X6500 - Printer LEXMARK - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis X6500 LEXMARK in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over X6500 LEXMARK
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Printer in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding X6500 - LEXMARK en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. X6500 van het merk LEXMARK.
GEBRUIKSAANWIJZING X6500 LEXMARK
Veiligheidsinformatie
Gebruik alleen de netvoeding en het netsnoer die bij dit product zijn geleverd of een door de fabrikant goedgekeurd vervangend onderdeel. Sluit het netsnoer aan op een goed geaard en goed toegankelijk stopcontact in de buurt van het product.

Let op: U moet het netsnoer niet draaien, vastbinden, afknellen of zware objecten op het snoer plaatsen. Zorg dat er geen schaafplekken op het netsnoer kunnen ontstaan of dat het snoer onder druk komt te staan. Zorg dat het netsnoer niet bekneld raakt tussen twee objecten, zoals een meubelstuk en een muur. Als u het netsnoer niet op de juiste wijze gebruikt, is er een kans op brand of elektrische schokken. Controleer het netsnoer regelmatig op beschadigingen. Trek de stekker van het netsnoer uit het stopcontact voor u het netsnoer controleert.
Neem contact op met een professionele onderhoudstechnicus voor onderhoud en reparaties die niet in de gebruikersdocumentatie worden beschreven.
Dit product is ontworpen, getest en goedgekeurd volgens de strenge internationale veiligheidsvoorschriften die van toepassing zijn op het gebruik van specifieke Lexmark onderdelen. De veiligheidsvoorzieningen van bepaalde onderdelen zullen niet altijd duidelijk zichtbaar zijn. Lexmark is niet verantwoordelijk voor het gebruik van vervangende onderdelen.

Let op: Gebruik de faxfunctie niet tijdens onweer. Installeer dit product nooit tijdens onweer en sluit nooit kabels, zoals het netsnoer of de telefoonlijn, aan tijdens onweer.
BEWAAR DEZE INSTRUCTIES.
Inhoudsopgave
Veiligheidsinformatie....2
Inleiding....13
Informatie over de printer....13
Kennisgeving over het besturingssysteem....16
Compatibiliteit met draadloze netwerken....16
Printer instellen....17
Inhoud van de doos controleren....17
Onderdelen van de printer....18
Installatie voor zelfstandig gebruik....20
Printer installeren op extra netwerkcomputers....25
Printer instellen op een Windows-besturingssysteem....26
Printer voorbereiden voor faxen....27
RJ11-adapter gebruiken 27
Faxverbinding kiezen....30
Aansluiten op een antwoordapparaat....30
Rechtstreeks aansluiten op een wandaansluiting voor telefoons....32
Rechtstreeks aansluiten op een wandaansluiting voor telefoons in Duitsland....32
Aansluiten op een computer met een modem....33
Aansluiten op een telefoon....34
Instellingen aanpassen om een fax te verzenden achter een PBX....36
Digitale telefoondienst gebruiken 36
Informatie over het bedieningspaneel....36
Bedieningspaneel gebruiken 36
Instellingen opslaan....39
Informatie over het menu Instellingen 40
Bedieningspaneel in een andere taal installeren....42
Printersoftware installeren....43
Informatie over de printersoftware....44
Gesproken bericht voor afdruktaken in- of uitschakelen....46
Interne, draadloze afdrukserver installeren....47
Optionele, interne, draadloze afdrukserver configureren....48
Wat betekenen de lampjes van de Wi-Fi-aanduiding?......48
Beveiligingsinformatie....49
Netwerk....50
Algemene informatie over netwerken....50
Overzicht netwerk....50
Configuraties voor een algemeen thuisnetwerk 50
Welke informatie heb ik nodig en waar kan ik deze vinden? 52
MAC-adres zoeken....52
Netwerkconfiguratieprogramma afdrukken....53
Zoeken naar een printer en afdrukserver op externe subnetten 53
Rechtstreeks afdrukken via IP 53
Poortinstelling controleren 54
Draadloos netwerk....54
Draadloze netwerkverbinding gebruiken 54
IP-adres....55
Signaalsterkte bepalen 56
Printer installeren op een netwerk....56
De printer delen op een netwerk 56
Netwerkprinters configureren ....57
Typen draadloze netwerken 57
Tips voor het gebruik van netwerkadapters....58
Geavanceerde draadloze installatie....59
Draadloos ad-hocnetwerk instellen met Windows....59
Printer toevoegen aan een bestaand, draadloos ad-hocnetwerk met Windows 61
Papier en originele documenten in de printer plaatsen....62
Papier in de printer plaatsen....62
Sensor voor papiersoort gebruiken....62
Enveloppen in de printer plaatsen....63
Etiketvellen in de printer plaatsen....63
Wenskaarten, indexkaarten, fotokaarten en briefkaarten in de printer plaatsen....64
Transparanten in de printer plaatsen....64
Opstrijktransfers in de printer plaatsen....64
Papier met aangepast formaat in de printer plaatsen....65
Bannerpapier in de printer plaatsen....65
Originele documenten op de glasplaat plaatsen....65
Originele documenten in de automatische documentinvoer plaatsen....67
Afdrukken....69
Standaarddocumenten afdrukken....69
Documenten afdrukken 69
Webpagina afdrukken....69
Foto's of afbeeldingen van een webpagina afdrukken 70
Meerdere exemplaren van een document afdrukken....70
Kopieën sorteren 71
Laatste pagina eerst afdrukken (omgekeerde paginavolgorde) 71
Meerdere pagina's op één vel afdrukken (N per vel)....71
Documenten vanaf een geheugenkaart of flashstation afdrukken 72
Afdruktaken onderbreken 72
Afdruktaken annuleren 72
Speciale documenten afdrukken....73
Compatibele, speciale papiersoorten selecteren....73
Enveloppen afdrukken....73
Wenskaarten, indexkaarten, fotokaarten en briefkaarten afdrukken 73
Document afdrukken als een poster....74
Afbeelding afdrukken als een poster 74
Brochure afdrukken 75
Brochure samenstellen....75
Afdrukken op papier met een aangepast formaat 76
Afdrukken op opstrijktransfers 76
Transparanten afdrukken 76
Banners afdrukken 76
Op beide zijden van het papier afdrukken (dubbelzijdig afdrukken)....77
Informatie over de functie voor dubbelzijdig afdrukken 77
Automatisch op beide zijden van het papier afdrukken (dubbelzijdig afdrukken)....78
Handmatig op beide zijden van het papier afdrukken (dubbelzijdig afdrukken) 79
Printerinstellingen wijzigen....79
Afdrukinstellingen opslaan en verwijderen 79
Fabrieksinstellingen van de printersoftware herstellen....80
Werken met foto's....81
Foto's ophalen en beheren....81
Geheugenkaart in de printer plaatsen 81
Flashstation in de printer plaatsen....82
Informatie over het menu Fotokaart 83
Digitale PictBridge-camera aansluiten....85
Informatie over het menu PictBridge 85
Foto's op een opslagapparaat overbrengen naar de computer via het bedieningspaneel....87
Alle foto's op een geheugenkaart overbrengen met de computer....87
Geselecteerde foto's op een geheugenkaart overbrengen met de computer 87
Alle foto's overbrengen van een cd of flashstation met de computer 88
Geselecteerde foto's overbrengen van een cd of flashstation met de computer....88
Foto's op een geheugenkaart overbrengen naar een flashstation 89
Voorkeuren voor de tijdelijke bestanden van Lexmark Productivity Studio wijzigen 90
Voorkeuren voor de doorzochte mappen van Lexmark Productivity Studio wijzigen....90
Voorkeuren voor bibliotheek van Lexmark Productivity Studio wijzigen....90
Overdrachtsinstellingen van Lexmark Productivity Studio wijzigen....90
Foto's bewerken....91
Foto's bijsnijden....91
Foto draaien 91
Resolutie/formaat van een foto wijzigen....91
Automatisch oplossen met één klik toepassen op een foto....92
Rode-ogeneffect verminderen in een foto 92
Een foto vervagen/verscherpen....92
Een foto verbeteren 92
Tint / verzadiging van een foto aanpassen....93
De gammawaarde van een foto of afbeelding wijzigen....93
Foto's ontvlekken....93
Instelling Helderheid/contrast aanpassen voor een foto....94
Kleureffect toepassen op een foto....94
De belichtingsinstelling van een foto wijzigen 94
Golvende patronen verwijderen uit gescande foto's, tijdschriften of kranten 94
Foto's afdrukken....95
Foto's afdrukken met de computer van een cd of verwisselbaar opslagapparaat....95
Foto's weergeven/afdrukken vanuit Lexamrk Productivity Studio 95
Fotopakketten afdrukken....96
Fotowenskaarten maken 96
Alle foto's van een opslagapparaat afdrukken....97
Foto's op een opslagapparaat afdrukken met het controlevel....97
Foto's afdrukken op fotonummer....98
PictBridge-camera gebruiken om het afdrukken van foto's te beheren....99
Foto's afdrukken vanaf een digitale camera met DPOF 100
Foto's afdrukken op datumbereik 100
Foto's met kleureffecten afdrukken 100
Diavoorstelling maken en weergeven....101
Kopiëren....102
Informatie over het menu Kopiëren....102
Kopiëren op beide zijden van het papier met de glasplaat....103
Kopiëren op beide zijden van het papier met de automatische documentinvoer (ADI)....103
Foto's kopieren....104
Foto kopieren met de computer....105
Kopieerkwaliteit aanpassen....105
Kopieën zonder rand maken met het bedieningspaneel....106
Kopieën lichter of donkerder maken....107
Exemplaren sorteren met het bedieningspaneel....107
Afbeelding meerdere keren herhalen op een pagina....108
Afbeeldingen vergroten of verkleinen....108
Kopieerinstellingen aanpassen....109
Scannen....110
Documenten scannen....110
Documenten scannen met de computer....110
Tekst scannen voor bewerken....111
Afbeeldingen scannen voor bewerking....111
Foto scannen voor het werken met documenten en foto's....111
Meerdere foto's tegelijk scannen met de computer....112
PDF maken van een gescand item....112
Scantaken annuleren....113
Scaninstellingen aanpassen met de computer....113
Informatie over het menu Scannen....113
Scannen naar een computer via een netwerk....114
Gescande afbeelding opslaan op de computer....115
Heldere afbeeldingen in tijdschriften of kranten scannen....115
Scaninstellingen van Lexmark Productivity Studio wijzigen....116
Bestand toevoegen aan een e-mailbericht....116
Nieuwe gescande afbeelding toevoegen aan een e-mailbericht....116
Documenten of afbeeldingen scannen voor e-mailen....117
Voorkeuren van het e-mailvenster in Lexmark Productivity Studio wijzigen....117
Faxen....118
Faxen verzenden....118
Faxnummer opgeven....118
Fax verzenden met de software 118
Fax verzenden met het bedieningspaneel....119
Fax verzenden terwijl u een gesprek voert (Kiezen hoorn op haak) 120
Groepsfax verzenden op een opgegeven tijdstip 120
Faxen ontvangen....121
Handmatig een fax ontvangen....121
Code voor het handmatig beantwoorden van faxen opgeven 121
Nummerweergave gebruiken vanaf het bedieningspaneel 121
Nummerweergave gebruiken vanuit de software 122
Faxen ontvangen met een antwoordapparaat....123
Dubbelzijdige fax ontvangen 123
Faxen doorsturen....124
Telefoonboek gebruiken....124
Telefoonboek van het bedieningspaneel gebruiken....124
Telefoonboek op de computer gebruiken 125
Faxinstellingen aanpassen....126
Instellingen aanpassen met het Faxconfiguratieprogramma....126
Informatie over het menu Faxen....128
Automatisch beantwoorden instellen....129
Voettekst van een fax instellen met het bedieningspaneel 129
Voorblad voor faxen maken met Productivity Studio....130
Ongewenste faxen blokkeren 130
Ongewenste wijzigingen van de faxinstellingen blokkeren....131
Fax Solutions Software gebruiken....131
Kiesvoorvoegsel instellen 132
Speciaal belsignaal instellen 133
Aantal belsignalen instellen voordat een fax automatisch wordt ontvangen 133
Snelkeuze instellen....133
Rapporten met faxgebeurtenissen afdrukken....134
Printer onderhouden....135
Gebruikte inktcartridge verwijderen....135
Inktcartridges installeren....135
Inktcartridges opnieuw vullen....137
Inktcartridges van Lexmark gebruiken....138
Inktcartridges uitlijnen....138
Spuitopeningen van de inktcartridges reinigen....138
Spuitopeningen en contactpunten van de inktcartridge schoonvegen....139
Inktcartridges beschermen....140
Glasplaat reinigen....140
Buitenkant van de printer reinigen....140
Supplies bestellen....140
Cartridges bestellen....140
Papier en andere supplies bestellen 141
Problemen oplossen....143
Installatieproblemen oplossen....143
Onjuiste taal wordt weergegeven op de display....143
De aan/uit-knop brandt niet 144
Software wordt niet geïnstalleerd 144
Pagina wordt niet afgedrukt....145
Afdrukken vanaf de digitale PictBridge-camera is niet mogelijk....146
Informatie over waarschuwingsniveaus....146
Verwijder de software en installeer de software opnieuw....147
USB-poort activeren 147
Problemen met de printercommunicatie oplossen 148
Problemen met draadloze functies oplossen....148
Hoe bepaal ik welk type beveiliging voor mijn netwerk wordt gebruikt? 148
Controleer de beveiligingssleutels....148
Printer is correct geconfigureerd maar kan niet op het netwerk gevonden worden ....149
Draadloze netwerkprinter drukt niet af....149
Netwerkprinter wordt niet weergegeven in de keuzelijst met printers tijdens de installatie....150
Wi-Fi-aanduiding brandt niet 151
Wi-Fi-aanduiding knippert oranje tijdens de installatie 151
Wi-Fi-aanduiding brandt oranje 153
Draadloze printer werkt niet meer 154
Draadloze instellingen wijzigen na de installatie 155
Interne, draadloze afdrukserver opnieuw instellen op standaardfabrieksinstellingen 155
Printer kan geen verbinding maken met het draadloze netwerk 156
Hulpprogramma voor draadloze configuratie kan niet communiceren met de printer tijdens de installatie (alleen gebruikers van Windows)....157
Netwerknaam controleren (alleen voor Windows)....158
Het toegangspunt pingen 158
De printer pingen....159
Hulpprogramma voor draadloze configuratie uitvoeren (Windows)....160
Printerpoorten controleren (alleen Mac-gebruikers) 160
Problemen met afdrukken oplossen....160
Foto van 4 x 6 inch (10 x 15 cm) wordt slechts gedeeltelijk afgedrukt met een digitale PictBridge-camera....160
Afdrukkwaliteit verbeteren 161
Kwaliteit van tekst en afbeeldingen is slecht....162
Slechte kwaliteit aan de randen van het papier....163
Lage afdruksnelheid 164
Documenten of foto's worden slechts gedeeltelijk afgedrukt....164
Foto bevat vlekken of krassen....164
Inktcartridges controleren 164
Inktvoorraden lijken incorrect....165
Inktvoorraden lijken te snel af te nemen....165
Er wordt een lege of verkeerde pagina afgedrukt.... 165
Ontbrekende of onverwachte tekens op afdrukken 166
Kleuren op de afdruk zijn flets of wijken af van de kleuren op het scherm....166
Vellen glossy fotopapier of transparanten kleven aan elkaar vast 167
Pagina wordt afgedrukt met andere lettertypen....167
Afdruk is te donker of vlekkerig 167
Afgedrukte tekens hebben een verkeerde vorm of zijn niet correct uitgelijnd 168
Afgedrukte pagina's vertonen afwisselend lichte en donkere banen....168
Transparanten of foto's bevatten witte lijnen....169
Verticale rechte lijnen zijn rafelig....169
Afbeeldingen of effen zwarte vlakken vertonen witte lijnen....169
Printerstatus controlleren 170
Instellingen worden niet opgeslagen 170
Gereedheid van de printer controleren....171
Wachtrij-instellingen voor het afdrukken van banners controleren....171
Problemen met lettertypen oplossen....172
Printer is bezig met het afdrukken van een andere taak 172
Gereed of Bezig met afdrukken wordt weergegeven als status 172
Testpagina afdrukken 172
Testpagina wordt niet afgedrukt 173
Externe afdrukserver werkt niet....174
Externe afdrukserver verwijderen....174
Kabel is niet aangesloten, losgeraakt of beschadigd 174
Printer is aangesloten, maar drukt niet af....174
Printer probeert af te drukken naar bestand....175
Printer kan niet communiceren met computers via een peer-to-peer-netwerk....175
Printer kan niet communiceren met de computer....176
Problemen bij kopiëren, scannen of faxen 176
Er is een verkeerde printer aangesloten....177
Printersoftware bijwerken 177
Bidirectionele communicatie is niet ingesteld....177
Slechte kwaliteit of verkeerde uitvoer....178
Kan niet afdrukken naar netwerkprinter....178
Kan geen documenten afdrukken vanaf een flashstation 179
Standaardfabrieksinstellingen van de printer herstellen....179
Problemen met vastgelopen en verkeerd ingevoerd papier oplossen....179
Vastgelopen papier verwijderen en voorkomen 179
Papier of speciaal papier wordt verkeerd ingevoerd 180
Printer voert geen papier, enveloppen of speciaal papier in 181
Papier loopt nog steeds vast 182
Papier vastgelopen in de automatische documentinvoer (ADI)....182
Papier is vastgelopen in de duplexeenheid 182
Duplexeenheid werkt niet goed 183
Problemen met geheugenkaarten oplossen....184
Geheugenkaart kan niet worden geplaatst....184
Er gebeurt niets als de geheugenkaart is geplaatst 184
Foto's worden niet overgedragen van een geheugenkaart via een draadloos netwerk 185
Problemen met kopieren oplossen....186
Kopieerapparaat reageert niet....186
Scannereenheid sluit niet 186
Slechte kopieerkwaliteit....186
Documenten of foto's worden slechts gedeeltelijk gekopieerd....187
Kopie komt niet overeen met het origineel 187
Problemen met scannen oplossen....188
Scanner reageert niet....188
Scannen duurt te lang of de computer loopt vast tijdens het scannen.... 188
Kwaliteit van gescande afbeelding is slecht 189
Documenten of foto's worden slechts gedeeltelijk gescand....190
Kan niet scannen naar een computer via een netwerk 190
Problemen met faxen oplossen....190
Er kunnen geen faxen worden verzonden of ontvangen....190
Faxen kunnen worden verzonden, maar kunnen niet worden ontvangen....192
Faxen kunnen worden ontvangen, maar kunnen niet worden verzonden.... 193
Printer ontvangt een lege fax....194
Ontvangen fax heeft een slechte afdrukkwaliteit....194
Gegevens van nummerweergave worden niet weergegeven 195
Patroon nummerweergave wijzigen met het bedieningspaneel 195
Fout met fax....196
Faxmodus niet ondersteund....196
Fout met externe fax....196
Telefoonlijn bezet 197
Verbinden mislukt....197
Fout met telefoonlijn 198
Foutberichten op de display van de printer....199
Uitlijningsfout 199
Cartridgefout (1102, 1203, 1204 of 120F)....199
Weinig zwarteinkt/Weinig kleureninkt/Weinig foto-inkt 200
Verhelp houderstoring....200
Klep geopend 200
Fout 1104....200
Fout linkercartridge/Fout rechtercartridge 201
Linkerinktcartridge is onjuist/Rechterinktcartridge is onjuist....201
Linkercartridge ontbreekt/Rechtercartridge ontbreekt 201
Geheugenfout....202
Er zijn geen afbeeldingen geselecteerd 202
Geen foto-/papierformaat geselecteerd....202
Kan geen controlevel vinden 202
Geen controlevelgegevens....202
Geen geldige foto's gevonden....202
U kunt slechts één verbetering voor een foto tegelijk kiezen 203
U kunt slechts één foto/formaat tegelijk kiezen 203
Fout met papier- of fotoformaat....203
PictBridge-communicatiefout....203
Verwijder de camerakaart....203
Sommige foto's zijn van de kaart verwijderd door de host 203
Probleem bij lezen van geheugenkaart 203
Fout met dubbelzijdige papiersoort 203
Bestand niet ondersteund....204
Papierfrmt niet onderst. 204
Foutberichten op het beeldscherm van de computer....205
Foutberichten wissen....205
Linker-/rechtercartridge ontbreekt 205
Communicatie is niet beschikbaar....205
Algemeen afdrukprobleem 205
Inkt is bijna op....206
Onvoldoende geheugen 206
Papier is op....206
Afdrukfout oplossen....206
Niet-ondersteunde bestandstypen gevonden op de geheugenkaart....206
Vastgelopen papier....206
Meerdere All-In-One-apparaten gevonden....207
Kennisgevingen....208
Productinformatie....208
Uitgavebericht....208
Stroomverbruik....211
Verklarende woordenlijst voor netwerken....218
Index......220
Informatie over de printer
De handleiding Snelle installatie
| Beschrijving Locatie | |
| De handleiding Snelle installatie bevat instructies voor het installeren van hardware en software. | U vindt deze handleiding in de doos met de printer of op de website van Lexmark op www.lexmark.com. |
Gebruikershandleiding
| Beschrijving Locatie | |
| De Gebruikershandleiding bevat instructies voor het instellen van de hardware en software (op Windows-besturingssystemen) en algemene instructies voor het gebruik van de printer.Opmerking:raadpleeg de Mac Help als de printer Macintosh-besturingssystemen ondersteunt:1 Dubbelklik in de Finder op de mapLexmark 6500 Series.2 Dubbelklik op het pictogram van deHelp. | U vindt deze handleiding in de doos met de printer of op de website van Lexmark opwww.lexmark.com. |
Gebruikershandleiding: uitgebreide versie
Beschrijving Locatie
De Gebruikershandleiding: uitgebreide versie bevat aanwijzingen voor het werken met de printer en informatie over andere onderwerpen zoals:
- De software gebruiken (op Windows-besturings-systemen)
- Papier in de printer plaatsen
- Afdrukken
- Werken met foto's
- Scannen (als de printer deze functie ondersteunt)
- Kopiëren (als de printer deze functie ondersteunt)
- Faxen (als de printer deze functie ondersteunt)
- Printer onderhouden
- Printer aansluiten op een netwerk (als de printer deze functie ondersteunt)
- Afdruk-, kopieer-, scan- en faxproblemen oplossen en problemen met vastgelopen en verkeerd ingevoerd papier oplossen
Opmerking: raadpleeg de Mac Help als de printer Macintosh-besturingssystemen ondersteunt:
1 Dubbelklik in de Finder op de map Lexmark 6500 Series.
2 Dubbelklik op het pictogram van de Help.
Als u de printersoftware installeert, wordt tevens de Gebruikershandleiding: uitgebreide versie geïnstalleerd.
1 Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op

- Windows XP en eerder: klik op Start.
2 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Gebruikershandleiding.
Als de koppeling naar de Gebruikershandleiding niet op het bureaublad wordt weergegeven, volgt u deze aanwijzingen:
1 Plaats de cd in het de computer. Het installatievenster wordt geopend.
Opmerking: Klik zo nodig op →Alle programma's → Uitvoeren. Windows XP en eerder: klik op Start → Uitvoeren en typ D:\setup, waarbij D de letter van het cd-rom-station is.
2 Klik op Documentatie.
3 Klik op Gebruikershandleiding weergeven (inclusief Installatieproblemen oplossen).
4 Klik op Ja.
U vindt dit document ook op de website van Lexmark op: www.lexmark.com.
Lexmark Printeroplossingen
Beschrijving Locatie
Lexmark Printeroplossingen wordt op de cd geleverd. Het programma wordt geïnstalleerd met de andere software als de printer is aangesloten op een computer.
U opent als volgt Lexmark Printeroplossingen:
1 Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op

- Windows XP en eerder: klik op Start.
2 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
3 Kies Lexmark Printeroplossingen.
Klantenondersteuning
| Beschrijving | Locatie (Noord-Amerika) | Locatie (rest van de wereld) |
| Telefonische ondersteuning | BelV.S.: 1-800-332-4120Maandag - vrijdag (8:00 a.m.-11:00 p.m. ET)Zaterdag (twaalf uur 's middags tot6:00 p.m. ET)Canada: 1-800-539-6275Engels Maandag - vrijdag (8:00 a.m.- 11:00 p.m. ET)Zaterdag (twaalf uur 's middags tot6:00 p.m. ET)Frans Maandag - vrijdag(09:00:00 a.m. -7:00 p.m. ET)Mexico: 01-800-253-9627Maandag - vrijdag (8:00 a.m.-8:00 p.m. ET)Opmerking: Telefoonnummers en openingsuren kunnen zonder kennis-geving worden gewijzigd. Raadpleeg de gedrukte garantieverklaring bij de printer voor de recentste telefoonnummers. | Telefoonnummers en openingstijden verschillen per land of regio.Bezoek de website van Lexmark opwww.lexmark.com. Selecteer een land of regio en klik op de koppeling voor klantenondersteuning.Opmerking: raadpleeg de gedrukte garantieverklaring bij de printer voor meer informatie over contact opnemen met Lexmark. |
| Ondersteuning per e-mail | Bezoek voor ondersteuning per e-mail onze website op: www.lexmark.com.1 Klik op CUSTOMER SUPPORT.2 Klik op Technical Support.3 Selecteer de printerfamilie.4 Selecteer het printermodel.5 Klik in het gedeelte Support Tools op e-Mail Support.6 Vul het formulier in en klik op Submit Request. | Ondersteuning per e-mail verschilt per land of regio en is in bepaalde gevallen niet beschikbaar.Bezoek de website van Lexmark opwww.lexmark.com. Selecteer een land of regio en klik op de koppeling voor klantenondersteuning.Opmerking: raadpleeg de gedrukte garantieverklaring bij de printer voor meer informatie over contact opnemen met Lexmark. |
Beperkte garantie
| Beschrijving Locatie (V.S.) Locatie (rest van de wereld) | ||
| Beperkte garantieverklaringLexmark International, Inc. garandeert dat deze printer geen materiaalfouten of bewerkingsfouten bevat gedurende een periode van 12 maanden vanaf de datum van aankoop. | Raadpleeg de beperkte garantieverklaring bij dit apparaat voor informatie over de beperkingen en voorwaarden van deze beperkte garantie, of lees de verklaring op www.lexmark.com.1 Klik op CUSTOMER SUPPORT.2 Klik op Warranty Information.3 Klik in het gedeelte met de beperkte garantie op Inkjet & All-In-One Printers.4 Blader door de webpagina om de garantieverklaring door te nemen. | De garantie-informatie verschilt per land of regio. Raadpleeg de gedrukte garantieverklaring die bij de printer is geleverd. |
Noteer de volgende gegevens (deze vindt u op de bon en op de achterkant van de printer) en houd deze bij de hand wanneer u contact met ons opneemt. We kunnen u dan sneller helpen.
- Typenummer van het apparaat
- Serienummer
- Aankoopdatum
- Winkel van aankoop
Kennisgeving over het besturingssysteem
Alle functies zijn afhankelijk van het besturingssysteem. Voor volledige beschrijvingen:
- Gebruikers van Windows: raadpleeg de Gebruikershandleiding.
- Gebruikers van Macintosh: raadpleeg de Mac Help als de printer Macintosh-besturingssystemen ondersteunt.
Compatibiliteit met draadloze netwerken
De printer bevat een draadloze IEEE 802.11g-afdrukserver. De printer is compatibel met IEEE 802.11 b/g/n-routers die voldoen aan de Wi-Fi-norm. Als u problemen hebt met een router van het N-type, controleert u bij de fabrikant van de router of de huidige modusinstelling compatibel is met apparaten van het G-type, omdat deze instelling verschilt per routermerk en -model.
Inhoud van de doos controleren

| Naam Beschrijving | ||
| 1 | Zwarte inktcartridge Cartridges die in de printer kunnen worden geplaatst. | |
| 2 | Kleureninktcartridge | Opmerking: u kunt verschillende cartridgecombinaties gebruiken, afhankelijk van het product. |
| 3 | Telefoonsnoer Wordt gebruikt voor faxen. Zie voor meer informatie over het aansluiten van dit snoer “Faxverbinding kiezen” op pagina 30. het telefoonsnoer kan er anders uitzien dan het snoer dat wordt weergegeven. | |
| 4 | Netsnoer Moet worden aangesloten op de netvoedingspoort achter op de printer.Opmerking: het netsnoer kan er anders uitzien dan het snoer dat wordt weergegeven. | |
| 5 | Installatiekabel Hiermee sluit u de printer tijdelijk aan op de computertijdens bepaalde installatiemethoden. | |
| 6 | Handleiding Snelle installatie | Instructies voor eerste installatie |
| 7 | Gebruikershandleiding Gedrukte brochure met instructies.Opmerking: de volledige gebruikersdocumentatie (Gebruikershandleiding: uitgebreide versie of Mac Help) staat op de cd met installatiesoftware. | |
| 8 | Cd met installatiesoftware voor Windows en Mac | • Installatiesoftware voor de printer• Elektronische versie van de Gebruikershandleiding: uitgebreide versie• Mac Help |
Onderdelen van de printer

| Onderdeel Handeling | ||
| 1 | Papiersteun Plaats papier in de printer. | |
| 2 | Papierbaanbeschemer Voorkomen dat onderdelen | in de papiersleuf vallen. |
| 3 | Papiergeleiders Het papier recht houden wanneer het wordt ingevoerd. | |
| 4 | Automatische documentinvoer (ADI), lade Originele | documenten in de ADI plaatsen. Aanbevolen voor het scannen, kopiëren of faxen van documenten met meerdere pagina's.Opmerking:Plaats geen briefkaarten, foto's, kleine items of dunne voorwerpen (zoals knipsels uit tijdschriften) in de ADI. Plaats deze items op de glasplaat. |
| 5 | Automatische documentinvoer (ADI), uitvoerlade Doc | documenten opvangen wanneer deze uit de ADI worden gevoerd. |
| 6 | Wi-Fi-aanduiding Draadloze status controleren: | ·Uit geeft aan dat er geen draadloze optie is geïnstalleerd.·Oranje: dit geeft aan dat de printer gereed is voor draadloze verbinding, maar niet is aangesloten.·Groen: dit geeft aan dat de printer is aangesloten op een draadloos netwerk |
| 7 | Sleuven voor geheugenkaart Plaats een geheugenkaart in de printer. | |
| 8 | PictBridge-poort Een digitale PictBridge-camera of flashstation aansluiten op de printer. | |
| 9 | Bedieningspaneel De printer bedienen. | Zie voor meer informatie “Bedieningspaneel gebruiken” op pagina 36. |
| 10 | Papieruitvoerlade Het papier opvangen dat wordt uitgevoerd. | |
| 11 | Automatische documentinvoer (ADI), papiergeleider | Het papier recht houden wanneer het wordt ingevoerd in de ADI. |
| 12 | Automatische documentinvoer (ADI) Kopiëren, scanen of faxen van documenten met meerdere pagina's van het formaat A4, Letter of Legal. | |
| 13 | Glasplaat Een item kopiëren of verwijderen. | |
| 14 | Bovenklep Toegang krijgen tot de glasplaat. | |

| Onderdeel Handeling | ||
| 1 | Scannereenheid Toegang krijgen tot de inktcartridges. | |
| 2 | Cartridgehouder Een inktcartridge installeren, vervangen of verwijderen. | |
| 3 | Netvoedingsaansluiting Sluit het netsnoer aan op de netvoeding op de achterkant van de printer en een stopcontact. | |
| 4 | Duplexklep | Afdrukken op beide zijden van een vel papier.Vastgelopen papier verwijderen. |
| 5 | Lexmark N2050 (interne, draadloze afdrukserver) | Printer aansluiten op een draadloos netwerk.Opmerking:Er is wellicht niet in alle printers een interne, draadloze afdrukserver geïnstalleerd. Zie als u de Lexmark N2050 wilt aanschaffen “Papier en andere supplies bestellen” op pagina 141. |
| 6 | LINE-poort![]() | De printer aansluiten op een werkende telefoonlijn om faxen te verzenden en ontvangen. De printer moet zijn aangesloten op deze telefoonlijn om binnenkomende faxen te ontvangen.Opmerking:sluit geen extra apparaten aan op de LINE-poort en sluit geen DSL-modem (digital subscriber line), ISDN-modem (integrated services digital network) of kabelmodem aan op de printer. |
| 7 | EXT-poort![]() | Extra apparaten, zoals een data-/faxmodem, telefoon of antwoordapparaat, aansluiten op de printer.Opmerking: verwijder de afdekplug uit de poort. |
| 8 | USB-poort De printer rechtstreeks aansluiten op de computer met een USB-kabel.Waarschuwing: raak het aangegeven gedeelte niet aan, tenzij u een USB- of installatiekabel aansluit of losmaakt. | |
Installatie voor zelfstandig gebruik
1 Pak de printer uit.

- Plaats de printer in de buurt van de computer tijdens de installatie. Als u de printer installeert op een draadloos netwerk, kunt u de printer verplaatsen nadat de installatie is voltooid.
- U moet wellicht apart een USB-kabel aanschaffen.
2 Verwijder alle tape en verpakkingsmateriaal van alle gedeelten van de printer.

3 Til het bedieningspaneel op.

4 Trek de papieruitvoerlade uit.

5 Klap de papiersteun uit.

6 Schuif de papiergeleiders naar buiten.

7 Plaats papier in de printer.

8 Sluit het netsnoer aan.

10 Stel de taal in als u hierom wordt gevraagd.

a Druk op het bedieningspaneel van de printer herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de gewenste taal wordt weergegeven.
b Druk op om de instelling op te slaan.
11 Stel het land of de regio in als u hierom wordt gevraagd.

a Druk op het bedieningspaneel van de printer herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste land of de gewenste regio wordt weergegeven.
b Druk op om de instelling op te slaan.
12 Open de printer.

13 Druk de cartridgehouderhendels naar beneden.

14 Verwijder de tape van de zwarte inktcartridge en plaats de cartridge in de linkerhouder.

15 Sluit het deksel van de houder met de zwarte inktcartridge

16 Verwijder de tape van de kleureninktcartridge en plaats de cartridge in de rechterhouder.

17 Sluit het deksel van de houder met de kleureninktcartridge.

Er wordt een uitlijningspagina afgedrukt.
20 Gooi de uitlijningspagina weg.

- De afgedrukte uitlijningspagina kan verschillen van de weergegeven pagina.
- Strepen op de uitlijningspagina zijn normaal en duiden niet op een probleem.
Printer installeren op extra netwerkcomputers
Als u de netwerkprinter installeert voor gebruik met meerdere computers op het netwerk, plaats u de installatie-cd in elke extra computer en volgt u de aanwijzingen op het scherm.
- U hoeft de verbindingsprocedure niet te herhalen voor elke computer waarmee u de printer wilt gebruiken.
- De printer moet gemarkeerd worden weergegeven tijdens de installatie. Als er meerdere printers worden weergegeven in de lijst, moet u de printer met het juiste IP-adres/MAC-adres selecteren. Zie voor meer informatie over het vaststellen van het IP- of MAC-adres "MAC-adres zoeken" op pagina 52.
Printer instellen op een Windows-besturingssysteem
1 Voordat u de printer uitpakt of iets aansluit, moet u eerst de cd voor Windows zoeken.

2 Controleer of de computer is ingeshakeld en plaats de cd voor Windows. Wacht enkele seconden tot het installatievernster verschijnt.

Opmerking: als het installatievenster niet automatisch wordt weergegeven, klikt u op Start → Uitvoeren en typt u D:\setup.exe, waarbij D de letter van het cd-rom-station is.
3 Volg de aanwijzingen om de printer in te stellen.
Uw beveiligingssisftware geeft wellicht aan dat Lexmark software probeert te communiceren met uw computersysteem. Deze programma's moeten altijd kunnen communiceren. Anders werkt de printer niet correct.

Printer voorbereiden voor faxen
RJ11-adapter gebruiken
Land/regio
• Verenigd Koninkrijk • Italië
- Ierland
- Zweden
- Finland
- Nederland
- Noorwegen
- Frankrijk
- Denemarken
- Portugal
Als u de printer op een antwoordapparaat of ander telecommunicatieapparaat wilt aansluiten, gebruikt u de adapter voor de telefoonlijn die in de doos bij de printer is geleverd.
1 Sluit het ene uiteinde van het telefoonsnoer aan op de Line-poort van de printer.

2 Sluit de adapter aan op de telefoonlijn die bij de printer is geleverd.

Opmerking: De adapter voor het Verenigd Koninkrijk wordt weergegeven. Uw adapter ziet er mogelijk anders uit, maar past in de telefooncontactdoos die op uw locatie wordt gebruikt.
3 Sluit de telefoonlijn van het gewenste telecommunicatieapparaat aan op het linkeraansluiting van de adapter.

Als uw telecommunicatieapparaat een telefoonlijn met een Amerikaanse RJ11-aansluiting heeft, volgt u de onderstaande stappen voor het aansluiten van het apparaat:
1 Verwijder de afdekplug uit de EXT-poort achter op de printer.

Opmerking: wanneer u deze afdekplug eenmaal hebt verwijderd, functioneren land- of regiospecifieke apparaten die u op de aangegeven wijze via de adapter op de printer aansluit, niet correct.

2 Sluit uw telecommunicatieapparaat rechtstreeks aan op de EXT-poort achter op de printer.

Waarschuwing: raak de kabels of het aangegeven gedeelte van de printer niet aan wanneer er een fax wordt verzonden of ontvangen.
Land/regio
- Saoedi-Arabië
• Israël
• Verenigde Arabische Emiraten
• Hongarije - Egypte
- Polen
• Bulgarije
• Roemenië
• Tsjechië - Rusland
• België - Slovenië
• Australië - Spanje
• Zuid-Afrika - Turkije
• Griekenland
U sluit als volgt een antwoordapparaat of andere telecommunicatieapparaten op de printer aan:
1 Verwijder de afdekplug uit de achterzijde van de printer.

Opmerking: wanneer u deze afdekplug eenmaal hebt verwijderd, functioneren land- of regiospecifieke apparaten die u op de aangegeven wijze via de adapter op de printer aansluit, niet correct.

2 Sluit uw telecommunicatieapparaat rechtstreeks aan op de EXT-poort achter op de printer.

Waarschuwing: raak de kabels of het aangegeven gedeelte van de printer niet aan wanneer er een fax wordt verzonden of ontvangen.
Land/regio
- Duitsland
- Oostenrijk
- Zwitserland
In de EXT-poort aan de achterzijde van de printer bevindt zich een afdekplug. Deze afdekplug is nodig voor het correct functioneren van de printer.

Opmerking: Verwijder de afdekplug niet. Als u deze verwijdert, functioneren andere telecommunicatieapparaten in uw huis (zoals telefoons of antwoordapparaten) mogelijk niet.
Faxverbinding kiezen
U kunt de printer aansluiten op apparatuur zoals een telefoon, antwoordapparaat of computermodem. Zie "Installatieproblemen oplossen" op pagina 143 als er problemen optreden.
Opmerking: De printer is een analoog apparaat dat het beste werkt als u het apparaat rechtstreeks aansluit op de wandaansluiting. Andere apparaten (zoals een telefoon of antwoordapparaat) kunnen vervolgens worden aangesloten op de printer. Dit wordt uitgelegd in de installatieprocedure. Wilt u een digitale verbinding zoals ISDN, DSL of ADSL gebruiken, dan hebt u een apparaat van derden (bijvoorbeeld een DSL-filter) nodig.
De printer hoeft niet aangesloten te worden op een computer, maar u moet de printer aansluiten op een telefoonlijn om faxen te verzenden en ontvangen.
U kunt de printer aansluiten op andere apparatuur. Gebruik de volgende tabel om te bepalen hoe u de printer het beste kunt instellen.
| Apparatuur Voordelen Meer informatie | ||
| • De printer• Een telefoonsnoer | Faxen verzenden en ontvangen zonder een computer te gebruiken. | “Rechtstreeks aansluiten op een wandaansluiting voor telefoons” op pagina 32 |
| • De printer• Een telefoon• Twee telefoonsnoeren | • De faxlijn gebruiken als een normale telefoonlijn.• Faxen verzenden en ontvangen zonder een computer te gebruiken. | “Aansluiten op een telefoon” op pagina 34 |
| • De printer• Een telefoon• Een antwoordapparaat• Drie telefoonsnoeren | Binnenkomende gesproken berichten en faxen ontvangen. | “Aansluiten op een antwoordapparaat” op pagina 30 |
| • De printer• Een telefoon• Een computermodem• Drie telefoonsnoeren | Faxen verzenden met de computer of de printer. | “Aansluiten op een computer met een modem” op pagina 33 |
Aansluiten op een antwoordapparaat
Sluit een antwoordapparaat aan op de printer als u gesproken berichten en faxen wilt ontvangen.
Opmerking: De installatieprocedures kunnen per land of regio verschillen. Zie het verwante onderwerp RJ11-adapter gebruiken voor meer informatie over het aansluiten van de printer op telecommunicatieapparaten.
1 Controleer of u beschikt over het volgende:
- Een telefoon
- Een antwoordapparaat
• Drie telefoonsnoeren - Een wandaansluiting voor telefoons
2 Sluit een telefoonsnoer aan op de LINE-poort van de printer en op een werkende wandaansluiting voor telefoons.

3 Verwijder de afdekplug uit de EXT-poort 📞 van de printer.

4 Sluit een tweede telefoonsnoer aan op de telefoon en het antwoordapparaat.

5 Sluit een derde telefoonsnoer aan op het antwoordapparaat en op de EXT-poort van de printer.

Rechtstreeks aansluiten op een wandaansluiting voor telefoons
Sluit de printer rechtstreeks aan op een wandaansluiting voor telefoons om kopieën te maken en faxen te verzenden of ontvangen zonder een computer.
1 U hebt een telefoonsnoer en een wandaansluiting voor telefoons nodig.
2 Sluit het ene uiteinde van het telefoonsnoer aan op de LINE-poort van de printer.

3 Sluit het andere uiteinde van het telefoonsnoer aan op een werkende wandaansluiting voor telefoons.

Rechtstreeks aansluiten op een wandaansluiting voor telefoons in Duitsland
Sluit de printer rechtsreeks aan op een wandaansluiting voor telefoons om faxen te verzenden of ontvangen zonder gebruik te maken van een computer.
1 Zorg dat u beschikt over een telefoonsnoer (geleverd bij het product) en wandaansluiting voor telefoons.
2 Sluit het ene uiteinde van het telefoonsnoer aan op de LINE-poort van de printer.

3 Sluit het andere uiteinde van het telefoonsnoer aan op de N-aansluiting van een werkende wandaansluiting voor telefoons.

4 Als u dezelfde lijn wilt gebruiken voor communicatie via fax en telefoon, sluit u een tweede telefoonsnoer (niet meegeleverd) aan op de telefoon en de F-aansluiting van een werkende wandaansluiting voor telefoons.

5 Als u dezelfde lijn wilt gebruiken voor het opnemen van berichten op uw antwoordapparaat, sluit u een tweede telefoonsnoer (niet meegeleverd) aan op het antwoordapparaat en de andere N-aanlsuiting van de wandaansluiting voor telefoons.

Aansluiten op een computer met een modem
Sluit de printer aan op een computer met een modem om faxen te verzenden met de software.
Opmerking: De installatieprocedures kunnen per land of regio verschillen. Zie het verwante onderwerp RJ11-adapter gebruiken voor meer informatie over het aansluiten van de printer op telecommunicatieapparaten.
1 Controleer of u beschikt over het volgende:
- Een telefoon
- Een computer met een modem
- Twee telefoonsnoeren
- Een wandaansluiting voor telefoons
2 Sluit een telefoonsnoer aan op de LINE-poort van de printer en op een werkende wandaansluiting voor telefoons.

3 Verwijder de afdekplug uit de EXT-poort 📋 van de printer.

4 Sluit een tweede telefoonsnoer aan op de computermodem en op de EXT-poort 📋 van de printer.

Aansluiten op een telefoon
Sluit een telefoon aan op de printer om de faxlijn te gebruiken als een gewone telefoonlijn. Plaats de printer vervolgens bij de telefoon om kopieën te maken of faxen te verzenden of ontvangen zonder een computer.
Opmerking: De installatieprocedures kunnen per land of regio verschillen. Zie het verwante onderwerp RJ11-adapter gebruiken voor meer informatie over het aansluiten van de printer op telecommunicatieapparaten.
1 Controleer of u beschikt over het volgende:
- Een telefoon
- Twee telefoonsnoeren
- Een wandaansluiting voor telefoons
2 Sluit een telefoonsnoer aan op de LINE-poort van de printer en op een werkende wandaansluiting voor telefoons.

3 Verwijder de afdekplug uit de EXT-poort 📞 van de printer.

4 Sluit het andere telefoonsnoer aan op een telefoon en op de EXT-poort 📞 van de printer.

Instellingen aanpassen om een fax te verzenden achter een PBX
Als de printer wordt gebruikt in een bedrijfs- of kantooromgeving, is het apparaat wellicht aangesloten op een PBX-telefoonsysteem (Private Branch Exchange). Bij het kiezen van faxnummers wacht de printer doorgaans tot de kiestoon is herkend voordat het faxnummer wordt gekozen. Deze methode werkt mogelijk niet voor een PBX-telefoonsysteem als dit systeem een kiestoon gebruikt die niet herkenbaar is voor de meeste faxapparaten. De functie voor het kiezen van faxnummers achter een PBX kunt u gebruiken om de printer zo in te stellen dat niet wordt gewacht tot de kiestoon herkend is voordat het faxnummer wordt gekozen.
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het gedeelte Instellingen van het welkomstvenster op Faxgeschiedenis en -instellingen.
3 Klik in het menu Taken op Snelkeuzelijst en andere faxinstellingen aanpassen.
4 Klik op de tab Bellen en verzenden.
5 Selecteer in het gedeelte Kiezen met de ingestelde soort telefoonlijn de optie Achter PBX in de keuzelijst Kiesmethode.
6 Klik op OK om de instelling op te slaan.
Digitale telefoondienst gebruiken
De faxmodem is een analoog apparaat. Bepaalde apparaten kunnen op de printer worden aangesloten zodat u digitale telefoondiensten kunt gebruiken.
- Als u een ISDN-telefoondienst gebruikt, sluit u de printer aan op een analoge telefoonpoort (R-interfacepoort) op een ISDN-adapter. Neem contact op met uw ISDN-leverancier voor meer informatie en om een R-interfacepoort aan te vragen.
- Als u DSL gebruikt, sluit u de printer aan op een DSL-filter of -router die ondersteuning biedt voor analoog gebruik. Neem contact op met uw DSL-leverancier voor meer informatie.
- Als u een PBX-telefoondienst gebruikt, moet u de printer aansluiten op een analoge aansluiting op het PBX-systeem. Is een dergelijke aansluiting niet beschikbaar, dan kunt u overwegen een analoge telefoonlijn voor het faxapparaat te installeren. Zie het verwante onderwerp Instellingen aanpassen om een fax te verzenden achter een PBX voor meer informatie over faxen als u een PBX-telefoondienst gebruikt.
Informatie over het bedieningspaneel
Bedieningspaneel gebruiken
Het bedieningspaneel bevat de volgende onderdelen:
- Aan/uit-knop
- Display met twee regels waarin de printerstatus, berichten en menu-items worden weergegeven
• 30 knoppen

In het volgende diagram worden de verschillende gedeelten van het bedieningspaneel aangegeven:

| Knop Handeling | ||
| 1 | Bovakl | De printer in- en uitschakelen.De afdruk-, kopieer-, scan- of faxtaak stoppen. |
| 2 | Davwelt | Op beide zijden van het papier afdrukken (dubbelzijdig afdrukken) De achtergrondverlichting wordt groen wanneer dubbelzijdig afdrukken wordt geactiveerd.Opmerking: Deze knop werkt niet met een Macintosh besturingssysteem. U kunt dubbelzijdige documenten afdrukken met een Macintosh besturingssysteem door de instellingen te gebruiken in het menu Dubbelzijdig van het dialoogvenster Druk af. |
| 3 | Modus Kopiëren H | Het standaardvenster voor kopieren openen en kopieën maken.Opmerking: de modus is geselecteerd wanneer het lampje brandt. |
| 4 | Scannen (modus) | Het standaardvenster voor scannen openen en documenten scannen.Opmerking: de modus is geselecteerd wanneer het lampje brandt. |
| 5 | Modus Faxen | Het standaardvenster voor faxen openen en faxen verzenden.Opmerking: de modus is geselecteerd wanneer het lampje brandt. |
| 6 | Fotokaart | Het standaardvenster voor foto's weergeven en foto's afdrukken.Opmerking: de modus is geselecteerd wanneer het lampje brandt. |
| 7 | Instellingen | Het standaardvenster voor instellingen weergeven en printerinstellingen wijzigen.Opmerking: wanneer deze knop is geselecteerd, branden de andere lampjes niet. |
| 8 | Lichter/donkerder | De helderheid van een kopie, fax of foto aanpassen. |
| 9 | Svarkal | Het menu Kopieren, Scannen, Faxen of Fotokaart weergeven, afhankelijk van de geselecteerde modus. |


| Knop | Handeling | |
| 1 | Terugkeren naar het vorige venster.Een letter of cijfer verwijderen. | |
| 2 | Een waarde verlagen.Een letter of cijfer verwijderen.Bladeren door menu's, submenu's of instellingen op de display. | |
| 3 | √ | Een menu- of submenu-item selecteren op de display.Papier in- of uitvoeren. |
| 4 | Een waarde verhogen.Een spatie opgeven tussen letters en cijfers.Bladeren door menu's, submenu's of instellingen op de display. | |
| 5 | Een afdruk-, kopieer-, scan- of faxtaak annuleren.Faxnummer wissen of het verzenden van een fax beëindigen en terugkeren naar het standaard-venster voor faxen.Een menu of submenu sluiten en terugkeren naar het standaardvenster voor kopieren, scannen, faxen of fotokaart.Huidige instellingen of foutmeldingen wissen en de standaardinstellingen herstellen. |

| Knop Handeling | ||
| 1 | Een cijfer of symbool op het toetsenblok | Kopiëren of Fotokaart: het aantal gewenste exemplaren opgeven.In de modus Faxen:Faxnummers opgeven.Een geautomatiseerd antwoordsystem doorlopen.Letters selecteren bij het maken van een snelkeuzelijst.Cijfers invoeren om de datum en tijd op de display in te stellen of te wijzigen. |
| 2 | Automatisch beantwoorden De printer instellen zodat alle binnenkomende gesprekken worden beantwoord als het lampje brandt. | |
| 3 | Opnieuw kiezen/Onderbreken In de modus Faxen:Het laatstgekozen nummer weergeven. Druk op ◀ of ▶ om de vijf laatstgekozen nummers weer te geven.Een onderbreking van drie seconden invoegen in het nummer dat u wilt kiezen om te wachten op een buitenlijn of om verbinding te maken met een geautomatiseerd antwoord- systeem. Voeg alleen een onderbreking toe als u al bent begonnen met het invoeren van het nummer. | |
| 4 | Telefoonboek Een van de geprogrammeerde snelkeuzenummers (1-89) of groepskeuzenummers (90-99) gebruiken. | |
| 5 | Kleur | Een kopieer-, scan-, fax- of fototaak in kleur starten, afhankelijk van de geselecteerde modus. |
| 6 | Zwart | Een kopieer-, scan-, fax- of fototaak in zwart-wit starten, afhan- kelijk van de geselecteerde modus. |
Instellingen opslaan
De standaardinstelling in een menu met instellingen, wordt aangegeven met een sterretje (*). U wijzigt als volgt de instelling:
1 Druk op het bedieningspaneel op Instellingen.
2 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de gewenste instelling wordt weergegeven.
3 Druk op √om:
- De meeste instellingen op te slaan. Naast de opgeslagen instelling wordt een sterretje (*) weergegeven.
- Een tijdelijke instelling te selecteren. Naast de geselecteerde instelling wordt een sterretje (*) wordt weergegeven.
Opmerking: De printer herstelt de standaardinstelling na twee minuten inactiviteit of als de printer wordt uitgeschakeld. De instellingen van Fotokaart worden niet hersteld na twee minuten inactiviteit of als de printer wordt uitgeschakeld. De standaardinstellingen worden hersteld wanneer een geheugenkaart of flashstation wordt verwijderd.
U wijzigt als volgt de herstelfunctie:
1 Druk op Instellingen.
2 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot App.instlng wordt weergegeven.
3 Druk op √
4 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Timeout vr inst. wissn verschijnt.
5 Druk op √
6 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Nooit verschijnt.
7 Druk op √
Maak als volgt van een of meer tijdelijke instellingen de nieuwe standaardinstellingen:
1 Druk op Instellingen.
2 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Standaardwaarden verschijnt.
3 Druk op √
4 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Stndrd inst. verschijnt.
5 Druk op √
6 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Huidige instellingen verschijnt.
7 Druk op √
Informatie over het menu Instellingen
Met het menu Instellingen kunt u onderhoudsfuncties uitvoeren en verschillende printerinstellingen wijzigen en opslaan. Zie voor meer informatie over het opslaan van tijdelijke instellingen en andere instellingen "Instellingen opslaan" op pagina 39.
1 Druk op het bedieningspaneel op Instellingen.
2 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste menu-item wordt weergegeven.
3 Druk op √
4 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste submenu-item of de gewenste instelling wordt weergegeven.
5 Druk op √
Opmerking: wanneer u een waarde selecteert, verschijnt er een sterretje (*) naast de geselecteerde instelling.
6 Voor andere submenu's en instellingen, herhaalt u stap 4 en stap 5 indien nodig.
7 Druk zo nodig herhaaldelijk op om terug te keren naar de vorige menu's en andere instellingen op te geven.
| Locatie Handelingen: | |
| Onderhoud Een van de volgende opties selecteren: | Inktvoorraad om de inktoorraad van de kleureninktcar-tridge te controleren. Druk op of om de inktoorraad van de zwarte of foto-inktcartridge te controleren.Cartridges reinigen om de spuitopeningen van de inktcartridge te reinigen.Cartridges uitlijnen om de cartridge uit te lijnen.Testpagina afdrukken om een testpagina af te drukken. |
| Papierinstellingen Het formaat en de soort van het geplaatste papier selecteren | |
| Apparaatinstelling Een van de volgende opties selecteren: | Taal om de taalinstelling te wijzigen.Land om het standaardpapierformaat, de datumnotatie, het aantal patronen voor nummerweergave en regiose-lectie voor uw land in te stellen.Datum/tijd om de datum en tijd in te stellen.Faxinst. van de host om te selecteren of met de faxsoftware op de computer wijzigingen mogen worden aangebracht in de faxinstellingen.Knopgeluid om het volume van de toon in te stellen wanneer een toets op het bedieningspaneel wordt in- of uitgeschakeld. De standaardinstelling is Aan.Spaarstand om het aantal minuten in te stellen waarna de printer overschakelt op de spaarstand, als deze niet wordt gebruikt.Patroon nummerweergave om een van de volgende patronen te selecteren die beschikbaar zijn op basis van het land of de regio die u hebt geselecteerd tijdens de eerste installatie. Als telefoons in uw land twee detectie-patronen gebruiken, neemt u contact op met de teleco-maanbieder voor informatie over het detectiepatroon dat moet worden gebruikt.- Patroon 1 (FSK)- Patroon 2 (DTMF)Zie voor meer informatie “Nummerweergave gebruiken vanaf het bedieningspaneel” op pagina 121.Timeout vr inst. wissn om de timeoutfunctie te wijzigen voordat de printer, als deze niet wordt gebruikt, de standaardinstellingen herstelt. Zie voor meer informatie “Instellingen opslaan” op pagina 39. |
| Standaardwaarden Een van de volgende opties selecteren:Formaat fotoafdruk om het formaat van de af te drukken foto('s) te selecteren.Standaardwaarden instellen om de standaardinstellingen te wijzigen. Zie voor meer informatie “Instellingen opslaan” op pagina 39. | |
| Netwerk instellenOpmerking: dit submenu-item wordt alleen weergegeven als een interne, draadloze afdruk-server in de printer is geïnstalleerd. | Een van de volgende opties selecteren:Installatiepagina afdrukken om een pagina met de netwerkinstellingen af te drukken.Draadloze configuratie om de volgende opties weer te geven:- Netwerknaam: hiermee wordt de naam van zes tekens van uw printer weergegeven.- Kwaliteit draadloos signaal: hiermee wordt de signaalsterkte aangegeven.- Netwerkadapter opnieuw instellen op standaard-fabrieksinstellingen: hiermee kunt u de instellingen voor het draadloze netwerk herstellen.TCP/IPom het IP-adres, IP-netmasker en de IP-gateway van de printer weer te geven.Netwerktijd om te selecteren of u de tijdserver wilt inschakelen. |
Bedieningspaneel in een andere taal installeren
Deze aanwijzingen zijn alleen van toepassing als er extra bedieningspanelen in een andere taal zijn meegeleverd.
1 Til de scannereenheid op.

2 Pak het bedieningspaneel aan de voorkant vast. Til het bedieningspaneel op en draai het naar achteren om het te verwijderen (indien geïnstalleerd).

3 Kies het juiste bedieningspaneel voor uw taal.
4 Lijn de uitsteeksels op het bedieningspaneel uit met de gaten in de printer en zorg dat u het bedieningspaneel onder een hoek vasthoudt.
5 Laat het bedieningspaneel licht voorover hellen. Druk het bedieningspaneel naar beneden tot het vastklikt.

Vanaf de cd met installatiesoftware (alleen Windows-gebruikers)
Vanaf de cd die bij de printer is geleverd:
1 Start Windows.
2 Plaats de cd met de software in de computer als het bureaublad verschijnt.
Het installatievenster voor de software wordt geopend.
3 Klik op Installeren.
Vanaf de cd met installatiesoftware (alleen Macintosh-gebruikers)
1 Sluit alle geopende toepassingen.
2 Plaats de cd met software in de computer.
3 Dubbelklik in de Finder op het cd-pictogram dat automatisch wordt weergegeven.
4 Dubbelklik op het pictogram Installeer.
5 Volg de aanwijzingen op het scherm.
Vanaf internet
1 Ga naar de Lexmark website op www.lexmark.com.
2 Blader op de startpagina door de menu's en klik op Drivers & Downloads.
3 Selecteer de printer en het printerstuurprogramma voor uw besturingssysteem.
4 Volg de aanwijzingen op het scherm om het stuurprogramma te downloaden en de printersoftware te installeren.
Informatie over de printersoftware
U kunt de software die is geïnstalleerd met de printer gebruiken om foto's te bewerken, faxen te verzenden, de printer te onderhouden en veel andere taken uit te voeren. Hieronder volgt een overzicht van de functies van Productivity Studio en Printeroplossingen.
U kunt het welkomstvenster van Productivity Studio op een van de volgende manieren weergeven:
| Methode 1 Methode 2 | |
| Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Productivity Studio. | 1 Voer een van de volgende handelingen uit:• Windows Vista: klik op 📄• Windows XP en eerder: klik op Start.2 Klik op Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.3 Selecteer Productivity Studio. |
Klik in Productivity Studio op het pictogram van de taak die u wilt uitvoeren. Afhankelijk van de printer die u gebruikt, zijn sommige functies van deze software wellicht niet van toepassing.
| Knop Functie Details | ||
![]() | Scannen | Een foto of document scannen.Een foto of document opslaan, bewerken of delen. |
![]() | Kopiëren | Een foto of document kopiëren.Een foto opnieuw afdrukken of vergroten. |
![]() | Faxen Een foto of document als fax verzenden. | |
![]() | E-mailen | Een document of foto als bijlage bij een e-mailbericht verzenden. |
![]() | Foto's overbrengen | Foto's downloaden naar de fotobibliothek vanaf een geheugenkaart, flashstation, cd of digitale PictBridge-camera. |
![]() | Fotowenskaarten Kaarten van hoge kwaliteit maken van uw foto's. | |
![]() | Fotopakketten | Meerdere foto's in verschillende formaten afdrukken. |
![]() | Poster Foto afdrukken als een poster van meerdere pagina's. | |
In de linkerbenedenhoek van het welkomstvenster worden de volgende opties weergegeven:
| Optie Functie | |
| Printerstatus en Onderhoud | Printeroplossingen openen.Inktvoorraden controleren.Inktcartridges bestellen.Informatie over onderhoud zoeken.Andere tabbladen van Printeroplossingen selecteren voor meer informatie.Waaronder informatie over het wijzigen van de printerinstellingen en het oplossen van problemen. |
| Faxgeschiedenis en -instellingen | Faxinstellingen opgeven op de printer voor:Bellen en verzendenBellen en antwoordenFaxen afdrukken/rapportenSnelkeuze- en groepskeuzenummers |
Printeroplossingen is een volledige handleiding voor afdrukfuncties, zoals foto's afdrukken, afdrukproblemen oplossen, inktcartridges installeren en onderhoudstaken uitvoeren. Gebruik een van de volgende methoden om Printeroplossingen te openen:
| Methode 1 Methode 2 | |
| 1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Printeroplossingen.2 Klik op Installatie en diagnose van de printer.Printeroplossingen wordt geopend en het tabblad Onderhoud is geselecteerd. | 1 Voer een van de volgende handelingen uit:• Windows Vista: klik op 📄• Windows XP en eerder: klik op Start.2 Klik op Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.3 Kies Printeroplossingen. |
| Locatie Handelingen: | |
Hoe![]() | Informatie weergeven over:- Basisfuncties gebruiken.- Afdrukken, scannen, kopieren en faxen.- Projecten afdrukken, zoals foto's, enveloppen, kaarten, banners, opstrijktransfers en transparanten.De elektronische Gebruikershandleiding raadplegen voor meer informatie.Inktvoorraden weergeven en nieuwe inktcartridges bestellen. |
Problemen oplossen![]() | Tips weergeven over de huidige status.Problemen met de printer oplossen.Inktvoorraden weergeven en nieuwe inktcartridges bestellen. |
Geavanceerd![]() | De weergave van het venster Afdrukstatus wijzigen.Gesproken berichten voor afdruktaken in- of uitschakelen.Instellingen voor afdrukken over het netwerk wijzigen.Informatie met ons delen over het gebruik van de printer.Informatie weergeven over de versie van de software.Inktvoorraden weergeven en nieuwe inktcartridges bestellen. |
Onderhoud![]() | Nieuwe inktcartridge installeren.Opmerking:wacht tot het scannen is voltooid voor u een nieuwe inktcartridge instal-leert.Nieuwe inktcartridges bestellen.Een testpagina afdrukken.Inktcartridges reinigen om horizontale strepen te voorkomen.Inktcartridges uitlijnen om vage randen te voorkomen.Inktvoorraden weergeven.Andere problemen met inkt oplossen. |
Gesproken bericht voor afdruktaken in- of uitschakelen
De printer heeft een functie voor gesproken berichten waarmee wordt aangegeven wanneer het afdrukken wordt gestart en wanneer het is voltooid.
U schakelt als volgt de gesproken berichten in of uit:
1 Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op
- Windows XP en eerder: klik op Start.
2 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Printeroplossingen.
4 Klik op Geavanceerd.
5 Klik op Afdrukstatus.
6 Schakel het selectievakje Gesproken bericht afspelen voor afdruktaken in of uit.
7 Klik op OK.
Interne, draadloze afdrukserver installeren
De printer die u hebt aangeschaft, bevat wellicht een interne, draadloze afdrukserver waarmee de printer kan worden gebruikt op een draadloos netwerk. Als er in de printer geen interne, draadloze afdrukserver is geïnstalleerd, kunt u deze apart aanschaffen. Voer de volgende aanwijzingen uit om de interne, draadloze afdrukserver te installeren:
1 Schakel de printer uit en trek de stekker van het netsnoer van de printer uit het stopcontact.
Waarschuwing: Als u de stekker van het netsnoer niet uit het stopcontact trekt, kunnen de printer en de interne, draadloze afdrukserver beschadigd raken. Controleer of de printer is uitgeschakeld en de stekker van het netsnoer uit het stopcontact is getrokken.
2 Verwijder het klepje aan de achterkant door het lipje naar beneden te duwen en het klepje van de printer te trekken.

3 Pak de interne, draadloze afdrukserver uit. Bewaar het verpakkingsmateriaal.
Waarschuwing: Draadloze afdruk servers kunnen gemakkelijk beschadigd raken door statische elektriciteit. Raak eerst een metalen voorwerp aan, bijvoorbeeld het frame van de printer, voordat u de draadloze afdrukserver aanraakt.
4 Lijn de randen van de interne, draadloze afdrukserver uit met de gleuven aan de linker- en rechterkant. Schuif de draadloze afdrukserver vervolgens in de printer tot deze vastklikt.

5 Richt de antenne naar boven.
6 Plak het etiket met het MAC-adres op de achterzijde van de printer. U hebt dit adres later nodig wanneer u de printer aansluit op het netwerk.
U kunt nu de interne, draadloze afdrukserver configureren voor gebruik op uw draadloze netwerk.
Optionele, interne, draadloze afdrukserver configureren
Als u de optionele, interne, draadloze afdrukserver hebt aangeschaft nadat de printer was geïnstalleerd, gaat u als volgt te werk:
1 Installeer de interne, draadloze afdrukserver in de printer. Raadpleeg 'Optionele, interne, draadloze afdrukserver installeren' in het hoofdstuk 'Printer instellen' voor meer informatie.
2 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Draadloze configuratie.
4 Klik op Starten.
5 Volg de aanwijzingen op het scherm.
6 Klik op Voltooien om de installatie te voltooien.
Wat betekenen de lampjes van de Wi-Fi-aanduiding?
- Uit: dit geeft aan dat de printer niet is ingeschakeld of dat er geen draadloze afdrukserver is geïnstalleerd.
Selecteer deze optie:
- Als u de printer rechtstreeks wilt aansluiten op de computer met een USB-kabel.
- Als er geen draadloze afdrukserver is geïnstalleerd en u de printer op de computer wilt aansluiten met een USB-kabel.
- Oranje: dit geeft aan dat de printer gereed is voor configuratie voor draadloos afdrukken maar is niet aangesloten op een draadloos netwerk.
Selecteer deze optie als u de printer wilt installeren op uw draadloze netwerk.
- Oranje, knippert: dit geeft aan dat de printer is geconfigureerd maar niet kan communiceren met het draadloze netwerk.
Selecteer deze optie als u de draadloze instellingen van de printer wilt wijzigen. - Groen: dit geeft aan dat de printer is aangesloten op een draadloos netwerk
Selecteer deze optie om de printer te gebruiker die al op het draadloze netwerk is geïnstalleerd.
Beveiligingsinformatie
Toepassingen van derden, waaronder antivirus-, beveiligings- en firewallprogramma's kunnen meldingen weergeven wanneer de printersoftware wordt geïnstalleerd. Als u de printer wilt gebruiken, moet u toestaan dat de printersoftware wordt uitgevoerd op de computer.
Algemene informatie over netwerken
Overzicht netwerk
Een netwerk is een verzameling apparaten zoals computers, printers, Ethernet-hubs, draadloze toegangspunten en routers die met elkaar zijn verbonden voor communicatie via kabels of via een draadloze verbinding. Een netwerk kan bedraad, draadloos of ingesteld zijn voor zowel bedrade als draadloze apparaten.
Apparaten op een bedraad netwerk gebruiken kabels om met elkaar te communiceren.
Apparaten op een draadloos netwerk gebruiken radiogolven in plaats van kabels om met elkaar te communiceren. Draadloze communicatie met een apparaat is alleen mogelijk als een draadloze afdrukserver is aangesloten of geïnstalleerd waarmee radiogolven kunnen worden ontvangen en verzonden.
Configuraties voor een algemeen thuisnetwerk
Computers, laptops en printers moeten met elkaar verbonden zijn met kabels en/of moeten beschikken over ingebouwde of geïnstalleerde netwerkadapters, als u wilt dat ze met elkaar kunnen communiceren.
Een netwerk kan op verschillende manieren worden ingesteld. Hieronder worden vijf algemene voorbeelden gegeven.
Opmerking: De printers in de volgende diagrammen stellen Lexmark printers voor die zijn uitgerust met interne afdrukservers van Lexmark zodat ze kunnen communiceren via een netwerk. Lexmark interne afdrukservers zijn apparaten van Lexmark waarmee Lexmark printers kunnen worden verbonden met bedrade of draadloze netwerken.
Voorbeeld van bedraad netwerk
- Een computer, laptop en printer worden met Ethernet-kabels aangesloten op een hub, router of switch.
- Het netwerk is aangesloten op internet via een DSL- of kabelmodem.

flowchart
graph TD
A["Router"] --> B["Internet"]
C["Laptop"] --> D["Desktop Computer"]
E["Printer"] --> D
D --> B
Voorbeelden van een draadloos netwerk
Hieronder worden vier algemene draadloze netwerken weergegeven:
- Scenario 1: Laptop en printer draadloos aangesloten op internet
- Scenario 2: Computer, laptop en printer draadloos aangesloten op internet
- Scenario 3: Computer, laptop en printer draadloos aangesloten zonder internet
- Scenario 4: Laptop draadloos aangesloten op de printer zonder internet
Scenario 1: Laptop en printer draadloos aangesloten op internet
- Een computer wordt aangesloten op een draadloze router met een Ethernet-kabel.
- Een laptop en een printer worden draadloos aangesloten op de router.
- Het netwerk is aangesloten op internet via een DSL- of kabelmodem.

Scenario 2: Computer, laptop en printer draadloos aangesloten op internet
- Een computer, laptop en een printer zijn draadloos aangesloten op een draadloze router.
- Het netwerk is aangesloten op internet via een DSL- of kabelmodem.

flowchart
graph TD
A["Router"] --> B["Internet"]
C["Laptop"] --> D["Wireless Device"]
E["Printer"] --> D
D --> F["Computer"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#cff,stroke:#333
style F fill:#ffc,stroke:#333
Scenario 3: Computer, laptop en printer draadloos aangesloten zonder internet
- Een computer, laptop en een printer worden draadloos aangesloten op een draadloos toegangspunt.
- Het netwerk heeft geen verbinding met internet.

flowchart
graph TD
A["Laptop"] --> B["Wireless Router"]
B --> C["Desktop Computer"]
C --> D["Printer"]
D --> B
B --> E["Signal Flow Arrow"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#ffc,stroke:#333
Scenario 4: Laptop draadloos aangesloten op de printer zonder internet
- Een laptop is rechtstreeks en draadloos aangesloten op een printer en wordt niet via een draadloze router geleid.
- Het netwerk heeft geen verbinding met internet.

Welke informatie heb ik nodig en waar kan ik deze vinden?
Deze printer bevat een interne, draadloze afdrukserver waarmee de printer kan worden gebruikt op een draadloos netwerk. U hebt de volgende gegevens nodig van uw huidige draadloze netwerk:
- De netwerknaam, ook wel SSID genoemd.
- De draadloze modus (het type draadloos netwerk dat u gebruikt, Ad-hoc of Infrastructuur)
- Het type beveiliging dat wordt gebruikt op het netwerk (WEP, WPA of WPA2).
- Van toepassing zijnde beveiligingssleutels of wachtwoorden die worden gebruikt met het coderingstype van de netwerkbeveiliging.
Opmerking: Deze gegevens zijn nodig om de printer in te stellen voor gebruik op het draadloze netwerk. Raadpleeg de documentatie bij de draadloze router of neem contact op met de persoon die het draadloze netwerk heeft opgezet om deze instellingen te achterhalen.
MAC-adres zoeken
De meeste netwerkapparatuur beschikt over een unieke hardware-identificatiecode waarmee het betreffende netwerkapparaat kan worden onderscheiden van andere apparaten op het netwerk. Dit wordt het MAC-adres (Media Access Control) genoemd.
Als de printer beschikt over een interne, draadloze afdrukserver die in de fabriek is geïnstalleerd, is het MAC-adres een serie letters en cijfers op de achterkant van de printer.
Als u de interne, draadloze afdrukserver apart hebt aangeschaft, bevindt het MAC-adres zich op een etiket dat bij de draadloze afdrukserver is geleverd. Plak het etiket op de printer zodat u het MAC-adres bij de hand hebt wanneer u dit nodig hebt.

Opmerking: Een lijst met MAC-adressen kan worden ingesteld op een router zodat alleen apparaten met de juiste MAC-adressen het netwerk kunnen gebruiken. Dit wordt filteren op MAC-adres genoemd. Als filteren op MAC-adres is ingeschakeld in uw router en u wilt een printer toevoegen aan uw netwerk, moet het MAC-adres van de printer zijn opgenomen in de MAC-filterlijst.
Netwerkconfiguratieprogramma afdrukken
Een netwerkconfiguratiepagina bevat uw netwerkconfiguratie-instellingen.
Opmerking: u kunt pas een netwerkconfiguratiepagina afdrukken nadat een afdrukserver is geïnstalleerd.
U drukt als volgt een netwerkconfiguratiepagina af:
1 Druk op het bedieningspaneel van de printer op Instellingen.
2 Druk herhaaldelijk op ◀ of ► tot Netwerk instellen wordt weergegeven.
3 Druk op √
4 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Installatiepagina afdrukken wordt weergegeven.
5 Druk op √
6 Druk nogmaals op √
Zoeken naar een printer en afdrukserver op externe subnetten
De cd met printersoftware kunt u gebruiken om automatisch te zoeken naar printers die zich op hetzelfde netwerk bevinden als de computer. Als de printer en afdrukserver zich op een ander netwerk (subnet genoemd) bevinden, moet u het IP-adres handmatig opgeven tijdens de installatie van de printersoftware.
Rechtstreeks afdrukken via IP
1 Sluit de printer met een USB-kabel aan op een externe afdrukserver.
2 Sluit de afdrukserver met een Ethernet-kabel aan op het netwerk.
Opmerking: U moet de printer wellicht rechtstreeks aansluiten op een wandaansluiting of aansluiten op een router. Raadpleeg de documentatie bij de afdrukserver voor meer informatie.
3 Plaats de cd met printersoftware in het cd-rom-station.
4 Klik op Installeren.
5 Kies de netwerkoptie in het dialoogvenster Printer aansluiten.
6 Selecteer Rechtstreekse netwerkaansluiting in het dialoogvenster Netwerk instellen.
7 Selecteer in de lijst met netwerkprinters de printer en afdrukserver.
Opmerking: Als er meerdere items worden weergegeven, selecteert u het item waarvan het MAC-adres overeenkomt met het MAC-adres op de afdrukserver. Zie "MAC-adres zoeken" op pagina 52 voor meer informatie.
Poortinstelling controleren
Alleen gebruikers van Windows 2000 en Windows XP:
1 Klik op Start → Instellingen → Printers of Printers en faxapparaten.
2 Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Lexmark 6500 Series.
3 Kies Eigenschappen in het snelmenu.
4 Klik op de tab Poorten.
5 Controleer het volgende:
- De poort is ingesteld op een USB-poort.
- De poort niet is ingesteld op Bestand.
Alleen gebruikers van Windows Vista:
1 Klik op het startpictogram → Configuratiescherm → Printers.
2 Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Lexmark 6500 Series.
3 Kies Eigenschappen in het snelmenu.
4 Klik op de tab Poorten.
5 Controleer het volgende:
- De poort is ingesteld op een USB-poort.
- De poort niet is ingesteld op Bestand.
Draadloos netwerk
Draadloze netwerkverbinding gebruiken
Deze printer bevat een interne, draadloze afdrukserver waarmee de printer kan worden gebruikt op een draadloos netwerk. U hebt wellicht de volgende instellingen van uw huidige draadloze netwerk nodig om de printer te configureren voor gebruik op het netwerk:
- De netwerknaam ook wel SSID genoemd
- De draadloze modus (het type draadloos netwerk dat u gebruikt, Ad-hoc of Infrastructuur)
- Het type beveiliging dat wordt gebruikt op het netwerk (WEP, WPA of WPA2)
- Van toepassing zijnde beveiligingssleutels of wachtwoorden die worden gebruikt met het coderingstype van de netwerkbeveiliging
1 Plaats de cd met printersoftware in de computer.
2 Klik op Installeren.
3 Selecteer Ik ga akkoord met de voorwaarden in deze licentieovereenkomst en klik op Doorgaan.
4 Selecteer Standaard en klik op Doorgaan.
5 Als dit de eerste keer is dat u de printer instelt, selecteert u Ja. Selecteer Nee als u de printer al eerder hebt ingesteld en de printer wilt installeren op een andere computer. Klik op Doorgaan.
6 Volg de aanwijzingen in de volgende vensters om de papierlade in te stellen, papier te plaatsen, de inktcartridges te installeren en de cartridges uit te lijnen.
7 Controleer de Wi-Fi-aanduiding op de printer en selecteer de bijbehorende optie in het softwarevenster.
8 Volg de aanwijzingen in de volgende vensters om door te gaan met de installatie.
9 Selecteer Ja als u de faxfuncties wilt instellen.
10 Volg de aanwijzingen in de volgende vensters om de faxinstellingen correct in te stellen voor uw apparaat.
11 Druk een voorbeeldpagina af en en klik op Doorgaan.
12 Selecteer Browser openen en naar de registratiepagina van Lemark Rewards gaan voor informatie over kortingen en aanbiedingen van Lexmark. Klik op Doorgaan.
13 Selecteer Lexmark Werkbalk installeren als u webpagina's wilt afdrukken met snelkoppelingen op de werkbalk.
14 Klik op Voltooien.
IP-adres
IP-adressen zoeken
Een IP-adres is een uniek nummer dat wordt gebruikt door apparaten op een IP-netwerk om elkaar te vinden en met elkaar te communiceren. Apparaten op een IP-netwerk kunnen alleen met elkaar communiceren als ze een uniek en geldig IP-adres hebben. Een uniek IP-adres betekent dat apparaten op hetzelfde netwerk niet hetzelfde IP-adres mogen hebben.
Het IP-adres van een printer zoeken
Het IP-adres van de printer bevindt zich op de netwerkconfiguratiepagina die u kunt afdrukken. Zie voor meer informatie "Netwerkconfiguratieprogramma afdrukken" op pagina 53.
Het IP-adres van een computer zoeken
1 Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op → Alle programma's → Bureau-accessoires → Opdrachtprompt.
- Windows XP: klik op Start → Programma's of Alle programma's → Bureau-accessoires → Opdrachtprompt.
2 Typ ipconfig.
3 Druk op Enter.
Het IP-adres bestaat uit vier sets met cijfers gescheiden door punten: 192.168.0.100.
IP-adres toewijzen
Een IP-adres kan door het netwerk worden toegewezen met DHCP. Met het printerobject, dat tijdens de installatie wordt gemaakt, worden via dit adres alle afdruktaken over het netwerk verzonden naar de printer met dit adres.
Op veel netwerken kunnen IP-adressen automatisch worden toegewezen. Met autoconfiguratie voor IP-adressen kunnen apparaten een uniek IP-ades aan zichzelf toewijzen. Op de meeste netwerken wordt DHCP gebruikt voor het toewijzen van adressen.
Tijdens de installatie van de printersoftware voor rechtstreeks afdrukken via IP wordt het IP-adres alleen weergegeven op het moment dat het wordt toegewezen. Het printerobject dat wordt gemaakt in de map Printers van het besturingssysteem, gebruikt het MAC-adres van de printer die wordt weergegeven bij de poortnaam.
Als het IP-adres niet automatisch wordt toegewezen, kunt u proberen het adres handmatig op te geven nadat u de printer hebt geselecteerd in de beschikbare lijst.
IP-adres configureren
Als er geen communicatie meer mogelijk is met de printer via het netwerk, selecteert u DHCP gebruiken om de communicatie met de printer te herstellen.
In de volgende situaties moet u een IP-adres toewijzen:
- U hebt handmatig een IP-adres toegewezen aan de overige netwerkapparaten.
- U wilt een specifiek IP-adres toewijzen.
- U verplaatst de printer naar een extern subnet.
- De printer wordt in het configuratieprogramma weergegeven als niet geconfigureerd.
Neem contact op met de systeembeheerder voor meer informatie.
Signaalsterkte bepalen
Draadloze apparaten hebben ingebouwde antenne die radiosignalen verzendt en ontvangt. De signaalsterkte die wordt weergegeven op de netwerkconfiguratiepagina van de printer geeft aan hoe sterk een verzonden signaal wordt ontvangen. Veel factoren hebben invloed op de signaalsterkte. Eén factor is de storing die wordt veroorzaakt door andere draadloze apparaten of andere apparatuur, zoals magnetrons. Een andere factor is afstand. Hoe verder twee draadloze apparaten van elkaar verwijderd zijn, hoe waarschijnlijker het is dat het communicatiesignaal zwakker is.
Printer installeren op een netwerk
Volg de aanwijzingen voor de netwerkmethode die u wilt gebruiken. Controleer of het geselecteerde netwerk is ingesteld en juist werkt, en dat alle relevante apparaten zijn ingeschakeld. Raadpleeg de netwerkdocumentatie of degene die het netwerk heeft opgezet voor meer informatie over uw specifieke netwerk.
De printer delen op een netwerk
De printer delen op het netwerk (op de hostcomputer)
Alleen gebruikers van Windows Vista:
1 Raadpleeg de installatie-instructies bij de printer voor meer informatie.
2 Klik op het startpictogram → Configuratiescherm → Printers.
3 Klik met de rechtermuisknop op het printerpictogram en kies Delen.
4 Klik op Opties voor delen wijzigen.
5 Klik op Ga door.
6 Klik op Deze printer delen en geef de printer een naam.
7 Volg de aanwijzingen op het scherm om de installatie te voltooien.
Alleen gebruikers van Windows 2000 en Windows XP:
1 Raadpleeg de installatie-instructies bij de printer voor meer informatie.
2 Klik op Start → Instellingen → Printers.
3 Klik met de rechtermuisknop op het printerpictogram en kies Delen.
4 Klik op Gedeeld als en geef de printer een naam.
5 Volg de aanwijzingen op het scherm om de installatie te voltooien.
De gedeelde printer installeren op andere netwerkcomputers (op de clientcomputers)
Met de peer-to-peer-methode Met de point-and-print-methode
1 Ga naar een netwerkcomputer waarmee u wilt afdrukken naar de gedeelde printer.
2 Plaats de cd met printersoftware in de computer.
3 Ga akkoord met de licentieovereenkomst en klik op Volgende.
4 Selecteer Handmatig configureren.
5 Selecteer in het dialoogvenster Netwerkprinter instellen de clientoptie Peer-to-Peer en klik op Volgende.
6 Selecteer de gewenste printer in de lijst en klik op Volgende.
7 Selecteer de software die u wilt installeren en klik op Volgende.
8 Als de installatie is voltooid, klikt u op Voltooid.
9 Herhaal deze procedure voor elke netwerkcomputer waarmee u wilt afdrukken naar de gedeelde printer.
1 Ga naar een netwerkcomputer waarmee u wilt afdrukken naar de gedeelde printer.
2 Blader op het netwerk tot u de naam vindt van de printer die u hebt toegewezen in stap 4 op pagina 57.
3 Klik met de rechtermuisknop op het printepictogram en kies Openen of Verbinden.
4 Hiermee wordt een subset van de printersoftware gekopieerd vanaf de hostcomputer. Er wordt een printerobject toegevoegd aan de map Printers op de clientcomputer.
Netwerkprinters configureren
Configureren
Als u een netwerkprinter wilt configureren, selecteert u een printer in de lijst in het venster. Klik op Configureren om een IP-adres aan de printer toe te wijzen. Neem contact op met de systeembeheerder voor meer informatie.
Printers toevoegen
Hiermee kunt u externe subnetten gebruiken voor printers die rechtstreeks zijn aangesloten op een netwerk. Als een dergelijke printer wordt gevonden, selecteert u de printer eerst in het venster. Vervolgens klikt u op Configureren om handmatig een IP-adres aan de printer toe te wijzen. Neem contact op met de systeembeheerder voor meer informatie.
Opmerking: printers op externe subnetten worden niet automatisch geconfigureerd.
Vernieuwen
Als u op Vernieuwen klikt, worden nieuw toegevoegde printers die worden aangetroffen, automatisch geconfigureerd.
Typen draadloze netwerken
Er zijn twee soorten netwerken: infrastructuur en ad-hoc. U kunt het beste een netwerk opzetten in infrastructuurmodus met de installatie-cd die bij de printer is geleverd.
Een draadloos netwerk waarbij elk apparaat met andere apparaten communiceert via een draadloos toegangspunt (draadloze router) wordt ingesteld in infrastructuurmodus. Alle apparaten moeten een geldig IP-adres hebben en dezelfde SSID en hetzelfde kanaal delen. Daarnaast moeten ze dezelfde SSID en hetzelfde kanaal gebruiken als het draadloze toegangspunt (draadloze router).
Een eenvoudig type draadloos netwerk is een netwerk waarbij een computer met een draadloze adapter rechtstreeks communiceert met een printer die geschikt is voor draadloze netwerken. Deze manier van communicatie wordt ad-hoc genoemd. Een apparaat in dit type netwerk moet een geldig IP-adres hebben en zijn ingesteld op ad-hocmodus. De draadloze afdrukserver moet ook zijn geconfigureerd met dezelfde SSID en hetzelfde kanaal.
| Infrastructuur Ad-hoc | ||
| Kenmerken | ||
| Communicatie Via een draadloos toegangspunt(draadloze router) | Rechtstreeks tussen apparaten | |
| Beveiliging Meer beveiligingsopties | ||
| Bereik Bepaald door bereik en aantaltoegangspunten | Beperkt tot het bereik van individuele apparaten op het netwerk | |
| Snelheid Meestal sneller Meestal langzamer | ||
| Vereisten voor alle apparaten op het netwerk | ||
| Uniek IP-adres voor elk apparaat Ja Ja | ||
| Modus ingesteld op Infrastructuurmodus Ad-hocmodus | ||
| Zelfde SSID Ja, inclusief het draadlozetoegangspunt (draadloze router) | Ja | |
| Hetzelfde kanaal Ja, inclusief het draadlozetoegangspunt (draadloze router) | Ja | |
Infrastructuurmodus is de aanbevolen installatiemethode om de volgende redenen:
• Verbeterde netwerkbeveiliging
• Verbeterde betrouwbaarheid
- Snellere prestaties
- Eenvoudigere installatie
Tips voor het gebruik van netwerkadapters
- Controleer of de adapter goed is aangesloten.
- Controleer of de computer is ingeschakeld.
- Controleer of u het juiste IP-adres hebt opgegeven.
Geavanceerde draadloze installatie
Draadloos ad-hocnetwerk instellen met Windows
U kunt het beste uw draadloze netwerk instellen met een draadloos toegangspunt (draadloze router). Een netwerk dat op deze manier is ingesteld is een infrastructuurnetwerk. Als u een infrastructuurnetwerk hebt geïnstalleerd in uw huis, moet u de printer configureren voor gebruik op dat netwerk.
Als u geen draadloos toegangspunt (draadloze router) hebt of u wilt een zelfstandig netwerk instellen tussen de printer en een computer met een draadloze netwerkadapter, kunt u een ad-hocnetwerk instellen.
Gebruikers van Windows Vista
1 Klik op → Configuratiescherm → Netwerk en internet.
2 Klik onder Netwerkcentrum op Verbinding met een netwerk maken.
3 Klik in het dialoogvenster Verbinding met een netwerk maken op Draadloos ad-hocnetwerk (computer-naar-computer) instellen en klik op Volgende.
4 Volg de aanwijzingen in de wizard Draadloos adhoc-netwerk instellen. Onderdeel van de installatie:
a Maak een netwerknaam of SSID voor het netwerk met de computer en de printer.
b Geef de naam van het netwerk op in de daarvoor bestemde ruimte. Gebruik de juiste spelling en hoofdletters.
c Open het keuzemenu voor het beveiligingstype, selecteer WEP en maak een beveiligingssleutel (of wachtwoord).
Opmerking: WEP-wachtwoorden moeten uit 5 of 13 tekens bestaan.
d Geef het wachtwoord van het netwerk op in de daarvoor bestemde ruimte. Gebruik de juiste spelling en hoofdletters.
Windows Vista schakelt het ad-hocnetwerk voor u in. Het wordt weergegeven in het dialoogvenster Verbinding met een netwerk maken onder beschikbare netwerken. Dit geeft aan dat de computer is geconfigureerd voor het ad-hocnetwerk.
5 Sluit het Configuratiescherm en eventuele andere vensters.
6 Plaats de cd van de printer in de computer en volg de aanwijzingen voor draadloze installatie.
7 Wanneer de beschikbare netwerken worden weergegeven, geeft u de netwerknaam en de beveiligingsinformatie op die u hebt gemaakt in stap 4. Het installatieprogramma configureert de printer voor gebruik met de computer.
8 Bewaar een kopie van de netwerknaam en de beveiligingsgegevens op een veilige plaats, zodat u deze in de toekomst weer kunt gebruiken.
Gebruikers van Windows XP
1 Klik op Start → Instellingen → Configuratiescherm → Netwerkverbindingen.
2 Klik met de rechtermuisknop op Draadloze netwerkverbindingen.
3 Als Inschakelen wordt weergegeven in het voorgrondmenu, klikt u op deze optie.
Opmerking: als Inschakelen niet wordt weergegeven, is de draadloze verbinding al ingeschakeld.
4 Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Draadloze netwerkverbinding.
5 Klik op Eigenschappen.
6 Klik op de tab Draadloze netwerken.
Opmerking: Als het tabblad Draadloze netwerken niet wordt weergegeven, is er software van derden op de computer geïnstalleerd waarmee de instellingen voor draadloze netwerken wordt beheerd. U moet deze software gebruiken om het draadloze ad-hocnetwerk in te stellen. Raadpleeg de documentatie bij die software voor meer informatie over het opzetten van een ad-hocnetwerk.
7 Schakel het selectievakje Draadloos netwerk automatisch configureren in.
8 Verwijder eventueel bestaande netwerken onder Voorkeursnetwerken.
a Klik op het netwerk dat u wilt verwijderen.
b Klik op de knop Verwijderen.
9 Klik op Toevoegen om een ad-hocnetwerk te maken.
10 Voer in het vak Netwerknaam (SSID) de naam in voor het draadloze netwerk.
11 Noteer de netwerknaam zodat u deze bij de hand hebt tijdens het uitvoeren van de draadloze configuratie. Noteer de gegevens nauwkeurig, inclusief eventuele hoofdletters.
12 Als Netwerkverificatie wordt weergegeven in de lijst, selecteert u Openen.
13 Selecteer WEP in de lijst Gegevenscodering.
14 Schakel zo nodig het selectievakje De sleutel wordt mij automatisch aangeleverd uit.
15 Geef een beveiligingscode op in het vak Netwerksleutel.
16 Noteer de beveiligingscode zodat u deze bij de hand hebt tijdens het uitvoeren van de draadloze configuratie. Noteer de gegevens nauwkeurig, inclusief eventuele hoofdletters.
Opmerking: zie 'Controleer de beveiligingssleutels' in het gedeelte 'Problemen met draadloze netwerken oplossen' van het hoofdstuk 'Problemen oplossen' voor meer informatie over wachtwoorden (beveiligingssleutels).
17 Geef dezelfde beveiligingscode op in het vak Bevestig de netwerksleutel.
18 Schakel het selectievakje Dit is een computer-naar-computer netwerk. Er worden geen draadloze toegangspunten gebruikt. in.
19 Klik twee keer op OK om de twee geopende vensters te sluiten.
20 Het kan enkele minuten duren voordat de computer de nieuwe instellingen heeft herkend. Ga als volgt te werk als u de status van uw netwerk wilt controleren:
a Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Draadloze netwerkverbindingen.
b Selecteer Beschikbare draadloze netwerken weergeven.
- Als het netwerk wordt weergegeven maar de computer heeft geen verbinding, selecteert u het ad-hocnetwerk en klikt u op de knop Verbinding maken.
- Als het netwerk niet wordt weergegeven, wacht u een minuut en klikt u op de knop Netwerklijst vernieuwen.
21 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
22 Klik op Hulpprogramma voor draadloze configuratie.
Opmerking: als onderdeel van de configuratieprocedure wordt u mogelijk gevraagd om de printer opnieuw aan te sluiten op de computer met de installatiekabel.
23 Volg de aanwijzingen op het scherm.
24 Bewaar de netwerknaam en de beveiligingscode op een veilige plaats, zodat u deze in de toekomst weer kunt gebruiken.
Printer toevoegen aan een bestaand, draadloos ad-hocnetwerk met Windows
1 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
2 Klik op Draadloze configuratie.
3 Volg de aanwijzingen op het scherm.
Papier en originele documenten in de printer plaatsen
Papier in de printer plaatsen
1 Controleer het volgende:
- U gebruikt papier dat geschikt is voor inkjetprinters.
- Als u fotopapier, glossy papier of extra zwaar, mat papier gebruikt, moet u dit met de glanzende of afdrukzijde naar u toe plaatsen. (Raadpleeg de instructies die bij het papier zijn geleverd als u niet zeker weet welke zijde de afdrukzijde is.)
- Het papier is niet reeds gebruikt of beschadigd.
- U hebt voor speciaal papier de bijbehorende instructies doorgenomen.
- U hebt het papier niet te ver in de printer geduwd.
2 Schuif de papiergeleiders naar buiten tegen de randen van de papiersteun voordat u de eerste keer papier in de printer plaatst. Plaats niet meer dan de volgende aantallen vellen in de printer:
• 100 vellen normaal papier
• 25 vellen extra zwaar, mat papier
• 25 vellen fotopapier
• 25 vellen glossy papier
Opmerking: Foto's moeten langer drogen. Verwijder afzonderlijke foto's zodra ze uit de printer komen en laat ze drogen. Hiermee voorkomt u dat de inkkt gaat vlekken.
3 Plaats het papier verticaal in het midden van de papiersteun en schuif de papiergeleiders tegen de randen van het papier.

Opmerking: zorg dat het papier niet omkrult als u de papiergeleiders verschuift om papierstoringen te voorkomen.
Sensor voor papiersoort gebruiken
De printer is uitgerust met een sensor die automatisch de papiersoort vaststelt. De sensor voor papiersoort stelt automatisch vast welke papiersoort in de All-In-One is geplaatst en past de instellingen dan voor u aan. Als u bijvoorbeeld een foto wilt afdrukken, plaatst u fotopapier in de printer. Nadat de printer de papiersoort heeft vastgesteld, worden de instellingen automatisch aangepast voor optimale resultaten bij het afdrukken van de foto's.
Enveloppen in de printer plaatsen
U kunt maximaal 10 enveloppen per keer in de printer plaatsen.
Waarschuwing: gebruik geen enveloppen met sluitkoordjes en metalen klemmetjes of sluitingen.
1 Plaats de enveloppen in het midden van de papiersteun met de locatie voor de postzegel in de linkerbovenhoek.
2 Controleer het volgende:
- De afdrukzijde van de enveloppen is naar u toe gericht.
- De enveloppen die u gebruikt, zijn geschikt voor inkjetprinters.
- De papiergeleiders zijn tegen de randen van de enveloppen geschoven.

- Gebruik geen enveloppen met gaten, perforaties, uitsparingen of reliëf.
- Gebruik geen enveloppen met naar boven gevouwen plakranden.
- Enveloppen moeten langer drogen. Verwijder afzonderlijke enveloppen zodra ze uit de printer komen en laat ze drogen. Hiermee voorkomt u dat de inkst gaat vlekken.
Etiketvellen in de printer plaatsen
U kunt maximaal 25 etiketvellen per keer in de printer plaatsen.
1 Plaats de vellen met de afdrukzijde naar u toe in de printer en zorg dat bovenkant van het vel als eerste wordt ingevoerd in de printer.
2 Controleer het volgende:
- De afdrukzijde van de etiketten is naar u toe gericht.
- De bovenkant van de etiketten wordt eerst ingevoerd.
- Er is een marge van minimaal 1 mm tussen de plakrand en de rand van de etiketten.
- U gebruikt volledige etiketvellen. Bij gedeeltelijke vellen (met ontbrekende etiketten) kunnen de etiketten tijdens het afdrukken losraken, waardoor het papier kan vastlopen.
- De etiketvellen zijn in het midden van de papiersteun geplaatst.
- De papiergeleiders zijn tegen de randen van de etiketvellen geschoven.
Opmerking: Etiketten moeten langer drogen. Verwijder afzonderlijke etiketvellen zodra ze uit de printer komen en laat ze drogen. Hiermee voorkomt u dat de inkst gaat vlekken.
Wenskaarten, indexkaarten, fotokaarten en briefkaarten in de printer plaatsen
U kunt maximaal 25 wens-, index-, foto- of briefkaarten per keer in de printer plaatsen.
1 Plaats de kaarten met de afdrukzijde naar u toe in de printer.
2 Controleer het volgende:
- De kaarten zijn in het midden van de papiersteun geplaatst.
- De papiergeleiders zijn tegen de randen van de kaarten geschoven.

Opmerking: Fotokaarten moeten langer drogen. Verwijder afzonderlijke fotokaarten zodra ze uit de printer komen en laat ze drogen. Hiermee voorkomt u dat de inkt gaat vlekken.
Transparanten in de printer plaatsen
U kunt maximaal 50 transparanten per keer in de printer plaatsen.
1 Plaats de transparanten met de ruwe zijde naar u toe in de printer. Als de transparanten een verwijderbare strip hebben, moet de strip van u af en naar beneden (ten opzichte van de printer) gericht zijn.
2 Controleer het volgende:
- De transparanten zijn in het midden van de papiersteun geplaatst.
- De papiergeleiders zijn tegen de randen van de transparanten geschoven.
Opmerkingen:
- U kunt het beste geen transparanten met achtervellen van papier gebruiken.
- Transparanten moeten langer drogen. Verwijder afzonderlijke transparanten zodra ze uit de printer komen en laat ze drogen. Hiermee voorkomt u dat de inkkt gaat vlekken.
Opstrijktransfers in de printer plaatsen
U kunt maximaal 10 opstrijktransfers per keer in de printer plaatsen, maar voor optimale resultaten kunt u het beste één opstrijktransfer per keer plaatsen.
1 Plaats de opstrijktransfers met de afdrukzijde naar u toe in de printer.
2 Controleer het volgende:
- U hebt de instructies op de verpakking voor het plaatsen van opstrijktransfers gevolgd.
- De opstrijktransfers zijn in het midden van de papiersteun geplaatst.
- De papiergeleiders zijn tegen de randen van de transfers geschoven.
Papier met aangepast formaat in de printer plaatsen
U kunt maximaal 100 vellen papier met aangepast formaat per keer in de printer plaatsen.
1 Plaats het papier met de afdrukzijde naar u toe in de printer.
2 Controleer het volgende:
- Het papierformaat valt binnen de volgende afmetingen:
Breedte:
-76,0-216,0 mm
-3,0-8,5 inch
Lengte:
-127,0-432,0 mm
-5,0-17,0 inch
- De stapel is niet hoger dan 10 mm.
- Het papier is in het midden van de papiersteun geplaatst.
- De papiergeleiders zijn tegen de randen van het papier geschoven.
Bannerpapier in de printer plaatsen
U kunt maximaal 20 vellen bannerpapier per keer in de printer plaatsen.
1 Verwijder al het papier van de papiersteun voordat u het bannerpapier in de printer plaatst.
2 Scheur alleen het aantal pagina's af dat u nodig hebt om de banner af te drukken.
3 Plaats de stapel bannerpapier op de bovenklep.
4 Zorg dat de vrije rand van het bannerpapier wordt ingevoerd in de printer.

5 Controleer het volgende:
- Het papier is in het midden van de papiersteun geplaatst.
- De papiergeleiders zijn tegen de randen van het papier geschoven.
Originele documenten op de glasplaat plaatsen
U kunt foto's, tekstdocumenten en artikelen uit tijdschriften, kranten en andere publicaties scannen en afdrukken. U kunt een document scannen voor faxen.
Opmerking: Het deel van de glasplaat dat kan worden gescand is maximaal 216 x 297 mm (8,5 x 11,7 inch) groot.
1 Open de bovenklep.

2 Plaats het originele document of item met de bedrukte zijde naar beneden in de rechterbenedenhoek van de glasplaat.

Opmerking: foto's moeten worden geplaatst zoals wordt weergegeven.
3 Sluit de bovenklep om te voorkomen dat er zwarte randen worden weergegeven op de gescande afbeelding.

Originele documenten in de automatische documentinvoer plaatsen
U kunt maximaal 25 vellen van een origineel document in de automatische documentinvoer plaatsen om ze te scannen, te kopieren of te faxen. U kunt papier van het formaat A4, Letter of Legal in de automatische documentinvoer plaatsen.
1 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar boven in de lade van de automatische documentinvoer.

Opmerking: Plaats geen briefkaarten, foto's, kleine items of dunne voorwerpen (zoals knipsels uit tijdschriften) in de automatische documentinvoer. Plaats deze items op de glasplaat.
2 Schuif de papiergeleider op de lade van de automatische documentinvoer tegen de rand van het papier.

Papiercapaciteit van de automatische documentinvoer
| Maximumaantal Aandachtspunten | |
| 25 vellen:Letter-papierA4-papierLegal-papier | Het document is met de bedrukte zijde naar boven geplaatst.De papiergeleider bevindt zich tegen de rand van het papier. |
| 25 vellen:Aangepast papierVoorgeperforeerd papierKopieerpapier met versterkte randenVoorgedrukte formulierenBriefhoofdpapier | Het document is met de bedrukte zijde naar boven geplaatst.De papiergeleider bevindt zich tegen de rand van het papier.Het papierformaat valt binnen de volgende afmetingen:Breedte: -210,0 mm -215,9 mm -8,27 inch -8,5 inch Lengte: -279,4 mm -355,6 mm -11,0 inch -14,0 inch U hebt het voorgedrukte materiaal goed laten drogen voordat u het in de automatische documentinvoer plaatst.Het papier is niet bedrukt met metaalhoudende inkt.U gebruikt geen papier met reliëfdruk. |
Standaarddocumenten afdrukken
Documenten afdrukken
1 Plaats papier in de printer.
2 Open het gewenste bestand en klik op Bestand → Afdrukken.
3 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
4 Pas de instellingen aan.
5 Klik op OK.
6 Klik op OK of Afdrukken.
Webpagina afdrukken
Met de werkbalk voor het web kunt u printervriendelijke versies van webpagina's maken.

1 Plaats papier in de printer.
2 Open een webpagina met Microsoft Internet Explorer 5.5 of hoger.
3 Voer de volgende procedure uit als u de afdrukinstellingen wilt controleren of wijzigen:
a Klik in het werkbalkgedeelte op Lexmark → Pagina-instelling.
b Pas de afdrukinstellingen aan.
c Klik op OK.
4 Voer de volgende procedure uit als u de webpagina wilt bekijken voordat u deze afdrukt:
a Klik op Voorbeeld.
b Gebruik de opties op de werkbalk om door pagina's te bladeren, in of uit te zoomen of aan te geven of u tekst en afbeeldingen wilt afdrukken of alleen tekst.
c Klik op:
- Afdrukken in het venster met het afdrukvoorbeeld en klik vervolgens op Afdrukken in het dialoogvenster Afdrukken dat wordt geopend of
- Sluiten en ga door met de volgende stap.
5 Selecteer zo nodig een afdrukoptie op de werkbalk voor het web:
- Normaal
• Snel - Zwart-wit
- Alleen tekst
Foto's of afbeeldingen van een webpagina afdrukken
1 Plaats papier in de printer. Gebruik voor optimale resultaten fotopapier of extra zwaar, mat papier. Zorg dat de glanzende zijde of de afdrukzijde naar u toe gericht is. (Raadpleeg de instructies die bij het papier zijn geleverd als u niet zeker weet welke zijde de afdrukzijde is.)
2 Open een webpagina in Microsoft Internet Explorer 5.5 of hoger.
Het aantal foto's dat kan worden afgedrukt, wordt op de werkbalk weergegeven naast Foto's.

3 Als er geen cijfer wordt weergegeven naast Foto's:
a Selecteer Opties in de keuzelijst met het Lexmark logo.
b Selecteer het tabblad Geavanceerd.
c Selecteer een kleiner minimumfotoformaat.
d Klik op OK.
Het aantal foto's dat kan worden afgedrukt, wordt naast Foto's weergegeven.
4 Klik op Foto's.
Het venster Fast Pics wordt weergegeven.
5 Als u alle foto's of afbeeldingen wilt afdrukken met dezelfde instellingen, selecteert u het gewenste formaat, het formaat van het papier in de printer en het aantal gewenste exemplaren.
6 Ga als volgt te werk als u één foto of afbeelding tegelijk wilt afdrukken:
a Klik op de foto's of afbeeldingen die u niet wilt afdrukken om de selectie op te heffen.
b Ga als volgt te werk als u algemene wijzigingen wilt aanbrengen:
1 Klik met de rechtermuisknop op de foto of afbeelding.
2 Klik op Bewerken.
3 Selecteer de gewenste opties.
4 Volg de aanwijzingen op het scherm.
5 Klik op Gereed als u de wijzigingen hebt aangebracht.
6 Selecteer het gewenste formaat, het formaat van het papier in de printer en het aantal exemplaren.
7 Klik op Nu afdrukken.
Meerdere exemplaren van een document afdrukken
1 Open het gewenste bestand en klik op Bestand → Afdrukken of Printerinstelling.
2 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen in het dialoogvenster Printerinstelling.
3 Geef het gewenste aantal exemplaren op in het gedeelte Exemplaren op het tabblad Kwaliteit/exemplaren.
Opmerking: als u meer dan één exemplaar afdrukt van een document met meerdere pagina's, klikt u op Sorteren om de exemplaren te sorteren.
4 Klik op OK om alle geopende dialoogvensters van de printersoftware te sluiten.
5 Druk het document af.
Kopieën sorteren
Als u meerdere exemplaren van een document afdrukt, kunt u ervoor kiezen om elk exemplaar als een set (gesorteerd) af te drukken of de exemplaren af te drukken als groepen van dezelfde pagina's (niet gesorteerd).
Gesorteerd Niet gesorteerd

1 Open het gewenste bestand en klik op Bestand → Druk af.
2 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
3 Klik op de tab Kwaliteit/exemplaren.
4 Klik op Sorteren in het gedeelte Meerdere exemplaren.
5 Klik op OK om alle geopende dialoogvensters van de printersoftware te sluiten.
6 Druk het document af.
Opmerkingen:
- Deze optie is alleen beschikbaar als u meerdere exemplaren afdrukt.
- Verwijder de afzonderlijke foto's zodra ze uit de printer komen en laat de foto's drogen voordat u ze op elkaar legt. Hiermee voorkomt u vlekken op de foto's.
Laatste pagina eerst afdrukken (omgekeerde paginavolgorde)
1 Open het gewenste bestand en klik op Bestand → Druk af.
2 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
3 Selecteer Laatste pagina eerst afdrukken op het tabblad Kwaliteit/exemplaren.
4 Klik op OK.
5 Klik op OK of Afdrukken.
Meerdere pagina's op één vel afdrukken (N per vel)
1 Open het gewenste bestand en klik op Bestand → Druk af.
2 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
3 Selecteer N per vel op het tabblad Afdrukindeling.
4 Selecteer hoeveel pagina's op één pagina moeten worden afgedrukt.
5 Selecteer Paginaranden afdrukken als u een rand wilt afdrukken om elke pagina.
6 Klik op OK.
7 Klik op OK of Afdrukken.
Documenten vanaf een geheugenkaart of flashstation afdrukken
Als u documenten wilt afdrukken, moet de printer zijn aangesloten op een computer en moeten de computer en de printer zijn ingeschakeld. Ook moeten op de computer toepassingen zijn geïnstalleerd die de bestandsindelingen ondersteunen van de documenten die u wilt afdrukken.
1 Plaats een geheugenkaart in de kaartsleuf of een flashstation in de PictBridge-poort aan de voorzijde van de printer.
Als alleen documenten zijn opgeslagen op de geheugenkaart of het flashstation, schakelt de printer automatisch over naar de modus Bestanden afdrukken.
De volgende bestandstypen worden herkend:
- .doc (Microsoft Word)
- .xls (Microsoft Excel)
- .ppt (Microsoft PowerPoint)
- .pdf (Adobe Portable Document Format)
- .rtf (Rich Text Format)
• .docx (Microsoft Word Open Document Format) - .xlsx (Microsoft Excel Open Document Format)
- .pptx (Microsoft PowerPoint Open Document Format)
• .wps (Microsoft Works) - .wpd (WordPerfect)
Opmerking: als er ook foto's zijn opgeslagen op de geheugenkaart of het flashstation, wordt het bericht Welke wilt u afdrukken? weergegeven op de display.
a Druk zo nodig herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Documenten wordt weergegeven.
b Druk op .√
2 Als het gewenste document zich in een submap op de geheugenkaart of het flashstation bevindt, druk u herhaaldelijk op √ tot de juiste map wordt weergegeven.
Opmerking: druk op om terug te gaan naar de vorige map.
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de naam van het af te drukken document wordt weergegeven.
4 Druk op Kleur of Zwart om af te drukken.
Afdruktaken onderbreken
1 Windows Vista: klik op → Configuratiescherm → Printers.
Windows XP: klik op Start → Instellingen → Printers en faxapparaten.
2 Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Lexmark 6500 Series.
3 Kies Pauze.
Afdruktaken annuleren
1 Windows Vista: klik op → Configuratiescherm → Printers.
Windows XP: klik op Start → Instellingen → Printers en faxapparaten.
2 Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Openen.
4 Klik met de rechtermuisknop op de naam van het document.
5 Klik op Annuleren.
Speciale documenten afdrukken
Compatibele, speciale papiersoorten selecteren
- Extra zwaar, mat papier: mat fotopapier dat wordt gebruikt voor het afdrukken van afbeeldingen van hoge kwaliteit.
- Lexmark PerfectFinish™ fotopapier: fotopapier van hoge kwaliteit dat speciaal is ontworpen voor Lexmark inkjetprinters, maar dat geschikt is voor alle inkjetprinters. Gebruik dit papier voor het afdrukken van professioneel uitziende foto's met een glossy coating. In combinatie met Lexmark evercolor™ 2 inkt kunt met dit papier foto's afdrukken die niet verkleuren en die waterbestendig zijn.
- Lexmark fotopapier: uitmuntend extra zwaar inkjetfotopapier voor alledaags gebruik dat speciaal is ontworpen voor Lexmark inkjetprinters, maar dat geschikt is voor alle inkjetprinters. Het papier is niet duur en levert fantastische resultaten.
- Transparant: doorzichtig, plastic afdrukmateriaal dat vooral wordt gebruikt voor overheadprojectors.
- Wenskaarten: erg dik papier dat wordt gebruikt voor het afdrukken van stugge items, zoals wenskaarten.
- Opstrijktransfer: afdrukmateriaal waarop een omgekeerde afbeelding kan worden afgedrukt, die vervolgens op stof kan worden gestreken.
Enveloppen afdrukken
1 Plaats de enveloppen in de printer.
2 Open het gewenste bestand en klik op Bestand → Druk af.
3 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
4 Kies Afdrukken op een envelop in het menu Taken.
5 Selecteer in de lijst met envelopformaten het formaat van de enveloppen die in de printer zijn geplaatst.
6 Selecteer de afdrukstand Staand of Liggend.
Opmerkingen:
- Voor de meeste enveloppen wordt de afdrukstand Liggend gebruikt.
- Zorg dat u in de toepassing dezelfde afdrukstand hebt geselecteerd.
7 Klik op OK om alle geopende dialoogvensters van de printersoftware te sluiten.
8 Klik op OK of Afdrukken.
Wenskaarten, indexkaarten, fotokaarten en briefkaarten afdrukken
1 Wenskaarten, indexkaarten, fotokaarten of briefkaarten in de printer plaatsen
2 Open het gewenste bestand en klik op Bestand → Druk af.
3 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
4 Een instelling voor Kwaliteit/snelheid selecteren.
Selecteer Foto voor foto's en wenskaarten en Normaal voor andere kaartsoorten.
5 Selecteer het tabblad Papierinstellingen.
6 Selecteer Papier.
7 Selecteer een kaartformaat in de lijst Papierformaat.
8 Klik op OK.
9 Klik op OK of Afdrukken.
Opmerkingen:
- Duw de kaarten niet te ver in de printer om te voorkomen dat het papier vastloopt.
- Verwijder de afzonderlijke kaarten zodra ze uit de printer komen en laat de kaarten drogen voordat u ze op elkaar legt. Hiermee voorkomt u vlekken op de kaarten.
Document afdrukken als een poster
1 Open het gewenste bestand en klik op Bestand → Afdrukken.
2 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
3 Klik op de tab Afdrukindeling.
4 Selecteer Poster in de keuzelijst Indeling.
5 Selecteer het posterformaat dat u wilt afdrukken. De geselecteerde instelling geeft het aantal pagina's weer voor de hoogte en breedte van de poster.
6 Selecteer Bijsnijdmarkeringen afdrukken als u op elke pagina van de poster bijsnijdmarkeringen wilt afdrukken.
7 Klik op Afdrukpagina's voor poster selecteren om beschadigde posterpagina's opnieuw af te drukken, zonder dat u alle posterpagina's opnieuw hoeft af te drukken. Klik op de pagina's om de pagina's te selecteren of te annuleren.
8 Klik op OK om alle geopende dialoogvensters van de printersoftware te sluiten.
9 Druk het document af.
Opmerking: bij bepaalde toepassingen wordt de tekst niet helemaal of helemaal niet weergegeven als u hele grote of kleine lettertypen gebruikt. In dit geval vergroot of verkleint u de lettergrootte.
Afbeelding afdrukken als een poster
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik op Poster in het gedeelte voor foto's afdrukken van het welkomstvenster.
3 Als u een foto scant:
a Plaats de foto met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
b Klik op Bestand → Foto toevoegen vanaf glasplaat
4 Als u niet een nieuw item wilt scannen, opent u de map met de foto die u wilt afdrukken als poster.
5 Sleep de foto naar het voorbeeldgedeelte bij Poster van meerdere pagina's.
6 Klik op Volgende stap.
7 Selecteer een papierformaat in de keuzelijst Papierformaat voor de poster.
8 Selecteer een papiersoort in de keuzelijst Papiersoort voor de poster.
9 Selecteer een afdrukkwaliteit in de keuzelijst Afdrukkwaliteit voor poster.
10 Selecteer het posterformaat in de keuzelijst Posterformaat.
11 Klik op 90 graden draaien als u de poster wilt draaien zodat deze beter op de afgedrukte pagina's past.
12 Klik op Nu afdrukken.
Brochure afdrukken
1 Voordat u instellingen bij Printereigenschappen wijzigt, moet u het juiste papierformaat selecteren in de toepassing. U kunt brochures afdrukken met de volgende papierformaten:
- Letter
• A4
2 Plaats het papier in de printer.
3 Open het gewenste bestand en klik op Bestand → Afdrukken.
4 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
5 Klik op de tab Afdrukindeling en klik op Brochure.
6 Als u een grote brochure afdrukt, selecteert u het aantal Vellen per bundel.
a Klik op Opties → Indelingsopties.
b Selecteer in de keuzelijst Vellen per bundel het aantal vellen per bundel.
Opmerking: Een bundel is een ingesteld aantal vellen papier dat is samengevouwen. De afgedrukte bundels worden boven op elkaar gestapeld, waarbij de juiste paginavolgorde wordt aangehouden. De gestapelde bundels kunnen worden ingebonden tot een brochure. Selecteer een kleiner aantal Vellen per bundel als u afdrukt met een zwaardere papiersoort.
7 Klik op OK om alle geopende dialoogvensters van de printersoftware te sluiten.
8 Druk het document af.
Brochure samenstellen
1 Draai de stapel met afgedrukte pagina's in de papieruitvoerlade om.
2 Neem de eerste bundel van de stapel, vouw deze dubbel en leg de bundel apart met de voorkant naar beneden.
3 Neem de volgende bundel van de stapel, vouw de bundel dubbel en leg deze boven op de eerste bundel met de voorkant naar beneden.

4 Stapel de overige bundels op elkaar, met de voorkant naar beneden, totdat de brochure is voltooid.
5 Bind de bundels in om de brochure te voltooien.

Afdrukken op papier met een aangepast formaat
1 Plaats maximaal 100 vellen papier met een aangepast formaat in de printer.
2 Open het gewenste bestand en klik op Bestand → Afdrukken.
3 Selecteer Kwaliteit/snelheid op het tabblad Kwaliteit/exemplaren.
4 Klik op het tabblad Papierinstelling.
5 Selecteer in het gedeelte Papierformaat de optie Papier en vervolgens Aangepast formaat.
6 Selecteer de maateenheden die u wilt gebruiken.
7 Gebruik de schuifregelaars of typ het formaat van het papier dat in de printer is geplaatst.
8 Klik op OK om alle geopende dialoogvensters van de printersoftware te sluiten.
9 Druk het document af.
Opmerking: duw het papier niet te ver in de printer.
Afdrukken op opstrijktransfers
1 Plaats maximaal 10 opstrijktransfers in de printer.
2 Open de gewenste afbeelding en klik op Bestand → Afdrukken.
3 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
4 Selecteer op het tabblad Afdrukindeling de optie Spiegelen als u de afbeelding wilt spiegelen met de software. Selecteer Normaal als u een programma gebruikt waarmee de afbeelding automatisch wordt gespiegeld.
5 Klik op OK om alle geopende dialoogvensters van de printersoftware te sluiten.
6 Druk de opstrijktransfers af.
Opmerking: duw de opstrijktransfers niet te ver in de printer.
Transparanten afdrukken
1 Plaats maximaal 50 transparanten in de printer.
2 Open het gewenste bestand en klik op Bestand → Druk af.
3 Klik op OK of Afdrukken.
Opmerking: Verwijder de afzonderlijke transparanten zodra ze uit de printer komen en laat de transparanten drogen voordat u ze op elkaar legt. Hiermee voorkomt u vlekken op de transparanten. De transparanten moeten ongeveer 15 minuten drogen.
Banners afdrukken
1 Open het gewenste bestand en klik op Bestand → Druk af.
2 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
3 Selecteer Banner in het gedeelte Afdrukindeling.
Opmerking: stel deze instelling weer in op Normaal als u de banner hebt afgedrukt.
4 Selecteer Letter (banner) of A4 (banner) in het dialoogvenster Formaat bannerpapier om te voorkomen dat het bannerpapier vastloopt.
5 Selecteer de afdrukstand Liggend op het tabblad Papierinstellingen.
6 Klik op OK.
7 Klik op OK of Afdrukken.
Op beide zijden van het papier afdrukken (dubbelzijdig afdrukken)
Informatie over de functie voor dubbelzijdig afdrukken
De printer beschikt over een ingebouwde duplexeenheid waarmee u automatisch op beide zijden van het papier kunt afdrukken. Deze functie wordt ook 2-zijdig afdrukken genoemd.
Opmerking: Automatisch dubbelzijdig afdrukken werkt alleen met normaal papier van A4- of Letter-formaat. Als u dubbelzijdige documenten wilt afdrukken op andere typen of formaten papier, gebruikt u de handmatige methode voor dubbelzijdig afdrukken.
Als u een dubbelzijdige afdruk wilt maken, moet het lampje 📁 branden. De knop 📁 werkt in combinatie met de instellingen voor dubbelzijdig afdrukken in de printersoftware. Ga als volgt te werk om de instellingen voor dubbelzijdig afdrukken te openen:
1 Open het gewenste bestand en klik op Bestand → Afdrukken.
2 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
3 Klik op de tab Afdrukindeling.
Het gedeelte Dubbelzijdig afdrukken is het onderste gedeelte van het dialoogvenster.
De opties in de keuzelijst Dubbelzijdig afdrukken zijn Printerinstellingen gebruiken, Aan, Uit en Handmatig.
| Optie Handeling | |
| Printerinstellingen gebruiken | Dubbelzijdig afdrukken beheren met de knop 📁. Druk op 📁 om het lampje 📁 in of uit te schakelen.Als het lampje 📁 brandt, worden de documenten op beide zijden van het papier afgedrukt.Als het lampje 📁 niet brandt, worden de documenten niet op beide zijden van het papier afgedrukt.Opmerking: Printerinstellingen gebruiken is de standaardfabrieksinstelling. |
| Aan | De knop 📁 inschakelen zodat alle documenten op beide zijden van het papier worden afgedrukt.Opmerking: het lampje 📁 blijft branden tot u een andere optie selecteert. |
| Uit | De knop 📁uitschakelen zodat alle documenten op één zijde van het papier worden afgedrukt.Opmerking: het lampje 📁 blijft uitgeschakeld tot u een andere optie selecteert. |
| Handmatig | Een afdruktaak handmatig dubbelzijdig uitvoeren. U moet deze optie selecteren als u dubbelzijdige afdruktaken wilt afdrukken op ander papier dan normaal A4- of Letter-papier, zoals wenskaarten.Opmerking:U kunt instellen dat de dubbelzijdige pagina's zo worden afgedrukt dat ze kunnen worden omgeslagen als de pagina's in een tijdschrift ( Omslaan naar zijkant) of als de pagina's in een notitieblok ( Omslaan naar bovenkant). Omslaan naar zijkant is de standaardfabrieksinstelling. |
Zie voor meer informatie "Automatisch op beide zijden van het papier afdrukken (dubbelzijdig afdrukken)" op pagina 78 en "Handmatig op beide zijden van het papier afdrukken (dubbelzijdig afdrukken)" op pagina 79.
Automatisch op beide zijden van het papier afdrukken (dubbelzijdig afdrukken)
De printer beschikt over een ingebouwde duplexeenheid waarmee u automatisch op beide zijden van het papier kunt afdrukken.
Opmerking: Automatisch dubbelzijdig afdrukken werkt alleen met normaal papier van A4- of Letter-formaat. Als u dubbelzijdige documenten wilt afdrukken op andere typen of formaten papier, gebruikt u de handmatige methode voor dubbelzijdig afdrukken.
1 Druk op

2 Open het gewenste bestand en klik op Bestand → Afdrukken.
3 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
4 Klik op de tab Afdrukindeling.
5 Selecteer Printerinstellingen gebruiken in de keuzelijst in het gedeelte Dubbelzijdig afdrukken.
6 Controleer of het lampje brandt.
7 Klik op OK om alle geopende dialoogvensters van de printersoftware te sluiten.
8 Druk op

Opmerking: Als u weer op één zijde van het papier wilt afdrukken, moet het lampje niet branden.
Handmatig op beide zijden van het papier afdrukken (dubbelzijdig afdrukken)
Als u een dubbelzijdig document wilt afdrukken op een ander papierformaat of -type dan normaal A4- of Letterpapier, moet u de handmatige methode voor dubbelzijdig afdrukken gebruiken. Hierbij drukt u eerst de oneven genummerde pagina's af, waarna u de stapel afgedrukte pagina's omdraait en opnieuw in de printer plaatst. Vervolgens drukt u de even genummerde pagina's af op de andere zijde van de vellen.
1 Open het gewenste bestand en klik op Bestand → Afdrukken.
2 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
3 Klik op de tab Afdrukindeling.
4 Selecteer Handmatig in de keuzelijst in het gedeelte voor dubbelzijdig afdrukken.
5 Schakel het selectievakje Instructies afdrukken voor handmatig dubbelzijdig afdrukken in.
6 Druk op .
7 De oneven pagina's en het instructievel worden afgedrukt. Op het instructievel wordt beschreven hoe u het papier moet omdraaien en opnieuw in de printer plaatsen.
8 Volg de aanwijzingen op het instructievel en plaats het papier terug in de printer met de afdrukzijde van u af gericht.
9 De even pagina's worden afgedrukt op de andere zijde van het papier.
Opmerking: als u automatisch dubbelzijdig afdrukken weer wilt gebruiken, opent u de keuzelijst voor dubbelzijdig afdrukken en selecteert u Printerinstellingen gebruiken.
Printerinstellingen wijzigen
Afdrukinstellingen opslaan en verwijderen
1 Open het gewenste bestand en klik op Bestand → Afdrukken.
2 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
3 Klik op de tab Kwaliteit/exemplaren.
4 Breng de gewenste wijzigingen aan in de gedeelten voor kwaliteit/snelheid, papiersoort en meerdere exemplaren.
5 Selecteer De huidige instellingen opslaan in de vervolgkeuzelijst Instellingen opslaan.
6 Klik op het keuzerondje naast het cijfer van de locatie waar u de instellingen wilt opslaan en typ een naam voor de instellingen in het geselecteerde vak.
Opmerking: de eerste locatie met de standaardfabrieksinstellingen kunt u niet wijzigen of verwijderen.
7 Klik op Opslaan.
Opmerkingen:
- Als u de instellingen wilt ophalen, klikt u op de vervolgkeuzelijst Instellingen opslaan en selecteert u de gewenste instellingen in de lijst.
- Als u instellingen wilt verwijderen, selecteert u Een instelling verwijderen uit de lijst in de vervolgkeuzelijst Instellingen opslaan. Selecteer het keuzerondje naast de instelling die u wilt verwijderen en klik op Verwijderen.
Fabrieksinstellingen van de printersoftware herstellen
Gebruikers van Windows 2000, Windows XP en Windows Vista
1 Windows Vista: klik op → Configuratiescherm → Printers.
Windows 2000 en Windows XP: klik op Start → Instellingen → Printers of Printers en faxapparaten.
2 Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Voorkeursinstellingen voor afdrukken.
4 Klik op het menu Instellingen opslaan.
5 Selecteer Fabrieksinstellingen (standaardwaarden) in het gedeelte Herstellen.
Opmerking: de standaardfabrieksinstellingen kunnen niet worden verwijderd.
Foto's ophalen en beheren
Geheugenkaart in de printer plaatsen
1 Plaats een geheugenkaart in de printer.
- Plaats de kaart met het naamlabel naar boven.
- Als de kaart gemarkeerd is met een pijl, zorgt u dat de pijl naar de printer is gericht.
- Plaats de kaart in de bijbehorende adapter voordat u deze in de sleuf plaatst.

| Sleuven | Geheugenkaart |
| 1 | xD Picture-kaartxD-Picture Card (type H)xD-Picture Card (type M)Secure DigitalMini Secure Digital (met adapter)Micro Secure Digital (met adapter)MultiMedia-kaartRS-MMC-kaart (met adapter)MultiMedia Card Mobile (with adapter)Memory StickMemory Stick PROMemory Stick Duo (met adapter) of Memory Stick PRO Duo (met adapter) |
| 2 | CompactFlash Type I en Type IIMicrodrive |
2 Wacht tot het lampje bij de geheugensleuven op de printer gaat branden. Het lampje knippert om aan te geven dat de geheugenkaart wordt gelezen of dat gegevens worden verzonden of ontvangen.
Waarschuwing: Raak de kabels, netwerkadapter, geheugenkaart of het aangegeven gedeelte van de printer niet aan terwijl er wordt afgedrukt vanaf, gelezen van of geschreven naar een geheugenkaart. Er kunnen gegevens verloren gaan. Verwijder ook de geheugenkaart niet terwijl er wordt afgedrukt vanaf, gelezen van of geschreven naar een geheugenkaart.

Als de printer detecteert dat er een geheugenkaart is geïnstalleerd, wordt het bericht Geheugenkaart gevonden weergegeven.
Als de printer de geheugenkaart niet leest, verwijdert u de kaart en plaatst u deze opnieuw in de printer. Zie voor meer informatie "Problemen met geheugenkaarten oplossen" op pagina 184.
Opmerkingen:
- De printer herkent per keer slechts één media-apparaat.
- Als u meerdere geheugenkaarten plaatst, verschijnt een bericht op de display dat u alle geheugenkaarten moet verwijderen die in de printer zijn geplaatst. Nadat u alle geheugenkaarten uit de printer hebt verwijderd, plaats u de geheugenkaart terug die u wilt gebruiken.
- Als u een geheugenkaart plaatst en er is al een flashstation in de printer geplaatst, wordt een bericht weergegeven dat u het apparaat moet aangeven dat u wilt later herkennen door de printer.
Flashstation in de printer plaatsen
1 Sluit het flashstation aan op de PictBridge-poort aan de voorkant van de printer.

Opmerking: mogelijk moet u een adapter gebruiken als het flashstation niet in de poort past.
2 Wacht tot de printer heeft vastgesteld dat een flashstation is geïnstalleerd. Wanneer het flashstation is herlend, wordt het bericht Apparaat voor massaopslag weergegeven.
Als de printer het flashstation niet leest, verwijdert u het en plaats u het opnieuw.
Waarschuwing: Raak de kabels, netwerkadapter, flashstation of het aangegeven gedeelte van de printer niet aan terwijl er wordt afgedrukt vanaf, gelezen van of geschreven naar een flashstation. Er kunnen gegevens verloren gaan. Verwijder ook het flashstation niet terwijl er wordt afgedrukt vanaf, gelezen van of geschreven naar het flashstation.

Opmerking: De printer herkent per keer slechts één opslagmedium. Als u meer dan één opslagmedium plaatst, verschijnt een bericht op de display waarin u wordt gevraagd aan te geven welk medium moet worden herkend door de printer.
Informatie over het menu Fotokaart
1 Druk zo nodig op Fotokaart, plaats een geheugenkaart of sluit een flashstation aan op de printer.
2 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste menu-item wordt weergegeven en druk op √.
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste submenu-item of de gewenste instelling wordt weergegeven en druk vervolgens op √.
Opmerking: Als u op √ drukt, wordt een instelling geselecteerd. Naast de geselecteerde instelling wordt een sterretje (*) wordt weergegeven.
4 Voor andere submenu's en instellingen herhaalt u stap 2 en 3.
5 Druk zo nodig herhaaldelijk op om terug te keren naar de vorige menu's en andere instellingen op te geven.
6 Druk op Kleur of Zwart.
| Menuoptie Actie | |
| Controlevel Een controlevel afdrukken en scannen:voor alle foto's op de geheugenkaartvoor de 20 recentste foto'sop datum | |
| Foto's afdrukken | Foto's rechtstreeks vanaf een geheugenkaart of flashstation afdrukken. |
| Foto's opslaan | Foto's van een geheugenkaart of flashstation opslaan op de computer.Foto's van een geheugenkaart kopieren naar een flashstation. |
| Lichter/donkerder De | helderheid van een afgedrukte foto aanpassen. |
| Foto-effecten1 | Automatische verbetering van afbeeldingen of kleureffecten toepassen op foto's. |
| Papierinstellingen1,2 | Het formaat en de soort van het geplaatste papier opgeven. |
| Fotoformaat1,2 | Het gewenste fotoformaat opgeven. |
| 1De instelling wordt hersteld naar de standaardfabrieksinstelling wanneer een geheugenkaart of flashstation wordt verwijderd.2De instelling moet apart worden opgeslagen. | |
| Indeling1 | Afdrukken met of zonder rand selecteren, één foto centreren op een pagina of het aantal foto's opgeven dat u wilt afdrukken op een pagina. |
| Kwaliteit1 | De afdrukkwaliteit van foto's aanpassen. |
| 1 De instelling wordt hersteld naar de standaardfabrieksinstelling wanneer een geheugenkaart of flashstation wordt verwijderd.2 De instelling moet apart worden opgeslagen. | |
Instellingen voor Papierformaat, Papiersoort of Fotoformaat opslaan
1 Druk op het bedieningspaneel op Instellingen.
2 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Papierinstellingen wordt weergegeven.
3 Druk op √
4 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Papierformaat wordt weergegeven.
5 Druk op √
6 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste formaat wordt weergegeven.
7 Druk op √
8 Druk op ⚙ om naar het submenu Papiersoort te gaan.
9 Druk op √
10 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de gewenste instelling wordt weergegeven.
11 Druk op √
12 Druk herhaaldelijk op ⚙ tot Standaardwaarden verschijnt.
13 Druk op √
14 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Formaat fotoafdruk verschijnt.
15 Druk op √
16 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de gewenste instelling wordt weergegeven.
17 Druk op √
Digitale PictBridge-camera aansluiten
PictBridge is een technologie die wordt gebruikt in de meeste digitale camera's. Hiermee kunt u rechtstreeks vanaf de digitale camera afdrukken zonder dat u een computer nodig hebt. U kunt een digitale PictBridge-camera aansluiten op de printer en de knoppen op de camera gebruiken om het afdrukken van de foto's te regelen.
1 Sluit één uiteinde van de USB-kabel aan op de camera.
Opmerking: Gebruik alleen de USB-kabel die bij de camera is geleverd.
2 Sluit het andere uiteinde van de kabel aan op de PictBridge-poort op de voorkant van de printer.

- Controleer of de PictBridge-camera is ingesteld op de juiste USB-modus. Als de USB-selectie op de camera onjuist is, wordt de camera gedetecteerd als een USB-opslagapparaat of wordt een foutbericht weergegeven op het bedieningspaneel van de printer. Raadpleeg de documentatie bij de camera voor meer informatie.
- Er wordt één opslagapparaat per keer gelezen door de printer.
3 Als de PictBridge-verbinding tot stand wordt gebracht, wordt het volgende bericht op de display weergegeven:
PictBridge-camera gevonden. Kies √ om instellingen te wijzigen.
Informatie over het menu PictBridge
In het menu Standaardinstellingen PictBridge kunt u printerinstellingen opgeven als er van te voren geen instellingen zijn opgegeven op de digitale camera. Raadpleeg de documentatie bij de camera voor meer informatie over instellingen.
1 Sluit een digitale PictBridge-camera aan op de printer.
a Sluit één uiteinde van de USB-kabel aan op de camera.
Opmerking: gebruik alleen de USB-kabel die bij de digitale camera is geleverd.
b Sluit het andere uiteinde van de kabel aan op de PictBridge-poort op de voorkant van de printer.
Opmerking: de PictBridge-poort wordt aangegeven met het PictBridge-symbol

Het bericht PictBridge-camera gevonden. Druk op √ om instellingen te wijzigen. verschijnt op de display.

Waarschuwing: Raak de USB-kabel, de netwerkadapter of het aangegeven gedeelte van de printer niet aan terwijl u afdrukt vanaf een digitale PictBridge-camera. Er kunnen gegevens verloren gaan. Verwijder de USB-kabel of netwerkadapter niet wanneer u afdrukt vanaf een digitale PictBridge-camera.
2 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste menu-item wordt weergegeven.
3 Druk op √
4 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste submenu-item of de gewenste instelling wordt weergegeven.
5 Druk op √
Opmerking: Als u op √ drukt, wordt een instelling geselecteerd. Naast de geselecteerde instelling wordt een sterretje (*) wordt weergegeven.
6 Voor andere submenu's en instellingen, herhaalt u de bovenstaande stappen.
7 Druk zo nodig herhaaldelijk op om terug te keren naar de vorige menu's en andere instellingen op te geven.
| Menu-item Actie | |
| Papierinstellingen^1,2 | Het formaat en de soort van het geplaatste papier opgeven. |
| Fotoformaat^1,2 | Het formaat van de afgedrukte foto's opgeven.Opmerking:als u het fotoformaat niet van tevoren op de digitale camera hebt ingesteld, zijn de standaardfotoformaten:4 x 6 (als het standaardpapierformaat Letter is)10 x 15 cm (als het standaardpapierformaat A4 is, en u zich niet in Japan bevindt)L (als het standaardpapierformaat A4 is, en u zich in Japan bevindt) |
| Indeling^1 | Eén foto centreren op een pagina of het aantal foto's opgeven dat u wilt afdrukken op een pagina. |
| Kwaliteit^1 | De afdrukkwaliteit van foto's aanpassen. |
| ^1 De instelling wordt hersteld naar de standaardfabrieksinstelling wanneer de digitale PictBridge-camera wordt verwijderd. ^2 De instelling moet apart worden opgeslagen. | |
Foto's op een opslagapparaat overbrengen naar de computer via het bedieningspaneel
Als de printer rechtstreeks is aangesloten op een computer, of is aangesloten op een computer via een draadloze netwerkverbinding, kunt u de foto's vanaf een geheugenkaart of flashstation overbrengen naar de computer.
Opmerking: U moet wellicht een computer (en een pincode als deze is vereist voor die computer) opgeven.
1 Plaats een geheugenkaart of flashstation met de gewenste afbeeldingen in de printer. Zie voor meer informatie "Geheugenkaart in de printer plaatsen" op pagina 81 of "Flashstation in de printer plaatsen" op pagina 82.
2 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Foto's opslaan wordt weergegeven.
3 Druk op √
4 Druk zo nodig herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Computer wordt weergegeven.
5 Druk op √
6 Druk zo nodig herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de gewenste computernaam wordt weergegeven.
7 Als hierom wordt gevraagd door de geselecteerde computer, geeft u de viercijferige pincode op met het toetsenblok.
8 Volg de aanwijzingen op het scherm.
Alle foto's op een geheugenkaart overbrengen met de computer
1 Plaats een geheugenkaart in de printer en zorg dat het label naar het bedieningspaneel van de printer is gericht. Als de computer is aangesloten op een draadloos netwerk, moet u wellicht de printer selecteren.
Opmerking: voor een netwerkverbinding moet u eerst handmatig de toepassing openen en vervolgens de printer selecteren die u wilt gebruiken.
De Lexmark Productivity Studio-software wordt automatsich geopend op de computer.
2 Klik op Alle foto's automatisch opslaan in Mijn afbeeldingen.
3 Klik op Ja als u de foto's wilt verwijderen van de geheugenkaart.
Opmerking: zorg ervoor dat alle foto's zijn gekopieerd voordat u op Ja klikt om te wissen.
4 Klik op Gereed. Verwijder de geheugenkaart om de overgebrachte foto's weer te geven in de Bibliotheek.
Geselecteerde foto's op een geheugenkaart overbrengen met de computer
1 Plaats een geheugenkaart in de printer en zorg dat het label naar het bedieningspaneel van de printer is gericht.
Lexmark Imaging Studio wordt automatisch gestart op de computer.
Opmerking: voor een draadloze netwerkverbinding moet u eerst de toepassing openen en vervolgens de printer selecteren die u wilt gebruiken.
2 Klik op de optie voor het selecteren van de foto's die u wilt opslaan.
3 Klik op Selectie opheffen.
4 Klik op de foto's die u wilt overbrengen.
5 Klik op Volgende.
6 Klik op Volgende als u de foto's wilt opslaan in de standaardmap.
7 Als u de foto's in een andere map wilt opslaan dan de standaardmap:
a Klik op Bladeren.
b Selecteer de gewenste map.
c Klik op OK.
8 Als u een voorvoegsel wilt toevoegen aan de foto's die u zojuist hebt overgebracht, schakelt u het selectievakje in en geeft u een naam op.
9 Klik op Volgende.
10 Klik op Ja als u de foto's wilt verwijderen van de geheugenkaart.
Opmerking: zorg ervoor dat alle foto's zijn gekopieerd voordat u Ja selecteert om te wissen.
11 Klik op Gereed. Verwijder de geheugenkaart om de overgebrachte foto's weer te geven in de fotobibliotheek.
Alle foto's overbrengen van een cd of flashstation met de computer
1 Plaats een cd of flashstation in de computer.
2 Als u Windows Vista gebruikt, wordt het venster Automatisch afspelen weergegeven.
Klik op Foto's overbrengen naar uw computer.
3 Als u Windows XP gebruikt, wordt het venster "Wat wilt u dat Windows doet?" weergegeven.
Klik op Beelden kopiëren naar een map op mijn computer met de Microsoft-wizard voor scanners en camera's.
4 Als u Windows 2000 gebruikt:
a Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
b Klik op Foto's overbrengen.
5 Klik op Alle foto's automatisch opslaan in Mijn afbeeldingen.
6 Verwijder het flashstation of de cd om de overgedragen foto's weer te geven in de fotobibliotheek.
Geselecteerde foto's overbrengen van een cd of flashstation met de computer
1 Plaats een cd of flashstation in de computer.
2 Als u Windows Vista gebruikt, wordt het venster Automatisch afspelen weergegeven.
Klik op Foto's overbrengen naar de computer met Productivity Studio.
3 Als u Windows XP gebruikt, wordt het venster 'Wat wilt u dat Windows doet?' weergegeven.
Klik op Foto's overbrengen naar de computer met Productivity Studio.
Als u Windows 2000 gebruikt:
a Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
b Klik op Foto's overbrengen.
4 Klik op de optie voor het selecteren van de foto's die u wilt opslaan.
5 Klik op Selectie opheffen.
6 Klik op de foto's die u wilt overbrengen.
7 Klik op Volgende als u de foto's wilt opslaan in de standaardmap.
8 Als u de foto's in een andere map wilt opslaan dan de standaardmap:
a Klik op Bladeren.
b Selecteer de gewenste map.
c Klik op OK.
9 Als u een voorvoegsel wilt toevoegen aan de foto's die u zojuist hebt overgebracht, schakelt u het selectievakje in en geeft u een naam op.
10 Klik op Volgende.
11 Verwijder de cd of het flashstation om de overgedragen foto's weer te geven in de fotobibliotheek.
Foto's op een geheugenkaart overbrengen naar een flashstation
1 Plaats een geheugenkaart met de gewenste afbeeldingen in de printer. Zie voor meer informatie "Geheugenkaart in de printer plaatsen" op pagina 81.
2 Plaats een flashstation in de PictBridge-poort aan de voorkant van de printer. Zie voor meer informatie "Flashstation in de printer plaatsen" op pagina 82.
Welk apparaat weergeven? verschijnt op de display.
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Camerakaart of het specifieke type camerakaart wordt weergegeven.
4 Druk op √
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Foto's opslaan wordt weergegeven.
6 Druk op √
7 Druk zo nodig herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot USB-station wordt weergegeven.
8 Druk op √
9 Druk zo nodig herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de gewenste instelling wordt weergegeven.
Opmerkingen:
- Als de foto's op de geheugenkaart op verschillende dagen zijn opgenomen, kunt u kiezen uit Laatste datum en Datumbereik.
- Als u een datumbereik wilt selecteren, drukt u op √ en vervolgens herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de gewenste datum wordt weergegeven. Datumbereiken worden op maand en jaar weergegeven met de recentste maand eerst.
10 Druk op Kleur of Zwart.
Opmerkingen:
- Als er onvoldoende geheugen beschikbaar is op het flashstation, wordt er een melding weergegeven op de display.
- Verwijder het flashstation niet totdat een bericht op de display verschijnt waarin wordt aangegeven dat het kopiëren is voltooid.
Waarschuwing: Raak de kabels, netwerkadapter, geheugenkaart, het flashstation of het aangegeven gedeelte van de printer niet aan terwijl er wordt afgedrukt vanaf, gelezen van of geschreven naar een geheugenkaart of flashstation. Er kunnen gegevens verloren gaan. Verwijder ook geen geheugenkaart of flashstation terwijl er wordt afgedrukt vanaf, gelezen van of geschreven naar een geheugenkaart of flashstation.

Voorkeuren voor de tijdelijke bestanden van Lexmark Productivity Studio wijzigen
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het menu Hulpmiddelen op Voorkeuren.
3 Klik op Tijdelijke bestanden.
a Gebruik de schuifregelaar om de maximum schijfruimte in te stellen die u wilt toewijzen aan tijdelijk bestanden die door Lexmark Productivity Studio worden gemaakt.
b Klik op Bladeren om een andere map te kiezen om de tijdelijke bestanden in op te slaan.
4 Klik op OK.
Voorkeuren voor de doorzochte mappen van Lexmark Productivity Studio wijzigen
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het menu Hulpmiddelen op Voorkeuren.
3 Klik op Doorzochte mappen.
4 Als u systeemmappen wilt overslaan tijdens het zoeken naar foto's, selecteert u Systeemmappen negeren.
5 Klik op OK.
Voorkeuren voor bibliotheek van Lexmark Productivity Studio wijzigen
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het menu Hulpmiddelen op Voorkeuren.
3 Klik op Bibliotheek.
Hier kunt u kiezen hoe u foto's wilt sorteren. U kunt ook de minimale bestandsgrootte instellen voor de in de bibliotheek weer te geven foto.
4 Klik op OK.
Overdrachtsinstellingen van Lexmark Productivity Studio wijzigen
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het menu Hulpmiddelen op Voorkeuren.
3 Klik op Overdrachtsinstellingen.
a Selecteer Optie voor opslaan overslaan en automatisch doorgaan naar en selecteer de optie Automatisch opslaan, Handmatig opslaan of Afdrukken voor uw foto's op het foto-opslagapparaat dat is aangesloten op de computer.
b Klik op Bladeren om een andere map te selecteren waarnaar u de foto's wilt overdragen.
c Selecteer Foto's altijd verwijderen van medium na overdragen om automatisch foto's te verwijderen van het foto-opslagapparaat nadat u ze hebt overgedragen naar de computer.
4 Klik op OK.
Foto's bewerken
Foto's bijsnijden
1 Klik in het welkomstvenster van Lexmark Productivity Studio op Bestand → Openen om de afbeelding te selecteren die u wilt bewerken.
2 Open de gewenste afbeeldingen en klik op Foto bijsnijden op het tabblad Snelle oplossingen.
3 Klik met de muis op de afbeelding, sleep de cursor om het gedeelte te selecteren dat u wilt bijsnijden. U kunt het bijsnijdgebied aanpassen met de muis door de lijnen te verslepen om het gebied te vergroten of te verkleinen.
4 Klik op Nu bijsnijden.
5 Het bijgesneden gedeelte van de afbeelding wordt weergegeven in het voorbeeldvenster. U kunt de bijgesneden afbeelding opslaan.
Foto draaien
1 Klik in het welkomstvenster van Productivity Studio op Bestand → Openen om de afbeelding te selecteren die u wilt bewerken.
2 Open de gewenste afbeelding en klik op de tab Snelle oplossingen.
3 Klik op Linksom draaien of Rechtsom draaien om de afbeelding 90 graden links- of rechtsom te draaien. De miniatuur van de foto wordt bijgewerkt.
Resolutie/formaat van een foto wijzigen.
Met resolutie wordt verwezen naar dpi (dots per inch).
1 Klik in het welkomstvenster van Lexmark Productivity Studio op Bestand.→ Openen om de afbeelding te selecteren die u wilt bewerken.
2 Klik op Geavanceerd als de afbeelding is geopend.
3 Klik op Resolutie / grootte afbeelding.
4 Selecteer Fotoformaat om een formaat te selecteren in een lijst met opgegeven fotoformaten of klik op Aangepast formaat om een ander fotoformaat op te geven.
Opmerking: Als u Fotoformaat selecteert, kunt u op Draaien klikken om de foto 90 rechtsom te draaien.
5 Als u Aangepast formaat selecteert, geeft u de breedte en hoogte op voor de foto met het aangepaste formaat.
Opmerking: Hoogte/breedte-verhouding behouden is standaard geselecteerd. Hierdoor behoudt de afbeelding de juiste verhouding.
Automatisch oplossen met één klik toepassen op een foto
Klik in het welkomstvenster van Lexmark Productivity Studio op de tab Snelle oplossingen om de drie opties voor Automatisch oplossen met één klik weer te geven.
1 Klik op Bestand → Openen om de afbeelding te selecteren die u wilt bewerken.
2 Open een afbeelding en klik op Automatisch oplossen met één klik om de helderheid en het contrast van de afbeelding automatisch aan te passen.
3 Klik op Automatisch helderheid om alleen de helderheid van de afbeelding aan te passen.
4 Klik op Automatische rode-ogenreductie om de rode ogen in de afbeelding automatisch te laten verminderen.
Opmerking: klik op Ongedaan maken boven aan het venster als u niet tevreden bent met de resultaten nadat u een van de opties voor Automatisch oplossen met één klik hebt toegepast.
Rode-ogeneffect verminderen in een foto
1 Klik in het welkomstvenster van Lexmark Productivity Studio op Bestand → Openen om de afbeelding te selecteren die u wilt bewerken.
2 Open de gewenste afbeelding en klik op de tab Snelle oplossingen.
3 Klik op Automatische rode-ogenreductie om het rode-ogeneffect automatisch te verminderen met de software. Als u niet tevreden bent met de resultaten, gaat u door met de onderstaande procedure.
4 Klik op Handmatige rode-ogenreductie.
5 Beweeg de muisaanwijzer over de foto en plaats deze op een rood oog.
6 Klik met de muis om het rode-ogeneffect te verminderen.
Een foto vervagen/verscherpen
De afbeelding wordt zachter als u de foto meer vervaagd. Als u de scherpte verhoogt, lijkt de afbeelding scherper.
1 Klik in het welkomstvenster van Lexmark Productivity Studio op Bestand.→ Openen om de afbeelding te selecteren die u wilt bewerken.
2 Klik op de tab Verbeteringen wanneer de afbeelding is geopend.
3 Klik op Vervagen/verscherpen.
4 Gebruik de schuifregelaar om de afbeelding te vervagen of te verscherpen. U kunt een voorbeeld weergeven van de gewijzigde afbeelding door de voorbeeldvensters Voor en Na boven aan het venster te vergelijken.
5 Klik op OK om de wijzigingen te accepteren of klik op Annuleren om deze weg te gooien.
Een foto verbeteren
Met de functie Verbeteren kunt u kleine wijzigingen aanbrengen in de helderheid, contrast en scherpte van een afbeelding.
1 Klik in het welkomstvenster van Lexmark Productivity Studio op Bestand.→ Openen om de afbeelding te selecteren die u wilt bewerken.
2 Klik op de tab Verbeteringen wanneer de afbeelding is geopend.
3 Klik op Verbeteren.
4 Pas de instellingen voor Verbeteren aan met de regelaar. U kunt een voorbeeld weergeven van de gewijzigde afbeelding door de voorbeeldvensters Voor en Na boven aan het venster te vergelijken.
Opmerking: klik op Automatisch om uw foto automatisch te verbeteren met de software.
5 Klik op OK om de wijzigingen te accepteren of klik op Annuleren om deze weg te gooien.
Tint / verzadiging van een foto aanpassen
Door de tint aan te passen, kunt u de kleur van een afbeelding bepalen. Door de verzadiging aan te passen kunt u de intensiteit van de kleur bepalen.
1 Klik in het welkomstvenster van Lexmark Productivity Studio op Bestand.→ Openen om de afbeelding te selecteren die u wilt bewerken.
2 Klik op de tab Verbeteringen wanneer de afbeelding is geopend.
3 Klik op Tint/intensiteit.
4 Gebruik de schuifregelaar om de tint of intensiteit van uw foto aan te passen. U kunt een voorbeeld weergeven van de gewijzigde afbeelding door de voorbeeldvensters Voor en Na boven aan het venster te vergelijken.
5 Klik op OK om de wijzigingen te accepteren of klik op Annuleren om deze weg te gooien.
De gammawaarde van een foto of afbeelding wijzigen
U kunt met de gammawaarde de helderheid van een afbeelding aanpassen. Dit is vooral van toepassing op afbeelding die moeten worden weergegeven op een beelscherm. Als de gammawaarde van afbeeldingen niet juist zijn, worden ze te licht of te donker.
1 Klik in het welkomstvenster van Lexmark Productivity Studio op Bestand.→ Openen om de afbeelding te selecteren die u wilt bewerken.
2 Klik op Geavanceerd als de afbeelding is geopend.
3 Geef een waarde op in het tekstvak of gebruik de pijlen omhoog en omlaag om een hogere of lagere gammawaarde te selecteren.
Opmerking: U kunt gammawaarden opgeven van -10 tot 10. Als u niet tevreden bent met de wijzigingen, kunt u de gammawaarde terugzetten op 0.
4 Klik op Opslaan om de wijzigingen te bewaren.
Foto's ontvlekken
Met het hulpmiddel Ontvlekken kunt u vlekken verwijderen uit een foto.
1 Klik in het welkomstvenster van Lexmark Productivity Studio op Bestand.→ Openen om de afbeelding te selecteren die u wilt bewerken.
2 Klik op Bestand wanneer de afbeelding is geopend.
3 Klik op Ontvlekken.
4 Pas de instelling Ontvlekken aan met de regelaar. U kunt een voorbeeld weergeven van de gewijzigde afbeelding door de voorbeeldvensters Voor en Na boven aan het venster te vergelijken.
5 Klik op OK. De miniatuur wordt bijgewerkt.
Instelling Helderheid/contrast aanpassen voor een foto
1 Klik in het welkomstvenster van Lexmark Productivity Studio op Bestand → Openen om de afbeelding te selecteren die u wilt bewerken.
2 Klik op Bestand wanneer de afbeelding is geopend.
3 Klik op Helderheid/contrast.
4 Pas de instelling voor helderheid en contrast aan. U kunt een voorbeeld weergeven van de gewijzigde afbeelding door de voorbeeldvensters Voor en Na boven aan het venster te vergelijken.
5 Klik op OK om de wijzigingen te accepteren of klik op Annuleren om deze weg te gooien.
Opmerking: u kunt met de software alleen de helderheid van de afbeelding automatisch aanpassen door op Automatisch helderheid te klikken op het tabblad Snelle oplossingen.
Kleureffect toepassen op een foto
1 Klik in het welkomstvenster van Lexmark Productivity Studio op Bestand → Openen om de afbeelding te selecteren die u wilt bewerken.
2 Klik op de tab Verbeteringen wanneer de afbeelding is geopend.
3 Klik op Kleureffecten.
4 Pas een kleureffect toe.
U kunt sepia, antiekbruin, zwartwit of antiekgrijs selecteren.
5 Klik op OK.
De belichtingsinstelling van een foto wijzigen
U kunt oneffenheden in de belichting van uw foto corrigeren met de belichtingsinstelling.
1 Klik in het welkomstvenster van Lexmark Productivity Studio op Bestand → Openen om de afbeelding te selecteren die u wilt bewerken.
2 Klik op Bestand wanneer de afbeelding is geopend.
3 Klik op Belichting.
4 Sleep de schuifregelaar om de waarde aan te passen en oneffenheden in de belichting van de afbeelding te corrigeren. U kunt een voorbeeld weergeven van de gewijzigde afbeelding door de voorbeeldvensters Voor en Na boven aan het venster te vergelijken.
5 Klik op OK om de wijzigingen te accepteren of klik op Annuleren om deze weg te gooien.
Golvende patronen verwijderen uit gescande foto's, tijdschriften of kranten
Met de functie voor effenen kunt u golvende patronen (moiré) in afbeeldingen uit tijdschriften of kranten verwijderen.
1 Klik in het welkomstvenster van Lexmark Productivity Studio op Bestand → Openen om de afbeelding te selecteren die u wilt bewerken.
2 Klik op de tab Geavanceerd.
3 Klik op Afbeeldingspatronen.
4 Klik op Patronen verwijderen als u de afbeeldingspatronen wilt verwijderen uit scans van tijdschriften of kranten.
5 Selecteer in de keuzelijst de patronen die u wilt verwijderen.
6 Als u mogelijke strepen op kleurenfoto's wilt verminderen, schakelt u het selectievakje in en sleept u de schuifregelaar naar de gewenste waarde.
7 Klik op OK. De miniatuur wordt bijgewerkt.
Foto's afdrukken
Foto's afdrukken met de computer van een cd of verwisselbaar opslagapparaat
1 Plaats fotopapier in de printer met de glanzende zijde of afdrukzijde naar u toe. (Raadpleeg de instructies die bij het papier zijn geleverd als u niet zeker weet welke zijde de afdrukzijde is.)
2 Plaats een cd of een ander verwisselbaar opslagapparaat (zoals een flashstation, geheugenkaart of digitale camera) in de computer.
a Als u Windows XP of Windows Vista gebruikt, wordt het venster 'Wat wilt u dat Windows doet?' weergegeven. Klik op Foto's overbrengen naar de computer met Lexmark Imaging Studio.
b Als u Windows 2000 gebruikt:
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik op Foto's overbrengen.
3 Klik op Selecteer de foto's die u wilt afdrukken.
4 Als u alle foto's wilt afdrukken, klikt u op Afdrukken.
5 Als u geselecteerde foto's wilt afdrukken, klikt u op Selectie opheffen en selecteert u alleen de foto('s) die u wilt afdrukken.
6 Klik op Afdrukken.
7 Selecteer een afdrukkwaliteit in de keuzelijst Kwaliteit.
8 Selecteer in de keuzelijst Formaat van papier in de printer het papierformaat.
9 Selecteer de gewenste opties in de tabel als u meerdere afdrukken van een foto wilt maken of andere fotoformaten dan 4 x 6 inch (10 x 15 cm) wilt gebruiken. Gebruik de keuzelijst in de laatste kolom om andere formaten weer te geven en te selecteren.
Opmerking: Als u de foto('s) wilt bewerken voordat u deze afdrukt, klikt u op Foto bewerken boven het deelvenster Afdrukvoorbeeld. Selecteer Automatisch oplossen met één klik, Automatische rodeogenreductie of Automatisch helderheid aanpassen om de foto('s) automatisch te bewerken met de software. Klik op Meer hulpmiddelen voor retoucheren om het venster voor fotobewerking weer te geven. Wanneer u alle bewerkingen hebt uitgevoerd, klikt u op Weergeven met bewerkingen in de rechterbenedenhoek om terug te gaan naar het afdrukvenster.
10 Klik op Nu afdrukken in de rechterbenedenhoek van het venster.
11 Verwijder de cd of het opslagapparaat.
Foto's weergeven/afdrukken vanuit Lexamrk Productivity Studio
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik op Werken met documenten en foto's.
3 Klik op de foto's die u wilt afdrukken.
4 Klik op Fotoafdrukken in de taakbalk van Lexmark Productivity Studio onder aan het venster.
5 Selecteer een kopieerkwaliteit in de keuzelijst Kwaliteit.
6 Selecteer in de keuzelijst Formaat van papier in de printer het papierformaat.
7 Selecteer de papiersoort in de keuzelijst Soort papier in printer.
8 Selecteer de gewenste opties in de tabel als u meerdere afdrukken van een foto wilt maken of andere fotoformaten dan x 15 cm (4 x 6 inch) wilt gebruiken. Gebruik de keuzelijst in de laatste kolom om andere formaten weer te geven en te selecteren.
9 Klik op Nu afdrukken in de rechterbenedenhoek van het venster.
Fotopakketten afdrukken
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik op Fotopakketten.
3 Klik op de foto's die u wilt opnemen in het fotopakket.
4 Klik op Volgende.
5 Selecteer een kopieerkwaliteit in de keuzelijst Kwaliteit.
6 Selecteer in de keuzelijst Formaat van papier in de printer het papierformaat.
7 Selecteer de gewenste opties in de tabel als u meerdere afdrukken van een foto wilt maken of andere fotoformaten dan 4 x 6 inch (10 x 15 cm) wilt gebruiken. Gebruik de keuzelijst in de laatste kolom om andere formaten weer te geven en te selecteren.
8 Klik op Nu afdrukken in de rechterbenedenhoek van het venster.
Fotowenskaarten maken
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik op Fotowenskaarten.
3 Klik op het tabblad Stijl op een stijl om deze te selecteren voor uw wenskaart.
4 Selecteer op het tabblad Foto een foto en sleep deze naar het voorbeeldvenster aan de rechterzijde van het scherm.
5 Klik op het tekstgedeelte om tekst toe te voegen aan de fotowenskaart.
6 Klik op OK als u klaar bent met het bewerken van de tekst.
7 Als u nog een fotowenskaart wilt maken met een andere stijl en/of foto, klikt u op Nieuwe kaart toevoegen en herhaalt u stap 3 op pagina 96 tot en met stap 6 op pagina 96.
8 Als u de fotowenskaart wilt afdrukken, selecteert u Fotowenskaart afdrukken op het tabblad Delen
9 Selecteer het aantal exemplaren in de keuzelijst Exemplaren.
10 Selecteer een kopieerkwaliteit in de keuzelijst Kwaliteit.
11 Selecteer het papierformaat in de keuzelijst Formaat van papier in de printer.
| Ondersteunde papiersoorten | Afmetingen |
| A4 210 x 297 millimeter | |
| Letter 8,5 x 11 inch | |
| Wenskaarten 4 x 8 inch (10,16 | x 20,32 centimeter) |
12 Klik op Nu afdrukken.
13 Als u de fotowenskaart wilt verzenden per e-mail, klikt u op Fotowenskaart e-mailen op het tabblad Delen
14 Selecteer de afbeeldingsgrootte in het gedeelte Verzendkwaliteit en -snelheid.
15 Klik op E-mail maken om een e-mailbericht te maken waaraan de fotowenskaarten zijn toegevoegd.
Alle foto's van een opslagapparaat afdrukken
1 Plaats fotopapier in de printer met de glanzende zijde of afdrukzijde naar u toe. (Raadpleeg de instructies die bij het papier zijn geleverd als u niet zeker weet welke zijde de afdrukzijde is.)
2 Plaats een geheugenkaart of flashstation met de gewenste afbeeldingen in de printer.
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Foto's afdrukken wordt weergegeven.
4 Druk op √
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Alle foto's afdrukken wordt weergegeven.
6 Druk op Kleur of Zwart.
De instellingen die worden gebruikt voor de afdruktaak, worden opeenvolgend weergegeven op de tweede regel op de display.
7 Druk nogmaals op Kleur of Zwart.
Foto's op een opslagapparaat afdrukken met het controlevel
1 Plaats normaal A4- of Letter-papier in de printer.
2 Plaats een geheugenkaart of flashstation met de gewenste afbeeldingen in de printer.
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Controlevel verschijnt.
4 Druk op √
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Controlevel afdrukken verschijnt.
6 Druk op √
7 Druk op ◀ of ▶ om op te geven welke categorie met foto's u wilt afdrukken.
U kunt voor de volgende groepen foto's een controlevel afdrukken:
- Voor alle foto's op de geheugenkaart
- Voor de 20 recentste foto's, als er meer dan 20 foto's op de kaart staan
- Voor op datum gesorteerde foto's als de foto's op de kaart niet allemaal op dezelfde dag zijn gemaakt
8 Druk op √
9 Druk nogmaals op √
Er worden een of meer controlevellen afgedrukt.
10 Volg de aanwijzingen op het controlevel om op te geven welke foto's u wilt afdrukken en om het aantal exemplaren, de rode-ogenreductie, pagina-indeling, afdrukopties, kleureneffecten en het papierformaat te selecteren.
Opmerking: zorg dat u de cirkels volledig invult.
11 Plaats het controlevel met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
12 Druk zo nodig herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Controlevel scannen verschijnt.
13 Druk op √
14 Druk op Kleur of Zwart om het controlevel te scannen.
15 Plaats fotopapier in de printer met de glanzende zijde of afdrukzijde naar u toe. (Raadpleeg de instructies die bij het papier zijn geleverd als u niet zeker weet welke zijde de afdrukzijde is.)
Opmerking: controleer of het papier overeenkomt met het formaat dat u hebt geselecteerd op het controlevel.
16 Druk op Kleur of Zwart om de foto's af te drukken.
Foto's afdrukken op fotonummer
U kunt foto's afdrukken met de fotonummers die zijn toegewezen op een fotocontrolevel. Als u foto's wilt afdrukken op fotonummer, moet u eerst een controlevel afdrukken. Zie voor meer informatie "Foto's op een opslagapparaat afdrukken met het controlevel" op pagina 97.
1 Plaats fotopapier in de printer met de glanzende zijde of afdrukzijde naar u toe. (Raadpleeg de instructies die bij het papier zijn geleverd als u niet zeker weet welke zijde de afdrukzijde is.) Zie voor meer informatie "Papier in de printer plaatsen" op pagina 62.
2 Plaats een geheugenkaart of flashstation met de gewenste afbeeldingen in de printer. Zie voor meer informatie "Geheugenkaart in de printer plaatsen" op pagina 81 of "Flashstation in de printer plaatsen" op pagina 82.
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Foto's afdrukken wordt weergegeven.
4 Druk op √
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Fotonummer wordt weergegeven.
6 Druk op √
7 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste fotonummer wordt weergegeven.
8 Druk op om een foto te selecteren.
Opmerking: wanneer u een foto selecteert, verschijnt een sterretje (*) links van het nummer op de tweede regel in de display.
9 Als u nog meer foto's wilt selecteren, drukt u op ◀ of ▶ om naar het nummer te gaan, en drukt u op √
10 Druk op Kleur of Zwart.
De instellingen die worden gebruikt voor de afdruktaak, worden één voor één weergegeven op de tweede regel op de display.
11 Druk nogmaals op Kleur of Zwart.
PictBridge-camera gebruiken om het afdrukken van foto's te beheren
U kunt een PictBridge-camera aansluiten op de printer en de knoppen op de camera gebruiken om foto's te selecteren en af te drukken.
1 Sluit één uiteinde van de USB-kabel aan op de camera.
Opmerking: gebruik alleen de USB-kabel die bij de digitale camera is geleverd.
2 Sluit het andere uiteinde van de kabel aan op de PictBridge-poort op de voorkant van de printer.

Waarschuwing: Raak de USB-kabel, de netwerkadapter of het aangegeven gedeelte van de printer niet aan terwijl u afdrukt vanaf een digitale PictBridge-camera. Er kunnen gegevens verloren gaan. Verwijder de USB-kabel of netwerkadapter niet wanneer u afdrukt vanaf een digitale PictBridge-camera.

- Controleer of de PictBridge-camera is ingesteld op de juiste USB-modus. Raadpleeg de documentatie bij de camera voor meer informatie.
- Er wordt één opslagmedium per keer gelezen. Als u meer dan één opslagmedium plaatst, verschijnt een bericht op de display waarin u wordt gevraagd aan te geven welk medium moet worden herkend door de printer.
- Als er een geheugenkaart is geplaatst wanneer u een PictBridge-camera aansluit, wordt een foutbericht weergegeven waarin u wordt gevraagd een van de apparaten te verwijderen.
- Als de PictBridge-verbinding tot stand is gebracht, wordt het volgende bericht op de display weergegeven: PictBridge-camera gevonden. Kies √ om instellingen te wijzigen. Zie als een ander bericht wordt weergegeven "Foutberichten op het beeldscherm van de computer" op pagina 205.
- Waarden geselecteerd in de menuopties zijn instellingen die worden gebruikt voor Pictbridge-afdrukken als er geen selectie is gemaakt van de camera.
3 Volg de aanwijzingen in de documentatie bij de camera om foto's te selecteren en af te drukken.
Opmerking: als de printer is uitgeschakeld terwijl de camera is aangesloten, moet u de camera losmaken en opnieuw aansluiten.
Foto's afdrukken vanaf een digitale camera met DPOF
DPOF (Digital Print Order Format) is een functie die op bepaalde digitale camera's beschikbaar is. Als uw camera ondersteuning voor DPOF biedt, kunt u opgeven welke foto's, en hoeveel exemplaren, met bepaalde afdrukinstellingen moeten worden afgedrukt terwijl de geheugenkaart nog in de camera is geplaatst. Deze instellingen worden herkend wanneer u de geheugenkaart in de printer plaatst.
Opmerking: Controleer of de afdrukinstellingen voor de foto's die u selecteert in de camera overeenkomen met de huidige printerinstellingen.
1 Plaats fotopapier in de printer met de glanzende zijde of afdrukzijde naar u toe. (Raadpleeg de instructies die bij het papier zijn geleverd als u niet zeker weet welke zijde de afdrukzijde is.)
2 Een geheugenkaart in de printer plaatsen.
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Foto's afdrukken wordt weergegeven.
4 Druk op √
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot DPOF afdrukken wordt weergegeven.
6 Druk op Kleur of Zwart.
Foto's afdrukken op datumbereik
1 Plaats fotopapier in de printer met de glanzende zijde of afdrukzijde naar u toe. (Raadpleeg de instructies die bij het papier zijn geleverd als u niet zeker weet welke zijde de afdrukzijde is.)
2 Plaats een geheugenkaart of flashstation met de gewenste afbeeldingen in de printer.
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Foto's afdrukken wordt weergegeven.
4 Druk op √
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Datumbereik wordt weergegeven.
6 Druk op √
Datums worden op maand en jaar weergegeven met de recentste maand eerst.
7 Druk op ◀ of ▶ om de gewenste maand te selecteren.
8 Druk op √
9 Druk op Kleur of Zwart.
De instellingen die worden gebruikt voor de afdruktaak, worden opeenvolgend weergegeven op de tweede regel op de display.
10 Druk nogmaals op Kleur of Zwart.
Foto's met kleureffecten afdrukken
U kunt automatisch de kleur van uw foto's verbeteren of foto's afdrukken in antieke tinten.
Opmerking: U kunt ook foto's met kleureffecten afdrukken met een controlevel. Zie voor meer informatie "Foto's op een opslagapparaat afdrukken met het controlevel" op pagina 97.
1 Plaats fotopapier in de printer met de glanzende zijde of afdrukzijde naar u toe. (Raadpleeg de instructies die bij het papier zijn geleverd als u niet zeker weet welke zijde de afdrukzijde is.) Zie voor meer informatie "Papier in de printer plaatsen" op pagina 62.
2 Plaats een geheugenkaart of flashstation met de gewenste afbeeldingen in de printer. Zie voor meer informatie "Geheugenkaart in de printer plaatsen" op pagina 81 of "Flashstation in de printer plaatsen" op pagina 82.
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Foto-effecten verschijnt.
4 Druk op √
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste kleureffect verschijnt.
Opmerking: met de functie voor kleureffecten kunt u kiezen uit Auto. verbetern, Sepia, Antiekgrijs en Antiekbruin.
6 Druk op √
Opmerking: het geselecteerde kleureffect is van toepassing op alle foto's die u afdrukt tot de actieve geheugenkaart of het actieve flashstation wordt verwijderd.
Diavoorstelling maken en weergeven
1 Klik vanuit het welkomstvenster van Lexmark Productivity Studio op Werken met documenten en foto's.
2 Selecteer de map met de foto's die u wilt opnemen in de diavoorstelling. Miniaturen van de foto's in de map worden weergegeven in een voorbeeldvenster.
3 Klik op de foto's om deze te selecteren voor de diavoorstelling en selecteer Diavoorstelling.
Als u extra foto's wilt weergeven in een bepaalde volgorde, klikt u op de foto's in de volgorde waarin deze moeten worden weergegeven en sleept u de foto's naar het gedeelte Foto's in de diavoorstelling.
4 Klik op de tab Instellingen diavoorstelling om de hoeveelheid tijd tussen elke foto in de diavoorstelling aan te passen. U kunt ook de instelling aanpassen waarmee de diavoorstelling opnieuw wordt afgespeeld.
5 Klik op de tab Delen om de diavoorstelling op te slaan of af te drukken.
6 Klik op Diavoorstelling weergeven in rechterbendenhoek van het venster om de diavoorstelling te starten.
Opmerking: u kunt de diavoorstelling op elk gewenst moment sluiten door de muisaanwijzer middenonder in het venster te plaatsen en op Diavoorstelling beëindigen te klikken.
Informatie over het menu Kopiëren
Informatie over en gebruik van het menu Kopiëren:
1 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Kopiëren.
Het standaardvenster voor kopiëren wordt geopend.
2 Als u geen instellingen wilt wijzigen, drukt u op Kleur of Zwart.
3 Druk op □ als u een instelling wilt aanpassen.
4 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste menu-item wordt weergegeven.
5 Druk op √
6 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste submenu-item of de gewenste instelling wordt weergegeven.
7 Druk op √
Opmerking: Als u op √ drukt, wordt een instelling geselecteerd. Naast de geselecteerde instelling wordt een sterretje (*) wordt weergegeven.
8 Voor andere submenu's en instellingen, herhaalt u stap 6 en stap 7 indien nodig.
9 Druk zo nodig herhaaldelijk op om terug te keren naar de vorige menu's en andere instellingen op te geven.
10 Druk op Kleur of Zwart.
| Optie Handeling | |
| Exemplaren* Het aantal exemplaren opgeven dat u wilt afdrukken. | |
| Formaat wijzign* | Het percentage opgeven waarmee u het origineel wilt vergroten of verkleinen.Een bepaald kopieerformaat opgeven.Een poster van meerdere pagina's maken. |
| Lichter/donkerder* De helderheid van een kopie aanpassen. | |
| Kwal.* De kwaliteit van een kopie aanpassen. | |
| Papierinstellingen Het formaat en de soort van het geplaatste papier opgeven. | |
| Afb. herhaln* Selecteren hoeveel exemplaren van een afbeelding moeten worden afgedrukt op een pagina. | |
| Sorteren Een of meer exemplaren in de juiste volgorde afdrukken. | |
| N per vel* Opgeven hoeveel pagina's u op één pagina wilt afdrukken. | |
| Dubbelzijdig origineel | Opgeven of het originele document een dubbelzijdig document is. |
| Origineel* Het formaat van het originele document opgeven. | |
| *Tijdelijke instelling. Zie voor meer informatie over het opslaan van tijdelijke instellingen en andere instellingen “Instellingen opslaan” op pagina 39. | |
| Soort origin.* De soort van het originele document opgeven. | |
| * Tijdelijke instelling. Zie voor meer informatie over het opslaan van tijdelijke instellingen en andere instellingen “Instellingen opslaan” op pagina 39. | |
Kopiëren op beide zijden van het papier met de glasplaat
De printer beschikt over een ingebouwde duplexeenheid waarmee u op beide zijden van het papier kunt kopieren.
Opmerking: Gebruik alleen normaal A4- of Letter-apier voor dubbelzijdig kopiëren. Gebruik hiervoor niet enveloppen, wenskaarten of fotopapier.
1 Plaats papier in de printer.
2 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
3 Controleer of het lampje brandt.
4 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Kopiëren.
5 Pas de kopieerinstellingen aan.
Opmerking: Als u een dubbelzijdig origineel document kopieert, drukt u op de knop en selecteert u het menu-item Dubbelzijdig origineel.
6 Druk op ⚙ om de instellingen tijdelijk op te slaan.
7 Druk op .
De printer scant de eerste pagina van het originele document. Er wordt een pagina afgedrukt en terug in de printer getrokken.
Let op: Raak het papier niet aan terwijl de printer bezig is met afdrukken.
8 Als Nog 1 pg. scannen? wordt gevraagd, drukt u op √ om Ja te selecteren.
9 Plaats de volgende pagina met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat. Als het origineel dubbelzijdig is, plaatst u het originele document met de andere zijde omlaag op de glasplaar en drukt u op √.
De printer scant de volgende pagina, of de andere zijde van het originele documenten, en drukt de pagina af.
10 Herhaal stap 8 en stap 9 voor elke dubbelzijdige kopie die u wilt maken.
Kopiëren op beide zijden van het papier met de automatische documentinvoer (ADI)
De printer beschikt over een ingebouwde duplexeenheid waarmee u op beide zijden van het papier kunt kopieren.
Opmerking: Gebruik alleen normaal A4- of Letter-apier voor dubbelzijdig kopiëren. Gebruik hiervoor niet enveloppen, wenskaarten of fotopapier.
1 Plaats papier in de printer.
2 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar boven in de automatische documentinvoer (ADI).
Opmerking: u kunt maximaal 25 pagina's in de automatische documentinvoer (ADI) plaatsen.
3 Controleer of het lampje brandt.
4 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Kopiëren.
5 Pas de kopieerinstellingen aan.
Opmerking: als u een dubbelzijdig origineel document kopieert, drukt u twee keer op de knop en selecteert u het menu-item Dubbelzijdig origineel.
6 Druk op om de instellingen tijdelijk op te slaan.
7 Druk op .
De printer scant de voorzijde van alle pagina's van het originele document.
8 Als u een dubbelzijdig document kopieert, wordt het volgende bericht op de printer weergegeven: Plaats het origineel opnieuw in de automatische documentinvoer zonder de stapel te keren of om te draaien en kies √.
9 Druk op .
Foto's kopieren
1 Plaats fotopapier in de printer met de glanzende zijde of afdrukzijde naar u toe. (Raadpleeg de instructies die bij het papier zijn geleverd als u niet zeker weet welke zijde de afdrukzijde is.)
2 Plaats een foto met de afdrukzijde naar beneden in de rechterbenedenhoek van de glasplaat. Zie voor meer informatie "Originele documenten op de glasplaat plaatsen" op pagina 65.
3 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Kopiëren.
4 Druk op
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Kwaliteit wordt weergegeven.
6 Druk op √
7 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Foto wordt weergegeven.
8 Druk op √
9 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Papierinstellingen wordt weergegeven.
10 Druk op √
1 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Papierformaat wordt weergegeven.
12 Druk op √
13 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste formaat wordt weergegeven.
14 Druk op √
15 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Papiersoort wordt weergegeven.
16 Druk op √
17 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de papiersoort die in de printer is geplaatst, wordt weergegeven.
18 Druk op √
19 Druk op Kleur of Zwart.
Foto kopieren met de computer
1 Plaats de foto met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.

2 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
3 Klik in het welkomstvenster op Kopiëren.
4 Selecteer Foto.
5 Klik op Start.
De foto wordt weergegeven in het rechterdeelvenster.
6 Selecteer een kopieerkwaliteit in de keuzelijst Kwaliteit.
7 Selecteer in de keuzelijst Formaat van papier in de printer het papierformaat.
8 Selecteer de papiersoort in de keuzelijst Soort papier in printer.
9 Selecteer de gewenste opties in de tabel als u meerdere afdrukken van een foto wilt maken of andere fotoformaten dan 4 x 6 inch (10 x 15 cm) wilt gebruiken. Gebruik de keuzelijst in de laatste kolom om andere formaten weer te geven en te selecteren.
10 Klik op Nu kopiëren in de rechterbenedenhoek van het venster.
Kopieerkwaliteit aanpassen
Kwaliteit geeft de resolutie aan die wordt gebruikt voor de kopieertaak. Resolutie is een dpi-telling (dots-per-inch); hoe hoger de dpi, hoe hoger de resolutie en de kopieerkwaliteit.
1 Plaats papier in de printer.
2 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
3 Selecteer zo nodig de modus Kopiëren.
4 Druk op
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Kwaliteit wordt weergegeven.
6 Druk op √
7 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de gewenste kwaliteit wordt weergegeven.
8 Druk op √
9 Druk op Kleur of Zwart.
Kopieën zonder rand maken met het bedieningspaneel
1 Plaats fotopapier in de printer met de glanzende zijde of afdrukzijde naar u toe. (Raadpleeg de instructies die bij het papier zijn geleverd als u niet zeker weet welke zijde de afdrukzijde is.)
2 Plaats een foto met de afdrukzijde naar beneden in de rechterbenedenhoek van de glasplaat. Zie voor meer informatie "Originele documenten op de glasplaat plaatsen" op pagina 65.
3 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Kopiëren.
4 Druk op
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Formaat wijzigen wordt weergegeven.
6 Druk op √
7 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Zonder rand wordt weergegeven.
8 Druk op √
9 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Papierinstellingen wordt weergegeven.
10 Druk op √
11 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Papierformaat wordt weergegeven.
12 Druk op √
13 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste formaat wordt weergegeven.
14 Druk op √
15 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Papiersoort wordt weergegeven.
16 Druk op √
17 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Automatisch of Foto wordt weergegeven.
18 Druk op √
19 Druk op Kleur of Zwart.
Kopieën lichter of donkerder maken
Als u het uiterlijk van een kopie of foto wilt aanpassen, kunt u deze lichter of donkerder maken.
1 Plaats papier in de printer.
Opmerking: Gebruik fotopapier of extra zwaar, mat papier als u foto's kopieert en zorg dat u het papier met de glanzende zijde of de afdrukzijde naar u toe in de printer plaatst. (Raadpleeg de instructies die bij het papier zijn geleverd als u niet zeker weet welke zijde de afdrukzijde is.)
2 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
3 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Kopiëren.
4 Druk op Lichter/donkerder.
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ om de regelaar aan te passen.
6 Druk op √
7 Druk op Kleur of Zwart.
Exemplaren sorteren met het bedieningspaneel
Als u meerdere exemplaren van een document afdrukt, kunt u ervoor kiezen om elk exemplaar als een set (gesorteerd) af te drukken of de exemplaren af te drukken als groepen van dezelfde pagina's (niet gesorteerd).
Gesorteerd Niet gesorteerd

1 Plaats papier in de printer.
2 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
3 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Kopiëren.
4 Druk op
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Sorteren wordt weergegeven.
6 Druk op √
7 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Aan wordt weergegeven.
Opmerking: u kunt exemplaren alleen sorteren als u geen wijzigingen hebt aangebracht in het menu Formaat wijzigen.
8 Druk op Kleur of Zwart.
Opmerking: als u de glasplaat gebruikt, wordt een bericht weergegeven wanneer u de volgende te scannen pagina moet plaatsen.
9 Druk op √ om door te gaan met het kopieren van pagina's.
10 Als u alle pagina's hebt gekopieerd, drukt u herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Nee wordt weergegeven.
11 Druk op √
Afbeelding meerdere keren herhalen op een pagina
U kunt dezelfde afbeelding meerdere keren afdrukken op één vel papier. Deze optie is handig bij het maken van etiketten, plakplaatjes, pamfletten en hand-outs.
1 Plaats papier in de printer.
Opmerking: Gebruik fotopapier of extra zwaar, mat papier als u foto's kopieert en zorg dat u het papier met de glanzende zijde of de afdrukzijde naar u toe in de printer plaatst. (Raadpleeg de instructies die bij het papier zijn geleverd als u niet zeker weet welke zijde de afdrukzijde is.)
2 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
3 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Kopiëren.
4 Druk op
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Afbeelding herhalen wordt weergegeven.
6 Druk op √
7 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het aantal afbeeldingen dat u op één pagina wilt afdrukken, wordt weergegeven.
8 Druk op Kleur of Zwart.
Afbeeldingen vergroten of verkleinen
1 Plaats papier in de printer.
Opmerking: Gebruik fotopapier of extra zwaar, mat papier als u foto's kopieert en zorg dat u het papier met de glanzende zijde of de afdrukzijde naar u toe in de printer plaatst. (Raadpleeg de instructies die bij het papier zijn geleverd als u niet zeker weet welke zijde de afdrukzijde is.)
2 Plaats een origineel document of originele foto met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
3 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Kopiëren.
4 Druk op
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Formaat wijzigen wordt weergegeven.
6 Druk op √
7 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de gewenste instelling wordt weergegeven.
Opmerkingen:
- Als u een aangepast formaat wilt opgeven, drukt u op ◀ of ▶ en houdt u deze ingedrukt tot het gewenste formaat wordt weergegeven. Druk vervolgens op √.
- Als u Zonder rand selecteert, wordt het document of de foto zodanig vergroot of verkleind dat een kopie zonder rand kan worden afgedrukt op het papierformaat dat u heeft afgedrukt. Gebruik fotopapier voor optimale resultaten met deze instelling voor Formaat wijzigen en stel de papiersoort in op Automatisch of Foto.
8 Druk op Kleur of Zwart.
Kopieerinstellingen aanpassen
1 Open de gescande afbeelding in het venster Kopiëren en klik op de tab Instellingen.
2 Selecteer het gewenste aantal exemplaren in het vak Exemplaren.
3 Selecteer een kopieerkwaliteit in de keuzelijst Kwaliteit.
4 Selecteer in de keuzelijkst Papierformaat het formaat van het papier dat u wilt gebruiken.
5 Selecteer het afdrukformaat door op de juiste miniatuur te klikken in het gedeelte Afdrukformaat of selecteer een afdrukformaat in de keuzelijst.
6 Wanneer u de gewenste wijzigingen voor de kopieerinstellingen hebt doorgevoerd, klikt u op Nu kopieren in het rechterdeelvenster.
De foto wordt gekopieerd.
Documenten scannen
1 Controleer of de printer is aangesloten op een computer en de printer en de computer zijn ingeschakeld.
2 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
3 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Scannen.
4 Als de printer is verbonden met meerdere computers:
a Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de computer wordt weergegeven waarnaar u wilt scannen.
b Druk op .√
Als u een pincode hebt ingesteld tijdens de netwerkinstallatie en hierom wordt gevraagd:
1 Geef de pincode op met het toetsenblok.
2 Druk op √
5 Wacht tot de lijst met scantoepassingen is gedownload op de printer.
6 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de gewenste bestemming voor de scan wordt weergegeven.
7 Druk op Kleur of Zwart.
Opmerking: als u een computer met een Macintosh-besturingssysteem gebruikt, moet u mogelijk op de knop Scan in het dialoogvenster voor scannen klikken.
8 Klik in de toepassing op Archief→ Bewaar als.
9 Geef de bestandsnaam, bestandsindeling en locatie op voor de gescande afbeelding.
10 Klik op Bewaar.
Documenten scannen met de computer
1 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.

2 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
3 Klik op Scannen.
4 Selecteer de optie Document.
5 Klik op Starten
Het gescande document is geopend in uw standaardtekstverwerkingstoepassing. U kunt het bestand nu bewerken.
Tekst scannen voor bewerken
Met de softwarefunctie voor OCR (Optical Character Recognition; optische tekenherkenning) wordt een gescand document omgezet in tekst die u kunt bewerken met een tekstverwerkingstoepassing.
1 Zorg ervoor dat de printer is aangesloten op een computer en de printer en de computer zijn ingeschakeld.
2 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
3 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
4 Klik in het welkomstvenster op Tekst scannen en bewerken (OCR).
5 Selecteer de optie Document.
6 Klik op Start.
Het gescande document is geopend in uw standaardtekstverwerkingstoepassing. U kunt het bestand nu bewerken.
Afbeeldingen scannen voor bewerking
1 Controleer of de printer is aangesloten op een computer en de printer en de computer zijn ingeschakeld.
2 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
3 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
4 Klik op Scannen.
5 Selecteer de optie Foto of Meerdere foto's.
6 Klik op Starten.
U kunt de gescande afbeelding bewerken.
Foto scannen voor het werken met documenten en foto's
1 Plaats een foto met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
2 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
3 Klik op Werken met documenten en foto's.
4 Klik op Nieuwe scan toevoegen in het menu Toevoegen.
5 Selecteer de optie Foto.
6 Klik op Start.
De foto wordt opgeslagen in de huidige map bij Werken met documenten en foto's.
Meerdere foto's tegelijk scannen met de computer
1 Plaats de foto's met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.

Opmerking: gebruik voor optimale resultaten zo veel mogelijk ruimte tussen de foto's en de randen van het scangebied.
2 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
3 Klik op Scan.
4 Selecteer de optie Meerdere foto's.
5 Klik op Starten
PDF maken van een gescand item
1 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
2 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
3 Klik in het welkomstvenster op Omzetten naar PDF.
4 Selecteer Foto, Meerdere foto's of Document.
5 Klik op om te beginnen met scannen.
6 Klik op Nog een toevoegen om extra afbeeldingen te scannen of om een afbeelding toe te voegen vanuit de bibliotheek.
7 Ga als volgt te werk als u nog een afbeelding wilt toevoegen of scannen:
- Selecteer Nieuwe scan toevoegen en herhaal stap 3 om nog een afbeelding toe te voegen. of
- Selecteer Foto toevoegen uit bibliotheek om een eerder gescande afbeelding toe te voegen. Klik op afbeeldingen in het voorbeeldvenster om afbeeldingen te selecteren of de selecties op te heffen.
Klik op Bestanden toevoegen als u alle gewenste bestanden hebt geselecteerd.
8 Selecteer Alle afbeeldingen opslaan als één PDF-bestand of Elke afbeelding opslaan als apart PDF-bestand.
9 Klik op PDF maken.
10 Als u de gescande afbeelding apart wilt opslaan, selecteert u de afbeeldingen en klikt u op Opslaan. Klik anders op Annuleren als de opties voor Foto's opslaan worden weergegeven.
Er wordt een PDF-bestand gemaakt en het dialoogvenster Opslaan wordt geopend.
11 Geef een bestandsnaam op voor de PDF en selecteer een opslaglocatie.
12 Klik op Opslaan.
Scantaken annuleren
Als u een taak wilt annuleren die wordt gescand op de glasplaat, drukt u op het bedieningspaneel op ✗.
Als u een scantaak wilt annuleren die is gestart in Lexmark Productivity Studio, klikt u op Scannen en vervolgens op Stoppen.
Scaninstellingen aanpassen met de computer
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik op Scannen.
3 Klik op Aangepaste instellingen.
4 Pas de instellingen indien nodig aan.
| Instelling Opties | |
| Kleurdiepte Beschikbare opties zijn Kleur, Grijs en | Zwart-wit. |
| Scanresolutie (DPI) Selecteer een scanresolutie in | de keuzelijst. |
| Formaat | U kunt het gescande item automatisch bijsnijden.U kunt het gebied selecteren dat moet worden gescand. Selecteer een papierbron in de keuzelijst. |
| Te scannen gebied selecteren Selecteer het te scannen gebied door een papierformaat te selecteren in de keuzelijst. | |
| Deze afbeelding converteren naar tekst met OCR | Converteer een afbeelding naar tekst. |
| Deze instellingen altijd gebruiken bij het scannen | Schakel het selectievakje in als u de geselecteerde instellingen altijd wilt gebruiken. |
Informatie over het menu Scannen
Informatie over en gebruik van het menu Scannen:
1 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Scannen.
Het standaardvenster voor scannen wordt geopend.
2 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de gewenste scanbestemming wordt weergegeven.
3 Als u geen instellingen wilt wijzigen, drukt u op Kleur of Zwart.
4 Druk op als u een instelling wilt aanpassen.
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste menu-item wordt weergegeven.
6 Druk op √
7 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste submenu-item of de gewenste instelling wordt weergegeven.
8 Druk op √
Opmerking: Als u op √ drukt, wordt een instelling geselecteerd. Naast de geselecteerde instelling wordt een sterretje (*) weergegeven.
9 Als u andere submenu's of instellingen wilt weergeven herhaalt u de volgende handeling: druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste submenu-item of de gewenste instelling wordt weergegeven en klik op √.
10 Druk zo nodig herhaaldelijk op om terug te keren naar de vorige menu's en andere instellingen op te geven.
11 Druk op Kleur of Zwart.
| Optie Handeling | |
| Kwaliteit1 | De kwaliteit van een scan aanpassen. |
| Origineel1 | Het formaat van het originele document opgeven. |
| 1Tijdelijke instelling. Zie voor meer informatie over het opslaan van tijdelijke instellingen en andere instellingen “Instellingen opslaan” op pagina 39. | |
Scannen naar een computer via een netwerk
Controleer het volgende:
- De printer is aangesloten op het netwerk via een afdrukserver, en of de printer en de computer waarop u de scan wilt ontvangen, zijn ingeschakeld.
- De printer is geconfigureerd voor scannen via een netwerk (rechtstreeks afdrukken via IP).
1 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
2 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Scannen.
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de computer waarnaar u wilt scannen, is gemarkeerd.
4 Druk op √
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de gewenste scanbestemming wordt weergegeven.
6 Druk op Kleur of Zwart.
Gescande afbeelding opslaan op de computer
1 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.

2 Sluit de bovenklep.
3 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
4 Klik op Scannen.
5 Selecteer de optie Foto of Meerdere foto's.
6 Klik op Start.
7 Klik op Opslaan op de menubalk van het venster Opslaan of bewerken.
8 Als u in een andere map wilt opslaan, klikt u op Bladeren en selecteert u een map. Klik op OK.
9 Als u de naam van het bestand wilt wijzigen, geeft u de naam op in het gedeelte Bestandsnaam. Als u een naam wilt toewijzen als een prefix van alle foto's, schakelt u het selectievakje Alle foto's beginnen met de bestandsnaam in.
10 Als u de foto wilt opslaan als een ander bestandstype, selecteert u het bestandstype in de keuzelijst Bestandstype.
11 Als u een datum wilt selecteren voor een foto, klikt u op de keuzelijst en selecteert u een datum in de kalender.
12 Klik op Opslaan.
Heldere afbeeldingen in tijdschriften of kranten scannen
Met de functie voor effenen kunt u golvende patronen in items uit tijdschriften of kranten verwijderen.
1 Controleer of de printer is aangesloten op een computer en de printer en de computer zijn ingeschakeld.
2 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde omhoog in de automatische documentinvoer (ADI) of met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
Opmerking: Plaats geen briefkaarten, foto's, kleine items, transparanten, fotopapier of dunne voorwerpen (zoals knipsels uit tijdschriften) in de ADI. Plaats deze items op de glasplaat.
3 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
4 Klik in het welkomstvenster op Scannen.
5 Klik op Geavanceerde scaninstellingen weergeven.
6 Selecteer het tabblad Afbeeldingspatronen.
7 Schakel het selectievakje Afbeeldingspatronen verwijderen bij scans uit tijdschrift/krant (effenen) in.
8 Kies Tijdschrift of Krant in het menu Wat is er gescand?.
9 Klik op OK.
10 Kies de bestemming waarnaar u de scan verzenden in het voorgrondmenu Gescande afbeeldingen verzenden naar.
11 Klik op Nu scannen.
Scaninstellingen van Lexmark Productivity Studio wijzigen
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het menu Hulpmiddelen op Voorkeuren.
3 Klik op Scaninstellingen.
- Selecteer Altijd eenvoudige scaninstellingen gebruiken om standaardscaninstellingen te gebruiken.
- Selecteer Altijd scannen met de onderstaande instellingen om de resterende scan instellingen aan te passen.
- Selecteer de kleurdiepte in de keuzelijst in het gedeelte Kleurdiepte.
- Selecteer de gewenste resolutie in de keuzelijst in het gedeelte Scanresolutie (DPI).
- Klik op Te scannen item automatisch bijsnijden: om met de schuifregelaar de bijgesneden waarde te selecteren.
- Klik op Te scannen gebied selecteren om een waarde te selecteren in de keuzelijst.
- Klik op Afbeeldingen converteren naar tekst met OCR om afbeeldingen naar tekst te converteren.
4 Klik op OK.
Bestand toevoegen aan een e-mailbericht
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik onder Documentbeheer op Werken met documenten en foto's.
3 Klik op Toevoegen en selecteer Bestand toevoegen op de computer.
4 Open de map waarin het bestand is opgeslagen. De miniatuur wordt weergegeven in de lijst met bestanden die moeten worden verzonden.
5 Klik op Openen om een bestand te selecteren.
6 Selecteer bij Werken met documenten en foto's het bestand dat u wilt toevoegen.
7 Klik op E-mailen om een e-mailbericht te maken waaraan de gescande afbeeldingen zijn toegevoegd.
Nieuwe gescande afbeelding toevoegen aan een e-mailbericht
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Plaats de afbeelding met de bedrukte zijde omlaag op de glasplaat en sluit de bovenklep.
3 Klik op E-mailen.
4 Klik op Start. De afbeelding wordt gescand.
5 Selecteer de afbeeldingsgrootte in het gedeelte Verzendkwaliteit en -snelheid.
6 Klik op E-mail maken om een e-mailbericht te maken waaraan de gescande afbeeldingen zijn toegevoegd.
Documenten of afbeeldingen scannen voor e-mailen
U kunt gescande afbeeldingen als bijlagen verzenden met uw standaard-e-mailtoepassing.
1 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.

2 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
3 Klik op E-mailen.
4 Selecteer de optie Foto, Meerdere foto's of Document.
5 Klik op Start.
6 Als u een foto scant, selecteert u het fotoformaat in het gedeelte Verzendkwaliteit en -snelheid.
7 Klik op E-mail maken om de afbeeldingen als bijlagen toe te voegen aan een e-mailbericht.
Voorkeuren van het e-mailvenster in Lexmark Productivity Studio wijzigen
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het menu Hulpmiddelen op Voorkeuren.
3 Klik op E-mailvenster.
- Klik op Laatste selectie onthouden om het fotoformaat te gebruiken dat u voor uw laatste e-mailbericht hebt gebruikt.
- Klik op Oorspronkelijk formaat (geschikt voor afdrukken) om fotobijlagen met het oorspronkelijke formaat te verzenden.
- Klik op Verkleind tot: 1024 x 768 (geschikt voor volledige weergave) om fotobijlagen te verzenden met 1024 x 768 pixels.
- Klik op Verkleind tot: 640 x 480 (geschikt voor snelle weergave) om fotobijlagen te verzenden met 640 x 480 pixels.
4 Klik op OK.

Let op: Gebruik de faxfunctie niet tijdens onweer. Installeer dit product nooit tijdens onweer en sluit nooit kabels, zoals het netsnoer of de telefoonlijn, aan tijdens onweer.
Faxen verzenden
Faxnummer opgeven
1 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Faxen.
2 Geef een faxnummer op met:
| Het tekstvak | Geef een faxnummer op met het toetsenblok.Opmerkingen:U kunt een telefoonkaartnummer opnemen als onderdeel van het faxnummer.Een faxnummer kan uit maximaal 64 cijfers bestaan en mag de symbolen * of # bevatten.Druk opOnderbreken/Opnieuw kiezenom een onderbreking van drie seconden in te voegen in het nummer dat u opgeeft om te wachten op een buitenlijn of om een geautomatiseerd antwoordsystemeem te doorlopen. |
| Snelkeuze of groepskeuze | aDruk opTelefoonboek.bGeef een snelkeuzenummer of groepskeuzenummer op.Druk herhaaldelijk op◄ of ► tot het gewenste snelkeuzenummer of groepskeuzenummer wordt weergegeven.Geef met het toetsenblok het nummer van het snelkeuze-item (1-89) of groepskeuze-item (90-99) op.Opmerkingen:Zie voor informatie over het toevoegen van snelkeuze- of groepssnel- keuze-items met de computer “Snelkeuze instellen” op pagina 133.Zie voor informatie over het toevoegen van snelkeuze- of groepssnel- keuze-items met het bedieningspaneel “Telefoonboek van het bedie- ningspaneel gebruiken” op pagina 124. |
3 Verzend als volgt een fax naar een groep ontvangers (groepsfax):
a Druk op na elk faxnummer.
b herhaal de procedure voor het opgeven van faxnummers met een van de voorgaande methoden tot u maximaal 30 faxnummers hebt opgegeven.
Fax verzenden met de software
U kunt met de software een document naar de computer scannen en het document naar iemand faxen.
1 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
2 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
3 Klik in het welkomstvenster op Faxen.
4 Selecteer de optie Document.
5 Klik op Start.
6 Geef de gegevens van de ontvanger op en klik op Volgende.
Opmerking: een faxnummer kan maximaal 64 cijfers, komma's, punten, spaties en/of de volgende symbolen bevatten: * # + - ( ).
7 Geef de gegevens voor het voorblad op en klik op Volgende.
8 Als u nog andere documenten wilt verzenden met de fax, voegt u deze nu toe en klikt u op Volgende.
9 U verzendt als volgt uw fax:
- Meteen: selecteer de optie Nu verzenden.
- Op een opgegeven tijdstip:
a Selecteer de optie Verzenden uitstellen tot.
b Stel een datum en tijd in.
10 Als u een papieren kopie wilt hebben van uw fax, selecteert u Kopie van de fax afdrukken.
11 Klik op Verzenden.
Fax verzenden met het bedieningspaneel
Controleer of de printer is ingeschakeld.
1 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
2 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Faxen.
3 Geef een faxnummer op met:
| Het tekstvak | Geef een faxnummer op met het toetsenblok.Opmerkingen:U kunt een telefoonkaartnummer opnemen als onderdeel van het faxnummer.Een faxnummer kan uit maximaal 64 cijfers, komma's, punten en/of de volgende symbolen bestaan: * #.Druk opPauze/Opnieuw kiezenom een onderbreking van drie seconden in te voegen in het nummer dat u opgeeft om te wachten op een buitenlijn of om een geautomatiseerd antwoordsystem te doorlopen. |
| Snelkeuze of groepskeuze | a Druk opTelefoonboek.b Geef een snelkeuzenummer of groepskeuzenummer op.Druk herhaaldelijk op◄ of ► tot het gewenste snelkeuzenummer of groepskeuzenummer wordt weergegeven.Geef met het toetsenblok het nummer van het snelkeuze-item (1-89) of groepskeuze-item (90-99) op.Opmerkingen:Zie voor informatie over het toevoegen van snelkeuze- of groepssnel-keuze-items met de computer “Snelkeuze instellen” op pagina 133.Zie voor informatie over het toevoegen van snelkeuze- of groepssnel-keuze-items met het bedieningspaneel “Telefoonboek van het bedieningspaneel gebruiken” op pagina 124. |
4 Verzend als volgt een fax naar een groep ontvangers (groepsfax):
a Druk op .√
b Voeg faxnummer toe voor de groep en druk op √ tot alle nummers zijn ingevoerd. U kunt maximaal 30 nummers opgeven.
5 Druk op Kleur of Zwart.
Fax verzenden terwijl u een gesprek voert (Kiezen hoorn op haak)
De functie voor handmatig kiezen kunt u gebruiken om een telefoonnummer te kiezen terwijl u naar een gesprek luistert via een luidspreker op de printer. Deze functie is handig als u een geautomatiseerd antwoordsystem moet doorlopen of een telefoonkaartnummer moet opgeven voor u een fax kunt verzenden.
1 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Faxen.
2 Druk op
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Kzn hrn op haak wordt weergegeven en druk op √. U hoort nu de kiestoon van de telefoon.
4 Voer een faxnummer in. Zie het verwante onderwerp Faxnummers opgeven voor meer informatie.
Opmerking: gebruik het toetsenblok om een geautomatiseerd antwoordsystem te doorlopen.
5 Druk op Kleur of Zwart.
Groepsfax verzenden op een opgegeven tijdstip
U kunt een fax verzenden naar een groep met faxnummers op een gewenst tijdstip.
1 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
2 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Faxen.
3 Druk op
4 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Fax uitstellen wordt weergegeven.
5 Druk op √
6 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Uitstellen tot wordt weergegeven.
7 Druk op √
8 Geef de tijd op waarop u de fax wilt verzenden.
9 Druk op √
10 Als de printer niet is ingesteld op de 24-uurs notatie, drukt u herhaaldelijk op ◀ of ▶ om AM of PM te selecteren en druk op √ om de instellingen op te slaan.
11 Voer een faxnummer in of druk op Telefoonboek om een nummer te selecteren in de snelkeuzelijst of groepskeuzelijst. Zie voor meer informatie "Faxnummer opgeven" op pagina 118.
12 Als het nodig is, kunt u meer faxnummers toevoegen en drukt u op √ tot alle, maximaal 30 nummers, zijn opgegeven.
13 Druk op Kleur of Zwart.
Opmerking: De faxnummers worden op het ingestelde tijdstip gekozen en de fax wordt verzonden naar alle opgegeven faxnummers. Als een fax niet kan worden verzonden naar bepaalde nummers, wordt voor die nummers een nieuwe poging gedaan.
Faxen ontvangen
Handmatig een fax ontvangen
1 Controleer of het lampje Automatisch beantwoorden niet brandt.
2 U kunt als volgt een fax ontvangen als u geen code voor handmatig beantwoorden hebt ingesteld:
• Druk op Kleur of Zwart.
of
- Druk op * 9 * op de telefoon wanneer u opneemt en faxtonen hoort.
3 Als u een fax wilt ontvangen wanneer u een code voor handmatig beantwoorden hebt opgegeven, voert u de code in op de telefoon nadat u deze hebt opgenomen en faxtonen hoort.
Opmerking: Zie het verwante onderwerp Code voor het hand, atig beantwoorden van faxen opgeven voor meer informatie over het instellen van een handmatige antwoordcode.
4 Leg de hoorn op de haak. De printer ontvangt de fax.
Code voor het handmatig beantwoorden van faxen opgeven
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het gedeelte Instellingen van het welkomstvenster op Faxgeschiedenis en -instellingen.
3 Klik in het menu Taken op Snelkeuzelijst en andere faxinstellingen aanpassen.
4 Klik op de tab Bellen en antwoorden.
5 Selecteer in het gedeelte Beantwoorden met de ingestelde soort telefoonlijn de code die u wilt gebruiken.
Opmerking: de code kan maximaal zeven cijfers, komma's, punten, spaties en/of de volgende symbolen bevatten: * # + - ( ).
6 Klik op OK om de instelling op te slaan.
Nummerweergave gebruiken vanaf het bedieningspaneel
Nummerweergave is een dienst die door bepaalde telefoonbedrijven wordt geleverd, waarmee het telefoonnummer of de naam van de beller wordt herkend. Als u op de dienst bent geabonneerd, kunt u deze gebruiken met de printer. Wanneer u een fax ontvangt, verschijnt op de display het telefoonnummer of de naam van de persoon die u de fax heeft gestuurd.
Opmerkingen:
- Nummerweergave is alleen in bepaalde landen en regio's beschikbaar.
- Het aantal patronen wordt bepaald door de land- of regio-instellingen en alleen het aantal patronen dat is opgegeven voor het geselecteerde land of de regio wordt weergegeven.
De printer ondersteunt twee soorten nummerweergave: Patroon 1 (FSK) en Patroon 2 (DTMF). Afhankelijk van het land of de regio waar u woont en de telecomaanbieder die u gebruikt, moet u mogelijk overschakelen naar een ander patroon om nummerweergave te activeren.
1 Druk op het bedieningspaneel op Instellingen.
2 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot App.instlng wordt weergegeven.
3 Druk op √
4 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Patroon nummerweergave verschijnt.
5 Druk op √
6 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de gewenste instelling wordt weergegeven.
7 Druk op om de instelling op te slaan.
Nummerweergave gebruiken vanuit de software
Nummerweergave is een dienst die door bepaalde telefoonbedrijven wordt geleverd, waarmee het telefoonnummer of de naam van de beller wordt herkend. Als u op de dienst bent geabonneerd, kunt u deze gebruiken met de printer. Wanneer u een fax ontvangt, verschijnt op de display het telefoonnummer of de naam van de persoon die u de fax heeft gestuurd.
Opmerkingen:
- Nummerweergave is alleen in bepaalde landen en regio's beschikbaar.
- Het aantal patronen wordt bepaald door de land- of regio-instellingen en alleen het aantal patronen dat is opgegeven voor het geselecteerde land of de regio wordt weergegeven.
De printer ondersteunt twee soorten nummerweergave: Patroon 1 (FSK) en Patroon 2 (DTMF). Afhankelijk van het land of de regio waar u woont en de telecomaanbieder die u gebruikt, moet u mogelijk overschakelen naar een ander patroon om nummerweergave te activeren.
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het gedeelte Instellingen van het welkomstvenster op Faxgeschiedenis en -instellingen.
3 Klik in het menu Taken op Snelkeuzelijst en andere faxinstellingen aanpassen.
4 Klik op de tab Bellen en antwoorden.
5 Selecteer in het gedeelte Beantwoorden met de ingestelde soort telefoonlijn het gewenste signaal in de keuzelijst Patroon nummerweergave.
6 Klik op OK om de instelling op te slaan.
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het gedeelte Instellingen van het welkomstvenster op Faxgeschiedenis en -instellingen.
3 Klik in het menu Taken op Snelkeuzelijst en andere faxinstellingen aanpassen.
4 Klik op de tab Bellen en antwoorden.
5 Selecteer in het gedeelte Binnenkomende oproepen automatisch als fax beantwoorden de optie Aan in de keuzelijst Automatisch beantwoorden.
6 Als u de functie Automatisch beantwoorden volgens een tijdschema wilt in- en uitschakelen, selecteert u de instellingen in de keuzelijsten.
7 Het lampje Automatisch beantwoorden op het bedieningspaneel gaat branden wanneer de functie Automatisch beantwoorden is ingeschakeld.
8 Als u het aantal belsignalen wilt instellen waarna de printer de faxen automatisch ontvangt, selecteert u een instelling in de keuzelijst Opnemen na in het gedeelte Beantwoorden met de ingestelde soort telefoonlijn.
9 Klik op OK om de instellingen op te slaan.
Faxen ontvangen met een antwoordapparaat
Opmerking: zie voor de juiste installatie van de apparatuur het verwante onderwerp "Aansluiten op een antwoordapparaat" op pagina 30.
U kunt als volgt faxen ontvangen terwijl een antwoordapparaat is aangesloten op de printer:
1 Controleer of het lampje Automatisch beantwoorden van de printer brandt.
2 Controleer of u hebt ingesteld hoe vaak de telefoon moet overgaan een fax automatisch wordt ontvangen. Zie voor meer informatie "Aantal belsignalen instellen voordat een fax automatisch wordt ontvangen" op pagina 133.
Als er wordt gebeld, wordt het gesprek aangenomen door het antwoordapparaat.
- Als er een fax wordt vastgesteld, wordt deze door de printer ontvangen en wordt de verbinding verbroken.
- Als de printer geen fax herkent, ontvangt het antwoordapparaat het gesprek.
3 Stel het antwoordapparaat in om binnenkomende gesprekken te beantwoorden voordat de printer dit doet.
Stelt u voor het antwoordapparaat bijvoorbeeld in dat gesprekken na drie belsignalen worden beantwoord, dan moet u de printer instellen op vijf belsignalen.
Dubbelzijdige fax ontvangen
De printer beschikt over een ingebouwde duplexeenheid waarmee u ontvangen faxen op beide zijden van het papier kunt afdrukken.
Opmerking: Gebruik alleen normaal A4- of Letter-apier voor dubbelzijdig afdrukken.
1 Druk op het bedieningspaneel op Het ┌-lampje gaat branden.
2 Selecteer de modus Faxen.
3 Druk op
4 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Faxinstellingen wordt weergegeven.
5 Druk op √
6 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Fax afdrukken wordt weergegeven.
7 Druk op √
8 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot 2-zijdige faxen verschijnt.
9 Druk op √
10 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Altijd verschijnt.
11 Druk op √ om de instelling op te slaan en het menu te sluiten.
De faxen worden nu op beide zijden van het papier afgedrukt.
Faxen doorsturen
De functie voor het doorsturen van faxen kunt u gebruiken om faxen te ontvangen wanneer u zich niet in de buurt van de printer bevindt. Er zijn drie instellingen beschikbaar voor het doorsturen van faxen:
- Uit: (standaardinstelling).
- Doorsturen: de fax wordt doorgestuurd naar het opgegeven faxnummer.
- Afdrukken en doorsturen: de fax wordt afgedrukt en vervolgens verzonden naar het opgegeven faxnummer.
U stelt als volgt het doorsturen van faxen in:
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het gedeelte Instellingen van het welkomstvenster op Faxgeschiedenis en -instellingen.
3 Klik in het menu Taken op Snelkeuzelijst en andere faxinstellingen aanpassen.
4 Klik op de tab Bellen en antwoorden.
5 Selecteer in het gedeelte Ontvangen faxen doorsturen naar een ander nummer de gewenste instelling in de keuzelijst Fax doorsturen.
6 Geef het nummer op waarnaar u de fax wilt doorsturen.
Opmerkingen:
- U kunt een telefoonkaartnummer opnemen als onderdeel van het faxnummer.
- Een faxnummer kan uit maximaal 64 cijfers, komma's, punten, spaties en/of de volgende symbolen bestaan: * # + - ( ).
7 Klik op OK om de instelling op te slaan.
Telefoonboek gebruiken
Telefoonboek van het bedieningspaneel gebruiken
Het telefoonboek van het bedieningspaneel is een lijst met snelkeuze-items (1-89) en groepskeuze-items (90-99).
U opent als volgt een item in het menu Telefoonboek:
1 Druk op het bedieningspaneel op Telefoonboek.
2 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste item verschijnt.
of
Geef met het toetsenblok het nummer van het snelkeuze-item of groepskeuze-item op.
U opent als volgt het menu Telefoonboek:
1 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Faxen.
2 Druk op
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Telefoonboek wordt weergegeven.
4 Druk op √
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de gewenste instelling wordt weergegeven.
6 Druk op √ en volg de aanwijzingen op de display.
| Optie Handeling | |
| Weergeven | Telefoonboekitems weergeven. |
| Toevoegen | Een nieuw snelkeuze-item of groepskeuze-item maken. |
| Verwijderen | Een snelkeuze-item of groepskeuze-item verwijderen. |
| Aanpassen | Een snelkeuze-item of groepskeuze-item bewerken. |
| Afdrukken | Alle snelkeuze-items en groepskeuze-items in het telefoonboek afdrukken. |
Opmerking: zie voor meer informatie over het toevoegen van snelkeuze-items en groepskeuze-items aan het telefoonboek "Snelkeuze instellen" op pagina 133.
Telefoonboek op de computer gebruiken
Adresboeken in uw besturingssysteem worden weergegeven als telefoonboeken.
U opent als volgt een item in het menu Telefoonboek:
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het welkomstvenster op Faxgeschiedenis en -instellingen.
3 Klik in het menu Taken op Telefoonboek weergeven.
4 Als u het telefoonboek wilt aanpassen, selecteert u een optie, geeft u de nieuwe informatie op en klikt u op OK.
| Optie Handeling | |
| Nieuwe contactpersoon Een nieuwe vermelding in het telefoonboek maken. | |
| Nieuwe groep Een nieuwe groep maken in het telefoonboek. | |
| Bewerken Een item in het telefoonboek bewerken. | |
| Verwijderen Een item uit het telefoonboek verwijderen. | |
| Contactpersonen toevoegen aan de snelkeuzelijst | Een telefoonboekitem toevoegen aan de snelkeuzelijst of groepskeuzelijst. |
Opmerking: zie voor meer informatie over het instellen van meerdere snelkeuze- en groepskeuze-items "Snelkeuze instellen" op pagina 133.
Faxinstellingen aanpassen
Instellingen aanpassen met het Faxconfiguratieprogramma
U kunt de faxinstellingen aanpassen in het Faxconfiguratieprogramma. Deze instellingen zijn van toepassing op alle faxen die u verzendt of ontvangt.
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik op Faxgeschiedenis en -instellingen.
Het venster Lexmark Fax Solutions Software wordt geopend.
3 Klik op Snelkeuzelijst en andere faxinstellingen aanpassen.
Het volgende venster wordt geopend.

4 Klik op elke tab en wijzig zo nodig de instellingen.
| Tabblad Opties | |
| Kiezen en verzenden | De kiesmethode voor uw telefoonlijn selecteren.Een voorvoegsel invoeren.Een belvolume selecteren.Uw naam en faxnummer opgeven.Opmerkingen:– U kunt een telefoonkaartnummer opnemen als onderdeel van het faxnummer.– U kunt maximaal 64 cijfers gebruiken.Instellen hoe vaak een nummer opnieuw moet worden gekozen als de fax niet kan worden verzonden tijdens de eerste poging, en de wachttijd tussen die pogingen instellen.Instellen of het hele document wordt gescand voordat het nummer wordt gekozen.Opmerking:selecteer Nabellenals u een grote fax of een fax met meerdere kleurenpagina's verzendt.De maximale verzendsnelheid en de afdrukkwaliteit voor uitgaande faxen selecteren.Op de regel Automatische faxconversieAanselecteren om de instelling voor de resolutie aan te passen aan de resolutie die is ingesteld op het ontvangende faxapparaat. |
| Bellen en antwoorden | Opties selecteren voor binnenkomende gesprekken.Opties voor automatisch beantwoorden selecteren.Selecteren of u een fax wilt doorsturen of wilt afdrukken en vervolgens wilt doorsturen.Een faxnummer voor doorsturen opgeven.Geblokkeerde faxen beheren. |
| Faxen afdrukken/rapporten | Een binnenkomende fax automatisch aanpassen aan het papierformaat of de fax op twee vellen afdrukken.Bepalen of een voettekst (datum, tijd en paginanummer) moet worden afgedrukt op elke pagina die u ontvangt.Een papierbron selecteren.Selecteren of er op beide zijden van het papier moet worden afgedrukt.Selecteren wanneer rapporten met faxgebeurtenissen en bevestigingen moeten worden afgedrukt. |
| Snelkeuze | Items in de snelkeuzelijst, inclusief items in groepslijsten, maken, toevoegen, bewerken of verwijderen. |
| Voorblad Selecteer uw faxvoorblad en bericht en pas deze aan. | |
5 Klik op OK nadat u de instellingen hebt aangepast.
6 Sluit het Faxconfiguratieprogramma.
Informatie over het menu Faxen
Informatie over en gebruik van het menu Faxen:
1 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Faxen.
Het standaardvenster voor faxen wordt geopend.
2 Als u de instellingen niet wilt wijzigen, geeft u het faxnummer op en drukt u op Kleur of Zwart.
3 Druk op □ als u een instelling wilt aanpassen.
4 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste menu-item wordt weergegeven en druk op √.
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste submenu-item of de gewenste instelling wordt weergegeven en druk vervolgens op √.
Opmerking:
Als u op √ drukt, wordt een instelling geselecteerd. Naast de geselecteerde instelling wordt een sterretje (*) weergegeven.
6 Voor andere submenu's en instellingen, herhaalt u stap 5 op pagina 128.
7 Druk zo nodig herhaaldelijk op ⚙ om terug te keren naar de vorige menu's en andere instellingen op te geven.
8 Druk op Kleur of Zwart om een fax te verzenden.
In de volgende tabel wordt de functie van elk submenu of elke menuoptie van het menu Faxen uitgelegd.
| Optie Handeling | |
| Kwaliteit1 | De kwaliteit aanpassen van een fax die u wilt verzenden. |
| Telefoonboek | Namen en faxnummers van personen of groepen toevoegen, bewerken en afdrukken. |
| Kiezen hoorn op haak | Kies een telefoonnummer terwijl u naar een gesprek luistert via een luidspreker op de printer. Deze functie is handig als u een geautomatiseerd antwoordsystem moet doorlopen voor u een fax kunt verzenden. |
| Fax uitstellen Een tijd opgeven waarop een fax moet worden verzonden.Opmerking:controleer of de datum en tijd juist zijn ingevoerd voordat u een tijd instelt voor het verzenden van een fax. | |
| Lichter/donkerder1 | De helderheid aanpassen van een fax die u wilt verzenden. |
| 1Tijdelijke instelling. Zie voor meer informatie over het opslaan van tijdelijke instellingen en andere instellingen “Instellingen opslaan” op pagina 39. | |
| Faxinstellingen | Het menu Faxinstelling en de bijbehorende menuopties weergeven. U kunt de waarden aanpassen en deze opslaan als standaardinstellingen voor de gebruiker.Faxgeschiedenis of verzendstatusrapporten afdrukken.Instellingen aanpassen in Bellen en antwoorden voor het ontvangen van een fax.Opties voor het afdrukken van faxen selecteren.Instellingen aanpassen in Bellen en verzenden voor het verzenden van een fax.Nummers opgeven voor faxen die u niet wilt ontvangen.Wanneer alle waarden zijn geselecteerd, drukt u op ➡ om alle waarden op te slaan als standaardinstellingen en het menu te sluiten.Opmerking: De standaardinstellingen voor de gebruiker blijven van kracht tot u het menu opnieuw opent, een andere waarde selecteert en deze opslaat. Er wordt een sterretje (*) weergegeven naast de standaardinstelling van de gebruiker. |
| ^1 Tijdelijke instelling. Zie voor meer informatie over het opslaan van tijdelijke instellingen en andere instellingen “Instellingen opslaan” op pagina 39. | |
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het welkomstvenster op Faxgeschiedenis en -instellingen.
3 Klik in het menu Taken op Snelkeuzelijst en andere faxinstellingen aanpassen.
4 Klik op de tab Bellen en antwoorden.
5 Selecteer Aan in de keuzelijst Automatisch beantwoorden.
6 Klik op OK om de instelling op te slaan.
Het lampje Automatisch beantwoorden gaat branden op het bedieningspaneel. Als het aantal belsignalen dat u hebt ingesteld is bereikt, wordt de fax automatisch ontvangen door de printer.
Voettekst van een fax instellen met het bedieningspaneel
1 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Faxen.
2 Druk op
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Faxinstellingen wordt weergegeven.
4 Druk op √
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Fax afdrukken wordt weergegeven.
6 Druk op √
7 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Voettekst fax wordt weergegeven.
8 Druk op √
9 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Aan wordt weergegeven.
10 Druk op √
11 Tijdens de installatie van de printer wordt u gevraagd de datum en de tijd op te geven. Ga als volgt te werk als u deze informatie nog niet hebt opgegeven:
a Druk op Instellingen.
b Druk op .√
c Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot App.instlng wordt weergegeven.
d Druk op .√
e Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Datum/tijd verschijnt.
f Druk op . √
g Geef de datum op met het toetsenblok.
h Druk op .√
i Geef de tijd op met het toetsenblok.
j Druk op . √
k Als de waarde voor het uur dat u opgeeft 12 of lager is, drukt u herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot AM, PM of 24uur verschijnt.
I Druk op om de instelling op te slaan.
Voorblad voor faxen maken met Productivity Studio
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het gedeelte Instellingen van het welkomstvenster op Faxgeschiedenis en -instellingen.
3 Klik op de werkbalk op Extra → Voorbladen.
Dit venster bevat verschillende voorbladen. Tevens wordt aangegeven hoe u de persoonlijke gegevens op het voorblad kunt wijzigen.
4 Klik op OK om uw selectie op te slaan.
Ongewenste faxen blokkeren
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het gedeelte Instellingen van het welkomstvenster op Faxgeschiedenis en -instellingen.
Fax Solutions Software wordt weergegeven.
3 Klik in het menu Taken op Snelkeuzelijst en andere faxinstellingen aanpassen.
4 Klik op de tab Bellen en antwoorden.
5 Selecteer Geblokkeerde faxen beheren in het gedeelte Faxen blokkeren van bepaalde afzenders/nummers.
6 Als u faxen wilt blokkeren van afzenders zonder nummerweergave, schakelt u het selectievakje in en schakelt u faxen blokkeren in.
7 Als u faxen van bepaalde faxnummers wilt blokkeren, geeft u deze op in het daarvoor bestemde vak. U kunt deze lijst ook bewerken.
8 Klik op OK om de instelling op te slaan.
Ongewenste wijzigingen van de faxinstellingen blokkeren
Met deze functie kunt u voorkomen dat netwerkgebruikers de faxinstellingen wijzigen.
1 Druk op het bedieningspaneel op Instellingen.
2 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot App.instlng wordt weergegeven.
3 Druk op √
4 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Faxinst. van de host verschijnt.
5 Druk op √
6 Druk op ◀ of ▶ tot Blokkeren verschijnt.
7 Druk op √
Fax Solutions Software gebruiken
Gebruik deze software om de instellingen aan te passen voor het verzenden en ontvangen van faxen. Wanneer u de instellingen opslaat, worden deze toegepast op elke fax die u verzendt of ontvangt. U kunt deze software ook gebruiken om de snelkeuzelijst te maken en te bewerken.
1 Gebruik een van de volgende manieren om het programma te openen:
Methode 1 Methode 2
a Voer een van de volgende handelingen uit:
• Windows Vista: klik op
- Windows XP en eerder: klik op Start.
b Klik op Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
c Klik op Faxoplossingen.
a Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op
- Windows XP en eerder: klik op Start.
b Klik op Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
c Klik op Lexmark Productivity Studio.
Het venster Lexmark Productivity Studio verschijnt.
d Klik op het pictogram Faxen.
2 Als de Fax Solutions Software verschijnt zoals weergegeven, kunt u de volgende handelingen uitvoeren in het menu Taken:

- Faxen verzenden.
-
De snelkeuzelijst en andere faxinstellingen aanpassen.
-
Het telefoonboek weergeven en gebruiken zodat u nieuwe contactpersonen of groepen kunt toevoegen, contactpersonen of groepen kunt bewerken of verwijderen, en contactpersonen of groepen kunt toevoegen aan de snelkeuzelijst.
- Voorbeelden van voorbladen weergeven waar u uit kunt kiezen. U kunt ook uw bedrijfslogo toevoegen aan een voobeeldblad.
3 Als u een item in het menu Taken wilt openen, klikt u op het item.
4 Klik zo nodig op de werkbalkitems voor de volgende handelingen:
| Klik op Handeling | |
| Faxen | • Faxen verzenden.• Faxen doorsturen.• Faxen weergeven, afdrukken of aanpassen.• Faxen verwijderen.• Faxen nogmaals proberen te verzenden. |
| Extra | • Het telefoonboek weergeven en gebruiken.• Verschillende voorbeelden van voorbladen weergeven waaruit u kunt kiezen.• Faxgeschiedenis weergeven.• Softwarevoorkeuren wijzigen voor faxlijsten.• Faxinstellingen aanpassen. |
| Help | Informatie zoeken over faxen, faxinstellingen, enzovoort. |
Zie voor meer informatie over het wijzigen van de faxinstellingen "Instellingen aanpassen met het Faxconfiguratieprogramma" op pagina 126
5 Klik op OK na het wijzigen van de instellingen.
6 Sluit de Fax Solutions Software.
Kiesvoorvoegsel instellen
U kunt een kiesvoorvoegsel toevoegen aan het begin van elk faxnummer dat u kiest. Het kiesvoorvoegsel kan maximaal acht cijfers, komma's, punten, spaties en/of de volgende symbolen bevatten: * # + - ( ).
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het gedeelte Instellingen van het welkomstvenster op Faxgeschiedenis en -instellingen.
3 Klik in het menu Taken op Snelkeuzelijst en andere faxinstellingen aanpassen.
4 Klik op de tab Bellen en verzenden.
5 Geef het kiesvoorvoegsel op dat voorafgaand aan elk telefoonnummer moet worden gekozen.
6 Klik op OK om de instelling op te slaan.
Speciaal belsignaal instellen
Speciaal belsignaal is een dienst die door bepaalde telefoonbedrijven wordt geleverd waarmee meerdere telefoonnummers kunnen worden toegewezen aan één telefoonlijn. Als u geabonneerd bent op deze dienst, kunt u de printer programmeren met een telefoonnummer en speciaal belsignaal voor binnenkomende faxen.
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het gedeelte Instellingen van het welkomstvenster op Faxgeschiedenis en -instellingen.
3 Klik in het menu Taken op Snelkeuzelijst en andere faxinstellingen aanpassen.
4 Klik op de tab Bellen en antwoorden.
5 Selecteer in het gedeelte Beantwoorden met de ingestelde soort telefoonlijn de gewenste instelling in de keuzelijst Speciaal belsignaal.
6 Klik op OK om de instelling op te slaan.
Aantal belsignalen instellen voordat een fax automatisch wordt ontvangen
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het welkomstvenster op Faxgeschiedenis en -instellingen.
3 Klik in het menu Taken op Snelkeuzelijst en andere faxinstellingen aanpassen.
4 Klik op de tab Bellen en antwoorden.
5 Selecteer de gewenste instelling in de keuzelijst Opnemen na.
6 Selecteer Aan in de keuzelijst Automatisch beantwoorden.
7 Klik op OK om de instelling op te slaan.
Het lampje Automatisch beantwoorden gaat branden op het bedieningspaneel. Als het aantal belsignalen dat u hebt ingesteld is bereikt, wordt de fax automatisch ontvangen door de printer.
Snelkeuze instellen
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het gedeelte Instellingen van het welkomstvenster op Faxgeschiedenis en -instellingen.
3 Klik in het menu Taken op Snelkeuzelijst en andere faxinstellingen aanpassen.
4 Klik op de tab Snelkeuze.
5 U voegt als volgt een nieuw faxnummer toe aan de snelkeuzelijst:
a Klik op de eerste lege regel van de lijst.
b Voer een faxnummer in.
c Plaats de cursor in het veld Contactpersoon.
d Voer een naam van een contactpersoon in.
e Geef desgewenst faxnummers op op regels 2-89 waarbij u de bovenstaande stappen volgt.
6 U voegt als volgt een faxgroep toe:
a Blader naar beneden en klik op regel 90.
Er verschijnt een nieuw invoervak.
b Klik op de eerste lege regel van de lijst.
c Voer maximaal 30 faxnummers in voor de groep.
d Plaats de cursor in het veld Contactpersoon.
e Voer een naam van een contactpersoon in.
f Herhaal deze stappen om desgewenst extra groepen toe te voegen op regels 91–99.
7 Klik op OK om de vermeldingen op te slaan.
Opmerkingen:
- U kunt een telefoonkaartnummer opnemen als onderdeel van het faxnummer.
- Een faxnummer kan uit maximaal 64 cijfers, komma's, punten, spaties en/of de volgende symbolen bestaan: * # + - ( ).
Rapporten met faxgebeurtenissen afdrukken
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het gedeelte Instellingen van het welkomstvenster op Faxgeschiedenis en -instellingen.
Fax Solutions Software wordt weergegeven.
3 Klik op de werkbalk op Hulpmiddelen → Faxgeschiedenis.
4 Klik op de knop Rapport afdrukken om af te drukken.
Gebruikte inktcartridge verwijderen
1 Controleer of de printer is ingeschakeld.
2 Til de scannereenheid op.
De cartridgehouder wordt naar de laadpositie verplaatst, tenzij de printer actief is.

3 Druk de klep van de cartridgehouder naar beneden om het deksel van de cartridgehouder te openen.

4 Verwijder de gebruikte inktcartridge uit de printer.
Opmerking: als u beide inktcartridges verwijdert, herhaalt u stap 3 en 4 voor de tweede inktcartridge.
Inktcartridges installeren
1 Open de printer.

2 Druk de cartridgehouderhendels naar beneden.

3 Verwijder de gebruikte inktcartridge of inktcartridges uit de printer. Zie voor meer informatie "Gebruikte inktcartridge verwijderen" op pagina 135.
4 Als u nieuwe inktcartridges installeert, verwijdert u de tape van de achter- en onderkant van de zwarte inktcartridge en plaatst u de cartridge in de linkerhouder.

Waarschuwing: raak het goudkleurige contactgedeelte aan de achterkant van de cartridge of de metalen spuitopeningen aan de onderkant van de cartridge niet aan.
5 Sluit het deksel van de houder met de zwarte inktcartridge.

6 Verwijder de tape van de achter- en onderkant van de kleureninktcartridge en plaats de cartridge in de rechterhouder.

Waarschuwing: raak het goudkleurige contactgedeelte aan de achterkant van de cartridge of de metalen spuitopeningen aan de onderkant van de cartridge niet aan.
7 Sluit het deksel van de houder met de kleureninktcartridge.

8 Sluit de printer en zorg dat uw handen niet bekneld raken onder de scannereenheid.

Op het bedieningspaneel verschijnt een bericht waarin u wordt gevraagd papier in de printer te plaatsen en op √ te drukken om een uitlijningspagina af te drukken.
Opmerking: de printer moet zijn gesloten voordat u een nieuwe scan-, afdruk- of kopieertaak kunt starten.
Inktcartridges opnieuw vullen
De garantievoorwaarden zijn niet van toepassing op reparaties als gevolg van storingen en schade veroorzaakt door opnieuw gevulde cartridges. Lexmark raadt het gebruik van opnieuw gevulde cartridges af. Dergelijke cartridges verminderen de afdrukkwaliteit en kunnen schade aan de printer toebrengen. Gebruik voor de beste resultaten alleen Lexmark supplies.
Inktcartridges van Lexmark gebruiken
Lexmark printers, inktcartridges en fotopapier zijn ontworpen om samen een zeer goede afdrukkwaliteit te leveren.
Als het bericht Originele Lexmark inkt op wordt weergegeven, is de Lexmark inkt in de aangegeven inktcartridge op.
Als u denkt dat u een originele nieuwe Lexmark inktcartridge hebt aangeschaft, maar het bericht Originele Lexmark inkt op verschijnt toch:
1 Klik op Meer informatie in het bericht.
2 Klik op Niet-Lexmark inktcartridge rapporteren.
Ga als volgt te werk als u wilt voorkomen dat het bericht nogmaals wordt weergegeven voor de aangegeven cartridge (s):
- Vervang de cartridge(s) door nieuwe Lexmark inktcartridge(s).
- Als u afdrukt vanaf een computer, klikt u op Meer informatie in het bericht, schakelt u het selectievakje in en klikt u op Sluit.
- Als u de printer gebruikt zonder een computer, klikt u op Annuleer.
De garantievoorwaarden van Lexmark zijn niet van toepassing op schade die is veroorzaakt door het gebruik van andere inktcartridges of inkt dan Lexmark inktcartridges of inkt.
Inktcartridges uitlijnen
1 Plaats normaal papier in de printer.
2 Druk op het bedieningspaneel op Instellingen.
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Onderhoud wordt weergegeven.
4 Druk op √
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Cartridges uitlijnen wordt weergegeven.
6 Druk op √
Er wordt een uitlijningspagina afgedrukt.
Als u de cartridges hebt uitgelijnd om de afdrukkwaliteit te verbeteren, drukt u het document nogmaals af. Als de afdrukkwaliteit niet is verbeterd, reinigt u de spuitopeningen van de inktcartridges.
Spuitopeningen van de inktcartridges reinigen
1 Plaats normaal papier in de printer.
2 Druk op Instellingen.
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Onderhoud wordt weergegeven.
4 Druk op √
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Cartridges reinigen wordt weergegeven.
6 Druk op √
Er wordt een pagina afgedrukt, waarbij inkt door de spuitopeningen wordt geperst om deze te reinigen.
7 Druk het document nogmaals af om te controleren of de kwaliteit is verbeterd.
8 Als de afdrukkwaliteit niet is verbeterd, voert u de reinigingsprocedure nog maximaal twee keer uit.
Spuitopeningen en contactpunten van de inktcartridge schoonvegen
1 Verwijder de inktcartridges uit de printer.
2 Maak een schone, pluisvrije doek vochtig met water en plaats de doek op een plat oppervlak.
3 Houd de spuitopeningen voorzichtig ongeveer drie seconden tegen de doek en veeg in de aangegeven richting.

4 Houd een ander schoon gedeelte van de doek ongeveer drie seconden tegen de contactpunten en veeg de contactpunten voorzichtig schoon in de aangegeven richting.

5 Met een schoon gedeelte van de doek herhaalt u stap 3 en stap 4.
6 Laat de spuitopeningen en de contactpunten volledig opdrogen.
7 Plaats de inktcartridges terug in de printer.
8 Druk het document nogmaals af.
9 Als de kwaliteit niet is verbeterd, reinigt u de spuitopeningen. Zie voor meer informatie "Spuitopeningen van de inktcartridges reinigen" op pagina 138.
10 Herhaal stap 9 nog maximaal twee keer uit.
11 Is de afdrukkwaliteit hierna nog steeds niet naar behoren, dan moet u de inktcartridges vervangen.
- Bewaar een nieuwe cartridge in de verpakking tot u de cartridge gaat installeren.
- Verwijder een cartridge alleen uit de printer als u de cartridge wilt vervangen of reinigen of wilt opbergen in een luchtdichte verpakking. Als u de cartridge langere tijd blootstelt aan de open lucht, kan de afdrukkwaliteit verminderen.
- Bewaar de foto-inktcartridge in de bijbehorende opslageenheid als deze niet wordt gebruikt.

1 Maak een schone, pluisvrije doek vochtig met water.
2 Veeg de glasplaat voorzichtig schoon.
Opmerking: controleer of alle inkt of correctievloeistof op een document droog is voordat u het document op de glasplaat plaatst.
Buitenkant van de printer reinigen
1 Controleer of de printer is uitgeschakeld en dat de stekker van het netsnoer uit het stopcontact is getrokken.

Let op: trek de stekker van het netsnoer uit het stopcontact en maak alle kabels los van de printer voordat u doorgaat om elektrische schokken te voorkomen.
2 Verwijder het papier uit de papiersteun en de papieruitvoerlade.
3 Maak een schone, pluisvrije doek vochtig met water.
Waarschuwing: Gebruik geen huishoudelijke schoonmaakmiddelen of afwasmiddelen. Deze kunnen het oppervlak van de printer beschadigen.
4 Veeg alleen de buitenkant van de printer schoon. Verwijder hierbij eventuele inktrresten die zijn achtergebleven op de papieruitvoerlade.
Waarschuwing: als u een vochtige doek gebruikt om de binnenkant van de printer te reinigen, kan de printer beschadigd raken.
5 Zorg ervoor dat de papiersteun en papieruitvoerlade droog zijn voordat u een nieuwe afdruktaak start.
Supplies bestellen
Cartridges bestellen
Lexmark 6500 Series modellen
| Item Artikelnummer Gemiddeld cartridgeendement voor normalepagina's is maximaal1 | ||
| Zwarte inktcartridge 42A 220 | ||
| Zwarte inktcartridge^2 | 42 220 | |
| Zwarte inktcartridge met hoog rendement | 44 500 | |
| Kleureninktcartridge 41A 210 | ||
| Kleureninktcartridge^2 | 41 210 | |
| Kleureninktcartridge met hoog rendement | 43 350 | |
| Foto-inktcartridge 40 Niet van toepassing | ||
| 1 Waarden op basis van doorlopend afdrukken. Vastgestelde rendementswaarde conform ISO/IEC 24711 (FDIS).2 Retourneerprogramma voor cartridges met licentie | ||
Papier en andere supplies bestellen
Als u supplies wilt bestellen of een leverancier in de buurt wilt zoeken, kunt u onze website bezoeken op www.lexmark.com.
Opmerkingen:
- Gebruik voor de beste resultaten alleen Lexmark inktcartridges.
- Gebruik Lexmark fotopapier of Lexmark Perfectfinish ^TM fotopapier wanneer u foto's of andere afbeeldingen van hoge kwaliteit afdrukt. Gebruik geen Lexmark premiumfotopapier. Uw inktcartridges zijn niet compatibel met deze papiersoort.
- Zorg ervoor dat u de afdrukzijde niet aanraakt met uw vingers of scherpe voorwerpen om vlekken en krassen te voorkomen. Voor de beste resultaten verwijdert u elk afgedrukt vel meteen uit de papieruitvoerlade en laat u de vellen ten minste 24 uur drogen voordat u ze op elkaar stapelt, laat zien of opbergt.
| Onderdeel Artikelnummer | |
| USB-kabel 1021294 | |
| Lexmark N2050 (interne, draadloze afdrukserver)Opmerking: als er in de printer geen interne, draadloze afdrukserver is geïnstalleerd, kunt u de Lexmark N2050 in de printer installeren en vervolgens afdrukken en scannen op een draadloos netwerk. | Ga voor meer informatie naar www.lexmark.com. |
| Ga voor meer informatie naar www.lexmark.com | |
| Papier Papierformaat | |
| Lexmark fotopapier | LetterA44 x 6 inch10 x 15 cm |
| Opmerking: de beschikbaarheid verschilt per land of regio. | |
| Lexmark PerfectFinish fotopapier | LetterA44 x 6 inch10 x 15 cmL |
| Opmerking: de beschikbaarheid verschilt per land of regio. | |
Voor informatie over het aanschaffen van Lexmark fotopapier of Lexmark PerfectFinish in uw land of regio gaat u naar www.lexmark.com.
Als u de printer installeert op een draadloos netwerk moet u het volgende controleren:
- Het draadloze netwerk werkt correct.
- De computer en printer zijn beide met hetzelfde draadloze netwerk verbonden.
- De printer bevindt zich binnen het bereik van het draadloze netwerk. Het effectieve bereik voor optimale prestaties is meestal 100 - 150 meter.
- De printer is niet in de buurt van andere elektronische apparaten geplaatst die storing kunnen veroorzaken met het draadloze signaal.
- De netvoeding is aangesloten op de printer en ⏻ brandt.
- Het Wi-Fi-lampje brandt groen.
- Het printerstuurprogramma is geïnstalleerd op de computer waarop u een taak uitvoert.
- De juiste printeroort is geselecteerd.
Installatieproblemen oplossen
Onjuiste taal wordt weergegeven op de display
Dit zijn mogelijke oplossingen. Voer een van de volgende handelingen uit:
Taal wijzigen tijdens eerste installatie
Nadat u een taal hebt geselecteerd, wordt Taal opnieuw weergegeven op de display. U wijzigt als volgt de instelling:
1 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de gewenste taal wordt weergegeven op de display.
2 Druk op om de instelling op te slaan.
Andere taal instellen na eerste installatie
1 Druk op het bedieningspaneel op Instellingen.
2 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot App.instlng wordt weergegeven.
3 Druk op √
4 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Taal verschijnt.
5 Druk op √
6 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de gewenste taal wordt weergegeven op de display.
7 Druk op √
8 Druk op ◀ of ▶ tot Ja verschijnt.
9 Druk op √om de instelling op te slaan.
Opmerking: zie als u de taal op de display niet begrijpt "Standaardfabrieksinstellingen van de printer herstellen" op pagina 179.
De aan/uit-knop brandt niet
Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Druk op de aan/uit-knop
Zorg dat de printer is ingeschakeld door op te drukken.
Maak het netsnoer los en sluit het snoer opnieuw aan
1 Trek de stekker van het netsnoer uit het stopcontact en maak het netsnoer los van de printer.
2 Sluit het netsnoer stevig aan op de netvoedingsaansluiting op de printer.

3 Sluit de printer aan op een stopcontact dat eerder voor andere elektrische apparaten is gebruikt.
4 Druk op ⏻ als het lampje ⏻ niet brandt.
Software wordt niet geïnstalleerd
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer het besturingssysteem
De volgende besturingssystemen worden ondersteund:
- Windows Vista
- Windows XP
- Windows 2000 met Service Pack 3 of later
- Mac OS X
Controleer uw systeemvereisten
Controleer of de computer voldoet aan de minimumvereisten die op de printerdoos worden vermeld.
Controleer de USB-aansluiting
Ga als volgt te werk als u de printer niet gebruikt op een draadloos netwerk:
1 Controleer of de USB-kabel niet is beschadigd.
2 Sluit het vierkante uiteinde van de USB-kabel stevig aan op de aansluiting achter op de printer.
3 Sluit het rechthoekige uiteinde van de USB-kabel stevig aan op de USB-poort van de computer.
De USB-poort wordt aangegeven met het USB-symbol
Sluit de netvoeding opnieuw aan
1 Druk op om de printer uit te zetten.
2 Trek de stekker van het netsnoer van de printer uit het stopcontact.
3 Maak de netvoeding voorzichtig los van de printer.
4 Sluit de netvoeding weer aan op de printer.
5 Steek de stekker van het netsnoer in het stopcontact.
6 Druk op om de printer aan te zetten.
Verwijder de software en installeer de software opnieuw
Verwijder de printersoftware en installeer de software opnieuw. Zie voor meer informatie "Verwijder de software en installeer de software opnieuw" op pagina 147.
Pagina wordt niet afgedrukt
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer de berichten
Zie als er een foutbericht wordt weergegeven "Foutberichten op het beeldscherm van de computer" op pagina 205.
Controleer de stroomvoorziening
Zie als het lampje niet brandt "De aan/uit-knop brandt niet" op pagina 144.
Plaats het papier opnieuw in de printer
Verwijder al het papier uit de printer en plaats het papier vervolgens terug in de printer.
Controleer de inkt
Controleer de inktvoorraden en installeer zo nodig nieuwe inktcartridges.
Controleer de cartridges
1 Verwijder de inktcartridges uit de printer.
2 Controleer of sticker en tape zijn verwijderd van de cartridge.

3 Plaats de cartridges terug in de printer.
Controleer de standaardinstellingen van de printer en de instellingen voor onderbreken
1 Klik op:
- Windows Vista: → Configuratiescherm → Printers (onder Hardware en geluid).
- Windows XP: Start → Printers en faxapparaten.
- Windows 2000: Start → Instellingen → Printers.
2 Dubbelklik op het afdrukwachtrijapparaat.
3 Klik op Printer.
- Controleer of de optie Afdrukken onderbreken is uitgeschakeld.
- Als er geen vinkje verschijnt naast Als standaardprinter instellen, moet u het afdrukwachtrijapparaat selecteren voor elk bestand dat u wilt afdrukken.
Sluit de netvoeding opnieuw aan
1 Druk op om de printer uit te zetten.
2 Trek de stekker van het netsnoer van de printer uit het stopcontact.
3 Maak de netvoeding voorzichtig los van de printer.
4 Sluit de netvoeding weer aan op de printer.
5 Steek de stekker van het netsnoer in het stopcontact.
6 Druk op om de printer aan te zetten.
Verwijder de software en installeer de software opnieuw
Verwijder de printersoftware en installeer de software opnieuw. Zie voor meer informatie "Verwijder de software en installeer de software opnieuw" op pagina 147.
Afdrukken vanaf de digitale PictBridge-camera is niet mogelijk
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Schakel afdrukken vanaf de PictBridge-camera in
Selecteer de juiste USB-modus op de camera om afdrukken via PictBridge in te schakelen. Raadpleeg de documentatie bij de digitale camera voor meer informatie.
Zorg dat u een digitale PictBridge-camera gebruikt
1 Maak de camera los van de printer.
2 Sluit een digitale PictBridge-camera aan op de PictBridge-poort. Raadpleeg de documentatie bij de digitale camera om te bepalen of deze geschikt is voor PictBridge.
Controleer de USB-kabel
Gebruik alleen de USB-kabel die bij de camera is geleverd.
Verwijder geheugenkaarten uit de printer
Verwijder eventuele geheugenkaarten uit de printer.
Controleer de berichten
Zie als er een foutbericht wordt weergegeven op de display "Foutberichten op het beeldscherm van de computer" op pagina 205.
Informatie over waarschuwingsniveaus
- Een groen vinkje geeft aan dat aan de systeemvereisten is voldaan.
-
Een geel vraagteken geeft aan dat er niet is voldaan aan de systeemvereisten. De meeste belangrijke functies werken, maar de prestaties kunnen worden beïnvloed.
-
Een rood vraagteken geeft aan dat er niet is voldaan aan de systeemvereisten. De meeste belangrijke functies werken niet.
- Een rode X geeft aan dat er niet is voldaan aan de systeemvereisten. De installatie wordt niet voortgezet.
Voor een goede installatie moet u ervoor zorgen dat de computer aan alle systeemvereisten voldoet. De systeemvereisten bevinden zich op de printerdoos.
Verwijder de software en installeer de software opnieuw
Als de printer niet juist werkt of als er een foutbericht over communicatie wordt weergegeven wanneer u de printer gebruikt, moet u wellicht de printersoftware verwijderen en opnieuw installeren.
1 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
2 Kies Installatie ongedaan maken.
3 Volg de aanwijzingen op het scherm om de printersoftware te verwijderen.
4 Start de computer opnieuw op voordat u de printersoftware weer installeert.
5 Klik op Annuleren in alle vensters van de wizard Nieuwe hardware gevonden.
6 Plaats de cd-rom in de computer en volg de aanwijzingen op het scherm om de software opnieuw te installeren.
Opmerking: als het installatievenster niet automatisch wordt weergegeven wanneer u de computer opnieuw hebt opgestart, klikt u op Starten → Uitvoeren en typ D:\setup, waarbij D de letter van het cd-rom-station is.
Als de software nog steeds niet correct kan worden geïnstalleerd, bezoekt u onze website op www.lexmark.com om te controleren of er nieuwe versies van de software beschikbaar zijn.
1 Selecteer uw land of regio (tenzij u in de Verenigde Staten woont).
2 Klik op de koppeling voor stuurprogramma's of voor downloads.
3 Selecteer de printerfamilie.
4 Selecteer het printermodel.
5 Selecteer het besturingssysteem.
6 Selecteer het bestand dat u wilt downloaden en volg de aanwijzingen op het scherm.
USB-poort activeren
U controleert als volgt of de USB-poort is geactiveerd op de computer:
1 Windows Vista: klik op → Configuratiescherm.
Windows XP: klik op Start → Configuratiescherm.
Windows 2000: klik op Start → Instellingen → Configuratiescherm.
2 Als u Windows Vista gebruikt, klikt u op het pictogram voor systeem en onderhoud en vervolgens op Apparaatbeheer.
Als u Windows XP of Windows 2000 gebruikt:
a Klik op Prestaties en onderhoud en klik vervolgens op het pictogram Systeem.
b Klik op de tab Hardware.
c Klik op Apparaatbeheer.
3 Klik op het plusteken (+) naast Universal Serial Bus Controller.
Als u USB-hostcontroller en USB-hoofdhub ziet staan, is de USB-poort geactiveerd.
Hebt u het probleem gevonden?
Ja Nee
Als u USB-hostcontroller en USB-hoofdhub niet ziet staan, is de USB-poort niet geactiveerd. Raadpleeg de documentatie bij de computer voor meer informatie.
Neem contact op met de klantenservice.
1 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
2 Klik op Printeroplossingen.
3 Klik op de tab Contactgegevens.
Problemen met de printercommunicatie oplossen
De printer kan geen gegevens uitwisselen met de computer.
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Stel bidirectionele communicatie in tussen de printer en de computer
Zie voor meer informatie "Bidirectionele communicatie is niet ingesteld" op pagina 177.
Controleer of de printer zich niet in de slaapstand bevindt
Als het aan/uit-lampje langzaam knippert, bevindt de printer zich in de slaapstaand.
1 Trek de stekker van de voedingskabel uit het stopcontact.
2 Steek na tien seconden de stekker van de voedingskabel weer in het stopcontact.
3 Druk op om de printer aan te zetten.
Problemen met draadloze functies oplossen
Hoe bepaal ik welk type beveiliging voor mijn netwerk wordt gebruikt?
De beveiligingssleutel en beveiligingsmodus zijn nodig om de printer in te stellen voor gebruik op het draadloze netwerk. Raadpleeg de documentatie bij de draadloze router, raadpleeg de webpagina voor de router of neem contact op met de persoon die het draadloze netwerk heeft opgezet als u niet beschikt over deze instellingen.
Controleer de beveiligingssleutels
Een beveiligingssleutel net als een wachtwoord. Alle apparaten op hetzelfde netwerk beschikken over dezelfde beveiligingssleutel.
Opmerking: noteer de beveiligingsleutel nauwkeurig, inclusief eventuele hoofdletter en bewaar deze op een veilige plaats, zodat u deze in de toekomst weer kunt gebruiken.
De beveiligingssleutel moet aan de volgende eisen voldoen.
WEP-sleutel
- Exact 10 of 26 hexadecimale tekens. Hexadecimale tekens zijn A-F en 0-9.
- Exact 5 of 13 hexadecimale tekens. ASCII-tekens zijn letters, cijfers en symbolen die op het toetsenbord worden weergegeven.
WPA-PSK- of WPA2-PSK-sleutel
- Maximaal 64 hexadecimale tekens. Hexadecimale tekens zijn A-F en 0-9.
- Tussen de 8 en 64 ASCII-tekens. ASCII-tekens zijn letters, cijfers en symbolen die op het toetsenbord worden weergegeven.
Printer is correct geconfigureerd maar kan niet op het netwerk gevonden worden
Controleer het volgende:
- De printer is aan en het lampje brandt.
- De printer bevindt zich binnen het bereik van het draadloze netwerk.
- De printer is niet in de buurt van andere elektronische apparaten geplaatst die storing kunnen veroorzaken met het draadloze signaal.
- Het draadloze netwerk gebruikt een unieke netwerknaam (SSID). Als dit niet het geval is, communiceert de printer/afdrukserver mogelijk via een netwerk in de buurt waarvoor dezelfde netwerknaam wordt gebruikt.
- De printer heeft een geldig IP-adres op het netwerk.
Draadloze netwerkprinter drukt niet af
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer de stroomvoorziening
Controleer of het lampje brandt.
Controleer de kabel
- Het netsnoer is aangesloten op de printer en het stopcontact.
- De USB- of installatiekabel is niet aangesloten.
Controleer of de Wi-Fi-aanduiding brandt
Controleer of het Wi-Fi-lampje groen brandt. Zie 'Wi-Fi-aanduiding brandt oranje' of 'Wi-Fi-aanduiding knippert oranje tijdens de installatie' in het gedeelte 'Problemen met draadloze netwerken oplossen' als het lampje niet groen is.
Controleer of het printerstuurprogramma is geïnstalleerd
Controleer of het printerstuurprogramma is geïnstalleerd op de computer waarmee u de afdruktaak verzendt.
1 Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op → Configuratiescherm → Printers.
- Windows XP: klik op Start → Instellingen → Printers en faxapparaten.
- Windows 2000: klik op Start → Instellingen → Printers.
Als het printerpictogram niet wordt weergegeven, is het printerstuurprogramma niet geïnstalleerd.
2 Als het printerstuurprogramma niet geïnstalleerd is, plaatst u de cd met installatiesoftware in de computer.
3 Volg de aanwijzingen op het scherm.
Opmerking: u moet het printerstuurprogramma installeren op elke computer die met de netwerkprinter wordt gebruikt.
Controleer of de printer is aangesloten op het draadloze netwerk
1 Druk een netwerkconfiguratiepagina af. Zie 'Netwerkconfiguratiepagina afdrukken' voor meer informatie.
2 Controleer of 'Status: Aangesloten' verschijnt onder Netwerkkaart.
Start de computer opnieuw op
Zet de computer uit en start deze opnieuw op.
Controleer de printerpoorten
Controleer of de juiste printerpoort is geselecteerd.
1 Klik op:
- Windows Vista: → Configuratiescherm → Printers.
- Windows XP: Start → Instellingen → Printers en faxapparaten.
- Windows 2000 en eerder: Start → Instellingen → Printers.
2 Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Eigenschappen → Poorten.
4 Controleer of XXXX_Series_nnnnnn_P1 is geselecteerd, waarbij XXXX het serienummer van de printer is en nnnnnn de laatste zes cijfers van het MAC-adres van de printer zijn.
Opmerking: het MAC-adres vindt u op de achterkant van de printer naast het serienummer.
5 Als in plaats daarvan USB is geselecteerd:
a Selecteer de poortnaam in stap 4.
b Klik op Toepassen.
c Sluit het venster en probeer opnieuw af te drukken.
Installeer de software opnieuw
Verwijder de printersoftware en installeer deze opnieuw.
Opmerking: als er meerdere printers worden weergegeven in de lijst waarin u de printer kunt selecteren, selecteert u de printer met het MAC-adres dat overeenkomt met het adres op de achterkant van de printer.
Netwerkprinter wordt niet weergegeven in de keuzelijst met printers tijdens de installatie
Controleer of de printer zich in hetzelfde draadloze netwerk bevindt als de computer
De SSID van de printer moet overeenkomen met de SSID van het draadloze netwerk.
1 Als u de SSID van het netwerk niet weet, voert u de volgende procedure uit om de SSID te verkrijgen voordat u het hulpprogramma voor draadloze configuratie opnieuw uitvoert.
a Geef het IP-adres van uw draadloze toegangspunt (draadloze router) op in de adresbalk van uw browser.
Als u het IP-adres van het draadloze toegangspunt (draadloze router) niet weet:
1 Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op → Alle programma's → Bureau-accessoires → Opdrachtprompt.
- Windows XP: klik op Start → Programma's of Alle programma's → Bureau-accessoires → Opdrachtprompt.
2 Typ ipconfig.
3 Druk op Enter.
- Het item Standaardgateway geeft gewoonlijk het draadloze toegangspunt (draadloze router) aan.
- Het IP-adres bestaat uit vier sets met cijfers gescheiden door punten: 192.168.0.100.
b Geef uw gebruikersnaam en wachtwoord op als dit wordt gevraagd.
c Klik op OK.
d Klik op de hoofdpagina op Draadloos of een andere optie waar de instellingen worden opgeslagen. De SSID wordt weergegeven.
e Noteer de SSID, het beveiligingstype en de beveiligingssleutels, als deze worden weergegeven.
Opmerking: noteer de gegevens nauwkeurig, inclusief eventuele hoofdletters.
2 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Draadloze configuratie.
Opmerking: als onderdeel van de configuratieprocedure wordt u mogelijk gevraagd om de printer opnieuw aan te sluiten op de computer met de installatiekabel.
4 Volg de aanwijzingen op het scherm en geef de SSID van het draadloze toegangspunt (draadloze router) en de beveiligingssleutels op als dit wordt gevraagd.
5 Bewaar de SSID en de beveiligingssleutels op een veilige plaats, zodat u deze in de toekomst weer kunt gebruiken.
Wi-Fi-aanduiding brandt niet
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer de stroomvoorziening
Controleer of het aan/uit-lampje van de printer brandt. Zie 'De aan/uit-knop brandt niet' voor meer informatie.
Verwijder de optionele interne afdrukserver en installeer deze opnieuw
Opmerking: deze oplossing is niet van toepassing op printers waarin de interne, draadloze afdrukserver al was geïnstalleerd.
Installeer de interne, draadloze afdrukserver opnieuw. Zie 'Optionele interne, draadloze afdrukserver installeren' voor meer informatie.
Wi-Fi-aanduiding knippert oranje tijdens de installatie
Als de Wi-Fi-aanduiding oranje knippert tijdens de installatie, geeft dit aan dat de printer is geconfigureerd voor gebruik op een draadloos netwerk maar geen verbinding kan maken met het netwerk waarvoor de printer is geconfigureerd. De printer kan wellicht geen verbinding maken met het netwerk vanwege een storing of de afstand tot het draadloze toegangspunt (draadloze router), of omdat de instellingen zijn gewijzigd.
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer of het toegangspunt is ingeschakeld
Controleer het toegangspunt en schakel het zo nodig in.
Verplaats het draadloze toegangspunt (draadloze router) om storing te verminderen
Er kan een tijdelijke storing worden veroorzaakt door andere apparatuur zoals magnetrons of andere apparaten, draadloze telefoons, babyfoons en camera's van beveiligingssystemen. Controleer of het draadloze toegangspunt (draadloze router) niet te dicht bij deze apparaten is geplaatst.
Probeer de externe antennes aan te passen
Antennes werken meestal het beste als ze naar boven zijn gericht. De ontvangst kan verbeteren als u verschillende hoeken uitprobeert voor de antennes van uw printer en/of draadloze toegangspunt (draadloze router).
Verplaats de computer en/of printer
Verplaats de computer en/of printer dichter naar het draadloze toegangspunt (draadloze router). Hoewel de mogelijk afstand tussen apparaten in 802.11b- of 802.11g-netwerken 90 meter is, is het effectieve bereik voor optimale prestaties meestal 30-46 meter.
U kunt de signaalsterkte van het netwerk vinden op de netwerkconfiguratiepagina. Zie voor informatie over het afdrukken van een configuratiepagina "Netwerkconfiguratieprogramma afdrukken" op pagina 53.
Controleer de beveiligingssleutels
Controleer of de beveiligingssleutels juist zijn. Zie voor meer informatie “Controleer de beveiligingssleutels” op pagina 148.
Controleer het MAC-adres
Als op het netwerk een filter voor MAC-adressen wordt gebruikt, moet u het MAC-adres van de printer opgeven. Zie als u meer informatie nodig hebt over het vinden van het MAC-adres "MAC-adres zoeken" op pagina 52.
Ping het draadloze toegangspunt (draadloze router) om te controleren of het netwerk werkt
1 Zoek het IP-adres van het toegangspunt op als u dit niet weet:
a Klik op:
- Windows Vista: 📋 → Alle programma's → Bureau-accessoires → Opdrachtprompt.
- Windows XP en eerder: Start → Programma's of Alle programma's → Bureau-accessoires → Opdrachtprompt.
b Typ ipconfig.
c Druk op Enter.
- Het item Standaardgateway geeft gewoonlijk het draadloze toegangspunt (draadloze router) aan.
- Het IP-adres bestaat uit vier sets met cijfers gescheiden door punten: 192.168.0.100. Het IP-adres kan ook beginnen met de cijfers 10 of 169. Dit wordt bepaald door het besturingssysteem of de software voor het draadloze netwerk.
2 Ping het draadloze toegangspunt (draadloze router).
a Klik op:
- Windows Vista: 📋 → Alle programma's → Bureau-accessoires → Opdrachtprompt.
- Windows XP en eerder: Start → Programma's of Alle programma's → Bureau-accessoires → Opdrachtprompt.
b Typ ping gevolgd door een spatie en het IP-adres van het draadloze toegangspunt (draadloze router). Bijvoorbeeld:
ping 192.168.0.100
c Druk op Enter.
3 Als het draadloze toegangspunt (draadloze router) reageert, worden verschillende regels weergegeven die beginnen met 'Antwoord van'. Zet de printer uit en weer aan.
4 Als het draadloze toegangspunt (draadloze router) niet reageert, wordt er na een aantal seconden 'Time-out bij opdracht' weergegeven.
Probeer het volgende:
a Klik op:
- Windows Vista: → Configuratiescherm → Netwerk en internet → Netwerkcentrum
- Windows XP en eerder: Start → Instellingen of Configuratiescherm → Netwerkverbinding
b Selecteer de juiste verbinding in het overzicht.
Opmerking: als de computer is verbonden met het toegangspunt (router) via een Ethernet-kabel, mag de naam van de verbinding niet het woord 'draadloos' bevatten.
c Klik met de rechtermuisknop op de verbinding en kies Herstellen.
Voer het hulpprogramma voor draadloze installatie opnieuw uit
Als de draadloze instellingen zijn gewijzigd, moet u het hulpprogramma opnieuw uitvoeren. Er zijn de volgende oorzaken waardoor de instellingen kunnen zijn gewijzigd: u hebt handmatig de WEP- of WPA-sleutels, het kanaal, of andere netwerkinstellingen gewijzigd, of het draadloze toegangspunt (draadloze route) is teruggezet naar de standaardfabrieksinstellingen.
Opmerkingen:
- Als u de netwerkinstellingen wijzigt, moet u deze op alle netwerkapparaten wijzigen voordat u de instellingen wijzigt voor het draadloze toegangspunt (draadloze router).
- Als u de instellingen voor het draadloze netwerk hebt gewijzigd op het draadloze toegangspunt (draadloze router), moet u de instellingen wijzigen op alle andere netwerkapparaten voordat u deze kunt zien op het netwerk.
1 Klik op:
- Windows Vista:
- Windows XP en eerder: Start.
2 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Draadloze configuratie.
Opmerking: als onderdeel van de configuratieprocedure wordt u mogelijk gevraagd om de printer opnieuw aan te sluiten op de computer met de installatiekabel.
4 Volg de aanwijzingen op het scherm.
Wi-Fi-aanduiding brandt oranje
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer de kabel
Controleer of de installatiekabel niet is aangesloten op de printer.
Configureer de optionele interne, draadloze afdrukserver
Opmerking: deze oplossing is niet van toepassing op printers waarin de interne, draadloze afdrukserver in de fabriek is geïnstalleerd.
Zie 'Optionele interne, draadloze afdrukserver configureren' in het hoofdstuk 'Printer instellen' als u de optionele interne draadloze afdrukserver hebt aangeschaft nadat de printer al was geconfigureerd.
Controleer de netwerknaam
Uw netwerk mag niet dezelfde naam hebben als een ander netwerk bij u in de buurt. Als u en uw buurman bijvoorbeeld de standaardnetwerknaam van de fabrikant gebruiken, kan de printer verbinding maken met het netwerk van uw buurman.
Als u geen unieke netwerknaam gebruikt, raadpleegt u de documentatie voor het draadloze toegangspunt (draadloze router) om een nieuwe netwerknaam in te stellen.
Als u een netwerknaam instelt, moet u de SSID van de printer en computer terugzetten naar dezelfde netwerknaam.
Zie voor meer informatie 'Netwerknaam controleren' in het gedeelte 'Problemen met draadloze netwerken oplossen'.
Controleer de beveiligingssleutels
Controleer of de beveiligingssleutels juist zijn. Zie voor meer informatie "Controleer de beveiligingssleutels" op pagina 148.
Verplaats de computer en/of printer
Verplaats de computer en/of printer dichter naar het draadloze toegangspunt (draadloze router). Hoewel de mogelijk afstand tussen apparaten in 802.11b- of 802.11g-netwerken 90 meter is, is het effectieve bereik voor optimale prestaties meestal 30-46 meter.
U kunt de signaalsterkte van het netwerk vinden op de netwerkconfiguratiepagina. Zie voor informatie over het afdrukken van een configuratiepagina "Netwerkconfiguratieprogramma afdrukken" op pagina 53.
Controleer het MAC-adres
Als op het netwerk een filter voor MAC-adressen wordt gebruikt, moet u het MAC-adres van de printer opgeven. Zie als u meer informatie nodig hebt over het vinden van het MAC-adres "MAC-adres zoeken" op pagina 52.
Draadloze printer werkt niet meer
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer de stroomvoorziening
- Controleer of het aan/uit-lampje van de printer brandt. Zie 'De aan/uit-knop brandt niet' in het hoofdstuk 'Problemen oplossen' voor meer informatie.
- Controleer of het draadloze toegangspunt (draadloze router) is ingeschakeld.
Verplaats het draadloze toegangspunt (draadloze router) om storing te verminderen
Er kan een tijdelijke storing worden veroorzaakt door andere apparatuur zoals magnetrons of andere apparaten, draadloze telefoons, babyfoons en camera's van beveiligingssystemen. Controleer of het draadloze toegangspunt (draadloze router) niet te dicht bij deze apparaten is geplaatst.
Verplaats de computer en/of printer
Verplaats de computer en/of printer dichter naar het draadloze toegangspunt (draadloze router). Hoewel de mogelijke afstand tussen apparaten in 802.11b- of 802.11g-netwerken 90 meter is, is het effectieve bereik voor optimale prestaties meestal 30 - 46 meter.
U kunt de signaalsterkte van het netwerk vinden op de netwerkconfiguratiepagina. Zie 'Netwerkconfiguratieprogramma afdrukken' in het hoofdstuk 'Netwerk' voor meer informatie.
Probeer de externe antennes aan te passen
Antennes werken meestal het beste als ze naar boven zijn gericht. De ontvangst kan verbeteren als u verschillende hoeken uitprobeert voor de antennes van uw printer en/of draadloze toegangspunt (draadloze router).
Controleer de netwerknaam
De netwerknaam, of Service Set identifier (SSID), is een instelling op een draadloos apparaat waarmee apparaten verbinding kunnen maken met hetzelfde draadloze netwerk.
Zie voor meer informatie 'Netwerknaam controleren' voor Windows of Mac in het gedeelte 'Problemen met draadloze netwerken oplossen'.
Start de computer opnieuw op
Zet de computer uit en start deze opnieuw op.
Ping het draadloze toegangspunt
Ping het draadloze toegangspunt (draadloze router) om te controleren of het netwerk werkt.
Zie voor meer informatie 'Het toegangspunt pingen' voor Windows of Mac in het gedeelte 'Problemen met draadloze netwerken oplossen'.
Ping de printer
Ping de printer om te controleren of deze is verbonden met het netwerk.
Zie voor meer informatie 'De printer pingen' voor Windows of Mac in het gedeelte 'Problemen met draadloze netwerken oplossen'.
Voer de installatie voor draadloos gebruik opnieuw uit
Als de draadloze instellingen zijn gewijzigd, moet u de installatie van de printer opnieuw uitvoeren. Er zijn de volgende oorzaken waardoor de instellingen kunnen zijn gewijzigd: u hebt handmatig de WEP- of WPA-sleutels, het kanaal, of andere netwerkinstellingen gewijzigd, of het draadloze toegangspunt (draadloze route) is teruggezet naar de standaardfabrieksinstellingen.
Opmerkingen:
- Als u de netwerkinstellingen wijzigt, moet u deze op alle netwerkapparaten wijzigen voordat u de instellingen wijzigt voor het draadloze toegangspunt (draadloze router).
- Als u de instellingen voor het draadloze netwerk hebt gewijzigd op het draadloze toegangspunt (draadloze router), moet u de instellingen wijzigen op alle andere netwerkapparaten voordat u deze kunt zien op het netwerk.
Zie voor meer informatie 'Hulpprogramma voor draadloze configuratie uitvoeren' voor Windows of 'Assistent voor draadloze configuratie uitvoeren' voor Mac.
Draadloze instellingen wijzigen na de installatie
Als u het wachtwoord, de netwerknaam of een andere draadloze instelling wilt wijzigen, moet u het hulpprogramma voor draadloze configuratie opnieuw uitvoeren. Zie voor meer informatie 'Hulpprogramma voor draadloze configuratie uitvoeren' voor Windows of 'Assistent voor draadloze configuratie uitvoeren' voor Mac.
Interne, draadloze afdrukserver opnieuw instellen op standaardfabrieksinstellingen
U moet wellicht een ander draadloos netwerk selecteren tijdens het installatieproces.
1 Druk op Instellingen.
2 Druk herhaaldelijk op ◀ or ▶ tot Netwerk instellen verschijnt.
3 Druk op √
4 Druk herhaaldelijk op ◀ or ▶ tot Draadloze configuratie verschijnt.
5 Druk op √
6 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Netwerkadapter opnieuw instellen op standaardfabrieksinstellingen verschijnt.
7 Druk op √
Het volgende bericht wordt weergegeven: Hiermee worden alle draadloze netwerkinstellingen opnieuw ingesteld. Weet u het zeker?
8 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Ja verschijnt.
9 Druk op √
Draadloze instellingen wissen verschijnt.
Opmerkingen:
- Het kan 30-60 seconden duren voordat de instellingen zijn gewist.
- De Wi-Fi-aanduiding wordt oranje.
Printer kan geen verbinding maken met het draadloze netwerk
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer of de computer is verbonden met het draadloze toegangspunt (draadloze router)
- Open uw webbrowser en ga naar een willekeurige site om te controleren of u toegang hebt tot internet.
- Als er andere computers of bronnen zijn verbonden met het draadloze netwerk, controleert u of u toegang hebt vanaf uw computer.
Verplaats de computer en/of printer dichter naar het draadloze toegangspunt
Hoewel de mogelijke afstand tussen apparaten in 802.11b- of 802.11g-netwerken 90 meter is, is het effectieve bereik voor optimale prestaties meestal 30 - 46 meter.
Probeer de printer opnieuw in te stellen door het hulpprogramma voor draadloze configuratie opnieuw uit te voeren.
1 Selecteer een van de volgende opties:
- Windows Vista: klik op
- Windows XP en eerder: Klik op Start.
2 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Draadloze configuratie.
Opmerking: als onderdeel van de configuratieprocedure wordt u mogelijk gevraagd om de printer opnieuw aan te sluiten op de computer met de installatiekabel.
4 Volg de aanwijzingen op het scherm.
Controleer of de printer zich in hetzelfde draadloze netwerk bevindt als de computer
De SSID van de printer moet overeenkomen met de SSID van het draadloze netwerk.
Als u de SSID van het netwerk niet weet, voert u de volgende procedure uit om deze te verkrijgen voordat u het hulpprogramma voor draadloze configuratie weer uitvoert om de printer opnieuw te installeren.
1 Geef het IP-adres van uw draadloze toegangspunt (draadloze router) op in de adresbalk van uw browser.
Als u het IP-adres van het draadloze toegangspunt (draadloze router) niet weet:
a Klik op:
- Windows Vista: 📋 → Alle programma's → Bureau-accessoires → Opdrachtprompt.
- Windows XP en eerder: Start → Programma's of Alle programma's → Bureau-accessoires → Opdrachtprompt.
b Typ ipconfig.
c Druk op Enter.
- Het item Standaardgateway geeft gewoonlijk het draadloze toegangspunt (draadloze router) aan.
- Het IP-adres bestaat uit vier sets met cijfers gescheiden door punten: 192.168.0.100. Het IP-adres kan ook beginnen met de cijfers 10 of 169. Dit wordt bepaald door het besturingssysteem of de software voor het draadloze netwerk.
2 Geef uw gebruikersnaam en wachtwoord op als dit wordt gevraagd.
3 Klik op OK.
4 Klik op de hoofdpagina op Draadloos of een andere optie waar de instellingen worden opgeslagen. De SSID wordt weergegeven.
5 Noteer de SSID, het beveiligingstype en de beveiligingssleutels, als deze worden weergegeven.
Opmerking: noteer de gegevens nauwkeurig, inclusief eventuele hoofdletters.
6 Bewaar de SSID en de beveiligingssleutels op een veilige plaats, zodat u deze in de toekomst weer kunt gebruiken.
Controleer de beveiligingssleutels
Een beveiligingssleutel is gelijk aan een wachtwoord. Alle apparaten op hetzelfde netwerk beschikken over dezelfde beveiligingssleutel.
- Als u WPA-beveiliging gebruikt, moet u de juiste code invoeren. Beveiligingssleutels zijn hoofdlettergevoelig.
- Als u WEP-beveiliging gebruikt, moet u de sleutel invoeren als een serie tekens (0-9) en letters (A-F).
Opmerking: raadpleeg de documentatie van het draadloze netwerk of neem contact op met de persoon die het draadloze netwerk heeft opgezet als u niet beschikt over deze gegevens.
Controleer de geavanceerde beveiligingsinstellingen
- Als u een filter voor MAC-adressen gebruikt om toegang tot uw draadloze netwerk te beperken, moet u het MAC-adres van de printer toevoegen aan de lijst van adressen die is toegestaan voor verbinding met uw draadloze toegangspunt (draadloze router).
- Als u het draadloze toegangspunt (draadloze router) instelt zodat een beperkt aantal IP-adressen wordt toegewezen, moet u dit aanpassen zodat de printer kan worden toegevoegd.
Opmerking: raadpleeg de documentatie van het draadloze netwerk of neem contact op met de persoon die het draadloze netwerk heeft opgezet als u niet weet hoe u deze wijzigingen moet aanbrengen.
Hulpprogramma voor draadloze configuratie kan niet communiceren met de printer tijdens de installatie (alleen gebruikers van Windows)
Voor Windows-gebruikers zijn er verschillende oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer de stroomvoorziening
Zie 'De aan/uit-knop brandt niet' als het lampje niet brandt.
Controleer de installatiekabel
1 Maak de installatiekabel los en controleer of deze niet is beschadigd.
2 Sluit het rechthoekige uiteinde van de USB-kabel stevig aan op de USB-poort van de computer.
De USB-poort wordt aangegeven met het USB-symbool
3 Sluit het vierkante uiteinde van de USB-kabel stevig aan op de USB-poort aan de achterkant van de printer.
4 Annuleer de installatie van de software.
5 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
6 Klik op Hulpprogramma voor draadloze configuratie.
7 Volg de aanwijzingen op het scherm om de software opnieuw te installeren.
Netwerknaam controleren (alleen voor Windows)
Uw netwerk mag niet dezelfde naam hebben als een ander netwerk bij u in de buurt. Als u en uw buurman bijvoorbeeld de standaardnetwerknaam van de fabrikant gebruiken, kan de printer verbinding maken met het netwerk van uw buurman.
Als u geen unieke netwerknaam gebruikt, raadpleegt u de documentatie voor het draadloze toegangspunt (draadloze router) om een nieuwe netwerknaam in te stellen.
Als u een netwerknaam instelt, moet u de SSID van de printer en computer terugzetten naar dezelfde netwerknaam.
- Raadpleeg de documentatie bij de computer om de netwerknaam van de computer terug te zetten.
- De printernaam terugzetten:
- Raadpleeg de documentatie bij de computer om de netwerknaam van de computer terug te zetten. - De printernaam terugzetten:
1 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
2 Klik op Hulpprogramma voor draadloze configuratie.
3 Volg de aanwijzingen op het scherm en geef de nieuwe netwerknaam op als dit wordt gevraagd.
Het toegangspunt pingen
1 Zoek het IP-adres van het draadloze toegangspunt (draadloze router) op als u dit niet weet:
a Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op → Alle programma's → Bureau-accessoires → Opdrachtprompt.
- Windows XP: klik op Start → Programma's of Alle programma's → Bureau-accessoires → Opdrachtprompt.
b Typ ipconfig.
c Druk op Enter.
- Het item Standaardgateway geeft gewoonlijk het draadloze toegangspunt (draadloze router) aan.
- Het IP-adres bestaat uit vier sets met cijfers gescheiden door punten: 192.168.0.100.
2 Ping het draadloze toegangspunt (draadloze router).
a Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op → Alle programma's → Bureau-accessoires → Opdrachtprompt.
- Windows XP: klik op Start → Programma's of Alle programma's → Bureau-accessoires → Opdrachtprompt.
b Typ ping gevolgd door een spatie en het IP-adres van het draadloze toegangspunt (draadloze router). Bijvoorbeeld:
ping 192.168.0.100
c Druk op Enter.
3 Als het draadloze toegangspunt (draadloze router) reageert, worden verschillende regels weergegeven die beginnen met 'Antwoord van'. Zet de printer uit en weer aan.
4 Als het draadloze toegangspunt (draadloze router) niet reageert, wordt er na een aantal seconden 'Time-out bij opdracht' weergegeven.
a Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op → Configuratiescherm → Netwerk en internet → Netwerkcentrum.
- Windows XP: klik op Start → Instellingen of Configuratiescherm → Netwerkverbinding.
b Selecteer de juiste verbinding in het overzicht.
Opmerking: als de computer is verbonden met het toegangspunt (router) via een Ethernet-kabel, mag de naam van de verbinding niet het woord 'draadloos' bevatten.
c Klik met de rechtermuisknop op de verbinding en kies Herstellen.
De printer pingen
1 Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op → Alle programma's → Bureau-accessoires → Opdrachtprompt.
- Windows XP: klik op Start → Programma's of Alle programma's → Bureau-accessoires → Opdrachtprompt.
2 Typ ping gevolgd door het IP-adres van de printer. Bijvoorbeeld:
ping 192.168.0.25
3 Druk op Enter.
4 Als de printer reageert, worden verschillende regels weergegeven die beginnen met 'Antwoord van'.
Zet de printer uit en weer aan en probeer de afdruktaak opnieuw te verzenden.
5 Als de printer niet reageert, wordt 'Time-out bij opdracht.' weergegeven.
a Controleer of de computer een draadloos IP-adres heeft.
1 Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op → Alle programma's → Bureau-accessoires → Opdrachtprompt.
- Windows XP: klik op Start → Programma's of Alle programma's → Bureau-accessoires → Opdrachtprompt.
2 Typ ipconfig.
3 Druk op Enter.
4 Zoek het draadloze IP-adres van de computer in het venster Windows IP-configuratie dat verschijnt.
Opmerking: de computer heeft wellicht een IP-adres voor een bedraad netwerk, een draadloos netwerk of beide.
5 Als de computer geen IP-adres heeft, raadpleegt u de documentatie die bij het draadloze toegangspunt (draadloze router) is geleverd voor informatie over het aansluiten van de computer op het draadloze netwerk.
b De printer moet wellicht opnieuw worden geconfigureerd voor nieuwe instellingen voor het draadloze netwerk. Zie 'Hulpprogramma voor draadloze configuratie uitvoeren' voor meer informatie.
Hulpprogramma voor draadloze configuratie uitvoeren (Windows)
1 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
2 Klik op Hulpprogramma voor draadloze configuratie.
Opmerking: als onderdeel van de configuratieprocedure wordt u mogelijk gevraagd om de printer opnieuw aan te sluiten op de computer met de installatiekabel.
3 Volg de aanwijzingen op het scherm.
Printerpoorten controleren (alleen Mac-gebruikers)
Controleer of de juiste printerpoort is geselecteerd.
1 Klik op Start → Configuratiescherm → Printers.
2 Klik met de rechtermuisknop op Lexmark XXXX waarbij XXXX het serienummer van de printer is.
3 Klik op Eigenschappen → Poorten.
4 Controleer of XXXX_Series_nnnnnn_P1 is geselecteerd, waarbij XXXX het serienummer van de printer is en nnnnnn de laatste zes cijfers van het MAC-adres van de printer zijn.
Opmerking: het MAC-adres vindt u op de achterkant van de printer naast het serienummer.
5 Als in plaats daarvan USB is geselecteerd:
a Selecteer de poortnaam in stap 4.
b Klik op Toepassen.
c Sluit het venster en probeer opnieuw af te drukken.
Problemen met afdrukken oplossen
Foto van 4 x 6 inch (10 x 15 cm) wordt slechts gedeeltelijk afgedrukt met een digitale PictBridge-camera
Controleer of het fotoformaat en papierformaat correct zijn ingesteld
Het foutbericht Fout met papier- of fotoformaat wordt weergegeven als het geselecteerde fotoformaat niet overeenkomt met het ingestelde papierformaat. Doorgaans gebeurt dit als u wilt afdrukken vanaf uw digitale PictBridge-camera. Mogelijk is de menuoptie Fotoformaat op het bedieningspaneel van de printer nog ingesteld op 8,5 x 11 inch of 5 x 7 inch, maar hebt u op de camera het afdrukformaat 4 x 6 inch of L ingesteld.
Controleer of u het fotoformaat hebt ingesteld op 4 x 6 inch of 10 x 15 cm, afhankelijk van welk standaardfotoformaat wordt gebruikt in uw land of regio.
- Controleer of fotopapier van het formaat 4 x 6 inch (10 x 15 cm) correct in de papiersteun is geplaatst.
- Als u op de digitale Pictbridge-camera de afdrukinstelling kunt aanpassen, stelt u op de camera het afdrukformaat in op 4 x 6 inch (10 x 15 cm).
- Als u het papierformaat niet kunt wijzigen via de camera, gebruikt u het bedieningspaneel om het papierformaat in te stellen op 4 x 6 inch (10 x 15 cm).
1 Sluit het ene uiteinde van de USB-kabel die bij de camera is geleverd, aan op de camera en het andere uiteinde op de PictBridge-poort aan de voorkant van de printer.
2 Schakel de camera in en selecteer de eerste foto met het bedieningspaneel van de camera.
3 Wacht tot Afdrukken met PictBridge wordt weergegeven op het bedieningspaneel van de printer.
Opmerking: Als Fout met papier- of fotoformaat wordt weergegeven, drukt u op ✗ om het foutbericht te wissen.
4 Druk op
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Fotoformaat verschijnt.
6 Druk op √
7 Druk herhaaldelijk op ◀ of ► tot 4 x 6 inch of 10 x 15 cm wordt weergegeven.
8 Druk op √
9 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Papierinstellingen wordt weergegeven.
10 Druk op √
11 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Papierformaat verschijnt.
12 Druk op √
13 Druk herhaaldelijk op ◀ of ► tot 10 x 15 cm wordt weergegeven.
14 Druk op √
15 Druk op Kleur of Zwart.
Afdrukkwaliteit verbeteren
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer het papier
- U gebruikt het juiste papier voor het document. Als u foto's of andere afbeeldingen van hoge kwaliteit afdrukt, moet u Lexmark fotopapier of Lexmark Perfectfinish fotopapier gebruiken voor de beste resultaten. Gebruik geen Lexmark premiumfotopapier. De inktcartridges zijn niet compatibel met deze papiersoort.
- Gebruik zwaarder of helderwit papier.
Selecteer een hogere afdrukkwaliteit
1 Selecteer de modus Kopiëren, Scannen of Fotokaart, afhankelijk van de afdruktaak.
2 Druk op
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Kwaliteit wordt weergegeven.
4 Druk op √
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de gewenste kwaliteit wordt weergegeven.
6 Druk op √
Controleer de inktcartridges
Als het document nog steeds niet de gewenste afdrukkwaliteit heeft, voert u de volgende stappen uit:
1 Lijn de inktcartridges uit. Zie voor meer informatie "Inktcartridges uitlijnen" op pagina 138. Als de afdrukkwaliteit niet is verbeterd, gaat u door met de volgende stap.
2 De spuitopeningen van de inktcartridge reinigen. Zie voor meer informatie "Spuitopeningen van de inktcartridges reinigen" op pagina 138. Als de afdrukkwaliteit niet is verbeterd, gaat u door met de volgende stap.
3 De inktcartridges installeren. Zie voor meer informatie "Inktcartridges installeren" op pagina 135.
4 Veeg de spuitopeningen en contactpunten van de cartridge schoon. Zie voor meer informatie "Spuitopeningen en contactpunten van de inktcartridge schoonvegen" op pagina 139.
Is de afdrukkwaliteit hierna nog steeds niet naar behoren, dan moet u de inktcartridges vervangen. Zie voor meer informatie "Supplies bestellen" op pagina 140.
Kwaliteit van tekst en afbeeldingen is slecht
- Lege pagina's
- Scheve lijnen
- Donkere afdrukken
• Vlekken
- Fletse afdrukken
- Strepen
- Onjuiste kleuren
- Witte lijnen in afdrukken
- Lichte en donkere banen op de afdruk
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer de inkt
Controleer de inktovorraden en installeer zo nodig nieuwe inktcartridges.
Gebruik de procedures voor het verbeteren van de afdrukkwaliteit
Zie "Afdrukkwaliteit verbeteren" op pagina 161.
Verwijder vellen papier wanneer deze zijn afgedrukt
Verwijder voor de volgende materiaalsoorten de afzonderlijke vellen zodra ze worden uitgevoerd en laat de vellen drogen om te voorkomen dat de inkt gaat vlekken:
- Documenten met afbeeldingen
- Fotopapier
- Extra zwaar, mat papier of glossy papier
- Transparanten
- Etiketten
- Enveloppen
- Opstrijktransfers
Opmerking: de transparanten moeten ongeveer 15 minuten drogen.
Gebruik een ander merk papier
Bij elk merk papier wordt inkt anders opgenomen en worden kleuren verschillend afgedrukt. Als u foto's of andere afbeeldingen van hoge kwaliteit afdrukt, moet u Lexmark Perfectfinish fotopapier of Lexmark fotopapier gebruiken voor de beste resultaten. Gebruik geen Lexmark premiumfotopapier. De inktcartridges zijn niet compatibel met deze papiersoort.
Controleer de staat van het papier
Gebruik alleen nieuw en ongekreukeld papier.
Verwijder de software en installeer de software opnieuw
De software is mogelijk niet goed geïnstalleerd Zie voor meer informatie "Verwijder de software en installeer de software opnieuw" op pagina 147.
Slechte kwaliteit aan de randen van het papier
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer de minimuminstellingen voor afdrukken
Als u de functie voor afdrukken zonder rand niet gebruikt, zijn dit de aanbevolen minimuminstellingen:
- Linker- en rechtermarge:
- 6,35 mm (0,25 inch) voor Letter-papier
- 3,37 mm (0,133 inch) voor alle papierformaten, behalve Letter
• Bovenmarge: 1,7 mm (0,067 inch)
• Ondermarge: 12,7 mm (0,5 inch)
Schakel de functie voor afdrukken zonder rand in
1 Klik in het programma op Bestand → Afdrukken.
2 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
3 Klik op Afdrukindeling.
4 Klik op Zonder rand.
Selecteer de functie voor het aanpassen van het formaat zonder rand (bij het kopieren)
1 Druk op
2 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Formaat wijzigen wordt weergegeven.
3 Druk op √
4 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Zonder rand wordt weergegeven.
5 Druk op √
6 Druk op Kleur of Zwart of druk op ☐ om terug te gaan naar het menu Kopieren om het gewenste aantal exemplaren te selecteren.
Selecteer de functie voor foto's zonder rand (bij het afdrukken van foto's)
1 Druk op
2 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Indeling wordt weergegeven.
3 Druk op √
4 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Zonder rand wordt weergegeven.
5 Druk op √
6 Druk op Kleur of Zwart of druk op ☐ om terug te gaan naar het menu Fotokaart om de foto's te selecteren die u wilt afdrukken.
Gebruik fotopapier
U moet fotopapier gebruiken voor afdrukken zonder rand. Er worden smalle marges afgedrukt wanneer u de functie Zonder rand selecteeert wanneer u afdrukt op normaal papier.
Controleer of het papierformaat overeenkomt met de instelling van de printer
1 Klik in het programma op Bestand → Afdrukken.
2 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
3 Klik op Papierinstellingen.
4 Controleer het papierformaat.
Lage afdruksnelheid
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Verhoog de verwerkingssnelheid van de computer
- Sluit alle toepassingen die u niet gebruikt.
- Gebruik minder afbeeldingen of kleinere afbeeldingen in het document.
- Verwijder zo veel mogelijk ongebruikte lettertypen van het systeem.
Voeg geheugen toe
Ga na of u het RAM-geheugen van de computer moet uitbreiden.
Selecteer een lagere afdrukkwaliteit
1 Klik in het programma op Archief → Druk af.
2 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
3 Klik op Kwaliteit/exemplaren.
4 Selecteer een lagere afdrukkwaliteit in het gedeelte Kwaliteit/snelheid.
Verwijder de software en installeer deze opnieuw
Soms helpt het om de bestaande printersoftware te verwijderen en opnieuw te installeren.
Documenten of foto's worden slechts gedeeltelijk afgedrukt
Dit zijn mogelijke oorzaken en oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer hoe het document is geplaatst
Zorg dat het document of de foto met de bedrukte zijde naar beneden in de rechterbenedenhoek van de glasplaat is geplaatst.
Controleer het papierformaat
Zorg dat het formaat van het papier in de printer overeenkomt met het papierformaat dat u hebt geselecteerd.
Foto bevat vlekken of krassen
Zorg ervoor dat u de afdrukzijde van foto's niet aanraakt met uw vingers of scherpe voorwerpen om vlekken en krassen te voorkomen. Voor de beste resultaten verwijdert u elk afgedrukt vel meteen uit de papieruitvoerlade en laat u de afdrukken ten minste 24 uur drogen voordat u ze op elkaar stapelt, laat zien of opbergt.
Inktcartridges controleren
Zijn de inktcartridges correct geïnstalleerd?
Zie voor meer informatie "Inktcartridges installeren" op pagina 135.
Zijn de sticker en de tape verwijderd van de cartridges?
Til de scannereenheid op. Druk de kleppen van de cartridgehouder naar beneden om de deksels van de cartridgehouder te openen.
Zijn er cartridges die weinig inkt bevatten?
1 Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op
- Windows XP en eerder: klik op Start.
2 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Printeroplossingen.
4 Als een uitroepteken (!) wordt weergegeven bij een inktcartridge, is de inkt bijna op. Installeer een nieuwe cartridge. Zie voor meer informatie "Inktcartridges installeren" op pagina 135.
Zie voor informatie over het bestellen van cartridges "Papier en andere supplies bestellen" op pagina 141.
Inktvoorraden lijken incorrect
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Drukt u afbeeldingen of foto's af?
Als u documenten afdrukt met veel afbeeldingen, of met de instelling Foto voor Kwaliteit/snelheid, gebruikt de printer meer inkt. Het type document dat u afdrukt en de afdrukkwaliteit die u selecteert zijn van invloed op de hoeveelheid inkt die de printer gebruikt.
Drukt u een groot bestand af?
De inktoorraden die worden weergegeven in de printersoftware, worden niet bijgewerkt tijdens een afdruktaak. De inktoorraad van het begin van de afdruktaak wordt weergegeven. De inktoorraden lijken wellicht onjuist in het venster Afdrukstatus wanneer u een groot bestand afdrukt.
Inktvoorraden lijken te snel af te nemen
Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Drukt u foto's of documenten met veel afbeeldingen af?
Foto's en afbeeldingen vergen meer inkt dan tekstdocumenten. Bij het afdrukken van foto's of afbeeldingen neemt het inkterbruik toe.
Drukt u af met Best als instelling voor Kwaliteit/snelheid?
U kunt inkt besparen door de instelling Best alleen te gebruiken als u afdrukt op fotopapier of extra zwaar, mat papier. Voor alle andere papiersoorten kunt u het beste een lagere instelling voor Kwaliteit/snelheid gebruiken. Gebruik de instelling Snel afdrukken of Normaal voor het afdrukken van de meeste tekstdocumenten.
Er wordt een lege of verkeerde pagina afgedrukt
Verwijder de sticker en de tape van de inktcartridges
Til de scannereenheid op en verwijder de inktcartridges uit de inktcartridgehouder. Controleer of de sticker en de tape zijn verwijderd van de spuitopeningen aan de onderkant van de cartridges.
Controleer of de cartridges correct zijn geïnstalleerd
Houd de printer met de voorzijde naar u toe en controleer of de inktcartridge correct is geïnstalleerd. Controleer wanneer u een kleureninktcartridge gebruikt of deze correct is geïnstalleerd in de rechterhouder. Controleer wanneer u een zwarte of foto-inktcartridge gebruikt of deze correct is geïnstalleerd in de linkerhouder.
Controleer de USB-aansluiting
1 Controleer of de USB-kabel is aangesloten op de computer. De USB-poort achter op de computer is te herkennen aan het USB-symbol. Steek het lange, platte uiteinde van de USB-kabel in deze poort.
2 Controleer of het kleinere, vierkante uiteinde van de USB-kabel is aangesloten op de achterkant van de printer.
3 Controleer of de USB-kabel niet is beschadigd en of het ⏻-lampje brandt.
Sluit alle andere geopende bestanden voordat u afdrukt
Sluit alle andere geopende bestanden in het programma waarin u werkt voordat u een bestand afdrukt. Als er te veel bestanden geopend zijn in hetzelfde programma, wordt een lege pagina afgedrukt.
Ontbrekende of onverwachte tekens op afdrukken
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Zorg ervoor dat de lettertypen op de juiste wijze zijn toegepast in de toepassing
In de meeste toepassingen kan een lettertype dat is uitgerekt of vergroot of verkleind, niet worden afgedrukt.
Zorg ervoor dat het TrueType-lettertype beschikbaar is op de computer
Mogelijk is het lettertype dat u wilt afdrukken, niet beschikbaar in het selectievak voor lettertypen in de toepassing. Niet alle lettertypen zijn geschikt om af te drukken; controleer of het lettertype een TrueType-lettertype is. Raadpleeg de documentatie bij de toepassing voor meer informatie.
Controleer of het document is opgemaakt of gemaakt voor de printer.
Mogelijk worden in Windows lettertypen vervangen door andere lettertypen. Tevens kunnen regeleinden en pagina-einden worden gewijzigd. Los deze problemen op in de toepassing waarin het document is gemaakt en sla de wijzigingen op om het document opnieuw af te drukken.
Kleuren op de afdruk zijn flets of wijken af van de kleuren op het scherm
Controleer het volgende. Wanneer u denkt dat het probleem is opgelost, test u de oplossing door het document naar de printer te sturen.
Zijn de instellingen voor kleur en afdruksnelheid correct ingesteld?
Mogelijk moet u de instellingen voor kleuren en de afdruksnelheid aanpassen.
Zijn er cartridges die weinig inkt bevatten?
1 Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op → Configuratiescherm.
• Windows XP of 2000: klik op Start.
2 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Printeroplossingen.

4 Als een uitroepteken (!) wordt weergegeven bij een van de inktcartridges, is de inkt bijna op. Installeer een nieuwe cartridge.
Vellen glossy fotopapier of transparanten kleven aan elkaar vast Zijn de foto's of transparanten opgedroogd en aan elkaar vastgekleefd op de papieruitvoerlade?
Verwijder de foto's of transparanten uit de papieruitvoerlade op het moment dat deze uit de printer komen. Laat ze drogen voordat u ze op elkaar legt. De inkt op het oppervlak van fotopapier of transparanten droogt langzamer dan bij andere afdrukmaterialen.
Gebruikt u transparanten of fotopapier bestemd voor een inkjetprinter?
Zie voor meer informatie over het bestellen van supplies "Compatibele, speciale papiersoorten selecteren" op pagina 73.
Pagina wordt afgedrukt met andere lettertypen
Controleer of de juiste printer is geselecteerd.
Als u afdrukt vanuit een toepassing, controleert u of de geselecteerde printer de printer is die u wilt gebruiken voor de afdruktaak.
Het is handig om de printer die u het meest gebruikt voor afdrukken in te stellen als de standaardprinter.
Zorg ervoor dat het TrueType-lettertype beschikbaar is op de computer
Mogelijk is het lettertype dat u wilt afdrukken, niet beschikbaar in het selectievak voor lettertypen in de toepassing. Niet alle lettertypen zijn geschikt om af te drukken; controleer of het lettertype een TrueType-lettertype is. Raadpleeg de documentatie bij de toepassing voor meer informatie.
Zorg ervoor dat de lettertypen op de juiste wijze zijn toegepast in de toepassing
In de meeste toepassingen kan een lettertype dat is uitgerekt of vergroot of verkleind, niet worden afgedrukt.
Afdruk is te donker of vlekkerig
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Laat de inktr drogen voordat u het papier aanraakt
Verwijder het papier op het moment dat het wordt uitgevoerd en laat de inktdrogen voor u het papier gebruikt.
Controleer of de instelling bij Kwaliteit/snelheid overeenkomt met de papiersoort die in de printer is geplaatst
De instelling Foto voor Kwaliteit/snelheid kan bij gebruik van normaal papier vlekken veroorzaken. Als u gewoon papier gebruikt, probeert u de instelling Normaal.
Zorg ervoor dat de spuitopeningen van de inktcartridge schoon zijn
Mogelijk moet u de spuitopeningen van de inktcartridge reinigen.
Afgedrukte tekens hebben een verkeerde vorm of zijn niet correct uitgelijnd Hebt u spaties toegevoegd aan de linkermarge?
Als de afgedrukte tekst niet goed is uitgelijnd, controleert u of er geen spaties zijn toegevoegd met Enter of de spatiebalk (harde spaties).
Moet u de inktcartridges uitlijnen?
Misschien zijn de inktcartridges niet goed uitgelijnd.
1 Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op → Configuratiescherm.
• Windows XP of 2000: klik op Start.
2 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Printeroplossingen.
4 Klik op de tab Onderhoud.
5 Klik op Uitlijnen om vage randen te voorkomen.
Zijn de inktcartridges schoon?
Mogelijk moet u de spuitopeningen van de inktcartridge reinigen.
Afgedrukte pagina's vertonen afwisselend lichte en donkere banen
Als de printer tijdens een afdruktaak vaak wordt onderbroken en pagina's afdrukt met afwisselend lichte en donkere banen, worden de gegevens sneller afgedrukt dan de computer ze kan verzenden. Baanvorming tijdens het afdrukken treedt op wanneer de printer regelmatig wordt onderbroken. U moet misschien de instellingen in de printersoftware wijzigen. Het is ook mogelijk dat het probleem optreedt omdat de printer en de computer niet goed met elkaar kunnen communiceren.
Kunnen de printer en de computer gegevens uitwisselen?
Controleer de status van de printer:
1 Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op → Configuratiescherm.
• Windows XP of 2000: klik op Start.
2 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Printeroplossingen.
4 De status van de printer is:
- Communicatie is niet mogelijk: er is mogelijk een probleem met de hardware- of software-instellingen van de printer.
- Gereed of Bezig met afdrukken: het probleem wordt mogelijk veroorzaakt door de instellingen van de printersoftware.
Transparanten of foto's bevatten witte lijnen
Pas de instellingen voor Kwaliteit/snelheid aan
1 Open het gewenste document of de gewenste foto en klik op Bestand → Druk af.
2 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
3 Selecteer een van de volgende opties op het tabblad Kwaliteit/exemplaren:
- Foto voor het afdrukken van foto's.
- Normaal voor het afdrukken van transparanten.
Controleer de instellingen van het programma
Gebruik een ander vulpatroon in het programma. Raadpleeg de documentatie bij het programma voor meer informatie.
Voer onderhoud uit op de inktcartridges
Mogelijk moet u de spuitopeningen van de inktcartridge reinigen.
Verticale rechte lijnen zijn rafelig
Pas de instellingen voor Kwaliteit/snelheid aan
1 Open het gewenste document of de gewenste foto en klik op Bestand → Druk af.
2 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
3 Selecteer een van de volgende opties op het tabblad Kwaliteit/exemplaren:
- Foto voor het afdrukken van foto's.
- Normaal voor het afdrukken van transparanten.
Lijn de inktcartridges uit
1 Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op → Configuratiescherm.
• Windows XP of 2000: klik op Start.
2 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Printeroplossingen.
4 Klik op het tabblad Onderhoud.
5 Klik op Uitlijnen om vage randen te voorkomen.
Afbeeldingen of effen zwarte vlakken vertonen witte lijnen
Instellingen voor Kwaliteit/snelheid aanpassen
- Voor een zeer goede afdrukkwaliteit en een lagere afdruksnelheid selecteert u Foto.
- Voor een goede afdrukkwaliteit en een gemiddelde afdruksnelheid selecteert u Normaal.
- Voor een lagere afdrukkwaliteit en een hogere afdruksnelheid selecteert u Snel afdrukken.
Pas de instellingen in het programma aan voor het document
Gebruik een ander vulpatroon in het programma. Raadpleeg de documentatie bij het programma voor meer informatie.
Voer onderhoud uit op de inktcartridges
Mogelijk moet u de spuitopeningen van de inktcartridge reinigen.
Printerstatus controleren
Alleen gebruikers van Windows Vista
1 Klik op → Configuratiescherm → Printers.
2 Controleer het volgende:
- Bij het printerpictogram staat niet de aanduiding onderbroken. Als de printer is onderbroken, klikt u met de rechtermuisknop op het pictogram en kiest u Doorgaan met afdrukken.
- Bij het printerpictogram staat de aanduiding Gereed. Als de aanduiding Off line bij het pictogram staat, klikt u met de rechtermuisknop op het pictogram en kiest u Printer on line gebruiken.
- Er staat een vinkje naast het printerpictogram dat aangeeft dat de printer is ingesteld als standaardprinter. Als dit niet het geval is, klikt u met de rechtermuisknop op het pictogram en kiest u Als standaardprinter instellen.
Alleen gebruikers van Windows XP
1 Klik op Start → Instellingen → Printers en faxapparaten.
2 Controleer het volgende:
- Bij het printerpictogram staat niet de aanduiding Onderbroken. Als de printer is onderbroken, klikt u met de rechtermuisknop op het pictogram en kiest u Doorgaan met afdrukken.
- Bij het printerpictogram staat de aanduiding Gereed. Als de aanduiding Off line bij het pictogram staat, klikt u met de rechtermuisknop op het pictogram en kiest u Printer on line gebruiken.
- Er staat een vinkje naast het printerpictogram dat aangeeft dat de printer is ingesteld als standaardprinter. Als dit niet het geval is, klikt u met de rechtermuisknop op het pictogram en kiest u Als standaardprinter instellen.
Alleen gebruikers van Windows 2000
1 Klik op Start → Instellingen → Printers.
2 Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Lexmark 6500 Series.
3 Controleer het volgende:
- Als standaardprinter instellen is geselecteerd.
- Afdrukken onderbreken is niet geselecteerd.
- Printer off line gebruiken is niet geselecteerd.
Instellingen worden niet opgeslagen
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Wijzig de instellingen voor de herstelfunctie
Als u op √ drukt om een instelling te selecteren, wordt er een sterretje (*) weergegeven naast de geselecteerde instelling. De printer herstelt de standaardinstelling na twee minuten inactiviteit of als de printer wordt uitgeschakeld.
Sla de instellingen op
Als u op √ drukt om een instelling te selecteren, wordt er een sterretje (*) weergegeven naast de geselecteerde instelling.
Gereedheid van de printer controleren
Misschien is de printer niet gereed om af te drukken. Controleer het volgende. Wanneer u denkt dat het probleem is opgelost, test u de oplossing door het document naar de printer te sturen.
Controleer of de printer papier bevat en of het papier correct is geplaatst
Zorg dat u de juiste plaatsingsinstructies hebt gevolgd voor de printer.
Verwijder de sticker en de tape van de inktcartridges
1 Til de scannereenheid op.
2 Verwijder de inktcartridges uit de inktcartridgehouder.
3 Controleer of de sticker en de tape zijn verwijderd van de onder- en achterzijde van de cartridges.
1 Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op
- Windows XP en eerder: klik op Start.
- Windows Vista: klik op - Windows XP en eerder: klik op Start.
2 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Printeroplossingen.
Als een uitroepteken (!) wordt weergegeven bij een van de inktcartridges, is de inkt bijna op. Installeer een nieuwe cartridge.
Controleer de USB-aansluiting
1 Controleer of de USB-kabel is aangesloten op de computer. De USB-poort achter op de computer is te herkennen aan het USB-symbol. Steek het lange, platte uiteinde van de USB-kabel in deze poort.
2 Controleer of het kleinere, vierkante uiteinde van de USB-kabel is aangesloten op de achterkant van de printer.
3 Controleer of de USB-kabel niet is beschadigd en of het ⏻-lampje brandt.
Wachtrij-instellingen voor het afdrukken van banners controleren
Het afdrukken van banners is niet mogelijk als u bepaalde wachtrij-instellingen hebt opgegeven. Controleer of u de juiste instellingen hebt geselecteerd.
1 Klik op Start → Instellingen → Printers of Printers en faxapparaten.
2 Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Lexmark 6500 Series.
3 Kies Eigenschappen.
4 Klik op de tab Geavanceerd.
5 Klik op Afdrukprocessor onder aan het tabblad Geavanceerd.
6 Controleer of LEMF is ingesteld als standaardgegevenstype. Selecteer LEMF bij de beschikbare opties als de instelling niet is opgegeven en klik op OK.
Problemen met lettertypen oplossen
Hebt u de lettertypen op de juiste wijze toegepast in de toepassing?
In de meeste toepassingen kan een lettertype dat is uitgerekt of vergroot of verkleind, niet worden afgedrukt.
Is het lettertype een TrueType-lettertype? Is het beschikbaar op de computer?
Mogelijk is het lettertype dat u wilt afdrukken, niet beschikbaar in het selectievak voor lettertypen in de toepassing. Niet alle lettertypen zijn geschikt om af te drukken; controleer of het lettertype een TrueType-lettertype is. Raadpleeg de documentatie bij de toepassing voor meer informatie.
Is het document opgemaakt of gemaakt voor de printer?
Mogelijk worden in Windows lettertypen vervangen door andere lettertypen. Tevens kunnen regeleinden en pagina-einden worden gewijzigd. Los deze problemen op in de toepassing waarin het document is gemaakt en sla de wijzigingen op om het document opnieuw af te drukken.
Printer is bezig met het afdrukken van een andere taak
Wacht totdat de printer klaar is met het afdrukken van de overige afdruktaken voordat u deze taak verzendt.
Gereed of Bezig met afdrukken wordt weergegeven als status
Als de printerstatus op het tabblad Status van Printeroplossingen Gereed of Bezig met afdrukken is wanneer u wilt afdrukken, probeert u de onderstaande suggesties. Test de oplossing vervolgens door een document naar de printer te verzenden.
Is er een probleem met de kabelverbindingen?
1 Controleer of de USB-kabel is aangesloten op de computer. De USB-poort achter op de computer is te herkennen aan het USB-symbol. Steek het lange, platte uiteinde van de USB-kabel in deze poort.
2 Controleer of het kleinere, vierkante uiteinde van de USB-kabel is aangesloten op de achterkant van de printer.
3 Controleer of de USB-kabel niet is beschadigd en of het ⏻-lampje brandt.
Moet u de instellingen voor Kwaliteit/snelheid aanpassen?
Selecteer Foto op het tabblad Kwaliteit/exemplaren in Voorkeursinstellingen voor afdrukken.
1 Klik op Bestand → Druk af.
2 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
3 Breng de gewenste wijzigingen aan op het tabblad Kwaliteit/exemplaren.
4 Klik op OK om alle geopende dialoogvensters te sluiten.
Is er een probleem met het programma?
Probeer een andere afbeelding af te drukken. Als de afbeelding correct wordt afgedrukt, is er wellicht een probleem met het programma dat u gebruikt. Raadpleeg de documentatie bij het programma voor meer informatie.
Testpagina afdrukken
1 Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op
- Windows XP en eerder: klik op Start.
2 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Printeroplossingen.
4 Klik op Testpagina afdrukken op het tabblad Onderhoud.
5 Vergelijk de afgedrukte pagina met de afbeelding die wordt weergegeven op het scherm. Als de afgedrukte afbeelding overeenkomt met die op het scherm, bent u klaar.
6 Als de testpagina helemaal niet is afgedrukt of er problemen zijn met de afdrukkwaliteit, moet u de foutberichten controleren die op het scherm worden weergegeven.
Testpagina wordt niet afgedrukt
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer of de printer stroom krijgt
Als niet brandt, krijgt de printer misschien geen stroom.
- Druk op .
- Sluit de printer aan op een ander stopcontact.
- Als de printer is aangesloten op een overspanningsbeveiliging, trekt u de stekker van het netsnoer van de printer uit de overspanningsbeveiliging en sluit u de printer rechtstreeks aan op een stopcontact.
Controleer de USB-aansluiting
1 Controleer of de USB-kabel is aangesloten op de computer. De USB-poort achter op de computer is te herkennen aan het USB-symbol. Steek het lange, platte uiteinde van de USB-kabel in deze poort.
2 Controleer of het kleinere, vierkante uiteinde van de USB-kabel is aangesloten op de achterkant van de printer.
3 Controleer of de USB-kabel niet is beschadigd en of het ⏻-lampje brandt.
Controleer of de cartridges correct zijn geïnstalleerd
Houd de printer met de voorzijde naar u toe en controleer of de inktcartridge correct is geïnstalleerd. Controleer wanneer u een kleureninktcartridge gebruikt of deze correct is geïnstalleerd in de rechterhouder. Controleer wanneer u een zwarte of foto-inktcartridge gebruikt of deze correct is geïnstalleerd in de linkerhouder.
Controleer of de sticker en de tape van de inktcartridges zijn verwijderd:
1 Til de scannereenheid op.
2 Verwijder de inktcartridges uit de inktcartridgehouder.
3 Controleer of de sticker en de tape zijn verwijderd van de onder- en achterzijde van de cartridges.
Probeer nogmaals een testpagina af te drukken
1 Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op → Configuratiescherm.
- Windows XP of 2000: klik op Start.
2 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Printeroplossingen.
4 Klik op het tabblad Onderhoud.
5 Klik op Testpagina afdrukken.
Externe afdrukserver werkt niet
Als er een extern apparaat is aangesloten tussen de computer en de printer, controleert u of het apparaat bidirectionele communicatie ondersteunt.
Maak de printer los van het externe apparaat en sluit de printer rechtstreeks aan op de computer. Als de printer werkt, is er wellicht een probleem met de afdrukserver. Raadpleeg de documentatie die bij de afdrukserver is geleverd.
Er is mogelijk een probleem met de USB-kabel. Probeer een andere kabel.
Externe afdrukserver verwijderen
1 Druk op om de printer uit te zetten.
2 Controleer of de afdrukserver is uitgeschakeld.
3 Maak de USB-kabel los van de externe afdrukserver.
4 Maak de externe afdrukserver los van de computer.
5 Sluit de USB-kabel voor de printer aan op de printer.
6 Druk op om de printer weer aan te zetten.
Kabel is niet aangesloten, losgeraakt of beschadigd
De printerkabel moet volledig zijn aangesloten en moet onbeschadigd zijn voor goede communicatie.
Controleer of USB-kabel is aangesloten op de USB-poort achter op de computer
De USB-poort achter op de computer is te herkennen aan het USB-symbol . Steek het lange, platte uiteinde van de USB-kabel in deze poort.
Controleer of het andere uiteinde van de USB-kabel is aangesloten op de achterkant van de printer
Sluit het vierkante uiteinde van de USB-kabel aan op de aansluiting achter op de printer.
Controleer of de kabel niet is beschadigd of losgeraakt.
Controleer het volgende:
- De USB-kabel is niet beschadigd.
- Het lampje brandt.
Zie voor meer informatie het onderstaande verwante onderwerp.
Printer is aangesloten, maar drukt niet af
Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer of de printer is ingesteld als de standaardprinter
Probeer een testpagina af te drukken.
Controleer of de afdrukwachtrij gereed is voor afdrukken
Controleer of de printer is ingesteld als standaardprinter en of de printer niet in de wachtstand is geplaatst of is onderbroken
Printer probeert af te drukken naar bestand
Als de computer de afdruktaken verzend naar een bestand in plaats van naar de printer die is aangesloten op de computer, moet u eerst controleren of de printer met een USB-kabel is aangesloten op een USB-poort op de computer.
De USB-poort controleren:
1 Windows Vista: klik op → Configuratiescherm → Printers (onder Hardware en geluid).
Windows XP: klik op Start → Instellingen → Printers en faxapparaten.
2 Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Lexmark 6500 Series.
3 Kies Eigenschappen in het snelmenu.
4 Klik op de tab Poorten.
5 Controleer het volgende:
- De poort is ingesteld op een USB-poort.
- De poort niet is ingesteld op Bestand.
Als het document nog steeds niet wordt afgedrukt, is de USB-poort mogelijk niet geactiveerd op de computer. Zie het verwante onderwerp USB-poort activeren voor meer informatie.
Printer kan niet communiceren met computers via een peer-to-peer-netwerk
Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer de status van de hostcomputer en de printer
Controleer het volgende:
- De hostcomputer is ingeschakeld en rechtstreeks aangesloten op de printer.
- De hostcomputer kan afdrukken op de printer.
- De printer wordt weergegeven als Gedeeld in de map Printers en faxapparaten (Windows XP en Windows 2000) of de map Printers (Windows Vista) op de hostcomputer.
Controleer de status van de printer
Gebruikers van Windows Vista:
1 Klik op:
- (standaardmenu Start) → Instellingen → Printers.
- (klassiek menu Start) → Configuratiescherm → Printers.
2 Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Delen.
4 Klik op Opties voor delen wijzigen en antwoord bevestigend in de Windows-prompt.
5 Klik op Deze printer delen en geef de printer een passende naam.
6 Klik op OK.
Gebruikers van Windows XP:
1 Klik op Start → Instellingen → Printers en faxapparaten.
2 Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Delen.
4 Klik op Deze printer delen en geef de printer een passende naam.
5 Klik op OK.
Gebruikers van Windows 2000:
1 Klik op Start → Instellingen → Printers.
2 Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Delen.
4 Klik op Gedeeld als en geef de printer een passende naam.
5 Klik op OK.
Zoek de printer vanaf de computer op afstand
Als de status van de printer wordt weergegeven als Gedeeld op de hostcomputer, maar het nog steeds niet mogelijk is om af te drukken, probeert u de printer te zoeken op de computer op afstand.
Gebruikers van Windows 2000, Windows XP en Windows Vista:
1 Open de map Printers of Printers en faxapparaten.
2 Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Eigenschappen.
4 Klik op de tab Poorten en vervolgens op de knop Poort toevoegen.
5 Selecteer Lokale poort en klik op de knop Nieuwe poort.
6 Typ de UNC-naam (Universal Naming Convention; uniforme naamgevingsregels) voor de poort. Deze bestaat uit de naam van de server en de naam van de printer.
De naam moet de volgende notatie hebben: \server\printer.
7 Klik op OK.
8 Klik op Sluiten.
9 Controleer of de nieuwe poort is geselecteerd op het tabblad Poorten en klik op Toepassen.
De nieuwe poort wordt weergegeven bij de naam van de printer.
10 Klik op OK.
Start de hostcomputer en de computer op afstand opnieuw op
Probeer opnieuw af te drukken.
Printer kan niet communiceren met de computer
De printer en de computer kunnen geen gegevens uitwisselen. Controleer of de printer is aangesloten op een stopcontact en of het lampje ⏻ brandt.
Problemen bij kopiëren, scannen of faxen
Sluit de andere programma's
Sluit alle programma's die niet worden gebruikt.
Geef een lagere scanresolutie op
1 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
2 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
3 Klik in het linkerdeelvenster van het welkomstvenster op Scannen.
4 Klik op Aangepaste instellingen.
5 Selecteer een lagere scanresolutie.
6 Klik op Start.
Is het originele document juist op de glasplaat geplaatst?
- Controleer of het originele document in de linkerbovenhoek van de glasplaat is geplaatst.
- Plaats het item dat u wilt kopieren met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
- Zorg dat de linkerbovenhoek van de voorzijde van het item gelijkligt aan de pijlen in de hoek van de glasplaat.
Er is een verkeerde printer aangesloten
De printer die is aangesloten op de computer is niet de juiste printer. Raadpleeg de installatiehandleiding voor meer informatie over het aansluiten van de printer.
Printersoftware bijwerken
Voor een optimale werking van de printersoftware moet u de software bijwerken.
1 Start Windows.
2 Wanneer het bureaublad wordt weergegeven, plaatst u de cd met software voor Windows in de computer. Het installatievenster wordt geopend.
3 Klik op Installeren.
4 Wanneer het dialoogvenster Bestaand stuurprogramma gevonden verschijnt, selecteert u Update van bestaand stuurprogramma.
Bidirectionele communicatie is niet ingesteld
De printer en de computer lijken geen gegevens te kunnen uitwisselen.
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer de USB-aansluiting
1 Controleer of de USB-kabel is aangesloten op de computer. De USB-poort achter op de computer is te herkennen aan het USB-symbol. Steek het lange, platte uiteinde van de USB-kabel in deze poort.
2 Controleer of het kleinere, vierkante uiteinde van de USB-kabel is aangesloten op de achterkant van de printer.
3 Controleer of de USB-kabel niet is beschadigd en of het ⏻-lampje brandt.
Controleer of de printer stroom krijgt
Als de knop niet brandt, krijgt de printer misschien geen stroom.
- Sluit de printer aan op een ander stopcontact.
- Als de printer is aangesloten op een overspanningsbeveiliging, trekt u de stekker van het netsnoer van de printer uit de overspanningsbeveiliging en sluit u de printer rechtstreeks aan op een stopcontact.
Controleer of de externe afdrukserver correct werkt
Als de printer is aangesloten op een exteren afdrukserver, is er wellicht een probleem met deze afdrukserver. Controleer of het apparaat correct werkt en dat de printer is aangesloten op het netwerk.
Slechte kwaliteit of verkeerde uitvoer
Klik op het onderwerp waarmee het probleem het beste wordt beschreven
- Afdruk is te donker of vlekkerig
• Verticale rechte lijnen zijn rafelig - Afbeeldingen of effen zwarte vlakken vertonen witte lijnen
- Ontbrekende of onverwachte tekens
- Kleuren op de afdruk zijn flets of wijken af van de kleuren op het scherm
- Afgedrukte pagina's vertonen afwisselend lichte en donkere banen
- Pagina wordt afgedrukt met andere lettertypen
- Afgedrukte tekens hebben een verkeerde vorm of zijn niet correct uitgelijnd langs de linkermarge
- Transparanten of foto's bevatten witte lijnen
- Vellen glossy fotopapier of transparanten kleven aan elkaar vast
Kan niet afdrukken naar netwerkprinter
Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Raadpleeg de installatiehandleiding bij de afdrukserver
Raadpleeg in de volgende gevallen de documentatie bij de afdrukserver voor installatie-instructies:
- De lampjes op de afdrukserver branden niet.
- De installatiekabel is niet aangesloten op de afdrukserver.
- De afdrukserver is niet aangesloten op een voedingsbron.
Controleer de USB-aansluiting
Ga als volgt te werk als u ook een installatiekabel gebruikt:
1 Controleer of de installatiekabel niet is beschadigd.
2 Sluit het rechthoekige uiteinde van de installatiekabel stevig aan op de USB-poort van de computer.
De USB-poort wordt aangegeven met het USB-symbol
3 Sluit het vierkante uiteinde van de installatiekabel stevig aan op de USB-poort aan de achterkant van de printer.
Neem contact op met de netwerkondersteuning
Neem contact op met uw systeembeheerder om te controleren of de printer is aangesloten op een actieve netwerkverbinding.
Controleer de stroom
Controleer of de printer is aangesloten op een voedingsbron en is ingeschakeld. Zie voor meer informatie "De aan/uit-knop brandt niet" op pagina 144.
Kan geen documenten afdrukken vanaf een flashstation
Controleer het type bestanden op het flashstation
De printer herkent de volgende bestandstypen:
- Bestanden met de extensies *.DOC, *.XLS, *.PPT, *.PDF, *.RTF, *.DOCX, *.XLSX, *.PPTX, *.WPS en *.WPD
- Foto's
Opmerking: Als het flashstation alleen bestanden bevat met de extensies *.DOC, *.XLS, *.PPT, *.PDF, *.RTF, *.DOCX, *.XLSX, *.PPTX, *.WPS of *.WPD, wordt het menu Bestanden afdrukken weergegeven op de display. Als het flashstation foto's bevat, wordt het bericht Welke wilt u afdrukken? weergegeven. Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Documenten wordt weergegeven.
Als Documenten wordt weergegeven, drukt u op √ en vervolgens op ◀ of ▶ om de bestanden op het flashstation weer te geven.
Controleer de netwerkverbindingen en stroomvoorziening
Controleer of de printer is aangesloten op de computer met een USB-kabel en de printer en de computer zijn ingeschakeld. Controleer ook of de computer toepassingen bevat die de gewenste bestandsindelingen ondersteunen.
Standaardfabrieksinstellingen van de printer herstellen
U kunt de instellingen van de printer herstellen naar de oorspronkelijke instellingen zonder de printermenu's te gebruiken.
Opmerking: Als u de standaardfabrieksinstellingen hersteld, worden alle printerinstellingen die u hebt geselecteerd, verwijderd.
Controleer of de printer is ingeschakeld.
1 Houd ✗ en Kleur tegelijkertijd ingedrukt tot Taal verschijnt op de display.
2 Druk op ◀ of ▶ tot de gewenste taal verschijnt.
3 Druk op √
4 Druk op ◀ of ▶ tot het gewenste land of de gewenste regio verschijnt.
5 Druk op √
Problemen met vastgelopen en verkeerd ingevoerd papier oplossen
Vastgelopen papier verwijderen en voorkomen
U maakt als volgt de papierbaan vrij:
1 Trek stevig aan het papier om het te verwijderen. Als u het papier niet kunt bereiken omdat het zich te diep in de printer bevindt, tilt u de scannereenheid op om de printer te openen.
2 Trek het papier uit de printer.
3 Sluit de scannereenheid.
4 Druk op √
5 Druk eventueel ontbrekende pagina's af.
Duw het papier niet te ver in de printer om te voorkomen dat het papier vastloopt.
Papier automatisch uitvoeren
U kunt als volgt het papier uitvoeren om het vastgelopen papier te verwijderen:
1 Houd ingedrukt.
2 Verwijder het papier uit de papieruitvoerlade.
Papier handmatig verwijderen
1 Druk op om de printer uit te zetten.
2 Pak het papier stevig vast en trek het voorzichtig uit de printer.
3 Druk op om de printer weer aan te zetten.
1 Druk op om de printer uit te zetten.
2 Pak het papier stevig vast en trek het voorzichtig uit de printer.
3 Druk op om de printer weer aan te zetten.
Papier of speciaal papier wordt verkeerd ingevoerd
Probeer een of meer van de volgende oplossingen wanneer papier of speciaal papier verkeerd, scheef of met meerdere vellen tegelijk wordt ingevoerd, of vellen aan elkaar vastkleven. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer de staat van het papier
Gebruik alleen nieuw en ongekreukeld papier.
Controleer de plaatsing van het papier
- Plaats een kleinere hoeveelheid papier in de printer.
- Plaats het papier met de afdrukzijde naar u toe in de printer. (Raadpleeg de instructies die bij het papier zijn geleverd als u niet zeker weet welke zijde de afdrukzijde is.)
Zie "Papier in de printer plaatsen" op pagina 62 en de verwante onderwerpen voor meer informatie over:
• Maximum aantal vellen per papiersoort
- Speciale instructies voor het plaatsen van ondersteunde papiersoorten en speciaal papier
Verwijder elke pagina zodra deze is afgedrukt
Verwijder elke pagina zodra deze uit de printer komt en laat de pagina's volledig drogen voor u ze op elkaar legt.
Pas de papiergeleiders aan
Pas de papiergeleiders aan:
- Als u materiaal gebruikt dat minder dan 8,5 inch (216 mm) breed is
- Plaats de geleiders tegen de rand van het afdrukmateriaal. Zorg ervoor dat het afdrukmateriaal niet omkrult.

Printer voert geen papier, enveloppen of speciaal papier in
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer of er papier is vastgelopen
Controleer of er papier is vastgelopen en verwijder zo nodig het vastgelopen papier. Zie voor meer informatie "Problemen met vastgelopen en verkeerd ingevoerd papier oplossen" op pagina 179.
Controleer de plaatsing van het materiaal
- Controleer of het speciale papier juist is geplaatst. Zie voor meer informatie "Papier in de printer plaatsen" op pagina 62.
- Plaats per keer slechts één pagina, envelop of vel speciaal papier in de printer.
Controleer de standaardinstellingen van de printer en de instellingen voor onderbreken
1 Windows Vista: klik op → Configuratiescherm → Printers (onder Hardware en geluid).
Windows XP: klik op Start → Instellingen → Printers en faxapparaten.
2 Dubbelklik op het afdrukwachtrijapparaat.
3 Klik op Printer.
- Controleer of de optie Afdrukken onderbreken is uitgeschakeld.
- Als er geen vinkje verschijnt naast Als standaardprinter instellen, moet u het afdrukwachtrijapparaat selecteren voor elk bestand dat u wilt afdrukken.
Bannerpapier is vastgelopen
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Verwijder het vastgelopen bannerpapier
1 Druk op om de printer uit te zetten.
2 Verwijder het vastgelopen bannerpapier uit de printer.
Neem de controlelijst voor het afdrukken op bannerpapier door
- Gebruik alleen het aantal vellen dat u nodig hebt voor de banner.
- Selecteer de volgende instellingen om de printer in te stellen op doorlopende papierinvoer zonder dat daarbij het papier vastloopt:
1 Open het gewenste bestand en klik op Bestand → Afdrukken.
2 Klik op Eigenschappen, Voorkeuren, Opties of Instellen.
3 Selecteer het tabblad Papierinstellingen.
4 Selecteer Banner in het gedeelte Papierformaat.
5 Selecteer het papierformaat A4 (banner) of Letter (banner).
6 Selecteer de afdrukstand Staand of Liggend.
7 Klik op OK.
8 Klik op OK of Afdrukken.
Papier loopt nog steeds vast
Gebruikt u papier dat bestemd is voor een inkjetprinter?
Controleer welke soort papier u gebruikt. Sommige papiersoorten van mindere kwaliteit zijn te dun of te glad en worden niet goed ingevoerd. Zie voor meer informatie "Compatibele, speciale papiersoorten selecteren" op pagina 73.
Hebt u het papier correct geplaatst?
Zie voor meer informatie "Papier in de printer plaatsen" op pagina 62.
Opmerking: duw het papier niet te ver in de printer.
Papier vastgelopen in de automatische documentinvoer (ADI)
1 Klap de ADI open door de uitsparing aan de linkerkant van de ADI vast te pakken en omhoog te trekken.
2 Pak het papier stevig vast en trek het voorzichtig uit de printer.
3 Sluit de ADI.
4 Druk op √
Papier is vastgelopen in de duplexeenheid
1 Druk de hendel van de duplexeenheid naar beneden terwijl u de duplexeenheid vastpakt.

2 Trek de duplexeenheid naar buiten.

3 Pak het papier stevig vast en trek het voorzichtig uit de printer.

4 Druk de hendel van de duplexeenheid naar beneden terwijl u de duplexeenheid terug plaatst.

6 Verwijder of stop de afdruktaak op de computer en probeer de afdruktaak opnieuw te verzenden.
Duplexeenheid werkt niet goed
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer papierformaat en -soort
Controleer het papierformaat en de papiersoort om na te gaan of het papier wordt ondersteund door de printer. Gebruik alleen normaal papier van het formaat A4 of Letter als u de functie voor automatisch dubbelzijdig afdrukken gebruikt.
Controleer of er papier is vastgelopen
Controleer of er papier is vastgelopen en verwijder zo nodig het vastgelopen papier. Zie voor meer informatie "Papier is vastgelopen in de duplexeenheid" op pagina 182.
Controleer of de duplexeenheid correct is geïnstalleerd
Verwijder de duplexeenheid en installeer de eenheid opnieuw. Zie voor meer informatie "Papier is vastgelopen in de duplexeenheid" op pagina 182.
Problemen met geheugenkaarten oplossen
Geheugenkaart kan niet worden geplaatst
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Type geheugenkaart controleren
Controleer of de geheugenkaart die u gebruikt, geschikt is voor de printer.
Controleren hoe de geheugenkaart is geplaatst
Controleer of u de geheugenkaart in de juiste sleuf hebt geplaatst.
Er gebeurt niets als de geheugenkaart is geplaatst
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Geheugenkaart verwijderen en terugplaatsen in de printer
De geheugenkaart is mogelijk te langzaam geplaatst. Verwijder de geheugenkaart en plaats deze vervolgens snel weer terug.
Controleren hoe de geheugenkaart is geplaatst
Controleer of u de geheugenkaart in de juiste sleuf hebt geplaatst. Zie voor meer informatie "Geheugenkaart in de printer plaatsen" op pagina 81.
Type geheugenkaart controleren
Controleer of de geheugenkaart die u gebruikt, geschikt is voor de printer. Zie voor meer informatie "Geheugenkaart in de printer plaatsen" op pagina 81.
Geheugenkaart controleren op beschadigingen
Controleer of de kaart niet is beschadigd.
Controleren of de geheugenkaart foto's bevat
Plaats een geheugenkaart met foto's in de printer.
Aangesloten USB-kabel controleren
Als de printer is aangesloten op de computer met een USB-kabel:
1 Controleer of de USB-kabel niet is beschadigd.
2 Sluit het vierkante uiteinde van de USB-kabel stevig aan op de aansluiting achter op de printer.
3 Sluit het rechthoekige uiteinde van de USB-kabel stevig aan op de USB-poort van de computer.
De USB-poort wordt aangegeven met het USB-symbool
Netwerkverbinding controleren
Als de printer en de computer via een netwerk met elkaar verbonden zijn, controleert u of communicatie mogelijk is tussen de juiste host en het juiste apparaat. Selecteer de printer vanaf de computer of de computer vanaf de printer.
Foto's worden niet overgedragen van een geheugenkaart via een draadloos netwerk
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Selecteer de printer op het draadloze netwerk
Alleen gebruikers van Windows
Als u meerdere printers hebt en Windows gebruikt, moet u de draadloze netwerkprinter selecteren.
1 Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op → Configuratiescherm → Printers.
- Windows XP en eerder: klik op Start → Instellingen → Printers en faxapparaten.
2 Selecteer de printer die is verbonden met het draadloze netwerk inde lijst.
Opmerking: klik met de rechtermuisknop op de printer en kies Als standaardprinter instellen om de printer te selecteren.
3 Plaats de geheugenkaart in de printer.
4 Druk op het bedieningspaneel op √
5 Druk op ▼ om Computer selecteren te kiezen.
6 Druk op √
7 Selecteer de computer die is verbonden met het draadloze netwerk in de lijst.
8 Volg de aanwijzingen op het scherm. Raadpleeg het hoofdstuk 'Werken met foto's' in de Gebruikershandleiding: uitgebreide versie voor meer informatie.
Controleer hoe de geheugenkaart is geplaatst
Controleer of u de geheugenkaart in de juiste sleuf hebt geplaatst.
Controleer het type geheugenkaart
Controleer of de geheugenkaart die u gebruikt, geschikt is voor de printer.
Controleer de geheugenkaart op beschadigingen
Controleer of de kaart niet is beschadigd. Verwijder geheugenkaarten op de juiste wijze uit de printer om te voorkomen dat gegevens beschadigd raken.
Controleer of de geheugenkaart foto's bevat
Plaats een geheugenkaart met foto's in de printer. De printer leest foto's in JPEG-indeling. Raadpleeg de documentatie bij de camera voor meer informatie.
Controleer of de printer en de computer zijn ingeschakeld
Zorg dat de printer en de computer zijn ingeschakeld. Controleer of Windows is geactiveerd.
Controleer of de draadloze verbinding actief is
Controleer of het draadloze netwerk verbinding heeft en actief is.
Opmerking: als de draadloze verbinding niet actief is, sluit u de printer aan op de computer met de configuratiekabel.
Problemen met kopiëren oplossen
Kopieerapparaat reageert niet
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer de berichten
Los alle problemen op.
Controleer de stroomvoorziening
Als het lampje ⏻ niet brandt, controleert u of het netsnoer van de printer stevig is aangesloten op een geaard stopcontact. Controleer of het netsnoer stevig is aangesloten op de printer.
Scannereenheid sluit niet
1 Til de scannereenheid op.
2 Verwijder eventuele obstakels die de scannereenheid blokkeren.
3 Laat de scannereenheid zakken.
Slechte kopieerkwaliteit
- Lege pagina's
- Scheve lijnen
• Dambordpatroon
• Vlekken
• Vervormde afbeeldingen - Strepen
- Ontbrekende tekens
- Onverwachte tekens
- Fletse afdrukken
- Witte lijnen in afdrukken
- Donkere afdrukken
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer de berichten
Zie als er een foutbericht wordt weergegeven "Foutberichten op het beeldscherm van de computer" op pagina 205.
Controleer de inkt
Controleer de inktvoorraden en installeer zo nodig een nieuwe inktcartridge.
Reinig de glasplaat
Als de glasplaat vies is, maakt u deze schoon met een vochtige, schone en pluisvrije doek.
Gebruik de procedures voor het verbeteren van de afdrukkwaliteit
Zie "Afdrukkwaliteit verbeteren" op pagina 161.
Pas de helderheid van de kopie aan
1 Plaats het document met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
2 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Kopiëren.
3 Druk op Lichter/donkerder.
4 Druk op ◀ of ▶ om de kopie lichter of donkerder te maken.
5 Druk op Kleur of Zwart.
Controleer de kwaliteit van het originele document
Als u niet tevreden bent met de kwaliteit van het origineel, moet u een betere versie van het document of de afbeelding gebruiken.
Scant u een item op glossy of fotopapier of uit een krant of tijdschrift?
Zie "Heldere afbeeldingen in tijdschriften of kranten scannen" op pagina 115.
Controleer hoe het document is geplaatst
Zorg dat het document of de foto met de bedrukte zijde naar beneden in de rechterbenedenhoek van de glasplaat is geplaatst.
Documenten of foto's worden slechts gedeeltelijk gekopieerd
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer hoe het document is geplaatst
Zorg dat het document of de foto met de bedrukte zijde naar beneden in de rechterbenedenhoek van de glasplaat is geplaatst.
Controleer het papierformaat
Zorg dat het formaat van het papier in de printer overeenkomt met het papierformaat dat u hebt geselecteerd.
Controleer de instelling Origineel
De instelling Origineel moet zijn ingesteld op Automatisch of op het formaat van het originele document dat u kopieert.
Kopie komt niet overeen met het origineel
Is het originele document juist op de glasplaat geplaatst?
- Controleer of het originele document in de rechterbenedenhoek van de glasplaat is geplaatst.
- Plaats het item dat u wilt kopiëren met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
- Zorg dat de linkerbovenhoek van de voorzijde van het item gelijkligt aan de pijlen in de rechterbenedenhoek van de glasplaat.

Problemen met scannen oplossen
Scanner reageert niet
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer de berichten
Los alle problemen op.
Controleer de stroomvoorziening
Als het lampje ⏻ niet brandt, controleert u of het netsnoer van de printer stevig is aangesloten op een geaard stopcontact. Controleer of het netsnoer stevig is aangesloten op de printer.
Controleer de standaardinstellingen van de printer en de instellingen voor onderbreken
1 Voer een van de volgende handelingen uit:
- Windows Vista: klik op → Configuratiescherm
- Windows XP: klik op Start.
2 Klik op Printer of Printers en faxapparaten.
3 Dubbelklik op de printer die u wilt controlleren.
4 Klik op Printer.
5 Controleer of de optie Afdrukken onderbreken is uitgeschakeld. Als er geen vinkje wordt weergegeven naast. Als standaardprinter instellen, moet u de juiste printer selecteren voor elk bestand dat u wilt afdrukken.
Verwijder de software en installeer de software opnieuw
Zie voor meer informatie "Verwijder de software en installeer de software opnieuw" op pagina 147.
Scan is mislukt
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer de USB-kabel
1 Controleer of de USB-kabel niet is beschadigd.
2 Sluit het vierkante uiteinde van de USB-kabel stevig aan op de aansluiting achter op de printer.
3 Sluit het rechthoekige uiteinde van de USB-kabel stevig aan op de USB-poort van de computer.
De USB-poort wordt aangegeven met het USB-symbool
Start de computer opnieuw op
Zet de computer uit en start deze opnieuw op.
Scannen duurt te lang of de computer loopt vast tijdens het scannen
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Sluit de andere programma's
Sluit alle programma's die niet worden gebruikt.
Geef een lagere scanresolutie op
1 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
2 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
3 Klik in het welkomstvenster op Scannen.
4 Klik op Aangepaste instellingen.
5 Selecteer een lagere resolutie in de keuzelijst Scanresolutie.
6 Klik op Start.
Kwaliteit van gescande afbeelding is slecht
Dit zijn mogelijke oplossingen. Try one or more of the following:
Controleer de berichten
Als er een foutbericht wordt weergegeven, gaat u naar "Foutberichten op de display van de printer" op pagina 199.
Reinig de glasplaat
Als de glasplaat vies is, maakt u deze schoon met een vochtige, schone en pluisvrije doek.
Pas de kwaliteit van de scan aan
1 Plaats een origineel document met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat.
2 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
3 Klik in het linkerdeelvenster van het welkomstvenster op Scannen.
4 Klik op Aangepaste instellingen.
5 Selecteer een hogere scanresolutie.
6 Klik op Starten.
Gebruik de procedures voor het verbeteren van de afdrukkwaliteit
Zie "Afdrukkwaliteit verbeteren" op pagina 161.
Scant u een item op glossy of fotopapier of uit een krant of tijdschrift?
Zie "Golvende patronen verwijderen uit gescande foto's, tijdschriften of kranten" op pagina 94.
Controleer de kwaliteit van het originele document
Als u niet tevreden bent met de kwaliteit van het origineel, moet u een betere versie van het document of de afbeelding gebruiken.
Controleer hoe het document is geplaatst
Zorg dat het document of de foto met de bedrukte zijde naar beneden in de linkerbovenhoek van de glasplaat is geplaatst.
Documenten of foto's worden slechts gedeeltelijk gescand
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer hoe het document is geplaatst
Zorg dat het document of de foto met de bedrukte zijde naar beneden in de rechterbenedenhoek van de glasplaat is geplaatst.
Controleer het papierformaat
Zorg dat het formaat van het papier in de printer overeenkomt met het papierformaat dat u hebt geselecteerd.
Controleer de instelling Origineel
De instelling Origineel moet zijn ingesteld op Automatisch of op het formaat van het originele document dat u scant.
Kan niet scannen naar een computer via een netwerk
Zie "Scannen naar een computer via een netwerk" op pagina 114.
Problemen met faxen oplossen
Er kunnen geen faxen worden verzonden of ontvangen
Dit zijn mogelijke oplossingen. Voer een van de volgende handelingen uit:
Controleer de berichten
Als er een foutbericht verschijnt, volgt u de aanwijzingen op de display.
Controleer de stroomvoorziening
Zie als het lampje niet brandt "De aan/uit-knop brandt niet" op pagina 144.
Controleer de kabelverbindingen
Controleer indien van toepassing of de volgende hardwareonderdelen stevig zijn aangesloten:
- Netvoeding
- Telefoon
- Hoorn
- Antwoordapparaat
Controleer de wandaansluiting voor telefoons
1 Sluit een telefoon aan op de wandaansluiting.
2 Luister of u een kiestoon hoort.
3 Als u geen kiestoon hoort, sluit u een andere telefoon aan op de wandaansluiting.
4 Als u nog steeds geen kiestoon hoort, sluit u de telefoon aan op een andere wandaansluiting.
5 Als u een kiestoon hoort, sluit u de printer aan op die wandaansluiting.
Controleer de controlelijst voor digitale telefoondiensten
De faxmodem is een analoog apparaat. Bepaalde apparaten kunnen op de printer worden aangesloten zodat u digitale telefoondiensten kunt gebruiken.
- Als u een ISDN-telefoondienst gebruikt, sluit u de printer aan op een analoge telefoonpoort (R-interfacepoort) op een ISDN-adapter. Neem contact op met uw ISDN-leverancier voor meer informatie en om een R-interfacepoort aan te vragen.
- Als u DSL gebruikt, sluit u de printer aan op een DSL-filter of -router die ondersteuning biedt voor analoog gebruik. Neem contact op met uw DSL-leverancier voor meer informatie.
- Als u een PBX-telefoondienst gebruikt, moet u de printer aansluiten op een analoge aansluiting op het PBX-systeem. Is een dergelijke aansluiting niet beschikbaar, dan kunt u overwegen een analoge telefoonlijn voor het faxapparaat te installeren. Zie voor meer informatie over het verzenden van faxen via een PBX-telefoondienst "Instellingen aanpassen om een fax te verzenden achter een PBX" op pagina 36.
Controleer of er een kiestoon is
- Bel het nummer waarnaar u de fax wilt verzenden om te controleren of het nummer werkt.
- Als de telefoonlijn door een ander apparaat wordt gebruikt, wacht u tot het andere apparaat klaar is voor u een fax verzendt.
- Als u de functie Kiezen hoorn op haak gebruikt, zet u het volume hoger om een kiestoon te kunnen waarnemen.
Maak andere apparaten tijdelijk los
Sluit de printer rechtstreeks aan op de telefoonlijn om te controleren of de printer correct functioneert. Verwijder eventuele antwoordapparaten, computers met modems of telefoonlijnsplitters.
Controleer of er papier is vastgelopen
Controleer of er papier is vastgelopen en verwijder zo nodig het vastgelopen papier.
Schakel de wisselgesprekfunctie tijdelijk uit
Het verzenden van faxen wordt mogelijk onderbroken als de wisselgesprekfunctie is ingeschakeld. Schakel deze functie uit voor u een fax verzendt of ontvangt. Neem contact op met het telefoonbedrijf voor de toetsenblokcode waarmee u deze functie tijdelijk kunt uitschakelen.
Hebt u een voicemaildienst?
De voicemailfunctie die mogelijk wordt aangeboden via uw plaatselijke telefoonbedrijf, kan het verzenden en ontvangen van faxen verstoren. U kunt als volgt de voicemailfunctie en de printer gebruiken om gesprekken te beantwoorden:
- Zie "Speciaal belsignaal instellen" op pagina 133. U kunt kiezen uit een aantal instellingen, waaronder Eén keer, Twee keer, Drie keer en Altijd.
- Ga na of u een tweede telefoonlijn voor de printer moet gebruiken.
Controleer de landcode
Controleer als volgt of de juiste landcode is ingesteld voor het land of de regio waar u de printer gebruikt:
1 Druk op het bedieningspaneel op Instellingen.
2 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot App.instlng wordt weergegeven.
3 Druk op √
4 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Land wordt weergegeven.
5 Druk op √
6 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de land- of de regio-instelling met een * verschijnt.
7 Ga als volgt te werk als u de landcode wilt wijzigen:
a Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het land of de regio wordt weergegeven waar u de printer gebruikt. b Druk op √m de instelling op te slaan.
Is uw printergeheugen vol?
Wijzig de instelling in Scannen na bellen.
1 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Faxen.
2 Druk op
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Faxinstellingen wordt weergegeven.
4 Druk op √
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Bellen en verzenden verschijnt.
6 Druk op √
7 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Scannen wordt weergegeven.
8 Druk op √
9 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Na bellen wordt weergegeven.
10 Druk op √
Faxen kunnen worden verzonden, maar kunnen niet worden ontvangen
Dit zijn mogelijke oorzaken en oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Plaats papier in de printer
Plaats papier in de printer om faxen af te drukken die op de printer zijn opgeslagen.
Controleer de instelling voor Automatisch beantwoorden
Als het lampje Automatisch beantwoorden brandt:
- De printer beantwoordt de fax na het ingestelde aantal belsignalen.
- Zie als u een speciaal belsignaal gebruikt "Speciaal belsignaal instellen" op pagina 133.
Controleer de inkt
Controleer de inktoorraden en installeer zo nodig een nieuwe inktcartridge.
Controleer of Fax doorsturen is geselecteerd
1 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Faxen.
2 Druk op
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Faxinstellingen wordt weergegeven.
4 Druk op √
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Bellen en antwoorden verschijnt.
6 Druk op √
7 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Fax doorsturen wordt weergegeven.
8 Druk op √
9 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ om de huidige instelling voor Fax doorsturen weer te geven.
10 Als u Fax doorsturen wilt uitschakelen, drukt u herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot uit wordt weergegeven.
11 Druk op vom de instelling op te slaan.
Faxen kunnen worden ontvangen, maar kunnen niet worden verzonden
Dit zijn mogelijke oorzaken en oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer de geselecteerde modus
Selecteer de modus Faxen om de printer in te stellen voor faxen.
Controleer hoe het document is geplaatst
Plaats het originele document met de bedrukte zijde naar beneden in de ADI.
Controleer de instelling voor het kiesvoorvoegsel
1 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Faxen.
2 Druk op
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Faxinstellingen wordt weergegeven.
4 Druk op √
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Bellen en verzenden verschijnt.
6 Druk op √
7 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Voorv. kzn wordt weergegeven.
8 Druk op √
9 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Maken wordt weergegeven als u de instelling wilt wijzigen.
10 Druk op √
11 Geef het kiesvoorvoegsel op dat voorafgaand aan elk telefoonnummer moet worden gekozen.
12 Druk op √
Controleer het snelkeuzenummer
- Controleer of er een snelkeuzeknop is geprogrammeerd voor het gewenste telefoonnummer. Zie "Snelkeuze instellen" op pagina 133.
- U kunt eventueel het nummer handmatig kiezen.
Controleer of met de printer een kiestoon wordt vastgesteld
- Zie "Fax verzenden terwijl u een gesprek voert (Kiezen hoorn op haak)" op pagina 120.
- Controleer de instelling voor Belmethode.
1 Luister of u een kiestoon hoort. Als u wel een kiestoon hoort, maar de printer de verbinding verbreekt zonder het nummer te kiezen, is de kiestoon niet herkend.
2 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Faxen.
3 Druk op
4 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Faxinstellingen wordt weergegeven.
5 Druk op √
6 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Bellen en verzenden verschijnt.
7 Druk op √
8 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Belmethode wordt weergegeven.
9 Druk op √
10 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Achter PBX verschijnt.
11 Druk op √ om deze instelling op te slaan.
Printer ontvangt een lege fax
Dit zijn mogelijke oorzaken en oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer het originele document
Vraag de verzender te controleren of het originele document juist is geplaatst.
Controleer de inkt
Controleer de inktoorraden en installeer zo nodig een nieuwe inktcartridge.
Controleer de cartridges
1 Verwijder de inktcartridges uit de printer.
2 Controleer of sticker en tape zijn verwijderd van de cartridge.

flowchart
graph LR
A["Step 1: Yellow cable or connector"] --> B["Step 2: Yellow cable or connector"]
B --> C["Arrow right, red arrow pointing inward"]
3 Plaats de inktcartridges terug in de printer.
Ontvangen fax heeft een slechte afdrukkwaliteit
Dit zijn mogelijke oorzaken en oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Neem de controlelijst voor de verzender door
- Controleer of de kwaliteit van het originele document naar behoren is.
- Verzend de fax opnieuw. Mogelijk is de kwaliteit van de telefoonverbinding niet optimaal.
- Gebruik een hogere scanresolutie voor de fax.
Controleer de inkt
Controleer de inktoorraden en installeer zo nodig een nieuwe inktcartridge.
Reinig de scannerlens en de witte roller
1 Trek de stekker van het netsnoer uit het stopcontact en maak de telefoonlijn los van de wandaansluiting voor telefoons.
2 Open het bedieningspaneel.
3 Duw de hendel van de roller voorzichtig naar links en trek de hendel naar voren. Til vervolgens de witte roller uit de printer.
4 Maak een schone, pluisvrije doek vochtig met water en veeg hiermee de witte roller en scannerlens schoon.
Opmerking: de scannerlens bevindt zich onder de witte roller.
5 Plaats de droge witte roller terug in de printer, duw de hendel van de roller voorzichtig naar links en klik de roller vast.
6 Steek de stekker van het netsnoer weer in het stopcontact en sluit de telefoonlijn weer aan op de wandaansluiting voor telefoons.
Gegevens van nummerweergave worden niet weergegeven
Patroon nummerweergave is wellicht niet correct ingesteld
De printer ondersteunt twee soorten nummerweergave: Patroon 1 (FSK) en Patroon 2 (DTMF). Afhankelijk van het land of de regio waar u woont en de telecomaanbieder die u gebruikt, moet u mogelijk overschakelen naar een ander patroon om nummerweergave te activeren. Zie voor meer informatie "Nummerweergave gebruiken vanaf het bedieningspaneel" op pagina 121.
Patroon nummerweergave wijzigen met het bedieningspaneel
De printer ondersteunt twee soorten nummerweergave: Patroon 1 (FSK) en Patroon 2 (DTMF). Afhankelijk van het land of de regio waar u woont en de telecomaanbieder die u gebruikt, moet u mogelijk overschakelen naar een ander patroon om nummerweergave te activeren.
1 Druk op het bedieningspaneel op Instellingen.
2 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot App.instlng wordt weergegeven.
3 Druk op √
4 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Patroon nummerweergave verschijnt.
5 Druk op √
6 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot voor Patroon nummerweergave de instellingen met een sterretje (*) wordt weergegeven.
Opmerking: Het aantal patronen wordt bepaald op basis van de land- of regio-instelling. Alleen de patronen voor het betreffende land of de betreffende regio worden weergegeven.
7 Ga als volgt te werk als u het patroon voor nummerweergave wilt wijzigen:
a Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste patroon wordt weergegeven.
b Druk op om de instelling op te slaan.
Fout met fax
De communicatie tussen de faxapparaten is verbroken.
Verzend de fax opnieuw. Mogelijk is de kwaliteit van de telefoonverbinding niet optimaal.
Faxmodus niet ondersteund
Het ontvangende faxapparaat is niet geschikt voor de fax die u wilt verzenden. Als het probleem wordt veroorzaakt door:
- De scanresolutie, moet u een lagere resolutie gebruiken.
1 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Faxen.
2 Druk op
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Kwaliteit wordt weergegeven.
4 Druk op √
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot een lagere afdrukkwaliteit wordt weergegeven.
6 Druk op √
- Papier van het formaat Legal, wijzigt u het papierformaat in A4.
Fout met externe fax
Dit zijn mogelijke oorzaken en oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer de telefoonlijn
Verzend de fax opnieuw. Mogelijk is de kwaliteit van de telefoonverbinding niet optimaal.
Verlaag de verzendsnelheid
1 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Faxen.
2 Druk op
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Faxinstellingen wordt weergegeven.
4 Druk op √
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Bellen en verzenden verschijnt.
6 Druk op √
7 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Maximale verzendsnelheid wordt weergegeven.
8 Druk op √
9 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot een lagere snelheid wordt weergegeven.
10 Druk op √
Opmerkingen:
- Hoe lager de verzendsnelheid, des te langer het duurt om de fax te verzenden.
- Met deze oplossing worden alle faxen met een lagere snelheid verzonden tot u de verzendsnelheid aanpast.
11 Verzend de fax opnieuw.
12 Als het probleem blijft aanhouden, herhaalt u de voorgaande stappen om de fax te verzenden met steeds lagere verzendsnelheden.
Opmerking: 2400 bps is de laagste verzendsnelheid.
Telefoonlijn bezet
Dit zijn mogelijke oorzaken en oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Wijzig de instellingen voor opnieuw kiezen
Het nummer wordt drie keer opnieuw gekozen met intervallen van twee minuten. U kunt maximaal vijf pogingen voor opnieuw kiezen met intervallen van acht minuten instellen.
U wijzigt als volgt de instellingen voor opnieuw kiezen:
1 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Faxen.
2 Druk op
3 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Faxinstellingen wordt weergegeven.
4 Druk op √
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Bellen en verzenden verschijnt.
6 Druk op √
7 U wijzigt als volgt het aantal pogingen voor opnieuw kiezen:
a Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Pog opnieuw kzn verschijnt.
b Druk op .√
c Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de gewenste instelling wordt weergegeven.
d Druk op .√
8 U wijzigt als volgt de waarde voor het interval tussen twee pogingen voor opnieuw kiezen:
a Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Tijd voor opnieuw kiezen verschijnt.
b Druk op .√
c Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de gewenste instelling wordt weergegeven.
d Druk op .√
Plan om de fax later nogmaals te verzenden
Zie "Groepsfax verzenden op een opgegeven tijdstip" op pagina 120.
Verbinden mislukt
Dit zijn mogelijke oorzaken en oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Gebruik de controlelijst voor de telefoonlijn
- Verzend de fax opnieuw. Mogelijk is de kwaliteit van de telefoonverbinding niet optimaal.
- Bel het nummer waarnaar u de fax wilt verzenden om te controleren of het nummer werkt.
- Als de telefoonlijn door een ander apparaat wordt gebruikt, wacht u tot het andere apparaat klaar is voor u een fax verzendt.
Controleer of de printer de kiestoon herkent.
- Zie "Fax verzenden terwijl u een gesprek voert (Kiezen hoorn op haak)" op pagina 120.
- Controleer de instelling voor Belmethode.
1 Luister of u een kiestoon hoort. Als u wel een kiestoon hoort, maar de printer de verbinding verbreekt zonder het nummer te kiezen, is de kiestoon niet herkend.
2 Selecteer op het bedieningspaneel de modus Faxen.
3 Druk op
4 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Faxinstellingen wordt weergegeven.
5 Druk op √
6 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Bellen en verzenden verschijnt.
7 Druk op √
8 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Belmethode wordt weergegeven.
9 Druk op √
10 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot de gewenste belmethode wordt weergegeven.
11 Druk op √ om deze instelling op te slaan.
Fout met telefoonlijn
Dit zijn mogelijke oorzaken en oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Controleer de controlelijst voor digitale telefoondiensten
De faxmodem is een analoog apparaat. Bepaalde apparaten kunnen op de printer worden aangesloten zodat u digitale telefoondiensten kunt gebruiken.
- Als u een ISDN-telefoondienst gebruikt, sluit u de printer aan op een analoge telefoonpoort (R-interfacepoort) op een ISDN-adapter. Neem contact op met uw ISDN-leverancier voor meer informatie en om een R-interfacepoort aan te vragen.
- Als u DSL gebruikt, sluit u de printer aan op een DSL-filter of -router die ondersteuning biedt voor analoog gebruik. Neem contact op met uw DSL-leverancier voor meer informatie.
- Als u een PBX-telefoondienst gebruikt, moet u de printer aansluiten op een analoge aansluiting op het PBX-systeem. Is een dergelijke aansluiting niet beschikbaar, dan kunt u overwegen een analoge telefoonlijn voor het faxapparaat te installeren. Zie voor meer informatie over het verzenden van faxen via een PBX-telefoondienst "Instellingen aanpassen om een fax te verzenden achter een PBX" op pagina 36.
Controleer de telefoonlijn
Als de telefoonlijn door een ander apparaat wordt gebruikt, wacht u tot het andere apparaat klaar is voor u een fax verzendt.
Controleer de kabelverbindingen
Controleer indien van toepassing of de volgende hardwareonderdelen stevig zijn aangesloten:
- Netvoeding
- Telefoon
• Hoorn - Antwoordapparaat
Foutberichten op de display van de printer
Uitlijningsfout
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Tape verwijderen van de inktcartridge
1 Verwijder de inktcartridge uit de printer.
2 Controleer of sticker en tape zijn verwijderd van de cartridge.

3 Plaats de cartridge terug in de printer.
4 Druk op vom de inktcartridge uit te lijnen.
Zie voor meer informatie "Inktcartridges uitlijnen" op pagina 138.
Nieuw papier gebruiken
Plaats alleen normaal, ongemarkeerd papier in de printer als u de inktcartridge uitlijnt.
De uitlijningsfout kan optreden omdat eventuele markeringen op gebruikt papier mogelijk worden gelezen door de printer.
Cartridgefout (1102, 1203, 1204 of 120F)
1 Verwijder de inktcartridges uit de inktcartridgehouders en sluit de deksels van de houders.
2 Sluit de scannereenheid.
3 Trek de stekker van het netsnoer van de printer uit het stopcontact.
4 Steek de stekker van het netsnoer weer in het stopcontact.
5 Druk op ⏻ als de knop ⏻ niet brandt.
6 Plaats de inktcartridges terug in de printer en sluit de deksels van de houders.
7 Sluit de scannereenheid.
Als de fout niet opnieuw optreedt, is het probleem verholpen.
Als de fout opnieuw optreedt, functioneert een van de cartridges niet correct. Voer de volgende procedure uit om te bepalen welke cartridge niet correct functioneert.
1 Verwijder de inktcartridges uit de inktcartridgehouders en sluit de deksels van de houders.
2 Sluit de scannereenheid.
3 Trek de stekker van het netsnoer van de printer uit het stopcontact.
4 Steek de stekker van het netsnoer weer in het stopcontact.
5 Druk op ⏻ als de knop ⏻ niet brandt.
6 Plaats de zwarte of foto-inktcartridge terug in de printer en sluit het deksel van de houder.
7 Sluit de scannereenheid.
8 Als de fout:
- opnieuw optreedt, vervangt u de zwarte of foto-inktcartridge door een nieuwe cartridge en sluit u vervolgens het deksel van de cartridgehouder en de scannereenheid.
- niet opnieuw optreedt, plaatst u de kleureninktcartridge terug in de printer en sluit u vervolgens het deksel van de cartridgehouder en de scannereenheid.
9 Als de fout opnieuw optreedt, vervangt u de kleureninktcartridge door een nieuwe cartridge en sluit u vervolgens het deksel van de cartridgehouder en de scannereenheid.
Weinig zwarte inkt/Weinig kleureninkt/Weinig foto-inkt
1 Controleer de inktoorraden en installeer zo nodig een of meer nieuwe inktcartridges.
Zie voor meer informatie over het bestellen van supplies "Papier en andere supplies bestellen" op pagina 141.
2 Druk op om door te gaan.
Verhelp houderstoring
Verwijder eventuele obstakels
1 Til de scannereenheid op.
2 Verwijder eventuele voorwerpen die de baan van de inktcartridgehouder blokkeren.
3 Controleer of de deksels van de cartridgehouders zijn gesloten.

4 Sluit de scannereenheid.
5 Druk op √
Klep geopend
Controleer of de scannereenheid is gesloten.
Fout 1104
1 Verwijder de inktcartridges uit de printer.
2 Plaats de zwarte of foto-inktcartridge in de linkerhouder.
3 Plaats de kleureninktcartridge in de rechterhouder.
Fout linkercartridge/Fout rechtercartridge
Deze fout kan ook worden weergegeven als Fout 1205 (Linkercartr.) of Fout 1206 (Rechtercartr.).
1 Verwijder de aangegeven inktcartridge uit de inktcartridgehouder en sluit het deksel van de houder.
2 Sluit de scannereenheid.
3 Trek de stekker van het netsnoer van de printer uit het stopcontact.
4 Steek de stekker van het netsnoer weer in het stopcontact.
5 Druk op ⏻ als de knop ⏻ niet brandt.
6 Plaats de inktcartridge terug in de printer en sluit het deksel van de houder.
7 Sluit de scannereenheid.
8 Als de fout:
- niet opnieuw optreedt, is het probleem verholpen;
- opnieuw optreedt, vervangt u de inktcartridge door een nieuwe cartridge en sluit u vervolgens het deksel van de cartridgehouder en de scannereenheid.
Linkerinktcartridge is onjuist/Rechterinktcartridge is onjuist
1 Verwijder de aangegeven inktcartridge uit de inktcartridgehouder en sluit het deksel van de houder.
2 Sluit de scannereenheid.
3 Trek de stekker van het netsnoer van de printer uit het stopcontact.
4 Steek de stekker van het netsnoer weer in het stopcontact.
5 Druk op ⏻ als de knop ⏻ niet brandt.
6 Plaats de inktcartridge terug in de printer en sluit het deksel van de houder.
7 Sluit de scannereenheid.
8 Als de fout:
- niet opnieuw optreedt, is het probleem verholpen;
- opnieuw optreedt, vervangt u de inktcartridge door een nieuwe cartridge en sluit u vervolgens het deksel van de cartridgehouder en de scannereenheid.
Linkercartridge ontbreekt/Rechtercartridge ontbreekt
Een of beide inktcartridges ontbreken of zijn niet juist geïnstalleerd. Zie voor meer informatie "Inktcartridges installeren" op pagina 135.
Opmerkingen:
- U kunt een kleurenkopie maken terwijl alleen de kleureninktcartridge is geïnstalleerd.
- U kunt een zwart-witdocument afdrukken terwijl alleen de zwarte inktcartridge is geïnstalleerd.
- U kunt niet kopieren of afdrukken als alleen de foto-inktcartridge is geinstalleerd.
- Druk op ✗ om het foutbericht te wissen.
Geheugenfout
Dit zijn mogelijke oplossingen. Probeer een of meer van de volgende oplossingen:
Verminder het geheugengebruik
Indien van toepassing:
- Druk de ontvangen faxen in het geheugen af.
• Verzend minder pagina's.
Selecteer de instelling Na bellen
1 Dubbelklik op het bureaublad op het pictogram Lexmark Productivity Studio.
2 Klik in het welkomstvenster op Faxgeschiedenis en -instellingen.
3 Klik op Snelkeuzelijst en andere faxinstellingen aanpassen.
4 Klik op de tab Bellen en verzenden.
5 Selecteer Na bellen in het gedeelte Wanneer moet een document worden gescand van het gedeelte Verzendopties.
6 Klik op OK.
7 Verzend de fax opnieuw.
Er zijn geen afbeeldingen geselecteerd
U hebt geen van de opties geselecteerd in stap 1 voor het fotocontrolevel dat u hebt afgedrukt en gescand.
1 Zorg dat u de cirkel of cirkels van de gewenste foto's volledig invult.
2 Druk op om door te gaan.
Geen foto-/papierformaat geselecteerd
U hebt geen van de opties geselecteerd in stap 2 voor het fotocontrolevel dat u hebt afgedrukt en gescand.
1 Zorg dat u de cirkel of cirkels van de gewenste foto's volledig invult.
2 Druk op om door te gaan.
Kan geen controlevel vinden
Het document op de glasplaat is geen geldig controlevel. Zie voor meer informatie "Foto's op een opslagapparaat afdrukken met het controlevel" op pagina 97.
Geen controlevelgegevens
Het fotocontrolevel dat u hebt afgedrukt en gescand, is niet langer geldig.
Wellicht hebt u de geheugenkaart of het flashstation uit de printer verwijderd of de printer uitgeschakeld voordat het fotocontrolevel was gescand.
Zie voor meer informatie "Foto's op een opslagapparaat afdrukken met het controlevel" op pagina 97.
Geen geldige foto's gevonden
Er zijn geen ondersteunde afbeeldingen gevonden op de geheugenkaart of het flashstation.
De printer herkent alleen foto's met de JPEG-indeling. Raadpleeg de documentatie bij de digitale camera voor meer informatie.
U kunt slechts één verbetering voor een foto tegelijk kiezen
U hebt meerdere opties geselecteerd in stap 2 voor het fotocontrolevel dat u hebt afgedrukt en gescand.
1 Zorg dat u slechts één cirkel per optie volledig invult.
2 Druk op om door te gaan.
U kunt slechts één foto/formaat tegelijk kiezen
U hebt meerdere opties geselecteerd in stap 2 voor het fotocontrolevel dat u hebt afgedrukt en gescand.
1 Zorg dat u slechts één cirkel per optie volledig invult.
2 Druk op om door te gaan.
Fout met papier- of fotoformaat
Er zijn een of meer foto's groter dan het papierformaat dat u hebt geselecteerd in het printermenu.
1 Druk op ✗ om het foutbericht te wissen.
2 Druk hethaaldelijk op ◀ of ▶ tot Papierinstellingen wordt weergegeven.
3 Druk op √
4 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Papierformaat wordt weergegeven.
5 Druk op √
6 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ om het papierformaat te selecteren dat geschikt is voor het grootste fotoformaat.
7 Druk op Kleur of Zwart om af te drukken.
PictBridge-communicatiefout
Maak de USB-kabel die bij de camera is geleverd los van de PictBridge-poort aan de voorkant van de printer en sluit de kabel opnieuw aan.
Verwijder de camerakaart.
De printer kan een digitale PictBridge-camera of een geheugenkaart lezen, maar niet beide tegelijkertijd.
1 Verwijder zowel de digitale PictBridge-camera als de geheugenkaart.
2 Sluit slechts één van deze twee weer aan.
Sommige foto's zijn van de kaart verwijderd door de host
Een aantal foto's op het fotocontrolevel is met de computer van de geheugenkaart verwijderd.
U moet een nieuw fotocontrolevel afdrukken.
Zie voor meer informatie "Foto's op een opslagapparaat afdrukken met het controlevel" op pagina 97.
Probleem bij lezen van geheugenkaart
- Zie "Geheugenkaart kan niet worden geplaatst" op pagina 184.
- Zie "Er gebeurt niets als de geheugenkaart is geplaatst" op pagina 184.
Fout met dubbelzijdige papiersoort
Het papier dat in de printer is geplaatst is geen normaal papier.
U kunt alleen normaal papier gebruiken voor dubbelzijdig afdrukken of kopieren.
1 Druk op ✗ om het foutbericht te wissen.
2 Plaats normaal papier in de printer.
3 Druk op Instellingen.
4 Druk op ◀ of ▶ tot Papierinstellingen wordt weergegeven.
5 Druk op √
6 Druk op ◀ of ▶ tot Papiersoort wordt weergegeven.
7 Druk op √
8 Druk op ◀ of ▶ tot Automatisch of Normaal wordt weergegeven.
9 Druk op √
10 Druk op als niet brandt.
11 Druk op Kleur of Zwart.
Bestand niet ondersteund
Er is geen toepassing gevonden die het bestand ondersteunt dat u wilt afdrukken.
Zortg ervoor dat de geheugenkaart of het flashstation dat in de printer is geplaats, bestanden bevat met de bestandsextensies DOC, XLS, PPT, PDF, RTF, DOCX, XLSX, PPTX, WPS of WPD.
Zie voor meer informatie "Documenten vanaf een geheugenkaart of flashstation afdrukken" op pagina 72.
Papierfrmt niet onderst.
Het papierformaat dat u hebt geselecteerd op de digitale PictBridge-camera wordt niet ondersteund door de printer.
1 Druk op het bedieningspaneel op ✗ om het foutbericht te wissen.
2 Druk op
3 Druk op ◀ of ▶ tot Papierinstellingen wordt weergegeven.
4 Druk op √
5 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot Papierformaat wordt weergegeven.
6 Druk op √
7 Druk herhaaldelijk op ◀ of ▶ tot het gewenste formaat wordt weergegeven.
8 Druk op √
9 Druk op Kleur of Zwart om af te drukken.
Foutberichten op het beeldscherm van de computer
Foutberichten wissen
1 Verhelp de foutsituatie zoals beschreven in het foutbericht. Klik op Help in het foutbericht voor specifieke aanwijzingen.
2 Nadat u het probleem hebt verholpen, klikt u op Doorgaan om het afdrukken te hervatten.
Als het probleem blijft optreden, maar u het foutbericht wilt wissen:
1 Klik op Afdrukken annuleren. Het foutbericht verdwijnt en het dialoogvenster Afdrukken annuleren verschijnt.
2 Volg de aanwijzingen in het dialoogvenster Afdrukken annuleren.
Linker-/rechtercartridge ontbreekt

Dit bericht geeft aan dat een van de benodigde cartridges ontbreekt. Installeer een inktcartridge.
Communicatie is niet beschikbaar
De printer en de computer lijken geen gegevens te kunnen uitwisselen.
Krijgt de printer stroom?
Als chiet brandt, krijgt de printer misschien geen stroom.
- Sluit de printer aan op een ander stopcontact.
- Als de printer is aangesloten op een overspanningsbeveiliging, trekt u de stekker van het netsnoer van de printer uit de overspanningsbeveiliging en sluit u de printer rechtstreeks aan op een stopcontact.
Is er een probleem met de kabelverbindingen?
Als de printer is aangesloten op een extern apparaat, is er mogelijk een probleem met het apparaat. Controleer de installatie-informatie die bij het apparaat is geleverd om te controleren of het correct is geïnstalleerd.
Als u afdrukt met een USB-kabel, controleert u of de kabel goed is aangesloten op de printer en de computer.
Mogelijk moet u de computer opnieuw opstarten voor u kunt afdrukken.
Algemeen afdrukprobleem
Een specifieker foutbericht is niet mogelijk, omdat er geen bidirectionele communicatie is tussen de printer en de computer.
Als u een specifieker foutbericht wilt ontvangen, gaat u naar "Bidirectionele communicatie is niet ingesteld" op pagina 177.
Als u het probleem wilt vaststellen zonder bidirectionele communicatie in te stellen, gaat u naar "Gereedheid van de printer controleren" op pagina 171.
Inkt is bijna op
Een inktcartridge bevat bijna geen inkt meer.

Installeer een nieuwe cartridge. Zie voor meer informatie "Inktcartridges installeren" op pagina 135.
Zie voor meer informatie over het bestellen van een nieuwe cartridge "Papier en andere supplies bestellen" op pagina 141.
Onvoldoende geheugen
Er is onvoldoende geheugen beschikbaar voor de printersoftware om af te drukken.
Probeer het volgende:
- Voordat u een document verzendt om dit af te drukken, sluit u andere geopende programma's. Als er te veel programma's geopend zijn op de computer, kan een lege pagina worden afgedrukt.
- Volg de aanwijzingen in het foutbericht. Deze aanwijzingen zijn gericht op vermindering van de hoeveelheid geheugen die nodig is voor het afdrukken.
Papier is op
1 Plaats papier in de printer.
2 Druk op om door te gaan met afdrukken.
Opmerking: duw het papier niet te ver in de printer.
Afdrukfout oplossen
Volg de aanwijzingen op het scherm.
Als de printer nog steeds niet afdrukt:
1 Voer een van de volgende handelingen uit:
• Windows Vista: klik op .
- Windows XP en eerder: klik op Start.
2 Klik op Start → Programma's of Alle programma's → Lexmark 6500 Series.
3 Klik op Printeroplossingen en vervolgens op de tab Contactgegevens.
Niet-ondersteunde bestandstypen gevonden op de geheugenkaart
De geheugenkaart die in de printer is geplaatst, bevat niet-ondersteunde bestandstypen. Plaats een geheugenkaart met ondersteunde bestandstypen. Raadpleeg de Gebruikershandleiding op de cd die bij de printer is geleverd voor meer informatie over ondersteunde bestandstypen.
Vastgelopen papier
Er is papier vastgelopen in de printer. U moet de papierbaan vrijmaken.
Opmerking: duw het papier niet te ver in de printer om te voorkomen dat het papier vastloopt.
Meerdere All-In-One-apparaten gevonden
Er is vastgesteld dat er meerdere Lexmark printers rechtstreeks of via een netwerk zijn aangesloten op de computer. U kunt kiezen welke printer u wilt gebruiken:
1 Selecteer de printer in de lijst.
2 Klik op OK.
Productinformatie
Productnaam:
Lexmark 6500 Series
Apparaattype:
4429
Model(len):
021, W12, W1E
Uitgavebericht
Mei 2007
De volgende alinea is niet van toepassing op landen waar de voorwaarden strijdig zijn met de nationale wetgeving: LEXMARK INTERNATIONAL, INC., LEVERT DEZE PUBLICATIE ALS ZODANIG ZONDER ENIGE VORM VAN GARANTIE, NOCH IMPLICIET, NOCH EXPLICIET, INCLUSIEF MAAR NIET BEPERKT TOT DE IMPLICIETE GARANTIES VAN VERHANDELBAARHEID OF GESCHIKTHEID VOOR EEN BEPAALD DOEL. In sommige rechtsgebieden is afwijzing van expliciete of impliciete garanties bij bepaalde transacties niet toegestaan, het is daarom mogelijk dat deze verklaring niet op u van toepassing is.
Deze publicatie kan technische onjuistheden of typografische fouten bevatten. De informatie in deze publicatie wordt regelmatig herzien, wijzigingen zullen in latere uitgaven worden opgenomen. De producten of programma's die worden beschreven, kunnen te allen tijde worden verbeterd of gewijzigd.
Verwijzingen in deze publicatie naar producten, programma's of diensten houden niet in dat de fabrikant deze producten op de markt wil brengen in alle landen waar de fabrikant actief is. Een verwijzing naar een product, programma of dienst betekent niet dat alleen dat product, dat programma of die dienst kan worden gebruikt. In plaats daarvan kunnen alle functioneel gelijkwaardige producten, programma's of diensten, waarmee geen inbreuk wordt gemaakt op bestaande intellectuele eigendomsrechten, worden gebruikt. De gebruiker is verantwoordelijk voor de evaluatie en controle van de werking in combinatie met andere producten, programma's of diensten, met uitzondering van de producten, programma's of diensten die door de fabrikant zijn aangegeven.
Voor technische ondersteuning van Lexmark gaat u naar support.lexmark.com.
Voor informatie over supplies en downloads gaat u naar www.lexmark.com.
Als u geen toegang hebt tot internet, kunt u ook per post contact opnemen met Lexmark:
Lexmark International, Inc.
Bldg 004-2/CSC
Alle rechten voorbehouden.
Handelsmerken
Lexmark en Lexmark met het diamantlogo zijn gedeponeerde handelsmerken van Lexmark International, Inc. in de Verenigde Staten en/of andere landen.
evercolor en PerfectFinish zijn handelsmerken van Lexmark International, Inc.
TrueType is een handelsmerk van Apple Inc.
Andere handelsmerken zijn eigendom van hun respectieve houders.
Conventies
Opmerking: hiermee wordt aangegeven dat een bepaald gedeelte nuttige informatie bevat.
Waarschuwing: hiermee wordt aangegeven dat een handeling kan leiden tot schade aan de hardware of software van het product.

Let op: hiermee wordt aangegeven dat een handeling kan leiden tot lichamelijk letsel.

Let op: hiermee wordt aangegeven dat u het gemarkeerde gedeelte niet moet aanraken.

Let op: hiermee wordt aangegeven dat een bepaald gedeelte heet kan worden.

Let op: hiermee wordt aangegeven dat u een schok kunt krijgen.

Let op: hiermee wordt aangegeven dat het apparaat kan omvallen.
Blootstelling aan hoogfrequentie-energie
De volgende kennisgeving is van toepassing als in de printer een draadloze netwerkkaart is geïnstalleerd.
De hoeveelheid hoogfrequentie-energie die door dit draadloze apparaat wordt uitgestraald, ligt ver onder de limieten voor hoogfrequentie-energie die zijn vastgesteld door de FCC en andere regelgevingsinstanties. Er moet minimaal 20 cm (8 inch) ruimte tussen de antenne en eventuele personen zijn om te voldoen aan de vereisten voor hoogfrequentie-energie van de FCC.
Conformiteit met de richtlijnen van de Europese Gemeenschap
Dit product voldoet aan de veiligheidseisen die zijn omschreven in de Europese richtlijnen 89/336/EEG, 2006/95/EC en 1999/5/EG aangaande het harmoniseren van de wetten van de Lidstaten met betrekking tot elektromagnetische compatibiliteit en veiligheid van elektrische apparatuur die is ontworpen voor gebruik binnen bepaalde voltagegrenzen en voor radioapparatuur en telecommunicatieterminals.
Een verklaring van conformiteit met de eisen van de richtlijnen is getekend door de Director of Manufacturing and Technical Support, Lexmark International, S.A., Boigny, Frankrijk.
Dit product voldoet aan de eisen voor apparaten van Klasse B, zoals omschreven in richtlijn EN 55022 en in de veiligheidseisen van EN 60950.
De volgende kennisgevingen zijn van toepassing als er een draadloze netwerkkaart in de printer is geïnstalleerd
Dit product voldoet aan de veiligheidseisen die zijn omschreven in de Europese richtlijnen 89/336/EEG, 2006/95/EEG en 1999/5/EG aangaande het harmoniseren van de wetten van de Lidstaten met betrekking tot elektromagnetische compatibiliteit en veiligheid van elektrische apparatuur die is ontworpen voor gebruik binnen bepaalde voltagegrenzen en voor radioapparatuur en telecommunicatieterminals.
De CE-markering geeft aan dat een apparaat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften.

Het waarschuwingssymbool geeft aan dat er binnen bepaalde lidstaten beperkingen gelden.
Een verklaring waarin staat dat het product voldoet aan de veiligheidseisen van de EG-richtlijnen kan worden verkregen bij de Director of Manufacturing and Technical Support, Lexmark International, S. A., Boigny, Frankrijk.
De volgende beperkingen zijn van kracht:
Dit product voldoet aan de eisen van EN 55022; de veiligheidsvoorschriften van EN 60950; de radiospectrumvereisten van ETSI EN 300328; en de EMC-vereisten van EN 55024, ETSI EN 301 489-1 en ETSI EN 301 489-17.
| Česky | Společnost Lexmark International, Inc. tímto prohlašuje, že výrobek tento výrobek je ve shodě se základními požadavky a dalšími příslušnými ustanoveními směrnice 1999/5/ES. |
| Dansk | Lexmark International, Inc. erklærer herved, at dette produkt overholder de væsentlige krav og øvrige relevante krav i direktiv 1999/5/EF. |
| Deutsch | Hiermit erklärt Lexmark International, Inc., dass sich das Gerät dieses Gerät in Übereinstimmung mit den grundlegenden Anforderungen und den übrigen einschlägigen Bestimmungen der Richtlinie 1999/5/EG befindet. |
| Ελληνική | ΜΕ ΤΗΝ ΠΑΡΟΥΣΑ Η ΣΧΜΑΚΚ ΙΤΕΝΤΙΑΛ, INC. ΔΗΛΩΝΕΙ ΟΤΙ ΑΥΤΟ ΤΟ ΠΡΟΪΟΝ ΣΥΜΜΟΡΦΩΝΕΤΑΙ ΠΡΟΣ ΤΙΣ ΟΥΣΙΩΔΕΙΣ ΑΠΑΙΤΗΣΕΙΣ ΚΑΙ ΤΙΣ ΛΟΙΠΕΣ ΣΧΕΤΙΚΕΣ ΔΙΑΤΑΞΕΙΣ ΤΗΣ ΟΔΗΓΙΑΣ 1999/5/ΕΚ. |
| English | Hereby, Lexmark International, Inc., declares that this type of equipment is in compliance with the essential requirements and other relevant provisions of Directive 1999/5/EC. |
| Español | Por medio de la presente, Lexmark International, Inc. declara que este producto cumple con los requisitos esenciales y cualesquiera otras disposiciones aplicables o exigibles de la Directiva 1999/5/CE. |
| Eesti | Käesolevaga kinnitab Lexmark International, Inc., et seade see toode vastab direktiivi 1999/5/EÜ põhinõuetele ja nimetatud direktiivist tulenevatele muudele asjakohastele sätetele. |
| Suomi | Lexmark International, Inc. vakuuttaa täten, että tämä tuote on direktiivin 1999/5/EY oleellisten vaatimusten ja muiden sită koskevien direktiivin ehtojen mukainen. |
| Français | Par la présente, Lexmark International, Inc. déclare que l'appareil ce produit est conforme aux exigences fondamentales et autres dispositions pertinentes de la directive 1999/5/CE. |
| Magyar | Alulírott, Lexmark International, Inc. nyilatkozom, hogy a termék megfelel a vonatkozó alapvető követelményeknek és az 1999/5/EC irányelv egyéb előírásainak. |
| Íslenska | Hér með lýsir Lexmark International, Inc. yfir því að þessi vara er í samræmi við grunnkröfur og aðrar kröfur, sem gerðar eru í tilskipun 1999/5/EC. |
| Italiano | Con la presente Lexmark International, Inc. dichiara che questo questo prodotto è conforme ai requisiti essenziali ed alle altre disposizioni pertinenti stabilite dalla direttiva 1999/5/CE. |
| Latviski | Ar šo Lexmark International, Inc. deklarē, ka šis izstrādājums atbilst Direktīvas 1999/5/EK būtiskajām prasībām un citiem ar to saistītajiem noteikumiem. |
| Lietuvių | Šiuo Lexmark International, Inc. deklaruoja, kad šis produktas atitinka esminius reikalavimus ir kitas 1999/5/EB direktyvos nuostatas. |
| Malti | Bil-preżenti, Lexmark International, Inc., jiddikjara li dan il-prodott huwa konformi mal-ħtiġijiet essenzjali u ma dispożizzjonijiet oħrajn relevanti li jinsabu fid-Direttiva 1999/5/KE. |
| Nederlands | Hierbij verklaart Lexmark International, Inc. dat het toestel dit product in overeenstemming is met de essentiële eisen en de andere relevante bepalingen van richtlijn 1999/5/EG. |
| Norsk | Lexmark International, Inc. erklærer herved at dette produktet er i samsvar med de grunnleggende krav og øvrige relevante krav i direktiv 1999/5/EF. |
| Polski | Niniejszym Lexmark International, Inc. oświadcza, że niniejszy produkt jest zgodny z zasadniczymi wymogami oraz pozostałymi stosownymi postanowieniami Dyrektywy 1999/5/EC. |
| Português | A Lexmark International Inc. declara que este este produto está conforme com os requisitos essenciais e outras disposições da Diretiva 1999/5/CE. |
| Slovensky | Lexmark International, Inc. týmto vyhlasuje, že tento produkt spíňa základné požiadavky a všetky príslušné ustanovenia smernice 1999/5/ES. |
| Slovensko | Lexmark International, Inc. izjavlja, da je ta izdelek v skladu z bistvenimi zahtevami in ostalimi relevantnimi določili direktive 1999/5/ES. |
| Svenska | Härmed intygar Lexmark International, Inc. att denna produkt står i överensstämmelse med de väsentliga egenskapskrav och övriga relevanta bestämmelser som framgår av direktiv 1999/5/EG. |
Geluidsemissie
De volgende metingen zijn uitgevoerd conform ISO 7779 en gerapporteerd overeenkomstig ISO 9296.
Opmerking: sommige modi zijn wellicht niet van toepassing op uw product.
| Gemiddelde geluidsdruk in dBA op 1 meter afstand | |
| Afdrukken 47 | |
| Scannen 44 | |
| Kopiëren 42 | |
| Gereed Niet hoorbaar | |
Waarden kunnen gewijzigd worden. Zie www.lexmark.com voor de huidige waarden.
Verwijdering van het product
Gooi de printer of onderdelen niet weg met het huishoudelijke afval. Neem contact op met uw gemeente voor mogelijkheden voor afvoer en recycling.
Temperatuurinformatie
| Omgevingstemperatuur 15 tot 32 | graden Celsius (60 tot 90 graden Fahrenheit) |
| Verzend- en opslagtemperatuur | -40 tot 60 graden Celsius (-40 tot 140 graden Fahrenheit), 1 tot 60 graden Celsius (34 tot 140 graden Fahrenheit) |
ENERGY STAR

AEEA-richtlijn (Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur)

Het AEEA-logo geeft aan dat er in de Europese Unie specifieke programma's en procedures zijn voor het hergebruiken van elektronische producten. Wij moedigen het hergebruiken van onze producten aan. Als u meer vragen hebt over de mogelijkheden voor hergebruik, bezoekt u de Lexmark website op www.lexmark.com voor het telefoonnummer van uw lokale verkoopafdeling.
Stroomverbruik
Stroomverbruik van het product
In de volgende tabel worden de stroomverbruikskenmerken van het product weergegeven.
Opmerking: sommige modi zijn wellicht niet van toepassing op uw product.
| Modus Beschrijving Stroomverbruik (Watt) | ||
| Afdrukken Er worden papieren kopieën van elektronische invoergemaakt met het product. | 14,1 | |
| Kopieren Er worden papieren kopieën van papieren originelen gemaakt met het product. | 13,2 | |
| Scannen | Er worden papieren originelen gescand met het product. | 9,0 |
| Gereed Het product wacht op een afdruktaak. 6,9 | ||
| Energiebesparing De spaarstand van het product is geactiveerd. 3,5 | ||
| Uitgeschakeld (hoog) Het product is aangesloten op een stopcontact, maar het apparaat is uitgeschakeld. | Nvt | |
| Uitgeschakeld (laag) (Uitgeschakeld (<1 W) | De printer is aangesloten op een stopcontact, het apparaat is uitgeschakeld en verbruikt zo min mogelijk stroom. | Nvt |
| Uit Het product is aangesloten op een stopcontact, maar het apparaat is uitgeschakeld. | 0,5 | |
De stroomverbruikniveaus in de vorige tabel zijn metingen op basis van tijdgemiddelden. Stroompieken kunnen aanzienlijk hoger zijn dan het gemiddelde.
Waarden kunnen gewijzigd worden. Zie www.lexmark.com voor de huidige waarden.
Spaarstand
Dit product heeft een energiebesparende modus die Spaarstand wordt genoemd. Deze spaarstand is gelijk aan de EPA-slaapstand. In de spaarstand wordt energie bespaard door het stroomverbruik te verlagen tijdens langere perioden waarin het apparaat niet actief is. De spaarstand wordt automatisch ingeschakeld wanneer het product gedurende een vooraf ingestelde periode (time-out voor spaarstand) niet wordt gebruikt.
Standaardinstelling voor de time-out voor spaarstand van dit product (in minuten): 60
Printer is uitgeschakeld
Als dit product een stand heeft waarin het is uitgeschakeld maar er nog steeds een kleine hoeveelheid energie wordt verbruikt en u wilt het stroomverbruik van het product volledig stoppen, moet u de stekker van het product uit het stopcontact trekken.
Totaal energieverbruik
Het is soms handig om het totale energieverbruik van het product te berekenen. Aangezien het stroomverbruik wordt aangegeven in watt, moet het stroomverbruik worden vermenigvuldigd met de tijd dat elke stand actief is op het product. Zo kunt u het energieverbruik berekenen. Het totale energieverbruik van het product is de som van het energieverbruik voor alle standen.
Ik ga ermee akkoord dat de gepatenteerde cartridge(s) die bij deze printer zijn geleverd, worden verkocht met de volgende licentie/ overeenkomst: De bijgeleverde, gepatenteerde inktcartridge(s) mogen slechts één maal worden gebruikt en zijn ontworpen om te stoppen met werken nadat een vastgestelde hoeveelheid inkt is gebruikt. Er blijft een variabele hoeveelheid inkt achter in de cartridge wanneer vervanging is vereist. Nadat de inktcartridge is opgebruikt, wordt de licentie voor het gebruik van de inktcartridge beëindigd en moet de gebruikte cartridge worden geretourneerd naar Lexmark zodat de cartridge kan worden gebruikt voor de fabricage van nieuwe producten, opnieuw kan worden gevuld of kan worden gerecycled. Als ik een andere inktcartridge aanschaf die wordt verkocht met de bovenstaande voorwaarden, ga ik akkoord met de voorwaarden met betrekking tot die cartridge. Als u niet akkoord gaat met de voorwaarden van deze licentieovereenkomst voor eenmalig gebruik, moet u dit product in de verpakking terugbrengen naar de winkel van aankoop. U kunt een vervangende cartridge zonder deze voorwaarden aanschaffen op www.lexmark.com.
LICENTIEOVEREENKOMST VOOR LEXMARK SOFTWARE
Deze Licentieovereenkomst voor software ('Licentieovereenkomst') is een rechtsgeldige overeenkomst tussen u (een individu of een rechtspersoon) en Lexmark International, Inc. ('Lexmark') die, voor zover uw Lexmark product of Softwareprogramma niet op andere wijze onderhevig is aan een geschreven licentieovereenkomst voor software tussen u en Lexmark of zijn leveranciers, uw gebruik beheerst van enig Softwareprogramma dat is geïnstalleerd op of wordt geleverd door Lexmark voor gebruik in combinatie met uw Lexmark product. De term 'Softwareprogramma' omvat machineleesbare instructies, beeld- en geluidsmateriaal (zoals afbeeldingen en opnamen) en bijbehorende media, gedrukte materialen en elektronische documentatie, ongeacht of dit is opgenomen in , geleverd bij of voor gebruik met het Lexmark product .
1 BEPERKTE GARANTIEVERKLARING. Lexmark garandeert dat de media (bijvoorbeeld diskettes of cd's) met het Softwareprogramma (als dit geleverd is) bij normaal gebruik geen materiaal of bewerkingsfouten bevatten gedurende de garantieperiode. De garantieperiode is negentig (90) dagen en gaat in op de dag waarop het Softwareprogramma wordt bezorgd bij de eindgebruiker. De beperkte garantieverklaring is alleen van toepassing op Softwareprogramma's die zijn gekocht bij Lexmark of een geautoriseerde wederverkoper of distributeur van Lexmark. Lexmark zal het Softwareprogramma vervangen als er wordt vastgesteld dat de media niet voldoet aan deze beperkte garantieverklaring.
2 AFWIJZING EN BEPERKING VAN GARANTIES. BEHALVE ZOALS AANGEGEVEN IN DEZE LICENTIEOVEREENKOMST EN VOOR ZOVER MAXIMAAL TOEGESTAAN ONDER DE TOEPASSELIJKE WETGEVING, LEVEREN LEXMARK EN ZIJN LEVERANCIERS HET SOFTWAREPROGRAMMA ALS ZODANIG EN WIJZEN HIERBIJ ALLE ANDERE GARANTIES EN BEPALINGEN, EXPLICIET OF IMPLICIET, INCLUSIEF MAAR NIET BEPERKT TOT EIGENDOM, NIET-INBREUKMAKENDHEID, VERHANDELBAARHEID EN GESCHIKTHEID VOOR EEN BEPAALD DOEL, EN AFWEZIGHEID VAN VIRUSSEN, VAN DE HAND MET BETREKKING TOT HET SOFTWAREPROGRAMMA. Deze Overeenkomst moet worden geïnterpreteerd in combinatie met bepaalde wettelijke bepalingen, zoals die van tijd tot tijd van kracht kunnen zijn, die garanties of bepalingen impliceren of verplichtingen opleggen aan Lexmark die niet kunnen worden uitgesloten of aangepast. Als dergelijke bepalingen van toepassing zijn, beperkt Lexmark, voor zover Lexmark hiertoe in staat is, hierbij zijn aansprakelijkheid voor het schenden van deze bepalingen tot een van de volgende acties: vervanging van het Softwareprogramma of teruggave van het bedrag dat is betaald voor het Softwareprogramma.
3 LICENTIEVERLENING. Lexmark verleent u de volgende rechten op voorwaarde dat u zich houdt aan alle voorwaarden en bepalingen van deze Licentieovereenkomst:
a Gebruik. U mag één (1) exemplaar van het Softwareprogramma gebruiken. De term 'Gebruik' betekent het opslaan, laden, installeren, uitvoeren of weergeven van het Softwareprogramma. Als u het Softwareprogramma gebruikt met een licentie voor gelijktijdig gebruik, moet u het aantal geautoriseerde gebruikers beperken tot het aantal dat is opgegeven in uw overeenkomst met Lexmark. U mag de onderdelen van het Softwareprogramma niet van elkaar scheiden voor gebruik op meer dan één computer. U stemt ermee in dat u het Softwareprogramma, geheel of gedeeltelijk, niet zult gebruiken op enige wijze waardoor de visuele weergave van een handelsmerk, handelsnaam, woordmerk of kennisgeving voor intellectueel eigendom op een computerscherm die normaal gesproken wordt gegenereerd door, of als gevolg van, het Softwareprogramma, zal worden overschreven, aangepast, verwijderd, onleesbaar gemaakt, gewijzigd of verhuld.
b Kopiëren. U mag één (1) kopie van het Softwareprogramma maken die uitsluitend is bestemd voor back-up-, archiverings- of installatiedoeleinden, op voorwaarde dat de kopie alle eigendomskennisgevingen van het originele Softwareprogramma bevat. U mag het Softwareprogramma niet kopiëren naar een openbaar of gedistribueerd netwerk.
c Voorbehoud van rechten. Het Softwareprogramma, inclusief alle lettertypen, is auteursrechtelijk beschermd en eigendom van Lexmark International, Inc. en/of zijn leveranciers. Alle rechten die niet expliciet worden verleend aan u in deze Licentieovereenkomst, zijn voorbehouden aan Lexmark.
d Freeware. Niettegenstaande de voorwaarden en bepalingen van deze Licentieovereenkomst, worden alle gedeelten van het Softwareprogramma waarin wordt gebruikgemaakt van software die onder een openbare licentie wordt geleverd door derden ('Freeware'), aan u in licentie gegeven onderhevig aan de voorwaarden en bepalingen die horen bij dergelijke Freeware, ongeacht of deze de vorm heeft van een afzonderlijke overeenkomst, een in de verpakking opgenomen licentie of elektronische licentievoorwaarden ten tijde van het downloaden. Gebruik van de Freeware door u wordt volledig beheerst door de voorwaarden en bepalingen van een dergelijke licentie.
4 OVERDRACHT. U mag het Softwareprogramma overdragen aan een andere eindgebruiker. Elke overdracht moet bestaan uit alle softwareonderdelen, media, gedrukte materialen en deze Licentieovereenkomst en u mag geen exemplaren van het Softwareprogramma of onderdelen daarvan bewaren. De overdracht mag niet een indirecte overdracht zijn, zoals een zending. Vóór de overdracht moet de eindgebruiker die het overgedragen Softwareprogramma ontvangt, akkoord gaan met alle voorwaarden van deze Licentieovereenkomst. Bij overdracht van het Softwareprogramma wordt uw licentie automatisch beëindigd. U mag het Softwareprogramma niet verhuren, in sublicentie geven of afstaan behalve voor zover is toegestaan onder deze Licentieovereenkomst. Als u dit wel doet is de overeenkomst niet langer geldig.
5 UPGRADES. Om een Softwareprogramma dat als upgrade wordt aangeduid, te mogen gebruiken, moet u beschikken over een licentie voor het originele Softwareprogramma dat door Lexmark is aangeduid als in aanmerking komend voor de upgrade. Na het uitvoeren van de upgrade mag u het originele Softwareprogramma dat de basis vormde voor de upgrade, niet langer gebruiken.
6 BEPERKING VOOR REVERSE-ENGINEERING. U mag het Softwareprogramma niet aanpassen, decoderen, onderwerpen aan reverse-engineering, disassembleren, decompileren of op andere wijze vertalen, behalve voor zover expliciet is toegestaan onder de toepasselijke wetgeving voor doeleinden met betrekking tot samenwerking, foutcorrectie en beveiligingstesten. Als u beschikt over dergelijke wettelijke rechten, moet u Lexmark schriftelijk op de hoogte stellen als u van plan bent reverse-engineering, disassemblage of decompilatie uit te voeren. U mag het Softwareprogramma niet decoderen tenzij dit vereist is voor het legitieme Gebruik van het Softwareprogramma.
7 AANVULLENDE SOFTWARE. Deze Licentieovereenkomst is van toepassing op updates van of aanvullingen op het originele Softwareprogramma die worden geleverd door Lexmark tenzij Lexmark andere voorwaarden levert samen met de update of aanvulling.
8 BEPERKING VAN VERHAALSMOGELIJKHEDEN. Voor zover maximaal toegestaan onder de toepasselijke wetgeving, is de volledige aansprakelijkheid van Lexmark, zijn leveranciers, partners en wederverkopers, en uw exclusieve verhaalsmogelijkheid als volgt: Lexmark biedt de bovenstaande uitdrukkelijke beperkte garantieverklaring. Als Lexmark problemen met defecte media niet oplost zoals in de garantieverklaring is aangegeven, kunt u uw licentie beëindigen en krijgt u uw geld terug wanneer u alle exemplaren van het Softwareprogramma terugstuurt.
9 BEPERKING VAN AANSPRAKELIJKHEID. Voor zover maximaal toegestaan onder de toepasselijke wetgeving, geldt voor elke claim die voortkomt uit de beperkte garantie van Lexmark, of voor enige andere claim met betrekking tot het onderwerp van deze Overeenkomst, dat de aansprakelijkheid van Lexmark en zijn leveranciers voor alle typen schade, ongeacht de vorm van de gerechtelijke vordering of de basis hiervoor (inclusief contract, schending, niet-ontvankelijkheidsverklaring, nalatigheid, onjuiste voorstelling of onrechtmatige daad) is beperkt tot een maximum van \$5.000 of het bedrag dat is betaald aan Lexmark of zijn Geautoriseerde wederverkopers voor de betreffende licentie voor het Softwareprogramma waardoor de schade is veroorzaakt of die het onderwerp is van, of direct verwant is aan, de oorzaak van de gerechtelijke vordering.
IN GEEN GEVAL ZIJN LEXMARK, ZIJN LEVERANCIERS, DOCHTERONDERNEMINGEN OF WEDERVERKOPERS AANSPRAKELIJK VOOR ENIGE SPECIALE, INCIDENTELE, INDIRECTE EN PUNITIEVE SCHADE OF GEVOLGSCHADE (INCLUSIEF MAAR NIET BEPERKT TOT VERLIES VAN WINST OF INKOMSTEN, VERLOREN SPAARTEGOEDEN, ONDERBREKING IN HET GEBRUIK OF ENIG VERLIES VAN GEBRUIK, ONNAUWKEURIGHEID IN OF SCHADE AAN GEGEVENS OF RECORDS, VOOR CLAIMS VAN DERDEN, OF SCHADE AAN ECHTE OF TASTBARE EIGENDOMMEN, VOOR SCHENDING VAN PRIVACY VOORTKOMEND UIT OF OP ENIGE MANIER VERWANT AAN HET GEBRUIK VAN OF HET NIET KUNNEN GEBRUIKEN VAN HET SOFTWAREPROGRAMMA, OF ANDERSZINS IN COMBINATIE MET ENIGE BEPALING IN DEZE LICENTIEOVEREENKOMST), ONGEACHT DE AARD VAN DE CLAIM, INCLUSIEF MAAR NIET BEPERKT TOT SCHENDING VAN GARANTIE OF CONTRACT, ONRECHTMATIGE DAAD (INCLUSIEF NALATIGHEID OF STRIKTE AANSPRAKELIJKHEID), EN ZELFS NIET ALS LEXMARK, OF ZIJN LEVERANCIERS, PARTNERS OF WEDERVERKOPERS OP DE HOOGTE ZIJN GESTELD VAN DE MOGELIJKHEID VAN DERGELIJKE SCHADE, OF VOOR ENIGE CLAIM DOOR U OP BASIS VAN EEN CLAIM VAN DERDEN, BEHALVE VOOR ZOVER DEZE UITSLUITING VAN SCHADE NIET RECHTSGELDIG IS. DE VOORGAANDE BEPERKINGEN ZIJN ZELFS VAN TOEPASSING ALS DE BOVENSTAANDE VERHAALSMOGELIJKHEDEN NIET SLAGEN IN HUN ESSENTIÈLE DOEL.
10 DUUR. Deze Licentieovereenkomst is van kracht tenzij deze wordt beëindigd of afgewezen. U mag deze licentie op elk gewenst moment afwijzen of beëindigen door alle exemplaren van het Softwareprogramma te vernietigen, samen met alle aanpassingen, documentatie en samengevoegde gedeelten in welke vorm dan ook, of zoals anderszins hierin beschreven. Lexmark mag uw licentie na kennisgeving beëindigen als u zich niet houdt aan de voorwaarden van deze Licentieovereenkomst. Bij een dergelijke beëindiging gaat u ermee akkoord alle exemplaren van het Softwareprogramma te vernietigen, samen met alle aanpassingen, documentatie en samengevoegde gedeelten in welke vorm dan ook.
11 BELASTING. U stemt ermee in dat u verantwoordelijk bent voor het betalen van eventuele belasting, inclusief, maar niet beperkt tot, belasting voor goederen en services en persoonlijke eigendommen, die voortkomt uit deze Overeenkomst of uw Gebruik van het Softwareprogramma.
12 BEPERKING VOOR GERECHTELIJKE VORDERINGEN. Geen gerechtelijke vordering, ongeacht in welke vorm dan ook, die voorkomt uit deze Overeenkomst, mag worden ondernomen tegen een van de partijen meer dan twee jaar nadat de oorzaak van de gerechtelijke vordering heeft plaatsgevonden, behalve voor zover is toegestaan onder de toepasselijke wetgeving.
13 TOEPASSELIJKE WETGEVING. Deze Overeenkomst wordt beheerst door de wetgeving van het gemenebest van Kentucky, Verenigde Staten van Amerika. Het is niet mogelijk om de wetgeving van een bepaald rechtsgebied te kiezen. Het Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken (Het Weens koopverdrag) is niet van toepassing.
14 BEPERKTE RECHTEN AMERIKAANSE OVERHEID. Het Softwareprogramma is volledig op eigen kosten ontwikkeld. De rechten van de Amerikaanse overheid om het Softwareprogramma te gebruiken zijn zoals uiteengezet in deze Overeenkomst en zoals beperkt in DFARS 252.227-7014 en in vergelijkbare FAR-bepalingen (of vergelijkbare bepalingen voor overheidsinstellingen of contractclausules).
15 TOESTEMMING VOOR GEBRUIK VAN GEGEVENS. U gaat ermee akkoord dat Lexmark, zijn partners en vertegenwoordigers de door u geleverde gegevens kunnen verzamelen en gebruiken voor ondersteuningsservices die worden uitgevoerd voor het Softwareprogramma en op uw verzoek. Lexmark stemt ermee in deze gegevens niet te gebruiken in een vorm aan de hand waarvan u persoonlijk kunt worden geïdentificeerd, behalve voor zover vereist om dergelijke services te kunnen leveren.
16 EXPORTBEPERKINGEN. U mag niet (a) het Softwareprogramma of enig direct afgeleid product daarvan aanschaffen, verzenden, overdragen of herexporteren als hierbij de toepasselijke exportwetgeving wordt geschonden of (b) toestaan dat het Softwareprogramma wordt gebruikt voor doeleinden die zijn verboden in dergelijke exportwetgeving, inclusief maar niet beperkt tot het verspreiden van nucleaire, chemische of biologische wapens.
17 INSTEMMING MET CONTRACT IN ELEKTRONISCHE VORM. U en Lexmark gaan ermee akkoord deze Licentieovereenkomst in elektronische vorm aan te gaan. Dit betekent dat wanneer u op de knop 'Ik ga akkoord' of 'Ja' op deze pagina klikt of dit product gebruikt, u aangeeft in te stemmen met de voorwaarden en bepalingen van deze Licentieovereenkomst en dat u dat doet met de intentie een contract met Lexmark te 'ondertekenen'.
18 VERMOGEN EN RECHT OM HET CONTRACT AAN TE GAAN. U verklaart dat u meerderjarig bent in het land of regio waar u deze Licentieovereenkomst aangaat en, indien van toepassing, dat u bent gemachtigd door uw werkgever of opdrachtgever om dit contract aan te gaan.
19 VOLLEDIGE OVEREENKOMST. Deze Licentieovereenkomst (inclusief eventuele aanvullingen of aanpassingen op deze Licentieovereenkomst die bij het Softwareprogramma worden geleverd) is de volledige overeenkomst tussen u en Lexmark met betrekking tot het Softwareprogramma. Behalve indien anders aangegeven in dit document, vervangen deze voorwaarden en bepalingen alle voorgaande of gelijktijdige mondelinge of schriftelijke communicaties, voorstellen en verklaringen met betrekking tot het Softwareprogramma of enig ander onderwerp dat onder deze Licentieovereenkomst valt (behalve voor zover dergelijke externe voorwaarden niet in strijd zijn met de voorwaarden van deze Licentieovereenkomst of enige andere geschreven overeenkomst die is ondertekend door u en Lexmark met betrekking tot uw Gebruik van het Softwareprogramma). Voor zover enige Lexmark beleidsrichtlijnen of programma's voor ondersteuningsservices in strijd zijn met de voorwaarden van deze Licentieovereenkomst, zullen de voorwaarden van deze Licentieovereenkomst van kracht zijn.
Verklarende woordenlijst voor netwerken
| ad hoc mode | Een instelling voor een draadloos apparaat waarmee het rechtstreeks kan communiceren met andere draadloze apparaten zonder een toegangspunt of router. |
| ad-hocnetwerk | Een draadloos netwerk dat geen toegangspunt gebruikt. |
| AutoIP-adres | Een IP-adres dat automatisch wordt toegewezen door een netwerkapparaat. Als het apparaat is ingesteld op DHCP, maar er geen DHCP-server beschikbaar is, kan er een AutoIP-adres worden toegewezen door het apparaat. |
| beveiligingssleutel | Een wachtwoord, zoals een WEP-sleutel of een WPA-wachtwoord, waarmee een netwerk wordt beveiligd. |
| BSS (Basic Service Set) | BSS beschrijft het type draadloos netwerk dat u gebruikt. Er zijn twee BSS-typen: Infrastructuurnetwerk of Ad-hocnetwerk. |
| DHCP (Dynamic Host Configuration Protocol; dynamisch protocol voor hostconfiguratie) | Een taal die wordt gebruikt door DHCP-servers. |
| DHCP IP-adres | Een IP-adres dat automatisch wordt toegewezen door een DHCP-server. |
| DHCP-server | Een computer of router die een uniek IP-adres toewijst aan elk apparaat op het netwerk. Unieke adressen voorkomen conflicten. |
| draadloos toegangspunt | Een apparaat dat draadloze apparaten verbindt om een draadloos netwerk te maken. |
| draadloze router | Een router die ook dient als draadloos toegangspunt. |
| Filteren op MAC-adres | Een methode waarmee u de toegang tot uw draadloze netwerk kunt beperken door op te geven welke MAC-adressen op het netwerk mogen communiceren op het netwerk. Deze instelling kan worden opgegeven op draadloze routers of toegangspunten. |
| infrastructuurmodus | Een instelling voor een draadloos apparaat waarmee het rechtstreeks kan communiceren met andere draadloze apparaten via een toegangspunt of router. |
| installatiekabel | Hiermee sluit u de printer tijdelijk aan op de computer tijdens bepaalde installatiemethoden. |
| interne, draadloze afdrukserver | Een apparaat waarmee computers en printers met elkaar kunnen communiceren via een netwerk zonder kabels. |
| IP-adres (Internet Protocol) | Het netwerkadres van een computer of printer. Elk apparaat op het netwerk heeft een eigen netwerkadres. De adressen kunnen handmatig worden toegewezen (statisch IP-adres), automatisch door de DHCP-server (DHCP IP-adres) of automatisch door het apparaat (AutoIP-adres). |
| ipconfig | Een opdracht die het IP-adres en andere netwerkgegevens van een Windows-computer weergeeft. |
| kanaal | Een specifieke radiofrequentie die door twee of meer draadloze apparaten wordt gebruikt om te communiceren. Alle apparaten op het netwerk moeten hetzelfde kanaal gebruiken. |
| MAC-adres (Media Access Control). | Een hardware-adres dat een unieke aanduiding is voor elk apparaat op een netwerk. Het MAC-adres is meestal afgedrukt op het apparaat. |
| netwerkadapter/-kaart | Een apparaat waarmee computers of printers met elkaar kunnen communiceren via een netwerk. |
| netwerkhub | Een apparaat waarmee meerdere apparaten met elkaar verbonden kunnen worden op een bedraad netwerk. |
| netwerknaam | See “SSID (Service Set Identifier)” op pagina 219 |
| persoonlijke naam van een printer | De naam die u hebt toegewezen aan de printer zodat u en anderen deze kunnen herkennen op het netwerk. |
| pingen | Een test waarmee u kunt bepalen of uw computer kan communiceren met een ander apparaat. |
| router | Een apparaat dat één netwerkverbinding deelt met meerdere computers of andere apparaten. De hoofdrouter beheert het netwerkverkeer. |
| signaalsterkte | Indicatie van de sterkte waarmee een uitgezonden signaal wordt ontvangen. |
| SSID (Service Set Identifier) | De naam van een draadloos netwerk. Als u een printer aansluit op een draadloos netwerk, moet de printer dezelfde SSID gebruiken als het netwerk. Dit wordt ook netwerknaam of BSS (Basic Service Set) genoemd. |
| Statisch IP-adres | Een IP-adres dat handmatig door u wordt toegewezen. |
| switch | Een apparaat dat vergelijkbaar is met een netwerkhub waarmee verschillende netwerken met elkaar kunnen worden verbonden. |
| UAA (Universally Administered Address) | Een adres dat door de fabrikant aan een netwerkprinter of afdrukserver wordt toegewezen. Als u de UAA nodig hebt, drukt u een netwerkconfiguratiepagina af en zoekt u de UAA-vermelding op. |
| USB-kabel | Een lichtgewicht, flexibele kabel waarmee de printer veel sneller kan communiceren met de computer dan met parallelle kabels. |
| USB-poort | Een kleine, rechthoekige poort op de achterkant van de printer waarop randapparaten kunnen worden aangesloten met een USB-kabel en die gebruikt kan worden voor communicatie met hoge snelheden. |
| WEP (Wired Equivalent Privacy) | Een beveiligingsinstelling waarmee niet-geautoriseerde toegang tot een draadloos netwerk wordt voorkomen. Andere mogelijke beveiligingsinstellingen zijn WPA en WPA2. |
| Wi-Fi | Een term waarmee de technologie wordt beschreven die wordt gebruikt voor een draadloos lokaal netwerk (WLAN). |
| WPA (Wi-Fi Protected Access) | Een beveiligingsinstelling waarmee niet-geautoriseerde toegang tot een draadloos netwerk wordt voorkomen. WPA wordt niet ondersteund op draadloze ad-hocnetwerken. Andere mogelijke beveiligingsinstellingen zijn WEP en WPA2. |
| WPA2 | Een nieuwere versie van WPA. Oudere routers bieden hiervoor waarschijnlijk geen ondersteuning. Andere mogelijke beveiligingsinstellingen zijn WPA en WEP. |
A
aan/uit-knop brandt niet 144
aangepast papierformaat
plaatsen 65
aangepast papierformaat, afdrukken 76
aanpassen, helderheid
automatisch 92, 94
aanpassen, intensiteit van een foto 93
aanpassen,
kopieerinstellingen 109
aanpassen, tint van een foto 93
aansluiten
digitale PictBridge-camera 99
flashstations 82
geheugenkaarten 81
RJ11-adapter gebruiken 27
ad-hocnetwerk, draadloos
maken met Windows 59
printer toevoegen met
Windows 61
afbeelding herhalen 108
afbeelding verkleinen 108
afbeelding, gammawaarde
wijzigen 93
afbeeldingen
e-mailen 117
afbeeldingen of effen zwarte
vlakken vertonen witte lijnen 169
afdrukfout (foutbericht) 206
afdrukinstellingen
opslaan en verwijderen 79
afdrukken
aangepast papierformaat 76
alle foto's vanaf een
opslagapparaat 97
banner 76
bestanden van geheugenkaart of
flashstation 72
briefkaarten 73
brochures 75
document 69
dubbelzijdig 77, 78, 79
enveloppen 73
foto's afdrukken vanaf een
verwisselbaar opslagapparaat
met de computer 95
foto's met het controlevel 97
foto's met kleureneffecten 100
foto's op datumbereik 100
foto's op nummer 98
foto's vanaf cd met de
computer 95
foto's vanaf digitale camera met de
computer 95
foto's vanaf digitale camera met
DPOF 100
foto's vanaf een digitale
PictBridge-camera 99
foto's vanuit Productivity
Studio 95
Fotopakketten 96
indexkaarten 73
kaarten 73
laatste pagina eerst 71
meerdere pagina's op één vel 71
netwerkconfiguratiepagina 53
omgekeerde paginavolgorde 71
op beide zijden van het
papier 77, 78, 79
opstrijktransfers 76
poster 74
posters 74
sorteren 71
testpagina 172
transparanten 76
verbeteren, afdrukkwaliteit 161
webpagina 69
webpagina, alleen foto's 70
wenskaarten 73
afdrukken vanaf de digitale
PictBridge-camera is niet
mogelijk 146
afdrukken, problemen oplossen
documenten of foto's worden
slechts gedeeltelijk
afgedrukt 164
foto bevat krassen 164
foto bevat vlekken 164
inktvoorraden lijken incorrect 165
inktvoorraden lijken snel af te nemen 165
kan geen documenten afdrukken
vanaf een flashstation 179
kwaliteit van tekst en afbeeldingen
is slecht 162
lage afdruksnelheid 164
foto van 4 x 6 inch (10 x 15 cm)
wordt slechts gedeeltelijk
afgedrukt met een digitale
PictBridge-camera 160
slechte kwaliteit aan de randen
van de pagina 163
verbeteren, afdrukkwaliteit 161
afdrukkwaliteit verbeteren 161
afdruktaken
annuleren 72
afdruktaken onderbreken 72
afgedrukte pagina's vertonen
afwisselend lichte en donkere
banen 168
afgedrukte tekens hebben een
verkeerde vorm of zijn niet correct
uitgelijnd 168
algemeen afdrukprobleem
(foutbericht) 205
annuleren
scantaak 113
annuleren, afdruktaken 72
antwoordapparaat
fax ontvangen met 123
Automatisch oplossen met één
klik 92
vastgelopen papier verwijderen
uit 182
documenten plaatsen 67
lade 18
papiercapaciteit 67
banner afdrukken, problemen
wachtrij-instellingen
controleren 171
banner, afdrukken 76
bannerpapier is vastgelopen 181
bannerpapier plaatsen 65
bedieningspaneel 18
andere taal installeren 42
Faxen (menu) 128
Fotokaart (menu) 83
gebruiken 36
Instellingen (menu) 40
instellingen opslaan 39
Kopiëren (menu) 102
PictBridge (menu) 85
Scannen (menu) 113
Belichting
instelling wijzigen 94
belsignalen, instellen 133
bestand niet ondersteund 204
bestanden
toevoegen aan e-mailbericht 116
bestellen, papier en andere
supplies 141
beveiligingsgegevens 49
beveiligingssleutels 148
bewerken
documenttekst (OCR) 111
gescande afbeeldingen 111
bibliotheek, voorkeuren voor wijzigen 90
bidirectionele communicatie,
instellen 177
bijsnijden
foto 91
bijwerken, printersoftware 177
blokkeren, faxinstellingen van de
host 131
bovenklep 19
briefkaarten
afdrukken 73
plaatsen 64
brochure samenstellen 75
brochures
afdrukken 75
buitenkant van de printer
reinigen 140
C
camera, aansluiten 85
cartridge ontbreekt
(foutbericht) 205
cartridgefout 199
cartridgehouder 19
cartridges, ink-
beschermen 140
bestellen 140
installeren 135
reinigen 138
schoonvegen 139
uitlijnen 138
van Lexmark gebruiken 138
verwijderen 135
cd
alle foto's overbrengen met de
computer 88
foto's afdrukken vanaf 95
geselecteerde foto's overbrengen met de computer 88
communicatie is niet beschikbaar
(foutbericht) 205
communicatieproblemen
bidirectionele communicatie
instellen 177
controleren, externe
apparaten 174
controleren, gereedheid
printer 171
controleren, netwerknaam
(Windows) 158
controlevel, gebruiken 97
D
diavoorstelling
maken en weergeven 101
diavoorstelling maken en
weergeven 101
digitale camera
foto's afdrukken met de
computer 95
document of foto wordt gedeeltelijk
gescand 190
documenten
afbeeldingen scannen voor
bewerking 111
afdrukken 69
als bijlage toevoegen aan
e-mail 117
e-mailen 117
faxen met de software 118
faxen met het
bedieningspaneel 119
plaatsen in automatische
documentinvoer 67
plaatsen op de glasplaat 65
scannen met de computer 110
scannen met het
bedieningspaneel 110
tekst scannen voor
bewerken 111
documenten gereedmaken voor
afdrukken 175
documenten of foto's worden
slechts gedeeltelijk afgedrukt 164
documenten of foto's worden
slechts gedeeltelijk
gekopieerd 187
doorsturen, fax 124
doorzochte mappen, voorkeuren
wijzigen 90
doos, inhoud 17
draadloos netwerk
algemene configuraties voor
thuisnetwerken 50
beveiligingssleutels 148
draadloos ad-hocnetwerk instellen
met Windows 59
MAC-adres 52
netwerkconfiguratiepagina
afdrukken 53
overzicht netwerk 50
printer toevoegen aan een
bestaand ad-hocnetwerk met
Windows 61
signaalsterkte 56
typen draadloze netwerken 57
draadloos, problemen oplossen
draadloos toegangspunt pingen
(Windows) 158
draadloze netwerkprinter drukt
niet af 149
draadloze printer werkt niet
meer 154
foto's worden niet afgedrukt van
een geheugenkaart via een
draadloos netwerk 185
hulpprogramma voor draadloze
configuratie kan niet
communiceren met de printer
tijdens de installatie 157
hulpprogramma voor draadloze
configuratie uitvoeren
(Windows) 160
netwerknaam controleren
(Windows) 158
netwerkprinter wordt niet
weergegeven in keuzelijst met
printers tijdens installatie
(Windows) 150
printer kan geen verbinding maken
met draadloos netwerk 156
printer pingen (Windows) 159
printerpoorten controleren
(Windows) 160
Wi-Fi-aanduiding brandt
oranje 153
Wi-Fi-aanduiding knippert
oranje 151
Wi-Fi-aanduiding brandt niet 151
wijzigen, draadloze instellingen na
de installatie 155
draadloze netwerkprinter drukt niet af 149
draadloze netwerkverbinding
gebruiken 54
draadloze printer werkt niet
meer 154
draaien, foto 91
dubbelzijdig
fout met dubbelzijdige
papiersoort 203
kopieën maken 103
dubbelzijdig afdrukken
automatisch 78
dubbelzijdige kopieën 103
duplexklep 19
E
e-mailen
bestanden toevoegen 116
gescande afbeelding
toevoegen 116
E-mailen (knop) 44
e-mailen, afbeelding 117
e-mailvenster, voorkeuren
wijzigen 117
effenen 94, 115
emissiekennisgevingen 209, 210, 211
enveloppen
afdrukken 73
plaatsen 63
er gebeurt niets als de
geheugenkaart is geplaatst 184
er kunnen geen faxen worden
verzonden of ontvangen 190
etiketten plaatsen 63
EXT-poort 20
externe apparaten
controleren 174
extra zwaar, mat papier
plaatsen 62
É
één verbetering voor een foto kan
per keer worden gekozen 203
F
Fax Solutions Software,
gebruiken 131
Faxconfiguratieprogramma
Bellen en antwoorden
(tabblad) 127
Bellen en verzenden
(tabblad) 127
Faxen afdrukken/rapporten
(tabblad) 127
gebruiken 126
instellingen aanpassen 126
Snelkeuze (tabblad) 127
Voorblad (tabblad) 126
faxen
aantal belsignalen voor
automatisch beantwoorden
instellen 133
activiteitenrapporten 134
digitale telefoondienst
gebruiken 36
doorsturen 124
faxgroepen toevoegen aan
snelkeuze 133
faxnummer opgeven 118
faxverbinding kiezen 30
groepsfax direct verzenden 119
groepsfax verzenden op een
opgegeven tijdstip 120
handmatig ontvangen 121
code voor handmatig
beantwoorden instellen 121
instelling wijzigen 128
instellingen aanpassen 126, 128
ISDN gebruiken 36
kiesvoorvoegsel instellen 132
met de software 118
met DSL 36
met het bedieningspaneel 119
met telefoonkaartnummer 118
nummers toevoegen aan
snelkeuze 133
ontvangen met een code voor
antwoorden 121
tijdens het telefoneren 120
verzenden achter een PBX 36
voorblad maken met de
Productivity Studio 130
Faxen (knop) 44
Faxen (menu) 128
faxen kunnen worden ontvangen,
maar kunnen niet worden
verzonden 193
faxen kunnen worden verzonden,
maar kunnen niet worden
ontvangen 192
faxinstellingen
ongewenste wijzigingen
blokkeren 131
wijzigen met Fax Solutions
Software 131
faxmodus niet ondersteund
(foutbericht) 196
FCC-kennisgevingen 209
flashstation
aansluiten 82
alle foto's overbrengen met de
computer 88
bestanden afdrukken van 72
foto's afdrukken met de
computer 95
foto's met het controlevel
afdrukken 97
geselecteerde foto's overbrengen
met de computer 88
fletse kleuren 166
foto
bijsnijden 91
intensiteit aanpassen 93
kleureneffect toepassen 94
tint aanpassen 93
verbeteren 92
verscherpen 92
vervagen 92
foto bevat krassen 164
foto bevat vlekken 164
foto, gammawaarde wijzigen 93
foto's
afdrukken met het controlevel 97
afdrukken met kleureffecten 100
afdrukken op datumbereik 100
afdrukken op nummer 98
afdrukken vanaf cd met de
computer 95
afdrukken vanaf digitale camera
met de computer 95
afdrukken vanaf digitale camera
met DPOF 100
afdrukken vanaf een digitale
PictBridge-camera 99
afdrukken vanaf een
verwisselbaar opslagapparaat
met de computer 95
alle foto's op een geheugenkaart
overbrengen met de
computer 87
alle foto's overbrengen van een cd
of flashstation met de
computer 88
alle foto's vanaf een
opslagapparaat afdrukken 97
automatische rode-
ogenreductie 92
draaien 91
foto kopieren met de
computer 105
foto's kopiiëren 104
foto's zonder rand kopiëren 106
geselecteerde foto's op een
geheugenkaart overbrengen met
de computer 87
geselecteerde foto's overbrengen
van een cd of flashstation met de computer 88
krassen voorkomen 164
meerdere foto's tegelijk scannen
met de computer 112
overbrengen van geheugenkaart
naar flashstation 89
overbrengen vanaf een
opslagapparaat via het
bedieningspaneel 87
plaatsen op de glasplaat 65
rode-ogenreductie 92
scannen voor het werken met
documenten en foto's 111
vanaf een webpagina
afdrukken 70
vlekken voorkomen 164
Foto's overbrengen (knop) 44
foto's worden niet afgedrukt van een
geheugenkaart via een draadloos netwerk 185
foto's zijn van de kaart verwijderd door de host 203
Fotokaart (menu) 83
fotokaarten plaatsen 64
Fotopakketten 96
Fotopakketten (knop) 44
fotopapier plaatsen 62
Fotoresolutie/-formaat wijzigen 91
Fotowenskaarten (knop) 44
fout 1104 200
fout 1205 201
fout 1206 201
fout linkercartridge 201
fout met dubbelzijdige
papiersoort 203
fout met externe fax 196
fout met fax 196
fout met papier-/fotoformaat 203
fout met telefoonlijn 198
fout rechtercartridge 201
foutberichten
afdrukfout 206
algemeen afdrukprobleem 205
bestand niet ondersteund 204
cartridge ontbreekt 205
cartridgefout 199
communicatie is niet
beschikbaar 205
één verbetering voor een foto kan
per keer worden gekozen 203
er zijn geen afbeeldingen
geselecteerd 202
faxmodus niet ondersteund 196
fout 1104 200
fout 1205 201
fout 1206 201
fout linkercartridge 201
fout met externe fax 196
fout met fax 196
fout met papier-/fotoformaat 203
fout met telefoonlijn 198
fout rechtercartridge 201
geen controlevelgegevens 202
geen foto-/papierformaat
geselecteerd 202
geen geldige fotobestanden
gevonden 202
geheugen vol 202
inkt is bijna op 206
kan geen controlevel vinden 202
linkercartridge ontbreekt 201
linkerinktcartridge is onjuist 201
niet ondersteund,
papierformaat 204
niet-ondersteunde bestandstypen
gevonden op de
geheugenkaart 206
onvoldoende geheugen 206
papier is op 206
papierstoring 206
PictBridge-communicatiefout 203
probleem bij lezen van
rechtercartridge ontbreekt 201
rechterinktcartridge is onjuist 201
sommige foto's zijn van de kaart
verwijderd door de host 203
telefoonlijn bezet 197
U kunt slechts één foto/formaat
tegelijk kiezen 203
uitlijningsfout 199
verbinden mislukt 197
verhelp houderstoring 200
verwijder de camerakaart 203
weinig foto-inkt 200
weinig kleureninkt 200
weinig zwarte inkt 200
wissen 205
foutberichten, problemen oplossen
klep geopend (foutbericht) 200
G
gammawaarde
wijzigen 93
Geavanceerd (knop) 46
gebruiken, Automatisch oplossen
met één klik 92
Snelle oplossingen (tabblad) 92
geen afbeeldingen geselecteerd
(foutbericht) 202
geen controlevelgegevens
(foutbericht) 202
geen foto-/papierformaat
(foutbericht) 202
geen geldige fotobestanden
gevonden 202
alle foto's overbrengen met de
computer 87
bestanden afdrukken van 72
foto's afdrukken met de
computer 95
foto's met het controlevel
afdrukken 97
geselecteerde foto's overbrengen
met de computer 87
geheugenkaart kan niet worden
geplaatst 184
geheugenkaart, problemen
oplossen
er gebeurt niets als de
geheugenkaart is geplaatst 184
geheugenkaart kan niet worden
geplaatst 184
geheugenkaartsleuven 18
gekopieerd item komt niet overeen
met origineel 187
geluidsemissie, niveaus 211
gereed of bezig met afdrukken
wordt weergegeven als status 172
gescande afbeelding
toevoegen aan e-mailbericht 116
gescande afbeeldingen
opslaan 115
gesproken bericht
in- of uitschakelen 46
glasplaat 19
documenten plaatsen 65
reinigen 140
glossy papier plaatsen 62
groepsfax, verzenden
direct 119
op een opgegeven tijdstip 120
groepskeuze
gebruiken 118
instellen 133
Telefoonboek gebruiken 124
H
Helderheid
automatisch aanpassen 92, 94
Helderheid/contrast (instelling)
wijzigen 94
hergebruiken
AEEA-verklaring 211
Hoe (knop) 46
hulpprogramma voor draadloze
configuratie kan niet communiceren
met de printer tijdens de
installatie 157
|
indexkaarten
afdrukken 73
plaatsen 64
informatie, zoeken 13
inhoud, doos 17
inkt is bijna op (foutbericht) 206
inktcartridge
controleren 164
inktcartridges
beschermen 140
bestellen 140
installeren 135
opnieuw vullen 137
reinigen 138
schoonvegen 139
uitlijnen 138
van Lexmark gebruiken 138
verwijderen 135
inktvoorraden lijken incorrect 165
inktvoorraden lijken snel af te
nemen 165
installatieproblemen oplossen
aan/uit-knop brandt niet 144
afdrukken vanaf de digitale
PictBridge-camera is niet
mogelijk 146
onjuiste taal wordt weergegeven
op de display 143
pagina wordt niet afgedrukt 145
software wordt niet
geïnstalleerd 144
installeren
inktcartridges 135
netwerkprinter 55
printer op een netwerk 56
printersoftware 43, 147
software en de printer delen via
een netwerk 56
instellen, printer
op Windows-
besturingssysteem 26
Instellingen (menu)
Apparaatinstelling 41
Netwerk instellen 42
Onderhoud 40
Papierinstellingen 41
Standaard 40
instellingen aanpassen
Faxconfiguratieprogramma 126
faxen 128
kopiëren 102
scannen 113
instellingen worden niet
opgeslagen 170
instellingen, opslaan 39
interne, draadloze afdrukserver
installeren 47
IP-adres, toewijzen 55
K
kaarten
afdrukken 73
geheugen 81
plaatsen 64
kabelverbindingen
controleren 172, 174
kan geen controlevel vinden 202
kan geen documenten afdrukken
vanaf een flashstation 179
kan niet afdrukken naar
netwerkprinter 178
kan niet scannen naar de computer
via een netwerk 190
kennisgevingen 208, 209, 210,
211, 212
Kiezen met hoorn op haak
(functie) 120
klep geopend 200
kleureffecten
toepassen 94
kleuren op het papier komen niet
overeen met de kleuren op het
scherm 166
kleureneffecten, toepassen op
foto's 100
knoppen, bedieningspaneel
2-zijdig (dubbelzijdig) 37
Aan/uit 37
Annuleren 38
Opnieuw kiezen/Onderbreken 39
pijl naar links 38
pijl naar rechts 38
Scannen (modus) 37
Telefoonboek 39
toetsenblok 39
Vorige 38
Zwart 39
knoppen, Printeroplossingen
Geavanceerd 46
gebruiken 46
Hoe 46
Onderhoud 46
Problemen oplossen 46
knoppen, Productivity Studio
E-mailen 44
Faxen 44
Foto's overbrengen 44
Fotopakketten 44
Fotowenskaarten 44
gebruiken 44
Kopiëren 44
Poster 44
Scannen 44
kopieerapparaat reageert niet 186
kopieerinstellingen
aanpassen 109
kopieerkwaliteit, aanpassen 105
kopiëren
afbeelding herhalen 108
afbeelding klonen 108
afbeelding verkleinen 108
foto met de computer 105
foto's 104
foto's zonder rand 106
instellingen aanpassen 102
kopie lichter of donkerder
maken 107
kwaliteit aanpassen 105
op beide zijden van het
papier 103
op beide zijden van het papier met
ADI 103
sorteren 107
afbeelding vergroten 108
Kopiëren (knop) 44
Kopiëren (menu) 102
kopiëren, problemen oplossen
documenten of foto's worden
slechts gedeeltelijk
gekopieerd 187
gekopieerd item komt niet overeen
met origineel 187
kopieerapparaat reageert
niet 186
scannereenheid sluit niet 186
slechte kopieerkwaliteit 186
kranten, plaatsen op de glasplaat 65
krassen, voorkomen op foto's 164
kwaliteit van gescande afbeelding is slecht 189
kwaliteit van tekst en afbeeldingen
is slecht 162
kwaliteitsinstellingen,
controleren 172
L
laatste pagina eerst 71
lage afdruksnelheid 164
lege of verkeerde pagina wordt
afgedrukt 165
lettertypen
problemen oplossen 172
Lexmark Productivity Studio
diavoorstelling maken en
weergeven 101
LINE-poort 19
linkercartridge ontbreekt 201
linkerinktcartridge is onjuist 201
M
MAC-adres 52
maken, voorblad voor fax
Faxconfiguratieprogramma
weergeven 126
met Productivity Studio 130
moiré patronen, verwijderen uit
gescande afbeeldingen 94
N
N per vel (functie) 71
netvoedingsaansluiting 19
netwerk scannen 114
netwerk, afdrukken via
draadloze netwerkverbinding
gebruiken 54
interne, draadloze afdrukserver
installeren 47
IP-adres 55
met een afdrukserver 53
optionele, interne, draadloze
afdrukserver configureren 48
netwerk, problemen oplossen
kan niet afdrukken naar
netwerkprinter 178
netwerkadapters
gebruiken 58
netwerkconfiguratiepagina,
afdrukken 53
netwerkprinter
installeren 55, 56
netwerkprinter wordt niet
weergegeven in keuzelijst met
printers tijdens installatie
(Windows) 150
netwerkprinters
configureren 57
niet-ondersteunde bestandstypen
gevonden op de
geheugenkaart 206
nummerweergave
wijzigen met het
bedieningspaneel 195
nummerweergave wordt niet
weergegeven 195
nummerweergave,
gebruiken 121, 122
0
OCR, documenttekst
bewerken 111
omgekeerde paginavolgorde 71
onderdelen
Automatische documentinvoer (ADI) 18
Automatische documentinvoer (ADI), lade 18
(ADI), uitvoerlade 18
bedieningspaneel 18
bovenklep 19
cartridgehouder 19
duplexklep 19
EXT-poort 20
geheugenkaartsleuven 18
glasplaat 19
LINE-poort 19
netvoedingsaansluiting 19
papierbaanbeschermer 18
papiergeleiders 18
papiersteun 18
papieruitvoerlade 18
PictBridge-poort 18
scannereenheid 19
USB-poort 20
Wi-Fi-aanduiding 18
Onderhoud (knop) 46
Onderhoud (menu's)
Instellingen (menu) 41
ongewenste faxen,
blokkeren 130
onjuiste taal wordt weergegeven op
de display 143
ontvangen
dubbelzijdige fax 123
ontvangen fax heeft een slechte
afdrukkwaliteit 194
ontvangen, fax
antwoordapparaat gebruiken 123
automatisch 122
fax doorsturen 124
handmatig 121
met code voor handmatig
overnemen 121
Ontvlekken
instelling wijzigen 93
onvoldoende geheugen
(foutbericht) 206
opnieuw vullen, inktcartridges 137
opslaan
instellingen voor fotoformaat 84
instellingen voor
papierformaat 84
instellingen voor papiersoort 84
opslaan en verwijderen,
afdrukinstellingen 79
opslaan, gescande afbeelding 115
opstrijktransfers, afdrukken 76
opstrijktransfers, plaatsen 64
overdrachtsinstellingen
wijzigen 90
overdragen, foto's
van flashstation met de
computer 88
van geheugenkaart naar
flashstation 89
van opslagapparaat via het
bedieningspaneel 87
vanaf cd met de computer 88
vanaf geheugenkaart met de
computer 87
P
pagina wordt afgedrukt met andere
lettertypen 167
pagina wordt niet afgedrukt 145
papier en andere supplies
bestellen 141
papier is op (foutbericht) 206
papier is vastgelopen in de
papiersteun 180
papier loopt nog steeds vast 182
papier of speciaal papier wordt
verkeerd ingevoerd 180
papier plaatsen 62
papierbaanbeschermer 18
papierformaat niet ondersteund
(foutbericht) 204
papiergeleiders 18
papierinvoer
speciaal papier selecteren 73
papiersoort
automatisch kiezen 62
papiersteun 18
papierstoring (foutbericht) 206
papieruitvoerlade 18
foto van 10 x 15 cm (4 x 6 inch)
wordt slechts gedeeltelijk afgedrukt
met een digitale PictBridge-
camera 160
maken van een scan 112
PictBridge-camera, aansluiten 85
PictBridge-camera, foto's
afdrukken vanaf 99
PictBridge-communicatiefout 203
PictBridge-poort 18
pingen, draadloos toegangspunt
(Windows) 158
pingen, printer (Windows) 159
plaatsen
aangepast papierformaat 65
bannerpapier 65
briefkaarten 64
documenten in de automatische
documentinvoer 67
documenten op de glasplaat 65
enveloppen 63
etiketten 63
extra zwaar, mat papier 62
foto's op de glasplaat 65
fotokaarten 64
fotopapier 62
glossy papier 62
indexkaarten 64
opstrijktransfers 64
papierinvoer 62
transparanten 64
wenskaarten 64
point-and-print-methode 57
poortinstelling
controleren 54
Poster (knop) 44
poster afdrukken 74
posters, afdrukken 74
printer
geen communicatie 176
printer aansluiten op
antwoordapparaat 30
computermodem 33
telefoon 34
wandaansluiting voor
telefoons 32
wandaansluiting voor telefoons in
Duitsland 32
printer delen
printer is aangesloten, maar drukt
niet af 174
printer kan geen verbinding maken
met draadloos netwerk 156
printer kan niet communiceren via
een peer-to-peer-netwerk 175
printer ontvangt een lege fax 194
printer voert geen papier,
enveloppen of speciaal papier
in 181
Printeroplossingen
informatie over 46
Printeroplossingen, knoppen
Geavanceerd 46
Hoe 46
informatie over 46
Onderhoud 46
Problemen oplossen 46
printerpoorten controleren
(Windows) 160
printersoftware
bijwerken 177
installeren 43
opnieuw installeren 147
verwijderen 147
printerstatus
controleren 170
probleem bij lzn geh.krt
(foutbericht) 203
problemen bij kopiëren, scannen of
faxen 176
problemen met faxen oplossen
er kunnen geen faxen worden
verzonden of ontvangen 190
faxen kunnen worden ontvangen,
maar kunnen niet worden
verzonden 193
faxen kunnen worden verzonden,
maar kunnen niet worden
ontvangen 192
nummerweergave wordt niet
weergegeven 195
ontvangen fax heeft een slechte
afdrukkwaliteit 194
printer ontvangt een lege fax 194
problemen oplossen
afbeeldingen of effen zwarte
vlakken vertonen witte lijnen 169
afdrukfout (foutbericht) 206
afgedrukte pagina's vertonen
afwisselend lichte en donkere
banen 168
afgedrukte tekens hebben een
verkeerde vorm of zijn niet correct
uitgelijnd 168
algemeen afdrukprobleem
(foutbericht) 205
bidirectionele communicatie
instellen 177
cartridge ontbreekt
(foutbericht) 205
communicatie is niet beschikbaar
(foutbericht) 205
document gereedmaken voor
afdrukken 175
externe apparaten
controleren 174
fletse kleuren 166
fout met dubbelzijdige
papiersoort 203
gereed of bezig met afdrukken
wordt weergegeven als
status 172
inkt is bijna op (foutbericht) 206
instellingen voor kwaliteit/snelheid
controleren 172
kleuren op het papier komen niet
overeen met de kleuren op het scherm 166
lege of verkeerde pagina wordt afgedrukt 165
lettertypeselecties 166
niet-ondersteunde bestandstypen
gevonden op de
geheugenkaart 206
onvoldoende geheugen
(foutbericht) 206
problemen met lettertypen
oplossen 172
pagina wordt afgedrukt met
papier loopt nog steeds vast 182
papierstoring (foutbericht) 206
poortinstelling 54
poortinstelling controleren 54
printer communiceert niet met computer 176
printer is aangesloten, maar drukt niet af 174
printer kan niet communiceren via een peer-to-peer-netwerk 175
printer probeert af te drukken naar bestand 175
printerstatus 170
printerstatus controleren 170
problemen bij kopiëren, scannen of faxen 176
tekens op de afdruk ontbreken of zijn onverwacht 166
testpagina wordt niet afgedrukt 173
transparanten of foto's bevatten witte lijnen 169
vellen glossy fotopapier of
transparanten kleven aan elkaar vast 167
verkeerde printer
aangesloten 177
verticale rechte lijnen zijn rafelig 169
extern apparaat verwijderen 174
Problemen oplossen (knop) 46
problemen oplossen met draadloze apparaten
draadloos toegangspunt pingen (Windows) 158
draadloze netwerkprinter drukt niet af 149
draadloze printer werkt niet meer 154
foto's worden niet afgedrukt van
een geheugenkaart via een draadloos netwerk 185
hulpprogramma voor draadloze configuratie kan niet
communiceren met de printer tijdens de installatie 157
hulpprogramma voor draadloze configuratie uitvoeren
(Windows) 160
netwerknaam controleren
(Windows) 158
netwerkprinter wordt niet
weergegeven in keuzelijst met printers tijdens installatie
(Windows) 150
printer kan geen verbinding maken
met draadloos netwerk 156
printer pingen (Windows) 159
printerpoorten controleren
(Windows) 160
Wi-Fi-aanduiding brandt oranje 153
Wi-Fi-aanduiding knippert oranje 151
Wi-Fi-aanduiding brandt niet 151
wijzigen, draadloze instellingen na de installatie 155
problemen oplossen, afdrukken
documenten of foto's worden slechts gedeeltelijk afgedrukt 164
foto bevat krassen 164
foto bevat vlekken 164
inktvoorraden lijken incorrect 165
inktvoorraden lijken snel af te nemen 165
kan geen documenten afdrukken vanaf een flashstation 179
kwaliteit van tekst en afbeeldingen is slecht 162
lage afdruksnelheid 164
foto van 10 x 15 cm (4 x 6 inch)
wordt slechts gedeeltelijk afgedrukt met een digitale
PictBridge-camera 160
slechte kwaliteit aan de randen van de pagina 163
afdrukkwaliteit verbeteren 161
problemen oplossen, faxen
er kunnen geen faxen worden
verzonden of ontvangen 190
faxen kunnen worden ontvangen, maar kunnen niet worden verzonden 193
faxen kunnen worden verzonden, maar kunnen niet worden ontvangen 192
nummerweergave wordt niet weergegeven 195
ontvangen fax heeft een slechte afdrukkwaliteit 194
printer ontvangt een lege fax 194
problemen oplossen, foutberichten bestand niet ondersteund 204 cartridgefout 199
één verbetering voor een foto kan per keer worden gekozen 203
er zijn geen afbeeldingen geselecteerd 202
faxmodus niet ondersteund 196
fout 1104 200
fout 1205 201
fout 1206 201
fout linkercartridge 201
fout met dubbelzijdige
papiersoort 203
fout met externe fax 196
fout met fax 196
fout met papier-/fotoformaat 203
fout met telefoonlijn 198
fout rechtercartridge 201
geen controlevelgegevens 202
geen foto-/papierformaat geselecteerd 202
geen geldige fotobestanden gevonden 202
geheugen vol 202
kan geen controlevel vinden 202 klep geopend 200
linkercartridge ontbreekt 201
linkerinktcartridge is onjuist 201 papierformaat niet ondersteund 204
PictBridge-communicatiefout 203 probleem bij lezen van
rechtercartridge ontbreekt 201
rechterinktcartridge is onjuist 201 sommige foto's zijn van de kaart verwijderd door de host 203
telefoonlijn bezet 197
U kunt slechts één foto/formaat
tegelijk kiezen 203
uitlijningsfout 199
verbinden mislukt 197
verhelp houderstoring 200
verwijder de camerakaart 203
weinig foto-inkt 200
weinig kleureninkt 200
weinig zwarte inkt 200
problemen oplossen,
geheugenkaart
er gebeurt niets als de
geheugenkaart is geplaatst 184
geheugenkaart kan niet worden geplaatst 184
problemen oplossen, installatie
aan/uit-knop brandt niet 144
afdrukken vanaf de digitale
PictBridge-camera is niet mogelijk 146
onjuiste taal wordt weergegeven
op de display 143
pagina wordt niet afgedrukt 145
software wordt niet
geïnstalleerd 144
problemen oplossen, kopiëren
documenten of foto's worden
slechts gedeeltelijk
gekopieerd 187
gekopieerd item komt niet overeen
met origineel 187
kopieerapparaat reageert
niet 186
scannereenheid sluit niet 186
slechte kopieerkwaliteit 186
problemen oplossen, netwerk
kan niet afdrukken naar
netwerkprinter 178
problemen oplossen, scannen
document of foto wordt
gedeeltelijk gescand 190
kan niet scannen naar de
computer via een netwerk 190
kwaliteit van gescande afbeelding
is slecht 189
scan is mislukt 188
scannen duurt te lang of de
computer loopt vast tijdens het
scannen 188
scanner reageert niet 188
problemen oplossen, vastgelopen
en verkeerd ingevoerd papier
bannerpapier is vastgelopen 181
papier is vastgelopen in de
papiersteun 180
papier of speciaal papier wordt
verkeerd ingevoerd 180
printer voert geen papier,
enveloppen of speciaal papier
in 181
Productivity Studio
foto's afdrukken 95
foto's weergeven 95
Productivity Studio, informatie
over 44
Productivity Studio, knoppen
E-mailen 44
Faxen 44
Foto's overbrengen 44
Fotopakketten 44
Fotowenskaarten 44
informatie over 44
Kopiëren 44
Scannen 44
publicaties, zoeken 13
R
rapporten
faxactiviteit 134
faxbevestiging 134
rechtercartridge ontbreekt 201
rechterinktcartridge is onjuist 201
rechtstreeks via IP afdrukken 53
reinigen
buitenkant van de printer 140
reinigen, spuitopeningen van
inktcartridge 138
RJ11-adapter 27
RJ11-adapter gebruiken 27
rode ogen
afbeeldingen bewerken 111
foto voor Werken met documenten
en foto's 111
golvende patronen (moiré)
verwijderen 94
instellingen aanpassen 113
instellingen aanpassen met de
computer 113
maken, PDF van een scan 112
meerdere foto's tegelijk met de computer 112
met de computer 110
met het bedieningspaneel 110
naar een computer via een
netwerk 114
scan annuleren 113
tekst bewerken 111
uit tijdschriften en
kranten 94, 115
via een netwerk 114
Scannen (knop) 44
Scannen (menu) 113
scannen duurt te lang of de
computer loopt vast tijdens het
scannen 188
scannen en bewerken, tekst 111
scannen, problemen oplossen
document of foto wordt
gedeeltelijk gescand 190
kan niet scannen naar de
computer via een netwerk 190
kwaliteit van gescande afbeelding
is slecht 189
scan is mislukt 188
scannen duurt te lang of de
computer loopt vast tijdens het
scannen 188
scanner reageert niet 188
scanner reageert niet 188
scannereenheid 19
scannereenheid sluit niet 186
slechte kopieerkwaliteit 186
slechte kwaliteit aan de randen van
de pagina 163
snelheid, controlleren 172
Snelkeuze
afzonderlijke faxnummers
instellen 133
faxgroepen instellen 133
gebruiken 118
Telefoonboek gebruiken 124
Snelle oplossingen (tabblad)
gebruiken, Automatisch oplossen
met één klik 92
software
Fax Solutions Software 131
Printeroplossingen 46
Productivity Studio 44
verwijderen en opnieuw
installeren 147
software wordt niet
geinstalleerd 144
software-instellingen, printer
fabrieksinstellingen herstellen 80
sorteren 107
speciale belsignalen 133
spuitopeningen van inktcartridge,
reinigen 138
standaardfabrieksinstellingen
interne, draadloze afdrukserver
opnieuw instellen 155
printersoftware herstellen
naar 80
standaardfabrieksinstellingen,
herstellen naar 179
standaardwaarden
fabrieksinstellingen van de
printersoftware herstellen 80
Fotokaart (menu) 83
Instellingen (menu) 42
standaardfabrieksinstellingen
herstellen 179
storing bij de houder
(foutbericht) 200
T
taal
wijzigen 143
tekens op de afdruk ontbreken of
zijn onverwacht 166
telefoonboek (bedieningspaneel),
gebruiken 124
telefoonboek (computer),
gebruiken 125
telefoonkaart
gebruiken bij het instellen van
snelkeuze 133
gebruiken met
Faxconfiguratieprogramma 126
gebruiken met functie Kiezen met
hoorn op haak 120
gebruiken tijdens het
telefoneren 120
gebruiken voor faxen 118
telefoonlijn bezet (foutbericht) 197
testpagina
afdrukken 172
testpagina wordt niet
afgedrukt 173
tijdschriftartikelen, plaatsen op de
glasplaat 65
toewijzen, IP-adres 55
transparanten
afdrukken 76
plaatsen 64
transparanten of foto's bevatten
witte lijnen 169
U
U kunt slechts één foto/formaat
tegelijk kiezen 203
uitlijnen, inktcartridges 138
uitlijningsfout 199
uitvoeren, hulpprogramma voor
draadloze configuratie
(Windows) 160
USB-poort 20
activeren 147
V
vastgelopen en verkeerd ingevoerd
papier, problemen oplossen
bannerpapier is vastgelopen 181
papier is vastgelopen in de
papiersteun 180
papier of speciaal papier wordt
verkeerd ingevoerd 180
printer voert geen papier,
enveloppen of speciaal papier
in 181
veiligheidsvoorschriften 2
vellen glossy fotopapier of
transparanten kleven aan elkaar
vast 167
verbeteren, foto 92
Verbeteringen (tabblad)
intensiteit 93
kleureffect selecteren 94
tint 93
verbeteren 92
verscherpen 92
vervagen 92
Verbeteringen, tabblad voor scan
Belichting (instelling) 94
Helderheid/contrast 94
Helderheid/contrast
(instelling) 94
Ontvlekken (instelling) 93
verbinden mislukt
(foutbericht) 197
vergroten, afbeelding 108
verkeerde printer aangesloten 177
verscherpen, foto 92
verticale rechte lijnen zijn
rafelig 169
vervagen, foto 92
verwijder de camerakaart 203
verwijderen, extern apparaat 174
verwijderen, inktcartridges 135
vlekken, voorkomen op foto's 164
voettekst voor fax, instellen
met het bedieningspaneel 129
voorblad voor fax
maken met
Faxconfiguratieprogramma 126
maken met Productivity
Studio 130
voorkeuren, doorzochte mappen
wijzigen 90
voorkeuren, e-mailvenster
wijzigen 117
voorkeuren, tijdelijke bestanden
wijzigen 90
W
webpagina
afdrukken 69
alleen de foto's afdrukken 70
website
zoeken 13
weergeven
foto's vanuit Productivity
Studio 95
weinig foto-inkt 200
weinig kleureninkt 200
weinig zwarte inkt 200
wenskaarten
afdrukken 73
plaatsen 64
werkbalk voor het web
alleen de foto's van een
webpagina afdrukken 70
webpagina afdrukken 69
Werken met documenten en foto's
foto scannen naar 111
Wi-Fi-aanduiding 18
Wi-Fi-aanduiding brandt
oranje 153
Wi-Fi-aanduiding knippert
oranje 151
Wi-Fi-aanduiding brandt
beschrijving 48
Wi-Fi-aanduiding brandt niet 151
wijzigen
tijdelijke bestanden,
voorkeuren 90
wijzigen, draadloze instellingen na
de installatie 155
wijzigen, fotoresolutie/-formaat 91
wijzigen, gammawaarde van een foto of afbeelding 93
wijzigen,
overdrachtsinstellingen 90
wijzigen, scaninstellingen 116
wijzigen, voorkeuren van het e-
mailvenster 117
wijzigen, voorkeuren voor
bibliotheek 90
wijzigen, voorkeuren voor
doorzochte mappen 90
wijzigen, voorkeuren voor tijdelijke
bestanden 90
Windows
printer instellen 26
Z
zoeken
informatie 13
publicaties 13
website 13
zonder rand kopiëren
met het bedieningspaneel 106














ze kunnen worden omgeslagen als de pagina's in een tijdschrift (
Omslaan naar zijkant) of als de pagina's in een notitieblok ( Omslaan naar bovenkant). Omslaan naar zijkant is de standaardfabrieksinstelling.