passagierszijde
-
Handschoenenvakje
-
Kniebescherming
-
Airconditioning
-
Voeding accessoires
-
Asbakje
-
Sigarenaansteker
-
Schakelaar stoelverwarming—Indien aanwezig
-
Claxon
-
Regeling van de lichtbundelhoogte—Indien aanwezig
80bbc2e6
INSTRUMENTENPANEEL—BENZINEMOTOREN

80be4743
BESCHRIJVING INSTRUMENTENPANEEL (BENZINE)
1. Voltmeter

De voltmeter geeft de accuconditie en de werking van het laadsysteem aan. Het onderste rode gedeelte van de schaalig geeft aan dat de accu te ver ontladen te raken om de motor nog te kunnen Met draaiende motor moet de wijzer van meter tussen 11 en 15 volt staan. Als de langdurig tussen 9 en 11 (te laag) of boven (bog) staat, duidt dit op een mogelijk defect dynamo, de spanningsregelaar of de accu. eeg in dat geval uw geautoriseerde dealer.
2. Indicatielampje richtingaanwijzer

Een groen knipperend pijltje naar rechts of naar links geeft aan dat u de richtingaanwijzer gebruikt.
3. Toerenteller
De toerenteller geeft het toerental van de motor aan in omwentelingen per minuut.
VOORZICHTIG!
Laat de motor niet in het rode toerentalbereik komen. Hij kan zo schade oplopen.
4. Indicatielampje grootlicht

Dit lampje geeft aan dat het grootlicht is ingeschakeld.
5. Airbag-waarschuwingslampje
AIR Als u het contact aanzet, gaat dit lampje BAG ca. 6 tot 8 seconden lang branden. Wanneer het lampje niet aangaat, niet dooft of tijdens het rijden gaat branden, moet u het airbagsysteem door uw geautoriseerde dealer laten nakijken.
6. Snelheidsmeter
De snelheidsmeter geeft de snelheid van de auto aan.
7. Oliedrukmeter
Deze meter geeft de oliedruk van de motor aan. De meter geeft echter niet het oliepeil aan. De normale oliedruk is 1,4 - 4,8 bar in stadsverkeer en 3,0 - 4,8 bar op snelwegen. De oliedruk hangt af van het motortoerental, motortemperatuur en de viscositeitsgraad van de olie. Bij warme motor is een oliedruk van 0,88 bar voldoende. Als de oliedruk langere tijd lager blijft, dan geeft dit een mogelijk defect aan. Neem dan contact op met uw geautoriseerde dealer.
8. Sentry-sleutel

Lees de paragraaf over de sentry-sleutel in het hoofdstuk "Wat u moet weten voor u uw auto start".
9. Lampje Check Engine (motordiagnose)

Dit lampje is een onderdeel van het boorddiagnosesysteem dat de emissie, de motor en de automatische versnellingsbak controleert. Als in één van deze systemen een defect wordt ontat dit lampje branden. Hoewel u waarnog kunt rijden en niet gesleept hoeft te kunt u toch beter zo spoedig mogelijk uw seerde dealer opzoeken voor controle en
Het lampje zal gaan branden wanneer het contact de eerste keer ingeschakeld wordt en kort blijven branden om het lampje te controleren. Wanneer het lampje niet gaat branden tijdens het starten, dient u het zo snel mogelijk te laten vervangen.
VOORZICHTIG!
Lange tijd blijven rijden met een brandend waarschuwingslampje kan het emissiesysteem schade toebrengen. Bovendien zal u meer verbruiken en zal de motor niet goed draaien. De auto moet naar de garage voordat emissietests kunnen worden uitgevoerd.
Wanneer het lampje knippert, is er een probleem met de katalysator. Hij zal binnen korte tijd defect raken en de auto zal vermogen verliezen. Raadpleeg onmiddellijk uw geautoriseerde dealer.
10. Check Gauges
Dit lampje gaat branden als de voltmeter, de oliedrukmeter of de koelvloeistofmeter te hoge of te lage waarden registreren.
OPMERKING:
Als het contact UIT is, tonen de brandstofmeter, voltmeter, oliedrukmeter en temperatuurmeter geen accurate resultaten. Als de motor niet draait, moet u het contact aanzetten om correcte resultaten te zien.
11. Indicatielampje Part Time
Dit lampje geeft aan dat de pook van de tussenbak in de 4x4 PART TIME positie staat. Het lampje kan knipperen wanneer u van 2WD (High Range) naar 4x4 PART TIME begint te schakelen. Het lampje zal continu branden als u de schakeling voltooid heeft.
12. Waarschuwingslampje temperatuur versnellingsbak
Dit lampje geeft aan dat de vloeistof van de versnellingsbak te heet is. Dat kan gebeuren bij zwaar gebruik, zoals het trekken van een aanhanger of bij het ruimen van sneeuw. Als dit lampje gaat branden, moet u stoppen en de motor stationair laten draaien. Zet de selectiehendel in NEUTRAAL tot het lampje uitgaat.
Het lampje blijft ter controle van het gloeilampje ongeveer 3 seconden lang branden nadat u de eerste keer het contact hebt ingeschakeld.
13. Koelvloeistoftemperatuurmeter

De meter geeft de temperatuur van de koelvloeistof aan. Als de wijzer in de rode zone rechts staat, duidt dit op een mogelijke oververhitting van de motor. Raad-
pleeg in dat geval onmiddellijk een geautoriseerde dealer. Lees de informatie over het koelsysteem in het hoofdstuk Onderhoud.
VOORZICHTIG!
Laat de wagen nooit onbewaakt achter met draaiende motor. U kunt dan immers niet merken wanneer de motor warm loopt.
14. Terugzetknop
Met deze toets wisselt u tussen kilometerteller en dagteller. Als u de knop 2 tot 3 seconden ingedrukt houdt bij de weergave van de dagteller, wordt de dagteller op nul gezet.
De kilometerteller duidt aan hoeveel kilometers de auto al gereden heeft. Er zijn zes cijfers, inclusief de verloopnullen. De kilometerteller is beveiligd tegen geknoei.
De dagteller geeft het aantal kilometers van een rit aan sinds de laatste reset (met de resettoets). Om te wisselen tussen kilometerteller en dagteller drukt u op de resettoets.
16. Cruise Light
Dit lampje gaat branden als de elektronische snelheidscontrole ingeschakeld is.
17. O/D (Overdrive) OFF
De knop O/D OFF vindt u op de selectiehendel. Dit lampje gaat branden wanneer u de O/D OFF knop hebt ingedrukt.
Het lampje blijft ter controle van het gloeilampje ongeveer 3 seconden lang branden nadat u de eerste keer het contact hebt ingeschakeld.
18. Lampje verlichting
Dit lampje gaat branden wanneer u de parkeer- of koplampen hebt ingeschakeld.
19. Waarschuwingslampje veiligheidsgordel

Een waarschuwingssignaal adviseert u om uw veiligheidsgordel te dragen. Als u de gordel vastmaakt gaat het lampje uit.
- Hierna zal het lampje, iedere keer dat u de gordel losmaakt, aangaan.
Het geluidssignaal klinkt voor 6–8 seconden. Het lampje van de veiligheidsriem gaat enkel uit als de gordel wordt vastgemaakt.
20. ABS-waarschuwingslampje

Het amberkleurige ABS-lampje zal gaan branden wanneer het contact de eerste keer ingeschakeld wordt en zal kort blijven branden om het lampje te controleren. Wanneer het lampje niet gaat branden tijdens het starten, dient u het zo snel mogelijk te laten vervangen. Het lampje gaat ook branden om aan te geven dat het ABS-systeem bij het starten een zelftest uitvoert. Wanneer het lampje blijft branden na het starten of tijdens het rijden gaat branden en blijft branden, dan geeft dit aan dat een deel van het ABS-systeem niet functioneert. Het conventionele remsysteem blijft normaal werken. Zet het contact uit en weer aan om het ABS-systeem te resetten. Wanneer het lampje blijft branden, moet u uw geautoriseerde dealer opzoeken. Wanneer zowel het rode lampje BRAKE als het amberkleurige lampje ABS gaan branden, moet u on- middellijk een geautoriseerde dealer opzoeken.
21. Brandstofmeter
De meter geeft het niveau aan van de brandstof in de tank. Een kleine pijl toont aan welke zijde van de auto zich de brandstofklep bevindt.
22. Waarschuwingslampje brandstof

Gaat branden als er nog ongeveer 11,2 l (2,5 gallons) brandstof in de tank zit. Het waarschuwingslampje kan aan en weer uit gaan, vooral na hard remmen, accelereren of in bochten. Dat gebeurt omdat de brandstof in de tank heen en weer gaat.
Uw auto is uitgerust met een programmeerbare functie waardoor u een waarschuwingssignaal hoort wanneer het brandstoflampje gaat branden. Lees ook de informatie in "Door de klant programmeerbare functies" van het hoofdstuk over de dakconsole.
Het lampje blijft ter controle van het gloeilampje ongeveer 3 seconden lang branden nadat u de eerste keer het contact hebt ingeschakeld.
23. Controlelampje voorste mistlampen
Dit lampje gaat branden wanneer de voorste mistlampen zijn ingeschakeld.
24. Waarschuwingslampje remsysteem
Het rode waarschuwingslampje voor het remsysteem gaat branden wanneer het contact de eerste keer wordt ingeschakeld en zal kort blijven branden om het lampje te controleren. Wanneer het lampje niet gaat branden tijdens het starten, dient u het zo snel mogelijk te laten vervangen. Dit lampje betekent alleen dat de handrem is aangetrokken. Als de handrem niet is aangetrokken en het lampje blijft branden, kan dat op een lek in het remsysteem wijzen. Raadpleeg onmiddellijk uw geautoriseerde dealer.
WAARSCHUWING!
Blijven doorrijden terwijl het waarschuwingslampje remsysteem brandt, is gevaarlijk. Een deel van het remsysteem kan defect zijn. De remafstand wordt groter. U loopt gevaar om een ongeval te hebben. Laat de auto onmiddellijk controleren.
OPMERKING:
Dit lampje geeft alleen aan dat de handrem is aangetrokken of dat het remvloeistofniveau laag is. Het is geen aanduiding voor de mate van de remwerking.
Dit lampje gaat branden wanneer het achtermistlicht is ingeschakeld.
INSTRUMENTENPANEEL—DIESELMOTOREN

80be4744
BESCHRIJVING INSTRUMENTENPANEEL (DIESEL)
1. Voltmeter

Deze meter geeft de accuspanning en de beschikbare boordspanning aan. De rode zone onderaan wil zeggen dat de accuspanning mogelijk te laag is om de motor te starten. Wanneer de motor draait, moet de naald van de voltmeter normaal gesproken tussen 11 en 15 V staan. Wanneer de meter lange tijd tussen 9-11 (te weinig spanning) of boven 15 (overspanning) staat, is er mogelijk een defect aan de dynamo, de spanningsregelaar of de accu. Neem dan contact op met uw geautoriseerde dealer.
2. Lampje richtingaanwijzer

Wanneer u een richtingaanwijzer aanzet, gaat het bijbehorende groene pijltje (links of rechts) branden.
3. Toerenteller
De toerenteller geeft het toerental van de motor aan in omwentelingen per minuut.
VOORZICHTIG!
Laat het toerental van de motor niet in het rode bereik komen. Anders kunt u schade toebrengen aan de motor.
4. Indicatielampje Grootlicht

Dit lampje gaat branden als u het groot- licht aanzet.
5. Airbag-indicatielampje
AIR BAG Dit lampje gaat branden en blijft ter controle van het gloeilampje ongeveer 6 tot 8 seconden lang branden nadat u de eerste keer het contact hebt aangezet. Wanneer
het lampje niet brandt, blijft branden of gaat branden tijdens het rijden, moet u het airbag-systeem door een geautoriseerde dealer laten controleren.
6. Snelheidsmeter
De snelheidsmeter geeft de snelheid van de auto aan.
7. Oliedrukmeter
Deze meter geeft de motoroliedruk aan. De meter is geen indicatie van het oliepeil. Het normale bereik is 1,4 - 4,8 bar in de stad en 3,0 - 4,8 bar op de snelweg. De druk is afhankelijk van het motortoerental, de temperatuur van de motor en de viscositeitgraad van de olie. Een oliedruk van 0,88 bar is een normale waarde voor een stationair draaiende bedrijfswarme motor. Wanneer de druk voortdurend lager is, is er mogelijk een storing. Raadpleeg een geautoriseerde dealer.
8. Sentry-sleutel

Zie voor meer informatie de paragraaf over de Sentry-sleutel in het hoofdstuk "Wat u moet weten voor u uw auto start".
9. Waarschuwingslampje Check Engine (Boorddiagnosesysteem)

Dit lampje is een onderdeel van het boorddiagnosesysteem OBD dat de emissie, de motorregeling en de automatische versnellingsbak controleert. Wanneer er een probleem is geconstateerd bij een van deze onderdelen, gaat het lampje Check Engine branden. Hoewel u meestal nog kunt rijden en niet gesleept hoeft te worden, kunt u beter zo spoedig mogelijk contact opnemen met uw geautoriseerde dealer voor een controle en reparatie van uw auto.
Het lampje zal gaan branden wanneer het contact de eerste keer ingeschakeld wordt en zal kort blijven branden om het lampje te controleren. Wanneer het lampje niet gaat branden tijdens het starten, moet u het zo snel mogelijk laten vervangen.
VOORZICHTIG!
Lange tijd blijven rijden met een brandend waarschuwingslampje kan het emissiesysteem schade toebrengen. Bovendien zal u meer verbruiken en zal de motor niet goed draaien. De auto moet naar de garage voordat emissietests kunnen worden uitgevoerd.
Wanneer het lampje knippert, is er een probleem met de katalysator. Deze zal spoedig defect raken en u zal vermogen verliezen. Raadpleeg onmiddellijk uw geautoriseerde dealer.
10. Waarschuwingslampje Check Gauges
Dit lampje gaat branden wanneer een waarde van de voltmeter, oliedrukmeter of de koelvloeistofmeter een te hoge of te lage waarde aangeven.
OPMERKING:
Wanneer het contact is uitgezet, tonen de brandstofmeter, de voltmeter, de oliedrukmeter en de temperatuurmeter mogelijk een verkeerde waarde. Wanneer de motor niet draait moet u het contact aanzetten om een juiste waarde te zien.
11. Indicatielampje Part Time
Dit lampje wil zeggen dat u de selectiehendel van de tussenbak in de positie 4x4 PART TIME hebt gezet. Het lampje kan kort knipperen wanneer u begint met het schakelen van 2WD (High Range) naar 4x4 PART TIME. Het lampje blijft branden wanneer de selectie is voltooid.
12. Waarschuwingslampje Temperatuur versnellingsbak
Dit lampje geeft aan dat de temperatuur van de transmissievloeistof te hoog is omdat u het voertuig zwaar belast (bijvoorbeeld een aanhangwagen trekken of de auto gebruiken als sneeuwschuiver). Wanneer dit lampje gaat branden, moet u de auto stoppen en de motor stationair (of sneller) laten draaien, terwijl de selectiehendel in de positie NEUTRAAL staat. Wacht tot het lampje uitgaat.
Het lampje blijft ter controle van het gloeilampje ongeveer 3 seconden lang branden nadat u de eerste keer het contact hebt ingeschakeld.
13. Meter koelvloeistoftemperatuur

De meter geeft de temperatuur van de motorkoelvloeistof aan. De rode zone helemaal rechts duidt op een mogelijke oververhitting. Neem onmiddellijk contact
op met een geautoriseerde dealer wanneer de meter in de rode zone staat. Zie voor meer informatie ook de informatie over het koelsysteem in het hoofdstuk Onderhoud van dit instructieboekje.
VOORZICHTIG!
Laat uw auto nooit onbewaakt achter met draaiende motor. U kunt niet tijdig reageren wanneer de motor oververhit raakt.
14. Terugstelknop
Door de knop in te drukken schakelt u heen en weer tussen kilometerteller en dagteller. Wanneer de dagteller wordt weergegeven, kunt u deze weer op nul zetten door de terugstelknop 2 - 3 seconden lang ingedrukt te houden.
De kilometerteller duidt aan hoeveel kilometers de auto al heeft gereden. De kilometerteller heeft zes cijfers met verloopnullen. De kilometerteller is beveiligd tegen niet toegelaten aanpassingen.
De dagteller geeft de afstand aan die de auto heeft gereden sinds de terugstelknop de laatste keer is ingedrukt. Om heen en weer te schakelen tussen kilometerteller en dagteller drukt u op de terugstelknop.
16. Lampje snelheidsregeling (Cruise)
Dit indicatielampje gaat branden wanneer de elektronische snelheidsregeling is ingeschakeld.
17. Voorgloeilampje
Het voorgloeilampje gaat branden wanneer u de eerste keer het contract aanzet. Wacht tot het
lampje uitgaat voordat u de motor start. Lees ook de instructies in het hoofdstuk "Startprocedure, normaal starten - Dieselmotor"
18. O/D (Overdrive) Off
De knop O/D OFF staat op de selectiehendel. Dit lampje gaat branden wanneer de O/D OFF-knop is ingedrukt.
Het lampje blijft ter controle van het gloeilampje ongeveer 3 seconden lang branden nadat u de eerste keer het contact hebt ingeschakeld.
19. Indicatielampje lichten
Dit lampje gaat branden wanneer u de parkeer- of koplampen aanzet.
20. Waarschuwingslampje veiligheidsgordel

Een waarschuwingslampje en een geluidssignaal adviseren u om uw veiligheidsgordel te dragen. Wanneer de gordel is vastgegespt, gaat het lampje uit.
-
Na 6-8 seconden gaat het geluidssignaal uit, ook als de gordel niet is vastgegespt.
-
Het waarschuwingslampje gaat alleen uit wanneer de bestuurder de gordel heeft vastgegespt.
21. Waarschuwingslampje ABS

Het amberkleurige ABS-lampje gaat branden wanneer het contact de eerste keer is aangezet en blijft kort branden om het lampje te controleren. Wanneer het
lampje niet gaat branden tijdens het starten, moet u het zo snel mogelijk laten vervangen. Dit lampje gaat ook branden om aan te geven dat het ABS-systeem een zelftest uitvoert bij het starten van de auto. Wanneer het lampje na het starten blijft branden, of wanneer het gaat branden tijdens het rijden, is er mogelijk een storing in het ABS-systeem. Het ABS-systeem zal dan mogelijk niet langer functioneren. Het systeem gaat terug naar conventioneel remmen (zonder ABS). Zet het contact uit en opnieuw aan om het ABS-systeem terug te zetten. Wanneer het lampje blijft branden, moet u uw geautoriseerde dealer raadplegen. Wanneer zowel het rode waarschuwingslampje BRAKE als het amberkleurige ABS-lampje gaan branden, moet u onmiddellijk een geautoriseerde dealer opzoeken.
22. Brandstofmeter
De meter geeft aan hoeveel brandstof er nog in de tank zit. Een pijltje geeft de locatie van de vuldop aan (links of rechts).
23. Waarschuwingslampje koelvloeistofpeil
Dat lampje gaat branden als het koelvloeistofpeil te laag is. Het lampje blijft ter controle van het gloeilampje ongeveer 3 seconden lang branden nadat u de eerste keer het contact hebt ingeschakeld.
24. Waarschuwingslampje brandstofpeil

Dit lampje gaat branden wanneer er nog ongeveer 11,2 liter (2,5 gallons) brandstof in de tank zit. Het waarschuwingslampje kan aan en uit gaan tijdens en na hard remmen, accelereren of in scherpe bochten. Dat komt omdat de brandstof in de tank gaat bewegen.
Uw auto heeft een programmeerbare elektronische voorziening waardoor u een waarschuwingssignaal hoort wanneer het waarschuwingslampje voor het brandstofpeil gaat branden. Meer informatie hierover vindt u in het hoofdstuk over de "Door de klant programmeerbare functies" aan de dakconsole.
Het lampje blijft ter controle van het gloeilampje ongeveer 3 seconden lang branden nadat u de eerste keer het contact hebt ingeschakeld.
25. Indicatielampje Voorste mistlampen

Dit lampje gaat branden wanneer de mistlampen voor zijn ingeschakeld.
26. Waarschuwingslampje remsysteem
Het rode waarschuwingslampje van het rem- systeem gaat branden wanneer het contact de eerste keer is aangezet en blijft kort branden om het lampje te controleren. Wanneer het lampje niet gaat branden tijdens het starten, moet u het zo
snel mogelijk laten vervangen. Dit lampje gaat ook branden wanneer de handrem is aangetrokken. Wanneer het lampje blijft branden en de handrem is losgezet, is er mogelijk een lek in het hydraulisch remcircuit. Raadpleeg onmiddellijk een geautoriseerde dealer.
WAARSCHUWING!
Het is gevaarlijk om te blijven rijden wanneer het waarschuwingslampje brandt. Een deel van het remsysteem kan defect zijn. De remafstand wordt groter. U loopt gevaar om een ongeval te hebben. Laat de auto onmiddellijk controleren.
OPMERKING:
Dit lampje geeft alleen aan dat de handrem is aangetrokken of dat het remvloeistofpeil laag is. Het is geen aanduiding voor de mate van de remwerking.
Dit lampje gaat branden wanneer het achtermistlicht is ingeschakeld.
- Waarschuwingslampje water in brandstof Wanneer dit waarschuwingslampje gaat branden is er water in het brandstofffilter. Dat water moet onmiddellijk worden verwijderd.
BEDIENING VAN DE RADIO EN AUTOTELEFOONS
In bepaalde omstandigheden kan het gebruik van een autotelefoon storingen van de radio- ontvangst veroorzaken. U kunt deze storingen verminderen of verhelpen door de antenne van de telefoon op een andere plaats te zetten. Deze storingen zijn niet schadelijk voor de radio. Wanneer de ontvangst nog niet voldoende "helder" is nadat de antenne verplaatst werd, raden we aan de radio uit te schakelen of het volume stil te zetten wanneer u telefoneert.
WAARSCHUWING!
Gerbruik geen draagbare telefoons tijden het rijden. Telefoneren tijdens het rijden kan u afleiden van het verkeer; dit kan een ongeval tot gevolg hebben.
BEDIENINGSFUNCTIES AM/FM STEREO RADIO, CASSETTESPELER EN CD-WISSELAAR

00bfe217
Bedieningsinstructies - Radio
OPMERKING:
De voeding van de radio is gekoppeld aan de stand van de contactsleutel. Die moet in de stand ON of ACC staan. Anders zal de radio niet functioneren.
Aan/uit-schakelaar, volumeregelaar
Druk op ON/VOL om de radio in te schakelen. Draai de volumeknop naar rechts om de radio harder te zelten.
Antidiefstalcode
Dit apparaat is uitgerust met een antidiefstalsysteem, waarbij een code van 4 cijfers ingevoerd
moet worden nadat de voeding onderbroken werd (b.v. na het loskoppelen van de accu). Deze code vindt u op het verwijderbare Audio System paspoort dat u aan de binnenkant van de achterflap van dit instructieboek vindt. Verwijder dit kaartje en bewaar het op een veilige plaats buiten het voertuig.
Om de code in te voeren, draait u de contactsleutel in de stand ON of ACC en drukt u op de toets ON/VOL. Nu verschijnt op het display het woord CODE. Voer uw code van vier cijfers in met behulp van de resp. voorkeuzetoetsen. Uw radio is nu klaar voor gebruik.
Wanneer u een onjuiste code invoert, hebt u nog twee extra pogingen. Na drie verkeerde pogingen zal de radio automatisch worden vergrendeld. Op die manier wordt voorkomen dat iemand een code kan kraken door steeds opnieuw te proberen.
Wanneer de radio geblokkeerd is, moet hij ongeveer 30 minuten aan blijven staan met ingeschakeld contact. Tijdens die periode ziet u op het display de boodschap "WAIT" (wachten).
Seek-toets (radio-ontvangst)
Door de wiptoets Seek aan te tippen kunt u afstemmen op het volgende FM, MW of LW station. Druk op de bovenzijde van de toets voor hogere frequenties en de onderzijde van de toets voor lagere frequenties. De radio blijft afgestemd op die frequentie tot u een ander station selecteert. Wanneer u de toets ingedrukt houdt, blijft de radio zoeken tot u de toets weer loslaat.
Afstemmen
Druk op de toets TUNE (boven en onderzijde) om een hogere, resp. lagere frequentie af te stemmen. Wanneer u de toets ingedrukt houdt, blijft de radio afstemmen tot u hem weer loslaat. De afgestemde frequentie wordt aangeduid en voortdu-rend bijgewerkt zolang u de knop ingedrukt houdt.
Balans
Met de balansregelaar regelt u de balans tussen de linker en rechter luidsprekers. Druk de knop in. Hij komt nu naar buiten. Regel de balans en druk de knop weer naar binnen.
Fade
Met de Fade-regelaar stelt u de balans in tussen de voorste en achterste luidsprekers. Druk de knop in, zodat deze naar buiten komt. Regel de balans en druk de knop weer naar binnen.
Klankregeling
Schuif de regelaars Bass (lage tonen) of Treble (hoge tonen) naar boven of beneden om de gewenste klankkleur in te stellen.
FM 1-2/AUTO
Met de toets FM 1-2/AUTO schakelt u als volgt heen en weer tussen de radio-voorkeuzegroepen: FM1 » FM2 » AUTO. Op het display ziet u de bevestiging van uw keuze. Dankzij deze functie kan elke bestuurder zijn eigen voorkeuzestations hebben. U kunt ook apart lokale stations afstemmen.
MW/LW
Door herhaaldelijk op de toets MW/LW te drukken selecteert u achtereenvolgens: MW » LW. Op het display verschijnt de geselecteerde golfband.
Instellen van de voorkeuzetoetsen
Wanneer u een bepaald station in een voorkeuzetoets wenst te bewaren, houdt u de gewenste voorkeuzetoets twee seconden lang ingedrukt tot u een "biep" hoort. U kunt de voorkeuzestations onmiddellijk selecteren door kort op de voorkeuzetoetsen te drukken. U kunt in totaal 15 FM, 5 MW en 5 LW stations in het geheugen opslaan.
AST-toets (automatisch afstemmen)
Met de toets AST zoekt de radio automatisch de vijf sterkste FM-radiostations en plaatst ze in het AUTO geheugen.
Bedieningsinstructies - RDS-functies
Als de radio is ingeschakeld kunt u met een reeks functietoetsen de volgende RDS-functies inschakelen.
Toets Tape Side ( )/ Time
Druk kort op de toets Time om over te schakelen van frequentieweergave naar klokweergave.
Om de "KLOK" in te stellen, drukt u met de punt van b.v. een balpen op de knopjes H (uren) of M (minuten). De ingestelde waarde verhoogt telkens wanneer u op het knopje drukt. Druk op een willekeurige andere toets om het instellen van de klok uit te schakelen.
Wanneer u bij de weergave van de RDS-klok op een van de toetsen H of M drukt, schakelt de radio automatisch over naar de weergave van de handmatig ingestelde klok. U kunt immers alleen deze tijd handmatig instellen.
Wanneer u de knop TIME 2 seconden lang ingedrukt houdt, schakelt u heen en weer tussen "RDS-klok" en "handmatig ingestelde klok". Op het display ziet u welke klok is geselecteerd. De "RDS-klok" wordt automatisch ingesteld door een radiostation dat een RDS-signaal uitzendt.
TA-toets (verkeersmelding)
Met de TA-toets schakelt u de RDS-verkeersmeldingsfunctie in. Wanneer het gekozen station geen TP-functie heeft of geen RDS-station is, zal de radio een piepsignaal weergeven. Op het display verschijnt "NO TA" en de radio schakelt over naar de TA-zoekfunctie. Wanneer u naar een cassette of cd luistert, geeft de TA-functie automatisch prioriteit aan het laatst afgestemde station. De TA-functie is altijd uitgeschakeld op de golfbanden MW en LW. Tijdens de TA-zoekfunctie knippert op het display de melding "TA SEEK". Wanneer er na één zoek-cyclus geen TP-station gevonden wordt, ziet u het bericht "NO TA". De TA-functie wordt uitgeschakeld.
Wanneer u een voorkeuzestation zonder TP-functie oproept en de TA-functie is ingeschakeld, zal de radio afstemmen op het voorkeuzestation en de TA-functie uitschakelen.
De toets PTY (programmatype)
- Door een keer op de PTY-toets te drukken wordt de functie 10 seconden lang ingeschakeld. Wanneer er binnen die 10 seconden niets gebeurt, wordt de PTY-functie weer uitgeschakeld. Wanneer u binnen 10 seconden opnieuw op PTY drukt, kunt u een ander programmatype kiezen. Druk herhaaldelijk op de PTY-toets om na elkaar de volgende programmatypes te selecteren:
- Nieuws
• Zakelijk - Informatie
- Sport
• Educatief -
Drama
• Cultuur -
Wetenschappelijk
- Varia
- Pop M
- Rock M
• M.O.R.M. - Lichte muziek
- Klassiek
- Andere
- Geen
Wanneer u op de toets SEEK drukt met ingeschakelde PTY-functie, stemt de radio automatisch af op het volgende station van hetzelfde programmatype. De PTY-functie werkt alleen op de FM-golfband.
Wanneer u met ingeschakelde PTY-functie een voorkeuzestation selecteert, stemt de radio automatisch af op het voorkeuzestation en wordt de PTY-functie uitgeschakeld.
AF LOC (Alternatieve en Locale frequencies)
Door herhaaldelijk op de toets AF LOC te drukken selecteert u achtereenvolgens: LOC ON »LOC OFF » AF OFF. Het display duidt aan wanneer de LOC- en AF-functies ingeschakeld zijn.
AF kiest automatisch een alternatieve frequentie van hetzelfde radiostation als de signaalkwaliteit slechter wordt (m.a.w. als u het zendbereik verlaat).
Met de LOC-functie ingeschakeld zal AF alleen op een andere frequentie overschakelen als het station ook dezelfde regiocode heeft, zodat u alleen regionale zenders blijft ontvangen.
Bedieningsinstructies - Cassettespeler Plaats de cassette met de open tapezijde rechts in de speler. Het mechanisme zal de cassette voorzichtig in de speler trekken en de weergave starten.
OPMERKING:
Bij zeer koude temperaturen kan het nodig zijn de cassettespeler enkele minuten te laten opwarmen voordat u een cassette afspeelt. Slechte weergavekwaliteit kan veroorzaakt worden door een defect cassettebandje. Reinig en demagnetiseer de weergavekoppen tenminste twee keer per jaar.
Toets Tape Side ( )/ Time
Met deze toets kunt u de andere zijde van het cassettebandje afspelen. Op het display verschijnt telkens de geselecteerde weergaverichting. De klok wordt altijd weergegeven.
TAPE/CD-C-toets
Met deze toets selecteert u de cassettespeler.
Seek-toets (zoekfunctie)
Druk op de bovenkant van de SEEK-toets om het volgende nummer weer te geven en op de onderkant om naar het beginpunt van het huidige nummer te gaan.
Door verschillende keren op de toets SEEK te drukken kunt u 1 tot 7 nummers overslaan (vooruit en achteruit). Om 1 selectie over te slaan, drukt u 1 keer op de toets, voor 2 selecties twee keer enz. Op het display ziet u, hoeveel keer u op de SEEK-toets gedrukt hebt. De zoekfunctie annuleert u door op één van de toetsen FF/RW, FM/MW/LW of Time te drukken.
Snel opspoelen (FF)
Druk op de toets FF om het cassettebandje snel op te spoelen in de looprichting van de tape. De tape blijft spoelen tot de toets opnieuw ingedrukt wordt of tot het einde van het cassettebandje wordt bereikt. Als het einde van de tape bereikt is, start de weergave in de andere afspeelrichting.
Terugspoelen (RW)
Druk op de toets RW om de cassette snel terug te spoelen. De tape blijft terugspoelen tot de toets opnieuw wordt ingedrukt of tot het begin van het cassettebandje wordt bereikt. Als het einde van de tape bereikt is, start de weergave in de andere afspeelrichting.
Uitwerptoets (Eject)Δ
Druk op de uitwerptoets om het cassettebandje uit de cassettespeler te verwijderen.
Selectie Metal Tape (70μs)
Wanneer u een standaard 70 μ (metal) cassettebandje in de speler plaatst, zal deze automatisch de juiste instellingen kiezen.
Terugtrekken van de aandrukrol
Wanneer u het contact uitschakelt of de radio uitzet met de aan/uit-toets, zal de aandrukrol van het cassettemechanisme automatisch terugtrekken om beschadiging van het bandje te voorkomen. Wanneer u de radio weer inschakelt, zal de aandrukrol automatisch terugbewegen en de cassette begint met afspelen.
Dolby-ruisonderdrukking
DD Het Dolby-ruisonderdrukkingsysteem* is ofwel aan of uit, afhankelijk van de eerder ingestelde functie. Het kan ook handmatig worden ingeschakeld of uitgezet.
De Dolby-ruisonderdrukking in-/uitschakelen: Druk op de Dolby NR-toets (toets 2) nadat u de cassette in de speler geplaatst hebt. Het NR-lampje in het display gaat uit wanneer het Dolbysysteem uitgeschakeld is.
* "Dolby"-ruisonderdrukking werd geproduceerd onder licentie van de Dolby Laboratories Licen-
sing Corporation. Dolby- en het dubbele D-symbool zijn handelsmerken van de Dolby Laboratories Licensing Corporation.
Bedieningsinstructies - cd-wisselaar
De bedieningstoetsen van deze radio zijn alleen geschikt voor een cd-wisselaar die u bij Chrysler International aankoopt. De volgende instructies beschrijven de bediening van deze cd-wisselaar.
TAPE/CD-C-toets
Met deze toets selecteert u de cd-wisselaar.
DISC UP/1-toets
Met deze toets kiest u de volgende cd uit de wisselaar.
RND/4-toets (Random weergave)
Als u op deze toets drukt, speelt de cd-wisselaar willekeurige nummers af (random play). Op die manier zorgt u voor boeiende afwisseling van genres en tempo's.
Druk op de toets SEEK om een ander willekeurig muziekstuk te beluisteren.
Druk een tweede keer op toets 4 om de willekeurige weergave te stoppen.
FF (TUNE) RW
Door de toets TUNE FF ingedrukt te houden kunt u snel een passage van een nummer opzoeken met geluid. Wanneer u de toets loslaat, schakelt u opnieuw over op normale weergave. Wanneer u TUNE RW ingedrukt houdt, springt u terug naar het begin van het nummer.
DISC DOWN/5-toets
Met deze toets kiest u de vorige cd uit de wisse- laar.
Seek-toets (zoekfunctie)
Met deze toets kiest u snel het begin van een nummer. Druk op het pijltje UP om naar het begin van het volgende nummer te springen. Druk op het pijltje DOWN binnen 1 seconde na begin van een nummer en de cd-speler springt terug naar het begin van het vorige nummer. Druk op het pijltje DOWN later dan 1 seconde na begin van een nummer en de cd-speler springt terug naar het begin van het huidige nummer.
Wanneer u in het laatste muziekstuk op het pijltje UP drukt, gaat de cd-speler naar het eerste nummer van de cd. Wanneer u in het eerste muziekstuk op het pijltje DOWN drukt, gaat de cd-speler naar het laatste nummer van de cd.
Time-toets
Met deze toets schakelt u heen en weer tussen de weergave van de klok en de speelduur van de cd.
AM STEREO & FM STEREO RADIO
MET GRAFISCHE EQUALIZER,
CASSETTESPELER EN CD-SPELER—
INDIEN AANWEZIG

B0b5cbca
Bedieningsinstructies - Radio
OPMERKING:
De voeding van de radio is gekoppeld aan de stand van de contactsleutel. Deze moet in de stand ON of ACC staan. Anders zal de radio niet functioneren.
Aan/uit-schakelaar, volumeregelaar
Druk op ON/VOL om de radio in te schakelen. Draai de volumeknop naar rechts om de radio harder te zetten.
Antidiefstalcode
Dit apparaat is uitgerust met een antidiefstalsysteem, waarbij een code van 4 cijfers moet worden ingevoerd nadat de voeding is onderbroken (b.v. na het loskoppelen van de accu). Deze code vindt u op het verwijderbare Audio System paspoort dat u aan de binnenkant van de achterflap van dit instructieboek vindt. Verwijder dit kaartje en bewaar het op een veilige plaats buiten het voertuig.
Om de code in te voeren, draait u de contactsleutel in de stand ON of ACC en drukt u op de toets ON/VOL. Nu verschijnt op het display het woord CODE. Voer uw code van vier cijfers in met behulp van de voorkeuzetoetsen. U kunt nu de basisfuncties van uw radio bedienen.
Wanneer u een onjuiste code invoert, hebt u nog twee pogingen. Na een derde verkeerde poging wordt de radio automatisch vergrendeld. Op die manier wordt voorkomen dat iemand een code kan kraken door steeds opnieuw te proberen.
Wanneer de radio is geblokkeerd, moet hij ongeveer 30 minuten aan blijven staan met ingeschakeld contact. Tijdens die periode verschijnt op het display de boodschap "WAIT" (wachten).
Seek-toets (radio-ontvangst)
Door de wiptoets Seek aan te tippen kunt u afstemmen op het volgende FM, MW of LW station. Druk op de bovenzijde van de toets voor hogere frequenties en de onderzijde van de toets voor lagere frequenties. De radio blijft afgestemd op die frequentie tot u een ander station selecteert. Wanneer u de toets ingedrukt houdt, blijft de radio zoeken tot u de toets weer loslaat.
Afstemmen
Druk op de toets TUNE (boven en onderzijde) om een hogere, resp. lagere frequentie af te stemmen. Wanneer u de toets ingedrukt houdt, blijft de radio afstemmen tot u hem weer loslaat. De afgestemde frequentie wordt aangeduid en voortdurend bijgewerkt zolang u de knop ingedrukt houdt.
Balans
Met de balansregelaar regelt u de balans tussen de linker en rechter luidsprekers. Druk de knop in. Deze komt nu naar buiten. Regel de balans en druk de knop weer naar binnen.
Fade
Met de Fade-regelaar stelt u de balans in tussen de voorste en achterste luidsprekers. Druk de knop in. Deze komt nu naar buiten. Regel de balans en druk de knop weer naar binnen.
Klankregeling
Schuif de regelaars Bass (lage tonen) of Treble (hoge tonen) naar boven of beneden om de gewenste klank in te stellen.
FM 1-2/AUTO
Met de toets FM 1-2/AUTO schakelt u als volgt heen en weer tussen de radio-voorkeuzegroepen: FM1 » FM2 » AUTO. Op het display ziet u de bevestiging van uw keuze. Dankzij deze functie kan elke bestuurder zijn eigen voorkeuzestations hebben. U kunt ook apart lokale stations afstemmen.
MW/LW
Door herhaaldelijk op de toets MW/LW te drukken selecteert u achtereenvolgens: MW » LW. Op het display verschijnt de geselecteerde golfband.
Instellen van de voorkeuzetoetsen
Wanneer u een bepaald station in een voorkeuzetoets wenst te bewaren, houdt u de gewenste voorkeuzetoets twee seconden lang ingedrukt. U kunt de voorkeuzestations onmiddellijk selecteren door kort op de voorkeuzetoetsen te drukken. U kunt in het totaal 15 FM, 5 MW en 5 LW stations in het voorkeuzegeheugen opslaan.
AST-toets (automatisch afstemmen)
Met de toets AST zoekt de radio automatisch de vijf sterkste FM-radiostations en plaatst ze in het AUTO voorkeuzegeheugen.
Bedieningsinstructies - RDS-functies
Als de radio is ingeschakeld, kunt u met een reeks functietoetsen de volgende RDS-functies inschakelen.
Toets Tape Side ( )/ Time
Druk kort op de toets Time om over te schakelen van frequentieweergave naar klokweergave.
Om de "KLOK" in te stellen, drukt u met de punt van bijvoorbeeld een balpen op de knopjes H (uren) of M (minuten). De ingestelde waarde verhoogt iedere keer dat u op het knopje drukt. Druk op een willekeurige andere toets om het instellen van de klok uit te schakelen.
Wanneer u bij de weergave van de RDS-klok op één van de toetsen H of M drukt, schakelt de radio automatisch over naar de weergave van de handmatig ingestelde klok. U kunt immers alleen deze tijd handmatig instellen.
Wanneer u de knop TIME 2 seconden lang ingedrukt houdt, schakelt u heen en weer tussen "RDS-klok" en "handmatig ingestelde klok" Op het display ziet u welke klok is geselecteerd. De "RDS-klok" wordt automatisch ingesteld door een radiostation dat een RDS-signaal uitzendt.
TA-toets (verkeersmelding)
Met de TA-toets schakelt u de RDS-verkeersmeldingsfunctie in. Wanneer het gekozen station geen TP-functie heeft of geen RDS-station is, hoort u een piepsignaal. Op het display verschijnt "NO TA" en de radio schakelt over naar de TA-zoekfunctie. Wanneer u naar een cassette of cd luistert, geeft de TA-functie automatisch prioriteit aan het laatst afgestemde station. De TA-functie is altijd uitgeschakeld op de golfbanden MW en LW.
Tijdens de TA-zoekfunctie knippert op het display de melding "TA SEEK". Wanneer er na een zoek-cyclus geen TP-station is gevonden, ziet u het bericht "NO TA". De TA-functie wordt uitgezet.
Wanneer u een voorkeuzestation zonder TP-functie oproept en de TA-functie is ingeschakeld, zal de radio afstemmen op het voorkeuzestation en de TA-functie uitschakelen.
De toets PTY (programmatype)
- Door een keer op de PTY-toets te drukken, wordt de functie 10 seconden lang ingeschakeld. Wanneer er binnen die 10 seconden niets gebeurt, wordt de PTY-functie weer uitgeschakeld. Wanneer u binnen 10 seconden opnieuw op PTY drukt, kunt u een ander programmatype kiezen. Druk herhaaldelijk op de PTY-toets om na elkaar de volgende programmatypes te selecteren:
- Nieuws
• Zakelijk - Informatie
-
Sport
• Educatief -
Drama
• Cultuur - Wetenschappelijk
- Varia
- Pop M
- Rock M
• M.O.R.M. - Lichte muziek
- Klassiek
- Andere
- Geen
Wanneer u op de toets SEEK drukt met ingeschakelde PTY-functie, stemt de radio automatisch af op het volgende station van hetzelfde programmatype. De PTY-functie werkt alleen op de FM-golfband.
Wanneer u met ingeschakelde PTY-functie een voorkeuzestation selecteert, stemt de radio automatisch af op het voorkeuzestation en wordt de PTY-functie uitgeschakeld.
AF LOC (Alternatieve en Locale frequencies)
Door herhaaldelijk op de toets AF LOC te drukken selecteert u achtereenvolgens: LOC ON »LOC
OFF » AF OFF. Het display duidt aan wanneer de LOC- en AF-functies zijn ingeschakeld.
AF kiest automatisch een alternatieve frequentie van hetzelfde radiostation als de signaalkwaliteit slechter wordt (m.a.w. als u het zendbereik verlaat).
Bij ingeschakelde LOC-functie zal AF alleen op een andere frequentie overschakelen als het station ook dezelfde regiocode heeft, zodat u alleen regionale zenders blijft ontvangen.
Bedieningsinstructies - Cassettespeler Plaats de cassette met de open tapezijde rechts in de speler. Het mechanisme zal de cassette voorzichtig in de speler trekken en de weergave starten.
OPMERKING:
Bij zeer koude temperaturen kan het nodig zijn de cassettespeler enkele minuten te laten opwarmen voordat u een cassette afspeelt. Slechte weergavekwaliteit kan worden veroorzaakt door een defect cassettebandje. Reinig en demagnetiseer de weergavekoppen tenminste twee keer per jaar.
Toets Tape Side ( )/ Time
Met deze toets kunt u de andere zijde van het cassettebandje afspelen. Op het display verschijnt telkens de geselecteerde weergaverichting. De klok wordt altijd weergegeven.
TAPE/CD-C-toets
Met deze toets selecteert u de cassettespeler.
Seek-toets (zoekfunctie)
Druk op de bovenkant van de SEEK-toets om de volgende muziektitel weer te geven en op de onderkant om naar het beginpunt van het actuele muziekstuk te gaan.
Door verschillende keren op de toets SEEK te drukken kunt u 1 tot 7 nummers overspringen (vooruit en achteruit). Om 1 selectie over te slaan, drukt u 1 keer op de toets, voor 2 selecties twee keer enz. Op het display ziet u, hoe vaak u op de SEEK-toets hebt gedrukt. U kunt de zoekfunctie annuleren door op een van de toetsen FF/RW of FM/MW/LW te drukken.
Snel vooruitspoelen (FF)
Druk op de toets FF om het cassettebandje snel vooruit te spoelen in de looprichting van de tape. De tape blijft spoelen tot de toets opnieuw wordt ingedrukt of tot het einde van het cassettebandje is bereikt. Als het einde van de tape is bereikt, start de weergave in de andere afspeelrichting.
Terugspoelen (RW)
Druk op de toets RW om de cassette snel terug te spoelen. Het cassettebandje blijft terugspoelen tot de toets opnieuw wordt ingedrukt of tot het begin van het cassettebandje is bereikt. Als het einde van de tape is bereikt, start de weergave in de andere afspeelrichting.
Uitwerptoets cassette Δ
Druk op de uitwerptoets om het cassettebandje uit de cassettespeler te verwijderen.
Selectie Metal Tape (70μs)
Wanneer u een standaard 70 μ (metal) cassettebandje in de speler plaatst, zal deze automatisch de juiste instellingen kiezen.
Terugtrekken van de aandrukrol
Wanneer u het contact uitschakelt of de radio uitzet met de aan/uit-toets, zal de aandrukrol van het cassettemechanisme automatisch terugtrekken om beschadiging van het bandje te voorkomen. Wanneer u de radio weer inschakelt, zal de aandrukrol automatisch terugbewegen en de cassette begint met afspelen.
Dolby-ruisonderdrukking
Het Dolby-ruisonderdrukkingssysteem* is standaard ingeschakeld wanneer u een cassette beluistert. Het kan echter handmatig worden uitgeschakeld.
De Dolby-ruisonderdrukking in-/uitschakelen: Druk op de Dolby-NR-toets (toets 2) nadat u de cassette in de speler hebt geplaatst. Het NR-lampje in het display gaat uit wanneer het Dolbysysteem is uitgeschakeld.
* "Dolby"-ruisonderdrukking werd geproduceerd onder licentie van de Dolby Laboratories Licensing Corporation. Dolby en het dubbele D-symbol zijn handelsmerken van de Dolby Laboratories Licensing Corporation.
Bedieningsinstructies — cd-speler
OPMERKING:
De contactsleutel moet in de positie "ON" of "ACC" staan en de volumeregelaar in de positie ON om de cd-speler te bedienen.
Een cd plaatsen
U kunt een cd plaatsen of verwijderen wanneer de radio is uitgezet.
Wanneer u een cd plaatst met ingeschakeld contact en uitgeschakelde radio, ziet u op het display het bericht PAUSE en de tijd.
Wanneer de volumeregelaar is aangezet, schakelt het apparaat van radio naar cd-weergave. De weergave begint wanneer u een cd in de speler plaatst. Op het display ziet u het nummer van het muziekstuk en de tijdsaanduiding in minuten en seconden. De weergave begint bij muziekstuk 1.
Seek-toets (zoekfunctie)
Druk op de bovenzijde van de SEEK-toets om het volgende muziekstuk weer te geven. Druk op de onderzijde van de toets om terug te keren naar het begin van het huidige muziekstuk. Wanneer u tijdens de eerste 10 seconden van een muziekstuk op de onderzijde van de toets drukt, gaat u naar het vorige muziekstuk.
EJT CD Uitwerptoets
Druk op deze toets om de cd uit de speler te verwijderen. De radio wordt automatisch aangezel.
Wanneer u de cd niet binnen 15 seconden uit de speler neemt, wordt de cd automatisch opnieuw in de speler geladen en verschijnt het bericht PAUSE op het display. De radio blijft spelen.
U kunt de cd verwijderen met uitgeschakelde radio.
FF/TUNE/RW-toets
Wanneer u op FF (snel vooruitspoelen) drukt, gaat de cd-speler snel vooruitspoelen tot u de toets FF loslaat. De toets RW (terugspoelen) functioneert op dezelfde wijze.
Program-toets (Random weergave)
Als u op deze toets drukt, speelt de cd-speler willekeurige muziektitels af (random play). Op die manier zorgt u voor boeiende afwisseling van genres en tempo's.
Druk op de toets SEEK om een ander willekeurig muziekstuk te beluisteren.
Druk op TUNE FF om snel door de muziekstukken te bladeren. Druk een tweede keer op FF om het snel vooruitspoelen te stoppen. Wanneer u TUNE RW ingedrukt houdt, springt u terug naar het begin van het muziekstuk.
Druk een tweede keer op toets 4 om de willekeurige weergave te stoppen.
Toets Tape CD
Met deze toets kunt u kiezen tussen het beluisteren van een cd of een cassette.
Time-toets
Druk op deze toets om over te schakelen van cd-afspeeltijd naar klokweergave.
AFSTANDSBEDIENING VAN DE RADIO—INDIEN AANWEZIG
De afstandsbediening bevindt zich op de achterzijde van de stuurwielspaken.

De rechter bedieningstoets is een tuimelschakelaar met een druktoets in het midden. Hiermee regelt u het volume en kiest u een geluidsbron. Als u op het bovenste gedeelte van de tuimelschakelaar drukt, zet u de radio harder. Met het onderste gedeelte van de toets zet u het volume zachter. Als u op de middelste knop drukt kunt u kiezen tussen weergave van AM, FM, cassette of cd - afhankelijk van het type radio in de auto.
Aan de linkerzijde bevindt zich eveneens een tuimelschakelaar met een druktoets in het midden. De functie van de linker toetsen is specifiek voor de geselecteerde geluidsbron.
Hierna leest u een beschrijving van de functie voor elke geluidsbron.
Radio
Door te drukken op de bovenkant van de linker knop ZOEKT u het volgende afstembare radiostation. Door te drukken op de onderkant van de linker knop zoekt u het vorige afstembare radiostation.
Met de middelste toets aan de linkerzijde stemt u af op de volgende voorkeuzezender die u hebt geprogrammeerd.
Cassettespeler
Wanneer u één keer op de bovenkant van de linker knop drukt, gaat u naar de volgende selectie op de cassette. Wanneer u op de onderkant van de linker knop drukt, gaat u naar het begin van de huidige selectie of naar het begin van de vorige selectie, wanneer u de toets indrukt binnen 5 seconden na het begin van de huidige selectie.
Wanneer u de tuimelschakelaar twee keer indrukt, wordt de tweede selectie weergegeven. Drie keer indrukken: derde selectie, enz...
De middelste druktoets heeft geen functie.
Cd-speler
Wanneer u één keer op de boven kant van de linker knop drukt, gaat u naar de volgende selectie op de cd. Wanneer u op de onderkant van de linker knop drukt, gaat u naar het begin van de huidige track of naar het begin van de vorige track, wanneer u de toets indrukt binnen 1 seconde na het begin van de huidige selectie.
Wanneer u de tuimelschakelaar twee keer indrukt, wordt de tweede track weergegeven. Drie keer indrukken: derde track, enz...
Met de middelste druktoets aan de linkerzijde van de stuurkolom kiest u een andere cd in de cd-wisselaar.
CD-WISSELAAR—INDIEN AANWEZIG
Deze cd-wisselaar kan tot 10 cd's bevatten. De radio moet ingeschakeld zijn om de cd-wisselaar te kunnen bedienen. De cd-wisselaar bevindt zich in het rechter opbergvak in de laadruimte van de auto.

Het magazijn van de cd-lader verwijderen

Het magazijn verwijderen

Het magazijn uitnemen
OPMERKING:
Houd de deur van de cd-wisselaar altijd gesloten, behalve wanneer u een magazijn uitneemt of plaatst. De deur houdt stof, vuil en vreemde voorwerpen uit de cd-wisselaar. Wees voorzichtig met het cd-magazijn. Het kan barsten als u het laat vallen of tegen een hard oppervlak stoot.
- Open het opbergvak voor de cd-wisselaar rechtsachter in de laadruimte.
- Schuif het deurtje van de cd-wisselaar helemaal naar rechts.
- Druk op de EJECT-toets.
- Trek voorzichtig het magazijn uit de cd-wisselaar.
- Schuif het deurtje van de cd-wisselaar terug naar links en sluit het.
Cd's in het magazijn plaatsen

Schuif de cd's voorzichtig in het magazijn. Zorg ervoor dat het cd-label in de juiste richting wordt geplaatst. U kunt maximaal 10 cd's laden. Wanneer u de cd's omgekeerd plaatst, ziet u het bericht "CD Err" op het display van de radio.
OPMERKING:
Plaats nooit 8 cm (3 inch) cd's in het magazijn. Wanneer u een cd-adapter voor 8 cm cd's gebruikt, zal de cd vastlopen in het magazijn.
Cd's uit het magazijn nemen

Druk voorzichtig op de bloot liggende hoek van de cd's. U voelt een lichte veerdruk die de cd's op hun plaats houdt. Wees daarom voorzichtig zodat de cd's niet uit het magazijn vallen.
OPMERKING:
Probeer nooit het magazijn open te maken.
Het magazijn van de cd-lader plaatsen
- Open het opbergvak voor de cd-wisselaar rechtsachter in de laadruimte.
- Schuif het deurtje van de cd-wisselaar helemaal naar rechts. De magazijnhouder is nu zichtbaar.
- Plaats het magazijn in de wisselaar met het label in dezelfde richting als het woord JEEP op
het deurtje van de wisselaar (de laadsleuven van het cd-magazijn naar rechts).
- Schuif het deurtje van de cd-wisselaar terug naar links en sluit het.
ONDERHOUD VAN DE CASSETTESPELER EN DE CASSETTEBANDJES
Om uw cassettebandjes en de speler in prima conditie te houden, dient u het volgende in acht te nemen:
- Gebruik nooit bandjes langer dan C-90; deze zijn minder duurzaam en kunnen schade veroorzaken.
- Berg de cassette steeds op in het doosje. Zo wordt de cassette beschermd tegen stof en eventueel uitrafelen.
- Leg de cassettebandjes niet in direct zonlicht, hitte en sterke magnetische velden zoals luidsprekers.
- Controleer steeds of eventuele stickers goed op de cassette plakken voordat u het in de speler plaatst.
- Losse tape moet u aanspannen voordat u het bandje gebruikt. U kunt dat doen door een potlood of balpen in de aandrijfgaatjes te steken en zo het bandje strak aan te trekken.
Verzorg ook uw cassettespeler. De koppen en aandrijfassen van de speler zullen na een tijdje vuil en stof ophopen. Deze ophopingen kunnen de gevreesde 'bandspaghetti' veroorzaken, waardoor uw cassettebandje vernield is. Een ander nadelig effect van vuile koppen en aandrijfassen is een "modderig" en dof geluid, net alsof alle hoge tonen uit de opname verdwenen zijn. Om dat te voorkomen dient u de koppen en aandrijfas regelmatig schoon te maken met een in de handel verkrijgbare VOCHTIGE reinigingscassette.
Wij bevelen aan de koppen zowat alle 30 speeluren te reinigen. Wanneer u wacht tot de koppen zeer vuil worden (slechte geluidskwaliteit), kan het niet langer mogelijk zijn alle vuil te verwijderen met een VOCHTIGE reinigingscassette.
VERZORGING VAN DE COMPACT DISC
Om uw compact discs in prima conditie te houden, dient u het volgende in acht te nemen:
- Pak de cd aan de rand vast. Vermijd aanraking van het oppervlak.
- Verwijder vlekken met een schone, zachte doek. Veeg van het midden naar de buitenrand toe.
-
Plak geen papier of tape op de cd. Vermijd krassen.
-
Gebruik geen oplosmiddelen zoals wasbenzine, verdunner, schoonmaakmiddelen of anti-statische spray.
- Berg de cd op in het speciale opbergdoosje.
- Stel de cd niet bloot aan direct zonlicht.
- Bewaar de cd niet op zeer warme plaatsen.
OPMERKING:
Als uw problemen hebt met een bepaalde CD, kan het beschadigd zijn, of van een verkeerd formaat, of het kan een anti-diefstal code bevatten. Probeer eerst een schijfje waarvan u weet dat het werkt, voordat u de CD-speler laat nakijken.
KLIMAATREGELING
De bedieningselementen voor verwarming, airco en de aanjager bestaan uit een reeks draaiknoppen. Met deze comfortbediening kunt u het gewenste interieurklimaat instellen.

Bediening van de aanjager
De draaiknop aan de linker zijde bedient de aanjager. U kunt vier standen kiezen, van lage tot hoge snelheid.

De aanjager- motor blijft draaien tot het systeem in de stand OFF (uit) wordt gezet of tot u het con- tact UITZET.
Temperatuurregelknop

Met deze draai-knop regelt u de temperatuur van de lucht in de auto. De koudste temperatuur-instelling is helemaal links. De warmste instelling is helemaal rechts. U kunt de knop in elke willekeurige
stand zetten.
Met behulp van de luchtcirculatieknop kunt u een circulatiestand selecteren. Normaal gesproken wordt in alle andere standen (bi-level, buitenlucht, vloer, ontwasemen en ontdooien) buitenlucht naar binnen gestuurd.
Luchtcirculatieknop

Met de luchtcirculatie-knop (de rechter draaiknop) kiest u de uitstroom-openingen van het verluchtings-systeem:
OFF
In deze stand is de aanjagermotor uitgeschakeld. Er komt geen frisse buitenlucht naar binnen.
Circulatiestand

De luchtstroom stroomt door de roosters in het dashboard in de auto. Gebruik deze stand om de auto van binnen snel af te laten koelen. Deze stand kan ook gebruikt worden om tijdelijk alle buitenlucht te weren (geurtjes, rook of stof).
Dashboard

De luchtstroom stroomt door de roosters in het dashboard in de auto.
Bi-Level

De lucht stroomt door beide roosters in het dashboard en de roosters aan de vloer.
Vloer

Lucht stroomt door de vloerroosters onder het dashboard en naar het achterste ge- deelte van de auto langs roosters onder de voorste stoelen.
Ontwasemen

Lucht stroomt langs de voorste en achterste vloerroosters en de roosters aan de voorruit.
Ontdooien

De lucht wordt naar de voorruit gestuurd langs de roosters onderaan de voorruit.
OPMERKING:
Om brandstof te besparen laat u de ontwase- mingsfunctie best niet langer dan echt nood- zakelijk ingeschakeld.
Airconditioning
U kunt de airconditioning inschakelen door op de A/C-toets op het bedieningspaneel te drukken en met de draaiknoppen de gewenste circulatiestand en temperatuur te kiezen.
Infrarode klimaatregeling met twee klimaatzones—Indien aanwezig
De Infrarood klimaatregeling met twee klimaat-zones zal automatisch het gewenste comfort instellen voor bestuurder en passagier. Dat is mogelijk dankzij een dubbele infrarode sensor op de voorzijde van de bedieningsmodule. De dubbele sensor meet onafhankelijk de oppervlakte-temperatuur voor de bestuurder en de passagier. Op basis van die meetwaarden zal het systeem automatisch het volume en de temperatuur van de luchtstroom instellen. Zo blijft het klimaat in de auto altijd aangenaam, ook als de buiten-temperatuur verandert.

Het systeem is zeer eenvoudig te bedienen. Draai eerst de rechter circulatieknop in de stand "Auto". Kies nu de gewenste temperatuur voor het systeem met de afzonderlijke draaiknoppen voor bestuurder en passagier. Wanneer het gewenste comfortniveau wordt bereikt, zal het systeem dit niveau automatisch bijhouden met behulp van de verwarming. Wanneer het interieurklimaat de airco nodig heeft, zal het systeem die automatisch inschakelen.
De temperatuur kan met behulp van een programmeerbare functie worden weergeven in graden Celsius of Fahrenheit. Lees ook het hoofdstuk "Dakconsole" voor meer informatie over programmeerbare functies.
De linker knop stuurt de aanjager. Voor de instelling "Auto" kunt u kiezen tussen "HI" (hoge aanjagerstand) of "LO" (lage aanjagerstand). Wanneer het systeem het gewenste comfortniveau is bereikt, hoeft u de instellingen niet meer te wijzigen. Het systeem werkt het efficiëntst in de automatische stand.
Handmatige bediening
U kunt het systeem echter ook geheel handmatig bedienen. Er is een handmatig bediend aanjagerbereik wanneer u de "Auto"-functie niet wenst. Met de linker regelknop kunt u elke gewenste aanjagerstand kiezen. Draai de regelaar daarvoor van LO naar HI. U kunt de automatische instelling ("Auto") uitschakelen en zelf bepalen uit welke roosters de lucht stroomt. U kunt kiezen uit één van de volgende functies.
- Ontdooien

De lucht wordt naar de voorruit gestuurd langs de roosters onderaan de voorruit.
- Ontwasemen

Lucht stroomt langs de voorste en achterste vloerroosters en de roosters aan de voorruit.
• Vloer

Lucht stroomt door de vloerroosters onder het dashboard en naar het achterste ge- deelte van de auto langs roosters onder de voorste stoelen.
- Bi-Level

De lucht stroomt door beide roosters in het dashboard en de roosters aan de vloer.
- Dashboard

De luchtstroom stroomt door de roosters in het dashboard in de auto.
• OFF
Deze stand zet het hele systeem uit.
Druk op de A/C-toets om de airconditioning bij handmatige bediening AAN of UIT te zetten. Gekoelde lucht stroomt nu door de eerder geselecteerde luchtroosters.
Wanneer de buitenlucht rook, een naar geurtje of teveel vocht bevat, kunt u overschakelen op circulatie van interieurlucht. Druk bij handmatige bediening op de knop met het circulatie-pictogram. Met deze knop kunt u de auto ook snel van binnen laten afkoelen. Het lampje op de A/C-en de circulatieknop (pictogram) gaan branden wanneer u de functies selecteert. U kunt deze functies ook onafhankelijk van elkaar gebruiken. Druk een tweede keer op de knop om de functie uit te schakelen.
OPMERKING:
Wanneer de ruiten gaan "beslaan", moet u op de circulatieknop drukken om opnieuw buitenlucht de auto in te laten stromen. Bij vochtig en koud weer kan de lucht in de auto gaan condenseren op de ruiten en de zichtbaarheid belemmeren. Daarom kunt u de circulatiestand niet kiezen voor de functies Ontwasemen en Ontdooien.
Voor maximaal comfort blijft de aanjager in automatische modus uitgeschakeld tot de motor voldoende warm is. De aanjager gaat echter onmid-
dellijk draaien wanneer u de stand Ontwasemen kiest of wanneer u handmatig een aanjagersnelheid kiest.
OPMERKING:
Wanneer u de motor uitzet hoort u misschien korte tijd een sissend geluid onder de motorkap. Dat is normaal en wil gewoon zeggen dat de aircocompressor was ingeschakeld. Dat wil niet zeggen dat er iets verkeerd is met uw airconditioning.
Ontwaseming
Bij vochtig weer en motregen kan de binnenzijde van de ruiten gemakkelijk beslaan. Om de ruiten vrij te maken, gebruikt u de A/C-knop, de functie Dashboard en de aanjagerknop. Richt de dashboardroosters op de zijruiten. Kies nooit voor langere tijd de circulatiestand zonder airconditioning, omdat anders de ruiten gaan beslaan. Het beslaan van de voorruiten kunt u snel verhelpen met de functie Ontwasemen.
STARTEN EN BEDIENEN
- STARTPROCEDURE 87
• Normaal starten—Benzinemotoren 87
• Als de motor niet wil starten 87
• Normaal starten—Dieselmotoren 87
• Na het starten 88 - Rempedaalbeveiliging 88
• HANDREM 88
• AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK 89
- Versnellingsstanden 89
• Temperatuurbeveiliging 91
• Koppelomvormer 91 - De auto vrijschommelen 91
• RIJDEN MET VIERWIELAANDRIJVING 91
• Quadra-Trac II 91
• Quadra-Drive systeem 92
• TIPS VOOR HET RIJDEN 92
• Normale wegen 92
- Terrein 93
• VARI-LOK VOOR- EN ACHTERASSEN— INDIEN AANWEZIG 94
85
• TRAC-LOK-SPERDIFFERENTIEEL OP DE ACHTERAS ... 94
• STUURBEKRACHTIGING 94
• ABS-REMSYSTEEM 95
• BRANDSTOFVEREISTEN (LOODVRIJE BENZINE) ..... 96
• Benzine/zuurstofhoudende verbindingen 96
• 'Schone' benzine 96
- Additieven voor brandstoffen 97
• BRANDSTOFVEREISTEN (DIESEL) 97
• BRANDSTOFDOP EN BRANDSTOFKLEP 97
• Inhoud van de brandstoftank 99
• BANDEN 99
• Bandenspanning 99
• Vervangbanden 100
• Slijtage-indicatoren 100
- Banden verwisselen van plaats 101
• Uitlijnen en balanceren 101
• Sneeuwkettingen 101
• TREKKEN VAN EEN AANHANGWAGEN 101
• Gewicht en disselgewicht van de aanhangwagen .. 102
- Vereisten voor het trekken van een aanhanger .... 103
- Tips voor het koelsysteem—Aanhanger trekken met benzinemotor 103
- Tips voor het koelsysteem—Aanhanger trekken met dieselmotor 104
• Minimumvereisten aan het voertuig voor het trekken van aanhangers 104
STARTPROCEDURE
De versnellingshendel moet in de stand NEU-TRAAL of PARK staan voor u de motor kunt starten. Druk op het rempedaal vóór u de hendel in de stand DRIVE zet.
Normaal starten—Benzinemotoren
Bij normaal starten van een koude of warme motor hoeft het gaspedaal niet ingedrukt te worden. Draai de sleutel in de START-stand en laat hem los als de motor draait. Als de motor niet binnen 10 seconden wil starten, draait u de sleutel in de OFF-stand. Wacht 5 seconden en herhaal de normale startprocedure.
Als de motor niet wil starten
Als de motor niet start na het volgen van de normale startprocedure, kan de motor 'verzopen' zijn. Druk het gaspedaal helemaal in. Houd het gaspedaal vast terwijl u de motor laat ronddraaien. Hierdoor wordt overtollige brandstof verwijderd als de motor 'verzopen' is.
OPMERKING:
Om schade aan de startmotor te voorkomen, mag u niet langer dan 15 seconden de motor laten ronddraaien. Wacht 10 tot 15 seconden voor u het opnieuw probeert.
Als de motor 'verzopen' is, kan hij aanslaan, maar dan niet voldoende vermogen hebben om te blijven lopen als u de sleutel loslaat. In dit geval laat u de motor ronddraaien terwijl u het gaspedaal helemaal indrukt. Laat het gaspedaal en de sleutel los als de motor eenmaal soepel loopt.
Als de motor na twee pogingen van 15 seconden niet aanslaat terwijl u het gaspedaal ingedrukt houdt, moet de normale startprocedure worden herhaald.
WAARSCHUWING!
Giet nooit brandstof of een andere ontvlambare vloeistof in de luchtinlaat van het gasklephuis om de auto te starten. Hierdoor kunnen steekvlammen ontstaan die emstig letsel kunnen veroorzaken.
Normaal starten—Dieselmotoren
- Zet het contact aan (ON).
- Kijk naar het gele voorgloeilampje. Het zal twee tot tien seconden branden, afhankelijk van de motortemperatuur. Wanneer het voorgloeilampje uitgaat, kunt u de motor starten.
-
Druk niet op het gaspedaal. Hou de contact-sleutel in de stand START gedraaid tot u de motor hoort aanslaan.
-
Nadat de motor gestart is, moet u hem ongeveer 30 seconden stationair laten draaien voordat u vertrekt. Zo kan de motorolie goed circuleren en de turbolader smeren.
OPMERKING:
Bij koud weer, -15°C (5°F), herhaalt u stap 2. Wanneer het voorgloeilampje uitgaat, zet u de contactsleutel in de stand OFF en daarna nog eens in ON. Wacht nu een tweede keer tot het voorgloeilampje uitgaat. Nu is de motor gereed om te starten.
Belangrijke aanwijzingen voor het starten en rijden—Dieselmotor
WAARSCHUWING!
Giet NOOIT brandstof of een andere ontvlambare vloeistof in de luchtinlaat om de auto te starten. Hierdoor kunnen steekvlammen ontstaan die ernstig letsel kunnen veroorzaken.
- Onder normale omstandigheden, moet u de startmotor niet langer dan 15 seconden per startpoging laten draaien. Bij temperaturen onder -15^ (5°F) kan het nodig zijn de startmotor tot 30 seconden per startpoging te laten draaien. Langere startperiodes kunnen schade
toebrengen aan de accu of de startmotor. Wanneer de motor niet meteen start, herhaalt u stappen 2 en 3.
- Hoge toerentallen met een koude motor tijdens het rijden of stationair draaien kunnen de motor schade toebrengen.
- Voordat u een turbodiesel uitzet, moet u de motor altijd op normaal toerental laten terugkeren en enkele seconden stationair laten draaien. Op die manier wordt de turbolader correct gesmeerd. Dat is vooral nodig nadat u een tijdlang snel hebt gereden.
Na het starten
Het stationaire toerental wordt automatisch gere- geld bij dieselmotoren met indirecte inspuiting en zal dalen als de motor warm wordt.
VOORZICHTIG!
Als de auto zeer lang stationair draait (zeker bij hoge toerentallen), kan de temperatuur in de uitlaat zeer hoog oplopen en de auto beschadigen. Laat uw auto nooit onbewaakt achter met draaiende motor.
Rempedaalbeveiliging
Met dit systeem kunt u de selectiehendel van de automatische versnellingsbak pas uit de positie PARK (parkeren) in een andere positie zetten als u eerst het rempedaal indrukt. Dit systeem is actief als het contact in ON of OFF staat.
HANDREM
Trek de hendel zo ver mogelijk omhoog om de handrem aan te zetten. Wanneer de handrem aangetrokken wordt terwijl het contact aan is, gaat het remcontrolelampje op het instrumentenpaneel branden.
OPMERKING:
Het remcontrolelampje BRAKE geeft alleen aan dat de handrem is aangetrokken of dat het niveau van de remvloeistof laag is. Het is geen aanduiding voor de mate van de remwerking.

Voordat u de auto op een heuvel parkeert en achterlaat, moet u controleren of u de handrem goed hebt aangetrokken en de selectiehendel in de stand PARK hebt gezet (automatische versnellingsbak). De handgeschakelde versnellingsbak moet in versnelling staan. Wanneer u dat niet doet kan de auto gaan wegrollen en schade of letsels veroorzaken.
Bij parkeren op een helling moet u de handrem aantrekken voor u de versnellingshendel in de stand PARK zet. Als u dit niet doet, is het door de belasting op de transmissievergrendeling moeilijk om de hendel uit de PARK-stand te krijgen.
Daarom moet de handrem aangetrokken zijn als de bestuurder niet in de auto zit.
WAARSCHUWING!
- Kinderen zonder toezicht achterlaten in een auto is om verschillende redenen gevaarlijk. Er kan een kind gewond raken, of andere mensen. Kinderen moeten worden gewaarschuwd dat ze de handrem of de selectiehendel niet mogen aanraken. Laat nooit de sleutels in het contact. Een kind zou de elektrische ruiten of andere schakelaars kunnen bedienen of de auto in beweging brengen.
- Laat bij warm weer nooit kinderen of huisdieren achter in een geparkeerd voertuig. De hitte in de auto kan ernstige letsels veroorzaken.
Trek de handrem lichtjes naar boven, druk op de ontgrendelingsknop en laat de hendel helemaal naar beneden om de handrem los te zetten.

Controleer of de handrem volledig vrij is voor u gaat rijden. Als u dit niet doet, kan dit leiden tot een defect aan de remmen.
OPMERKING:
Raadpleeg uw geautoriseerde Jeep dealer voor onderhoud en afstelling van de parkeerrem.
AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK
De wijzer op de selectiehendel duidt de gekozen versnelling aan (de selectiehendel is 's nachts verlicht). De versnellingshendel moet in de stand NEUTRAAL of PARK staan voor u de motor kunt starten. Uw auto is uitgerust met een rempedaalbeveiliging dat de versnellingspook in de park positie houdt als het contact in de "OFF" staat. Om de pook uit de "P" stand te kunnen zetten, moet het contact in de "ON" positie staan, het rempedaal en de ontgrendelingsknop op de selectiehendel moeten ook ingedrukt zijn.
OPMERKING:
Wanneer het contact in de "ON"-positie staat, hoeft de motor niet te lopen om de pook uit de parkeerstand te zetten.
Versnellingsstanden
Laat de motor NOOIT hoge toerentallen draaien als u van de standen P (Park) of N (Neutraal) een andere versnelling kiest.

De motor kan in deze stand gestart worden. Probeer nooit de PARK-stand te gebruiken terwijl de auto in beweging is. De stand Park vormt een aanvulling op de handrem door de versnellingsbak te vergrendelen. Trek daarom ook altijd de handrem aan wanneer u deze versnellingsstand kiest. Trek altijd eerst de handrem aan en zet daarna de selectiehendel in Park.
WAARSCHUWING!
De auto kan verder rollen en letsels en schade veroorzaken als de hendel niet in de stand P staat. Controleer dat door de selectiehendel heen en weer te bewegen zonder de ontgrendelknop aan de linker kant in te drukken nadat u de stand P geselecteerd hebt. Zorg ervoor dat de hendel in stand P staat wanneer u de auto verlaat.
R—Reverse (achteruit)
Schakel alleen in deze stand als de auto volledig stilstaat.
N—Neutraal
Schakel in neutraal (N) wanneer de auto met draaiende motor langere tijd stilstaat. De motor kan in deze stand worden gestart. Trek de handrem aan voordat u uitstapt.
Overdrive
D Voor normaal rijden in de stad en op de snelweg. De versnellingsbak is uitgerust met een elektronisch gestuurde vierde ver-
snelling (Overdrive) en zal automatisch van Drive naar Overdrive schakelen in één van de volgende gevallen:
- De selectiehendel staat in Overdrive.
- De motorkoelvloeistof heeft normale bedrijfstemperatuur bereikt (alleen V8).
- De versnellingsbakolie heeft de normale bedrijfstemperatuur (alleen 6-cilinder).
- De auto rijdt sneller dan ca. 48 km/u (30 mph).
- De schakelaar O/D OFF werd niet ingedrukt.
U kunt de Overdrive uitschakelen door op de knop O/D OFF aan de zijkant van de selectie-hendel te drukken. Een lampje op het instrumentenpaneel geeft aan dat de schakelaar werd ingedrukt. Wanneer het lampje brandt, is de Overdrive uitgeschakeld. Wanneer u een tweede keer op de schakelaar drukt, schakelt u de Overdrive opnieuw in. De uitschakelfunctie is handig wanneer u een aanhangwagen trekt of zwaar beladen bent.
Als u de O/D OFF-functie wilt selecteren, moet u dat telkens doen wanneer u de motor start.

Wanneer u de auto start bij temperaturen van -21°C (-5°F) of lager, zal de versnellingsbak niet naar Overdrive schakelen. De Overdrive-versnelling wordt opnieuw geselecteerd, wanneer de omgevingstemperatuur gestegen is tot -17°C (2°F).
Wanneer de temperatuur van de versnellingsbak hoger is dan 132°C (270°F), gaat het O/D OFF-lampje branden en zal de versnellingsbak een andere versnelling kiezen tot de versnellingsbak opnieuw is afgekoeld. Daarna kan opnieuw met Overdrive worden gereden.
2—Tweede versnelling
Kies deze stand wanneer u traag rijdt in druk stadsverkeer of in heuvelachtig gebied en exact uw toerental wenst te beheersen. Kies deze stand ook voor lange beklimmingen of om te remmen op de motor bij matig steile afdalingen. Om te hoge motortoerentallen te vermijden mag u niet sneller rijden dan 72 km/u (45 mph).
1—Eerste versnelling
Kies deze stand wanneer u zeer steile hellingen op moet en wanneer u met lage snelheid van 40 km/u (25 mph) of minder op de motor wil remmen. Om te hoge motortoerentallen te vermijden mag u niet sneller rijden dan 40 km/u (25 mph).
WAARSCHUWING!
Gebruik nooit de parkeerstand van de automatische versnellingsbak als vervanging van de handrem. Trek de handrem altijd stevig aan wanneer u de auto parkeert. Een voortrollende wagen kan ernstige letsels en schade veroorzaken.
VOORZICHTIG!
- Voordat u de selectiehendel uit de stand P zet, moet u het contact inschakelen (ON) zodat het stuurslot en de selectiehendel ontgrendeld worden. Anders kan dat schade aan de stuurkolom of de schakelpook veroorzaken.
- Jaag de motor nooit op toeren met ingeschakelde versnelling en de voet op het rempedaal. Probeer de auto ook niet op hellingen te laten stilstaan met behulp van de versnellingsbak. Dat kan oververhitting en dus ernstige schade aan de versnellingsbak veroorzaken.
- Wanneer u een vastgelopen auto wilt "vrij-schommelen" door heen en weer te schakelen tussen de standen EERSTE VERSNELLING en ACHTERUIT, mogen de wielen niet sneller spinnen dan 24 km/u (15 mph) om schade aan de aandrijving te voorkomen.
Temperatuurbeveiliging
De elektronica van de versnellingsbak controleert voortdurend de temperatuur van de versnellingsbakolie. Wanneer die olie te warm wordt, zal de bak terugschakelen naar derde versnelling en gaat het O/D OFF-lampje branden. Bovendien gaat het "TRANS OVERTEMP-lampje" (temperatuurlampje) van de versnellingsbak branden. Als de olie voldoende is afgekoeld, gaat het systeem terug naar normale werking.
Koppelomvormer
Deze speciale functie werd ontworpen om brandstof te besparen en werkt samen met de automatische versnellingsbak van de auto. Een koppeling in de koppelomvormer wordt automatisch geactiveerd bij bepaalde snelheden. Daardoor kan de auto iets anders aanvoelen of reageren tijdens het normaal rijden in hoge versnelling. Wanneer de auto trager gaat rijden of tijdens de acceleratie zal de koppeling automatisch en zacht koppelen.
De auto vrijschommelen
Wanneer u met de auto vast komt te zitten in modder of sneeuw, kunt u de auto meestal loskrijgen door hem "vrij te schommelen". Schakel snel heen en weer tussen de standen EERSTE VERSNELLING en ACHTERUIT terwijl u voorzichtig gas geeft.
Trap het gaspedaal net voldoende in om de schommelende beweging van de auto op gang te houden, zonder dat de wielen doorslippen. De motor "op toeren jagen" of het laten doorslippen van de wielen uit frustratie kan oververhitting van de versnellingsbak en schade veroorzaken. Laat na alle vijf schommelbewegingen de motor ten minste één minuut lang stationair draaien met de selectiehendel in NEUTRAAL. Zo voorkomt u oververhitting en vermindert u het risico op storingen van de versnellingsbak door het langdurig vrijschommelen van de auto.
RIJDEN MET VIERWIELAANDRIJVING
Quadra-Trac II
De Quadra-Trac II tussenbak heeft een volledig automatische vierwielaandrijving in de stand 4 All-Time. In de 4 All-Time Mode stuurt het aandrijvingkoppel naar de achteras bij normaal rijden, net zoals bij een auto met achterwielaandrijving. Wanneer het snelheidsverschil tussen voor- en achteras groot wordt, kan een groot deel van het aandrijfkoppel naar de vooras worden gestuurd. In 4-LO Mode zal de versnellingsbak tijdelijk zowel de voor- als achteras aandrijven. De assen zijn geblokkeerd en draaien met dezelfde snelheid.
De Quadra-Trac II-vierwielaandrijving voorziet:
- 4WD-permanente vierwielaandrijving voor het rijden op terrein.
- 4WD LO Mode voor extra trekkracht op moeilijk terrein en bij lage snelheid (max. 64 km/u (40 mph)).
- De Neutrale stand verbreekt de verbinding tussen de assen en de aandrijving. Kies deze
stand wanneer u wordt gesleept. Zie ook hoofdstuk 6 voor instructies m.b.t. slepen.
WAARSCHUWING!
Laat de auto nooit onbewaakt achter met de tussenbak in de positie N (neutraal) en zonder aangetrokken handrem. De positie N van de tussenbak verbreekt de verbinding met beide assen, zodat het voertuig ook kan gaan bewegen als het in versnelling staat.
Schakelen van de tussenbak—Quadra-Trac II

Met de selectiehendel in deze stand kunt u op alle soorten wegen rijden (ijs, sneeuw, grind, zand,...). Deze stand is evenzeer geschikt voor
droog wegdek als met sneeuw bedekt terrein. Normaal staat de hendel in deze positie.
- 4 LO stand
Deze stand werd ontworpen voor tijdelijk gebruik wanneer u extra trekkracht nodig hebt. Gebruik deze stand niet om normaal te rijden. Rijd met een snelheid van 3-5 km/u (2-3 mph), zet de versnelingshendel in neutraal (N), verplaats de hendel van de tussenbak snel en krachtig naar LO, zonder te stoppen in Neutraal.
- Neutraal
Wanneer u van neutraal naar 4 All-Time of 4 LO gaat, moet u de motor uitzetten.
VOORZICHTIG!
U mag NOOIT naar of uit Low Range schakelen, wanneer de auto sneller rijdt dan 3-5 km/u (2-3 mph). Anders kunt u schade toebrengen aan de versnellingsbak.
Wanneer u de selectiehendel in 4 All-Time zet, moet u vertragen tot 3-5 km/u (2-3 mph). Schakel stevig en snel, zonder te pauzeren in Neutraal.
De indicator van de selectiehendel geeft aan wanneer de tussenbak in de stand 4 ALL TIME, NEUTRAAL of 4 LO staat.
WAARSCHUWING!
Wanneer u een bepaalde schakelstand niet goed geselecteerd hebt, kan dat schade aan de versnellingsbak en verlies van vermogen veroorzaken. U loopt ook gevaar om een emstig ongeval te hebben. Rijd uitsluitend met geheel ingeschakelde tussenbak.
Quadra-Drive-systeem
Het Quadra-Drive-systeem is uitgerust met drie koppelomvormers. De drie omvormers zijn: Vari-Lok op vooras, Vari-Lok op achteras en Quadra-Trac II tussenbak. Tussenbak en askoppelingen hebben weliswaar een ander ontwerp, maar wel een gelijkardige functie. Lees de informatie m.b.t. de Quadra-Trac II tussenbak voor meer informatie over het schakelen.
TIPS VOOR HET RIJDEN
Normale wegen
Vierwielaangedreven voertuigen hebben een grotere bodemvrijheid dan de meeste personenwagens om ze geschikt te maken voor een grote verscheidenheid aan terreintoepassingen. Door dat speciale ontwerp hebben ze een hoger zwaartepunt dan normale auto's. Een voordeel van de grotere bodemvrijheid is het beter kunnen overzien van de weg, zodat u problemen sneller kunt
anticiperen. Terreinwagens zijn echter niet ontworpen voor dezelfde bochtensnelheid als een standaard tweewielaangedreven auto. Tegelijk zal een lage sportauto ook slecht presteren op het terrein. Vermijd daarom zoveel mogelijk scherp en abrupt bochtenwerk tegen hoge snelheden. Net als bij andere auto's van dat type, kunt u de controle over het stuur verliezen, of een ongeval veroorzaken wanneer u de auto niet op de juiste wijze bedient.
Terrein
Er zijn heel wat verschillen tussen rijden op de normale weg en rijden op het terrein. Op het terrein kunt u plaatsen bereiken waar geen straat ligt. Tegelijk zijn er ook gevaren die u niet op de autoweg zal ontmoeten. Lees daarom dit hoofdstuk aandachtig door voordat u met uw Jeep het terrein op gaat. Op die manier haalt u alles uit uw terreinauto. U vindt hier ook handige tips m.b.t. veilig rijden op het terrein.
Wanneer Low Range te gebruiken
Als u met uw Jeep op het terrein rijdt, kies dan Low Range voor meer aandrijfkracht, het afdalen van een berg, het trekken van zware lasten tegen lage snelheid of betere manoeuvreerbaarheid en controle op glad en moeilijk terrein. Gebruik ook Low range op normale wegen wanneer het regent, ijzelt, sneeuwt, in modder of zand of wanneer u zware lasten trekt en High Range vierwielaandrijving niet langer volstaat.
Sneeuw, modder en los zand
Schakel bij het rijden in dikke sneeuw of als een aanhanger wordt getrokken terug naar een lagere versnelling en zet eventueel de tussenbak in de stand Low. Schakel echter geen lagere versnelling in dan noodzakelijk om in beweging te blijven. Als de motor te hoge toeren draait, is de kans op doorslippen van de wielen en verlies van tractie het grootst.
Schakel nooit naar beneden bij ijzel of op gladde wegen. Remmen op de motor kan slippen veroorzaken. U kunt de controle over het stuur verliezen.
Voordat u een steile helling oprijdt, moet u een lagere versnelling kiezen en de tussenbak op Low zetten. Kies de eerste versnelling en Low bij erg steile hellingen.
Wanneer de motor afslaat of u terugglijdt terwijl u een helling oprijdt, moet u de auto laten stoppen en onmiddellijk het rempedaal indrukken. Start de motor opnieuw en kies de achteruitversnelling. Rijd traag de helling achteruit naar beneden. Profiteer daarbij van de remwerking van de motor en de versnellingsbak. Wanneer u toch nog bijkomend moet remmen, mag u slechts lichtjes remmen om blokkeren en slippen van de wielen te voorkomen.
WAARSCHUWING!
Wanneer de motor afslaat of als u op een zeer steile helling achteruit rolt, mag u nooit trachten rechtsomkeer te maken. U loopt gevaar om te slaan. Rijd altijd voorzichtig recht achteruit in achteruitversnelling. Rijd een helling nooit naar beneden in Neutraal of met ingedrukt koppelingspedaal en rempedaal. Denk erom: rijd nooit schuin (diagonaal), maar altijd recht een helling op of af.
Wanneer de wielen gaan doorslippen als u de top bereikt, neem dan gas terug en blijf vooruit rijden door het stuurwiel krachtig naar links en rechts te draaien. Op die manier vormt u een nieuw "spoor" in het mulle oppervlak, waardoor u voldoende tractie hebt om de top van de helling te nemen.
Afdalen
Schakel een lage versnelling in en schakel de tussenbak in Low. Laat de auto traag de helling afrijden, terwijl de wielen door de motor afgeremd worden. Op die manier hebt u prima controle over snelheid en richting van de auto.
Wanneer u een berg of heuvel afdaalt, kan pompend remmen fading van de remschijven of falen van het remsysteem voorkomen. Vermijd herhaaldelijk krachtig remmen door zoveel mogelijk een lagere versnelling te kiezen (rem op de motor).
Na het terreinrijden
Terreinrijden vergt veel meer van uw auto dan het rijden op normale wegen. Controleer daarom altijd de auto nadat u op het terrein gereden hebt. Zo kunt u eventuele schade meteen laten verhelpen en uw Jeep in prima conditie houden.
- Controleer de gehele onderzijde van uw Jeep. Controleer de banden, chassis, stuurinrichting, ophanging en het uitlaatsysteem op beschadiging.
- Controleer of er ophopingen van bladeren, takjes of struikjes zijn. Die kunnen brand veroorzaken. Ze kunnen ook schade berokkenen aan brandstofleidingen, remleidingen en de aandrijving.
- Laat na lang rijden door modder, zand, water enz. de emschijven, wielen, remvoeringen en koppelingen van de aandrijfassen controleren en reinigen.
WAARSCHUWING!
Schurende materialen kunnen schade aanrichten aan de remmen of onvoorspelbaar remgedrag veroorzaken. U loopt gevaar niet over de volle remkracht te beschikken om b.v. een ongeval te vermijden. Wanneer u met uw auto door vuil terrein hebt gereden, moet u de remmen laten controleren en eventueel laten reinigen.
- Wanneer u ongewone trillingen voelt nadat u door modder, sneeuw en dergelijke hebt gere- den, moet u controleren of de wielen er niet mee volzitten. Verwijder het materiaal omdat het een onbelans creëert in der vier wielen.
VARI-LOK VOOR- EN
ACHTERASSEN—INDIEN AANWEZIG
De optionele Vari-Lok-as is helemaal automatisch en heeft geen speciale bediening van de bestuurder nodig. Onder normale omstandigheden functioneert de unit als een standaard differentieel tussen linker en rechter wielen. Wanneer er een gripverschil is tussen de linker en rechter wielen, zal het differentieel een snelheidsverschil vaststellen. Wanneer één wiel sneller gaat draaien dan het andere, zal het differentieel automatisch het wiel met de meeste grip ook de meeste aandrijf-kracht geven.
TRAC-LOK-SPERDIFFERENTIEEL OP DE ACHTERAS
Het optionele Trac-Lok-sperdifferentieel voor de achteras zorgt voor een constante kracht-verdeling tussen beide achterwielen en vermindert zo doorslippen van een wiel door verlies van tractie. Wanneer er een verschil is in grip tussen twee achterwielen, zal het differentieel automatisch de aandrijfkracht verdelen, zodat het wiel met het meeste grip ook meer aandrijfkracht krijgt.
Trac-Lok is vooral van belang op een glad wegdek. Als beide achterwielen op een glad wegoppervlak staan, zal een kleine druk op het gaspedaal voor maximale grip zorgen. Wanneer echter slechts één wiel op een zeer gladde ondergrond staat, kan een maximale aandrijfkracht bereikt worden door de handrem even aan te trekken.
STUURBEKRACHTIGING
U kunt uw Jeep ook nog gewoon mechanisch sturen wanneer de stuurbekrachtiging van de auto faalt.
Als de hydraulische druk om welke reden ook onderbroken wordt, kan uw auto nog steeds bestuurd worden. Onder deze omstandigheden gaat het sturen wel zwaarder.
ABS-REMSYSTEEM
Het ABS-systeem zorgt in de meeste situaties voor meer voertuigstabiliteit en betere remprestaties. Het systeem werkt met een aparte computer die de hydraulische druk regelt om te verhinderen dat een wiel blokkeert tijdens het remmen en om slippen op glad wegdek te voorkomen.
Alle wielen en banden van de auto moeten van dezelfde maat en hetzelfde type zijn om de juiste signalen door te geven aan de computer.
WAARSCHUWING!
Te hoge of te lage bandenspanning, het door elkaar gebruiken van verschillende banden- of velgmaten kan tot een vermindering van de remwerking leiden.
Bij een snelheid van ongeveer 20 km/u (12 mph) zal het ABS een zelftest uitvoeren. Wanneer u de voet op het rempedaal houdt terwijl die test gebeurt kunt u een kleine pedaalbeweging voelen. Die beweging is duidelijker voelbaar wanneer u op sneeuw of ijs rijdt. Dat is normaal.
Tijdens de zelftest bij 20 km/u (12 mph) en tijdens een ABS-stop zal de pompmotor van het ABS-systeem draaien. De pompmotor maakt een laag, zoemend geluid tijdens het pompen. Dat is normaal. Op het terrein kunnen de wielen doorslippen, waardoor het systeem tijdelijk ontregeld is en het waarschuwingslampje kort oplicht. Zet het contact uit en weer aan om het ABS-systeem te herstellen.
WAARSCHUWING!
Pompend remmen met ABS vermindert het rem-effect en kan leiden tot een ongeval. Pompend remmen vergroot de remafstand. Wanneer u moet remmen of stoppen, drukt u gewoon stevig op het rempedaal.
VOORZICHTIG!
Het ABS-systeem is gevoelig voor mogelijke nadelige effecten door elektronische interferenties, veroorzaakt door een verkeerd gemonteerde radio of telefoon.
OPMERKING:
Als u zeer hard moet remmen, kunt u het rempedaal voelen 'pompen' en hoort u een kloppend geluid. Dat is normaal en betekent gewoon dat het ABS-systeem perfect werkt.
WAARSCHUWING!
Tips voor veiliger accelereren en remmen:
- Laat uw voet nooit op het rempedaal rusten terwijl u rijdt. U kunt de remmen oververhitten. Dat kan resulteren in een onvoorspelbare remwerking, een langere remweg of schade aan de remmen.
- Wanneer u een berg of heuvel afdaalt, kan pompend remmen fading van de remschijven of falen van het remsysteem veroorzaken. Voorkom herhaaldelijk krachtig remmen door een lagere versnelling te kiezen of de overdrive uit te schakelen wanneer dat kan.
- Tijdens het opwarmen zal de motor met een hoger toerental stationair draaien. Daardoor kunnen de achterwielen doorslippen en kunt u de controle over de auto verliezen. Wees extra voorzichtig tijdens het rijden op gladde wegen, het manoeuvreren in een krappe ruimte, parke- ren en stoppen. Denk erom: schakel altijd de vierwielaandrijving in als de weg glad is.
- Rijd niet harder dan de wegomstandigheden toelaten, vooral bij natte of modderige wegen. Er kan zich een laagje water vormen tussen bandenprofiel en het wegdek. Dit aquaplaning kan verlies van tractie, remvermogen en con-
trole over het stuur betekenen. Schakel in dergelijke omstandigheden de vierwielaandrijving in.
- Na het rijden door diep water of een car-wash kunnen de remmen nat worden, waardoor ze slecht en onvoorspelbaar kunnen werken. U moet ze daarom droogremmen door een paar keer bij lage snelheid pompend te remmen.
BRANDSTOFVEREISTEN (LOODVRIJE BENZINE)
Uw auto voldoet aan alle emissie-eisen en biedt een laag brandstofverbruik als u hoogwaardige ongelode benzine met een minimum octaangetal van 91 gebruikt.
U kunt als brandstof normale ongelode benzine gebruiken met een minimum research-octaangetal 91, tot super ongelood met een minimum research-octaangetal 98.
Licht pingelen bij lage motortoerentallen is niet echt schadelijk voor uw motor. Als de motor echter voortdurend ernstig pingelt bij hogere toerentallen, kan schade ontstaan en moet uw geautoriseerde dealer onmiddellijk gewaarschuwd worden. Motorschade als gevolg van rijden met een ernstig pingelende motor kan buiten de garantie van de nieuwe auto vallen.
Het gebruik van ongelode benzine met het juiste octaangetal wordt aanbevolen, evenals benzine met reinigingsmiddelen en additieven voor corrosiepreventie en stabiliteit. Als u benzine tankt met deze additieven kan dit gunstig zijn voor het brandstofverbruik, de emissie, de levensduur en de prestaties.
Benzine van slechte kwaliteit kan problemen opleveren zoals slecht starten, afslaan en overslaan van de motor. Als u deze problemen heeft, moet u eerst een ander merk benzine proberen, voordat u uw geautoriseerde dealer opzoekt.
Benzine/zuurstofhoudende verbindingen
Sommige brandstofleveranciers mengen ongelode benzine met stoffen die zuurstof bevatten, zoals alcohol, MTBE en ETBE. Het type en de mengverhouding zijn belangrijk.
De volgende stoffen worden gebruikt in benzinemengsels:
• MTBE/ETBE
Benzine met MTBE (methyl-tertiair-butyl-ether) is een mengsel van ongelode benzine en maximaal 15% MTBE. Benzine met ETBE (ethyl-tertiair-butyl-ether) is een mengsel van benzine en maximaal 17% ETBE. Benzine die gemengd is met MTBE of ETBE mag in uw auto gebruikt worden.
- Ethanol
(Ethyl of graanalcohol) op de juiste manier gemengd, wordt gebruikt als mengsel van 10% ethanol en 90% ongelode benzine. Benzine die gemengd is met ethanol mag in uw auto gebruikt worden.
- Methanol
(Methyl of houtalcohol) wordt gebruikt in verschillende concentraties wanneer het gemengd wordt met ongelode benzine. U kunt brandstoffen tegenkomen die 3% of meer methanol bevatten, samen met andere alcoholsoorten die cosolvents genoemd worden.
Het gebruik van een mengsel van methanol en benzine kan leiden tot startproblemen en slechte rijeigenschappen en beschadiging van belang- rijke componenten van het brandstofsysteem.
Problemen die voortkomen uit het gebruik van een mengsel van methanol en benzine vallen niet onder de verantwoordelijkheid van Chrysler International en eventuele schade wordt niet gedekt door de garantie van de nieuwe auto.
'Schone' benzine
Bij het produceren van benzine wordt tegenwoordig gestreefd naar een bijdrage tot schonere lucht, vooral in gebieden met ernstige luchtverontreiniging. Deze nieuwe mengsels zorgen voor een schonere verbranding.
In sommige gebieden waar het koolmonoxideniveau hoog is, wordt benzine gemengd met stoffen
als MTBE, ETBE en ethanol. Het gebruik van benzine met deze stoffen draagt bij tot een scho- ner milieu.
Chrysler International steunt deze inspanningen voor schonere lucht. U kunt meehelpen door daar te tanken waar deze benzine verkrijgbaar is.
Additieven voor brandstoffen
Onoordeelkundig gebruik van reinigingsmiddelen voor het brandstofsysteem moet vermeden worden. Veel van deze stoffen die bedoeld zijn voor het verwijderen van gom en lak bevatten actieve oplosmiddelen. Deze middelen kunnen schade toebrengen aan het brandstofsysteem, aan pakkingen en membranen.
BRANDSTOFVEREISTEN (DIESEL)
Hoogwaardige dieselbrandstof is verkrijgbaar bij pompstations van de bekende merken. Wij adviseren alleen de beste dieselbrandstof te tanken met een minimum cetaangetal van 45 of meer. Raadpleeg uw geautoriseerde dealer voor meer informatie over de beschikbare brandstoffen in uw omgeving.
Wanneer de motor geen dieselbrandstof meer heeft, is het noodzakelijk om de brandstofleidingen te ontluchten. Open de motorkap en voer de volgende handelingen uit.

- De lagedruk-ontluchtingsschroef losdraaien, maar niet verwijderen.
- Schroef de handmatige pompplunjer los aan de bovenzijde van de brandstof-/waterscheider. Trek de plunjer omhoog. Wanneer de brandstoftank leeg gereden is, moet u de plunjer eventueel een honderdtal keer bedienen tot u weer diesel in de filterkom ziet.
-
Ga door met het op en neer bewegen van de plunjer tot de brandstof die uit de lagedrukontluchtingsschroef komt geen lucht meer bevat.
-
De lagedruk-ontluchtingsschroef weer vastdraaien.
- Pomp nog een paar keer, totdat u weerstand voelt, om de injectie-pomp te vullen.
- De handplunjer opnieuw in de bovenzijde van de brandstof-/waterscheider plaatsen.
OPMERKING:
Wanneer u de waarschuwing "water in brandstof" (Water In Fuel) op het diesel-informatiecentrum ziet branden, moet u de brandstof-/waterscheider draineren. Zie "Onderhoud van uw auto" voor de correcte procedure.
BRANDSTOFDOP EN BRANDSTOFKLEP
WAARSCHUWING!
Om te voorkomen dat brandstof gemorst wordt en de tank te vol wordt, mag u de brandstoftank niet "tot het randje" vullen.
De afsluitbare benzinevuldop bevindt zich achter de vulklep aan de linkerzijde van de auto. Als de benzinevuldop zoekgeraakt of beschadigd is, moet de vervangende dop geschikt zijn voor deze auto.
VOORZICHTIG!
Schade aan het brandstofsysteem of het emissieregelsysteem kan het gevolg zijn van een slecht passende vuldop. Door een slecht passende dop kan vuil in het brandstofsysteem terechtkomen.

Wanneer u de vuldop te snel verwijdert, kunt u letsels oplopen. Brandstof kan uit de vulpijp spuiten en ontbranden als er een vonk of vlam in de buurt is. Dat is vooral mogelijk als de auto zeer warm is. De druk in de brandstoftank is dan groter. Verwijder de vuldop langzaam. Houd alle rookgerei en vuur uit de buurt van de auto wanneer u de vuldop afneemt of de tank vult.
- Zet de motor uit.
- Steek de contactsleutel in het slot van de vuldop en draai de sleutel 1/4 naar rechts en roteer. Draai de vuldop naar links om hem te verwijderen.
- Roteer de contactsleutel naar links om hem te verwijderen.
- Na het tanken plaatst u de vuldop opnieuw op de vulpijp. Draai de dop naar rechts tot u ten minste drie klikken hoort.
- Wanneer uw auto is uitgerust met een vuldop met bevestigingsstrip, moet u ervoor zorgen dat de strip niet gekneld zit onder de vuldop.
OPMERKING:
Om overvullen van de brandstoftank te voorkomen mag u nooit brandstof bijtanken nadat het vulpistool de derde keer automatisch werd uitgeschakeld (derde klikgeluid).
WAARSCHUWING!
- Verwijder de benzinevuldop langzaam om te voorkomen dat brandstof uit de vulpijp spuit en letsel veroorzaakt.
- Door de vluchtigheid van bepaalde benzinesoorten kan druk opgebouwd worden in de brandstoftank. Deze druk kan groter worden tijdens het rijden. Wanneer de auto warm is en de dop verwijderd wordt, kan het voorkomen dat benzine en/of benzinedamp wegspuit. Verwijder de dop langzaam om de druk te laten ontsnappen en het wegspuiten van brandstof te vermijden.
- Vul nooit brandstof bij wanneer de motor draait.
- Houd alle rookgerei en vuur uit de buurt van de auto wanneer u de vuldop afneemt of de tank vult.
WAARSCHUWING!
Er kan brand ontstaan als een jerrycan gevuld wordt met benzine, terwijl deze in de auto of op de laadbak staat. U kunt brandwonden oplopen. Plaats een jerrycan altijd op de grond tijdens het vullen.
Inhoud van de brandstoftank
78 liter (20 U.S. Gallons).
BANDEN
Bandenspanning
Controleer de bandenspanning als de banden koud zijn. Op warme dagen kan de druk 28 tot 56 kPa hoger zijn na snel rijden.
BELANGRIJK: Controleer de toestand en de spanning van de banden ten minste eens per maand en telkens wanneer u een grotere reis gaat maken. Pomp de banden in koude toestand nooit verder op dan aangegeven waarde op de schouder van de band.
Controleer ook de spanning van het reservewiel. In normale omstandigheden kan uw reservewiel wel 34 kPa–69 kPa (5-10 psi) per jaar verliezen.
Ongelijke bandenspanning kan gevolgen hebben voor het rechtdoor rijden en de manoeuvreerbaarheid van de auto. Bovendien schakelt u moeizamer uit en naar vierwielaandrijving.
Koude bandenspanning
De correcte bandenspanning bij koude banden is 227 kPa (33 psi) voor zowel de voorste als de achterste banden van deze auto. De bandenspanning van het reservewiel bedraagt 227 kPa (33 psi).
* Voor deze bandenspanning veronderstellen we dat de auto max. 5 personen en 181 kg (400 lbs.) lading vervoert.
WAARSCHUWING!
Verkeerde banden of onjuiste bandenspanning kunnen ongevallen veroorzaken. Let op de volgende punten voor optimale veiligheid:
- Uw auto moet uitgerust zijn met hetzelfde type banden en dezelfde bandenmaat. Monteer nooit radiaalbanden en diagonaalbanden op dezelfde auto. Wanneer niet alle banden dezelfde maat hebben, kan dat onvoorspelbaar weggedrag veroorzaken.
- Bepaalde combinaties van speciale banden en velgen uit de accessoirehandel kunnen moeilijkheden veroorzaken bij het schakelen, sturen en de geometrie van de ophanging. Bovendien werkt de snelheidsmeter niet langer correct. Dat kan onvoorspelbaar stuurgedrag en belastingen van de stuurinrichting en ophanging veroorzaken. Kies daarom alleen banden en velgmaten die goedgekeurd zijn voor uw auto.
- Te lage bandenspanning kan vroegtijdige slijtage en verhitting veroorzaken, waardoor de wagen moeilijk bestuurbaar wordt. Bovendien is er het gevaar voor een klapband en slechte
tractie op nat wegdek (vooral als de banden versleten zijn). De bandenspanning moet u niet verkleinen als de banden heet zijn. Wanneer u de bandenspanning van hete banden moet aanpassen, kiest u best voor tijdelijke spanning die 42 kPa (6 psi) groter is dan de aangeduide druk (69 kPa (10 psi) meer wanneer u lang tegen hoge snelheden rijdt). Wanneer u de bandenspanning van koude banden aanpast, mag u de aangeduide bandenspanning niet overschrijden.
- Laat de uitlijning nakijken na een incident waar bij de banden, de stuurinrichting of de ophanging een flinke klap hebben gekregen.
- Onregelmatige bandenslijtage, het gebruik van een afwijkende bandenmaat en/of -soort en lage bandenspanning kan de oorzaak zijn van moeilijk schakelen van de tussenbak. Kies daarom alleen banden en velgmaten die goedgekeurd zijn voor uw auto. U kunt proberen of de tussenbak gemakkelijker schakelt als u de banden eerst van plaats verwisselt.
- Voorkom overbelasting van uw banden. Net als een te lage bandenspanning kan een te hoge spanning een klapband veroorzaken. Dat kan een ongeval veroorzaken. Kies daarom altijd de juiste banden voor uw auto en zorg ervoor dat u ze niet overbelast.
Vervangingsbanden
De banden van uw nieuwe auto bieden een optimaal evenwicht tussen heel wat eigenschappen. Controleer daarom de banden geregeld op de juiste bandenspanning en slijtage. Chrysler International raadt u sterk aan de originele banden alleen te vervangen door gelijkwaardige banden wanneer dat nodig is (zie paragraaf over de slijtage-indicatoren). Wanneer u een ander type band monteert, kan dat de veiligheid, wegligging en het gedrag van uw auto in gevaar brengen. Wij raden aan dat u contact opneemt met een gespecialiseerd bandenverkoper voor alle vragen omtrent de juiste band.
Sneeuwbanden
Sneeuwbanden bieden maximale grip op sneeuw en ijzel. Chrysler International adviseert banden van het merk Goodyear Ultra Grip 235/70 R16 voor deze weersomstandigheden.
OPMERKING:
Gebruik geen sneeuwkettingen bij een bandenmaat van P225/75 R16 of groter. Lees ook de paragraaf "Sneeuwkettingen" in dit hoofdstuk.
WAARSCHUWING!
- Gebruik nooit een band die smaller is dan de minimumbandmaat op het bandenlabel van uw auto. Een smallere band kan overbelast worden en defect raken. U kunt de macht over het stuur verliezen en een ongeval veroorzaken.
- Wanneer de banden niet geschikt zijn voor de behaalde snelheden, kan dat een klapband veroorzaken. U kunt dan de controle over de auto verliezen.
- Voorkom overbelasting van uw banden. Net als een te lage bandenspanning kan een te hoge spanning een klapband veroorzaken. Kies daarom altijd de juiste banden voor uw auto en zorg ervoor dat u ze niet overbelast.
VOORZICHTIG!
Het monteren van een band met een afwijkende bandenmaat kan ervoor zorgen dat de aanduiding van de snelheidsmeter en de kilometer teller niet langer juist zijn. Dat heeft ook invloed op de prestaties en het rijgedrag van uw auto. Raadpleeg uw geautoriseerde dealer voor de juiste bandenmaat.
Slijtage-indicatoren

De slijtage-indicatoren zijn smalle strips van 1,6 mm dik die in de profielgroeven van de band ingebouwd zijn.
Wanneer het profiel van de band tot op deze indicatoren versleten is, moet u de band vervangen.
Uw banden slijten sneller als u de auto overbelast, op lange reizen bij zeer warm weer of wanneer u over slechte wegen rijdt.
Banden verwisselen van plaats

flowchart
graph TD
A["Process Block 1"] <--> B["Process Block 2"]
C["Process Block 3"] <--> D["Process Block 4"]
E["Process Block 5"] <--> F["Process Block 6"]
G["Process Block 7"] <--> H["Process Block 8"]
I["Process Block 9"] <--> J["Process Block 10"]
K["Process Block 11"] <--> L["Process Block 12"]
M["Process Block 13"] <--> N["Process Block 14"]
O["Process Block 15"] <--> P["Process Block 16"]
Q["Process Block 17"] <--> R["Process Block 18"]
S["Process Block 19"] <--> T["Process Block 20"]
U["Process Block 21"] <--> V["Process Block 22"]
W["Process Block 23"] <--> X["Process Block 24"]
Y["Process Block 25"] <--> Z["Process Block 26"]
AA["Process Block 27"] <--> AB["Process Block 28"]
AC["Process Block 29"] <--> AD["Process Block 30"]
AE["Process Block 31"] <--> AF["Process Block 32"]
AG["Process Block 33"] <--> AH["Process Block 34"]
AI["Process Block 35"] <--> AJ["Process Block 36"]
AK["Process Block 37"] <--> AL["Process Block 38"]
AM["Process Block 39"] <--> AN["Process Block 40"]
AO["Process Block 41"] <--> AP["Process Block 42"]
AQ["Process Block 43"] <--> AR["Process Block 44"]
AS["Process Block 45"] <--> AT["Process Block 46"]
AU["Process Block 47"] <--> AV["Process Block 48"]
AW["Process Block 49"] <--> AX["Process Block 50"]
Rotatie van de banden wordt aanbevolen na 12.000 km (7.500 mijl) als u rijdt volgens onderhouds-schema "A" en na 9.600 km (6.000
mijl) als u rijdt volgens onderhoudsschema "B". Vaker roteren is toegelaten indien u dat wenst. Laat de oorzaak van ongewone of snelle slijtage eerst verhelpen en verwissel dan pas de banden.
Uitlijnen en balanceren
Om maximaal profijt van uw banden te hebben, dient de ophanging van uw auto geregeld gecontroleerd en indien nodig uitgelijnd te worden.
Een slechte uitlijning kan resulteren in:
- snelle bandenslijtage
- ongelijkmatige bandenslijtage, zoals slijtage aan één zijde of tandvorming, of
- de auto kan naar links of rechts trekken
- gebrek aan evenwicht
Wanneer uw auto trilt, kan een wiel uit evenwicht zijn. Een correcte balans zal de trillingen verminderen en de levensduur van de band verlengen. Het trillen wordt niet veroorzaakt door slechte uitlijning.
Sneeuwkettingen
Deze auto heeft voldoende ruimte tussen band en wielkast om sneeuwkettingen te monteren. Plaats alleen op de achterwielen sneeuwkettingen. Let op de volgende aanwijzingen om schade en slijtage aan banden en kettingen te voorkomen:
- De aanbevolen bandenmaat voor sneeuwkettingen is P225/75 R16. Gebruik geen sneeuwkettingen bij een bandenmaat groter dan P225/75R16. Bij deze banden is de afstand tot de carrosserie te klein om sneeuwkettingen te monteren.
- Gebruik alleen SAE "S"-sneeuwkettingen.
- Volg de gebruiksaanwijzing van de fabrikant bij de montage van de sneeuwkettingen.
- De sneeuwkettingen goed vastmaken en na 1 km rijden nog eens stevig aantrekken.
- Rijd nooit sneller dan 35 km/u (20 mph) of sneller dan de maximaal aanbevolen snelheid van de producent van de sneeuwkettingen.
- Rijd voorzichtig, vermijd obstakels, kuilen en moeilijke manoeuvres.
TREKKEN VAN EEN
AANHANGWAGEN
In dit hoofdstuk vindt u veiligheidstips en meer informatie over de beperkingen wat betreft het trekken van aanhangwagens met uw voertuig. Lees deze informatie aandachtig voordat u een aanhangwagen trekt, zodat u hem zo efficiënt en veilig mogelijk kunt trekken.
Om aanspraak te kunnen maken op uw voertuiggarantie, moet u de aanbevelingen en instructies voor het trekken van aanhangers uit dit instructieboek naleven.
Laat het onderhoud uitvoeren zoals beschreven in de onderhoudsschema's. Wanneer u uw auto gebruikt om een aanhanger te trekken, mag u nooit de als volgt berekende maximale asbelasting overschrijden:
- Het disselgewicht van de aanhanger.
- Het gewicht van alle andere lading die u in uw voertuig vervoert.
Denk erom dat alles wat u in uw aanhanger plaatst bij het gewicht van uw voertuig gerekend wordt. Raadpleeg ook de algemene technische gegevens in het hoofdstuk Onderhoud van dit instructieboek.
WAARSCHUWING!
Onjuist trekken van een aanhanger kan ernstige ongevallen veroorzaken. Volg deze richtlijnen om zo veilig mogelijk uw aanhanger te trekken:
- Zorg ervoor dat een aanhangwagen ca. 4% van het totale aanhangersgewicht zwaarder is beladen aan de voorzijde. Door de assen of de achterzijde zwaarder te belasten kan de aanhanger zwaar gaan slingeren, waardoor u de controle over het stuur kunt verliezen. Het niet zwaarder beladen van de voorzijde van de aanhanger is vaak de oorzaak van ongevallen.
- Maak nooit een verbinding tussen het hydraulische remsysteem van uw auto en dat van de aanhanger. Dit kan de remwerking in gevaar brengen en letsels veroorzaken.
- Aanhangwagens die zwaarder zijn dan 750 kg (1.653 lbs.) moeten een oplooprem hebben.
-
Sluit nooit de verlichting van de aanhanger rechtstreeks aan op het verlichtingssysteem van uw auto. Doe dat alleen met een goedgekeurde connector. Anders kunt u het elektrisch systeem van uw auto beschadigen en/of letsels oplopen.
-
Vermijd bij het trekken van een aanhanger het overbeladen van de auto of de aanhanger. Daardoor kunt u de controle over het stuur verliezen, de remmen, assen, motor, versnelingsbak, stuurinrichting, ophanging, carrosserie of de banden beschadigen.
- Controleer of de lacing stevig is vastgesjord en niet kan verschuiven tijdens het rijden.
- Wij adviseren om uw trekhaak altijd bij de fabriek of door een geautoriseerde dealer te laten monteren. Gebruik alleen goedgekeurde trekhaken. Goedgekeurde trekhaken werden specifiek voor uw voertuig ontworpen. Er werd bijvoorbeeld rekening mee gehouden dat uw voertuig een ongeval kan hebben. Andere trekhaken zijn misschien niet zo veilig ontworpen. Daardoor is het mogelijk dat uw auto anders presteert en reageert, ook bij een ongeval.
- Wanneer u een aanhangwagen moet trekken en uw auto niet uitgerust is met een aanhangwagenpakket, mag u alleen het MOPAR®-aanhangwagenpakket gebruiken voor de verlichting van de aanhangwagen. Deze pakketten werden speciaal ontworpen om de lichten van de aanhangwagen van stroom te voorzien zonder storingen te veroorzaken in de controle van de achterlichten. Raadpleeg de instructies van het pakket voor meer informatie.
Gewicht en disselgewicht van de aanhangwagen
Het maximaal toelaatbaar brutogewicht (MTG) is de optelsom van het aanhangersgewicht plus het gewicht van alle lading en materiaal dat met de aanhangwagen vervoerd wordt. U kunt dat brutogewicht het beste meten door de vol beladen aanhanger op een weegbrug te rijden. De weegbrug moet wel het totale gewicht kunnen verdragen.

80me604e
Verdeel de lading in de aanhangwagen zodat het disselgewicht 4% bedraagt van het totale aanhangwagengewicht. Het disselgewicht mag niet meer dan 140 kg (309 lbs.) bedragen.
Met de juiste trekhaak kan uw auto aanhangers trekken met een maximaal toelaatbaar brutogewicht (MTG) van:
| Motor | Max. belasting aan koppelpunt | Brutogewicht aanhangwagen |
| 3.1L Diesel | 140 kg | * 3.500 kg |
| 4.0L Benzine | 140 kg | * 2.268 kg |
| 4.7L Benzine | 140 kg | * 3.039 kg |
* Maximumsnelheid altijd lager dan 100 km/u (62 mph).
Vereisten voor het trekken van een aanhanger
Uw voertuig heeft extra uitrusting nodig om veilig een aanhanger te trekken. Noteer de volgende vereisten:
Het bij de fabriek gemonteerde aanhangerpakket heeft een kogel die op een frame is gemonteerd. Bovendien is er een voorziening voor een optionelle elektrische remsturing. Dat is een lichtblauwe draad, geïdentificeerd met een label. Die draad bevindt zich onder het dashboard achter het rempedaal. Andere apparatuur zoals stabilisatoren en hulpremmen en extra brede spiegels zijn eveneens verplicht, of worden sterk aanbevolen.

Bevestigingspunten trekhaak en overhangmaten
| Bevestigingspunten trekhaak en overhangmaten | |
| A | 393 cm |
| B | 184 cm |
| C | 289 cm |
| D | n.v.t. |
| E | 1.157 cm |
| FA | 488 cm |
| FB | 488 cm |
| FC | 488 cm |
| FD | 488 cm |
Tips voor het koelsysteem—Aanhanger trekken met benzinemotor
Om het risico op oververhitting van motor en versnellingsbak te voorkomen op grote hoogte, handelt u best als volgt:
- Stadsverkeer
Zet, als de auto stilstaat, de versnellingshendel in neutraal en voer het stationair toerental op.
- Op de snelweg
Rijd niet te snel.
- Airconditioning
Tijdelijk uitschakelen.
Lees ook de informatie over het koelsysteem in het hoofdstuk "Onderhoud" van dit instructieboek voor meer informatie.
Om het gevaar voor oververhitting van de automatische versnellingsbak te reduceren, dient u de Overdrive uit te schakelen bij het trekken van een aanhangwagen of de keuzehendel van D in stand 2 zetten bij steilere hellingen. Zet de selectie-hendel in de lagere stand om overbodig schakelen van de versnellingsbak te voorkomen. Met deze handeling reduceert u de kans op oververhitting van de versnellingsbak en verkrijgt u betere motorremwerking.
Tips voor het koelsysteem—Aanhanger trekken met dieselmotor
Wanneer de koelvloeistoftemperatuur van de auto de bovenste temperatuurgrens bereikt als u een aanhanger trekt, dient u één of meer van de volgende handelingen uit te voeren om de motor opnieuw af te koelen:
• Zet de airconditioning uit.
- Houd het motortoerental tussen 2.000 en 3.000 t/min.
Wanneer de motor toch blijft oververhitten:
- Vertraag en/of stop de auto om de motor en de koelvloeistof te laten afkoelen.
Om hel gevaar voor oververhitting van de automatische versnellingsbak te reduceren, dient u de Overdrive uit te schakelen in heuvelachtig terrein of de keuzehendel van D in stand 2 zetten bij steilere hellingen. Zet de selectiehendel in de lagere stand om overbodig schakelen van de versnellingsbak te voorkomen. Met deze handeling reduceert u de kans op oververhitting van de versnellingsbak en verkrijgt u betere motorremwerking.
Minimumvereisten aan het voertuig voor het trekken van aanhangers
OPMERKING:
Wanneer uw auto een automatische versnelingsbak heeft en u vaak een aanhanger trekt (vooral in bergachtige streken of bij hoge temperaturen), adviseren wij de volgende handelingen:
- Vervang de transmissievloeistof iedere 19.000 km (12.000 mijl).
VOORZICHTIG!
Wanneer u zware lasten trekt of een volbeladen voertuig rijdt, kunt u superbenzine tanken om pingelen van de motor te voorkomen. Als de motor blijft pingelen, moet u de auto lichter maken. Anders kunt u schade toebrengen aan de motorzuigers.
6
WAT TE DOEN BIJ PECH
• ALARMKNIPPERLICHTEN 106
• ALS DE MOTOR OVERVERHIT RAAKT 106
• EEN LEKKE BAND VERVANGEN 107
- Locatie van de krik en krikslinger 107
- Plaats van het reservewiel 108
• Vervangen van lekke band 108
• STARTEN MET EEN STARTKABEL 110
• TREKOGEN—INDIEN AANWEZIG 111
ALARMKNIPPERLICHTEN
De alarmknipperlichten zijn een veiligheids- voorziening voor noodgevallen. Als u ze inschakelt, gaan alle richtingaanwijzers voor en achter tegelijk knipperen. Gebruik dit systeem als uw auto op of naast de weg staat. Het systeem waarschuwt andere weggebruikers om veilig langs uw auto te rijden.
Zet de alarmknipperlichten aan door de knop op de bovenzijde van de stuurkolom in te drukken. Druk nogmaals op de knop om de alarmknipperlichten uit te zetten.

Bij langdurig gebruik van de waarschuwings-knipperlichten kan uw accu leegraken.
ALS DE MOTOR OVERVERHIT RAAKT
Bij zwaar gebruik kan uw motor tijdelijk oververhit raken. Voorbeelden daarvan zijn:
- een steile helling oprijden op een hete zomerdag,
- stoppen na rijden met hoge snelheid, of
- lange tijd stilstaan in verkeer.
Wanneer de naald van de temperatuurmeter in de rode zone terechtkomt, of wanneer het waarschuwingslampje van de motortemperatuur gaat branden terwijl u rijdt, moet u de versnellingshendel in neutraal (N) zetten en de airco uitschakelen.
OPMERKING:
Laat een hete motor (naald van de temperatuurmeter in de bovenste helft) altijd ten minste één minuut stationair draaien voor u hem uitzet.
Wanneer de naald niet gaat dalen of het waarschuwingslampje niet uitgaat binnen een tweetal minuten:
- Zet de wagen stil op een veilige plaats. Zet de automatische versnellingsbak in P (Park) en trek de handrem aan.
- De motor niet uitzetten. Vergroot voorzichtig het toerental. Laat het toerental na twee tot drie minuten weer dalen tot normaal stationair draaien.
Wanneer de naald niet gaat dalen of het waarschuwingslampje niet uitgaat, de motor uitzetten en als volgt te werk gaan.
Open de motorkap. Zoek naar koelvloeistoflekken in de radiateurslangen, de radiateur of het expansievat. Controleer of alle aandrijfriemen nog in orde zijn. Als u koelvloeistof verliest of wanneer een aandrijfriem gebroken is, en wanneer de oververhitting blijft duren, moet u de motor uitzetten tot oorzaak van de oververhitting verholpen is. Na een tijdelijke oververhitting moet u minder snel rijden tot de motor voldoende afgekoeld is. Na ongeveer tien minuten kunt u weer met gewone snelheid gaan rijden.
WAARSCHUWING!
Hete koelvloeistof en stoom uit de radiateur kunnen ernstige brandwonden veroorzaken. Wanneer u stoom van onder de motorkap ziet komen, mag u deze niet openen tot de radiateur voldoende afgekoeld is.
EEN LEKKE BAND VERVANGEN
Locatie van de krik en krikslinger
De gereedschapset met de onderdelen van de krik en de wielmoersleutel (die ook een krikslinger is) zijn onder de rechter achterbankzitting aangebracht. De krik vindt u onder het reservewiel in de bagageruimte.

Zorg ervoor dat de krik, de wielmoersleutel en het lekke wiel (of reservewiel) goed opgeborgen zijn voor het rijden. Laat deze voorwerpen nooit los in de auto liggen, omdat ze bij een noodstop naar voren schieten en ernstige letsels kunnen veroorzaken.
WAARSCHUWING!
Let op de volgende punten om veilig een krik te gebruiken:
- Start nooit de motor als de auto op de krik staat. Door de trillingen kan de auto van de krik glijden.
- Ga nooit onder een opgekrikte wagen liggen. De auto kan afglijden en ernstige letsels veroorzaken. Passagiers mogen niet in de auto blijven als u het wiel verwisselt.
VOORZICHTIG!
De krik is alleen geschikt voor het opkrikken van deze auto. Plaats de krik alleen onder de as. Plaats de krik nooit onder de bumpers, dorpels of de bodemplaat van de auto. U kunt zware beschadigingen veroorzaken. Zoek de speciale opkrikpunten onder de assen zoals beschreven in de procedure voor het verwisselen van de band.
Plaats van het reservewiel
Het reservewiel verwijderen:
- De achterklep openen.
- Til het deksel van de achterste laadvloer op.
- Verwijder de vleugelmoer en het wiel.

Het reservewiel plaatsen:
- Plaats het wiel opnieuw in de bagageruimte:
a. plaats de vleugelmoer.
b. plaats het laadvloerdeksel. - Uw voertuig is uitgerust met een normaal re- servewiel. Houd de bandenspanning van het re- servewiel op 227 kPa (33 psi).
Vervangen van lekke band
Voorbereiding
WAARSCHUWING!
U kunt gewond of gedood worden als u een band verwisselt terwijl u zich dicht bij het verkeer bevindt. Zet de auto voor uw veiligheid altijd zo ver mogelijk van het verkeer vandaan, zodat u niet aangereden wordt door een langsrijdende auto.
- Parkeer de auto op een stevige vlakke ondergrond voor een optimaal werkvlak. Schakel de automatische versnellingsbak in PARK en zet de motor uit. Trek de handrem stevig aan en zet de alarmknipperlichten aan.
Zorg ervoor dat iedereen uit de auto is voordat u hem opkrikt. Als de krik onverhoopt valt, kunnen personen in de auto gewond raken.

het rechter voorwiel vervangt, blokkeert u het linker achterwiel.
Instructies
- Verwijder het reservewiel, de krik en het gereedschap uit de bergplaatsen.
- Draai alle wielmoeren van de lekke band een halve draai naar links.
- Plaats de krik op de aangeduide plaats. Voor de vooras (A) zet u de krik onder de as in de buurt van het te verwisselen wiel. Voor de achteras (B) zet u de krik zoals aangeduid op de afbeelding. Plaats de krikslinger op de krik.

8069-179

- Krik de auto op door de krikslinger met de klok mee te draaien tot het wiel van de grond komt.
WAARSCHUWING!
Als u de auto hoger opkrikt dan noodzakelijk, zal hij minder stabiel staan en kunt u een ongeval veroorzaken. Hij kan van de krik schuiven en emstige letsels veroorzaken. Krik de auto voldoende op om het wiel te kunnen verwijderen.
- Verwijder de wielmoeren en het wiel.
- Plaats het reservewiel op de auto en monteer de wielbouten met de schuine zijde naar het wiel gericht. Draai de moeren gelijkmatig kruiselings handvast. Om te voorkomen dat de auto door de
toegepaste krachten van de krik schuift, mag u de moeren pas vast aantrekken als de auto weer op de grond staat.
- Laat de auto zakken en verwijder de krik en de wielblokken.
- Trek de wielmoeren kruiselings stevig aan. Laat het aantrekmoment zo spoedig mogelijk controle- ren door een monteur. Het correcte aantrek- moment bedraagt 115-156 N·m (85-115 ft—lbs).

- Berg de krik, de moersleutel, de krikslinger en de lekke band veilig op.
WAARSCHUWING!
Een losse krik of band kan bij een noodstop naar voren gekatapulteerd worden en zo de inzittenden in ernstig gevaar brengen. Berg de onderdelen van de krik en het reservewiel altijd op de juiste plaats op.
WAARSCHUWING!
Volg deze instructies nauwkeurig op om letsels en/of schade aan het voertuig te voorkomen:
- Parkeer de auto altijd op een vlakke, stevige ondergrond - zo ver mogelijk van de weg verwijderd voordat u de wagen gaat opkrikken.
- Blokkeer het wiel dat diagonaal tegenover het wiel met de lekke band zit.
- Trek altijd de handrem stevig aan.
- Een opgekrikte auto mag u nooit starten.
- Laat niemand achter in een opgekrikte auto.
- Ga nooit onder een opgekrikte auto liggen.
- Gebruik alleen de aangeduide opkrikpunten.
- Let zeer goed op het verkeer als u op een smalle weg moet werken.
STARTEN MET EEN STARTKABEL
OPMERKING:
Controleer altijd het accuzuurpeil voordat u een startkabel gebruikt. Dat kan door de dopjes van de accu te verwijderen en het vloeistofpeil bij te vullen tot het 1 cm boven de accuplaten komt.

Als het peil te laag is MAG U GEEN STARTKABEL GEBRUIKEN. U moet eerst gedistilleerd water toevoegen. Verwijder de accudopjes en vul gedistilleerd water bij tot op het juiste niveau. HET NIVEAU MAG NOOIT DE MARKERING IN DE ACCUBEHUIZING OVERSCHRIJDEN. ER KAN ZUUR UITTREDEN UIT HET VENTILATIE-SYSTEEM VAN DE ACCU.
Wanneer het peil in orde is, kunt u doorgaan met de procedure.
- Bescherm uw ogen met een veiligheidsbril en doe alle metalen sierraden af waarmee u de accu zou kunnen aanraken (horloge, kettingen, enz.)
- Zet de auto met de volle hulpaccu zo dicht mogelijk bij de lege accu van uw auto. Let echter goed op dat de auto's elkaar niet raken. Trek de handrem aan, zet de automatische versnellingsbak in Parkeerstand (P), de handgeschakelde versnellingsbak in neutraal (N) en zet van beide voertuigen het contact uit (OFF).
- Schakel de verwarming, radio en alle overbodige stroomverbruikers uit.
- Sluit één kant van de startkabel aan op de pluspool (+) van de lege accu. Sluit het andere uiteinde van dezelfde kabel aan op de pluspool (+) van de hulpaccu.
- Sluit nu de andere kabel eerst aan op de minpool (-) van de hulpaccu en daarna de andere zijde op een metalen, niet geverfd motor-onderdeel van de auto met de lege accu. Controleer of u een goed massacontact hebt.
- Start de motor van de auto met de hulpaccu. Laat de motor enkele minuten stationair draaien en start dan de motor van de auto met de lege accu.
- Maak de startkabels in exact de omgekeerde volgorde weer los. Pas op voor bewegende rie- men en de ventilator.
OPMERKING:
Om de auto na het aansluiten van de start-kabels te starten, dient u eerst het diefstal-alarm uit te schakelen door het portierslot te vergrendelen en te ontgrendelen of door de afstandsbediening te gebruiken.
WAARSCHUWING!
- Starten met behulp van een startkabel kan gevaarlijk zijn. Om letsels en schade aan elektrische onderdelen te voorkomen, dient u de volgende waarschuwingen na te leven:
-
Accuzuur is een gevaarlijke corrosieve vloeistof die u kan branden of zelfs doen verblinden. Laat ogen, huid of kleding nooit in contact komen met accuzuur. Leun nooit over een accu wanneer u de klemmen aansluit. Wanneer er zuur in de ogen of op de huid spat, onmiddellijk spoelen met heel veel schoon water.
-
Gebruik nooit een hulpaccu of stroombron met een hogere spanning dan 12 V, m.a.w.: gebruik nooit een stroombron van 24 V.
-
Gebruik nooit startkabels voor een bevroren accu. De accu kan scheuren of ontploffen tijdens het starten.
-
Zorg ervoor dat de twee auto's elkaar nooit aanraken.
- Lees ook aandachtig de waarschuwingen i.v.m. de accu in hoofdstuk 7 van dit instructieboek voordat u een startkabel gebruikt.
VOORZICHTIG!
Probeer niet de auto te starten door middel van aanduwen of slepen. Onverbrande brandstof kan de katalysator binnendringen, na het starten ontbranden en zo de katalysator en de auto schade toebrengen.
TREKOGEN—INDIEN AANWEZIG
Als uw auto uitgerust is met sleeptrekogen, is er één vooraan en één achteraan gemonteerd.

Sleepogen zijn alleen bedoeld voor noodgevallen, om een gestrand voertuig vrij te trekken. Gebruik de sleepogen niet voor koppeling aan een sleepwagen of om een wagen op de autoweg te slepen. U kunt de auto beschadigen.
WAARSCHUWING!
Hou voldoende afstand van de auto's als u met sleepogen sleept. Sleepussen en kettingen kunnen breken en zware verwondingen veroorzaken.
7
ONDERHOUD VAN UW AUTO
• 3.1L-DIESELMOTOR 116
• 4.0L-6 CYL-MOTOR 117
• 4.7L-8 CYL-MOTOR 118
• BOORDDIAGNOSESYSTEEM (OBD) 119
• ONDERHOUD DOOR UW DEALER 119
• ONDERDELEN 119
• ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN 119
- Richtlijnen voor de controle van de vloeistofniveaus 119
- Afvoeren van oude vloeistoffen 120
• Motorolie—Benzinemotoren 120 - Motorolie—Dieselmotoren 123
- Motorkoeling 124
- Brandstofffilter laten afvloeien—Dieselmotor ..... 127
• Luchtfilter motor 128
• Automatische versnellingsbak 128
• Vloeistof stuurbekrachtiging 130
• Ruitensproeiervloeistof (voorin en achterin) ..... 130
• Ruitenwisserbladen voorruit 131
• Remmen 131
113
- Onderhoud airconditioning 132
• Tussenbak 133
• Vloeistof voor-/achteras 133 - Spoorstangen en stuurinrichting smeren 133
- Keuze van het smeermiddel 133
• Smeren van de carrosseriedelen 134 - Accu 134
- Verzorging van de auto en bescherming tegen roest 135
• KATALYSATOR 136
- ZEKERINGENPANEEL 137
• Elektrische storing 138
- ZEKERINGENKAST 138
• HET VOERTUIG STALLEN 138
• GLOEILAMPJES VERVANGEN 138
•Koplampen 138
- Parkeerlichten 139
• Richtingaanwijzer 139
- Flankverlichting 140
- Achterlicht, remlicht, achtermistlicht, richtingaanwijzer en achteruitrijlicht 140
• Derde remlicht 140
• Verlichting kentekenplaat 141
• GLOEILAMPJES 141
• ALGEMENE GEGEVENS 142
• VULHOEVEELHEDEN 142
- AANBEVOLEN VLOEISTOFFEN, SMEERSTOFFEN EN ORIGINELE ONDERDELEN 143
- Chassis 143
- Motor 143
• Carrosserie 144
3.1L-DIESELMOTOR

80bbc2e5
4.0L-6 CYL.-MOTOR

80bbc2e3
4.7L-8 CYL.-MOTOR

80bbc2e4
BOORDDIAGNOSESYSTEEM (OBD)
Uw auto is uitgerust met een geperfectioneerd boorddiagnosesysteem dat OBD heet (On-Board Diagnostic). Dit systeem controleert het emissiesysteem, de motor en de regelsystemen van de automatische versnellingsbak. Als deze systemen correct werken, zal uw auto uitstekende prestaties leveren, brandstof besparen en lage emissiewaarden hebben die aan de strengste eisen voldoen.
Wanneer een bepaald systeem onderhoud of reparatie nodig heeft, gaat het waarschuwingslampje "Check Engine" branden. Bovendien slaat het OBD diagnosecodes en andere hulp-informatie voor de monteur op in een geheugen. Hoewel u meestal nog kunt rijden en niet gesleept hoeft te worden, kunt u beter zo spoedig mogelijk contact opnemen met uw geautoriseerde dealer voor een controle en reparatie van uw auto.
VOORZICHTIG!
Lange tijd blijven rijden met een brandend waarschuwingslampje kan het emissiesysteem schade toebrengen. Bovendien gaat u meer verbruiken en zal de motor niet goed draaien. De auto moet naar de garage voordat emissie-tests kunnen worden uitgevoerd.
Wanneer het lampje knippert, is er een probleem met de katalysator. Deze zal spoedig defect raken en u zal vermogen verliezen. Raadpleeg onmiddellijk uw geautoriseerde dealer.
ONDERHOUD DOOR UW DEALER
Uw geautoriseerde dealer heeft goed opgeleid servicepersoneel, speciale gereedschappen en de nodige uitrusting om alle werkzaamheden met het nodige vakmanschap uit te voeren.
OPMERKING:
Moedwillig knoeien aan het emissiecontrole- systeem is strafbaar en kan een rechtszaak met zich meebrengen.
WAARSCHUWING!
Werkzaamheden aan of rond een auto kunnen ernstige verwondingen veroorzaken. Voer alleen onderhoudswerkzaamheden uit waarvoor u de kennis en het juiste gereedschap bezit. Wanneer u twijfelt over uw vakkennis om een bepaalde taak uit te voeren, kunt u het beste een vakbekwame monteur raadplegen.
ONDERDELEN
Het gebruik van originele Mopar-onderdelen voor normaal/periodiek onderhoud en voor reparaties wordt sterk aanbevolen om zeker te zijn van de gespecificeerde prestaties. Schade en storingen die worden veroorzaakt door het gebruik van andere dan Mopar-onderdelen voor onderhoud en reparaties, vallen niet onder de garantie van Chrysler International.
ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN
Richtlijnen voor de controle van de vloeistofniveaus
Onderdelen waarvan u het vloeistofniveau moet controleren, zijn aangeduid met speciale symbolen en gele kleur. Open de motorkap. Raadpleeg het label aan de voorzijde van de motorruimte. Peilstokken en reservoirs zijn met een gele kleur-codering aangeduid zodat u ze gemakkelijk kunt
vinden. Zo ziet u een geel oliekannetje op de peilstok en de vuldop van de motorolie.
- Gebruik alleen vloeistoffen en smeerstoffen die geschikt zijn voor uw auto.
- Houd alles zo schoon mogelijk. Vloeistoffen smeren onderdelen of veroorzaken een chemische of mechanische actie. Stof, water of pluizen van doeken kunnen de werking van een vloeistof sterk verminderen. Bovendien kan het onderdeel schade oplopen en kunt u gewond raken door bijv. onzuivere remvloeistof.
- Controleer de vloeistoffen bij de aangegeven temperaturen. Vloeistofniveaus kunnen schommelen als de temperatuur stijgt of daalt.
- Lees aandachtig de instructies. Sommige onderdelen moeten draaien voor een accurate peilnotering.
- Controleer beide zijden van de peilstok voor een accurate meting.
- Plaats de auto op een vlakke ondergrond om meetfouten te vermijden.
- Wanneer u vloeistof moet controleren door een vuldopopening - zoals bij een tussenbak of een as - moet het vloeistofniveau zich op de bodem van de vulopening of lichtjes daaronder bevinden als de motor KOUD is. Als het peil laag is, moet u vloeistof in kleine hoeveelheden bijvullen.
Wanneer de motor WARM is, kan vloeistof uit de vulopening sijpelen. Dat is niet erg. De vloeistof mag echter niet naar buiten spuiten.
-
Vul nooit teveel bij. Teveel water kan de accu of de antivrieskracht verzwakken. Teveel olie zorgt voor oververhitting en schuimvorming, wat vloeistoflekken, defecte pakkingen of schade door vloeistofverlies en degradatie van het smeermiddel veroorzaakt.
-
Controleer regelmatig de plaats waar u de auto normaal gesproken parkeert. Wanneer u vloeistofvlekken op de grond ziet, moet u het peil van de vloeistoffen/smeerstoffen controleren. Wanneer er plasjes blijven ontstaan, moet u uw geautoriseerde dealer raadplegen. Tijdens de zomer kunnen er plasjes gevormd worden door condenswater van de verdamper van de airconditioning. Dat is normaal.
Afvoeren van oude vloeistoffen
Wees zeer voorzichtig bij het afvoeren van oude vloeistoffen van uw auto. Willekeurig gestorte vloeistoffen vormen een zware belasting voor het milieu. Neem contact op met uw geautoriseerde dealer, tankstation of milieudienst voor meer advies over de juiste en veilige manier om oude vloeistoffen af te voeren.
Motorolie—Benzinemotoren
Voor optimale prestaties en de beste bescherming van alle motoren bij elk gebruik, mag u alleen olie kiezen die qua kwaliteit en viscositeit voldoet aan de volgende normen:
Identificatiesymbool voor motorolie
Een speciaal oliesymbool helpt u bij de keuze van de juiste motorolie.

Dit symbool op een oliebus betekent dat de olie is gecertificeerd door het American Petroleum Institute (API) en dat ze aan alle eisen van Chrysler International voldoet.
Viscositeit
Multigrade-olie beschermt de motor over een groot temperatuurbereik en onder verschillende belastingsgraden en kan daarom het hele jaar door gebruikt worden. Kies de viscositeitsgraad van de olie naargelang de laagste te verwachten luchttemperatuur voor de volgende oliewissel. Zie de olie-viscositeitstabel.

bar
VISCOSITEITSGRADEN VAN DE MOTOROLIE | Temperature Range | Range Label | | :--- | :--- | | 10W-30 | 10W-30 | | 5W-30 | 5W-30 | | -20° F | -20° | | -18° C | -29° | | -12° F | -18° | | -7° C | -12° | | 0° F | -7° | | 32° C | 0° | | 60° F | 32° | | 16° C | 60° | | 80° F | 80° | | 27° C | 27° | | 38° C | 38° | Verwacht temperatuurbereik voor de volgende verversingsbeurtAanbevolen viscositeitsgraad 4.0L-motor

bar
VISCOSITEITSGRADEN VAN DE MOTOROLIE | Temperature Range | Value | | :--- | :--- | | 10W-30 | 10W-30 | | 5W-30 | 5W-30 | | -20 | -20 | | 0 | 0 | | 10 | 10 | | 20 | 20 | | 32 | 32 | | 60 | 60 | | 80 | 80 | | 100 | 100 | | F | -29 | | C | -18 | | -12 | -12 | | -7 | -7 | | 0 | 0 | | 16 | 16 | | 27 | 27 | | 38 | 38 | Verwacht temperatuurbereik voor de volgende verversingsbeurtAanbevolen viscositeitsgraad 4.7L-motor
Gebruik alleen smeermiddelen die gecertificeerd zijn als motorolie én die de juiste viscositeitsgraad hebben.
Additieven voor motorolie
Wij adviseren om alleen voor uw auto goedgekeurde additieven bij de motorolie te vullen.
Wanneer motorolie verversen
De toestand van de weg en uw rijstijl hebben een grote invloed op het tijdstip waarop de olie ververst moet worden. Lees de onderstaande lijst en kijk wat voor u van toepassing is.
- U legt vaak korte afstanden af, minder dan 8 km (5 mijl).
- U rijdt vaak in een omgeving met veel stof
- De wagen draait vaak stationair
• U trekt een aanhangwagen
• U rijdt vaker tegen de topsnelheid
• U rijdt vaak op het terrein (off-road)
• U rijdt geregeld in de woestijn - U moet vaak starten en stoppen
• U rijdt in een koud klimaat - U gebruikt de auto voor commerciële doeleinden
Wanneer één van deze condities betrekking heeft op u, dient u de motorolie elke 4.800 km (3.000 mijl) of na 3 maanden te verversen, afhankelijk van wat eerst komt.
Wanneer GEEN van deze condities betrekking heeft op u, dient u de motorolie elke 12.000 km (7.500 mijl) of na 6 maanden te verversen, afhankelijk van wat eerst komt.
VOORZICHTIG!
Vul nooit teveel olie in het carter. Overvullen van het carter kan oliebeluchting en verlies van oliedruk veroorzaken.
Wanneer motorolie en filter te verversen
De oliefilter dient bij elke olieverversingsbeurt te worden vervangen door een nieuwe filter.
Motoroliepeil controleren

Controleer de motorolie geregeld wanneer de auto op een vlakke ondergrond staat. Als de
motor warm is, moet u even wachten tot de olie terug naar het carter gestroomd is. Het oliepeil moet tussen de veilige markeringen van de peilstok liggen. Wanneer het oliepeil de marking ADD bereikt, moet u 0,95 l (1 quart) olie bijvullen.

Vul olie bij via de olievuldop. Houd de motor schoon en veeg gemorste olie meteen weg.
Motorolie—Verversen
Schakel bij bedrijfswarme motor het contact uit en laat de olie terugstromen naar het oliecarter. Op die manier wordt alle vervuiling mee verwijderd.
Verwijder de aftapplug en laat de olie uit het carter in een geschikte opvangbak stromen.
OPMERKING:
Laat motorolie nooit op de grond stromen. Om ernstige vervuiling te voorkomen, moet u oude olie verzamelen en correct afvoeren.
Oliefilter—Verwisselen
Draai de filter naar links om hem te verwijderen.
Wanneer u een nieuwe filter plaatst, moet u de filterbevestiging op het motorblok grondig schoonmaken en de rubberen afdichting op de filter lichtjes met olie insmeren. Zorg ervoor dat de rubberen afdichting van de oude filter niet op het motorblok blijft zitten. De filter slechts handvast aantrekken. Draai de filter 1/2 tot 3/4 kwartslagen naar rechts, voorbij het punt waar de filterpakking de filterbevestiging van het motorblok raakt. Voorkom te sterk aanhalen.
OPMERKING:
De oliefilter dient bij elke olieverversingsbeurt te worden verwisseld.
Controleer op lekken door de motor bedrijfswarm te draaien.
Afvoeren van oude oliefilters
Wees zeer omzichtig bij het afvoeren van oude motoroliefilters. Willekeurig gestorte motoroliefilters zijn een zware belasting voor het milieu. Neem contact op met uw plaatselijke, geautoriseerde dealer, tankstation of milieudienst voor meer advies over de juiste en veilige manier om oude oliefilters af te voeren.
Motorolie—Dieselmotoren

Controleer het oliepeil bij elke tankbeurt. Zet de auto op een vlakke ondergrond. Als de motor warm is, moet u even wachten tot de olie terug naar het carter gestroomd is. Het oliepeil moet tussen de markeringen ADD en FULL van de peilstok staan.

Olie wordt dikker bij lage temperaturen, waardoor de motor moeilijker draait bij het starten. Diesel heeft snellere starttoerentallen nodig. Zorg er dus voor dat u de juiste viscositeitsgraad kiest.
VOORZICHTIG!
- Wanneer het oliepeil de marking ADD bereikt, moet u 1 liter olie bijvullen om de marking FULL te bereiken.
- Een nieuwe dieselmotor kan meer olie verbruiken dan een nieuwe benzinemotor. Wanneer het oliepeil onder de markering ADD daalt, moet u onmiddellijk olie bijvullen. Anders kan de motor ernstige schade oplopen.
- NOOIT TEVEEL BIJVULLEN. Anders kunt u schade toebrengen aan de motor.
Specifications
Gebruik alleen dieselmotorolie met de kwaliteitsstandaard MIL-2104C of API-classificatie SG/CD of CCMC PD2.
SAE viscositeitsgraad
Om zeker te zijn dat u de juiste motorolie kiest, adviseren wij het olietype SAE 15W-40 dat voldoet aan de Chrysler International standaard MS-6395. Oliën conform de Europese norm 10W-40 zijn eveneens geschikt.
Olie met viscositeitsgraad SAE 5W-30 of 10W-30 is te verkiezen wanneer de minimumtemperatuur voortdurend lager is dan -12°C (10°F).
VOORZICHTIG!
Olie met een lage viscositeitsgraad moet de juiste API-kwaliteit of CCMC G5 specificatie hebben.

80b76fca
Wanneer motorolie en filter verversen
De toestand van de weg en uw rijstijl hebben een grote invloed op het tijdstip waarop de olie ververst moet worden. Lees de onderstaande lijst en kijk wat voor u van toepassing is.
- U legt vaak korte afstanden af, minder dan 8 km (5 mijl).
- U rijdt vaak in een omgeving met veel stof.
- U trekt vaak een aanhangwagen.
- De motor draait vaak stationair (in een file, in het stadsverkeer).
- U rijdt meer dan 50% bij hoge snelheid in zeer warm weer met temperaturen boven 32°C.
• U rijdt vaak op het terrein (off-road). - U rijdt geregeld in de woestijn.
Wanneer één van deze condities betrekking heeft op u, dient u de motorolie elke 4.000 km (2.500 milj) of na 2 tot 5 maanden te verversen, afhankelijk van wat eerst komt.
Wanneer geen van deze condities betrekking heeft op u, dient u de motorolie elke 8.000 km (5.000 mijl) of na 5 maanden te verversen, afhankelijk van wat eerst komt.
VOORZICHTIG!
Vul nooit teveel olie in het carter.
Motorolie aftappen
Schakel bij bedrijfswarme motor het contact uit en laat de olie terugstromen naar het oliecarter. Op die manier wordt alle vervuiling mee verwijderd.
Verwijder de aftapplug en laat de olie uit het carter stromen.
OPMERKING:
Laat motorolie nooit op de grond stromen. Om ernstige vervuiling te voorkomen, moet u oude olie verzamelen en correct afvoeren.
De oliefilter vervangen
- Verwijder de aftapplug van de oliefilterbehuizing. Die plug bevindt zich in het midden van de filterbehuizing. Laat de olie uit de oliefilterbehuizing stromen.
- Verwijder de kap van de oliefilterbehuizing door ze naar links te draaien en van het oliefilter-element te verwijderen.
- Verwijder de O-ring van de filterbehuizing van de kap en vervang de ring door een nieuwe.
-
Vervang het oliefilterelement en monteer de oliefilterbehuizing en de aftapplug.
-
Vul het carter bij met de correcte hoeveelheid motorolie.
- Controleer op lekken door de motor warm te draaien.
- Controleer na het draaien van de motor opnieuw het peil, omdat de olie door de filter circuleert en de meting aldus beïnvloedt.
Motorkoeling
Koelvloeistof controleren—Benzinemotoren
Controleer ten minste één keer per maand (bij warm weer vaker) het koelvloeistofpeil. Controleer het vloeistofpeil bij normale bedrijfswarme motor. Controleer het koelvloeistofpeil alleen in het expansievat. Het vloeistofpeil moet tussen de markeringen FULL en ADD van het expansievat liggen.

Wanneer uw auto uitgerust is met een boordcomputer, wordt u attent gemaakt op een laag koelvloeistofpeil. Wanneer het lage vloeistofpeil wordt gedetecteerd, gaat het radiatorlampje op het dashboard branden. Op de boordcomputer verschijnt het bericht m.b.t. het koelvloeistofpeil.
Raadpleeg uw plaatselijke, geautoriseerde dealer als het koelvloeistofpeil snel daalt.
Koelvloeistof laten aflopen—Benzinemotoren
WAARSCHUWING!
Open nooit de aftapopening aan het motorblok wanneer het systeem heet is of onder druk staat. U kunt ernstige brandwonden oplopen.
- Wanneer u de koelvloeistof laat weglopen, mag u de radiateurdop niet verwijderen. Zo kan alle vloeistof, ook die van het expansievat, af-vloeien.
- Open de aftapopening van de radiateur.
- Verwijder de aftapplug(gen) van het motorblok.
(4.7 L: De aftapplug bevindt zich aan de onderaan in het midden van het motorblok.)
(4.0 L: De aftapplug bevindt zich aan de onder-aan links van het motorblok.)
Maak de tapdraad schoon van het motorblok en smeer hem in met speciale tapdraadafdichter voordat u de plug weer plaatst.
Verwijderen van oude koelvloeistof
Oude koelvloeistof met ethyleenglycol is een speciale afvalstof en moet apart verwerkt worden. Raadpleeg de plaatselijke bevoegde instanties om te weiten wat u ermee moet doen. Bewaar koelvloeistof met ethyleenglycol nooit in open vaten of reservoirs. Laat het ook nooit in de grond terecht komen. Houd kinderen en dieren uit te buurt. Wanneer een kind koelvloeistof drinkt, moet u onmiddellijk een arts raadplegen. Verwijder onmiddellijk gemorste vloeistof.
Koelvloeistof bijvullen—4.0L-motor
- De motor moet uitgeschakeld en koud zijn.
- Verwijder de radiateurdop en de vuldop van het expansievat.
- Vul de radiateur voorzichtig tot deze vol is.
- Vul nu ook voorzichtig het expansievat tot de vloeistof de markering FULL bereikt.
- Start de motor en laat hem warmdraaien. Controleer het koelvloeistofniveau in de radiateur en vul indien nodig koelvloeistof bij.
-
Monteer de radiateurdop en de vuldop van het expansievat. Controleer het systeem op lekkage.
-
Zet de motor stil en laat hem afkoelen.
- Controleer het koelvloeistofpeil en vul bij indien nodig.
VOORZICHTIG!
Plaats geen fijnmazig insectenscherm voor de condensator en radiateur. U belemmert zo de luchtstroom en de motor kan oververhit raken. Insecten en vreemde voorwerpen regelmatig verwijderen van condensator en radiateur.
Koelvloeistof bijvullen—4.7L-motor
WAARSCHUWING!
Om de koelvloeistof van een 4.7L motor bij te vullen, is een speciale onderhoudsprocedure vereist. Raadpleeg de onderhoudshandleiding voor de correcte werkwijze of raadpleeg uw geautoriseerde dealer. Onjuist bijvullen van koelvloeistof kan ernstige motorschade veroorzaken.
Controle van de koelvloeistof in noodgevallen —Alle motoren
WAARSCHUWING!
Hete koelvloeistof staat onder druk en kan ernstige brandwonden veroorzaken. Om zware letsels door hete koelvloeistof te voorkomen, mag het vloeistofpeil niet gecontroleerd worden als de motor heet is. Wanneer u in nood toch het koelvloeistofniveau moet controleren aan de radiateur, ga dan als volgt te werk:
- Zet de motor stil en open de motorkap.
- Laat de motor ten minste 15 minuten afkoelen of wacht tot de radiateurdop voldoende afgekoeld is dat u hem kunt aanraken zonder uw hand te verbranden.
- Leg een dikke vod of doek over de radiateur-dop en draai hem naar links tot de eerste stop. Zo laat u de druk uit het koelvloeistofsysteem. Nooit op de radiateurdop drukken.
- Pas als alle druk is geweken, moet u de dop indrukken en blijven naar links draaien tot de tweede stop. Verwijder nu de dop.
-
Vul koelvloeistof bij tot aan de onderzijde van de vulpijp en tot de vloeistof tussen de markeringen ADD en FULL staat in het expansievat.
-
Indien nodig koelvloeistof bijvullen in het expansiereservoir.
- De radiateurdop opnieuw plaatsen.
- Laat meteen de oorzaak van de oververhitting opsporen en verhelpen.
Koelvloeistofpeil controleren—Dieselmotor
Het koelvloeistofniveau controleert u aan het ontluchtingsreservoir. Het koelvloeistofniveau moet tussen de markeringen FULL en MIN op de fles liggen.
Koelvloeistof laten aflopen—Dieselmotor
De afvloeidop van een dieselmotor bevindt zich aan de rechter achterzijde van het motorblok, boven de startmotor.
Wanneer u de koelvloeistof laat weglopen, mag u de radiateurdop niet verwijderen. Zo kan alle vloeistof, ook die van het expansievat, weglopen.
WAARSCHUWING!
Open nooit de aftapopening aan het motorblok wanneer het systeem heet is of onder druk staat. U kunt ernstige brandwonden oplopen.
- Verwijder de aftapplug van het motorblok.
-
Maak de tapdraad schoon van het motorblok en smeer hem in met speciale tapdraadafdichter.
-
Monteer opnieuw de aftapplug van het motorblok.
Koelvloeistof bijvullen—Dieselmotor
- Vul koelvloeistof bij tot aan de markering FULL. Vul indien mogelijk alleen vloeistof bij als de motor koud staat. Door de thermische uitzetting is het koelvloeistofniveau van een warme motor hoger. Controleer het koelvloeistofniveau van het expansievat opnieuw nadat u de motor verschillende keren heeft laten warmdraaien en alkoelen.
- Start de motor en laat hem warmdraaien. Zet de verwarming aan. Controleer het koelvloeistof-niveau in het expansievat en vul indien nodig koelvloeistof bij.
- Plaats de radiateurdop en controleer het systeem op lekkage.
- Zet de motor stil en laat hem afkoelen.
- Controleer het koelvloeistofpeil in het expansievat en vul bij indien nodig. Zie stap 1 voor de juiste werkwijze.
VOORZICHTIG!
Plaats geen fijnmazig insectenscherm voor de condensator en radiateur. U belemmert zo de luchtstroom en de motor kan oververhit raken. Insecten en vreemde voorwerpen regelmatig verwijderen van condensator en radiateur.
Aanbevolen koelyloeistof—Alle motoren
Auto's van Chrysler International werden ontworpen voor een koelvloeistof op basis van ethyleenglycol. Dat zijn de enige koelvloeistoffen die aanbevolen worden voor uw Chrysler International voertuig.
Gebruik een mengsel van 50 procent gedistilleerd water en 50 procent Mopar antivries.
VOORZICHTIG!
Wanneer.u het verkeerde antivries gebruikt, kan dat schade aan de radiateur en oververhitting van de motor veroorzaken. Meng nooit verschillende merken antivries. Gebruik ook nooit alleen water of antivries op basis van alcohol. Gebruik nooit anti-roest additieven of andere producten, omdat ze evt. reageren met de koelvloeistof en schade aan de radiateur kunnen veroorzaken.
Bijvullen
Onder normale omstandigheden mag u alleen koelvloeistof controleren en bijvullen in het expansievat.
Brandstofffilter laten leeglopen-Dieselmotor
De brandstofffilter vergaart water dat soms in het brandstofsysteem terecht kan komen. Wanneer het lampje WATER IN FUEL op het instrumentenpaneel gaat branden, moet u zo spoedig mogelijk het water laten weglopen.

De brandstofffilter/waterscheiderelement bevindt zich in de motorruimte, naast de vacuümpomp voor de rembekrachtiging. Ga als volgt te werk:
WAARSCHUWING!
Probeer nooit water af te tappen als de motor WARM is.
- De onderzijde van de filterkom is uitgerust met een aftapklep. Die klep is op haar beurt uitgerust met een fitting. Sluit een rubberen slang aan op deze fitting. Deze slang dient dan als aflaatslang.
- Plaats een opvangbakje onder de drainage-slang.
- Open bij stilstaande motor de afltapklep (rechtse schroefdraad).
- Houd de afltapklep geopend tot u zuivere brandstof ziet vloeien.
- Sluit daarna de afltapklep opnieuw.
- Verwijder de rubberen slang.
- Voer het mengsel van water en brandstof uit de opvangbak af conform de geldende richtlijnen.
VOORZICHTIG!
Als het lampje WATER IN FUEL opnieuw gaat branden wanneer u de motor start, moet u onmiddellijk uw plaatselijke, geautoriseerde dealer raadplegen.
Luchtfilter motor
WAARSCHUWING!
De luchtfilter biedt bescherming tegen het gevreesde overslaan van de motor. Verwijder daarom de luchtfilter alleen voor onderhoud of reparatie. Zorg ervoor dat er niemand in de buurt van de motorruimte staat voordat u een wagen zonder luchtfilter start. Anders bestaat er gevaar voor ernstige verwondingen.
De luchtfilter moet u alleen laten vervangen tijdens de geplande onderhoudsintervals (zie onderhoudsschema's). Vervangen op een ander tijdstip is overbodig. Een visuele inspectie zegt niets over de toestand van de filter. De filter werkt beter als u de zegels niet verbreekt.
Automatische versnellingsbak
Vloeistofniveau controleren
Controleer het vloeistofniveau als de versnellingsbak normaal bedrijfswarm is. Dat gebeurt na een afstand van 25 km (15 milj) te hebben gereden. Bij normale bedrijfstemperatuur kunt u de vloeistof niet comfortabel tussen uw vingertoppen houden.
Om het peil van de automatische transmissie vloeistof correct te meten, gaat u als volgt te werk:
- Laat de motor stationair draaien en zorg ervoor dat hij bedrijfswarm is.
- Het voertuig moet op een vlakke ondergrond staan.
- Trek de handrem aan en trap het rempedaal in.
- Zet de keuzehendel van de versnellingsbak kort in elke stand en laat hem tenslotte in de stand N (neutraal) staan.

- Verwijder de peilstok, maak hem schoon en plaats hem opnieuw helemaal in de opening.
- Trek de peilstok eruit en controleer het peil aan beide zijden van de stok. Het vloeistofniveau moet bij normale bedrijfstemperatuur tussen de twee gaatjes staan. Wanneer het peil te laag is, moet u bijvullen langs de peilstokopening. Nooit teveel bijvullen.
OPMERKING:
Wanneer u de versnellingsbak moet controle- ren bij temperaturen beneden de bedrijfs- temperatuur, moet het niveau tussen de twee gaatjes staan wanneer de vloeistof een tempe- ratuur heeft van ongeveer 24°C (74°F) (kamertemperatuur). Wanneer het vloeistofpeil correct is bij kamertemperatuur, moet het aan de gekruiste markering van de peilstok staan als de versnellingsbak zijn normale bedrijfs- temperatuur bereikt 77°C (107°F). Denk erom: controleer het beste bij normale bedrijfs- temperatuur.
- Controleer op lekkage. Zet de handrem los.
Om te voorkomen dat vuil en water in de versnelingsbak terechtkomt na het controleren of bijvullen, moet u nagaan of de peilstok goed geplaatst is.
Vloeistof en filter automatische versnellingsbak verwisselen
Voor optimale prestaties en een lange levensduur van de automatische versnellingsbak, adviseert Chrysler International dat u de versnellingsbak geregeld laat nakijken door een geautoriseerde dealer. De transmissie moet geregeld worden bijgesteld. Bovendien moet het vloeistofniveau worden gecontroleerd en moet de vloeistof volgens het onderhoudsschema worden vervangen.
VOORZICHTIG!
Vul nooit teveel vloeistof in de transmissie. Dat kan schuimvorming, vloeistofverlies via de aflaatklep of vulpijp en storingen in de transmissie veroorzaken.
Soort vloeistof
Gebruik Chrysler International Automatic Transmission Fluid ATF+3 ^ of ATF+3 Type 7176 ^ voor optimale prestaties van de versnellingsbak. Het is belangrijk dat de transmissievloeistof op het vereiste peil staat en dat u de aanbevolen vloeistof gebruikt.
WAARSCHUWING!
Wanneer u een andere transmissievloeistof dan ATF+3® gebruikt, kan dat de werking van de versnellingsbak nadelig beïnvloeden en/of schokkende schakelmanoeuvres veroorzaken.
De vloeistof en de filter dienen te worden vervangen conform de instructies van de onderhoudschema's.
Voorbeelden van zwaar gebruik:
- Lange tijd rijden met zware last, vooral bij warm weer.
- Voertuigen voor gebruik buiten de snelweg.
• Voertuigen die aanhangwagens trekken.
Wanneer de versnellingsbak om welke reden ook gedemonteerd wordt, moeten vloeistof en filter vervangen worden.
Kleur van de vloeistof
Nieuwe vloeistof voor automatische versnellingsbakken heeft een rode kleur. De vloeistof is rood gekleurd zodat u hem kunt onderscheiden van andere vloeistoffen zoals motorolie of antivries. De rode kleur is niet permanent en is geen aanduiding van de toestand van de vloeistof. Wanneer u met de auto rijdt, zal de vloeistof donkerer worden en kan eventueel bruin worden. Dat is normaal. Een donkerbruine of zwarte vloeistof en een aangebrande geur kunnen op een slechte transmissievloeistof duiden. Laat het systeem door een monteur controleren.
Speciale additieven
Chrysler International raadt het toevoegen van additieven aan transmissievloeistof ten sterkste af. Een uitzondering hierop is het gebruik van speciale kleurstof om lekken op te sporen.
Vloeistof aflaten
Deze auto heeft geen aflaatdop voor de koppel- omvormer. Daarom mag u nooit proberen de vloeistof van de omvormer te verversen. Verwijder het carter van de versnellingsbakolie en laat de
vloeistof helemaal weglopen. Het carter reinigen. Monteer een nieuwe pakking wanneer u het carter monteert.
Vloeistof stuurbekrachtiging
WAARSCHUWING!
U kunt ernstig gewond raken door bewegende delen als u de vloeistof van de stuurbekrachtiging controleert met draaiende motor. Zet de motor uit.
Bij het periodieke onderhoud controleert u het vloeistofniveau in het vloeistofreservoir van de stuurbekrachtiging. Vóór u de vuldop verwijdert, veegt u de buitenzijde van de dop en het reservoir schoon. De peilstok moet FULL COLD aanduiden bij koude vloeistof en FULL HOT wanneer de motor bedrijfswarm is.
Bijvullen
Dop verwijderen. Vloeistof in het reservoir vullen. NOOIT TEVEEL BIJVULLEN.

Gebruik alleen speciale minerale vloeistoffen die rubberslangen niet ernstig aantasten. MOPAR Power Steering Fluid is een dergelijke vloeistof en wordt dus sterk aanbevolen. Gebruik nooit vloeistof voor automatische versnellingsbakken.
OPMERKING:
Veeg alle gemorste vloeistof van elk oppervlak af.
Ruitensproeiervloeistof (voorin en achterin)
Controle
Kijk door het plastic sproeierreservoir.
Bijvullen
Dop verwijderen. Giet sproeiervloeistof in het reservoir.
Wanneer uw auto uitgerust is met een boordcomputer, wordt u attent gemaakt op een laag vloeistofniveau van de ruitensproeiers. Wanneer de sensor een laag niveau ontdekt, verschijnt het bericht "Washer Fluid Low" en gaat het pictogram met de ruitenwisser op het instrumentenpaneel branden.
WAARSCHUWING!
De reinigingsvloeistoffen die u in de handel vindt zijn brandbaar. Ze kunnen ontvlammen en brandwonden veroorzaken. Pas daarom goed op als u het reservoir bijvult of in de buurt van het reservoir werkt.
Soort vloeistof
Mopar All Weather ruitensproeiervloeistof, water en/of een gelijkwaardige commerciële ruitensproeiervloeistof gebruiken.
Ruitenwisserbladen voorruit
Reinig de rubberen randen van de wisbladen en de voorruit geregeld met een spons of een zachte doek en een milde niet bijtende zeepsop. Zo verwijdert u snel en efficiënt ophopingen van zout of vuil.
Door ruitenwissers langdurig op een droge ruit te laten staan zullen de wisserbladen snel slijten en beschadigd raken. Gebruik voor het verwijderen van droog vuil van de voorruit altijd de ruitensproeiers. Gebruik de ruitenwissers nooit om rijp of ijs van de voorruit te verwijderen. Vermijd contact van het wisrubber met petroleumproducten zoals motorolie, benzine, enz.
Op de voorruit en de achterruit wordt hetzelfde type wisblad toegepast. Om een wisblad te verwisselen, kantelt u de wisarm naar buiten en draait u het wisblad. Druk op de vergrendelingslip en schuif het wisblad uit de haak van de wisarm.

Remmen
Vloeistofniveau controleren
Het remvloeistofreservoir bevindt zich achter de luchtfilter, aan de kant van de bestuurder.
Reinig de dop en de buitenkant van het reservoir voordat u de dop wegneemt. De vloeistof van het reservoir dient minimaal boven de markering MIN van het reservoir te staan. Nooit teveel bijvullen.

Aanbevolen vloeistof
Mopar remvloeistof of gelijkwaardige conform SAE J1703 en DOT 3.
WAARSCHUWING!
Nooit teveel bijvullen. Het vulniveau staat aangeduid op de zijkant van het reservoir. Overvullen zou te hoge remdruk en lekkage rond de vuldop en het reservoir kunnen veroorzaken. Uw remmen kunnen falen en een ongeval veroorzaken.
WAARSCHUWING!
Slecht onderhouden remmen zijn gevaarlijk en kunnen ongevallen veroorzaken. De volgende tips helpen u om de remmen veilig te houden:
- Verwijder alle vuil, stof en vet van het reservoir voordat u remvloeistof controleert of bijvult. Vervuiling van de remvloeistof kan falende remmen en zware letsels veroorzaken.
- Gebruik nooit remvloeistof uit een open blik, gerecycleerde olie, minerale olie of remvloeistof die niet minstens voldoet aan SAE standaard J1703. Gebruik alleen remvloeistof in schone reservoirs, waarbij er geen gevaar voor vervuiling door vloeistoffen of vreemde voorwerpen bestaat. Dergelijke vervuiling kan falen van de remmen veroorzaken.
- Bij normaal gebruik mag het remvloeistofpeil niet snel dalen. Wanneer u vaker het reservoir van de hoofdremcilinder moet bijvullen, moet u meteen uw geautoriseerde dealer raadplegen.
Voorste en achterste remmen
Controleer met het oog elke remschijf en remvoering via de speciale inspectie-opening.

Onderhoud airconditioning
Voor optimale prestaties kunt u de airco best laten controleren door uw geautoriseerde dealer bij het begin van het warme seizoen. Dit onderhoud moet ook de reiniging van de condensator-roosters en een controle van het koelvloeistofpeil omvatten. Laat ook de spanning van de riemen controleren.
WAARSCHUWING!
- Gebruik alleen door Chrysler International goedgekeurde koelmiddelen voor uw airco. Sommige niet goedgekeurde koelmiddelen zijn ontvlambaar, kunnen ontploffen en emstige letsels veroorzaken. Andere, niet goedgekeurde koelmiddelen kunnen storingen en hoge reparatiekosten veroorzaken.
- Vul nooit koelvloeistof bij om een koeling-probleem op te lossen zonder dat er eerst een manometer is aangesloten door een ervaren monteur. Gebrekkige koeling kan een andere oorzaak hebben en het bijvullen van koelvloeistof kan een gevaarlijke druk en verwondingen veroorzaken.
Koelmiddel opvangen en recycleren
Het airconditioningsysteem van uw auto bevat R-134a, een koelmiddel dat de ozonlaag in de bovenste atmosfeer niet aantast. Chrysler International adviseert om het onderhoud aan het airconditioningsysteem uit te laten voeren door een geautoriseerde dealer of een bedrijf dat beschikt over een installatie om het koelmiddel op te vangen en te recycleren.
Tussenbak
Controle
De vloeistof moet even hoog staan als de onderzijde van de vulopening.
Bijvullen
Alleen via de vulopening, tot de vloeistof uit de opening komt.
Vervangen
Eerst de vulplug, daarna de aftapplug verwijderen.
VOORZICHTIG!
De pluggen niet te sterk aanhalen. U kunt de doppen beschadigen zodat ze gaan lekken.
Soort vloeistof
Mopar Automatic Transmission Fluid of gelijkwaardig met aanduiding Dexron® III.
Vloeistof voor-/achteras
Controle
Het niveau mag niet lager zijn dan 1,2 cm (0,5 inch) onder de vulopening.
Bijvullen
Vloeistof alleen via de vulopening en tot op het aangeduide niveau bijvullen.
Soort vloeistof
Mopar Gear Lubricant of gelijkwaardige vloeistof SAE 80W-90 API-GL5. Modellen met een trekhaaksysteem voor aanhangers moeten SAE 75W-140 synthetische transmissie-olie gebruiken voor de achteras. Modellen met een Quadra Drive System moeten SAE 75W-140 synthetische transmissie-olie gebruiken en een wrijvingsom-vormer voor de voor- en achterassen.
Spoorstangen en stuurinrichting smeren
Kogelgewrichten en andere componenten van de aandrijving zijn uitgerust met speciale smeernippels. De smering van deze onderdelen tijdens het voorgeschreven periodieke onderhoud is zeer belangrijk, vooral als u met de auto op het terrein rijdt of anders zwaar belast. Raadpleeg uw plaatselijke, geautoriseerde dealer voor meer informatie.
Keuze van het smeermiddel

Het National Lubricating Grease Institute (NLGI) heeft een keurmerk (symbool) ontworpen om de eigenaar van de auto te helpen, het juiste smeermiddel voor wiellagers en chassisonderdelen te vinden. Dat sym-
bool (zie de afbeelding) vindt u op het blikje van het smeermiddel. Het geeft de toepassing en de kwaliteit van het vet weer.
Er bestaan twee groepen: één voor wiellagers (letter "G") en één voor het chassis (letter "L"). De prestaticcategorieën binnen deze groepen resulteren in een dubbele letteraanduiding voor elke groep. De letteraanduiding in ons voorbeeld is de hoogst mogelijke kwaliteit en kan zowel voor het smeren van de wiellagers als van het chassis gebruikt worden. Gebruik alleen smeermiddelen met een NLGI-symbool op de verpakking en met het juiste kwaliteitsniveau voor de gewenste toe-passing.
VOORZICHTIG!
Wanneer u vaak op moeilijk terrein rijdt, moet u vaker dan normaal alle smeerstoffen verversen en alle nodige carrosserieledelen, de stuurinrichting en onderdelen van de aandrijving smeren om te hoge slijtage te voorkomen.
Smeren van de carrosseriedelen
Alle sloten en scharnierpunten, inclusief stoelrails, portieren, achterklep en motorkapscharnieren, moeten regelmatig gesmeerd worden om een stille, gemakkelijke werking en een bescherming tegen roest te garanderen. Voordat er carrosserie-delen worden gesmeerd, moeten deze punten goed worden gereinigd. Verwijder na het smeren overtollig vet of olie.
Let vooral op bij onderdelen van de motorkapvergrendeling. Als u werkzaamheden onder de motorkap verricht, moet u eerst de motorkapvergrendeling reinigen en indien nodig smeren.
Smeer de portiersloten twee keer per jaar, bij voorkeur in de herfst en de lente. Breng een kleine hoeveelheid hoogwaardig smeermiddel zoals MOPAR cilinderslotvet rechtstreeks aan op de slotcilinder.
Accu
Afhankelijk van het gebruik van de wagen kan het noodzakelijk zijn om geregeld water bij te vullen in de accu. Bij temperaturen van max. 32°C (90°F), moet u het accuzuurpeil ten minste iedere 12 maanden of na 24.000 km (15.000 mijl) controleren. Bij hogere temperaturen moet dat vaker gebeuren. Bij zeer zwaar gebruik moet u iedere 12.000 km (7.500 mijl) controleren.
Om de acculading te bepalen, dient u het vloeistofpeil van de accu te bepalen. Dat kan door de dopjes van de accu te verwijderen en het vloeistofpeil bij te vullen tot het 1 cm boven de accuplaten komt.

Om water bij te vullen in de accu, verwijdert u de dopjes op de accu. Controleer het niveau in elk accucompartiment. Vul gedistilleerd water bij zo- dat het vloeistofniveau 1 cm boven de accuplaten komt of gelijk staat met de markering aan de binnenzijde van de accubehuizing. HET NIVEAU MAG NOOIT DE MARKERING IN DE ACCU-BEHUIZING OVERSCHRIJDEN. ER KAN ZUUR UITTREDEN UIT HET VENTILATIESYSTEEM VAN DE ACCU. Wanneer het vriest, moet u water toevoegen net voor u gaat rijden. Anders kan het water niet voldoende met het accuzuur vermengen en gaat het bevriezen.
Houd de accupolen schoon en vrij van roest. Reinig ze regelmatig met een oplossing van natriumbicarbonaat (zuiveringszout) en water.
VOORZICHTIG!
Mors nooit accuvloeistof op lakdelen, plaatstaal of kunststoffen. Laat daar ook geen gemorste vloeistof achter. De vloeistof tast deze materialen aan.
WAARSCHUWING!
Een accu kan gevaarlijk zijn als u hem slecht behandelt. Lees daarom aandachtig deze voorzorgsmaatregelen:
- Wees zeer voorzichtig als u aan de accu werkt. Accuvloeistof bevat zwavelzuur en moet uit de buurt van ogen en huid worden gehouden. Veiligheidsbril, rubberen handschoenen en vei-
ligheidskleding zijn sterk aanbevolen. Wanneer er zuur in de ogen of op de huid spat, onmiddellijk spoelen met heel veel schoon water. Raadpleeg onmiddellijk een arts.
- Accu's produceren waterstofgas (knalgas). Dat kan ontploffen en ernstige verwondingen vercorzaken. Rook nooit wanneer u de accu controleert. Houd vlammen en vonken uit de buurt van geopende accuvuldoppen.
- Om kortsluiting en gevaarlijke letsels te voorkomen, moet u voorkomen dat gereedschappen of metalen voorwerpen tegelijk de accupolen en de auto raken. Als u de accu controleert, moet u ook de massakabel losmaken.
- Houd accuzuur uit de buurt van kinderen en huisdieren.
- Bewaar de accu niet op een plaats met mogelijk open vuur, vonkvorming of op plaatsen waar kinderen komen.
- Zie ook starten met een startkabel voor andere waarschuwingen en voorzorgsmaatregelen.
Verzorging van de auto en bescherming tegen roest
Bescherming van carrosserie en lak tegen corrosie
De aandacht die aan de carrosserie van de auto moet worden besteed, is sterk afhankelijk van de weersinvloeden en het gebruik van de auto. Pekel in de winter en chemische producten die op bomen en wegen gespoten worden zijn een voort-durende bedreiging voor de lak van uw auto.
De onderstaande onderhoudsadviezen helpen om de carrosserie van uw voertuig gedurende lange tijd in optimale conditie te houden.
Oorzaken van corrosie
Corrosie ontstaat door blootstelling van het metaal omdat lak en beschermende coatings van uw auto zijn beschadigd of verwijderd.
De meest voorkomende oorzaken zijn:
- Pekel, vuil en vochtophoping.
- Steenslag.
- Insecten, teer en boomsappen.
- Zilte lucht in kuststreken.
- Zure regen en industriële vervuiling.
Wassen
- Was uw voertuig regelmatig. Was de auto in de schaduw en gebruik een mild reinigingsmiddel dat geschikt is om auto's mee te wassen. Spoel de auto zorgvuldig af met schoon water.
-
Verwijder insecten, teer en ander aanslag zo vlug mogelijk.
-
Gebruik Mopar auto-polish om oliefilms en vlekken te verwijderen en uw auto in de was te zetten. Let op dat u de lak nooit krast.
- Gebruik geen bijtende producten en polijst-middelen die de glans of de dikte van het lakwerk kunnen verminderen.
VOORZICHTIG!
Gebruik nooit krachtige of schurende reinigingsproducten zoals staalwol of schuurmiddel. Zij veroorzaken krassen in het metaal en de lak.
Koplampen reinigen
Uw auto is uitgerust met plastic koplampvensters. Die zijn lichter en minder gevoelig voor steenslag dan glazen koplampvensters.
Plastic is minder krasbestendig dan glas. Daarom moet u een ander reinigingsmiddel gebruiken voor de lens.
Om het krasgevaar tot een minimum te beperken en de lichtopbrengst maximaal te houden, mag u de koplampglazen niet met een droge doek schoonmaken. Verwijder vuil met een sopje van zachte zeep en spoel goed na.
Gebruik nooit bijtende reinigingsmiddelen, oplosmiddelen, staalwol of andere agressieve stoffen om de lenzen te reinigen.
Speciale verzorging
- Spuit de onderzijde van de auto regelmatig schoon (minstens één keer per maand) wanneer u op zoute of stoffige wegen rijdt.
- Houd de afvoergaatjes aan de onderzijde van de portieren, de schermen en de achterklep schoon en open.
- Als u steenslag of krassen op de lak ontdekt, moet u ze meteen bijwerken. De kosten daarvoor zijn voor de gebruiker.
- Wanneer uw voertuig door b.v. een ongeval schade heeft opgelopen aan de lak en de beschermende coating, moet u de auto zo spoedig mogelijk laten repareren. De kosten daarvoor zijn voor de gebruiker.
- Wanneer u speciale ladingen zoals chemicaliën, kunstmest, zout enz. vervoert, moet u goed opletten dat alles goed verpakt en gesloten is.
- Wanneer u vaak over kiezelzand of grind rijdt, adviseren wij u om bij uw geautoriseerde dealer spatlappen te laten monteren.
- Gebruik Mopar retoucheerlak om krassen zo snel mogelijk te verhelpen. Uw geautoriseerde dealer heeft de passende lakstift voor uw lakkleur.
- Aluminium velgen zijn voorzien van een transparante beschermlaag. Reinig ze met schoon water en een niet bijtend reinigingsmiddel. Gebruik bij sterke verontreiniging een speciale velgenreiniger voor aluminiumvelgen. Gebruik nooit schuursponsjes of metaalpolish. Vermijd wasstraten waar zure reinigingsproducten of harde borstels worden gebruikt. Deze beschadigen de beschermende coating van de velgen.
Verzorging van het interieur
Gebruik Mopar stofreiniger om de bekleding en vloertapijten te reinigen.
Gebruik Mopar Vinylreiniger om vinyl- of skaibekleding te reinigen.
Mopar Vinylreiniger werd speciaal voor vinylbekledingen ontworpen.
Glazen oppervlakken
Alle glazen oppervlakken dienen regelmatig met een normale glasreiniger te worden gereinigd. Gebruik nooit een bijtende reiniger. Wees voorzichtig als u de binnenkant van de achterruit schoonmaakt. Let op de draden van de achterruit-ontdooiing. Gebruik nooit krabbers of andere scherpe voorwerpen die de draden kunnen beschadigen.
Wanneer u de spiegels schoonmaakt, moet u reinigingsmiddel op de doek of vod aanbrengen. Sproei nooit reinigingsvloeistof direct op de spiegel.
WAARSCHUWING!
Gebruik nooit vluchtige oplosmiddelen bij het reinigen. Veel van die stoffen zijn zeer ontvlambaar en kunnen ademhalingsproblemen veroorzaken in gesloten ruimten. Gebruik nooit benzine, terpentijn, kerosine enz. voor het reinigen. Gebruik alleen de door Mopar aanbevolen of gelijkwaardige producten.
KATALYSATOR
De katalysator mag alleen met ongelode benzine werken. Loodhoudende benzine zal de katalysator vernielen en zo de werking van het emissiesysteem teniet doen. Onder normale gebruiksomstandigheden behoeft de katalysator geen onderhoud. Het is echter wel belangrijk om de motorafstellingen door uw dealer optimaal te laten houden en zo schade aan de katalysator te voorkomen.
VOORZICHTIG!
De katalysator kan schade oplopen als u de auto niet in prima conditie houdt. Bij een motorstoring, vooral bij het doorslaan van de motor of duidelijk vermogenverlies, moet u de auto meteen laten repareren. Blijven rijden met een ernstige storing kan de katalysator oververhitten, waardoor hij en de auto schade oploopt.
Parkeer de auto nooit of rijd nooit op plaatsen waar het uitlaatsysteem in contact kan komen met brandbaar materiaal zoals gras of droge blade- ren.
Als u blijft rijden met een motorstoring, kunt u een schroeilucht ruiken. Die schroeilucht kan duiden op oververhitting van de katalysator. Als dit optreedt, moet u de auto stilzetten, de motor afzetten en laten afkoelen. Er dient onmiddellijk onderhoud te worden uitgevoerd in combinatie met het afstellen van de motor volgens de specificaties van de fabrikant. Zo beperkt u de mogelijkheid voor schade aan de katalysator tot een minimum:
- Zet de motor niet uit of onderbreek het contact niet wanneer de auto in versnelling staat of beweegt.
-
Probeer een wagen niet te starten door hem te duwen of te slepen.
-
Laat de motor niet lang stationair draaien met één of meer ontkoppelde bougiekabels.
- Laat de motor niet lange tijd stationair draaien na zeer zware belastingen of bij het rijden met storingen.
- Zorg ervoor dat u nooit zonder brandstof komt te zitten.
ZEKERINGENPANEEL
De zekeringenkast bevindt zich aan de onderzijde van het dashboard, links naast de stuurkolom. Een label op de kast identificeert elke zekering, om vervanging te vergemakkelijken.

| Locatie | Zekering | Omschrijving |
| 1 | Reserve | |
| 2 | Reserve | |
| 3 | 10A rood | Linker koplamp, grootlicht |
| Locatie | Zekering | Omschrijving |
| 4 | 15A lichtblauw | Alarmknipperlicht |
| 5 | 25A Natuur | Radio/versterker |
| 6 | 15A lichtblauw | Parkeerlichten |
| 7 | 10A rood | BCM, startbeveiliging, AZC |
| 8 | 15A lichtblauw | Dakconsole, binnenverlichting, achterste ruitenwisser, IP-lampjes, Magneetspoel glazen achterklep |
| 9 | 20A geel | Voeding accessoires |
| 10 | Reserve | |
| 11 | 10A rood | Indicatielampje achterruitontdooling |
| 12 | Reserve | |
| 13 | Reserve | |
| 14 | 10A rood | Linker koplamp, dimlicht |
| 15 | 10A rood | Rechter koplamp, dimlicht |
| 16 | 10A rood | Rechter koplamp, grootlicht |
| 17 | 10A rood | Instrumentenpaneel, diagnoseconnector |
| 18 | 20A geel | Aanhangerset |
| 19 | 10A rood | ABS |
| 20 | 10A rood | Ontstekingscontact |
| 21 | 10A rood | Contact Run/Start - PDC |
| 22 | 10A rood | Contact Starten |
| 23 | 15A lichtblauw | Remlichtschakelaar |
| 24 | 15A lichtblauw | Mistlampen Vooraan |
| 25 | 20A geel | Vertragingsrelais accessoires (zonnendak) |
| 26 | 15A lichtblauw | Aansteker, aanhangerset |
| 27 | 10A rood | Achtermistlichten |
| 28 | 10A rood | BCM, ACC/RUN |
| 29 | 10A rood | Schakelaar achterste ruitenwisser,Sproeiermotoren |
| 30 | 15A lichtblauw | Radio |
| 31 | 10A rood | Contact starten |
| 32 | 10A rood | Contact Run/Start - Airbag |
| 33 | 10A rood | Contact Run/Only - Airbag |
| C1 | 20A | Ruitenwisser (schakelaar) |
| C2 | 20A | Stoelen (schakelaar) |
| C3 | Reserve |
Elektrische storing
Bij een gewone kortsluiting volstaat het om de zekering te vervangen. Herhaaldelijke kortsluitingen duiden echter op een storing in het elektrisch circuit. Wanneer een zekering blijft doorsmelten, moet u uw geautoriseerde dealer opzoeken. Gebruik nooit een sterkere zekering dan de aangeduide.
ZEKERINGENKAST
Uw auto heeft een zekeringenkast in de motor- ruimte, naast de accu. In deze zekeringenkast vindt u ook nieuwe "Cartridge"-zekeringen die alle
reeds geplaatste lijnzekeringen kunnen vervangen. De zekeringenkast bevat ook "Mini"-zekeringen en "ISO"- insteekrelais. Op een etiket in het deksel van de zekeringenkast staat elk component aangeduid. Daardoor kunt u de gewenste zekering sneller vinden en vervangen. "Cartridge"-zekeringen zijn beschikbaar bij uw geautoriseerde dealer.
HET VOERTUIG STALLEN
Wanneer u de auto langer dan 21 dagen laat stilstaan, moet u volgende stappen uitvoeren om de accu van de auto te ontzien. U kunt:
- De "Cartridge"-zekering 15 met de aanduiding "JB POWER" uit de zekeringkast van de motor-ruimte verwijderen.
- U kunt ook de massakabel van de accu loskoppelen.
GLOEILAMPJES VERVANGEN
Koplampen
- Verwijder de schroef die de lampkop bevestigt aan de koplampmodule.

- Neem de koplamp boven aan de binnenzijde en onderaan aan de buitenzijde vast en trek de koplamp naar buiten om de kogel van de koplampunit uit de koplampmodule te trekken.
- Koppel de elektrische connector los.
- Draai de lampvoet een kwart draai naar links.

- Trek het gloeilampje uit de fitting.
- Plaats een nieuwe gloeilamp in de fitting en draai ze naar rechts.
VOORZICHTIG!
Dit is een halogeenlampje. Vermijd aanraking van het lampglas met uw vingers. Dat kan immers de levensduur van de gloeilamp beïnvloeden.
- Plaats de koplampunit.
Parkeerlichten
- Verwijder de schroef die de lampkop bevestigt aan de koplampmodule.

- Neem de koplamp boven aan de binnenzijde en onderaan aan de buitenzijde vast en trek de koplamp naar buiten om de kogel van de koplampunit uit de koplampmodule te trekken.
- Draai de lampvoet een kwart draai naar links.

- Trek het gloeilampje uit de fitting.
- Plaats een nieuwe gloeilamp in de fitting en druk ze vast.
- Plaats de koplampunit.
Richtingaanwijzer
- Verwijder de schroef die de lampkop bevestigt aan de koplampmodule.

- Neem de koplamp boven aan de binnenzijde en onderaan aan de buitenzijde vast en trek de koplamp naar buiten om de kogel van de koplampunit uit de koplampmodule te trekken.
- Draai de lampvoet een kwart draai naar rechts.

-
Trek het gloeilampje uit de fitting.
-
Plaats een nieuwe gloeilamp in de fitting en druk ze vast.
- Plaats de koplampunit.
Flankverlichting
- Steek een klein vlak gereedschap tussen de fender en de flankverlichting.
- Wip de lens uit de fender.
- Draai de lampvoet een kwart draai naar links.

- Trek het gloeilampje uit de fitting.
- Plaats een nieuwe gloeilamp in de fitting en druk ze vast.
- Druk de lamp in de fender totdat deze vastzit.
Achterlicht, remlicht, achtermistlicht, richtingaanwijzer en achteruitrijlicht
- De achterklep openen.
- Verwijder de twee schroeven die het achterlichtblok aan de carrosserie vastmaken en trek het armatuur uit de carrosserie.

- Draai de lampvoet een kwart draai naar links en trek het lampje uit de fitting.

- Plaats een nieuwe gloeilamp in de fitting en druk ze vast.
- Het achterlichtblok opnieuw plaatsen.
Derde remlicht
- Verwijder de twee bevestigingsschroeven van het derde remlicht.

- Draai de lampvoet een kwart draai naar rechts en trek het lampje uit de behuizing.
- Trek het gloeilampje uit de fitting.
- Plaats een nieuwe gloeilamp in de fitting en druk ze vast.
- Het lichtblok opnieuw plaatsen.
Verlichting kentekenplaat
- Verwijder een van de schroeven van de lamp-unit.
- Roteer de fitting en verwijder de behuizing van de lamp.
- Neem de lamp uit de fitting.
- Plaats de nieuwe lamp in de fitting. Druk de lamp vast.
- Plaats de lampunit weer terug.
GLOEILAMPJES
Binnenverlichting Lamptype
A/C verwarming. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Niet vervangbaar
Lampje asbak 161
Klimaatregeling (dubbele
Leeslampjes voorin 192
Lampje handschoenkastje....194
Dakconsole....192
Radio. ASC
Verlichting laadruimte 214-2
Verlichting sluitgreep passagierszijde . . . 214-2
Verlichting make-up spiegeltje * . . P/N 6501966
Instapverlichting onder het dashboard . . . . 906
Instrumentenpaneelverlichting (algemene
verlichting) 103
Indicatie-/waarschuwingslampje 74
*Alleen beschikbaar bij Chrysler International-dealers.
Buitenverlichting Lamptype
Achteruitrijlichten P27-7W
Richtingaanwijzers vooraan . . . . . . . PY21W
Kentekenverlichting achteraan . . . . . . W5W
Remlichten/parkeerlichten achterin ... P27-7W
Richtingaanwijzers achteraan (2) . . . P27-7W
Motorkapverlichting 561
OPMERKING:
De getallen verwijzen naar het lamptype dat u bij uw geautoriseerde dealer kunt kopen.
ALGEMENE GEGEVENS
| 3.1L-Diesel-motor | 4.0L-Benzine-motor | 4.7L-Benzine-motor |
| in lijn, OHV, 5 cil. | in lijn, OHV, 6 cil. | in V, OHV, 8 cil. |
| 92,0 mm x 94,0 mm | 98,4 mm x 86,7 mm | 93,0 mm x 86,5 mm |
| Gietijzer | Gietijzer | Gietijzer |
| Gietijzer | Gietijzer | Aluminium |
| 3.1 L (189 cu. in.) | 4.0L (242 cu. in.) | 4.7L (287 cu. in.) |
| 21,0:1 | 8,7:1 | 9,3:1 |
| Indirecte multiport brandstof-inspuiting | Sequentieel multipoint elektrisch-brandstof-inspuiting | Sequentieel multiport elektrisch-brandstof-inspuiting |
| Totale lengte | 181,5 in. (269,1 cm) |
| Totale breedte | 72,3 in. (223,9 cm) |
| Totale hoogte (leeg) | 69,4 in. (176,2 cm) |
| Wielbasis | 105,9 in. (269,1 cm) |
| Spoorbreedte voor | 59,5 in. (151,1 cm) |
| Spoorbreedte achter | 59,5 in. (151,1 cm) |
| Laadvolume kofferbak | Achterbank opgeklapt 39,0 cu. Ft. Achterbank neergeklapt 72,3 cu. Ft. |
| Leeggewicht (basismodel): W/ Automatic | 4.182 lbs. (1.897 kg. - 3.1L Diesel) 3.911 lbs. (1.774 kg. - 4.0L Benzine) 4.081 lbs. (1.851 kg. - 4.7L Benzine) |
VULHOEVEELHEDEN
| Motor | Motorolie-met filter | Koelvloeistof* | Brandstof-tank (ca.) |
| 3.1L Diesel | 7,2 liter(8,2 qts.) | 12,0 liter(12,68 qts.) | 78 liter(20,5 gal.) |
| 4.0L Benzine | 5,7 liter(6 qts.) | 14,1 liter(13,25 qts.) | 78 liter(20,5 gal.) |
| 4.7L Benzine | 5,7 liter(6 qts.) | 13,7 liter(11,5 qts.) | 78 liter(20,5 gal.) |
*Inclusief 1,9 liter (2 quarts) voor expansievat koelvloeistof.
AANBEVOLEN VLOEISTOFFEN, SMEERSTOFFEN EN ORIGINELE ONDERDELEN
Chassis
| Onderdeel | Specificatie |
| Automatische versnellingsbak | Mopar ATF+3® of ATF+3 Type 7176® bij voorkeur |
| Asdifferentieel (voor-achter) | Mopar Gear Lubricant of gelijkwaardige vloeistof SAE 80W-90 (API-GL5). Trekken van aanhanger: kies een synthetisch transmissievet SAE 75W-140 voor de achteras. Modellen met een Quadra-Drive-System moeten SAE 75W-140 synthetische transmissie-olie gebruiken en een wrijvingsomvormer voor de voor- en achterassen. |
| Hoofdremcilinder & ABS Remvloeistofreservoir | Mopar rem-/koppelingsvloeistof met aanduiding FMVSS nr. 116, DOT-3 &SAE J1703. OPGELET! Gebruik alleen aanbevolen remvloeistof. |
| Pomp stuurbekrachtiging | Mopar stuurbekrachtigingsvloeistof. |
| Tussenbak | Mopar Automatic Transmission Fluid of gelijkwaardig met aanduiding Dexron® III. |
| Ruitensproeiervloeistof | Mopar ruitenwisservloeistof. |
| Kogelgewrichtens assen, cardanverbindingen & stangen en wiellagers | Mopar Multi-Purpose smeermiddel of gelijkwaardig. (aanduiding NLGI Grade 2 EP, GC-LB) |
Motor
| Onderdeel | Specificatie |
| Luchtfilter motor | Mopar of gelijkwaardig. |
| Motorkoeling | Mopar All Season koelvloeistof of gelijkwaardig. |
| Motorolie | API-gecertificieerd. Raadpleeg de viscositeitstabel voor de correcte SAE-waarde. |
| Oliefilter | Mopar of gelijkwaardig. |
| Bougies | Lees het informatielabel voor de emissie in de motorruimte. |
Carrosserie
| Onderdeel | Specificatie |
| Scharnieren:Portier & motorkapAchterklep | Mopar motorolieMopar Multi-Purpose olie NLGI Grade 2 EP, GC-LB |
| Grendels: Portier, motorkapvergrendeling achterklep | Mopar Multi-Purpose olie NLGI Grade 2 EP, GC-LB |
| Stoelinstelling & rail | Mopar Multi-Purpose olie NLGI Grade 2 EP, GC-LB |
| Onderdelen van de ruiten | Mopar Spray White Lube |
| Slotcilinders | Mopar cilinderslotvet |
| Instelwieltje handrem | Mopar wiellagervet NLGI Grade 1, GC-LBB |
8
ONDERHOUDSSCHEMA'S
• ONDERHOUD VAN HET EMISSIECONTROLESYSTEEM .. 146
• ONDERHOUDSSCHEMA'S 146
ONDERHOUD VAN HET EMISSIECONTROLESYSTEEM
Onderhoudsbeurten moeten worden uitgevoerd op de aangeduide tijdstippen of kilometerstanden in het onderhoudsschema om een goede werking van het emissiesysteem te garanderen. Deze en alle andere onderhoudsbeurten uit dit instructieboek dienen strikt nageleefd te worden om u zoveel mogelijk voordeel, maximale betrouwbaarheid en prestaties te bieden. Maar door vaak op het terrein rijden, vele korte ritten of andere zware rijomstandigheden, kan een extra onderhoudsbeurt noodzakelijk zijn om de auto in goede conditie te houden.
Inspectie en onderhoud kunt u ook best door uw geautoriseerde dealer laten uitvoeren iedere keer u een defect vermoedt.
ONDERHOUDSSCHEMA'S
In het aparte ONDERHOUDSBOEKJE vindt u informatie over de geplande onderhoudsbeurten voor uw auto en de werkzaamheden die bij elke onderhoudsbeurt uitgevoerd worden.
De onderhoudsschema's werden ontworpen om uw auto zo zuinig en betrouwbaar mogelijk te laten werken. Afhankelijk van klimatologische omstandigheden, het soort terrein waarop u rijdt, uw rijgedrag en zware gebruiksomstandigheden kan het nodig zijn om bijkomende onderhoudsbeurten in te lassen. Uw geautoriseerde dealer geeft u graag professioneel advies.
BELANGRIJK: Wanneer u echter onder de volgende omstandigheden met de auto rijdt, dient u het onderhoudsinterval te halveren. Een voorbeeld: iedere 3 maanden i.p.v. iedere 6 maanden, of iedere 6.000 km (3.700 mijl) i.p.v. iedere 12.000 km (7.500 mijl).
Dat is vooral belangrijk voor motorolie en filters.
- U legt vaak korte afstanden af, minder dan 24 km (15 mijl).
• U rijdt vaak in een omgeving met veel stof
• U trekt een aanhangwagen - De wagen draait vaak stationair
• U rijdt vaker tegen de topsnelheid
• U rijdt geregeld in de woestijn
• U moet vaak starten en stoppen
• U rijdt in een koud klimaat
• U rijdt vaak op het terrein (off-road) - U gebruikt de auto voor commerciële doeleinden
Het is uw verantwoordelijkheid om de juiste gebruikscondities van uw auto te bepalen. U dient er dan ook zeker van te zijn dat de auto het correcte onderhoudsschema heeft. De onderhoudsintervals worden bepaald aan de hand van de duizendtallen op uw kilometererteller. Voor alle kilometerstanden die daarop volgen, moet u doorgaan met de onderhoudsbeurten in stappen van 12.000 km (7.500 mil) of vaker (bij zwaar gebruik).
U bent verantwoordelijk voor het bijhouden van onderhoudsnotities. In sommige gevallen dient u immers te kunnen bewijzen dat het onderhoud uitgevoerd werd. Wanneer u de auto verkoopt, moeten deze notities in de auto blijven en moet u ze overhandigen aan de nieuwe eigenaar.
Inspectie en onderhoud kunt u ook best door uw geautoriseerde dealer laten uitvoeren iedere keer u een defect vermoedt.
Raadpleeg uw geautoriseerde dealer over welke onderhoudsbeurten uw auto nodig heeft en hoeveel ze kosten.
OPMERKING:
De onderhoudsvereisten kunnen per land verschillen.
Wanneer u stopt bij een benzinepomp
- Controleer het oliepeil en vul indien nodig olie bij.
- Controleer het peil van de ruitensproeier-vloeistof en vul indien nodig bij.
Doe dit elke maand
- Controleer de bandenspanning en zoek naar ongewone slijtage of beschadigingen.
- Controleer de accu en maak de connectors schoon wanneer dat nodig is.
- Controleer het peil van koelvloeistof, vloeistof voor de hoofdremcilinder, stuurbekrachtiging en versnellingsbak. Vul indien nodig vloeistof bij.
- Controleer of alle lampjes en andere elektrische onderdelen goed werken.
- Controleer of de rubber dichtingen aan elke zijde van de radiateur goed vast zitten.
9
INDIEN U DE KLANTENSERVICE NODIG HEBT
• SUGGESTIES VOOR HET ONDERHOUD VAN UW VOERTUIG 150
• Voorbereiden op onderhoudsbeurt 150
• Maak een lijst 150
- Wees redelijk met uw verzoeken 150
• ALS U HULP NODIG HEEFT 150
• OOSTENRIJK 150
• BELGIË 150
• FRANKRIJK 150
• DUITSLAND 151
• GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG 151
• ITALIË 151
• ONDERDELEN VAN MOPAR 151
SUGGESTIES VOOR HET ONDERHOUD VAN UW VOERTUIG
Voorbereiden op onderhoudsbeurt
Wanneer u werkzaamheden onder garantie moet laten uitvoeren, dient u de juiste papieren bij u te hebben. Neem uw garantiefolder. Misschien worden niet alle uit te voeren werkzaamheden door de garantie gedekt. Praat met uw garagehouder over eventuele extra kosten. Houd een onderhoudslogboek bij van uw voertuig. Dat kan vaak nuttige informatie geven m.b.t. tot het huidige probleem.
Maak een lijst
Maak een lijst van alle problemen van uw auto en de werkzaamheden die u wenst te laten verrichten. Wanneer u een ongeval had, of wanneer er werkzaamheden dienen te worden verricht die niet in het onderhoudsboekje staan vermeld, moet u dat melden aan uw geautoriseerde dealer.
Wees redelijk met uw verzoeken
Wanneer u een hele waslijst verzoeken hebt, en u moet de auto nog diezelfde dag terug hebben, bespreek dan met uw geautoriseerde dealer welke werkzaamheden prioriteit hebben. Bij veel dealers kunt u een huurauto krijgen tegen een minimale vergoeding. Als u een huurauto nodig hebt, adviseren wij u de auto te reserveren wanneer u belt voor uw afspraak.
ALS U HULP NODIG HEEFT
Chrysler International vindt het uitermate belangrijk dat u tevreden bent over de producten en diensten. Als zich een onderhoudsprobleem voordoet, of een ander probleem, adviseren wij u om de volgende stappen te ondernemen:
Bespreek het probleem bij de officiële dealer met de bedrijfsleider of de service-manager. De aangewezen persoon om het probleem snel op te lossen is iemand van het leidinggevende personeel van de officiële dealer.
Wanneer u contact opneemt met de importeur, moet u de volgende gegevens verschaffen:
- Uw naam, adres en telefoonnummer.
- Het identificatienummer van de auto. Dit is een nummer van 17 cijfers. U vindt het op het typeplaatje dat zichtbaar is door de voorruit, in de bovenhoek van het instrumentenpaneel aan de bestuurderszijde. U vindt het ook op uw kentekenbewijs.
- De tot verkoop en onderhoud bevoegde dealer.
- De afleverdatum van de auto en de huidige kilometerstand.
- De gegevens over het gepleegde onderhoud aan uw auto.
- Een precieze beschrijving van het probleem en de omstandigheden waarin het probleem zich voordoet.
OOSTENRIJK
TNT MAILFAST
Vloeistoffen, smeermiddelen, onderdelen en accessoires van Mopar zijn beschikbaar bij uw geautoriseerde dealer. Deze helpen u om uw auto in perfecte conditie te houden.
INDEX
10
Aanbevolen vloeistoffen, smeerstoffen
en originele onderdelen 143
Aanhangwagen 101
Gewicht trailer en dissel 102
Minimum vereisten 103,104
Tips 103
Tips voor koeling 103
Waarschuwing 102
Accu 134
Het voertuig stallen 138
Laden 110
Starten met startkabels 110
Accy
Waarschuwing voor gassen ..... 135
Achteras 133
Achterklep 11
Achterlichten 140
Achterruit, onderdelen 51
Achterruitontdooling 51
Achterste ruitenwisser/sproeier ..... 51
Achteruitkijkspiegels 36
Achteruitrijlichten 140
Afmetingen 142
Afmetingen voertuig 142
Afstandsbediening autoradio 77
Afvalverwijdering
Koelvloeistof 125
Motorvloeistoffen 120
Airbag 18
Airco, onderhoud 132
Aircosysteem 82
Alarm 29
Alarmknipperlichten 62,66,106
Alarmsysteem 29
Algemene gegevens 142
Antiblokkeersysteem (ABS) 95,131
Antiblokkeersysteem,
waarschuwingslampje 64,68
Antidiefstal-alarm 29
Antivries (motorkoeling) 127
Asbakje 43
Asvloeistof 133
Automatisch dimmen van de spiegel ..... 36
Automatisch openen van de ruiten ..... 30
Automatische portiervergrendelingen .... 12
Automatische temperatuurregeling ..... 82
Automatische versnellingsbak 89,128
Bereik van de versnellingen 89
Koppelomvormer 91
Overdrive 89
Schakelen 89
Soort vloeistof 129
Speciale additieven 129
Vloeistof bijvullen 128
Vloeistof en filter vervangen ..... 129
Vloeistofpeil controleren 128
Bagagedrager 53
Bagageruimte
Bagagedrager 53
Inhoud 53
Verlichting 52
Bagageruimte, kenmerken 52
Bagageruimte, vrachtruimte ..... 52
Bagageverlichting 52
Banden 22,99
Bandenspanning 99
Onderhoud 101
Opkrikken 108
Reservewiel 108
Rotatie 101
Slijtagemarkeringen 100
Sneeuwkettingen 101
Spanning 99
Uitlijnen 101
Vervangen 107,108
Vervanging 100
Waarschuwingen 99
Wiel monteren 109
Wielbout 109
Bandendruk 99
Bandenslijtage, slijtagemarkeringen .... 100
Bandenspanning 99
Bekkengordel 16
Bekkengordel, middelste 16
Bekken-/schoudergordels 13
Bekleding, onderhoud 136
Benzine 96
Benzine, nieuwe formule 96
Beveiliging tegen diefstal 12
Binnenspiegel 36
Binnenverlichting 38
Brandstof 96
Additieven 97
Benzine 96
Meter 64,68
Octaangetal 96
Vuldeksel 97
Vuldop 97
Vulhoeveelheid 99
Brandstofdop 97
Buitenste achteruitkijkspiegels ..... 37
Capaciteit, laadvermogen 102
Cassettespeler 69,73,76
Cassettespeler en tape, onderhoud ..... 80
CD-speler 78
Claxon 60
Compact Disc, onderhoud 80
Compact Disc speler 69,73,78
Compact Disc wisselaar 78
Console in de dakhemel 44
Contact
Sleutel 9
Slot 10
Cruise Control, snelheidsregeling ..... 42
Dagteller 63.67
Dakhemelconsole 44
Dekzeil bagageruimte 52
Derde remlicht 140
Dimschakelaar koplampen 39
Drukmeter, olie 62,66
Elektrisch bediend schuifdak 50
Elektronische snelheidsregeling ..... 42
Emissie-controlesysteem, onderhoud .... 146
Ethanol 96
Filters
Luchtfilter 128
Motorolie 122
Geheugenfunctie zetels en autoradio . . . 28,33
Glad wegdek, rijden op 93
Glasoppervlakken reinigen 136
Gordelsystemen 13
Gordelsystemen, kinderen ..... 16
Handschoenvakje 44
Hoofdsteunen 31
Hulpstopcontract 43
Hulpversnellingsbak 91,133
Identificatie van het voertuig . . . . 116,117,118
Imperiaal 53
Inhalen en richtingaanwijzers .. 62,66,139,140
Inremmen van nieuw voertuig,
aanbevelingen 21
Inremperiode nieuw voertuig 21
Inschuifbare bagageruimtecover ..... 52
Instelbare stuurkolom 41
Instrumentenpaneel 61,62,65,66
Instrumentenpaneel en bedieningen ..... 60
Interieur, verzorging en onderhoud ..... 136
Kalibreren, kompas 48
Kampeerwagen 101
Katalysator 136
Keuze van de olie 120
Kilometerteller 63,67
Dagteller 63,67
Kinderbeveiliging 16
Kinderen en veiligheid 16,18
Klantendienst, support 150
Klimaatregeling 81
Kniebescherming 18
Knipperlichten 39,62,66,106,139
Gevaarknipperlichten 106
Richtingaanwijzers 62,66,139,140
Koelmiddel 132
Koelsysteem 124
Controle 124
Keuze van de koelvloeistof ..... 127
Koelvloeistof bijvullen (antivries) ..... 127
Koelvloeistofpeil 124
Radiatordop 126
Temperatuurmeter 63,67
Vloeistoffen laten aflopen en bijvullen .. 125
Koelvloeistof (antivries) toevoegen) ..... 127
Koetswerklak, onderhoud 135
Koetswerklak, schade 136
Kofferontgrendeling 54
Kompas 48
Kompas, afwijkingen 48
Kompas kalibreren 48
Kompasafwijkingen 48
Koolstofmonoxide, waarschuwing ..... 21
Koplampen 39
Groot licht 62,66
Vervangen 138
Koppelomvormer, koppeling 91
Krik, gebruik 108
Krik, locatie 107
Lakschade 136
Lampje vervangen 138
Lampjes 22,38,141
Aanduiding groot licht 62,66
ABS-waarschuwingslampjes 64,68
Achteruitrijlicht 140
Airbag waarschuwingslampje .... 20,62,66
Bagageruimte 52
Derde remlicht 140
Dimlichten 63,67
Dimschakelaar, koplamp 38,39
Flankverlichting 139,140
Gevaarknipperlicht 106
Instrumenten controleren 63.67
Instrumentenpaneel 39,61,65
Interieur 38
Kaartleeslampjes 44
Knipperlichten 39
Koplampschakelaar 39
Make-upspiegeltje 37
Mistlampen 39
Motor controleren 62.66
Plafondlampje 44
Richtingaanwijzer ..... 39,62,66,139,140
Schakelaar 138
Storingsaanduiding 62,66
Vervangen 138
Waarschuwing lege tank 64,68
Waarschuwing lichten aan 39
Waarschuwing remmen 64,68
Waarschuwing veiligheidsgordel .. 13,64,68
Zekeringen 137
Lampjes, verlichting 141
Lampjes vervangen 138
Lekke band opbergen 108
Lendensteun 32
Luchtfilter 128
Luchtfilter, motor 128
Make-upspiegeltje 37
Meters
Brandstof 64,68
Kilometerteller 63,67
Oliedruk 62,66
Snelheidsmeter 62,66
Temperatuur koelvloeistof 63,67
Toerenteller 62,66
Voltmeter 62,66
Methanol 96
Mini-Trip Computer 47
Mistlampen 39
Mopar-onderdelen 119,151
Motor 116,117,118
Aanbevelingen voor het inremmen ..... 21
Koelvloeistof 127
Luchtfilter 128
Motorruimte 116,117,118
Niet starten 87
Olie 120
Oliedrukmeter 62,66
Oliefilter 122
Oververhitting 106
Starten 87
Starten met startkabels 110
Storingsaanduiding 62,66
Temperatuurmeter 63,67
Verdronken motor starten 87
Waarschuwing uitlaatgassen 21
Motorolie 120,121
Aanbevelingen 120
Additieven 121
Drukmeter 62,66
Filter 121,122
Peilstok 121
Verversingsinterval 121
Viscositeit 120
MTBE/ETBE 96
Multifunctionele bedieningshendel ..... 38
Naontsteking motor 137
Neerklapbare achterbank 34
Neerklapbare zetels 30
Noodgevallen
Gevaarknipperlichten 106
Oliedrukmeter 62,66
Opkrikken 108
Oververhitting 103,106
Sleepogen 111
Starten met startkabels 110
Temperatuurmeter 63,67
Vastgereden voertuig vrijmaken ..... 91
Waarschuwingslampje remmen ..... 64,68
Onderhoud, algemeen 119
Onderhoud chassis 136
Onderhoud van het voertuig ..... 135
Onderhoudsprocedures 119
Onderhoudsschema 146
Ontdooien achterruit 51
Ontdooien voorruit 22,82,83
Ontsteking 10
Ontwasemen en ontdooien 84
Ontwaseming achterruit 51
Overbelastingsschakelaar 138
Overbelastingsschakelaars 138
Overdrive 89
Oververhitting, motor 103,106
Parkeerrem, handrem 88
Peilstaven
Automatische versnellingsbak ..... 128
Motorolie 121
Stuurbekrachtiging 130
Polijsten en in de was zetten 135
Portierontgrendeling met afstandsbediening . 27
Portiersloten 11
Radiaalbanden 99
Radiatordop 126
Radio 69,73
Remsysteem 95,131
Antiblokeersysteem 64,68,95,131
Handrem 88
Remvloeistofpeil controleren 131
Trekken van een aanhangwagen ..... 102
Waarschuwingslampje 64,68
Reservewiel 108
Richtingaanwijzer 62,66,139,140
Richtingaanwijzers 39
Rijden
In de bergen 93
Op gladde wegen 93
Op onbestrate wegen 93
Rijden op onverharde weg 93
Roteren van banden 101
Ruiten 29
Ruiten, elektrisch bediend ..... 29
Ruiten, sproeiers 40
Ruitensproeiers 40,130
Ruitensproeiers
Vloeistof 130
Ruitenwisserbladen 131
Ruitenwissers 40
Ruitenwisser/sproeier achterklep ..... 51
Ruitontdooiing 22,82,83
Ruitontwaseming 84
Schade door ongeval 136
Schakelen
Automatische versnellingsbak ..... 89
Hulpversnellingsbak 92
Schemas, motor 116,117,118
Schone brandstof 96
Schuifdak 50
Schuifdeursloten 12
Service Assistentie 150
Service en onderhoud 146
Shoulderriem 13
Sigarettenaansteker 43
Sjörringen bagage 52
Sjorringen voor de bagage 52
Sleephaken 111
Slepen 101
Sleutels 9
Slot Stuurslot 10
Sloten 11
Achterklep, kofferklep 11
Contactslot 10
Elektrische portiersloten ..... 12
Kinderbeveiliging 12
Portieren 11,30
Smeermiddelen 133
Smeerolie 133
Smering, koetswerk 134
Smering koetswerkmechanisme ..... 134
Sneeuwbanden 101
Sneeuwkettingen 101
Snelheidsmeter 62,66
Snelheidsregeling 42
Spiegels 36
Achteruitkijkspiegels 36
Automatisch dimmen binnenspiegel .... 36
Buitenspiegels 37
Stallen van het voertuig 138
Starten 87
Automatische versnellingsbak 87
Met startkabel 110
Motor start niet 87
Starten met startkabels ..... 110
Stopcontact 43
Storingsaanduiding 62,66
Stroom
Centrale voeding 138
Sturen 130
Stuurbekrachtiging 94
Stuurslot 10
Stuurbekrachtiging 94,130
Stuurwiel, afstandsbediening autoradio ... 77
Stuurwiel, instelbaar 41
Technische gegevens
Motor 142
Olie 120
Temperatuurmeter, motorkoeling ..... 63,67
Temperatuurregeling, automatisch ..... 82
Tips voor de veiligheid 21
Toerenteller 62,66
Trac-Lok achteras 94
Transmissie 89
Automatisch 128
Filter 129
Onderhoud 128
Schakelen 89
Vloeistof 129
Uitlaatgas, waarschuwing 21
Uitlaatsysteem 21
Uitlijnen en balans 101
Vastgereden voertuig bevrijden ..... 91
Vastgereden voertuig losschommelen .... 91
Veiligheid van het voertuig controleren . . . . 21
Veiligheidscontrole binnen voertuig ..... 22
Veiligheidscontrole buitenkant voertuig ... 22
Veiligheidsgordels 13
Achterste zetels 16
Controle 22
En zwangere vrouwen ..... 15
Kinderen beveiligen 16,18
Schouderriemverankering ..... 15
Voorste zetel 13
Waarschuwingslampje 13,64,68
Veiligheidssloten voor kinderen (portier) . . . 12
Verdronken motor starten 87
Vergrendelingshendel 140
Verlicht instapsysteem 12
Versnellingen, bereik 89
Versnellingen, schakelen 89
Vervangbanden 100
Verwarming 81,82
Vierwielaandrijving
Bediening 92
Schakelen 92
Vinylbekleding 136
Vloeistofpeil controleren
Automatische versnellingsbak ..... 128
Hulpversnellingsbak 133
Motorkoeling 124
Motorolie 121
Remmen 131
Stuurbekrachtiging 130
Vloertapijten 136
Voertuig beladen 52,101,102
Voertuig stallen 138
Voertuig-identificatienummer (VIN) ..... 6
Voltmeter 62,66
Vuldoppen
Brandstof 97
Motorolie 122
Radiator 126
Stuurbekrachtiging 130
Waarschuwingen 6
Waarschuwingen voor gebruik 119
Waarschuwingsknipperlichten 106
Waarschuwingslampje motor controleren . 62,66
Waarschuwingssignaal contactsleutel .... 10
Was en polish 135
Wassen van de wagen, car-wash ..... 135
Wassen van het voertuig 81,135
Wielbout, aantrekmoment 109
Wielbouten 109
Zekeringen 137
Zetels 30
Elektrisch 31
Geheugen 28,33
Hoofdsteun 31
Neerklapbare achterzetels 34
Zwangere vrouwen en gordels 15
Zwenkvenster achterklep 11
DaimlerChrysler Corporation
81-426-00191
Gedrukt in Europa