Joice (2001) - Automobiel KIA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Joice (2001) KIA in PDF-formaat.
| Type product | Auto (MPV) |
| Merk | KIA |
| Model | Joice (2001) |
| Afmetingen (L x B x H) | ca. 4,3 m x 1,7 m x 1,6 m |
| Gewicht (ledig) | ca. 1.300 kg |
| Brandstoftype | Benzine |
| Motorinhoud | 2.0 L |
| Vermogen | ca. 101 pk (75 kW) |
| Transmissie | Handgeschakeld (5 versnellingen) of optioneel automatisch |
| Aantal zitplaatsen | 7 |
| Veiligheidsvoorzieningen | Airbags, ABS, gordelspanners |
| Onderhoud en reiniging | Regelmatig olie verversen, bandenspanning controleren, interieur stofzuigen |
| Reparatiehandleiding | In de gebruiksaanwijzing beschikbaar als PDF |
| Brandstoftankinhoud | ca. 60 L |
| Bandenmaat | 195/60 R15 |
Veelgestelde vragen - Joice (2001) KIA
Gebruikersvragen over Joice (2001) KIA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Joice (2001) - KIA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Joice (2001) van het merk KIA.
GEBRUIKSAANWIJZING Joice (2001) KIA
Nu u de trotse eigenaar van een Kia Joice bent, zal men u wellicht heel wat vragen voer uw auto en de producent ervan stellen "Wie of wat is Kia?", "Wat betekent 'Kia'?"
Hier krijgt u het antwoord. Allereerst is Kia de oudste autoproducent in Korea. Het bedrijf telt duizenden werknemers die zich vol overgave toeleggemp de productie van kwaliteitsauto's met een betaalbaar prijskaartje. De werknemers zijn immers eigenaar van een aanzienlijk deel van het bedrijf.
Be eerste lettergreep, Ki, van de naam "Kia" betekent "ontstaan uit de wereld" of "van de wereld voortkomen". De tweede lettergreep, a; staat voor Zaië. De naam Kia betekent dus "uit Azië ontstaan op de wereld komen."
Veel plezier met uw Joice!
VOORWOORD
Gefeliciteerd met de aankoop van uw Kia.
Wanneer uw auto aan onderhoud toe is, vergeet dan niet dat uw dealer uw auto als geen ander kent. Uw dealer beschikt over technici die door de producent opgeleid werden, over het aanbevolen speciale gereedschap en originele Kia-onderdelen. Bovendien ligt uw tevredenheid hem nauw aan het hart.
Omdat de volgende eigenaar deze belangrijke informatie ook nodig hebben, dient dit boekje bij de auto te blijven wanneer u hem verkoopt.
In deze handleiding leest u alles over de werking, het onderhoud en de veiligheid van uw nieuwe auto. In de bijlage vindt u ook een garantieboekje met belangrijke informatie over alle geboden garanties op uw auto: garantie op het nieuwe voertuig, garantie op de aandrijving, garantie van corrosiebestendigheid en garantie op het uitlaatcontrole-systeem. Is uw auto uitgerust met een audiosysteem, dan krijgt u ook een handleiding voor het geOntegreerde audiosysteem van Kia, waarin u alles leest over de werking van het systeem. We raden u aan al deze documentatie gronding door te nemen en de aanbevelingen te volgen. Zo bent u zeker van een optimaal rijcomfort en absolute veiligheid van uw nieuwe auto.
Kia biedt een uitgebreide serie van opties, componenten en kenmerken voor zijn diverse modellen aan.
Daarm is het mogelijk dat de in deze handleiding beschreven uitrusting en de vele illustraties niet helemaal van toepassing zijn op uw specifieke auto. De informatie en de specificaties in deze handleiding waren accuraat op het ogenblik dat ze gedrukt werden. Kia behoudt zich het recht voor de specificaties of het ontwerp stop te zetten of aan te passen zonder voorafgaande mededeling en zonder dat hieraam verplichtingen voortvloeien. Hebt u nog vragen, neem dan gerust contact op met uw Kia-dealer.
We verzekeren u dat we alles in het werk zullen stellen uw rijgenot en uw tevredenheid over uw Kia. te waarborgen.
©2001 Kia Motors Corp.
Alle rechten voorbehouden. Elke vorm van reproductie of vertaling, gedeeltelijk of in zijn geheel, is slechts toegelaten met schriftelijke toestemming van Kia Motors Corp.
Gedrukt in Korea
Inhoud
Gebruik van de handleiding 1-1
Onderdelen 2-1
Veiligheidsinstructies 3-1
Vergrendelingen 4-1
Controle-, meet- en bedieningsinstrumenten . . . . 5-1
Into euru trusing voor comfortabel o jdeo . . . . . 6-1
Verd arming en airconditioning . . . . . . . . . . 7-1
Sti→en en rijd-n. 8-1
Onderhoud 9-1
Onderhoud in de winter 10-1
Noodgevallen 11-1
Onderhoudsschema 12-1
Index 13-1
Gebruik van de handleiding
In deze handleiding worden de volgende symbolen gebruikt:
* : Een sterretje verwijst naar onderdelen die optioneel of niet op alle modellen aanwezig zijn.
Dit symbool duidt aan in welke positie de contactschakelaar moet staan opdat u het onderdeel zou kunnen bedienen.

ON

ON ACC
De functie kan alleen geactiveerd worden als de contactschakelaar op "ON" staat.
De functie kan geactiveerd worden als de contactschakelaar op "ON" of "ACC" staat.

- Dit symbool wijst op gevaar voor lichamelijk letsel
Opgepast
- Dit symbool waarschuwt voor mogelijke defecten of beschadiging van het voertuig
Het is zeer belangrijk dat u de mededelingen die worden voorafgegaan door een van deze symbolen, nauwgezet in acht neemt.




Onderdelen







Veiligheidsinstructies
Voor het starten 3-2
Tijdens het rijden 3-3
Voor automatische auto's 3-4
Bij het stoppen en parkeren 3-5
Tijdens het rijden met kindenren 3-6
Veiligheidssysteem voor kinderen 3-7
Overige aanwijzingen 3-8
Voor het starten
Controleer uw auto dagelijks voor u start.
- Door iedere dag voor u start uw auto na te kijken, kunt u ongelukken voorkomen.
Plaats geen brandbare vloeistoffen of gassen in de auto.
- Als de verpakking beschadigd wordt, kan de vloeistof of het gas ontsnappen en vuur vatten in uw auto.

MSO-0014
Doe altijd uw veiligheidsgordel om.
- Raadpleeg het betreffende hoofdstuk om te weten hoe u uw veiligheidsgordel correct moet vastmaken. 6-8
o Zeg tegen uw passagiers dat ze hun veiligheidsgordel moeten dragen.

Laaduw auto niet te vol.
a Stapel de lading niet hoger dan de stoelen, want dan belemmert ze het zicht. Bovendien kan de lading dan naar voren vallen als u plots moet remmen.
- Overschrijd het toegelaten maximumgewicht niet.
- Als uw auto achteraan te zwaar geladen is, vermindert zijn stabiliteit.
s Zorg ervoor dat de lading niet kan verschuiven tijdens het rijden.
Laat de auto eerst opwarmen.
- Begin pas te rijden als de wijzer van de watertemperatuurmeter begint te bewegen.
- Neem voorzorgen tegen uitlaatgasvergiftiging als u de motor lang laat draaien in een gesloten ruimte.
- Controleer of er zich geen ontvlambare voorwerpen achter de auto bevinden.
Tank alleen de voorgeschreven brandstof.
- Vul de tank alleen met loodvrije benzine. Loodhoudende benzine of een ongeschikt additief (waaronder antivries) kunnen de katalysator beschadigen.
Controleer of er niets de beweging van de pedalen belemmert.
- Laat geen voorwerpen rondslingeren in de buurt van de pedalen. Het kan fatale gevolgen hebben alsu plots moet remmen en u de rempedaal niet helemaal kunt induwen doordat er iets onder ligt.
- Controleer of de vloermat niet over de pedalen ligt.

Schakel de motor niet uit tijdens ket rijden.
- Als u de motor uitschakelt tijdens het rijden, neemt het remvermogen af en is de auto moeilijker te besturen.
- Trek de sleutel niet uit de contactschakelaar terwijl u rijdt. Anders blokkeert het stuur en verliest u de controle over de auto.
- Het kan schade veroorzaken aan de uitlaat.

Test hel remvermogen als de auto nat is geworden.
s Door water op de rem kan het remvermogen tijdelijk afnemen. Als de auto nat is geworden, moet u vertragen en voldoende afstand nemen van de voertuigen voor en achter u, zodat u de rempedaal een paar keer kunt induwen om de remmen te drogen tot ze weer normaal functioneren.
Als u met grote snelheid rijdt op een nat wegdek, vermindert de wrijving tussen de band en de weg, waardoor het rem- en stuurvermogen afnemen

s Neem de volgende voorzorgsmaatregelen als u bij nat weer rijdt.
(1) Matig uw snelheid.
(2) Rij niet met versleten banden.
(3) Zorg voor een goede bandenspanning.
Kijk achter u voor u achteruitrijdt.
- Het volstaat niet in de achteruitkijkspiegel te kijken, want daarin kunt u niet alles zien.
- Pas op voor kinderen en afsluitingen.

MSO-0019
Wem op de motor als u bergaf rijdt.
- Door steeds op de rempedaal te drukken, kunt u de rem oververhitten, wat gevaarlijk kan zijn. Daarom moet u ook op de motor remmen.
- Rem niet plots op de motor als u op een nat of beijzeld wegdekrijdt, want dan kan de auto beginnen te slippen.
★ Remmen op de motor
Remmen op de motor betekent de gaspedaal loslaten, waardoor u
vertraagt. In een lage versnelling is het effect groter.
(Bij een automatische versnellingsbak gebruikt u de versnelling 2 of L.)

Neem uw voet van de rempedaal wanneer u niet remt.
- De remblokken en remvoering verslijten sneller als de rem oververhit is. - Het remvermogen neemt af als de rem oververhit is.
Voor automatische auto's \*
Voor u de motor start
- Controleer de positie van de gas- en rempedaal met uw rechtervoet.

- Kijk na of de keuzehendel in de positie P staat.
- Druk op de rempedaal terwijl u de motor start.

- Zet de keuzehendel in de gewenste stand terwijl u met uw rechtervoet de rempedaal ingedrukt houdt.

Om te beginnen te rijden
- Neem uw voet van de rempedaal en druk de gaspedaal traag in.

- Zet de keuzehendel in "P" terwijl u de rempedaal indrukt.
- Verwijder de sleutel nadat u de keuzehendel in "P" hebt gezet.

MSO-0025
Bij het stoppen of parkeren
Stop of parkeer niet in de buurt van ontvlambare voorwerpen.

Tijdens het rijden wordt de uitlaatpijp warm. Als ze in contact komt met zaken die gemakkelijk vuur vatten, zoals droge bladeren of papier, kan er brand ontstaan.
begde motor stil wanneer u de auto verlaat.
Leg de motor stil om brand te vermijden en vergrendel de deuren om diefstal te vermijden.
- Laat geen waardevolle voorwerpen achter in de auto.
Leg de motor altijd still als u in de auto slaapt.
- U zou in uw slaap de versnellingspook of keuzehendel en de gaspedaal kunnen bedienen en zo een ongeluk veroorzaken. Als u onbewust de gaspedaal ingedrukt houdt, kan de motor, de uitlaat enz. oververhit raken.
- Als u de motor laat draaien op een onverluchte plaats, bestaat er gevaar van uitlaatgasvergiftiging.

Bij hel parkerenop een hellingmoet u in een andere versnelling schakelen, de handrem aanhalenende auto vastzetten met een wig.
- Zet de auto in de eerste versnelling als u bergop parkeert en in "R" als u bergaf parkeert.
- Parkeer niet op steile hellingen.
Tijdens het rijden met kindenren
De deuren, ruiten en stoelen mogen alleen door volwassenen worden bediend.
- Pas op dat er niemands hoofd of hand gekiemd geraakt.
e Vergrendel de elektrisch bedienbare ramen. 4-4
baat niet toe dat iemand zijn hand of hoofd uit het raam steekt.

MSO-0028
Plaats kleine kinderen in speciale kinderzitjes.
Als het kind nog zo klein is dat de schoudergordel het gezicht of de keel kan raken, moet een kinderzitje worden gebruikt. Voor grotere kinderen volstaat een stoelverhoger.

Laat geen kinderen vooraan plaatsnemen.
Schakel het kinderslot in, 4-3
- De achterbank is veiliger in geval van een ongeluk.

baat geen kinderen alleen in de auto achter.
- Bij warm weer kan het kind oververhit geraken in de auto. - Het kind kan per ongeluk de auto in beweging zetten of brand veroorzaken.

Laat geen kind in de bagageruimtespelen tijdens hart rijden.
- Dat kan gevaarlijk zijn.
Veiligheidssysteem voor kinderen
Kinderen moeten in de auto altijd op de achterbank in een veiligheidssysteem worden meegenomen, zodat de kans op verwondingen bij een aanrijding, plotseling afremmen of plotselinge manoeuvres wordt beperkt. Volgens ongevalstatistieken zijn kinderen veiliger als ze op de juiste wijze in een veiligheidsvoorziening op de achterbank dan op de voorstoel worden meegenomen. Grotere kinderen moeten een van de aanwezige veiligheidsgordels gebruiken.
Volgens de wet moet voor kinderen een veiligheidssysteem voor kinderen worden gebruikt. Kleine kinderen moeten in de auto in een veiligheidssysteem (kinderzitje) worden meegenomen.
Kinderen kunnen bij een aanrijding gewond raken als hun veiligheidssysteem niet correct is bevestigd. Voor kleine kinderen en baby's moet een kinderzijte of babyzitje worden gebruikt. Voordat een bepaald veiligheidssysteem voor kinderen wordt aangeschaft, moet worden gecontroleerd of het systeem voor uw auto en de veiligheidsgordels geschikt is en passend is voor uw kind. Volg bij het installeren van het veiligheidssysteem voor kinderen alle instructies die door de fabrikant van het systeem worden gegeven.
WAARSCHUWING:
o Een veiligheidssysteem voor kinderen moet op de achterbank worden bevestigd. Een kinder- of babystoeltje mag nooit op de voorstoel worden bevestigd.
Als bij de een aanrijding de zij-airbag aan passagierszijde in werking treedt, kan het kind of de baby in het kinder- of babystoeltje levensgevaarlijk gewond raken. Gebruik daarom een veiligheidssysteem voor kinderen alleen op de achterbank.
o Omdat een veiligheidsgordel of een veiligheidssysteem voor kinderen in een afgesloten stilstaande auto zeer warm kan worden, moelen de stoelhoes en de gordelsloten worden gecontroleerd, voordat het kind in de auto wordt geplaatst.
o Wanneer het kinderzitje niet wordt gebruikt moet het met de veiligheidsgordel worden vastgezet zodat het niet bij een ongeval of noodstop naar voren wordt geslingerd.
o Kinderen die te groot zijn voor het veiligheidssysteem voor kinderen, moeten op de achterbank in de aanwezige gordel zitten.
o Let erop dat het schoudergedeeite van de buitenste driepuntsgordel in het midden van de schouder ligt, nooit tegen de nek. Door het kind dichter bij het midden van de bank te plaatsen, kan een betere aanligging van de gordel worden verkregen. Het heupgedeelte van de driepuntsgordel of de middelste heupgordel moet zo laag mogelijk op de heup van het kind en zo prettig mogelijk aanliggen.
o Als de veiligheidsgordel niet volledig passend is voor het kind, moet een goedgekeurde zitblok op de achterbank worden gebruikt, zodat de zithoogte van het kind wordt aangepast aan de aanwezige veiligheidsgordel.
o Laat nooit een kind op de zitting staan of knielen.
o Gebruik nooit een babydrager of kinderzitje dat over de rugleuning "haakt"; het kan bij een aanrijding onvoldoende bescherming geven.
Laat onder het rijden een inzittende nooit een kind in de armen houden; hierdoor kan het kind bij een aanrijding of een sterke afremming ernstig gewondraken. Het vasthouden van een kind tijdens het rijden biedt geen enkele vorm van bescherming, zelfs niet als de betreffende persoon de veiligheidsgordel heeft omgegespt.
Geschiktheid van veiligheidssysteem voor kinderen voor zitplaatsen
Gebruik een veiligheidssysteem voor kinderen dat oficieel is goedgekeurd en dat voor uw kinderen geschikt is.
| Leeftijd-sgroep | Zitpositie | |||||
| Voorpassagler | Tweede zitrij | Derde zitrij | ||||
| Linkerstoel | Midden | Rechterstoel | Linkerstoel | Rechterstoel | ||
| 0 : Tot 10 kg(0 ~ 9 maanden) | X | X | X | X | U | U |
| 0+ : Tot 13 kg(0 ~ 2 jaar) | X | X | X | X | U | U |
| I : 9 kg tot 18 kg(9 maanden~4jaar) | UF | X | X | X | U | U |
| II & III : 15 kgtot 36 kg(4 ~ 12 jaar) | UF | X | X | X | UF | UF |
U :Geschikt voor "universele" categorie veiligheidssystemen goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
UF : Geschikt voor in voorwaartse richting geplaatste "universele" categorie veiligheidssystemen goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
X :Zitplaats niet geschikt voor kinderen in deze gewichtsklasse
Overige aanwijzingen
Verbouw de auto niet.
- Het is verboden de auto op welke manier dan ook te verbouwen. Het is niet alleen tegen de wet, maar het kan ook het vermogen, de levensduur en de veiligheid van het voertuig aantasten. Bovendien kunt u geen aanspraak maken op herstellingen onder garantie ais de auto is verbouwd.
Gebruik alleen banden en wielen met de voorgeschreven afmetingen.
Als u andere banden en wielen monteert, kan de auto beginnen te trillen, te veel brandstof verbruiken of slecht bestuurbaar worden enz. Bovendien kan het leiden tot vroegtijdige slijtage van het aandrijfsysteem.
Wees voorzichtig met de installatie van radiozenders of andere apparaten met een elektrisch veld.
- Uitrusting die niet geschikt of niet juist geonstalleerd is, kan de werking van de elektrische systemen, zoals de boordcomputer, verstoren. Bovendien kan een beschadigde bedrading, een storing in de elektrische signalen enz. brand veroorzaken. Neem contact op met uw concessiehouder.
Wees voorzichtig met het aanbrengen van accessoires.
- Neem contact op met uw concessiehouder of servicecenter.
- Het laten plaatsen van een getinte voorruit wordt afgeraden omdat het kan leiden tot lekken en andere problemen.
- Wees voorzichtig als u de staelen bekleedt met een toes, bv. uit vinyl. Als er craden loskomer of er een kortsluiting optreedt, kan dat leiden tot geluidshinder, brand of een slechte ventilatie.
- Het aanbrengen van uitbouwstukken kan roøst veroorzaken al: de (ek wordt beschadlgd door het borén.
- Accessoires die aan het raam worden bevestigd, 0.0 < zicht belemmaren en brand v® rocrzaken als het Béco ess ire in t ffe 1 Heef van en lens enz.

Denk om uw SRS-airbag.
Maak steeds uw veiligheidsgordel vast, want de SRS-airbag is slechts een aanvulling op de veiligheidsgordel.
- Verwijder de stickers als u het stuur vervangt, zodat de airbag normaal kan functioneren.
- Neem contact op met uw concessiehouder voor reparaties aan het stuur, de middenconsole, het instrumentenbord enz.

Rijd niet als u dronken bent.
- Rijd nooit onder invloed van alcohol. Alcohol tast het waarnemings- en becordelingsvermogen aan en vermindert uw rijcapaciteit.
Inrijden van een nieuwe auto
De eerste 2.000 km kunnen bepalend zijn voor de levensduur en het vermogen van uw auto. Daarom moet u de volgende voorschriften naleven:
(1) Vermijd plots starten, versnellen, stoppen en lang rijden met grote snelheid.
(2) Zorg ervoor dat het toerental onder 4.000 t/min blijft.
(3) Schakel op tijd.
(4) Laat de motor niet lang stationair draaien.

MSO-0002
Zuinig rijden
▶ Oververhit de motor niet.
▶ Overbelast de auto niet.
Leg de motor stil als u langere tijd stilstaat.
▶ Vermijd plots starten en plots versnellen.
▶ Rij met regelmatige snelheid.
Zorg voor een goede bandenspanning.
Vermijd onnodig remmen door voldoende afstand te houden van het voertuig voor u.
Houd uw auto altijd proper en in goede staat.

Door de onderstaande voorschriften na te leven, vermindert u de kans op problemen in de winter.
O Groot onderhoud en voorbereidingen
▶ Concentratie antivries in de koelvloeistof.
Vorstvrije vloeistof voor de ruitensproeier.
Hoeveelheid en zuurtegraad accuvloeistof.
Bouaie en onderdelen voor het starten.
▶ IJskrabbertje.
Winterbanden of sneeuwkettingen .
O Tijdens het rijden op sneeuw of ijzel
Start in 2de versnelling (bij automatische versnellingsbak: in "D" in "HOLD"-modus.)
▶ Breng sneeuwbanden of sneeuwkettingen aan.
Rem op de motor om te vertragen.
Houd voldoende afstand van de voertuigen voor en achter u.
Druk de rempedaal traag in.
Zorg ervoor dat er zich geen sneeuw of ijs kan opstapelen binnen de wielkast.
O Parkeren
s Als u buiten parkeert, doe het dan met de voorkant in de richting van de zonsopgang.

- Zet de ruitenwissers naar boven, zodat ze niet kunnen vastvriezen aan de ruit.
e Bij extreme koude moet u de versnellingspook in de I e versnelling of "R" zetten en een wig onder de wielen plaatsen. De handrem kan immers bevriezen als ze is aangehaald.
Een bocht nemen
Vertraag voor de bocht en rijd van de buitenkant naar de binnenkant. Als u bijna uit de bocht bent, versnelt u en rijdt u terug naar de buitenkant. (eerst vertragen, dan versnellen)
Let wel op dat u de middenstreep niet overschrijdt, want dat kan zeker in een bocht bijzonder gevaarlijk zijn.
Rem of schakel niet op een nat wegdek.

flowchart
graph TD
A["Start"] --> B["Binnenkant"]
B --> C["Buiterkant"]
C --> D["Traag"]
D --> E["Versnelien"]
E --> F["Beginnen to vertragen"]
MSO-0041
Auto's met ABS-systeem
Tijdens het rijden op een onverharde weg, zand of sneeuw kan de remafstand langer zijn dan bij een auto zonder ABS. Rij daarom traag en voorzichtig.
Aangezien de remafstand afhankelijk is van de ligging van de weg, moet u steeds een veilige afstand van de andere voertuigen bewaren.
- Terwijl het ABS actief is, zult u trillingen en geluid in de carrosserie, het stuur en de rempedaal gewaarworden.
U hoeft dan niet ongerust te zijn, dat wijst er gewoon op dat het ABS normaal functioneert.
- Als het controlelampje van het ABS brandt, functioneert het ABS niet. U bent dan aangewezen op de gewone remmen.
(Neem in dat geval altijd contact op met een erkend servicecenter.)
MEMO
Vergrendelingen
Sleutels 4-2
Portierslot 4-2
Laadklep 4-3
Centrale vergrendeling 4-4
Schakelaar elektrisch bedienbare ramen - 4-4
Motorkap 4-6
Brandstofvulklep 4-7
Bewaking lichten 4-7
Startblokkering 4-7
Sleutels
Bij de levering van uw auto ontvangt u twee sleutels.

HDS-078
Portierslot
De auto van buiten af openen of vergrendelen
■ Openen of vergrendelen met een sleutel
① De sleutel in het slot steken (of eruit trekken)
② Op slot ③ Van slot

■ Vergrendelen zonder sleutel

- Leg de motor altijd stil en doe het portier op slot als u uw auto verlaat, zo voorkomt u brand, diefstal enz. Laat geen kinderen alleen in de auto achter.
- Controleer steeds of de deur goed gesloten is, zodat ze niet kan openslaan tijdens het rijden.
- Vergeet niet de sleutel uit het slot nemen nadat u de deur op slot hebt gedaan.
■ Voorportier
① Druk op de vergrendelknop. Q Sluit de deur.

De auto van binnen uit openen of vergrendelen
U kunt de deur op slot doen door de vergrendelknop in te drukken. Om de deur te kunnen openen, moet u de vergrendelknop weer uittrekken.


Controleer steeds of de portieren goed gesloten zijn. Een deur die plots openslaat, kan gevaarlijk zijn.
Kinderslot
(Kinderslot op de achterdeuren)
Als het kinderslot is ingeschakeld, kunnen de achterdeuren niet van binnen uit geopend worden. Schakel het kinderslot altijd in als er kinderen meerijden.
□ Bediening
Op beide achterportieren bevindt zich een grendel voor het kinderslot. Als u de grendel in de positie LOCK zet, kan de deur niet van binnen uit worden geopend. Als de grendel in de positie FREE staat, is het kinderslot niet ingeschakeld.

Als het kinderslot is ingeschakeld, kunt u het achterportier alleen openen van buiten af met de deurkruk.
Laadklep
Om de laadklep op slot te doen, draait u de sleutel naar links. Om de deur van het slot te doen, draait u de sleutel naar rechts.
De laadklep openen
Doe de laadklep van slot met de sleutel en trek ze naar boven.
□ De laadklep sluiten
Duw de laadklep naar beneden.

- Zet de rugleuning van de achterste bank overeind voor u de laadklep sluit.
- Controleer of de laadklep goed gesloten is, voor u begintte rijden. Als de laadklep opengaat tijden het rijden. kan uw bagage uit de auto vallen.

MSO-0050
Centrale vergrendeling
Portierslot linkervoorportier
Als u de deur van de bestuurder op slot doet (sleutel naar voren draaien), zijn alle portieren en de laadklep vergrendeld. Als u het portier van slot doet (sleutel naar achteren draaien), zijn alle portieren en de laadklep weer ontgrendeld.

■ Vergrendelknop linkervoorportier
Met de vergrendelknop aan het linkervoorportier ver- of ontgrendelt u alle portieren en de laadklep.

Schakelaar elektrisch bedienbare ramen
Schakelaars aan de bestuurdersstoel
Met de schakelaars aan de bestuurdersstoe! kunnen alle portierramen worden bediend.

Let op dat er geen hoofd of hand geklernd geraakt als u een raam sluit.

① Raam linkervoorportier
② Raam re chlervoorportier
③ Raam linkerachterportier
④ Raam rechterachterportier
⑤ Vergrendeling
HDS-008
□ Een raam openen
Druk de schakelaar in om het raam te openen.
□ Een raam sluiten
Hef de schakelaar op om het raam te sluiten.

n Korte druk op de knop
(raam van de bestuurder)
U kunt het raam snel openen door de bedieningsknop even helemaal in te drukken. Als het raam ver genoeg is geopend, kunt u het openingsmechanisme stopzetten door de schakelaar zachtjes naar boven te trekken.

Raamvergrendeling
Als u op de schakelaar van de raamvergrendeling drukt, kan alleen het raam van de bestuurder nog worden geopend of gesloten. Druk nogmaals op de schakelaar om de ramen te ontgrendelen.

Schakel de raamvergrendelingaltijd in als er kinderen meerijden. Als de kinderen met de schakelaars spelen, loopt u anders het gevaar dat er een hand of een hoofd tussen het raam geklemd geraakt

Schakelaars aan de passagiersstoel
■ Het raam openen
Druk de schakelaar in om het raam te openen.
□ Het raam sluiten
Hef de schakelaar op om het raam te sluiten. Als de raamvergrendeling is ingeschakeld, werkt de schakelaar niet.

Controleer voor u op de schakelaar van de elektrisch bedienbare ramen drukt of er geen hand of hoofd kan geklemd raken. De ramen openen en sluiten immers met een aanzienlijke kracht. Neem steeds de sleutel uit de contactschakelaarwanneer u de auto verlaat en laat geen kinderen alleen achter. Als u de sleutel laat zitten en er zich kinderen in de auto bevinden, kunnen de kinderen letsels oplopen als hun hoofd of hand tussen het raam geklemd geraakt.

Schakelaars aan de zitbank
■ Het raam openen
Druk de schakelaarin om het raam te openen.
□ Het raam sluiten
Hef de schakelaar op om het raam te sluiten. Als de raamvergrendeling is ingeschakeld. werkt de schakelaar niet.

De ramen van de achterportieren kunnen slechts gedeeltelijk worden geopend

MSO-0059
Motorkap
□ Bemotorkap openen
- Trek aan de hendellinks onder het dashboard om de motorkap te ontgrendelen.

- Trek de hendel in het midden vooraan op de motorkap naar rechts en trek de motorkap omhoog.

- Plaats de steunstang in de daartoe voorziene opening in de motorkap en controleer of hij goed vaststaat.

Als u de motorkap openzet terwijl er veel wind is, kan de steunstang omwaaien.
■ De motorkap sluiten
- Trek de steunstang uit de opening in de motorkap en plaats hem terug op zijn plaats.
- Breng de motorkap naar beneden en laat ze de laatste 30 cm vallen.
- Controleer of de motorkap goed gesloten is.

Controleer voor u begint te rijden of de motorkap goed gesloten is. Anders kan de motorkap openslaan terwijl u aan het rijden bent en dat is bijzonder gevaarlijk.
Brandstofvulklep
Trek het hendeltje links onder de bestuurdersstoel naar boven omde brandstofvulklepte ontgrendelen.
^ Opgepast
- Leg de motor altijd stil voor u tankt. Rook niet terwijl u tankt en houd voorwerpendie vuur kunnen maken, zoals sigarettenaanstekers, op een veilige afstand.
- Vul de tank alleen met de voorgeschreven brandstof.
- Sluit de brandstofvulklep na het tanken.

Als u de sleutel uit de contactschakelaar neemt en de deur opent terwijl het mistachterlicht of de achterlichten nog branden, hoort u een waarschuwingssignaal.
Vergrendelingen ▶
Startblokkering
De elektronische startblokkering is een autodiefstalbeveiliging. Dit systeem zorgt ervoor dat de auto alleen kan worden gestart met de originele autosleutel.
De sleutel past niet alleen mechanisch op het slot, maar zendt ook een elektronisch signaal uit naar de ICM (Immobilizer Control Module). Zonder dit signaal kan de motor niet gestart worden.

Pas op dat u het elektronische onderdeel in de sleutel niet beschadigt, want dan kan de sleutel onbruikbaar worden.
Reservesleutels:
Reservesleutels zijn alleen verkrijgbaar bij een concessiehouder. Hij zal nagaan of de persoon die de sleutel bestelt, recht heeft op een nieuwe sleutel.
De concessiehouder kan een sleutel ook elektronisch blokkeren (bv. als hij verloren is) en opnieuw activeren (bv. als hij teruggevonden wordt).
De motor kan niet gestart worden met een sleutel die is geblokkeerd.
Sleutels * (voor auto's met elektronische startblokkering)

1. ID-sleutel
Deze sleutel dient om de unieke ID-code in de ICM te registreren.
Nadien hebt u de sleutel niet meer elke keer nodig.
2. Lopers
Deze sleutels zijn bedoeld voor algemeen gebruik. Ze passen op alle sloten van de auto.

Zorg ervoor dat u uw ID-sleutel en het paswoord niet verliest. Bewaar de sleutel en het paswoord op een veilige plaats die u kunt onthouden.
Om reservesleutels aan te vragen hebt u zowel de ID-sleutel als het paswoord nodig. ICM: Immobilizer Control Module.
Controle-, meet- en bedieningsinstrumenten
Instrumentenbord 5-2
Controle- en waarschuwingslampjes ...... 5-5
Bijkomende meetinstrumenten 5-12
Koplichten 5-13
Verlichting overdag 5-13
Richtingaanwijzers 5-14
Schakelaar noodknipperlichten 5-14
Ruitenwissers en -sproeiers vooraan…… 5-15
Schakelaar ruitenwissers en -sproeiers achteraan 5-16
Schakelaar koplichtsproeier 5-16
Schakelaar verwarning achterruit- en buitenspiegelverwarming 5-17
Claxon 5-17
Schakelaar mistlicht vooraan 5-17
Schakelaar mistachterlicht 5-18
Draaiknop hoogteverstelling koplichten ... 5-18
Instrumentenbord

■ Meer informatie over de lampjes en meters vindt u op de pagina's waarnaar wordt verwezen.

* Een sterretje wijst erop dat het genoemde lampje verwijst naar optionele uitrusting.
Snelheidsmeter

De snelheidsmeter duidt de snelheid van de auto in kilometer per uur (km/ u) aan.
Toerenteller

De toerenteller duidt de motorsnelheid aan (t/min)

pgepast Houd tijdens het rijden de toerenteller in het oog en zorg ervoor dat de wijzer niet in de rode zone komt
Kilometerteller

De kilometerteller duidt het totale aantal kilometer aan dat de auto heeft afgelegd.
Dagtelier

De dagteller duidt het aantal kilometer aan dat de auto heeft afgelegd sedert de dagteller de laatste keer werd nulgesteld.
Druk op de nulstelknop om de teller op 0 te zetten.
Brandstofmeter

Op de brandstofmeter kunt u het peil in de brandstoftank aflezen.
F . . . Er zit nog ongeveer 60 1 brandstof in de tank.
E ...- Het is tijd om bij te tanken.
Δ Opgepast
Als u na het tankende contactschakelaarop"ON" draait, duurt het even voor de wijzer het juiste brandstofpeilaanduidt.

Watertemperatuurmeter
ON

De watertemperatuurmeter duidt de temperatuur van het koelwater aan.
Als de motor normaal functioneert, bedraagt de temperatuur van het koelwater 80 tot 95°C.
Opgepast
Als de wijzer in de rode zone komt terwijlde motor draait, is de
[Oververhitting van de motor]
11-7
HDS-026
Controle- en waarschuwingslampjes
Controlelampjes richtingaanwijzers ON I noodknipperlichten

MSO-0125
Richtingaanwijzers
Zodra u de richtingaanwijzers ingeschakeld, begint het overeenkomstige controlelampje te knipperen. Als het lampje te snel knippert, is de richtingaanwijzer misschien niet goed aangesloten of het lampje doorgebrand.
Noodknipperlichten
Als u op de schakelaar van de noodknipperlichten hebt gedrukt, branden de controlelampjes allebei.
Controlelampje groot licht
Dit controlelampje gaat aan zodra het groot licht wordt ingeschakeld.

MSO-0126
Waarschuwingslampje portier geopend

MSO-0127
Dit waarschuwingslampje brandt als het portier geopend of niet goed gesloten is.

Controleer voor begint te rijden of het lampje wel uit is
Waarschuwingslampje brandstofpeil ON

MSO-0128
Dit lampje begint te branden als het peil in de brandstoftank laag is. (zo'n 8 liter). [Brandst
Als het lampje brandt, moet u spoedig bijtanken.
[Brandstofvulklep]
4-7

Rijd niet met een te laag brandstolpell. Als u zonder brandstol valt, kan de katalysator beschadigd worden. Vul de tank steeds tijdlg bij.
Waarschuwingslampje oliedruk ON

MSO-0129
Dit lampje gaat aan als de oliedruk te laag is terwijl de motor draait. Normaal gezien begint het lampje te branden als de contactschakelaar in de "ON"-stand wordt gedraaid en gaat het weer uit zodra de motor is gestart.

- Als het lampje aangaat terwijl de motor draait, moet u de auto onmiddellijk op een veilige plaats parkeren, de motor stilleggen en het oliepeil nakijken.
2 Als het lampje aangaat zonder dat het oliepeils gedaald. moet u het laten nakijken in een erkend sewicecenter. - Het lampje vermeldt het oliepeil niet, dat moet u controleren met de peilstok.
Waarschuwingslampje laadstroom ON

MSO-0130
Dit lampje gaat aan als er een probleem is met het laadsysteem van de accu. Normaal gezien begint het lampje te branden als de contactschakelaar in de "ON"-stand wordt gedraaid en gaat het weer uit zodra de motor is gestart.
Opgepast

1 Als het lampjebegint tebranden tijdenshet rden, is er eenprobleem met het laadsysteem Controleer eerst de ventilatorriem Als die in ordesneemt u het best contact op met een erkend servicecenter
2 Als de spanning op de ventilatorriemniet grootgenoeg is verbruiktde accu meer stroom Dan kan het zijn dat de laadstroom te klein is om de motor te starten, ook al brandt het waarschuwingslampje van de laadstroomnlet
Waarschuwingslampje rem ON

MVO-0002
Dit lampje begint te branden in de volgende gevallen:
- Als de handrem is aangehaald.
- Als het remvloeistofpeil is gedaald onder een bepaalde waarde.
- Het lampje kan ook aangaan als u veel op de rempedaal drukt tijdens het rijden op een beijzelde weg of van een helling, maar dan hoeft u zich geen zorgen te maken.
Opgepast
Als hetlampje niet brandtterwijl de handremis aangehaald, of niet uitgaat wanneer de handrem wordt losgelaten, moet u het laten nakijken in een erkend servicecenter.

Als hetwaarschuwingslampje wanderem aangaattijdens het rijden
kan dat betekenen dat het remvermogen is verminderd. Parkeer de auto als volgt op een veilige plaats:
- Druk harder op de rempedaal als de remmen minder goed functioneren.
- Als de remmen niet meer functioneren, moet u op de motor remmen om snelheid te minderen en de handrem traag aanhalen om de auto te parkeren.
Duw ondertussen op de rempedaal, zodat men aan uw remlichten kan zien dat u afremt. - Als zowel het waarschuwingslampjevan de rem als dat van het ABS beginnen te branden, moet u de rempedaal traag indrukken om uw auto veilig te parkeren.
Als u te snel op de rempedaal drukt. zal de auto stoppen en ronddraaien.
△ Opgepast
Als u de handrem te snel aanhaalt, stoppen alleen de achterstewielen endraait de auto rond Trek de handrem traag op

Controlelampje achterruitverwarming ON

MSO-0131
Dit lampje gaat aan zodra u de schakelaar voor de achterruitverwarming hebt ingedrukt om de achterruit te ontwasemen.
Waarschuwingslampje veiligheidsgorde! ON

MSO-0132
Dit lampje brandt gedurende 6 seconden zodra de contactschakelaar op "ON" wordt gezet. Het herinnert de bestuurder eraan dat de veiligheidsgordels moeten worden vastgemaakt.
- Het waarschuwingslampje gaat uit zodra de contactschakelaar in de positie "ACC" of "OFF" wordt gedraaid.
Waarschuwingslampje motor ON
CHECK ENGINE
Als dit lampje brandt, is er een probleem met een van de sensoren of de computer (ECU) van de uitlaatgasregeling. Het gaat ook enkele seconden aan zodra de contactschakelaar in ON wordt gedraaid.
Als dit lampje aangaat tijdens het rijden of niet aangaat als de contactschakelaar in ON wordt gedraaid, moet u het laten nakijken bij het dichtstbijzijnde servicecenter.
Waarschuwingslampje airbag \*

Dit lampje begint te branden als de contactschakelaar in "ON" wordt gezet en gaat ongeveer 6 seconden later weer uit. (Dat is normaal.)
Als het aangaat terwijl u rijdt, is er iets mis met de airbag.

Laat het in de volgende gevallen nakijkenen repareren in een erkend sewicecenter:
③ Als het lampje niet aangaat zodra contactschakelaar in"ON" wordt gedraaid of als het niet uitgaat na8 seconden.
× AD het lampje begintte brandenterwijl u aan het rijden bent.
Waarschuwingslampje ABS \* ON

MVEO-0003
Als dit lampje brandt, is er een probleem met het antiblokkeerremsysteem (ABS).
- Het is normaal dat het lampje aangaat wanneer de contactschakelaar in ON wordt gedraaid en na 3 seconden weer uitgaat.
O Als het waarschuwingslampje begint te branden tijdens het rijden:
(1) Parkeer de auto op een veilige plaats en leg de motor stil.
(2) Start de motor opnieuw om te zien of het lampje uitgaat. Als het lampje dan uitblijft wanneer u voortrijdt, is er geen probleem.
(3) Als het waarschuwingslampje blijft branden, functioneert het ABS niet. U kunt dan alleen nog vertrouwen op het standaardremsysteem, dat nog wel normaal functioneert.

In de volgende gevallen moet u zich tot een erkend sewicecenterwenden
Als het waarschuwingslampje blijft branden, ook nadatu de motor opnieuwhebt gestart
② Als het lampje niet aangaat zodra ude motor start.
③ Als het lampjeaangaat tijdenshet rijden
*: Optie
Waarschuwingslampje laadklep geopend ON

MSO-0133
Dit lampje brandt als de laadklep geopend of niet goed gesloten is. Als dit lampje brandt wanneer u wilt vertrekken, moet u eerst de laadklep goed sluiten.
Controlelampje overdrive \* ON (automatische versnellingsbak)

MWO-0007
Dit lampje brandt als de overdrive -schakelaar is geactiveerd en gaat uit als hij wordt uitgeschakeld.
Controlelampje positie keuzehendel \* ON (automatische versnellingsbak)
Het lampje dat brandt, duidt aan in welke positie de hendel zich bevindt.






HDS-027
Controlela je Powt ON(automatische versnelli sbak)
PWR
Dit lampe segint te branden zera w d"Power"-m db e l o n e m e modussc :elaar van d" B tom i ch versellin bak.
Controlelampje Hold \* ON(automatische versnellingsbak)
HOLD
Dit lampje begint te branden zodra u de "Hold"-modus selecteert met de modusschakelaar van de automatische versnellingsbak.
* : Optie
BIJKOMENDE MEETINSTRUMENTEN
■ Functies van het display
- Azimutkompas
- Barometer
- Hoogtemeter
- Relatieve-hoogtemeter
- Weg afhankelijk van de rijsnelheid
• Buitenluchtthermometer
• Klok

1. Azimutkompas
Het azimutkompas toont het azimut van de rijrichting van de auto. Het weergavebereik bedraagt 180° met een schaalaanduiding om de 22,5°.
• Het kompas bijregelen
(1) Druk minder dan 5 seconden op de ADJ-knop en de azimutwijzer begint te trillen.
(2) Draait de auto traag rond.
(3) Na het draaien stopt te wijzer met trillen en is het kompas juist ingesteld.
2. Klok
Als u op de MODE-knop drukt, worden achtereenvolgens de klok, de barometer, de hoogtemeter en de relatieve-hoogtemeter weergegeven.
• Weergavebereik: 1:00 - 12:59
- De klok bijregelen
Uur: Druk op de H-knop tot het gewenste uur verschijnt.
Minuten: Druk op de M-knop tot het gewenste aantal minuten verschijnt.
Bijregelen: Als u op de S-knop drukt terwijl de klok 1 tot 29 minuten aanduidt, wordt het aantal minuten gewist. Als de klok 30-59 aanduidt en u drukt op de S-knop, wordt het aantal minuten gewist en wordt het uur met een verhoogd.
3. Barometer/Hoogtemeter/Relatieve-hoogtemeter
Druk op de MODE-knop om het gewenste instrument te selecteren.
(1) Barometer
De luchtdruk wordt weergegeven in eenheden van hpa (mbar). Het bereik gaat van 720 tot 1045 hpa.
(2) Hoogtemeter
De hoogte verschijnt in meter voorafgegaan door "ALTI". Het bereik gaat van 200 tot 2800 m.
- De hoogte bijregelen
De weergegeven hoogte verschilt zelfs op een plaats, omdat de luchtdruk op het zeeniveau (O m) verschilt. U kunt de fout corrigeren met max. ± 300 m door 0,5 sec te drukken op de "A"-knop om de hoogte met 50 m verhogen of op de "V"-knop om ze met 50 m te verlagen.
(3) Relatieve-hoogtemeter
Ais tijdens de weergave van de hoogte nogmaals op de MODE-knop drukt, verschijnt de relatieve hoogte in meter voorafgegaan door "ALTI ⇌". Een duidt aan dat de relatieve hoogte hoog is. Een verschijnt als de relatieve hoogte laag is.
- Weergavebereik : ± 3000 m
- Om de relatieve hoogte bij te regelen gaat u op dezelfde manier te werk als voor de gewone hoogte.
4. Weg afhankelijk van rijsnelheid
De wijzer knippert afhankelijk van de rijsnelheid.
| Rijsnelheid | Knipperinterval |
| 0-2,8 km | Brandt constant |
| 2,9-40 km | 1 sec |
| 41-60 km | 0,8 sec |
| 61-80 km | 0,5 sec |
| 81-100 km | 0,3 sec |
| 101 km- | 0,2 sec |
Hendel koplichten
Door aan het uiteinde van de hendel te draaien om 300 of 10 te selecteren, maakt u de lichten aan die in de onderstaande tabel met "O" aangeduid zijn.

Laat de koplichten of andere verlichting niet te lang branders de motor stillstaat. Als de accu leeg is, kunt u de motor niet meer starten.
Groot licht/dimlicht
- Trek de hendel naar u toe om het groot licht in te schakelen. Zet de hendel terug naar achteren om weer over te schakelen op dimlicht.

- Als het groot licht is ingeschakeld, brandt het controlelampje van het groot licht op het instrumentenbord.

MSO-0236
■ Met de lichten knipperen
- Als u de hendel even naar u toe trekt en weer loslaat, gaat het groot licht aan en uit. Het overeenkomstige controlelampje op het instrumentenbord zal dan eveneens aangaan.

- U kunt ook met de lichten knipperen als de koplichten niet ingeschakeld zijn.

MSO-0137
Verlichting overdag
De verlichting voor overdag moet uw auto beter zichtbaar maken voor tegenliggers.
De verlichting voor overdag brandt zolang de motor draait. De koplichten moeten daarvoor niet aangemaakt zijn. Als de handrem is aangehaald, branden de lichten voor overdag echter niet.
Controle-, meet- en bedieningsinstrumenten
Handel richtingaanwijzers

- Door de hendel naar beneden te trekken, activeert u de linkerrichtingaanwijzers. Door hem omhoog te duwen, schakelt u de
rechterrichtingaanwijzers in. De overeenkomstige controlelampjes op het instrumentenbord gaan dan eveneens aan.
- Zodra de auto is gedraaid, keert de hendel automatisch terug in zijn uitgangspositie.
Als de hendel niet automatisch in zijn uitgangspositie terugkeert na een kleine richtingsverandering, moet u hem handmatig verzetten.

MSO-0138
Schakelaar noodknipperlichten
Als u op de schakelaar voor de noodknipperlichten drukt, gaan zowel de linker- als de
rechterrichtingaanwijzers knipperen. Zo weten de andere weggebruikers dat uw auto in nood verkeert.
Om de noodknipperlichten uit te schakelen, drukt u nogmaals op de schakelaar.


Als u de noodknipperlichten lang laat branden terwijl de motor is uitgeschakeld, wordt de accu ontladen.

Hendel ruitenwissers en -sproeiers vooraan ON ACC
Ruitenwissers
De hendel heeft verschillende standen. Door de hendel naar u roe te trekken, activeert u de volgende functies, afhankelijk van de stand waarin hij zich bevindt:
INT - De wissers gaan over en weer met een instelbaar interval.


MSO-0142
LOW - De wissers gaan traag over en weer. HIGH- De wissers gaan snel over en weer.

LOW

HIGH
MSO-0143
MSO-0144

- Wisinterval instellen Als INT is geselecteerd, kunt u een interval instellen van 2 tot 10 seconden door te draaien aan de intervalregelaar.

Zolang de ruitenwissers zijn ingeschakeld, vraagt de ruitenwissermotorstroom, ook al zijn de ruitenwissers geblockkeerd door zware sneeuw enz. Daarom moet u de automotor uitschakelen, om schade aan de ruitenwissemotor te voorkomen. Parkeer de auto op een veiligeplaats en leg de motor still. Verwijder de sneeuw of andere obstakels zodat de ruitenwissers weer vrij kunnen bewegen.
Ruitensproeiers
Trek de hendel naar u toe om de ruitensproeiers in te schakelen.
U kunt de sproeiers ook
inschakelen als de ruitenwissers niet aanstaan. 1 seconde na het sproeien zullen de ruitenwissers 2 tot 3 keer over en weer gaan.

Het sproeierreservoir bevindt zich aan de rechterkant van de motorruirnte. 12-6


MSO-0146

Alsu de sproeiergebruiktbij vorst, kan de sproeivloeistolop de ruit bevriezen en het zicht belemmeren. Schakel daarom de voorruitverwarming in voor u sproeit.
Schakelaar ruitenwisser en -sproeiers achteraan
Ruitenwisser
Zolang de schakelaar van de ruitenwisser is ingedrukt ①, gaat de ruitenwisser over en weer. Druk op ② om de ruitenwisser uit te schakelen.


Druk op ① terwijl de ruitenwisser is ingeschakeld en de ruitensproeier zal sproeien zolang u de schakelaar ingedrukt houdt.
Het sproeierreservoir bevindt zich aan de rechterkant van de motorruimte-12-6

Leef de volgende voorschritten na, om beschadiging van de motor of de pomp te voorkomen:
① Laat de sproeier niet langer dan 15 seconden aan een suk werken.
② Schakel de sproeier niet in als de sproeltank leeg is.
① Zet de ruitenwissers of -sproeiers niet aan als er een ruitenwisser is vastgevroren aan de ruit.
- Voeg voor de winter antivries aan het sproeimiddel toe.


MSO-0148
Schakelaar koplichtsproeiers \*

De schakelaar van de koplichtsproeiers functioneert alleen als de contactschakelaar op "ON" staat en de koplichten branden. Druk op de schakelaar om de koplichten gedurende ongeveer 0,5 seconde te besproeien.
Schakelaar verwarming achterruit en buitenspiegels \*
Zet deze verwarming aan om de achterruit en de buitenspiegels snel vrij te maken van wasem en ijzel.
Zodra de schakelaar is ingedrukt, gaat het controlelampje op het instrumentenbord aan. Druk nogmaals op de schakelaar om het verwarmingssysteem uit te schakelen.
Als u op de schakelaar drukt terwijl de motor draait, zal het systeem automatisch uitgeschakeld worden na ongeveer 15 minuten.

- Gebruik de achterruit - en buitenspiegelverwarming alleen om ijzel te verwijderen, niet omsneeuw te doen smelten.
2 Leggeen voorwerpen naast deachternuit. De verwarmingsdraad zou beschadigd kunnen wordendoor de trillingen van de auto. - Wrijf de binnenkant van de ruitschoon met een zachte doek in de richting van de verwarmingsdraden. Schrobniet en gebruik geen schurend materiaal, om de verwarmingsdraden niet te beschadigen.
Claxon
Als u op de claxon drukt, weerklinkt er een waarschuwingssignaal.

Schakelaar mistlichten vooraan \*

Druk op deze schakelaar om de voorste mistlichten aan te maken. De mistlichten werken alleen als de achterlichten of koplichten zijn ingeschakeld.
Schakelaar mistachterlicht \*

Druk op de schakelaar om het mistachterlicht aan te maken. De mistlichten werken alleen als de koplichten zijn ingeschakeld.
Draaiknop hoogteverstelling koplichten \*

MWO-010
Draai aan de knop om de hoogte van de straal van de koplichten aan te passen aan het aantal passagiers en het gewicht in de laadruimte. De koplichten stralen lager naarmate u een hoger cijfer instelt. Stel de straal altijd goed in. zodat uw tegenliggers niet worden verblind door uw koplichten. In de tabel hiernaast kunt u opzoeken hoe u de straal het best instelt afhankelijk van het geladen gewicht van de auto. Als uw situatie niet voorkomt in de tabel, moet u de situatie kiezen die er het best mee te vergelijken is.
| GELADEN GEWICHT | JUISTE STAND |
| Bestuurder alleen | 0 |
| Bestuurder +passagier vooraan | 0 |
| Bestuurder +passagier vooraan + passagier achteraan | 1 |
| Alle zitplaatsen zijn ingenomen | 2 |
| Alle zitplaatsen zijn ingenomen ■ volle laadruimte | |
| Bestuurder +volle laadruimte | 4 |
Interieuruitrusting voor comfortabel rijden
Stoel en veiligheidsgordel 6-2
De zetels neerklappen 6-11
SRS-airbag 6-16
Zonnekleppen 6-18
Stekkerdoos 6-18
Sigarettenaansteker 6-19
Asbak 6-19
Binnenverlichting 6-21
Digitale klok 6-22
Handschoenkastje 6-22
Bekerhouder vooraan 6-23
Opbergkastje in middenconsole 6-23
Bekerhouder achteraan 6-23
Tafel 6-24
Opbergvak 6-24
Zonnedak 6-24
Binnenverlichting vooraan 6-25
Antenne 6-26
Geluidsinstallatie 6-27
Stoel en veiligheidsgordel
Kuipstoelen
Een goede en ontspannen houding is een goed begin om veilig te rijden.
U kunt de stoel aanpassen aan uw lichaam. Daarbij moet u op het volgende letten:

MSO-0066

MSO-0067

Opgelet
- Verstel de stoel voor u begint te rijden.
- Controleer of de stoel goed vaststaat nadat u hem hebt versteld.
3 Alleen volwassenen mogen de stoelen verstellen. Een kind kan zich verwonden bij het verstellen van de stoel.
☆ De stoel verstellen
De stoel verschuiven
Trek aan de glijhendel onderaan de stoel en verschuif de stoel naar voren of naar achteren tot hij in de gewenste positie staat.
Laat de hendel los om de stoel vast te zetten in deze positie.

De rugleuning verstellen
Trek de hendel aan de onderkant van de rugleuning naar omhoog. Leun eerst even voorover en leun dan achterover tot de leuning in de gewenste positie staat.
De rugleuning wordt vastgezet in de positie waarin ze zich bevindt als u de hendel loslaat.

De hoogte van de zitting verstellen (alleen bestuurdersstoel)
Voorste zittinghelft
Regel de hoogte van de voorste zittinghelft door aan de voorste regelknop te draaien.

Achterste zittingheift
Regel de hoogte van de achterste zittinghelft door aan de achterste regelknop te draaien.



Opgelet
Verstel de stoelen nooit tijdens het rijden. Terwijl u de stoel verstelt, is uw lichaam uit evenwicht. U zou zo een ongeluk kunnen veroorzaken.
■ Schakelaar Stoelverwarming *

De stoelverwarming werkt alleen als de contactschakelaar op "ON" staat.
Middenbank
De bank verschuiven
Trek aan de glijhendel en verschuif de bank naar voren of naar achteren tot ze in de gewenste positie staat.
Laat de hendel los om de bank vast te zetten in deze positie.

De rugleuning verstellen
Trek de hendel van de rugleuning omhoog en regel de helling van de rugleuning.

- Wees voorzichtig dat u uw hoold niet stoot e.d. bij het verstellen van de bank.
- Kinderen mogen de bank niet verstellen.
- Zet de rugleuning naar voren als ze aan de twee kanten de bekieding raakt.
De rugleuning naar voren klappen
Draai de vleugelknop naar voren en klap de rugleuning van de bank neer.
Als de bank neergeklapt is, kunt u de rug als tafel gebruiken.
[Zie Tafelblad]
6-24

Controleer of de rugleuning stevig vaststaat als u de bank terug openklapt.
Plaats nemen op de achterbank
Druk de hendel achter de stoel naar beneden en klap de rugleuning naar voren. Als u tegelijkertijd de glijhendel indrukt, kunt u heel de bank naar voren verschuiven.


Als u de bank terug achteruitschuit, wordt ze automatisch weer vastgezet in haar uitgangspositie
Achterbank
Be rugleuning verstellen
Duw tegen de knop bovenaan de rugleuning en verstel de helling van de rugleuning.

De rugleuning naar voren klappen
Duw tegen de knop en klap de rugleuning naar voren.

Zet de rugleuning van de achterbank overeind voor u de laadklep sluit

Klap de rugleuning naar achieren om ze terug in haar uitgangspositie te zetten. Controleer of ze goed vaststaat.
De bank verschuiven
Als de rugleuning is neergeklapt, kuntu de hele bank naar voor verschuiven door te trekken aan de hendel achteraan de rugleuning.

Maak de knop onderaan de rugleuning los en plaats de plank naar beneden.

MSO-0079

Zet de plank terug vast met de knop onderaan de rugleuning als u de achterbank weer in de uitgangspositie plaatst. Schuif daarna heel de bank achteruit en zet de rugleuning terug overeind.
Hoofdsteunen

MSO-0080 hoogteverstelling

Knop voor hoogteverstelling
MWO-0015
□ De hoogte verstellen
Regel de hoogte van de hoofdsteun zo dat het midden van de steun zich op ooghoogte bevindt. Zo vermindertu de kans op letsel bij een botsing. Om de hoofdsteun naar boven te verstellen, schuift u hem gewoon naar boven. Om de hoofdsteun naar beneden te verstellen, schuiftu hem naar beneden terwijl u de knop voor de hoogteverstellingin de richting van de pijl duwt. Als de hoofdsteun op de juiste hoogte staat, duw hem dan kort naar beneden, zodat hij vastklikt.
De hoofdsteunen verwijderen
Verwijder de - hoofdsteun door de knop voor de hoogteverstelling in te drukken terwijl u de hoofdsteun helemaal naar boven trekt. Controleer voor u de hoofdsteun opnieuw monteert of de voorkant zich wel van voren bevindt. Duw de knop voor de hoogteverstelling in de richting van de pijl. Controleer of de positie van de knop overeenstemt met wat u ziet op de illustratie. Probeer de hoofdsteun naar boven te trekken omte controleren of hij niet kan loskomen van de rugleuning.

Rijden zonder hoofdsteun of met een slecht afgestelde hoofdsteun is gevaarlijk. Controleer voor u de auto start of de hoofdsteunen wel goed afgesteld zijn.
2. De hoofdsteun biedt alleen bescherming als hij correct is afgesteld.
- Let erop dat u de juiste hoofdsteunen op de juiste plaats bevestigt. (De hoofdsleunenvan de kuipstoelen en de middenbank zijn dik en die van de achterbank dun.)


MSO-0081
Veiligheidsgordel
De veiligheidsgordels beschermen de inzittenden bij een ongeluk. Stel de veiligheidsgordel af op uw lichaam en vergeet niet hem vast te maken voor u start.

Als de riem ket hoofd raakt
De hoogtevan de veiligheidsgordel verstellen
De veiligheidsgordel is in de hoogte verstel baar.
-
Druk de vergrendelknop in en verschuif de hoogteversteller tot de gordel goed zit. Laat de knop los.
-
Als u een klik hoort, is de hoogte van de gordel ingesteld. Controleer of de gordel goed zit.
Stel de gordel zo in dat hij over uw schouder ligt. De schouderriem mag uw gezicht niet raken.



-
Vergeet niet uw veiligheidsgordel vast te klikken.
-
Controleer of de heupriem niet op uw buik ligt. Dat kan gevaarlijk zijn als er veel druk op wordt uitgeoefend.
- Controleer of de veiligheidsgordel niet is gedraaid.
- Als u op de stoel ligt, bledt de veiligheidsgordelgeenbescherming. U kunt onder de gordel doorglijden en ernstig letsel oplopen.
MSO-010B

- Als u een driepuntsveiligheidsgordel gebruikt voor kinderen en de riem het hoold of de hals raakt, moet u een kinderzltje of een stoelverhoger gebruiken.

MSO-0109
- Zwangere vrouwen of personen met een ziekte moeten het gebruik van de veiligheidsgordelvooralmet hun dokter bespreken.
- Gebruik één veiligheidsgordel nooit voor meerdere personen tegelijkertijd.
- Vervang veilgheidsgordels die niet normaal functioneren of beschadigd zijn, onmiddellijk.
- Vervang de veiligheidsgordels na een zware botsing, ook al lijken ze nog in orde. Laat de gordels nakijken na een lichtere botsing.
Driepuntsveiligheidsgordel met oprolautomaat (aan zijkanten van midden- en achterbank)
Bij dit type veiligheidsgordel moet de lengte niet ingesteld worden.
De gordel neemt automatisch de juiste lengte aan en geeft mee met de lichaamsbewegingen. Bij een plotse schok blokkeert de oprolautomaat, zodat de gordel het lichaam op zijn plaats houdt.

De veiligheidsgordel vastmaken
-
Klik het tongplaatje vast in de gesp. Let erop dat de riem niet is gedraaid.
-
Trek een beetje aan de gordel zodat hij los op uw heupen ligt. Plaats de heupgordel zo laag mogelijk. Hij moet om uw heupen en niet om uw middel zitten.
■ De veiligheidsgordel losmaken
Neem het tongplaatje vast en druk de knop van de gesp in.
De gordel rolt automatisch op. Houd het plaatje vast, om het oprollen wat af te remmen.

Tweepuntsveiligheidsgordel met lengteverstelling \*
Bij dit type gordel moet de lengte aangepast worden aan het lichaam.
De veiligheidsgordel vastmaken
Stel de gordel in op de juiste lengte door het tongplaatje loodrecht op de riem te houden en de riem te verschuiven tot de riem goed rond het licheam past.

MSO-0113
- Klik het tongplaatje vast in de gesp. Duw de riem zover mogelijk naar beneden.

De veiligheidsgordel losmaken
Druk de knop van de gesp in.

Op de gesp en het tongplaatje van de middelste riem staat "CENTER". Controleer of u het juiste tongplaatje en de juiste gesp vasthebt, voor u de gordel vastklikt.

MSO-011!
De zetels neerklappen
Verwijder de hoofdsteunen en leg de rugleuning plat.
Middenbank en achterbank

■ Kuipstoelen en middenbank


1. Parkeer de auto op een veilige plaats voor u een stoel of bank platlegt. Vermijd plots remmen terwijl u rijdt met neergeklapte zetels.
2. Als u druk uitoefent, bv. door op de rugleuning te klimmen, kan de zetel beschadigd worden.
3. Controleer telkens als u een zetel hebt platgelegd of overeind gezet, of hij goed vaststaat.
4. Laat geen kinderen de zetels platleggen of overeind zetten.
☆ Middenbank en achterbank
- Verwijder de hoofdsteunen van de middenbank.

- Schuif de middenbank zo ver mogelijk naar voren en duw de rugleuning naar achteren.

★ Kuipstoelen en middenbank
- Verwijder de hoofdsteunen van de kuipstoelen.

- Schuif de stoel zo ver mogelijk naar voren en duw de rugleuning naar achteren.

Om laadruimte te maken, klapt u de rugleuningen van de midden- en de achterbank naar voren

- Controleer telkens als u een bank hebt platgelegd of overeind gezet, of ze weer goed vaststaat.
- Wees voorzichtig dat uw hand of voet niet geklernd geraakt als u laadruimte maakt.
★ Laadruimte makendoor de achterbank dicht te klappen-
- Verwijder de hoofdsteunen van de achterbank.

- Hef de hendel achteraan de zitting op en schuif de bank naar voren.

- Duw de knop in en klap de rugleuning naar voren.

- Maak de knop onderaan de rugleuning los en trek de plank achteruit.

★ Laadruimte maken door de midden- en achterbank dicht te klappen.
- Verwijder de hoofdsteunen van de achterbank. voren. de rugleuning naar voren.

- Klap de rugleuning van de middenbank naar

- Duw de knop van de achterbankin en klap

- Hef de hendel achteraan de zitting op en schuif de achterbank naar voren.

- Maak de knop onderaan de rugleuning los en trek de plank achteruit.

MSO-0104

Vergeet niet de rugleuning van de achterbank vast te zetten met de knop op de achterkant van de rugleuning, nadat u ze overeind hebt gezet.
SRS-airbags ON\*
De SRS -airbags vormen een aanvulling op de veiligheidsgordels. Ze beschermen de bestuurder en/of passagier vooraan bij een frontale botsing vanaf een zekere kracht.
SRS staat voor Supplemental Restraint System.

Maak de veiligheidsgordels altijd vast. De redenen waarom u uw veiligheidsgordel moet vastmaken.
- Als de airbag bij een botsing openschiet, biedt de veiligheidsgordel het bijkomende voordeel dat het lichaam in de stoel blijft.
- Als de airbag niet openschiet, vermindert de veiligheidsgordels de letsels.
□ Stel de stoel juist in.
Steun met uw rug tegen de stoel. Ga niet met uw gezicht en bovenlichaam te dicht bij het stuur zitten.

- Als de airbag eenmaalis opgeblazen, moethij vervangenworden. Dezelfde airbag kan geen twee keer gebruikt worden.
- Als de airbag openschiet, komt er een witte stofwolk vrij. Deze is niet schadelijk voor de opzondheid
- Na het openschieten begint de airbag onmiddellijk leeg te lopen, zodat hij het zicht niet belemmert.
- In de volgendegevallen zal de airbag niet openschieten:
- als de auto aan de zij- of achterkant wordt geraakt;
- als de auto omslaat of over kop gaat:
als de auto legen een betonnen muur rijdt met een snelheid van 20km/u of minder;
als de auto tegen een paal rijdt met een snelheld van 30km/uof minder.

- Raak de airbag niet aan vlak na het openschieten. Wacht tot hij wat is afgekoeld.
- Plaats geen sticker op de plaats waar de airbag zich bevindt, want dat kan het openschieten belemmeren.
Waarschuwingslampje SRS-airbag
Normaal gaat het waarschuwingslampje aan zodra de contactschakelaar in "ON" wordt gedraaid en gaat het weer uit na een paar seconden.

HDS-063

In de onderstaande gevallen is er een probleem met het systeem en moet u het onmiddellijk laten naklijken in een erkend servicecenter:
als het waarschuwingslampje blijft branden nadat de contactschakelaar in "ON" werd gedraaid;
als het waarschuwingslampje begint te branden tijdens het rijden.
Onderhoud SRS-systeem
Alle montage-, demontage - en reparatiewerken aan het SRS-systeem of het stuur mogen alleen uitgevoerd worden door een erkend Santamo-concessiehouder.
Een verkeerde behandeling van het SRSysteem kan ernstige verwondingen tot gevolg hebben.
e OPGEPAST

MWO-0014
Levensgevaar! Plaats geen kind op een zitje met de rug naar de airbag!
- Wijzigingen aan onderdelen of de bedrading van het SUS-systeem alsook het aanbrengen van stickers op de plaats van de airbag of het wijzigen van de carrosserie kunnen de werking van het SUS -systeem verstoren en verwondingen tot gevolg hebben.
Maak de plaats waar de airbag zich bevindt, alleen proper met een zachte, droge doek. U mag ook een doek gebruiken die is bevochtigd met zuiver water. Reinigingsproducten en oplosmiddelen zijn echter verboden, omdat ze de behuizing van de airbag kunnen beschadigen en de goede werking van de airbags kunnen verstoren.
Leg niets op het stuur of het dashboard, waar de airbags zich bevinden. Voorwerpen die op deze plaatsen liggen, kunnen ernstige verwondingen veroorzaken als de airbags bij een ongeluk openschieten.
Airbags die zijn opengeschoten, moeten vervangen worden door een erkend Santamoconcessiehouder.
- Wijzig of ontkoppel de bedrading of andere onderdelen van het SRS-systeem niet. Anders kan de airbag onverwachts openschieten of niet openschieten als het nodig is. Beide situaties kunnen ernstige letsels tot gevolg hebben.
Plaats geen kinderzitje of stoelverhoger op de passagiersstoel vooraan.
Het kind kan ernstig verwond raken als de airbag openschiet bij een ongeluk.
Als er onderdelen van het SRS-systeem moeten worden gedemonteerd, of als de auto moet worden gesloopt, moet u bepaalde veiligheidsmaatregelen nemen om verwondingen te voorkomen. Meer informatie hierover kunt u verkrijgen bij uw concessiehouder.
- Als u uw auto doorverkoopt, moet u de nieuwe eigenaar op de hoogte brengen van deze veiligheidsinstructies. Vergeet niet deze handleiding aan de nieuwe eigenaar te geven.
Zonnekleppen
Als de zon u verblindt tijdens het rijden, kunt u de zonneklep gebruiken om de zon vooraan en opzij te weren.

Achteraan de zonneklep is een klem voor wegenkaarten, ticketten enz. aangebracht.

Achteraan de zonneklepvoor de passagiersstoel is een make-upspiegeltje aangebracht.

In het zijpaneel van de interieurbekleding bevindt zich een stekkerdoos die u kunt gebruiken om elektrische apparaten van stroom te voorzien.

Sigarettenaansteker ON ACC
- Druk de sigarettenaansteker in.
- Zodra het element verhit is, springt de aansteker naar boven.
Trek de aansteker uit te houder om uw sigaret aan te steken. - Steek de aansteker terug na gebruik.

MSO-0187

- Als de sigarettenaansleker oververhit is, kan ar brand on'staan. Let daarom op het volgende:
Houd de sigareltenaansteker niet ingedrukt. - Gebruik geen sigarettanaansteker uit een andere auto.
- Als de sigarettanaansteker niet na 30 seconden weer vanzelf naar boven springt, is er iets mis. Trek de sigarettenaanstekernaar boven en leat hem nakijken in een servicecenter.
- Laat geen kinderen aan de sigarettenaansteker komen.
- U kunt de sigarettenaansteker gebruiken om elektrische apparaten van stroom te voorzien. Hij is echter alleen geschik voor toestallen met een vermogen van maximaal 120 W bij 12 V. Als u de sigarettenaansteker lang gebruikt terwijl de motor is uitgeschakeld, wordt de accu onladen.
- Waes voorzichtig met de sigarettenaanstekar als hij verhit is.
Asbak
■ Asbak vooraan
- Trek de asbak naar voren om hem te openen.
- Om de asbak proper te maken, trekt u hem volledig uit terwijl u de verende pen naar beneden drukt.

- Open de klep van de asbak door er van boven aan te trekken.
- Om de asbak proper te maken, trekt u hem volledig uit terwijl u de verende pen naar beneden drukt.

MSO-0191

- Controleer altijd of de sigaret of lucifer die u in de asbak deponeert, wel volledig dooft.
- Een smeulende sigarettenpeuk kan brand veroorzaken.
- Sluit de asbak altijd na gebruik, om brand te voorkomen.
Binnenverlichting


Als u de leeslamp, de binnenverlichting en de laadruimteverlichting lang laat branden terwijl de motor stilstaat, kan de accu ontladen worden. Controleer daarom of alle lichten uit zijn, voor u de auto verlaat.
Druk op H-knop om het uur te veranderen.
Laat de knop los zodra het gewenste uur verschijnt.
M-knop
Druk op M-knop om het aantal minuten te veranderen. Laat de knop los zodra het gewenste aantal minuten verschijnt.
S-knop
Druk op de Sknop om het aantal minuten nul te stellen. Als het aantalminuten 30-59 bedraagt, wordt het uur met een verhoogd anders niet.



HDS-041

-
Als de accu ontkoppeld is geweest, moet de klok opnieuw ingesteld worden.
-
De knopjes zijn klein, zodal het handiger is ze in te drukken met de punt van een pen.

MSO-0195
Handschoenkastje
In het handschoenkastjekunt u kleine voorwerpen bewaren. Trek de klep naar voren om het te openen.

Houd het handschoenkastje gesloten tijdens het rijden. zodat niemand zich eraan kan verwonden bij een ongeluk of een bruuske stop.
Bekerhouder vooraan

Trek aan de knop en hef het deksel op om het kastje te openen. Om het te sluiten, laat u het deksel weer neer.

Bekerhouder achteraan

Als u de rugleuning van de middenbank naar voren hebt geklapt, kunt u de bank gebruiken als tafel. Trek aan de hendel om de bank te verschuiven.
[Zie: "Middenbank" - "De bank verschuiven"]

In het opbergvak kunt u kleine voorwerpen bewaren. U kunt het ook gebruiken voor gereedschap, autowas, de gevarendriehoek enz.

Aan het zonnedak bevindt zich een handmatig uitschuifbaar zonnescherm, om het zonlicht al of niet binnen te laten. Het zonnescherm kan alleen gebruikt worden als het zonnedak is gesloten.
OPGEPAST; Regel het zonnescherm nooit tijdens het rijden.
Het zonnedak openen)

Het zonnedak kan elektrisch geopend en gesloten worden als de contactschakelaar op "ON" staat. Daartoe drukt u op het overeenkomstige knopje (OPEN/CLOSE),dat zich voor het zonnedak bevindt. Laat het knopje los zodra het dak in de gewenste positie staat.
OPGEPAST:
Sluit het zonnedak niet als er iemand zijn hand, am of ander lichaamsdeeluit het dak naar buiten steekt, want dan zou die persoon verwond kunnen raken. Het is trouwens verboden om lichaamsdelen door de dakopening naar buiten te steken.

Zet het zonnedak niet open als het buiten heel koud is Laat het zonnendak eveneens dicht als het is bedekt met ijzel of sneeuw Verwijder regelmatig het vuil van de geleiderails
(Het zonnedak kippen)

Het zonnedak kan gekipt en gesloten worden als de contactschakelaar op "ON" staat. Druk op het knopje "UP of"DOWN" en laat het los als het dak de gewenste positie heeft bereikt.

Verwijder na een wasbeurt of een regenbul het water van het zonnedak voor u het opent.
Binnenverlichting vooraan
Leeslamp (Met Zonnedak)

HDS-029
Aan weerszijden van de binnenverlichting bevinden zich twee schakelaars waarmee u de leeslamp kunt in - en uitschakelen.

De antenne bevindt zich achteraan op het dak. Ze is afneembaar. Om de antenne los te maken, draait u ze tegen de richting van de wijzers van de klok in. Om ze te bevestigen, draait u ze in de richting van de wijzers van de klok.

- Vergeet niet de antenne te verwijderen Opgepast voor u een carwashbinnenrijdt, anders kan de antenne worden bronchodind
- Draai de antenne goed vast als u ze terug bevestigt, anders is een goede ontvangst niet verzekerd.
RADIOCASSETTESPELER (H 900) (indien aanwezig)

1. AAN/UIT-schakelaar, volume-en balansregeling
De geluidsinstallatie werkt alleen als de contactschakelaar op "ACC" of "ON" staat. Draai de knop naar rechts om de installatie in te schakelen en het volume te verhogen. Draai de knop naar links om het volume te verlagen en de installatie uit te schakelen.
Balansregeling (BAL)
Trek de AAN/UIT-schakelaar uit. Draai de knop naar rechts om het geluid van de rechterluidspreker te versterken. (Het geluid van de linkerluidspreker verzwakt). Draai de knop naar links om het geluid van de linkerluidspreker te versterken. (Het geluid van de rechterluidspreker verzwakt).
Draai de regelknop naar rechts om het geluid van de voorste luidspreker te versterken. (Het geluid van de achterste luidspreker verzwakt.) Draai de regelknop naar links om het geluid van de achterste luidspreker te versterken. (Geluid van de voorste luidspreker verzwakt.)
3. Regelknop voor lage lonen (BASS)
Druk op de knop zodat ze naar voren springt en draai ze naar links of naar rechts om de lage tonen te regelen.
Regelknop voor lage lonen (TRE)
Trek de knop verder naar voren. Draai ze naar links of naar rechts om de hoge tonen te regelen.
4. Zenderafstemmer (TUNE)
O Druk op de rechterkant van de knop (+) voor een hogere frequentie of op de linkerkant (-) voor een lagere frequentie.
Als u op de rechterkant van de toets drukt (+), wordt automatisch afgestemd op de volgende zender op een hogere frequentie. Als u op de linkerkant van de toets drukt (-), wordt automatisch afgestemd op de volgende zender op een lagere frequentie.
5. Bandschakelaar (FM-AM)
Druk op de bandschakelaar om de gewenste frequentieband te selecteren: AM, FM1 of FM2. De geselecteerde band verschijnt op het LCD -display.
6. Uitwerptoets
O Als u op de uitwerptoets drukt, komt de cassette uit de cassettespeler.
O Ook als u tijdens het terug- of doorspoelen op deze toets drukt, wordt de cassette uitgeworpen.
7. Doop- en lerwgspoeltoetsl Afspeelrichtingregeling
O Druk tijdens het afspelen of het terugspoelen van de cassette op (+) om de cassette door te spoelen.
O Druk nogmaals op (+) om de cassette weer te beluisteren.
O Druk tijdens het afspelen of het doorspoelen van de cassette op(-) om de cassette terug te spoelen.
O Druk nogmaals op (-) om de cassette weer te beluisteren.
Afspeelrichtingregeling
Druk tegelijkertijd op de terug en de doorspoeltoets om de afspeelrichting van de cassette te veranderen. Op het display verschijnt een pijl die de afspeelrichting aanduidt.
8. Voorkeuzetoetsen
U kunt voor iedere frequentieband (AM, FM1 en FM2) zes (6) radiozenders programmeren
in het geheugen van de installatie. Door op de bandschakelaar en/of een van de zes voorkeuzetoetsen te drukken, kunt u onmiddellijk afstemmen op de geprogrammeerde zender van uw keuze.
ZENDERS PROGRAMMEREN
Om een zender te programmeren, gaat u als volgt te werk:
O Druk op de bandschakelaar om de gewenste frequentieband te selecteren: AM, FM1 of FM2.
O Stem de radio af op de gewenste zender door te drukken op de TUNE-knop.
O Bepaal aan welke voorkeuzetoetsu de zender wilt toekennen.
O Druk langer dan twee seconden op de voorkeuzetoets. Op het display verschijnt het nummer van de voorkeuzetoets die u hebt ingedrukt. De frequentieweergave begint te knipperen zodra de zender in het geheugen is opgeslagen. Laat de toets los. Indien gewenst kunt u nu de volgende zender programmeren. U kunt in totaal 18 radiozenders programmeren: voor iedere frequentieband kunt u erAAn aan iedere toets toekennen.
O Na het programmeren kunt u afstemmen op een geprogrammeerde zender door de gewenste frequentieband te selecteren met de bandschakelaar en op de voorkeuzetoets van de gewenste zender te drukken.
STEREORADIO (H911) (indien aanwezig)

- AAN/UIT-schakelaar, volumeregeling
HDS-108
1. AAN/UIT-schakelaar, volumeregeling
De radio werkt alleen als de contactschakelaar op "ON" of "ACC" staat. Draai de knop naar rechts om de radio aan te zetten of het volume te verhogen. Draai de knop naar links om het volume te verlagen of de radio uit te zetten.
2. Regeling lage tonen (BAS)
Druk op de knop zodat ze naar voren springt en draai ze naar links of naar rechts om de lage tonen te regelen.
Balansregeling (BAL)
Trek de knop verder naar voren. Draai de regelknop naar rechts om het geluid van de rechterluidspreker te versterken. (Het geluid van de linkerluidspreker verzwakt.) Draai de regelknop naar links om het geluid van de linkerluidspreker te versterken. (Het geluid van de rechterluidspreker verzwakt.)
3. Regeling hoge tonen (TREB)
Druk op de knop zodat ze naar voren springt en draai ze naar links of naar rechts om de hoge tonen te regelen.
Trek de knop verder naar voren. Draai de regelknop naar rechts om het geluid van de voorste luidspreker te versterken. (Het geluid
van de achterste luidspreker verzwakt.) Draai de regelknop naar links om het geluid van de achterste luidspreker te versterken. (Het geluid van de voorste luidspreker verzwakt.)
4. Zenderafstemming (TUNE)
Druk op de bovenkant van de knop (+) voor een hogere frequentie of op de onderkant (-) voor een lagere frequentie. Als u de knop 0,5 sec of langer indrukt, wordt het stopsignaal van de huidige radiozender genegeerd en de volgende zender gezocht.
Druk langer dan 2 sec op de "TUNE"-toets. Als u op de bovenkant van de toets drukt (←), zoekt de radio automatisch de volgende zender op een hogere frequentie. Als u van onder op de toets drukt (-), zoekt de radio automatisch de volgende zender op een lagere frequentie.
5. Bandschakelaar (FM-AM)
Druk op de bandschakelaar om te schakelen tussen AM, FM1 en FM2. De geselecteerde frequentieband verschijnt op het LCD -display.
6. Voorkeuzetoetsen
U kunt voor iedere frequentieband (AM, FM1 en FM2) zes (6) radiozenders programmeren
in het geheugen van de radio. Door op de bandschakelaar en/of een van de zes voorkeuzetoetsen te drukken, kunt u onmiddellijk de geprogrammeerde zender van uw keuze selecteren.
ZENDERS PROGRAMMEREN
Om een zender te programmeren, gaat u als volgt te werk:
O Druk op de bandschakelaar om de gewenste frequentieband te selecteren: AM, FM1 of FM2.
O Stem de radio af op de gewenste zender door te drukken op de TUNE-knop.
O Bepaal aan welke voorkeuzetoets u de zender wilt toekennen.
O Druk langer dan twee seconden op de voorkeuzetoets. Op het display verschijnt het nummer van de voorkeuzetoets die u hebt ingedrukt. De frequentieweergave begint te knipperen zodra de zender in het geheugen is opgeslagen. Laat de toets los. Indien gewenst kunt u nu de volgende zender programmeren. U kunt in totaal 18 radiozenders programmeren: voor iedere frequentieband kunt u er een aan iedere toets toekennen.
O Na het programmeren kunt u afstemmen op een geprogrammeerde zender door de gewenste frequentieband te selecteren met de bandschakelaar en op de voorkeuzetoets van de gewenste zender te drukken.
CASSETTESPELER (H 911) (indien aanwezig)

O Druk op de -toets (FF) om de cassette versneld vooruit te spoelen terwijl ze aan het afspelen of het terugspoelen is.
O Druk nogmaals op de -toetsom de cassette te beluisteren.
O Druk op de -toets (REW) om de cassette terug te spoelen terwijl ze aan het afspelen of het doorspoelen is.
O Druk nogmaals op de -toetsom de cassette te beluisteren.
2. Zoektoetsen
Druk op een van deze toetsen om naar het begin van een nummer te gaan. Deze functie werkt alleen als er minimaal 4 seconden stilte tussen de nummers is, zoals op een voorbespeelde cassette.
O Druk op de -toets , ) om naar het volgende muziekfragment te gaan.
O Druk op de -toets (••) om naar het begin van het muziekfragment dat u nu beluistert, te gaan.
3. Afspeelrichtingtoets (TAPE)
Druk op deze toets om de andere kant van de cassette te beluisteren.
Op het display verschijnt een pijl die de afspeelrichting aanduidt.
4. Uitwerptoets (EJECT)
O Druk op de uitwerptoets om de cassette uit de speler te halen.
O Ook als u tijdens het terug- of doorspoelen op deze toets drukt, wordt de cassette uitgeworpen.
STEREORADIO (H 935A) (indien aanwezig)

- Regelknop voor lage tonen en balans (BAS/BAL)
HDS-107
1. AAN/UIT-schakelaar, volumeregeling
De radio werkt alleen als de contactschakelaar op "ON" of "ACC" staat. Druk op de knop om de radio aan te zetten. Op het display verschijnt de radiofrequentie in radiomodus of de afspeelrichting in cassettespelermodus. Druk nogmaals op de knop om de radio uit te zetten.
Volumeregeling
Draai de knop naar rechts om het volume te verhogen. Draai de knop naar links om het volume te verlagen.
2. Regeling lage tonen
Druk op de knop zodat ze naar voren springt. Draai de knop naar rechts om de lage tonen te versterken of naar links om de lage tonen te verzwakken.
Balansregeling
Trek de knop nog verder naar voren. Draai de knop naar rechts om het geluid van de rechterluidspreker te versterken. (Het geluid van de linkerluidspreker verzwakt.) Draai de regelknop naar links, om het geluid van de linkerluidspreker te versterken. (Het geluid van de rechterluidspreker verzwakt.)
3. Regeling hoge tonen
Druk op de knop zodat ze naar voren springt en draai ze naar links of naar rechts om de hoge tonen te regelen.
Trek de knop verder naar voren. Draai ze naar rechts om het geluid van de voorste luidspreker te versterken. (Het geluid van de achterste luidspreker verzwakt.) Draai de knop naar links om het geluid van de achterste luidspreker te versterken. (Het geluid van de voorste luidspreker verzwakt.)
4. Zenderafstemming (TUNE)
Druk op de bovenkant van de knop (+) voor een hogere frequentie of op de onderkant (-) voor een lagere frequentie. Als u de knop langer dan 0,5 sec indrukt, versnelt het zoeken naar een volgende zender.
Zender zoeken
Druk 1 sec of langer op de "TUNE"-toets. Als u op de bovenkant van de toets drukt(+), zoekt de radio automatisch de volgende zender op een hogere frequentie. Als u op de toets drukt(-), zoekt de radio automatisch de volgende zender op een lagere frequentie.
5. Voorkeuzetoetsen
U kunt voor iedere frequentieband (AM, FM1 en FM2) zes (6) radiozenders programmeren in het geheugen van de radio. Door op de bandschakelaar en/of een van de zes voorkeuzetoetsen te drukken, kunt u dan onmiddellijk afstemmen op de geprogrammeerde zender van uw keuze.
ZENDERS PROGRAMMEREN
Om een zender te programmeren, gaat u als volgt te werk:
O Druk op de bandschakelaar om de gewenste frequentieband te selecteren: AM, FM! of FM2.
O Stem de radio af op de gewenste zender door te drukken op de TUNE-knop.
O Bepaal aan welke voorkeuzetoets u de zender wilt toekennen.
O Druk langer dan twee seconden op de voorkeuzetoets. Op het display verschijnt het nummer van de voorkeuzetoets die u hebt ingedrukt. De frequentieweergave begint te knipperen zodra de zender in het geheugen is opgeslagen. Laat de toets los. Indien gewenst kunt u nu de volgende zender programmeren. U kunt in totaal 18 radiozenders programmeren: voor iedere frequentieband kunt u er één aan iedere toets toekennen.
O Na het programmeren kunt u afstemmen op een geprogrammeerde zender door de
gewenste frequentieband te selecteren met de bandschakelaar en op de voorkeuzetoets van de gewenste zender te drukken.
6. Bandschakelaar (FM-AM)
Druk op de bandschakelaar om te schakelen tussen AM, FM1 en FM2. De geselecteerde modus verschijnt op het LCD display.
Druk op de equalizertoets om de toonkwaliteit te selecteren: CLASSIC, JAZZ of ROCK MODE. U kunt de geselecteerde modus aflezen op het display. Telkens als u op de toets drukt, verandert de geselecteerde modus als volgt:

8. Programmeertoets (BSM) (indien aanwezig)
Druk twee seconden of langer op de programmeertoets om de zes zenders die u het best kunt ontvangen, te programmeren (BSM = Best Station Memory). De zenders worden in de volgorde van hun frequentie toegekend aan de verschillende voorkeuzetoetsen.
9. Scantoets (indien aanwezig)
Druk op de scantoets om alle zenders die u kunt ontvangen in oplopende frequentie een na een te horen gedurende5 seconden. Druk nogmaals op de scantoets om het scannen te beëindigen.
CASSETTESPELER (H 935A)(indien aanwezig)

HDS-107
1. Doop- (FF) en terugspoeltoets (REW)
O Druk op de FF-toets om de cassette versneld vooruit te spoelen terwijl ze aan het afspelen of het terugspoelen is.
O Druk nogmaals op de FFtoets om de cassette weer gewoon te laten afspelen.
O Druk op de REW -toets om de cassette terug te spoelen terwijl ze aan het afspelen of het doorspoelen is.
O Druk nogmaals op de REW-toets om de cassette weer gewoon te laten afspelen.
2. Zoektoetsen
Druk op de zoektoets om het begin van een nummer te zoeken op een voorbespeelde muziekcassette. Deze functie kan alleen worden gebruikt voor cassettes met minstens 4 seconden stilte tussen de nummers.
O Druk op de - toets (••) om naar het volgende nummer te gaan.
O Druk op de -toets (••) om naar het begin van het nummer dat u nu beluistert, te gaan.
3. Afspeelrichtingtoets (TAPE)
Druk op deze toets om de andere kant van de cassette te beluisteren. Op het display verschijnt een pijl die de afspeelrichting aanduidt.
4. Uitwerptoets
O Druk op de uitwerptoets om de cassette uit de speler te halen.
O Ook alsu tijdens het terug- of doorspoelen op deze toets drukt, wordt de cassette uitgeworpen.
5. Dolbytoets
Als u last hebt van achtergrondruis bij het beluisteren van de cassette, hoeft u maar op de dolbytoets te drukken om de ruis grotendeels te doen verdwijnen. Om de ruisonderdrukking weer uit te schakelen, drukt u nogmaals op de dolbytoets.
CD-WISSELAAR (H935A) (indien aanwezig)

HDS-107
1. Weergavetoets
O Plaats de cd met de bedrukte zijde naar boven in de lade.
O De cd wordt automatisch afgespeeld, zodra hij zich in de cd-speler bevindt, ook al stond de installatie in radio of cassettespelermodus.
O De cd -speler werkt alleen, als de contactschakelaar op "ON" of "ACC" staat.
2. Door-/Terugspoeltoets (FF/REW)
Druk op de FFtoets terwijl de cd afspeelt, om een stuk van het nummer over te slaan of druk op de REW-toets om terug te gaan in het nummer.
3. Volgend/vorig-nummertoets
O U kunt een ander nummer van de cd kiezen met behulp van de volgend of vorignummertoets.
O Druk op (••) om naar het begin van het volgende nummer te gaan. Druk op (•• I om terug te keren naar het begin van het huidige nummer.
4. Scantoets (indien aanwezig)
O Druk op de scantoets om de eerste 10
seconden van ieder nummer te beluisteren. O Druk binnen 10 seconden opnieuw op de scantoets om het afgespeelde nummer volledig te beluisteren.
5. Herhaaltoets (RPT)
O Om de cd die u momenteel beluistert, opnieuw te laten afspelen. drukt u op de herhaaltoets. Druk nogmaals op deze toets om de herhaalfunctie uit te schakelen.
O Zolang de herhaalfunctie is ingeschakeld, wordt de cd telkens opnieuw van begin tot einde afgespeeld.
LET OP:
O Houd de temperatuur in de wagen op een normaal niveau met de airconditioning en de verwarming, om de goede werking van de installatie te verzekeren.
O Als u de zekering vervangt, let er dan op dat u een zekering neemt van de juiste capaciteit.
- Als de accu wordt losgekoppeld, wordt heel het geheugen gewist. In dat geval moet u alle zenders opnieuw programmeren.
O Gebruik geen olie op de draaiende onderdelen.
O Houd magnetische voorwerpen. schroevendraaiers en andere metalen voorwerpen uit de buurt van de cassettespeler en cassettes.
O Deze installatie is alleen geschikt voor een accu van 12 volt DC met een negatieve aarding.
O De installatie bestaat uit precisieonderdelen. Probeer niet ze te demonteren of te wijzigen.
O Zet het volume niet te hoog terwijl u rijdt, zodat u nog kunt horen wat er buiten gebeurt.
O Stel de installatie niet bloot aan water of extreme vochtigheid. Dat geldt ook voor de luidsprekers en de cassettes.
6. Cd-wisselknop (CDCHG) (indien aanwezig)
Als er zich een cd in de wissellade bevindt, kunt u een andere cd opleggen. Dat is ook mogelijk als de radio of cassettespeler in gebruik is. De cd-wisselaar van Hyundai kan zes of acht cd's bevatten. Op het display ziet u het hoeveelste nummer er van welke cd wordt afgespeeld en hoelang het nummer al duurt.
Een cdselecteren
Druk op "DISC+" of "DISC-" om de cd van uw keuze te selecteren.
Cd-onderhoud

Neem de cd+s vast zoals getoond op de illustratie. Laat de cd niet vallen. Houd de cd alleen vast aan de rand, zodat u geen vingerafdrukken op het bemerkt gebied achterlaat. Als de cd is gekrast, kan de leeskop bepaalde stukken overslaan. Breng geen plakband, papier of gegomde etiketten aan op de cd. Schrijf niet op de cd.
Beschadigde cd's
Probeer niet beschadigde, ingepakte of gescheurde cd+s te spelen. Dat zou het weergavemechanisme ernstig kunnen beschadigen.
Cd's bewaren
Berg cd+sdie u niet gebruikt, afzonderlijk op in hun hoesje en bewaar ze op een koele plaats, buiten het bereik van de zon, hitte en stof. Neem of trek de cd niet uit de installatie terwijl hij door de zelflader naar binnen wordt gebracht. Trek de installatie niet uit het dashboard als er een cd is ingelegd of er op de uitwerptoets (EJECT) is gedrukt. Als de geluidsinstallatie wordt verwijderd terwijl de cd in beweging is, kan de cd beschadigd worden. Probeer geen cd in te leggen als de installatie zich niet in het dashboard bevindt, of als de stroom is uitgeschakeld.
Cd's reinigen

MVEO-0002
Vingerafdrukken, stof of vuil op de cd kunnen ertoe leiden dat de leeskop stukken overslaat. Wrijf de cd schoon met een propere zachte doek. Als decd heel vuil ziet, kunt u een propere zachte doek gebruiken die is bevochtigd met een zacht neutraal reinigingsmiddel. Zie afbeelding.
De kop reinigen

GVEO-0112
De weergavekop is zeer belangrijk voor de weergavekwaliteit. Een vuile kop is nadelig voor de geluidskwaliteit. Bovendien kan de kop dan stukken overslaan. Reinig de kop regelmatig, d.w.z. om de maand of om de twee maanden. Reinig de kop met een reinigingscassette of een wattenstaafje dat is gedompeld in zuivere alcohol of een speciaal reinigingsmiddel voor koppen. Schrob de gleuf in de kop schoon met het wattenstaafje.

De kop mag niet in contact komen met een magneet of metaal.
- Gebruik geen pincet of tangwaarrond watten of gaas is gewikkeld, om beschadiging van de kop te voorkomen.
- Gebruik voor een gewone reinigling maar kant van een reinigingscassette. Anders verslijt de kop te snel. Leef de gebruiksaanwijzing van de reinigingscassettena.

- Gebruik alleen ongeaarde luidsprekers.
- Sluit geen luidsprekers aan op de massa
- Isoleer blote draden, zodat er geen kortsluiting kan ontstaan door contact met een metalen voorwerp
ONDERHOUD VAN DE CASSETTES

GVEO-0113
- Verwijder cassettes na gebruik uit de cassettespeler en bewaar ze in hun doosje.
- Stel cassettes niet bloot aan direct zonlicht, vuil of stof. Raak het cassettebandje niet aan met uw vingers. Zorg ervoor dat er geen olie op de cassette komt.
- Gebruik geen cassettes met een speelduur van langer dan 90+min. Cassettes van 120 of 180+min hebben een zeer dunne band en lopen soms vast in de cassettespeler.
-
Controleer altijd of de cassetteband goed op de spoelkern is gewikkeld voor u de cassette in de cassettespeler steekt. Indien nodig kunt u het bandje opwinden door met een potlood aan de spoelkern te draaien.
-
Het transport van een cassetteband die niet goed is opgewonden, vereist te veel kracht. Bijgevolg begint de installatie automatisch de andere kant af te spelen, alsof het einde van de cassetteband is bereikt. In dat geval kunt u de cassetteband weer gelijkmatig opwinden met de doorspoelfunctie.
- Controleer voor u een cassette insteekt of het etiket op de cassette goed vastzit.
- Houd cassettes uit de buurt van magnetische voorwerpen (motor, luidspreker, transformator enz.), om ruis en een verslechterde geluidskwaliteit te voorkomen.
- Bewaar cassettes op een koele, droge plaats.
Verwarming en airconditioning
Luchtroosters 7-2
Handbediende installatie 7-3
Automatische installatie 7-7
Luchtroosters

Zijroosters (links/rechts)
U kunt de richting en het volume van de luchtstroom regelen door het rooster te verstellen. Verstalkonn richting
Auto met airconditioning
U hoeft zich geen zorgen te maken als er mist uit de luchtroosters komt wanneer de airconditioning aanstaat. Dat is een normaal verschijnsel wanneer vochtige lucht plots afkoelt.
Handbediende installatie ON
Bedieningsinstrumenten

HDS-048
① Luchtstroomregelaar
② Temperatuurregelaar
③ Luchtiniaatschakelaars
④ Schakelaar airconditioning
⑤ Regelhendel ventilatiekracht
Luchtstroomregelaar
Draai aan deze knop om in te stellen uit welke roosters er lucht moet komen.

Draai aan deze knop om de verwarming in of uit te schakelen en de temperatuur van de verwarming te regelen.

MSO-0210

alet
Als het koelwater van de motor koudis, kunt u de temperatuur van de lucht niet regelen met de temperatuuregelaar
Luchtinlaatschakelaar
Kies in normale omstandigheden altijd voor aanvoer van buitenlucht.

HDS-049
Druk op deze schakelaar om de airconditioning in of uit te schakelen.

HDS-050

ast Wees voorzichtig bij het starten want het stationair toerental kan hoger zijn als de airconditioner aanstaat
■ Regelhendel ventilatiekracht
Verstel deze hendel om de ventilatiekracht te regelen.

HDS-051

1 Gebruik de recirculatie van binnenlucht alleen tijdelijk om te beletten dat de ongewenste buitenlucht naar binnen komt en zet de schakelaar daarna weer op aanvoer van buitenlucht Als de binnenlucht blijft circuleren, verhoogt de vochtigheidsgraad, waardoor de rulten beslaan
- Zeker bij koud weer mag u de binnenlucht niet te lang laten recirculeren, om te voorkomendat de ruiten beslaan. Als de voorruit eenmaal is beslagen, is het niet zo gemakkelijk om ze te ontwasemen.
Verwarming
Om de verwarming in te schakelen, draait u de temperatuurregelaar in de rode zone en zet u de regelhendel van de ventilatiekracht in de gewenste stand.
Snelle verwarming
Voor een snelle verwarming zet u ①tijdelijk op recirculatie van binnenlucht. ( ) Als de voorruit beslaat tijdens de snelle verwarming, zet u ① weer op aanvoer van buitenlucht.( ).

HDS-052
■ Normale verwarming
Als op aanvoer van buitenlucht staat kan er vervuilde lucht in de auto komen als u door een vervuild gebied of een tunnel rijdt. In dat geval zet u het best op recirculatie van buitenlucht ( ).

HDS-053
■ Verwarming op twee niveaus

HDS-054
Als u de luchtstroomregelaar op de tweede stand zet, wordt er warme lucht geblazen onder uw voeten, terwijl er koude lucht komt uit de zijroosters links en rechts.
■ Voorruitontwaseming en algemene verwarming

HDS-055
■ Ontwaseming of ontdooiing van de voorruit

HDS-056

Om de voorruit sneller te ontwasemen en ontdooien, gebruikt u alleen de ventilatieopeningen aan de voorruit en de zijkanten. Sluit de middenroosters.
Ventilatie

HDS-057
Om na de ventilatie de verwarming in te schakelen, draalt u de temperatuurregelaar in de rode zone.
Zet de regelhendel van de ventilatiekracht op de 3de of de 4de stand als u traag rijdt of op de 2de stand als u snel rijdt.
(Airconditioner
Druk de AIC-schakelaar in om de airconditioning in te schakelen. Zet de regelhendel van de ventilatiekracht op de gewenste stand (1-4). Druk nogmaals op de AIC-schakelaar om de airconditioning weer uit te schakelen.
Krachtige airconditioning
Als u de krachtige airconditioning lang ingeschakeld laat, daalt de vochtigheidsgraad, wat schadelijk is voor uw lichaam. Schakel daarom altijd na 10+minuten terug over op normale airconditioning.

Als u de luchtstroomregelaapp ( ) zet, wordt er frisse lucht geblazen naar uw benen en uw bovenlichaam.

HDS-059
AOpgelet 1

Als u de airconditioning lang gebruikt met gerecirculeerde binnenlucht ( ), kan de lucht heel droog worden Zet de schakelaar op aanvoer van buitenlucht ( ), zodat er frisse luchtbinnenkomt.
- Zet alle ramen open om frisse lucht binnen te laten voor u begint te rijden, als de auto lang in de volle zon heeft gestaan.
- Ontwaseming en airconditioning
Zet de luchtinlaatschakelaar op een andere stand bij vochtig weer (bv. als het regent).

HDS-060

De airconditioner van deze auto werkt met een nieuw koelmiddel (R-134a) dat niet schadelijk is voor de ozonlaag. Vul de airconditioner daarom altijd bij met het nieuwe koelmiddel (R-134a). Het vroegere koelmiddel (R-12) kan problemen met de airconditioner veroorzaken.

-
Zet de airconditioning uit als u op een steile helling rijdt, anders kan de motor oververhit raken.
-
Schakel over op een lage versnelling voor een hoger motortoerental of schakel de airconditioner uit als u lang in de file staat.
- Als u de airconditioning lang gebruikt terwijl de auto stilstaat, kan de motor oververhit raken. Gebruik de airconditioning daarom zo weinig mogelijk terwijl u ergens geparkeerd slaat.
- Als er geen koude lucht uit de ventilatieopeningkomt als ulang met een hoge snelheid rijdt, schakel de airconditioner dan uit en zet de regelhendel van de ventilatiekracht in de 4de stand. Rij nog 5 tot 10 minuten voort en zet de airconditioner dan opnieuw aan.
- Schakel de airconditioner 3 tot 5 minuten uit, als u lang bergon riidt.
- Zet de airconditioning in de winter 1 tot 2 maal per maand aan, ook al hebt u ze niet nodig. Zo voorkomt u dat het koelmiddel begint te ontsnappen. Bovendien circuleert de olie in de compressor dan nog eens. Zo houdt u de airconditioner in perfecte staat voor de volgende keer dat u hem nodig hebt.
Automatische installatie \* ON
De automatische verwarming en airconditioningsinstallatie regelt de temperatuur volledig automatisch. Het enige wat u moet doen, is de gewenste temperatuur instellen.

Als u de motor uitzet, onthoudt de installatie de ingestelde temperatuur en de positie van de verschillende bedieningsinstrumenten. Als u de accu loskoppelt, wordt het geheugen echter gewlist. In dat geval keert de installatie terug naar haar standaardinstelling, die 25°C bedraagt.
Als u de airconditioning pas hebt ingeschakeld, kan het zijn dat de binnenkomende buitenlucht er uitziet als mist. Dat is de wijten aan de vochtige lucht door de snelle airconditioning.
Bedieningsinstrumenten

HDS-062
① Temperatuurregeling
② AUTO-schakelaar (automatische werking)
③ UIT-schakelaar
④ Ventilatiekrachtschakelaar
⑤ Luchtinlaatschakelaar
⑥ Luchtkwaliteitschakelaar
⑦ Luchtstroomregelaar
⑥ AAN/UIT-schakelaar airconditioning
Automatische werking)

HDS-100
De automatische temperatuurregeling regelt de verwarming of airconditioning volledig automatisch als volgt:
- Druk op de "AUTO-schakelaar. Er gaat een controlelampje aan, dat aanduidt dat de luchtstroom, de ventilatiekracht en de airconditioning automatisch worden geregeld.
- Stel de gewenste temperatuur in via de temperatuurregeling.
Als u op de bovenkant "A" drukt, wordt de temperatuur verhoogd met 0,5C (tot maximaal 32C) - Als u op de onderkant "V" drukt, wordt de temperatuur verlaagd met 0.5C (tot minimaal 17C)
A Opaelet Leg niets op de sensor in het dashboard, om de goede werking van het systeem le verzekeren.
Handmatige bediening
De installatie kan ook handmatig bediend worden. Als de "AUTO"-schakelaar niet is ingedrukt, kunt u alle andere schakelaars gebruiken om zelf de temperatuur te regelen. Bij handmatige bediening reageert her systeem op de schakelaars die worden ingedrukt.
De functies die niet handmatig worden ingesteld, worden nog altijd automatisch geregeld.
□ Ventilatiekracht
Stel de gewenste ventilatiekracht in door op de schakelaar te drukken. Hoe sterker de ventilatiekracht, hoe meer lucht er in de auto wordt geblazen.
Druk op de "OFF"-schakelaar om de ventilator uit te schakelen.
Luchtinlaatregeling
Met de luchtinlaatregeling stelt u in of er frisse lucht dan wei gerecirculeerde binnenlucht in de auto wordt geblazen.

Als de " -mod(buitenlucht) is geselecteerd, brandt het overeenkomstige controlelampje op het display. De buitenlucht wordt in de auto gezogen en verwarmd of afgekoeld al naargelang welke functies zijn geselecteerd.
Als de " -modus (binnenlucht) is geselecteerd, brandt het overeenkomstige controlelampje op het display. De lucht uit de auto circuleert opnieuw door de installatie en wordt verwarmd of afgekoeld al naargelang welke functie is geselecteerd.

Als u de binnenlucht langdurig laat recirculeren, beslaan de ruiten sneller en wordt de lucht in de auto muf. Bovendien zal de lucht in de auto op de duur uitzonderlijk droog worden.
Druk u op de "OFF"-schakelaarom de installatie uit te schakelen.
Luchtstroomregeling
| Functie | Lucht blazen op het bovenlichaam | Lucht blazen op het boven- en onderlichaam | Lucht blazen op het onderlichaam |
| Schakelaar | MS00228 | MS00229 | MSO-0230 |
| Luchtrooster | JO-0231 | JO-0232 | JO-0233 |
| Functie | De beenruimte en de voorruit ontvochtigen | De voorruit ontvochtigen |
| Schakelaar | MSO-0234 | MSO-0235 |
| Luchtrooster | H-0236 | O-0237 |
Tips
- Zet de ramen een paar minuten open, als het warm is in de auto wanneer u instapt. zodat de hete lucht kan ontsnappen.
Houd de ramen gesloten als de airconditioning aanstaat, zodat er geen warme lucht naar binnen kan komen.
Schakel in een lage versnelling als u in de file staat. Bij een hoger toerental werkt de compressor van de airconditioning sneller.
Schakel in een lage versnelling als u in de file staat. Bij een hoger toerental werkt de compressor van de airconditioning sneller.
Zet de airconditioning uit als u op een steile helling rijdt, om oververhitting van de motor te voorkomen.
Schakel de airconditioning ook in de wintermaanden of andere periodes waarin u ze niet regelmatig gebruikt, één keer per maand een paar minuten aan, zodat de olie circuleert en uw installatie in perfecte staat blijft.
MEMO
Starten en rijden
Voor het starten 8-2
Contactschakelaar 8-2
De motor starten 8-3
Handgeschakelde versnellingsbak 8-4
Automatische versnellingsbak 8-5
Handrem 8-11
Antiblokkeersysteem (A.B.S) 8-12
De hoogte van het stuur verstellen 8-13
Achteruitkijkspiegel 8-13
Buitenspiegel 8-13
Voor het starten
Controleer de volgende punten voor het starten:
(1) Controleer de auto rondom (lekke band, olielek of waterlek enz.).
(2) Controleer zodra u in de wagen stapt of de handrem goed is opgetrokken.
(3) Controleer of de stoel goed staat.
(4) Controleer of de achteruitkijkspiegel goed is ingesteld.
(5) Sluit alle deuren.
(6) Klik uw veiligheidsgordel vast.
(7) Schakel alle elektrische toestellen die u niet nodig hebt, uit.
(8) Controleer of alle waarschuwingslampjes aangaan zodra u de contactschakelaar in de stand "ON" draait.
(9) Controleer of er voldoende brandstof is.
(10) Controleer of de versnellingspook in vrijloop staat.
("P" voor een automatische versnellingsbak)
Bij auto's met een automatische versnellingsbak start de motor alleen als de keuzehendel in "P" of "N" staat.
Zet veiligheidshalve de keuzehendel in "P" voor u de motor start.

(Standen van de contactschakelaar

U kunt de sleutel in de contactschakelaar steken en eruit halen. Als de sleutel eruit is, stopt de motor en is het stuur geblokkeerd.
ACC
De claxon, de ruitenwissers en - sproeiers, de elektrisch bedienbare buitenspiegels enz., werken ook als de motor stilstaat.
ON
START
De motor draait en u kunt alle elektrische systemen gebruiken.
De startmotor werkt.
Laat de sleutel los zodra de motor is gestart. Hij keert automatisch terug in de "ON"-positie gaan.
De sleutel verwijderen
Bij auto's met een automatische versnellingsbak moet u de keuzehendel in de "P"-stand zetten om de sleutel te verwijderen. Draai de sleutel in de "ACC"-stand en houd hem ingedrukt tot hij in de stand "LOCK" draait. Trek dan de sleutel uit de contactschakelaar.
Bij auto's met een handgeschakelde versnellingsbak moet u de keuzehendel in de "P"-stand zetten om de sleutel te verwijderen. Draai de sleutel in de "ACC"-stand en houd hem ingedrukt tot hij in de stand "LOCK" draait. Dan kunt u de sleutel uit de contactschakelaar nemen.

Als de sleutel niet van "LOCK" in "ACC" kan worden gedraaid.
Draai aan de sleutel terwijl u het stuur zachtjes over en weer beweegt.

- Laat de radio, de cassettespeler enz. niet lang aanstaan als de motor stilligt en de motorschakelaar zich in "ACC bevindt.
- Laat de contactschakelaar niet op "ON" staan als de motor stillgt, om ontlading van de accu en problemen met de ontstekingspoel enz. te voorkomen.
- Draai de contactschakelaar niet in "START" als de motor draait, om beschadigling van de startmotor en de starterkrans van het vilegwlei te voorkomen.
De motor starten

- Start de motor niet op een onvoldoende geventileerde plaats. zoals in een garage, om uittlaal -gasvergiftiging te voorkomen.
- Druk bij auto's met een handgeschakelde versnellingsbak de koppelingspedaal in om te starten. Anders zal de motor niet starten.
- Start de startmotor niet als de wagen wordt geduwd of getrokken. Dat is gevaarlijk.
- Zetde airconditioning, de koplichten en de achterruitverwarming uit wanneer de motor start.
- Laat de sleutel los zodra de motor is gestart. Als de contactschakelaar in "START" blijft staan, kan de accu ontladen worden en de startmotor beschadigd worden.
- Laat de startmotor niet langer dan 10 seconden draaien in "START", om ontlading van de accu te voorkomen. Als de motor niet start binnen 10 seconden, draai de contactschakelaar dan terug in "LOCK". Wacht enkele ogenblikken en probeer het dan opnieuw.
De motor starten)
■ Normale omstandigheden
Laat de motor na het starten een minuutje stationair draaien voor u begint te rijden. Onder normale omstandigheden moet u de gaspedaal niet indrukken om te starten.
- Steek de sleutel in de contactschakelaar.
- Zet de keuzehendel in vrijloop ("P" voor een automatische versnellingsbak).
- Draai de contactschakelaar in "ON" terwijl u de koppeling indrukt en controleer of alle waarschuwingslarnpjes branden.
- Draai de contactschakelaar irl"START" en laat de sleutel los zodra de motor start.

MSO-0158
Zolang het koelmiddel koud is, kan het motortoerental hoog zijn, maar naarmate de temperatuur van het koelmiddel stijgt, daalt het toerental tot het normale niveau.
U hoeft zich geen zorgen te maken als de motor in het begin een raar geluid maakt. Dat geluid is te wijten aan de bouw van de motor en zal verdwijnen zodra u aan het rijden bent.
Extreme koude
- Trap de gaspedaal half in terwijl u de contactschakelaar in "START" draait en start de motor.
- Laat de gaspedaal los zodra de motor start.

MSO-0159
Als de motor niet start
- Als u al verscheidene keren tevergeefs hebt geprobeerd de motor te starten door de contactschakelaar in "START" te draaien, trap dan het gaspedaal volledig in om de motor te starten.
- Neem uw voet van de gaspedaal zodra de motor is gestart.

Trap de koppelingspedaal in terwijl u de versnellingspook verzet.


- Om in achteruit te schakelen, moet u de auto tot stillstand brengen en ongeveer 3 seconden wachten voor u de achteruitversnelling selecteert.
- Neem uw voet van de koppelingspedaal tijdens het rijden. (Zo voorkomt u vroegtijdige slijtage en beschadiging van de koppelingsplaat.)
- Trapde koppelingspedaal voiledig in om vlot te schakelen.
- Schakel nooit rechtstreeks van "5" in "R". Schakel eerst naar vrijloop en schakel pas in "R" als de auto volledig stilstaat.
De positie van de versnellingspook en het snelheidsbereik
Als u in een lagere versnelling schakelt, let er dan op dat de wijzer van de toerenteller niet in de rode zone komt. (Als u van de 5de versnelling naar de 4de schakelt, kan de hendel per ongeluk in de 2de versnelling belanden. Het hoge toerental dat daar het gevolg van is, kan de motor beschadigen.)
- Aanbevolen snelheid afhankelijk van de snelheid

other
| Category | Count (mph) | |---|---| | 1e | 100 | | 2de | 100 | | 3de | 100 | | 4de | 100 | | 5de | 100 | MSO-0162 Mogelijk Zuinigsnelheid 2 Schakel zo snel mogelijk in een hogere versnelling, maar zorg er wel voor dat de motor niet begint te kloppen
Automatische versnellingsbak\*
Raadpleeg ook het hoofdstuk "Voor automatische auto's". 3-4
Schakelstanden
Trap de rempedaal in terwijl u schakelt van "P" in een andere versnelling.

Trap de rempedaal in en druk op de knop om van versnelling te veranderen
Verzet de keuzehendel zonder op de knop te drukken
Verzet de keuzehendel terwijl u op de knap drukt
De versnellingsbak heeft4 versnellingen in vooruit en 1 in achteruit. De best geschikte versnelling wordt automatisch geselecteerd, afhankelijk van de positie van de keuzehendel, de rijsnelheid en de positie van de gaspedaal.
Een controlelampje in het midden onderaan op het instrumentenbord duidt aan in welke positie de hendel zich bevindt. De verschillende standen zijn ook aangeduid op het plaatje naast de hendel.
Als u de koplichten aanmaakt, wordt het plaatje naast de hendel ook verlicht.

-
Als u altijd de knop indrukt terwijl u de keuzehendel verzet, kan hij per ongeluk in "P", "R", "2" of "L" schakelen. Druk daarom nooit op de knop voor veranderingen van versnelling die zijn gemarkeerd met een zwarte pijl.
-
Maak er een gewoonte van op de rempedaal te trappen voor de volgende veranderingen van versnelling: "N" → "D"; N → "R", "R" → "P"
-
Wacht altijd tot de auto volledig stilstaat voor u van vooruit in achteruit of van achteruit in vooruit en "P" schakelt. Zel de keuzehendel niet in "P" of "R terwijl de auto rijdt. Dat kan de versnellingsbak beschadigen.

PARKEREN
Gebruik deze stand om de auto te parkeren of de motor te starten.
Om teparkeren zet u de keuzehendel in "P" nadat de auto volledig stilstaat.
Neem de sleutel uit de contactschakelaar als de keuzehendel in de "P"-stand staat.

ACHTERUIT (Reverse)
Gebruik deze stand om achteruit te rijden.
Wacht altijd tot de auto volledig stilstaat voor u de keuzehendel in" R" zet.

VRIJLOOP (Neutral)
Start de motor veiligheidshalve alleen als de keuzehendel in"P" staat, ook al kan hij
vanuit vrijloop worden gestart.
In deze stand is er geen enkele versnelling ingeschakeld. U kunt deze stand gebruiken als u eventjes moet stilstaan, bv. in de file.

RIJDEN (Drive)
Gebruik deze stand om vooruit te rijden. De versnellingsbak schakelt automatisch tussen de I e en de 4de versnelling.
Zet de keuzehendel nooit in"2" of "L" als u 95 km/u of sneller rijdt.

2DE VERSNELLING
Gebruik deze stand voor rijden op een
gladde weg, bergop rijden of om op de motor te remmen tijdens het bergaf rijden. In deze stand schakelt de versnellingsbak niet hoger dan de 2de versnelling. Maar als de auto een bepaalde snelheid overschrijdt, wordt toch in de 3de versnelling geschakeld om te voorkomen dat het motortoerental te hoog oploopt.

LAGE VERSNELLING
Deze stand is beperkt tot de le versnelling. Gebruik deze stand om op
een steile helling te rijden of om krachtig op de motor te remmen als u bergaf rijdt. Als de auto een bepaalde snelheid overschrijdt, wordt toch in de 2de of zelfs de 3de versnelling geschakeld om te voorkomen dat het motortoerentalte hoog oplocpt.
Rijden
Wijden met een automatische versnellingsbak
Starten
- Trap de rempedaal in met uw rechtervoet.
Door het "kruipeffect" beweegt de auto steeds vooruit of achteruit met kruipsnelheid als de keuzehendel in "D", "2, "L" of "H" staat, ook al trapt u niet op de gaspedaal. Het kruipeffeci is groter als de airconditioning aanstaat bij een hoog motortoerental. Trap veiligheidshalve altijd de rempedaal in terwijl u schakelt.
- Pet de keuzehendel in "D" om vooruit te rijden en in "R" om achteruit te rijden.
Trap de rempedaal in tijdens het schakelen. Zet de keuzehendel nooit van "N" en "P" in een andere stand terwijl u op de gaspedaal trapt. Dat kan ongelukken veroorzaken doordat de auto dan plots in beweging komt.
-
Controleer veiligheidshalve de stand van de keuzehendel voor het starten.
-
Controleer de omgeving van de auto voor u start en de handrem loslaat.
-
Neem uw voet van de rempedaal en trap zachtjes op de gaspedaal om de auto te starten.
Terwijl bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak de snelheid afhankelijk is van zowel de gaspedaal als de koppelingspedaal, wordt de snelheid van een auto met een automatische versnellingsbak alleen bepaald door de gaspedaal. Weesdaarom voozichtig met het gebruik van de gaspedaal.
Starten op een steile helling
- Neem uw voet van de rempedaal nadat u de handrem hebt opgetrokken, zodat de auto niet kan bewegen of starten.
- Trap de gaspedaal zachtjes in om te zien of de auto start. Laat de handrem los om de auto te starten.
\* Wat is "kruipeffect"...
Als de keuzehendel niet in "P" of "N" staat, is er altijd een overbrenging geselecteerd. Bijgevolg zal de auto altijd bewegen. ook al trapt u de gaspedaal niet in. Dit verschijnsel doet zich enkel voor bij auto's met een automatische versnellingsbak.
□ Rijden

Zet de keuzehendel niet in "N" tijdens het rijden. Dat is gevaarlijk, omdat u dan niet op de motor kunt remmen. Het brandstofverbruik daalt niet als de hendel in "N staat.
1. Gewoon rijden
Wijden met de keuzehendel in "D".
De versnellingsbak schakelt automatisch zodra u begint te rijden.
2. Wijden op een helling
Bergop rijden
Als u de gaspedaal intrapt om de snelheid te handhaven terwijl u bergop rijdt. zal de versnellingsbak overschakelen in een lagere versnelling om het motortoerental te verhogen. Zet de keuzehendelin "2" om het toerental te verlagen voor een rustige rit.
Zie "Automatische versnellingsbak modusschakelaar". 8-9
Rem op de motor terwijl de keuzehendel in "2" staat.
Als u tijdens een lange afdaling alleen remt met de rempedaal kan het remvermogen afnemen door de "dampbelvorming" en het "verzwakkingseffect".
U kunt lichtjes op de motor remmen door de overdrive-schakelaar op "OFF te zetten. Zo kunt u zeer efficiënt remmen als u op een snelweg bergaf rijdt.
Zie "Overdrive-schakelaar". 8-10
3. Plots versnellen
Trap de gaspedaal diep in.
Er wordt automatisch teruggeschakeld naar een lagere versnelling, zodat u plots kunt versnellen. Dit wordt "kick down" genoemd.

4. Op een steiie helling rijden
Zet de keuzehendelin "L" alsu krachtig op de motor moet remmen.
Gebruik de "L"-stand voor snelheden van minder dan 50 km/u.
4. Wat is dampbelvorming...
Door de remwrijving ontstaat er oververhitting en komen er bellen in de remvloeistof. Ais u op de rempedaal trapt, worden alleen de bellen samengedrukt en verkrijgt u geen remeffect.
2. Wat is verzwakkingseffect...
Door oververhitting van het remoppervlak vermindert de wrijving, waardoor het remvermogen afneemt.
□ Soppen
1. Trap hard op de rempedaal terwijl de keuzehendel in "D" staat.
Het kruipeffect is groter als de airconditioning aanstaat of als het motortoerental hoog is. De wagen zal traag vooruit blijven rijden. Wees dus voorzichtig.
2. Trek de handrem op indien nodig.
Als de achterwaartse kracht sterker is dan de voorwaartse kracht door het gewicht van de auto (kruipeffect), zal de auto achteruit rijden als u op een steile helling stopt. Druk de rempedaal in en trek de handrem goed op.

Zet de keuzehendel in "N" als u lang moet stillstaan in de file.
- U kunt niet stoppen op een helling door tegelijk op de rempedaal en de gaspedaal te trappen, want de auto zal niet stil blijven staan.
- Trap de gaspedaalniet diep in terwijl u de keuzehendel uit "Pol" N zel, want dan kan de auto plots optrekken.
Parkeren
1. Zet de auto volledig stil.
2. Trap de rempedaal in en trek de handrem goed op.
3. Zet de keuzehendel in "P".
- U kunt veilig parkeren met de keuzehendel in "P", want de auto zal niet bewegen. Controleer altijd of de keuzehendel in "P staat als u de auto parkeert.

Zet de keuzehendel pas in "P" als de auto volledig stilstaat. Gebruik de "P-stand niet om plots te remmen, want zo kunt u de versnellingsbak beschadigen.
4. beg de motor stil.
Zet de motor af en neem de sleutel uit de contactschakelaar als u de auto verlaat. Als de keuzehendel niet in "P" of "N" staat en de motor nog draait, kan de auto beginnen te kruipen. Als u de gaspedaal per ongeluk intrapt, kan de auto plots vertrekken.
□ Modusschakelaarvan de automatische versnellingsbak
- Selecteer de rijmodus afhankelijk van de rijomstandigheden en de toestand van de weg.
- Met de modusschakelaarkunt u het brandstofverbruik en het optrekkingsvermogen optimaliseren. De schakelaar heeft 3 standen die overeenstemmen met 3 verschillende schakelpatronen: Power, Normal en Hold.


| Stand | Controlelampje | Gebruik | |
| Normaal | HDS 086 | MSO-0167 | Normaal rijdenDeze stand dient voor rustig envlot rijden met een zuinigbrandstofverbruik MSO-0172 |
| Rijden | HDS 087 | MSO 0169 | Sportief rijdenDeze stand is geschikt voorsportief rijden en rijden inbergachtige streken. MSO-0173 |
| Hold | HDS-088 | MSO-0171 | Starten in de sneeuwGebruik deze stand om de auto testarten op een gladde, bv. beijzeldeweg. Zet de keuzehendei in "2" of"D", omprobleemlooste starten.MSO-0174 ![]() |
U kunt de overdrive in- en uitschakelen door op deze knop te drukken.

| Schakelaar | Controlelampje | Gebruik | |
Brandt niet | Normaal rijdenEr wordt automatisch geschakeld tussen de 1e en de 4de versnelling. Gebruik deze stand om vlot te rijden met een laag brandstofverbruik. | MSO-0176 | |
| OFF | Brandt | Rijden op een hellingEr wordt automatisch geschakeld tussen de 1e en de 3de versnelling.Gebruik deze stand in de volgende gevallen:om op de motor te remmen tijdens een lange afdaling:om vlot bergop te rijden in een lagere versnelling. | MSO-01// |
Als de automatische versnelling niet meer schakelt
Als de versnelling niet verandert tijdens het rijden of als de auto niet optrekt op een helling, is het beveiligingssysteem geactiveerd doordat er een probleem is met de versnellingsbak. Rijd dan traag naar een servicecenter om de auto te laten nakijken, een vlakke weg rijdt.
Mogelijk snelheidsbereik
Overschrijd de hieronder opgegeven snelheden voor de lage versnelling niet, om beschadiging van de motor door een te hoog toerental te voorkomen.
| Versnelling | Mogelijke rijsnelheid |
| L (Laag) | 0-50 km/u |
| 2 (2de versnelling) | 0-95 km/u |
Zet de keuzehendel in de 2de versnelling als de auto slecht optrekt op een helling. Dat zal het optrekken vergemakkelijken.
Zet de hendel terug in " D zodra u weer op
Als u lang in de 3de of de 4de versnelling rijdt, kan de motor automatisch een versnelling lager schakelen, om te voorkomen dat de olie in de automatische versnellingsbak te warm wordt. U hoeft zich dan geen zorgen te maken, het is een gewone voorzorgsmaatregel. Zodra u weer normaal begint te rijden, wordt het ongedaan gemaakt.
Handrem
Be handrem aanzetten
Trek de hendel helemaal op.
Parkeer de auto en trek de hendel van de handrem helemaal op zonder op de knop te drukken. (Bij auto's met een automatische versnellingsbak zet u de keuzehendel in "P.)

De handrem uitzetten
Trek de hendel lichtjes naar boven terwijl u de knop indrukt.
Controleer of het waarschuwingslampje van de rem uitgaat.


1 Trek de handrem goed op en zet de versnellingspook in de le versnelling ofin achteruit voor auto's met een automatische versnellingsbak) als u open helling parkeert.
2. Rijd niet met aangehaalde handrem, want dat leidt tot oververhitting van de rem en een verminderd remvermogen.
Antiblokkeersysteem (ABS)

Het ABS voorkomt dat de remmen blokkeren bij plots remmen of remmen op een gladde weg. Zo blijft het remvermogen behouden en kunt u de auto beter onder controle houden.

- Overschat het ABS echter niet. Zelfs bij auto's die zijn uitgerust met ABS, kunt u de controle over de auto verliezen. Rijd dus steeds voorzichtig.
- Matig uw snelheid en houd voldoende afstand op grindwegen of beljzelde wegen. Op zulke wegen kan de remafstand groter zijn voor auto's met ABS dan voor auto's zonder ABS.
- Verwijder de sneeuw en het vuil van het wiel als u in de sneeuw hebt gereden. Pas op dat u de snelheldssensor, de draden enz. op het wiel niet beschadigt.
Rijd traag

Als het ABS functioneert, trilt de rempedaal lichtjes. Het systeem produceer! ook geluid. U hoeft zich daarover geen zorgen le maken, dat betekent gewoon dat het ABS normaal functioneert.
- Zodra u de contactschakelaar in "ON draait en nog voor u de motor hebt gestart, hoort u een motor draaien in de motorruimte. Dat is normaal. Het is alkomstig van het ABS.
ABS-waarschuwingslampje
- Het waarschuwingslampje van het ABS moet normaal gezien beginnen te branden als de contactschakelaar in "ON" wordt gedraaid en weer uitgaan na ongeveer 1 seconde.
- Als het lampje blijft branden, wil dat zeggen dat het ABS niet functioneert. Laat het nakijken in uw servicecenter.

Als het waarschuwingslarnpje aangaat tijdens het rijden
- Parkeer de auto op een veilige plaats en leg de motor stil.
Als het lampje uitgaat nadat u de motor opnieuw hebt gestart, is er geen probleem.
Als het waarschuwingslampje opnieuw aangaat als de motor is gestart of tijdens het rijden, functioneert het ABS niet. De gewone remmen werken dan nog wel. Laat het ABS nakijken in een servicecenter.
- Als de motor is gestart met een startkabel, draait hij onregelmatig. Bijgevolg brandt het waarschuwingslampje van het ABS. Dat is dan te wijten aan de ontoereikende acculading en niet aan een defect in het ABS. Laad de accu eerst voldoende op door de motor stationair te laten draaien met een hoog toerental. Begin pas daarna te rijden.
Wees bijzonder voorzichtig dat u de snelheidssensoren en draden niet beschadigt als u de wielen reinigt (deze componenten bevinden zich op ieder wiel).
De hoogte van het stuur verstellen
- Duw de hendel naar beneden terwijl u het stuur vasthoudt. Stel het stuur in op de gewenste hoogte.
- Zet het stuur vast door de hendel helemaal naar boven te duwen. Controleer of het stuur goed vaststaat.

Verstel het stuur voor u begint te rijden Het is zeer gevaarlijk het stuur tijdens het rijden te verstellen
Achteruitkijkspiegel
- Duw de hendel naar voren om de spiegel in dagstandte zetten en regel de spiegel zo dat u een goed achteruitzicht hebt.
- Trek de hendel naar u toe om de spiegel in nachtstand te zetten. In deze stand kunnen de koplichten van uw achterliggers u niet verblinden.

starter en rijden ▶
Buitenspiegel

Verstelschakelaar
HDS-036
Opgepast

1 Pas op dat de buitenspiegels niets raken als u op een smalle weg of in een garage rijdt
2 Hei is moeilijk de afstanden in te schatten van voorwerpen die u ziet in de buitenspiegel aan de passaglerszijde Wees dus voorzichtig
3 Rijd niet met Ingeklapte
buitenspiegels
De buitenspiegels verstellen ON ACC Elektrisch bedienbare buitenspiegels
- Als de links/rechts-schakelaar op "R" staat, kunt u de rechterbuitenspiegel verstellen. Als hij op "L" staat, kan de linkerbuitenspiegel versteld worden.
- Zet de schakelaar weer in het midden als de buitenspiegels correct zijn ingesteld.
De buitenspiegel inklappen
- Klap de buitenspiegels in om te parkeren in een nauwe ruimte of door een carwash te rijden, om beschadiging te voorkomen.
- Duw van achteren tegen de buitenspiegel om hem naar voren te klappen. Om hem terug achteruit te klappen, duwt u er van voren tegen tot hij weer op zijn plaats klikt.

MSO-0310
Onderhoud
De binnenkant van de auto reinigen 9-2
De buitenkant van de auto reinigen 9-2
De binnenkant van de auto reinigen
Reinig de auto binnenin met water, een detergent of iets dergelijks. Wrijf hem dan droog op een goed verluchte plaats in de schaduw.
Vuil en stof
□ Plastiek, vinyl en weefsel
-
Breng een sterk verdund detergent (3%) aan op een zachte doek en wrijf de oppervlakken zachtjes schoon.
-
Verwijder het detergent door er nog eens over te gaan met een met zuiver water bevochtigde doek. (Laat de auto drogen uit de zon op een goed verluchte plaats)
Tapijt
-
Stofzuig het tapijt.
-
Breng een sterk verdund detergent (3%) aan op een zachte doek en wrijf zachtjes over het tapijt.
-
Verwijder het detergent door er nog eens over te gaan met een met zuiver water bevochtigde doek.
Vetvlekken
Om vlekken van een vettig product te verwijderen van het tapijt of onderdelen uit kunststof, namaakleer, stof enz., doet u wat benzeen op een doek en dopt u de vlek weg.
De buitenkant van het voertuig reinigen
De carrosserie reinigen
- Veeg het stof van de auto met een zachte doek na het rijden.
- Voorkom roestvorming, verkleuring en vlekken door de auto zo spoedig mogelijk te wassen als hij is bedekt met een van de onderstaande substanties:
Zeewater, strooizout; - Roet en stof, ijzerdeeltjes van fabrieken, chemicaliën;
- Uitwerpselen van vogels, dode insecten, sap enz.
Reinigingsmethode
- Maak de onderkant van de carrosserie schoon.
- Spuit water van boven op de auto en wrijf hem schoon met een spons.
- Gebruik een detergent als u de auto niet helemaal proper krijgt met zuiver water. Spoel de auto daarna volledig af met water.

Let op dat er geen water komt op de elektrische onderdelen in de motorruimte Dat zou tot start-problemen kunnen leiden
2 Pas op voor het dakimperiaal of de dakspoiler als u een automatische carwash gebruikt, als de machine niet goed is afgesteld, kunnen deze onderdelen beschadigd worden
3 Als u het vuil lang op de auto laat, kan de lak beschadigd worden Was de auto daarom regelmatig
(Autowas gebruiken]
- Als het water niet goed meer droogt op de laklaag, moet u de auto opnieuw in de was zetten. Herhaal het indien nodig nog eens in dezelfde maand. Gebruik geen was met bijtende bestanddelen.
- Zet de auto niet in de volle zon (36°C) na het wassen. Anders kunnen er vlekken op de laklaag ontstaan.
De kunststof onderdelen reinigen
Wrijf de vlakken schoon met een spons. Als u was aanbrengt op de zwarte of grijze bumper, kan hij wit worden. Was de bumper af met warm water en wrijf hem droog met een doek.


1 Gebruik geen harde voorwerpen, by een borstel, want dat zou het oppervlak kunnen beschadinen.
2. Gebruik een zachte was, die niet schuurt
3 Verwijder vlekken van remvloeistof, motorolie. vet en accuzuur met een sterk verdund detergent (3%). Wrijf het oppervlak daarna droog met een doek
De aluminium wielen reinigen)
- Was het wiel met een detergent en wrijf het onmiddellijk droog.
- Gebruik geen borstel e.d., want aaarmee kunt u het wiel beschadigen.

- Gebruik geen stoomreiniger.
- Verwijder zeewater of strooizout onmiddellijk van de wielen.
De ruiten reinigen)
Was de ruiten met een gewone ruitenreiniger.
△ Opgepast Pas op voor de verwarmingsdraden als u de binnenkant van de achterruit
De laklaag herstellen
Als de autolak is beschadigd, bv. door rondvliegende stenen, kan er roest ontstaan. Werk de laklaag zo snel mogelijk bij.
Deuitenwissers reinigen)
Doe ruitenreiniger op een zachte doek en verwijder het vet en de dode insecten van de ruitenwissers.
Onderhoud in de winter
Onderhoud bij koud weer 10-2
Controle voor het starten 10-2
Rijden op ijzel en sneeuw 10-3
Parkeren 10-3
Reinigen/vastgevroren deur 10-4
Sneeuwkettingen 10-4
Onderhoud bij koud weer
1. Motorola
Gebruik motorolie met een viscositeit die is aangepast aan de buitentemperatuur.

MSO-0257
- Concentratie antivries in het koelmiddel Het koelmiddel moet 50% antivries bevatten. Als het koelmiddel bevriest, wordt de motor beschadigd.
- Concentratie van de sproeiervloeistof Voeg 50% antivries toe aan de sproeiervloeistof om bevriezing te voorkomen.
- Sneeuwketting, sneeuwband Als u sneeuwbanden plaatst, doe het dan op de vier wielen. Zie Een wiel vervangen. 11-5
- De brandstoftank ontvochtigen Neem de dop van de brandstoftank, zodat het vocht kan ontsnappen.
- Vorstvrije ruitenwissers monteren
Controle voor het starten
Controleer de volgende punten voor u begint te rijden:
- Ligt er ijs onder de auto?
- Funotic beehooi Verwijd u in de n 4 gaspdaal on het stuur sneeuw var uw schoen n voor- stapt.
- W→ke and o remped B n de E flichten n Q b b n?
- Werke ode ruite wiss → no beho?
Rijden op ijzel en sneeuw
- Pas op dat de auto niet slipt op een besneeuwde of beijzelde weg!
(1) Breng sneeuwkettingen of sneeuwbanden aan.
(2) Op een brug, in de schaduw, in de buurt van water, aan het uiteinde van een tunnel enz. ontstaat er gemakkelijk ijzel. Vertraag voor u zo'n plaats nadert en rem niet plots of draai niet plots aan het stuur.

- Bewaar een veilige afstand van de andere weggebruiker!
Het remvermogen is kleiner op een besneeuwde of beijzelde weg, doordat de banden minder grip hebben op de weg.
- Verwijder eventuele sneeuw uit de wielkast! De sneeuw in de wielkast kan een blok vormen en moet snel verwijderd worden.

Trap de rempedaal lichtjes in om het remvermogen te testen. Het remvermogen neemt immers af als het remsysteem is bevroren.
Parkeren
- Parkeer de auto met de voorkant tegen de wind in!
- Haal de handrem niet aan. Als u de handrem aanhaalt, kan het remsysteem bevriezen. Zet een auto met een handgeschakelde versnellingsbak in de te versnelling of in achteruit. Bij een auto met een automatische versnellingsbak zet u de keuzehendel irP.

MSO-0261
- Plaats wiggen onder de banden zodat de auto niet kan bewegen!
- Zet de ruitenwissers naar omhoog zodat ze niet kunnen vastvriezen op de ruit!
- Parkeer de auto niet onder een dak of een boom.
Het autodak kan gaan doorhangen door het gewicht van de sneeuw.
Sneeuw kan roestvorming veroorzaken. Was uw auto na het rijden op een besneeuwde weg.
(1) Was vooral de onderkant van de auto.
(2) Wrijf de auto volledig droog na het wassen, zodat de deur niet kan vastvriezen.
Vastgevroren deur]
Probeer niet een vastgevroen deur te openen door er kracht op uit te oefenen, want dan kunt u het rubber beschadigen. Gebruik warm water om de deur te ontdooien.
Sneeuwkettingen

- Bevestig alleen aan de voorbanden sneeuwkettingen.
- Rijd niet sneller dan 30 km/u op een beijzelde of besneeuwde weg.
- Verwijder de sneeuwkettingen voor het rijden op een niet-besneuwde weg, anders kan de ketting worden beschadigd.
- Pas op dat u uw vinger niet verwond bij het aanbrengen overwijderen van de sneeuwkettingen.
- Breng geen sneeuwkettingen aan op aluminium wielen, om beschadiging van de wielen te voorkomen. (Gebruik indien nodig een draadketting.)
- Verwijder de wieldop. om beschadiging te voorkomen
- Vermijd het gebruik van sneeuwkettingen op radiaalbanden. De dunne zijkanten van een radiaalband kunnen immers beschadigd worden door de sneeuwketting. Monteer indien mogelijk sneeuwbanden.
- Gebruik alleen de sneeuwkettingen die worden aanbevolen door een erkend concessiehouder.
■ Desneeuwkettingen aanbrengen
- Trek de handrem volledig op en plaats een wig voor en achter het wiel dat diagonaal staat op het wiel waaraan u de sneeuwketting bevestigt.

Sneeuwketting aanbrengen
MS00262
- Breng de auto omhoog met de krik. Zie [De krik gebruiken] 11-4

elet Start de motor niet of ga niet onder de auto wanneer hij isopgekrikt.
- Plaats de ketting zo op de band dat de krommingen naar buiten wijzen.

Trek de sneeuwketting strak aan en maak de haak van binnen af vast.

MSO-0264
- Verbind de uiteinden van de ketting met de staaldraad, zodat ze niet tegen de carrosserie kunnen slaan.
- Maak de ketting altijd zo vast, dat de clip naar buiten wijst.

- Laat de krik neer en verwijder de wiggen.
- Rij zo'n 500 m met de sneeuwketting om te controleren of alles goed vastzit. Maak evt. loszittende onderdelen vast.

Ais u een abnormaal geluid hoort tijdens het rijden, parkeer de auto dan onmiddellijk op een veilige plaats en controleer of de sneeuwketting goeds aangebracht
De sneeuwkettingen verwijderen
- Maak de staaldraad los.
- Verwijder de haken van binnen af.
- Verwijder de sneeuwketting door de auto een beetje te verzetten.
Noodgevallen
Autopech 11-2
Motorpech 11-2
Krik en gereedschap 11-3
Reservewiel 11-3
Gebruik van de krik 11-4
Een wiel vervangen 11-5
Lege accu 11-6
Oververhitte van de motor 11-7
Slepen 11-8
Metaken geluid bij het remmen en zekeringen controleren en vervangen ...... 11-9
Autopech
■ De gevarendriehoek plaatsen
Als u onderweg autopech krijgt, moet u onmiddellijk de noodknipperlichten aanmaken en de auto aan de kant van de weg zetten. Plaats de gevarendriehoek of een ander rood teken en zorg ervoor dat alle mensen zich op een veilige plaats bevinden.

Motorpech
Als de motor stilvalt tijdens het rijden Parkeer de auto altijd op een veilige plaats zodra u merkt dat er iets mis is.
- Aangezien de rembekrachtiging niet functioneert, zult u harder op de rempedaal moeten drukken dan gewoonlijk.
- Aangezien de stuurbekrachtiging niet werkt, moet u ook harder aan het stuur draaien dan gewoonlijk.
Als de motor niet opnieuw wil starten
- Zet de auto op een veilige plaats met de hulp van de passagiers of andere mensen.
- Als de auto stilvalt op een overweg en niet meteen opnieuw start, moet iedereen de auto onmiddellijk verlaten. Verwittig de hulpdiensten.

Bij auto's met5 zitplaatsen bevindt het gereedschap zich rechts onder de middenbank en de krik onder de passagiersstoel vooraan.

Krik
De krik verwijderen
Draai aan de as van de krik om de krik kleiner te maken en trek ze uit de houder.

De krik terugplaatsen
Draai aan de as de krik om de krik groter te maken en bevestig ze in de houder.

HDS-102
Reservewiel
□ Reservewiel
Controleer regelmatig de bandenspanning van het reservewiel. Zorg ervoor dat het reservewiel steeds in perfecte staat is, zodat u het kunt gebruiken in een noodgeval.
Wet reservewiel verwijderen
- Draai de bout waarmee het wiel in de auto is bevestigd, los met de wielmoersleutel.

- Maak de beugel los van de haak, zodat u het wiel uit de auto kunt nemen.

■ Hel reservewiel terugplaatsen
Om het wiel terug te plaatsen, doet u het omgekeerde van wat hierboven beschreven is. Draai de bout goed aan.
Gebruik van de krik

- Krik de auto op totdat de band de grond net niet meer raakt. De wagen hoger opkrikken kan gevaarlijk zijn.
- Ganiet onder een opgekrikte auto en laat de auto niet lang omhoog staan.
- Gebruikde krik alleen om de auto omhoog te zetten.
- Doe iedereen uitstappen voor u de auto beginl op te krikken.
-
Start de motor niet terwijl de auto omhoog staat.
-
Parkeer de auto veilig op een vlakke plaats en zorg ervoor dat hij het verkeer niet stoort.
- Zet de noodknipperlichten aan en plaats de gevarendriehoek achter de auto. Laat de passagiers uitstappen.

- Leg de motor stil, trek de handrem op en schakel in de 1e versnelling ("P" voor een automatische versnellingsbak). Plaats een wig voor en achter de band die diagonaal staat op de lekke band.

- Plaats de krik op een van de steunpunten die zijn aangeduid op de illustratie.

MSO-0274
- Plaats de groef bovenaan de krik over de flens van de auto en zwengel de krik handmatig aan.

- Draai voorzichtig aan de wielmoersleutel tot de band de grond net niet meer raak.

Haak de krikzwengel in het oog aan de krik. Steek het andere uiteinde van de zwengel in de opening in de wielmoersleutel. Draai aan de wielmoersleutel om de auto op te krikken.
Een wiel vervangen
- Neem het gereedschap, het reservewiel en de krik uit de auto.

Leg het reservewiel onder de auto, om ongelukken te voorkomen
- Plaats de krik op het steunpunt dat zich het dichtst bij het te vervangen wiel bevindt.
- Zet de wielmoeren een beetje los met de wtelmoersleutel. Eventuele wieldoppen moeten eerst verwijderd worden.

- Zwengel de krik aan tot de band de grond nel niet meer raakt.
- Draai de wielmoeren helemaal los en vervang het wiel.
- Steek de wielmoer in het moergat van de wielschijf en draal eraan tot ze niet meer los zit.

HDS-066

Als u aluminium wielen vervangt door stalen wielen, moet u de randmoeren die voor de aluminium wielen werden gebruikt. vervangen door moeren met een tap.
A Opgepast
Let op dat er geen smeermiddel op de wielbout of de wielmoer komt Anders kunnen ze gemakkelijk loskomen.
- Laat de krik neer tot de band de grond raakt en draai de wielmoeren één na één 2 tot 3 keer aan tot het voorgeschreven draaimoment is bereikt.

MSO-0279

Zet geen extra kracht op de wielmoersleutelmet uw voet of een of ander voorwerp.
- Controleer of de bandenspanning overeenstemt met de waarde die wordt opgegeven op de tabel op het bestuurdersporfier.

Tabel met bandenspanning
MSO-0280

- Draai de wielmoeren opnieuw aan nadat u zo'n 1.000 km hebt gereden.
- Laat de auto nakijken als het stuur begint te trillen nadat u het wiel hebt vervangen.
- Gebruik geen banden met verschillende afmetingen of van verschillende types.
Lege accu
Als de accu leeg is, kunt u auto starten met de accu van een andere auto via startkabels.

Opgelet
- De accu van de andere auto moet een spanning leveren van 12 V
-
In de andere auto moet de contactschakelaar op "ON" staan.
-
Sluit de startkabels als volgt aan. Sluit één klem van een startkabel aan op de positieve pool van de lege accu. Verbind het andere uiteinde met de positieve pool van de andere accu.
Aansluiten op het motorhuis

Sluit de andere startkabel eerst aan op de negatieve pool van de hulpaccu en dan op het motorhuis van de auto met de lege accu.
2. Verhoog het toerental van de auto die de stroom levert lichtjes en start de motor van de auto met de lege accu.

- De negatieve pool van de hulpaccu mag niet verbonden worden met de negatieve pool van de lege accu. anders kan het ontvlambare gas van de accu ontploffen.
-
Pas op dat er geen verbinding ontstaat tussen de positieve en negatievepolen.
-
Als de motor gestart is, verwijdert u de startkabels in de tegenovergestelde volgorde van het aansluiten.

- Vermijd vuur en vonken in de buurt van de accu's, anders kan het ontvlambare gas ontploffen.
- Zorg voor voldoende verluchting tijdens het laden van de accu.
- Forceer de auto niet tijdens het starten.
- Let op dat de startkabel niet rond roterende onderdelen in de motorrulmte (bv. de koelventilator) gewikkeld raakt.
- Het zwavelzuur in de accu is giftig en uitermate corrosief. Bescherm uw ogen en pas op dat het zuur niet in contact komt met uw huid, uw kledij of de carrosserie.
- Als er accuzuur in uw ogen of op uw huid terechtkomt, moet u het gedurende 15 minuten met water afspoelen en een dokter raadplegen. Trekbevulde kleren onmiddellijk uit. Als u naar een ziekenhuis wordt gebracht, moet u de wonde ondertussen blijven alspoelen met vochtige spons of doek.
Oververhitting van de motor
Als de wijzer van de watertemperatuurmeter lang in de rode zone blijft staan, is de motor mogelijk oververhit. In dat geval zal het motorvermogen afnemen en de motor beginnen te kloppen. Ga dan als volgt te werk:
- Zet de auto zo snel mogelijk op een veilige plaats aan de kant van de weg.
- Zet de versnellingspook in vrijloop en haal de handrem aan. Schakel de airconditioning uit. als ze aanstaat.
- Leg de motor onmiddellijk stil als er motorkoelvloeistof onder de auto loopt of er rook van onder de motorkapkomt. Als er geen koelvloeistof of stoom onitsnapt, kunt u de motor laten draaien.
- Wacht tot alle _rook verdwenen is en open dan de motorkap. Zet de contactschakelaar opON, zodat de koelventilator in werking treedt.

- Controleer of de koelventilatorwel functioneert, Leg de motor onmiddellijk stil als dat niet het geval is.

A Opgepast Als de koelventilator wel functioneert, legt u de motor stil als de temperatuur van de koelvloeistof weer is gedaald.
- Laat de motor lang genoeg afkoelen. Denk om het volgende:
- Controleer of er voldoende motorkoelvloeistof in het reservoir zit.
- Controleer of de aandrijfriem van de waterpomp nog vastzit en de juiste spanning heeft.
- Controleer of er geen koelvloeistof lekt uit de radiator, een slang enz.


- Wees voorzichtig als u de motorkap opent. Er kan heet water rondspulten of de kap zelf kan zeer heet zijn.
- Verwijder de radiatordop niet. Het hete koelwater kan uit de opening spuiten.
O In de volgende gevallen, moet u het defect zo snel mogelijk laten repareren in een erkend servicecenter:
(1) als de aandrijfriem van de waterpomp is losgekomen of als er een lek is;
(2) als de motor opnieuw oververhit kan raken;
(3) als het koelvloeistofpeil is afgenomen;
(4) als de koelventilator niet functioneert.

MSO-0013
Slepen
-
Doe een beroep op een takelbedrijf als uw auto moet worden weggesleept. Laat de auto op een takelwagen plaatsen als er te weinig olie voor de automatische versnellingsbak is, om beschadiging te voorkomen.
-
Als de auto toch met een sleepkabel moet worden gesleept, doe het dan als volgt:
Aanslagpunten


HDS-067

-
Bevestig de sleepkabel alleen aan de trekhaak. Als u hem bevestigt op een andere plaats, kunt u de auto beschadigen.
-
Bevestig de sleepkabel niet aan de bevestigingshaak.
- De bevestigingshaak dient alleen om de auto vast te binden voor transport.
□ Sleepmethode
-
Let op de remlichten van het slepende voertuig en maak de sleepkabel stevig vast.
-
Zet de versnellingspook in vrijloop. ("N" voor auto's met een automatische versnellingsbak)
-
Respecteer de onderstaande afstanden (zie illustratie) en bevestig een witte doek in het midden van de sleepkabel, zodat de kabel opvalt voor de andere weggebruikers.
Auto's met een automatische versnellingsbak mogen alleen vooruit gesleept worden.
Controleer het oliepeil van de automatische versnellingsbak. Als het peil lager is dan de aanduiding 'HOT', moet u de voorgeschreven olie bijvullen voor het slepen.

Witte doek (min. 30 op 30 cm)
- De bestuurders moeten met elkaar in contact staan tijdens het slepen.

In de gesleepte auto moet de contactschakelaar in "ACC of ON" en de versnellingspook in vrijloop staan ("N" voor auto's met een automatische versnellingsbak). De handrem moet losgelaten zijn. Auto's met een automatische versnellingsbak mogen niet sneller dan 30km/u voortgetrokken worden. Het slepen moet beperkt worden tot een a'stand van maximaal 30km
-
Als de motor stillstaat, functioneert de rembekrachtiging niet. U zult ook harder aan het stuur moeten draaien dan gewoonlijk. Daarom moet u indler mogelijk de motor inschakelen tijdens het slepen.
-
Als u lang bergaf rijdt, zal het remvermogen afnemen doordat de remmen oververhit raken. Indien mogelijk moet de auto op een takeiwagen worden vervoerd. (Als voorttrekken echter onvermijdelijk is, moet u regelmatig stoppen om de remmen te laten afkoelen.)
-
Pas op dat de sleepketting de auto niet beschadigt als u de trekhaak vooraan gebruikt.
-
Als de auto niet in beweging komt, ook al staat de motor aan. of als er niet voldoende olie voor de versnellingsbak is, moet u contact opnemen met een takeldienst om de auto te laten wegslepen.
-
Het voertuig dat sleept moet zwaarde zijn dan de voortgetrokken auto.
-
Plots remmen of versnellen is alleen toegestaan in een noodgeval.
-
Slepen met een takelwagen
- Bij auto's met voorwielaandrijving moeten de 2 voorwielen opgetild worden tijdens het slepen.
Metalen geluid bij het remmen en zekeringen controleren en vervangen
Metalen geluid bij het remmen)
Bij schijfremmen (voorwielen) hoort u een metalen geluid bij het remmen als de remblokken bijna zijn versleten. Laat de remmen nakijken als u dat geluid hoort.
Zekeringen controleren en vervangen
Als er verschillende lampen niet aangaan of als het elektrische stroomsysteem niet werkt, is er misschien een zekering gesmolten.
Zekeringkast
Op de klep van de zekeringkast staat vermeld waarvoor elke zekering dient.
Beenruimte van de bestuurder

In de motorruimte

MS00289
■ Een zekering vervangen
Als een bepaald systeem niet meer werkt, is de zekering mogelijk doorgeslagen. Ga als volgt te werk om een zekering te vervangen:
- Draai de contactschakelaar in "LOCK".
- Trek de zekering los met de zekeringtrekker. (De zekeringtrekker bevindt zich in het midden van zekeringkast in de beenruimte van de bestuurder.)
- Als de zekering is doorgebrand (zie rechtse figuur), moet ze vervangen worden.

- Als de zekerling niet is doorgebrand (zie linkse figuur). werkt het systeem om een andere reden niet. Laat het nakijken.
- Vervang de doorgebrande zekering steeds door een zekering met een even hoog ampere. Gebruik geen stalendraad of zilverpapierenz., dat zou brand kunnen veroorzaken.
- Als dezelfde zekering regelmatig doorbrandt, moet u ze laten nakijken in een servicecenter.

Zekeringtrekker
MSO-0290




MSO-0291

Zekeringentabel
Zekeringkastin de beenruimte van de bestuurder
Nr. 5 - 10 A richtingaanwijzer/
achteruitrijlicht
Nr. 6 - 15 A zonnedak
Nr. 7 - 15 A radiolbinnenverlichting
17 - 10 A ABS waarschuwingslampje
18 - 15 A koplicht(grächt)
19 - 15 A koplicht(dimlicht)
Zekeringkast in de beenruimte van de bestuurder
1 - 15 A stekkerdoos
2 - 15 A mistlicht vooraan
3 - 15 A stoelverwarming
- Een smeltzekering vervangen
Als de stroomkring van de accu wordt overbelast, smelt de draad in de zekering, zodat de stroomkring is onderbroken. Zo wordt beschadiging van de hele bedrading voorkomen.
Vervang de smeltzekering en laat de doorgebrande zekering nakijken in een werkplaats van de fabrikant van het elektrische systeem.


MSO-0294

- Vervang de smeltzekering nooit door een zekering of een draad met een hogere capaciteit, want dat kan brand en ernstige schade aan het elektrische systeem tot gevolg hebben.
Onderhoudsschema en onderhoudsinstructies
Onderhoudsgegevens 12-2
Banden en wielen 12-4
Motorruimte 12-6
Onderhoudsschema 12-10
Smeerschema 12-12
Rijden met een aanhangwagen 12-13
Chassisnummer 12-13
Motornummer 12-14
Onderhoudsgegevens
| Onderwerp | Inhoud | Aanbevolen smeermiddelen | ||
| Brandstof Loodvrije benzine | 60 l | |||
| Motorolie | DOHC | 4,4 l(0,3 liter in oliefilter) | SG level 10W-30 | |
| Olie handgeschakelde versnellingsbak | VWA | 2.0DOHC | 2,5 l | GENUINE PARTS MTF 75W/90(API GL-4) |
| Olie automatische versnellingsbak | VWA | 6,1 l | DIAMOND ATF SP-III of SK ATF SP-III | |
| Sproeiervloeistof Pure sproeiervloeistof | Voor- en achterruit | 2,2 l | ||
| Koplichten | 4,5 l | |||
| Remvloeistof Zoals vereist Remvloeistof | DOT3 of DOT4 | |||
| Koppelingsvloeistof | Zoals vereist | Remvloeistof DOT3 of DOT4 | ||
| Olie stuurbekrachtiging | 0,9 l | ATF DEXRON II of PSF-3 | ||
| Motorkoelvloeistof | 6,5 l | Pure antivries (40 %) | ||
| Onderwerp | Specificatie | |||
| Bougie | Aanbevolen bougie | N9YC-4 (CHAMPION), BP6ES-11 (NGK) | ||
| Afstand tussen de elektroden | 1,0-1,1 mm (0,039~0,043in) | |||
| Riemlosheid (Als er ongeveer 10 kg druk op het midden van de riem wordt uitgeoefend.) | ![]() | |||
| Rempedaal | Vrije ruimte onder de pedaal | 3-8 mm | ||
| Vrije ruimte als de pedaal wordt ingedrukt (druk van 50 kg) | 80 mm | |||
| Koppelingspedaal | Vrije ruimte onder de pedaal | 6-13 mm | ||
| Vrije ruimte als de pedaal wordt ingedrukt | 45 mm | |||
| Handrem | Trek kerf (trekkracht van 20 kg) | 4-6 kerven | ||
Banden en wielen
Band- en wielmaten
Monteer nooit banden met andere dan de opgegeven maten, dat kan gevaarlijk zijn.
| Standaardmaat | ||
| Band | 195/70R 14 | |
| Wiel | Staal | 5.5JJx14 |
| Aluminium | ||
Draaimoment van wielmoer
Draai de wielmoeren 2 tot 3 keer aan in de opgegeven volgorde.

(De band controleren
Controleer de spanning en de slijtage van de band voor uin de auto stapt. Een goede bandenspanningis bevorderlijk voor de levensduur van de banden. De staat van de banden is belangrijk om comfortabelen veilig te rijden.
□ Bandenspanning
De juiste bandenspanning vindt u op het etiket op de rand van de deur van de bestuurder.

Etiket met de
bandenspanning
MSO-0300
| Bandmaat: 195/70R14 | ||
| Vooraan | Achteraan | |
| Bandenspanningkg/cm2(PSI) | 2,2(31) | 2,2(31) |
(Etiket van de spanning)
De wielen omwisselen
Voor een gelijkmatige slijtage en langere levensduur van de banden, moet u de wielen om de 10.000 km omwisselen.
Ornwisselingspatroon bij voorwielaandrijving

MSO-0301
Als u wegens een lekke band het reservewiel moet gebruiken en het reservewiel niet overeenstemt met het standaardtype, moet u zo snel mogelijk weer een wiel van het standaardtype aanbrengen.
Let op het volgende als u de wielen vervangt.
Gebruik steeds vier banden met dezelfde maat en dezelfde structuur (radiaal, diagonaal). Alle banden moeten even hard gespannen zijn en voor hetzelfde seizoen dienen (geen winter en zomerbanden door elkaargebruiken).

Als u in een noodgeval een band aanbrengt dieafwijkt van het standaardtype Jaat dan in de dichtstbijzijndreparatiewerkplaats een juiste band monteren.
Als u lang met een band van een ander type rondrijct, zal het aandrijfsysteem sneller verslijten.
■ Slijtage van de band

Aan de hand van de slijtage-indicator kunt u bepalen of de banden aan vernieuwing toe zijn. Als er op de plaats van het pijltje (A of △) over heel de breedte van het loopvlak een ononderbroken lijn zichtbaar wordt, is het bandprofiel afgesleten en moet u de band vervangen.
| Slijtage-indicator | De diepte van het profiel bedraagt 1,6mm of meer |

Rijden met versleten banden e uiterst gevaarlijk. Versleten banden hebben een nadelige invloed op het rem- en het stuurvermogen en de wegligging. Gebruik geen diagonaal- en radiaalbanden door elkaar
Opgelet Rijden met versleten banden is uiterst gevaarlijk. Versleten banden hebben een nadelige invloed op het rem- en het stuurvermogen en de wegligging. Gebruik geen diagonaal- en radiaalbanden door elkaar
Motorruimte

(2.0 DOHC)
Technische gegevens
Afmetingen Versnellingsbak
| Onderwerp | Waarde | Onderwerp | Waarde | ||
| Totale lengte (mm) | 4.570 | Bodenvrijheid (mm) | 170 | ||
| Totale breedle (mm) | 1.720 | Eigen gewicht (kg) | 1.385 | ||
| Totale hoogte (mm) | 1.645 | Max. brutogewicht (kg) | 1.910 | ||
| Wielbasis (mm) | 2.720 | Aantal zitplaatsen | 7 (personen) | ||
| Spoorbreedle (mm) | Vooraan | 1.460 | Overhang (mm) | Vooraan | 890 |
| Achteraan | 1.460 | Achteraan | 960 | ||
Wieluitlijning
| Vooraan | Toespoor | 0 ± 3 mm |
| Wielvlucht | 0,63° ± 0,5° | |
| Naspoorhoek | 2,17° | |
| Dwarshelling zekeringpen | 13,43° | |
| Achteraan | Toespoor | 2 + 3 mm / -2 |
| Wielvlucht | 0,16° ± 0,5° |
Banden
| Onderwerp | Bandmaat | Bandenspanning (kg/cm2) | |
| Standaardband | 195/70R14 | Vooraan | 2,2 |
| Achteraan | 2,2 | ||
Wiel
| Onderwerp | Wielmaat |
| Staal | 5,5JJ x 14 |
| Aluminium |
| Handgeschakelde versnellingsbak | 2.0DOHC | Opmerkingen | |
| Overbrengings-verhouding 0,888 | 1e | 3.090* | |
| 2de | 1.833 | ||
| 3de | 1,217 | ||
| 4de | n 000 | ||
| 5de | 0,731* | ||
| Achteruit 3.166 | ... | ||
| Eindverhouding | 4,672 | ||
| Inhoud oligreservoir (I) | 2,5 | ||
| Automatische versnellingsbak | 2.0DOHC | Remarques | |
| Overbrengings-verhouding | 1e | 2.551 | |
| 2de | 1.488 | ||
| 3de | 1.000 | ||
| 4de | 0,685 | ||
| Achteruit | 2.176 | ||
| Inhoud oligreservoir (I) | 6.1 | ||
| Handgeschakelde versnellingsbak | 2.0DOHC | Opmerkingen | |
| Overbrengings-verhouding 0,888 | 1e | 3.090* | |
| 2de | 1.833 | ||
| 3de | 1,217 | ||
| 4de | n 000 | ||
| 5de | 0,731* | ||
| Achteruit 3.166 | ... | ||
| Eindverhouding | 4,672 | ||
| Inhoud oligreservoir (I) | 2,5 | ||
| Automatische versnellingsbak | 2.0DOHC | Remarques | |
| Overbrengings-verhouding | 1e | 2.551 | |
| 2de | 1.488 | ||
| 3de | 1.000 | ||
| 4de | 0,685 | ||
| Achteruit | 2.176 | ||
| Inhoud oligreservoir (I) | 6.1 | ||
Motor
| Onderwerp | 2.0 DOHC |
| Boring x slag (mm) | 85 x 88 |
| Cilinderinhoud (cc) 1,997 | |
| Ontstekingsvolgorde | 1-3-4-2 |
| Maximaal vermogen (PK -ff min) | 139-5800 |
| Bougie | BUR6EA-11/RN9YC4 (afstand 1,0 mm-l, l mm): Europa |
| BPR6ES-11/N9YC4 : Uitgez.Europa | |
| Standaardmotorolie | SG graad SAE 1 OW30 |
| Inhoud oliereservoir ( I ) | 4,4 |
| Stationair toerental (tlmin) | 750 ± 100 |
| Ontstekingstijdstip | BTDC5° ± 2° |
Remmen
( ) voor auto's mel ABS
| Type | Hydraulische rem |
| Rem vooraan | Geventileerde schijfrem |
| Rem achteraan | Trommelrem (schijfrem) |
| Handrem | Mechanische rem (schijfrem) |
Brandstof
| Inhoud brandstoftank | 60 |
Stuurinrichting
| Type overbrenging | |
| Externe diameter van het stuur (mm) | 390 |
| Inhoud oliereservoir ( I ) | 0,9 |
Ophanging
| Type | Vooraan | McPherson-veerpootspiraalveer |
| Achteraan | Semi-getrokken wielarm /spiraalveer | |
| Schokdemper | Dubbel werkend | |
Elektrische onderdelen
i) optie
| OnderwerpAccu | 2.0DOHCMF 60 Ah (68 Ah) |
| Dynamo | Wisselstroomgenerator (90 A) |
| Startmotor | Met reductietandwiel 0,9 kW (1,2 kW) Tandheugel |
| Soort licht | Aantal | Vermogen (W) |
| Koplicht(groot licht/dimlicht) | 2 | 55/55 |
| Richtingaanwijzer vooraan | 2 | 28 |
| Richtingaanwijzer achteraan | 2 | 27 |
| Parkeerlicht (Vooraan) | 2 | 8 |
| Achterlicht/remlicht | 2/2 | 5/21 |
| Achteruitrijlicht | 2 | 21 |
| Nummerplaatverlichting | 2 | 4 |
| Soort licht | Aantal | Vermogen (W) |
| Mistlicht vooraan (achteraan) | 2 (2) | 27 (21) |
| Leeslamp | 2 | 8 |
| Binnenverlichting | 1 | 10 |
| Laadruimteverlichting | 1 | 10 |
| Derde remlicht (optie) | 1 | 16 |
| Verlichting overdag (enkel in EU) | 2 | 40 |
| Richtingaanwijzer zijkant (enkel in EU) | 2 | 5 |
Onderhoudsschema
Houd u nauwgezet aan het onderstaande onderhoudsschema om de bestuurbaarheid en het prestatievermogen van de auto te verzekeren. Bewaar de bewijsjes van de onderhoudswerken, om aanspraak te kunnen maken op werken onder garantie. Als zowel een afstand als een tijdsduur worden vermeld, is het onderhoud nodig zodra 1 van de 2 is overschreden.
V Vervangen C: Controleren en indien nodig reinigen, bijregelen, repareren of vervangen
| NR. | BESCHRIJVING | KILOMETERS X 1000 | 7.5 | 15 | 30 | 45 | 60 | 75 | 105 | 90 | 120 | |
| ONDERHOUD MOTORBESTURINGSSYSTEEM | ||||||||||||
| 1 | MOTOROLIE & OLIEFILTER *1 | OM DE 10.000 KM (EUROPA. 15.000 KM). "V" | ||||||||||
| 2 | AANDRIJFRIEM | C | V | C | V | |||||||
| 3 | BRANDSTOFFILTER | V | V | |||||||||
| 4 | BRANDSTOFLEIDING EN -AANSLUITINGEN | C | C | C | C | C | C | C | C | |||
| 5 | DISTRIBUTIERIEM | C | V | |||||||||
| 6 | ONTLUCHTINGSSLANG & BRANDSTOFVULDOP | C | C | C | C | |||||||
| 7 | VACUÜM- EN CARTERVENTILATIESLANGEN | C | C | C | C | |||||||
| 8 | LUCHTFILTER *2 | C | V | C | V | C | V | C | V | |||
| 9 | BOUGIES | C | V | C | V C | |||||||
*1: Om de 5.000 km: "V"(Onder ongunstige rijomstandigheden)
'2: Om de 10.000 km: "C" Om de 20.000: "V"(Onder ongunstige rijomstandigheden)
V: Vervangen C: Controleren en indien nodig reinigen, bijregelen, repareren of vervangen
| NR. | BESCHRIJVING | KILOMETERS X 1000 | 7,5 | 15 | 30 | 45 | 60 | 75 | 90 | 105 | 120 |
| ALGEMEEN ONDERHOUD | |||||||||||
| 1 | MOTORKOELVLOEISTOF | *3 | |||||||||
| 2 | OLIE HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK *4 | C | C | C | C | C | C | C | C | ||
| 3 | AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK *5 | C | C | C | C | C | V | C | C | ||
| 4 | REMLEIDINGEN *6 | C | C | C | C | C | C | C | C | ||
| 5 | REMVLOEISTOF | C | C | C | C | ||||||
| 6 | TROMMELS/VOERING REM ACHTERAAN, HANDREM | C | C | C | C | C | C | C | C | ||
| 7 | REMBLOKKEN, -KLAUWEN EN -SCHIJVEN | C | C | C | C | C | C | C | C | ||
| 8 | UITLAATPIJP EN KNALPOT | C | C | C | C | C | C | C | C | ||
| 9 | BEVESTIGINGSBOUTEN OPHANGING | C | C | C | C | C | C | C | C | ||
| y^0 | STUURHUIS, STANGENSTELSEL & BOUTEN/ONDERSTE WIELDRAAGARM | C | C | C | C | C | C | C | C | ||
| 11 | STUURBEKRACHTIGINGSPOMP, RIEM EN SLANGEN | C | C | C | C | C | C | C | C | ||
| 12 | AANDRIJFASSEN EN BOUTEN | C | C | C | C | C | C | C | C | ||
| 13 | KOELMIDDEL AIRCONDITIONING | C | C | C | C | C | C | C | C | ||
*3: Om de 2 jaar: "V"
*4: Om de 100.000: " V
(Onder ongunstige rijomstandigheden)
*5: Om de 30.000 km: "C"
Om de 45.000: "V" (Onder ongunstige rijomstandigheden)
*6: Om de 10.000 km: "C" (Onder ongunstige rijomstandigheden)
\*ONGUNSTIGE RIJOMSTANDIGHEDEN
- Veelvuldig korte afstanden rijden
- Langdurig stationair draaien
- Rijden op stoffig ruw terrein
- Rijden op plaatsen waar zout of andere bijtende producten worden gebruikt of bij zeer koud weer.
- Rijden op zandwegen
- Meer dan de helft van de tijd rijden in druk stadsverkeer bij zeer warm weer 32∞C(90∞F)
- Rijden op hellingen
- Rijden met een aanhangwagen
- Gebruik als politie-auto, taxi, voor besteldiensten of voor het slepen van auto's - Sneller rijden dan 170 kmlu
Smeerschema
| MerkBeschrijving | GU ES SO | CALTEX | SHELL | MDB L KOP D | M SUBISHI | |
| MOTOROLIE | HIFIO OTOROLIEAP-SG 10W/30 O:SG W/30 | SUPREME DIELUXEAPI-SG 10W/30 O: SG5W/30 | SUPERPL WSMOTOROLIEPI8G 10V W/30 | SUPER-XDPI-SG10 W/30 | DIA ONID YRB SGRA MO/TBO LIEAP SG 10W/3 0 | |
| VERSNELL-INGSBAK | HANDGESCH | GENUINE PARTS MTF 75W/90 (API GL-4) | ||||
| AUTOM. | DIAMOND ATF SP-III of SK ATF SP-III | |||||
| ANTIVRIES | KOELMIDDEL VOOR ALUMINIUM RADIATOREN OP BASIS VAN ETHYLEENGLYCOL | |||||
| REMVLOEISTOF,KOPPELINGSVLOEISTOF | REMVLOEISTOF DOT3 of DOT4 | |||||
| STUURBEKRACHTIGING-SOLIE | ATF DEXRON II of PSF-3 | |||||
| WIELLAGER | CENTOPLEX 278 of SUNLIGHT 2 | |||||
| KOGELGEWRICHT | POLYLUB 801K of VALIANT R-2 VET | |||||
| ACCUPOOL | NO RUST3 | RJST PROOFCOMPOUND L | RETINAX A | MOBILAMAR 798 | ||
Rijden met een aanhangwagen \*(indien aanwezig)
Om een aanhangwagen voort te trekken met uw auto, moet u in een erkend servicecenter een trekhaak laten installeren die aan de geldende voorschriften beantwoordt. Deze voorschriften kunnen verschillen van land tot land. Houd u aan de plaatselijke voorschriften.
| Onderwerp | VWA | ||
| Handgeschakende versnelingsbak | Automatische versnelingsbak | ||
| Max. gewicht aanhangwagen | Met rem | 1.500 kg | |
| Zonder rem | 750 kg | ||
| Kogelbelasting | 75 kg | ||
Attention 1. Rijd niet sneller dan 100km/u met een aanhangwagen.
2. Laat de koppeling niet slippen (alleen voor auto's met een handgeschakelde versnellingsbak) en laat de motor niet sneller draaien dan nodig bij het starten.
3. Schakel in een lagere versnelling voor u bergaf rijdt. Rem op de motor tijdens het afdalen.
4. Trap de rempedaaleerst lichtjes en dan pas harder in, om schokken van de oplooprem te voorkomen.
5. Door het toegenomen gewicht, de grotere rolweerstand en luchtweerstand is het brandstofverbruik groter als u een aanhangwagen voorttrekt.
6. Bij auto's met een automatische versnellingsbak rijdt u het best traag in de 2de versnelling op een holling. Selecteer "L" in bergachtige gebieden zodat u beter op de motor kunt remmen. Let echter wel op dat u de maximumsnelheid voor die versnelling niet overschrijdt. Zie de tabel op pagina 8-10.
Chassisnummer

Het chassisnummer bevindt zich in de motorruimte (zie illustratie).
12-14 ◀ Onderhoudsschema en onderhoudsinstructies
Motornummer

Het identificatienummer van de motor vindt u vcoraan rechts op het cilinderblok.
Index
□A
Achteruitkijkspiegel 2-2, 8-13
Airbag 5-9,6-16
Antenne 6-26
Antiblokkeersysteem (ABS) 8-12
Asbak 2-2,6-19
Automatische versnellingsbak ^* 8-5
B
Band 2-3, 11-5
Banden en wielen 12-4
Bekerhouder achteraan 2-2, 6-23
Bekerhouder vooraan 6-23
Bewaking lichten * 4-7
Bijkomende meetinstrumenten 2-2, 5-12
Binnenverlichting laadruimte 2-2, 6-21
Binnenverlichting vooraan 2-2;6-21
Brandstofmeter 5-4
Brandstofvulklep 2-3, 4-7
Buitenspiegel 2-3, 5-17, 8-13
□ C
Centrale vergrendeling 4-4
Chassisnummer 12-13
Claxon 5-17
Contactschakelaar 2-1, 8-2
D
Dagteller 5-4
De hoogte van het stuur verstellen 8-13
Digitale klok 2-1, 6-22
□G
Geluidsinstallatie 2-1, 6-27
H
Handgeschakeldeversnellingsbak 8-4
Handrem 8-11
Handschoenkastje 2-2, 6-22
Hendel koplichten 2-1, 2-3, 5-13
Hendel richtingaanwijzers 2-1, 5-14
Hoofdsteunen 6-7
Hoogteverstelling koplichten * 5-18
图1
Instrumentenbord 2-1, 5-2
图K
Keuzehendel'(automatische versnellingsbak) 2-1, 8-5
Kilometerteller 5-3
Krik en gereedschap 11-3
L
Laadklep 2-3, 4-3
Leeslamp (Met Zonnedak) 6-25
Leeslamp 2-2, 6-21
M
Modusschakelaar automatische versnellingsbak * 21. 8-9
Motornummer 12-14
Motorruimte 2-312 -6
Noodknipperlichten 5-14
0
Onderhoudsschema 12-10
Opbergkastje in middenconsole 2-26 -23
Opbergvak 6-24
Overdrive-schakelaar *(automatische versnellingsbak)....2-1, 8-10
Oververhitting van de motor 11-7
P
Portierslot 2-3,4-2
R
Reservewiel 11-3
Rijden met een aanhangwagen * 12-13
Ruitenwisser en -sproeiers achteraan 5-16
Ruitenwissers en -sproeiers vooraan 5-15
S
Schakelaar elektrisch bedienbare ramen 2-2, 4-4
Schakelaar koplichtsproeier * 2-1, 5-16
Schakelaar mistachterlicht * 2-1, 5-18
Schakelaar mistlicht vooraan 2-1, 5-17
Sigarettenaansteker 6-19
Slepen 11-8
Sleutels 4-2
Smeerschema 12-12
Sneeuwkettingen 10-4
Snelheidsmeter 5-3
Startblokkering 4-7
Stekkerdoos * 6-18
Stoel 2-2,6-2
Stoelverwarming * 6-4
T
Tafel 6-24
Toerenteller 5-3
图 V
Veiligheidsgordel 6-8
Verlichting overdag 5-13
Versnellingspook (handgeschakelde versnellingsbak) 2-1, 8-4
Verwarming en airconditioning 2-1, 7-1
W
Watertemperatuurmeter 5-4
Wiel 2-3, 12-4
□Z
Zonnedak ^* 6-24
Zonneklep 2-2,6-18
Zonnescherm 6-24
AM30-HO15B
(네덜란드어/유럽)
KIA KIA MOTORS
MS00228
MS00229
MSO-0230
JO-0231
JO-0232
JO-0233
MSO-0234
MSO-0235
H-0236
O-0237
HDS 086
MSO-0167
MSO-0172
HDS 087
MSO 0169
MSO-0173
HDS-088
MSO-0171
Brandt niet
MSO-0176
Brandt
MSO-01//