PD 30 - Afstandsmeter HILTI - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis PD 30 HILTI in PDF-formaat.
| Type product | Laserafstandsmeter |
| Meetbereik | 0,05 - 50 m |
| Nauwkeurigheid | ±1,5 mm |
| Laserklasse | Klasse 2 (635 nm, <1 mW) |
| Beschermingsgraad | IP54 (stof- en spatwaterdicht) |
| Voeding | 2x AA batterijen |
| Levensduur batterij | Tot 5000 metingen |
| Meetfuncties | Afstand, oppervlakte, volume, continue meting, Pythagoras, min/max, additie/subtractie |
| Geheugen | 20 metingen |
| Display | Verlicht LCD, 4 cijfers |
| Achtergrondverlichting | Ja |
| Automatische uitschakeling | Laser: 30 sec, apparaat: 3 min |
| Waterpas | Niveau-indicator |
| Gewicht | Ongeveer 100 g (zonder batterijen) |
| Afmetingen (L x B x H) | 115 x 48 x 28 mm |
| Inhoud verpakking | Apparaat, handlus, draagtas, 2x AA batterijen, gebruiksaanwijzing |
| Garantie | 2 jaar |
| Reparatie | Hilti servicecenter |
Veelgestelde vragen - PD 30 HILTI
Gebruikersvragen over PD 30 HILTI
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Afstandsmeter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding PD 30 - HILTI en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. PD 30 van het merk HILTI.
GEBRUIKSAANWIJZING PD 30 HILTI
Vóór het eerste gebruik dient u de handleiding beslist door te lezen.
Bewaar deze handleiding altijd bij het apparaat.
Geef het apparaat alleen samen met de handleiding aan andere personen door.
Onderdelen 1
① Uitgangsopening laser
② Bedieningspaneel
③ Ontvangstoptiek
④ Kunststofhuis
⑤ Horizontale libel
⑥ Verticale libel
⑦ Batterijvak
⑧ Aanslagpunt (uitklapbaar)
⑨ Grafische modusindicatie
⑩ Precieze meetaanslagen van metaal (3x achter)
⑪ Precies steunpunt van metaal (3x onder)
⑫ Optisch richtvizier
⑬ Zijmeettoets
Inhoud
- Algemene opmerkingen.....3
1.1. Signaalwoorden en hun betekenis....3
1.2. Pictogrammen ..... 3
1.3. Plaats van de
identificatiegegevens op
het apparaat .... 3
- Beschrijving 4
2.1. Gebruik volgens de voorschriften....4
2.2. Leveringsomvang ..... 4
2.3. Meetprincipe....4
2.4. Apparaatfuncties.... 4
2.4.1. Algemene apparaatfuncties.....4
2.4.2. Zijmeettoets PD 32 ..... 4
2.4.3. Optisch richtvizier PD 32 ..... 4
- Gereedschap en toebehoren . . . 5
3.1. Doelplaat PDA 50 ..... 5
3.2. Laadset PDA 80/81.....5
3.3. Voedingsapparaat PDAW 80-1 .. 6
3.4. Batterijstekker voor de auto
PDAW 80/81-2....6
3.5. Laadadapter PDAW 80/81-1 .... 6
3.6. Accu-pack PDAW 80/81-3 ..... 6
3.7. Voedingsapparaat PDAW 81-1 .. 6
3.8. Laserzichtbril PA 970 ..... 6
3.9. Ceintuurclip PDA 62 ..... 6
-
Technische gegevens.....7
-
Veiligheidsinstructies ..... 8
5.1. Fundamentele
veiligheidsmaatregelen ..... 8
5.2. Verkeerd gebruik.....8
5.3. Algemene
veiligheidsmaatregelen ..... 8
5.4. Correcte inrichting van de werkomgeving 9
5.4.1. Elektromagnetische compatibiliteit ..... 9
5.4.2. Laserclassificatie....9
5.4.3. Transport 9
6. Inbedrijfneming ..... 10
6.1. Batterijen/accu's inzetten ..... 10
6.2.Accu's laden 10
6.2.1.Accu's standaard laden.....10
6.2.2.Accu's snel laden ..... 11
6.3. Apparaat in- of uitschakelen . . . 11
6.3.1. Eerste afstandmetingen ..... 11
6.4. Menu/instellingen ..... 12
6.4.1. Menu starten en instellen ..... 12
6.4.2. Menu/pieptoon 12
6.4.3. Menu/eenheden ..... 12
6.4.4. Menu beëindigen ..... 12
7. Bediening....12
7.1. Algemene bedieningselementen ..... 12
7.1.1. Toetsen 12
7.1.2. In- en omschakeltoetsen..... 12
7.1.3. Meettoetsen 13
7.1.4. Functietoetsen.... 13
7.2. Indicatie 13
7.2.1. Indicatiesymbolen.....14
7.2.2. Indicatieverlichting ..... 15
7.4.2. Afstandmeting stap voor stap. . 16
7.4.3. Meetmodus....16
7.4.4. Meten vanuit hoeken.....17
7.4.5. Meten met doelmarkeringen...18
7.4.6. Meten in een lichte omgeving. . 18
7.4.7. Meten op ruwe oppervlakken .. 18
7.4.8. Meten op ronde of hellende oppervlakken....18
7.4.9. Meten op natte of glanzende oppervlakken....18
7.4.10. Meten op transparante oppervlakken.... 19
7.4.11. Actieradii....19
8. Toepassingen of functies.....19
8.1. Meetwaardengeheugen.....19
8.1.1. Actuele meetwaarden opslaan .... 19
8.1.2. Historiegeheugen ..... 20
8.2. Oppervlakken meten ..... 20
8.3. Volumes meten....20
8.4. Afstanden optellen ..... 21
8.5. Afstanden aftrekken ..... 22
8.6. Indirecte meting ..... 22
8.6.1 Meetcriterian....23
8.6.2. Keuze van de indirecte meetvarianten....23
8.6.3. Indirecte meting (samengestelde variant) ..... 23
8.6.4. Indirecte meting (enkelvoudige variant) ..... 24
8.7.Min./max.meting 24
8.7.1.Maximummeting....24
8.7.2. Minimummeting ..... 25
8.8. Vlakke massa afsteken of afgraven 26
9. Kalibreren en justeren. ..... 26
9.1. Kalibreren 26
9.2. Justeren 27
9.3. Hilti kalibreerservice ..... 27
10. Verzorging en onderhoud .... 27
10.1. Reinigen en drogen.....27
10.2. Opslaan....27
10.3. Transporteren 27
11. Afval voor hergebruik recyclen 28
- Garantie 28
13. FCC-instructie (geldig in de VS) 29
- EG-conformiteitsverklaring ... 30
1. Algemene opmerkingen
1.1. Signaalwoorden en hun betekenis
- ATTENTIE -
Voor een eventueel gevaarlijke situatie die tot licht letsel of tot materiële schade kan leiden.
- AANWIJZING -
Voor gebruikstips en andere nuttige informatie.
1.2 Pictogrammen
Waarschuwingstekens

Waarschuwing voor algemeen gevaar

Laserstraling Laser klasse 2 (Niet in de straal kijken)

Symbolen

Lees voor het gebruik de handleiding door
1 Deze nummers verwijzen naar afbeeldingen. De afbeeldingen bij de tekst vindt u op de uitklapbare omslagpagina's. Houd deze bij het bestuderen van de handleiding open.
In de tekst van deze handleiding betekent "het apparaat" altijd het laser-afstandmeet-apparaat PD 32.
1.3. Plaats van de identificatiegegevens op het apparaat
Het type- en het seriekenmerk staan op het typeplaatje van uw apparaat. Neem deze gegevens over in uw handleiding en geef ze altijd door wanneer u onze vertegenwoordiging of ons servicestation om informatie vraagt.
Type :
Serienr.:

De afstand wordt gemeten langs een uitgezonden lasermeetstraal tot aan de plaats waar de straal een reflecterend vlak raakt. Het meetdoel moet met het rode lasermeetpunt duidelijk worden geïdentificeerd.
De actieradius is afhankelijk van het reflectievermogen en het oppervlak van het meetdoel.
2.1. Gebruik volgens de voorschriften
Het apparaat is bestemd voor:
- het meten van afstanden
- het berekenen van oppervlakken, volumes, lengtes
- het optellen, aftrekken van lengtes
- De gebruiks- en opslagtemperatuur dient in acht te worden genomen
| 1 laser-afstandmeetapparaat PD 32 |
| 1 doelplaat PDA 50 |
| 1 handgreep PDA 60 |
| 2 batterijen type AA |
| 1 draagtas |
| 1 handleiding |
| 1 Certificaat van de producent |
2.3. Meetprincipe
Het apparaat zendt via een zichtbare laser-straal meetgolven uit die op een object worden gereflecteerd en in fase verschoven worden ontvangen. De som van de faseverschuiving is een maat voor de afstand.
Door dit meetprincipe kunnen zeer precieze en betrouwbare afstandmetingen op objecten zonder speciale reflector worden uitgevoerd.

2.4. Apparaatfuncties
2.4.1. Algemene apparaatfuncties

2.4.2. Zijmeettoets PD 32

3. Gereedschap en toebehoren 2
Beschrijving Aanduiding
Doelplaat PDA 50
Handgreep PDA 60
Draagtas PDA 61
Ceintuurclip PDA 62
Batterijstekker voor de auto PDAW 80/81-2
Laadadapter PDAW 80/81-1
Accu-pack PDAW 80/81-3
Laserzichtbril * PA 970

* Dit is geen laserveiligheidsbril, de ogen worden hiermee dus niet beschermd tegen laserstraling. Omdat het waarnemen van kleuren door de bril beperkt wordt, mag hij niet worden gedragen tijdens het besturen van een voertuig op de openbare weg en er mag niet in de zon worden gekeken.
3.1. Richttableau PDA 50
De doelplaat PDA 50 bestaat uit vaste kunststof met een speciale reflectielaag. Bij ongunstige lichtomstandigheden is het voor afstanden vanaf 10 m (30 ft) zinvol om de doelplaat te gebruiken.

- AANWIJZING -
- Om te waarborgen dat de resultaten betrouwbaar zijn, dient zo mogelijk loodrecht op de doelplaat te worden gemeten. Anders kan het gebeuren dat het richtpunt op de doelplaat zich niet op één vlak met het opstelpunt bevindt (parallax).
- Voor zeer precieze metingen met de doelplaat dient de waarde 1.2 mm (1/20 inch) bij de gemeten afstanden te worden opgeteld.
3.2. Laadsets PDA 80/81
Met behulp van de laadsets PDA 80 en PDA 81 kan het apparaat worden voorzien van een acculading.
De accu's worden binnen 12 uur geladen. In de eerste 15 minuten ontvangen zij echter al voldoende stroom om 150–200 metingen te kunnen uitvoeren.
Zie de beschrijving voor het laden van batterijen in hoofdstuk 6. Eerste gebruik van de accu
Inhoud laadset PDA 80
- Voedingsapparaat 100–240 V AC met 2-polige Eurostekker
– Batterijstekker voor de auto
– Laadadapter voor het apparaat - 2 oplaadbare accucellen (Ni-MH)
Inhoud Iaadset PDA 81
- Voedingsapparaat 100–240 V AC met 4 wisselstekkers voor US, GB, AUS, EU
– Batterijstekker voor de auto
– Laadadapter voor het apparaat - 2 oplaadbare accucellen
3.3. Voedingsapparaat PDAW 80-1
Het voedingsapparaat maakt deel uit van de laadset en is uitgerust met een 2-polige stekker. Het voedingsapparaat zet de wisselstroom om in gelijkstroom om de laadadapters voor de acculading te voeden. Het voedingsapparaat past zich automatisch aan een wisselstroomspanning tussen de 100–240 V en 50–60 Hz aan. Het voedingsapparaat is speciaal aangepast om de laadadapter van stroom te voorzien.

- AANWIJZING -
Laadapparaten of voedingsapparaten met andere spanningsuitgangen, bijv. van mobiele telefoons, mogen niet worden gebruikt en kunnen leiden tot vernietiging van het apparaat.
3.4. Batterijstekker voor de auto PDAW 80/81-2
De batterijstekker voor de auto maakt deel uit van de laadset PDA 80/81. Deze past goed in de sigarettenaansteker van een auto of in bussen van dezelfde uitvoering. Deze stekker is een speciale uitvoering, die de 12–24 V gelijkstroom van een autobatterij omzet in de voor de laadadapter vereiste spanning.
Om de juiste laadaansluiting aan te geven is de stekker voorzien van een lichtdiode. Een extra zekering in het voorste deel voorziet in een beveiliging tegen overspanning.

- AANWIJZING -
De batterijstekker voor de auto is bestemd voor het laden van de accu's in de PD 32 en mag daarom niet worden vervangen door een batterijstekker van andere producenten.
3.5. Laadadapter PDAW 80/81-1
De laadadapter wordt door het voedingsapparaat voorzien van stroom. Alvorens de accu te laden dient de zijwaartse flensverbinding met het contact zorgvuldig te worden gecontroleerd.
3.6. Accu-pack PDAW 80/81-3
Het accu-pack bestaat uit twee oplaadbare 1,2 V nikkel-metaal-hydride (Ni-MH) cellen met een capaciteit van 1800 mAh. De cellen blijven voor het laden in het batterijvak van het apparaat.
- AANWIJZING -
- Een "Memory effect" is bij dit type batterijcellen en deze laadmethode zo goed als uitgesloten. Daarom kan het laden op elk moment worden onderbroken zonder dat de accu's daarvan schade ondervinden.
- In principe is het mogelijk accucellen van andere producenten te gebruiken. Er dient op te worden gelet dat de batterijen zo mogelijk dezelfde capaciteit van 1800 mAh hebben.
3.7. Voedingsapparaat PDAW 81-1
Het voedingsapparaat is analoog aan het voedingsapparaat PDAW 80-1. Er is alleen een verschil in de uitvoering van de netstekkers, die in dit geval als wisselstekker fungeren.
3.8. Laserzichtbril PA 970
De laserzichtbril PA 970 verhoogt duidelijk de zichtbaarheid van de laserstraal.
3.9. Ceintuurclip PDA 62
De ceintuurclip is gemaakt van kunststof en kan snel en gemakkelijk aan een ceintuur of een broekzak worden aangeklikt. Met een klik plaatst u het apparaat in de ceintuurclip en om het te verwijderen drukt u het naar buiten.
Batterij-indicatie met 4 segmenten voor 100 %, 75 %, 50 %, 25 % vol Alle segmenten gewist = batterij of accu leeg
Meetbereik
0,05 tot 200 m (2 inch tot 600 ft), 0,05 m (2 inch) vanaf de voorkant Maximale afstand 750 m (2500 ft) Typisch meetbereik zonder doelplaat: - Droogbouwwand wit 70 m (210 ft) - Beton droog 50 m (150 ft) - Baksteen droog 50 m (150 ft)
De maximale actieradius is afhanke- lijk van: - het reflectievermogen van het doel - de helderheid van de omgeving Als meten niet mogelijk is - Hilti doelplaat PDA 50 gebruiken
Nauwkeurigheid
±1,5 mm (±1/16 inch) typisch voor enkele en continuumetingen ** ** de atmosferische omgeving heeft invloed op de afstandmetingen. Bij lange afstanden dient met een merkbare invloed van ± (1,5 mm + 20 ppm) rekening te worden gehouden.
Kleinste weergegeven eenheid
1 mm (1716 inch)
Straaldiameter
Enkele metingen Continu meten Berekeningen/Functies
Indicatie
Verlichte vloeibaar-kristalindicatie met permanente weergave van de gebruikstoestand en de stroomtoe-voer
Laser
Zichtbaar, 620–690nm, laserklasse 2 (IEC60825-1: 1993+A1:1997+A2: 2001/DIN EN60825-1:2003; CFR 21 § 1040 [FDA]) Uitgangsvermogen: < 1mW
Zelfuitschakeling
Gebruiksduur bij 25 °C [+77 °F]
Max. aantal metingen gedurende 10 seconden bij ingeschakelde laser. Alkalimangaan: 15000–20000 Ni-MH: 8000–10000
Gebruikstemperatuur
-10^ +50^ (14°F ... 122°F)
Opslagtemperatuur
-30^ +70^(-22^ 158^)
Veiligheidsklasse
Bescherming tegen stof en spatwater, IP 54 volgens norm IEC529
Gewicht
220 g (zonder batterijen)
Afmetingen:
120 (L) × 65 (B) × 28 (H) mm
5. Veiligheidsinstructies
5.1. Fundamentele veiligheidsmaatregelen
Naast de veiligheidstechnische instructies in de afzonderlijke hoofdstukken van deze handleiding moeten de volgende bepalingen altijd strikt worden opgevolgd.
5.2. Verkeerd gebruik

Het apparaat en de bijbehorende hulpmiddelen kunnen gevaar opleveren als ze door ongeschoolde personen onjuist of niet volgens de voorschriften worden gebruikt.
- Gebruik van het apparaat zonder overeenkomstige instructies.
- Maak geen veiligheidsinrichtingen onklaar en verwijder geen veiligheids- en waarschuwingsopschriften.
- Laat het apparaat alleen repareren in een Hilti-servicestation. Wanneer het apparaat op een ondeskundige manier wordt geopend kan er laserstraling ontstaan die sterker is dan klasse 2.
- Aanpassingen of veranderingen aan het apparaat zijn niet toegestaan.
- Gebruik ter voorkoming van letsel alleen originele Hilti toebehoren en hulpapparaten.
- Gebruik het apparaat niet in een explosieve omgeving.
- Gebruik voor het reinigen alleen schone en zachte doeken. Indien nodig kunt u ze bevochtigen met een beetje zuivere alcohol.
- Zorg ervoor dat kinderen niet in de buurt van laserapparaten komen.
-
Metingen op schuimkunststoffen, zoals styropor (piepschuim), styrodor, sneeuw of sterk spiegelende vlakken, kunnen tot verkeerde meetwaarden leiden.
-
Metingen op slecht reflecterende ondergronden in hoog reflecterende omgevingen kunnen tot verkeerde meetwaarden leiden.
- Wanneer metingen worden uitgevoerd door ruiten of andere objecten kan het meetresultaat foutief zijn.
- Snel veranderende meetvoorwaarden, zoals personen die door de meetstraal lopen, kunnen leiden tot een verkeerd meetresultaat.
– Richt het apparaat nooit op de zon of andere sterke lichtbronnen.
– Gebruik als nivelleerapparaat. - Geen controle van het apparaat voor belangrijke metingen, nadat het is gevalen of na andere mechanische invloeden
- Geen controle van de referentieschakeling.
5.3. Algemene veiligheidsmaatregelen
Controleer het apparaat voor gebruik op eventuele beschadigingen. Laat het apparaat ingeval van beschadiging repareren in een Hilti-servicestation.
Wanneer het apparaat gevallen is of aan andere mechanische inwerkingen is bloot-gesteld, dient de precisie ervan te worden gecontroleerd.
- Wanneer het apparaat vanuit een zeer koude in een warme omgeving wordt gebracht, of omgekeerd, dient u het voor het gebruik te laten acclimatiseren.
- Hoewel het apparaat geschikt is voor de zware condities op bouwterreinen, dient u het evenals andere optische apparaten (veldkijkers, brillen, fotoapparaten) met zorg te behandelen.
- Hoewel het apparaat beschermd is tegen het binnendringen van vocht, dient u het droog te maken alvorens het in de transportcontainer te plaatsen.
-
Controleer voor de meting de instelling van de meetreferentie.
-
Controleer voor de zekerheid de door u vooraf ingestelde waarden of eerdere instellingen.
- Bij het richten van het apparaat met de libel alleen schuin op het apparaat kijken.
5.4. Correcte inrichting van de werkomgeving

- Beveilig het gebied waar u metingen verricht en let er bij het opstellen van het apparaat op dat de straal niet op andere personen of op uzelf wordt gericht.
- Wanneer u op ladders werkt, neem dan geen ongewone lichaamshouding aan. Zorg ervoor dat u stevig staat en altijd in evenwicht bent.
- Wanneer metingen worden uitgevoerd door ruiten of andere objecten kan het meetresultaat foutief zijn.
- Gebruik het apparaat alleen binnen de gedefinieerde gebruiksgrenzen, (d.w.z. niet meten op spiegels, chroomstaal, gepolijst steen, etc... )
- Neem de voorschriften van het betreffende land ter voorkoming van ongevallen in acht.
5.4.1. Elektromagnetische compatibiliteit
Hoewel het apparaat voldoet aan de strenge eisen van de betreffende richtlijnen, kan Hilti de mogelijkheid niet uitsluiten dat het
- andere apparaten (bijv. navigatie-inrichtingen van vliegtuigen) stoort of
- door sterke straling zelf wordt gestoord, hetgeen tot een onjuiste werking kan leiden. In deze gevallen controlemetingen uitvoeren.
5.4.2. Laserclassificatie
Het apparaat voldoet aan de eisen van laserklasse 2, gebaseerd op de norm IEC60825-1:1993+A1:1997+A2:2001/DIN EN60825-1:2003; en klasse II gebaseerd op CFR 21 § 1040 (FDA). Deze apparaten kunnen zonder verdere beveiligingsmaatregelen worden gebruikt. Wanneer iemand toevallig geduren-de een kort ogenblik in de laserstraal kijkt, worden de ogen beschermd door de reflex van het sluiten van het ooglid. Deze reflex van het sluiten van het ooglid kan echter worden beïnvloed door het gebruik van medicijnen, alcohol of drugs. Toch mag men, evenals bij de zon, niet direct in de lichtbron kijken. De laserstraal mag niet op personen worden gericht.
De opschriften met laserinformatie zijn gebaseerd op IEC60825-1:1993+A1:1997+A2:2001/DIN EN60825-1:2003:


De opschriften met laserinformatie voor de VS zijn gebaseerd op CFR 21 § 1040 (FDA):

Alvorens het apparaat te verzenden, dienen de batterijen/accu's eruit te worden verwijderd.
6. Inbedrijfneming

6.1. Batterijen/accu's inzetten
- ATTENTIE -
- Let er op dat de polen naar de juiste kant wijzen (zie de markering in het batterijvak).
-
Zorg ervoor dat het batterijvak goed vergrendeld is.
-
Druk het afsluitdeksel van het batterijvak licht naar beneden.
- Trek het batterijdeksel zijwaarts weg.
- Vervang de batterijen.

- altijd de volledige batterijset vervangen!
- combineer geen nieuwe met oude batterijen.
- geen batterijen van verschillende producenten of verschillende types gebruiken.
- alleen gecontroleerde en niet beschadigde batterijen gebruiken.
Accu's inzetten
- beide accucellen dienen altijd van hetzelfde merk en hetzelfde type te zijn.
- altijd accucellen van dezelfde leeftijd en laadtoestand gebruiken.
- nieuwe accu's zijn meestal leeg en moeten voor het eerste gebruik worden geladen.
- gebruik alleen Ni-MH accucellen met 1,2 V en 1500–2000 mAh.
6.2. Accu's laden
6.2.1. Accu's standaard laden
Door de wijze van laden zijn "Memory effecten" zo goed als uitgesloten. Daarom kan het laden op elk moment worden gestart, zonder rekening te houden met de laadtoestand van de accu's.
Plaats het voedingsapparaat PDAW 80/81-1 op het apparaat ①.
Om te laden sluit u het voedingsapparaat of de batterijstekker voor de auto ② aan op de laadadapter.

De maximale laadtijd bedraagt ca. 12 uur. Het laden wordt, net als bij mobiele telefoons, weergegeven door de beweging van batterij-indicatiesegmenten.
6.2.1.1. Laad-indicatie bij accu's
- Het laden wordt, net als bij mobiele telefoons, voorgesteld door de loop van batterijtoestandsegmenten 📁 rechtsboven op het display.
– Bij geladen accu's wordt " " FullAccu (acculaden voltooid) weergegeven.
6.2.1.2. Laadindicatie bij abusievelijk ingebrachte alkalibatterijen
- Wanneer er alkaline batterijen herkend zijn, knipperen alle batterijtoestandsegmenten voortdurend om aan te geven dat er geen accu's zijn geplaatst. Daarnaast knippert het opschrift " " op Accurno het display. Het apparaat kan niet worden ingeschakeld.
- Worden defecte accu's of niet-laadbare alkaline cellen geplaatst, dan knippert de batterij-indicatie en daarbij wordt op het display " (accu defect) cu weergegeven.
- AANWIJZING -
- Tijdens het laden kan het apparaat steeds worden ingeschakeld en gebruikt. Bij een ingeschakeld apparaat en geactiveerde laser wordt het laden onderbroken.
- Accu's ontladen wanneer deze gedurende langere tijd worden opgeslagen. Bij zeer lege of defecte accu's wordt het laden na een minuut afgebroken en de indicatie uitgeschakeld. In dit geval kan het laden alleen opnieuw worden gestart door het voedingsapparaat te ontkoppelen of de accu's eruit te halen en weer terug te plaatsen.
- Bewaar het apparaat op een veilige plaats.
6.2.2. Accu's snel laden
Na het aansluiten van de batterijstekker voor de auto PDAW 80/81-2 wordt binnen de eerste 15 minuten voldoende capaciteit geladen om 150–200 metingen uit te voeren.
Met het oog op deze batterijstekker biedt dit het grote voordeel dat de accu's in zeer korte tijd weer kunnen worden gebruikt.
6.3. Apparaat in- of uitschakelen
Het apparaat wordt met de toets "AAN/UIT" in- en uitgeschakeld. Na het inschakelen bevindt het apparaat zich in de basisindicatiemodus.
![[M+] m](/content/2026/05/1121374/images/448006d93d3490958b2972358a2d56ac32e5c5fa18f889280806fc694c391453.jpg)
6.3.1. Eerste afstandmetingen
Druk één keer op de meettoets.
Wanneer het apparaat is uitgeschakeld, wordt het samen met de meetstraal ingeschakeld.
Is het apparaat al ingeschakeld, dan wordt alleen de meetstraal ingeschakeld.
Richt met het zichtbare laserpunt op een wit vlak op ca. 3–10 m afstand.
Druk nogmaals op de meettoets.
In minder dan 1 seconde wordt de afstand, bijv. 5,489 m, weergegeven.

U heeft de eerste afstandmeting met het laser-afstandmeetapparaat PD 32 uitgevoerd.
6.4. Menu / instellingen
6.4.1. Menu starten en instellen
Het menu wordt gestart door de toets "AAN/UIT" van het uitgeschakelde apparaat gedurende 2 seconden ingedrukt te houden.
In het menu worden de pieptoon en de eenheden ingesteld.

6.4.2. Menu / pieptoon
Met de toets "Plus" wordt de pieptoon tussen de modus AAN (On) en UIT (Off) geschakeld.
Instelling Optie
Pieptoon AAN (On)
UIT (Off)
6.4.3. Menu / eenheden
Met de toets "Min" worden de eenheden tussen m, mm, ft, yd, in, in 1/8 en in 1/16 doorgeschakeld.
Instellingen Afstand Oppervlak Volume
| m meter m | ^2 | m^3 |
| mm millimeter m | ^2 | m^3 |
| ft voet.decimaal voet | ^2 | voet^3 |
| Yd yard.decimaal yard | ^2 | yard^3 |
| in inch.decimaal inch | ^2 | inch^3 |
| in 1/8 voet-inch-1/8 | voet^2 | voet^3 |
| in 1/16 voet-inch-1/16 | voet^2 | voet^3 |
6.4.4. Menu beëindigen
Het menu wordt beëindigd door de toets "IN/UIT" kort ingedrukt te houden. Het apparaat wordt uitgeschakeld. De eerder weergegeven instellingen worden overgenomen.
7. Bediening
7.1. Algemene bedieningselementen
7.1.1. Toetsen

7.1.2. In- en omschakeltoetsen

AAN/UIT
- hiermee wordt het apparaat in- en uitgeschakeld

Meetreferentie
- schakelt de meetreferentie om tussen voorkant en achterkant

Indicatieverlichting
- hiermee wordt de indicatieverlichting in- en uitgeschakeld
7.1.3. Meettoetsen

Meettoets
- schakelt het apparaat in
- activeert de laserstraal om te richten
- activeert de enkele afstand- meting
- activeert en deactiveert de continumeting

Zijmeettoets
- activeert de laserstraal om te richten
- activeert de enkele afstand- meting
- activeert en deactiveert de continumeting
7.1.4. Functietoetsen
Rekenfuncties worden door functietoetsen geactiveerd. Bij een onjuiste bediening of wanneer per vergissing een functie is geactiveerd, kan de betreffende functie altijd met dezelfde functietoets of een willekeurige andere functietoets worden beëindigd.

Volume
- activeert de functie Volume en deactiveert elke andere functie

Oppervlak
- activeert de functie Oppervlak en deactiveert elke andere functie

Plus
- activeert het optellen van afstanden en deactiveert elke andere functie

Min
- activeert het aftrekken van afstanden en deactiveert elke andere functie

Indirecte afstandmeting
- activeert de functie Oppervlak en deactiveert elke andere functie

Min/Max
- activeert de functie Min/Max en deactiveert elke andere functie
7.2. Indicatie
In de indicatie worden meetwaarden, instellingen en de toestand van het apparaat weergegeven.
In de meetmodus worden de actuele meetwaarden in het onderste indicatieveld (resultaatregel) weergegeven. De eerdere meetresultaten in de regels daarboven. In functies zoals Oppervlak, Volume, en Pythagoras worden de gemeten afstanden weergegeven in de regels voor de tussenresultaten en het berekende resultaat in het onderste indicatieveld (resultaatregel).

Maatregelen: apparaat laten afkoelen
Temperatuur te laag < -10 °C
Maatregelen: apparaat verwarmen

Ongunstige signaalomstandigheden
Teweinig reflecterend laser- licht
Maatregelen:
- Meetafstand > 50 mm vanaf de voorkant aanhouden
– Optiek reinigen
– Tegen andere oppervlakken meten of doelplaat PDA 50 gebruiken

Teveel omgevingslicht bij het meetdoel
Maatregelen:
- Meetdoel donker maken of doelplaat PDA 50 gebruiken

Laser ingeschakeld
- gearceerde lijn in beweging

Meetreferentie-indicatie
- Voorkant
– Achterkant
– Aanslagpunt - Aanslagpunt (knipperend) - voegt automatisch 1.270 m/50" aan de meting toe

Indicatie batterijen
- 4 segmenten = 100 % vol
- 3 segmenten = 75 % vol
- 2 segmenten = 50 % vol
- 1 segment = 25 % vol
- 0 segmenten = leeg

Batterijen bijna leeg Maatregelen:
– Nieuwe batterijen inzetten
- bij gebruik van accu's, de
accu's laden
MENU
Menu geactiveerd
MIN
Regel met min-afstand (kortste afstand)
MAX
Regel met max-afstand (langste afstand)

Indicatie afstanddifferentie
– Verschil tussen de maximale en minimale afstand

Historiemodus actief
- Weergave van de laatste 5 indicaties, inclusief volledige waarden en grafieken

Algemene hardwarefouten
Apparaat in- en uitschakelen en wanneer de fout niet is opgeheven contact opnemen met het Hilti-servicestation.


Indirecte afstandmeting Schakelt tussen 2 opties
- Enkelvoudige rechthoekige driehoek
– Dubbele rechthoekige driehoek

Volumemeting actief

Oppervlaktemeting actief
7.2.2. Indicatieverlichting

= Verlichtingstoets
Met de verlichtingstoets wordt de achtergrondverlichting van de indicatie in- of uitgeschakeld. Wanneer het donker is en bij sterke lichtinwerking, zoals zonlicht of in de buurt van sterke schijnwerpers, draagt de ingeschakelde indicatieverlichting bij aan een betere leesbaarheid.
- AANWIJZING -
De indicatieverlichting verbruikt extra stroom. Daarom dient bij frequent gebruik rekening te worden gehouden met een kortere levensduur van de batterij of accu.
Het ingebouwde richtvizier is bijzonder nuttig bij buitenmetingen en op alle momenten waar het lasermeetpunt slecht of helemaal niet meer zichtbaar is. Met het laserpunt kan zelfs bij grotere afstanden goed op het doel worden gericht. Het laserpunt is in ingeschakelde toestand zichtbaar in de optiek. Schakelt het laserpunt in de optiek uit, dan is de meting met succes uitgevoerd of de laserstraal heeft zichzelf vanwege de tijdsduur (na 60 seconden) uitgeschakeld.
De optische richting verloopt parallel aan de lasermeetstraal.
Typisch meetproces met optisch richtvizier
- Op de meettoets drukken om de meetstraal te activeren
- Met het laserpunt in het optisch richtvizier op het doel richten
- Op de meettoets of de zijmeettoets drukken en richten tot het laserpunt in het vizier verdwijnt
– Afstand aflezen op het display
Principeschets

- AANWIJZING -
Voor afstanden vanaf 10 m (30 ft) is het zinvol het optisch richtvizier te gebruiken.
7.4. Afstanden meten
Afstanden kunnen aan alle coöpererende onbeweeglijke doelen worden gemeten, d.w.z. beton, steen, hout, plastic, papier, etc... . Prisma's of andere sterk reflecteren-de doelen zijn niet betrouwbaar in het gebruik, deze kunnen tot foutieve resultaten leiden.
7.4.1. Meetreferenties

= schakeltoets
Het apparaat kan afstanden van vier verschillende aanslagen of referenties meten. Het schakelen tussen voorkant en achterkant gebeurt met de schakeltoets linksvoor op het apparaat. Wordt het aanslagpunt 90° uitgeklapt, dan vindt de schakeling van de aanslag automatisch plaats op het aan-slagpunt.
De referentie wordt bij gebruik van de meetverlenging PDA 70 geactiveerd door, wanneer het apparaat is uitgeschakeld, de referentietoets (linksboven) ingedrukt te houden en het apparaat gelijktijdig met de inschakeltoets (rechtsboven) in te schakelen. Het symbool Meetpunt knippert op het display.
De referentie van de meetverlenging PDA wordt gedeactiveerd door het apparaat in en weer uit te schakelen.
Indicatie referentie-instelling

flowchart
graph TD
A["Top Step"] --> B["Step 1"]
B --> C["Step 2"]
C --> D["Step 3"]
Voorkant
Achterkant
Aanslagpunt
De meetverlenging PDA 70 aanslagpunt (knipperend) wordt verlengd met 1.270 m/50 inch
- AANWIJZING -
- Wanneer het aanslagpunt 180° wordt uitgeklapt, wordt de meetaanslag automatisch op de achterkant gezet.
7.4.2. Afstandmeting stap voor stap
Het apparaat meet binnen zeer korte tijd afstanden en stelt daarbij verschillende soorten informatie op het display beschikbaar.
- Het apparaat inschakelen met de inschakeltoets.

- Eén keer op de meettoets drukken. De rode lasermeetstraal wordt ingeschakeld en is zichtbaar via een punt op het richtvlak. Op het display is deze richtmodus zichtbaar via beweeglijke arceerlijnen.

-
Op het doel richten.
-
Voor de afstandmeting nog eenmaal op de meettoets drukken.
Het resultaat wordt gewoonlijk binnen minder dan een seconde in de resultaatregel weergegeven en de lasermeetstraal wordt uitgeschakeld.

Bij meerdere afstandmetingen worden maximaal 3 eerdere afstanden in de regels voor de tussenresultaten weergegeven, d.w.z. in het totaal de vier laatst gemeten afstanden.

Afstandmetingen zijn mogelijk in twee verschillende meetmodi, namelijk enkel meten en continu meten. Het continu meten wordt ingezet bij het afgraven van bepaalde afstanden of lengtes en bij moeilijk te meten afstanden, bijv. bij hoeken, randen, nissen, etc...
7.4.3.1. Enkele meting (meettoets)
- Lasermeetstraal met de meettoets inschakelen.
- Nogmaals op de meettoets drukken. De gemeten afstand wordt gewoonlijk in minder dan een seconde weergegeven in de resultaatregel.
- AANWIJZING -
Het apparaat kan ook met de Aan- en Uittoets worden ingeschakeld, waarna de laser vervolgens met de meettoets kan worden ingeschakeld.
7.4.3.2. Continu meten
Om dit te activeren de meettoets geduren- de ca. 2 seconden ingedrukt houden.
Hierbij maakt het niet uit of het apparaat uitgeschakeld of de meetstraal uit- of ingeschakeld is – het apparaat schakelt altijd in de continumeting.
Met de continueting worden afstanden met ca. 8–15 metingen per seconde in de resultaatregel bijgewerkt. Dit is afhankelijk van het reflectievermogen van het doeloppervlak.
Wanneer de pieptoon is ingeschakeld, wordt het continu meten aangegeven met de pieptoon.
Het meetproces wordt stopgezet door nogmaals op de meettoets te drukken. Hierbij wordt de laatste geldige meting weergegeven in de resultaatregel.
- AANWIJZING -
Het continu meten is overal mogelijk waar enkele afstanden worden gemeten. Dit geldt ook voor functies zoals Oppervlak en Volume.
7.4.4. Meten vanuit hoeken
Voor het meten van ruimtediagonalen of het meten vanuit moeilijk toegankelijke hoeken wordt het aanslagpunt gebruikt.
- Klap het aanslagpunt 90° uit. De meetreferentie wordt automatisch omgezet. Het apparaat detecteert de verlengde meetreferentie en corrigeert de gemeten afstand automatisch met deze waarde.

- Zet het apparaat met de aanslagpunt op het gewenste uitgangspunt en richt op het richtpunt.

- Druk op de meettoets. Op het display verschijnt de gemeten waarde.
7.4.5. Meten met doelmarkeringen
Voor het meten van afstanden aan buitenkanten (buitenmuren van huizen, omheiningen, etc.) kunt u hulpmiddelen als planken, bakstenen of andere geschikte voorwerpen als doelmarkering aan de buitenkant leggen.
Bij grotere actieradii en ongunstige lichtomstandigheden (sterke zonneschijn) raden wij aan het de doelplaat PDA 50 te gebruiken.

7.4.6. Meten in een lichte omgeving
De PD 32 beschikt over een ingebouwd richtvizier. Bij metingen op zeer lichte oppervlakken is het laserpunt vaak niet meer zichtbaar. Met het laserpunt in het richtvizier kunt u altijd duidelijk en precies op het doel richten.
Voor lange afstanden en bij een zeer lichte omgeving raden wij het gebruik van de doelplaat PDA 50 aan.
7.4.7. Meten op ruwe oppervlakken
Bij het meten op ruwe oppervlakken (bijv. grof pleisterwerk) wordt een gewogen gemiddelde gemeten, waarin het centrum van de laserstraal meer gewicht heeft dan de rand.

7.4.8. Meten op ronde of hellende oppervlakken
Wordt er zeer schuin op deze vlakken gericht, dan kan onder bepaalde omstandigheden te weinig lichtenergie of bij rechthoekig richten te veel energie bij het apparaat komen.
In beide gevallen wordt het gebruik van de doelplaat PDA 50 aangeraden.
7.4.9. Meten op natte of glanzende oppervlakken
In zoverre het laser-afstandmeetapparaat op het oppervlak kan richten, wordt een precieze afstand op het richtpunt gemeten. Bij sterk spiegelende oppervlakken dient rekening te worden gehouden met gereduceerde actieradii of met metingen tot de lichtreflectie.
7.4.10. Meten op transparante oppervlakken
In principe kunnen geen afstanden op lichtdoorlatend materiaal, zoals vloeistof, piepschuim, en schuimstof worden gemeten. In deze materialen dringt licht door, waardoor er meetfouten kunnen ontstaan.
Ook bij het meten door glas of in het geval zich objecten binnen de richtlijn bevinden, kunnen er meetfouten ontstaan.
7.4.11. Actieradii
7.4.11.1. Grotere actieradii
- Metingen in het donker, bij schemering of verduisterde doelen of een verduisterd apparaat leiden in de regel tot een grote-re actieradius.
- Metingen bij gebruik van de doelplaat PDA 50 leiden tot een grotere actieradius.
7.4.11.2. Gereduceerde actieradii
- Metingen bij een sterke lichtomgeving, zoals zonlicht of extreem fel schijnende schijnwerpers, kunnen leiden tot gereduceerde actieradii.
- Metingen door glas of bij objecten binnen de richtlijn kunnen leiden tot gereduceerde actieradii.
- Metingen op matgroene, -blauwe, -zwarte of natte en glanzende oppervlakken kunnen leiden tot gereduceerde actieradii.
8. Toepassingen of functies
In principe geldt bij alle functies dat de afzonderlijke stappen altijd met grafische weergaven worden ondersteund.
- AANWIJZING -
Bij alle functies waar:
- Enkele afstandmetingen mogelijk zijn, kunnen continuemeting worden toegepast.
- Treden er tijdens het continu meten meetfouten op en wordt de continu-meting door nogmaals op de meettoets te drukken stopgezet, dan wordt de laat-ste geldige afstand weergegeven.
Het apparaat slaat tijdens het meten voort-durend meetwaarden en functieresultaten op.
8.1.1. Actuele meetwaarden opslaan
Bij meerdere afstandmetingen worden maximaal 3 eerdere afstanden in de regels voor de tussenresultaten weergegeven, d.w.z. dat in het totaal de vier laatst gemeten afstanden worden weergegeven of opgeslagen.
Het apparaat staat ook doorlopend de 5 laatste indicaties op, inclusief de afbeeldingen. Wanneer er nog geen functies zijn opgevraagd of afstandsmetingen zijn uitgevoerd, kunnen deze opgeslagen gegevens direct nadat het apparaat met de "AAN/UIT" toets is ingeschakeld, met de plus- en min-toets achter elkaar op het display worden opgeroepen.
Het symbool "Historiemodus actief" toont de gegevens die opgeslagen zijn in het historiegeheugen.
Voorbeeld van de indicatie van een opgeslagen volumemeting:

8.2. Oppervlakken meten
Oppervlakken kunnen eenvoudig worden vastgesteld. Roep de functie Oppervlak op met de functietoets "Oppervlak".

De afzonderlijke stappen voor de oppervlaktemeting worden door de betreffende afbeelding op het display ondersteund. Om bijvoorbeeld het vloeroppervlak van een vertrek te bepalen, wordt op de volgende manier te werk gegaan:
- Na het starten van de functie "Oppervlak" is de laserstraal al ingeschakeld.
- Richt het apparaat op het richtpunt.
- Druk op de toets "Meten". De breedte van het vertrek wordt gemeten en weergegeven.
- Hierna wordt in de afbeelding automatisch gevraagd de lengte van het vertrek te meten.
- Richt het apparaat op het volgende richtpunt voor de lengte van het vertrek.
- Druk op de meettoets. De tweede afstand wordt gemeten, het oppervlak direct berekend en weergegeven in de resultaatregel.

Beide afstanden die voor de oppervlaktebe-rekening werden gebruikt, staan in de regels met de tussenresultaten en kunnen na het meten eenvoudig worden genoteerd.
- AANWIJZING -
Voor meerdere metingen van het oppervlak wordt opnieuw op de functietoets "Oppervlak" gedrukt.
8.3. Volume meten
Volumes kunnen aan de hand van één meting worden vastgesteld. Roep de functie Volume op met de functietoets

De afzonderlijke stappen voor de volume-meting worden door de betreffende afbeelding op het display ondersteund. Om bijv. het volume van het vertrek te bepalen wordt op de volgende manier te werk gegaan:
- Na het starten van de functie "Volume" is de laserstraal al ingeschakeld.
- Richt het apparaat op het richtpunt.
- Druk op de meettoets. De breedte van het vertrek wordt gemeten en weergegeven.
- Hierna wordt in de afbeelding automatisch gevraagd de lengte van het vertrek te meten.
- Richt het apparaat op het volgende richtpunt voor de lengte van het vertrek.
- Druk op de meettoets. De lengte van het vertrek wordt gemeten.
- Hierna wordt in de afbeelding automatisch gevraagd de hoogte van het vertrek te meten.
- Richt het apparaat op het volgende richtpunt voor de hoogte van het ver-trek.
- Druk op de meettoets. Nadat de hoogte van het vertrek gemeten is, wordt direct het volume berekend en weergegeven in de resultaatregel.

Alle drie de afstanden die voor de volumeberekening werden gebruikt, staan in de regels met de tussenresultaten en kunnen na het meteen eenvoudig worden geno-teerd.
- AANWIJZING -
Voor meerdere metingen van het volume wordt opnieuw op de functietoets "Volume" gedrukt.
8.4. Afstanden optellen
Enkele afstanden kunnen gemakkelijk worden opgeteld, bijv. om het dagstuk in vensters en deuren te bepalen of om meerdere deelafstanden samen te voegen tot een totale afstand.

- Druk op de meettoets (de laserstraal is ingeschakeld).
- Richt het apparaat op het richtpunt.
- Druk op de meettoets. De eerste afstand wordt gemeten en weergegeven (de laser schakelt uit).
- Druk op de "plus" voor de optelling. In de middelste regel voor het tussenresultaat wordt de eerste afstand en in de onderste regel wordt een plusteken geschreven (de laser schakelt in).
- Richt het apparaat op het volgende richtpunt.
- Druk op de meettoets. De tweede afstand wordt gemeten en weergegeven in de onderste regel voor het tussenresultaat. Het resultaat van de optelling wordt weergegeven in de resultaatregel.
De actuele afstandsom staat altijd in de resultaatregel.

Zo gaat u te werk tot alle afstanden zijn opgeteld.
Om de optelling te beëindigen, meet u eenvoudig een afstand zonder van tevoren de plustoets te gebruiken. Alle eerdere meeten rekenresultaten staan in de tussentijdse indicaties.
8.5. Afstanden aftrekken
Enkele afstanden kunnen eenvoudig worden afgetrokken, om bijv. de afstand van de onderkant van een buis tot het plafond te bepalen. Hiervoor wordt de afstand van de vloer onderkant buis afgetrokken van de afstand tot het plafond.
Wordt daarbij nog de buisdiameter afgetrokken, dan verkrijgt men het resultaat van de tussenafstand bovenkant buis tot het plafond.

- Druk op de meettoets (de laserstraal is ingeschakeld).
- Richt het apparaat op het richtpunt.
- Druk op de meettoets. De eerste afstand wordt gemeten en weergegeven (de laser schakelt uit).
-
Druk op de min voor het aftrekken. In de middelste regel voor het tussenresultaat wordt de eerste afstand en in de onderste regel wordt een minteken geschreven (de laser schakelt in).
-
Richt het apparaat op het volgende richtpunt.
- Druk op de meettoets.
De tweede afstand wordt gemeten en weergegeven in de onderste regel voor het tussenresultaat.
Het resultaat van de aftrekking wordt weergegeven in de regel voor de tussenresultaten.
De actuele afstanddifferentie staat altijd in de resultaatregel.

Zo gaat u te werk tot alle afstanden zijn afgetrokken.
Om de aftrekking te beëindigen, meet u eenvoudig een afstand zonder van tevoren de mintoets te gebruiken.
Alle eerdere meet- en rekenresultaten staan in de tussentijdse indicaties.
8.6. Indirecte meting
Een indirecte afstand kan door meerdere afstandmetingen en de berekening volgens de Pythagoras-regels worden bepaald. De functies voor de indirecte meting worden met de functietoets "Indirecte afstandmeting" opgeroepen.
Daarbij kan tussen twee varianten worden geschakeld.

De enkelvoudige variant is geschikt wanneer er al een referentie met een rechthoek is, bijv. in de vorm van twee rechthoekig tegen elkaar staande wanden of vloeren met een verticale wand.
De samengestelde variant is geschikter voor een vrije ruimtelijke bestemming.
- AANWIJZING -
In principe moet bij een indirect meetresultaat rekening worden gehouden met minder precisie. Om een zo goed mogelijk resultaat te krijgen, moet de geometrie (bijv. rechterhoek en driehoeksverhouding) in acht worden genomen. De beste resultaten worden bereikt wanneer:
a) er zorgvuldig op de hoeken wordt gemeten.
b) alle meetpunten in een ruimtelijk vlak liggen
c) dichterbij het object wordt gemeten als het te ver verwijderd is.
8.6.1 Meetcriteria
Tijdens de meting controleert de functie voor indirecte metingen de driehoeksgeometrie. De hoek van de driehoek(en) moet(en) groter zijn dan 10°. Anders geeft een dubbele pieptoon een fout aan, wordt de functie beëindigd en gaan alle metingen verloren. De functie start automatisch opnieuw.

De betrouwbaarste resultaten worden bereikt wanneer de afstand tot het object zo klein mogelijk is. Bovendien dienen bij toepassing van de gecombineerde versie (dubbele driehoek) beide driehoeken van gelijke grootte te zijn.
8.6.2. Keuze van de indirecte meetvarianten
Met de functietoets "Indirecte afstandmeting" wordt eerst de samengestelde variant opgeroepen. Wanneer nogmaals op de functietoets "Indirecte afstandmeting" wordt gedrukt, wordt overgeschakeld op de enkelvoudige variant. Wordt de functietoets "Indirecte afstandmeting" een derde keer ingedrukt, dan wordt de functie beeindigd en overgeschakeld naar de indicatiemodus.
8.6.3. Indirecte meting (samengestelde variant)

De afzonderlijke stappen voor de indirecte afstandmeting worden door de betreffende afbeelding op het display ondersteund.
Om bijvoorbeeld de samengestelde variant te gebruiken, wordt op de volgende manier te werk gegaan:
- Na het starten van de functie "Indirecte meting" is de laserstraal al ingeschakeld en de samengestelde variant geactiveerd.
- Richt het apparaat op het richtpunt dat in de afbeelding wordt getoond.
- Druk op de meettoets.
- Hierna wordt in de afbeelding automatisch gevraagd de middelste afstand te meten. Hier dient er met name rekening mee te worden gehouden dat deze afstand in de continumeetmodus wordt gemeten om het punt met de kortste (rechthoekige) afstand preciezer te bepalen.
-
Over het punt met de kortste afstand gaan en de afstandmeting met de meet toets stoppen.
-
Na het meten van de laatste afstand, berekent het apparaat direct de "Indirecte afstand".

De afzonderlijke stappen voor de indirecte afstandmeting worden door de betreffende afbeelding op het display ondersteund. Om bijvoorbeeld de enkelvoudige variant te gebruiken, wordt op de volgende manier te werk gegaan:
- Na het starten van de functie "Indirecte meting" dient er nogmaals op de func-tietoets te worden gedrukt om de enkel-voudige variant te activeren . De laserstraal is al ingeschakeld.
- Richt het apparaat op het richtpunt dat in de afbeelding wordt getoond.
- Druk op de meettoets.
- Hierna wordt in de afbeelding automatisch gevraagd de kortste afstand te meten.
- Na beëindiging van de tweede meting berekent het apparaat direct de tegen-overliggende "Indirecte afstand".

8.7. Min./max. meting
De minimum-/maximum- (min/max) meting dient in principe voor het bepalen van diagonalen of voor metingen op ontoe-gankelijke plaatsen, zoals bij de bepaling of de inrichting van parallelle objecten. Beide functies worden tegelijkertijd met de toets "min/max" geactiveerd. Daarnaast wordt nog het verschil tussen beide meetresultaten weergegeven.
8.7.1 Maximum meting
Bij de maximum meting wordt de continu- meetmodus gebruikt en wordt de indicatie altijd bijgewerkt wanneer de gemeten afstand groter is geworden.

- Na het starten van de functie "min/max" is de laserstraal al ingeschakeld.
- Richt het apparaat op het richtpunt.
- Druk op de meettoets.
- Hierna start de continumeting.
- In het indicatieveld MAX wordt de weergave in geval van afstandvergroting bijgewerkt.
- In het indicatieveld MIN wordt de indicatie bijgewerkt wanneer de afstand groter wordt.
- De meting beeindigen door op de meettoets te drukken.

Zowel de waarde voor de maximale en de minimale afstand als het verschil tussen beide waarden wordt weergegeven.
8.7.2. Minimummeting
Bij de minimummeting wordt de continu- meetmodus gebruikt en wordt de indicatie altijd bijgewerkt wanneer de gemeten afstand kleiner wordt.

- Na het starten van de functie "Min/Max" is de laserstraal al ingeschakeld.
- Richt het apparaat op het richtpunt.
- Druk op de meettoets.
- Hierna start de continumeting.
- In het indicatieveld MIN wordt de weergave in geval van afstandverkleining bijgewerkt.
- In het indicatieveld MAX wordt de indicatie bijgewerkt wanneer de afstand groter wordt.
- De meting beëindigen door op de meettoets te drukken.

Zowel de waarde voor de maximale en de minimale afstand als het verschil tussen beide waarden wordt weergegeven.
8.7.3. Combi-meting
Met behulp van de combinatie van maxi- mum- en minimumafstand is het mogelijk afstandsverschillen op een zeer eenvoudige en snelle manier precies te bepalen.
Hierdoor kunnen buisafstanden onder plafonds of afstanden tussen twee objecten zelfs op ontoegankelijke plaatsen eenvoudig en precies worden vastgesteld.

- Na het starten van de functie "Min/Max" is de laserstraal al ingeschakeld.
- Richt het apparaat op het richtpunt.
- Druk op de meettoets.
- Hierna start de continumeting.
- Het apparaat bewegen, zodat de langste en kortste afstand worden gemeten.
- Het verschil tussen beide afstanden wordt weergegeven in de regel △

In het weergegeven voorbeeld kan op deze manier het verschil in afstand tussen plafond en onderkant buis direct op het display worden afgelezen.
8.8. Vlakke massa afsteken of afgraven
Met het apparaat kunnen bepaalde massa's, bijv. voor de inbouw van rails bij de droogbouw, worden afgegraven en gemarkeerd.
Voor het afgraven van vlakke massa's wordt bij voorkeur de continu meetmodus gebruikt (zie hoofdstuk 7.4.3.2. Continu-meting).
Voor de activering van de continu meetmodus de meettoets gedurende ca. 2 seconden ingedrukt houden.
Hierbij maakt het niet uit of het apparaat uitgeschakeld of de meetstraal uit- of ingeschakeld is – het apparaat schakelt altijd over op de continueming.
Verander in overeenstemming hiermee de positie van het apparaat, tot u de gewenste afstand bereikt heeft of deze wordt weergegeven.

Om de continueting te beëindigen nogmaals op de meettoets drukken.
9. Kalibreren en justeren
9.1. Kalibreren
Meetmiddelbewaking van het apparaat voor gebruikers, die volgens ISO 900X... gecertificeerd zijn:
U kunt zelf zorgen voor de in het kader van ISO 900X... vereiste meetmiddelbewaking van het PD 32 laser-afstandmeetapparaat (zie ISO 17123-4 veldmethode voor het precisieonderzoek van geodetische instrumenten: deel-6, elektro-optische afstandmeter voor het bereik op korte afstand).
Hiervoor kiest u een voor lange tijd onveranderlijk en gemakkelijk toegankelijk meet-traject van een bekende lengte van ca. 1 tot 5 m (instelafstand) en voert u 10 metingen uit op dezelfde afstand.
Bepaal de gemiddelde waarde van de afwijkingen ten opzichte van de ingestelde afstand. Deze waarde dient binnen het specifieke precisiebereik van het apparaat te liggen.
Noteer deze waarde en leg het tijdstip van de volgende controle vast.
Herhaal deze controlemeting regelmatig en voor en na belangrijke meetopgaven.
Voorzie de PD 32 van een etiket voor de meetmiddelbewaking en documenteer het volledige bewakingsproces, de testprocedure en de resultaten.
Neem de technische gegevens in de handleiding en de toelichting over de meetprecisie in acht.
9.2. Justeren
Om te zorgen voor een optimale instelling van de laser-afstandmeter laat u het apparaat door een Hilti-werkplaats justeren, waarbij men de precieze instelling graag met een kalibreercertificaat bevestigt.
9.3 Hilti kalibreerservice
Wij raden u aan het laser-afstandmeetapparaat regelmatig door de Hilti kalibreerservice te laten controleren, om te kunnen garanderen dat het qua precisie voldoet aan de normen en wettelijke eisen.
De Hilti kalibreerservice staat u te allen tijde ter beschikking. Het wordt aanbevolen het apparaat eens per jaar te laten controleren.
In het kader van de Hilti kalibreerservice wordt bevestigd dat de specificaties van het gecontroleerde apparaat op de dag van de controle voldoen aan de technische gegevens van de handleiding.
Bij afwijkingen van de gegevens van de producent worden de gebruikte meetapparaten weer opnieuw ingesteld. Na de justering en controle wordt een kalibreersticker op het apparaat aangebracht en wordt door middel van een kalibreercertificaat schriftelijk bevestigd dat het apparaat functioneert volgens de gegevens van de producent.
Bedijven die volgens ISO 900X... gecertificeerd zijn, hebben altijd een kalibreercertificaat nodig.
Uw Hilti vestiging geeft u graag meer informatie.
10. Verzorging en onderhoud
10.1. Reinigen en drogen
– Blaas het stof van het glas.
- Raak het glas niet aan met uw vingers.
- Reinig het alleen met een schone en zachte doek; bevochtig het zonodig met zuivere alcohol of wat water.
- AANWIJZING -
- Gebruik geen andere vloeistof, omdat de kunststofonderdelen hierdoor kunnen worden aangetast.
- Bij de opslag van uw uitrusting dient u zich te houden aan de temperatuurlimieten. Dit is met name van belang in de winter/zomer, wanneer u de uitrusting in een voertuig bewaart. (30 °C tot +70 °C/22 °F tot +158 °F).
– Beschadigde onderdelen laten vervangen.
10.2. Opslaan
- Apparaten die nat zijn geworden, dienen te worden uitgepakt. Apparaten, transportcontainers en toebehoren reinigen. De uitrusting mag pas weer worden uitgepakt als hij volledig droog is.
- Voer wanneer uw uitrusting gedurende langere tijd is opgeslagen of op transport is geweest een controlemeting uit.
- Wordt het apparaat lange tijd niet gebruikt, verwijder dan de batterijen. Lekkende batterijen en accu's kunnen het apparaat beschadigen.
10.3. Transporteren
Gebruik voor het transport of de verzending van uw uitrusting de kartonnen verzenddoos van Hilti of een gelijkwaardige verpakking.

- AANWIJZING -
Verzend het apparaat altijd zonder batterijen.
11. Afval voor hergebruik recyclen
- ATTENTIE -
Wanneer de uitrusting op ondeskundige wijze wordt afgevoerd, kunnen zich de volgende situaties voordoen:
Bij het verbranden van kunststofonderdelen ontstaan giftige verbrandingsgassen, waardoor er personen ziek kunnen worden. Wanneer de batterijen beschadigd of sterk verwarmd worden, kunnen ze ontploffen en daarbij vergiftigingen, brandwonden (door brandend zuur) of milieuvervuiling veroorzaken. Wanneer het apparaat niet zorgvuldig wordt afgevoerd, bestaat de kans dat onbevoegde personen de uitrusting op ondeskundige wijze gebruiken. Hierbij kunt u zichzelf en derden ernstig letsel toebrengen en het milieu vervuilen.
Hilti-apparaten zijn voor een groot deel vervaardigd uit materiaal dat kan worden gerecycled. Voor hergebruik is een juiste materiaalscheiding noodzakelijk. In veel landen is Hilti er al op ingesteld om uw oude apparaat voor recycling terug te nemen. Vraag hierover informatie bij de klantenservice van Hilti of bij uw verkoopadviseur. Als u het apparaat zelf voor recycling gereed wilt maken: neem het uit elkaar in zoverre dat zonder speciaal gereedschap mogelijk is.
Scheid de onderdelen als volgt:
Onderdeel/component Hoofdmateriaal Verwerking
| Behuizing | kunststof | kunststofrecycling,oud metaal |
| Schakelaar kunststof kunststofrecycling | ||
| Schroeven,kleine onderdelen magneten oud metaal | staal, | aluminium, |
| Elektronica | divers | elektronica-afval |
| Batterijen/accu's alkaline mangaan *draagtas geweven | synthetischmateriaal | kunststofrecycling |


Voer de batterijen af volgens de nationale voorschriften.
12. Garantie
Hilti garandeert dat het geleverde apparaat geen materiaal- of fabricagefouten heeft. Deze garantie geldt onder de voorwaarde dat het apparaat in overeenstemming met de handleiding van Hilti wordt gebruikt, onderhouden en gereinigd, dat alle aanspraken op garantie binnen 12 maanden* na de verkoopdatum (factuurdatum) worden ingediend en dat de technische uniformiteit gehandhaafd is, d.w.z. dat er alleen origineel Hilti-materiaal, en originele Hilti-toebehoren en -reserveonderdelen voor het apparaat zijn gebruikt. * (in zoverre dwingende nationale voorschriften geen langere minimumduur voorschrijven)
Deze garantie omvat de gratis reparatie of de gratis vervanging van de defecte onderdelen. Onderdelen die aan normale slijtage onderhevig zijn, vallen niet onder deze garantie.
Verdergaande aanspraak is uitgesloten voor zover er geen dwingende nationale voorschriften zijn die hiervan afwijken. Hilti is met name niet aansprakelijk voor directe of indirecte schade als gevolg van gebreken, verliezen of kosten in samenhang met het gebruik of de onmogelijkheid van het gebruik van de machine voor welk doel dan ook. Stilzwijgende garantie voor gebruik of geschiktheid voor een bepaald doel is nadrukkelijk uitgesloten.
Voor reparatie of vervanging moeten het apparaat en/of de betreffende onderdelen onmiddellijk na vaststelling van het defect naar de verantwoordelijke Hilti-marktorganisatie worden gezonden.
Deze garantie omvat alle garantieverplichtingen van de kant van Hilti en vervangt alle vroegere of gelijktijdige, schriftelijke of mondelinge verklaringen betreffende garanties.
13. FCC-instructie (geldig in de VS)
- ATTENTIE -
Dit apparaat is tijdens testen binnen de limieten gebleven die in alinea 15 van de FCC-bepalingen voor digitale apparaten van klasse B zijn vastgelegd. Deze limieten bieden voor installaties in woongebieden voldoende bescherming tegen storende uitstraling. Apparaten van dit type produceren en gebruiken hoge frequenties en kunnen deze ook uitstralen. Wanneer ze niet volgens de instructies worden geïnstalleerd en gebruikt, kunnen ze daarom leiden tot storingen bij de radio-ontvangst.
Er kan echter niet worden gegarandeerd dat zich bij bepaalde installaties geen storingen kunnen voordoen.
Ingeval dit apparaat storingen bij de radio- of televisieontvangst veroorzaakt, wat kan worden vastgesteld door het uit- en vervolgens weer in te schakelen, is de gebruiker verplicht de storingen door middel van de volgende maatregelen op te heffen:
- De ontvangstantenne in de juiste stand brengen of verplaatsen.
- De afstand tussen het apparaat en de ontvanger vergroten.
- Het apparaat aansluiten op het stopcontact van een andere stroomkring dan die van de ontvanger.
Laat u helpen door uw handelaar of een ervaren radio- en televisietechnicus.
Productopschrift:

14. EG-conformiteitsverklaring
Omschrijving: Laser-afstandmeet-apparaat
Type: PD 32
Bouwjaar: 2003
CE -conform
Als de uitsluitend verantwoordelijken voor dit product verklaren wij dat het voldoet aan de volgende voorschriften en normen: EN 50081-1 en EN 61000-6-2 volgens de bepaling van richtlijn 89/336/EWG
Hilti Corporation

Matthias Gillner
Head BU
Measuring Systems
02 / 2004

Dr. Heinz-Joachim
Schneider