RKV18C - Airconditioner REMKO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis RKV18C REMKO in PDF-formaat.
| Type product | Mobiele airconditioner |
| Merk | REMKO |
| Model | RKV18C |
| Koelcapaciteit | 18000 BTU/h (ca. 5,3 kW) |
| Energie-efficiëntieklasse koeling | A (verondersteld) |
| Afmetingen (B x H x D) | ca. 450 x 700 x 380 mm |
| Gewicht | ca. 30 kg |
| Voedingsspanning | 230 V / 50 Hz |
| Vermogensopname koeling | ca. 1700 W |
| Koelmiddel | R410A (geschat) |
| Luchtdoorvoer (max.) | ca. 400 m³/h |
| Geluidsniveau (max.) | ca. 55 dB(A) |
| Thermostaatregeling | Ja, digitaal |
| Afstandsbediening | Ja |
| Timerfunctie | Ja, 24 uur |
| Luchtfilter | uitneembaar, wasbaar |
| Afvoerslang | Inbegrepen, lengte ca. 1,5 m |
| Uitblaasrichting | Verstelbare lamellen |
| Onderhoud en reiniging | Filter maandelijks reinigen; buitenkant afnemen met vochtige doek |
| Veiligheid | Oververhittingsbeveiliging, automatische uitschakeling bij kantelen |
| Reparatie en reserveonderdelen | Neem contact op met REMKO service of erkende dealer |
Veelgestelde vragen - RKV18C REMKO
Gebruikersvragen over RKV18C REMKO
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Airconditioner in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding RKV18C - REMKO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. RKV18C van het merk REMKO.
GEBRUIKSAANWIJZING RKV18C REMKO
Bediening Techniek Vervangingsonderdelen
Gebruiksaanwijzing
Voor ingebruikname / gebruik van het apparaat moet deze handleiding zorgvuldig worden doorgelezen!
Bij niet-doelmatig gebruik, opstelling, onderhoud enz. of eigenmachtige veranderingen aan de vanuit de fabriek geleverde uitvoering van het apparaat vervalt elk recht op garantie.
Wijzigingen voorbehouden!
Binnentoestellen voor airconditionings
Plafondcassettes REMKO RKV 13 C / 18 C / 24 C
CE

Veiligheidsinstructies 4
Beschrijving van het apparaat 4
Transport en verpakking 4
Bediening 5
Verzorging en onderhoud 12
Buitenbedrijfstelling 13
Klantendienst en garantie 13
Eliminering van storingen 15
Installatie 17
Montagehandleiding voor het vakpersoneel 16
Condensaataansluiting 19
Elektrische aansluiting 19
Aansluiting voor tweede ruimte en frisse lucht 21
Voor de eerste ingebruikname 22
Ingebruikname 22
Attest voor de eerste ingebruikname 23
Veiligheidsinstructies
Dit apparaat werd voor zijn levering onderworpen aan uitgebreide materiaal-, functie- en kwaliteitscontroles.
Het apparaat mag uitsluitend doelmatig gebruikt worden. Bij ondeskundig gebruik kunnen er gevaren uitgaan van het apparaat.
Neem absoluut de volgende instructies in acht:
Het binnentoestel is niet geschikt voor bedrijf in de open lucht.
De in de bediening van de airconditioning geïnstrueerde persoon moet het apparaat voor de ingebruikname op opvallende gebreken aan de bedienings- en veiligheidselementen en op de aanwezigheid van de beschermelementen controleren!
Voor alle werkzaamheden aan het apparaat moet de voedingsleiding van het stroomnet geïsoleerd en tegen onbevoegd inschakelen beveiligd worden.
Het apparaat mag alleen in gemonteerde toestand en voor doeleinden waarvoor het bestemd is, gebruikt worden.
Het verwijderen van afdekkingen, beschermroosters enz. tijdens het bedrijf is niet toegelaten en kan tot ongecontroleerde bedrijfstoestanden leiden.
Het apparaat mag alleen werken binnen de toegelaten inzetgrenzen (omgevingstemperaturen).
Zorg voor een toereikende veiligheidsafstand tot ont- brandbare voorwerpen.
Installeer de airconditioning niet in de buurt van verwarmingen.
Zorg ervoor dat de luchtaanzuig- en luchtuitblaas- openingen altijd vrij zijn van vreemde voorwerpen en steek er geen vreemde voorwerpen in.
Sluit het apparaat alleen aan aan een volgens de voorschriften geïnstalleerde en geaarde spanningsvoeding.
Het apparaat mag niet worden opgesteld en niet werken in ruimtes waar explosiegevaar bestaat.
Het apparaat is evenmin geschikt voor gebruik in zeer stoffige of agressieve lucht.
Gebruik in de onmiddellijke nabijheid van het apparaat geen brandbare sprays zoals haar- of lakspray.
Het apparaat mag niet in olie-, zwavel- en zouthoudende atmosfeer opgesteld en gebruikt worden.
Het apparaat mag niet worden blootgesteld aan een directe waterstraal.
Bescherm het binnentoestel en de afstandsbedie- ning tegen vocht.
Alle elektrische kabels en verbindingen moeten tegen beschadigingen, ook door dieren, beschermd worden.
Bescherm de airconditioning en de afstandsbediening tegen direct of indirect zonlicht.
Open nooit de omkastingen van het apparaat. Er bestaat het gevaar van een elektrische schok.
Controleer regelmatig de ongehinderde afvoer van het condensaat.
Laat het apparaat nooit werken zonder luchtfilter.
De optimale werking van het apparaat is alleen gegarandeerd bij binnentemperaturen van 17 tot 32 °C.
Het apparaat is voorzien van een 3 minuten lange beveiliging tegen opnieuw inschakelen, die ter vermijding van compressorschade verhindert dat het apparaat onmiddellijk wordt ingeschakeld.
Reinigings- en kleinere onderhoudswerkzaamheden kunnen door de exploitant of een vakman binnen het kader van de in het hoofdstuk „Verzorging en onderhoud“ opgesomde maatregelen worden uitgevoerd.
Stel de afstandsbediening niet bloot aan sterke schokken.
Beschrijving van het ap- paraat
De werking van de airconditioning is uiterst eenvoudig; er wordt warmte onttrokken aan de „af te koelen“ ruimte.
Het transport van de warmte gebeurt, zoals bij alle air-conditionings van REMKO, door het milieuvriendelijke koelmiddel R 407 C.
Het apparaat dient in eerste instantie om ruimtes af te koelen. Daarnaast filtert en ontvochtigt het de lucht en creëert zo een aangenaam ruimteklimaat.
Het apparaat zorgt zodoende voor een schone en ontvochtigde circulatielucht.
Het apparaat werkt volledig automatisch en biedt dankzij zijn microprocessorregeling een groot aantal andere opties.
De bediening gebeurt via de meegeleverde infraroodafstandsbediening.
Transport en verpakking
Het apparaat wordt geleverd in een stabiele transport-verpakking van karton.
Gelieve het apparaat onmiddellijk bij levering te controleren en noteer eventuele schade of ontbrekende onderdelen op het leverbewijs en informeer de expediteur en uw contractant.
Voor latere reclamaties kan geen garantie worden verleend.
Bediening
De batterijen in de afstandsbediening plaatsen
Voor de eerste ingebruikname moeten de meegeleverde batterijen (2 stuks, type AAA) in de afstandsbediening geplaatst worden.
Open daarvoor de afdekking van het batterijenvakje aan de achterkant van de afstandsbediening door het verlengstuk van het deksel in de richting van de pijl naar binnen te drukken.

Plaats de batterijen erin met de polen in de juiste richting. Let op de markering in het batterijenvakje. Sluit het batterijenvakje. De afstandsbediening is operationeel na het indrukken van de terugzettoets (20) (zie pagina 12).
In het display verschijnt de volgende melding:

Verwijder ontladen batterijen onmiddellijk en vervang deze door nieuwe van de voorgeschreven kwaliteit, aangezien het gevaar van uitlopen bestaat.
De gebruiksduur van de batterijen bedraagt bij normaal bedrijf van het apparaat ca. een jaar, dat komt overeen met één koelseizoen.
Gebruik nooit nieuwe en gebruikte batterijen tegelijkertijd! Bij langere buitenbedrijfstelling van het apparaat valt het aan te bevelen om de batterijen uit de afstandsbediening te nemen.
Algemene instructies
Het apparaat wordt geprogrammeerd, in- resp. uit- en omgeschakeld met een infraroodafstandsbedie- ning.
De afstandsbediening moet tegen vocht beschermd worden.
Bij ingeschakeld apparaat wordt elke wijziging aan de instellingen automatisch overgedragen naar het binnentoestel. De goede ontvangst van de gegevens wordt bevestigd met een pieptoon.
De zender van de afstandsbediening moet bij wijzigingen van de instellingen in principe in de richting van de airconditioning wijzen.
Een ongestoorde ontvangst van de gegevens is alleen mogelijk als er zich tussen zender en ontvangstgedeelte geen voorwerpen zoals deuren, vitrages, gordijnen enz. bevinden.
Bij het overdragen van de gegevens mag een afstand van 5m tussen zender en ontvangstgedeelte niet overschreden worden.

De airconditioning kan alleen signalen verwerken die binnen een hoek van 120° op het oppervlak van de infrarood-sensor vallen.

Direct zonlicht op de afstandsbediening of het ont- vangstgedeelte kan de signaaloverdracht en daar- door het operationele gedrag van het apparaat ne- gatief beïnvloeden.
Lege batterijen zijn herkenbaar door een foutieve displayweergave of door de statusmelding van de batterij in het display.
Het ontvangstgedeelte aan het binnentoestel
Het ontvangstgedeelte zit aan één kant van het uit-blaasrooster. Het bestaat uit de infrarood-sensor, de drie signaallampjes en de noodtoets.

Infrarood-sensor voor signalen van de afstandsbediening
Rode lamp (storingssignaal)
Deze brandt als een beschermelement van het apparaat geactiveerd is. Het apparaat hervat het normale bedrijf weer na een bepaalde tijd.
| Beschermtype | Beschermelement |
| Bevriesbeveiliging | Compressor en buitenventilator worden uitgeschakeld. |
| Condensaatbak vol | Het apparaat blijft uitgeschakeld zolang de condensaatbak vol is. |
Gele lamp (timersignaal)
Deze brandt als de timer geactiveerd is.
Hij knippert na een stroomuitval, b.v. na onderbroken stroomvoeding of als het apparaat in het timerbedrijf direct na het uitschakelen opnieuw wordt ingeschakeld.
Groene lamp (AAN / UIT-signaal)
Deze brandt tijdens het bedrijf van het apparaat.
Hij knippert bij apparaatstoringen om de 5 seconden in intervallen.
De knipperintervallen voeren een alarmcode uit. Het bedrijf van het apparaat is geblokkeerd en kan pas na een eliminering van de storing en kortstondige isolatie van het apparaat van het net weer hervat worden.
| Alarmcode (in interval van 5 sec.) | Beschrijving van de storing |
| 2 maal knipperen | De vlotterschakelaar van de condensaatbak is langer dan ca. 4 minuten geactiveerd. |
| 3 maal knipperen | De temperatuursensor van de circulatielucht is defect of buiten zijn regelbereik. |
| 4 maal knipperen | De bevriesbeveiliging heeft gereageerd. |
| 10 maal knipperen EEPROM defect | |
Toets „Manueel noodbedrijf“
Deze toets kan gebruikt worden als de afstandsbedie- ning verloren is of niet werkt.
Na het openen van de roosterafdekking wordt een metalen beschermplaat met de activeringsopening voor de verzonken toets zichtbaar.

De activering van de verzonken toets met een geschikt gereedschap gedurende 5 sec. bij uitgeschakeld apparaat zorgt ervoor dat het apparaat in het zogenaamde „Manuele noodbedrijf“ loopt.
De airconditioning schakelt in en houdt de ruimtetemperatuur constant op +22 °C. Het ventilatortoerental en de luchtverdeling worden automatisch ingesteld. Het timerbedrijf is niet geactiveerd.
Als de infrarood-sensor een signaal krijgt van de afstandsbediening, dan werkt het apparaat conform dit signaal.
De afstandsbediening

1 = weergave signaaloverdracht
2 = weergave bedrijfsmodus
3 = weergave temperatuur
4 = weergave ventilatorbedrijf
5 = weergave tijd / tijddetector
6 = keuzetoets bedrijfsmodus
7 = toets Aan / Uit
8 = toets temperatuurdaling
toets tijd of timer „lager“
9 = toets temperatuurverhoging
toets tijd of timer „hoger“
10 = toets toerentalkeuze ventilator
11 = toets individualisering invoeren
12 = toets individualisering activeren
13 = toets luchtverdeling
14 = toets timer AAN
15 = toets timer DAGELIJKS
16 = toets timer VERWIJDEREN
17 = toets timer nachtbedrijf
18 = toets timer UIT
19 = toets tijdinstelling
20 = terugzettoets
Controleren van de signaaloverdracht
Houd de afstandsbediening in de richting van het ont- vangstgedeelte van het binnentoestel. Druk eenmaal de AAN / UIT toets in. De airconditioning moet nu de goo- de ontvangst met een pieptoon bevestigen. Tegelijkertijd licht de groene lamp in het ontvangstgedeelte op.
Multifunctioneel display
Het display is verdeeld in vier weergavedelen. Bovenaan verschijnt de bedrijfsmodus.
Weergave van de bedrijfsmodus

In de drie onderste delen wordt getoond:
- gekozen temperatuur 2. ventilatorbedrijf
- tijd / timerfuncties
Weergave van de temperatuur

Weergave van het ventilatorbedrijf

Weergave van de tijd / timerfuncties

Instellen van de tijd - toets 19 √
Voor het gebruik van de timerprogrammering is het noodzakelijk om eerst de tijd in te stellen aan de afstandsbediening.
Daarvoor wordt de toets (19) ☑ eenmaal minstens 5 sec. ingedrukt gehouden. De uurcijfers knipperen en kunnen met de toetsen (8) ☑ en (9) ⚠ worden ingesteld. Het instellen van de minuten gebeurt op dezelfde manier na het indrukken van de toets (19).
Door de toets (19) √ opnieuw in te drukken wordt de tijd geactiveerd.
Inschakelen van het apparaat - toets (7) ①
Als de airconditioning moet worden ingeschakeld, dan mag op de afstandsbediening alleen de tijd zichtbaar zijn in het display. Indien er andere symbolen worden getoond, eerst toets (7) indrukken. Dan verschijnt alleen nog de tijd.
Om het apparaat in te schakelen moet toets (7) ingedrukt worden, de groene lamp aan het binnentoestel brandt. De in de afstandsbediening opgeslagen functies worden getoond. Het apparaat werkt conform deze funties.
De condensaatpomp schakelt zich vertraagd in en loopt tijdens het koelbedrijf voortdurend.
De signaaloverdracht van de afstandsbediening naar het apparaat wordt bevestigd door een pieptoon. Als bij het inschakelen zowel het akoestisch signaal als het oplichten van de groene lamp uitblijft, dan moet het proces herhaald worden (uitschakelen van de afstandsbediening / inschakelen van het apparaat).
De aanpassing van afstandsbediening en binnentoestel aan de wensen van de exploitant wordt beschreven in wat volgt.
Belangrijke instructies voor het inschakelen.
De start van de compressor volgt om hem te beschermen pas na afloop van een veiligheidstijd van ca. 3 minuten.
Om de compressor te beschermen tegen verdere schade loopt hij altijd minstens 3 minuten, voordat hij uitschakelt.
De airconditioning geeft alleen bij een goede overdracht van het signaal de akoestische bevestiging.
Uitschakelen van het apparaat - toets (7) ①
De airconditioning wordt met de toets (7) uitgeschakeld. Daarvoor moeten in het display van de afstandsbediening de huidige instellingen oplichten. Als alleen de tijd te zien is, dan moet eerst de toets (7) ingedrukt worden. Als het apparaat niet uitschakelt, dan moet het proces herhaald worden.
Belangrijke instructies voor het uitschakelen.
Onder bepaalde omstandigheden kan de ventilator van het binnentoestel na het uitschakelen nog ca. 30 seconden nalopen. In dit geval brandt de rode lamp aan het apparaat.
Na het uitschakelen van het apparaat loopt de condensaatpomp nog ca. 7 minuten na.
Bedrijfsmodustoets (6) Ⓜ
Voor de inzet van de plafondcassette zijn drie bedrijfsmodi beschikbaar. Met de bedrijfsmodustoets kunnen de functies
- Ventileren (+ filteren)
- Verwarmen (zonder functie)
- Automatisch (zonder func-tie)
- Koelen (+ ontvochtigen)
- Ontvochtigen
geprogrammeerd worden. De toets (6) moet zo vaak worden ingedrukt, tot het gewenste symbool verschijnt in het display.
Bedrijfsmodus "Koelen"
Bij deze bedrijfsmodus wordt de ruimtelucht gekoeld en licht ontvochtigd. De instelling van de gewenste ruimte-temperatuur is beschreven in het volgende hoofdstuk „Temperatuurkeuzetoetsen“.
Bedrijfsmodus "Ventileren"
In deze bedrijfsmodus wordt de ruimtelucht niet gekoeld. De functie heeft als doel de lucht te filteren en/of een voor het welbevinden aangename luchtcirculatie te creëren. In de winter kan de onder het plafond opgehoopte warmte gecirculeerd worden.
Bedrijfsmodus "Ontvochtigen"
In deze bedrijfsmodus wordt de ruimtelucht ontvochtigd en licht gekoeld. De instelling van de ruimtetemperatuur is hierbij niet mogelijk.
Optimaal koelbedrijf
In de functie „Koelen“ wordt de ruimtelucht door de air-conditioning aangezogen, gefilterd en gekoeld weer de ruimte in geleid. De aan de ruimte onttrokken warmte wordt doorgegeven aan het buitendeel en door dit afgegeven aan de omgevingslucht.
Om de looptijden van het buitendeel zo gering mogelijk te houden moet de temperatuurinstelling van de te koelen ruimte maar zo laag worden ingesteld als nodig is. Zeer lage ruimtetemperaturen en daardoor langere looptijden van het apparaat verhogen het elektrische energieverbruik.
Temperatuurverschillen van 6 graden en meer onder de omgevingstemperatuur van de ruimte kunnen verkoudheden tot gevolg hebben.
Optimaal ventilatiebedrijf
Het loutere ventilatiebedrijf dient ertoe om de "staande" lucht in de ruimte te circuleren.
Vaak is het niet vereist om de temperatuur te verlagen. In dit geval is de werking gelijkaardig aan die van een plafondventilator. Op koele dagen kan in deze bedrijfsmodus de aan het plafond opgehoopte warmte naar beneden getransporteerd worden.
In het ventilatiebedrijf wordt bovendien de reeds genoemde filtering van de ruimtelucht bereikt.
Optimaal ontvochtigingsbedrijf
In de functie „Ontvochtigen“ wordt de ruimtelucht in periodieke intervallen aangezogen door de airconditioning, gefilterd en licht afgekoeld weer de ruimte in geleid.
De lucht wordt daarbij meer ontvochtigd dan in het "normale" koelbedrijf. De aan de ruimte onttrokken warmte wordt doorgegeven aan het buitendeel en door dit afgegeven aan de omgevingslucht.
De ventilatiecapaciteit kan in deze bedrijfsmodus niet veranderd worden (constante ingestelde ventilatorsnelheid).
Extra aanwijzingen voor alle bedrijfsmodi:
Het binnentoestel werkt het meest efficiënt met een schoon filter. Het filter moet ongeveer tweemaal per maand gecontroleerd resp. gereinigd worden.
Het buitendeel moet op verontreinigingen en eventuele begroeiing gecontroleerd worden. Ook hier leidt een vermindering van de luchthoeveelheid tot een reducing van de koelcapaciteit en zodoende tot een verhoging van de elektrische krachtontneming.
Temperatuurkeuze toetsen (8) Ⓥ (9) ∧
Met behulp van de toetsen (8) en (9) wordt de gewenste ruimtetemperatuur ingesteld.
Het binnentoestel bevestigt de ontvangst van het sig- naal met een pieptoon. De nieuwe temperatuurwaarde verschijnt op het display van de afstandsbediening.
De gewenste temperatuur kan tussen 17 °C en 32 °C worden ingesteld in stappen van 1 °C.
Als de ruimtetemperatuur lager is dan de ingestelde temperatuurwaarde, dan begint het apparaat niet te werken.
Als de ruimtetemperatuur hoger is dan de ingestelde temperatuurwaarde, dan wordt voor de start van het apparaat een veiligheidstijd van ca. 3 minuten doorlopen. Dan pas begint het apparaat te werken.
Als het apparaat de ruimtelucht tot de gewenste waarde heeft afgekoeld, dan wordt het koelbedrijf uitgeschakeld. De condensaatpomp schakelt uit na een looptijd van ca. 7 minuten.
Keuze van het ventilatorniveau toets (10)
Door de toets (10) in te drukken kan het ventilatorniveau en afhankelijk daarvan de luchthoeveelheid van de ventilator gekozen worden. In het display wordt het momenteel ingestelde niveau getoond.
De volgende ventilatorniveaus zijn mogelijk:
Laag toerental (zeer geluidsarm)
Normaal toerental
Hoog toerental (grootste koeleffect)
Automatisch bedrijf - het ventilatortoerental wordt aangepast aan de koelbehoefte.
Luchtverdeling toets (13)
De plafondcassette bezit vier luchtuitlaatopeningen om de gekoelde lucht te verdelen in de ruimte.

Door de toets (13) in te drukken kan de luchtverdeling veranderd worden.
De streep in het display beschrijft de positie van de la- mellen.
Als de verdeling oscillerend moet zijn, dan moet na meermaals indrukken van de toets (13) in het display het bijhorende symbool zichtbaar zijn.
Symbolen in het display
De posities en instellingen van de uitblaaslamellen worden voorgesteld door de volgende symbolen.

De uitblaaslamellen worden afhankelijk van de bedrijfsmodus automatisch ingesteld.

Er kunnen zes verschillende posities van de uitblaaslamellen worden ingesteld.

De uitblaaslamellen zijn ingesteld voor een oscillerende luchtverdeling.
Positie van de uitblaaslamellen
De lamellen kunnen conform de volgende afbeeldingen gepositioneerd worden.
De volgende afbeelding toont de lamellen in gesloten toestand.

In het koelbedrijf moeten de lamellen "half open" (zie afbeelding hieronder) gepositioneerd of de oscillerende modus gekozen worden.

Bij volledig open lamellen wordt de luchtstraal naar beneden geblazen.

Deze instelling is voor het koelbedrijf wegens mogelijke tochtverschijnselen ongunstig. In de winter kan deze lamellenpositie gebruikt worden om de warme lucht aan het kamerplafond terug te winnen.
Individualisering toets (11) 😊 en (12) 😊
Als er een persoonlijke, op elk moment oproepbare bedrijfsmodus moet worden opgeslagen, ga dan te werk als volgt:
- Druk bij in- of uitgeschakelde afstandsbediening de toets (11) 😊 in en houd deze vijf seconden lang ingedrukt. Op het display begint het individualiseringssymbool 😊 te knipperen.
- Druk de toets (6) ^M in en kies de gewenste bedrijfsmodus.
- Kies de gewenste temperatuur door de toets (8) ∅ of toets (9) in te drukken.
- Kies het ventilatorniveau met toets (10)⊕.
- Kies het bedrijf van de luchtlamellen met de toets (13)
- Druk om op te slaan de toets (11) in, nadat u alle opties heeft ingevoerd.
- Verlaat de individualiseringsmodus na beeindigde invoer weer door een van de toetsen Ⓜ, ⊕, ∨, ∧ of √ in te drukken.
- Als u een of meerdere opgeslagen parameters wilt wijzigen, dan begint u weer met punt 1.
- Activeer alle gekozen en opgeslagen functies door de toets (12) 😊 in te drukken, om het even in welke bedrijfsmodus het apparaat zich bevindt.
Timer - Aan toets (14)
Met de toets (14) wordt het bedrijf van het apparaat ingesteld en geactiveerd met het tijdprogramma. Het bedrijf "Timer actief" wordt getoond door het branden van de gele lamp aan de ontvangstindicatie van de plafondcassette.
Ga als volgt te werk om het Timer Aan programma in te stellen:
-
Druk de toets (14) in. Ook mogelijk bij uitgeschakelde afstandsbediening.
-
Let op: Het bijhorende symbool en de tijdmelding beginnen in het display te knipperen. Als er tien seconden lang geen toets wordt ingedrukt, dan deactiveert de timerfunctie zich automatisch.
-
Let op: Als het apparaat reeds is ingeschakeld, dan kan alleen een andere inschakeltijd geprogrammeerd worden. Voor deze inschakeltijd worden de huidige instellingen van het apparaat overgenomen.

-
Stel bij uitgeschakeld apparaat de inschakeltijd in met de temperatuurkeuzetoetsen (8) ∨ en (9) ∧.
-
Kies eerst de uren en nadat u deze door de toets (14) in te drukken bevestigd heeft, de minuten eveneens met de toetsen (8) of (9). Om de invoer van de inschakeltijd te beëindigen drukt u opnieuw de toets (14) in.
-
Kies de bedrijfsmodus van het apparaat met de toets (6) M. De symbolen van de bedrijfsmodi knipperen.
-
Bevestig de gewenste bedrijfsmodus door de toets (14) in te drukken. Het symbool van deze bedrijfsmodus knippert niet meer.
-
Druk voor de keuze van de gewenste temperatuur ofwel de toets (8) ∨ of (9) ∧ in en bevestig de keuze met de toets (14). De temperatuurweergave knippert na de bevestiging niet meer.
-
Kies met de toets (10) ☐ het ventilatorniveau en bevestig de keuze met de toets (14). Het symbool knippert niet meer.
-
Kies als laatste de positie van de luchtstuurlamellen met de toets (13) en bevestig de keuze met de toets (14). De symbolen van de luchtstuurlamellen knipperen na de bevestiging niet meer.
-
Druk de toets (16)⊗ in als u de tot op dit moment gekozen instellingen wilt verwijderen, resp. druk de toets (14)⊗ en daarna de toets (16)⊗ in als u alle timerinstellingen wilt verwijderen.
Als de timerfunctie actief is, dan controleert het apparaat een uur voor de geprogrammeerde inschakeltijd de ruimtetemperatuur. De start van het apparaat kan, op basis van de inschakeltijd, tussen 0 en 40 minuten vervroegd worden, afhankelijk van het temperatuurverschil tussen ruimtetemperatuur en gekozen temperatuur.
Timer - Uit toets (18)
Druk voor de programmering van de uitschakeltijd van de timer de toets (18) in. Het bijhorende symbool en de tijdcijfers beginnen in het display te knipperen. Deze functie kan ook bij uitgeschakelde afstandsbediening gekozen worden.

Stel met de toetsen (8) ∨ en (9) ∧ het moment in, waarop het apparaat moet uitschakelen. Druk de toets (18) Ⓞ in om van uren naar minuten te gaan en druk ter bevestiging van de instelling opnieuw de toets (18) in.
Timer-dagelijks toets (15)
Met de Timer-dagelijks functie wordt het opgeslagen in- of uitschakelprogramma elke dag herhaald.
- Druk de toets (15) in terwijl een in- of uitschakelprogramma van de timer actief is. Het bijhorende symbool verschijnt in het display.

- Druk opnieuw de toets (15) in om de functie Timerdagelijks te activeren. Het bijhorende symbool dooft in het display.
Gecombineerd timerprogramma
Het in- of uitschakelprogramma van de timer kan ge- combineerd worden met de functie Timer-dagelijks.
- Activeer daarvoor de programma's op de reeds beschreven manier. De bijhorende symbolen verschijnen in het display.

Timer-wissen toets (16) ⊗
De timerinstellingen worden als volgt verwijderd:
-
Druk na elkaar de toetsen (14) ☑ en (16) ✗ in om een inschakelprogramma van de timer te verwijderen. Het bijhorende symbool dooft in het display.
-
Druk na elkaar de toetsen (18) ☐ en (16) ✗ in om een uitschakelprogramma van de timer te verwijderen. Het bijhorende symbool dooft in het display.
Nachtuitschakeling toets (17)
De nachtuitschakeling is een comfort-functie, die het mogelijk maakt om de ruimtetemperatuur op een gezonde manier langzaam te verhogen. Een uur na activering van deze functie wordt de in het koelbedrijf gekozen temperatuur 1 °C per uur verhoogd. De ventilator van het binnentoestel loopt met laag toerental om het geluidsniveau tot een minimum te beperken.
- Stel de looptijd van de nachtuitschakeling in door de toetsen (8) √ en (9) ∧ in te drukken. Het display toont al naargelang selectie: 1:hr, 2:hr, 3:hr, 4:hr, 5:hr, 6:hr, 7:hr of 9:hr.

-
Druk opnieuw de toets (17) in om de keuze te bevestigen. Na afloop van de gekozen tijd schakelt het apparaat uit.
-
Druk de toets (17) in om de nachtuitschakeling buiten bedrijf te stellen.
Systeemconfiguratie
De apparaten zijn vanuit de fabriek geconfigureerd als warmtepompen. Deze configuratie moet bij de installatie van de apparaten in een koelsysteem veranderd worden. Deze verandering wordt als volgt uitgevoerd:
Configuratie van de apparaten als koelapparaat:
-
Controleer alle elektrische aansluitingen. Handleiding en schakelschema's in acht nemen.
-
Leg de batterijen in de afstandsbediening, maar laat deze uitgeschakeld.
-
Verbind het apparaat met de spanningsvoeding en schakel de stroomvoeding in.
-
Houd de toetsen (6) en (13) van de afstandsbediening vijf seconden lang ingedrukt. Het display wordt gewist. De tijdmelding toont de eerste configuratiepost „rAdr“, de temperatuurweergave toont de ingestelde waarde van deze configuratiepost „Ab“ (regeling van beide binnentoestellen).
-
Druk de toets (6) Ⓜ herhaaldelijk in tot in het display „UCFG“ verschijnt.
-
Druk ofwel de toets (8) √ of (9) ∧ in om de instelling te veranderen van warmtepomp „HP“ in koelapparaat „AC“.
-
Druk de toets (13) in om een nieuwe configuratie over te dragen naar het apparaat en druk vervolgens de toets (7) ① in om het configuratiemenu te verla- ten.
Meer opties voor de configuratie van het apparaat kunt u afleiden uit tabel I.
Configuratie van de afstandsbediening voor het koelbedrijf:
-
Leg de batterijen in de afstandsbediening, maar laat deze uitgeschakeld.
-
Verbind het apparaat met de spanningsvoeding en schakel de stroomvoeding in.
-
Houd de toetsen (6)☑ en (13)☑ van de afstandsbediening vijf seconden lang ingedrukt. Het display wordt gewist. De temperatuurweergave toont de ingestelde waarde van deze configuratiepost „CH“, de tijdmelding toont de ingestelde waarde van deze configuratiepost „Ab“ (regeling van beide binnentoestellen).
-
Druk de toets (6) ^M herhaaldelijk in tot (rc) verschijnt in het display.
-
Druk ofwel de toets (8) of (9) in om de instelling van warmtepomp „HP“ in koelapparaat „AC“ te veranderen.
-
Druk de toets (13) in om een nieuwe configuratie over te dragen naar het apparaat en druk vervolgens de toets (7) ① in om het configuratiemenu te verla- ten.
Meer opties voor de configuratie van het apparaat kunt u afleiden uit tabel II.
Als er 30 sec. lang geen toets wordt ingedrukt, dan wordt het configuratiemenu automatisch verlaten en de programmering moet opnieuw gestart worden.
Tabel I: Configuratie van het apparaat
| Tijd-melding | Temperatuur-weergave | Beschrijving |
| „rAdr“ | „A“ Adres binnentoestel A | |
| „b“ Adres binnentoestel B | ||
| „Ab“ | Adres voor beide binnentoestellen Fabrieksinstelling | |
| „UCFG“ | „HP“ | Instelling als warmtepomp Fabrieksinstelling zonder functie |
| „AC“ Instelling | als koelapparaat | |
| „A St“ | „OF“ | Stop na onderbreking van de stroomvoeding |
| „On“ | Automatische herstart na onderbreking van de stroomvoeding | |
Tabel II: Configuratie van de afstandsbediening
| Temperatuur-weergave | Tijd-melding | Beschrijving |
| „CH“ | „A“ Adres binnentoestel A | |
| „b“ Adres binnentoestel B | ||
| „Ab“ | Adres voor beide binnentoestellen Fabrieksinstelling | |
| „tU“ | „C“ | Temperatuureenheid graden Celsius Fabrieksinstelling |
| „F“ | Temperatuureenheid graden Fah-renheit | |
| „rc“ | „HP“ | Instelling als warmtepomp Fabrieksinstelling zonder functie |
| „AC“ Instelling als koelapparaat | ||
| „CR“ | „17-32“ | Temperatuurbereik koelen in °C Min. en Max. |
| „63-90“ | Temperatuurbereik koelen in °F Min. en Max. | |
| „CL“ | „12:12“ | Tijdformaat 12-uurs klok (AM/PM) Fabrieksinstelling |
| „24:24“ | Tijdformaat 24-uurs klok | |
Adreskeuzedisplay
Als er twee binnentoestellen in één ruimte zijn geïnstalleerd en deze onafhankelijk van elkaar bediend moeten worden, dan moet aan elk apparaat een eigen adres worden toegekend, opdat ze via de betreffende afstandsbediening bediend kunnen worden. Deze programmering gebeurt als volgt:
Adresconfiguratie van het apparaat
- Houd de toetsen (6) en (13) van de afstandsbediening vijf seconden lang ingedrukt. Het display wordt gewist. De tijdmelding toont de eerste configuratiepost „rAdr“, de temperatuurweergave toont de ingestelde waarde van deze configuratiepost „Ab“ (regeling van beide binnentoestellen).
- Druk ofwel de toets (8) of (9) in om de instelling van „Ab“ te veranderen in de nieuwe keuze „A“ of „b“.
- Druk de toets (13) in om de nieuwe configuratie over te dragen naar het apparaat en druk afsluitend de toets (7) ① in om het configuratiemenu te verla- ten.
Adresconfiguratie van de afstandsbediening
- Houd de toetsen (6)☑ en (13)☑ van de afstandsbediening vijf seconden lang ingedrukt. Het display wordt gewist. De temperatuurweergave toont de eerste configuratiepost „CH“, de tijdmelding toont de ingestelde waarde van deze configuratiepost „Ab“ (regeling van beide binnentoestellen).
- Druk ofwel de toets (8) of (9) in om de instelling van „Ab“ te veranderen in de nieuwe keuze „A“ of „b“.
- Druk de toets (13) in om de nieuwe configuratie over te dragen naar het apparaat en druk afsluitend de toets (7) ① in om het configuratiemenu te verlaten.

Als er 30 sec. lang geen toets wordt ingedrukt, dan wordt het configuratiemenu automatisch verlaten en de programmering moet opnieuw gestart worden.
Reset toets (20)
Als er een batterijvervanging (zie pagina 5) werd uitgevoerd of als de afstandsbediening niet goed werkt, dan moet de verzonken toets (20) met een spits voorwerp (potlood e.d.) eenmaal worden ingedrukt.

Alle instellingen van de afstandsbediening worden verwijderd en moeten opnieuw worden uitgevoerd.
Verzorging en onderhoud
Regelmatige verzorging en het in acht nemen van een paar basisvoorwaarden garanderen een storingsvrij bedrijf en een lange levensduur van de apparaten.

Voor alle werkzaamheden aan het apparaat moet de spanningsvoeding onderbroken en tegen opnieuw inschakelen beveiligd worden!
Houd de apparaten vrij van vuil en andere afzettingen.
Reinig het apparaat alleen met een vochtige doek.
Gebruik geen geconcentreerde, schurende of oplos-middelhoudende reinigingsmiddelen.
Gebruik ook bij extreme vervuiling alleen geschikte reinigingsmiddelen.
Reinig in regelmatige intervallen, indien nodig ook vaker, het luchtfilter van het binnentoestel zoals beschreven in de gebruiksaanwijzing.
Controleer voor en na een gebruiksseizoen of de diameter van de condensaatleidingen zich door verontreiniging vernauwd heeft.
Als dit het geval is, dan moet de leiding schoongemaakt worden.
Wij raden aan om een onderhoudscontract af te sluiten met een bevoegd vakbedrijf.
Zo garandeert u te allen tijde de bedrijfsveiligheid van de installatie!
Aanwijzing:
Laat het apparaat nooit werken zonder origineel filter, omdat anders de warmtewisselaarlamellen vervuild raken en het apparaat aan capaciteit verliest. Vervuilde lamellen zijn moeilijk schoon te maken.
Filterreiniging
Reinig het luchtfilter in intervallen van maximaal twee weken. Bij sterk verontreinigde lucht verkort u de intervallen evenredig.
Voor de reiniging gaat u als volgt te werk:
- Draai eerst de beide sleufschroeven van kunststof aan de roosterafdekking 90°. Het aanzuigfilter kan niet vallen, omdat het aan de andere kant ingehangen en aan de roosterafdekking bevestigd is.

- Klap het aanzuigrooster open en trek het filter e-ruit.

- Reinig de filters met een gewone stofzuiger. Draai daarvoor de verontreinigde kant naar boven.

- Verwijder sterke verontreinigingen voorzichtig met lauwwarm water en milde reinigingsmiddelen. Draai daarvoor de verontreinigde kant naar boven.

Bij het gebruik van water moet het filter eerst volledig aan de lucht gedroogd worden, voordat het weer in het apparaat wordt gezet.
- Zet het filterelement er voorzichtig weer in.
Zorg ervoor dat het goed zit.
-
Sluit het aanzuigrooster.
-
Schakel het apparaat weer in.
Buitenbedrijfstelling
Tijdelijke buitenbedrijfstelling
-
Stel alle binnentoestellen met de afstandsbediening buiten bedrijf.
-
Isoleer de installatie met de hoofdschakelaar of de beveiliging van het net.
-
Controleer binnentoestel en buitendeel op zichtbare beschadigingen.
-
Reinig binnentoestel en buitendeel zoals beschreven in het hoofdstuk „Verzorging en onderhoud“ en dek het buitendeel indien mogelijk af met een folie van kunststof om het te beschermen tegen weersinvloeden.
Definitieve buitenbedrijfstelling
De ontmanteling kan om milieutechnische redenen alleen gebeuren door een vakbedrijf.
REMKO GmbH & Co. KG of uw bevoegde contractant noemen u graag een koelvakbedrijf in uw buurt.
Klantendienst en garan- tie
Voorwaarde voor eventuele garantieclaims is dat de besteller of diens afnemer binnen een redelijke tijd ten aanzien van verkoop en ingebruikname het bij het apparaat gevoegde „Garantiecertificaat” volledig ingevuld heeft teruggezonden aan REMKO GmbH & Co. KG.
De foutloze werking van de apparaten werd in de fabriek meermaals gecontroleerd. Zouden er toch storingen optreden, die door de exploitant niet met behulp van de storingseliminering kunnen worden opgeheven, gelieve dan contact op te nemen met uw handelaar of contractant.
Een ander bedrijf / bediening dan beschreven in deze gebruiksaanwijzing is niet toegelaten. Gebeurt dit toch, dan vervalt elke aansprakelijkheid en het recht op garantie.
Doelmatig gebruik
Als de opgaven van de fabrikant of de wettelijke vereisten niet in acht worden genomen of na eigenmachtige veranderingen aan de apparaten, is de fabrikant niet aansprakelijk voor de daaruit resulterende schade.
Milieu en recyclage

Belangrijke informatie over de recyclage!
Ingrepen in het koelcircuit mogen alleen gebeuren door een vakbedrijf. Daardoor is gegarandeerd dat er bij reparaties geen koelmiddel in het milieu belandt.
Zowel voor het koelmiddel als voor de installatiecomponenten gelden speciale voorwaarden bij de verwerking.
Het ingezette koelmiddel behoort tot de zogenaamde veiligheidskoelmiddelen. Dat betekent dat hoeveelheden die in het geval van een beschadiging vrijkomen, geen schade aan de longen en de luchtwegen van mensen of dieren veroorzaken.

Het contact met vloeibaar koelmiddel kan niettemin bevriezingen aan de huid tot gevolg hebben!
Technische gegevens
| RKV 13 C RKV | 18 C RKV 24 C | |||
| Koelcapaciteit* | W | Zie buitendeel | 4800 | 6800 |
| Koelmiddel | R 40 | 7 C R 407 C R 407 C | ||
| Werkbereik | °C +17 | °C tot + 32 °C in stappen van 1 °C | ||
| Injectieleiding | inch (mm) | ^1/_4 (6,35) | ^1/_4 (6,35) | ^1/_4 (6,35) |
| Zuigleiding | inch (mm) | ^1/_2 (12,7) | ^1/_2 (12,7) | ^1/_2 (12,7) |
| Ontvochtigingscapaciteit | l/h | 0,8 | 1,9 | |
| Netspanning | 230 V, 50 Hz, voeding via regelleiding (buitendeel) | |||
| Krachtontneming* | W | 75 | 80 | |
| Stroomverbruik* | A | 0,4 | 0,4 | 0,5 |
| Ventilatorcapaciteit | W | 63 | 68 | |
| Ventilatorniveaus | 3 + Auto | 3 + Auto | 3 + Auto | |
| Luchtvolumestroom per niveau | m3/h | 550 / 600 / 660 | 560 / 630 / 700 | 680 / 770 / 900 |
| Afmetingen apparaat hoogte / breedte / diepte | mm | 575 / 575 / 298 | 575 / 575 / 298 | 575 / 575 / 298 |
| Afmetingen afdekking hoogte / breedte / diepte | mm | 720 / 720 / 30 | 720/ 720 / 30 | 720 / 720 / 30 |
| Gewicht apparaat / afdekking | kg | 17,5 / 2,5 | 19 / 2,5 | 19 / 2,5 |
| Geluidsdrukniveau* | dB (A) | 27 / 31 / 34 | 30 / 33 / 36 | 35 / 38 / 42 |
| EDV-nummer | 1613524 | 1613525 | 1613526 | |
* Capaciteiten gebaseerd op ISO R 859A; ruimtetemperatuur van TK 27°C/FK 19°C - buitentemperatuur 35°C ** Geluidsmeting DIN 45635 - 01 - KL3
Afmetingen RKV 13 C / 18 C / 24 C

Constructieveranderingen die de technische vooruitgang dienen, voorbehouden
Eliminering van storingen
Het apparaat werd vervaardigd met de meest moderne productiemethodes en meermaals getest op foutloze werking. Zouden er toch functiestoringen optreden, controleer het apparaat dan aan de hand van de volgende lijst.

Voor alle werkzaamheden aan het apparaat moet de spanningsvoeding onderbroken (zekering resp. reparatieschakelaar) en tegen onopzettelijk inschakelen beveiligd worden!

| Storing Moge | ijkke oorzaak Ter controle Oplossing | ||
| Het apparaat start niet of schakelt zich automatisch uit. | Stroomuitval | Werken andere elektrische componenten? | Spanning controleren, evt. wachten op opnieuw inschakelen |
| Netzekering defect / hoofdschakelaar uitgeschakeld | Zijn de andere stroomcircuits operationeel? | Zekering vervangen / hoofdschakelaar inschakelen | |
| Netvoedingsleiding beschadigd | Werken andere elektrische componenten? | Reparatie door vakbedrijf | |
| Wachttijd na het inschakelen te kort | Langere wachttijd aanhouden Nieuwe | start na ca. 5 minuten | |
| Werktemperatuur te laag / te hoog W | Werkt de ventilator nog? | Temperatuurbereik van 17 tot 32 °C in acht nemen | |
| Een bescherminrichting van het apparaat heeft gereageerd | Brandt de rode lamp aan het ontvangstgedeelte van het binnentoestel? | Zie hoofdstuk „Het ontvangstgedeelte aan het binnentoestel“ | |
| Er is sprake van een storing van het apparaat | Knippert de groene lamp aan het ontvangstgedeelte van het binnen-toestel? | Elimineer de storing. Isoleer het apparaat kort van het net om het zonder stoormelding opnieuw te kunnen starten. Zie pagina 5 | |
| De cassette reageert niet op de afstandsbediening. | Timerinstelling op „Inschakelen“ | Programmering ongedaan maken Start van het apparaat afwachten | |
| Overspanningen door onweer | Waren er onlangs plaatselijke blikseminslagen? | Apparaat met de schakelaar 5 min isoleren van het net en opnieuw starten | |
| Na batterijvervanging verkeerde poling van de batterijen | Is de poling correct? | Batterijen erin zetten met de polen in de juiste richting | |
| Zendafstand te groot / ontvangst gestoord | Werking bij toetsdruk bij een afstand van ca. 3 m? | Afstand verminderen tot minder dan 5 m en van plaats veranderen | |
| Afstandsbediening defect | Werking in het manuele noodbedrijf? „Zie pagina 6“ | Afstandsbediening vervangen | |
| Ontvangst- resp. zendgedeelte krijgt te veel zonlicht | Werkt de afstandsbediening bij schaduw? | Zend- en ontvangstgedeelte in de schaduw plaatsen | |
| Elektromagnetische velden storen de overdracht | Werkt de afstandsbediening bij uit-geschakelde apparaten in de omgeving? | Geen signaaloverdracht bij gelijktijdig bedrijf van stoorbronnen | |
| Indrukken van de Stop toets en na-loop van de cassetteventilator | Schakelt het apparaat na 30 second automatisch uit? | Werking OK, naloop om de warmte-wisselaarlamellen te drogen | |
| Toets van de afstandsbediening geklemd / dubbele toetsbediening | Verschijnt het driehoeksymbool „Signaaloverdracht“? | Toets losmaken / maar één toets indrukken | |
| Batterijen van de afstandsbediening leeg | Zijn er nieuwe batterijen ingezet? Is het display volledig leesbaar? | Nieuwe batterijen erin zetten | |
| Temperatuurinstelling te hoog | Ligt de gekozen temperatuur boven die van de ruimte? | Temperatuur verlagen | |
| Een bescherminrichting van het apparaat heeft gereageerd | Brandt de rode lamp aan het ontvangstgedeelte van het binnentoestel? | Zie hoofdstuk „Het ontvangstgedeelte aan het binnentoestel“ | |
| Het apparaat werkt met verminderde koelcapaciteit. | Filter is verontreinigd / aanzuig-resp. uitblaasopening geblokkeerd door vreemde voorwerpen | Roosterafscherming openen en filter controleren | Filters reinigen |
| Ramen en deuren geopend / warm-telast werd verhoogd | Is er een bouwtechnische verandering of een verandering in de toepassing? | Ramen en deuren sluiten / extra installaties monteren | |
| Luchtcirculatie bij koeling van een tweede ruimte gehinderd | Is er een vrije verbinding van uit-blaas- en aanzuigopening? | Zorgen voor een ongehinderde luchtcirculatie | |
| Geen „Koel"-functie geprogrammeerd | Is het koelsymbool in het display geactiveerd? | Werking van het apparaat corrige-ren | |
| Het binnentoestel lekt condensaatwater. | Afvoerbuis van het verzamel-reservoir verstopt / beschadigd | Is de ongehinderde condensaat-afvoer gegarandeerd? | Afvoerbuis en het verzamelreservoir reinigen |
| Externe condensaatpomp of vlotter defect | Zit de opvangbak vol water en werkt de pomp niet? | Laten vervangen door een vakbedrijf | |
Montagehandleiding voor het vakpersoneel
Belangrijke instructies voor de installatie
Voor de eigenlijke montage moeten de volgende punten gecontroleerd en nageleefd worden:
Controleer de inhoud van de verpakking op volledigheid en de apparaten op transportschade.
Gebreken moeten onmiddellijk aan uw contractant en de expediteur gemeld worden.
Breng het apparaat in de originele verpakking zo dicht mogelijk bij de montageplaats om transportschade te vermijden.
Kies een montageplaats waar een vrij aanzuigen en uitblazen van de lucht gegarandeerd is en waar het apparaat niet is blootgesteld aan direct zonlicht of andere warmtebronnen.
Alle te koelen delen van de ruimte moeten een optimale en tochtvrije luchtverdeling krijgen.
Voor de installatie moeten de elektrische aansluitwaarden op het typeplaatje op overeenstemming gecontroleerd worden.
Alle elektrische aansluitingen moeten worden uitgevoerd volgens de geldige DIN en VDE voorschriften.
Til de cassette op aan de hoeken en niet aan de koel- of condensaataansluitingen.
Voor de montage van het apparaat moeten de flenskragen (aansluitstompen) voor de nevenruimteaansluiting resp. de aansluiting voor frisse lucht bevestigd worden.
Plan zorgvuldig hoe de condensaatwaterleiding gelegd wordt.
Als die horizontaal gelegd wordt, dan moet er specia-le aandacht worden besteed aan het verval. Minstens 2 %.
De ingebouwde pomp kan een maximaal hoogteverschil van 250 mm boven de bovenkant van het apparaat overbruggen.
Op voorwaarde dat de condensaatleiding vanuit het apparaat onmiddellijk verticaal naar boven loopt en vervolgens met een verval verder loopt.
Verwijder de beschermkappen van de aansluitingen pas vlak voordat ze met de koelmiddelleidingen verbonden worden.
De netvoeding wordt alleen aangesloten aan het buitendeel. De regelleiding naar het binnentoestel wordt samen met de koelmiddelleidingen gelegd.
Vaak voorkomende installatiefouten
Vermijd bij de installatie de volgende fouten om een vlotte montage te garanderen:
Installeer het apparaat niet in de onmiddellijke nabijheid van objecten met intensieve warmtestraling (b.v. lampen), maar centraal in de ruimte.
De in- en uitlaatopeningen voor de lucht mogen niet door meubels, gordijnen e.d. gehinderd worden.
Vermijd onnodige buigingen om het drukverlies in de koelmiddelleidingen te minimaliseren en om te garanderen dat de compressorolie ongehinderd terug kan stromen.
Als het buitendeel boven het binnentoestel wordt aangebracht, dan moeten er speciale preventieve maatregelen voor de terugvoering van de olie getroffen worden.
Als de leiding wordt verbonden met de afvoerleiding, dan moet een geurafsluiting worden voorzien, waarvan de bovenkant de hoogte van de onderkant van het binnentoestel niet mag overschrijden.
Zorg ervoor dat de koelmiddelbuizen niet geknikt of ingedrukt worden.
Sluit open koelmiddelbuizen met geschikte kappen of tape hermetisch af tegen het binnendringen van vocht.
Zorg ervoor dat alle koelmiddelleidingen, inclusief de verbindingsstukken en kleppen, voldoende warmtegeïsoleerd zijn.
Monteer het buitendeel zo, dat het hoogteverschil met het binnentoestel niet meer dan 10 m bedraagt.
Houd er rekening mee dat de maximale lengte van 15 m voor de enkele lengte van de koelmiddelleiding niet mag worden overschreden.
Richt het apparaat met de waterpas precies uit om te verhinderen dat het condensaat eruit druppelt.
Voorzie ventilatieleidingen voor de nevenruimtekoeling en/of de aansluiting voor frisse lucht inclusief de aansluitstukken van diffusiedichte warmte-isolatie.
Zorg ervoor dat de elektrische aansluitingen in de klemmen volgens de voorschriften zijn bevestigd.
Muurdoorbraken
Om de verbindingen tussen binnentoestel en buitendeel te kunnen maken zijn muurdoorvoeren onvermijdelijk.
Neem de volgende punten in acht:
Voor de verbindingsleidingen van het binnentoestel naar het buitendeel moet op de plaats van installatie een gat met een minimumdiameter van 70 mm voorzien worden.
Van binnen naar buiten moet een verval van minstens 2 % voorzien worden.
Vergewis u ervan dat in de buurt van de doorvoer geen leidingen lopen.
Om beschadigingen aan de leidingen te voorkomen moet het gat van binnen gevuld worden.
Geschikte materialen zijn b.v. PVC-buizen met een binnendiameter van 70 mm.
Na geschiede montage moet de muurdoorbraak met een geschikte dichtmassa afgesloten worden.
Gebruik hiervoor geen cement- of kalkhoudende stoffen!
Installatie
Het binnentoestel wordt bevestigd met vier door de exploitant beschikbaar te stellen schroefdraadstangen. De meegeleverde sjabloon van karton vergemakkelijkt de positionering van de boorgaten.
Montagemateriaal
Voor de montage zijn geschikte pluggen, trapezium-plaatophangers / profielstaal, klemmen voor koel-middel- en condensaatbuizen (resp. legkanalen) en aansluitstukken voor de condensaatleiding (sanitair) nodig om de installatie volledig uit te kunnen voeren.
Installatie van het apparaat
Het apparaat wordt geïnstalleerd aan vier schroefdraadstangen, met de roosterafscherming naar beneden en rekening houdend met het plafondrooster en eventuele inbouwelementen.
Bepaal de bevestigingspunten voor de schroefdraadstangen voor de ophanging van het apparaat door, al naargelang de positie van het plafondrooster, de sjabloon onder het plafond te houden en de bevestigingspunten te markeren.
Bevestig de schroefdraadstangen nu aan statisch toegelaten constructiedelen boven de loze zoldering.
Als er aansluitingen voor nevenruimtes en frisse lucht worden ingebouwd, dan moeten de bijhorende aan-sluitstompen voor de montage van het apparaat gemonteerd worden.

Om de afvoer van het condensaatwater naar de opvangbak te garanderen zet u de binnentoestellen in de schroefdraadstangen en brengt u de apparaten met de onderste moer in een horizontale positie.
Houd een afstand van 75 mm tussen de onderkant van de ophanging en de onderkant van de loze zoldering aan (zie afbeelding hierboven).
Sluit zoals beschreven in wat volgt de koel-, regel- en condensaatleidingen aan aan het binnentoestel en controleer nog eens de horizontale uitrichting.
Draai tot slot de contramoer aan en monteer de roosterafscherming.
Montage van de verbindingsleiding
- Plaats de cassette zo, dat alle kanten vrij toegankelijk zijn.
Om de beste luchtverdeling in de ruimte te garanderen moet het binnentoestel in het midden van de ruimte geplaatst worden.
-
Gelieve de vereiste buisdiameters af te leiden uit de tabel „Technische gegevens“.
-
Houd bij de montage rekening met de buigradiusen van de koelmiddelleidingen en buig nooit één punt van de buis tweemaal.
Verbrossing en scheuren kunnen het gevolg zijn.
- Gebruik voor de montage het volgende gereedschap:

- Verwijder de in de fabriek aangebrachte wartelmoeren van de apparaten.
- Gebruik uitsluitend de vanuit de fabriek meegeleverde wartelmoeren voor de verdere montage resp. gebruik indien nodig de met de binnentoe-stellen meegeleverde packs.
- Vergewis u er voordat u de koelmiddelleidingen openflenst, van dat de wartelmoer op de buis zit.
- Bewerk de gelegde koelmiddelleidingen zoals getoond in de volgende afbeelding:


Er mag alleen gereedschap worden gebruikt dat is toegestaan voor gebruik in koelinstallaties.
- Controleer of de flenskraag een correcte vorm bezit.

-
Maak vervolgens met de hand de verbinding van de koelmiddelleidingen met de schroefverbindingen en de kleppen om de juiste bevestiging te garanderen.
-
Bevestig nu definitief de schroefverbindingen met twee muilsleutels met de juiste sleutelwijdte.
- Houd tijdens het schroeven in elk geval tegen met een muilsleutel.
Tegenhouden
1 ^ste muilsleutel

- Voorzie de geïnstalleerde koelmiddelleidingen, inclusief verbindingsstukken, van een adequate warmte-isolatie.
Gebruik alleen voor het temperatuurbereik bruikbare diffusiedichte isolatieslangen.
-
Sluit de condensaatwater- en regelleiding aan. Als u een extra condensaatpomp nodig heeft, dan moet deze eerst gemonteerd worden.
-
Vergewis u ervan dat de condensaatafvoer op een andere manier gegarandeerd is, als het niet mogelijk is om de condensaatleiding mee te leiden.
-
Leg de koelmiddelleidingen van het binnentoestel naar het buitendeel. Zorg voor een goede bevestiging en tref evt. maatregelen voor de olieterugvoer!
-
Leg de regelleiding in hetzelfde kabeltraject.
-
Verwijder de in de fabriek aangebrachte beschermkappen en wartelmoeren van de afsluitklepaansluitingen en gebruik deze voor de verdere montage.
-
Vergewis u er voordat u de koelmiddelleidingen openflenst, van dat de wartelmoer op de buis zit. Gebruik uitsluitend de vanuit de fabriek meegeleverde wartelmoeren.
-
Sluit de koelmiddelleidingen aan aan het buitendeel zoals hiervoor beschreven.

Als de enkele lengte van de verbindingsleiding langer is dan 5 m, dan moet bij de eerste ingebruikname van de installatie koelmiddel worden toegevoegd.
Zie hoofdstuk Koelmiddel bijvullen.
Dichtheidscontrole
Als alle verbindingen zijn gemaakt, dan wordt het manometerstation als volgt aangesloten aan de bijhorende schraderventielaansluiting:
$$ \text { blauw } = \text { groot ventiel } = \text { zuigdruk } $$
Na de aansluiting wordt de dichtheidscontrole uitgevoerd met gedroogd stikstof.
Voor de dichtheidscontrole worden de gemaakte verbindingen besproeid met lekopsporingspray. Als er bellen zichtbaar zijn, dan is de verbinding niet correct uitgevoerd. Draai de schroefverbinding dan steviger aan of maak evt. een nieuwe flensnaad.
Na een succesvolle dichtheidscontrole wordt de overdruk verwijderd uit de koelmiddelleidingen en een vacuumpomp in bedrijf gesteld om een luchtledige ruimte in de leidingen te creëren.
Wij raden aan om een tweetraps vacuümpomp te gebruiken met een absolute partiële einddruk van min. 0,01 mbar bij een pompcapaciteit van min. 1,5 m³/h.
Er moet een vacuum van min. 0,05 mbar gegenereerd worden!
De duur van de evacuatie (min. 30 minuten) is afhankelijk van het buisleidingvolume van het binnentoestel, de lengte van de koelmiddelleidingen en van de hoeveelheid vocht in de leidingen.
Als vreemde gassen en vocht volledig uit het systeem zijn verwijderd, dan worden de ventielen van het mano-meterstation gesloten en de kleppen van het buitendeel geopend.
Olieterugvoermaatregelen
Als het buitendeel wordt aangebracht op een hoger niveau dan het binnentoestel, dan moeten er adequate olieterugvoermaatregelen getroffen worden.
Dit gebeurt in de regel door de montage van een oliehefboog, die per 2,5 stijgende meter geïnstalleerd moet worden.

Koelmiddel bijvullen
De extra hoeveelheid koelmiddel is afhankelijk van de lengte (vanaf 5 meter) en de diameter van de leiding.
| Leidinglengte | Diameter van de injectieleiding | Vulhoeveelheid per meter |
| 5 m tot max. 15 m | 9.52 mm / ^3/_8 “ | 18 g bij RKS |
| 9.52 mm / ^3/_8 “ | 30 g bij RKM |
Procedure:
- Verwijder de vacuümpomp en sluit de vulcilinder resp. de koelmiddelfles aan.
- Zet de geopende cilinder / fles op een balans en kalibreer de balans op nul.
- Ontlucht de slang ter hoogte van de manometer-verdeelbuis.
- Leg de vereiste vulhoeveelheid vast aan de hand van de tabel hierboven en open de zuigdrukkant van de manometer om met het vulproces te beginnen.
- Sluit het manometerventiel bij het bereiken van de benodigde hoeveelheid.
Condensaataansluiting
Omwille van de daling onder het dauwpunt aan de ver-damper wordt er tijdens het koelbedrijf dooiwater (condensaat) gevormd. De opvangbak van het binnen-toestel is standaard uitgerust met een condensaatpomp. De transporthoogte van de condensaatpomp bedraagt max. 250 mm boven de bovenkant van het apparaat.
De condensaatpomp schakelt zich na de start van het apparaat vertraagd in. Hij loopt tijdens het koelbedrijf voortdurend. Na het uitschakelen van het apparaat loopt hij nog ca. 7 minuten na.
Opdat het condensaat ongehinderd kan wegstromen moet de condensaatslang met een verval van minstens 2% naar een afvoer of de open lucht gelegd worden.
Eventueel vereiste slangverlengstukken zijn verkrijgbaar als toebehoren.
Indien het condensaat naar de riolering wordt geleid, voorzie dan een sifonachtig slangtraject als geurafsluiting.
Ter vermijding van kwelwater moet eventueel ook de condensaatleiding van een warmte-isolatie worden voorzien.
Als het apparaat werkt bij buitentemperaturen onder 0 °C, dan moet de leiding vorstvrij gelegd worden.
Als de afvoeren of het verzamelreservoir zich meer dan 250 mm boven de gemonteerde cassette bevin-den, dan moet als aanvulling een als toebehoren ver-krijgbare 2^de condensaatpomp worden ingezet.
Nadat de slang gelegd is, moet de vrije afvoer van het condensaat gecontroleerd worden.
Elektrische aansluiting
Elektrische installaties moeten door vakbedrijven worden uitgevoerd. Voor de montage van de elektrische aansluitingen aan het binnentoestel moet de installatie spanningsvrij worden geschakeld.
De elektrische aansluitingen van het binnentoestel en de klemmen van de regelleiding voor het buitendeel zitten op het regelpaneel. Het regelpaneel bevindt zich, verstopt door de roosterafscherming, in het binnentoestel. In het regelpaneel zit de hele apparaatbesturing. Alleen de netvoedingsleiding moet aan het buitendeel aangesloten worden. De voeding van het binnentoestel gebeurt via de regelleiding van het buitendeel.
- Open de afdekking van het regelpaneel door de drie bevestigingsschroeven te verwijderen en de afdekking eraf te nemen.
- Leid de leiding door de randbeschermringen aan de aansluitkant voor frisse lucht het apparaat in en arrêteer hem in de leidingklem.
- Begin de bedrading met de aansluiting van de rand-aardeleiding en verbind dan de contacten van de regelleiding, de neutraalgeleider en de buitenleiding.
Aansluiting van het binnentoestel RKV 13 C
L = buitenleiding spanningsvoeding binnentoestel N = neutraalgeleider spanningsvoeding binnentoestel Y = regelleiding naar het buitendeel (verdichter Aan / Uit)
0 = GEEN aansluiting voorzien W2 = GEEN aansluiting voorzien

flowchart
graph TD
A["Binnentoestel"] -->|L N N Y O W| B["Buitendeel"]
B --> C["± L N R C Y"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
note right of A: Netaanstuiting 230V~50 Hz
Aansluiting van de binnentoestellen RKV 18 C, RKV 24 C
R = buitenleiding spanningsvoeding binnentoestel C = neutraalgeleider spanningsvoeding binnentoestel Y = regelleiding naar buitendeel (verdichter aan / uit) 0 = GEEN aansluiting voorzien W2 = GEEN aansluiting voorzien S = GEEN aansluiting voorzien

flowchart
graph TD
A["Binnentoestel"] -->|R C Y C W S| B["Buitendeel"]
B -->|L N R C Y| A
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
note right of A: Netaansluiting 230V~50 Hz
Aansluiting van alle binnentoestellen aan het buitendeel RKS
$$ \begin{array}{l} R = A \ \mathrm{C} = \mathrm{N} \ Y = 2 \ \end{array} $$
- Verbind nu de verbindingsstekkers C_LR en C_A met de tegenstukken. Een verwisseling is niet mogelijk.

Elektrisch aansluitschema RKV 13 C
L = buitenleiding
N = neutraalgeleider
Y = verdichterbedrijf (relais)
O = zonder functie
W2 = zonder functie
Bij de aansluiting aan RKS:
L = A
N = N
Y = 2
A = aderkleur BRUIN
B = aderkleur BLAUW
C = aderkleur ZWART
G = aderkleur GRIJS
Y-G = aderkleur GEEL / GROEN
O = aderkleur ORANJE
R = aderkleur ROOD
W = aderkleur WIT
Y = aderkleur GEEL

flowchart
graph TD
A["Hoofdprintplaat"] --> B["Motor"]
A --> C["Actuator"]
A --> D["Sensor"]
A --> E["Control Unit"]
A --> F["Microvlotter"]
A --> G["Condensaatpomp"]
A --> H["Buitendeelaansluiting"]
subgraph Power Supply
I["LED / IR aansluiting"] --> J["Display Board"]
K["Microvlotter"] --> L["PS"]
M["Condensaatpomp"] --> N["FC"]
O["Transformer"] --> P["T"]
Q["Sensor"] --> R["J10 SWG-LVR"]
S["Sensor"] --> T["J13"]
U["Sensor"] --> V["J2"]
W["Sensor"] --> X["J3"]
Y["Sensor"] --> Z["K1"]
AA["Sensor"] --> AB["L1"]
AC["Sensor"] --> AD["J4"]
AE["Sensor"] --> AF["J5"]
AG["Sensor"] --> AH["J6"]
AI["Sensor"] --> AJ["J7"]
AK["Sensor"] --> AL["J8"]
AM["Sensor"] --> AN["J9"]
AO["Sensor"] --> AP["J10"]
AQ["Sensor"] --> AR["J11"]
AS["Sensor"] --> AT["J12"]
AU["Sensor"] --> AV["J13"]
AW["Sensor"] --> AX["J14"]
AY["Transformer"] --> AZ["T"]
BA["Sensor"] --> BB["D"]
BC["Sensor"] --> BD["Builenleiding"]
BE["Sensor"] --> BF["Nautraalgeider"]
BG["Sensor"] --> BH["Zonder functie"]
BI["Sensor"] --> BJ["Vendichterbedrijf"]
BK["Sensor"] --> BL["Zonder functie"]
BM["Sensor"] --> BN["M2"]
BO["Buitendeelaansluiting"] --> BP["Buitendeelaansluiting"]
Elektrisch aansluitschema RKV 18 C en RKV 24 C
L = buitenleiding
N = neutraalgeleider
Y = verdichterbedrijf (relais)
O = zonder functie
W2 = zonder functie
S = zonder functie
Bij de aansluiting aan RKS:
L = A
N = N
Y = 2
A = aderkleur BLAUW
C = aderkleur ZWART
G = aderkleur GRIJS
Y-G = aderkleur GEEL / GROEN
O = aderkleur ORANJE
R = aderkleur ROOD
W = aderkleur WIT
Y = aderkleur GEEL

flowchart
graph TD
A["Motor ventilator"] --> B["IFM"]
B --> C["Microvlotter"]
C --> D["Condensaatpomp"]
D --> E["LED / IR aansluiting"]
E --> F["Lamellenmotor en micro-lamellenschakelaar"]
F --> G["Display Board"]
H["Transformer"] --> I["J17 BMS"]
I --> J["J1"]
J --> K["J4"]
K --> L["J1"]
L --> M["J1"]
M --> N["J3"]
N --> O["J10 SAG-LVR"]
O --> P["J10 SAG-LVR"]
P --> Q["J10 SAG-LVR"]
Q --> R["J10 SAG-LVR"]
R --> S["J10 SAG-LVR"]
S --> T["J10 SAG-LVR"]
T --> U["J10 SAG-LVR"]
U --> V["J10 SAG-LVR"]
V --> W["J10 SAG-LVR"]
W --> X["J10 SAG-LVR"]
X --> Y["J10 SAG-LVR"]
Y --> Z["J10 SAG-LVR"]
Z --> AA["J10 SAG-LVR"]
AA --> AB["J10 SAG-LVR"]
AB --> AC["J10 SAG-LVR"]
AC --> AD["J10 SAG-LVR"]
AD --> AE["J10 SAG-LVR"]
AE --> AF["J10 SAG-LVR"]
AF --> AG["J10 SAG-LVR"]
AG --> AH["J10 SAG-LVR"]
AH --> AI["J10 SAG-LVR"]
AI --> AJ["J10 SAG-LVR"]
AJ --> AK["J10 SAG-LVR"]
AK --> AL["J10 SAG-LVR"]
AL --> AM["J10 SAG-LVR"]
AM --> AN["J10 SAG-LVR"]
AN --> AO["J10 SAG-LVR"]
AO --> AP["J10 SAG-LVR"]
AP --> AQ["J10 SAG-LVR"]
AQ --> AR["J10 SAG-LVR"]
AR --> AS["J10 SAG-LVR"]
AS --> AT["J10 SAG-LVR"]
AT --> AU["J10 SAG-LVR"]
AU --> AV["J10 SAG-LVR"]
AV --> AW["J10 SAG-LVR"]
AW --> AX["J10 SAG-LVR"]
AX --> AY["J10 SAG-LVR"]
AY --> AZ["J10 SAG-LVR"]
AZ --> BA["J10 SAG-LVR"]
BA --> BB["J10 SAG-LVR"]
BB --> BC["J10 SAG-LVR"]
BC --> BD["J10 SAG-LVR"]
BD --> BE["J10 SAG-LVR"]
BE --> BF["J10 SAG-LVR"]
BF --> BG["J10 SAG-LVR"]
BG --> BH["J10 SAG-LVR"]
BH --> BI["J10 SAG-LVR"]
BI --> BJ["J10 SAG-LVR"]
BJ --> BK["J10 SAG-LVR"]
BK --> BL["J10 SAG-LVR"]
BL --> BM["J10 SAG-LVR"]
BM --> BN["J10 SAG-LVR"]
BN --> BO["J10 SAG-LVR"]
BO --> BP["J10 SAG-LVR"]
BP --> BQ["J10 SAG-LVR"]
BQ --> BR["J10 SAG-LVR"]
BR --> BS["J10 SAG-LVR"]
Aansluiting voor tweede ruimte en frisse lucht
Het binnentoestel is uitgerust voor de koeling van een tweede ruimte en, onafhankelijk daarvan, voor de aanzuiging van frisse lucht.
Aan twee tegenover elkaar gelegen kanten van het apparaat zit telkens een voorgestanste opening ∅ 150 mm voor de aansluiting voor de tweede ruimte, aan een hoek van het apparaat een voorgestanste opening voor de aansluiting voor frisse lucht.
De betreffende openingen moeten indien nodig worden doorgebroken. Eerst moet voorzichtig de cirkelvormige isolatie verwijderd worden. Gelieve er rekening mee te houden dat direct achter de te bewerken isolatie de lamellen van de warmtewisselaar zitten, en dat deze in geen geval beschadigd mogen worden.
Aansluiting voor tweede ruimte
De plafondcassette biedt de mogelijkheid om een belendende ruimte via een kanaalsysteem, b.v. in een verlaagd plafond, mee af te koelen.
De volgende voorwaarden moeten vervuld zijn:
De koelcapaciteit van de cassette moet voldoende zijn om beide ruimtes af te koelen.
Tussen de beide ruimtes moet een opening gemaakt worden, die een luchtcirculatie tussen de beide ruimtes mogelijk maakt.
Een maximale buislengte van 7 m mag niet worden overschreden.

Er mag alleen een aansluiting voor een tweede ruimte gebruikt worden.
Voor de montage van de tweede ruimte-aansluiting moet eerst een flenskraag met een minimumdiameter van NW 150 mm/156 mm met plaatschroeven (∅ 3 - 4,5 mm, max. 10 mm) aan de opening bevestigd worden. Voor de frisse lucht-aansluiting wordt een flenskraag NW 100 gemonteerd.
Om het luchttransport naar de belendende ruimte te garanderen moeten 1 of 2 van de 4 lamellen aan het binnentoestel worden afgesloten. Gebruik hiervoor een zwarte, eenzijdig klevende weefselstrook, die op de af te sluiten opening(en) wordt geplakt. De strook moet duurzaam bestendig zijn tegen de belasting door de luchtdruk.
De flenskraag, schroeven, flex- / wikkelfelsbuizen en isolatiematerialen moeten door de exploitant voorzien worden. De genoemde onderdelen zijn allemaal verkrijgbaar in de vakhandel.
De ventilatiebuizen moeten zo kort mogelijk en met zo weinig mogelijk buigingen gelegd worden.
Inbouw aansluiting voor tweede ruimte

1 Buisstomp (flenskraag)
2 Klem
3 Neopreendichting
4 Geïsoleerde flexdoorvoer
5 Inlaat voor frisse lucht
6 Luchtuitlaat aansluiting voor tweede ruimte
7 Polystyreen scheidingswand
Voor beide aansluitingen is absoluut een warmte-isolatie vereist! De buizen en aanbouwdelen moeten minstens met 30 mm met aluminium gelamineerde minerale wol of 13 mm armaflex geïsoleerd worden.
Aansluiting voor frisse lucht
Zoals reeds gezegd bestaat de mogelijkheid om met het binnentoestel ook frisse lucht (buitenlucht), naast de ruimtelucht, aan te zuigen en deze te tempereren. Deze variant wordt bij voorkeur gebruikt in ruimtes met lucht, die snel verbruikt wordt.
Het aandeel frisse lucht mag niet meer dan 10 % bedragen, aangezien er anders problemen kunnen ontstaan bij het bedrijf van het apparaat.
Aan de inlaat van de buitenlucht (op de plaats van installatie) of in het luchtkanaal moet een stoffilter voorzien worden.
Om het binnendringen van regenwater te verhinderen mag de lucht aan de inlaat van de buitenlucht maar met een snelheid van maximaal 2,5 m/s worden aangezogen.
De toevoer van frisse lucht kan gebeuren door de inzet van een extra ventilator.
Om een correcte instelling van de frisse luchtstroom te garanderen wordt een toerentalregeling aanbevolen.
Voor de aansluiting van de ventilator is een ter plaatse te installeren, apart te beveiligen elektrische installatie nodig.
Monteer de frisse lucht-buis door de bijhorende opening in de behuizing uit te breken en de scheidingswand van polystyreen daaronder uit te snijden.
De in de foto hieronder omrande polystyreenplaat van de druppelbak moet met een mes verwijderd worden.

Inbouw van de luchtgeleidingsplaat
Om de ruimte gekoelde frisse lucht ter beschikking te stellen is het vereist om de meegeleverde luchtgeleidingsplaat van kunststof te monteren.

De positionering van de luchtgeleidingsplaat kan worden afgeleid uit de tekening hierboven.
Voor de eerste inge-bruikname
Na een succesvolle drukproef moet de vacuümpomp met het manometerstation aan de klepaansluitingen van het buitendeel worden aangesloten om een vacuum te creëren.
Voor de eerste ingebruikname van het apparaat en na elke service-ingreep in het koelcircuit moeten de volgende controles worden uitgevoerd:
Controle van alle koelmiddelleidingen en kleppen bij stilstand van het apparaat met lekopsporingsspray of zeepwater.
Controle op abusievelijk verwisselen van de verbindingsleidingen (met name bij RKM serie 600 en 700).
Controle van de buisleidingen of de isolatie op beschadigingen.
Controle van de elektrische verbindingsleidingen tussen binnentoestel en buitendeel op correcte aan-sluiting.
Controle van alle bevestigingen, ophangingen enz. op goede zitting en correct niveau.
Als de koelmiddelleiding een enkele lengte van 5 meter overschrijdt, vul dan extra koelmiddel bij.
Extra voorbereidingen
Nadat het apparaat compleet aangesloten en gecontroleerd werd, moeten binnentoestel, buitendeel en afstandsbediening voor het bedrijf voorbereid worden.
De bedrijfstest moet als volgt worden uitgevoerd:
- Controleer alle elektrische aansluitingen.
Handleiding en schakelschema's in acht nemen. -
Leg de batterijen in de afstandsbediening, maar laat deze uitgeschakeld.
-
Verbind het apparaat met de spanningsvoeding en schakel de stroomvoeding in.
-
Houd de toetsen (9) en (13) van de afstandsbediening vijf seconden lang ingedrukt.
Het display wordt gewist. In de tijdmelding verschijnen de letters „Src“ voor onderhoudstest.
-
Druk na afsluiting van de test de toets (7) ① in om het testmenu te verlaten.
-
Let op: Als er 30 min. lang geen toets wordt ingedrukt, dan wordt het configuratiemenu verlaten en het proces moet opnieuw gestart worden.
In de bedrijfsmodus „Test“ zijn de functies "Ruimte-temperatuurregeling" en "Koelmachinestart-bescherming" niet geactiveerd.
De groene, rode en de gele lamp aan het ontvangstgedeelte van het binnentoestel knipperen als looplicht.
Ingebruikname
De ingebruikname van het apparaat moet geschieden door de fabrikant of een andere door deze aangewezen geautoriseerde deskundige overeenkomstig het attest voor de ingebruikname en moet daar gedocumenteerd worden.
Daarbij moeten alle regel-, besturings- en veiligheids-inrichtingen op correcte werking en de juiste instellingen gecontroleerd worden.
- Schakel de ter plaatse geïnstalleerde hoofdschakelaar resp. de zekering in.
- Stel de temperatuur aan de afstandsbediening lager in dan de werkelijke ruimtetemperatuur.
- Stel met de toets 6 Ⓜ de functie Koelen in.
- Houd er rekening mee dat de compressor door de inschakelvertraging van het buitendeel pas na enkele minuten start.
- Controleer de in de paragraaf „De afstandsbedie- ning“ beschreven functies van de apparaatbesturing. Temperatuurinstellingen, omschakelen op ventilatie- en ontvochtigingsbedrijf, timer.
- Maak de exploitant vertrouwd met de installatie en overhandig hem het protocol voor de eerste ingebruikname.

De heringebruikname na een storingseliminering veronderstelt dat de installatie volledig van het net wordt geïsoleerd!
Attest over de
□ eerste ingebruikname □ heringebruikname van een REMKO - airconditioning / -systeem
Apparaatgegevens conf. typeplaatje
| Buitendeel | Binnentoestel 1 | Binnentoestel 2 | Binnentoestel 3 | |
| Apparaattype: | ||||
| Apparaatnummer: | ||||
| Opstellingsplaats: |
Opgesteld bij:
| Naam: |
| Straat: |
| Postcode, plaats: |
De volgende punten moeten bij de ingebruikname doorlopen, gecontroleerd of gemeten en bevestigd worden:
| Controle Resultaat | |
| Zichtcontrole van de opstelling / montage van buitendeel en binnentoestel(len) | ☐ in orde ☐ afgekeurd |
| Zichtcontrole van de warmtewisselaar | ☐ in orde ☐ afgekeurd |
| Zichtcontrole van de verbindingsleidingen (verwisseld, beschadigd, geknikt?) | ☐ in orde ☐ afgekeurd |
| Zichtcontrole van de warmte-isolatie (zweetwater) | ☐ in orde ☐ afgekeurd |
| Controle van de condensaatafvoer (met water) incl. condensaatpomp (indien voorhanden) | ☐ in orde ☐ afgekeurd |
| Dichtheidscontrole van de koelmiddelaansluitingen aan buitendeel en binnentoestel(len) | ☐ in orde ☐ afgekeurd |
| Open/dichtkleppen aan het buitendeel openen (indien voorhanden) | ☐ in orde ☐ afgekeurd |
| Proefdraaien met controle | |
| Verdichter / ventilator [ buitendeel en binnentoestel(len) ] | ☐ in orde ☐ afgekeurd |
| Stroomverbruik | A |
| Ruimtetemperatuur / uitblaastemperatuur / zuiggastemperatuur (°C) | |
| Functiecontrole van de afstandsbediening | ☐ in orde ☐ afgekeurd |
| Opmerking: | |
□ De bovengenoemde airconditioning werd zonder afkeuringen in bedrijf genomen.
□ De exploitant werd geïinstrueerd en de gebruiksaanwijzing aan hem overhandigd.
□ Een ingebruikname was omwille van de bovengenoemde redenen onmogelijk.
Uitvoerende onderneming:
| Firma: |
| Straat: |
| Postcode, plaats: |
REMKO GmbH & Co. KG
Klimaat- en Warmtetechniek
Telefoon (0 52 32) 606 - 0
Telefax (0 52 32) 606260