RXT 1402 DC - Airconditioner REMKO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis RXT 1402 DC REMKO in PDF-formaat.
| Type apparaat | Inverter wand-/plafond-airconditioner (split-uitvoering) |
| Merk | REMKO |
| Model | RXT 1402 DC |
| Nominaal koelvermogen | 14,00 kW (bereik 5,00 - 16,10 kW) |
| Nominaal verwarmingsvermogen | 16,00 kW (bereik 5,00 - 16,70 kW) |
| Energie-efficiëntieklasse verwarmen | A (SCOP 3,8) |
| Jaarlijks energieverbruik verwarmen | 1965 kWh (bij 500 uur) |
| Jaarlijks energieverbruik koelen | 2125 kWh (bij 500 uur) |
| Netspanning (buitenunit) | 400 V / 3 fasen / 50 Hz |
| Afmetingen binnenunit (H x B x D) | 675 x 1650 x 235 mm |
| Gewicht binnenunit | 40 kg |
| Afmetingen buitenunit (H x B x D) | 1369 x 938 x 392 mm |
| Gewicht buitenunit | 102,5 kg |
| Koudemiddel | R410A, basishoeveelheid 3,8 kg |
| Maximale luchtverplaatsing (binnenunit) | 2300 m³/u |
| Geluidsdrukniveau (binnenunit, max) | 54 dB(A) (turbo: 64 dB(A)) |
| Geluidsdrukniveau (buitenunit) | 56 dB(A) (max. 67 dB(A)) |
| Werkbereik koelen | +5 °C tot +50 °C |
| Werkbereik verwarmen | +5 °C tot +24 °C (met accessoire tot -15 °C) |
| Montage | Wand of plafond |
| Bediening | Infrarood afstandsbediening + handbediening |
| Timerfuncties | Aan- en uitschakeltimer |
| Slaapmodus | Ja |
| Follow-me functie | Ja (temperatuurmeting via afstandsbediening) |
| Filter | Wasbaar, reiniging elke 2 weken aanbevolen |
| Beschermingsgraad buitenunit | IP24 |
| Maximale leidinglengte | 50 m |
| Maximaal hoogteverschil | 25 m |
Veelgestelde vragen - RXT 1402 DC REMKO
Gebruikersvragen over RXT 1402 DC REMKO
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Airconditioner in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding RXT 1402 DC - REMKO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. RXT 1402 DC van het merk REMKO.
GEBRUIKSAANWIJZING RXT 1402 DC REMKO
Montage- en gebruikershandleiding
REMKO RXT...DC
RXT 522 DC, RXT 682 DC, RXT 1052 DC, RXT 1402 DC
Inverter wand-plafondunit in split-uitvoering

Vóór het in bedrijf nemen / gebruik van dit apparaat deze installatiehandleiding zorgvuldig lezen!!
Deze handleiding maakt deel uit van het apparaat en dient steeds in directe nabijheid van de opstellocatie resp. bij het apparaat bewaard te worden.
Wijzigingen voorbehouden; we aanvaarden geen aansprakelijkheid voor drukfouten en vergissingen!
Montage- en gebruikershandleiding (vertaling van het origineel)
Inhoudsopgave
1 Veiligheids- en gebruiksinstructies.... 5
1.1 Algemene veiligheidsvoorschriften.... 5
1.2 Markering van instructies.... 5
1.3 Kwalificaties van het personeel.... 5
1.4 Gevaren bij het niet-opvolgen van de veiligheidsvoorschriften.... 5
1.5 Veiligheidsbewust werken.... 6
1.6 Veiligheidsvoorschriften voor de exploitant.... 6
1.7 Veiligheidsvoorschriften voor montage-, onderhouds- en inspectiewerkzaamheden.... 6
1.8 Zelfstandige ombouw en veranderingen.... 6
1.9 Bedoeld gebruik.... 7
1.10 Garantie....7
1.11 Transport en verpakking 7
1.12 Milieubescherming en recycling.... 7
2.1 productgegevens....8
2.2 Apparaatafmetingen 11
2.3 Capaciteitscurven verwarmen en koelen 12
3 Opbouw en functie.... 16
3.1 Beschrijving van het apparaat.... 16
4 Bediening.... 17
5 Montageaanwijzingen voor het vakpersoneel.... 27
5.1 Belangrijke aanwijzingen voor het installeren.... 27
5.2 Wanddoorvoeren.... 27
5.3 Montagemateriaal.... 27
5.4 Keuze van de installatielocatie 28
5.5 Minimale vrije ruimte.... 30
5.6 Aansluitvarianten.... 30
5.7 Olieretourmaatregelen.... 30
6 Installatie.... 31
6.1 Installatievoorbereidingen.... 31
6.2 Installeren binnenunit.... 31
6.3 De koudemiddelleidingen aansluiten.... 32
6.4 Extra instructies voor het aansluiten van de koudemiddelleidingen.... 34
6.5 Controle op lekkages.... 34
6.6 Koudemiddel bijvullen.... 35
7 Condensaataansluiting en gewaarborgde afvoer.... 35
8 Elektrische aansluiting.... 37
8.1 Algemene instructies.... 37
8.2 Aansluiten van de binnenunit.... 37
8.3 Aansluiten van de buitenunit.... 38
8.4 Elektrisch aansluitschema.... 38
8.5 Elektrisch schema.... 40
9 Vóór de inbedrijfstelling.... 47
10 Inbedrijfstelling.... 47
11 Uit bedrijf nemen.... 49
REMKO RXT...DC
12 Verhelpen van storingen, klantenservice, foutanalyse.... 50
12.1 Verhelpen van storingen en klantenservice.... 50
12.2 Storingsanalyse binnenunit.... 53
12.3 Storingsanalyse buitenunit 55
12.4 Weerstanden van de temperatuursensoren.... 64
12.5 Weerstanden van de heetgassensoren.... 65
13 Reiniging en onderhoud.... 67
14 Illustratie van het apparaat en onderdelenlijsten.... 69
14.1 Apparaatafbeelding binnenunits.... 69
14.2 Reserveonderdeellijst binnenunits.... 70
14.3 Apparaatafbeelding buitenunit.... 71
14.4 Reserveonderdeellijst buitenunit.... 72
15 Index....73
1 Veiligheids- en gebruiksinstructies
1.1 Algemene veiligheidsvoorschriften
Lees de handleiding voor het eerste gebruik van het apparaat zorgvuldig door. Deze bevat nuttige tips, instructies en waarschuwingen voor de veiligheid van personen en goederen. Het niet opvolgen van de gebruikshandleiding kan gevaar voor personen, het milieu, de installatie en tot het verlies van mogelijke aansprakelijkheid leiden.
Bewaar deze gebruikshandleiding en het koelmiddelgegevensblad in de buurt van het apparaat.
1.2 Markering van instructies
Deze paragraaf geeft een samenvatting van alle belangrijke veiligheidsaspecten voor een optimale persoonlijke bescherming en voor een veilig en storingvrij bedrijf.
De in deze handleiding gegeven instructies en veiligheidsvoorschriften dienen opgevolgd te worden, zodat ongelukken, persoonlijk letsel en beschadigingen worden vermeden. Direct aan de apparaten aangebrachte instructies dienen absoluut te worden opgevolgd en in goed leesbare toestand te worden gehouden.
Veiligheidsvoorschriften zijn in deze handleiding gemarkeerd door bepaalde symbolen. Verder beginnen de veiligheidsvoorschriften met bepaalde signaalwoorden die de aard van de risico's aan-geven.

GEVAAR!
Bij het aanraken van spanningvoerende delen bestaat direct levensgevaar door een stroomstoot. Beschadiging van de isolatie of van componenten kan levensgevaarlijk zijn.

GEVAAR!
Deze combinatie van symbool en signaalwoord wijst op een direct gevaarlijke situatie die de dood of zwaar letsel tot gevolg heeft, als deze situatie niet wordt gemeden.

WAARSCHUWING!
Deze combinatie van symbool en signaalwoord wijst op een mogelijk gevaarlijke situatie die de dood of zwaar letsel tot gevolg kan hebben, als deze situatie niet wordt gemeden.

VOORZICHTIG!
Deze combinatie van symbool en signaalwoord wijst op een mogelijk gevaarlijke situatie die gering of licht letsel tot gevolg kan hebben en die materiële schade of aantasting van het milieu kan veroorzaken, als deze situatie niet wordt gemeden.

AANWIJZING!
Deze combinatie van symbool en signaalwoord wijst op een mogelijk gevaarlijke situatie die materiële schade of aantasting van het milieu kan veroorzaken, als deze situatie niet wordt gemeden.

Met dit symbool wordt gewezen op nuttige tips, adviezen en informatie over hoe een efficiënt en storingsvrij bedrijf gewaarborgd kan worden.
1.3 Kwalificaties van het personeel
Het personeel voor de inbedrijfstelling, bediening, het onderhoud, de inspectie en de montage dient over de betreffende kwalificaties voor deze werkzaamheden te beschikken.
1.4 Gevaren bij het niet-opvolgen van de veiligheidsvoorschriften
Het niet opvolgen van de veiligheidsvoorschriften kan zowel gevaar voor personen opleveren als voor het milieu en voor apparatuur. Het niet-opvolgen van de veiligheidsvoorschriften kan leiden tot het verlies van iedere aanspraak op schadevergoeding.
In detail kan het niet-opvolgen van de voorschriften bijvoorbeeld de volgende risico's opleveren:
REMKO RXT...DC
- Het uitvallen van belangrijke functies van de apparatuur.
- Het feit dat voorgeschreven methods betreffende normaal en technisch onderhoud niet werken.
- Het in gevaar brengen van personen door elektrische en mechanische effecten.
1.5 Veiligheidsbewust werken
De in deze handleiding vermelde veiligheidsin-structies, de bestaande nationale voorschriften ter voorkoming van ongevallen evenals eventuele interne arbeids-, bedrijfs- en veiligheidsvoorschriften van het bedrijf moeten in acht worden genomen.
1.6 Veiligheidsvoorschriften voor de exploitant
De veiligheid van de apparaten en componenten is alleen gegarandeerd bij het bedoeld gebruik en in volledig gemonteerde toestand.
- Het plaatsen, installeren en onderhouden van de apparaten en componenten mag alleen gebeuren door vakpersoneel.
Eventueel aanwezige aanraakbescherming (rooster) voor bewegende delen mag niet worden verwijderd bij een apparaat dat in bedrijf is.
De bediening van apparaten of componenten met zichtbare defecten of beschadigingen is verboden. - Het aanraken van bepaalde onderdelen of componenten van de apparaten kan brandwonden of letsel veroorzaken.
De apparaten of componenten mogen niet worden blootgesteld aan mechanische belasting, extreme vochtigheid of extreme temperaturen.
Ruimten waarin koudemiddel kan lekken voldoende te laden en te ventileren. Anders bestaat er gevaar voor verstikking.
Alle delen van de behuizing en openingen, bijv. luchtin- en uitgangen, moeten vrij zijn van vreemde voorwerpen, vloeistoffen of gassen.
De apparatuur dient tenminste eenmaal jaar- lijks door een deskundige gecontroleerd te worden. Visuele controles en reinigingswerk- zaamheden mogen in spanningsloze toestand door de gebruiker uitgevoerd worden.
1.7 Veiligheidsvoorschriften voor montage-, onderhouds- en inspectiewerkzaamheden
Bij het installeren, het repareren, het onderhouden of het reinigen van de apparaten moeten geschikte maatregelen worden genomen om de van de apparaten uitgaande gevaren voor personen te voorkomen.
Het opstellen, aansluiten en gebruik van de apparaten en componenten moet volgens de gebruiks- en bedrijfsomstandigheden uit de gebruikshandleiding en de geldende lokale voorschriften gebeuren.
- Men dient zich aan de regionale verordeningen en wetten te houden, zoals de wet op de waterhuishouding.
De elektrische voeding moet worden aangepast aan de eisen van de apparaten.
De apparaten mogen uitsluitend op die punten worden bevestigd die de fabrikant hiervoor heeft voorzien. De apparaten mogen uitsluitend aan constructies of wanden of op vloeren worden bevestigd of geplaatst die deze belasting kunnen dragen.
- Apparaten voor mobiel gebruik moeten veilig en verticaal op een geschikte ondergrond opgesteld worden. Apparaten voor stationair bedrijf mogen alleen in vast geïnstalleerde toestand gebruikt worden.
De apparaten en componenten mogen niet worden gebruikt op plaatsen met verhoogd risico op beschadigingen. De minimale vrije ruimte moet worden aangehouden.
De apparaten en componenten moeten voldoende veiligheidsafstand hebben ten opzichte van ontvlambare, explosieve, brandbare, agressieve en vervuilde zones en atmosferen.
- Veiligheidsinrichtingen moeten niet worden gewijzigd of omzeild.
1.8 Zelfstandige ombouw en veranderingen
Het ombouwen of wijzigen van de apparaten of componenten is niet toegestaan en kan storingen veroorzaken. De veiligheidsvoorzieningen mogen niet worden veranderd of overbrugd. De originele reserveonderdelen en door de fabrikant geautoriseerde accessoires zijn afgestemd op de vereiste veiligheid. Het toepassen van andere onderdelen kan leiden tot het vervallen van de aansprakelijkheid voor gevolgen daarvan.
1.9 Bedoeld gebruik
De apparaten mogen afhankelijk van de uitvoering en uitrusting uitsluitend worden toegepast als air-conditioning om het bedrijfsmedium lucht binnen een gesloten ruimte te koelen resp. verwarmen.
Ander of verdergaand gebruik geldt als niet bedoeld gebruik. Voor de hieruit voortvloeiende schade is de fabrikant / leverancier van de machine niet aansprakelijk. Het risico wordt uitsluitend door de gebruiker gedragen. Bij het bedoeld gebruik hoort ook het opvolgen van de bedieningsen installatie-instructies en het aanhouden van de onderhoudsbepalingen.
De in de technische specificaties opgegeven grenswaarden mogen in geen geval worden overschreden.
1.10 Garantie
Voorwaarde voor eventuele aanspraken op garantie is, dat de inkoper of zijn afnemer tegelijk met de verkoop en het in gebruik nemen, de bij het apparaat meegeleverde "Garantieoorkonde" volledig ingevuld naar REMKO GmbH & Co. KG teruggestuurd heeft. De garantievoorwaarden zijn opgenomen in de "Algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden". Daarnaast kunnen alleen tussen de bij de overeenkomst betrokken partijen speciale afspraken gemaakt worden. Neem daarom eerst contact op met uw directe handelspartner.
1.11 Transport en verpakking
De apparaten worden in een stevige transportverpakking geleverd. Controleer het apparaat direct bij de levering en noteer eventuele schade of ontbrekende onderdelen op de pakbon en informeer de transporteur en uw leverancier. Bij klachten achteraf wordt geen garantie verleend.

WAARSCHUWING!
Plastic folie en tassen etc. zijn gevaarlijk speelgoed voor kinderen!
Daarom:
- Verpakkingsmateriaal kan niet worden onzorgvuldig.
- Verpakking mag niet toegankelijk zijn voor kinderen!
1.12 Milieubescherming en recycling
Afvoeren van de verpakking
Alle producten worden voor het transport zorgvuldig verpakt in milieuvriendelijke materialen. Lever een waardevolle bijdrage aan de vermindering van afval en het recyclen van grondstoffen en lever het verpakkingsmateriaal alleen in bij de daarvoor aangewezen inzamelplaatsen.

Afvoeren van de apparaten en componenten
Bij de productie van de apparaten en componenten worden uitsluitend recyclebare materialen gebruikt. Draag bij aan de bescherming van het milieu, door er voor te zorgen dat apparaten of componenten (bijv. batterijen) niet in het huisvuil komen maar alleen op milieuvriendelijke wijze volgens de plaatselijk geldende voorschriften, bijv. door een erkend afvalverwerkingsbedrijf en recycling of via een inzamelpunt worden verwerkt.

| Serie RXT 522 DC RXT 682 DC RXT 1052 | DC RXT 1402 DC | ||||
| Werking | Inverter wand-/plafond-airconditioningcombinatie voor koelen en verwarmen | ||||
| Nominaal koelvermogen 1) | kW | 5,30(1,60-6,30) | 7,30(3,20-7,60) | 10,50(4,10-12,60) | 14,00(5,00-16,10) |
| Energie-efficiëntieklasse SEER 1) | 6,2 | 6,6 | 6,5--- | ||
| Energieverbruik, jaarlijks, Q_CE 3) | kWh | 299 | 393 | 612--- | |
| Energieverbr. koelen, jaarlijks 500 uur | kWh | --- | --- | 2125 | |
| Energie-efficiëntieklasse koelen 1) | A++ | A++ | A | ||
| Nomin. verwarmingsvermogen 2) | kW | 5,30(1,60-6,40) | 8,00(3,20-8,10) | 11,40(4,10-14,90) | |
| Energie-efficiëntieklasse SCOP 4) | 3,8 | 3,8 | 3,8--- | ||
| Energieverbruik, jaarlijks, Q_HE 3) | kWh | 1953 | 2947 | 4310--- | |
| Energieverbr. verwarmen, jaarl. 500 uur | kWh | --- | --- | 1965 | |
| Energie-efficiëntieklasse verwarmen 2) | A | A | A | ||
| El. nominaal opgen. vermogen koelen 1) | kW | 1,64 | 2,19 | 3,28 | |
| El. nominale stroomopn. koelen 1) | A | 7,51 | 10,02 | 15,01 | |
| El. nominale opgen. vermogen koelen 1) | kW | 1,46 | 2,11 | 3,24 | |
| El. nominale stroomopn. verwarmen 2) | A | 6,68 | 9,66 | 14,83 | |
| Max. opgenomen vermogen | kW | 2,20 | 2,90 | 7,10 | |
| Max. opgenomen stroom | A | 10,00 | 13,00 | 11,00 | |
| EDV-nr. | 1619445 | 1619455 | 1619465 | ||
1) Luchtinlaattemp. TK 27°C / FK 19°C, buitentemperatuur TK 35°C, FK 24°C, max. luchtverplaatsing, 5 m leidinglengte
2) Luchtinlaattemp. TK 20°C, buitentemperatuur TK 7°C, FK 6°C, max. luchtverplaatsing, 5 m leidinglengte
^3) De opgegeven waarde is gebaseerd op resultaten van de genormeerde keuring. Het werkelijk verbruik is afhankelijk van het gebruik en van de gebruikslocatie van het apparaat
4) De opgegeven waarde is gebaseerd op de gemiddelde verwarmingsperiode (average)
| Bijbehorende binnenunit | RXT 522 DC Binnenunit | RXT 682 DC Binnenunit | RXT 1052 DC Binnenunit | RXT 1402 DC Binnenunit | |
| Aansluiting netspanning | V/fasen/Hz | 230 / 1~ / 50 | |||
| Toepassingsbereik (ruimtevol.) ca. | m^3 | 160 230 320 470 | |||
| Instelbereik ruimtetemperatuur °C +17 tot +30 | |||||
| Werkbereik °C +17 tot +32 | |||||
| Luchtverplaatsing per snelheid m^3/u | 600/750/900 | 1100/1250/1400 | 1500/1850/2200 | 1700/1900/2300 | |
| Geluidsdrukniveau p. snelheid 5) | dB (A) | 36/41/45 43/47/50 | 41/47/52 49/52/54 | ||
| Geluidsniveau (turbo-modus) dB(A) 60 63 65 64 | |||||
| Beschermingsgraad IP X 0 | |||||
| Condensaansluiting mm 25 | |||||
| Afmetingen: H/B/D mm 675 / 1068 / 235 | 675 / 1650 / 235 | ||||
| Gewicht | kg | 25 25 40 40 | |||
| EDV-nr. | 1619447 1619457 1619467 | 1619477 | |||
5) Afstand 1m vrije ruimte. Opgegeven waarden zijn maximale waarden
REMKO RXT...DC
| Bijbehorende buitenunit | RXT 522 DC Buitenunit | RXT 682 DC Buitenunit | RXT 1052 DC Buitenunit | RXT 1402 DC Buitenunit | |
| Aansluiting netspanning | V/fasen/Hz | 230 / 1~ / 50 400 / 3~ / 50 | |||
| Werkbereik koelen °C | +5 tot +507) | ||||
| Werkbereik verwarmen °C | +5 tot +247) | ||||
| Luchtverplaatsing, max. m3/u 2500 | 3500 7200 7200 | ||||
| Beschermingsgraad IP 24 | |||||
| Geluidsdrukniveau5) | dB (A) 54 58 56 56 | ||||
| Geluidsniveau max. dB (A) 65 69 67 67 | |||||
| Koudemiddel6) | R 410A | ||||
| Koudemiddel, basishoeveelheid kg | 1,8 2,2 4,35 3,8 | ||||
| Bedrijfsdruk, max. kPa | 4200 / 1500 | ||||
| Koudemiddel, extra hoeveelheid >5m | g/m | 11 30 30 30 | |||
| Koudemiddelleiding, lengte, max. | m | 30 45 60 50 | |||
| Koudemiddelleiding, hoogte, max. | m | 15 20 25 25 | |||
| Koudemiddelaansluiting Vloeistofleiding | Inch (mm) | 1/4 (6,35) | 3/8 (9,52) | 3/8 (9,52) | 3/8 (9,52) |
| Koudemiddelaansluiting Zuigleiding | Inch (mm) | 1/2 (12,70) | 5/8 (15,90) | 5/8 (15,90) | 5/8 (15,90) |
| Afmetingen: H/B/D | mm | 695/842/324 | 862/895/313 | 1369/938/392 | |
| Gewicht | kg | 46,0 | 59,0 | 102,5 | |
| EDV-nr. | 1619446 | 1619456 | 1619466 | 1619476 | |
5) Afstand 1m vrije ruimte. Opgegeven waarden zijn maximale waarden
6) Bevat broeikasgas volgens Kyoto-protocol, GWP 1975 (meer informatie in hoofdstuk "Koudemiddel bijvullen")
7) Uitbreiding naar -15 °C mogelijk met bijbehorende accessoireset
2.2 Apparaatafmetingen
Buitenunits

Afb. 1: Afmetingen buitenunits RXT 522 DC-1402 DC AT
| Afmetingen (mm) A B C D E | ||||
| RXT 522 DC AT 695 842 324 560 335 | ||||
| RXT 682 DC AT 862 895 313 590 333 | ||||
| RXT 1052 DC AT 1369 938 392 634 355 | ||||
| RXT 1402 DC AT 1369 938 392 634 355 |
Binnenunits

Wijzigingen in de afmetingen en de constructie, door de technische vooruitgang, voorbehouden.
REMKO RXT...DC
2.3 Capaciteitscurven verwarmen en koelen
Verwarmingsvermogen RXT 522 DC

Afb. 3: Capaciteitscurve verwarmen RXT 522 DC (gegevens bij binnenruimtetemperatuur 20 °C)
A: Buitentemperatuur
2: Verwarmingsvermogen in kW
1: COP
3: Opgenomen vermogen in kW
| Buitentemperatuur in °C 12 7 2 0 -7 -10 -15 | ||||||
| Verwarmingsvermog. in kW 6,01 5,28 4,59 3,84 3,28 3,04 2,88 | ||||||
| Opgenomen vermog. in kW | 1,43 1,41 1,35 1,29 1,23 1,21 1,19 | |||||
| COP | 4,20 3,74 3,41 2,99 2,66 2,52 2,42 | |||||
Koelvermogen RXT 522 DC

line
| X-Axis Label | Series 1 | Series 2 | Series 3 | | :--- | :--- | :--- | :--- | | 2125 | 4.0 | 5.1 | 1.3 | | 3025 | 3.9 | 5.4 | 1.4 | | 404550 | 3.6 | 5.4 | 1.6 | | Final Point | 2.4 | 4.2 | 1.7 |A [°C]
Afb. 4: Capaciteitscurve koelen RXT 522 DC (gegevens bij binnenruimtetemperatuur 27/19 °C)
A: Buitentemperatuur
1: EER
2: Koelvermogen in kW
3: Opgenomen vermogen in kW
| Buitentemperatuur in °C | 21 | 25 | 30 | 35 | 40 | 45 | 50 |
| Koelvermogen in kW | 5,10 5,44 5,48 5,28 | 4,53 4,30 | 4,18 | ||||
| Opgenomen vermog. in kW | 1,26 1,36 1,48 1,62 | 1,64 1,67 | 1,74 | ||||
| EER | 4,04 3,99 3,70 3,26 | 2,76 2,57 | 2,41 |
Verwarmingsvermogen RXT 682 DC

A[°C]
Afb. 5: Capaciteitscurve verwarmen RXT 682 DC (gegevens bij binnenruimtetemperatuur 20 °C)
A: Buitentemperatuur
1: COP
2: Verwarmingsvermogen in kW
3: Opgenomen vermogen in kW
| Buitentemperatuur in °C 12 7 2 0 -7 -10 -15 | ||||||
| Verwarmingsvermog. in kW 8,67 7,62 6,63 5,54 4,73 4,39 4,16 | ||||||
| Opgenomen vermog. in kW 2,08 2,05 1,96 1,87 1,79 1,75 1,73 | ||||||
| COP | 4,17 3,72 3,39 2,96 2,64 2,50 2,40 | |||||
Koelvermogen RXT 682 DC

line
| X-Axis Label | Series 1 | Series 2 | Series 3 | | :--- | :--- | :--- | :--- | | 21253035404550 | 4.0 | 7.0 | 1.8 |A[°C]
Afb. 6: Capaciteitscurve koelen RXT 682 DC (gegevens bij binnenruimtetemperatuur 27/19 °C)
A: Buitentemperatuur
1: EER
2: Koelvermogen in kW
3: Opgenomen vermogen in kW
| Buitentemperatuur in °C | 21 | 25 | 30 | 35 | 40 | 45 | 50 |
| Koelvermogen in kW | 6,79 7,24 7,30 7,03 6,03 5,72 5,57 | ||||||
| Opgenomen vermog. in kW 1,71 1,84 2,00 2,19 2,22 2,26 2,35 | |||||||
| EER | 3,98 3,93 3,64 3,21 2,72 2,53 2,37 | ||||||
Verwarmingsvermogen RXT 1052 DC

Afb. 7: Capaciteitscurve verwarmen RXT 1052 DC (gegevens bij binnenruimtetemperatuur 20 °C)
A: Buitentemperatuur
1: COP
2: Verwarmingsvermogen in kW
3: Opgenomen vermogen in kW
| Buitentemperatuur in °C 12 7 2 0 -7 -10 -15 | |||||||
| Verwarmingsvermog. in kW | 13,34 | 11,72 | 10,20 | 8,52 | 7,28 | 6,75 | 6,40 |
| Opgenomen vermog. in kW | 3,26 | 3,21 | 3,07 | 2,93 | 2,81 | ||
| COP | 4,09 | 3,65 | 3,33 | 2,91 | 2,59 | ||
Koelvermogen RXT 1052 DC

Afb. 8: Capaciteitscurve koelen RXT 1052 DC (gegevens bij binnenruimtetemperatuur 27/19 °C)
A: Buitentemperatuur
1: EER
2: Koelvermogen in kW
3: Opgenomen vermogen in kW
| Buitentemperatuur in °C | 21 | 25 | 30 | 35 | 40 | 45 | 50 |
| Koelvermogen in kW | 10,19 | 10,86 | 10,96 | 10,55 | 9,05 | 8,58 | 8,36 |
| Opgenomen vermog. in kW | 2,53 | 2,73 | 2,97 | 3,25 | 3,30 | 3,36 | 3,48 |
| EER | 4,03 | 3,98 | 3,68 | 3,25 | 2,75 | 2,56 | 2,40 |
Verwarmingsvermogen RXT 1402 DC

Afb. 9: Capaciteitscurve verwarmen RXT 1402 DC (gegevens bij binnenruimtetemperatuur 20 °C)
A: Buitentemperatuur
1: COP
2: Verwarmingsvermogen in kW
3: Opgenomen vermogen in kW
| Buitentemperatuur in °C 12 7 2 0 -7 -10 -15 | |||||||
| Verwarmingsvermog. in kW | 16,67 | 14,65 | 12,75 | 10,65 | 9,10 | 8,44 | 8,00 |
| Opgenomen vermog. in kW | 4,07 | 4,01 | 3,83 | 3,66 | 3,51 | 3,43 | 3,38 |
| COP | 4,10 | 3,65 | 3,33 | 2,91 | 2,59 | 2,46 | 2,36 |
Koelvermogen RXT 1402 DC

line
| Temperature (°C) | Series 1 | Series 2 | Series 3 | | ---------------- | -------- | -------- | -------- | | 2125 | 4.00 | 13.50 | 3.50 | | 3035 | 4.00 | 14.50 | 3.75 | | 4045 | 3.75 | 14.50 | 4.00 | | 50 | 3.00 | 14.00 | 4.25 | | 60 | 2.50 | 12.00 | 4.50 | | 70 | 2.25 | 11.50 | 4.75 | | 80 | 2.00 | 11.00 | 5.00 |Afb. 10: Capaciteitscurve koelen RXT 1402 DC (gegevens bij binnenruimtetemperatuur 27/19 °C)
A: Buitentemperatuur
1: EER
2: Koelvermogen in kW
3: Opgenomen vermogen in kW
| Buitentemperatuur in °C | 21 | 25 | 30 | 35 | 40 | 45 | 50 |
| Koelvermogen in kW | 13,59 | 14,49 | 14,62 | 14,07 | 12,07 | 11,45 | 11,15 |
| Opgenomen vermog. in kW | 3,38 | 3,65 | 3,97 | 4,34 | 4,40 | 4,48 | 4,65 |
| EER | 4,02 | 3,97 | 3,68 | 3,24 | 2,74 | 2,55 | 2,40 |
3 Opbouw en functie
3.1 Beschrijving van het apparaat
De ruimteairconditioners RXT 522 DC-1402 DC beschikken over een REMKO RXT...DC AT buiten-unit evenals een binnenunit RXT...DC IT.
De buitenunit dient tijdens koelbedrijf voor het afgeven van de door de binnenunit uit de te koelen ruimte opgenomen warmte aan de buitenlucht. Bij verwarmingsbedrijf kan de door de buitenunit opgenomen warmte via de binnenunit worden afgegeven aan de lucht in de te verwarmen ruimte. In beide bedrijfsmodi wordt het door de compressor te leveren capaciteit exact aangepast aan de vraag en wordt de insteltemperatuur met minimale temperatuurschommelingen geregeld. Door deze "inverter-techniek" wordt, ten opzichte van conventionele splitsystemen, energie bespaard en wordt het geproduceerde geluidsniveau teruggebracht tot een zeer beperkte waarde. De buitenunit kan buiten of onder bepaalde voorwaarden binnen worden gemonteerd. De buitenunit bestaat uit een koudekringloop met compressor, condensor in lamellenuitvoering, condensorventilator, keerklep en een elektronische expansieklep. De besturing van de buitenunit gebeurt via de regeling van de binnenunit.
Het ontwerp is dusdanig, dat de binnenunit kan binnen zowel op de wand als op het plafond kan worden gemonteerd. De bediening gebeurt via een infrarood-afstandsbediening. De binnenunit bestaat uit een verdamper in lamellenuitvoering, verdamperventilator, regeling en condensopvangbak.
Vloerconsoles, wandconsoles, koudemiddelleidingen, kabelafstandsbediening en condenspompen zijn verkrijgbaar als accessoires.
De verbinding tussen binnenunit en buitenunit wordt tot stand gebracht met koudemiddelleidingen.

Afb. 11: Systeemopbouw RXT 522 DC-1402 DC
A: Buiten
B: Binnen
1: Binnenunit
2: Buitenunit
3: Condensleiding
4: Condensorventilator
5: Netaansluiting
6: Afsluitklep
7: Zuigleidingen
8: Inspuitleidingen
9: stuurleidingen

flowchart
graph TD
subgraph A
A1["Reactor 1"] --> A2["Reactor 2"]
A2 --> A3["Reactor 3"]
A3 --> A4["Reactor 4"]
A4 --> A5["Reactor 5"]
A5 --> A6["Reactor 6"]
A6 --> A7["Reactor 7"]
A7 --> A8["Reactor 8"]
A8 --> A9["Reactor 9"]
A9 --> A10["Reactor 10"]
A10 --> A11["Reactor 11"]
A11 --> A12["Reactor 12"]
A12 --> A13["Reactor 13"]
A13 --> A14["Reactor 14"]
A14 --> A15["Reactor 15"]
A15 --> A16["Reactor 16"]
A16 --> A17["Reactor 17"]
A17 --> A18["Reactor 18"]
A18 --> A19["Reactor 19"]
A19 --> A20["Reactor 20"]
end
subgraph B
B1["Reactor 1"] --> B2["Reactor 2"]
B2 --> B3["Reactor 3"]
B3 --> B4["Reactor 4"]
B4 --> B5["Reactor 5"]
B5 --> B6["Reactor 6"]
B6 --> B7["Reactor 7"]
B7 --> B8["Reactor 8"]
B8 --> B9["Reactor 9"]
B9 --> B10["Reactor 10"]
B10 --> B11["Reactor 11"]
B11 --> B12["Reactor 12"]
B12 --> B13["Reactor 13"]
B13 --> B14["Reactor 14"]
B14 --> B15["Reactor 15"]
B15 --> B16["Reactor 16"]
B16 --> B17["Reactor 17"]
B17 --> B18["Reactor 18"]
B18 --> B19["Reactor 19"]
B19 --> B20["Reactor 20"]
end
subgraph C
C1["Reactor 3"] --> C2["Reactor 4"]
C2 --> C3["Reactor 5"]
C3 --> C4["Reactor 6"]
C4 --> C5["Reactor 7"]
C5 --> C6["Reactor 8"]
C6 --> C7["Reactor 9"]
C7 --> C8["Reactor 10"]
C8 --> C9["Reactor 11"]
C9 --> C10["Reactor 12"]
C10 --> C11["Reactor 13"]
C11 --> C12["Reactor 14"]
C12 --> C13["Reactor 15"]
C13 --> C14["Reactor 16"]
C14 --> C15["Reactor 17"]
C15 --> C16["Reactor 18"]
C16 --> C17["Reactor 19"]
C17 --> C18["Reactor 20"]
end
subgraph D
D1["Reactor 4"] --> D2["Reactor 5"]
D2 --> D3["Reactor 6"]
D3 --> D4["Reactor 7"]
D4 --> D5["Reactor 8"]
D5 --> D6["Reactor 9"]
D6 --> D7["Reactor 10"]
D7 --> D8["Reactor 11"]
D8 --> D9["Reactor 20"]
end
subgraph E
E1["Reactor 5"] --> E2["Reactor 6"]
E2 --> E3["Reactor 7"]
E3 --> E4["Reactor 8"]
E4 --> E5["Reactor 9"]
E5 --> E6["Reactor 10"]
E6 --> E7["Reactor 11"]
E7 --> E8["Reactor 20"]
end
subgraph F
F1["Reactor 6"] --> F2["Reactor 7"]
F2 --> F3["Reactor 8"]
F3 --> F4["Reactor 9"]
F4 --> F5["Reactor 10"]
F5 --> F6["Reactor 11"]
F6 --> F7["Reactor 20"]
end
subgraph G
G1["Reactor 7"] --> G2["Reactor 8"]
G2 --> G3["Reactor 9"]
G3 --> G4["Reactor 10"]
G4 --> G5["Reactor 11"]
G5 --> G6["Reactor 20"]
end
Afb. 12: Schema koudekringloop binnenunit
A: Buiten
B: Binnen
1: RXT 522 DC-682 DC
2: RXT 1052 DC-1402 DC
M1: Condensorventilator
M2: Compressor
M3: Verdamperventilator binnenunit
V1: Omschakelklep K/H
EEV: Elektr. expansieklep
FLT: Filter
OEL: Olieretour
PSH: Hogedrukbewaking buitenunit
PSL: Lagedrukbewaking buitenunit
T1: Sensor verdamper binnenunit
T2: Sensor luchtinlaat binnenunit
T3: Sensor condensor buitenunit
T4: Sensor luchtinlaat buitenunit
T5: Sensor heetgas buitenunit
4 Bediening
De binnenunit kan comfortabel bediend worden met de meegeleverde infrarood afstandsbediening. Een correcte gegevensoverdracht wordt door de binnenunit met een pieptoon bevestigd. Als het programmeren via de infrarood-afstandsbediening niet mogelijk is, kan de binnenunit ook handmatig worden bediend.
Handbediening
De binnenunit kan handmatig in gebruik worden genomen. Door indrukken van de toets "MANUEL" wordt de automatische modus geactiveerd. Bij handbediening gelden de volgende instellingen:
Koelbedrijf: 24 °C, ventilatorsnelheid: AUTO
Verwarmingsbedrijf: 26 °C, ventilatorsnelheid: AUTO
Door het indrukken van een toets op de infrarood afstandsbediening wordt de handbediening onderbroken.
Infrarood-afstandsbediening
De infrarood-afstandsbediening stuurt de geprogrammeerde instelling over een afstand tot 6 m naar de ontvanger op de binnenunit. Een storingsvrije ontvangst van de gegevens is alleen mogelijk als de afstandsbediening op de ontvanger wordt gericht en er geen voorwerpen zijn die de overdracht belemmeren.

Afb. 13: Maximale afstand van afstandsbediening t.o.v. binnenunit
Eerst moeten de meegeleverde batterijen (2 stuks, type AAA) in de afstandsbediening worden geplaatst. Trek daarvoor de klep van het batterijvak los en plaats de batterijen, let daarbij op de polariteit (zie markering).
REMKO RXT...DC
Kabel-afstandsbediening
Aansluiting van de kabel-afstandsbediening (optie)
Er zijn twee mogelijkheden:
- De stekker voor de aansluiting van een kabel-afstandsbediening bevindt zich achter de afschermkap van de displayprintplaat (Afb. 14). De 5-aderige kabel kommende van de displayprintplaat is aangeduid met de letters "A-E" versehen (Afb. 15).

Afb. 14: Afschermkap van de binnenunit

Afb. 15: Displayprintplaat
- De kabel-afstandsbediening (optie) kann eveneens direkt op de stuurprintplaat gestoken worden (Afb. 16). De plaats voor de aansluiting is met "CN 40" aangeduid.

Afb. 16: Stuurprintplaat
VOORZICHTIG!
Correcte omgang met batterijen
Batterijen kunnen giftige stoffen bevatten.
Daarom:
a) Zorg dat batterijen niet in de handen van kinderen kunnen komen. Kinderen kunnen batterijen in de mond nemen en inslikken. Mocht een batterij worden ingeslikt, zoek dan direct een arts op. b) De batterijen daarom altijd volgens de geldende wettelijke voorschriften en milieuvriendelijk recyclen. Gooi batterijen nooit bij het normale huishoudelijk afval.
- Stel batterijen nooit bloot aan open vuur of sterke hitte, omdat anders explosiegevaar bestaat.
- Vervang lege batterijen direct door een nieuwe set, omdat gevaar voor uitlopen bestaat. Uitlopende batterijen kunnen beschadigingen een de afstandsbediening veroorzaken. Bij langer uit gebruik nemen wordt aanbevolen de batterijen te verwijderen. Vervang batterijen altijd door hetzelfde type.

Storingen worden gecodeerd aangegeven (zie het hoofdstuk Verhelpen van storingen en klantendienst).

Help mee bij het besparen van energie tijdens standby! Wordt het apparaat, de installatie of de component niet gebruikt, raden we het onderbreken van de voedingsspanning aan. Componenten met een veiligheidsfunctie zijn uitgesloten van onze aanbeveling!
Display op de binnenunit
De indicatie-LED's gaan branden op basis van de instellingen:

Afb. 17: Indicaties op het apparaat
1: Handmatig bedrijf
2: Bedrijfsindicatie
3: Timerindicatie
4: Ontvanger voor signalen van de afstandsbediening
5: Ventilator dooien
6: Alarmdisplay
Toetsen op de afstandsbediening

Afb. 18: Toetsen op de afstandsbediening
① Toets "AAN/UIT"
Met deze toets neemt u het apparaat in gebruik.
② Toets "
Met deze toets wordt de temperatuur tot 17 °C beperkt.
③ Toets "
Met deze toets wordt de gewenste temperatuur tot 30 °C verhoogd.
④ Toets "MODE"
Met deze toets wordt de bedrijfsmodus gekozen. De binnenunit heeft 5 modi:
- Automatische modus
In deze modus kiest het apparaat automatisch via de ingestelde instelwaarde de koel- of verwarming-modus.
- Koelmodus
In deze modus wordt de warme ruimtelucht afgekoeld naar de gewenste temperatuur.
- Ontvochtigingsmodus
In deze modus wordt de ruimte ontvochtigd, hierbij wordt de ruimtetemperatuur aanzienlijk verlaagd. Het beïnvloeden van de temperatuur en de ventilatorsnelheid is in deze modus niet mogelijk.
- Verwarmingsmodus
In deze modus wordt de koude ruimtelucht verwarmd naar de gewenste temperatuur.
- Circulatiemodus
In deze modus wordt de ruimtelucht zonder temperatuurverandering gecirculeerd.
⑤ Toets "VENTILATOR"
Met deze toets wordt het gewenste ventilatortoe- rental ingesteld. Er zijn 4 niveaus beschikbaar:
automatisch, hoge, midden en lage ventilatorsnelheid.
⑥ Toets "LED/FOLLOW ME"
Kort drukken op deze toets activeert/deactiveert de LED-indicatie op de binnenunit.
Door het langer dan 2 seconden ingedrukt houden van deze toets, wordt de meting van de ruimtetemperatuur van de binnenunit verplaatst naar de afstandsbediening. De temperatuurmeting door de afstandsbediening wordt daarna met tussenpozen naar de binnenunit verzonden.
REMKO RXT...DC
⑦ Toets "SLEEP"
Na het indrukken van deze toets stijgt de theoretische temperatuur in koelbedrijf binnen één uur 1 °C, bij verwarmingsbedrijf daalt de theoretische temperatuur binnen één uur 1 °C.
⑧ Toets "SWING"
Deze toets dient voor het starten en stoppen van de automatische op en neergaande beweging van de horizontale uitstroomlamellen.
⑨ Toets "DIRECT"
Met deze toets kunt u de stand van de uitstroomlamellen instellen. De positie van de lamellen wijzigt bij elke druk op de "DIRECT"-toets met 6°.
⑩ Toets "TIMER ON"
Met deze toets wordt de automatische inschakeltijd van de binnenunit gestart. Elke druk op de knop verhoogt de automatische tijdinstelling in stappen van 30 minuten. Is de instelling 10,0, verhoogt elke druk op de knop de automatische tijdinstelling in stappen van 60 minuten. Om de automatische tijdinstelling te onderbreken, wordt de inschakeltijd eenvoudig ingesteld op 0,0.
⑪ Toets "TIMER OFF"
Met deze toets wordt de automatische uitschakeltijd van de binnenunit gestart. Elke druk op de knop verhoogt de automatische tijdinstelling in stappen van 30 minuten. Is de instelling 10,0, verhoogt elke druk op de knop de automatische tijdinstelling in stappen van 60 minuten. Om de automatische tijdinstelling te onderbreken, wordt de uitschakeltijd eenvoudig ingesteld op 0,0.
Deze toets heeft geen functie.
⑬ Toets "SHORTCUT"
Door het voor het eerst indrukken van deze toets wordt de instelwaarde ingesteld op 24 °C en de ventilatorsnelheid op automatisch. Wordt de toets bij geactiveerde afstandsbediening tijdens bedrijf ingedrukt, wordt het apparaat teruggeschakeld naar de laatst ingestelde bedrijfsmodus.
⑭ Toets "LOCK"
Door indrukken van deze toets wordt de afstandsbediening buiten gebruik gesteld. Na het opnieuw indrukken kan de afstandsbediening weer worden gebruikt.
⑮ Toets "RESET"
Door het drukken op de "RESET"-toets, worden alle instellingen gereset naar de toestand bij levering.
Display van de afstandsbediening

Afb. 19: Display van de afstandsbediening
1: Automatische modus
2: Koelmodus
3: Ontvochtigingsmodus
4: Verwarmingsmodus
5: Circulatiemodus
6: Indicator signaaloverdracht
7: Display voor temperatuur/timer
8: Timer geactiveerd/gedeactiveerd
9: Indicatie van de ventilatorsnelheid
10: Sleep-modus geactiveerd
11: Follow-me functie geactiveerd
12: Afstandsbediening geblokkeerd
13: Display aan/uit
Toetsfuncties
De overdracht van de instellingen wordt door het kort verschijnen van een symbool op het display aangegeven.

Afb. 20: Toetsfuncties
Aan/uit-afstandsbediening
De status aan/uit wordt door het cirkelvormige symbool rechtsonder op het weergaveveld van de afstandsbediening weergegeven.

flowchart
graph TD
A["auto"] --> B["SET TEMP. 22°C"]
B --> C["Power Icon"]
C --> D["auto"]
D --> E["SET TEMP. 22°C"]
E --> F["run Icon"]
F --> G["Power Icon"]
Afb. 21: Aan/uit-afstandsbediening
"en " -toetsen
Met deze toetsen kan de insteltemperatuur met 1 °C naar boven of beneden worden versteld. Het temperatuurbereik kan worden gewijzigd tussen 17 °C - 30°C.

Afb. 22: "en" "toetsen
REMKO RXT...DC
Toets "MODE"
Gebruik de "Modus"-toets voor het omschakelen tussen de afzonderlijke bedrijfsmodi.
Er zijn 5 modi beschikbaar:
- Automatisch
- Koelen
- Ontvochtigen
- Verwarmen
- Circulatie

flowchart
graph TD
A["auto SET TEMP. 22°C run"] --> B["① MODE"]
B --> C["②"]
C --> D["③ MODE"]
D --> E["④ MODE"]
E --> F["⑤ MODE"]
F --> G["⑥ MODE"]
Afb. 23: Mode Toets
Modus "Automatisch"
In de modus "Automatisch" kiest de besturing zelfstandig op basis van de ruimtetemperatuur Tr en de gekozen instelwaarde Ts voor de verwarmings-, circulatie- of koelmodus.
De instelwaarde kan met de toetsen "en"
tussen 17 °C en 30 °C worden versteld. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geselecteerd.

Tr<Ts=1 °C, wordt de bedrijfsmodus "Verwarmen" gekozen.
Tr>Ts=2 °C, wordt de bedrijfsmodus "Koelen" gekozen.
Tr<-1 °C...Ts...+2 °C, wordt de bedrijfsmodus "Circulatie" gekozen.
Als na het uitschakelen van de compressor tijdens een bedrijfsmodus de compressor 15 min. lang niet wordt geactiveerd, wordt, als de temperatuur afwijkt, opnieuw een van de modi verwarmen, koelen of circulatie gekozen.
Modus "Koelen"
In de modus "Koelen" wordt de lucht in de ruimte tot de ingestelde richttemperatuur afgekoeld. De gewenste ruimtetemperatuur kan met de "Temp"-toetsen in stappen van 1 °C worden ingesteld. Ligt de temperatuur in de ruimte 0,5 °C boven de gekozen insteltemperatuur, begint de binnenunit met afkoelen van de lucht in de ruimte. Als de ingestelde temperatuur in de ruimte ca. 1 °C wordt onderschreden, schakelt de regeling de koeling uit. Ter bescherming van de compressor schakelt de regeling pas na een wachttijd van 3 minuten de koeling weer in.

In de modus "Ontvochtigen" wordt geadviseerd de insteltemperatuur op 24 °C in te stellen. Door de lage temperatuur van het koudemiddel wordt het dauwpunt onderschreden. Het overtollige vocht in de lucht condenseert op de verdamper, de ruimte wordt zo ontvochtigd.

In de modus "Verwarmen" hebt u de mogelijkheid de ruimte in de herfst en de lente te verwarmen. De gekozen ruimtetemperatuur kan met de "Temp"-toetsen in stappen van 1 °C worden ingesteld. Komt de temperatuur in de ruimte 1 °C onder de insteltemperatuur, begint de binnenunit met het verwarmen van ruimtelucht. Als de ingestelde temperatuur in de ruimte met ca. 1 °C wordt overschreden, schakelt de regeling de verwarming uit. Ter bescherming van de compressor schakelt de regeling pas na een wachttijd van 3 minuten de verwarming weer in. Het ventilatorbedrijf start pas bij een temperatuur van 32 °C bij de warmtewisselaar.

Automatische functie:
<ca. 1,5 °C = laag niveau
<ca. 1,5 °C = middelmatig niveau
<ca. 3,5 °C = hoog niveau

flowchart
graph TD
A["cool SET TEMP. 22°C run"] -->|①| B["FAN"]
A -->|②| C["cool SET TEMP. 22°C run"]
C -->|③| D["FAN"]
C -->|④| E["cool SET TEMP. 22°C run"]
E --> F["FAN"]
Afb. 28: Toets "Ventilator"
"Follow me"-functie
Met deze toets wordt de meting van de temperatuur in de ruimte van de binnenunit verplaatst naar de afstandsbediening. De meting van de temperatuur vanaf de afstandsbediening wordt daarna in intervallen naar de binnenunit gestuurd.

Afb. 29: "Follow Me"-functie
Toets "SLEEP"
Met deze toets wordt een programma ingeschakeld, waarmee de richttemperatuur in de koelmodus na één uur met 1 °C en na twee uur met 2 °C daalt. Het apparaat wordt na acht uur automatisch uitgeschakeld.

Afb. 30: Toets "SLEEP"
Toets "TIMER-ON"
Deze toets maakt het mogelijk het apparaat in uitgeschakelde toestand binnen een instelbare interval van 30 minuten (0,5 h) in te schakelen.
Toets "TIMER-OFF"
Deze toets maakt het mogelijk het apparaat in ingeschakelde toestand binnen een instelbare interval van 30 minuten (0,5 h) uit te schakelen.

flowchart
graph TD
A["SET TEMP. 2.2 °C run"] --> B["TIMER ON"]
C["TIMER ON"] --> D["TIMER ON"]
E["TIMER ON"] --> F["TIMER ON"]
G["TIMER ON"] --> H["TIMER ON"]
I["TIMER ON"] --> J["TIMER ON"]
K["TIMER ON"] --> L["TIMER ON"]
M["TIMER ON"] --> N["TIMER ON"]
O["TIMER ON"] --> P["TIMER ON"]
Q["TIMER ON"] --> R["TIMER ON"]
S["TIMER ON"] --> T["TIMER ON"]
U["TIMER ON"] --> V["TIMER ON"]
W["TIMER ON"] --> X["TIMER ON"]
Y["TIMER ON"] --> Z["TIMER ON"]
AA["TIMER ON"] --> AB["TIMER ON"]
AC["TIMER ON"] --> AD["TIMER ON"]
AE["TIMER ON"] --> AF["TIMER ON"]
AG["TIMER ON"] --> AH["TIMER ON"]
AI["TIMER ON"] --> AJ["TIMER ON"]
AK["TIMER ON"] --> AL["TIMER ON"]
AM["TIMER ON"] --> AN["TIMER ON"]
AO["TIMER ON"] --> AP["TIMER ON"]
AQ["TIMER ON"] --> AR["TIMER ON"]
AS["TIMER ON"] --> AT["TIMER ON"]
AU["TIMER ON"] --> AV["TIMER ON"]
AW["TIMER ON"] --> AX["TIMER ON"]
AY["TIMER ON"] --> Z
AZ["TIMER ON"] --> AA
Afb. 31: Toets "TIMER-ON"

flowchart
graph TD
A["SET TEMP. 22℃ run"] --> B["TIMER OFF"]
C["TIMER OFF"] --> D["3 sec."]
E["TIMER OFF"] --> F["3 sec."]
G["TIMER OFF"] --> H["3 sec."]
I["TIMER OFF"] --> J["3 sec."]
Afb. 32: Toets "TIMER-OFF"
REMKO RXT...DC
Met de "TURBO/SELFCLEAN"-functie worden de maximale ventilatorsnelheid en de compressor ingeschakeld.

Met deze verzonken toets worden de functies van de afstandsbediening geblokkeerd. Zo kan het per ongeluk verstellen van de ingestelde waarden worden voorkomen.

Met deze verzonken toets kan de afstandsbedie- ning worden gereset.

Afb. 35: Toets "RESET"
5 Montageaanwijzingen voor het vakpersoneel
5.1 Belangrijke aanwijzingen voor het installeren
■ Breng het apparaat in de originele verpakking zo dicht mogelijk bij de montagelocatie. Zo vermijdt u transportschade.
- Controleer de inhoud van de verpakking op volledigheid en op zichtbare transportschade. Meld eventuele schade onmiddellijk aan uw leverancier en de transporteur.
- Til het apparaat op aan de hoeken en niet aan de koudemiddel- of condensaansluitingen.
De koudemiddelleidingen (vloeistof- en zuigleiding), kleppen en de verbindingen moeten dampdiffusiedicht worden geïsoleerd. Eventueel moet ook de condensleiding worden geïsoleerd.
Kies een montageplaats, die een vrije luchttoe- en -afvoer waarborgt (zie de paragraaf "Mini- male vrije ruimte").
Installeer het apparaat niet in de onmiddellijke nabijheid van apparaten met een sterke warmtestraling. De montage in de buurt van warmtebronnen vermindert de capaciteit van het apparaat.
Open de afsluitkranen van de koudemiddelleidingen pas na het afronden van alle installatiewerkzaamheden.
Sluit open koudemiddelleidingen tegen het binnendringen van vocht met geschikte doppen, resp. plakband en knik of druk niet op de koudemiddelleidingen.
Vermijd onnodig buigen. Zo wordt het drukverlies in de koudemiddelleidingen geminimaliseerd en wordt de vrije retour van de compressorolie gewaarborgd.
Neem bijzondere voorzorgsmaatregelen voor de olieretour, als de buitenunit hoger dan de binnenunit is geplaatst (zie de paragraaf "Maatregelen olieretour").
Is de enkele lengte van de koudemiddelleiding langer dan 5 meter, moet koudemiddel bijgevuld worden. De hoeveelheid bij te vullen koudemiddel kunt u vinden in het hoofdstuk "Koudemiddel bijvullen".
■ Voer alle elektrische aansluitingen uit volgens de geldende DIN- en VDE-bepalingen.
Sluit de elektrische leidingen altijd volgens de voorschriften aan op de elektrische aansluit-klemmen. Anders kan brand ontstaan.
- Gebruik de voor de apparaten meegeleverde bevestigingsmaterialen.
- Gebruik (geldt alleen voor plafondcassettes) vier ophangbeugels en de bijbehorende haken voor de ophanging van de plafondcassette.
Gebruik de meegeleverde geïsoleerde condensaatslang als verloopstuk naar de verderop gelegen condensaatafvoer. Fixeer de condensaatafvoer met de meegeleverde klembeugels.
5.2 Wanddoorvoeren
Er moet een wanddoorbreking worden gemaakt met een diameter van minimaal 70 mm en met minimaal 10 mm verval van binnen naar buiten.
Om beschadigingen aan de leiding te voorkomen, moet de doorbraak aan de binnenkant worden bekleed of bijv. worden voorzien van een PVC-buis (zie afbeelding).
Vanwege de brandveiligheid dient de muur van de wanddoorvoer na de montage met een geschikt afdichtmiddel worden afgesloten. Gebruik geen cement- of kalkhoudende materialen!

Afb. 36: Wanddoorbraak
1: Vloeistofleiding
2: Besturingskabel
3: Condensleiding
4: Zuigleiding
5: PVC-buis
5.3 Montagemateriaal
De binnenunit wordt met 4 schroeven (niet meegeleverd) op een wandhouder bevestigd.
De buitenunit wordt met behulp van 4 bouten via een wandframe tegen de wand of op een vloerconsole aan de vloer bevestigd.
REMKO RXT...DC
5.4 Keuze van de installatielocatie
Binnenunit
De binnenunit is voor horizontale montage aan de wand onder ramen ontworpen. Deze kan ook bovenaan de wand (max. 1,25 m boven de vloer) worden geplaatst. Het apparaat is eveneens ontworpen voor horizontale montage aan het plafond. Hierbij moet vooral worden gelet op de condensafvoer.

De buitenunit is ontworpen voor een horizontaal staande positie buiten. De opstellocatie van het apparaat moet horizontaal, vlak en stevig zijn. Bovendien moet het apparaat worden vastgezet zodat het niet kan kantelen. De buitenunit kan zowel buiten als binnen een gebouw worden geplaatst. Bij de buitenmontage moet u rekening houden met de volgende aanwijzingen ter bescherming van het apparaat tegen weersinvloeden.
Regen
Het apparaat bij vloer- of dakopstelling met min. 10 cm bodemvrijheid monteren. Een vloerconsole is leverbaar als accessoire.
Zon
De condensor van de buitenunit is een module die warmte afgeeft. Instraling van de zon verhoogt de temperatuur van de lamellen en vermindert daardoor de warmteafvoer van de lamellenwarmtewisselaar. De buitenunit moet indien mogelijk aan de noordzijde van het betreffende gebouw worden geplaatst. Indien mogelijk moeten er bouwkundige voorzieningen worden aangebracht die voor schaduw zorgen. Dit kan door een klein afdak gebeuren. De uitgaande warme luchtstroom mag door de maatregelen echter niet worden beïnvloed.
Wind
Als het apparaat op een winderige plaats wordt geïnstalleerd, let er dan op dat uitstromende warme lucht met de hoofdwindrichting mee wordt afgevoerd. Als dit niet mogelijk is, moeten bouwkundige voorzieningen worden aangebracht ter bescherming tegen wind. Let er op, dat de windbescherming de luchttoevoer van het apparaat niet beïnvloedt.

In gebieden met sterke sneeuwval moet het apparaat bij voorkeur tegen een wand worden geïnstalleerd. De montage dient dan min. 20 cm boven de te verwachten sneeuwhoogte te gebeuren, om het binnendringen van sneeuw in de buitenunit te verhinderen. Een wandconsole is leverbaar als accessoire.

Afb. 39: Minimale afstand tot sneeuw
1: Sneeuw
Opstelling binnen een gebouw
Zorg voor voldoende warmteafvoer als het apparaat in een kelder, op het dak, in een aangrenzende ruimte of in hallen wordt geplaatst (Afb. 40).
Installeer een extra ventilator, met hetzelfde luchtdebiet als de in die ruimte op te stellen buitenunit, die de eventuele drukverliezen in de luchtkanalen kan compenseren (Afb. 40).
Houd u zich aan de statische en andere bouwtechnische voorschriften en bepalingen in verband met het gebouw en zorg eventueel voor geluidsdemping.

flowchart
graph TD
A["1"] --> B["2"]
B --> C["3"]
C --> D["3"]
D --> E["K"]
E --> F["4"]
F --> G["W"]
G --> H["5"]
H --> I["6"]
I --> J["7"]
J --> K["8"]
K --> L["9"]
L --> M["10"]
M --> N["11"]
N --> O["12"]
O --> P["13"]
P --> Q["14"]
Q --> R["15"]
R --> S["16"]
S --> T["17"]
T --> U["18"]
U --> V["19"]
V --> W["20"]
W --> X["21"]
X --> Y["22"]
Y --> Z["23"]
Z --> A
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#ffc,stroke:#333
style F fill:#cff,stroke:#333
style G fill:#ffc,stroke:#333
style H fill:#cfc,stroke:#333
style I fill:#fcc,stroke:#333
style J fill:#ffc,stroke:#333
style K fill:#fcc,stroke:#333
style L fill:#cfc,stroke:#333
style M fill:#fcc,stroke:#333
style N fill:#cfc,stroke:#333
style O fill:#fcc,stroke:#333
style P fill:#cfc,stroke:#333
style Q fill:#fcc,stroke:#333
style R fill:#cfc,stroke:#333
style S fill:#fcc,stroke:#333
style T fill:#cfc,stroke:#333
style U fill:#fcc,stroke:#333
style V fill:#cfc,stroke:#333
style W fill:#fcc,stroke:#333
Afb. 40: Opstelling binnen een gebouw
K: Koude verse lucht
W: Warme lucht
1: Buitenunit
2: Extra ventilator
3: Lichtschacht
REMKO RXT...DC
5.5 Minimale vrije ruimte
De minimale vrije ruimte is nodig voor onderhoudsen reparatiewerkzaamheden en voor een optimale luchtverdeling.
Minimale vrije ruimte buitenunits
RXT 522 DC-1402 DC AT

Afb. 41: Minimale vrije ruimte buitenunit
1: Luchtinlaat / 2: Luchtuitlaat
| Afmetingen (mm) | RXT 522 DC-1402 DC AT |
| A 300 | |
| B 2000 | |
| C 600 | |
| D 200 | |
| E 400 |
Minimale vrije ruimte binnenunits RXT 522 DC-1402 DC IT

Afb. 42: Minimale vrije ruimte binnenunit (alle gegevens in mm)
A: Wandmontage / B: Plafondmontage
5.6 Aansluitvarianten
De volgende aansluitvarianten voor de koude-middel-, condens- en besturingsleidingen kunnen worden gebruikt.

Afb. 43: Aansluitvarianten
A: Koudemiddelleidingen
1: Afvoer op de wand rechts
2: Afvoer door de wand rechts
3: Afvoer op de wand onder
5.7 Olieretourmaatregelen
Als de buitenunit hoger dan de binnenunit wordt geplaatst, moeten geschikte maatregelen voor de olieretour worden getroffen. Dit gebeurt meestal door het maken van een olie-syfon, die om de 2,5 meter stijging moet worden geïnstalleerd.

Afb. 44: Olieretourmaatregelen
A: Buitenunit
B: Binnenunit
1: Olie-syfon in de zuigleiding naar de buitenunit 1 x elke 2,5 stijgende meter
2: Radius: 50 mm
3: Max. 10 m
6 Installatie
6.1 Installatievoorbereidingen
Demontage van het luchtinlaatrooster

AANWIJZING!
Het installeren mag alleen door geautoriseerd vakpersoneel worden uitgevoerd.
- Het ventilatierooster naar voren klappen.
- Verwijder de middelste roosterhouder, door de beide nokken uit de bevestiging los te maken.
- De bevestigingsschroeven aan de zijkanten losdraaien en het rooster verwijderen.
- Na montage moeten alle gedemonteerde onderdelen weer worden gemonteerd.
6.2 Installeren binnenunit
Wandmontage
Het apparaat wordt op het wandframe gemon- teerd, waarbij rekening moet worden gehouden met de luchtuitstroom aan de bovenkant.
- Teken op basis van de afmetingen van het wandframe de bevestigingspunten af op een statisch geschikte bouwconstructie.
- Verwijder evt. de uitbreekopening in de behuizing.
- Hang het apparaat op de eerder gemon- teerde houder.
- Sluit, zoals verder beschreven, de koudemiddelleidingen, elektrische leidingen en condensleiding aan op de binnenunit.
- Hang de binnenunit iets naar achter gekanteld in het wandframe en druk daarna de onderkant van het apparaat tegen het wandframe.
- Controleer nogmaals of het apparaat waterpas hangt.
Het wandframe voor de apparaten moet met geschikte schroeven en pluggen worden bevestigd.
Plafondmontage
Het apparaat wordt via de geïntegreerde plafondhouder bevestigd, waarbij rekening moet worden gehouden met de luchtuitstroom aan de voorkant.
- Teken op basis van de afmetingen van het wandframe de bevestigingspunten af op een statisch geschikte bouwconstructie.
- Verwijder evt. de uitbreekopening in de behuizing.
- Hang het apparaat aan de eerder gemon- teerde bouten/draadeinden.
- Monteer het apparaat zodanig, dat het apparaat aan de aansluitkant (luchtinlaat) 5 mm lager dan aan de luchtuitstroomzijde wordt bevestigd!
- Sluit, zoals verder beschreven, de koudemiddelleidingen, elektrische leidingen en condensleiding aan op de binnenunit.
REMKO RXT...DC
6.3 De koudemiddelleidingen aansluiten
De gebouwaansluiting van de koudemiddelleidingen gebeurt aan de achterkant van de apparaten.
Eventueel moet op de binnenunit een verloopnippel naar een grotere of kleinere diameter worden geïnstalleerd. Deze verloopnippels worden standaard meegeleverd met de binnenunit. Na de montage moeten de verbindingen dampdiffusiedicht worden geïsoleerd.

AANWIJZING!
Het installeren mag alleen door geautoriseerd vakpersoneel worden uitgevoerd.

AANWIJZING!
Het apparaat is vanuit de fabriek gevuld met gedroogde stikstof voor lekdichtheidscontrole. De onder druk staande stikstof ontsnapt bij het losdraaien van de wartelmoeren.

AANWIJZING!
Er mag alleen gereedschap worden gebruikt, dat geschikt is voor gebruik in de koeltechniek (bijv.: buigtang, pijpsnijder, ontbramer en felsgereedschap) koelmiddelbuizen mogen niet worden afgezaagd.

AANWIJZING!
Bij alle werkzaamheden dient te worden uitgesloten dat vuil, spaanders, water enz. in de koelmiddelleidingen terechtkomt!
De volgende aanwijzingen hebben betrekking op het installeren van de koudekringloop en de montage van de binnen- en buitenunit.
- De vereiste leidingdiameters kunt u vinden in de tabel "Technische gegevens".
-
Installeer de binnenunit en sluit de koudemiddelleiding aan volgens de gebruikshandleiding van de binnenunit.
-
Installeer de buitenunit met het wandframe resp. met de vloerconsole aan statisch geschikte delen van het gebouw (montage-aanwijzingen van de consoles opvolgen).
-
Zorg dat geen geluid wordt overgedragen naar delen van het gebouw. Contactgeluiden kunnen door trillingsdempers worden verminderd!
-
Leg de koudemiddelleidingen van de binnen- naar de buitenunit. Zorg voor een voldoende bevestiging en neem evt. maatregelen tegen voor de olieretour!
-
Verwijder de vanuit de fabriek gemonteerde beschermdoppen evenals de wartelmoeren van de aansluitingen en gebruik deze tijdens de montage.
-
Zorg voor het maken van de felsranden aan de leidinguiteinden dat de wartelmoeren aanwezig zijn op de leidingen.
-
Bewerk de verlegde koudemiddelleidingen zoals hierna afgebeeld (Afb. 45 en Afb. 46).
-
Controleer of de felsrand een correcte vorm heeft (Afb. 47).
-
Maak nu de verbinding van de koudemiddel-leidingen met de aansluiting met de hand, om te waarborgen dat ze goed zitten.
-
Bevestig de schroefgfkoppelingen nu definitief net 2 steeksleutels met een geschikte sleutelwijdte. De schroefkoppeling tijdens het vastdraaien met een steeksleutel tegenhouden (Afb. 48).
-
Gebruik alleen voor het temperatuurbereik geschikte en diffusiedichte isolatieslangen.
-
Let bij de montage op de buigradius van de koudemiddelleidingen en buig een leiding nooit tweemaal op dezelfde plaats. Hierdoor kan de leiding bros worden en scheuren.
-
Voorzie ten slotte de geïnstalleerde koude-middelleidingen, inclusief koppelingen, van een geschikte warmte-isolatie.
-
Ga bij het aansluiten van alle overige koude-middelleidingen bij de afsluitkleppen te werk zoals hierboven beschreven.

Markeer de koudemiddelleidingen (inspuit- en zuigleiding) evenals de bijbehorende elektrische besturingsleiding van elke binnenunit met een letter. Sluit de leidingen alleen aan op de aansluitingen die bij elkaar horen.

AANWIJZING!
Let beslist op de juiste combinaties en aansluit- posities van elektrische- en koudemiddellei- dingen! De aansluitingen van de individuele kringlopen mogen niet onderling verwisseld worden. Een verwisseling van de besturings- en koudemiddelleidingen kan fatale gevolgen hebben (schade aan de compressor)!
De inbedrijfstelling van de individuele circuits moet na elkaar gebeuren.

Afb. 45: Ontbramen van de koudemiddelleiding
1: Koudemiddelleiding
2: Ontbramer

Afb. 46: Omfelsen van de koudemiddelleiding
1: Felsgereedschap

Afb. 47: Correcte felsvorm

Afb. 48: Schroefkoppelingen aanhalen
1: Vastdraaien met de eerste steeksleutel
2: Tegenhouden met de tweede steeksleutel
6.4 Extra instructies voor het aan-sluiten van de koudemiddelleidingen
Bij het combineren van de buitenunit met meerdere binnenunits kan de procedure voor het aansluiten van de koudemiddelleidingen afwijken. Monteer de met de binnenunit mee-geleverde verloopnippels resp. verdeelstukken op de binnenunit.
Is de enkele lengte van de verbindingsleiding groter dan 5 m, moet bij het in bedrijf nemen van de installatie koudemiddel worden bijgevuld (zie hoofdstuk "Koudemiddel bijvullen").
6.5 Controle op lekkages
Zodra alle aansluitingen gemaakt zijn, wordt het manometerstation als volgt aangesloten op de schraderkleppen, indien aanwezig:
$$ \text { rood } = \text { kleine klep } = \text { hogedruk } $$
$$ \text { blauw } = \text { grote klep } = \text { zuigdruk } $$
Na het maken van alle aansluitingen wordt de lektest met droge stikstof uitgevoerd.
Voor het controleren op lekkages lekzoekspray spuiten op alle aansluitingen. Zijn bellen te zien, is de aansluiting niet correct uitgevoerd. Draai dan de schroefkoppelingen strakker aan of maak eventueel een nieuwe felsrand aan de leiding.
Na succesvolle lektest, de overdruk uit de koude-middelleidingen onlasten en een vacuümpomp met een absolute onderdruk van min. 10 mbar aansluiten, om te zorgen voor een vacuum in de leidingen. Bovendien wordt zo het aanwezige vocht uit de leidingen verwijderd.
! AANWIJZING!
Er moet een vacuum van min. 20 mbar abs. worden bereikt!
De tijdsduur voor het verkrijgen van het vacuum is afhankelijk van het leidingvolume van de binnen-unit en de lengte van de koudemiddelleidingen, de procedure duurt echter minimaal 60 minuten. Zodra de vreemde gassen en het vocht volledig uit het systeem verwijderd zijn, de kleppen van het manometerstation sluiten en de kleppen van de buitenunit openen, zoals beschreven is in het hoofdstuk "Inbedrijfstelling".
6.6 Koudemiddel bijvullen
De apparaten beschikken over een basisvulling met koudemiddel. Daarnaast moet bij koudemiddelleidingen van meer dan 5 meter enkele lengte per koudekringloop een extra vulhoeveelheid volgens de hiernaast opgenomen tabel worden bijgevuld:
| Tot en met 5 m | Vanaf 5 m tot max. lengte | |
| RXT 522 DC | 0 g/m | 11 g/m |
| RXT 682 DC | 30 g/mRXT | |
| RXT 1402 DC | ||

VOORZICHTIG!
Draag bij de omgang met koudemiddelen altijd de betreffende beschermende kleding.

GEVAAR!
Let er op dat het gebruikte koudemiddel altijd in vloeibare vorm wordt bijgevuld!

AANWIJZING!
De vulhoeveelheid van het koudemiddel moet gecontroleerd worden op basis van de oververhitting.

AANWIJZING!
Lekkage van koudemiddel draagt bij aan de klimaatverandering. Koudemiddelen met een geringer broeikaseffect dragen bij een lekkage minder bij aan de opwarming van de aarde dan degene met een hoger broeikaseffect. Dit apparaat bevat koudemiddel met een broeikaseffect van 1975. Hierdoor heeft een lekkage van 1 kg van dit koudemiddel een 1975 keer grotere invloed op de opwarming van de aarde dan 1 kg CO ^2 , over een periode van 100 jaar. Geen werkzaamheden aan het koudecircuit uitvoeren of het apparaat demonteren in onderdelen - altijd de hulp inroepen van vakpersoneel.
7 Condensaataansluiting en gewaarborgde afvoer

Afb. 49: Condensafvoer, infiltratie van condens en strokenfundering (doorsnede)
1: Buitenunit
2: Richel
3: Condensopvangbak
4: Vloerconsole
5: Gewapende strokenfundering HxBxD = 300 x 200 x 800 mm
6: Grindlaag voor infiltratie
7: Condensafvoer-verwarming
8: Aansluiting op het riool
9: Beschermbuis voor koudemiddelleidingen en elektrische verbindingsleiding (temperatuurbestendig tot minimaal 60°C)
10: Vorstgrens
11: Drainagebuis
12: Aarde
REMKO RXT...DC

Afb. 50: Afmetingen van strokenfundering (bovenaanzicht)
De aanduidingen 1, 3, 5, 8, 9 en 11 staan in de legenda van de Afb. 49
Afmet. van strokenfundering (in mm) / * = maat
| * | RXT 522DC AT | RXT 682DC AT | RXT 1052DC AT | RXT 1402DC AT |
| A | 800 800 800 | 800 | ||
| B | 200 200 200 | 200 | ||
| C | 560 590 634 | 634 | ||
| D | 335 333 355 | 355 | ||
| E | 360 390 434 | 434 |
Condensaataansluiting
Door de dauwpuntonderschrijding bij de lamellencondensor, ontstaat er tijdens verwarmingsbedrijf condens. Onder het apparaat moet een condensopvangbak worden gemonteerd die het condenswater kan afvoeren.
De in het gebouw gemonteerde condensleiding moet gelegd worden met een verval van minimaal 2 %. Monteer eventueel dampdiffusiedichte isolatie.
Bij gebruik van het apparaat bij een buitentemp. van minder dan 4 °C, moet worden gezorgd voor een vorstvrije plaatsing van de condensafvoer. Daarnaast moeten de onderzijde van de bekleding van de behuizing en de condensopvangbak vorstvrij worden gehouden, om een doorlopende afvoer van condens te waarborgen. Monteer eventueel een lintverwarm. langs de leiding.
Na het leggen controleren op een vrije afvoer van het condens en zorgen voor een permanente lekdichtheid.

Afb. 51: Condensaansluiting binnenunit op de wand

Afb. 52: Condensaansluiting binnenunit op het pla-fond
Gewaarborgde afvoer bij lekkages
Met de REMKO olieafscheider OA 2.2 wordt voldaan aan de hieronder opgegeven eisen van de lokale voorschriften en wetgeving.
! AANWIJZING!
Regionale voorschriften of wetten betreffende het milieu, bijv. wetgeving betreffende de waterhuishouding (WHG), kunnen bepalingen bevatten dat ongecontroleerde afvoer bij lekken voorkomen dient te worden, zodat uittredende koelmachineolie of potentieel gevaarlijke koelmiddelen veilig afgevoerd kunnen worden.
8 Elektrische aansluiting
8.1 Algemene instructies
Voor de apparaten moeten een netaansluiting voor de stroomtoevoer worden aangesloten op de buitenunit en een stuurleiding worden geïnstalleerd naar de binnenunit, deze moeten voldoende afgezekerd zijn.

GEVAAR!
Het elektrische installeren moet gebeuren door een gespecialiseerd bedrijf. De montage van de elektrische aansluiting moet spanningsloos gebeuren.

WAARSCHUWING!
Alle elektrische leidingen moet gekozen worden volgens VDE voorschriften.

AANWIJZING!
De elektrische aansluiting van de apparaten moet worden uitgevoerd volgens de plaatselijke voorschriften op een bijzonder voedingspunt met aardlekschakelaar en moet daarom door een elektricien worden.

We raden aan de besturingsleidingen als afgeschermde leiding uit te voeren.

Controleer of alle elektrische stekker- en klem- verbindingen goed vastzitten en goed contact maken, eventueel aandraaien.
8.2 Aansluiten van de binnenunit
Bij het apparaat is een zes-aderige besturingsleiding nodig van de binnenunit naar de buitenunit.
We adviseren ter plaatse een hoofd-/reparatieschakelaar te installeren in de buurt van de binnenunit.
De stroomtoevoer gebeurt bij de buitenunit, de binnenunit wordt via de besturingsleiding naar de binnenunit door de binnenunit gevoed.
De klemmenstroken van de aansluitingen bevinden zich binnenin het apparaat.
Wordt bij het apparaat een als accessoire verkrijgbare condenspomp gebruikt, is bij het gebruik van het uitschakelcontact van de pomp evt. een extra relais voor het verhogen van het schakelvermogen en het uitschakelen van de compressor noodzakelijk.
Voer de aansluiting op volgende wijze uit:
- De aansluitklemmenstrook bevindt zich aan de rechter binnenin het apparaat (Afb. 53)
-
Verbind het apparaat met de besturingsleiding van de buitenunit. Zie hoofdstuk "Elektrisch aansluitschema".
-
Het apparaat weer samenbouwen.

Afb. 53: Aansluiten van de binnenunit
1: Elektrische aansluiting (klemmenkastje)
2: Aansluiting koudemiddel-leidingen
REMKO RXT...DC
8.3 Aansluiten van de buitenunit
Voor het aansluiten van de leiding als volgt te werk gaan:
- Verwijder het deksel in de zijwand.
- Kies de doorsnede van de aansluitingleiding volgens de voorschriften.
-
De leidingen volgens het aansluitingschema aansluiten op de klemmen.
-
Veranker de leiding in de trekontlasting en het apparaat weer samenbouwen.

Afb. 54: Aansluiten van de buitenunit
8.4 Elektrisch aansluitschema
Aansluiting RXT 522 DC-682 DC

Afb. 55: Elektrisch aansluitschema
A: Buitenunit RXT 522 DC-682 DC AT
B: Binnenunits RXT 522 DC-682 DC IT
1: Netaansluiting
2: Communicatieleidingen
3: Niet gebruikt
Aansluiting RXT 1052 DC-1402 DC

Afb. 56: Elektrisch aansluitschema
A: Buitenunit RXT 1052 DC-1402 DC AT
B: Binnenunits RXT 1052 DC-1402 DC IT
1: Netaansluiting
2: Communicatieleidingen
3: Niet gebruikt

Afb. 57: Elektrisch schema hoofd- en inverterprintplaat RXT 522 DC-682 DC IT
A: Hoofdprintplaat
B: Inverterprintplaat
1: Aansluiting kabelafstandsbediening (optioneel)
2: Aansluitmogelijkheid MCC-1 controller
3: Naar buitenunit
4: Externe vrijgave (optioneel)
5: Alarmcontact (optioneel)
6: Klemcontact (rood) / netkabel (L/L1)
7: Sensor verdamperuitlaat
8: Sensor verdamper / sensor luchtinlaat
9: Aansluiting kabelafstandsbediening
10: Klemcontact (zwart) / netkabel (N/L2)
11: Ventilator
12: Condenspomp
13: Zwenkmotoren
14: Reactor
15: Verbinding met inverterprintplaat (contact CN 13)
16: Verbinding met hoofdprintplaat (contact CN 15)
17: Verdamperventilator
Binnenunits RXT 1052 DC-1402 DC IT

Afb. 58: Elektrisch schema hoofd- en inverterprintplaat RXT 1052 DC-1402 DC IT
A: Hoofdprintplaat
B: Inverterprintplaat
1: Aansluiting kabelafstandsbediening (optioneel)
2: Aansluitmogelijkheid MCC-1 controller
3: Naar buitenunit
4: Externe vrijgave (optioneel)
5: Alarmcontact (optioneel)
6: Klemcontact (rood) / netkabel (L/L1)
7: Sensor verdamperuitlaat
8: Sensor verdamper / sensor luchtinlaat
9: Aansluiting kabelafstandsbediening
10: Klemcontact (zwart) / netkabel (N/L2)
11: Condenspomp
12: Zwenkmotoren
13: Reactor
14: Verdamperventilator 1
15: Verbinding met inverterprintplaat (contact CN 13)
16: Verbinding met hoofdprintplaat (contact CN 16)
17: Verdamperventilator
Buitenunits RXT 522 DC AT




Afb. 59: Elektrische schema's hoofd- en inverterprintplaat RXT 522 DC AT
A: Hoofdprintplaat
B: Inverterprintplaat
1: Verbinding met inverterprintplaat (contact CN 4)
2: Verbinding met inverterprintplaat (contact CN 5)
3: Sensor buitentemperatuur, sensor condensor
4: Communicatieleiding naar binnenunit
5: Sensor heetgas
6: Verbinding met inverterprintplaat (contact CN 1)
7: Elektronische expansieklep
8: Verbinding met inverterprintplaat (contact CN 6)
9: Condensor ventilatormotor
10: Verbinding met inverterprintplaat (contacten CN11, CN 12)
11: Toevoerleiding binnenunit (rood), contact L, (L1)
12: Toevoerleiding binnenunit (zwart), contact N, (L2)
13: Verbinding met hoofdprintplaat (cont. CN 21)
14: Verbinding met hoofdprintplaat (cont. CN 38)
15: Verbinding met hoofdprintplaat (cont. CN 39)
16: Verbinding met hoofdprintplaat (contact NO-OUT)
17: Verbinding met hoofdprintplaat (contact RY2 COM)
18: Compressor
Buitenunits RXT 682 DC AT

A

B
Afb. 60: Elektrische schema's hoofd- en inverterprintplaat RXT 682 DC AT
A: Hoofdprintplaat
B: Inverterprintplaat
1: Verbinding met inverterprintplaat (contact CN 4)
2: Verbinding met inverterprintplaat (contact CN 5)
3: Sensor buitentemperatuur, sensor condensor
4: Communicatieleiding naar binnenunit
5: Sensor heetgas
6: Verbinding met inverterprintplaat (contact CN 1)
7: Elektronische expansieklep
8: Verbinding met inverterprintplaat (contact CN 6)
9: Condensor ventilatormotor
10: Verbinding met inverterprintplaat (contacten CN11, CN 12)
11: Toevoerleiding binnenunit (rood), contact L, (L1)
12: Toevoerleiding binnenunit (zwart), contact N, (L2)
13: Verbinding met hoofdprintplaat (cont. CN 21)
14: Verbinding met hoofdprintplaat (cont. CN 38)
15: Verbinding met hoofdprintplaat (cont. CN 39)
16: Verbinding met hoofdprintplaat (contact NO-OUT)
17: Verbinding met hoofdprintplaat (contact RY2 COM)
18: Compressor
Buitenunit RXT 1052 DC AT

Afb. 61: Elektrisch schema hoofdprintplaat RXT 1052 DC AT
1: Verbinding met vermogensprintplaat (contact CN 7)
2: Carterverwarming
3: 4-wegklep
4: Condensorventilator FM2
5: Condensorventilator FM1
6: Communicatieleiding naar binnenunit
7: Lagedrukschakelaar / hogedrukschakelaar
8: Sensor heetgas
9: Sensor buitentemperatuur, sensor condensor
10: Temperatuursensor van koelplaat voor de printplaten
11: Verbinding met vermogensprintplaat (contact CN 9)
12: Verbinding met klemcontact (contact 4)
13: Verbinding met klemcontact (contact 5)
14: Compressor (U, V, W)
Buitenunit RXT 1402 DC AT

Afb. 62: Elektrisch schema hoofdprintplaat RXT 1402 DC AT
1: Condensorventilator (FAN 1)
2: Verbinding met vermogensprintplaat (contact CN 7)
3: Condensorventilator (FAN 2)
4: Carterverwarming
5: 4-wegklep
6: Communicatieleiding naar binnenunit
7: Lagedrukschakelaar / hogedrukschakelaar
8: Sensor heetgas
9: Sensor buitentemperatuur, sensor condensor
10: Temperatuursensor van koelplaat voor de printplaten
11: Verbinding met vermogensprintplaat (contact CN 9)
12: Verbinding met klemcontact (contact 4)
13: Verbinding met klemcontact (contact 5)
14: Compressor (U, V, W)
Buitenunits RXT 1052 DC-1402 DC AT

Afb. 63: Elektrisch schema vermogensprintplaat RXT 1052 DC-1402 DC AT
1: Klemcontact X 3
2: Klemcontact X 2
3: Klemcontact X 1
4: Verbinding met hoofdprintplaat (contact CN1 en CN2)
5: Verbinding met hoofdprintplaat (contact CN 12)
6: Verbinding met de klemmenstrook XT1 (contact L1)
7: Verbinding met de klemmenstrook XT1 (contact L2)
8: Verbinding met de klemmenstrook XT1 (contact L3)
9: Verbinding met de klemmenstrook XT1 (contact N)
9 Vóór de inbedrijfstelling
Na succesvolle lekdichtheidscontrole moet de vacuümpomp via het manometerstation worden aangesloten op de klepaansluitingen van de buitenunit (zie hoofdstuk "Lekdichtheidscontrole") en moet daarna worden gezorgd voor een vacuum.
Vóór de eerste inbedrijfstelling van het apparaat en na ingrepen in de koudekringloop moeten de volgende controles worden uitgevoerd en in het inbedrijfstellingsprotocol worden gedocumenteerd:
Controle van alle koudemiddelleidingen en - kleppen met lekzoekspray of zeepwater op lekdichtheid.
Controle van de koudemiddelleidingen en de isolatie op beschadigingen.
- Controleer de elektrische verbinding tussen binnen- en buitenunit op de juiste polariteit.
- Controleer alle bevestigingen, ophangingen etc. op correcte houding en correct niveau.
10 Inbedrijfstelling

AANWIJZING!
De inbedrijfstelling mag alleen door speciaal geschoold vakpersoneel en volgens de certificeringseisen worden uitgevoerd en moet worden gedocumenteerd. Voor de inbedrijfstelling van de totale installatie moeten de gebruikshandleidingen van de binnenunit en de buitenunit worden opgevolgd.
Nadat alle onderdelen zijn aangesloten en getest, kan de installatie in bedrijf worden genomen. Voor een correcte werking moet voor de overdracht aan de exploitant een functiecontrole worden uitgevoerd, om eventuele onregelmatigheden tijdens bedrijf te kunnen constateren.

AANWIJZING!
Controleer na elke ingreep in de koudekring- loop de afsluitkleppen en de afsluitdoppen op lekkages. Gebruik eventueel geschikt afdicht- materiaal.
Functiecontrole en proefdraaien
Controleer de volgende punten:
Lekdichtheid van de koudemiddelleidingen.
Gelijkmatige loop van compressor en ventilator.
Afgifte van koude lucht aan binnenunit en verwarmde lucht aan buitenunit in koelbedrijf.
- Functiecontrole van de binnenunit en het correcte verloop van alle programma's.
Controle van de oppervlaktetemperatuur van de zuigleiding en bepaling van de verdamperoververhitting. Houd voor een temperatuurmeting de thermometer op de zuigleiding en trek van de gemeten temperatuur, de op manometer afgelezen kookpunttemperatuur af.
De gemeten temperaturen in het inbedrijfstellingsprotocol noteren.
REMKO RXT...DC
Functietest van bedrijfsmodi koelen en verwarmen
- Neem de afsluitdopen van de kleppen.
-
Begin de inbedrijfstelling, door de afsluiters van de buitenunit kort te openen, tot de manometer een druk van ca. 2 bar aangeeft.
-
Controleer de lekdichtheid van alle gemaakte aansluitingen met lekzoekspray en geschikte lekzoekapparatuur.
-
Heeft u geen lekkages gevonden, draai dan de afsluiters met een zeskantsleutel linksom tot de aanslag open. Heeft u lekkages gevonden, moet de defecte aansluiting opnieuw tot stand worden gebracht. Het opnieuw tot stand brengen van een vacuum en een droging is daarbij verplicht.
-
Schakel de aanwezige hoofdschakelaar resp. de zekering in.
-
Druk op de testknop in de buitenunit en wacht tot een frequentie van 50 Hz is ingesteld.
-
Het apparaat via de afstandsbediening inschakelen en kies de koelmodus kiezen, het maximale ventilatortoerental en laagste insteltemperatuur.
-
Meet de oververhitting, buiten-, binnen-, uit- laat- en verdampingstemperaturen en noteer de meetgegevens in het inbedrijfstellingsprot- ocol en controleer alle regel-, besturings- en veiligheidsinrichtingen op correcte werking en correcte instellingen.
-
Controleer de apparaatbesturing met de in hoofdstuk "Bediening" beschreven functies. Timer, temperatuurinstelling, ventilatorsnelheden en het omschakelen naar de circu-latie- resp. ontvochtigingsmodus.
-
Controleer de werking van de condensleiding, door gedestilleerd water in de condensopvangbak te gieten. We raden u aan hiervoor een fles met een tuit te gebruiken die het water in de condensopvangbak kan leiden.
-
Schakel de binnenunit in de verwarmingmodus.
- Controleer tijdens het proefdraaien alle eerder beschreven veiligheidsinrichtingen op correcte werking.
- Noteer de meetgegevens in het inbedrijfstellingsprotocol en geef instructie aan de exploitant m.b.t. de installatie.
- Verwijder de manometer. Zorg ervoor dat de afdichtingen in de afsluitdoppen aanwezig zijn.
- Monteer alle gedemonteerde onderdelen.
Display
Op het display op de printplaat in de buitenunit kunnen de bedrijfsparameters van de installatie in de bovenstaande volgorde worden opgevraagd. Druk daarvoor op de check-knop op de stuurprint in de buitenunit naast het display.

Afb. 64: Check-knop SW1
Opvragen van de bedrijfsparameters via check-knop
| Nr. | Display Opmerking | |
| 00 | Normale weergave | Het display toont de actuele frequentie, bedrijfsmodus of foutcode |
| 01 | Capaciteit binnenunit | Geeft de capaciteit van de aangesloten binnen-unit gecodeerd |
| 06 | Temperatuur verdamperuitlaat binnenunit | Temperatuur van sensor T2 (verwarmen) of T2B (koelen) |
| 07 | Temperatuur condensor Geeft de sensortemperatuur bij de condensor | |
| 08 | Temperatuur omgeving Geeft buitentemperatuur | |
| 09 | Temperatuur heetgasleiding Geeft de temperatuur bij de compressoruitlaat | |
| 10 | Actuele stroomopname Geeft de stroomopname gecodeerd | |
| 11 | Actuele voedingsspanning Geeft de aangesloten spanning gecodeerd | |
| 12 | Bedrijfsmodus binnenunit Off: 0. Circulatie: 1. Koelen: 2. Verwarmen: 3 | |
| 13 | Bedrijfsmodus buitenunit | Off: 0. Circulatie: 1. Koelen: 2. Verwarmen: 3. Geforceerde koelmodus: 4 |
| 14 | Openingsgraad expansieklep | Geeft de actuele openingsgraad in stappen (waarde*4) |
11 Uit bedrijf nemen
Tijdelijk uit bedrijf nemen
- Laat de binnenunit 2 tot 3 uur in circulatiebedrijf of in koelbedrijf met maximale temperatuurinstelling draaien, zodat de restvochtigheid uit het apparaat wordt verwijderd.
- Neem de installatie met de afstandsbedie- ning uit bedrijf.
- Schakel de stroomvoorziening van het apparaat uit.
- Controleer het apparaat op zichtbare beschadigingen en reinig het zoals in het hoofdstuk "Verzorging en onderhoud" is beschreven.
Afdanken van de apparatuur
Het afvoeren van de apparaten en componenten moet volgens de lokaal geldende voorschriften, bijv. door geautoriseerde gespecialiseerde bedrijven op het gebied van afvalverwerking en recycling of inzamelpunten, worden uitgevoerd.
De firma REMKO GmbH & Co. KG of haar vertegenwoordigers verwijzen u graag naar een gespecialiseerd bedrijf bij u in de buurt.
12 Verhelpen van storingen, klantenservice, foutanalyse
12.1 Verhelpen van storingen en klantenservice
De apparaten en componenten worden volgens de modernste methods gefabriceerd, en meervoudig op feilloze werking gecontroleerd. Ontstaan desondanks toch storingen, controleer dan de werking volgens de onderstaande lijst. Bij installaties met binnen- en buitenunit moet eveneens het hoofdstuk "Verhelpen van storingen en service" uit beide bedieningshandleidingen worden opgevolgd. Als alle controles zijn uitgevoerd en het apparaat nog steeds niet probleemloos werkt, licht dan uw gespecialiseerd bedrijf in!
Functiestoring
| Storing Mogelijke oorzaken Controle Oplossing | |||
| Het apparaat start niet of schakelt zelfstandig uit | Stroomuitval, onderspanning, netzekering defect / hoofdschakelaar uitgeschakeld | Werken alle andere elektrische bedrijfsmiddelen? | Spanning controleren ev. wachten op herinschakelen |
| Netkabel beschadigd Werken alle andere elektrische bedrijfsmiddelen? | Reparatie door een vakbedrijf | ||
| Wachttijd na het inschakelen te kort | Zijn er na het herstarten ca. 5 verstreken? | Langere wachttijden inplannen | |
| Werktemperatuur over-/ onderschreden | Werken de ventilatoren van de binnen- en buitenunit? | Rekening houden met temperatuurbereiken van binnen- en buitenunit | |
| Overspanningen door onweer | Zijn er de laatste tijd plaatselijke blikseminslagen geweest? | Uitschakelen van de netzekering en opnieuw inschakelen. Controle door gespecialiseerd bedrijf | |
| Storing van de externe condenspomp | Is de pomp zelf door een storing uitgeschakeld? | Pomp controleren evt. reinigen | |
| Hogedruk-/lagedrukbe-waking geactiveerd | Koudemiddeldruk contro- leren, evt. lekkage zoeken | Lekkage verhelpen en weer in bedrijf nemen | |
| Het apparaat reageert niet op de afstandsbedie- ning | Zendafstand te groot/ ontvangst gestoord | Hoort u een pieptoon bij de binnenunit na het indrukken van een toets? | Afstand terugbrengen naar minder dan 6 m en uw positie veranderen |
| Afstandsbediening defect | Werkt het apparaat in handbediend bedrijf? | Afstandsbediening ver- vangen | |
| Ontvangst- resp. zen- dunit krijgt teveel zon | Werkt het apparaat na het maken van schaduw? | Zorgen voor schaduw bij zend- resp. ontvangstunit | |
| Elektromagnetische velden storen de over- dracht | Werkt het apparaat weer normaal na uitschakelen van eventuele stoor- bronnen? | Geen signaaloverdracht bij gelijktijdige gebruik van storingsbronnen | |
| Toets van afstandsbedie- ning klemt / dubbele toetsbediening | Verschijnt het "Zend"- symbool op het display? | Toets losmaken / één toets tegelijk indrukken | |
| Batterijen van de afstandsbediening leeg | Zijn nieuwe batterijen geplaatst? Is de weer- gave onvolledig? | Nieuwe batterijen plaatsen | |
| Storing Mogelijke oorzaken Controle Oplossing | |||
| Het apparaat werkt met verminderd of zonder koel- / verwarmingscapaciteit | Filter verontreinigd / luchtinlaat-/uitlaatopening geblokkeerd door een vreemd voorwerp | Zijn de filters gereinigd? Filters reinigen | |
| Ramen en deuren geopend. Warmte-/resp. koelbelasting is toegenomen | Is er een bouwkundige / gebruiksmatige wijziging? | Ramen en deuren sluiten / extra installaties monteren | |
| Geen koel- / verwarmingsbedrijf ingesteld | Verschijnt het koelsymbol op het display? | Instelling van het apparaat corrigeren | |
| Lamellen van de buiten-unit door vreemde voorwerpen geblokkeerd | Werkt de ventilator van de buitenunit en zijn de lamellen van de warmtewisselaar vrij? | Ventilator of winterregeling controleren, lucht-weerstand verminderen | |
| Lekkage in koudekring-loop | Is er rijpvorming te zien op de lamellen van de binnenunit? | Laten repareren door gespecialiseerd bedrijf | |
| Buitenunit bevroren Buitenunit controleren. Is de voeler van de cassette op de buitenunit goed geplaatst? | Ontdooien en de voeler op een plek monteren waar de meeste ijsafzetting is | ||
| Condenswaterlekkage bij het apparaat | Afvoerleiding van de opvangbak verstopt / beschadigd | Is een ongehinderde condensafvoer gewaarborgd? | Reinigen van de afvoer-leiding en opvangbak |
| Externe condenspomp resp. vlotter defect | Is de opvangbak vol en de werkt de pomp niet? | Pomp door gespecialiseerd bedrijf laten vervangen | |
| Er bevindt zich niet afgevoerd condens in de condensafvoerleiding | Is de condensleiding met voldoende verval gelegd en niet verstopt? | De condensleiding met verval leggen resp. reinigen | |
| Condens kan niet afgevoerd worden | Zijn de condensleidingen vrij en met verval gelegd? Werken de condenspomp en de vlotterschakelaar? | De condensleiding met verval leggen resp. reinigen. Is de vlotterschakelaar resp. de condenspomp defect, deze laten vervangen | |
| Vlotter blijft hangen of klemt door teveel vervuiling | Knipperen de LED's van het ontvangstdeel op de binnenunit? | Door gespecialiseerd bedrijf laten reinigen | |
Storingsindicatie op de binnenunit
| Display Oorzaak Wat te doen? | ||
| E1 Communicatiefout tussen buiten- en binnenunit Elektr. verbindingsleidingen controleren | ||
| E2 Temperatuursensor T1 defect | Weerstand en temperatuur bij sensor contro- leren | |
| E3 Temperatuursensor T2 defect | ||
| E4 Temperatuursensor T2B defect | ||
| EE | Vlotterschakelaar condensopvangbak aange- sproken | Condensafvoer controleren |
| E7 EEPROM storing Controleren of EEPROM goed vastzit | ||
| Ed Storing buitenunit Buitenunit controleren | ||
| E8 Storing toerentalregelaar binnenunit Netspanning uitschakelen | ||
| F0 | Communicatiefout tussen hoofdprintplaat en inverterprintplaat | Bedrading controleren |
| F1 Paneelstoring Bedrading controleren, stroomloos schakelen | ||
| F2 Geen aanvraag via paneel Bedrading controleren, stroomloos schakelen | ||
| F3 | Communicatie tussen "Master" en "Slave"-apparaat | Bedrading controleren |
| F4 | Andere storing aan "Master" en "Slave"-appa- raat | Bedrading controleren, stroomloos schakelen |
Weerstand sensoren
Sensor verdamper binnenunit, sensor circulatie binnenunit
| Temperatuur [°C] | Weerstand [kΩ] |
| 0 35,20 | |
| 5 26,88 | |
| 10 20,72 | |
| 15 16,12 | |
| 20 12,64 | |
| 25 10,00 | |
| 30 7,97 | |
| 35 6,40 |
12.2 Storingsanalyse binnenunit
- Display geeft E2 of E3: Storing in verdampervoeler of ruimtetemperatuurvoeler
| Is de weerstand van de verdampervoeler OK? (Hoofdstuk 12.4 „Weerstanden van de temperatuursensoren“ op pagina 64) | ![]() | Temperatuursensor vervangen |
![]() | ||
| Is de weerstand van de ruimtevoeler OK? (Hoofdstuk 12.4 „Weerstanden van de temperatuursensoren“ op pagina 64) | ![]() | Temperatuursensor vervangen |
![]() | ||
| Printplaat binnenunit vervangen | ||
- Display geeft E1: Communicatiefout tussen binnen- en buitenunit
| Is spanning aanwezig bij binnenunit? | NEE→ | Zorg voor toevoer van spanning |
![]() | ||
| Is de verbindingsleiding een afgeschermde kabel en is deze geaard? | ![]() | Afgeschermde, geaarde kabel gebruiken |
![]() | ||
| De verbindingsleiding tussen binnenunit en buitenunit correct aangesloten? | ![]() | De leiding correct aansluiten |
![]() | ||
| De verbindingsleiding tussen binnenunit en buitenunit correct beschadigd? | ![]() | De leiding vervangen |
| ↓NEE | ||
| Hoofdprintplaat binnenunit of buitenunit vervangen | ||
REMKO RXT...DC
3. Display geeft EE: Vlotterschakelaar / condenspomp
| Op de binnenunit de koelmodus inschakelen en laat de installatie zo een paar minuten draaien. Is de storing nog steeds aanwezig? | ||
![]() | ||
| Werkt de vlotterschakelaar goed? | NEE→ | Vlotterschakelaar vervangen. Storing nog steeds aanwezig? |
![]() | ||
| Werkt de condenspomp goed? | NEE→ | Condenspomp vervangen. Storing nog steeds aanwezig? |
![]() | ||
| Controleer de condensafvoer, of deze geknikt is. Is de condensafvoer OK? | NEE→ | Condensafvoer vervangen of repareren |
![]() | ||
| Printplaat van de binnenunit vervangen | ||
12.3 Storingsanalyse buitenunit
| Storings-code op DISPLAY | Beschrijving van de fout Wat te doen? | |
| E0 EEPROM storing | „1. Storingscode E0: EEPROM storing“ op pagina 56 | |
| E2 | Communicatiefout tussen binnen- en buiten-unit | Tabel op pagina 56 |
| E3 Communicatiefout hoofd- en inverterprintplaat | „3. Storingscode E3: Communicatiefout op printplaat van buitenunit“ op pagina 57 | |
| E4 Temperatuursensor T3/T4 defect | „4. Storingscode E4: Storing van de buitentemperatuurvoeler T4 of van de condensor-ventilator T3“ op pagina 58 | |
| E5 Overspanningsbeveiliging compressor | „5. Storingscode E5: Overspanningsbeveiliging compressor “ op pagina 58 | |
| E6 Overspanningsbeveiliging "PFC"-module Netspanning uitschakelen | ||
| P0 Temperatuur compressor te hoog Vulhoeveelheid koudemiddel controleren | ||
| P1 Hogedrukstoring | „6. Storingscode P1: Hogedrukstoring“ op pagina 59 | |
| P2 Lagedrukstoring | „7. Storingscode P2: Lagedrukstoring“ op pagina 60 | |
| P3 Stroomopname compressor te hoog | „8. Storingscode P3: Overstroombeveiliging compressor aangesproken“ op pagina 61 | |
| P4 Heetgastemperatuur bij compressor te hoog | „9. Storingscode P4: Heetgastemperatuur te hoog“ op pagina 61 | |
| P5 Temperatuur van condensor te hoog | „10. Storingscode P5: Temperatuur van condensor te hoog“ op pagina 62 | |
| P6 | Vermogensprintplaat IPM veiligheidsuitscha-keling | „11. Storingscode P6: Vermogensprint IPM veiligheidsuitschakeling“ op pagina 63 |
| P7 Temperatuur bij verdamper te hoog | ||
Bij lage omgevingstemperaturen geeft het display "LC"
REMKO RXT...DC
1. Storingscode E0: EEPROM storing
| Is de EEPROM correct ingebouwd? | NEE→ | EEPROM correct inbouwen |
![]() | ||
| Hoofdprintplaat buitenunit vervangen | ||
2. Storingscode E2: Communicatiefout tussen binnen- en buitenunit
| Is spanning aanwezig bij binnenunit? | NEE→ | Zorg voor toevoer van spanning |
![]() | ||
| Zijn de DIP-schakelaars op de printplaat correct ingesteld? Zie deksel | NEE→ | DIP-schakelaar opnieuw instellen en 5 minuten stroomloos schakelen. |
![]() | ||
| De verbindingsleiding tussen binnen- en buiten-unit correct aangesloten? | NEE→ | De leiding correct aansluiten |
![]() | ||
| De verbindingsleiding tussen binnen- en buiten-unit correct beschadigd? | JA→ | De leiding vervangen |
E | ||
| Hoofdprintplaat binnenunit of buitenunit vervangen | ||
- Storingscode E3: Communicatiefout op printplaat van buitenunit
| Knippert LED1 op de hoofdprintplaat van de buitenunit? | ![]() | Hoofdprintplaat vervangen |
![]() | ||
| Is de elektrische verbinding tussen de vermogensprintplaat en CN4 van de hoofdprintplaat OK? | ![]() | Zorg voor een correcte verbinding |
![]() | ||
| Verwijder de elektrische verbinding tussen de vermogensprintplaat en CN4 van de hoofdprintplaat. Meet u op de vermogensprintplaat CN1 tussen de 3e pen en de 4e pen 5 V? | ![]() | Hoofdprintplaat vervangen |
![]() | ||
| Is de verbinding tussen IPM-module (positieve pool) en CN12 van de vermogensprintplaat OK? | ![]() | Zorg voor een correcte verbinding |
![]() | ||
| Is de verbinding tussen IPM-module (negatieve pool) en CN13 van de vermogensprintplaat OK? | ![]() | Zorg voor een correcte verbinding |
![]() | ||
| Meet u tussen CN12 en CN13 op de vermogensprintplaat 277 - 345 V? | ![]() | Vermogensprintplaat vervangen |
![]() | IPM-module vervangen | |
REMKO RXT...DC
- Storingscode E4: Storing van de buitentemperatuurvoeler T4 of van de condensorventilator T3
| Is de condensorsensor correct aangesloten? | ![]() | Condensorsensor correct aansluiten |
![]() | ||
| Meet de weerstand van de sensor. (Hoofdstuk 12.4 „Weerstanden van de temperatuursensoren“ op pagina 64) Weerstand OK? | ![]() | Sensor vervangen |
![]() | ||
| Is de buitentemperatuurvoeler correct aangesloten? | ![]() | Buitentemperatuurvoeler correct aansluiten |
![]() | ||
| Meet de weerstand van de voeler. (Hoofdstuk 12.4 „Weerstanden van de temperatuursensoren“ op pagina 64) Weerstand OK? | ![]() | Voeler vervangen |
![]() | ||
| Hoofdprintplaat vervangen | ||
- Storingscode E5: Overspanningsbeveiliging compressor
| Is de voedingsleiding correct aangesloten en staat er tussen L1 en N 172 - 265 V? | ![]() | Voedingsleiding vervangen |
![]() | ||
Vermogensprintpla rvangen. Werkt het apparaat goed Ha het vervangen? | ![]() | Hoofdprintplaat vervangen |
- Storingscode P1: Hogedrukstoring
| Is de verbindingsleiding van hogedrukschakelaar naar de hoofdprintplaat OK? | NEE→ | Verbindingen corrigeren | ||
![]() | ||||
| Hogedrukschakelaar eventueel defect | ||||
| Hogedrukschakelaar op de printplaat over-bruggen. Werkt het appa- raat nu wel goed? | JA→ | Hogedrukschakelaar ver- vangen | ||
| NEE | ||||
| Koudemiddelleidingen controleren | → | Is de buitentemperatuur te hoog? | JA→ | Apparaat uitschakelen |
| Is de werking van de ventilator van de buitenunit OK? | ![]() | Zorgen voor een goede werking van de venti- lator | ||
| Is het register van de buitenunit vervuild? | ![]() | Register van de buiten- unit schoonmaken | ||
| Zijn de koudemiddelleidingen verstopt of dichtgeknikt? | ![]() | Koudemiddel afzuigen, leiding vervangen / ver- stopping verwijderen, afpersen, zorgen voor vacuum en opnieuw vullen | ||
| Hoofdprintplaat buiten- unit vervangen | ← | |||
REMKO RXT...DC
- Storingscode P2: Lagedrukstoring
| Is de verbindingsleiding van lagedrukschakelaar naar de hoofdprintplaat OK? | NEE → | Verbindingen corrigeren | ||
![]() | ||||
| Lagedrukschakelaar eventueel defect | ||||
| Lagedrukschakelaar op de printplaat over-bruggen. Werkt het appa-raat nu wel goed? | JA → | Lagedrukschakelaar ver- vangen | ||
| Koudemiddelleidingen controleren | → | Is de buitentemperatuur te laag? | JA → | Apparaat uitschakelen |
| De koudemiddelleidingen kunnen evt. een lekkage ver- tonen. | ||||
| Controleer de koudemiddeldruk met een manometer. Is de kou- demiddeldruk lager dan 1,4 bar? | JA → | Koudemiddelleidingen met lekzoekspray of een elektronisch lekzoekap- paraat controleren | ||
| Koudemiddelleiding eventueel verstopt | ||||
| Koudemiddel afzuigen, leiding vervangen / ver- stopping verwijderen, afpersen, zorgen voor vacuum en opnieuw vullen | ← | Koudemiddelleiding eventueel verstopt | ||
| Hoofdprintplaat van bui- tenunit vervangen | ||||
- Storingscode P3: Overstroombeveiliging compressor aangesproken
| Is de ingangsstroom meer dan 20 A? | ||
| ↓NEE | ||
| Koudemiddelleidingen controleren | ||
| ↓JA | ||
| Is de buitentemperatuur te hoog? | JA→ | Apparaat uitschakelen |
| ↓NEE | ||
| Is de werking van de ventilator van de buiten-unit OK? | NEE→ | Zorgen voor een goede werking van de ventilator |
| ↓JA | ||
| Is het register van de buitenunit vervuild? | JA→ | Register van de buitenunit schoonmaken |
| ↓NEE | ||
| Zijn de koudemiddelleidingen verstopt of dichtgeknikt? | JA→ | Koudemiddel afzuigen, leiding vervangen / verstopping verwijderen, afpersen, zorgen voor vacuum en opnieuw vullen |
| ↓NEE | ||
| Hoofdprintplaat buitenunit vervangen | ||
- Storingscode P4: Heetgastemperatuur te hoog
| Is de heetgastemperatuur hoger dan 115°C? | JA→ | Is er sprake van een koudemiddellekkage? | JA→ | Lekkage verhelpen en koudemiddel bijvullen |
![]() | ||||
| Is de verbinding tussen sensor en printplaat OK? | NEE→ | Zorg voor een correcte verbinding | ||
![]() | ||||
| Is de weerstandswaarde van de sensor correct (Hoofdstuk 12.5 „Weerstanden van de heetgas-sen-soren“ op pagina 65)? | NEE→ | Heetgassensor vervangen | ||
![]() | ||||
| Hoofdprintplaat buiten-unit vervangen | ||||
REMKO RXT...DC
- Storingscode P5: Temperatuur van condensor te hoog
| Is de condensoruitlaat-temp. hoger dan 65°C? | JA | Is de buitentemperatuur te hoog? | ||
| Apparaat uitschakelen | JA← | |||
| ↓NEE | ↓NEE | |||
| Controleer de weerstand van de voeler. (Hoofdstuk 12.4 „Weerstanden van de temperatuursen-soren“ op pagina 64) Is de weerstand OK? | NEE→ | Voeler vervangen | ||
| ↓JA | ||||
| Hoofdprintplaat van bui- tenunit vervangen | Condensorregister reinigen | JA← | Is het condensorregister vervuild? | |
| ↓NEE | ||||
| Koudemiddel afzuigen, lei- ding vervangen / verstopping verwijderen, afpersen, zorgen voor vacuum en opnieuw vullen | JA← | Zijn de koudemiddellei- dingen verstopt of dicht- geknikt? | ||
| ↓NEE | ||||
| Hoofdprintplaat van bui- tenunit vervangen | ||||
- Storingscode P6: Vermogensprint IPM veiligheidsuitschakeling
| Is het spanningsbereik tussen P en N van de IPM-module OK? | NEE | Is het ingangsspanning tussen P en N van de IPM-module 230V / frequentie 50 Hz? | NEE→ | Zorg voor een correcte voedingsspanning |
| JA→ | Zijn de elektrische leidingen correct aangesloten? | |||
| ↓JA | Leidingen correct aansluiten, storing nog aanwezig? | NEE← | ||
| ↓JA | ||||
| → | Is de enkelfase-brug OK? Meet met een multimeter tussen "+" en de beide wisselstroomcontacten en tussen "-" en de beide wisselstroomcontacten. Is de weerstand bij beide metingen 0 Ω? | |||
| Is de verbinding tussen hoofdprintplaat en IPM-module OK? | NEE→ | Zorg voor een correcte verbinding | ||
| ↓JA | ||||
| Is de verbinding met de compressor OK? | NEE→ | Zorg voor een correcte verbinding | ||
| ↓JA | ||||
| IPM-module vervangen. Storing nog steeds aanwezig? | Enkelfase-brugschakeling vervangen | JA← | ||
| ↓JA | ↓NEE | |||
| Hoofdprintplaat vervangen. Storing nog steeds aanwezig? | Verbindingsleidingen vervangen | JA← | Zijn de verbindingsleidingen naar de smoorspoelen OK? Is de weerstand van ede verbindingsleidingen ∞? | |
| ↓JA | ↓NEE | |||
| Compressor vervangen. Storing nog steeds aanwezig? | Vervang de defecte zekering | NEE← | Controleer de zekeringen op de vermogensprintplaat. Zijn deze OK? | |
| ↓JA | ||||
| Vervang de vermogensprintplaat | ||||
4-wegklep / opmerking: Verwarmingsbedrijf 0 V AC, koelbedrijf 230V AC
| Temperatuur Weerstand Meetpunten | |
| 20 °C 1,5 kΩ Blauw - blauw |
12.4 Weerstanden van de temperatuursensoren
| Temp. (°C) | Weerstand kΩ | ||
| Rmax | R(t)normaal | Rmin | |
| -20 116.539 106.732 96.920 | |||
| -19 110.231 100.552 91.451 | |||
| -18 103.743 94.769 86.328 | |||
| -17 97.673 89.353 81.525 | |||
| -16 91.990 84.278 77.017 | |||
| -15 86.669 79.521 72.788 | |||
| -14 81.684 75.059 68.815 | |||
| -13 77.013 70.873 65.083 | |||
| -12 72.632 66.943 61.574 | |||
| -11 68.523 63.252 58.274 | |||
| -10 64.668 59.784 55.169 | |||
| -9 61.048 56.524 52.246 | |||
| -8 57.649 53.458 49.492 | |||
| -7 54.456 50.575 46.899 | |||
| -6 51.456 47.862 44.455 | |||
| -5 48.636 45.308 42.150 | |||
| -4 45.984 42.903 39.977 | |||
| -3 43.490 40.638 37.927 | |||
| -2 41.144 38.504 35.992 | |||
| -1 38.935 36.492 34.165 | |||
| 0 36.857 34.596 32.440 | |||
| 1 34.898 32.807 30.810 | |||
| 2 33.055 31.120 29.271 | |||
| 3 31.317 29.528 27.815 | |||
| 4 29.681 28.026 26.440 | |||
| 5 28.138 26.608 25.140 | |||
| 6 26.682 25.268 23.909 | |||
| 7 25.310 24.003 22.745 | |||
| 8 24.016 22.808 21.644 | |||
| 9 22.794 21.678 20.601 | |||
| 10 21.641 20.610 19.614 | |||
| 11 20.553 19.601 18.680 | |||
| 12 19.525 18.646 17.794 | |||
| Temp. (°C) | Weerstand kΩ | ||
| Rmax | R(t)normaal | Rmin | |
| 13 18.554 17.743 16.955 | |||
| 14 17.636 16.888 16.160 | |||
| 15 16.769 16.079 15.406 | |||
| 16 15.949 15.313 14.691 | |||
| 17 15.174 14.588 14.014 | |||
| 18 14.442 13.902 13.372 | |||
| 19 13.748 13.251 12.762 | |||
| 20 13.093 12.635 12.183 | |||
| 21 12.471 12.050 11.634 | |||
| 22 11.883 11.496 11.112 | |||
| 23 11.327 10.971 10.617 | |||
| 24 10.800 10.473 10.147 | |||
| 25 10.300 10.000 9.700 | |||
| 26 9.848 9.551 9.255 | |||
| 27 9.418 9.125 8.834 | |||
| 28 9.010 8.721 8.434 | |||
| 29 8.621 8.337 8.055 | |||
| 30 8.252 7.972 7.695 | |||
| 31 7.900 7.625 7.353 | |||
| 32 7.566 7.296 7.029 | |||
| 33 7.247 6.982 6.721 | |||
| 34 6.944 6.684 6.428 | |||
| 35 6.656 6.401 6.150 | |||
| 36 6.381 6.131 5.886 | |||
| 37 6.119 5.874 5.634 | |||
| 38 5.870 5.630 5.395 | |||
| 39 5.631 5.397 5.167 | |||
| 40 5.404 5.175 4.951 | |||
| 41 5.188 4.964 4.745 | |||
| 42 4.982 4.763 4.549 | |||
| 43 4.785 4.571 4.362 | |||
| 44 4.596 4.387 4.183 | |||
| 45 4.417 4.213 4.014 | |||
| 46 4.246 4.046 3.851 | |||
| 47 4.082 3.887 3.697 | |||
| 48 3.925 3.735 3.550 | |||
| 49 3.776 3.590 3.409 | |||
| 50 3.632 3.451 3.274 | |||
| 51 3.495 3.318 3.146 | |||
| 52 3.363 3.191 3.023 | |||
| 53 3.237 3.069 2.905 | |||
| 54 3.116 2.952 2.793 | |||
| 55 3.001 2.841 2.685 | |||
| 56 2.890 2.734 2.582 | |||
| 57 2.784 2.632 2.484 | |||
| 58 2.682 2.534 2.390 | |||
| 59 2.585 2.440 2.299 | |||
| 60 2.491 2.350 2.213 | |||
| 61 2.401 2.264 2.130 | |||
| 62 2.315 2.181 2.051 | |||
| 63 2.233 2.102 1.975 | |||
| 64 2.154 2.026 1.903 | |||
| 65 2.077 1.953 1.833 | |||
| 66 2.004 1.883 1.766 | |||
| 67 1.934 1.816 1.702 | |||
| 68 1.867 1.752 1.641 | |||
| 69 1.802 1.690 1.582 | |||
| 70 1.740 1.631 1.525 | |||
| 71 1.680 1.574 1.471 | |||
| 72 1.622 1.519 1.419 | |||
| 73 1.567 1.466 1.369 | |||
| 74 1.514 1.416 1.321 | |||
| 75 1.463 1.367 1.275 | |||
| 76 1.414 1.321 1.230 | |||
| 77 1.367 1.276 1.188 | |||
| 78 1.321 1.233 1.147 | |||
| 79 1.277 1.191 1.108 | |||
| 80 1.235 1.151 1.070 | |||
| 81 1.195 1.113 1.034 | |||
| 82 1.156 1.076 0.999 | |||
| Temp. (°C) | Weerstand kΩ | ||
| R_max | R(t)_normaal | R_min | |
| 83 1.118 1.041 0.966 | |||
| 84 1.082 1.007 0.934 | |||
| 85 1.047 0.974 0.903 | |||
| 86 1.014 0.942 0.874 | |||
| 87 0.982 0.912 0.845 | |||
| 88 0.951 0.883 0.818 | |||
| 89 0.921 0.855 0.791 | |||
| 90 0.892 0.828 0.766 | |||
| 91 0.864 0.802 0.742 | |||
| 92 0.838 0.777 0.719 | |||
| 93 0.812 0.753 0.696 | |||
| 94 0.787 0.730 0.675 | |||
| 95 0.763 0.708 0.654 | |||
| 96 0.740 0.686 0.634 | |||
| 97 0.718 0.666 0.615 | |||
| 98 0.697 0.646 0.597 | |||
| 99 0.677 0.627 0.579 | |||
| 100 0.657 0.609 0.562 | |||
| 101 0.638 0.591 0.546 | |||
| 102 0.620 0.574 0.530 | |||
| 103 0.602 0.558 0.515 | |||
| 104 0.585 0.542 0.501 | |||
| 105 0.569 0.527 0.485 | |||
12.5 Weerstanden van de heetgassensoren
| °C kΩ °C kΩ | ||
| -20 542.7 -12 343.6 | ||
| -19 511.9 -11 325.1 | ||
| -18 483 -10 307.7 | ||
| -17 455.9 -9 291.3 | ||
| -16 430.5 -8 275.9 | ||
| -15 406.7 -7 261.4 | ||
| -14 384.3 -6 247.8 | ||
| -13 363.3 -5 234.9 | ||
| -4 222.8 31 42.33 | ||
| -3 211.4 32 40.57 | ||
| -2 200.7 33 38.89 | ||
| -1 190.5 34 37.3 | ||
| 0 180.9 35 35.78 | ||
| 1 171.9 36 34.32 | ||
| 2 163.3 37 32.94 | ||
| 3 155.2 38 31.62 | ||
| 4 147.6 39 30.36 | ||
| 5 140.4 40 29.15 | ||
| 6 133.5 41 28 | ||
| 7 127.1 42 26.9 | ||
| 8 121 43 25.86 | ||
| 9 115.2 44 24.85 | ||
| 10 109.8 45 23.89 | ||
| 11 104.6 46 22.89 | ||
| 12 99.69 47 22.1 | ||
| 13 95.05 48 21.26 | ||
| 14 90.66 49 20.46 | ||
| 15 86.49 50 19.69 | ||
| 16 82.54 51 18.96 | ||
| 17 78.79 52 18.26 | ||
| 18 75.24 53 17.58 | ||
| 19 71.86 54 16.94 | ||
| 20 68.66 55 16.32 | ||
| 21 65.62 56 15.73 | ||
| 22 62.73 57 15.16 | ||
| 23 59.98 58 14.62 | ||
| 24 57.37 59 14.09 | ||
| 25 54.89 60 13.59 | ||
| 26 52.53 61 13.11 | ||
| 27 50.28 62 12.65 | ||
| 28 48.14 63 12.21 | ||
| 29 46.11 64 11.79 | ||
| 30 44.17 65 11.38 |
| °C kΩ °C kΩ | |||
| 66 10.99 98 3.927 | |||
| 67 10.61 99 3.812 | |||
| 68 10.25 100 3.702 | |||
| 69 9.902 101 3.595 | |||
| 70 9.569 102 3.492 | |||
| 71 9.248 103 3.392 | |||
| 72 8.94 104 3.296 | |||
| 73 8.643 105 3.203 | |||
| 74 8.358 106 3.113 | |||
| 75 8.084 107 3.025 | |||
| 76 7.82 108 2.941 | |||
| 77 7.566 109 2.86 | |||
| 78 7.321 110 2.781 | |||
| 79 7.086 111 2.704 | |||
| 80 6.859 112 2.63 | |||
| 81 6.641 113 2.559 | |||
| 82 6.43 114 2.489 | |||
| 83 6.228 115 2.422 | |||
| 84 6.033 116 2.357 | |||
| 85 5.844 117 2.294 | |||
| 86 5.663 118 2.233 | |||
| 87 5.488 119 2.174 | |||
| 88 5.32 120 2.117 | |||
| 89 5.157 121 2.061 | |||
| 90 5 122 2.007 | |||
| 91 4.849 123 1.955 | |||
| 92 4.703 124 1.905 | |||
| 93 4.562 125 1.856 | |||
| 94 4.426 126 1.808 | |||
| 95 | 4.294 | 127 1.762 | |
| B(25/50)=3950 k | 128 1.717 | ||
| 129 1.674 | |||
| 96 4.167 130 1.632 | |||
| 97 | 4.045R(90°C)=5kΩ±3% | ||
13 Reiniging en onderhoud
Een regelmatige verzorging en het opvolgen van enkele basisvoorwaarden, garandeert een storingsvrij gebruik en een lange levensduur van het apparaat.

GEVAAR!
Vóór alle werkzaamheden aan het apparaat moet de netvoeding worden uitgeschakeld en beveiligd tegen onbevoegd herinschakelen!
Verzorging
Houd het apparaat vrij van vuil, begroeiing en andere afzettingen.
■ Reinig het apparaat alleen met een vochtige doek. Gebruik geen bijtende, schurende of oplosmiddelen bevattende reinigingmiddelen. Gebruik geen waterstraal.
Reinig vóór een langere stilstandperiode de lamellen van het apparaat.
Onderhoud
We adviseren een onderhoudsovereenkomst voor een jaarlijkse onderhoudsbeurt met een gespecialiseerd bedrijf af te sluiten.

Op deze manier is de bedrijfszekerheid van de installatie altijd gegarandeerd!

Bij installaties die het hele jaar continue draaien (bijv. serverruimten) moeten de onderhoudsintervallen korter zijn.

AANWIJZING!
Wettelijke voorschriften eisen een jaarlijkse lektest van de koudekringloop in relatie tot de koudemiddelvulhoeveelheid. De controle en het documenteren hiervan moet gebeuren door het betreffende vakpersoneel.
| Aard van de werkzaamhedenControle/Onderhoud/Inspectie | Inbedrijf-stelling | Maande-lijks | Halfjaar-lijks | Jaarlijks |
| Algemeen | ● | ● | ||
| Spanning en stroom controleren | ● | ● | ||
| Werking compressor/ventilatoren controleren | ● | ● | ||
| Vervuiling condensor/verdamper | ● | ● | ||
| Vulhoeveelheid koudemiddel controleren | ● | ● | ||
| Condensafvoer controleren | ● | ● | ||
| Isolatie controleren | ● | ● | ||
| Bewegende delen controleren | ● | ● | ||
| Lektest koudekringloop | ● | ●1) |
1) Zie instructie
REMKO RXT...DC
Reiniging van de behuizing
- Onderbreek de stroomvoorziening naar het apparaat.
- Open het luchtinlaatrooster aan de voorzijde en klap het naar voren, resp. beneden.
- Reinig het rooster en de afdekking met een licht bevochtigde doek.
- Sluit het rooster.
- Schakel de stroomvoorziening weer in.
Luchtfilter van de binnenunit
Reinig het luchtfilter minimaal om de 2 weken. Verkort deze periode bij sterk verontreinigde lucht.
Reiniging van de filters
- Onderbreek de stroomvoorziening naar het apparaat.
- Open de voorzijde van het apparaat, door het rooster naar beneden/voren te klappen (Afb. 65).
- Trek het filter naar boven eruit ( Afb. 65).
- Reinig het filter met een normale stofzuiger. Draai daarvoor de verontreinigde zijde naar boven (Afb. 66).
- U kunt verontreinigingen ook voorzichtig met lauwwarm water en een mild reinigings-middel verwijderen (Afb. 67). Draai hiervoor de verontreinigde zijde naar onder.
- Laat het filter bij gebruik van water eerst volledig drogen in de omgevingslucht, voor het weer in het apparaat plaatsen.
- Plaats het filter voorzichtig. Let daarbij op de correcte plaatsing.
- Sluit de voorzijde zoals hierboven beschreven in omgekeerde volgorde.
- Schakel de stroomvoorziening weer in.
- Schakel het apparaat weer in.
Reiniging van de condenspomp (accessoire)
In de binnenunit kan evt. een ingebouwde of losse condenspomp aanwezig zijn die het condens naar een hoger gelegen afvoer pompt.
De verzorgings- en onderhoudsaanwijzingen in de separate gebruikshandleiding opvolgen

Afb. 65: Rooster nar voren klappen

Afb. 66: Reinigen met de stofzuiger

Afb. 67: Reinigen met lauwwarm water
14 Illustratie van het apparaat en onderdelenlijsten
14.1 Apparaatafbeelding binnenunits

Afb. 68: Apparaatafbeelding RXT 522 DC-1402 DC IT
Wijzigingen in de afmetingen en de constructie, door de technische vooruitgang, voorbehouden.
14.2 Reserveonderdeellijst binnenunits
| Nr. | Omschrijving RXT 522 DC | IT | RXT 682 DC IT | RXT 1052 DC IT | RXT 1402 DC IT |
| Vanaf serienummer: 1320... 1323... 1321... 1322... | |||||
| 1 | Voorwand compleet 1112600 1112600 1112614 1112614 | ||||
| 2 | Luchtfilter, set 1112601 1112601 1116221 1116221 | ||||
| 3 | Printplaat, display 1112602 1112602 1112602 1112602 | ||||
| 4 | Swingmotor verticaal, horizontaal 1112603 1112603 1112603 1112603 | ||||
| 5 | Uitstroomlamellen, set 1112604 1112604 1112615 1112615 | ||||
| 6 | Condensopvangbak 1112605 1112605 1112616 1112616 | ||||
| 7 | Verdamper 1112606 1112606 1112617 1112617 | ||||
| 8 | Ventilatorwiel 1112607 1112607 1112607 1112607 | ||||
| 9 | Ventilatormotor | 1112608 1112608 1112618 1112618 | |||
| 10 | Besturingsprintplaat 1112609 1112609 1112619 1112619 | ||||
| 11 | Temperatuursensoren, set | 1112610 1112610 1112610 1112610 | |||
| 12 | IR-afstandsbediening | 1112611 1112611 1112611 1112611 | |||
| 13 | Transformer | 1112612 1112612 1112612 1112612 | |||
| 14 | Inverterprintplaat | 1112613 1112613 1112620 1112620 | |||
Bij reserveonderdeelbestellingen naast het EDV-nr. graag ook altijd het apparaatnr. en apparaattype (zie typeplaatje) opgeven!
14.3 Apparaatafbeelding buitenunit

Afb. 69: Apparaatafbeelding RXT 522 DC-1402 DC AT
Wijzigingen in de afmetingen en de constructie, door de technische vooruitgang, voorbehouden.
14.4 Reserveonderdeellijst buitenunit
| Nr. | Omschrijving RXT 522 DC | AT | RXT 682 DC AT | RXT 1052 DC AT | RXT 1402 DC AT |
| Vanaf serienummer: 1320... 1323... 1321... 1322... | |||||
| 1 | Voorwand 1111935 1111900 1111917 1111917 | ||||
| 2 | Ventilatorblad, condensor 1111936 1111901 1111918 1111918 | ||||
| 3 | Ventilatormotor, condensor 1111937 1111902 1111919 1111952 | ||||
| 4 | Condensor 1111938 1111903 1111920 1111953 | ||||
| 5 | Afdekplaat 1111939 1111904 1111921 1111921 | ||||
| 6 | Zijdeel, voor rechts 1111940 1111905 1111922 1111922 | ||||
| 7 | Zijdeel, achter rechts 1111941 1111906 1111923 1111923 | ||||
| 8 | Compressor, cpl. 1111942 1111907 1111924 1111924 | ||||
| 9 | Afsluiter, zuigleiding | 1111943 1111908 1111925 1111925 | |||
| 10 | Afsluiter, vloeistofleiding | 1111944 1111909 1111930 1111930 | |||
| 11 | Keerklep | 1111945 1111910 1111926 1111926 | |||
| 12 | Hoofdprintplaat | 1111946 1111911 1111927 1111954 | |||
| 13 | Inverterprintplaat | 1111947 | 1111912 | --- | --- |
| 14 | Reactor | 1111948 1111913 1111928 1111928 | |||
| 15 | Temperatuursensoren, set | 1111949 1111914 1111929 1111955 | |||
| 16 | Elektronische expansieklep | 1111950 1111915 1111931 1111956 | |||
| 17 | Carterverwarming | 1111951 | 1111916 | --- | 1111957 |
| Reserveonderdelen niet afgebeeld | |||||
| Vermogensprint | --- | --- | 1111932 | 1111932 | |
| Lagedrukschakelaar --- | --- | 1111933 1111933 | |||
| Hogedrukschakelaar | --- | --- | 1111934 | 1111934 | |
Bij reserveonderdeelbestellingen naast het EDV-nr. graag ook altijd het apparaatnr. en apparaattype (zie typeplaatje) opgeven!
15 Index
A
afstandsbediening Toetsen 19
Afvoeren van de apparaten en componenten . . . 7
Afvoeren van de verpakking 7
Apparaatafbeelding 69,71
B
Bedoeld gebruik 7
C
Capaciteitscurven Koelen ..... 12, 13, 14, 15 Verwarmen ..... 12, 13, 14, 15
Condensaataansluiting en gewaarborgde afvoer 35
D
Display op de binnenunit ..... 19 Drijfgas volgens Kyoto-protocol ..... 8
E
Elektrisch aansluitschema .... 38 Elektrisch schema .... 4 041, 42, 43, 44, 45, 46 Elektrische aansluiting .... 37
F
Functiecontrole 47 Functietest van bedrijfsmodi koelen en ver- warmen 48
G
Garantie .... 7 Gewaarborgde afvoer bij lekkages .... 3 6
H
Handbediening 17
1
Infrarood-afstandsbediening .... 17 Installatielocatie, kiezen .... 2 8 Installeren van het apparaat .... 3 1
K
Keuze van de installatielocatie 28 Klantendienst 50
M
Milieubescherming .... 7 Minimale vrije ruimte .... 30 Montage Strokenfundering .... 35 Montagemateriaal .... 27
0
Olieretourmaatregelen .... 3 0 Onderhoud .... 67
P
Proefdraaien 47
R
Recycling 7
Reiniging Behuizing .... 68 Condenspomp .... 68 Luchtfilter van de binnenunit .... 6 8
Reiniging en onderhoud .... 6 7 Reserveonderdeellijst .... 70, 72 Reserveonderdelen bestellen .... 70, 72
S
Storingen Controle .... 50 Mogelijke oorzaken .... 50 Oplossing .... 50 Storingsindicatie op de binnenunit .... 52
T
Toetsen op de afstandsbediening ..... 1 9
U
Uit bedrijf nemen Langdurig .... 49 Tijdelijk .... 49
V
Veiligheid Algemene .... 5 Gevaren bij het niet-opvolgen van de veiligheidsvoorschriften .... 5 Kwalificaties van het personeel .... 5 Markering van instructies .... 5 Veiligheidsbewust werken .... 6 Veiligheidsvoorschriften voor de exploitant .... 6 Veiligheidsvoorschriften voor inspectiewerkzaamheden .... 6 Veiligheidsvoorschriften voor montage .... 6 Veiligheidsvoorschriften voor onderhouds .... 6 Zelfstandige ombouw .... 6 Zelfstandige vervaardiging van reserveonderdelen .... 6 Verhelpen van storingen en klantenservice .... 5 0
W
Wanddoorbraak 27
REMKO RXT...DC
REMKO INTERNATIONAL
... en altijd dicht bij u in de buurt! Maak gebruik van onze ervaring en advies

Via onze intensieve training brengen we de vakkennis van onze adviseurs steeds op de nieuwste stand. Dit heeft ons de reputatie opgeleverd, meer te zijn dan een goede, betrouwbare leverancier: REMKO, een partner, die helpt bij het oplossen van problemen.
De verkoop
REMKO beschikt niet alleen over een goed uitgebouwd netwerk van vertegenwoordigingen in binnen- en buitenland, maar ook over hoog gekwalificeerd vakkundig personeel voor de verkoop. REMKO-medewerkers in de buitendienst zijn meer dan alleen verkoper: voor alles dienen zij voor onze klanten adviseurs te zijn in de airconditioning- en warmtetechniek.
De servicedienst
Onze apparaten werken nauwkeurig en betrouwbaar. Als er onverhoopt toch een storing optreedt, dan is de REMKO servicedienst snel ter plaatse. Ons omvangrijk netwerk van ervaren speciaalzaken waarborgt u altijd een snelle en betrouw-bare service.


















E





















rvangen. Werkt het apparaat goed Ha het vervangen?







