Pride - Automobiel KIA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Pride KIA in PDF-formaat.
| Type product | Auto (personenauto) |
| Merk | Kia |
| Model | Pride (3-deurs, 5-deurs, Wagon) |
| Afmetingen (L x B x H) | 3565 x 1605 x 1460 mm (3-deurs); 3615 x 1605 x 1460 mm (5-deurs); 3922 x 1605 x 1460 mm (Wagon) |
| Wielbasis | 2295 mm (3-deurs); 2345 mm (5-deurs en Wagon) |
| Spoorbreedte voor/achter | 1405 mm / 1385 mm |
| Ledig gewicht | 793-928 kg (afhankelijk van uitvoering) |
| Maximaal toelaatbaar totaalgewicht | 1260-1340 kg (afhankelijk van uitvoering) |
| Motor | 1.3 liter benzinemotor, 4 cilinders |
| Brandstoftankinhoud | 37 liter (3-deurs) / 38 liter (5-deurs en Wagon) |
| Transmissie | Handgeschakeld 5-versnellingen of automatisch 3-versnellingen |
| Bandenmaat | 165/70R12 of 165/65SR13 |
| Bandenspanning (voor/achter) | 2,0 kg/cm² (200 kPa) of 2,3/2,4 kg/cm² (Wagon) |
| Remsysteem | Bekrachtigd, schijfremmen voor, trommelremmen achter (naar schatting) |
| Stuurinrichting | Bekrachtigde stuurinrichting (optioneel) |
| Veiligheidsvoorzieningen | Bestuurdersairbag (optioneel), veiligheidsgordels met oprolautomaat, startonderbreker, kinderbeveiliging achterportieren |
| Buitenspiegels | Handmatig verstelbaar (links); elektrisch verstelbaar (rechts, optioneel) |
| Binnenuitrusting | Verstelbare voorstoelen, hoofdsteunen, inklapbare achterbank, dashboardkastje, zonnekleppen, make-upspiegel (optioneel) |
| Klimaatregeling | Verwarming en ventilatie; airconditioning (optioneel) |
| Audio-installatie | AM/FM radio met cassette (optioneel) |
| Verlichting | Halogeen koplampen, dimlicht/grootlicht, richtingaanwijzers, mistlampen voor en achter (optioneel), dagrijverlichting (optioneel) |
| Overige functies | Achterruitverwarming, ruitenwissers voor/achter, mistlampen, sigarettenaansteker, klok, bagageruimte- en interieurverlichting |
| Onderhoud | Periodieke controle om de 10.000 km of 6 maanden; olie verversen, banden spanning, remvloeistof, koelvloeistof, ruitensproeiervloeistof |
| Garantie | Raadpleeg garantieboekje voor details |
Veelgestelde vragen - Pride KIA
Gebruikersvragen over Pride KIA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Pride - KIA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Pride van het merk KIA.
GEBRUIKSAANWIJZING Pride KIA
Hartelijk dank voor het kiezen van een Kia.
Voor het uitvoeren van onderhoud aan uw nieuwe auto is de officiële Kia-dealer de aangewezen persoon. Hij kent uw auto het beste, heeft door de importeur getrainde monteurs in dienst, beschikt over originele Kia-onderdelen en de aanbevolen speciale gereedschappen en zal er alles aan doen u zo optimaal mogelijk van dienst te zijn.
Bewaar het instructieboekje in de auto voor een eventuele volgende eigenaar.
Dit instructieboekje zal u vertrouwd maken met de bediening, het onderhoud en de veiligheidsaspecten van uw nieuwe auto. Bij het instructieboekje hoort een boekje waarin u informatie vindt over de garantie. We raden u aan om deze informatie zorgvuldig te lezen en de daarin opgenomen aanwijzingen zorgvuldig op te volgen zodat u veiligen probleemloos van uw nieuwe auto kunt genieten.
Kia Motors Corporation rust zijn talrijke modellen uit met een grote verscheidenheid aan opties, componenten en kenmerken.
Het is dan ook mogelijk dat de uitrusting die in dit instructieboekje beschreven staat en die op illustraties afgebeeld is niet allemaal van toepassing is op uw auto. Als u vragen heeft, kunt u zich te allen tijde tot uw dealer wendedn.
Wij zullen er alles aan doen om u optimaal en tot volle fevredenheid van uw nieuwe auto te laten genieten.
Copyright © 2000 Kia Motors Corporation
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, in welke vorm dan ook, zonder de schriftelijke toestemming van Kia Motors Corporation.
GEBRUIK VAN DIT INSTRUCTIEBOEKJE
- Bewaar dit instructieboekje in het dashboardkastje zodat u het te allen tijde kunt raadplegen.
- Door het gehele instructieboekje heen vindt u termen als WAARSCHUWING, OPMERKING en AANWIJZING.
Een WAARSCHUWING dient ervoor om u erop te wijzen bijzonder voorzichtig te zijn ter voorkoming van letsel.
Een OPMERKING dient ervoor om te voorkomen dat u een fout maakt waardoor de auto beschadigd zou kunnen raken of waardoor u letsel zou kunnen oplopen.
Een AANWIJZING geeft een suggestie voor een optimaal gebruik van uw auto.
- De in dit instructieboekje opgenomen specificaties en beschrijvingen gelden bij het ter perse gaan van dit boekje. Omdat Kia voortdurend streeft naar verdergaande verbeteringen, behouden wij ons te allen tijde het recht voor zonder voorafgaande kennisgeving en zonder verdere verplichtingen wijzigingen in de specificaties aan te brengen. Verder is het van belang te weten dat dit instructieboekje van toepassing is op alle modellen in deze serie, inclusief alle opties. Het is dan ook mogelijk dat u beschrijvingen in dit instructieboekje aantreft die voor uw auto niet van toepassing zijn.
INHOUDSOPGAVE
| UW AUTO IN EEN OOGOPSLAG | 1 |
| KENNISMAKEN MET UW AUTO | 2 |
| AANWIJZINGEN VOOR HET RIJDEN | 3 |
| RIJDEN MET UW AUTO | 4 |
| WAT TE DOEN IN NOODGEVALLEN | 5 |
| ONDERHOUD | 6 |
| INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR | 7 |
| SPECIFICATIES | 8 |
| INDEX | 9 |
[Non-Text]
(No text)
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Uw auto in één oogopslag 1-2
Symbolen....1-6
Overzicht interieur

Overzicht dashboard

Bagageruimte

PORTIEREN


In uw auto kunt u de onderstaande controle- en bedieningssymbolen aantreffen.

KENNISMAKEN MET UW AUTO
2
Sleutels 2-2
Portiersloten 2-2
Portieren 2-3
Ruiten....2-4
Achterklep 2-5
Motorkap 2-5
Tankdopklepje....2-7
Stoelen 2-8
Veiligheidsgordels 2-13
Stuurwiel 2-18
Spiegels 2-18
Interieurverlichting 2-20
Bagageruimteverlichting 2-20
Bagageruimte 2-21
Sunroof 2-22
SLEUTELS, PORTIERSLOTEN
Sleutels

Om eventueel later sleutels bij te kunnen bestellen, dient u het sleutelnummer te noteren en op een veilige plaats te bewaren.
Portiersloten

- Beide portieren kunnen met de sleutel worden vergrendeld en ontgrendeld.
- Trek de portiergreep omhoog om het portier te openen.

Zonder sleutel
Druk om de portieren zonder sleutel te vergrendelen de knop in, houd de portier-greep omhoog en sluit het portier.
OPMERKING
Verwijder altijd de contactsleutel en sluit de auto af als u deze onbeheerd achterlaat.

VAN BINNENUIT
- Druk de vergrendelknop in om het portier te vergrendelen.
- Trek de knop omhoog om het portier te ontgrendelen.
- Trek de portiergreep naar achteren om het portier te openen.
WAARSCHUWING!
- Laat kinderen en huisdieren nooit zonder toezicht achter in de auto.
AANWIJZING:
Spuit slotontdooier of glycerine in de sloten om bevriezing te voorkomen. Probeer een bevroren slot te ontdooien door het slot in te spuiten met slotontdooier of door de portiersleutel voor te verwarmen.

PORTIERVERGRENDELING (optie)
Alle portieren kunnen worden vergrendeld en ontgrendeld door de vergrendelknop van het bestuurdersportier in te drukken of omhoog te trekken.
STARTBEVEILIGING
Startbeveiliging (indien aanwezig)
Uw voertuig is uitgerust met een elektronische startbeveiliging om diefstal te voorkomen. Deze startbeveiliging is voorzien van een transponder in de contactsleutel en een antennospoel in het contactslot. Wanneer u de contactsleutel in het contactslot steekt en hem in de ON-stand draait, ontvangt de antennospoel de signalen van de transponder. Wanneer een positief signaal wordt ontvangen, start de motor; bij een negatief signaal verhindert de antenne dat de motor start.
Om de startbeveiliging uit te schakelen: Steek de contactsleutel in het contactslot en draai hem in de ON-stand.
Om de startbeveiliging in te schakelen: Draai de contactsleutel in de OFF-stand.
WAARSCHUWING!
De transponder in uw contactsleutel is een uitermate belangrijk onderdeel voor de uitschakeling van uw startbeveiliging. Behandel hem met de nodige voorzichtigheid om een defect van de startbeveiliging en dus van uw voertuig te vermijden.
Wanneer de transponder in de contactsleutel slecht of niet functioneert, kunt u de motor niet starten. Breng uw wagen in dat geval naar de dichtstbijzijnde KIA-dealer voor controle en de nodige reparaties.
WAARSCHUWING!
U mag de startbeveiliging niet zelf veranderen, aanpassen of afstellen. Dit zou ertoe kunnen leiden dat het systeem niet meer goed functioneert. Een gebrekkige werking die het gevolg is van veranderingen, aanpassingen en/of afstellingen die niet door een erkende KIA-dealer werden uitgevoerd, is niet gedekt door de KIA-garantie.
Elektrisch bediende ruiten (optie)

Om het achterportier zodanig te sluiten dat het niet van binnenuit geopend kan worden, dient u alvorens het portier te sluiten de hevel van het kinderslot naar beneden te drukken.
Om het portier te kunnen openen, moet eerst de vergrendelknop omhoog worden getrokken en vervolgens de portiergreep aan de buitenzijde omhoog worden getrokken.

- Wees voorzichtig bij het sluiten van de ruiten. Let erop dat er geen armen, benen of andere zaken bekneld raken.
- Laat kinderen niet met de ruitbedie- ning spelen. Ze zouden zich kunnen bezeren.

Om de ruiten te kunnen bedienen, moet het contact AAN staan.
Achterklep

Achterklep openen
Steek de sleutel in het slot en draai de sleutel rechtsom.
Achterklep sluiten
Druk de klep met twee handen naar bene- den totdat de klep in het slot valt. Gooi de achterklep niet hard dicht.
Voel na het sluiten of de klep goed dichtzit door hem omhoog te trekken.
WAARSCHUWING!
- Rijd niet met een geopende achter-klep om te voorkomen dat uitlaatgassen het interieur ingezogen worden.
Ontgrendeling achterklep van binnenuit (optie)

- Trek aan de hevel links naast de bestuurdersstoel om de achterklep te ontgrendelen.
Motorkap

- Trek aan de knop om de motorkap te ont-grendelen.

- Trek de veiligheidshaak omhoog en open de motorkap.

- Ondersteun de motorkap met de daartoe bestemde stang.
Controleer alvorens de motorkap te sluiten of de stang goed in de clip zit om bijgeluiden te voorkomen.
Sluiten van de motorkap
- Controleer de motorruimte om u ervan te overtuigen dat alle vuldoppen weer geplaatst zijn en dat alle losse voorwerpen verwijderd zijn.
- Laat de motorkap zakken en druk hem in het slot. Gooi de motorkap niet hard dicht.
WAARSCHUWING!
- Zet voor het openen van de motorkap het contact eerst UIT, zet de versnelingspook in de eerste versnelling en trek de parkeerrem geheel aan.
- Indien het noodzakelijk is controles in de motorruimte uit te voeren bij draaiende motor, moet de versnelingspook in de vrijstand worden gezet en moet de parkeerrem geheel worden aangetrokken. Als deze aanwijzingen niet worden opgevolgd, kan de auto zich onverhoeds in beweging zetten.
Om letsel te voorkomen, moet u bij werkzaamheden in de motorruimte het contact altijd UIT zetten. Indien de aard van de reparatie dat niet mogelijk maakt, moet u ervoor zorgen dat kleding zoals stropdas of handschoenen niet bekneld kunnen raken tussen draaiende onderdelen. Doe horloges, armbanden en ringen af.
Tankdopklepje

Type A
Open het tankdopklepje door de sleutel in het slot te steken en rechtsom te draaien.
Type B
Open het tankdopklepje door de ontgrendelknop naast de bestuurdersstoel omhoog te trekken.

- Draai de tankdop linksom om hem te verwijderen.
- Plaats de tankdop en draai hem rechtsom totdat hij klikt. Dat geeft aan dat de tankdop goed vastzit.
WAARSCHUWING!
- De brandstof kan onder druk staan. Verwijder de tankdop daarom voorzichtig en langzaam. Als er brandstof naar buiten komt of er een sissend geluid hoorbaar wordt, moet u even wachten voordat u de dop verder losdraait. Pas als er geen brandstof meer naar buiten komt of als het geluid is opgehouden, mag de dop verder worden losgedraaid. Als deze aanwijzingen niet worden opgevolgd, kan
de brandstof naar buiten komen waar- door letsel kan ontstaan.
- Brandstofdampen kunnen uiterst gevaarlijk zijn. Zet tijdens het tanken de motor af en houd vonken en open vuur uit de buurt van de vulpijp.
AANWIJZING
- De vulpijp is zodanig ontworpen dat alleen een vulpistool voor loodvrije benzine probleemloos past zodat voorkomen wordt dat er verkeerde benzine getankt wordt.
- Gebruik als de tankdop vervangen moet worden uitsluitend een originele Kia-dop of een andere, voor uw auto geschikte dop. Een verkeerde tankdop kan een ernstige storing in het brandstofsysteem of in het systeem voor de afzuiging van de brandstofdampen veroorzaken. De juiste tankdop is verkrijgbaar bij de officiële Kia-dealers.
- Druk voorzichtig tegen de tankdopklep of tik er zachtjes op als deze vastgevroren zit.
OPMERKING
Mors geen brandstof op gelakte oppervlakken. Brandstof kan de lak aantasten waardoor deze zijn glans verliest.
STOELEN
Stoelen
WAARSCHUWING!
- Verstel de bestuurdersstoel nooit onder het rijden. Als dat wel gedaan wordt, kan de bestuurder de macht over het stuur verliezen waardoor ongevallen en letsel veroorzaakt kunnen worden.
- Zorg ervoor dat bagage of andere voorwerpen de normale positie van de rugleuning niet hinderen. Indien de rugleuning niet volledig vergrendeld is, kan hij in geval van afremmen of een aanrijding piotseling naar vo-ren komen.
Verstellen

Trek de handel aan de voorzijde omhoog om de stoel in voorwaartse of achterwaartse richting te verstellen. Schuif de stoel in de gewenste positie en laat de handel los.
OPMERKING
Plaats niets onder de stoel. Losse voorwerpen kunnen de werking van het verstelmechanisme belemmeren.

Leun iets naar voren en trek de handel omhoog om de rugleuning te verstellen. Druk de leuning vervolgens met de rug in de gewenste positie en laat de handel los. Controleer na het afstellen of de handel zijn oorspronkelijke positie weer heeft ingenomen; een niet goed vergrendelde rugleuning kan onder het rijden plotseling bewegen waardoor de bestuurder de macht over het stuur zou kunnen verliezen.
WAARSCHUWING!
Verstel de rugleuning niet verder naar achteren dan nodig is om te voorkomen dat u in geval van een aanrijding onder de veiligheidsgordel door schuift. De bescherming die door de veiligheidsgordels geboden wordt, is optimaal, als de bestuurder en de voorpassagier goed rechtop zitten. Tijdens een aanrijding, vooral bij een frontale aanrijding, neemt de kans op letsel toe naarmate de rugleuning meer achterover helt. De bestuurder en de voorpassagier kunnen dan onder de gordel door schuiven waardoor het onderlichaam aan extreem hoge krachten kan worden blootgesteld.

VERSTELLING LENDESTEUN (alleen bestuurdersstoel, optie)
De lendesteun kan worden versteld door de handel aan de linker zijde van de stoel omhoog te trekken. De lendesteun heeft drie standen. Kies die stand die u het meest comfortabel vindt.

- Druk om de hoofdsteunen te verwijderen de ontgrendelknop in en trek de hoofdsteunen recht omhoog uit de rugleuning.
Druk de hoofdsteunen na het plaatsen geheel naar beneden en controleer of ze goed vergrendeld zijn.
WAARSCHUWING!
Rijd niet in een auto waarvan de hoofdsteunen verwijderd zijn om het risico van letsel zoveel mogelijk te beperken.

Trek aan de handel of trap op het pedaal. De stoel van de voorpassagier zal automatisch naar voren schuiven en de rugleuning zal naar voren klappen. Schuif na het in- of uitstappen de stoel terug. Controleer of de stoel goed vergrendeld is.
OPMERKING
De achterpassagiers moeten erop letten dat ze tijdens het rijden niet per ongeluk op het pedaal trappen.
WAARSCHUWING!
- Als de rugleuning niet goed vergrendeld is, bestaat in geval van een aanrijding of plotseling afremmen de kans dat de passagiers of de meegevoerde bagage ineens naar voren schuiven hetgeen letsel kan veroorzaken.
- De bagage of de lading mag nooit hoger dan de rugleuning worden gestapeld aangezien dat tijdens plotseling afremmen of een aanrijding gevaar op kan leveren.
- Om letsel bij acceleratie, plotseling afremmen en bij aanrijdingen te voorkomen, mogen er in de bagageruimte geen passagiers vervoerd worden. Passagiers mogen tijdens het rijden ook niet plaatsnemen op de neergeklapte rugleuning.
- Laat bij een neergeklapte rugleuning ook geen kinderen achterin spelen.
AANWIJZING:
Controleer of de rugleuning goed vergren- deld is.

Trek om de achterbank in voorwaartse of achterwaartse richting te verstellen de handels aan de zijkant van de bank opzij. Schuif de bank in de gewenste positie en laat de handels los.
OPMERKING
Plaats niets onder de achterbank omdat dan de werking van het vergrendelingsmechanisme belemmerd kan worden.
Achterbank

Om de laadruimte te vergroten kan de rugleuning van de achterbank op een eenvoudige wijze worden neergeklapt.
Type A
- Trek de knop omhoog om de rugleuning te ontgrendelen en klap de rugleuning naar voren.
Als u de rugleuning geheel naar voren klapt, vergrendelt hij automatisch.
- Trek de knop naar voren om de rugleuning te ontgrendelen en klap de leuning omhoog. Druk de rugleuning goed aan totdat hij in de vergrendeling valt.

Type B
- Trek een van beide knoppen omhoog en trek de rugleuning iets naar voren uit de vergrendeling.
- Trek vervolgens de andere knop omhoog en klap de rugleuning naar voren.
- Klap de rugleuning omhoog en druk de rugleuning goed aan totdat hij in de vergrendeling valt.

- Schuif beide voorstoelen in de voorste positie.
- Trek aan de knoppen om de rugleuning te ontgrendelen.
- Houd de knop omhoog en klap de rugleuning neer. Houd bij het wegklappen de veiligheidsgordels opzij.
- Klap vervolgens de gehele achterbank naar voren.
- Schuif de voorstoelen in de gewenste positie.
Uitklappen:
Houd bij het uitklappen de knop uitgetrokken en druk de rugleuning in de vergrendeling.

- Schuif beide voorstoelen in de voorste positie.
- Trek aan de knoppen om de rugleuning te ontgrendelen.
- Houd de knop omhoog en klap de rugleuning neer.
- Schuif de achterbank helemaal naar vo- ren. Houd de veiligheidsgordels opzij.
- Trek aan de greep (witte, kunststof ring) aan de linker en rechter achterzijde van de achterbank en klap de achterbank geheel naar voren totdat deze volledig samen in de vergrendeling valt.
- Schuif de voorstoelen in de gewenste positie.

Als uw auto voorzien is van afneembare hoofdsteunen, kunnen de rugleuningen van de voorstoelen en van de achterbank naar beneden worden geklapt.
- Verwijder de hoofdsteunen.
- Schuif de voorstoelen in de voorste stand en de achterbank in de achterste stand. Verwijder de hoedenplank.
- Zet vervolgens de rugleuningen horizontaal.

SCHUIFLADE ONDER STOEL (stoel voorpassagier, optie)
Onder de stoel van de voorpassagier bevindt zich een lade voor het opbergen van kleine voorwerpen.
AANWIJZING:
Indien gewenst, kan de lade van binnen worden bekleed met geluiddempend materiaal.
Veiligheidsgordels
Om de kans op letsel of de ernst daarvan bij een aanrijding of bij plotseling afremmen zoveel mogelijk te beperken, raden wij u en uw passagiers aan te allen tijde gebruik te maken van de veiligheidsgordels en deze op de juiste manier te dragen. De oprolautomaten zorgen ervoor dat de gordels het in- en uitstappen niet hinderen. Het blokkeermechanisme zorgt ervoor dat de gordel onder normale omstandigheden comfortabel meegeeft maar bij sterk afremmen of bij een aanrijding automatisch blokkeert.
WAARSCHUWING!
- Veiligheidsgordels kunnen beschadigd raken als ze blootgesteld worden aan grote trekkrachten. Alle veiligheidsgordels die tijdens een ernstige aanrijding zijn gebruikt, moeten compleet vervangen worden. Laat de bevestigingspunten op de juiste wijze repareren.
- Het niet dragen van de veiligheidsgordel vergroot de kans op ernstig letsel aanzienlijk.
Veiligheidsgordels en zwangere vrouwen
Ook zwangere vrouwen dienen een veiligheidsgordel te dragen tenzij hun arts daar bezwaar tegen heeft. Het heupgedeelte moet GOED AANLIGGEN EN ZICH ZO LAAG MOGELIJK BEVINDEN.
Veiligheidssystemen voor baby's en kleine kinderen
Kleine kinderen en baby's worden optimaal beschermd als ze vervoerd worden in goedgekeurde kinderzitjes. Laat een kind nooit knielen of staan op de zitting van een rijdende auto en draag nooit samen met een kind één veiligheidsgordel. Vervoer een kind ook nooit op schoot of in uw armen. Bij een aanrijding treden er zulke grote krachten op dat het kind door de auto zal vliegen waardoor het ernstig letsel kan oplopen.
Kinderzitjes worden geleverd door veel verschillende fabrikanten. Een goedgekeurd kinderzitje voldoet aan de wettelijke voorschriften.
Let er bij het kopen van een kinderzitje op dat het geschikt is voor uw kind en dat het stevig in de auto gemonteerd kan worden. Volg voor het monteren van het kinderzitje de aanwijzingen van de fabrikant op.
GROTERE KINDEREN
Kinderen die het kinderzitje ontgroeid zijn, moeten gebruik maken van de in de auto aanwezige veiligheidsgordels. Zowel het heup- als het schoudergedeelte dienen te worden gebruikt. Als het kind nog zo klein is dat het schoudergedeelte over de hals of het gezicht van het kind loopt, moet het kind verder naar het midden van de auto plaatsnemen.
AANWIJZING:
- Alle kinderzitjes zijn zodanig ontworpen dat ze met de heupgordel of met een driepuntsgordel kunnen worden vastgezet.
- Indien een kinderzitje niet goed is vastgezet, kan het kind bij een aanrijding ernstig letsel oplopen.
OPMERKING
- Koop geen kinderzitje dat gemon- teerd moet worden aan bevestigings- punten die in uw auto niet aanwezig zijn.
- Controleer bij hoge buitentemperatu- ren eerst of de bekleding en de gesp van het kinderzitje niet te heet zijn voordat u het kind in het kinderzitje laat plaatsnemen.
- Verwijder een niet gebruikt kinderzitje of zet het met de veiligheidsgordel goed vast zodat het bij plotseling sterk afremmen of tijdens een aanrijding niet door de auto kan schieten.
VEILIGHEIDSGORDELS
WAARSCHUWING!
- Draag het schoudergedeelte van de gordel nooit onder uw arm.
- Draag het schoudergedeelte van de gordel nooit achter langs de nek en over de schouder aan de zijde van de gesp.
- Gebruik nooit één veiligheidsgordel voor meerdere personen.
- Draag het schoudergedeelte altijd over de schouder aan de zijde van het bovenste bevestigingspunt. Het niet opvolgen van deze aanwijzingen kan de kans op letsel vergroten.
AANWIJZING:
Indien de gordel bij het uittrekken blokkeert, moet hij eerst door de oprolautomaat ge- heel worden opgerold en vervolgens tot op de gewenste lengte worden uitgetrokken.

Vastmaken van de veiligheidsgordels.
- Pak de gordelsluiting en de gesp vast.
- Trek de gordel langzaam uit.
- Steek de gesp in de gordelsluiting totdat u een klik hoort. De klik geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is.

Leg het heupgedeelte ZO LAAG MOGE-LIJK OM DE HEUPEN om het risico dat u bij een aanrijding onder de gordel doorschiet zoveel mogelijk te beperken. Stel de gordel af door hem STRAK tegen het lichaam aan te trekken. De oprolautomaat is ontworpen om een teveel aan speling automatisch op te heffen en de gordel de benodigde spanning te geven.

Losmaken van de veiligheidsgordel
Druk de knop op de gordelsluiting in om de gordel los te maken.

Gebruik de veiligheidsgordels achter op dezelfde manier als de veiligheidsgordels voor.

Heupgordel (zonder oprolautomaat)
Vastmaken
Leg de heupgordel ZO LAAG MOGELIJK OM DE HEUPEN.
Stel indien nodig de lengte van de heupgor- del af. Houd de gesp haaks op de gordel en trek eraan om de gordel langer te maken. Trek aan het losse uiteinde van de gordel om de gordel korter te maken en houd ook daarbij de gesp haaks op de gordel.
Losmaken van de veiligheidsgordel
Druk de knop op de gordelsluiting in om de gordel los te maken.
Juist gebruik en onderhoud van de veiligheidsgordels
Neem voor een optimaal en effectief gebruik van de veiligheidsgordels onderstaande aanwijzingen in acht:
- Draag de gordels te allen tijde - ook tijdens korte ritten.
- Gebruik nooit één veiligheidsgordel voor meerdere personen.
- Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels niet gedraaid zitten.
- Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels en de overige onderdelen van het systeem niet in aanraking kunnen komen met scherpe randen of met voorwerpen die beschadigingen zouden kunnen veroorzaken.
- Controleer de gordels, bevestigingspunten, gordelsluitingen en overige onderdelen regelmatig op tekenen van slijtage, beschadiging en zwakke punten. In dubieuze staat verkerende onderdelen moeten direct worden vervangen.
Claxon
- Reinig de gordels met een mild reini-gingsmiddel zoals dat wordt aanbevolen voor het reinigen van bekleding of vloer-bedekking; raadpleeg de aanwijzingen die bij het schoonmaakmiddel geleverd worden. De gordels nooit bleken of ver-ven, aangezien ze daardoor verzwakt kunnen worden.
- Het gordelsysteem mag door de gebruiker niet worden gemodificeerd.
- Controleer na het omgespen van de gordel of deze niet wordt gehinderd door stoelhandels en dergelijke.
WAARSCHUWING!
Alle veiligheidsgordels, inclusief de oprolautopmaten en de bevestigingspunten, dienen na een aanrijding te worden gecontroleerd. Aangeraden wordt alle veiligheidsgordels die ten tijde van een aanrijding gedragen werden na iedere aanrijding van betekenis te vervangen. Ook de gordels die niet werden gebruikt, moeten worden gecontroleerd en worden vervangen als ze tekenen van beschadiging vertonen.

Druk op de knop die gemarkeerd is met het claxonsymbool om de claxon te bedienen. Controleer de werking van de claxon regelmatig.
Trek de handel midden onder de stuurkolom naar beneden om de stand van de stuurkolom te veranderen. Plaats het stuurwiel in de juiste positie en druk de handel weer naar boven om de stuurkolom te vergrendelen. Druk het stuurwiel na het afstellen omhoog en omlaag om te controleren of de stuurkolom goed vergrendeld is.
WAARSCHUWING!
Verstel de stuurkolom nooit tijdens het rijden.
Buitenspiegels
Stel voor het rijden eerst de spiegels af.
WAARSCHUWING!
De rechter buitenspiegel verkleint het beeld, waardoor objecten dichterbij zijn dan ze lijken.
Men dient daarom voorzichtig te zijn bij het gebruik van de spiegel voor het in-schatten van de afstand tot het achterop-komend verkeer bij het veranderen van rijstrook.
Gebruik voor het bepalen van de afstand tot het achteropkomend verkeer uw binnenspiegel.
OPMERKING
Gebruik geen krabber om de spiegel ijsvrij te maken; hierdoor kan het spiegelglas beschadigd raken. Forceer een bevoren spiegel niet tijdens het verstellen. Ontdooi de spiegel (bijvoorbeeld met een spray of föhn) en verwijder sneeuw met een spons of een zachte doek.

Verstel de spiegel met behulp van de handel aan de binnenzijde.

De schakelaar voor het verstellen van de spiegel bevindt zich op het dashboard. Met behulp van deze schakelaar kan de rechter buitenspiegel worden afgesteld. Stel de spiegel in de gewenste richting af door de schakelaar aan de desbetreffende zijde in te drukken, zie de afbeelding.
OPMERKING
De spiegel stopt met bewegen als de maximale stelhoek bereikt is. De stelmotor blijft echter draaien zolang de schakelaar ingedrukt blijft. Druk daarom de schakelaar niet langer in dan nodig is.
Binnenspiegel met dag/nachtstand (optie)

Stel de binnenspiegel zo af dat u in het midden van de spiegel het midden van de achterruit ziet. Stel de spiegel af als deze in de dag-stand staat.
Trek de handel midden onder de spiegel naar u toe om de spiegel in de nacht-stand te zetten om verblinding door de koplampen van achteropkomend verkeer te voorkomen.
AANWIJZING:
Houd er rekening mee dat het beeld in de spiegel in de nacht-stand minder duidelijk is dan in de dag-stand.
Bagageruimteverlichting
WAARSCHUWING!
Plaats nooit grote voorwerpen op het vlakke gedeelte achter de achterbank aangezien dit het uitzicht belemmert. Bovendien kunnen deze voorwerpen gevaar opleveren tijdens plotseling afremmen of bij een aanrijding omdat ze dan naar voren worden geslingerd.

De schakelaar op het lampje van de interieurverlichting heeft drie standen:
- OFF: interieurverlichting uit
- DOOR: interieurverlichting aan bij open portier
- ON: interieurverlichting aan

Het lampje gaat branden als de achterklep opengaat.
De schakelaar op het lampje heeft twee standen:
OFF: lampje blijft uit
ON: lampje gaat aan als de achterklep opengaat
Hoenplank (optie)
WAARSCHUWING!
- Plaats geen voorwerpen op de hoedenplank; deze kunnen het uitzicht naar achteren hinderen en bij plotseling afremmen of een aanrijding naar voren schieten.
- De hoedenplank moet stevig aan de rugleuning bevestigd zijn om te voorkomen dat hij bij een aanrijding los-schiet en letsel veroorzaakt.

Als de achterklep wordt geopend, beweegt de hoedenplank met behulp van twee koordjes mee omhoog waardoor de bagageruimte beter toegankelijk wordt.
Om de bagageruimte te vergroten, kan de hoedenplank in zijn geheel worden verwijderd

- Neem de koordjes los van de achterklep.
- Trek de hoedenplank uit zijn scharnier-punten en neem de hoedenplank uit de auto, zie de afbeelding.
Handbediende sunroof\*

Open het sunroof als volgt: trek de handgreep eerst naar beneden en druk hem vervolgens naar voren en obhoog.
SRS airbag-systeem (indien aanwezig)
Het SRS airbag-systeem bestaat uit een air-bag voor de bestuurder.
Een airbag is bedoeld als een extra, aanvullende veiligheidsvoorziening die, naast de veiligheidsgordel, de bestuurder van de auto bescherming moeten bieden in geval van een frontale aanrijding.
WAARSCHUWING!
- Een airbag vervangt een veiligheids-gordel niet maar vormt er een aan-vulling op. Daarom moeten de veiligheidsgordels te allen tijde worden gedragen.
- De elektronica van het airbag-systeem is gevoelig voor vocht. Raadpleeg de Kia-dealer als er abnormaal veel vocht in het interieur aanwezig is.
De belangrijkste onderdelen van het airbag-systeem zijn:
- De airbag voor de bestuurder in het stuurwiel.
- Het diagnosesysteem dat de belangrijkste onderdelen van het systeem controleert zolang het contact in de stand ON staat.
- Een waarschuwingslampje dat eventuele storingen in het systeem aangeeft.
- Een backup-accu waarmee de airbag geactiveerd kan worden, ook al is de verbinding met de normale accu ten gevolge van de aanrijding verbroken.
Of de airbag al dan niet wordt geactiveerd, wordt bepaald door een aantal sensoren die bij een bepaalde intensiteit van de aanrijding een signaal naar de onstekingsmodule van de airbag sturen.
Als de auto voorzien is van een airbag, staat op het stuurwiel de vermelding "SRS AIR BAG".
WERKING VAN DE AIRBAG
De airbag voor de bestuurder bevindt zich in het stuurwiel. Als bij een aanrijding de airbag geactiveerd wordt, ontvouwt hij zich, waardoor hij uw bovenlichaam en uw hoofd beschermt.
Het activeren van de airbag gaat gepaard met nogal wat geluid en met enige rookvorming. Dat is een normaal verschijnsel dat veroorzaakt wordt doordat de airbag met behulp van een gasgenerator wordt gevuld.
Al vermindert de airbag de kans op ernstige verwondingen en kan hij uw leven redden, de kracht waarmee de airbag gevuld wordt kan schaafwonden, blauwe plekken en ander letsel veroorzaken. Daarom moet u zich altijd zó ver van het stuur af bevinden als vanuit het oogpunt van veiligheid verantwoord is.
Nadat de airbag zich geheel gevuld heeft, begint deze direct weer leeg te lopen, zodat uw uitzicht niet wordt belemmerd en u niet wordt beperkt in uw bewegingen.
Het vullen en leeglopen van de airbag duurt slechts een fractie van een seconde. Het kan zelfs zijn dat u niet eens gemerkt heeft dat de airbag volledig opgeblazen is geweest.

- Als een airbag geactiveerd is, zijn de gasgenerator en de bijbehorende onderdelen erg heet. Raak deze daarom niet aan.
- Bewaar voldoende afstand tot het stuurwiel. Bij een te geringe afstand kan de airbag tijdens het activeren letsel veroorzaken.

- Plaats geen vorwerpen op de airbag of tussen de airbag en uzelf.
- Draag altijd uw veiligheidsgordel. De airbag wordt uitsluitend bij frontale aanrijdingen geactiveerd en biedt geen bescherming bij aanrijdingen van opzij of van achteren, bij over de kop slaan of bij lichte frontale aanrijdingen.
Het waarschuwingslampje SRS op de airbag heeft tot taak u te waarschuwen in geval van een defect in het airbag-systeem.
Laat het airbag-systeem zo snel mogelijk controleren indien:
- Het waarschuwingslampje niet gaat branden als u het contact in de stand ON zet.
- Het waarschuwingslampje niet uitgaat enkele seconden nadat de mtor gestart is.
- Het waarschuwingslampje onder het rijden gaat branden of knipperen.
ONDERHOUD AIRBAG-SYSTEEM
Onderhoudswerkzaamheden aan het airbag-systeem dient u over te laten aan de officiële Kia-dealer.
- Een geactiveerde airbag moet worden vervangen. Probeer een geactiveerde airbag niet zelf te verwijderen maar laat dit over aan een officiële Kia-dealer.
- Laat het airbag-systeem zo spoedig mogelijk controlleren als het waarschuwingslampje SRS aangeeft dat er in het systeem een probleem is opgetreden.
Als u dat niet doet, loopt u het risico dat het systeem niet werkt op het moment dat het zou moeten werken.

WAARSCHUWING!
Laat ook na een aanrijding waarbij de airbag niet geactiveerd is het airbag-systeem door de Kia-dealer controleren. Ook een lichte aanrijding kan onderdelen van het systeem beschadigen waardoor het systeem op het moment dat het zou moeten werken niet juist functioneert.
- Breng zelf geen veranderingen aan het stuurwiel of aan enig ander onderdeel van het airbag-systeem. Wijzigingen kunnen de juiste werking van het systeem in gevaar brengen.
- Een onjuiste behandeling van onderdelen of bedrading van het airbag-systeem zou kunnen leiden tot een onverhoeds activeren van de airbag, waardoor ernstig letsel zou kunnen ontstaan.
- Indien door derden aan uw auto gewerkt wordt, dient u deze in te lichten over het feit dat uw auto voorzien is van een airbag-systeem. Het niet naleven van de aanwijzingen kan leiden tot een onverhoeds activeren van de airbag, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.
- Wijs een eventuele volgende eigenaar van uw auto op dit gedeelte in het instructieboekje.
AANWIJZINGEN VOOR HET RIJDEN
3
Vóór het rijden....3-2
Inrijden....3-2
Brandstofbesparing 3-3
Speciale omstandigheden 3-4
Trekken van een aanhanger....3-6
Overbelasting 3-6
Informatielabels....3-7
VOOR HET RIJDEN, INRIJDEN
Vóór het rijden
VOOR HET INSTAPPEN
- Controleer of alle ruiten, buitenspiegels en lampen schoon zijn.
- Controleer de toestand van de banden.
- Controleer of er geen sporen van lekkage onder de auto te zien zijn.
- Controleer indien u van plan bent achteruit weg te rijden of er zich geen obstakels achter de auto bevinden.
Noodzakelijke controles
De volgende vloeistofniveaus dienen dage- lijks, wekelijks of bij het tanken gecontro- leerd te worden: motoroliepeil, koelvloeistof- niveau, remvloeistofniveau, koppelings- vloeistofniveau en ruitesproeiervloei- stofniveau. Nadere informatie vindt u in hoofdstuk 6 "Onderhoud".
VOOR HET STARTEN
- Sluit alle portieren.
- Verstel de stoel zodanig dat u alle bedie- ningsorganen gemakkelijk kunt bereiken.
- Stel de binnen- en buitenspiegels af.
- Controleer of alle inzittenden hun veiligheidsgordels hebben vastgemaakt.
- Controleer of alle lichten werken.
- Controleer alle instrumenten.
- Controleer of alle waarschuwingslampjes werken als het contact AAN staat.
- Ontgrendel de parkeerrem en controleer of het waarschuwingslampje voor het remsysteem uitgaat.
Voor een veilig gebruik is het noodzakelijk dat u volledig vertrouwd bent met uw auto en de bedieningsorganen.
Inrijden
U hoeft de auto niet gedurende een bepaalde periode in te rijden. U kunt echter door het opvolgen van een paar eenvoudige aanwijzingen gedurende de eerste 1.000 km de prestaties, het brandstofverbruik en de levensduur van uw auto in positieve zin beïnvloeden.
- Voer het toerental van de motor niet te hoog op.
- Rijd niet gedurende langere tijd met een constante snelheid. Varieer de snelheid.
- Vermijd plotseling afremmen, behalve in noodgevallen, om de onderdelen van het remsysteem de gelegenheid te geven op elkaar in te lopen.
- Accelereer niet met vol gas
Suggesties voor brandstofbesparing
Het brandstofverbruik van uw auto is voornamelijk afhankelijk van uw rijstijl: hoe, waar en wanneer u rijdt. Uw rijstijl is van invloed op de totale hoeveelheid kilometers die u op een liter brandstof kunt afleggen. Door de onderstaande suggesties op te volgen, verbruikt uw auto zo min mogelijk brandstof en bespaart u geld op zowel de brandstof als op reparatie en onderhoud:
- Laat de motor niet stationair draaiend op bedrijfstemperatuur komen. Rijd rustig weg zodra de motor soepel draait. Denk eraan dat het bij lagere buitentemperaturen langer duurt voordat de motor op bedrijfstemperatuur is.
- Bespaar brandstof door snel accelereren te vermijden.
- Zorg ervoor dat de motor goed afgesteld is en houd u aan de voorgeschreven periodieke onderhoudsbeurten. Dat komt de levensduur van alle onderdelen ten goede en reduceert de onderhoudskosten.
- Gebruik de airconditioning uitsluitend als dat echt noodzakelijk is.
• Rijd langzaam op slechte wegen. -
Zorg ervoor dat de banden altijd op de juiste spanning zijn. Dat verlaagt het brandstofverbruik en komt de levensduur van de banden ten goede.
-
Bewaar voldoende afstand tot overige weggebruikers om noodstops te voorkomen. Dat vermindert de slijtage van remvoeringen en remblokken en reduceert het brandstofverbruik omdat het versnelen tot de normale rijsnelheid na sterk afgeremd te hebben extra brandstof kost.
- Verwijder overtollige bagage uit de auto.
- Laat uw voet tijdens het rijden niet op het rempedaal rusten. Dat veroorzaakt onnodige slijtage en mogelijk schade aan het remsysteem alsmede een hoger brandstofverbruik.
- Een onjuiste uitlijning van de wielen veroorzaakt een hogere rolweerstand en een verhoogde bandenslijtage. De hogere rolweerstand resulteert in een hoger brandstofverbruik.
Het in goede staat houden van uw auto is van groot belang voor zowel de veiligheid als het brandstofverbruik. Laat daarom het voorgeschreven periodieke onderhoud uitvoeren door een officiële Kia-dealer.
OPMERKING
Zet bij het afrijden van een helling nooit de motor uit. Als de motor niet draait, werken de stuurbekrachtiging en de rembekrachtiging niet. Schakel in plaats daarvan terug naar een lagere versnel-ling om op de motor te kunnen afremmen.
SPECIALE OMSTANDIGHEDEN
Rijden onder moeilijke omstandigheden
Neem de volgende raadgevingen in acht als ten gevolge van zware regenval, sneeuw, ijzel, modder of zand het rijden bemoeilijkt wordt:
Rijd voorzichtig en bewaar extra afstand tot het overige verkeer.
- Vermijd abrupt remmen of sturen.
Rem "pompend".
Schakel de tweede versnelling in en geef voorzichtig gas als de auto vastzit in sneeuw, modder of zand. Gebruik indien nodig de eerste versnelling. Geef voorzichtig gas om te voorkomen dat de wielen doorslippen.
- Gebruik zand, pekel, sneeuwkettingen of ander anti-slipmateriaal voor de voorwielen als de auto vast is komen te zitten in ijs, sneeuw of modder.
WAARSCHUWING!
Schakel op een glad wegdek niet de eerste versnelling in. Dat kan slippen veroorzaken.
Op eigen kracht lostrekken van de auto
Indien de auto vastzit in ijs, modder of sneeuw, kunt u proberen de auto los te trekken door afwisselend de eerste versnelling en de achteruitversnelling in te schakelen en iets gas te geven. Als de auto na enkele minuten nog vastzit, dient u de auto door een andere auto los te laten trekken om oververhitting van de motor en beschadiging van de transmissie te voorkomen.
OPMERKING
Het langdurig van de eerste versnelling naar de achteruitversnelling en omgekeerd schakelen kan oververhitting van de motor en beschadiging van de transmissie en van de banden veroorzaken.
WAARSCHUWING!
Laat de motor niet met een te hoog toe- rental draaien en laat de wielen niet met een snelheid van meer dan 56 km/h rond draaien om beschadiging van de banden te voorkomen.
Rijden in de winter
- Afhankelijk van de omstandigheden kan het zinvol zijn een noodpakket mee te nemen. Dit pakket kan bestaan uit sneeuwkettingen, een ijskrabber, een zak zand of zout, een pechlamp, een kleine schep en startkabels.
- Controleer of het koelsysteem voldoende antivries bevat.
- Controleer de toestand van de accu en de accukabels. Lage buitentemperaturen reduceren de capaciteit van de accu. Om in de winter voldoende startcapaciteit te hebben, moet de accu in topconditie verkeren.
- Controleer of de motorolie geschikt is voor de winterse omstandigheden.
- Controleer het ontstekingssysteem op loszittende aansluitingen en beschadigingen.
- Vul het ruitesproeiervloeistofreservoir met ruitesproeier-antivries (geen koel-vloeistof).
- Gebruik bij vorst de parkeerrem niet, maar schakel de eerste versnelling of de achteruitversnelling in en blokkeer de voorwielen.
WINTERBANDEN
Kies winterbanden van de soort en maat zoals aangegeven op het label met de bandenspanning. Aangeraden wordt winterbanden te gebruiken op alle vier de wielen om de besturing van de auto niet negatief te beïnvloeden. Met winterbanden dient niet harder gereden te worden dan 120 km/h. De spanning van de winterbanden moet 0,3 kg/cm² (28 kPa) hoger zijn dan de spanning die op het label staat. De bandenspanning in koude toestand mag echter nooit hoger zijn dan de spanning die op wang van de winterbanden vermeld staat.
WAARSCHUWING!
Winterbanden moeten dezelfde maat hebben en van hetzelfde type zijn als de standaard banden van de auto. Als dat niet het geval is, kunnen de veiligheid en bestuurbaarheid van de auto in gevaar komen.
AANWIJZING:
Monteer geen winterbanden met spikes zonder eerst te informeren naar de geldende voorschriften omtrent het gebruik daarvan in verband met eventuele beperkende bepalingen.
SNEEUWKETTINGEN
Kiezen van sneeuwkettingen
De bepalingen omtrent het gebruik van sneeuwkettingen variëren naar gelang het gebied of het type weg. Informeer daarom voor het aanbrengen eerst of het gebruik van sneeuwkettingen toegestaan is.
Aanbrengen van sneeuwkettingen
Volg bij het aanbrengen van sneeuwkettingen nauwgezet de instructies van de fabrikant van de kettingen. De sneeuwkettingen zullen de wieldoppen beschadigen, verwijder deze daarom voordat u de sneeuwkettingen aanbrengt.
Breng de sneeuwkettingen zo strak mogelijk aan om de aangedreven wielen. Het gebruik van sneeuwkettingen om de achterwielen wordt niet aanbevolen. Trek de kettingen opnieuw aan nadat u 500 tot 1.000 meter gereden heeft.
OPMERKING
- Het gebruik van sneeuwkettingen kan de bestuurbaarheid van de auto nadelig beïnvloeden.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h of sneiler dan de door de fabrikant aanbevolen snelheid. Houd van deze twee snelheden altijd de laagste aan. - Rijd voorzichtig en vermijd oneffenhe- den, gaten en het maken van scherpe bochten waardoor de auto plotseling zou kunnen uitveren.
- Vermijd het maken van scherpe bochten en het blokkeren van de wielen door sterk afremmen.
- Probeer nooit een sneeuwketting aan te brengen om het noodreservewiel, aangezien dat beschadiging van auto en band tot gevolg kan hebben.
SPECIALE OMSTANDIGHEDEN, TREKKEN VAN EEN AANHANGER, OVERBELASTING
Doorwaden van water
Vermijd het doorwaden van water tenzij u er zeker van bent dat het water niet hoger komt dan de onderzijde van de velg. Rijd steeds langzaam bij het doorwaden van water. Bewaar voldoende afstand tot een eventuele voorligger omdat natte remmen minder effectief werken. Droog de remmen door na het doorwaden bij lage snelheid het rempedaal een aantal malen voorzichtig in te trappen.
Trekken van een aanhanger
Let bij het trekken van een aanhangwagen op de maximale massa daarvan (het eigen gewicht ervan vermeerderd met het maximale laadvermogen). Deze mag de onderstaande waarden nimmer overschrijden.
Onderstaande massa's zijn van toepassing voor geremde aanhangers.
| Model | Massa aanhanger (kg) |
| 3-drs. | 880 |
| 5-drs. | 850 |
Let er bij het rijden met een aanhanger met een auto met automatische transmissie op dat steeds de juiste versnelling gekozen wordt, vooral bij het rijden in de bergen.
Overbelasting
WAARSCHUWING!
Overschrijd nooit de maximale aslast (voor en achter) of het maximaal toelaatbaar totaalgewicht (blz. 8-2).
Deze gegevens staan op het veiligheidslabel (zie de volgende bladzijde). Overbelasting kan leiden tot schade aan de auto en tot ongevallen, waardoor letsel kan ontstaan.
Informatielabels

Dit is het wettelijk voorgeschreven identificatienummer van uw auto. Het nummer bevindt zich rechts op het schutbord in de motorruimte. Het nummer is bij een geopende motorkap gemakkelijk te zien.

Waarschuwings- en controlelampjes 4-12
Verlichting 4-14
Ruitewissers en ruitesproeiers 4-17
Overige voorzieningen 4-19
Verwarmings- en ventilatiesysteem 4-24
Audio-installatie 4-32
Contactslot en stuurslot

In deze stand is het stuurwiel vergrendeld ter bescherming tegen diefstal van de auto. Alleen in deze stand kan de contactsleutel worden verwijderd.
ACC
In deze stand is het stuurwiel niet langer vergrendeld en kunnen bepaalde elektrische accessoires worden ingeschakeld.
ON
In deze stand kunnen de waarschuwings-lampjes gecontroleerd worden (behalve het lampje voor het remsysteem) zolang de mo-
tor niet draait. Bij een draaiende motor staat de contactsleutel in deze stand.
Laat het contact bij niet draaiende motor niet te lang in stand ON staan omdat hierdoor de accu uitgeput kan raken.
START
Deze stand wordt gebruikt om de motor te starten. De startmotor blijft ingeschakeld zo- lang u de contactsleutel in deze stand houdt.
AANWIJZING:
Draai het stuurwiel iets naar links en naar rechts als het omdraaien van de contact-sleutel moeilijk gaat.

Denk er altijd aan de contactsleutel iets in te drukken als u het contact uitzet. Als het contact uit lijkt te staan en de sleutel toch niet verwijderd kan worden, kan het contact-slot nog in de stand de ACC staan. Druk dan de sleutel iets in en draai hem in de stand LOCK. De sleutel moet nu gemakkelijk kunnen worden verwijderd.
Starten van de motor
WAARSCHUWING!
- Draai de contactsleutel tijdens het rijden nooit in de stand LOCK of ACC.
- Het stuurslot dient niet ter vervanging van de parkeerrem. Alvorens de auto te verlaten dient u steeds de eerste versnelling in te schakelen, de parkeerrem geheel aan te trekken en de motor uit te zetten. Indien deze voorzorgsmaatregelen niet genomen worden, bestaat de kans dat de auto zich onverhoeds in beweging zet.
- Steek nooit uw hand door het stuurwiel heen om de contactsleutel te pakken; plotseling draaien van het stuurwiel kan ernstig letsel veroorzaken.
VÓÓR HET STARTEN VAN DE MOTOR (voor auto's zonder EGI-systeem)
- Doe uw veiligheidsgordel om.
- Controleer of de parkeerrem is aangetrokken.
- Handgeschakelde transmissie - Trap het koppelingspedaal geheel in en zet de versnellingspook in de neutraalstand. Houd het koppelingspedaal tijdens het starten ingetrapt.
Automatische transmissie - Zet de selectiehandel in de stand P (parkeren) of N (neutraal).
OPMERKING
Laat de startmotor niet langer dan 10 seconden achter elkaar draaien. Wacht als de motor afslaat of niet aanslaat 5 tot 10 seconden alvorens de startmotor opnieuw in te schakelen. Als de startmotor te lang achter elkaar draait, kan hij beschadigd raken.
BIJ KOUDE MOTOR
- Trap het gaspedaal EENMAAL GEHEEL IN EN LAAT HET PEDAAL DAARNA WEER LOS.
- Draai de contactsleutel in de stand "START" en houd de sleutel in deze stand totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden). Laat de contactsleutel los.
- Trap het gaspedaal VOOR DE HELFT in als de motor aanslaat en laat het vervolgens los om motortoerental terug te brengen.
- Laat de motor gedurende ongeveer 10 seconden warmdraaien.

MOTOR OP BEDRIJFSTEMPERATUUR
- Trap het gaspedaal voor de HELFT IN EN HOUD HET IN DEZE STAND. Maak geen pompende bewegingen met het gaspedaal.
- Draai de contactsleutel in de stand "START" en houd hem in deze stand totdat de motor aanslaat.
- Laat de contactsleutel en het gaspedaal los als de motor aanslaat.
OPMERKING
Door een te hoog stationair toerental gedurende langere tijd (5 minuten of meer), kan de temperatuur in het uitlaatsysteem zo hoog opiopen dat er schade ontstaat.

MOTOR "VERZOPEN"
Als de motor op bedrijfstemperatuur is en toch niet wil aanslaan, kan hij "verzopen" zijn - wacht in dat geval minimaal 30 seconden voordat u een nieuwe startpoging waagt.
- Trap het gaspedaal geheel in en houd het tijdens het starten ingetrapt. Maak geen pompende bewegingen met het gaspedaal.
- Draai de contactsleutel in de stand "START" en houd hem in deze stand totdat de motor aanslaat.
- Laat de contactsleutel en het gaspedaal los als de motor aanslaat.

Uw auto heeft een conventioneel schakelpatroon, zie de afbeelding hierboven.
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen geheel in en laat het langzaam opkomen.
Een speciale beveiliging voorkomt dat er per ongeluk van de 5e versnelling naar de achteruitversnelling kan worden geschakeld. Alvorens de achteruit in te kunnen schakelen, moet de versnellingspook eerst in de stand neutraal worden geschakeld.
AANWIJZING:
Schakel de achteruitversnelling alleen in als de auto geheel stilstaat.

OPMERKING
- Laat tijdens het rijden uw voet nooit op het koppelingspedaal rusten om vroegtijdige slijtage en beschadiging van de koppeling te voorkomen; gebruik de koppeling niet om de auto tijdens het wachten op een helling, bijvoorbeeld voor een verkeerslicht, op zijn plaats te houden.
- Schakel om beschadiging van de koppeling te voorkomen niet terug naar de 1e versnelling als u sneller rijdt dan 16 km/h.
AANBEVOLEN SCHAKELSNELHEDEN
Om normaal te accelereren, worden de onderstaande schakelsnelheden aanbevolen:
| 1 naar 2 | 24 km/h |
| 2 naar 3 | 40 km/h |
| 3 naar 4 | 65 km/h |
| 4 naar 5 | 72 km/h |
Terugschakelen
Als u moet afremmen voor het overige verkeer op de weg of als u een helling oprijdt, moet u tijdig terugschakelen naar een lagere versnelling. Terugschakelen beperkt de kans op afslaan en zorgt voor een betere acceleratie op het moment dat u uw snelheid weer moet verhogen. Bij het afrijden van een steile helling helpt terugschakelen bij het handhaven van een veilige snelheid en bij het ontzien van het remsysteem.
BEDIENING AUTOMATISCHE TRANSMISSIE
Rijden onder normale omstandigheden vindt plaats met de selectiehandel in de stand D.

Druk de knop op de selectiehandel in bij het inschakelen van de standen R en P en bij het schakelen van D naar 2 en van 2 naar 1, zie de pijl →.
Voor het schakelen in de richting die de pijl ⟶ aangeeft, hoeft de knop niet te worden ingedrukt.
AANWIJZING:
Druk voor soepel schakelen het rempedaal in als er geschakeld wordt van de stand N of P naar een vooruitversnelling of naar de achteruitversnelling.
OPMERKING
- Schakel de stand R of P alleen in als de auto geheel tot stilstand is gekomen.
- Geef geen gas als de auto in de stand R of in een van de vooruitversnellingen staat en het rempedaal ingedrukt wordt.
- Houd de auto bij stilstaan op een helling nooit in zijn positie door gas te geven. Gebruik in zo'n geval de remmen.
- Schakel niet van de stand N of P naar stand 1, 2, D of R als het motortoerental hoger is dan het stationair toerental.
Starten van de motor
De motor kan alleen gestart worden in de standen P en N.
Stand P (parkeren)
Gebruik de stand P alleen als de auto volledig tot stilstand is gekomen.
WAARSCHUWING!
De stand P (parkeren) mag nooit in plaats van de parkeerrem worden gebruikt. Zorg er altijd voor dat de selectiehandel in stand P vergrendeld staat en niet kan bewegen als de knop niet wordt ingedrukt EN trek de parkeerrem geheel aan.
Zet het contact UIT als u de auto verlaat, ook al is dat maar voor even. Laat de auto nooit onbeheerd achter met draai- ende motor. Indien deze voorzorgsmaat- regelen niet genomen worden, bestaat de kans dat de auto zich onverhoeds in beweging zet.
R (achteruit)
Deze stand is voor het vanuit stilstand achteruit wegrijden.
N (neutraal)
Deze stand is voor het stilstaan (bij ingetrapte remmen).
D (drive)
Dit is de normale stand voor het rijden in voorwaartse richting. In deze stand schakelt de transmissie automatisch tussen de drie versnellingen vooruit voor optimale prestaties en een zo laag mogelijk brandstofverbruik.
2 (tweede versnelling)
Zet de keuzehandel in stand 2 voor het rijden in druk, langzaam rijdend verkeer, voor meer trekkracht bij het oprijden van hellingen, voor het afremmen op de motor bij het afrijden van hellingen, voor het wegrijden vanuit stilstand op een glad wegdek en bij andere situaties waarbij geleidelijk accelereren noodzakelijk is. Rijd in stand 2 niet harder dan 108 km/h.
1 (eerste versnelling)
Zet de selectiehandel in stand 1 voor een maximale trekkracht of bij het op- of afrijden van zeer steile hellingen. Rijd in stand 1 niet harder dan 60 km/h.
Kickdown (alleen stand D)
Voor extra trekkracht bij inhalen of bij het oprijden van hellingen, kunt u het gaspedaal geheel intrappen. Hierdoor schakelt de transmissie terug naar een lagere versnel-ling.
VANUIT STILSTAND EEN STEILE HELLING OP RIJDEN
Trap met uw linker voet op het rempedaal en zet de selectiehandel in stand D of 1, afhankelijk van de mate waarin de auto belast is en van het hellingpercentage en ontgrendel de parkeerrem. Geef geleidelijk gas en laat tegelijkertijd het rempedaal opkomen.
Rembekrachtiging
Uw auto is uitgerust met een bekrachtigd, zelfstellend remsysteem.
Als de rembekrachtiging uitvalt omdat de motor is afgeslagen of door een andere oorzaak, kunt u de auto alsnog tot stilstand brengen door het rempedaal met een grotere kracht dan normaal in te drukken. Bij een uitgevallen rembekrachtiging moet u echter wel rekening houden met een langere remweg.
Als de motor niet draait, wordt de mate van bekrachtiging steeds geringer naarmate u vaker het rempedaal indrukt. Het vacuum dat voor de bekrachtiging zorgt wordt, doordat de motor niet draait, steeds minder. Ga bij een uitgevallen rembekrachtiging niet pompend remmen, behalve als dat noodzakelijk is om bij een glad wegdek de controle over de auto te behouden.
Bedrijfsrem
Als het bedrijfsremsysteem tijdens het rijden door wat voor redenen dan ook geheel zou uitvallen, kunt u de auto met behulp van de parkeerrem alsnog tot stilstand brengen. Houd daarbij dan wel rekening met een veel langere remweg dan normaal.
WAARSCHUWING!
- Laat tijdens het rijden uw voet niet op het rempedaal rusten. Dat leidt tot oververhitting van de remmen en overmatige slijtage van de remvoeringen, hetgeen weer leidt tot een langere remweg.
Schakel bij het afdalen van een lange of steile helling terug naar een lagere versnelling en vermijd het continu ingedrukt houden van het rempedaal omdat daardoor de remmen oververhit kunnen raken. Dit kan een kortstondig verlies van remvermogen veroorzaken.
Parkeerrem
- Het rijden door water met een zodanige diepte dat de remmen nat worden, heeft een nadelige invloed op het remvermogen. De auto remt minder dan normaal en kan naar een kant trekken tijdens het rijden. Door het rempedaal licht in te trappen, kunt u controleren of het remvermogen door het natworden is verminderd. Druk voor het drogen van de remmen het rempedaal licht in terwijl u met een veilige snelheid rijdt, totdat het remvermogen weer op het normale niveau is.

- Trek voor het in werking stellen van de parkeerrem de handel krachtig aan terwijl u het rempedaal indrukt.
- Trek voor het ontgrendelen van de parkeerrem de handel omhoog en druk de knop in. Houd de knop ingedrukt en beweeg de handel naar beneden.
WAARSCHUWING!
- Gebruik nooit in plaats van de parkeerrem de versnellingspook. Trek de parkeerrem altijd volledig aan EN zet de versnellingspook in de eerste versnelling.
- Zet het contact UIT als u de auto verlaat, ook al is dat maar voor even. Laat de auto nooit onbeheerd achter met draaiende motor.
- Indien deze voorzorgsmaatregelen niet genomen worden, bestaat de kans dat de auto zich onverhoeds in beweging zet.
- Rijd niet met aangetrokken parkeerrem. Hierdoor kunnen de remmen oververhit raken, treedt overmatige slijtage op en wordt de remweg langer.
Waarschuwingslampje
remsysteem

Controleer iedere keer als u de motor start het waarschuwingslampje voor het remsysteem. Dit lampje brandt als de motor draait en de parkeerrem aangetrokken is. Let er voor u gaat rijden op dat de parkeerrem geheel ontgrendeld is en dat het waarschuwingslampje uit is.
Als het lampje na het ontgrendelen van de parkeerrem blijft branden, kan er een defect in het remsysteem aanwezig zijn. Zie voor meer informatie het gedeelte "Waarschuwings- en controlelampjes" (blz. 4-12).
Slijtage-indicator (remblokken voor)

Als de remblokken tot een bepaald mini- mum versleten zijn, komen de ingebouwde slijtage-indicatoren bij het intrappen van het rempedaal in aanraking met de remschij- ven. Het krijsende geluid dat daardoor ont- staat is voor de bestuurder het teken dat de remblokken vervangen moeten worden.
Laat de remblokken zo snel mogelijk bij een officiële Kia-dealer controleren en zonodig vervangen als u tijdens het rijden piepende of schurende bijgeluiden hoort.
WAARSCHUWING!
Het niet tijdig vervangen van de remblokken kan schade aan het remsysteem veroorzaken en het remvermogen negatief beïnvloeden.

SNELHEIDSMETER
De snelheidsmeter geeft de snelheid aan als de auto vooruit rijdt.
KILOMETERTELLER
De kilometerteller geeft de totale afstand aan die met de auto gereden is.
DAGTELLER
De dagteller geeft de gereden afstand per rit aan. De teller kan op nul worden gezet door de terugstelknop in te drukken. De dagteller kan tevens worden gebruikt om het brandstofverbruik te controleren.

TEMPERATUURMETER KOELVLOEISTOF
Als het contact AAN is, geeft de temperatuurmeter de temperatuur van de koelvloeistof aan.
Als de naald van de meter buiten het normale bereik komt en in de richting van de stand H beweegt, duidt dit op oververhitting van de motor waardoor schade aan de motor kan ontstaan.
Blijf niet doorrijden met een oververhitte motor. Raadpleeg bij oververhitting het hoofdstuk "Oververhitting" (blz. 5-2).

BRANDSTOFMETER
De brandstofmeter geeft aan hoeveel brandstof in de brandstoftank aanwezig is.
Inhoud brandstoftank:
38 liter
AANWIJZING:
Als de naald aangeeft dat het brandstofni-veau laag is, is er nog 3 - 4 liter brandstof in de tank aanwezig. U moet niettemin zo spoedig mogelijk tanken.
De toerenteller geeft het motortoerental aan in omwentelingen per minuut.
OPMERKING
Zorg ervoor dat het toerental niet in het rode gebied terechtkomt.
Dat kan ernstige schade aan de motor veroorzaken.
Regelbare dashboardverlichting (optie)

Als de verlichting van de auto aan is, kan de sterkte van de dashboardverlichting worden geregeld door het wieltje te verdraaien.
Waarschuwings- en controlelampjes
CONTROLEER WERKING
De waarschuwings- en controlelampjes kunnen worden gecontroleerd door het contact AAN te zetten (start de motor niet). Ieder lampje dat niet gaat branden moet door een officiële Kia-dealer worden gecontroleerd.
Dit lampje heeft twee functies.
Parkeerrem
Dit waarschuwingslampje brandt als de parkeerrem is aangetrokken en het contact in de stand START of ON staat. Het lampje moet uitgaan als de parkeerrem ontgrendeld is.

Laag remvloeistofniveau
Als het lampje blijft branden, kan dit erop duiden dat het remvloeistofniveau te laag is.
Als het lampje blijft branden:
- Controleer of de parkeerrem ontgrendeld is.
Als het lampje nog steeds brandt:
- Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand.
- Zet de motor af, controleer het remvloeistofniveau en vul zonodig remvloeistof bij (zie blz. 7-37). Controleer alle onderdelen van het remsysteem op lekkage.
- Rijd niet met de auto als u een lekkage vindt, als het waarschuwingslampje blijft branden of als de remmen niet goed werken. Laat de auto naar een officiële Kia-dealer slepen om het remsysteem te laten controleren en zonodig te laten repareren.
WAARSCHUWING!
Rijden met een auto waarvan het waarschuwingslampje brandt is gevaarlijk. Laat het remsysteem direct controleren en repareren als het waarschuwingslampje blijft branden.
AANWIJZING:
Om het lampje te kunnen controleren gaat het branden als het contact in de stand START staat.
OLIEDRUKLAMPJE
Dit waarschuwingslampje geeft aan dat de oliedruk laag is.
Als het lampje onder het rijden gaat branden:
- Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand.
- Controleer het oliepeil. Vul indien nodig olie bij of ...
- ...laat uw auto naar de dichtstbijzijnde garage of Kia-deaker skepen om olie bij te vullen.
OPMERKING
Doorrijden met een brandend oliedruklampje kan ernstige schade aan de motor veroorzaken. Zet daarom de motor direct uit als het oliedruklampje gaat branden.
LAADSTROOM-CONTROLELAMPJE
Dit lampje geeft aan dat er een storing is in de dynamo of in de bedrading van het laadsysteem.


Als het lampje tijdens het rijden gaat branden:
- Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand.
- Zet de motor uit en controleer of de aan-drijfriem van de dynamo loszit of gebro-ken is.
- Als de aandrijfriem in orde is, bevindt zich in het laadsysteem een storing. Laat een officiële Kia-dealer het probleem zo spoedig mogelijk opsporen en verhelpen.
CONTROLELAMPJE GROOTLICHT
Dit controlelampje gaat branden als het grootlicht is ingeschakeld.

CONTROLELAMPJE ACHTERRUITVERWARMING
Dit controlelampje gaat branden als de achterruitverwarming is ingeschakeld.

IMMOBILISATIE- WAARSCHUWINGSLAMPJE (indien aanwezig)

Wanneer u de noodrijfunctie gebruikt, helpt dit waarschuwingslampje u om de noodrijprocedure uit te voeren.
Verlichting
CONTROLELAMPJES ALARMKNIPPERLICHTEN
Deze controlelampjes gaan knipperen als de alarmknipperlichten zijn ingeschakeld.


WAARSCHUWINGSLAMPJE LAAG BRANDSTOFNIVEAU
Dit lampje geeft aan dat de brandstoftank bijna leeg is. Het lampje gaat branden als de voorraad brandstof gedaald is tot ongeveer 5 liter.

Dit waarschuwingslampje gaat branden als een portier niet goed gesloten is, de motor draait en de parkeerrem ontgrendeld is.

Dit lampje herinnert de inzitten- den eraan de veiligheidsgordels om te doen. ledere keer dat het contact AAN gezet wordt, zal het lampje gedurende ongeveer 6 seconden gaan branden. Laat een Kia-dealer het systeem con- troleren als het lampje niet gaat branden.

Draai het uiteinde van de combischakelaar om de verlichting aan te zetten.
Stand 1
Parkeerlichten, kentekenplaatverlichting en dashboardverlichting AAN.
Stand 2
Koplampen, parkeerlichten, kentekenplaatverlichting en dashboardverlichting AAN.

Druk de combischakelaar van u af om het grootlicht in te schakelen. Bij ingeschakeld grootlicht zal het blauwe controlelampje voor het grootlicht in het instrumentenpaneel gaan branden.
AANWIJZING:
Om te voorkomen dat de accu uitgeput raakt, dient u de verlichting niet gedurende langere tijd te laten branden terwijl de motor niet draait.
KOPLAMPVERSTELLING

Trek de combischakelaar naar u toe om een lichtsignaal te geven. Als u de schakelaar loslaat, keert deze weer terug naar zijn oorspronkelijke positie. Om lichtsignalen te kunnen geven hoeft de verlichting niet aan te staan.

- Gebruik de koplampversteller 's nachts of overdag om de andere bestuurders niet te verblinden.
- Regel de afstelling van uw lichten voor- dat u wegrijdt, volgens de hiernaast voor- geschreven methode
SCHAKELAARPOSITIE
Pos. 0:
- één persoon (bestuurder)
- twee personen (bestuurder + passagier)
Pos. 2:
- alle stoelen bezet (5 personen)
Pos. 3:
- 5 personen + belading in de kofferruimte
- één persoon (bestuurder) + belading in de kofferruimte (± 300 kg)
VERLICHTING
Richtingaanwijzers

RICHTINGAANWIJZERS
Beweeg de combischakelaar tot aan de aanslag omhoog of omlaag om de richtingaanwijzers in te schakelen. Na de bocht keert de schakelaar vanzelf weer terug in de middenstand. Als de richtingaanwijzers na een flauwe bocht ingeschakeld blijven, dient u de schakelaar met de hand terug zetten in de middenstand.
AANGEVEN VAN WISSELING VAN RIJSTROOK
Beweeg de combischakelaar gedeeltelijk naar beneden of naar boven en houd hem vast. De schakelaar keert na het loslaten vanzelf weer naar de middenstand.

Groene controlelampjes in het instrumentenpaneel geven aan dat de richtingaanwijzers in werking zijn. Als een controlelampje blift branden of abnormaal snel gaat knipperen, kan een van de richtingaanwijzerlampjes defect zijn.
MOTORVOERTUIGVERLICHTING OVERDAG\* (MVO)
In bepaalde landen is motorvoertuigver- lichting overdag (MVO) wettelijk verplicht. In dergelijke gevallen wordt de verlichting automatisch ingeschakeld als het contact in de stand ON (II) wordt gezet en de parkeerrem wordt ontgrendeld.
De motorvoertuigverlichting overdag wordt onder de volgende omstandigheden uitgeschakeld:
- Als de verlichting wordt ingeschakeld.
- Als een lichtsignaal wordt gegeven.
Ruitewissers

Om de ruitewissers in te kunnen schakelen, moet het contact AAN staan.
Beweeg de schakelaar naar beneden om de ruitewissers in te schakelen.
INT : intervalstand
I : normale wissersnelheid
II : hoge wissersnelheid

RUITEWISSE MET VARIABELE INTERVAL (optie)
Zet de schakelaar in de stand INT en kies de gewenste intervaltijd door de ring te verdraaien.

Druk voor een enkele wisbeweging in de stand UIT de schakelaar naar voren en laat hem weer los.
Ruitesproeiers
OPMERKING
- Schakel de ruitewissers niet in als de ruit droog is om beschadiging van de wissers of van de voorruit te voorkomen.
- Voorkom dat de ruitewissers in aanraking komen met benzine, petroleum, thinner of andere oplosmiddelen om beschadiging van de wisserbladen te voorkomen.
- Probeer de ruitewissers nooit met de hand te bewegen om beschadiging van de ruitewisserarmen en overige onderdelen te voorkomen.

Om de ruitesproeiers te kunnen inschakelen moet het contact AAN staan. Trek de ruitewisserschakelaar naar u toe om de ruitesproeiers in te schakelen en houd hem vast. Zolang u de schakelaar vasthoudt, sproeit er vloeistof op de ruit en zullen de ruitewissers geactiveerd worden.
Controlee het ruitesproeiervloeistofniveau als de ruitesproeiers niet werken. Raadpleeg een officiële Kia-dealer als er voldoende ruitesproeiervloeistof in het reservoir aanwezig is en de ruitesproeiers niet werken.
WAARSCHUWING!
Gebruik de ruitesproeiers niet bij temperaturen onder het vriespunt, zonder eerst de voorruit met behulp van de voorruitontwaseming te hebben verwarmd; de vloeistof kan anders op de voorruit bevriezen en uw uitzicht belemmeren.
OPMERKING
Gebruik de ruitesproeiers niet als het reservoir leeg is om beschadiging van de ruitesproeierpomp te voorkomen.
Klok (optie)
FUNCTIES VAN KNOPPEN:
Om de tijd te kunnen aflezen moet het contact in de stand ACC of ON staan.
RESET: Druk om de minutenaanduiding te wissen op de RESET-knop. Als u de knop loslaat, geeft de klok het hele uur aan.
Als bijvoorbeeld de RESET-knop wordt ingedrukt bij een tijd tussen 9:01 en 9:29, zal het display 9:00 aangeven. Als de knop wordt ingedrukt bij een tijd tussen 9:30 en 9:59, zal het display 10:00 aangeven.
9:01 - 9:29 → 9:00 9:30 - 9:59 → 10:00
Deze procedure is handig als u de klok gelijk wilt zetten met bijvoorbeeld het tijdsignaal op de radio.

HOUR: Druk op de knop HOUR om de uur-aanduiding te wijzigen.
MIN: Druk op de knop MIN om de minuten-aanduiding te wijzigen.
De achterruitverwarming ontdoet de achterruit aan de binnen- en buitenzijde van rijp, condens of ijs.
Start de motor alvorens de achterruitverwarming in te schakelen en verwijder een dikke sneeuwlaag met een borstel van de ruit.
Druk de schakelaar in om de achterruitverwarming in te schakelen.
Gebruik om beschadiging van het verwarmingselement aan de binnenzijde van de achterruit te voorkomen geen scherpe voorwerpen of reinigingsmiddelen met schuurmiddelen voor het reinigen van de achterruit.
AANWIJZING:
Het controlelampje geeft aan dat de achterruitverwarming in werking is.
OVERIGE VOORZIENINGEN
Achterruitewisser en -sproeier (optie)

De achterruitewisser en -sproeier kunnen worden ingeschakeld door de schakelaar als volgt te bedienen.
- Drukken om de ruitewisser in te schakelen.
- Drukken om de ruitewisser en -sproeier in te schakelen.
- Drukken om alleen de sproeier in te schakelen.
AANWIJZING:
Controleer het ruitesproeiervloeistofniveau als de ruitesproeier niet werkt. Raadpleeg een officiële Kia-dealer als er voldoende ruitesproeiervloeistof in het reservoir aanwezig is en de ruitesproeier niet werkt.
Mistlampen vóór (optie)

Als de dimlichten branden, kunnen de mistlampen vóór worden ingeschakeld door op het bovenste deel van de schakelaar te drukken. Door op het onderste deel van de schakelaar te drukken worden de mistlampen vóór weer uitgeschakeld.
Elektrisch bediende antenne (optie)

Houd het bovenste deel van de schakelaar ingedrukt om de antenne uit te schuiven; houd het onderste deel van de schakelaar ingedrukt om de antenne in te schuiven.
Mistlamp achteraan (indien aanwezig)

Gebruik deze schakelaar om de mistlamp achteraan aan te steken. De mistlamp zorgt ervoor dat uw voertuig in de mist beter zichtbaar is.
Aansteker

Voor het gebruik de aansteker indrukken en loslaten. Als het element voldoende verhit is, komt de aansteker automatisch naar buiten en is hij gereed voor gebruik. Als de motor niet draait, moet het contact in de stand ACC staan om de aansteker te kunnen gebruiken.
OPMERKING
- Houd de aansteker niet met de hand ingedrukt omdat daardoor oververhitting kan ontstaan.
- Als aansteker mag alleen een originele Kia-aansteker worden gebruikt. Het gebruik van de aansteker als voedingsbron voor accessoires (scheerapparaten, koffiezetapparaten, enz.) kan de aansteker beschadigen of kortsluiting veroorzaken.
- Als de aansteker niet binnen 30 seconden naar buiten springt, moet u hem met de hand verwijderen om oververhitting te voorkomen.
Asbak

Trek de asbak eerst open om hem te kunnen verwijderen, druk vervolgens de metalen lip naar beneden en verwijder de asbak. Doe de asbak na gebruik goed dicht.
WAARSCHUWING!
Gebruik de asbak niet voor afval als hij tevens voor sigaretten wordt gebruikt.
OVERIGE VOORZIENINGEN

Voor het verwijderen van de asbak het deksel openen en de asbak omhoog trekken.
Dashboardkastje

Trek voor het openen van het dashboard-kastje de greep naar u toe.
WAARSCHUWING!
Zorg ervoor dat het dashboardkastje tijdens het rijden gesloten is om de kans op letsel in geval van een aanrijding of bij plotseling afremmen te verminderen.
Muntenvak

Gebruik het muntenvak niet als asbak.
Zonnekleppen

Trek de zonneklep omlaag om deze te kunnen gebruiken.

Trek de zonneklep omlaag en draai hem naar de zijruit om bescherming te bieden tegen zon van opzij.
Make-up-spiegel (optie)

Trek de zonneklep aan de zijde van de passagier omlaag om de make-up-spiegel te kunnen gebruiken.
Bedieningsorganen verwarmings- en ventilatiesysteem

Bedieningsorganen en functies

AANJAGERSCHAKELAAR
Met behulp van deze schakelaar kunnen drie verschillende aanjagersnelheden gekozen worden.
OFF: aanjager UIT
1 : lage snelheid
2 : middelhoge snelheid
3 : hoge snelheid

TEMPERATUURREGELING
Schuif de temperatuurregelknop naar rechts voor een hogere temperatuur van de uitstromende lucht en naar links voor een lagere temperatuur.

LUCHTTOEVOER
Met deze handel kan worden gekozen tussen de aanvoer van buitenlucht naar het interieur en recirculatie.
Recirculatie
De toevoer van buitenlucht wordt afgesloten en de in het interieur aanwezige lucht wordt gerecirculeerd.

Buitenlucht
Buitenlucht wordt naar het interieur gevoerd.


LUCHTCIRCULATIE
Met deze knop kan worden gekozen uit welke uitstroomopeningen de toegevoerde lucht moet stromen. Kies de gewenste uitstroomopeningen door de knop te verschuiven.

In deze stand wordt de lucht naar de hoofden van de inzittenden gevoerd.

In deze stand wordt er lucht naar de hoofden en naar de voeten gevoerd.
De lucht die naar de voeten gevoerd wordt, is warmer dan de lucht die naar de hoofden gevoerd wordt (behalve als de temperatuurregelknop in de uiterst linkse stand gezet is).

In deze stand wordt de meeste lucht naar de vloer gevoerd. Een beperkte hoeveelheid lucht wordt naar de voorruit en de zijruiten gevoerd.

In deze stand wordt de meeste lucht naar de vloer en de voorruit gevoerd. Een beperkte hoeveelheid lucht wordt naar de zij- ruiten gevoerd.

Ontwasemen en ontdooien
In deze stand wordt de meeste lucht naar de voorruit gevoerd. Een beperkte hoeveelheid lucht wordt naar de zijruiten en de vloer gevoerd.

AIRCONDITIONING (optie) Aircoschakelaar
Druk de schakelaar in om de airconditioning in te schakelen. Een controlelampje geeft aan dat de airconditioning is ingeschakeld. Druk nogmaals op de schakelaar om de airconditioning weer uit te schakelen.
Bedienen van de airconditioning
- Zet de temperatuurregelknop in de gewenste positie.
- Start de motor. Zet de airconditioning aan en kies de gewenste aanjagersnelheid.
Tips betreffende het gebruik van de air-conditioning
- Als de auto tijdens warm weer in de volle zon geparkeerd werd, dient u eerst de ruiten te openen om de warme lucht uit de auto af te voeren alvorens de airconditioning in te schakelen.
- Om het beslaan van de ruiten tijdens regenachtig weer te verminderen, kunt u de vochtigheidsgraad in het interieur terugbrengen door de airconditioning in te schakelen.

- Zet de temperatuurregelknop in de aanbevolen stand.
- Zet de luchttoevoerknop in de stand 📄.
- Zet de luchtcirculatieknop in de stand ↗.
- Zet de aanjagerschakelaar in de aanbe- volen stand.

VERWARMEN
- Zet de temperatuurregelknop in de aanbevolen stand.
- Zet de luchttoevoerknop in de stand 📄.
- Zet de luchtcirculatieknop in de stand √.
AANWIJZING:
- Zet de luchtcirculatieknop in de stand 🚙 indien koele lucht op gezicht-sniveau gewenst is.
-
Zet de luchtcirculatieknop in de stand 📋 indien de voorruit snel be-slaat.
-
Zet de aanjagerschakelaar in de aanbe- volen stand.
AANWIJZING:
Zet de luchttoevoerknop in de stand om het interieur snel op temperatuur te brengen. Als de voorruit beslaat, moet u de knop echter in de stand zetten.
5. Als u drogere lucht wenst, kunt u de air-conditioning aanzetten.

KOELEN
- Zet de temperatuurregelknop in de aanbevolen stand.
- Zet de luchttoevoerknop in de stand 📄.
- Start de motor en schakel de airconditioning in.
- Zet de luchtcirculatieknop in de stand 📋.
AANWIJZING:
Als u warmere lucht naar de vloer wilt hebben, moet u de luchtcirculatieknop in de stand zetten en de temperatuurregelknop ongeveer in de middenstand.
- Zet de aanjagerschakelaar in de aanbe- volen stand.
AANWIJZING:
Voor een maximale koeling moet de temperatuurregelknop geheel naar links worden gezet en moet de luchttoevoerknop in de stand ; zet vervolgens de aanjagerschakelaar in stand 3.
OPMERKING
Bij gebruik van de airconditioning tijdens het oprijden van lange hellingen of in druk verkeer, moet u de koelvloeistoftemperatuurmeter in de gaten houden. Gebruik van de airconditioning kan oververhitting van de motor veroorzaken. Als de motor oververhit dreigt te raken, moet u de airconditioning uitzetten. (Zie ook "Oververhitting" op blz. 5-2.)
WAARSCHUWING!
De stand tijdens koelen niet gebruiken bij extreem vochtig weer. Het temperatuurverschil tussen de buitenlucht en de voorruit kan de voorruit doen beslaan, waardoor uw uitzicht belemmerd wordt.

ONTWASEMEN EN ONTDOOIEN VAN VOORRUIT
- Zet de temperatuurregelknop in de aanbevolen stand.
- Zet de luchttoevoerknop in de stand 📐.
- Zet de luchtcirculatieknop in de stand 📄.

- Maak alle ruiten en buitenspiegels ijs- en sneeuwvrij alvorens met de auto te gaan rijden.
Maak ook de motorkap en de toevoeropening voor de lucht naar het interieur ijs- en sneeuwvrij om het effect van het ventilatiesysteem te vergroten en de kans op beslaan van de ruit te reduceren.

DROGEN VAN LUCHT (met airconditioning)
Het inschakelen van de airconditioning bij koel of koud weer helpt bij het ontwasemen van de voorruit en de zijruiten.
- Zet de temperatuurregelknop in een comfortabele stand.
- Zet de luchttoevoerknop in de stand 📐.
- Start de motor en schakel de airconditioning in.
- Kies de gewenste uitstroomopeningen en aanjagersnelheid.

AFSLUITEN VAN TOEVOER VAN BUITENLUCHT
Zet de luchttoevoerknop in de stand 📄.
Radio-ontvangst

flowchart
graph TD
A["Antenna 1"] --> B["Antenna 2"]
C["Ionosfeer"] --> D["Car"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#f9f,stroke:#333
style C fill:#f9f,stroke:#333
style D fill:#f9f,stroke:#333
AM (amplitudemodulatie) KENMERKEN
Ontvangst van meerdere signalen tegelijkertijd
AM-signalen worden door gebouwen en ber- gen afgebogen en door de ionosfeer weer- kaatst. Daarom is het bereik van AM-signa- len groter dan het bereik van FM-signalen. Hierdoor kan het soms voorkomen dat op een bepaalde frequentie signalen van twee zenders worden ontvangen.

FM (frequentiemodulatie) KENMERKEN
Een FM-uitzending kan meestal worden ontvangen in een gebied dat 40 - 50 km rond de zender ligt. Vanwege de extra codering die nodig is om het signaal in twee kanalen te splitsen, is het bereik van een FM stereouitzending kleiner dan van een FM mono-uitzending.

Signalen van een FM-zender gedragen zich als lichtstralen omdat ze niet worden afgebogen, maar wel worden weerkaatst. In tegenstelling tot AM-signalen kunnen FM-signalen niet achter de horizon worden ontvangen. Daarom heeft een FM-zender een minder groot bereik dan een AM-zender.
Atmosferische omstandigheden kunnen de ontvangst van FM-signalen beïnvloeden. Een hoge luchtvochtigheid heeft een negatieve invloed op de ontvangst. Op bewolkte dagen kan de ontvangst echter toch beter zijn dan op heldere dagen.

Echo-ontvangst
Omdat FM-signalen door obstakels kunnen worden gereflecteerd, kan het voorkomen dat tegelijkertijd het oorspronkelijke en het gereflecteerde signaal worden ontvangen. Hierdoor ontstaat een echo-effect en wordt de ontvangst in negatieve zin beïnvloed. Dit probleem kan zich ook voordoen als de auto zich in de buurt van de zender bevindt.

flowchart
graph TD
A["Device"] --> B["Wireless Cable"]
B --> C["Data Packet 1"]
B --> D["Data Packet 2"]
B --> E["Data Packet 3"]
B --> F["Data Packet 4"]
Wegvallen van het signaal
De FM-signalen planten zich voort in een rechte lijn waardoor de ontvangst in de bergen of tussen hoge gebouwen weg kan vallen.

Naarmate de auto zich verder van een zender af bevindt, zal het signaal steeds zwakker worden. Hierdoor kan de ontvangst af en toe wegvallen.

Dit verschijnsel doet zich voor als een auto zich dicht bij de zender bevindt. Omdat daar het signaal zeer sterk is, kan de ont- vangst gestoord worden.

Beïnvloeding door andere zender
Als een auto zich in een gebied bevindt dat binnen het bereik van twee verschillende zenders valt die op nagenoeg dezelfde frequentie uitzenden, kan het signaal waarop afgestemd is af en toe worden verdrongen door het signaal van de andere zender. Hierdoor wordt de ontvangst gestoord.
BENAMING EN FUNCTIE VAN DE BEDIENINGSELEMENTEN

① AAN-UIT- en volumeknop
Draai de knop rechtsom tot u een klik hoort om de audio-installatie aan te zetten. Draai de knop verder rechtsom om het volume te verhogen. Draai de knop linksom om het volume te verlagen.
Als u de knop geheel linksom draait tot u een klik hoort, is de installatie uit.
② FADER
Als er vier luidsprekers gemonteerd zijn, kan met deze knop de geluidsverdeling tussen de luidsprekers voor en achter worden geregeld. Draai de knop rechtsom of linksom om het volume van de luidsprekers achter respectievelijk vóór te verhogen.
③ BALANSKNOP
Met behulp van deze knop kan de balans tussen de linker en de rechter luidsprekers geregeld worden. Draai de knop rechtsom of linksom om het volume van de rechter respectievelijk linker luidspreker(s) te verhogen.
④ TOONREGELING
Door de knop rechtsom te draaien, worden de hoge tonen sterker weergegeven. Door de knop linksom te draaien, worden de hoge tonen minder sterk weergegeven.
⑤ SEK (ZOEKEN)
Druk aan de zijde + of - van de knop.
De radio zoekt automatisch het eerstvolgende station op. Hij stopt alleen indien het signaal sterk genoeg is. Om toch op een zender met een zwak signaal af te kunnen stemmen, moet u de zender met de hand selecteren.
⑥ TUN (AFSTEMMEN)
Deze knop wordt gewoonlijk gebruikt om op een bekende frequentie af te stemmen. Druk voor een hogere frequentie op de knop TUN+ en houdt de knop ingedrukt. Druk voor een lagere frequentie op de knop TUN- en houd de knop ingedrukt. Laat de knop los zodra de juiste frequentie in het display verschijnt. Fijnafstemming vindt plaats door kort op de knop TUN+ of TUN- te drukken.
⑦ VOORKEUZETOETSEN
Stem op de hierboven beschreven manier af op een zender en druk één van de voorkeuzetoetsen minimaal 2 seconden in. De desbetreffende zender is nu onder deze knop in het geheugen opgeslagen. Als u naar een zender wilt luisteren die in het geheugen is opgeslagen, hoeft u alleen de desbetreffende voorkeuzetoets in te drukken.
Voorbeeld
Als u een zender in het geheugen wilt opslaan die uitzendt op de FM op een frequentie van 89.1 MHz stemt u met knop (5) af op deze frequentie. Vervolgens drukt u één van de toetsen 1 - 6 gedurende minimaal 2 seconden in waarna het nummer van de gekozen toets in het display verschijnt en de zender in het geheugen is opgeslagen.
⑧ AMS (AUTO MEMORY SYSTEM)
Druk de AMS-toets minimaal 3 seconden in. De radio zoekt de band waarop afgestemd is af en de aanduidingen in het display zullen steeds veranderen. Nadat iedere zender is gelokaliseerd, zal in het display een van tevoren toegekend nummer gaan knipperen. Na een korte tijd zal het zoeken ophouden en zal de radio afstemmen op de zender die onder voorkeuzetoets 1 in het geheugen is opgeslagen. Dit geeft aan dat de automatische afstemprocedure is voltooid en dat de sterkste 6 zenders zijn opgeslagen onder de 6 voorkeuzetoetsen. Druk om te controleren of de zenders juist zijn opgeslagen nogmaals kort op de AMS-toets.
Druk nogmaals op de AMS-toets om terug te keren naar het normale programma. Op dezelfde manier kunnen de sterkste 6 zenders op de overige banden worden opgeslagen.
⑨ BND (BAND)
Met deze toets kunt u kiezen tussen de FM-en AM-banden. Na het indrukken zal het nummer van de voorkeuzetoets en de frequentie in het display gaan knipperen.
⑩ LOUD
Door deze toets in te drukken worden de lagere en hogere frequenties sterker weergegeven en de middenfrequenties iets afgezwakt.
⑪ CASSETTEOPENING
Plaats de cassette met de open zijde naar rechts in de cassettespeler.
⑫ EJECT-KNOP
Druk op de knop om de band te stoppen en de cassette naar buiten te laten komen.
⑬ FAST FORWARD/REWIND-KNOP
Door gelijktijdig op de FAST FORWARD-en REWIND-knop te drukken zal de draai-richting van de band omdraaien en worden de andere sporen van de band afgespeeld. Druk op de REWIND-knop of op de FAST FORWARD-knop om de band snel terug of door te spoelen.

⑭ DISPLAY
Alle functies en zendergegevens verschijnen op het display als u luistert naar een radio-uitzending of naar een cassetteband.
Opmerking:
Druk op de EJECT-toets als het plaatsen van de cassette niet lukt en probeer nogmaals de cassette te plaatsen. Ook als het verwijderen van de cassette niet in één keer lukt, kunt u nogmaals op de EJECT-toets drukken.
CASSETTES

Neem bij cassettes de volgende voorzorgsmaatregelen:
- Houd de cassette verwijderd van sterke magnetische velden (elektromotoren, luidsprekers, transformatoren).
- Raak de cassetteband niet aan en voorkom dat deze vuil wordt.
- Laat de cassettes niet in de volle zon liggen of in de buurt van een of ander warm object omdat hitte de kwaliteit van de cassetteband niet ten goede komt.
- Trek de cassettes niet door de opening naar buiten en verdraai de spoelen niet omdat daardoor de band slap komt te hangen. Wikkel een losse band op met een potlood, zie afbeelding.
- Bewaar een cassetteband in een goed afgesloten doosje om te voorkomen dat er vuil in de cassette komt.

Voor uw eigen veiligheid wordt aangeraden het volume niet zo hoog te zetten dat u de omgevingsgeluiden niet meer goed kunt ho- ren.

Als uw auto enige uren in de volle zon heeft gestaan, is de temperatuur in het interieur zeer hoog opgelopen. Aangeraden wordt in dat geval eerst met de auto te gaan rijden en de lucht in het interieur af te koelen alvorens de audio-installatie aan te zetten.

Net als alle andere elektrische voorzieningen mogen de audio-installatie en de luidsprekers tijdens het wassen van de auto nooit worden blootgesteld aan vocht. Vocht kan kortsluitingen veroorzaken waardoor brand kan ontstaan of waardoor de inzitten-den kunnen worden blootgesteld aan elektrische schokken.

Voorkom dat het mechanisme (en in het bijzonder de kop) in aanraking komt met magnetische schroevedraaiers, tangen en dergelijke.

ONDERHOUD
De audio-installatie is vervaardigd uit precisie-onderdelen. Probeer de installatie nooit te demonteren of af te stellen. Raadpleeg voor reparatie uw Kia-dealer.

Reinig de frontplaat en de buitenzijde met een zachte doek. Gebruik voor het reinigen nooit benzine, thinner of andere oplosmiddelen.
WAT TE DOEN IN NOODGEVALLEN
5
Alarmknipperlichten 5-2
Oververhitting 5-2
Starten met een hulpaccu 5-3
Beveiliging elektrische circuits 5-5
Slepen 5-8
Wiel verwisselen bij een lekke band 5-10
Alarmknipperlichten

De alarmknipperlichtinstallatie dient ervoor om de overige weggebruikers te waarschuwen om extra voorzichtigheid in acht te nemen bij het naderen, inhalen of passeren van uw auto. De alarmknipperlichten dienen te worden gebruikt als er noodreparaties worden uitgevoerd of als de auto aan de kant van de weg tot stilstand is gekomen.
Door het indrukken van de schakelaar zullen alle richtingaanwijzers gelijktijdig gaan knipperen, ongeacht de stand van de contactsleutel.
AANWIJZING:
- Als de alarmknipperlichten ingeschakeld zijn, zullen de richtingaanwijzers niet werken.
- Bij het gebruik van de alarmknipperlichten in het geval de auto gesleept wordt, moet rekening gehouden worden met de wettelijke voorschriften.
Oververhitting
Als de koelvloeistoftemperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit dreigt te raken, als u merkt dat de motor vermogen verliest of als u luide kloppende of pingelende geluiden onder de motorkap hoort, is de motor waarschijnlijk oververhit. Volg in dat geval onderstaande procedure:
- Rijd voorzichtig naar een veilige plaats en breng de auto tot stilstand; zet de versnellingspook in neutraal en trek de parkeerrem aan.
- Controleer of de airconditioning uit staat.
- Zet de motor uit als er stoom of koelvloeistof uit de radiateur komt. Zet het contact vervolgens AAN maar start de motor niet. Als het contact AAN staat, zal de elektrische koelventilator automatisch aanslaan. Raadpleeg een officiële Kia-dealer als de koelventilator niet werkt. Als er geen koelvloeistof uit de radiateur komt, laat dan de motor stationair draaien bij een open motorkap om de motor af te laten koelen.
Zet de motor uit als de temperatuur bij stationair draaien niet zakt en wacht voldoende lang om de motor de gelegenheid te geven af te koelen.
Starten met een hulpaccu
- Controleer vervolgens het koelvloeistofniveau. Als het koelvloeistofniveau te laag is, controleer dan de radiateurslangen en aansluitingen, de slangen van de verwarming, de waterpomp, enz. op lekkage. Neem, indien u de oorzaak van de oververhitting vondt, contact op met een officiële Kia-dealer en laat de motor niet draaien zolang het probleem niet verholpen is. Vul het koelsysteem voorzichtig bij indien u geen lekkage vindt (zie blz. 7-14).
WAARSCHUWING!
Verwijder bij een warme motor en radiateur de radiateurdop niet. Naar buiten spuitende hete koeivloeistof en stoom kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
OPMERKING
Laat het koelsysteem controleren en zo- nodig repareren indien de motor regel- matig oververhit raakt.

Starten met een hulp accu kan gevaarlijk zijn als dit niet op de juiste manier gebeurt. Volg onderstaande procedure om letsel en beschadiging van de auto of van de accu te voorkomen. Raadpleeg bij twijfel een expert.
OPMERKING
Gebruik alleen een 12 V accu om uw auto te starten. Indien u de auto probeert te starten met een 24 V spanningsbron (2 12 V accu's in serie of een 24 V snelstart-apparaat), kunnen de startmotor, het ontstekingssysteem en de overige onderdelen van de elektrische installatie van uw auto beschadigd raken.
WAARSCHUWING!
- Houd vonken en open vuur uit de buurt van de accu.
Tijdens het laden van de accu ont- staat een explosief gas. - Probeer uw auto niet met een hulpaccu te starten als de lege accu bevroren is; de lege accu kan scheuren of exploderen.
Aanduwen of aanslepen

Probeer een auto niet aan te duwen of slepen omdat hierdoor het emissieregelsysteem beschadigd kan raken. Volg de aanwijzingen in het voorafgaande om een auto met een lege accu te starten.
STARTPROCEDURE
- Controleer of de hulpaccu die u wilt gebruiken een 12 V accu is en of de minpool van de accu met de massa verbonden is.
- Als de hulpaccu zich in een andere auto bevindt, mogen beide auto's elkaar niet raken.
- Schakel alle elektrische verbruikers uit.
- Sluit de startkabels aan in de volgorde die in de afbeelding is aangegeven. Sluit eerst één klem van de startkabel aan op de pluspool van de lege accu en de andere klem van dezelfde kabel op de pluspool van de hulpaccu. Sluit vervolgens de ene klem van de andere startka-
bel aan op de minpool van de hulpaccu en de andere klem op een metalen deel van de te starten motor (niet op de minpool van de lege accu). Let er bij het aansluiten van de klemmen op dat de klemmen elkaar of een ander metalen onderdeel van de auto niet raken en leun bij het aansluiten niet over de accu.
- Start de auto met de hulpaccu en laat deze auto enkele minuten stationair draaien. Start vervolgens de auto met de lege accu.
- Neem vervolgens de startkabels los in de volgorde die omgekeerd is aan de volgorde die in stap 4 beschreven is.
Zekeringen

Controleer de zekeringen als een gedeelte van de verlichting niet werkt of als bepaalde elektrische accessoires niet werken. Bij een defecte zekering is het draadje in de zekering doorgebrand.
Vervang een defecte zekering altijd door een zekering van dezelfde stroomsterkte. Schakel het desbetreffende elektrische systeem uit en raadpleeg direct een officiële Kia-dealer indien de vervangen zekering weer doorbrandt.

Zekeringen vervangen
- Zet het contact en alle overige schakelaars uit.
- Verwijder de desbetreffende zekering met de speciale zekeringtrekker die zich op het deksel van het zekeringenkastje bevindt.
- Controleer de verwijderde zekering; vervang hem als hij is doorgebrand.
- Plaats een nieuwe zekering met dezelfde stroomsterkte en controleer of de zekering goed vastzit. Laat een officiële Kia-dealer het zekeringenkastje repareren als de zekering niet goed vast blijft zitten. Als u geen reservezekering heeft, kunt u tijdelijk de zekering gebruiken van een circuit dat u niet nodig heeft, als de zekering tenminste dezelfde capaciteit heeft.

OPMERKING
- Vervang een defecte zekering nooit door een zekering voor een grotere stroomsterkte. Als u een zekering gebruikt voor een grotere stroomsterkte, kan het elektrische circuit overbelast worden, waardoor brand kan ontstaan.
- Vervang een zekering nooit door iets anders - ook niet als noodreparatie. Hierdoor kan het elektrische circuit overbelast worden waardoor brand kan ontstaan.
- Verwijder een zekering niet met een schroevedraaier of een ander metalen voorwerp omdat hierdoor kortsluiting kan ontstaan, waardoor schade aan het elektrisch systeem kan worden veroorzaakt.

Als de koplampen of andere elektrische verbruikers niet werken en de zekeringen in orde zijn, moeten de hoofdzekeringen worden gecontroleerd. Een doorgebrande hoofdzekering moet worden vervangen.

Hoofdzekeringen

| Positie | Beschrijving | Kleur | Beschermd circuit | |
| 1 | HEAD | 0,3 | Bruin | Koplampen |
| 2 | MAIN | 0,85 | Rood | Alle overige circuits |
Zekeringenkast
| Positie/naam | Sterkte | Beschermd circuit | Kleur | |
| A | WIPER | 15A | Ruitewissers en -sproeiers | Blauw |
| B | Rr. WIPER | 15A | Ruitewisser en -sproeier achter | Blauw |
| C | HEATER | 15A | Aanjager, airconditioning, verwarming | Blauw |
| D | COOLING FAN | 20A | Koelventilator, airconditioning | Geel |
| E | ENGINE | 10A | Emissiemodule, dynamo | Rood |
| F | METER | 10A | Meters, waarschuwingslampjes, richtingaanwijzers | Rood |
| G | DEFOG | 15A | Achterruitverwarming | Blauw |
| H | STOP | 15A | Claxon, remlichten | Blauw |
| I | HAZARD | 15A | Alarmknipperlichten, klok, verlichting instrumentenpaneel | Blauw |
| J | ROOM | 10A | Audio-installatie, interieurverlichting, verlichting bagageruimte en dashboardkastje | Rood |
| K | TAIL | 15A | Richtingaanwijzers voor, achterlichten, klok, kentekenplaatverlichting, parkeerlichten | Blauw |
| L | FOG | 10A | Mistlampen | Rood |
| M | CIGAR | 15A | Aansteker, klok, elektrisch bediende antenne, audio-installatie, elektrisch bediende buitenspiegel | Blauw |
| N | DOOR LOCK | 30A | Centrale portiervergrendeling | Groen |
| O | P/W | 30A | Elektrisch bediende portierruiten | Groen |
| P | SPARE | 15A | Reserve | Blauw |
SLEPEN
Slepen
Laat uw auto bij voorkeur wegslepen door een officiële Kia-dealer of een erkend bergingsbedrijf.
Om beschadiging van de auto te voorkomen, dient de sleepkabel of de takel op de juiste plaats te worden bevestigd. Houd hierbij rekening met de wettelijke voorschriften.

Als vuistregel geldt dat een auto gesleept moet worden met de aangedreven wielen (de voorwielen) van de grond.
Als dat door omstandigheden niet mogelijk is, moet gebruik worden gemaakt van dol- lies.
- Zet het contact in de stand ACC.
- Plaats de versnellingspook in de vrijstand.
- Ontgrendel de parkeerrem.
Als de transmissie, de achteras en de stuur- inrichting niet beschadigd zijn, mag de auto worden gesleept met alle wielen op de grond. Indien één van deze componenten wel beschadigd is, dient gebruik te worden gemaakt van dollies.
Volg de onderstaande procedure bij het slepen.
- Zet het contact in de stand ACC.
- Plaats de versnellingspook in de vrijstand.
- Ontgrendel de parkeerrem.
- Sleep de auto niet met een snelheid hoger dan 56 km/h en of over een afstand van meer dan 80 km.
OPMERKING
Denk eraan dat bij een niet-draaiende motor de stuur- en rembekrachtiging niet werken.


OPMERKING
De sleepogen mogen alleen in noodsituaties worden gebruikt (om een vastge-raakte auto los te trekken).
Laat een sleepkabel altijd in het verlengde van de auto lopen. Oefen geen kracht uit op de sleepogen in zijwaartse richting. Trek de sleepkabel voorzichtig strak om beschadigingen te voorkomen.
Reservewiel, gereedschap, krik en krikslinger


Verwijderen van de krik
1. Draai de bout linksom en verwijder hem.
2. Verwijder de krik.
AANWIJZING:
Bevestig de krik na gebruik zorgvuldig om rammelen te voorkomen.
Verwisselen van een wiel
GEBRUIK VAN KRIK
Gebruik de krik uitsluitend om een wiel te verwisselen.
Neem onderstaande aanwijzingen in acht om letsel te voorkomen.
WAARSCHUWING!
- Verwissel een wiel nooit op de rij-baan. Zet de auto altijd in de berm. Bel als dat niet mogelijk is een bergingsbedrijf of de wegenwacht.
- Overschrijd de maximum belasting van de krik (500 kg) niet.
- Plaats de krik uitsluitend op de daartoe bestemde plaats; nooit onder de bumper of iets dergelijks.
- Ga nooit onder een opgekrikte auto liggen.
- Start de motor niet zolang de auto is opgekrikt.
VERWISSELEN VAN EEN WIEL
- Plaats de auto op een stevige en vlakke ondergrond en trek de parkeerrem stevig aan.
- Zet de versnellingspook in de achteruit.
WAARSCHUWING!
Als één van de voorwielen opgekrikt is, kan uw auto van de krik glijden. Blokkeer daarom het wiel diagonaal tegenover het te vervangen wiel en trek de parkeerrem volledig aan.
- Schakel de alarmknipperlichten in.
- Neem de wielmoersleutel, de krik, de krikslinger en het reservewiel uit de auto.

- Plaats wielblokken voor en achter het wiel dat zich diagonaal tegenover het te verwisselen wiel bevindt.

- Wip de naafdop los met een platte schroevedraaier.
AANWIJZING:
Steek de schroevedraaier in de uitsparing om de naafdop te kunnen verwijderen. Als u de naafdop niet verwijdert, zal de wielmoersleutel niet goed op de wielmoeren passen.

- Draai de wielmoeren linksom één slag los. Verwijder de wielmoeren niet voordat de auto opgekrikt is.

- Plaats de krik onder het steunpunt dat zich het dichtst bij het te verwisselen wiel bevindt. Plaats de krik op de aangegeven plaats onder de dorpel.
WAARSCHUWING!
Gebruik alleen de krik die bij de auto geleverd wordt en plaats deze in de aangegeven positie, nergens anders.

- Steek de krikslinger in de krik en draai de slinger rechtsom totdat het wiel van de grond af komt (maximaal 30 mm). Controleer alvorens de moeren te verwijderen of de auto stabiel staat en er geen risico bestaat dat de auto van de krik glijdt.
- Verwijder de wielmoeren door ze linksom te draaien en verwijder het wiel.
- Plaats het reservewiel en draai de wiel-
moeren met de hand vast.
12.Laat de auto zakken en draai de wiel- moeren kruislings stevig vast.
Laat bij het dichtstbijzijnde garagebedrijf het aanhaalmoment van de wielmoeren controleren als u zelf niet over een momentsleutel beschikt. Het juiste aanhaalmoment is 9,0 - 12,0 kgm (90 - 120 Nm).

- Plaats het wiel met de lekke band in de bagageruimte en laat de band zo spoedig mogelijk repareren. Monteer daarna het gerepareerde wiel weer onder de auto.
WAARSCHUWING!
De tapeinden en de wielmoeren zijn voorzien van metrische schroefdraad. Gebruik indien u een wielmoer moet vervangen, uitsluitend originele Kia-wielmoeren.
OPMERKING
Controleer de bandenspanning van het reservewiel zo spoedig mogelijk en pas deze indien nodig aan.
AANWIJZING:
Bevestig na gebruik de krik, de krikslinger, het gereedschap en het reservewiel zorgvuldig om rammelen te voorkomen.
MEMO
ONDERHOUD
Onderhoudswerkzaamheden....6-2
Motorruimte....6-10
Motorolie en oliefilter 6-11
Remsysteem 6-15
Handgeschakelde transmissie....6-18
Overige smeermiddelen en vloeistoffen....6-18
Accu 6-22
Banden....6-26
Wielen....6-28
Gloeilampen....6-29
Specificaties smeermiddelen....6-37
Onderhoud exterieur....6-39
Onderhoud interieur 6-33
ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN
Onderhoudswerkzaamheden
Als u dit instructieboekje gebruikt als richtlijn bij de inspectie van en het onderhoud aan uw auto, moet u uiterst voorzichtig zijn om letsel en schade aan uw auto te voorkomen.
Indien u niet zeker bent van de handelswijze die voor het onderhoud of de reparatie dient te worden gevolgd, is het raadzaam de werkzaamheden te laten verrichten door een betrouwbaar een deskundig garagebedrijf, bij voorkeur een officiële Kia-dealer.
Een officiële Kia-dealer heeft getrainde technici in dienst, beschikt over originele Kia-onderdelen en kan daardoor het juiste onderhoud aan uw auto uitvoeren. Raadpleeg een officiële Kia-dealer voor deskundig advies en voor service van topkwaliteit.
Niet doelmatig, onvoldoende of gebrekkig onderhoud kan problemen bij het gebruik van uw auto veroorzaken, wat kan leiden tot beschadiging van de auto, een ongeval of persoonlijk letsel.
Verantwoordelijkheid van de eigenaar
Het laten uitvoeren van onderhoud en de registratie daarvan behoort tot de verantwoordelijkheid van de eigenaar.
Om aanspraak te kunnen maken op de garantie dient u te kunnen bewijzen dat de voorgeschreven onderhoudsbeurten zijn uitgevoerd. De garantievoorwaarden vindt u bij de afleveringspapieren van uw auto. Aanspraken die tijdens de garantieperiode worden gemaakt met betrekking tot defecten zullen worden afgewezen indien de defecten veroorzaakt zijn door onvoldoende onderhoud en niet het gevolg zijn van materiaaldefecten of fabricagefouten. Het wordt dan ook aanbevolen dergelijke onderhoudswerkzaamheden te laten uitvoeren door een officiële Kia-dealer die daarbij uitsluitend gebruik maakt van originele Kia-onderdelen.
PERIODIEKE ONDERHOUDSBEURTEN
| OnderhoudsintervalOnderhoudswerkzaamheden | Aantal maanden of kilometers, wat het eerst bereikt wordt | |||||||||
| Maanden*1 | 12 | 24 | 36 | 48 | ||||||
| x1.000 km | 1 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 | 60 | 70 | 80 | |
Motor
| Klepspeling | A | A | A | A | A | ||||
| Bouten en moeren inlaat- en uitlaatspruitstuk | T | T | T | ||||||
| Aandrijfriemen*2 | A | A | A | A | A | ||||
| Distributieriem*3 | ledere 100.000 km vervangen | ||||||||
| Motorolie*4 | ledere 15.000 km of 12 maanden, wat et eerst bereikt wordt | ||||||||
| Oliefilter*4 | |||||||||
| Koelsysteem (inclusief bijvullen) | I | I | I | I | |||||
| Koelvloeistof | ledere 2 jaar verversen | ||||||||
Brandstofsysteem
| Stationair toerental | A | A | A | A | A | ||||
| Chokemechanisme | I | I | I | ||||||
| Luchtfilterelement*5 | R | R | R | R | |||||
| Brandstofffilter | R | R | R | R | |||||
| Brandstofslangen en -leidingen | I | I | I | I |
Zie blz. 6-6 voor de voetnoten en de gebruikte lettercodes.
PERIODIEKE ONDERHOUDSBEURTEN (vervolg)
| OnderhoudsintervalOnderhoudswerkzaamheden | Aantal maanden of kilometers, wat het eerst bereikt wordt | |||||||||
| Maanden*1 | 12 | 24 | 36 | 48 | ||||||
| x 1.000 km | 1 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 | 60 | 70 | 80 | |
Ontstekingssysteem
| Basis-ontstekingstijdstip | I | I | |||||||
| Bougies | R | R | R | R |
Elektrisch systeem
| Niveau en soortelijke massa van elektrolyt in accu | A | A | A | A | |||||
| Complete elektrische installatie*6 | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Koplampafstelling | A | A | A | A |
Zie blz. 6-6 voor de voetnoten en de gebruikte lettercodes.
PERIODIEKE ONDERHOUDSBEURTEN (vervolg)
| OnderhoudsintervalOnderhoudswerkzaamheden | Aantal maanden of kilometers, wat het eerst bereikt wordt | |||||||||
| Maanden*1 | 12 | 24 | 36 | 48 | ||||||
| x 1.000 km | 1 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 | 60 | 70 | 80 | |
| Carrosserie | ||||||||||
| Koppelingspedaal (inclusief afstellen koppelingskabel) | I | I | I | I | I | I | I | I | ||
| Remleidingen, remslangen en aansluitingen | I | I | I | I | ||||||
| Rempedaal | I | I | I | I | I | I | I | I | ||
| Remvloeistof*7 | I | I | I | R | I | I | I | R | ||
| Parkeerrem | A | A | A | A | ||||||
| Rembekrachtiging en slangen | I | I | I | I | ||||||
| Schijfremmen/trommelremmen | I | I | I | I | ||||||
| Stuurinrichting en voorwielophanging | I | I | I | I | ||||||
| Olie handgeschakelde transmissie | A | R | ||||||||
| Wiellagervet (voor en achter) | A | |||||||||
| Bouten en moeren carrosserie en subframes | T | T | T | T | T | T | ||||
| Toestand carrosserie, visueel | Jaarlijks controleren | |||||||||
| Hitteschilden uitlaatsysteem | I | I | ||||||||
| Banden (bandenspanning, inclusief reservewiel) | I | I | I | I | ||||||
| Scharnieren en sloten | A | A | A | A | ||||||
| Onderzijde van de auto | I | I | I | I | ||||||
| Veiligheidsgordels | I | I | I | I | ||||||
| Aandrijfashoezen | I | I | I | I | ||||||
| Proefrit | I | I | I | I | ||||||
Zie blz. 6-6 voor de voetnoten en de gebruikte lettercodes.
Gebruikte lettercodes:
I: Controle, visueel en/of op werking.
A: Afstellen, controle leidt tot afstelling of vervanging
- Houd na 20.000 km of 12 maanden het voorgeschreven onderhoudsschema aan.
- Zie voor de met een * gemerkte werkzaamheden onderstaande punten.
*1 Grote onderhoudsbeurt na 12 maanden/20.000 km Olie verversen gebaseerd op gereden kilometers, niet op tijd
*2 Afstellen van aandrijfriem voor dynamo en waterpomp
*3 De distributieriem moet iedere 100.000 km worden vervangen. Als u de distributieriem niet tijdig laat vervangen, kan dit tot beschadiging van de motor leiden.
*4 Onder de volgende omstandigheden wordt aangeraden de olie vaker te verversen en het filter vaker te vervangen dan in het onderhoudsschema staat aangegeven:
a) Rijden in extreem stoffige gebieden.
b) Langdurig stationair draaien of rijden met lage toerentallen.
c) Gedurende langere tijd rijden bij lage temperaturen of bij het veelvuldig rijden van korte afstanden.
*5 Inspecteer en vervang het filterelement vaker dan in het onderhoudsschema is aangegeven als de auto wordt gebruikt in gebieden met veel stof of zand.
^*6 Dit houdt in dat de werking van alle elektrische systemen wordt gecontroleerd; de complete verlichting, de ruitewissers (inclusief de toe-stand van de wisserbladen), de ruitesproeiers, de claxon, enz.
*7 ledere twee jaar verversen.
Als er voortdurend met hoge snelheden of in de bergen wordt gereden, als er vaak intensief wordt geremd of als de auto in een extreem vochtig klimaat wordt gebruikt, moet de remvloeistof ieder jaar worden ververst.
Emissieregelsysteem en bijbehorende systemen:
De juiste werking van het ontstekings- en brandstofsysteem is van vitaal belang voor het goed functioneren van het emissieregelssysteem en de bijbehorende systemen.
Laat het onderhoud aan deze systemen daarom bij voorkeur uitvoeren door een officiële Kia-dealer.
Routine-onderhoud
Routine-onderhoud kan door de eigenaar of door een gekwalificeerde technicus worden uitgevoerd aan de hand van het onderhoudsschema.
Neem in twijfelgevallen en problemen voor advies contact op met een officiële Kia-dealer.
BIJ HET TANKEN
Motoroliepeil (zie blz. 6-10)
Remvloeistofniveau (zie blz. 6-11)
- Niveau ruitesproeiervloeistof (zie blz. 6-12)
MINIMAAL EENMAAL PER JAAR
- Werking rembekrachtiger (zie blz. 6-11)
Voorzorgsmaatregelen bij het zelf uitvoeren van onderhoud
Als u zelf onderhoudswerkzaamheden aan uw auto uitvoert, moet u altijd uiterst zorgvuldig te werk gaan om beschadiging van de auto en letsel te voorkomen.
Volg de onderstaande aanwijzingen op.
- Laat de motor afkoelen voordat u met het onderhoud begint.
- Als u bij een draaiende motor aan de auto moet werken, moet u erop letten dat uw kleding (stropdas!) niet door draaiende delen gegrepen kan worden. Blijf uit de buurt van de ventilator en de aandrijfriem.
- Ga nooit onder een auto liggen die op de krik staat. Gebruik bokken als u onder de auto moet werken.
Houd vonken en open vuur uit de buurt van de accu en het brandstofsysteem. - Neem de accupolen niet los als het contact AAN staat en sluit ze in die toestand ook niet aan. Ook het losnemen of aan-sluiten van elektronische componenten mag alleen gebeuren als het contact UIT staat.
- Let bij het aansluiten van de accupolen op de polariteit. Verwissel de plus- en de minpool niet!
Denk eraan dat er in de accu, in het ontstekingssysteem en in de bedrading hoge stroomsterktes en spanningen kunnen optreden. Pas op dat u geen kortsluiting veroorzaakt.
- Zorg voor een goede ventilatie als u in een gesloten ruimte onderhoudswerkzaamheden uitvoert bij een draaiende motor.
Houd er rekening mee dat verkeerd of on- volledig uitgevoerde onderhoudswerkzaam- heden tot problemen kunnen leiden voor wat betreft het juist functioneren van de auto. In dit hoofdstuk worden alleen die werkzaamheden besproken die de eigenaar relatief gemakkelijk zelf kan uitvoeren. Ingrij- pende werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd door een gekwalificeerde techni- cus. Het zelf uitvoeren van werkzaamheden tijdens de garantieperiode kan ertoe leiden dat de garantie vervalt. Lees voor nadere bijzonderheden de garantiebepalingen. Laat in twijfelgevallen het onderhoud altijd uitvoeren door een officiële Kia-dealer.
WAARSCHUWING!
- Ontgrendel de motorkap niet voordat het contact UIT is gezet, de versnellingspook in de eerste versnelling is gezet en de parkeerrem stevig is aangetrokken.
- Indien het noodzakelijk is controles in de motorruimte uit te voeren bij draaiende motor, moet de versnelingspook in de vrijstand worden gezet en moet de parkeerrem geheel worden aangetrokken. Als deze aanwijzingen niet worden opgevolgd, kan de auto zich onverhoeds in beweging zetten.
- Om letsel te voorkomen, moet u bij werkzaamheden in de motorruimte het contact altijd UIT zetten. Indien de aard van de reparatie dat niet mogelijk maakt, moet u ervoor zorgen dat uw kleding zoals stropdas of handschoenen niet bekneld kan raken tussen draaiende onderdelen. Doe horloges, armbanden en ringen af.
ELEKTRISCHE KOELVENTILATOR
WAARSCHUWING!
De koelventilator voor de motor wordt elektrisch aangedreven. Om letsel te voorkomen, dient u het contact UIT te zetten alvorens met de werkzaamheden te beginnen. De koelventilator zal automatisch in werking treden als het contact AAN gezet wordt en als:
- de airconditioning ingeschakeld wordt;
- de temperatuur van de koelvloeistof hoog is.
Overzicht

① Reservoir stuurbekrachtigingsvloeistof
② Olievuldop
③ Remvloeistof reservoir
④ Hoofdzekeringenkast
⑤ Expansievat koelvloeistof
⑥ Ruitesproeierre servoir
⑦ Accu
⑧ Radiateurdop
⑨ Oliepeilstok
⑩ Luchtfilter
Controie van het motoroliepeil

- Controleer of de auto horizontaal staat.
- Breng de motor op bedrijfstemperatuur.
- Zet het contact UIT en wacht 5 minuten zodat de olie naar het carter terug kan lopen.
- Trek de peilstok naar buiten, veeg hem schoon en steek hem weer geheel in de peilstokhouder.

- Trek de peilstok naar buiten en lees het oliepeil af. Het peil is in orde indien het zich tussen de merktekens F en L bevindt.
Als het peil zich bij of op het merkteken L bevindt, moet u olie bijvullen tot het merkteken F.
Vul niet teveel olie bij.
AANWIJZING:
De afstand tussen de merktekens L en F komt overeen met 1,0 liter olie.
Olie verversen en oliefilter vervangen
Ververs de olie en vervang het filter overeenkomstig het onderhoudsschema op de bladzijden 6-3 tot en met 6-6.
WAARSCHUWING!
Langdurige blootstelling aan AFGE- WERKTE motorolie heeft huidkanker ver- oorzaakt bij proefdieren. Was uw han- den daarom direct met water en zeep. Houd afgewerkte motorolie buiten bereik van kinderen.
Controle van het
remvloeistofniveau

Controleer het remvloeistofniveau regelmatig. Het niveau moet zich tussen de merktekens MAX en MIN op het reservoir bevin-den.
Reinig de omgeving rond de dop van het reservoir voordat u remvloeistof bijvult om verontreiniging van de remvloeistof te voorkomen.
Vul vloeistof bij tot aan het merkteken MAX als het niveau te laag is.
Naarmate de remvoeringen en -blokken slij- ten, zal het niveau in het reservoir dalen.
Laat het remsysteem controleren door een officiële Kia-dealer als het niveau erg laag is.

OPMERKING
- Gebruik uitsluitend de voorgeschreven remvloeistof (zie blz. 6-25)
- Meng geen verschillende soorten remvloeistof door elkaar.
- Als u het remvloeistofreservoir regelmatig moet bijvullen, moet u het remsysteem laten controleren door een officiële Kia-dealer.
Controleren van de rembekrachtiger
Controleer de werking van de rembekrachtiger.
- Trap het rempedaal een aantal keren achter elkaar in en houd het vervolgens ingetrapt. Start de motor en controleer of het rempedaal iets zakt.
- Trap het rempedaal in, schakel de motor uit en houd het pedaal gedurende 30 seconden ingetrapt. Het pedaal mag in deze tijd niet verder zakken of omhoog komen.
- Start de motor nogmaals, laat hem gedurende een minuut draaien en zet de motor weer af. Trap het rempedaal vervolgens een aantal malen stevig in. De pedaalslag moet iedere keer dat u het pedaal intrapt korter worden.
HANDGESCHAKELDE TRANSMISSIE, OVERIGE SMEERMIDDELEN EN VLOEISTOFFEN
Controle oliepeil
handgeschakelde transmissie

- Verwijder de snelheidsmeterkabel en het aandrijftandwiel uit het transmissiehuis.
- Veeg het aandrijftandwiel schoon en plaats het in het huis.
- Trek het tandwiel vervolgens weer uit het huis. Het oliepeil moet zich bevinden tussen de merktekens F (maximum) en L (minimum), zie de afbeelding.

Controleer het niveau in het ruitesproeierreservoir en vul indien nodig vloeistof bij. Als u geen ruitesproeiervloeistof bij de hand heeft, kunt u het reservoir bijvullen met gewoon water. Gebruik in het koude jaargetijde echter speciale ruitesproeiervloeistof om bevriezing te voorkomen.
WAARSCHUWING!
Vul het ruitesproeierreservoir nooit met koelvloeistof voor de motor of met antivries. Deze vloeistoffen kunnen het zicht door de ruit ernstig belemmeren en de lak aantasten.
Ruitewisserbladen
ONDERHOUD VAN RUITEWISSERBLADEN
OPMERKING
Het is gebleken dat in de handel gangbare "hot wax"-behandeling, zoals gebruikt in automatische wasstraten, het reinigen van de voorruit bemoeilijkt.
Verontreiniging van de voorruit of de ruite-wisserbladen door bepaalde substanties kan het effectief functioneren van de ruite-wisserbladen verminderen. Bekende vormen van verontreiniging zijn insekten, boomhars en de "hot wax"-behandeling die door sommige wasstraten gebruikt wordt. Indien de wisserbladen niet goed wissen reinig dan zowel de voorruit als de wisserbladen met een goed schoonmaakmiddel of een zacht reinigingsmiddel en spoel ze grondig met schoon water af. Herhaal deze procedure indien nodig.
OPMERKING
Gebruik geen benzine, petroleum, thinner of andere oplosmiddelen op of nabij de ruitewissers of de voorruit.
VERVANGEN VAN RUITEWISSERBLADEN
Als de ruitewisserbladen de ruit niet langer goed schoonmaken, kan het zijn dat de bladen versleten of gescheurd zijn.
OPMERKING
Probeer de ruitewissers nooit met de hand te bewegen om beschadiging van de ruitewisserarmen en overige onderde- len te voorkomen.
Accu
- Houd sigaretten en open vuur uit de buurt van de accu. In de accucellen is namelijk altijd het zeer brandbare waterstofgas aanwezig.
- Houd accu's buiten bereik van kinderen aangezien accu's ZWAVELZUUR bevatten. Voorkom dat dit zwavelzuur in aanraking komt met de huid, de ogen, kieding en met de lak van de auto.
- Spoel uw ogen gedurende minimaal 15 minuten met schoon water en roep onmiddellijk medische hulp in als u elektrolyt in uw ogen krijgt. Blijf indien mogelijk op weg naar arts of ziekenhuis de ogen bevochtigen met behulp van een spons of zakdoek.
- Spoel uw huid goed af als u elektrolyt op uw huid heeft gekregen. Indien u pijn of een branderig gevoel heeft, moet u direct medische hulp inroepen.
- Draag bij het laden van een accu of bij het werken in de buurt van een accu altijd een veiligheidsbril. Zorg altijd voor voldoende ventilatie.
- Probeer een accu nooit te laden als de minkabel (-) nog aangesloten is.
ONDERHOUD
Voor het in optimale conditie houden van uw accu:
- Zorg ervoor dat de accu altijd goed vastzit.
- Houd de bovenzijde van de accu schoon en droog.
- Houd de accupolen en de accupoolklemmen schoon, zorg ervoor dat ze goed vastzitten en bescherm ze met een laagje vaseline.
- Spoel gemorst elektrolyt direct af met een oplossing van water en natriumbicarbonaat (dubbel koolzure soda).
- Neem de accukabels los als u de auto gedurende een langere periode niet gaat gebruiken.
LADEN VAN DE ACCU
Uw auto is uitgerust met een onderhoudsvrije accu.
- Laad met een normale acculader (een la- der met een constante laadstroom of een semiconstante spanning) de accu gedurende 12 uur met een laadstroom die 1/10 bedraagt van de capaciteit van de accu.
- Laad de accu met een snellader op dezelfde wijze als met een normale lader. Lees de instructies van de fabrikant van de lader zorgvuldig door en voorkom overladen van de accu.
OPMERKING
Neem bij het laden van de accu de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:
- Verwijder de accu uit de auto en zet hem op een goed geventileerde plaats.
- Houd open voor, sigaretten en vonken uit de buurt van de accu.
- Neem de acculader in de onderstaande volgorde los:)
1) Zet de hoofdschakelaar van de acculader UIT.
2) Neem de klem van de minpool los.
3) Neem de klem van de pluspool los.
AANWIJZING:
- Schakel alle verbruikers en de motor uit alvorens de accu op te laden.
- Neem als eerste de minkabel (-) los en sluit deze als laatste weer aan.
Onderhoud van de banden
Voor uw veiligheid, een maximale levensduur van de banden en een zo laag mogelijk brandstofverbruik, dient u de banden steeds op de aanbevolen spanning te houden en dient u het totaalgewicht en de maximale asbelasting niet te overschrijden.
BANDENSPANNING

De spanning van de banden (inclusief het reservewiel) dient maandelijks bij koude banden gecontroleerd te worden. Voor optimale rijeigenschappen, een optimale wegligging en een zo laag mogelijk bandenslijtage dient u de banden op de aanbevolen spanning te houden.
AANWIJZING:
- Als de banden warm zijn zal de gemeten spanning normaliter de aanbevolen spanning overschrijden. Verlaag de spanning van een warme band daarom niet.
- Een te lage bandenspanning resulteert in overmatige slijtage, slechte rijeigen-schappen en een hoger brandstofverbruik en vergroot het risico op een klap-band omdat de temperatuur van de banden te hoog kan oplopen. Als de bandenspanning extreem laag is, kan de band van de velg aflopen. Houd de banden daarom op de aanbevolen spanning. Raadpleeg uw Kia-dealer indien u de banden regelmatig op spanning moet brengen.
- Een te hoge bandenspanning heeft een negatieve invloed op het rijcomfort en de wegligging en zorgt voor een verhoogde bandenslijtage in het midden van het loopvlak. Bovendien bestaat er een grotere kans op beschadiging van de banden bij het rijden door kuilen in het wegdek.
WAARSCHUWING!
Een te hoge of te lage bandenspanning reduceert de levensduur van de banden, beïnvloedt de wegligging in negatieve zin en kan tot plotseling lek raken van de banden leiden. Hierdoor bestaat de kans dat u de macht over het stuur verliest.

flowchart
graph TD
subgraph "4 wielen"
A1["Node"] --> B1["Node"]
A2["Node"] --> B2["Node"]
A3["Node"] --> B3["Node"]
A4["Node"] --> B4["Node"]
A5["Node"] --> B5["Node"]
A6["Node"] --> B6["Node"]
A7["Node"] --> B7["Node"]
A8["Node"] --> B8["Node"]
A9["Node"] --> B9["Node"]
end
subgraph "5 wielen"
C1["Node"] --> D1["Node"]
C2["Node"] --> D2["Node"]
C3["Node"] --> D3["Node"]
C4["Node"] --> D4["Node"]
C5["Node"] --> D5["Node"]
C6["Node"] --> D6["Node"]
C7["Node"] --> D7["Node"]
C8["Node"] --> D8["Node"]
end
style "4 wielen" fill:#f9f,stroke:#333
style "5 wielen" fill:#f9f,stroke:#333
note bottom of "Laat een reservewiel met het opsschrift 'TEMPORARY USE ONLY' niet mee rouleren"
ONDERLING VERWISSELEN VAN DE BANDEN
Om de banden zo gelijkmatig mogelijk te laten slijten wordt aangeraden de banden iedere 5.000 km of eerder, indien het slijtage-patroon daartoe aanleiding geeft, te verwisselen. Controleer bij het verwisselen van de banden tevens de balans.
Controleer de banden op ongelijkmatige slijtage en beschadiging. Abnormale slijtage wordt meestal veroorzaakt door een onjuiste bandenspanning, een onjuiste uitlijning van de wielen, onbalans of veelvuldig sterk afremmen. Breng na het verwisselen de banden op de juiste spanning en controleer het aanhaalmoment van de wielmoeren.
AANWIJZING:
Controleer bij het verwisselen van de banden tevens de dikte van de remblokken.

VERVANGEN VAN BANDEN
Indien de band gelijkmatig afgesleten is verschijnt er een ononderbroken lijn over de gehele breedte van de band. Als dat het geval is moet de band worden vervangen. Banden die een ongelijkmatig slijtagepatroon vertonen kunnen al aan vervanging toe zijn voordat de slijtage-indicator zichtbaar wordt.
- Monteer onder de auto nooit een combinatie van diagonaalbanden en radiaalbanden. Vervang een band altijd door een band van hetzelfde type zoals dat staat aangegeven op het label op de rechter middenstijl. Overtuig u ervan dat alle banden en velgen dezelfde maat en hetzelfde draagvermogen hebben. Combineer uitsluitend die banden en velgen die aanbevolen worden op het label of door een officiële Kia-dealer. Het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregelen kan de veiligheid en de wegligging na-delig beïnvloeden.
- Het gebruik van een ander bandentype of een andere bandenmaat kan het rijcomfort, de wegligging, de grondspeling, de speling tussen band en carrosserie en de juiste aanwijzing van de snelheidsmeter nadelig beïnvloeden.
- Rijden met versieten banden is bijzonder gevaarlijk; versleten banden hebben een negatieve invloed op de remweg, de besturing en de tractie.
Veigen
VERVANGEN VAN DE VELGEN
Als u om de een of andere reden de velgen wilt vervangen, dient u erop te letten dat de nieuwe velgen gelijkwaardig zijn aan de originele velgen voor wat betreft diameter, velgbreedte en steek (de afstand tussen de boutgaten). Goed gebalanceerde wielen zorgen voor optimaal comfort en een zo gering mogelijke slijtage. Onbalans kan vervelende trillingen veroorzaken en leiden tot "happen" uit de band en platte vlakken.
OPMERKING
Een velg van de verkeerde maat heeft een negatieve invloed op de levensduur van de velg en van het wiellager, op de remweg, de wegligging, de grondspeling, de speling tussen band en carrosserie, de speling bij gebruik van sneeuwkettingen, de aanwijzing van de snelheidsmeter, de koplampafstelling en de bumperhoogte.
LAMPEN
Lampen
VOOR
| Gloeilamp | Vermogen | |
| 1 | Koplamp | 40/45 60/55* |
| 2 | Richtingaanwijzer voor | 21 |
| 3 | Richtingaanwijzer opzij | 5 |
| 4 | Parkeerlicht | 5 |
* Halogeen koplampen (optie)

Richtingaanwijzer opzij en parkeerlicht

Richtingaanwijzer voor

Vervangen van een halogeenlamp
- Neem de stekker "1" los.
- Verwijder de afdekkap "2".
- Neem de veer "3" los.
- Verwijder de lamp.
- Plaats de nieuwe lamp in omgekeerde volgorde.

flowchart
graph TD
A["Goed"] --> B["Top"]
B --> C["Afdekkap"]
D["Fout"] --> E["Final Component"]
AANWIJZING:
- Controleer altijd de koplampafstelling en stel de koplampen indien nodig af volgens de wettelijke voorschriften.
- Raak het glas van de lamp niet met uw vingers aan.
- Plaats de afdekkap in de juiste stand, zie afbeelding.
OPMERKING
Halogeenlampen bevatten gas onder hoge druk. Behandel de lampen daarom met de nodige voorzichtigheid en voorkom krassen en schuren. Voorkom ook dat de lampen, als deze branden, in contact komen met vloeistoffen. De lamp mag alleen in gemonteerde toestand worden ingeschakeld.
Houd lampen buiten bereik van kinderen.
ACHTER
| Gloeilamp | Vermogen | |
| 1 | Richtingaanwijzer | 21 |
| 2 | Rem/achterlicht | 21/5 |
| 3 | Achteruitrijlamp | 21 |
| 4 | Kentekenplaatverlichting | 5 |
| 5 | Verlichting bagageruimte | 5* |
* Optie

Kentekenplaatverlichting

Verlichting bagageruimte
Het is van groot belang bij gebruik van chemische reinigingsmiddelen of polish de aanwijzingen van de fabrikant van het desbetreffende produkt te volgen. Lees de waarschuwingen en opmerkingen op het etiket.
Onderhoud van de lak
WASSEN
Was uw auto minimaal eenmaal per maand grondig met lauw of koud water om de lak tegen roest en veroudering te beschermen. Besteed daarbij vooral aandacht aan opeen-hopingen van zout, vuil, modder en dergelijke aan de onderzijde van de spatborden. Controleer of de afvoeropeningen aan de onderzijde van de portieren en de dorpels open en schoon zijn. Insekten, teer, sappen van bomen, uitwerpselen van vogels, industriële neerslag en dergelijke kunnen de lak van uw auto aantasten als ze niet direct verwijderd worden. Zelfs bij het direct verwijderen kan blijken dat water alleen niet toereikend is om de verontreinigingen compleet te verwijderen. Gebruik in dat geval een speciale shampoo voor het reinigen van auto's.
OPMERKING
Gebruik geen agressieve reinigingsmiddelen of oplosmiddelen en was uw auto niet in de volle zon of als de carrosserie warm is.
Spoel na het gebruik van shampoo de auto grondig af met lauw of koud water. Laat de shampoo niet op de auto opdrogen.
IN DE WAS ZETTEN
De auto moet in de was gezet worden als het water op de lak niet langer druppels vormt.
Was en droog de auto altijd eerst voordat u hem in de was zet.
Gebruik een goede kwaliteit vaste of vloeibare was en volg de aanwijzingen van de fabrikant op.
Zet om de glans te behouden alle gelakte oppervlakken goed in de was.
AANWIJZING:
Het verwijderen van olie, teer en dergelijke stoffen met een vlekkenverwijderaar verwijdert tevens de was van de desbetreffende plek. Zet deze plek daarom na het verwijderen opnieuw in de was.
WAARSCHUWING!
Test na het wassen bij lage snelheid de remmen van uw auto om te controleren of de remwerking door binnengedrongen water verminderd is.
OPMERKING
- Het verwijderen van stof of vuil met een droge doek zal krassen in de lak veroorzaken.
- Gebruik geen staalwol, schuurmiddelen of sterk alkalische of bijtende oplosmiddelen op onderdelen die verchroomd zijn of op onderdelen die vervaardigd zijn van geanodiseerd aluminium. Het gebruik van deze middelen kan de beschermlaag aantasten waardoor verkleuring of glansverlies kan optreden.
Bijwerken van lakbeschadigingen
Repareer diepe krassen en steenslagbeschadigingen direct om te voorkomen dat het blanke metaal gaat roesten en een ingrijpender reparatie noodzakelijk maakt.
OPMERKING
Laat eventuele schadereparaties aan uw auto uitsluitend uitvoeren door uw officiële KIA-dealer.
Onderhoud van verchroomde onderdelen
- Gebruik een teerverwijderaar en geen mes of ander scherp voorwerp voor het verwijderen van teer of insekten.
- Breng ter bescherming een waslaag aan op verchroomde onderdelen of bescherm ze met een speciaal conserveringsmiddel.
- Bescherm de verchroomde onderdelen onder winterse omstandigheden of bij gebruik van de auto in kustgebieden met een dikkere laag was of conserveringsmiddel. U kunt eventueel vaseline of een ander beschermingsmiddel gebruiken.
ONDERHOUD EXTERIEUR
Onderhoud van de onderzijde
Zand en pekel kunnen zich ophopen aan de onderzijde van de carrosserie. Als deze materialen niet verwijderd worden, kan versnelde roestvorming optreden aan brandstofleidingen, subframes, bodemplaat en uitlaatsysteem, ook al zijn deze onderdelen tegen corrosie beschermd. Spoel daarom de onderzijde en de wielkuipen eenmaal per maand en aan het eind van de winter grondig schoon met lauw of koud water. Besteed hieraan de nodige zorg; de opeenhopingen zijn niet altijd even gemakkelijk te zien. Als u het vuil alleen maar nat maakt zonder het te verwijderen is het effect ave-rechts. Houd ook de afvoeropeningen in portieren en dorpels te allen tijde open. Water dat in portieren en dorpels blijft staan veroorzaakt roestvorming van binnenuit.
WAARSCHUWING!
Test na het wassen bij lage snelheid de remmen van uw auto om te controleren of de remwerking door binnengedrongen water verminderd is.
Onderhoud van lichtmetalen velgen
De lichtmetalen velgen zijn voorzien van een beschermende transparante laklaag.
AANWIJZING:
- Gebruik voor het reinigen van lichtmetalen velgen geen schuur- of polijstmiddelen, oplosmiddelen of staalborstels. Deze kunnen de beschermlaag aantasten.
- Gebruik voor het reinigen uitsluiten een zachte zeep of een neutraal oplosmiddel en spoel de velgen na het reinigen met veel water af. Reinig de velgen ook als u over wegen gereden heeft waarop pekel gestrooid is. Dit helpt corrosie te voorkomen.
- Laat de velgen niet reinigen met behulp van de op hoge snelheid draaiende borstels in de auto-wasserette.
Interieur
Voorkom dat bijtende vloeistoffen als parfum en cosmetische oliën in aanraking komen met het dashboard, omdat deze beschadiging of verkleuring kunnen veroorzaken. Indien deze stoffen toch met het dashboard in aanraking komen, moeten ze direct worden verwijderd.
ONDERHOUD EXTERIEUR
| Reinigen van de bekleding | Reinigen van de veiligheidsgordels | Reinigen van de binnenzijde van de ruiten |
| KUNSTSTOFVerwijder los vuil van de kunststof bekleding met een veger of een stofzuiger. Reinig kunststof oppervlakken met een speciaal reinigingsmiddel.LEEREcht leer is niet regelmatig van oppervlak; er kunnen littekens, krassen en groeven te zien zijn. Reinig het leer met een speciaal reinigingsmiddel of met een zachte zeepoplossing. Veeg het schoon met een zachte, vochtige doek en wrijf het oppervlak daarna droog met een droge, zachte doek.STOFFEN BEKLEDINGVerwijder los vuil van de stoffen bekleding met een veger of een stofzuiger. Reinig de bekleding met een zachte zeepoplossing die speciaal geschikt is voor het reinigen van bekleding en tapijten. Verwijder vlekken onmiddellijk met een vlekkenverwijderaar. Op stoffen bekleding kunnen gemakkelijk vlekken ontstaan en bovendien kan de bekleding verkleuren en kunnen de brandwerende eigenschappen verminderen indien de bekleding niet op de juiste wijze wordt onderhouden.OPMERKINGHet gebruik van andere dan de voorge-schreven reinigingsmiddelen kan het ulterlijk van de stoffen bekleding aantasten en de brandwerende eigenschappen verminderen. | Reinig de veiligheidsgordels met een zachte zeepoplossing die speciaal geschikt is voor het reinigen van bekleding en tapijten: volg de aanwijzingen op het etiket van het reinigingsmiddel. Bleek of verf de gordels nooit omdat dit een negatieve invloed op de sterkte van de gordel kan hebben. | Als de ruiten aan de binnenzijde verontreinigd zijn door een vettige laag, moeten ze gereinigd worden met een speciale glasreiniger. Volg de aanwijzingen op het etiket van de glasreiniger. |
Aanbevolen smeermiddelen
| Smeermiddel | Classificatie |
| Motorolie* | API SF of SG |
| Olie handgeschakelde transmissie | API GL-4 of GL-5 |
| Vloeistof automatische transmissie | ATF DEXRON®-II |
| Wiellagervet | NLGL nr. 2 (op lithiumbasis) |
| MP-vet | NLGL nr. 2 (op lithiumbasis) |
| Remvloeistof | SAE J1703 of DOT-3, DOT-4 |
* Zie voor de aanbevolen viscositeit de volgende bladzijde.
Gebruik voor een optimale werking en een lange levensduur van motor en aandrijflijn uitsluitend olie en smeermiddelen van gere-nommeerde merken. Gebruik van de juiste olie vergroot het rendement van de motor en reduceert het brandstofverbruik. Brand-stofbesparende olie reduceert het verbruik omdat er minder energie nodig is voor het overwinnen van wrijving in de motor. Hoewel deze verbeteringen in het dagelijks ge-bruik vaak moeilijk meetbaar zijn, bespaart dit soort olie op jaarbasis toch een aanzien- lijke hoeveelheid brandstof. Aangeraden wordt dan ook deze olie te gebruiken, zo-lang de olie tenminste voldoet aan de voorgeschreven API-specificatie.
Aanbevolen viscositeitsindex
| Temperatuur | -30 -20 -10 0 10 20 30 40 50-20 0 20 40 60 80 100 120 |
| Motorolie | 5W-30 305W-20 20W-20 4010W-3010W-40 10W-5020W-40 20W-50 |
| Oliehandgeschakeldetransmissie | 75W-80 of ATF |
VOORZORGSMAATREGELEN VOOR CONTROLE
Zorg ervoor dat u altijd de omgeving rond vuldoppen, aftappluggen en peilstok goed reinigt alvorens het niveau te controleren of de olie/vloeistof af te tappen. Dat is vooral van belang in gebieden met veel stof/zand en als er met de auto over onverharde wegen wordt gere- den. Door het schoonmaken wordt voorkomen dat vuil en zand in de motor of in andere componenten binnendringt en schade veroorzaakt.
De viscositeit (vloeibaarheid) van de olie heeft invloed op het brandstofverbruik, het starten en de oliecirculatie bij lage buiten-temperaturen. Motoroliën met een lage vis- cositeit verlagen het brandstofverbruik en verbeteren de prestaties van de motor bij lage buitentemperaturen; hogere buitentem-peraturen vereisen echter een motorolie met een hogere viscositeit om de smering niet in gevaar te laten komen. Het gebruik van olie met een andere viscositeitsindex dan wordt aanbevolen, kan motorschade tot gevolg hebben.
Houd bij het kiezen van een olie rekening met de te verwachten buitentemperaturen en kies dan aan de hand van de tabel de juiste olie.
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE

- Parkeer de auto op een vlakke ondergrond en trek de parkeerrem aan.
- Laat de motor ongeveer 2 minuten stationair draaien. Trap het rempedaal in en schakel achtereenvolgens alle versnellingen in. Zet de selectiehandel tot slot in stand P.
- Trek bij stationair draaiende motor de peilstok uit de transmissie, veeg deze schoon met een niet-pluizende doek en plaats de peilstok dan weer geheel in de peilstokhouder.
- Trek de peilstok opnieuw uit de transmissie.

07013
Lees het vloeistofpeil als volgt af:
Vloeistof op bedrijfstemperatuur: Indien de vloeistof op bedrijfstemperatuur is (ongeveer 65°C) dient het peil zich te bevinden tussen de merktekens MINIMUM en MAXIMUM bij de aanduiding "65°C".
Vloeistof niet op bedrijfstemperatuur: Indien de vloeistof niet op bedrijfstemperatuur is en de buitentemperatuur ongeveer 20°C bedraagt, dient het peil zich te bevin-den tussen de merktekens MINIMUM en MAXIMUM bij de aanduiding "20°C".
AANWIJZING
- Gebruik de merktekens voor koude vloeistof alleen als referentie.
- Als de temperatuur lager is dan 20°C, start dan de motor en laat deze op bedrijfstemperatuur komen alvorens het vloeistofniveau te controleren.
- Als de auto bij erg warm weer gedurende langere tijd op hoge snelheid heeft gereden, is het raadzaam om de motor af te zetten en de transmissievloeistof ca. 30 minuten te laten afkoelen alvorens het vloeistofniveau te controleren.
Let erop dat de peilstok volledig in de peilstokhouder wordt gestoken. Als er vloeistof wordt bijevuld, controleer dan met behulp van de peilstok dat het vloeustofniveau niet boven het merktekenen MAX. uitkomt.
Vul niet teveel olie bij.
AANWIJZING
Vul de transmissie uitsluitend bij met de voorgeschreven transmissievloeistof.
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Elektrische accessoires 7-2
Informatie voor de eigenaar....7-2
ELEKTRISCHE ACCESSOIRES, INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Het elektrisch systeem van uw auto is ontworpen om te functioneren onder alle omstandigheden. Raadpleeg voordat u elektrische accessoires monteert eerst uw Kia-dealer. Sommige elektrische accessoires of de manier waarop deze gemonteerd worden, kunnen de werking van de motor, het instrumentenpaneel, de audio-installatie en/of het laadsysteem beïnvloeden. Wij aanvaarden geen verantwoordelijkheid voor de kosten die voortvloeien uit het monteren van accessoires die niet door Kia zijn gele-verd of goedgekeurd.
MONTAGE VAN EEN MOBIEL COMMUNICATIESYSTEEM
Als een mobiel communicatiesysteem onjuist wordt gemonteerd of als er een zender met een te hoog vermogen wordt gebruikt, kan dat een negatieve invloed hebben op de werking van het brandstofinspuitsysteem, een eventueel gemonteerde cruise control en overige elektronische systemen. Raadpleeg om schade te voorkomen uw Kia-dealer voor een juiste montage.
Registratie van de auto in het buitenland
Als u van plan bent uw auto in het buitenland te laten registreren, dient u eerst na te gaan of de auto voldoet aan de in dat land geldende bepalingen. Ook nadat u de auto heeft laten registreren, dient u er rekening mee te houden dat u geconfronteerd kunt worden met enkele van de hieronder geschetste problemen:
-
Het kan voorkomen dat de voor uw auto voorgeschreven brandstof niet leverbaar is. Indien andere brandstof wordt gebruikt, kan dit storingen in de motor veroorzaken.
-
Omdat het type auto waarin u rijdt in het nieuwe land van registratie misschien niet op de markt is, is het mogelijk dat onderdelen, onderhoudstechnieken en speciale gereedschappen welke voor onderhoud en reparatie van uw auto noodzakelijk zijn, niet voorhanden zijn. Zelfs als uw auto wel in dat land op de markt is, kunnen de specificaties door wettelijke bepalingen zodanig variëren dat dit alsnog problemen kan opleveren. Boven-dien kunt u moeilijkheden ondervinden bij het laten repareren en onderhouden van uw auto.
-
Het is mogelijk dat er in het land waar u de auto wilt laten registreren geen officiële Kia-dealer is.
Er wordt dan ook met nadruk op gewezen dat, als u het land waar u uw nieuwe Kia heeft gekocht verlaat en de auto in een ander land laat registreren, eventuele problemen welke het gevolg kunnen zijn van het gebruik van andere dan de voorgeschreven brandstof niet onder de garantie van de fabrikant vallen. Evenmin kan Kia verantwoordelijkheid aanvaarden voor problemen die het gevolg zijn van ondeskundig of achterstallig onderhoud tengevolge van de hiervoor genoemde redenen.
MEMO
SPECIFICATIES
8
Specifications 8-2
SPECIFICATIES
Specifications
De hierna volgende specificaties dienen uitsluitend ter informatie. Zie alvorens werkzaamheden uit te voeren eerst de OPMERKINGEN en overige instructies in dit instructieboekje. Uw officiële Kia-dealer is altijd bereid eventuele vragen te beantwoorden.
AFMETINGEN
mm (in)
| ITEM | 3-deurs | 5-deurs | WAGON |
| Total lengte | 3,565 (140.4) | 3,615 (142.3) | 3,922 (154.4) |
| Totale breedte | 1,605 (63.2) | ← | ← |
| Totale hoogte | 1,460 (57.5) | ← | ← |
| Spoorbreedte voor | 1,405 (55.3) | ← | ← |
| Spoorbreedte achter | 1,385 (54.5) | ← | ← |
| Wielbasis | 2,295 (90.4) | 2,345 (92.3) | 2,345 (92.3) |
GEWICHTEN
kg
| Onderwerp\Type | 3-deurs | 5-deurs | WAGON | |||
| Vooras | Achteras | Vooras | Achteras | Vooras | Achteras | |
| Curb weight | 793~828 | 823~858 | 815~850 | 848~878 | 849~887 | 874~912 |
| Max. toe-laatbaar totaal-gewicht | 1,260 | 1,270 | 1,310 | 1,340 | ||
OVERBRENGINGSVERHOUDINGEN
| MTX | ATX | |
| 1e | 3,454 | 2,841 |
| 2e | 1,944 | 1,541 |
| 3e | 1,275 | 1,000 |
| 4e | 0,861 | - |
| 5e | 0,695 | - |
| Achteruit | 3,545 | 2,400 |
MOTOR
| Onderwerp\Motor | 1.3 l | |
| Ontstekingsvolgorde | 1 - 3 - 4 - 2 | |
| Ontstekingstijdstip | 10° vóór BDP | |
| Stationair toerental | Handgesch. | 700~750 min ^-1 |
| Autom. | 800~900 min ^-1 | |
INHOUDEN
| Onderwerp | Liter | |
| Motor | 3.4 | |
| Koelsysteem | 5.0 | |
| Handgeschakelde transmissie | 2.3 | |
| Automatische transmissie | 5.3 | |
| Brandstoftank | 3-deurs | 37 |
| 5-deurs | 38 | |
| Wagon | 38 | |
ELEKTRISCHE INSTALLATIE
mm
| MotorOnderwerp | B3 EGI benzinemotor | |
| Accu | Onderhoudsvrij 50D 20L(50Ah) | |
| Dynamo | 12V - 50A | |
| Startmotor | 12V - 0.85 KW | |
| Bougies | Elektrodenafstand | 1.1 mm |
| Type | BPR5ES-11 | |
BANDEN
| Bandenmaat | BandenspanningKg/cm2(kPa) | ||
| Voor | Achter | ||
| 3-deurs &5-deurs | 165/70R 12 | 2.0 (200) | |
| 165/65 SR 13 | 2.0 (200) | ||
| Wagon | 165/65 SR 13 | 2.3 (230) | 2.4 (240) |
GLOEILAMPEN
| Gloeilamp | Vermogen (W) |
| Koplampen | 60/55 |
| Richtingaanwijzers voor | 21 |
| Richtingaanwijzer opzij/parkeerlicht | 5/5 |
| Zijknipperlicht | 5 |
| Richtingaanwijzers achter | 21 |
| Rem-/achterlicht | 21/5 |
| Achteruitrijlicht | 21 |
| Kentekenplaatverlichting | 5 |
| Verlichting bagageruimte | 5 |
| Interieurverlichting | 10 |
| Mistachterlicht | 21 |
| 3e remlicht | 21 |
ZEKERINGEN
Zie blz. 5-6
INDEX
Index
9
INDEX....9-2
INDEX
| A | |||||
| Aanbevolen schakelsnelheden | 4-5 | Centrale portiervergrendeling | 2-3 | Hoofdzekeringen | 5-6 |
| Aanduwen of aanslepen | 5-4 | Chroom | 6-23 | Hulpstart | 5-3 |
| Aanjagerschakelaar | 4-25 | Chaxon | 2-17 | ||
| Aansteker | 4-21 | Communicatiesysteem | 7-2 | ||
| Accu | 6-13 | Contactslot | 4-2 | I | |
| Achterbank | 2-10 | Controlelampjes | 4-12 | In de was zetten | 6-22 |
| Achterlicht | 6-20 | Controles | 37-2 | Informatie | 7-2 |
| Achterruitewisser en -sproeier | 4-20 | Informatielabels | 3-7 | ||
| Achterruitverwarming | 4-19 | Inrijden | 3-2 | ||
| Afmetingen | 8-2 | D | Interieur-onderhoud | 4-10 | |
| Airbag-systeem | 2-22 | Dagteller | 4-11 | Interieur | 1-2 |
| Airconditioning | 4-28 | Dashboard | 1-3 | Interieur-onderhoud | 6-24 |
| Alarmknipperlichten | 5-2 | Dashboardkastje | 4-22 | Interieurverlichting | 2-20,6-21 |
| Antene | 4-20 | Dashboardverlichting | 4-12 | Interval | 4-17 |
| Asbak | 4-21 | Drogen van lucht | 4-31 | ||
| Audio-installatie | 4-32 | ||||
| Automatische transmissie | 4-5,6-28 | K | |||
| E | Kentekenplaatverlichting | 6-20 | |||
| Elektrische accessoires | 7-2 | Kickdown | 4-6 | ||
| B | Elektrische circuits | 5-5 | Kilometerteller | 4-11 | |
| Bagageruimte | 1-4 | Elektrische installatie | 8-3 | Kinderslot | 2-4 |
| Bagageruimeteverlichting | 2-20 | Elektrische koelventilator | 6-8 | Klok | 4-19 |
| Banden | 6-15,8-3 | Emissieregelsysteem | 6-6 | Koplamp | 6-18 |
| Bandenspanning | 6-15 | Koplampverstelling | 4-15 | ||
| Bandenspanningslabel | 3-7 | Krik en krikslinger | 5-10 | ||
| Bedrijfsrem | 4-7 | G | Kunststof | 6-25 | |
| Bi-level | 4-26 | Gereedschap | 5-10 | ||
| Binnenspiegel | 2-19 | Gewichten | 5-2 | ||
| Brandstofbesparing | 3-3 | Gloeilampen | 8-4 | L | |
| Brandstofmeter | 4-11 | Lakbeschadigingen | 6-23 | ||
| Buitenlucht | 4-25 | Lampen | 6-18 | ||
| Buitenspiegels | 2-18 | H | Lampje bagageruimte | 6-20 | |
| Halogeenlamp | 6-19 | Lendesteun | 2-9 | ||
| Heupgordel | 2-16 | Lichtmetalen velgen | 6-24 | ||
| C | Hoedenplank | 2-21 | Lichtsignaal | 4-15 | |
| Cassettes | 4-38 | Hoofdsteunen | 2-9 | Luchtcirculatie | 4-26 |
| Luchttoevoer | 4-25 | ||||
INDEX
| M | |||||
| Make-up-spiegel | 4-23 | Parkeerrem | 4-8 | Slijtage-indicator remblokken | 4-9 |
| Meters | 4-11 | Portierruiten | 2-4 | Smeermiddelen | 6-26 |
| Mistlampen voor | 4-20 | Portieren | 1-5, 2-3 | Sneeuwkettingen | 3-5 |
| Motorkap | 2-5 | Portiersloten | 2-2 | Snelheidsmeter | 4-11 |
| Motornummer | 3-8 | Specificaties | 8-2 | ||
| Motorolie en oliefilter | 6-10 | Spiegels | 2-18 | ||
| Motoroliepeil | 6-10 | R | Starten | 3-2,4-3 | |
| Motorruimte | 6-9 | Radio-ontvangst | 4-32 | Stoelen | 2-8 |
| Muntenvak | 4-22 | Recirculatie | 4-25 | Stuurslot | 4-2 |
| Motorvoertuigverlichting overdag | 4-16 | Registratie in het buitenland | 7-2 | Stuurverstelling | 2-18 |
| Reinigen | 4-40 | Stuurwiel | 2-18 | ||
| Reinigen van bekleding | 6-25 | Symbolen | 1-9 | ||
| N | Reinigen van ruiten | 6-25 | |||
| Neerklapbare rugleuning | 2-11 | Reinigen van veiligheidsgordels | 6-25 | ||
| Niveau ruitesproeiervloeistof | 6-12 | Rembekrachtiger | 6-11 | T | |
| Rembekrachtiging | 4-7 | Tankdopklepje | 2-7 | ||
| Remsysteem | 4-8 | Temperatuurmeter koelvloeistof | 4-11 | ||
| O | Remsysteem | 6-11 | Temperatuurregeling | 4-25 | |
| Olie verversen | 6-10 | Remvloeistofniveau | 6-11 | Terugschakelen | 4-5 |
| Oliedruklampje | 4-13 | Reservewiel | 5-10 | Toerenteller | 4-12 |
| Oliepeil | 6-10 | Richtingaanwijzerlampje | 6-18 | Trekken van aanhanger | 3-6 |
| Onerhoud | 4-40 | Richtingaanwijzers | 4-16 | ||
| Onderhoud exterieur | 6-22 | Rijden | 4-1 | ||
| Onderhoud van de lak | 6-22 | Rijden in de winter | 3-4 | V | |
| Onderhoudsbeurten | 6-3 | Rugleuning | 2-8 | Veiligheidsgordels | 2-13 |
| Onderhoudswerkzaamheden | 6-2 | Ruitbediening | 2-4 | Velgen | 6-17 |
| Onderzijde van auto | 6-24 | Ruitesproeiers | 4-18 | Ventilatie | 4-39 |
| Ontgrendeling achterklep | 2-5 | Ruitewisserbladen | 6-13 | Ventileren | 4-26 |
| Ontwasemen en ontdooien | 4-27 | Ruitewissers en ruitesproeiers | 4-17 | Verlichting | 4-14 |
| Ontwasemen en ontdooien van voorruit | 4-30 | Verlichting bagageruimte | 2-20 | ||
| Verstellen | 2-8 | ||||
| Overbelasting | 3-6 | S | Verstellen achterbank | 2-10 | |
| Oververhitting | 5-2 | Schuifdak | 2-22 | Verwarmen | 4-27 |
| Schuiflade | 2-12 | Verwarmen en ontwasemen | 4-27 | ||
| Slaapstoelen | 2-12 | Verwarmings- en ventilatiesysteem | 4-24 | ||
| P | Slepen | 5-8 | Verwisselen van wiel | 5-11 | |
| Parkeerlichtlampje | 6-18 | Sleutels | 2-2 | Voertuigidentificatienummer | 3-7 |
INDEX
W
| Wassen | 6-22, 4-39 |
| Wegklapbare achterbank | 2-11 |
| Wiel verwisselen | 5-10 |
| Winterbanden | 3-5 |
| Wisseling van rijstrook | 4-16 |
Z
| Zekeringen | 5-5 |
| Zekeringenkast | 5-7 |
| Zonnekleppen | 4-23 |
MEMO
MEMO
MEMO
MEMO
MEMO
MEMO
0J-K11C-106
(네덜란드어/유럽)
KIA KIA MOTORS