KIA Rio III - Automobiel

Rio III - Automobiel KIA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis Rio III KIA in PDF-formaat.

📄 296 pagina's Nederlands NL Downloaden 💬 AI-vraag 10 vragen ⚙️ Specs
Notice KIA Rio III - page 1
Kies uw taal en geef uw e-mailadres: we sturen u een specifiek vertaalde versie.
Type product Auto
Merk KIA
Model Rio III
Carrosserie 4-deurs sedan of 5-deurs hatchback
Afmetingen (lengte) 4240 mm (sedan) / 3990 mm (hatchback)
Afmetingen (breedte) 1695 mm
Afmetingen (hoogte) 1470 mm
Wielbasis 2500 mm
Brandstoftankinhoud 45 liter
Motoren Benzine- en dieselmotor
Transmissie Handgeschakeld of automatisch
Veiligheidssystemen Airbags voor, zij en curtain; gordelspanners; startblokkering; antidiefstalsysteem
Elektrische ruiten Ja, voor en achter
Centrale vergrendeling Ja, met afstandsbediening
Stuurbekrachtiging Ja
Airconditioning Optioneel (handbediend of automatisch)
Onderhoud Volgens onderhoudsschema in de handleiding (elke 15.000 km of 1 jaar)
Bandenspanning (normaal) Voor: 2,1 bar; Achter: 2,1 bar
Bandenspanning (max) Voor: 2,3 bar; Achter: 2,3 bar
Leeggewicht Ongeveer 1070 kg

Veelgestelde vragen - Rio III KIA

Hoe vervang ik de batterij van de afstandsbediening?
Verwijder de schroef aan de zijkant met een kruisschroevendraaier. Wip het dekseltje los, verwijder de oude 3V lithium batterij en plaats een nieuwe met de pluskant naar boven. Plaats de afdekking terug en draai de schroef vast.
Hoe stel ik de hoofdsteun correct af?
Trek de hoofdsteun omhoog tot het midden op oorhoogte is. Druk de ontgrendelknop in om hem te laten zakken. De afstand tussen hoofd en hoofdsteun moet ongeveer vuistbreedte zijn.
Hoe gebruik ik het kinderslot op de achterportieren?
Open het achterportier en zet het kinderslot aan de achterkant in de stand LOCK. Het portier kan dan niet van binnenuit worden geopend. Alleen met de buitengreep.
Wat moet ik doen bij een lekke band?
Zet de auto op een veilige plek, bedien de parkeerrem en zet de motor uit. Gebruik het reservewiel en de krik volgens de instructies in hoofdstuk 6 van de handleiding. Draai de wielmoeren aan met 9-11 kg·m.
Hoe start ik de motor met een lege accu (starthulp)?
Sluit de pluskabel eerst aan op de lege accu (+), dan op de hulpaccu (+). Sluit de minkabel aan op de hulpaccu (-) en daarna op een massapunt (ongelakt metaal) van de auto met de lege accu. Start de motor en laat deze draaien.
Hoe schakel ik de airbag voor de passagier uit?
Zet het contact uit. Steek de hoofdsleutel in de AAN/UIT-schakelaar (meestal in het dashboardkastje) en draai naar UIT. Het controlelampje 'Airbag UIT' gaat branden. Zet hem weer op AAN als er geen kinderzitje meer is.
Hoe stel ik de stoelverwarming in?
Druk op de schakelaar stoelverwarming (zit aan de zijkant van de stoel) terwijl het contact aan staat. De thermostaat regelt de temperatuur. Druk nogmaals om uit te schakelen. Let op: niet gebruiken met dikke dekens.
Hoe onderhoud ik de lak van mijn auto?
Was de auto maandelijks met lauw water en autoshampoo. Droog af en zet in de was als water geen druppels meer vormt. Verwijder teer en insecten snel met een teerverwijderaar. Poets niet in de volle zon.
Hoe controleer ik het oliepeil van de motor?
Zet de auto op een vlakke ondergrond, wacht 5 minuten na het uitzetten. Trek de peilstok eruit, veeg schoon, steek terug en trek opnieuw eruit. Het peil moet tussen de L en F markeringen staan. Vul indien nodig bij met de juiste olie (API SJ/SL of hoger).
Wat betekent het waarschuwingslampje AIRBAG?
Het waarschuwingslampje AIRBAG moet na het starten ongeveer 6 seconden branden en dan uitgaan. Blijft het branden of knippert het tijdens het rijden, dan is er een storing in het airbag- of gordelspannersysteem. Laat de auto controleren door een officiële Kia-dealer.

Gebruikersvragen over Rio III KIA

0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.

Stel een nieuwe vraag over dit apparaat

De e-mail blijft privé: deze wordt alleen gebruikt om u te waarschuwen als iemand op uw vraag reageert.

Nog geen vragen. Stel de eerste vraag.

Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Rio III - KIA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Rio III van het merk KIA.

GEBRUIKSAANWIJZING Rio III KIA

Nu u eigenaar bent van een Kia krijgt u waarschijnlijk veel vragen over uw auto en over het bedrijf, zoals "Wat is een Kia?", "Wie is Kia?" en "Wat betekent 'Kia'?"

Hier volgen enige antwoorden. Ten eerste, Kia is de oudste autoproducent in Korea. Het bedrijf bestaat uit duizenden werknemers die zich concentreren op het bouwen van auto's met een hoge kwaliteit tegen een redelijke prijs, aangezien de werknemers zelf een aanzienlijk aandeel in het bedrijf hebben.

De eerste lettergreep, Ki, in het woord "Kia" betekent "opkomende zon". De tweede lettergreep, a, betekent "Azië". Dus het woord Kia, betekent "opkomende zon uit Azië".

Veel plezier met uw auto!

Hartelijk dank voor het kiezen van een Kia.

Onthoud dat voor onderhoud uw officiële Kia-dealer de aangewezen persoon is. Uw dealer heeft door de importeur getrainde monteurs in dienst, beschikt over de aanbevolen speciale gereedschappen, originele Kia-onderdelen en zal er alles aan doen u optimaal van dienst te zijn.

Bewaar het instructieboekje in de auto voor een eventuele volgende eigenaar.

Dit instructieboekje omvat alle Rio modellen en zal u vertrouwd maken met de bediening, het onderhoud en de veiligheidsaspecten van uw nieuwe auto. Bij het instructieboekje hoort een garantieboekje waarin u informatie vindt over de garantie. We raden u aan om deze informatie zorgvuldig te lezen en de daarin opgenomen aanwijzingen zorgvuldig op te volgen, zodat u veilig en probleemloos van uw nieuwe auto kunt genieten.

Kia rust zijn talrijke modellen uit met een grote verscheidenheid aan opties, componenten en kenmerken. Het is dan ook mogelijk dat de uitrusting die in dit instructieboekje beschreven staat en die op illustraties afgebeeld is, niet allemaal van toepassing is op uw auto. De in dit instructieboekje opgenomen informatie en specificaties golden ten tijde van het ter perse gaan. Kia Motors behoudt zich te allen tijde het recht voor wijzigingen door te voeren zonder voorafgaande kennisgeving. Als u vragen heeft, kunt u zich te allen tijde tot uw Kia-dealer wenden.

Wij zullen er alles aan doen om u optimaal en tot volle tevredenheid van uw nieuwe Kia te laten genieten.

© 2005 Kia Motors Nederland b.v.

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, in welke vorm dan ook, zonder de schriftelijke toestemming van Kia Motors.

INHOUDSTABEL

Inleiding

Uw auto in één oogopslag

Kennismaking met uw auto

Besturing van uw auto

Rijtips

In geval van nood

Onderhoud

Specifications

Index

Inleiding

Hoe gebruikt u deze handleiding / 1-2

Inrijden van het voertuig / 1-3

HOE GEBRUIKT U DEZE HANDLEIDING

We willen u helpen, het grootst mogelijke rijplezier uit uw auto te halen. Deze handleiding kunt u daar zeker bij helpen. We raden u met aandrang aan, de hele handleiding grondig door te nemen.

Om ernstige of zelfs dodelijke ongelukken te vermijden, dient u minstens de paragrafen WAARSCHUWING en VOORZICHTIG in alle hoofdstukken van deze handleiding aandachtig te lezen. U kan ze gemakkelijk herkennen aan de speciale markeringen die u hieronder ziet.

De illustraties vormen een aanvulling op de tekst in deze handleiding zodat u alle aanwijzingen voor een optimaal rijplezier goed begrijpt. Bij het lezen van uw handleiding zal u alles vernemen over de kenmerken van uw auto, belangrijke veiligheidsinformatie en rijgedrag in verschillende omstandigheden.

De algemene opbouw van de handleiding is te zien in de inhoudstabel. Een goed beginpunt is de index, die een alfabetisch overzicht van alle informatie in deze handleiding geeft.

Hoofdstukken: Deze handleiding bestaat uit acht hoofdstukken en een index. Elk hoofdstuk begint met een korte inhoudstabel, zodat u in één oogopslag ziet of de informatie die u zoekt in dit hoofdstuk te vinden is.

In deze handleiding zal u op diverse plaatsen WAARSCHUWING, VOORZICHTIG en OPMERKING aantreffen.

De paragrafen WAARSCHUWING, VOORZICHTIG en OPMERKING werden ingevoegd om uw veiligheid en uw blijvende tevredenheid over uw Kia Carnival te verzekeren. ALLE procedures en aanbevelingen in deze paragrafen WAARSCHUWING, VOORZICHTIG en OPMERKING dient u aandachtig te lezen en precies na te leven.

WAARSCHUWING

WAARSCHUWING wijst op een situatie waarin het negeren van de waarschuwing tot ernstige of zelfs dodelijke lichamelijke verwondingen kan leiden.

Z VOORZICHTIG

VOORZICHTIG wijst op een situatie waarin het negeren van de aanmaning tot voorzichtigheid tot lichamelijke verwondingen, eventueel ernstig, kan leiden.

\* OPMERKING

OPMERKING wijst op een situatie waarin uw auto schade kan oplopen als u de aanwijzingen negeert.

INRIJDEN VAN HET VOERTUIG

Er dient geen speciale inrijperiode in acht genomen te worden. Door de eerste 1000 km enkele eenvoudige voorzorgen te nemen, kunt u de prestaties, zuinigheid en de levensduur van uw auto verhogen.

• Laat de motor niet op hoog toerental draaien.
• Rij geen lange periodes met dezelfde snelheid (hoog of laag). Varieer uw snelheid zodat de motor goed kan inlopen.
- Vermijd bruusk remmen, tenzij in noodgevallen, zodat de remmen zich goed kunnen zetten.
• Vermijd het wegrijden met vol gas.

Uw auto in één oogopslag

2

Overzicht exterieur / 2-2

Overzicht dashboard / 2-3

Motorruimte / 2-4

OVERZICHT EXTERIEUR

KIA Rio III - OVERZICHT EXTERIEUR - 1

  1. Airbag bestuurder*......3-57
  2. Schakelaar verlichting/richtingaanwijzers....4-42
  3. Instrumentenpaneel 4-24
  4. Ruitenwisser/-sproeier 4-47
  5. Contactslot 4-2
  6. Alarmknipperlichten 4-50
  7. Achterruitverwarming 4-49
  8. Verwarmings- en ventilatiesysteem...4-51
  9. Selectiehendel....4-6
  10. Aansteker 3-89
  11. 12V-aansluiting ....3-91
  12. Airbag passagier ^* 3-58
  13. Dashboardkastje 3-88
    * : indien van toepassing

1JBA0003

MOTORRUIMTE

KIA Rio III - MOTORRUIMTE - 1

Kennismaking met uw auto

3

Stoelen / 3-17

Veiligheidsgordels / 3-29

Airbag - aanvullend veiligheidssysteem / 3-54

Bagageruimte / 3-75

Motorkap / 3-77

Tankdopklep / 3-79

Spiegels / 3-82

Interieurverlichting / 3-85

Opbergvak / 3-87

Overige voorzieningen / 3-89

Schuif-/kanteldak / 3-93

Bagagenet / 3-96

Antenne / 3-96

SLEUTELS

KIA Rio III - SLEUTELS - 1

Het sleutelnummer is ingeslagen in het sleutelplaatje. Door dit nummer kan een officiële Kia-dealer bij verlies eenvoudig een sleutel bijbestellen. Verwijder het plaatje en bewaar dit op een veilige plaats. Noteer daarnaast het nummer en bewaar dit op een veilige plaats buiten de auto.

KIA Rio III - SLEUTELS - 2

Wordt gebruikt om de motor te starten, de portieren te vergrendelen en ontgrendelen en de achterklep te openen (indien van toepassing).

(2) Afstandsbediening (indien van toepassing)

Wordt gebruikt om de portieren te vergrendelen en ontgrendelen

WAARSCHUWING

- Contactsleutei

Kinderen aileen achterlaten in de auto met de contactsleutel is gevaarlijk, zelfs wanneer deze niet in het contact steekt. Kinderen doen graag volwassenen na en zouden de sleutel in het contact kunnen steken. Met de contactsleutel is het mogelijk voor kinderen om de elektrisch bedienbare ruiten te openen of andere bedieningsorganen in werking te stellen. Het is zelfs mogelijk dat ze de motor starten waardoor ernstig lichamelijk letsel het gevolg kan zijn. Laat kinderen nooit zonder toezicht achter met de contactsleutels in de auto.

Z VOORZICHTIG

Gebruik uitsluitend een originele Kia-contactsleutel in uw auto. Als er een imitatiesleutei wordt gebruikt, kan het gebeuren dat de het contactslot na het aanslaan van de motor niet van stand START naar stand ON terugkeert. Hierdoor blijft de startmotor continu draaien en kan er schade ontstaan aan de startmotor. Tevens kan er brand ontstaan als gevoig van oververhitting in de bedrading.

AFSTANDSBEDIENING (INDIEN VAN TOEPASSING)

KIA Rio III - AFSTANDSBEDIENING (INDIEN VAN TOEPASSING) - 1

Na het indrukken van deze toets zullen de portieren automatisch vergrendeld worden tenzij u ze binnen 30 s opent.

\* OPMERKING

In de volgende omstandigheden werkt de afstandsbediening niet:

  • Als het contact aan staat.
  • Als de afstandsbediening buiten het bereik van de ontvanger is (10 m).
  • Als de batterij in de afstandsbediening (bijna) leeg is.
  • Als er zich voorwerpen tussen de afstandsbediening en de ontvanger bevinden.
  • Als de buitentemperatuur erg laag is.
  • Als de afstandsbediening zich in de buurt van een radiozender of een luchthaven bevindt, waardoor de normale werking van de afstandsbediening verstoord wordt.

Vergrendel en ontgrendel de portieren met de contactsleutel wanneer de afstandsbediening niet juist werkt. Neem contact op met een officiële Kia-dealer indien u problemen met de afstandsbediening heeft.

\* OPMERKING

Zorg ervoor dat de afstandsbediening niet nat wordt. Beschadiging van de afstandsbediening door water of andere vloeistoffen, valt niet onder de fabrieksgarantie.

Het bereik van de afstandsbediening kan afhankelijk zijn van de plaats waar deze wordt gebruikt. Bijvoorbeeld in de buurt van politieposten, kantoren, zendmasten, militaire objecten, luchthavens enz. kan het bereik minder zijn.

KIA Rio III - \* OPMERKING - 1

Vervangen van batterij

De afstandsbediening is voorzien van een 3 Volt lithium batterij, die bij normaal gebruik enkele jaren meegaat. Vervang de batterij op de volgende manier.

  1. Verwijder de schroef (1) met een kruisschroevendraaier.
  2. Plaats een smal stukje gereedschap in de opening in wip het middelste dekseltje (2) van de afstandsbediening los.
  3. Verwijder de afdekkap van de accu (3).

  4. Vervang de batterij door een nieuwe. Plaats de nieuwe batterij op de aangegeven manier met de pluskant "+" naar boven gericht.

  5. Plaats de batterij in omgekeerde volgorde van verwijderen.

\* OPMERKING

De afstandsbediening is ontworpen voor jarenlang probleemloos gebruik. Door vocht of statische elektriciteit kan de afstandsbediening echter defect raken.

Raadpleeg voor vragen over het gebruik van de afstandsbediening of voor het vervangen van de batterij een officiële Kia-dealer.

Neem contact op met uw officiële Kia-dealer voor het programmeren van een vervangende afstandsbediening.

\* OPMERKING

  • Door het gebruik van een verkeerde batterij kan de afstandsbediening niet goed werken. Gebruik altijd de juiste batterij.
  • Laat, om beschadiging van de afstandsbediening te voorkomen, deze niet vallen en stel hem niet bloot aan vocht, hitte of zonlicht.

ANTIDIEFSTALSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)

KIA Rio III - ANTIDIEFSTALSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING) - 1

flowchart
graph TD
    A["Antidielfsta-systeem ulgeschakeld"] --> B["Antidielfsta Isystem ingeschakeld"]
    B --> C["Alarm geactiveerd"]
    C --> A

Het antidiefstalsysteem wordt uitgeschakeld zodra de sleutel in het contactslot wordt gestoken.

Als de portieren zijn vergrendeld met de afstandsbediening, dient het ontgrendelen ook plaats te vinden met de afstandsbediening.

Als de vergrendeltoets op de afstandsbediening wordt ingedrukt terwijl een portier of de achterklep geopend is, wordt het antidiefstalsysteem nog niet ingeschakeld. Zodra alle portieren en de achterklep gesloten zijn, wordt het desbetreffende portier of de achterklep vergrendeld en treedt het antidiefstalsysteem in werking.

Antidiefstalsysteem ingeschakeld

Als het contact in stand LOCK staat en de sleutel zich niet in het contactslot bevindt, wordt het antidiefstalsysteem automatisch ingeschakeld onder de volgende omstandigheden:

- De motorkap, de achterklep en de portieren kunnen met de afstandsbediening worden vergrendeld.

- Als binnen 30 seconden nadat de portieren met de afstandsbediening zijn ontgrendeld, geen van de portieren of de achterklep wordt geopend. Behalve dat het antidiefstalsysteem wordt ingeschakeld, worden ook de portieren weer vergrendeld.

\* OPMERKING

Schakel het alarm pas in als alle passagiers de auto verlaten hebben. Als het alarm wordt ingeschakeld terwijl er nog iemand in de auto zit, wordt het alarm geactiveerd als diegene de auto verlaat.

Alarm geactiveerd

Het alarm zal in de volgende situaties worden geactiveerd:

  • Als een portier zonder de sleutel of de afstandsbediening geopend wordt.
  • Als de achterklep zonder de sleutel geopend wordt.
  • Als de motorkap geopend wordt.

De sirene en de alarmknipperlichten worden gedurende 27 seconden ingeschakeld. In deze periode is het niet mogelijk de motor te starten.

\* OPMERKING

Vermijd het starten van de motor wanneer het antidiefstalsysteem geactiveerd is.

Alarm uitgesteld (indien van toepassing)

Het alarm wordt niet geactiveerd als de achterklep met de sleutei wordt geopend.

Als de achterklep echter niet geheel wordt geopend binnen twee seconden na het ontgrendelen met de sieutel, zal het alarm afgaan.

Verder zal het alarm ook afgaan als een portier of de motorkap wordt geopend als het alarm is ingeschakeld en de achterklep openstaat.

Antidiefstalsysteem uitgeschakeld

Het antidiefstalsysteem wordt op de volgende manier uitgeschakeld. De alarmknipperlichten knipperen tweemaal ter bevestiging.

- Als de portieren worden ontgrendeld met de afstandsbediening.

Na het indrukken van de ontgrendelknop moet u binnen 30 seconden een portier openen omdat anders alle portieren weer worden vergrendeld en het alarm weer wordt ingeschakeld.

- Het contact wordt in stand ON gezet.

Het alarm zal in de volgende situaties worden gedeactiveerd:

- De vergrendel/ontgrendeltoets van de afstandsbediening wordt ingedrukt.

- Het contact staat gedurende 30 seconden of meer in stand ON.

\* OPMERKING

De afstandsbediening werkt niet wanneer de sleutel in het contactslot zit. Vermijd het starten van de motor wanneer het antidiefstalsysteem geactiveerd is.

STARTBLOKKERING (INDIEN VAN TOEPASSING)

Uw auto is uitgerust met een elektronische startblokkering om de kans op ongeoorloofd gebruik te verminderen.

De startblokkering bestaat uit een kleine transponder in de contactsleutel, een ontvangstspoel in het contactslot en een elektronische module in de stuurkolom.

Dit systeem zorgt ervoor dat, zodra u het contact in stand ON zet, de spoel in het contactslot een signaal ontvangt en dit doorstuurt naar de elektronische geregeld veersysteem.

De elektronische geregeld veersysteem controleert eerst of dit signaal juist is.

Als het signaal juist is, kan de motor worden gestart.

Als het signaal niet juist is, kan de motor niet worden gestart.

Uitschakelen van de startblokkering:

Steek de sleutel in het contact en draai hem in stand ON.

Inschakelen van de startblokkering:

Zet het contact in stand OFF. De startblokkering wordt automatisch ingeschakeld. Zonder een bijpassende sleutel kan de motor niet meer worden gestart.

\* OPMERKING

Houd bij het starten van de motor andere sleutels met transponder uit de buurt.

Anders slaat de motor misschien niet aan of slaat hij na het starten weer af. Bewaar de sleutels die u bij uw auto krijgt gescheiden van elkaar om problemen te voorkomen.

Z VOORZICHTIG

De transponder in uw contactsleutel is een belangrijk onderdeel van het startblokkeersysteem.

Hij is ontworpen voor jarenlang probleemloos gebruik. Let op voor vocht, statische elektriciteit en een ruwe behandeling. Hierdoor kan de startblokkering defect raken.

VOORZICHTIG

Breng geen wijzigingen aan in het startblokkeersysteem. Hierdoor kan het systeem defect raken. Laat het systeem indien nodig controleren en repareren door een officiële Kia-dealer.

Storingen veroorzaakt door onjuiste afstelling of eigenhandige modificaties van het startblokkeersysteem vallen niet onder de fabrieksgarantie.

SLOTEN

Vergrendelen Ontgrendelen 1JBA3004

Portiersloten van buitenaf vergrendelen/ontgrendelen

  • Draai de sleutel naar de achterzijde van de auto om het portier te ontgrendelen en naar de voorzijde om het portier te vergrendelen.
  • De portieren kunnen ook met de afstandsbediening worden vergrendeld en ontgrendeld.

  • Trek de portiergreep na het ontgrendelen omhoog om het portier te openen.

  • Druk het portier met de hand dicht. Zorg ervoor dat het portier goed dicht zit.
  • Als het voorportier met de sleutel wordt vergrendeld/ontgrendeld, zullen alle overige portieren en de achterklep gelijktijdig vergrendeld/ontgrendeld worden. (indien van toepassing)

KIA Rio III - Portiersloten van buitenaf vergrendelen/ontgrendelen - 1

Druk om een portier zonder sleutel te vergrendelen de vergrendelknop (1) aan de binnenzijde in of zet de schakelaar portiervergrendeling (2, indien van toepassing) in stand LOCK en sluit het portier. (3).

\* OPMERKING

Verwijder altijd de contactsleutel, bedien de parkeerrem, sluit alle ruiten en vergrendel alle portieren als u uw auto onbeheerd achterlaat.

\* OPMERKING

Als het portier een aantal keren snel achter elkaar wordt vergrendeld en weer ontgrendeld, ofwel met de sleutel ofwel met de schakelaar portiervergrendeling, zal de werking van het systeem tijdelijk worden onderbroken om beschadiging van de onderdelen te voorkomen.

Ontgren- delen 2 Vergrendelen 1 3 1JBA3006

Portiersloten van binnenuit vergrendelen/ontgrendelen

Met de vergrendelknop

  • Zet de vergrendelknop van het portier in stand ONTGRENDELD om het portier te ontgrendelen.
  • Zet de vergrendelknop (1) in stand VERGRENDELD om het portier te vergrendelen. Als het portier is vergrendeld, is het rode deel (2) van de knop niet zichtbaar.
  • Trek aan de portiergreep (3) om het portier te openen.

  • De voorportieren kunnen niet worden vergrendeld als de sleutel in het contact zit en het portier geopend is.

  • Als het voorportier met de toets wordt vergrendeld/ontgrendeld, zullen alle overige portieren en de achterklep gelijktijdig vergrendeld/ontgrendeld worden. (indien van toepassing)

1JBA3007

Met schakelaar portiervergrendeling (indien van toepassing)

De schakelaar portiervergrendeling bevindt zich op de armsteun aan bestuurderszijde. Bedien de schakelaar door hem in te drukken. Als er nog een portier geopend is terwijl de schakelaar wordt ingedrukt, zal het portier vergrendeld worden, zodra het portier wordt gesloten.

- Door op het voorste deel (1) van de schakelaar portiervergrendeling te drukken, zullen alle portieren worden vergrendeld.

  • Door op het achterste deel (2) van de schakelaar portiervergrendeling te drukken, zullen alle portieren worden ontgrendeld.
  • Als de sleutel nog in het contact zit en één van beide voorportieren geopend is, kunnen de portieren niet worden vergrendeld met de schakelaar.

Z VOORZICHTIG

  • De portieren moeten tijdens het rijden altijd volledig gesloten en vergrendeld blijven om het onverwachts openen van de portieren te voorkomen. Vergrendelde portieren schrikken ook mogelijke indringers af wanneer de auto langzaam rijdt of stilstaat.
    • Let bij het openen van het portier goed op of er geen ander verkeer aankomt. Anders kan er schade of letsei ontstaan.

WAARSCHUWING

Als u de auto niet vergrendeld achterlaat, geeft u gelegenheid tot diefstal. Verwijder altijd de contactsleutel, bedien de parkeerrem, sluit alle ruiten en vergrendel alle portieren als u uw auto onbeheerd achterlaat.

WAARSCHUWING

- Kinderen alleen achterlaten Een afgesloten auto kan binnenin erg warm worden, waardoor achtergelaten kinderen of huisdieren die niet uit de auto kunnen komen, letsel kunnen oplopen. Bovendien kunnen kinderen gewond raken door het bedienen van bepaalde systemen in de auto. Laat kinderen en huisdieren nooit zonder toezicht achter in de auto.

Portierontgrendelsysteem (indien van toepassing)

Alle portieren zullen tijdens een botsing automatisch worden ontgrendeld als het contact in stand ON staat.

De portieren mogen echter niet ontgrendeld worden als gevolg van problemen met de portiervergren- deling of de accu.

KIA Rio III - Portierontgrendelsysteem (indien van toepassing) - 1

Het kinderslot zorgt ervoor dat kinderen de achterportieren niet per ongeluk van binnenuit kunnen openen. Schakel het kinderslot altijd in als u gaat rijden met kinderen.

  1. Open het achterportier.
  2. Zet het kinderslot aan de achterkant van het portier in stand LOCK. Als het kinderslot in stand LOCK (⊕) staat, kan het achterportier niet van binnenuit worden geopend.

  3. Sluit het achterportier.

  4. Het achterportier kan worden geopend met de buitenste handgreep.

Zelfs als het achterportier niet is vergrendeld, kan het portier niet met de binnenste portiergreep (1) worden geopend, totdat het kinderslot wordt uitgeschakeld ( ).

WAARSCHUWING

- Vergrendeling achterportieren

Als kinderen tijdens het rijden per ongeluk de achterportieren openen, kunnen ze uit de auto vallen en ernstig letsel oplopen. Om te voorkomen dat kinderen de achterportieren van binnenuit openen, dienen de kindersloten gebruikt te worden zodra er kinderen in de auto worden meegenomen.

Vergrendelen 1 2 Ontgrendelen 1JBA3501

Achterklep (indien van toepassing)

Openen van de achterklep

  • De achterklep is vergrendeld of ontgrendeld met de sleutel.
  • Steek voor het openen van de achterklep de sleutel in het slot, draai hem naar de stand ontgrendelen (1) en trek de achterklep omhoog door de hendel (2) in te drukken.

  • U kunt de achterklep ook vergrendelen/ontgrendelen (maar niet openen) met behulp van het afstandsbedieningssysteem (indien van toepassing).

  • Indien de achterklep ontgrendeld is, kunt u hem openen door de hendel (2) in te drukken en de klep omhoog te trekken.

KIA Rio III - Openen van de achterklep - 1

Bagageruimteverlichting (indien van toepassing)

De bagageruimteverlichting gaat branden zodra de achterklep geopend wordt. De verlichting blijft branden zolang de achterklep niet volledig gesloten is.

\* OPMERKING

Zorg ervoor dat de achterklep goed dichtzit. Als deze niet goed dichtzit, kan de accu leeg raken als de motor niet draait.

RUITEN

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100

Elektrisch bedienbare ruiten (indien van toepassing)

(1) Schakelaar ruitbediening bestuurdersportier
(2) Schakelaar ruitbediening passagiersportier
(3) Schakelaar ruitbediening achterportier (links)*
(4) Schakelaar ruitbediening achterportier (rechts)*
(5) Ruiten openen en sluiten
(6) Auto down-schakelaar elektrisch bedienbare ruit* (bestuurdersportier)
(7) Blokkeerschakelaar ruitbediening*

- Timer elektrische ruitbediening* De ruiten kunnen worden bediend tot ca. 30 seconden nadat het contact in stand ACC of LOCK is gezet of de contactsleutel is verwijderd. Als echter de voorportieren zijn geopend, kunnen de ruiten niet worden bediend als de sleutel uit het contact wordt verwijderd.

* : indien van toepassing

5 5 6

1JBA3011

KIA Rio III - Elektrisch bedienbare ruiten (indien van toepassing) - 2

1JBH2013

Ruiten openen en sluiten

Het bestuurdersportier beschikt over een hoofdschakelaar, waarmee alle ruiten van de auto kunnen worden bediend. Druk de desbetreffende schakelaar aan de voorzijde in (5) of trek deze omhoog (5) om een ruit te openen of te sluiten.

Auto down-schakelaar elektrisch bedienbare ruit (bestuurdersportier, indien van toepassing)

Door de schakelaar kortstondig in te drukken tot de tweede stand (6), wordt de ruit automatisch geheel geopend, zelfs als de schakelaar wordt losgelaten. Om de ruitbeweging te stoppen, kan de schakelaar kortstondig omhoog worden getrokken.

KIA Rio III - Auto down-schakelaar elektrisch bedienbare ruit (bestuurdersportier, indien van toepassing) - 1

Blokkeerschakelaar ruitbediening (indien van toepassing)

  • De bestuurder kan de schakelaars van de ruitbediening voor een portier uitschakelen door de blokkeerschakelaar in het bestuurdersportier in te drukken.
  • Als de blokkeerschakelaar van de ruitbediening is ingedrukt, kunnen de ruiten ook niet worden bediend met de hoofdschakelaars in het bestuurdersportier.

Elektrisch bedienbare ruiten (indien van toepassing)

Om de ruiten elektrisch te kunnen bedienen moet het contact in stand ON staan. leder portier is voorzien van een schakelaar voor de bediening van de desbetreffende ruit. De bestuurder beschikt echter over een blokkeerschakelaar waarmee de ruitbediening van de schakelaars op de overige portieren uitgeschakeld kan worden.

Als u hinderlijk windgeruis ondervindt wanneer één van de zijruiten geopend is, kunt u de ruit aan de andere zijde iets openen.

\* OPMERKING

  • Open of sluit telkens maar één ruit tegelijk. Anders kan de elektrische ruitbediening beschadigd raken. Hierdoor zal bovendien de zekering langer meegaan.
    • Probeer nooit tegelijkertijd de hoofdschakelaar voor de ruitbediening in het bestuurdersportier en de afzonderlijke schakelaar voor de ruitbediening in tegengestelde richting in te drukken.

(Vervolg)

(Vervolg)

In dat geval stopt de ruït en kan deze niet meer worden geopend of gesloten.

Z VOORZICHTIG

• Zorg ervoor dat de handen en het gezicht zich op een veilige afstand van de ruit bevinden, alvorens de ruit de sluiten.
- Laat kinderen niet met de ruitbediening spelen. Schakel de blokkeerschakelaar zoveel mogelijk in (ingedrukt). Het onbedoeld bedienen van een ruit kan vooral bij kinderen tot letsel leiden.
- Steek tijdens het rijden de armen en het gezicht niet naar buiten.
- Controleer altijd dubbel of er zich geen armen, handen of andere belemmeringen in de buurt bevinden voordat een ruit gesloten wordt.

KIA Rio III - Z VOORZICHTIG - 1

Open en sluit de ruiten met behulp van de ruitslinger.

STOELEN

KIA Rio III - STOELEN - 1

(1) Stoelverstelling vooruit/achteruit
(2) Rugleuningverstelling
(3) Hoogteverstelling stoel*
(4) Schakelaar stoelverwarming*
(5) Afstellen van hoofdsteun

Passagiersstoel

(6) Stoelverstelling vooruit/achteruit
(7) Rugleuningverstelling
(8) Schakelaar stoelverwarming*
(9) Afstellen van hoofdsteun

Achterstoelen

(10) In delen neerklapbare achterbank*
(11) Armsteun*
(12) Afstellen van hoofdsteun*
* ; indien van toepassing

WAARSCHUWING

  • Losliggende voorwerpen in de voetenruimte van de bestuurder kunnen de werking van de pedalen nadelig beïnvloeden en mogelijk een ongeval veroorzaken. Losliggende voorwerpen kunnen ook de verstelling in lengterichting van de stoel hinderen. Plaats niets onder de voorstoelen.
    • Laat kinderen nooit alleen achter in de auto.
    • Zet de stoel altijd zo ver mogelijk naar achteren, om te voorkomen dat airbags te dicht bij het lichaam worden geactiveerd. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.

WAARSCHUWING

- Bestuurdersstoel

  • Probeer de stoel nooit tijdens het rijden te verstellen. Hierdoor kunt u de controle verliezen waardoor een ongeluk met ernstig letsel of schade het gevolg kan zijn.
  • Zorg ervoor dat de rugleuning altijd in de normale positie kan staan. Als de rugleuning vanwege hinderlijk geplaatste voorwerpen of andere oorzaken niet goed vergrendeld kan worden, kan dit bij een noodstop of aanrijding ernstig letsel tot gevolg hebben.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Zet voor het wegrijden de rugleuning altijd rechtop en plaats de heupgordel strak en zo laag mogelijk over de heupen. Op deze manier bent u het best beschermd bij een eventuele aanrijding.
  • Zet de stoel altijd zo ver mogelijk naar achteren, om te voorkomen dat airbags te dicht bij het lichaam worden geactiveerd, waardoor ernstig letsel kan ontstaan. Zorg ervoor dat de afstand tussen het stuurwiel en het bovenlichaam tenminste 250 mm (10 inch) bedraagt.

KIA Rio III - (Vervolg) - 1

Afstellen van voorstoel

Verstelling in lengterichting

Verstel de stoel als volgt naar voren of naar achteren:

  1. Houd de hendel voor de langsverstelling aan de voorzijde van de stoel omhooggetrokken.
  2. Schuif de stoel in de gewenste positie.
  3. Laat de hendel los en controleer of de stoel vergrendeld is.

Druk de knop naar voren of naar achteren om de stoel in de gewenste stand te zetten. Als de knop wordt losgelaten, zal de stoel in de ingestelde positie worden vergrendeld.

1 2 1 2 1JBA3017

Afstellen van de zittinghoogte van de bestuurdersstoel (indien van toepassing)

Draai aan de knop aan de zijkant van de zitting om de hoogte van de zitting te veranderen.

  • Draai aan knop (1) om de hoogte van het voorste deel van de zitting te veranderen.
  • Draai aan knop (2) om de hoogte van het achterste deel van de zitting te veranderen.

KIA Rio III - Afstellen van de zittinghoogte van de bestuurdersstoel (indien van toepassing) - 1

Rugleuning afstellen

Stel de rugleuning als volgt af:

  1. Leun iets naar voren en trek de hendel van de rugleuning aan de zijkant van de stoel naar achteren.
  2. Leun vervolgens achterover en verstel de rugleuning in de gewenste positie.
  3. Laat de hendel los en controleer of de rugleuning vergrendeld is. (De hendel MOET zijn oorspronkelijke positie weer innemen om de rugleuning te vergrendelen.)

WAARSCHUWING

Rijden met een neergeklapte rugleuning kan bij een aanrijding leiden tot ernstig letstel. Als de rugleuning neergeklapt is, kan de persoon op de desbetreffende stoel onder de gordei doorglijden, waardoor de onderbuik en nek zwaar belast kunnen worden. Hierdoor kan inwendig letsel ontstaan. Houd de rugleuningen daarom tijdens het rijden altijd zo comfortabel mogelijk rechtop.

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 1

Verwarmen van de voorstoelen (indien van toepassing)

De voorstoelen kunnen onafhankelijk van elkaar worden verwarmd als het contact in stand ON staat. Als u de schakelaar van de stoelverwarming indrukt, regelt een thermostaat de stoeltemperatuur. Druk nogmaals op de schakelaar om de stoelverwarming uit te schakelen.

\* OPMERKING

  • De stoelverwarming werkt niet als de omgevingstemperatuur te hoog is.
  • Laat de stoelverwarming controleren door een officielle dealer wanneer de verwarming niet werkt bij een omgevingstemperatuur die lager is dan 24 °C (75 °F).
  • Gebruik voor het reinigen van de stoelen geen organisch oplosmiddel, zoals thinner, alcohol of wasbenzine. Hierdoor kan de stoelverwarming en de stoel zelf beschadigd worden.
  • Plaats geen dekens, kussens of stoelhoezen over de stoel als de stoelverwarming is ingeschakeld. Dit kan leiden tot oververhitting.
  • Plaats geen zware of scherpe voorwerpen op stoelen die zijn voorzien van stoelverwarming. Hierdoor kunnen de onderdelen van de stoelverwarming beschadigd raken.

WAARSCHUWING

Wees erg voorzichtig bij het gebruik van de stoelverwarming vanwege het gevaar voor oververhitting, waardoor brand kan ontstaan. Vooral de volgende categorieën personen dienen erg voorzichtig te zijn:

  1. Kinderen, ouderen, gehandicapten en ziekenhuispatiënten
  2. Personen met een gevoelige huid
  3. Vermoeide personen
  4. Dronken personen
  5. Personen die onder invloed zijn van medicijnen die het reactievermogen verminderen of slaap opwekken

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 1

Afstellen van hoofdsteun

Adjusting the height up and down Afstellen van hoogte

De hoofdsteun is niet alleen comfortabel, maar beschermt tevens hoofd en nek van de inzittenden bij een aanrijding.

Hoger: trek de hoofdsteun omhoog om hem in de gewenste positie (1) te zetten. Lager: druk de ontgrendelknop (2) in en laat de hoofdsteun in de gewenste positie (3) zakken. De hoofdsteun biedt de meeste bescherming als het midden van de hoofdsteun zich op gelijke hoogte met het oor bevindt. Zorg ervoor dat afstand tussen hoofd en hoofdsteun overeenkomt met de breedte van de vuist.

1 2 1 1JBA3021

Verwijderen

Trek de hoofdsteun zo ver mogelijk omhoog en druk vervolgens de ontgrendelknop (1) in om de hoofdsteun te verwijderen (2).

KIA Rio III - Afstellen van hoofdsteun - 2

Armsteun (indien van toepassing)

Om de armsteun te gebruiken, trekt u hem uit de rugleuning naar voren.

WAARSCHUWING

Rijd niet in een auto waarvan de hoofdsteunen verwijderd zijn of onjuist afgesteld zijn. Dit om de kans op letsel zoveel mogelijk te beperken.

Probeer nooit de hoofdsteun tijdens het rijden te verstellen.

Achterstoelen

In delen neerklapbare achterbank (indien van toepassing)

De rugleuning van de achterbank kan naar voren worden geklapt waardoor extra bagageruimte ontstaat en de bagageruimte van binnenuit toegankelijk is.

  • Trek de ontgrendelknop omhoog om de rugleuning(en) voorover te klappen.
  • Omhoog klappen: til de rugleuning omhoog en druk deze naar achteren totdat hij vastklikt.

Als de rugleuning rechtop staat en vergrendeld is, is het rode gedeelte van de knop niet zichtbaar.

- Plaats bij het omhoog klappen van de rugleuning de veiligheidsgordels in hun oorspronkelijke positie zodat ze op de juiste manier gebruikt kunnen worden.

KIA Rio III - In delen neerklapbare achterbank (indien van toepassing) - 1

4-deurs (indien van toepassing)

  1. Zet de rugleuning van de voorstoel rechtop en schuif de voorstoel naar voren.
  2. Zet de hoofdsteun in de laagste positie.
  3. Druk de ontgrendelknop in op de gordelsluiting (B) en verwijder de gesp (A). (indien van toepassing)

KIA Rio III - 4-deurs (indien van toepassing) - 1

  1. Trek aan de ontgrendelhendel (1). Als de rugleuning niet vergrendeld is, is het rode deel (a) van de knop zichtbaar.

KIA Rio III - 4-deurs (indien van toepassing) - 2

  1. Houd de heup/schoudergordel achter opzij (2) zodat hij niet in de weg zit als de rugleuning naar beneden wordt geklapt (3).

KIA Rio III - 4-deurs (indien van toepassing) - 3

  1. Klap de rugleuning naar voren en omlaag (4).

KIA Rio III - 4-deurs (indien van toepassing) - 4

5-deurs (indien van toepassing)

  1. Zet de rugleuning van de voorstoel rechtop en schuif de voorstoel naar voren.
  2. Til de voorzijde van de zitting (1) op.

KIA Rio III - 5-deurs (indien van toepassing) - 1

  1. Til de achterzijde van de zitting (2) op.

1JBA3504 1JBA3505

  1. Klap de zitting naar voren (3).
  2. Verwijder de hoofdsteun en stop de pennen van de hoofdsteun in de gaten aan de achterzijde van de zitting (4).

5 1JBA3506 6 1JBA3507

  1. Trek aan de ontgrendelhendel (5).
  2. Klap de rugleuning naar voren en omlaag (6).

4-deurs 5-deurs 1JBE3053 1JBE3053A

\* OPMERKING

Plaats de gordelsluiting in de uitsparing tussen de zitting en de rugleuning wanneer u de rugleuning voorover klapt of wanneer u bagage op de achterbank plaatst. Hierdoor wordt voorkomen dat de gordelsluiting beschadigd raakt.

(Indien van toepassing) 1 TJBA3215

\* OPMERKING

Door de veiligheidsgordel door de geleider te leiden wordt voorkomen dat ze achter of onder de achterbank bekneld raken. Vergeet niet bij het omhoogklappen van de rugleuning de schoudergordels in de juiste positie te plaatsen.

KIA Rio III - \* OPMERKING - 1

Terugklappen van de achterbank:

  1. Beweeg het schouderdeel (1, indien van toepassing) van de achterste veiligheidsgordel opzij, zodat het niet in de weg zit.
  2. Til de rugleuning omhoog en druk deze stevig naar achteren totdat hij vastklikt (2).
  3. Druk de hoofdsteun en de zitting omlaag in hun oorspronkelijke positie. (5-deurs, indien van toepassing).
  4. Plaats de veiligheidsgordel weer in de juiste positie.

VOORZICHTIG

  • Vergeet niet bij het omhoogklappen van de rugleuning de schoudergordels in de juiste positie te plaatsen.
  • Verwijder nooit de vloerbedekking uit uw auto. Door de emissieregeling kan de temperatuur van de uitlaat onder de bodemplaat zeer hoog worden.

WAARSCHUWING

- Bagage

Bagage moet altijd zodanig worden vastgezet dat het niet kan gaan schuiven en de inzittenden kan verwonden.

Z VOORZICHTIG

  • Zet de motor uit en de transmissie in stand P en bedien de parkeerrem alvorens bagage in of uit te laden. Anders zou de auto kunnen gaan rijden als de selectiehendel per ongeluk wordt verplaatst.
  • Wees voorzichtig tijdens het laden van de auto tussen de achterstoelen om schade aan het interieur te voorkomen.
  • Zet de lading goed vast, zodat deze niet los kan raken tijdens het rijden. Losliggende lading kan persoonlijk letsel en schade aan de auto veroorzaken.

KIA Rio III - Z VOORZICHTIG - 1

Armsteun (indien van toepassing)

De armsteun bevindt zich in het midden tussen de achterstoelen. Kantel de armsteun omlaag uit de rugleuning.

1 2 3 1JBA3033

Afstellen van hoofdsteun (indien van toepassing)

Afstellen van hoogte

De hoofdsteun is niet alleen comfortabel, maar beschermt tevens hoofd en nek van de inzittenden bij een aanrijding.

Hoger: trek de hoofdsteun omhoog om hem in de gewenste positie (1) te zetten. Lager: druk de ontgrendelknop (2) in en laat de hoofdsteun in de gewenste positie (3) zakken. De hoofdsteun biedt de meeste bescherming als het midden van de hoofdsteun zich op gelijke hoogte met het oor bevindt. Zorg ervoor dat afstand tussen hoofd en hoofdsteun overeenkomt met de breedte van de vuist.

2 1 1JBA3034

Verwijderen

Trek de hoofdsteun zo ver mogelijk omhoog en druk vervolgens de ontgrendelknop (1) in om de hoofdsteun te verwijderen (2).

WAARSCHUWING

Rijd niet in een auto waarvan de hoofdsteunen verwijderd zijn of onjuist afgesteld zijn. Dit om de kans op letsel zoveel mogelijk te beperken.

VEILIGHEIDSGORDELS

KIA Rio III - VEILIGHEIDSGORDELS - 1

Gordelspanner veiligheidsgordel (indien van toepassing)

De veiligheidsgordels van de bestuurder en van de voorpassagier zijn uitgerust met gordelspanners. Het doel van de gordelspanner is ervoor te zorgen dat de veiligheidsgordel strak tegen het lichaam van de inzittende ligt bij bepaalde frontale aanrijdingen. De gordelspanners worden samen met de airbags geactiveerd, als de frontale aanrijding ernstig genoeg is.

Z VOORZICHTIG

Zowel de gordelspanner voor de bestuurder als die voor de voorpassagier wordt bij bepaalde frontale aanrijdingen geactiveerd. De gordelspanners worden samen met de airbags geactiveerd, als de frontale aanrijding ernstig genoeg is. De gordelspanners zullen in dat geval ook worden geactiveerd als er niemand op de stoel zit op het moment van de aanrijding.

1 2 3 1LDE3100

Het gordelspannersysteem bestaat hoofdzakelijk uit de volgende onderdelen. De plaats hiervan wordt in de afbeelding aangegeven.

(1) Waarschuwingslampje AIRBAG
(2) Gordelspanner
(3) Airbagmodule

WAARSCHUWING

Om een maximaal effect van een veiligheidsgordel met gordelspanner te krijgen:

  • Moet de veiligheidsgordel op de juiste manier gedragen worden.
  • Moet de veiligheidsgordel op de juiste positie worden afgesteld.

Z VOORZICHTIG

Wanneer de gordeispanners geactiveerd worden, kan een luide knal hoorbaar zijn en kan er rook zichtbaar worden in het passagierscompartiment. Deze rook is ongevaarlijk.

De fijne stof is normaal gesproken onschadelijk, maar kan bij personen met een gevoelige huid irritatie veroorzaken. Tevens dient langdurig inademen van de stof vermeden te worden. Was uw handen en gezicht zorgvuldig na een ongeval waarbij de airbags en/of gordelspanners zijn geactiveerd.

VOORZICHTIG

  • Omdat de sensor die de airbag activeert, in verbinding staat met de gordelspanner, zal het waarschuwingslampje AIRBAG in het dashboard gedurende ongeveer 6 seconden gaan knipperen nadat het contact in stand ON of ACC wordt gezet. Daarna zou het lampje uit moeten gaan.
    • Als de gordelspanner niet goed werkt, zal dit waarschuwingslampje gaan branden, ook al is er geen defect aan het airbagsysteem. Als het waarschuwingslampje AIRBAG niet gaat branden als het contact in de stand ON wordt gezet, als het niet uitgaat nadat het gedurende ongeveer 6 seconden heeft gebrand, of als het gaat branden tijdens het rijden, laat dan het gordelspanner- en/of het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.

VOORZICHTIG

Het mechanisme van de gordelspanners wordt tijdens het activeren heet.

Raak de onderdelen van het gordelspannersysteem niet aan nadat ze geactiveerd zijn.

WAARSCHUWING

  • Gordelspanners zijn ontworpen voor eenmalig gebruik. Wanneer een gordelspanner geactiveerd is geweest, moet deze worden vervangen. Alle veiligheidsgordels die tijdens een aanrijding zijn gebruikt, moeten compleet vervangen worden.
  • Probeer nooit zelf de gordelspanners te controleren of te vervangen. Laat dit over aan een officiële Kia-dealer.

WAARSCHUWING

  • Sla niet op de onderdelen van het gordelspannersysteem.
  • Probeer nooit, op wat voor manier dan ook, onderhoud of reparaties uit te voeren aan het gordelspannersysteem.
  • Een onjuiste behandeling van de onderdelen van het gordelspannersysteem en het niet opvolgen van de waarschuwingen kunnen leiden tot een onvolledige werking of het onverhoeds activeren van de gordelspanner en tot ernstig leisel.

Draag te allen tijde de veiligheidsgordel wanneer u in een auto rijdt of meerijdt.

Veiligheidsgordels

Om de kans op ernstig letsel ten gevolge van een aanrijding te minimaliseren, dienen bestuurder en passagiers altijd de veiligheidsgordel te dragen. Kinderen moeten in een geschikt kinderzitje plaatsnemen. De aanwezigheid van airbags verandert hier niets aan. Integendeel, de airbags kunnen alleen goed werken als de inzittenden goed op hun plaats worden gehouden. Zorg ervoor dat u bekend bent met de informatie in dit hoofdstuk, inclusief de informatie over kinderzitjes. Lees ook de veiligheidsaanwijzingen op de zonnekleppen in uw auto.

Wij raden bestuurder en alle passagiers sterk aan de in de auto aanwezige veiligheidsgordels altijd op de juiste manier te dragen. Het juiste gebruik van de veiligheidsgordels vermindert het risico van ernstig letsel bij aanrijdingen of bij onverwachts remmen.

Alle zitplaatsen (al dan niet inclusief de middelste zitplaats achter) zijn uitgerust met driepuntsgordels. Een vertraging in de blokkeerautomaten zorgt ervoor dat de veiligheidsgordels onder normale omstandigheden niet geblokkeerd zijn. Hierdoor hebben de inzittenden een beetje bewegingsruimte en wordt het comfort van de veiligheidsgordels verbeterd. Wanneer krachten worden uitgeoefend op de auto, zoals bij krachtig remmen, een scherpe bocht of bij een aanrijding, zullen de blokkeerautomaten de veiligheids-gordels automatisch blokkeren. Aangezien de vertraging in de automaat ook buiten een aanrijding om kan blokkeren, zou u tijdens het remmen of in een scherpe bocht kunnen merken dat de veiligheidsgordels geblokkeerd worden.

Bevestig kinderzitjes altijd op de achterbank.

Wanneer de middelste zitplaats achter niet beschikbaar is, mag een kinderzitje gebruikt worden op de buitenste zitplaats achter. Plaats een kinderzitje nooit op de voorstoel, omdat een geactiveerde airbag op die positie ernstig letsel kan veroorzaken bij kleine kinderen.

Veiligheidsgordels bieden de beste bescherming wanneer:

  • De rugleuning rechtop staat.
  • De inzittende rechtop zit (rechte rug).
  • De heupgordel strak over de heupen zit.
  • De schoudergordel strak over het bovenlichaam zit.
  • De knieën recht naar voren wijzen.

WAARSCHUWING - Na een aanrijding

  • Veiligheidsgordels kunnen beschadigd raken als ze blootgesteld worden aan grote trekkrachten.
  • Alle veiligheidsgordels moeten altijd na een botsing gecontroleerd worden. Alle veiligheidsgordels die tijdens een ernstige aanrijding zijn gebruikt, moeten compleet vervangen worden. Laat de bevestigingspunten indien nodig op de juiste wijze repareren.

WAARSCHUWING

- Kofferruimte (indien van toepassing)

Laat nooit passagiers meerijden in de kofferruimte. Er zijn geen veiligheidsriemen gemonteerd in de kofferruimte. Personen die in een auto rijden zonder dat zij in de veiligheidsriemen zitten, lopen een veel grotere kans dat zij bij een ongeluk ernstig lichamelijk letsel oplopen of komen te overlijden.

WAARSCHUWING -

Gedraaide veiligheidsgordels Een gedraaide of klemmende veiligheidsgordel biedt onvoldoende bescherming.

Ga onmiddellijk naar een officiële Kia-dealer wanneer u de veiligheidsgordel niet in orde kunt krijgen. Draag nooit een gedraaide of bekneid zittende veiligheidsgordel.

WAARSCHUWING

- Gebruik van gordels

Veiligheidsgordels werken alleen goed als ze correct worden gedragen. ledere zitplaats in uw auto beschikt over een specifieke veiligheidsgordel die bestaat uit een bij elkaar passende gordelsluiting en een gesp.

Volg de onderstaande aanwijzingen voor de meest effectieve werking van de veiligheidsgordels:

- Gebruik de schoudergordel alleen voor de buitenste schouder. Draag nooit de schoudergordel onder de arm door.

- Draag nooit de veiligheidsgordel rond de hals zodat de gordel over de binnenste schouder loopt.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel om de hals of over het gezicht.

- Draag de heupgordel zo laag mogelijk. Zorg ervoor dat de heupgordel goed over de heupen past. Draag de heupgordel nooit over de middel, maar altijd over de heupen, waar het lichaam het sterkst is.

- Gebruik een veiligheidsgordel nooit voor meerdere personen.

- De rugleuningen van de voorstoelen moeten tijdens het rijden altijd zo comfortabel mogelijk rechtop worden gehouden.

WAARSCHUWING -

Onderhoud veiligheidsgordels

  • Een beschadigde veiligheidsgordel biedt onvoldoende bescherming bij een aanrijding.
  • De veiligheidsgordels dienen regelmatig op slijtage en beschadigingen gecontroleerd te worden. Trek alle gordels volledig uit en controleer ze op de aanwezigheid van rafels, insnijdingen, brandplekken en andere beschadigingen. Laat de veiligheidsgordels een aantal keer af- en oprollen. Controleer of de gordels soepel en goed oprollen.
  • Controleer of de sluitingen zonder problemen en direct vast- of losklikken.
  • Sluit nooit de portieren wanneer er een veiligheids-gordel tussen zit.
    • Ledere gordel die niet in orde is of niet goed werkt, moet direct vervangen worden.

Z VOORZICHTIG

Sluit nooit de portieren wanneer er een veiligheidsgordel tussen zit. De veiligheidsgordel of de gordelsluiting kan hierdoor beschadigd raken en de kans op letsel bij een ongeval verhogen.

KIA Rio III - Z VOORZICHTIG - 1

Waarschuwingslampje en - zoemer veiligheidsgordel

Type A

Als herinnering voor bestuurder en passagiers licht telkens als het contact in stand ON wordt gezet het waarschuwingslampje van de veiligheidsgordels gedurende 6 seconden op.

Dit gebeuri ook als de veiligheidsgordel weer losgemaakt wordt als het contact in stand ON staat.

Wanneer de veiligheidsgordel van de bestuurder niet vastgemaakt is, zal gedurende ongeveer 6 seconden een waarschuwingszoemer klinken zodra het contact in stand ON wordt gezet. Dit gebeurt ook als de veiligheidsgordel weer losgemaakt wordt als het contact in stand ON staat. (indien van toepassing)

Type B

Als herinnering voor bestuurder en passagiers gaat telkens als het contact in stand ON wordt gezet het waarschuwingslampje van de veiligheidsgordels gedurende 6 seconden knipperen of branden.

Wanneer de veiligheidsgordel van de bestuurder niet vastgemaakt is als het contact in stand ON staat, zal het waarschuwingslampje gaan knipperen of branden. Dit gebeurt ook als de veiligheidsgordel weer losgemaakt wordt als het contact in stand ON staat.

Wanneer de driepuntsgordel van de bestuurder niet vastgemaakt is, het contact in stand ON is gezet en de rijsnelheid hoger wordt dan ongeveer 9 km/h zal de waarschuwingszoemer van de veiligheidsgordel ongeveer 100 seconden klinken nadat het waarschuwingslampje ongeveer één minuut geknipperd heeft.

Wanneer de driepuntsgordel van de bestuurder wordt losgenomen nadat het contact in stand ON is gezet en de rijsnelheid hoger is dan ongeveer 9 km/h zal de waarschuwingszoemer van de veiligheidsgordel ongeveer 100 seconden klinken.

Maar als de veiligheidsgordel losgenomen wordt binnen 9 seconden nadat de gordel is omgedaan, zullen de waarschuwingszoemer en het waarschuwingslampje voor de veiligheidsgordel niet werken.

KIA Rio III - Type B - 1

Vastmaken van de driepuntsgordel vóór:

  1. Pak de gordelsluiting en de gesp vast.
  2. Trek de gordel langzaam uit de blokkeerautomaat.

1 2 1JBH2263

  1. Steek de gesp (1) in de opening van de gordelsluiting (2) totdat een klik hoorbaar is. De klik geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is.

1 2 1 1JBH2264

  1. Leg het heupgedeelte (1) ZO LAAG MOGELIJK OM DE HEUPEN om het risico dat u bij een aanrijding onder de gordel doorschiet zoveel mogelijk te beperken. Stel de gordel af door het schoudergedeelte (2) STRAK tegen het lichaam aan te trekken. De oprolautomaat is ontworpen om een teveel aan speling automatisch op te heffen en de gordel de benodigde spanning te geven. Houd, voor een optimale veiligheid, de veiligheidsgordel niet slapper dan noodzakelijk.

A 1 2 3 1JBA3036

  1. Stel het bevestigingspunt af op uw lengte. Omhoog: druk het bevestigingspunt naar boven (1). Omlaag: druk (2) de knop (A) in en schuif het bevestigingspunt naar beneden (3). Controleer na het afstellen of het bevestigingspunt vergrendeld is.

KIA Rio III - Vastmaken van de driepuntsgordel vóór: - 4

Losmaken van de driepuntsgordel vóór:
Druk de ontgrendelknop op de gordelsluiting in en laat de gordel langzaam oprollen.

WAARSCHUWING

  • De rugleuningen moeten tijdens het rijden altijd zo comfortabel mogelijk rechtop worden gehouden. De veiligheidsgordels bieden de meeste bescherming wanneer de rugleuningen rechtop staan.
  • Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel onder de arm of achter de rug langs.
  • Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheids-gordel om de hals of over het gezicht.
  • Draag het heupgedeelte van de veiligheidsgordel zo laag mogelijk over de heupen. Zorg ervoor dat de heupgordel goed over de heupen past. Draag nooit de heupgordel rond uw middel.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Draag nooit een gedraaide of bekneld zittende veiligheidsgordel.

Ga onmiddellijk naar de dichtstbijzijnde Kia-dealer wanneer u de veiligheidsgordel niet in orde kunt krijgen.

- Gebruik een veiligheidsgordel nooit voor meerdere personen.

Door het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregelen kan de kans op en de ernst van letsel bij een aanrijding toenemen.

1 2 1JBH2263

Driepuntsgordel achter

Driepuntsgordels achter vastmaken:

  1. Pak de gordelsluiting en de gesp vast.
  2. Trek de gordel langzaam uit de blokkeerautomaat.
  3. Steek de gesp (1) in de opening van de gordelsluiting (2) totdat een klik hoorbaar is. De klik geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is.

1 2 1 1JBH2264

  1. Leg het heupgedeelte (1) ZO LAAG MOGELIJK OM DE HEUPEN om het risico dat u bij een aanrijding onder de gordel doorschiet zoveel mogelijk te beperken. Stel de gordel af door het schoudergedeelte (2) STRAK tegen het lichaam aan te trekken. De oprolautomaat is ontworpen om een teveel aan speling automatisch op te heffen en de gordel de benodigde spanning te geven. Houd, voor een optimale veiligheid, de veiligheidsgordel niet slapper dan noodzakelijk.

KIA Rio III - Driepuntsgordels achter vastmaken: - 2

Druk de ontgrendelknop op de gordelsluiting in en laat de gordel langzaam oprollen.

WAARSCHUWING

  • Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheids-gordel onder de arm of achter de rug langs.
  • Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheids-gordel om de hals of over het gezicht.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Draag het heupgedeelte van de veiligheidsgordel zo laag mogelijk over de heupen. Zorg ervoor dat de heupgordel goed over de heupen past. Draag nooit de heupgordel rond uw middel.
  • Draag nooit een gedraaide of bekneld zittende veiligheidsgordel.

Ga onmiddellijk naar de dichtstbijzijnde Kia-dealer wanneer u de veiligheidsgordel niet in orde kunt krijgen.

- Gebruik een veiligheidsgordel nooit voor meerdere personen.

Door het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregelen kan de kans op en de ernst van letsel bij een aanrijding toenemen.

Afrollen 1JBH2265

Heupgordel (indien van toepassing)

Vastmaken van heupgordel:

  1. Pak de gordelsluiting vast en trek deze over de onderbuik.

1 2 1 1JBH2266

  1. Steek de gesp (1) in de opening van de gordelsluiting (2) toldat een klik hoorbaar is. De klik geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is. Zorg ervoor dat de gordel niet verdraaid zit.

Stel strak af 1JBH2267

  1. Trek het losse uiteinde van de gordel zodanig strak dat de gordel goed en zo laag mogelijk over de heupen past. Houd de gesp haaks op de gordel en trek eraan om de gordel langer te maken.

Te hoog Zo laag mogelijk over de heupen leggen 1JBH2268

  1. Zorg ervoor dat de gordel zo LAAG MOGELIJK over de heupen geplaatst is.

KIA Rio III - (Vervolg) - 5

Losmaken van heupgordel:

Druk de ontgrendelknop (1) op de gordelsluiting in.

WAARSCHUWING

- Heupgordel

Zorg ervoor dat de heupgordel strak over de heupen ligt en niet over uw middel. Wanneer u de heupgordel niet over de heupen draagt maar rond uw middel kan de kans op en de ernst van letsel bij een aanrijding toenemen.

Driepuntsgordel 1JBA3046

KIA Rio III - - Heupgordel - 2

Gebruik voor het bevestigen van de middelste veiligheidsgordel achter de gordelsluiting met de aanduiding CENTER.

KIA Rio III - - Heupgordel - 3

Vergeet niet bij het omhoogklappen van de rugleuning de schoudergordels in de juiste positie te plaatsen. Door de veiligheidsgordel door de geleider te leiden wordt voorkomen dat ze achter of onder de achterbank bekneld raken.

KIA Rio III - - Heupgordel - 4

Middelste driepuntsgordel achter (indien van toepassing)

Vastmaken van de middelste gordel achter

  1. Steek de gesp (A) in de opening van de gordelsluiting (B) totdat een klik hoorbaar is. De klik geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is. Zorg ervoor dat de gordel niet verdraaid zit.

KIA Rio III - - Heupgordel - 5

  1. Trek de gesp (C) naar buiten en steek hem in de opening van de gordelsluiting (D) totdat een klik hoorbaar is. De klik geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is. Zorg ervoor dat de gordel niet verdraaid zit.

Wanneer de gesp in de gordelsluiting vergrendelt, is een klik hoorbaar. De gordel past zich automatisch aan aan de juiste lengte nadat de heupgordel met de hand goed passend om de heupen is gelegd. Wanneer u langzaam naar voren buigt, rolt de gordel af zodat u meer bewegingsruimte hebt. Bij een noodstop of een aanrijding zal de gordel geblokkeerd worden. Daarnaast zal de gordel blokkeren wanneer u te snel naar voren buigt.

WAARSCHUWING

Maak de tong en het bevestigingspunt en de gordelsluiting vast wanneer u de gordel van de middelste zitplaats achter gebruikt. Wanneer gespen of gordelsluitingen los zijn, kunnen ze de kans op letsel bij een aanrijding vergroten.

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 1

Losmaken van de middelste gordel achter

  1. Druk de ontgrendelknop in op de gordelsluiting (D) en verwijder de gesp (C).

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 2

  1. Druk de ontgrendelknop in op de gordelsluiting (B) en verwijder de gesp (A). (4-deurs, indien van toepassing) De gordel wordt nu automatisch opgerold.

WAARSCHUWING

- Maak de gespen en gordelsluitingen vast wanneer u de gordel van de middelste zitplaats achter gebruikt. Wanneer gespen of gordelsluitingen los zijn, kunnen ze de kans op letsel bij een aanrijding vergroten.

- Maak (A) en (B) alleen in de volgende gevallen los.

1) Als de achterbank moet worden neergeklapt.

2) Als bij transport van een object op de achterbank schade kan ontstaan aan de middelste veiligheidsgordel.

- Vergrendel de gesp (A) en de gordelsluiting (B) direct als de achterbank weer wordt opgeklapt.

Juist gebruik en onderhoud van de veiligheidsgordels

Neem de volgende instructies in acht om ervoor te zorgen dat de veiligheidsgordels maximale bescherming bieden:

  • Draag de gordels te allen tijde - ook tijdens korte ritten.
  • Herstel een verdraaide veiligheidsgordel voor het gebruik.
  • Houd scherpe randen en voorwerpen die beschadigingen kunnen veroorzaken uit de buurt van de gordels.
  • Controleer de gordels, de bevestigingspunten, de gordelsluitingen en de overige onderdelen regelmatig op slijtage en beschadigingen. Vervang beschadigde, versleten of dubieuze onderdelen onmiddellijk.

  • Reinig de gordels met een zachte zeepoplossing die speciaal geschikt is voor het reinigen van bekleding en tapijt. Volg de aanwijzingen op het etiket van het reinigingsmiddel.

  • Breng geen aanpassingen of aanvullingen op de veiligheidsgordel aan.
    • Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel na het afdoen voiledig oprolt. Let op dat de gordel niet tussen het portier komt te zitten.

WAARSCHUWING

De gordels niet bleken of verven. Hierdoor kan de sterkte van de vezels afnemen, waardoor de gordels tijdens een aanrijding niet meer optimaal functioneren.

Veiligheidsgordels en zwangere vrouwen

Ook zwangere vrouwen dienen een veiligheidsgordel te dragen, tenzij hun arts daar bezwaar tegen heeft. Het heupgedeelte van de gordel moet zo STRAK en LAAG MOGELIJK gedragen worden.

⚠ WAARSCHUWING - Zwangere vrouwen

Zwangere vrouwen mogen het heupgedeelte van de veiligheidsgordel nooit over of boven de onderbuik dragen.

Veiligheidssystemen voor baby's en kleine kinderen

Voor een optimale veiligheid moeten baby's en kleine kinderen in een geschikt kinderzitje, dat is afgestemd op leeftijd en gewicht, worden vervoerd.

Laat een kind tijdens het rijden nooit knielen of staan op de zitting van een stoel. Laat nooit twee kinderen of een kind en een volwassene op hetzelfde moment gebruik maken van dezelfde veiligheidsgordel.

Laat kinderen bij voorkeur plaatsnemen op de achterbank.

WAARSCHUWING

- Kinderen op schoot

Houd nooit een kind op uw schoot of in uw armen in een rijdende auto.

Zelfs een zeer krachtig persoon kan een kind niet vasthouden bij een lichte aanrijding.

Z VOORZICHTIG

- Hete metalen onderdelen

Veiligheidsgordels en stoelen kunnen warm worden wanneer een auto tijdens warm weer afgesloten heeft gestaan. Kinderen kunnen zich hieraan branden. Controleer de stoelen en de gordelsluitingen voordat u een kind laat plaatsnemen.

Veel bedrijven maken veiligheids- systemen voor baby's en kleinere kinderen (kinderzitjes). Een geschikt kinderzitje moet altijd voldoen aan de veiligheidseisen van het land waarin u woont. Controleer of het kinderzitje dat u in uw auto gebruikt voorzien is van een label waarop staat dat het zitje aan die eisen voldoet.

Bij de keuze van een kinderzitje moet u letten op de grootte van het kind en de afmetingen van de zitplaats in de auto. Zorg ervoor dat u eventuele instructies die door de fabrikant bij het kinderzitje geleverd zijn, opvolgt bij het plaatsen.

Veiligheidsgordels en grotere kinderen

Naarmate kinderen groeien, kunnen grotere kinderzitjes of zitkussens nodig zijn die beter geschikt zijn voor hun lengte.

Kinderen die het kinderzitje ontgroeid zijn, moeten gebruik maken van de in de auto aanwezige veiligheidsgordels. Bij de buitenste zitplaatsen moeten zowel het heupals het schoudergedeelte worden gebruikt.

Probeer het kind verder naar het midden plaats te laten nemen wanneer het schoudergedeelte over de hals of het gezicht van het kind loopt. Maak gebruik van een kinderzitje wanneer de schoudergordel hun gezicht of hals nog steeds raakt. Ook is het mogelijk om in de handel verkrijgbare voorzieningen te gebruiken die de veiligheidsgordel omlaag houden, zodat deze niet het gezicht of de hals raakt.

⚠ WAARSCHUWING - Schoudergordels en kleine kinderen

- Laat een schoudergordel nooit het gezicht of de hals van een kind raken tijdens het rijden.

- Wanneer de veiligheidsgordels niet op de juiste manier gedragen worden en afgesteld zijn, is de kans op ernstig letsel voor zo'n kind hoog.

Kinderzitjes (indien van toepassing)

Voor kleine kinderen en baby's wordt het gebruik van een kinderzitje sterk aanbevolen. Dit kinderzitje moet de juiste maat hebben voor het kind en dient volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant te worden geplaatst. Verder wordt aanbevolen dat het zitje op de achterbank van het voertuig wordt geplaatst, aangezien dat een belangrijke bijdrage aan de veiligheid kan leveren.

Om de kans op letsel bij een ongeval, hard remmen of plotselinge manoeuvre te minimaliseren, kunnen kinderen het beste op de achterbank zitten en dienen ze altijd goed beschermd te zijn. Volgens ongevallenstatistieken zijn kinderen veiliger in een kinderzitje op de achterbank dan in een kinderzitje op de voorstoel. Grotere kinderen dienen een van de in de auto aanwezige veiligheidsgordeis te gebruiken.

U bent volgens de wet verplicht veiligheidssystemen voor kinderen te gebruiken. Als er kleine kinderen meerijden in uw voertuig dient u gebruik te maken van een kinderzitje.

Zonder adequate bescherming kunnen kinderen ernstig letsel oplopen bij een ongeval. Kleine kinderen en baby's moeten in een kinderzitje geplaatst worden. Voordat u een bepaald kinderzitje koopt, moet u eerst controleren of het in uw auto past en of het de juiste maat heeft voor uw kind. Volg bij het plaatsen van het kinderzitje altijd de gebruiksaanwijzing van de fabrikant.

AIRBAG 1JBH3051

WAARSCHUWING

- Een kinderzitje dient op de achterbank geplaatst te worden. Installeer een kinderzitje nooit op de passagiersstoel.

Mocht er zich een ongeval voordoen waarbij de passagiersairbag opgeblazen wordt, dan kan de airbag een kind in een kinderzitje ernstig letsel toebrengen. Gebruik daarom een kinderzitje alleen op de achterbank van uw voertuig.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Aangezien een veiligheidsgordel of kinderzitje zeer warm kunnen worden als ze in een gesloten voertuig worden achtergelaten, dient u altijd de bekleding en gordelsluitingen te controleren voordat u uw kind in de auto zet.
  • Doe het kinderzitje in de bagageruimte of maak het vast met een veiligheidsgordel als het niet gebruikt wordt, zodat het niet naar voren geworpen wordt bij hard remmen of een ongeval.
  • Kinderen die te groot zijn voor een kinderzitje dienen op de achterbank plaats te nemen en gebruik te maken van de aanwezige driepuntsgordels. Laat kinderen nooit op de passagiersstoel meerijden.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Let erop dat het schoudergedeelte van de gordel altijd over het midden van de schouder loopt, en nooit over de nek of achter de rug. Wanneer het schoudergedeelte niet goed aansluit, kan het helpen als uw kind iets meer richting het midden van de auto gaat zitten. Het heupgedeelte van de driepuntsgordel dient altijd zo nauwsluitend mogelijk en zo laag mogelijk op de heupen van het kind geplaatst te worden.
    • Als de veiligheidsgordel niet goed past, raden wij u aan om een goedgekeurd zitkussen op de achterbank te plaatsen om zo de zithoogte van het kind te verhogen zodat de gordel wel past.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Laat een kind nooit op de stoel staan of knielen.
  • Gebruik nooit een kinderzitje dat over de rugleuning van een stoel "vasthaakt"; een dergelijk zitje biedt mogelijk geen adequate bescherming bij een ongeval.
  • Laat nooit iemand een kind vasthouden in een rijdend voertuig. Dit kan bij een ongeval of hard remmen leiden tot ernstig letsel van het kind. Een kind vasthouden in een rijdend voertuig biedt het kind geen enkele bescherming tijdens een ongeval, zelfs al heeft degene die het kind vasthoudt een veiligheidsgordel om.

Installatie op de achterste zitplaatsen

WAARSCHUWING

  • Lees voor u het kinderzitje installeert eerst de handleiding van de fabrikant.
  • Wanneer u de aanwijzingen in dit instructieboekje en de instructies bij het kinderzitje niet opvolgt, kan de kans en de ernst van letsel bij een aanrijding toenemen.

▲ WAARSCHUWING

  • Installeer geen kinderzitje op de passagiersstoel. Mocht er zich een ongeval voordoen waarbij de passagiersairbag opgeblazen wordt, dan kan de airbag een kind in een kinderzitje ernstig letsel toebrengen. Gebruik daarom een kinderzitje alleen op de achterbank van uw voertuig.
  • Als een kinderzitje niet goed bevestigd wordt, neemt de kans op ernstig letsel bij een ongeval aanzienlijk toe.

KIA Rio III - ▲ WAARSCHUWING - 1

Installeren van een kinderzitje met behulp van een driepuntsgordel (op de buitenste zitplaats van de achterbank) Volg voor het installeren van een kinderzitje op de buitenste zitplaats van de achterbank de volgende stappen:

  1. Plaats het kinderzitje op de gewenste positie.
  2. Trek de driepuntsgordel uit de blokkeerautomaat.

KIA Rio III - ▲ WAARSCHUWING - 2

  1. Voer de driepuntsgordel door het kinderzitje volgens de instructies van de fabrikant.

KIA Rio III - ▲ WAARSCHUWING - 3

  1. Maak de gordel vast en zorg ervoor dat de gordel overal goed aansluit. Controleer na het installeren of het kinderzitje goed vastzit door het in alle richtingen te bewegen.
    Als de gordel strakker moet, beweeg dan meer band richting de blokkeerautomaat. Wanneer u de gordel losmaakt zodat die ingetrokken wordt, gaat de blokkeerautomaat automatisch terug naar de stand waarin hij normaal blokkeert in een noodsituatie.

KIA Rio III - ▲ WAARSCHUWING - 4

Monteren van een kinderzitje met behulp van een systeem met bevestigingsbanden (indien van toepassing)
De haakhouders voor het kinderzitje bevinden zich op de hoedenplank of op de vloer achter de achterbank.

  1. Verwijder de afdekkap van de bevestigingspunten voor de banden op de hoedenplank of vloer achter de achterbank.

KIA Rio III - ▲ WAARSCHUWING - 5

  1. Voer de band van het kinderzitje over de rugleuning.

Voer bij voertuigen met verstelbare hoofdsteun de band onder de hoofdsteun en tussen de stijlen van de hoofdsteun door. Voer in andere gevallen de band over de bovenkant van de hoofdsteun.

  1. Plaats de haak van de band in de haakhouder van het kinderzitje en trek de band strak om het zitje vast te zetten.

Monteren van een kinderzitje met behulp van een ISOFIX-systeem en een systeem met bevestigingsbanden (indien van toepassing)

ISOFIX is een gestandaardiseerde methode voor het monteren van kinderzitjes die een einde maakt aan het vastmaken van kinderzitjes met de standaard veiligheidsgordel. Hierdoor is een veel veiligere en meer betrouwbare bevestiging mogelijk en verloopt bovendien het installeren een stuk eenvoudiger en sneller.

Een ISOFIX-kinderzitje mag alleen worden gebruikt als het specifiek is goedgekeurd voor uw auto volgens de eisen die gesteld zijn in de Europese norm ECE-R44.

KIA Rio III - ▲ WAARSCHUWING - 6

Aan elke zijde van de zitplaats achter, tussen de zitting en de rugleuning, bevinden zich twee ISOFIX-bevestigingspunten in combinatie met een bevestigingspunt voor de bovenste band op de hoedenplank. Tijdens het installeren moet het zitje in de bevestigingspunten worden vastgeklikt (controleer of het zitje vastzit door eraan te trekken!) en worden vastgezet met de bovenste bevestigingsband op het bijbehorende punt op de hoedenplank of de vloer.

Volg bij het installeren en gebruiken van een kinderzitje de installatiehandleiding die bij het ISOFIX-zitje wordt geleverd.

KIA Rio III - ▲ WAARSCHUWING - 7

Vastzetten van het kinderzitje

  1. Om het kinderzitje vast te zetten in het ISOFIX-bevestigingspunt dient u de vergrendeling van het kinderzitje in het ISOFIX-bevestigingspunt vast te klikken. Controleer of een klikkend geluid hoorbaar is.
  2. Plaats de haak van de band in de haakhouder van het kinderzitje en trek de band strak om het zitje vast te zetten. (Zie de vorige bladzijde)

WAARSCHUWING

- Installeer geen kinderzitje in het midden van de achterbank met behulp van de ISOFIX-bevestigingen. De ISOFIX-bevestigingen zijn alleen bedoeld voor de buitenste zitplaatsen links en rechts op de achterbank. Misbruik de ISOFIX-bevestigingen niet door te proberen een kinderzitje in het midden van de achterbank te monteren. Bij een ongeval zijn de ISOFIX-bevestigingen voor een kinderzitje dan mogelijk niet sterk genoeg om het kinderzitje op zijn plaats te houden in het midden van de achterbank. De bevestigingen kunnen dan afbreken en ernstig letsel veroorzaken.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Monteer niet meer dan één kinderzitje aan een van de onderste bevestigingspunten. Het extra gewicht kan ertoe leiden dat de bevestigingspunten of - banden afbreken, wat ernstig letsel kan veroorzaken.
  • Bevestig het ISOFIX-kinderzitje of het voor ISOFIX geschikte kinderzitje alleen aan de daarvoor bestemde bevestigingspunten, zoals aangegeven in de afbeelding.
  • Volg altijd de instructies voor installatie en gebruik van de fabrikant van het kinderzitje.

Geschikte positie voor een kinderzitje

Gebruik kinderzitjes die officieel goedgekeurd zijn en die geschikt zijn voor uw kinderen. Zie de volgende tabel voor het gebruik van kinderzitjes.

LeeftijdPositie (4-deurs)Positie (5-deurs)
VoorpassagierBuitenste achterMiddelste achterVoorpassagierBuitenste achterMiddelste achter
0 : Tot 10 kg(0 - 9 maanden)XUUXUU
0+ : Tot 13 kg(0 - 2 jaar)XUUXUU
I : 9 - 18 kg(9 maanden - 4 jaar)XU, L1UXU, L1U
II&III : 15 - 36 kg(4 - 12 jaar)XUFUFXUFUF

X : Zitpositie niet geschikt voor kinderen in deze gewichtsklasse
U : Geschikt voor de categorie "universele" zitjes, goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
UF : Geschikt voor de categorie "universele" in de rijrichting geplaatste zitjes, goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
L1 : Geschikt voor "Römer ISOFIX GR1", goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse (Goedkeuringsnr.: E1 R44-03301133)

AIRBAG - AANVULLEND VEILIGHEIDSSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)

KIA Rio III - AIRBAG - AANVULLEND VEILIGHEIDSSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING) - 1

(1) Airbag bestuurder
(2) Airbag voorpassagier*
(3) AAN/UIT-schakelaar airbag voorpassagier*
(4) Zijairbag *
(5) Curtainbag*
(6) Airbagmodule
(7) Zijairbagsensor*
(8) Airbagsensor vóór*

* : indien van toepassing

KIA Rio III - AIRBAG - AANVULLEND VEILIGHEIDSSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING) - 2

Wat het airbagsysteem doet

De airbags voor bestuurder en voorpassagier zijn ontworpen om, in combinatie met de veiligheidsgordels, een extra bijdrage aan de veiligheid te leveren bij frontale aanrijdingen. De zijairbags en curtainbags zijn bedoeld voor extra bescherming bij aanrijdingen van opzij, ook weer in combinatie met de veiligheidsgordels. Bij lichte aanrijdingen bieden de veiligheidsgordels voldoende bescherming. Bij zwaardere aanrijding bieden de veiligheidsgordels niet altijd voldoende bescherming. Om de bestuurder en de andere inzittenden in de auto bij een aanrijding optimaal te beschermen, moeten ook de veiligheidsgordels op de juiste manier worden gedragen.

Wat het airbagsysteem niet doet

Het airbagsysteem is ontworpen als aanvulling op de veiligheidsgordels. HET KOMT NIET IN DE PLAATS VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS.

De noodzaak van het gebruik van veiligheidsgordels

Er zijn vier belangrijke redenen om veiligheidsgordels te dragen in combinatie met het aanvullend veiligheidssysteem. Ze:

  • Zorgen ervoor dat u in de juiste positie blijft (buiten het bereik van de airbag als deze opgeblazen wordt).
  • Beperken de kans op letsel bij het over de kop slaan van de auto, bij aanrijdingen van achteren of van opzij. Dit omdat de airbag vóór niet ontworpen is om in dergelijke situaties opgeblazen te worden en omdat zelfs zijairbags in bepaalde gevallen niet geactiveerd worden.
  • Beperken de kans op letsel bij frontale aanrijdingen of aanrijdingen van opzij die niet ernstig genoeg zijn om het aanvullend veiligheidssysteem te activeren.
  • Beperken het risico dat u uit uw auto geslingerd wordt.

\* OPMERKING

- Registreerapparaat (indien van toepassing)

De airbagmodule van uw auto is uitgerust met een opnameapparaat dat het gebruik of de status van de veiligheidsgordels van de bestuurder en voorpassagier kan opnemen bij bepaalde aanrijdingen.

▲ WAARSCHUWING -

Airbags en veiligheidsgordels

  • Zelfs in auto's uitgerust met airbags, dienen u en uw passagiers te allen tijde de aanwezige veiligheidsgordels te dragen om de kans op letsel of de ernst daarvan bij een aanrijding of bij het over de kop slaan van de auto te beperken.
  • Draag uw veiligheidsgordel altijd. Deze kan ervoor zorgen dat u tijdens hard afremmen net voor een aanrijding uit de buurt van de airbag blijft.
  • Personen die geen veiligheidsgordel dragen of verkeerd op de stoel zitten kunnen niet voldoende worden beschermd en hebben een grotere kans op ernstig letsel.

(Vervolg)

(Vervolg)

- De voorste airbags zijn zo ontworpen dat ze bij bepaalde frontale aanrijdingen worden geactiveerd. Zijairbags en curtainbags zijn bedoeld voor bepaalde zijdelingse aanrijdingen. Ze bieden geen bescherming bij aanrijdingen van opzij (uitvoeringen zonder zijairbags) of van achteren en ook niet als de auto over de kop gaat en bij lichte frontale aanrijdingen. Zij bieden geen bescherming bij aanrijdingen die het gevolg zijn van een kettingbotsing.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Wanneer er water in uw auto heeft gestaan (bijvoorbeeld natte vloerbedekking/laagje water op de vloer enz.) of wanneer uw auto op enige andere wijze waterschade opgelopen heeft, moet eerst de accukabel worden losgenomen voordat de motor gestart wordt of de sleutel in het contact wordt gestoken. Anders kan de airbag geactiveerd worden waardoor ernstig persoonlijk letsel op kan treden. Laat de auto naar een officiële Kia-dealer slepen om hem te laten controleren en zonodig te laten repareren.

Onderdelen airbagsysteem

De belangrijkste onderdelen van het aanvullend veiligheidssysteem zijn:

  • Om aan te geven dat uw auto is voorzien van airbags, staat op de afdekkappen van de airbags SRS AIRBAG.
  • Airbag bestuurder
  • Airbag voorpassagier
  • Zijairbag
  • Curtainbag
  • Een diagnosesysteem dat de werking van het systeem voortdurend controleert.
  • Een waarschuwingslampje om u op de hoogte te brengen van een mogelijk probleem in het systeem.
  • Een backup-voeding voor het geval het elektrisch systeem van de auto bij een ongeval uitgeschakeld wordt.

KIA Rio III - Onderdelen airbagsysteem - 1

Airbag bestuurder (indien van toepassing)

De airbag van de bestuurder bevindt zich midden in het stuurwiel.

WAARSCHUWING

- Ga altijd zo ver mogelijk van het stuurwiel afzitten (bovenlichaam tenminste 250 mm (10 inch) van het stuurwiel), zonder de comfortabele zitpositie voor de bediening van de auto te verliezen, zodat het risico van ernstig letsel bij een aanrijding beperkt blijft.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Plaats nooit voorwerpen op de airbag of tussen de airbag en uzelf. Dergelijk voorwerpen kunnen u door de kracht en de snelheid waarmee de airbag opgeblazen wordt ernstig verwonden.
  • Breng geen stickers of andere versierselen aan op het stuurwielkussen. Deze kunnen het activeren van de airbag hinderen.

KIA Rio III - (Vervolg) - 1

Plaats geen voorwerpen op het dashboard om te voorkomen dat deze bij het activeren van de airbag worden weggeslingerd.

KIA Rio III - (Vervolg) - 2

Airbag voorpassagier (indien van toepassing)

De airbag voor de voorpassagier bevindt zich boven het dashboardkastje in het dashboard.

KIA Rio III - Airbag voorpassagier (indien van toepassing) - 1

AAN/UIT-schakelaar airbag voorpassagier (indien van toepassing)

De airbag voor de voorpassagier kan worden gedeactiveerd met behulp van de AAN/UIT-schakelaar voor het geval er een kinderzitje op de voorpassagiersstoel wordt gemonteerd of voor het geval de voorstoel niet gebruikt wordt.

Om de veiligheid voor u kind te garanderen, moet de airbag voor de voorpassagier worden uitgeschakeld als u uw kind in een kinderzitje waarin het kind tegen de rijrichting in zit, moet vervoeren.

KIA Rio III - Airbag voorpassagier (indien van toepassing) - 2

In- en uitschakelen van de airbag voor de voorpassagier

Steek om de airbag voor de voorpassagier uit te schakelen de hoofdsleutel in de AAN/UIT-schakelaar voor de airbag en zet deze in de stand UIT. Het controlelampje airbag voorpassagier UIT zal gaan branden en blijven branden totdat de airbag weer wordt ingeschakeld.

Steek om de airbag voor de voorpassagier in te schakelen de hoofdsleutel in de AAN/UIT-schakelaar voor de airbag en zet deze in de stand AAN. Het controlelampje airbag voorpassagier UIT zal uitgaan.

\* OPMERKING

  • Als de schakelaar voor de airbag voor de voorpassagier AAN is, kan de airbag worden geactiveerd en mag er op de voorpassagiersstoel geen kinderzitje worden geplaatst.
  • Als de schakelaar voor de airbag voor de voorpassagier UIT is, kan de airbag niet geactiveerd worden.

Z VOORZICHTIG

- Als de AAN/UIT-schakelaar van de airbag voor de voorpassagier niet goed werkt, zal het waarschuwingslampje voor de airbag in het instrumentenpaneel gaan branden.

Verder zal, als het controlelampje airbag voorpassagier UIT niet brandt, de airbagmodule de airbag voor de voorpassagier inschakelen en bij een frontale aanrijding activeren, ook al staat de schakelaar voor het AAN/UIT-schakelen van de airbag in de stand UIT.

(Vervolg)

(Vervolg)

Laat in dat geval de AAN/UIT- schakelaar voor de airbag, het gordelspannersysteem en het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.

- Laat de AAN/UIT-schakelaar voor de airbag, het gordelspannersysteem en het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer als het waarschuwingslampje AIRBAG niet gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet of gaat branden tijdens het rijden.

WAARSCHUWING

  • De bestuurder is verantwoordelijk voor de juiste stand van de AAN/UIT-schakelaar van de airbag voor de voorpassagier.
  • Schakei de airbag voor de voorpassagier alleen maar uit als het contact uit staat omdat er anders een defect kan ontstaan in de airbagmodule. Verder kan het hierdoor voorkomen dat de airbag voor de bestuurder en/of de voorpassagier en/of de zijairbag en curtain airbag niet of niet op de juiste manier worden geactiveerd in geval van een aanrijding.
  • Plaats nooit een kinderzitje waarin het kind tegen de rijrichting in zit op de voorpassagiersstoel, tenzij de airbag voor de voorpassagier is uitgeschakeld. Het kind kan ernstig letsel opiopen als de airbag bij een aanrijding wordt geactiveerd.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Ook al is uw auto voorzien van een AAN/UIT-schakelaar voor de airbag voor de voorpassagier, monteer geen kinderzitje op de passagiersstoel. Een kinderzitje dient op de achterbank geplaatst te worden. Kinderen die te groot zijn voor een kinderzitje moeten plaatsnemen op de achterbank en gebruik maken van de aanwezige driepuntsgordels. Bij een aanrijding zitten kinderen het veiligst op de achterbank als ze op de juiste manier gebruik maken van de veiligheids-gordels.
  • Zodra het niet meer nodig is een kind te vervoeren op de voorpassagiersstoel, moet de airbag voor de voorpassagier weer worden ingeschakeld.

WAARSCHUWING

- De airbag voor de voorpassagier is veel groter en wordt met een aanzienlijk grotere kracht opgeblazen dan de airbag van de bestuurder. Deze kan een passagier die niet de goede zitpositie heeft en de veiligheidsgordel niet op de juiste manier draagt ernstig verwonden.

De voorpassagier moet de stoel altijd zo ver mogelijk naar achteren schuiven en helemaal achterin de stoel gaan zitten.

- Het is van groot belang dat de voorpassagler altijd zijn of haar veiligheidsgordel draagt, zelfs bij het rijden op een parkeerterrein of op de oprit naar een garage.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Als de bestuurder krachtig moet remmen in een noodsituatie, worden de inzittenden naar voren gedrukt. Als de voorste inzittenden in dat geval geen gordel dragen, zullen zij tegen de nog ontploffende airbag worden gedrukt. In dat geval kan ernstig letsel het gevolg zijn.

- Zorg ervoor dat de voorpassagier niet de handen of voeten op het dashboard laat rusten of met het gezicht te dicht in de buurt van het dashboard komt. Anders kan de airbag tijdens het activeren met grote kracht tegen de passagier aankomen.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Laat geen kinderen, zwangere vrouwen en andere zwakkere personen plaatsnemen op de voorstoel. Plaats ook geen kinderzitje op de voorstoel. Als de airbag wordt geactiveerd kan dit ernstig letsel tot gevolg hebben.

- Plaats geen voorwerpen op het dashboard en breng geen sticker aan op het dashboard. Plaats geen accessoires of extra spiegels op de voorruit. Deze kunnen het correct uitvouwen van de airbag verhinderen, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.

1JBA3057/1JBA3058 1LDA2056

Zijairbag (indien van toepassing)

De zijairbags zijn ondergebracht in de linkerzijde van de bestuurdersstoel en de rechterzijde van de passagiersstoel.

Zij zullen worden geactiveerd, zodra aan de voorwaarden hiervoor wordt voldaan (bij een aanrijding van opzij).

WAARSCHUWING

- Gebruik bij uitvoeringen met zijairbags geen stoelhoezen.

Stoelhoezen kunnen de correcte werking van de zijairbags verhinderen.

Als de stoel of de bekleding beschadigd is, laat deze dan repareren door een officiële Kia-dealer. Vertel daarbij dat uw auto is uitgerust met zijairbags.

- Breng geen aanpassingen of aanvullingen op de stoelen aan. Stoelen die niet door Kia Motors zijn goedgekeurd kunnen storingen in het airbagsysteem veroorzaken, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 1

Curtainbag (indien van toepassing)

De curtainbag bevinden zich langs de rand van het dak boven de voor- en achterportieren.

Het is ontworpen om bij bepaalde aanrijdingen van opzij de hoofden van de voorste inzittenden en de passagiers op de buitenste zitplaatsen achter te beschermen.

• Na het activeren blijft de curtainbag ongeveer 3 seconden gevuld. De curtainbag wordt alleen opgeblazen aan de zijde van de auto waar de aanrijding plaatsvindt.
- De zijairbags en curtainbags zijn niet ontworpen om opgeblazen te worden bij frontale aanrijdingen, aanrijdingen van achteren en in de meeste situaties waarbij de auto over de kop slaat.
• De curtainbags zijn ontworpen om alleen tijdens bepaalde aanrijdingen van opzij geactiveerd te worden, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, de hoek, de snelheid en de plaats van impact. De curtainbags zijn niet ontworpen om bij alle aanrijdingen van opzij opgeblazen te worden.

WAARSCHUWING

  • De zijairbags en curtainbags bieden de meest optimale bescherming als de inzittenden zo ver mogelijk rechtop zitten en hun gordel op de juiste manier dragen. Vooral voor kinderen is het belangrijk dat ze in een geschikt kinderzitje plaatsnemen.
    • Als kinderen plaatsnemen op één van de buitenste zitplaatsen achterin, moeten ze in een geschikt kinderzitje plaatsnemen. Plaats het kinderzitje zo ver mogelijk weg van het portier en zet het goed vast.

(Vervolg)

(Vervolg)

• Laat passagiers niet met het hoofd of andere delen van het lichaam tegen het portier leunen, steek de armen niet uit het raam en plaats geen voorwerpen tussen de passagier en de portieren als de auto is uitgerust met zijairbags en curtainbags.
• Probeer nooit de onderdelen van de zijairbags en curtainbags te openen of te repareren. Laat dit altijd over aan een officiële Kia-dealer.

Het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregelen kan ertoe leiden dat de inzittenden bij een aanrijding letsel oplopen.

Waarom werd de airbag bij een aanrijding niet opgeblazen?

(Voorwaarden voor wel of niet activeren van de airbags)

Er zijn veel soorten ongevallen waarbij de airbag geen aanvullende bescherming biedt.

Voorbeelden hiervoor zijn aanrijdingen van achter, tweede en volgende stoten bij een kettingbotsing en aanrijdingen bij lage snelheid. Met andere woorden, wees niet verrast wanneer de airbag(s) niet opgeblazen werd(en) hoewel uw auto beschadigd of zelfs total loss is.

KIA Rio III - (Voorwaarden voor wel of niet activeren van de airbags) - 1

(1) Airbagmodule
(2) Airbagsensor vóór (indien van toepassing)
(3) Zijairbagsensor (indien van toepassing)

WAARSCHUWING

- Let op dat u niet tegen plaatsen aanstoot waar de airbagsensoren zijn ingebouwd.

Anders kan de airbag onverwacht geactiveerd worden waardoor ernstig persoonlijk letsel op kan treden.

• Als de inbouwpositie van de airbagsensoren wordt gewijzigd, kan dit leiden tot activeren van de airbags in situaties waarin dit niet nodig is of het juist niet activeren van de airbags in situaties waar het wel nodig is.

Voer daarom geen reparaties uit aan of in de buurt van de airbagsensoren. Laat de auto controleren en repareren door een officiële Kia-dealer.

(Vervolg)

(Vervolg)

• Er kunnen problemen ontstaan als de hoek waaronder de sensoren zijn ingebouwd wordt gewijzigd als gevolg van vervorming van de voorbumper of de carrosserie op piaatsen waar de airbagsensoren zijn ingebouwd. Laat de auto controleren en repareren door een officiële Kia-dealer.

• Uw auto is ontworpen om botsenergie zoveel mogelijk te absorberen en in bepaalde gevallen de airbag(s) te activeren. Het monteren van niet-originele bumpers of accessoires op de bumper kan een nadelige invloed hebben op de bescherming bij een aanrijding.

1JBA3513

Voorwaarden voor activeren airbags

Voorste airbags

De voorste airbags (voor bestuurder en voorpassagier) worden geactiveerd bij frontale aanrijdingen, waarbij rekening wordt gehouden met de botskracht, de botshoek en de rijsnelheid.

KIA Rio III - Voorste airbags - 1

Zijairbag (indien van toepassing)

De airbags opzij (zijairbags en curtainbags) worden geactiveerd bij een aanrijding van opzij, waarbij rekening wordt gehouden met de kracht van de botsing, de botshoek, de zijdelingse snelheid en de mogelijke rolbeweging van de auto.

Ofschoon de voorste airbags (voor bestuurder en voorpassagier) ontworpen zijn voor frontale aanrijdingen, kunnen ze ook bij andere aanrijdingen; waarbij een bepaalde botskracht in de lengterichting optreedt, worden geactiveerd.

Ofschoon de airbags opzij (zijairbags en curtainbags) ontworpen zijn voor zijdelingse aanrijdingen, kunnen ze ook bij andere aanrijdingen, waarbij een bepaalde botskracht in de dwarsrichting optreedt, worden geactiveerd.

Ze kunnen dus ook worden geactiveerd bij aanrijdingen onder een hoek, bij aanrijdingen waarbij de auto onder een vrachtwagen of bus schuift of als de auto over de kop rolt. Rijd daarom altijd voorzichtig.

De airbags kunnen ook worden geactiveerd als de auto zware stoten ondervindt bij het rijden op zeer slechte wegen. Rijd daarom voorzichtig op slechte wegen.

Bij bepaalde aanrijdingen van opzij kunnen als extra bescherming ook de voorste airbags worden geactiveerd.

1JBA3515

Voorwaarden voor niet activeren airbags

- Bij sommige aanrijdingen bieden de veiligheidsgordels voldoende bescherming en worden de airbags niet geactiveerd. Als de airbags worden geactiveerd, bestaat er een kans op letsel (lichte schaaf-, brand- en snijwonden en dergelijke) en zou de bestuurder de controle over de auto kunnen verliezen.

1JBB3520

- Bij aanrijding van achter worden de airbags meestal niet geactiveerd, omdat de inzittenden dan door de botskracht naar achteren worden gedrukt. In dat geval zijn de airbags overbodig.

KIA Rio III - Voorwaarden voor niet activeren airbags - 2

- De voorste airbags worden bij zijdelingse aanrijdingen soms niet geactiveerd. De inzittenden bewegen altijd in de richting van de aanrijding, waardoor het activeren van de voorste airbags overbodig kan zijn. In dat geval kunnen de zijairbags en curtainbags (indien van toepassing) wel worden geactiveerd.

KIA Rio III - Voorwaarden voor niet activeren airbags - 3

  • Bij een aanrijding onder een schuine hoek is de botskracht kleiner dan bij een frontale botsing. In dat geval worden de airbags mogelijk ook niet geactiveerd.

KIA Rio III - Voorwaarden voor niet activeren airbags - 4

1JBA3517
- Op het moment van een aanrijding zal de bestuurder in een reflex hard remmen. Doordat de voorkant van de auto door de remkracht inveert, kan de auto onder hoge voertuigen schuiven. In dat geval is de botskracht mogelijk vrij klein, en worden de airbags niet geactiveerd.

KIA Rio III - Voorwaarden voor niet activeren airbags - 5

1JBA3522
• Als de auto over de kop gaat, bieden de voorste airbags onvoldoende bescherming. Deze worden dan niet geactiveerd.
De airbags opzij bieden wel extra bescherming als de auto over de kop gaat en worden in dat geval ook geactiveerd.

KIA Rio III - Voorwaarden voor niet activeren airbags - 6

- De airbags worden soms niet geactiveerd bij een aanrijding tegen een boom of paal, waarbij de botskracht zich concentreert op een klein gedeelte van de auto, buiten het bereik van de sensoren.

Werking van airbagsysteem

  • De airbags kunnen alleen worden geactiveerd als het contact in stand ON of START staat.
  • De airbags worden bij zwaardere aanrijdingen onmiddellijk geactiveerd om de inzittenden te beschermen tegen letsel.
  • De airbags worden niet bij slechts één bepaalde rijsnelheid opgeblazen.

Of de airbags worden geactiveerd, hangt voornamelijk af van de kracht en de richting van de aanrijding. Deze twee factoren bepalen of de sensoren een elektronisch activeringssignaal uitzenden.

• Of de airbags al dan niet opgeblazen worden, is athankelijk van een aantal factoren, zoals de rijsnelheid, de hoek van de aanrijding, de massa en de stijfheid van de bij de aanrijding betrokken auto's of objecten. Ook andere factoren kunnen een rol spelen.
- De voorste airbags worden direct volledig opgeblazen, waarna ze meteen weer leeglopen.

Het is vrijwel onmogelijk om tijdens een ongeval waar te nemen dat de voorste airbags opgeblazen worden. Het is aannemelijker dat u de leeggelopen airbags na de aanrijding uit het stuurwiel of het dashboard ziet hangen.

  • Om bij een zware aanrijding bescherming te bieden, moeten de airbags snel opgeblazen worden. De snelheid waarmee de airbag wordt opgeblazen speelt een belangrijke rol in het voorkomen van ernstig letsel. Deze vormt dus een belangrijk punt tijdens het ontwerpen van een airbag.
    Het opblazen van een airbag kan dus ook letsei zoals schaafwonden, blauwe plekken en gebroken ledematen veroorzaken.
  • Er zijn zelfs omstandigheden waaronder het contact met de airbag in het stuurwiel tot ernstig letsel kan leiden, vooral wanneer de inzittende te dicht op het stuurwiel zit.

WAARSCHUWING

  • De bestuurder moet zover mogelijk van het stuurwiel af(tenminste 250 mm) gaan zitten om de kans op letsel te verminderen.
    De voorpassagier moet de stoel altijd zo ver mogelijk naar achteren schuiven en helemaal achterin de stoel gaan zitten.
  • De airbags worden bij een aanrijding onmiddellijk geactiveerd en door de grote kracht waarmee dit gebeurt, kunnen de passagiers ernstig gewond raken als ze te dicht bij de airbag zitten.
  • Het activeren van de airbags kan letseil veroorzaken als schaafwonden, verwondingen door brillen en brandwonden door de explosieve lading van de airbags.

Geluid en rookontwikkeling bij activeren airbag

Bij het opblazen van de airbags is een hard geluid hoorbaar en komt rook en poeder vrij. Dit is normaal en wordt veroorzaakt doordat het ontstekingsmechanisme van de airbag geactiveerd wordt. Nadat de airbags opgeblazen zijn, kunt u een poosje last hebben bij het ademhalen doordat uw borstkas in contact is geweest met zowel de veiligheidsgordel als de airbag en doordat u de rook hebt ingeademd. Wij adviseren u met klem zo snel mogelijk na een aanrijding de portieren en/of de ruiten te openen wanneer dit mogelijk is, om te voorkomen dat u te lang in aanraking blijft met de rook.

Hoewel de rook en het poeder niet giftig zijn, kunnen deze wel huidirritaties veroorzaken in de buurt van ogen, neus en hals. Was in dat geval de desbetreffende plek schoon en spoel deze met koud water na. Raadpleeg een dokter als de symptomen aanhouden.

WAARSCHUWING

Als de airbags geactiveerd zijn, zijn de bij het airbagsysteem behorende onderdelen in het stuurwiel en/of instrumentenpaneel en/of de dakrails boven de voor- en achterportieren zeer heet. Raak de onderdelen van het airbagsysteem niet aan direct nadat een airbag opgeblazen is, om letsel te voorkomen.

AIFBAG 1JBH3051

Het is verboden om een kinderzitje op de voorstoel te plaatsen.

Gebruik nooit een kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar achteren gericht op de voorstoel zit. Als de airbag wordt opgeblazen, oefent deze op een dergelijk geplaatst kinderzitje een grote kracht uit, waardoor het kind ernstig letsel kan oplopen.

Gebruik op de voorstoel ook geen kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar voren is gericht. Als de airbag van de voorpassagier wordt geactiveerd, zou dit ernstig ietsel kunnen veroorzaken.

WAARSCHUWING

  • Gebruik nooit een kinderzitje op de voorstoel. Als de airbag van de voorpassagier wordt geactiveerd, zou dit ernstig letsel kunnen veroorzaken.
    • Als het kinderzitje op één van de buitenste zitplaatsen achter wordt geplaatst bij uitvoeringen met zijairbags, zorg er dan voor dat het kinderzitje zo ver mogelijk weg van het portier wordt geplaatst en zet het goed vast. Door het activeren van de zijairbag of curtainbag (indien van toepassing) zou dit ernstig letse! kunnen veroorzaken.

AIR BAG

Waarschuwingslampje AIRBAG

Het doel van het waarschuwingslampje AIRBAG in het dashboard is om u te waarschuwen voor een mogelijke storing in de airbag - het aanvullend veiligheidssysteem (SRS).

Ais het contact in stand ON wordt gezet, moet het lampje gedurende ongeveer 6 seconden gaan knipperen en daarna uitgaan.

Laat het systeem controleren wanneer:

  • Het lampje niet kort gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet.
  • Het lampje blijft branden nadat de motor aanslaat.
  • Het lampje gaat branden tijdens het rijden.

Onderhoud aanvullend veiligheidssysteem

Uw aanvullend veiligheidssysteem is nagenoeg onderhoudsvrij. Het bevat geen onderdelen waaraan u onderhoud kunt uitvoeren.

Laat het systeem onder de volgende omstandigheden nakijken:

  • Vervang een airbag wanneer deze opgeblazen is geweest. Probeer nooit zelf de airbag te verwijderen. Laat dit over aan een officiële Kia-dealer of een gekwalificeerde monteur.
  • Laat het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren als het waarschuwingslampje AIRBAG een storing aangeeft. Anders kan het airbagsysteem mogelijk niet goed werken.

Z. VOORZICHTIG

Breng geen wijzigingen aan in het aanvullend veiligheidssysteem. Door aanpassingen kan het systeem niet meer correct werken.

WAARSCHUWING

- Breng geen wijzigingen aan in het stuurwiel of in een ander onderdeel van het aanvullend veiligheidssysteem. Door aanpassingen kan het systeem niet meer correct werken.

(Vervolg)

(Vervolg)

• Voer geen werkzaamheden uit aan onderdelen of aan de bedrading van het systeem. Hierdoor kunnen de airbags per ongeluk opgeblazen worden, waardoor ernstig ietsel kan ontstaan. Door werkzaamheden aan het systeem kan het ook uitgeschakeld worden waardoor de airbags bij een aanrijding niet opgeblazen worden.
• Alie werkzaamheden aan het aanvullend veiligheidssysteem, zoals het verwijderen, het plaatsen of het repareren ervan, of werkzaamheden aan het stuurwiel moeten uitgevoerd worden door een gekwalkliceerde Kia-monteur. Een onjuiste behandeling van het airbagsysteem kan leiden tot ernstig persoonlijk ietsel.

Bij reparaties aan of afvoeren van de auto

  • Door reparaties aan het stuurwiel, het instrumentenpaneel, de middenconsole en het dak, bij het installeren van een audiosysteem en bij het spuiten van plaatwerk aan de voorzijde van de auto kan het airbagsysteem ontregeld raken. Laat deze handelingen uitvoeren door een officiële Kia-dealer.
  • Vermeld bij het afleveren van de auto bij de Kia-dealer dat uw auto is uitgerust met een airbagsysteem en laat het instructieboekjes achter in de auto.
    • Het airbagsysteem bevat explosieve chemicaliën. Neem contact op met een officiële Kia-dealer voor het afvoeren van de auto.

(indien van toepassing)

3 (indien van toepassing) Type A Type B

1JBA3519/1JBA3073/1JBA3074/1JBA3075/1JBE3075

Airbagwaarschuwingslabel

Het airbagwaarschuwingslabel is bedoeld om de bestuurder en passagiers te waarschuwen voor mogelijke gevaren van het airbagsysteem

BAGAGERUIMTE (INDIEN VAN TOEPASSING)

KIA Rio III - BAGAGERUIMTE (INDIEN VAN TOEPASSING) - 1

  • Steek, om de bagageruimte te openen, de sleutel in het slot en draai deze rechtsom (1) totdat een klikgeluid hoorbaar is.
    • Druk, om de bagageruimte te sluiten, met beide handen de achterklep naar beneden. Controleer of de achterklep goed dicht zit.

KIA Rio III - BAGAGERUIMTE (INDIEN VAN TOEPASSING) - 2

De bagageruimteverlichting gaat branden zodra de achterklep geopend wordt. De verlichting blijft branden zolang de achterklep niet volledig gesloten is.

\* OPMERKING

Zorg ervoor dat de achterklep goed dicht zit. Als deze niet goed dicht zit, kan de accu leegraken als de motor niet draait.

KIA Rio III - \* OPMERKING - 1

Trek aan de ontgrendelingshendel in de auto om de achterklep van binnenuit te openen.

WAARSCHUWING

- Uitlaatgas

Als u met een geopende achterklep rijdt, worden gevaarlijke uitlaatgassen in het interieur gezogen. Een geopende achterklep belemmert bovendien het zicht naar achteren.

Wanneer het noodzakelijk is dat u met een geopende achterklep rijdt, houd dan de uitstroomopeningen open, zodat extra frisse lucht in het interieur stroomt.

WAARSCHUWING

Vervoer nooit personen in de bagageruimte van de auto. Als de bagageruimte gedeeltelijk of volledig gesloten is en de persoon niet uit de bagageruimte kan komen, kan ernstig letsel optreden door ventilatiegebrek, dampen, warmte of door blootstelling aan koude. Daarnaast is de bagageruimte gevaarlijk tijdens een aanrijding, aangezien deze geen deel uitmaakt van de velligheidskool maar slechts tot de kreukelzone van de auto behoort.

Z VOORZICHTIG

Wij adviseren u de portieren en de achterklep vergrendeld te houden en de sieutels buiten het bereik van kinderen te bewaren. Ouders zouden daarnaast hun kinderen moeten wijzen op de gevaren die het spelen in de bagageruimte met zich meebrengt.

MOTORKAP

KIA Rio III - MOTORKAP - 1

  1. Trek aan de ontgrendelknop links onder het dashboard om de motorkap te ontgrendelen. De motorkap komt iets omhoog.

1JBA3080

  1. Ga naar de voorzijde van de auto en til de motorkap iets op. Trek de veiligheidshaak (1) in het midden van de motorkap naar u toe en til de motorkap omhoog (2).

KIA Rio III - MOTORKAP - 3

  1. Open de motorkap en plaats het uiteinde van de steun in de opening in de kap (1).

VOORZICHTIG

Pak de steun altijd vast bij het deel dat omwikkeld is met rubber. Het rubber voorkomi dat u zich brandt aan het hete metaal als de motor warm is.

Sluiten van motorkap

  1. Controleer de volgende punten alvorens de motorkap te sluiten:
  2. Of alle vuldoppen correct teruggeplaatst zijn.
  3. Of er geen handschoenen, doeken of andere brandbare materialen in de motorruimte zijn achtergebleven.
  4. Zet de steun vast in de clip.
  5. Laat de motorkap zakken totdat hij ongeveer 30 cm (12 inch) openstaat en laat hem vervolgens los, zodat hij goed in het slot valt.

Controleer of de motorkap goed vergrendeld is alvorens te gaan rijden.

Z. VOORZICHTIG

  • Controleer, voordat u de motorkap sluit, of alle losse onderdelen en gereedschappen uit de motorruimte verwijderd zijn en er geen personen in de buurt van de motorkap staan wiens handen bekneld zouden kunnen raken.
  • Laat geen handschoenen, doeken of andere brandbare materialen achter in de motorruimte. Deze zouden door de hitte in brand kunnen vliegen.

TANKDOPKLEP
4-deurs 5-deurs 1JBA3082 1JBA3207

  1. Zet de motor uit.
  2. Trek aan de ontgrendelhendel om de tankdopklep te openen.

Z VOORZICHTIG

Draag in verband met scherpe randen beschermende handschoenen tijdens het openen van de tankdopklep.

KIA Rio III - Z VOORZICHTIG - 1

  1. Open de tankdopklep.
  2. Draai de tankdop linksom om deze te verwijderen.
  3. Vul de tank met brandstof.
  4. Plaats de dop terug en draai hem rechtsom totdat deze klikt. Dat geeft aan dat de dop goed vastzit.
  5. Sluit de tankdopklep en druk deze goed dicht.

WAARSCHUWING

- Tanken

In de brandstoftank kan een verhoogde druk heersen, waardoor er bij het openen van de tankdop een beetje brandstof uit kan spuiten. Verwijder de tankdop altijd voorzichtig en langzaam. Als er brandstof naar buiten komt of er een sissend geluid hoorbaar wordt, moet u even wachten voordat u de dop verder losdraait.

WAARSCHUWING

Brandstof is licht ontvlambaar en explosief. Neem bij het tanken de volgende richtlijnen in acht. Het niet opvolgen van deze richtlijnen kan leiden tot ernstig persoonlijk letsel als gevolg van brand of een explosie.

- Kijk vóór het tanken altijd of er een noodknop voor het afsluiten van de brandstof is bij de brandstofpomp. - Raak, voordat u de tankdop en vuipopening aanraakt, altijd even een ander metalen deel aan de voorzijde van de auto aan, om brandgevaar als gevolg van statische elektriciteit te voorkomen.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Stap niet terug in de auto tijdens het tanken. Raak geen stof aan die statische elektriciteit kan produceren (polyester, satijn, nylon, enz.). Statische elektriciteit kan brandstofdampen doen ontbranden, wat explosiegevaar oplevert. Als u tijdens het tanken toch terug in de auto moet stappen, raak ook dan even een metalen deel aan de voorzijde van de auto aan om eventuele statische elektriciteit kwijt te raken.

- Als u een jerrycan wilt vullen, plaats deze dan op de grond. Een met statische elektriciteit geladen jerrycan kan brandstofdampen doen ontbranden. Zodra u begint te tanken, dient u contact te maken met de auto tot het tanken is voltooid.

Gebruik alleen jerrycans die geschikt zijn voor brandstof.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Gebruik geen mobiele telefoon in de buurt van een brandstofpomp. Elektrische stroom en/of elektronische storing van mobiele telefoons kan brandstofdampen doen ontbranden. Als u toch moet bellen, doe dat dan niet in de buurt van een brandstofpomp. - Zet de motor uit vóór het tanken. De elektrische onderdelen van de motor kunnen vonken produceren die brandstofdampen kunnen doen ontbranden. Zorg er altijd voor dat de motor UIT is vóór en tijdens het tanken. Controleer na het tanken of de tankdop en het tankdopklepje goed dicht zijn voordat u de motor start.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Gebruik geen open vuur bij een tankstation. Gebruik GEEN lucifers of aansteker en ROOK NIET. Laat ook geen brandende sigaret achter in de auto terwijl u gaat tanken. Brandstof is licht ontvlambaar en explosief.
  • Als er tijdens het tanken brand uitbreekt, verlaat dan onmiddellijk de auto en breng de manager van het tankstation, de politie en de brandweer op de hoogte. Volg hun veiligheidsinstructies op.

\* OPMERKING

• Zorg ervoor dat u de juiste brandstof tankt, dus alleen benzine bij auto's met benzinemotor en alleen diesel bij auto's met dieselmotor.
• Zorg er na het tanken voor dat de tankdopklep goed dicht zit.
- Gebruik, als de tankdop vervangen moet worden, uitsluitend een originele Kia-dop of een andere, voor uw auto geschikte dop. Een verkeerde tankdop kan een ernstige storing in het brandstofsysteem of het emissieregelsysteem veroorzaken. De juiste vervangende dop is verkrijgbaar bij de officiële Kia-dealers.
• Mors geen brandstof op de buitenzijde van de auto. Brandstof kan de lak aantasten.
• Druk voorzichtig op de tankdopklep of tik er zachtjes op als deze vastgevroren zit.

SPIEGELS

Buitenspiegel

Stel de spiegels af voordat u gaat rijden.

Uw auto is uitgerust met zowel een linker als een rechter buitenspiegel. De spiegels kunnen van binnenuit met een hendel versteld worden of elektrisch met behulp van een schakelaar afhankelijk van het gebruikte type. De spiegels kunnen worden ingeklapt om beschadigingen in een automatische wasserette of bij het rijden door een smalle straat te voorkomen.

Z VOORZICHTIG

- De rechter buitenspiegel is convergerend.

Bij uitvoeringen voor sommige landen is ook de linker buitenspiegel convergerend. Objecten in de spiegel zijn daardoor dichterbij dan ze lijken.

- Gebruik bij het veranderen van rijstrook daarom uw binnenspiegel of kijk opzij om de werkelijke afstand tot het achteropkomende verkeer vast te stellen.

\* OPMERKING

Gebruik geen krabber om de spiegel ijsvrij te maken; hierdoor kan het spiegelglas beschadigd raken. Forceer een bevroren spiegel niet tijdens het verstellen. Verwijder ijs met een ruitontdooier of met een spons of zachte doek en heet water.

KIA Rio III - \* OPMERKING - 1

Verstel de buitenspiegel door de hendel aan de binnenzijde te bewegen.

1JBA3086

Elektrische bediening (indien van toepassing)

Met behulp van de schakelaar kunt u de linker en rechter buitenspiegel elektrisch verstellen. Zet de keuzeschakelaar (1) in de stand R of L afhankelijk van de spiegel die u wilt verstellen. Druk vervolgens op het desbetreffende deel (*) van de bedieningsschakelaar om de spiegel naar boven of naar beneden, naar links of rechts te verstellen.

Zet het hendeltje na het verstellen terug in het midden om te voorkomen dat de spiegel on bedoeld wordt versteld.

\* OPMERKING

- De spiegels stoppen hun beweging als de maximale stelhoek bereikt is. De stelmotor blijft echter draaien zolang de schakelaar ingedrukt blijft. Houd de schakelaar niet langer ingedrukt dan nodig om te voorkomen dat de stelmotor beschadigd wordt.

• Probeer nooit de spiegels tijdens het rijden te verstellen. Anders kan er schade ontstaan.

KIA Rio III - \* OPMERKING - 1

Pak de buitenspiegel bij de behuizing vast en klap deze naar achteren.

Spiegelverwarming (indien van toepassing)

De spiegelverwarming wordt tegelijk met de achterruitverwarming ingeschakeld. Druk de schakelaar van de achterruitverwarming in om de buitenspiegels te verwarmen.

Het spiegelglas zal opgewarmd worden zodat ijs en wasem verdwijnt en u een beter zicht naar achter heeft. Druk nogmaals op de schakelaar om de verwarming uit te schakelen. De spiegelverwarming schakeit zichzelf na 20 minuten automatisch uit.

Binnenspiegel met dag-/nachtstand (indien van toepassing)

Stel de binnenspiegel zo af dat u in het midden van de spiegel het midden van de achterruit ziet. Stel de spiegel af voordat u gaat rijden.

Z VOORZICHTIG

Zorg er indien mogelijk voor dat het uitzicht door de achterruit niet belemmerd wordt

Hendel dag/nachtstand Nacht Dag 1JBA30B8

Stel de spiegel af voordat u wegrijdt en deze in de dag-stand staat.

Trek de hendel onder aan de spiegel naar u toe om de spiegel in de nachtstand te zetten om verblinding door de koplampen van achteropkomend verkeer te voorkomen.

Houd er rekening mee dat het beeld in de spiegel in de nachtstand minder duidelijk is dan in de dagstand.

Kaartleeslampje (indien van toepassing)

De lampjes worden AAN en UiT geschakeld door de desbetreffende schakelaar in te drukken.

(1) Kaartleeslampje
(2) DOOR

: De verlichting gaat aan als een portier wordt geopend.

De interieurverlichting gaat langzaam uit na het sluiten van het portier.

Als de motor niet draait, zal het licht langzaam uitgaan, 30 seconden nadat het portier is gesloten.

Als de portieren worden ontgrendeld met de afstandsbediening, blijft de interieurverlichting gedurende 30 s branden als het portier niet geopend wordt. (indien van toepassing)

(3) ROOM

: De verlichting is aan, ook als alle portieren gesloten zijn.

\* OPMERKING

Laat de interieurverlichting niet te lang branden als de motor niet draait.

Hierdoor kan de accu te ver ontladen raken.

1 2 3 1JBA3092

Interieurverlichting (indien van toepassing)

(1) OFF

: De interieurverlichting blijft uit, zelfs als een portier wordt geopend.

(2) DOOR

: De verlichting gaat aan als een portier wordt geopend.

De interieurverlichting gaat langzaam uit na het sluiten van het portier. Als de motor niet draait, zal het licht langzaam uitgaan, 30 seconden nadat het portier is gesloten.

Als de portieren worden ontgrendeld met de afstandsbediening, blijft de interieurverlichting gedurende 30 s branden als het portier niet geopend wordt. (indien van toepassing)

(3) ON

: De verlichting is aan, ook als alle portieren gesloten zijn.

\* OPMERKING

Laat de interieurverlichting niet te lang branden als de motor niet draait.

Hierdoor kan de accu te ver ontladen raken.

OPBERGVAK

\* OPMERKING

• Laat geen waardevolle spullen achter in de opbergvakken, om diefstal te voorkomen.
- Plaats voorwerpen zodanig in de opbergvakken dat ze niet ramnielen of op enige manier gevaar op kunnen leveren tijdens het rijden.
• Houd de deksels van de opbergvakken tijdens het rijden gesloten. Plaats niet te veel voorwerpen in de opbergvakken om te voorkomen dat de deksels niet gesloten kunnen worden,

WAARSCHUWING

Bewaar geen aanstekers of andere brandbare of explosieve materialen in de auto. Deze kunnen ontploffen of viam vatten wanneer de auto gedurende lange tijd blootgesteld staat aan hoge temperaturen.

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 1

Multifunctioneel vak (indien van toepassing)

Druk de knop in om het deksel te openen en trek het deksel naar beneden. Het kan gebruikt worden voor het bewaren van kleine voorwerpen.

KIA Rio III - Multifunctioneel vak (indien van toepassing) - 1

Trek om het dashboardkastje te openen aan de hendel (1) en het dashboardkastje opent automatisch (2). Sluit het dashboardkastje na gebruik.

VOORZICHTIG

Houd het dashboardkastje tijdens het rijden altijd gesloten om de kans op letsel in geval van een aanrijding of bij plotseling remmen te verminderen.

KIA Rio III - VOORZICHTIG - 1

Opbergvak voor zonnebril (indien van toepassing)

In de dakconsole bevindt zich een opbergvak voor een zonnebril.

Druk op het afdekkapje om het opbergvak langzaam te openen. Plaats uw zonnebril met de glazen naar boven gericht in het opbergvak. Druk het opbergvak dicht.

\* OPMERKING

Controleer of het opbergvak goed dicht zit alvorens te gaan rijden.

VOORZICHTIG

Gebruik het opbergvak voor de zonnebril niet tijdens het rijden. Hierdoor kunt u de controle verliezen waardoor een ongeluk met ernstig letsel of schade het gevolg kan zijn.

OVERIGE VOORZIENINGEN

KIA Rio III - OVERIGE VOORZIENINGEN - 1

Voor het gebruik de aansteker indrukken en loslaten. Als het element voldoende verhit is, komt de aansteker automatisch naar buiten en is hij gereed voor gebruik.

Als de motor niet draalt, moet het contact in stand ACC staan om de aansteker te kunnen gebruiken.

\* OPMERKING

• Houd de aansteker niet ingedrukt omdat daardoor oververhitting kan ontstaan.
• Als aansteker mag alleen een originele Kia-aansteker worden gebruikt.
Het gebruik van de aansteker als voedingsbron voor accessoires (scheerapparaten, kruimelzuigers, koffiezetapparaten, enz.) kan de aanstekerbus beschadigen of kortsluiting veroorzaken.
- Verwijder de aansteker met de hand wanneer deze niet binnen 30 seconden naar buiten springt om oververhitting te voorkomen.

KIA Rio III - \* OPMERKING - 1

Open het deksel om de asbak te gebruiken.

Trek de asbak omhoog om hem te verwijderen en hem leeg of schoon te kunnen maken.

⚠ WAARSCHUWING

- Gebruik van asbak

  • Gebruik de asbakken in de auto niet voor afval.
  • Er kan brand ontstaan wanneer brandende sigaretten of lucifers in een asbak met brandbare materialen worden gestopt.

KIA Rio III - ⚠ WAARSCHUWING - 1

In de bekerhouders kunnen bekers en blikjes frisdrank worden geplaatst.

WAARSCHUWING

- Hete vloeistoffen

• Plaats geen bekers met hete vloeistof in de houder tijdens het rijden. Het morsen van hete vloeistof kan brandwonden tot gevolg hebben. Als dit bij de bestuurder gebeurt, zou deze de controle over de auto kunnen verliezen.

Om het risico van persoonlijk letsel bij een aanrijding of een noodstop tot een minimum te beperken, mogen tijdens het rijden geen open flesjes, bekers, blikjes enz. in de bekerhouder worden geplaatst.

1 2 1 1JBA3101

Zonneklep

Gebruik de zonneklep om verblinding door direct zonlicht via de voor- en zijruiten tegen te gaan.

Trek de zonneklep omlaag om deze te kunnen gebruiken.

Trek de zonneklep omlaag, neem hem uit de steun (1) en draai hem naar de zijruit om bescherming te verkrijgen tegen zon van opzij.

De make-upspiegel kunt u gebruiken door de zonneklep te openen en het afdekkapje (2, indien van toepassing) van de spiegel op te klappen.

\* OPMERKING

  • Sluit het afdekkapje van de make-upspiegel goed en klap de zonneklep omhoog na gebruik. Als het afdekkapje van de make-upspiegel niet goed wordt gesloten, blijft het lampje branden, waardoor de accu leegraken en de zonneklep mogelijk beschadigd raakt.
  • Als de auto is uitgerust met een verlichte make-upspiegel en het afdekkapje van de make-upspiegel niet goed wordt gesloten, blijft het lampje branden, waardoor de accu leeg kan raken en de zonneklep mogelijk beschadigd raakt.

KIA Rio III - \* OPMERKING - 1

12V-aansluiting (indien van toepassing)

Deze aansluitingen zijn ontworpen om mobiele telefoons en andere apparaten die in de auto gebruikt kunnen worden, op te laden. Deze apparaten mogen niet meer dan 10 A afnemen als de motor draait.

\* OPMERKING

  • Gebruik de elektrische aansluiting alleen bij draaiende motor en neem het aangesloten apparaat los na gebruik. Gebruik van het apparaat bij een niet-draaiende motor of het aangesloten laten van het apparaat gedurende meerdere uren kan ertoe leiden dat de accu te ver ontladen raakt.
    • Alleen voor het aansluiten van elektrische apparatuur die werkt op 12 V en een stroomverbruik heeft van maximaal 10 A.
  • Schakel de airconditioning of de verwarming in de laagste stand als de 12V-aansluiting tegelijkertijd wordt gebruikt.
  • Plaats het afdekkapje op de aansluiting wanneer deze niet wordt gebruikt.
  • Sommige elektronische apparaten die op de 12V-aansluiting worden aangesloten, kunnen storingen veroorzaken. De problemen kunnen variëren van een slechte radio-ontvangst tot storingen in de elektronische systemen en apparaten in de auto.

KIA Rio III - \* OPMERKING - 1

Digitale klok (indien van toepassing)

Als de accukabels of de back- upzekering zijn losgenomen, moet de tijd opnieuw worden ingesteld.

Wanneer het contact in stand ACC of ON staat, werken de knoppen van de klok als volgt:

• UREN:

Druk knop H in met uw vinger, een potlood of een scherp voorwerp om de urenaanduiding met één uur te wijzigen.

• MINUTEN:

Druk knop M in met uw vinger, een potlood of een scherp voorwerp om de minutenaanduiding met één minuut te wijzigen.

- RESETTEN:

Druk knop R in met uw vinger, een potlood of een scherp voorwerp om de minuten op nul te stellen. De klok zal nu op het hele uur gelijkgezet zijn.

Als de knop R bijvoorbeeld wordt ingedrukt bij een tijd tussen 9:01 en 9:29, zal het display 9:00 aangeven.

9:01 \~ 9:29 => 9:00

Haak voor boodschappentas (indien van toepassing)

VOORZICHTIG

Hang geen tas die zwaarder is dan 3 kg aan de haak. Hierdoor kan de haak beschadigd raken.

SCHUIF-/KANTELDAK (INDIEN VAN TOEPASSING)

KIA Rio III - SCHUIF-/KANTELDAK (INDIEN VAN TOEPASSING) - 1

Indien uw auto is uitgerust met deze optie, kunt u het schuif-/kanteldak met behulp van de schakelaars in de dakconsole openschuiven of kantelen.

Het schuil-/kanteldak kan elektrisch geopend en gesloten worden wanneer het contact in stand ON staat.

\* OPMERKING

• Houd de schakelaars niet langer ingedrukt als het schuif-/kanteldak volledig is geopend, gesloten of gekanteld. Hierdoor kunnen de motor en andere onderdelen beschadigd raken.

- Het schuif-/kanteldak kan niet opengeschoven worden wanneer het gekanteld is en niet gekanteld worden als het geopend is.

Open-/dichtschuiven van het schuif-/kanteldak

Automatisch openschuiven

Druk kort (korter dan 0,4 seconde) op de toets SLIDE OPEN in de dakconsole om het schuif-/kanteldak automatisch open te laten schuiven. Het schuif-/kanteldak zal volledig openschuiven. Druk op één van de schakelaars om het openschuiven van het schuif-/kanteldak in een willekeurige stand te onderbreken.

Handmatig openschuiven

Druk op de toets SLIDE OPEN in de dakconsole en houd de toets ingedrukt totdat het schuif-/kanteldak in de gewenste stand staat.

Sluiten

Sluit het dak door de schakelaar TILT UP in de dakconsole ingedrukt te houden tot het dak volledig gesloten is.

Kantelen van het schuif-/kanteldak

Automatisch omhoogkantelen

Druk kort (korter dan 0,4 seconde) op de toets TILT UP in de dakconsole om het schuif-/kanteldak automatisch omhoog te laten kantelen. Het schuif-/kanteldak zal volledig omhoogkantelen. Druk op één van de schakelaars om het omhoogkantelen van het schuif-/kanteldak in een willekeurige stand te onderbreken.

Handmatig omhoogkantelen

Druk op de toets TILT UP in de dakconsole en houd de toets ingedrukt totdat het schuif-/kanteldak in de gewenste stand staat.

Sluiten

Sluit het dak door de schakelaar SLIDE OPEN in de dakconsole ingedrukt te houden tot het dak volledig gesloten is.

KIA Rio III - Sluiten - 1

Het zonnescherm wordt automatisch met het glaspaneel geopend wanneer dit openschuift. U moet het echter handmatig sluiten.

\* OPMERKING

• Houd de schakelaars van het schuif-/kanteldak niet langer ingedrukt dan nodig. Hierdoor kunnen de motor en andere onderdelen beschadigd raken.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Verwijder van tijd tot tijd het vuil dat zich verzameld heeft op de geleiderail.

- Wanneer u het schuif-/kanteldak probeert te openen bij temperaturen onder het vriespunt, of als het dak bedekt is met sneeuw of ijs, kan het glaspaneel of de motor beschadigd raken.

- Het zonnescherm schuift gelijktijdig met het schuif-/kanteldak open. Laat het zonnescherm niet dichtzitten als het schuif-/kanteldak geopend is.

WAARSCHUWING

- Steek tijdens het rijden de armen en het hoofd niet buiten de auto.

- Zorg ervoor dat de handen en het hoofd zich op een veilige afstand van het schuif-/kanteldak bevinden, alvorens het schuif-/kanteldak te sluiten.

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 1

Wat te doen in noodgevallen

Als het schuif-/kanteldak niet elektrisch bediend kan worden:

  1. Open het opbergvak voor de zonnebril.

  2. Verwijder de twee (2) schroeven en de dakconsole.

KIA Rio III - Wat te doen in noodgevallen - 1

  1. Plaats de noodsleutel (meegeleverd bij de auto) en draai deze rechtsom om het dak te openen of linksom om het dak te sluiten.

Terugstellen van het schuif-/kanteldak

U moet het schuif-/kanteldak als volgt terugstellen wanneer de accu losgenomen is of wanneer het schuif-/kanteldak handmatig met de noodsleutel bediend wordt:

  1. Zet het contact in stand ON.
  2. Zet het schuif-/kanteldak in de stand maximaal kantelen met behulp van de desbetreffende schakelaar.
  3. Laat dan de toets los.
  4. Druk nogmaals op de toets TILT UP en houd deze ingedrukt totdat het schuif-/kanteldak weer in de normale gekanteide positie staat, na even iets verder omhoog te zijn gekanteid.

Hierna is het schuif-/kanteldak gereset.

BAGAGENET (INDIEN VAN TOEPASSING)

4-deurs 1JBA3113 5-deurs 1JBA3216

U kunt bagage in de bagageruimte vastzetten met het bagagenet om te voorkomen dat de bagage tijdens het rijden gaat schuiven. Maak de haken van het bagagenet vast aan de vier ringen in de bagageruimte.

\* OPMERKING

Plaats niet te veel of te grote voorwerpen onder het bagagenet. Ze kunnen beschadigd raken. Leg geen breekbare voorwerpen in de bagageruimte tijdens het rijden.

WAARSCHUWING

Voorkom oogletsel. NIET overspannen. Hou gezicht en lichaam op voldoende afstand.

Niet gebruiken als band zichtbare slijtage of schade vertoont.

ANTENNE

KIA Rio III - ANTENNE - 1

Dakantenne (indien van toepassing)

Als uw auto is uitgerust met een audiosysteem, is hij tevens voorzien van een antenne met versterker.

Deze antenne kan omhoog en omlaag worden versteld en worden verwijderd als u uw auto wilt wassen.

\* OPMERKING

  • Zorg ervoor dat u de antenne verwijdert voordat u de auto in een automatische wasserette reinigt om te voorkomen dat deze beschadigd wordt.
    • Draai de antenne bij het plaatsen volledig vast om ervoor te zorgen dat de ontvangst goed is.

Contactslot / 4-2

Starten van de motor / 4-4

Handgeschakelde transmissie / 4-6

Automatische transmissie / 4-8

Remsysteem / 4-13

Stuurwiel / 4-19

Voertuigstabiliteitsregeling / 4-21

Instrumentenpaneel / 4-24

Besturing van uw auto

Meters / 4-26

Waarschuwings- en controlelampjes / 4-31

Parkeerhulp /4-39

Verlichting / 4-42

Ruiteawissers en ruitensproeiers / 4-47

Achterruitverwarming / 4-49

Alarmknipperlichten / 4-50

Handbediend verwarmings-en ventilatiesysteem / 4-51

Automatisch verwarmings-en ventilatiesysteem / 4-59

Voorruit ontdocien en ontwasemen / 4-69

CONTACTSLOT

LOCK ACC ON START PUSH

1JBH3201

Contactslot en stuurslot

Standen contactslot

LOCK

Het stuurslot beschermt tegen diefstal. De contactsleutel kan alleen uit het contact worden verwijderd als het contact in stand LOCK staat.

Om de contactsleutel vanuit stand ACC in stand LOCK te zetten, moet deze ingedrukt worden.

ACC (Accessoires)

Het stuurwiel is van het stuurslot en de elektrische accessoires werken.

ON

Voordat de motor wordt gestart lichten de waarschuwingslampjes ter controle op. Het contactslot keert na het starten terug in deze stand.

Laat het contact niet in stand ON staan als de motor niet draait.

START

Draai de contactsleutel in stand START om de motor te starten. De startmotor zal rondgedraaid worden totdat u de sleutel loslaat. De sleutel keert vervolgens terug in de stand ON. In deze stand licht het waarschuwingslampje van het remsysteem ter controle op.

Draai het stuurwiel naar links en naar rechts om de contactsleutei om te kunnen draaien.

WAARSCHUWING

- Contactsleutel

- Zet het contact nooit in stand LOCK of ACC terwijl de auto rijdt. Hierdoor wordt sturen en remmen onmogelijk, wat onmiddellijk tot ongevallen kan leiden.

- Het stuurslot dient niet ter vervanging van de parkeerrem. Zet de versnellingspook voor u de bestuurdersstoel verlaat steeds in de de 1ste versnelling bij een handgeschakelde versnellingsbak of op P (parkeren) bij een automatische versnellingsbak; trek de handrem helemaal aan EN schakel de motor uit. Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Steek nooit tijdens het rijden uw hand door het stuurwiel om de contactsleutel of andere bedieningsorganen te bedienen. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen.
  • Plaats geen voorwerpen onder de bestuurdersstoel. Deze kunnen verschuiven waardoor ongelukken kunnen ontstaan

STARTEN VAN DE MOTOR

Starten van de benzinemotor

  1. Controleer of de parkeerrem is aangetrokken.
  2. Handgeschakelde transmissie - Trap het koppelingspedaal volledig in en zet de versnellingspook in de vrijstand. Houd het koppelingspedaal ingetrapt tijdens het starten van de motor.

Automatische transmissie - Zet de selectiehendel in stand P. Trap het rempedaal volledig in.

De motor kan ook gestart worden met de selectiehendel in stand N.

  1. Draai de contactsleutel in stand START en houd de sleutel in deze stand totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden). Laat de sleutel vervolgens los.
  2. Laat bij extreme kou (lager dan - 18°C) of wanneer de auto een aantal dagen niet is gebruikt, de motor warmdraaien zonder het gaspedaal in te trappen.

Of de motor nu warm is of koud, hij dient gestart te worden zonder het gaspedaal in te trappen.

VOORZICHTIG

Probeer de selectiehendel niet in stand P te zetten wanneer de motor tijdens het rijden afslaat. Als het veilig is met het oog op het overige verkeer, kunt u de selectiehendel tijdens het rijden in stand N zetten en kunt u de motor opnieuw proberen te starten door het contact in stand START te zetten.

\* OPMERKING

Laat de startmotor niet langer dan 10 seconden achter elkaar draaien. Wacht als de motor afslaat of niet aanslaat 5 tot 10 seconden alvorens de startmotor opnieuw in te schakelen. Als de startmotor niet correct bediend wordt, kan deze beschadigd raken.

Starten van de dieselmotor

Om de dieselmotor te starten bij koude motor moet deze voorgegloeid worden voordat de motor gestart wordt en vervolgens opgewarmd worden voordat u ermee wegrijdt.

  1. Controleer of de parkeerrem is aangetrokken.
  2. Handgeschakelde transmissie - Trap het koppelingspedaal volledig in en zet de versnellingspook in de vrijstand.

Houd het koppelingspedaal ingetrapt tijdens het starten van de motor.

Automatische transmissie - Zet de selectiehendel in stand P. Trap het rempedaal volledig in.

De motor kan ook gestart worden wanneer de selectiehendel in stand N staat.

  1. Zet het contact in stand ON om de motor voor te gloeien. Het controlelampje voorgloeien zal nu gaan branden.

Indicatielampje van de gloeispiraal

KIA Rio III - Starten van de dieselmotor - 1

  1. Zet, wanneer het controlelampje voorgloeien uitgaat, het contact in stand START en houd het contact in deze stand totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden). Laat de sleutel vervolgens los.

\* OPMERKING

Als de motor na 2 seconden niet aanslaat, draai dan de contactsleutel in stand LOCK gedurende 10 seconden en vervolgens in stand ON om hem weer voor te gloeien.

Starten en uitzetten van de motor bij turbo intercooler (indien van toepassing)

  1. Voer het toerental van de motor niet te hoog op en accelereer niet direct na het starten van de motor. Laat een koude motor enkele seconden stationair draaien voordat u wegrijdt om ervoor te zorgen dat de turbocompressor voldoende smering krijgt.

  2. Na het rijden met hoge snelheid of een lange rit met een zware motorbelasting, dient de motor voor het uitzetten enige tijd stationair te draaien, zoals aangegeven in de tabel hieronder.

Door de motor stationair te laten draaien zal de turbocompressor afkoelen voordat de motor wordt uitgezet.

RijomstandigheidStationaire draaitijd
Normaal rijdenNiet nodig
Hoge rijsnelheidMaximaal 80 km/hOngeveer 20 seconden
Maximaal 100 km/hOngeveer 1 minuut
Steile berghellingen of continu rijden boven 100 km/hOngeveer 2 minuten

WAARSCHUWING

Zet de motor nooit direct nadat hij zwaar belast is uit. Dit kan zware schade veroorzaken aan de motor of de turbocompressor

HANDGESCHAKELDE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING)

1JBA4002

KIA Rio III - HANDGESCHAKELDE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING) - 2

De selectiehendel kan worden verplaatst zonder de ring (1) omhoog te trekken.
De ring (1) moet omhoog worden getrokken om de selectiehendel te kunnen verplaatsen.

1JBA4002

Bedienen van de handgeschakeide transmissie

De handgeschakelde transmissie heeft vijf versnellingen vooruit.

Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen geheel in en laat het langzaam opkomen.

Voordat u de achteruit kunt inschakelen, moet de versnellingspook eerst in de vrijstand worden gezet.

Zorg ervoor dat de auto voliedig tot stilstand is gekomen voordat de achteruit wordt ingeschakeld.

\* OPMERKING

Bij het terugschakelen van de vijfde naar de vierde versnelling moet erop worden gelet dat de selectiehendel niet zo ver opzij wordt gedrukt dat per ongeluk de tweede versnelling wordt ingeschakeld. Hierdoor zou het motortoerental zo hoog kunnen oplopen dat de naald van de toerentelier in het rode gebied terecht zou kunnen komen. Dergelijke hoge toerentallen kunnen ernstige motorschade veroorzaken.

\* OPMERKING

Laat uw voet tijdens het rijden niet op het koppelingspedaal rusten om vroegtijdige slijtage en beschadiging van de koppeling te voorkomen. Gebruik de koppeling ook niet om de auto stil te laten staan op een helling. (bijvoorbeeld bij een verkeerslicht enz.)

WAARSCHUWING

- Handgeschakelde transmissie

Trek altijd de parkeerrem stevig aan en zet de motor uit alvorens de auto te verlaten. Controleer vervolgens of de 1e versnelling is ingeschakeld als de auto op een horizontale weg of een helling wordt geparkeerd. Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.

Terugschakeien

Als u moet afremmen voor het overige verkeer op de weg of als u een helling oprijdt, schakel dan tijdig terug naar een lagere versnelling. Dit beperkt de kans op afslaan van de motor en zorgt voor een betere acceleratie op het moment dat u uw snelheid weer moet verhogen. Bij het afrijden van een steile helling helpt terugschakelen bij het handhaven van een veilige snelheid en bij het ontzien van het remsysteem.

AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING)

Vergrendelknop, voorkomt bewegen van de selectiehendel wanneer de knop niet wordt ingedrukt.

bewegen eer de Schakelaar O/D

KIA Rio III - AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING) - 2

Trap het rempedaal in en druk de knop in om te schakelen.

KIA Rio III - AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING) - 3

Druk de vergrendelknop in om de selectiehendel te bewegen.

KIA Rio III - AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING) - 4

De selectiehendel kan worden verplaatst zonder de vergrendelknop in te drukken.

1JBA4003

Automatische transmissie; bedienen van

Rijden onder normale omstandigheden vindt plaats met de selectiehen-del in stand D.

Om de selectiehendel uit stand P te zetten, moet het rempedaal zijn ingetrapt en moet de vergrendelknop worden ingedrukt.

Trap voor een soepele en veilige bediening het rempedaal in bij het overschakelen van stand N naar een vooruit- of de achteruitversnelling.

WAARSCHUWING

- Automatische transmissie

Controleer altijd of stand P is ingeschakeld, trek de parkeerrem volledig aan en zet de motor uit voordat u de auto verlaat.

Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.

\* OPMERKING

  • Geef geen gas wanneer stand R of één van de vooruitversnellingen is ingeschakeld en het rempedaal ingetrapt is.
    • Houd de auto bij stilstaan op een helling nooit op zijn plaats door gas te geven. Gebruik de bedrijfsrem of de parkeerrem.
  • Schakel niet van stand N of P in stand D of R wanneer het motortoerental meer is dan het stationaire toerental.

Standen selectiehendel

Stand P (parkeren)

In deze stand zijn de transmissie en de voorwielen geblokkeerd. Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat deze stand wordt ingeschakeld.

⚠ WAARSCHUWING

  • Wanneer stand P tijdens het rijden wordt ingeschakeld, blokkeren de voorwieten en raakt u de controle over de auto kwijt.
  • Gebruik stand P niet in plaats van de parkeerrem. Zorg er altijd voor dat de selectiehendel in stand P vergrendeld staat en niet kan bewegen als de vergrendelitnop niet wordt ingedrukt en trek de parkeerrem altijd voliedig aan.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Controleer altijd of stand P is ingeschakeld voordat u de auto veriaat. Trap het parkeerrempedaal volledig in, zet de motor uit en verwijder de sleutel. Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.
  • Laat een kind nooit zonder toezicht achter in de auto.

\* OPMERKING

De transmissie kan beschadigd raken wanneer u stand P tijdens het rijden inschakelt.

Stand R (achteruit)

Gebruik deze stand om de auto achteruit te rijden.

\* OPMERKING

Laat de auto helemaal tot stilstand komen alvorens de selectiehendel in of uit stand R te zetten. Anders zou de transmissie kunnen beschadigen, behaive onder de omstandigheden uitgelegd onder OP EIGEN KRACHT LOSTREKKEN VAN DE AUTO in dit instructieboekje.

Stand N (neutral)

In stand N zijn de transmissie en de wielen niet geblokkeerd. De auto kan vrij rollen, zelfs als de vierwielaandrijving is ingeschakeld, tenzij de parkeerrem wordt of het rempedaal wordt ingetrapt.

Stand D (Drive)

Dit is de normale stand voor het rijden in voorwaartse richting. De transmissie schakelt automatisch tussen de vier vooruitversnellingen voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik en optimale prestaties.

Druk voor extra vermogen tijdens inhaalmanoeuvres of het beklimmen van een steile helling het gaspedaal volledig in.

Hierdoor zal de automatische transmissie automatisch een lagere versnelling kiezen.

2 (Tweede versnelling)

Schakel stand 2 (tweede versnelling) in voor meer vermogen bij het oprijden van een helling en voor beter afremmen op de motor bij het dalen. Als de selectiehendel in stand 2 (tweede versnelling) staat, zal de transmissie automatisch schakelen tussen de 1e en 2e versnelling.

Stand L (Laag)

Zet de selectiehendel in deze stand wanneer een maximale trekkracht nodig is en bij het op- of afrijden van steile hellingen.

Z VOORZICHTIG

Overschrijd de geadviseerde maximumsnelheden in 2 (2e versnelling) of L (laag) niet. Het overschrijden van de geadviseerde maximumsnelheden in 2 (2e versnelling) of L (laag) kan leiden tot een overmatige hitteontwikkeling, waardoor de automatische transmissie beschadigd of defect kan raken.

KIA Rio III - Z VOORZICHTIG - 1

O/D OFF-Functie (indien van toepassing)

De overdrive kan worden in- en uitgeschakeld door de O/D-knop in te drukken. Als de overdrive is uitgeschakeld, brandt het controlelampje O/D OFF en wordt er geschakeld tussen de 1e en 3e versnelling. De transmissie zal pas naar de 4e versnelling schakelen als de O/D-schakelaar nogmaals wordt ingedrukt.

Bij het afrijden van een helling met de transmissie in O/D(4e), kunt u snelheid verminderen zonder het rempedaal in te trappen door de knop O/D OFF in te drukken.

Door nogmaals op deze schakelaar te drukken wordt de O/D OFF-functie weer uitgeschakeld.

Controlelampje O/D OFF

Dit lampje gaat branden als de O/D OFF-functie is ingeschakeld.

Vanuit stilstand een steile heiling oprijden

Trap het rempedaal in en zet de selectiehendel in stand D om vanuit stilstand een steile helling op te rijden. Kies de juiste versnelling afhankelijk van de mate waarin de auto belast is en de steilheid van de helling en ontgrendel de parkeerrem. Trap het gaspedaal geleidelijk in terwijl u het rempedaal op laat komen.

Schakelblokkeersysteem (indien van toepassing)

De automatische transmissie heeft een schakelblokkeersysteem dat voorkomt dat de selectiehendel uit de stand P kan worden gezet zonder dat het rempedaal is ingetrapt.

Om de selectiehendel uit stand P te zetten:

Type A

  1. Houd het rempedaal ingetrapt.
  2. Druk de ontgrendelknop in en verplaats de selectiehendel.

Type B (Indien uitgerust met een sleutelblokkeersysteem)

  1. Houd het rempedaal ingetrapt.
  2. Start de motor of zet het contact in de stand ON.
  3. Druk de ontgrendelknop in en verplaats de selectiehendel.

Als het rempedaal herhaaidelijk wordt ingetrapt en losgelaten met de selectiehendel in de stand P, kan een ratelend geluid bij de selectiehendel worden gehoord. Dit is een normaal verschijnsel.

Sleutelblokkeersysteem (indien van toepassing)

De sleutel kan alleen uit het contact worden genomen als de selectiehendel in stand P staat. Als de selectiehendel in een andere stand staat, kan de sleutel niet worden verwijderd.

REMSYSTEEM

Rembekrachtiging

Uw auto is voorzien van bekrachtigde remmen die bij normaal gebruik automatisch afgesteld worden.

Als de rembekrachtiging uitvalt omdat de motor is afgeslagen of door een andere oorzaak, kunt u de auto alsnog tot stilstand brengen door het rempedaal met een grotere kracht dan normaal in te drukken. De remweg zal echter langer dan gewoonlijk zijn.

Als de motor niet draait, wordt de mate van bekrachtiging steeds minder naarmate u vaker het rempedaal indrukt. Als de rembekrachtiging uitvalt, probeer dan niet "pompend" te remmen. Rem alleen "pompend" als de wielen dreigen te blokkeren.

Problemen bij het remmen

Als de bedrijfsremmen tijdens het rijden uit zouden vallen, kunt u de auto met behulp van de parkeerrem alsnog tot stilstand brengen. Houd daarbij dan wel rekening met een veel langere remweg dan normaal.

WAARSCHUWING

- Parkeerrem

Wanneer tijdens het rijden met een normale snelheid de parkeerrem wordt aangetrokken, kunt u plotseling de controle over de auto verliezen. Trek de parkeerrem voorzichtig aan wanneer u deze gebruikt om de auto tot stilstand te brengen.

⚠ WAARSCHUWING

- Remmen

- Laat tijdens het rijden uw voet niet op het rempedaal rusten. Hierdoor kan de temperatuur van de remmen abnormaal hoog worden, kunnen de remblokken en -schoenen overmatig slijten en kan de remweg vergroot worden.

• Schakel bij het afrijden van een lange of een steile helling een lagere versnelling in en vermijd langdurig achter elkaar remmen. Door langdurig achter elkaar te remmen zullen de remmen oververhit raken en kan een tijdelijk verlies van remprestaties het gevolg zijn.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Als de remmen nat zijn, remt de auto minder dan normaal en kan de auto naar één kant trekken tijdens het remmen. Door het rempedaal licht in te trappen kunt u controleren of het remvermogen door het nat worden is verminderd. Controleer uw remmen altijd op deze manier nadat u door waterplassen bent gereden. Druk voor het drogen van de remmen het rempedaal licht in terwijl u met een lage snelheid rijdt, totdat het remvermogen weer op het normale niveau is.

Remblokslijtage-indicators

Uw auto is voorzien van schijfremmen.

Wanneer de remblokken vóór of achter (indien van toepassing) versleten zijn, hoort u als waarschuwing een piepend geluid van de remmen. Dit geluid kan af en toe hoorbaar zijn of op het moment dat u het rempedaal intrapt.

Onder sommige rijomstandigheden of bij sommige klimaten kunnen de remmen piepen wanneer u het rempedaal voor de eerste keer of lichtjes intrapt. Dit is normaal en duidt niet op een probleem met de remmen.

\* OPMERKING

Blijf niet rijden met versleten remblokken om kostbare reparaties aan de remmen te voorkomen.

Dit waarschuwingsgeluid geeft aan dat de remblokken van uw auto vervangen moeten worden. Wanneer u deze waarschuwing negeert, kunnen de remprestaties na een poosje verminderen wat tot ernstige ongevallen kan leiden.

Z VOORZICHTIG

Vervang altijd de remblokken van één en dezelfde as gelijktijdig.

KIA Rio III - Z VOORZICHTIG - 1

Trek de parkeerremhendel krachtig en volledig omhoog terwijl het rempedaal ingetrapt is.

Z VOORZICHTIG

Wanneer met ingetrapte parkeerrem gereden wordt, zullen de remblokken overmatig slijfen.

KIA Rio III - Z VOORZICHTIG - 1

Trek voor het ontgrendelen van de parkeerrem de hendel iets omhoog en druk de knop in. Houd de knop ingedrukt en laat de hendel vervolgens zakken totdat de parkeerrem vrij is.

- Gebruik stand P niet in plaats van de parkeerrem om de auto op zijn plaats te houden. Trek de parkeerrem aan EN controleer of de versnellingspook in de 1e versnelling of de achteruit staat bij handgeschakelde transmissie of de selectiehendel in stand P staat bij auto's met een automatische transmissie.

• Laat kinderen en personen die niet bekend zijn met de auto niet aan de parkeerrem komen. Als de parkeerrem per ongeluk ontgrendeld wordt, kan er ernstig letsel ontstaan.

! (P) BRAKE

Als het waarschuwingslampje van het remsysteem blijft branden nadat de parkeerrem vrij is, kan er een storing in het remsysteem zijn. Laat dit direct controleren.

Breng de auto indien mogelijk direct tot stilstand. Als dat niet mogelijk is, rijdt dan erg voorzichtig door naar een plaats waar u wel kunt stoppen.

W-75

Controleer of het waarschuwingslampje van het remsysteem werkt door het contact in stand ON te zetten (start de motor niet). Dit lampje gaat branden wanneer het contact in stand START of ON wordt gezet en de parkeerrem aangetrokken is.

Zorg ervoor dat de parkeerrem voor het wegrijden vrij is en het waarschuwingslampje van het remsysteem uit is.

Parkeren bij stoepranden

- Als u de auto op een helling omhoog wilt parkeren, zet deze dan zo dicht mogelijk bij de stoeprand en draai de voorwielen van de stoeprand af, zodat de het voorwiel achteruit de stoeprand raakt, mocht deze onverhoopt gaan rollen.

• Als u de auto op een helling omlaag wilt parkeren, zet deze dan zo dicht mogelijk bij de stoeprand en draai de voorwielen naar de stoeprand toe, zodat het voorwiel vooruit de stoeprand raakt, mocht deze onverhoopt gaan rollen.

Antiblokkeersysteem (ABS) (indien van toepassing)

WAARSCHUWING - Remsysteem met AB

Het antiblokkeersysteem ontheft u niet van de noodzaak om voorzichtig rijden. Het blijft mogelijk dat u bij een ongeval betrokken raakt.

Het ABS zal niet altijd een ongeval kunnen voorkomen, zeker onder de volgende omstandigheden:

• Bij roekeloos, te hard of te dicht achter de voorganger rijden.
• Bij rijden met hoge snelheid als de grip op de weg minder is, door bijvoorbeeid regenval.
• Bij te snel rijden op slechte wegen. Het ABS is ontworpen om de maximale remwerking te verhogen op met name autowegen en wegen die in een goede staat verkeren. Op slechte wegen kan het ABS de remwerking zelfs verminderen.

Het ABS registreert continu de snelheid van de wielen. Zodra de wielen dreigen te blokkeren, vermindert het ABS de hydraulische remdruk op de wielen.

In dat geval is een tikkend geluid hoorbaar in het remsysteem en kan het rempedaal gaan trillen. Dit is normaal. Het betekent dat het ABS in werking is getreden.

Om in een noodsituatie het maximale rendement uit het ABS te halen, dient u niet zelf "pompend" te gaan remmen. Trap het rempedaal zo hard mogelijk in en laat het ABS verder het werk doen.

  • Zelfs met het antiblokkeersysteem heeft uw auto nog steeds voldoende remweg nodig. Bewaar altijd een veilige afstand tot de auto voor u.
  • Rem altijd af voor een bocht. Het antiblokkeersysteem kan geen ongevallen voorkomen die het gevolg zijn van te snel rijden.
    • Op wegen met los grind of wegen die niet vlak zijn kan het antiblokkeersysteem voor een langere remweg zorgen dan bij auto's zonder antiblokkeersysteem.

ABS

W-78

\* OPMERKING

  • Wanneer het waarschuwingslampje ABS brandt en blijft branden, is er mogelijk een probleem aanwezig in het ABS. In dat geval werken de remmen echter wel normaal.
  • Het waarschuwingslampje ABS licht nadat het contact om stand ON is gezet ongeveer 3 seconden op. Het ABS voert dan een zelfdiagnose uit en het lampje zal uitgaan wanneer alles in orde is. Wanneer het lampje blijft branden, is er mogelijk een probleem aanwezig in het ABS. Laat de auto zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.

\* OPMERKING

  • Als u op een weg rijdt waar erg weinig grip is, is het mogelijk dat bij het remmen het ABS continu in werking is en het waarschuwingslampje ABS oplicht. Zet de auto stil op een veilige plaats en zet de motor uit.
  • Start de motor opnieuw. Als het waarschuwingslampje ABS uitgaat, is het ABS in orde. Anders is er mogelijk een storing in het ABS. Laat de auto zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.

\* OPMERKING

Als u de auto met een hulpaccu moet starten doordat de accu is leeggeraakt, draait de motor mogelijk niet soepel rond en kan bovendien het waarschuwingslampje ABS oplichten. Dit komt door de lage accuspanning. Het betekent niet dat er een storing in het ABS is.

  • Rem niet "pompend"!
  • Laat de accu bijladen voordat u wegrijdt.

STUURWIEL

Stuurbekrachtiging

De stuurbekrachtiging reduceert de benodigde stuurkracht door gebruik te maken van het vermogen dat de motor levert. Bij een niet-draaiende motor of bij een defecte stuurbekrachtiging blijft de auto bestuurbaar, maar is de benodigde stuurkracht veel groter.

Indien u merkt dat onder normale omstandigheden het sturen van de auto zwaarder gaat dan normaal, moet u de stuurbekrachtiging door een officiële Kia-dealer laten controleren.

\* OPMERKING

• Houd het stuurwiel bij een draaiende motor nooit langer dan 5 seconden tegen een van beide aanslagen (links of rechts). Als het stuurwiel langer dan 5 seconden tegen de aanslag wordt gehouden, kan er schade aan de stuurbekrachtigingspomp ontstaan.
• Als de aandrijfriem van de stuurbekrachtigingspomp breekt of de pomp defect raakt, zal de benodigde stuurkracht aanzienlijk groter worden.

\* OPMERKING

Als de auto bij koud weer lange tijd heeft buitengestaan, (temperatuur lager dan 10 °C), dan functioneert de stuurbekrachtiging mogelijk minder goed, als de motor voor de eerste maal wordt gestart.

Dit wordt veroorzaakt door een stijging van de viscositeit van de stuurbekrachtigingsvloeistof en duidt niet op een storing.

Als dit gebeurt, laat het toerental van de motor dan oplopen tot 1.500 omw/min en laat vervolgens het gaspedaal los, of laat de motor twee of drie minuten stationair draaien om de stuurbekrachtigingsvloeistof te laten opwarmen.

Verstelbare stuurkolom (indien van toepassing)

Een verstelbare stuurkolom maakt het mogelijk het stuurwiel af te stellen voordat u gaat rijden. Daarnaast kunt u het stuurwiel omhoog kantelen zodat uw benen meer ruimte hebben bij het in- en uitstappen.

Het stuurwiel moet zo worden afgesteld dat u een tijdens het rijden een comfortabele positie achter het stuur kunt vinden en tegelijkertijd een goed zicht heeft op de waarschuwingslampje en meters in het instrumentenpaneel.

WAARSCHUWING

  • Stei het stuurwiel nooit af tijdens het rijden. Als u dat wel doet kunt u de macht over het stuur verlieszen waardoor ongevalien en letsel veroorzaakt kunnen worden.
  • Controleer na het afstellen of het stuurwiel goed vastzit.

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 1

Trek de vergrendeling (1) omhoog, zet het stuurwiel in de gewenste stand (2) en laat de vergrendeling weer los om het stuurwiel te blokkeren.

Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden.

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 2

Om te claxonneren drukt u op het claxonsymbool op het stuurwiel.

Controleer regelmatig de werking van de claxon.

VOORZICHTIG

- Om te claxonneren drukt u in de omgeving van het claxonsymbool op het stuurwiel (zie afbeelding).

- Om de claxon te bedienen hoeft u niet op het claxongedeelte te slaan. Druk het claxongedeelte niet in met een scherp voorwerp.

VOERTUIGSTABILITEITSREGELING (INDIEN VAN TOEPASSING)

KIA Rio III - VOERTUIGSTABILITEITSREGELING (INDIEN VAN TOEPASSING) - 1

De voertuigstabiliteltsregeling (Electronic Stability Program/ESP) controleert de gegevens van verschillende sensoren en vergelijk vervolgens de commando's van de bestuurder met het actuele rijgedrag van de auto. Als er een instabiele situatie optreedt - bijvoorbeeld als gevolg van een plotselinge uitwijkmanoeuvre - grijpt ESP binnen een fractie van een seconde in via de motormodule en het remsysteem om de auto weer onder controle te brengen.

Werking voertuigstabiliteitsregeling

Voertuigstshiliteteregeling Inschakelen

Als het contact in stand ON wordt gezet, gaan de controelampjes ESP en ESP OFF gedurende ongeveer 3 seconden branden, waarna de voertuigstabiliteitsregeling wordt ingeschakeld.
• Druk nadat het contact in stand ON is gezet minimaal 0,5 seconde op de toets ESP om de voertuigstabiliteitsregeling uit te achakelen. Het controlelampje ESP OFF gaat nu branden. Druk nogmaals op de toets ESP om het systeem uit te schakelen.
• Tijdens het starten van de motor is mogelijk een zacht tikkend geluid hoorbear. Dit is de autometische zelfdiagnosefunctie van de voertuigstabliteisregeling en is normaal.

Als de voertuigstabiliteitsregeling in werking treedt, gaat het controlelampje ESP knipperen.

• Als de voertuigstabiliteitsregeling werkt, voelt u mogelijk lichte trillingen in de auto. Dit wordt veroorzaakt door het aansturen van de remmen en is normaal.
• Tijdens het wegrijden op een gladde weg neemt het motortoerental mogelijk niet toe, ondanks dat u het gaspedaal intrapt.

Voertuigstabiliteitsregeling uitschakelen

Voertuigstabiliteitsregeling uitgeschakeld

ESP OFF

  • Druk op toets ESP om de voertuigstabiliteitsregeling uit te schakelen. Het controlelampje ESP OFF gaat branden.
  • De voertuigstabiliteitsregeling blijft uitgeschakeld, ook als u het contact in stand LOCK zet. Pas wanneer de motor opnieuw wordt gestart, zal de voertuigstabiliteitsregeling automatisch weer worden ingeschakeld.

■ Controlelampje ESP (knippert)

ESP

■ Controlelampje ESP OFF (brandt)

ESP OFF

Controlelampje

Als het contact in stand ON wordt gezet, gaat het controlelampje branden en, als het systeem in orde is, na enige tijd weer uit.

Het controlelampje ESP gaat knipperen zodra het systeem in werking treedt.

Het controlelampje ESP OFF gaat branden als het systeem met de schakelaar is uitgeschakeld of blijft branden als er een storing in het systeem aanwezig is.

WAARSCHUWING

De voertuigstabiliteitsregeling is slechts een hulpmiddel bij het rijden. Pas op bochtige en gladde wegen uw rijsnelheid aan. Rijd voorzichtig en probeer niet te accelereren als het controlelampje ESP knippert of als u op een gladde weg rijdt.

Voertuigstabiliteitsregeling uitschakelen

Tijdens het rijden

  • Het verdient aanbeveling om de voertuigstabiliteitsregeling waar mogelijk ingeschakeld te houden.
  • Schakel de voertuigstabiliteitsregeling tijdens het rijden alleen uit als u op een vlakke weg rijdt.

Druk nooit op de schakelaar ESP als de anti-doorslipregeling in werking is (controlelampje ESP knippert).

Als het systeem in dat geval toch wordt uitgeschakeld, kan de auto gaan slippen.

\* OPMERKING

• Schakel de voertuigstabiliteitsregeling uit (controlelampje ESP OFF brandt) als de auto op een rollenbank staat. Als dat niet gebeurt, kunnen de wielen mogelijk niet accelereren, waardoor foutieve meetwaarden ontstaan.
• Het uitschakelen van de voertuigstabiliteitsregeling heeft geen gevolgen voor een correcte werking van het ABS en het reunsysteem.

WAARSCHUWING

Druk niet op de schakelaar ESP als het controlelampje ESP knippert.

Als het systeem in dat geval toch wordt uitgeschakeld, kan de auto gaan slippen.

Schakel de voertuigstabiliteitsregeling tijdens het rijden alleen uit als u op een vlakke weg rijdt.

INSTRUMENTENPANEEL

■ Benzine (Type A)
2 6 5:30 l 12:45 55 ⑦ ② ⑥ ⑤ ① 8 1 0 ④ 20 140 190 300 km/h ③ 200 230 20 8 5 ⑤

Benzine (Type B)

590.1 123456.m

  1. Toerenteller
  2. Controlelampje richtingaanwijzer
  3. Snelheidsmeter

  4. Temperatuurmeter

  5. Waarschuwings- en controlelampjes
  6. Kilometerteller/dagteller

■ Benzine (Type C)
KIA Rio III - INSTRUMENTENPANEEL - 3

  1. Toerenteller
  2. Controielampje richtingaanwijzer
  3. Snelheidsmeter

  4. Temperatuurmeter

  5. Waarschuwings- en controlelampjes
  6. Kilometertelier/dagteiler

Diesel (Type C)
5 988000 ① ② ⑥ ⑦ ⑤ ⑧ km/h ③ 200 220 240 260 280 300 320 340 360 380 400 420 440 460 480 500 520 540 560 580 600

Diesel (Type D)

KIA Rio III - INSTRUMENTENPANEEL - 5

De snelheidsmeter geeft de snelheid aan als de auto vooruit rijdt.

Kilometerteller

De kilometerteller geeft de totale afstand aan die met de auto gereden is.

KIA Rio III - Kilometerteller - 1

Door op de functieknop te drukken kunt u kiezen tussen dagteller A en dagteller B.

TRIP A: Dagteller A (indien van toepassing)

TRIP B: Dagteller B (indien van toepassing)

De dagteller geeft de gereden afstand per afzonderlijke rit aan. Dagteller A en B kunnen gereset worden door de resetknop gedurende één seconde of langer in te drukken en vervolgens los te laten.

Toerenteller

De toerenteller geeft het aantal omwentelingen per minuut (omw/min) bij benadering weer.

Gebruik de toerenteller om de juiste schakelmomenten te kiezen en voorkom dat de motor zwaar moet trekken of met te hoge motortoerentallen draait.

De naald van de toerenteller kan licht bewegen wanneer het contact in stand ACC of ON staat en de motor uit is. Deze beweging is normaal en beïnvloedt de nauwkeurigheid van de toerenteller niet als de motor eenmaal draait.

\* OPMERKING

Zorg ervoor dat het motortoerental niet toeneemt tot in het rode gebied. Hierdoor kan ernstige motorschade ontstaan.

Brandstofmeter

De brandstofmeter geeft bij benadering de hoeveelheid brandstof aan die nog in de tank aanwezig is.

Inhoud brandstoftank – 45 liter.

De brandstofmeter is daarnaast uitgerust met een waarschuwingslampje laag brandstofniveau in het dashboard. Dit lampje gaat branden als de brandstofvoorraad minder dan ongeveer 5,5\~6,5 liter bedraagt.

Temperatuurmeter

Meter

KIA Rio III - Meter - 1

Wanneer het contact in stand ON staat, geeft deze meter de koelvloeistoftemperatuur weer.

Bijf niet doorrijden met een oververhitte motor. Raadpleeg OVERVERHITTING in de index wanneer de motor oververhit raakt.

\* OPMERKING

Als de naald van de meter buiten het normale bereik komt en in de richting van stand H beweegt, duidt dit op oververhitting van de motor, waardoor schade aan de motor kan ontstaan.

Controlelampjes

KIA Rio III - Controlelampjes - 1

Wanneer het contact in stand ON staat, geven deze controlelampjes de koelvloeistoftemperatuur weer.

Het rode controlelampje brandt als de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan 125 ± 3°C (257 ± 5,5°F).

Het blauwe controlelampje brandt als de koelvloeistoftemperatuur lager is dan 60 ± 3°C (140 ± 5,5°F).

Blijf niet doorrijden met een oververhitte motor. Raadpleeg OVERVERHITTING in de index wanneer de motor oververhit raakt.

\* OPMERKING

Als het rode controlelampje brandt, is de motor oververhit waardoor schade aan de motor kan ontstaan.

TRIP CFT MPG L/100 MI km

1JBH4037

Boordcomputer (indien van toepassing)

De boordcomputer is een microcomputergestuurd informatiesysteem dat op een LCD belangrijke informatie weergeeft.

KIA Rio III - Boordcomputer (indien van toepassing) - 1

Na elke druk op de knop (TRIP) verandert de weergave als volgt:

KIA Rio III - Boordcomputer (indien van toepassing) - 2

flowchart
graph TD
    A["DAGTELLER"] --> B["GEMIDDELD BRANDSTOFVERBRUIK"]
    B --> C["ACTIERADIUS"]
    C --> D["BUITENTEMPERATUUR"]
    D --> A

2 65°C 123456 MI km

1JBH4041

Buitentemperatuur (°C of °F) In deze stand wordt de actuele buitentemperatuur weergegeven. Het werkgebied van de meter is - 40°C (-40°F) tot 80°C (176°F).

TRIP N690: 123456 MI km

1JBH4038

Dagteller (km of MI)

In deze stand wordt de afstand weergegeven die is afgelegd sinds de dagteller voor het laatst gereset werd.

De teller loopt van 0,0 - 999,9 km (mile).

Door de toets TRIP langer dan 1 seconde ingedrukt te houden als het scherm met de dagteller wordt weergegeven, wordt de dagteller teruggezet naar nul.

R 98 MPG L/MO 123456 MI km

1JBH4040

Gemiddeld brandstofverbruik (1/100km of MPG)

In deze stand wordt het gemiddelde brandstofverbruik berekend uit het totale brandstofverbruik en de afstand die is afgelegd sinds het gemiddelde brandstofverbruik voor het laatst gereset werd. Het totale brandstofverbruik wordt berekend uit het brandstofverbruikssignaal. Voor een nauwkeurige berekening dient meer dan 500 m (0,5 mile) te worden gereden.

De meter loopt van 0,0 - 99,9 l/100 km (MPG).

KIA Rio III - Gemiddeld brandstofverbruik (1/100km of MPG) - 1

In deze stand wordt aangegeven hoeveel kilometer er ongeveer gereden kan worden met de hoeveelheid brandstof in de tank. Als de resterende afstand korter is dan 50 km (30 mijl), knippert het symbool "---".

De boordcomputer houdt alleen bij hoeveel brandstof er door de motor verbruikt wordt. Als er sprake is van brandstoflekkage kan de boordcomputer de actieradius niet op de juiste manier inschatten en kan de werkelijke afstand die nog gereden kan worden kleiner zijn dan de geschatte afstand.

\* OPMERKING

- Als de auto niet op een horizontaal vlak staat of als de accupolen losgenomen zijn, kan het gebeuren dat de functie ACTIERADIUS niet goed werkt.

Indien er minder dan 6 liter brandstof getankt wordt, wordt dat niet door de boordcomputer geregistreerd.

- De boordcomputer geeft de bestuurder aanvullende informatie over de actuele status van de auto. De geschatte actieradius kan worden beïnvloed door de actuele bedrijfsomstandigheden, het gemiddelde brandstofverbruik en de rijstijl. De waarden die de eerste keer dat de boordcomputer wordt ingeschakeld, worden weergegeven, kunnen afwijken van de werkelijke waarden voor uw auto.

- De weergegeven actieradius is een schatting en kan derhalve afwijken van de werkelijke afstand die met de auto gereden kan worden.

Waarschuwingslampjes/-signalen

Controleer werking

De waarschuwingslampjes kunnen worden gecontroleerd door het contact in stand ON te zetten (start de motor niet). Ieder lampje dat niet gaat branden, moet gecontroleerd worden door een officièle Kia-dealer. Controleer nadat de motor aanslaat of alle waarschuwingslampjes uit zijn. Eventuele lampjes die nog branden, kunnen op een storing duiden. Het waarschuwingslampje van het remsysteem moet uitgaan zodra de parkeerrem vrij is. Het waarschuwingslampje laag brandstofniveau blijft branden als er nog maar weinig brandstof in de tank zit.

Waarschuwingslampje ABS (indien van toepassing)

KIA Rio III - Waarschuwingslampje ABS (indien van toepassing) - 1

Dit lampje gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet en gaat na ongeveer 3 seconden uit als het systeem in orde is.

Wanneer het lampje blijft branden, is er mogelijk een probleem aanwezig in het ABS. Laat de auto zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.

Waarschuwingslampje EBD (indien van toepassing)

KIA Rio III - Waarschuwingslampje EBD (indien van toepassing) - 1

Als tijdens het rijden twee waarschuwingslampjes gelijktijdig gaan branden, dan zit er een probleem in het ABS- of EBD-systeem.

KIA Rio III - Waarschuwingslampje EBD (indien van toepassing) - 2

In dat geval werken het antiblokkeersysteem en het remsysteem misschien niet normaal. Laat uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.

WAARSCHUWING

Als zowel het waarschu- wingslampje ABS als het waarschuwingslampje remsysteem brandt en blijft branden, zal het remsysteem niet normaal werken. Er kan dus een onverwachte en gevaarlijke situatie ontstaan bij plotseling remmen. Vermijd in dit geval hard rijden en plotseling remmen. Laat uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.

Oliedruklampje

KIA Rio III - Oliedruklampje - 1

Dit waarschuwingslampje geeft aan dat de oliedruk van de motor laag is. Als het waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden:

  1. Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto tot stilstand.
  2. Controleer het motoroliepeil wanneer de motor uit is. Vul indien nodig olie bij wanneer het peil laag is.

Neem contact op met een officiële Kia-dealer als het waarschuwingslampje na het bijvullen blijft branden.

Waarschuwingslampje laadsysteem

KIA Rio III - Waarschuwingslampje laadsysteem - 1

Dit waarschuwingslampje duidt op een storing in de dynamo of in het laadsysteem.

Handel als volgt als het lampje gaat branden tijdens het rijden:

  1. Rijd naar de dichtstbijzijnde veilige locatie.
  2. Schakel de motor uit en controleer of de dynamoriem onvoldoende spanning heeft of gebroken is.
  3. Als de dynamoriem in orde is, bevindt het probleem zich in het laadsysteem. Laat de auto zo snel mogelijk repareren door een officiële Kia-dealer.

Waarschuwingslampje veiligheidsgorde!

KIA Rio III - Waarschuwingslampje veiligheidsgorde! - 1

Type A

Als herinnering voor bestuurder en passagiers licht telkens als het contact in stand ON wordt gezet het waarschuwingslampje van de veiligheidsgordels gedurende 6 seconden op.

Dit gebeurt ook als de veiligheidsgordel weer losgemaakt wordt als het contact in stand ON staat. Roep de hulp in van een officiële Kia-dealer wanneer het systeem niet werkt zoals beschreven.

\* OPMERKING

Ernstige motorschade kan het gevolg zijn wanneer u de motor niet onmiddellijk uitzet.

Type B

Als herinnering voor bestuurder en passagiers gaat telkens als het contact in stand ON wordt gezet het waarschuwingslampje van de veiligheidsgordels gedurende 6 seconden knipperen of branden.

Wanneer de veiligheidsgordel van de bestuurder niet vastgemaakt is als het contact in stand ON staat, zal het waarschuwingslampje gaan knipperen of branden. Dit gebeurt ook als de veiligheidsgordel weer losgemaakt wordt als het contact in stand ON staat.

Maar als de veiligheidsgordel losgenomen wordt binnen 9 seconden nadat de gordel is omgedaan, zullen de waarschuwingszoemer en het waarschuwingslampje voor de veiligheidsgordel niet werken.

Roep de hulp in van een officiële Kia- dealer wanneer het systeem niet werkt zoals beschreven.

Schakelstandindicator (indien van toepassing)

KIA Rio III - Schakelstandindicator (indien van toepassing) - 1

Afhankelijk van de stand van de selectiehendel gaat het overeenkomstige lampje branden.

Controlelampje O/D OFF (indien van toepassing)

KIA Rio III - Controlelampje O/D OFF (indien van toepassing) - 1

Dit lampje zal gaan branden als het O/D-systeem uitgeschakeld is.

Controlelampje startblokkeersysteem (indien van toepassing)

KIA Rio III - Controlelampje startblokkeersysteem (indien van toepassing) - 1

Dit lampje gaat branden als de sleutel in het contact gestoken wordt en in stand ON wordt gedraaid.

Op dat moment kunt u de motor starten. Het lampje dooft nadat de motor is aangeslagen. Als dit lampje dooft voordat u de motor start, dient u het contact in stand LOCK te zetten en de motor opnieuw te starten.

Laat het systeem controleren door een officiële Kia-dealer wanneer het lampje niet gaat branden of gaat knipperen als het contact in stand ON staat en de motor nog niet is gestart.

Waarschuwingslampje remsysteem

KIA Rio III - Waarschuwingslampje remsysteem - 1

Waarschuwing ingeschakelde parkeerrem

Dit lampje gaat branden wanneer het contact in stand START of ON wordt gezet en de parkeerrem ingeschakeld is. Zodra de parkeerrem niet langer meer is ingeschakeld, moet het lampje UIT zijn.

Waarschuwing laag remvloeistofniveau

Als het waarschuwingslampje blijft branden, kan dit duiden op een laag remvloeistofpeil in het reservoir.

Handel als volgt wanneer het waarschuwingslampje blijft branden:

  1. Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand.
  2. Schakel de motor uit en controleer het remvloeistofpeil direct. Vul indien nodig remvloeistof bij. Controleer alle onderdelen van het remsysteem op lekkage.
  3. Rijd niet met de auto als het waarschuwingslampje aan blijft of als de remmen niet goed werken. Laat de auto naar een officiële Kia-dealer siepen om het remsysteem te laten controleren en zonodig te laten repareren.

Controleer of het waarschuwingslampje van het remsysteem in orde is en brandt als het contact in stand ON staat.

WAARSCHUWING

Rijden met een auto waarvan het waarschuwingslampje brandt, is gevaarlijk. Laat het remsysteem direct controleren en repareren door een officiële Kia-dealer als het waarschuwingslampje blijft branden.

Waarschuwing achterkiep open (indien van toepassing)

KIA Rio III - Waarschuwing achterkiep open (indien van toepassing) - 1

Dit lampje gaat branden als de achterklep niet volledig gesloten is.

Waarschuwingslampje open portier

KIA Rio III - Waarschuwingslampje open portier - 1

Dit waarschuwingslampje gaat branden als een portier niet goed gesloten is (in alle standen van het contact).

Controlelampje laag niveau ruitensproeiervloeistof (indien van toepassing)

KIA Rio III - Controlelampje laag niveau ruitensproeiervloeistof (indien van toepassing) - 1

Dit controlelampje geeft aan dat het sproeierreservoir bijna leeg is. Vul zo snel mogelijk ruitensproeiervloeistof bij.

Waarschuwingslampje laag brandstofniveau

KIA Rio III - Waarschuwingslampje laag brandstofniveau - 1

Dit waarschuwingslampje geeft aan dat de brandstoftank bijna leeg is. Dit lampje gaat branden als de brandstofvoorraad minder dan ongeveer 5,5\~6,5 liter bedraagt. Vul zo snel mogelijk brandstof bij.

Dit controlelampje gaat branden als het grootlicht wordt ingeschakeld of een lichtsignaal wordt gegeven.

Waarschuwingslampje AIRBAG (indien van toepassing)

AIR BAG

Dit waarschuwingslampje zal ongeveer 6 seconden gaan knipperen iedere keer dat het contact in stand ON wordt gezet.

Roep onmiddellijk de hulp in van een officiële Kia-dealer wanneer het lampje niet uit gaat of tijdens het rijden gaat branden.

Controlelampje airbag voorpassagier UIT (Indien van toepassing)

KIA Rio III - Controlelampje airbag voorpassagier UIT (Indien van toepassing) - 1

Het controlelampje airbag voorpassagier UIT zal gedurende 4 seconden gaan branden als het contact in stand ON wordt gezet of als de motor gestart wordt en binnen 3 seconden daarna uitgaan.

Het controlelampje airbag voorpassagier UIT zai ook gaan branden als de AAN/UIT-schakelaar voor de airbag in de stand UIT staat en zai uitgaan als deze schakelaar in de stand AAN wordt gezet.

VOORZICHTIG

Als er een defect optreedt in de AAN/UIT-schakelaar zal het controle/ampje airbag voorpassagier UIT niet branden en zal de airbagmodule de airbag voor de voorpassagier bij een frontale aanrijding activeren, ook al staat de schakelaar voor het AAN/UIT-schakelen van de airbag in de stand UIT.

Laat in dat geval de AAN/UIT- schakelaar voor de airbag en het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.

Controlelampje motormanagement (indien van toepassing)

KIA Rio III - Controlelampje motormanagement (indien van toepassing) - 1

Dit controlelampje maakt deel uit van het motorregelsysteem dat verschillende onderdelen van het emissieregelsysteem in de gaten houdt. Als dit lampje tijdens het rijden gaat branden, geeft het aan dat een mogelijk probleem gesignaleerd werd in de emissieregelsystemen.

Over het algemeen kunt u met uw auto blijven rijden en hoeft deze niet gesleept te worden. Laat het systeem echter zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.

Z VOORZICHTIG

- Wanneer u langere tijd met een brandend controlelampje motormanagement (☑) blijft doorrijden, kan schade aan de emissieregelsystemen ontstaan. Dit kan een nadelige invloed hebben op de rijprestaties en/of het brandstofverbruik.

- Wanneer het controlelampje motormanagement (bbl) begint te knipperen, kan de katalysator beschadigd zijn. Hierdoor kan het motorvermogen teruglopen. Laat het motorregelsysteem zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.

Controelampje ESP (voertuigstabiliteitsregeling) (indien van toepassing)

Het controlelampje EPS gaat branden op het moment dat het contact in stand ON wordt gezet en moet na ongeveer 3 seconden weer uit gaan. Als de voertuigstabiliteitsregeling is ingeschakeld registreert dit systeem de rijomstandigheden. Zolang deze normaal zijn, blijft het controlelampje ESP uit. Zodra het systeem registreert dat de wielen door willen gaan slippen, wordt de voertuigstabiliteitsregeling geactiveerd en gaat het controlelampje ESP knipperen.

ESP

Controlelampje ESP OFF (indien van toepassing)

ESP OFF

Het controlelampje ESP OFF gaat branden op het moment dat het contact in stand ON wordt gezet en moet na ongeveer 3 seconden weer uit gaan. Druk op de toets TCS om de voertuigstabiliteitsregeling uit te schakelen. Het controlelampje ESP OFF gaat branden om aan te geven dat het systeem is uitgeschakeld. Als dit lampje brandt terwijl de voertuigstabiliteitsregeling is ingeschakeld, is er mogelijk een storing in het systeem. Laat de auto controleren door een officiële Kia-dealer.

Indicatielampje gloeispiraal (alleen diesemotor)

KIA Rio III - Indicatielampje gloeispiraal (alleen diesemotor) - 1

Dit lampje gaat branden tijdens het voorgloeien en gaat daarna uit.

\* OPMERKING

Laat het systeem zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia- dealer of een deskundig garagebedrijf wanneer het controlelampje voorgloecien blijft branden nadat de motor op bedrijfstemperatuur is of als het lampje gaat branden tijdens het rijden.

Waarschuwingslampje brandstofffilter (alleen bij dieselmotor)

KIA Rio III - Waarschuwingslampje brandstofffilter (alleen bij dieselmotor) - 1

Dit lampje gaat branden als er meer water dan normaal in de afscheider terechtkomt. Tap als het lampje aan gaat het water af. Als u blijft rijden terwijl dit lampje brandt, kan de motor beschadigd worden.

Waarschuwingszoemer veiligheidsgorde! (indien van toepassing)

Type A

Wanneer de veiligheidsgordel van de bestuurder niet vastgemaakt is, zal gedurende ongeveer 6 seconden een waarschuwingszoemer klinken zodra het contact in stand ON wordt gezet. Dit gebeurt ook als de veiligheidsgordel weer losgemaakt wordt als het contact in stand ON staat.

Type B

Wanneer de driepuntsgordel van de bestuurder niet vastgemaakt is, het contact in stand ON is gezet en de rijsnelheid hoger wordt dan ongeveer 9 km/h zal de waarschuwingszoemer van de veiligheidsgordel ongeveer 100 seconden klinken nadat het waarschuwingslampje ongeveer één minuut geknipperd heeft.

Wanneer de driepuntsgordel van de bestuurder wordt losgenomen nadat het contact in stand ON is gezet en de rijsnelheid hoger is dan ongeveer 9 km/h zal de waarschuwingszoemer van de veiligheidsgordel ongeveer 100 seconden klinken.

Maar als de veiligheidsgordel losgenomen wordt binnen 9 seconden nadat de gordel is omgedaan, zullen de waarschuwingszoemer en het waarschuwingslampje voor de veiligheidsgordel niet werken.

Waarschuwingszoemer open portier (indien van toepassing)

Als een portier geopend wordt en het contact in stand ON staat, zal er een waarschuwingszoemer klinken.

Waarschuwingszoemer "sleutel in contactslot" (indien van toepassing)

Als het bestuurdersportier geopend wordt en de contactsleutel zich nog in het contactslot bevindt in stand LOCK of ACC, zal de waarschuwingszoemer "sleutel in contactslot" klinken. Dit om te voorkomen dat u de auto afsluit en de sleutel in het contactslot laat zitten.

PARKEERHULP (INDIEN VAN TOEPASSING)

KIA Rio III - PARKEERHULP (INDIEN VAN TOEPASSING) - 1

De parkeerhulp waarschuwt de bestuurder tijdens het achteruitrijden met een signaal zodra de aistand tussen de auto en een voorwerp achter de auto minder dan 120 cm wordt. Het systeem dient slechts als hulpmiddel vermindert niet de noodzaak om voorzichtig te rijden. Het bereik van de parkeersensoren is beperkt en niet alle voorwerpen worden even goed opgemerkt. Blijf daarom altijd alert tijdens het achteruitrijden.

WAARSCHUWING

De parkeerhulp biedt slechts aanvullende informatie. De bestuurder dient altijd zelf achteruit te kijken. De werking van het systeem kan worden beïnvloed door diverse factoren en kan niet blindelings worden vertrouwd.

Werking van de parkeerhulp

Inschakelen

  • Het systeem wordt automatisch ingeschakeld als de achteruitversnelling is ingeschakeld en het contact in stand ON staat.
  • Het bereik van de parkeersensoren bedraagt ongeveer 120 cm.
  • Als er zich twee voorwerpen achter de auto bevinden, zal het dichtstbijzijnde als eerste worden geregistreerd.

Waarschuwingssignalen

• Als de afstand tussen 120 cm en 81 cm bedraagt, klinkt er met regelmatige tussenpozen een signaal
• Als de afstand tussen 80cm en 41cm bedraagt, klinkt er met regelmatige tussenpozen een dubbel signaal
• Als de afstand minder dan 40 cm bedraagt, klinkt het signaal continu.

Gevallen waarin de parkeerhulp niet werkt

De parkeerhulp werkt mogelijk niet goed in de volgende gevallen:

  1. Als er ijsvorming op de sensor is (de sensor werkt weer normaal als het ijs gesmolten is).
  2. Als de sensor bedekt is met sneeuw of een andere substantie (de sensor werkt weer normaal zodra deze vrij is gemaakt).
  3. Als de sensor vuil is (de sensor werkt weer normaal zodra deze schoon is).

De werking van de parkeerhulp kan worden verstoord in de volgende omstandigheden:

  1. Bij het rijden op oneffen wegen en op hellingen.
  2. Als bepaalde hoogfrequente geluiden, zoals claxons, racemotoren, luchtremmen van vrachtwagen en dergelijke de werking van de sensoren beïnvloeden.
  3. Bij zware regenval of opspattend water.
  4. Door zenders of mobiele telefoons in de buurt van de sensors.
  5. Als de sensor bedekt is met sneeuw.

Het sensorbereik kan in de volgende gevalien afnemen:

  1. Bij extreem hoge of lage buitentemperaturen.
  2. Bij voorwerpen lager dan 1 meter en smaller dan 14 cm.

De volgende voorwerpen worden mogelijk niet opgemerkt door de sensoren:

  1. Smalle voorwerpen als touwen, kettingen enz.
  2. Voorwerpen die de hoogfrequente signalen van de sensor absorberen, zoals kleding, sponsachtige materialen en sneeuw.

\* OPMERKING

  1. Het waarschuwingssignaal klinkt mogelijk niet regelmatig als het voorwerp achter de auto beweegt of een grillige vorm heeft.
  2. De correcte werking van de parkeerhulp kan verstoord raken als de bumperhoogte of de inbouwpositie van de sensoren is gewijzigd. Achteraf gemonteerde accessoires kunnen het bereik van de sensoren beïnvloeden.
  3. Voorwerpen die kleiner zijn dan 40 cm worden mogelijk niet of niet goed geregistreerd. Wees alert.
  4. Als de sensor bedekt is met sneeuw, ijs of vuil, werkt deze mogelijk niet goed totdat deze weer schoon en droog is gemaakt met een zachte doek.
  5. Druk, kras of stoot niet met harde voorwerpen tegen de sensor. Anders kan het oppervlak van de sensor beschadigd raken. Hierdoor werkt de sensor mogelijk niet goed meer.

\* OPMERKING

Het systeem werkt alleen in het gebied waar de parkeersensoren zijn geplaatst. Kleine of smalle voorwerpen die zich tussen twee sensoren in bevinden, worden mogelijk niet geregistreerd. Kijk daarom altijd zelf mee tijdens het achteruitrijden.

Informeer bestuurders die onbekend zijn met de auto over de mogelijkheden en beperkingen van het systeem.

Schade aan de auto en persoonlijk letsel, ontstaan vanwege het onjuist functioneren van de parkeerbulp, vallen niet onder de garantie. Rijd daarom altijd veilig en voorzichtig.

WAARSCHUWING

Wees extra voorzichtig als u dicht langs voorwerpen of personen, in het bijzonder kinderen, rijdt. Houd er rekening mee dat sommige voorwerpen mogelijk niet door de sensoren worden geregistreerd.

Controleer altijd met eigen ogen of de weg vrij is.

VERLICHTING

Energiebesparingsfunctie

  • Deze functie dient om te voorkomen dat de accu ontladen wordt door automatisch de parkeerlichten uit te schakelen op het moment dat het bestuurdersportier geopend wordt nadat de sleutei uit het contactslot is genomen.
  • De parkeerlichten worden automatisch uitgeschakeld als de auto in het donker langs de kant van de weg geparkeerd wordt.

Volg onderstaande procedure als de parkeerlichten moeten blijven branden, wanneer de contactsleutel is verwijderd:

1) Open het portier aan bestuurderszijde.
2) Schakel de parkeerlichten uit en in met de lichtschakelaar op de stuurkolom.

⑤ ② ① 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 2 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80

Bediening verlichting

De lichtschakelaar heeft een stand voor het parkeerlicht en voor de dimverlichting.

De verlichting kan worden bediend door het uiteinde van de combischakelaar in één van de volgende standen te zetten:

(1) UIT
(2) Parkeerlicht
(3) Dimlicht

KIA Rio III - Bediening verlichting - 1

Als de lichtschakelaar in de stand parkeerlicht staat (1e stand), branden de achterlichten, het parkeerlicht, de kentekenplaatverlichting en de verlichting van het instrumentenpaneel.

KIA Rio III - Bediening verlichting - 2

Als de lichtschakelaar in de stand dimlicht staat (2e stand), branden de koplampen, de achterlichten, het parkeerlicht, de kentekenplaatverlichting en de verlichting van het instrumentenpaneel.

KIA Rio III - Bediening verlichting - 3

Druk de combischakelaar van u af om het grootlicht in te schakelen. Trek de schakelaar naar u toe om het dimlicht in te schakelen.

Het controlelampje voor het grootlicht gaat branden wanneer het grootlicht wordt ingeschakeld.

Om te voorkomen dat de accu uitgeput raakt, dient u de verlichting niet gedurende langere tijd te laten branden terwijl de motor niet draait.

KIA Rio III - Bediening verlichting - 4

Trek de combischakelaar naar u toe om een lichtsignaal te geven. Als u de combischakelaar loslaat, keert deze weer terug naar zijn oorspronkelijke positie (dimlicht). De verlichting hoeft niet aan te staan om een lichtsignaal te kunnen geven.

A B B A 1000 500 OFF 100 OFF 1JBA4014

Richtingaanwijzers (A)

Om de richtingaanwijzers te laten werken, moet het contact in stand ON staan. Beweeg de combischakelaar omhoog of omlaag om de richtingaanwijzers in te schakelen. Een groen controlelampje in de vorm van een pijl in het dashboard geeft aan welke richtingaanwijzer in werking is. Na een bocht keert de combischakelaar vanzelf weer terug in de middenstand. Zet de combischakelaar handmatig terug in de middenstand als de richtingaanwijzers na een bocht blijven knipperen.

Signaal rijstrookwisseling (B)

Beweeg de combischakelaar gedeeltelijk naar beneden of naar boven en houd hem vast om een wisseling van rijstrook aan te geven. Als u de combischakelaar loslaat, keert deze weer terug naar zijn oorspronkelijke positie.

Wanneer een controlelampje blijft branden, niet knippert of abnormaal knippert, kunnen één of meer lampen doorgebrand zijn en dienen deze vervangen te worden.

\* OPMERKING

Als de richtingaanwijzer abnormaal snel of langzaam knippert, duidt dit op een kapotte lamp of een slecht contact in het circuit van de richtingaanwijzers.

KIA Rio III - \* OPMERKING - 1

Mistlampen vóór (indien van toepassing)

De mistlampen dienen voor een beter zicht en ter voorkoming van ongevallen onder omstandigheden waarbij het zicht sterk verminderd wordt door mist, regen, sneeuwval enz. De mistlampen gaan branden als de mistlampschakelaar is ingedrukt nadat de koplampen zijn ingeschakeld.

Druk nogmaals op de schakelaar om de mistlampen uit te schakelen.

\* OPMERKING

De mistlampen verbruiken zeer veel stroom. Gebruik de mistlampen alleen bij slecht zicht om te voorkomen dat de laadstroom volledig wordt gebruikt door de mistlampen en de accu leegraakt.

Motorvoertuigverlichting overdag (MVO) (indien van toepassing)

Door motorvoertuigenverlichting overdag (MVO) kunnen medeweggebruikers uw auto overdag beter zien.

Motorvoertuigenverlichting overdag kan onder verschillende rijomstandigheden handig zijn, maar vooral in de periode rond zonsondergang en zonsopgang.

De motorvoertuigenverlichting overdag wordt uitgeschakeld wanneer:

  1. De parkeerlichten worden ingeschakeld.

  2. De motor afslaat.

KIA Rio III - Motorvoertuigverlichting overdag (MVO) (indien van toepassing) - 1

Koplampverstelling (indien van toepassing)

Dit handmatig bediende systeem dient om te voorkomen dat tegemoetkomend verkeer wordt verblind door de koplampen van uw auto. De koplampen kunnen worden versteld door het wieltje in een van de volgende standen te draaien.

Stand schakelaar:

4-deurs

StandLading op
VoorstoelenAchterbankBagageruimte
0Alleen bestuurder--
2 personen--
12 personen3 personen-
22 personen3 personen100 kg
3Alleen bestuurder-340 kg

5-deurs

StandLading op
VoorstoelenAchterbankBagageruimte
0Alleen bestuurder--
2 personen--
12 personen3 personen-
22 personen3 personen100 kg
3Alleen bestuurder-340 kg

KIA Rio III - Stand schakelaar: - 1

(indien van toepassing)

Druk de schakelaar in om het mistachterlicht in te schakeien als het dimlicht is ingeschakeld. Het controlelampje in de schakelaar gaat branden.

De mistachterlichten gaan aan als de schakelaar van de mistlampen vóór ingedrukt is en de schakelaar voor de verlichting in de stand parkeerlicht staat. (indien van toepassing)

Druk nogmaals op de schakelaar of zet de verlichting uit om het mistachterlicht uit te schakelen.

RUITENWISSERS EN RUITENSPROEIERS

KIA Rio III - RUITENWISSERS EN RUITENSPROEIERS - 1

De werking is als volgt als het contact in stand ON staat.

OFF : Ruitenwisser uitgeschakeld

INT : Ruitenwisser werkt met regelmatige intervallen.

Gebruik deze stand bij motregen of mist. Stel de intervaltijd in met de knop (1), S = langzaam en F = snel.

LO : Normale wissersnelheid

HI : Hoge wissersnelheid

: Druk voor een enkele wisbeweging de bedieningsschakelaar naar voren en laat hem weer los terwijl de ruitenwissers niet ingeschakeld zijn. De ruitenwissers zullen blijven werken zolang de schakelaar naar boven wordt gedrukt en wordt vastgehouden.

\* OPMERKING

Maak de ruit vrij van sneeuw en ijs alvorens de ruitenwissers te gebruiken. Anders werkt de ruitenwisser mogelijk niet goed en kan deze beschadigd raken.

JBA4019 INT PF JBA4019

Variabele interval

Zet de hendel in stand INT en kies de gewenste intervalsnelheid door de ring (1) te verdraaien.

KIA Rio III - Variabele interval - 1

Enkele wisbeweging ruitenwissers

Druk voor een enkele wisbeweging de bedieningsschakelaar naar boven en laat hem weer los terwijl de ruitenwissers niet ingeschakeld zijn. De ruitenwissers zullen blijven werken zolang de schakelaar naar boven wordt gedrukt en wordt vastgehouden.

\* OPMERKING

  • Schakel de ruitenwissers niet in als de ruit droog is om beschadiging van de wissers en de voorruit te voorkomen.
  • Gebruik geen benzine, petroleum, thinner of andere oplosmiddelen in de buurt van de ruitenwisserbladen om beschadiging te voorkomen.
    • Probeer de ruitenwissers nooit met de hand te bewegen om beschadiging van de ruitenwisserarmen en van andere onderdelen te voorkomen.

KIA Rio III - \* OPMERKING - 1

Trek de hendel naar voren om de ruitensproeier in te schakelen. Als de ruitenwisser in stand OFF staat, zal deze 2-3 wisslagen maken.

Gebruik deze functie om de voorruit te reinigen.

De ruitensproeier en de ruitenwissers blijven werken tot u de hendel loslaat.

Controleer het peil van de ruitensproeiervloeistof als de ruitensproeiers niet werken. Vul het reservoir met een geschikte, niet schurende ruitensproeiervloeistof wanneer het peil te laag is.

De vulpijp van het reservoir bevindt zich vooraan in de motorruimte aan de kant van de passagier.

\* OPMERKING

Gebruik de ruitensproeiers niet wanneer het reservoir leeg is om beschadiging van de ruitensproeierpomp te voorkomen.

WAARSCHUWING

Gebruik de ruitensproeiers niet bij temperaturen onder het vriespunt zonder eerst de voorruit met behulp van de voorruitontwaseming te hebben verwarmd; de vloeistof kan anders op de voorruit bevriezen en uw uitzicht belemmeren.

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 1

Schakelaar achterruitenwisser en -Sproeier (indien van toepassing)

De schakelaar van de achterruitenwisser en -sproeier bevindt zich aan het uiteinde van de ruitenwisser- en sproeierschakelaar. Zet de schakelaar in de gewenste stand om de achterruitenwisser en -sproeier te bedienen.

- Ruitensproeiervloeistof opspuiten en wissen

ON - Normale ruitenwisserbediening OFF - Ruitenwisser uitgeschakeld

ACHTERRUITVERWARMING
KIA Rio III - WAARSCHUWING - 2

De achterruitverwarming ondoet de achterruit aan de binnen- en buitenzijde van rijp, condens en ijs als de motor is gestart.

\* OPMERKING

  • Om beschadiging van de geleiders op het binnenoppervlak van de achterruit te voorkomen, mag u de raam aan de binnenkant nooit met scherpe voorwerpen of schuurmiddelen reinigen.
  • Om te voorkomen dat de accu uitgeput raakt, dient de achterruitverwarming alleen ingeschakeld te worden wanneer de motor draait.
  • Zie "Voorruit ontdooien en ontwasemen" in dit deel als u condens en ijs van de voorruit wilt verwijderen.

Druk op de toets in de middenconsole om de achterruitverwarming in te schakelen. Het controlelampje in de toets gaat branden wanneer de achterruitverwarming ingeschakeld is.

Als uw auto voorzien is van spiegelverwarming zal deze gelijktijdig met de achterruitverwarming in werking treden.

Verwijder eerst eventueel aanwezige sneeuw van de achterruit voordat de achterruitverwarming ingeschakeld wordt.

De achterruitverwarming schakelt na 20 minuten automatisch uit of wanneer het contact in stand LOCK wordt gezet. Druk de toets opnieuw in om de achterruitverwarming uit te schakelen.

ALARMKNIPPERLICHTEN
KIA Rio III - \* OPMERKING - 1

De alarmknipperlichten dienen ervoor om de overige weggebruikers te waarschuwen om extra voorzichtigheid in acht te nemen bij het naderen, inhalen of passeren van uw auto.

Druk op de schakelaar om de alarmknipperlichten in te schakelen. Deze schakelaar werkt onafhankelijk van de stand van het contact.

Druk nogmaals op de schakelaar om de knipperlichten weer uit te schakelen.

HANDBEDIEND VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)

KIA Rio III - HANDBEDIEND VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING) - 1

  1. Regeling van de temperatuur
  2. Toets A/C (indien van toepassing)
  3. Toets luchttoevoer
  4. Luchtcirculatieknop
  5. Aanjagerschakelaar

1JBA4023

KIA Rio III - HANDBEDIEND VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING) - 2

Er zijn vier (4) regelbare ventilatorsnelheden: hoe hoger het nummer, des te hoger de snelheid. De ventilator werkt alleen als de contactsleutel in de stand ON staat.

0 - Ventilator uit

1 - Lage snelheid
2 - Gematigde snelheid
3 - Hoge snelheid
4 - Maximumsnelheid

KIA Rio III - HANDBEDIEND VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING) - 3

Regeling van de temperatuur

Met de knop vóór de temperatuurcontrole kunt u de temperatuur regelen van de lucht die uit het ventilatiesysteem stroomt. U kunt de temperatuur van de lucht in het passagiersgedeelte als volgt regelen:

Draai de knop naar rechts vóór warme tot hete lucht of naar links vóór koelere lucht.

KIA Rio III - Regeling van de temperatuur - 1

De luchtcirculatieknop regelt de circulatie van de lucht door het ventilatiesysteem.

KIA Rio III - Regeling van de temperatuur - 2

Als u de stand MAX / A/C kiest bij ingeschakelde aanjager, zullen auto- matisch de volgende systeeminstellingen worden gekozen:

  • de airconditioning zal worden ingeschakeld.
  • de stand RECIRCULATIE zai worden ingesteld.
  • de stand VENTILEREN zal worden ingesteld.

Als u de optie MAX / A/C kiest, kunt u de airconditioning niet uitschakelen en ook niet de stand RECIRCULATIE uitschakelen

Zet de aanjagerknop in de gewenste stand en draai de temperatuurregelknop geheel naar links voor een maximale koeling.

(uitstroomopening: B, D)

Stand VENTILEREN

KIA Rio III - Stand VENTILEREN - 1

De lucht stroomt naar de romp en naar het hoofd. Daarnaast kan iedere uitstroomopening versteld worden om de richting van de luchtstroom te wijzigen. (Uitstroomopening: B, D)

Stand VENTILEREN/VERWARMEN

KIA Rio III - Stand VENTILEREN/VERWARMEN - 1

De lucht stroomt naar het hoofd en naar de voetenruimte. De lucht die naar de voetenruimte stroomt, is warmer dan de lucht die naar het hoofd stroomt. (Behalve wanneer de temperatuur in de laagste stand staat.) (Uitstroomopening: B, C, E, D)

Stand VERWARMEN

KIA Rio III - Stand VERWARMEN - 1

De meeste lucht stroomt naar de voetenruimte en een klein gedeelte stroomt naar de voorruit en de zijruitontwaseming. (Uitstroomopening: C, E, A, D)

Stand VERWARMEN/ ONTWASEMEN

KIA Rio III - Stand VERWARMEN/ ONTWASEMEN - 1

De meeste lucht stroomt naar de voetenruimte en de voorruit en een klein gedeelte stroomt door de zijruitontwaseming. (Uitstroomopening: A, C, E, D)

Stand ONTNASEMEN

KIA Rio III - Stand ONTNASEMEN - 1

De meeste lucht stroomt naar de voorruit en een klein gedeelte stroomt door de zijruitontwaseming. (Uitstroomopening: A, D)

A B D 1JBA4028

Uitstroomopeningen dashboard

Controleer de uitstroomopeningen in het dashboard als de luchttoevoer niet naar behoren functioneert. Uitstroomopening (B, D) kan afzonderlijk worden geopend of gesloten met het wieltje.

Met de hendel in de ventilatieroosters kunt u de richting van de luchtstroom uit deze ventilatieroosters afstellen, zoals in de afbeelding is aangegeven.

Lucht komt bij iedere stand uit uitstroomopening (D). Sluit de uitstroomopeningen met de wielijes als u niet wilt dat er lucht uit de uitstroomopeningen komt.

KIA Rio III - Uitstroomopeningen dashboard - 1

Druk op de desbetreffende toets om de stand van de luchttoevoer te wijzigen.

Stand RECIRCULATIE
KIA Rio III - Uitstroomopeningen dashboard - 2

Het controlelampje in de toets brandt als de stand RECIRCULATIE is gekozen. In de stand RECIRCULATIE wordt de lucht uit het passagierscompartiment door het systeem gerecirculeerd en, afhankelijk van de gekozen functie, gekoeld of verwarmd.

Stand BUITENLUCHT
KIA Rio III - Uitstroomopeningen dashboard - 3

Het controlelampje in de toets brandt als de stand BUITENLUCHT is gekozen. In de stand BUITENLUCHT stroomt de lucht van buitenaf in het passagierscompartiment. Deze lucht wordt, afhankelijk van de gekozen functie, verwarmd of gekoeld.

\* OPMERKING

Let op: Door langdurig gebruik van de stand RECIRCULATIE kunnen de ruiten beslaan en zal de lucht in het passagierscompartiment muf worden.

Daarnaast kan de lucht in het passagierscompartiment extreem droog worden bij langdurig gebruik van de airconditioning in de stand RECIRCULATIE.

WAARSCHUWING

• Langdurig recirculeren kan leiden tot een verhoogde luchtvochtigheid in het interieur, waardoor de ruiten kunnen beslaan en het uitzicht belemmerd wordt.
• Ga niet siapen in de auto wanneer het airconditioningssysteem of de verwarming ingeschakst is. Door een afname van de zuuretoconcentratie en/of de lichaamstemperatuur kunnen de Inzittenden letsel oplopen.
• Langdurig rectirculeren kan siaperigheid veroorzaken, waardoor de bestuurder de controle over die auto kan verliezen. Schakel daarom zo veel mogelijk de stand BUITENLUCHT in.

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 1

Toets A/C (Indien van toepassing)

Druk op toets A/C om de airconditioning in te schakelen. Het controlelampje gaat branden.

Druk nogmaals op de toets om de airconditioning uit te schakelen.

Working system

Ventilleren

  1. Schakel de stand in met de luchtcirculatietoets.
  2. Schakel de stand BUITENLUCHT in met de luchttoevoeriets.
  3. Stel de temperatuur in op de gewenste waarde.
  4. Zet de aanjager op de gewenste snelheid.

Vermilion

  1. Schakel de stand 📌 in met de luchtirculatietoets.
  2. Schakei de siand BUITENLUCHT in met de luchtioevoertoets.
  3. Stel de temperatuur in op de gewenste waarde.
  4. Zet de aanjager op de gewanste sneiheid.
  5. Als u de uitstromende lucht gedroogd wil hebben, kunt u de airconditioning (indien van toepassing) aanzetten.
  6. Schakal de stand, in met de luchtouleletosts wanneer de vooruit bestaat.

Airconditioning (indien van toepassing)

Alle Kia-airconditioningssystemen zijn gevuld met het milieuvriendelijke koelmiddel R-134a dat niet schadelijk is voor de ozonlaag.

  1. Start de motor. Druk op toets A/C.
  2. Schakel de stand in met de luchtcirculatietoets.
  3. Schakel de stand RECIRCULATIE in met de toets luchttoevoer.
  4. Stel de aanjagersnelheid en de temperatuur bij om een maximaal comfort te bereiken.
  5. Wanneer maximale koeling gewenst is, draai dan de temperatuurregelknop geheel naar links, kies de stand RECIRCULATIE en schakel de aanjager in op de hoogste snelheid.

\* OPMERKING

  • Houd de temperatuurmeter nauwlettend in de gaten wanneer de airconditioning wordt gebruikt als u lange hellingen oprijdt of als u in druk verkeer rijdt bij hoge buitentemperaturen. Door het gebruik van het airconditioningssysteem kan de motor oververhit raken. Blijf de aanjager gebruiken en schakel het airconditioningssysteem uit wanneer de temperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit raakt.
    • Bij het openen van de ruiten bij vochtig weer kan de airconditioning druppelvorming in het interieur veroorzaken. Omdat te veel vocht in het interieur schade aan elektrische componenten kan veroorzaken, moet de airconditioning alleen worden gebruikt als de ruiten gesloten zijn.

Aanwijzingen voor gebruik airconditioning

  • Open de ruiten een tijdje wanneer de auto tijdens warm weer in de volle zon geparkeerd is geweest, zodat de warme lucht naar buiten kan.
  • Om het beslaan van de ruiten tijdens regenachtig weer te verminderen, kunt u de vochtigheidsgraad in het interieur terugbrengen door de airconditioning in te schakelen.
    • Tijdens de werking van de airconditioning ziet u het motortoerental bij stationair draaien zo nu en dan iets veranderen wanneer de aircocompressor inschakelt. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem.
  • Schakel de airconditioning iedere maand enkele minuten aan.
    • Na gebruik van de airconditioning kan onder de rechterzijde van de auto een plas heldere vloeistof gelekt zijn. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem.

- De airconditioning is uitgerust met een functie die de aircocompressor automatisch uitschakelt wanneer de koelvloeistoftemperatuur te hoog wordt. De aircocompressor schakelt opnieuw in wanneer de koelvloeistoftemperatuur weer normaal wordt.

De aircocompressor wordt daarnaast automatisch enige seconden uitgeschakeld wanneer het gaspedaal volledig wordt ingetrapt.

  • Gebruik de stand BUITENLUCHT wanneer de airconditioning ingeschakeld is.
    • Als de stand RECIRCULATIE wordt gebruikt wanneer de airconditioning ingeschakeld is, wordt wel een maximaal koeleffect bereikt, maar kan het gebruik van deze stand gedurende een langere tijd ertoe leiden dat de lucht in het interieur muf wordt.

Hoeveelheid koudemiddel en compressorolie controleren

Als er te weinig koudemiddel in het systeem zit, neem de koelcapaciteit van de airconditioning af. Een teveel aan koudemiddel heeft ook nadelige effecten op de werking van het systeem.

Laat de auto controleren door een officiële Kia-dealer als het systeem niet correct functioneert.

Koudemiddel en compressorolie

VOORZICHTIG

Onderhoud aan het airconditioningssysteem moet worden uitgevoerd door een officiële Kla-dealer. Een onjuiste werkmethode kan ernstig letsei tot gevolg hebben.

\* OPMERKING

Als de prestaties van het airconditioningssysteem teruggelopen zijn, is het belangrijk het systeem bij te vullen met de juiste soort en hoeveelheid olie en koudemiddel. Anders kan er schade aan de compressor ontstaan en kan het systeem niet goed gaan functioneren.

AUTOMATISCH VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)

1 2 A/C 3 4 5 PUSH AUTO AUTO AIC 88.8°F 7 PUSH OFF 9 6

  1. Temperatuurregelknop verwarmingssysteem
  2. Toets A/C
  3. Toets luchttoevoer
  4. Toets voorruitontwaseming
  5. Aanjagerknop
  6. Toets OFF
  7. Controlelampje
  8. Toets luchtcirculatie
  9. Toats AUTO (automatische regeling)

1JBA4031

85B 1JBA4032

Het automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem wordt bediend door eenvoudigweg de gewenste temperatuur in te stellen.

De volautomatische temperatuurregeling (FATC) regelt het verwarmen en het koelen als volgt:

  1. Druk op toets AUTO. Dit wordt aangegeven met AUTO in het display. De te gebruiken uitstroomopeningen, de aanjagersnelheid, de luchtinlaat en de airconditioning worden automatisch geregeld op basis van de gekozen temperatuur.

  2. Draai de knop TEMP om de gewenste temperatuur in te stellen.

Wanneer de temperatuur ingesteld wordt op (Lo), zal de airconditioning continu blijven werken.

  1. Schakel de automatische werking uit door op een willekeurige toets (behalve de bedieningsknop voor de temperatuur) te drukken. Wanneer u op de toets MODE, A/C, achterruitverwarming, luchttoevoer of aanjager drukt, wordt de gekozen functie handmatig bediend. De overige functies blijven automatisch werken.

Onafhankelijk van de ingestelde temperatuur kan de airconditioning in de automatische stand worden ingeschakeld om de luchtvochtigheid te verlagen, zelfs als de verwarming op dat moment is ingeschakeld.

KIA Rio III - AUTOMATISCH VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING) - 3

Bedek de sensor op het dashboard nooit, zodat een optimale werking van het verwarmingsen airconditioningssysteem gegarandeerd blijft.

Handmatige bediening aircosysteem

Het verwarmings- en airconditioning- ssysteem kan ook handmatig geregeld worden met de toetsen anders dan de toets AUTO. In deze stand werkt het systeem sequentieel, afhankelijk van de gekozen toetsen. Wanneer u in de automatische stand op één van de toetsen, behalve AUTO drukt, blijven de overige functies automatisch werken. Druk op toets AUTO om de regeling weer voiledig automatisch te doen zijn.

AUTO AUTO OFF AUTO 1JBA4033

Regeling van de temperatuur

De maximum temperatuur die kan worden ingesteld door de knop geheel naar rechts te draaien is (HI). De minimum temperatuur die kan worden ingesteld door de knop geheel naar links te draaien is (Lo). Door de knop te draaien, wordt de temperatuur telkens met 0,5°C/1°F verhoogd of verlaagd. Als de laagste temperatuur is ingesteld, zal de airconditioning continu werken.

Temperatuursaanduiding wijzigen

De temperatuureenheid zal gereset worden naar graden Celsius wanneer de accu ontladen is of als de accupolen zijn losgenomen.

Dit is normaal. U kunt de temperatuur als volgt overschakelen van Celsius naar Fahrenheit:

Houd de toets OFF ingedrukt en druk minimaal 3 seconden op toets AUTO. De temperatuursaanduiding verandert van graden Celsius in graden Fahrenheit of andersom.

Besturing van uw auto

KIA Rio III - Temperatuursaanduiding wijzigen - 1

De aanjagersnelheid kan worden ingesteld door de knop in de gewenste stand te draaien.

Hoe hoger de aanjagersnelheid is, hoe meer lucht wordt aangevoerd.

Druk op toets OFF om de aanjager uit te schakelen.

Toets luchttoevoer

Hiermee kan de stand BUITENLUCHT of de stand RECIRCULATIE worden gekozen.

Druk op de desbetreffende toets om de stand van de luchttoevoer te wijzigen.

1JBA4035 AUTO.AIC 1JBA4035

Stand RECIRCULATIE

Het controlelampje in de toets brandt als de stand RECIRCULATIE is gekozen.

In de stand RECIRCULATIE wordt de lucht uit het passagierscompartiment door het systeem gerecirculeerd en, afhankelijk van de gekozen functie, gekoeld of verwarmd.

AC 2885 UTR AF 1JBA4036

Stand BUITENLUCHT

In de stand BUITENLUCHT stroomt de lucht van buitenaf in het passagierscompartiment. Deze lucht wordt, afhankelijk van de gekozen functie, verwarmd of gekoeld.

\* OPMERKING

Let op: Door langdurig gebruik van de stand RECIRCULATIE kunnen de ruiten beslaan en zal de lucht in het passagierscompartiment muf worden.

Daarnaast kan de lucht in het passagierscompartiment extreem droog worden bij langdurig gebruik van de airconditioning in de stand RECIRCULATIE.

WAARSCHUWING

  • Langdurig recirculeren kan leiden tot een verhoogde luchtvochtigheid in het interieur, waardoor de ruiten kunnen beslaan en het uitzicht belemmerd wordt.
  • Ga niet slapen in de auto wanneer het airconditioningssysteem of de verwarming ingeschakeld is. Door een afname van de zuurstofconcentratie en/of de lichaamstemperatuur kunnen de inzittenden letsel oplopen.
  • Langdurig recirculeren kan slaperigheid veroorzaken, waardoor de bestuurder de controle over de auto kan verliezen. Schakel daarom zo veel mogelijk de stand BUITENLUCHT in.

Besturing van uw auto

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 1

Toets luchtcirculatie

De luchtcirculatietoets regelt de circulatie van de lucht door het ventilatiesysteem.

De lucht wordt op de volgende manier over de uitstroomopeningen verdeeld:

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 2

1JBA4027

Stand VENTILEREN

KIA Rio III - Stand VENTILEREN - 1

De lucht stroomt naar de romp en naar het hoofd. Daarnaast kan iedere uitstroomopening versteld worden om de richting van de luchtstroom te wijzigen. (Uitstroomopening: B, D)

Stand VENTILEREN/VERWARMEN

KIA Rio III - Stand VENTILEREN/VERWARMEN - 1

De lucht stroomt naar het hoofd en naar de voetenruimte. De lucht die naar de voetenruimte stroomt, is warmer dan de lucht die naar het hoofd stroomt. (Behalve wanneer de temperatuur in de laagste stand staat.) (Uitstroomopening: B, C, E, D)

Stand VERWARMEN

KIA Rio III - Stand VERWARMEN - 1

De meeste lucht stroomt naar de voetenruimte en een klein gedeelte stroomt naar de voorruit en de zijruitontwaseming. (Uitsstroomopening: C, E, A, D)

Stand VERWARMEN/ONTWASEMEN

KIA Rio III - Stand VERWARMEN/ONTWASEMEN - 1

De meeste lucht stroomt naar de voetenruimte en de voorruit en een klein gedeelte stroomt door de zijruitontwaseming. (Uitstroomopening: A, C, E, D)

KIA Rio III - Stand VERWARMEN/ONTWASEMEN - 2

Toets voorruitontwaseming

De meeste lucht stroomt naar de voorruit en een klein gedeelte stroomt door de zijruitontwaseming. (Uitstroomopening: A, D)

KIA Rio III - Toets voorruitontwaseming - 1

Controleer de uitstroomopeningen in het dashboard als de luchttoevoer niet naar behoren functioneert. Uitstroomopening (B, D) kan afzonderlijk worden geopend of gesloten met het wieltje.

Daarnaast kan de richting van de luchtstroom worden afgesteld in horizontale en verticale richting.

Lucht komt bij iedere stand uit uitstroomopening (D). Sluit de uitstroomopeningen met de wieltjes als u niet wilt dat er lucht uit de uitstroomopeningen komt.

KIA Rio III - Toets voorruitontwaseming - 2

Druk op toets A/C om de airconditioning in te schakelen. Het controlelampje gaat branden.

Druk nogmaals op de toets om de airconditioning uit te schakelen.

Auto AIR 2000 1JBA4040

Toets OFF

Druk op toets OFF om de airconditioning uit te schakelen. Het is in dat geval nog steeds mogelijk om de luchtcirculatie en de luchttoevoer met de toetsen te bedienen, zolang het contact in stand ON staat.

Aanwijzingen voor gebruik airconditioning

  • Open de ruiten een tijdje wanneer de auto tijdens warm weer in de volle zon geparkeerd is geweest, zodat de warme lucht naar buiten kan.
  • Om het beslaan van de ruiten tijdens regenachtig weer te verminderen, kunt u de vochtigheidsgraad in het interieur terugbrengen door de airconditioning in te schakelen.
    • Tijdens de werking van de airconditioning ziet u het motortoerental bij stationair draaien zo nu en dan iets veranderen wanneer de aircocompressor inschakelt. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem.

  • Schakel de airconditioning iedere maand enkele minuten aan.

  • Na gebruik van de airconditioning kan onder de rechterzijde van de auto een plas heldere vloelstof gelekt zijn. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem.
  • De airconditioning is uitgerust met een functie die de aircocompressor automatisch uitschakelt wanneer de koelvloeistoftemperatuur te hoog wordt. De aircocompressor schakelt opnieuw in wanneer de koelvloeistoftemperatuur weer normaal wordt.

De aircocompressor wordt daarnaast automatisch enige seconden uitgeschakeld wanneer het gaspedaal volledig wordt ingetrapt.

  • Gebruik de stand BUITENLUCHT wanneer de airconditioning ingeschakeld is.
    • Als de stand RECIRCULATIE wordt gebruikt wanneer de airconditioning ingeschakeld is, wordt wel een maximaal koeleffect bereikt, maar kan het gebruik van deze stand gedurende een langere tijd ertoe leiden dat de lucht in het interieur muf wordt.

\* OPMERKING

Houd de temperatuurmeter nauwlettend in de gaten wanneer de airconditioning wordt gebruikt als u lange hellingen oprijdt of als u in druk verkeer rijdt bij hoge buitentemperaturen.

Door het gebruik van het airconditioningssysteem kan de motor oververhit raken. Blijf de aanjager gebruiken en schakel het airconditioningssysteem uit wanneer de temperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit raakt.

Hoeveelheid koudemiddel en compressorolie controlieren

Als er te weinig koudemiddel in het systeem zit, neem de koelcapaciteit van de airconditioning af. Een teveel aan koudemiddel heeft ook nadelige effecten op de werking van het systeem.

Laat de auto controleren door een officiële Kia-dealer als het systeem niet correct functioneert.

Koudemiddel en compressorolie

Z. VOORZICHTIG

Onderhoud aan het airconditioningssysteem moet worden uitgevoerd door een officiële Kia-dealer. Een onjuiste werkmethode kan ernstig letseit tot gevolg hebben.

\* OPMERKING

Als de prestaties van het airconditioningssysteem teruggelopen zijn, is het belangrijk het systeem bij te vullen met de juiste soort en hoeveelheid olie en koudemiddel. Anders kan er schade aan de compressor ontstaan en kan het systeem niet goed gaan functioneren.

VOORRUIT ONTDOOIEN EN ONTWASEMEN

1 JBA4050 ① ② ③ ④ A/C

Handbediend verwarmings- en ventilatiesysteem

Binnenkant voorruit ontwasemen

  1. Kies een willekeurige aanjagersnelheid, uitgezonderd 0.
  2. Stel de gewenste temperatuur in.
  3. Kies de stand 📁 of 📌.
  4. Het systeem schakelt de toevoer van buitenlucht en de airconditioning in.

Als de airconditioning en de stand BUITENLUCHT niet automatisch worden ingeschakeld, druk dan op de desbetreffende toetsen.

0 1 2 3 4 ① ② ③ ④ 1JBA4051

Voorruit ontdooien

  1. Zet de aanjager in stand 3 of 4.
  2. Stel de temperatuur in op maximaal.
  3. Kies de stand 铺.
  4. Het systeem schakelt de toevoer van buitenlucht en de airconditioning in.

Als de airconditioning en de stand BUITENLUCHT niet automatisch worden ingeschakeld, druk dan op de desbetreffende toetsen.

Z VOORZICHTIG

Gebruik de stand of niet in combinatie met koelen bij een extreem hoge luchtvochtigheid. Door het temperatuurverschil tussen de buitenlucht en de voorruit, kan de voorruit plotseling beslaan, waardoor het zicht wegvalt. Zet in dat geval de luchtcirculatieknop in de stand en de aanjager op de laagste stand.

RUSH OFF 1 2 RUSH AUTO 3 4 A/C 1JBA4057

Automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem

Binnenkant voorruit ontwasemen

  1. Kies de gewenste aanjagersnelheid
  2. Stel de gewenste temperatuur in.
  3. Druk op de toets voor- ruitontwaseming (###).
  4. Op basis van de omgevingstemperatuur zal de airconditioning automatisch worden ingeschakeld en de stand BUITENLUCHT worden gekozen.

Als de airconditioning en de stand BUITENLUCHT niet automatisch worden ingeschakeld, druk dan op de desbetreffende ioetsen.

KIA Rio III - Automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem - 1

  1. Zet de aanjager in de hoogste stand (geheel naar rechts).
  2. Stel de temperatuur in op maximaal (25°C\~HI / 77°F\~HI).
  3. Druk op de toets voorruitontwaseming ( ).
  4. Op basis van de omgevingstemperatuur zal de airconditioning automatisch worden ingeschakeld en de stand BUITENLUCHT worden gekozen.

Als de airconditioning en de stand BUITENLUCHT niet automatisch worden ingeschakeld, druk dan op de desbetreffende toetsen.

VOORZICHTIG

Gebruik de stand 🚫 of 📄 niet in combinatie met koelen bij een extreem hoge luchtvochtigheid. Door het temperatuurverschil tussen de buitenlucht en de voorruit, kan de voorruit plotseling beslaan, waardoor het zicht wegvalt. Zet in dat geval de luchtcirculatieknop in de stand 🚫 en de aanjager op de laagste stand.

• Draai de temperatuurknop volledig naar rechts (maximaal verwarmen) en zet de aanjagerknop op de hoogste snelheid om maximaal te ontdooien.
- Zet de knop voor de luchtcirculatie in stand VERWARMEN/ONTWASEMEN, wanneer tijdens het ontdooien of ontwasemen warme lucht in de voetenruimte gewenst wordt.
- Verwijder voor het rijden alle sneeuw en ijs van de voorruit, de achterruit, de buitenspiegels en alle zijruiten.
- Verwijder alle sneeuw en ijs van de motorkap en van de luchtaanvoeropening in het paravanrooster om de werking van de kachel en het ventilatiesysteem te verbeteren en de kans op het beslaan van de voorruit te verminderen.

Emissieregelsysteem / 5-3

Voor het rijden / 5-5

Suggesties voor brandstofbesparing / 5-6

Speciale omstandigheden / 5-7

Rijden met een aanhanger / 5-12

Overbelading / 5-20

Informatie op labels / 5-21

Rijtips

VEREISTE BRANDSTOF

Benzinemotor (loodvrij)

Gebruik uitsluitend loodvrije benzine met een octaangetal van 91 RON of meer voor uw nieuwe Kia.

Bij gebruik van LOODVRIJE BENZINE zijn de prestaties maximaal en de uitlaatgassen het schoonst en wordt vervuiling van de bougies tegengegaan.

\* OPMERKING

GEBRUIK NOOIT LOODHOUDENDE BENZINE.

Loodhoudende benzine is schadelijk voor de katalysator en de lambdasensor van het motorregelsysteem en zal de emissieregeling nadelig beïnvloeden. Voeg nooit andere dan door Kia voorgeschreven brandstofadditieven of gelijkwaardige producten toe aan het brandstofsysteem. (Neem voor details contact op met een officiële Kia-dealer.)

Benzine die alcohol en methanol bevat

In sommige landen is naast benzine ook gasohol verkrijgbaar. Dit is een mengsel van benzine en ethanol of methanol.

Gebruik dit mengsel niet met meer dan 10% ethanol en gebruik geen benzine of mengsel dat methanol bevat. Deze brandstoffen kunnen rijproblemen en schade aan het brandstofsysteem veroorzaken.

Gebruik gasohol niet langer wanneer rijproblemen optreden.

Schade aan de auto of rijproblemen vallen mogelijk niet onder de fabrieksgarantie wanneer ze veroorzaakt worden door het gebruik van:

  1. Benzinemengsels met meer dan 10% ethanol.
  2. Benzine of gasohol die methanol bevat.
  3. Loodhoudende benzine.

\* OPMERKING

Gebruik nooit benzinemengsels die methanol bevatten. Gebruik gasohol producten niet langer wanneer rijproblemen optreden.

EMISSIEREGELSYSTEEM

Op het emissieregelsysteem van uw auto is een aangepaste garantieregeling van toepassing. Raadpleeg de garantie-informatie in het boekje Garantie & Onderhoud voor meer informatie.

Aanpassingen aan de auto

Er mogen geen aanpassingen aan deze auto worden gedaan. Door aanpassingen kunnen de prestaties, de veiligheid of de levensduur van uw Kia beïnvloed worden.

Aanpassingen kunnen zelfs in strijd zijn met overheidsbepalingen en milieuvoorschriften.

Daarnaast kunnen schade of problemen met de prestaties als gevolg van aanpassingen mogelijk niet onder de garantie vallen.

Uitlaatgassen (koolmonoxide); voorzorgsmaatregelen

WAARSCHUWING

Uitlaatgassen bevatten onder andere het reukloze en kleurloze gas koolmonoxide (CO) dat bij inademing dodelijk kan zijn. Hoewel het kleurloos en reukloos is, is het gevaarlijk en kan het bij inademing dodelijk zijn.

Neem de volgende aanwijzingen in acht ter voorkoming van koolmonoxidevergiftiging.

- Koolmonoxide kan samen met andere uitlaatgassen aanwezig zijn. Laat het uitlaatsysteem van uw auto direct door een officiële Kia-dealer of een ander daartoe bevoegd garagebedijf controleren indien u in het interieur uitlaatgas ruikt. Rijd niet met de auto als u uitlaatgassen ruikt, maar als het niet anders kan, rijd dan met alle ruiten volledig open. Laat uw auto onmiddellijk controleren en repareren.

  • Laat de motor in een afgesloten ruimte (bijvoorbeeld een garage) niet langer draaien dan nodig is om de auto naar binnen of naar buiten te rijden.
  • Stel het ventilatiesysteem zo af dat er verse buitenlucht naar het interieur gevoerd wordt, als de auto in een open ruimte stilstaat terwijl de motor wat langer moet blijven draaien.
  • Blijf nooit met draaiende motor gedurende langere tijd in een stilstaande auto zitten.
  • Controleer het emissieregel- systeem als de motor afslaat.
    • Probeer de startmotor niet meer dan 3 keer opnieuw in te schakelen wanneer de motor afslaat of niet wil aanslaan.

Als de motor overmatig afslaat of de startmotor te vaak opnieuw wordt ingeschakeld kan het emissieregelsysteem beschadigd raken.

Voorzorgsmaatregelen katalysator

WAARSCHUWING - Brand Een heet uitlaatsysteem kan brandbare materialen onder de auto in brand doen vliegen. Parkeer de auto nooit boven brandbare materialen zoals droog gras, papier, bladeren enz.

Uw auto is uitgerust met een katalysator ten behoeve van de emissieregeling.

  • Gebruik bij een benzinemotor uitsluitend loodvrije benzine.
  • Gebruik de auto niet als de motor duidelijk storingen, zoals overslaan of vermogensverlies, vertoont.

• Doe geen dingen die slecht zijn voor de motor. Voorbeelden hiervan zijn: de auto in de versnelling laten uitrollen terwijl het contact in stand LOCK staat en een helling af rijden met het contact in stand LOCK.
- Laat de motor niet langdurig (5 minuten of langer) met een hoog stationair toerental draaien.
• Voer zelf geen aanpassingen of wijzigingen uit aan de motor of het emissieregelsysteem.

Alle controles en afstellingen moeten door een erkende Kia-dealer uitgevoerd worden.

Wanneer bovenstaande voorzorgsmaatregelen niet in acht worden genomen, kan schade aan de katalysator en aan uw auto ontstaan. Bovendien kan hierdoor de garantie vervallen.

VOOR HET RIJDEN

Vóór het instappen:

• Zorg ervoor dat alle ruiten, buitensplegel(s) en lampen schoon zijn.
- Controleer de toestand van de banden.
- Controleer of er geen sporen van lekkage onder de auto te zien zijn.
- Controleer of er zich geen obstakels achter de auto bevinden wanneer u achteruit wilt rijden.

Noodzakelijke controles

De volgende vloeistofpeilen dienen regelmatig, afhankelijk van het gebruikte interval gecontroleerd te worden: motorolie, koelvloeistof, remvloeistof en ruitensproeiervloeistof. Nadere informatie vindt u in Hoofdstuk 7 ONDERHOUD.

Vóór het starten

  • Sluit alle portieren.
  • Verstel de stoel zodanig dat u alle bedieningsorganen gemakkelijk kunt bereiken.
  • Stel de binnen- en buitenspiegels af.
  • Controleer of alle verlichting werkt.
  • Controleer alle instrumenten.
  • Controleer of alle waarschuwingslampjes werken als het contact in stand ON staat.
  • Ontgrendel de parkeerrem en controleer of het waarschuwingslampje van het remsysteem uitgaat.

Voor een veilig gebruik is het noodzakelijk dat u volledig vertrouwd bent met uw auto en de bedieningsorganen.

WAARSCHUWING

- Rijden onder invloed van alcohol of drugs

Rijden onder invloed is gevaarlijk. Rijden onder invloed is de belangrijkste doodsoorzaak in het verkeer. Zelfs een geringe hoeveelheid alcohol zal het reactie-, waarnemings- en beoordelingsvermogen verminderen.

De kans op een ernstige aanrijding is vele malen groter als u gaat rijden onder invloed.

Ga niet rijden als u gedronken heeft of drugs heeft gebruikt. Rijd ook niet mee met een bestuurder die onder invloed van alcohol of drugs is. Bepaal van tevoren wie er rijdt of neem een taxi.

Rijden onder invloed van drugs is minstens even gevaarlijk als rijden onder invloed van aclohol.

SUGGESTIES VOOR BRANDSTOFBESPARING

Het brandstofverbruik van uw auto is voornamelijk afhankelijk van uw rijstijl, hoe, waar en wanneer u rijdt. Uw rijstijl is van invloed op de totale hoeveelheid kilometers die u op een liter brandstof kunt afleggen. Door de onderstaande suggesties op te volgen, verbruikt uw auto zo min mogelijk brandstof en bespaart u geld op zowel de brandstof als op reparaties en onderhoud:

• Laat de motor niet stationair draaiend op bedrijfstemperatuur komen. Rijd weg zodra de motor soepel draait. Denk eraan dat het bij lagere buitentemperaturen langer duurt voordat de motor op bedrijfstemperatuur is.
- Bespaar brandstof door na een stop langzaam op te trekken.
• Zorg ervoor dat de motor goed afgesteld is en houd u aan de voorgeschreven periodieke onderhoudsbeurten. Dat komt de levensduur van alle onderdelen ten goede en beperkt de onderhoudskosten.

  • Gebruik de airconditioning niet onnodig.
    • Rijd langzaam op slechte wegen.
    • Zorg ervoor dat de banden altijd op de voorgeschreven spanning zijn. Dat verlaagt het brandstofverbruik en komt de levensduur van de banden ten goede.
    • Bewaar voldoende afstand tot overige weggebruikers om noodstops te voorkomen. De remmen zullen hierdoor minder snel slijten. Bovendien neemt het brandstofverbruik af, omdat het versnellen tot de normale rijsnelheid na sterk afgeremd te hebben extra brandstof kost.
  • Vervoer geen onnodig gewicht in de auto.
    • Laat tijdens het rijden uw voet niet op het rempedaal rusten. Dat veroorzaakt onnodige slijtage en mogelijk schade aan de remmen alsmede een hoger brandstofverbruik.
    • Bij een onjuiste wieluitlijning zullen de banden sneller slijten en is het brandstofverbruik hoger.

  • Geopende ruiten verhogen bij hoge snelheid het brandstofverbruik.

  • Het brandstofverbruik neemt toe bij zij- en tegenwind. Verminder onder deze omstandigheden snelheid om het brandstofverbruik enigszins te beperken.

Het in goede staat houden van uw auto is van groot belang voor zowel de veiligheid als het brandstofverbruik. Laat daarom het voorgeschreven periodieke onderhoud uitvoeren door een officielle Kia-dealer.

WAARSCHUWING

- Rijden met uitgezette motor

Zet nooit de motor uit om een helling af te rijden of tijdens het rijden. Als de motor niet draait, werken de stuurbekrachtiging en de rembekrachtiging niet. Laat de motor draaien en schakel terug naar de juiste versneiling om optimaal op de motor te kunnen afremmen.

SPECIALE OMSTANDIGHEDEN

Rijden onder moeilijke omstandigheden

Neem de volgende raadgevingen in acht als ten gevolge van zware regenval, sneeuw, ijzel, modder of zand het rijden bemoeilijkt wordt:

• Rijd voorzichtig en bewaar extra afstand tot het overige verkeer.
• Vermijd abrupt remmen of sturen.
- Rem "pompend".

\* OPMERKING

Als uw auto is uitgerust met ABS dient u niet "pompend" te remmen.

• Probeer weg te rijden in de tweede versnelling als de auto vastzit in sneeuw, modder of zand. Geef voorzichtig gas om te voorkomen dat de wielen doorslippen.
- Gebruik zand, pekel, sneeuwkettingen of ander anti-slipmateriaal onder de aangedreven wielen als de auto vast is komen te zitten in ijs, sneeuw of modder.

WAARSCHUWING

- Terugschakelen

Op een glad wegdek terugschakelen naar stand L bij een automatische transmissie kan ongelukken veroorzaken. Door de plotselinge verandering in wielsnelheid kunnen de banden slippen. Wees voorzichtig met het terugschakelen op een glad wegdek.

Op eigen kracht lostrekken van de auto

Verdraai eerst het stuurwiel een aantal keren naar rechts en naar links om de voorwielen vrij te maken wanneer de auto vastzit in ijs, modder of sneeuw en het nodig is de auto heen en weer te schommelen om te proberen hem los te trekken. Schakel vervolgens afwisselend de eerste versnelling en de achteruitversnelling (bij een handgeschakelde transmissie) in of stand R en één van de vooruitversnellingen (bij een automatische transmissie). Laat de motor niet met een te hoog toerental draaien en laat de wielen niet te lang doorslippen. Als de auto na enkele pogingen nog vastzit, dient u de auto los te laten trekken om oververhitting van de motor en beschadiging van de transmissie te voorkomen.

\* OPMERKING

Het langdurig op eigen kracht lostrekken van de auto kan oververhitting van de motor en beschadiging van de transmissie en van de banden veroorzaken.

WAARSCHUWING

- Slippende wielen

Laat de wielen niet doorslippen, vooral niet met hoge snelheid. Het met hoge snelheid door laten slippen van de wielen wanneer de auto stilstaat kan oververhitting van de banden veroorzaken waardoor deze kunnen exploderen en voorbijgangers kunnen verwonden.

Rijden in het donker

Omdat het rijden in het donker meer gevaren oplevert dan het rijden bij daglicht, volgen hier een aantal belangrijke tips om te onthouden:

• Rijd langzamer en houd meer afstand tussen u en uw voorliggers omdat het zicht in het donker beperkter is, vooral in gebieden waar geen straatverlichting is.
- Stel uw spiegels bij om schittering door de koplampen van andere auto's te beperken.
• Houd uw koplampen schoon en, indien uw auto niet is uitgerust met automatische koplampverstelling, op de juiste wijze afgesteld. Vuile of verkeerd afgestelde koplampen beperken het zicht in het donker.
• Vermijd rechtstreeks kijken in de koplampen van tegemoetkomende auto's. U kunt daardoor tijdelijk verblind raken en het duurt enkele seconden voordat uw ogen weer aan de duisternis gewend zijn.

Rijden in de regen

Regen en natte wegen kunnen het rijden gevaarlijk maken, vooral wanneer u er niet op bedacht bent. Hier volgen een aantal aandachtspunten voor het rijden in de regen:

  • Door hevige regenval zal het zicht beperkt worden en de remafstand groter worden. Rijd daarom langzamer.
    • Zorg ervoor dat uw ruitenwissers in goede staat verkeren. Vervang de ruitenwisserbladen als ze strepen achterlaten of bepaalde stukken overslaan.
  • Wanneer de banden niet in een goede staat verkeren, kunnen de wielen bij een noodstop op een nat wegdek gaan slippen waardoor een ongeluk kan ontstaan. Zorg ervoor dat de banden in goede staat verkeren.
    • Schakel uw verlichting in zodat anderen u beter kunnen zien.

• Te snel door grote waterplassen rijden kan uw remmen aantasten. Als u door plassen moet rijden, probeer dit dan langzaam te doen.
- Trap het rempedaal tijdens het rijden licht in totdat de remmen weer normaal werken wanneer u vermoed dat uw remmen nat geworden zijn.

Rijden in de winter

  • Wij adviseren dat u een noodpakket meeneemt. Dit pakket kan bestaan uit sneeuwkettingen, een ijskrabber, ruitondooier, een zak zand of zout, een pechlamp, een kleine schep en startkabels.
    • Zorg ervoor dat het koelsysteem voldoende tegen vorst beschermd is.
  • Controleer de toestand van de accu en de accukabels. Lage buitentemperaturen verminderen de capaciteit van de accu. Om in de winter voldoende startcapaciteit te hebben, moet de accu in topconditie verkeren.
  • Controleer of de viscositeit van de motorolie geschikt is voor de winterse omstandigheden.
  • Controleer het ontstekingssysteem op loszittende aansluitingen en beschadigingen.

  • Vul het ruitensproeierreservoir met ruitensproeier-antivries (Gebruik hiervoor geen koelvloeistof.)

  • Gebruik bij vorst de parkeerrem niet. Schakel bij het parkeren bij een handgeschakeide transmissie de eerste versnelling of de achteruit in en bij een automatische transmissie stand P en blokkeer de achterwielen.

Winterbanden

Als u winterbanden op uw Kia laat monteren, controleer dan of deze dezelfde afmetingen en beladingsindex hebben als de originele banden. Monteer sneeuwbanden op alle vier de wielen, voor een optimale wegligging onder alle weersomstandigheden. Let er op dat de grip op droge weg met winterbanden iets lager is dan met de originele banden. Rijd ook voorzichtig als de weg vrij is. Raadpleeg uw bandenleverancier voor de maximum snelheid van de banden.

WAARSCHUWING

- Afmetingen winterbanden

De afmeting en het type van de winterbanden moeten gelijk zijn aan die van de standaard gemonteerde banden. Anders kan de veiligheid en het rijgedrag van uw auto negatief beïnvloed worden.

Monteer geen banden met spikes zonder eerst na te gaan of het gebruik hiervan niet wettelijk verboden is.

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 1

Omdat de wangen van een radiaalband vrij dun zijn, kunnen ze door sommige typen sneeuwkettingen beschadigd raken. Daarom wordt aanbevolen om winterbanden te gebruiken in plaats van sneeuwkettingen. Monteer geen sneeuwkettingen op auto's met lichtmetalen velgen. In dat geval kunnen de velgen beschadigd raken. Als u niet om het gebruik van sneeuwkettingen heen kunt, gebruik dan bij voorkeur kettingen met platte schakels met een dikte van maximaal 15 mm. Schade door gebruik van verkeerde sneeuwkettingen valt buiten de fabrieksgarantie.

Breng ze alleen aan rond de voorwielen.

\* OPMERKING

• Zorg ervoor dat de sneeuwkettingen geschikt zijn voor de maat en het type band dat op uw auto gemonteerd is. Verkeerde sneeuwkettingen kunnen schade toebrengen aan de carrosserie en de wielophanging die buiten de fabrieksgarantie valt. Bovendien kunnen de bevestigingshaken beschadigd raken bij contact met de auto, waardoor de sneeuwkettingen los kunnen komen. Gebruik uitsluitend sneeuwkettingen van SAE-klasse S.

- Controleer na ca. 0,5 - 1 km te hebben gereden, of de kettingen nog goed zitten. Span de kettingen of monteer ze opnieuw als ze los zitten.

Sneeuwkettingen; aanbrengen van Voig voor het plaatsen van de kettingen de aanwijzingen van de fabrikant en trek de kettingen zo strak mogelijk aan. Matig uw snelheid als u met sneeuwkettingen rijdt. Als u de kettingen tegen de carrosserie of het chassis hoort slaan, stop dan meteen en trek de kettingen aan. Als ze daarna nog tegen de auto slaan, ga dan zoveel langzamer rijden dat dit niet meer gebeurt. Verwijder de kettingen zodra u weer op een schone weg rijdt.

WAARSCHUWING

- Monteren van sneeuwkettingen

Parkeer de auto op een vlakke ondergrond en uit de buurt van het overige verkeer voor het monteren van de sneeuwkettingen.

Zet de alarmknipperlichten aan en plaats indien mogelijk een gevarendriehoek achter de auto. Zet de transmissie in stand P, trek de bedien de parkeerrem en zet de motor uit alvorens de sneeuwkettingen te monteren.

WAARSCHUWING - Sneeuwkettingen

  • Het rijgedrag van de auto kan door het gebruik van kettingen negatief beïnvloed worden.
    • Rijd nooit sneller dan 30 km/h of sneller dan de door de fabrikant aanbevolen snelheid. Houd de laagste snelheid aan.
    • Rijd voorzichtig en vermijd oneffenheden, gaten, scherpe bochten en andere situaties waardoor de auto plotseling zou kunnen uitveren.
  • Vermijd het maken van scherpe bochten en het remmen met geblokkeerde wielen.
  • Kettingen die een verkeerde maat hebben of niet goed gemonteerd zijn, kunnen de remleidingen, wielophanging, carrosserie, en velgen van uw auto beschadigen.
  • Stop onmiddellijk en span de kettingen aan zodra u ze tegen de auto hoort tikken.

Doorwaden van water

Vermijd het doorwaden van water tenzij u er zeker van bent dat het water niet hoger komt dan de onderzijde van de wielnaven. Rijd steeds langzaam bij het doorwaden van water. Bewaar voldoende remafstand omdat het remvermogen verminderd kan zijn.

Droog de remmen door na het doorwaden bij lage snelheid het rempedaal een aantal malen voorzichtig in te trappen.

RIJDEN MET EEN AANHANGER

WAARSCHUWING

- Rijden met een aanhanger

Bij verkeerd gebruik van de aanhanger, kunt u de controle over de auto verliezen. Als de aanhanger bijvoorbeeld te zwaar beladen is, kunnen de remmen niet goed of zelfs helemaal niet werken. U en uw passagiers kunnen in dat geval ernstig letsel oplopen. Ga alleen rijden met een aanhanger als u de volgende aanwijzingen hebt opgevolgd.

\* OPMERKING

Bij verkeerd gebruik van een aanhanger kan uw zuto beschadigd raken, waardoor dure reparaties nodig zijn die niet onder de garantie vallen. Houd u aan de volgende regels bij het rijden met een aanhanger.

Item\MotorBenzinemotorDieselmotor
1,4 Motor1,6 Motor
MT^*1 AT^*2 MT^*1 AT^*2
Maximaal aanhangwagengewicht kg (lbs.)Ongeremd453(999)453(999)453(999)453(999)453(999)
Geremd1100(2425)700(1543)1100(2425)800(1764)1100(2425)
Maximale kogeldrukkg (lbs.)50(110)50(110)50(110)50(110)50(110)
Gebruik alleen een goedgekeurde trekhaak!mm (Inch)4 - deurs : 1010 (40)5 - deurs : 760 (30)

* MT : Handgeschakelde transmissie
^*2 AT : Automatische transmissie

KIA Rio III - \* OPMERKING - 1

Uw auto is geschikt om met een aanhanger te rijden.

Raadpleeg de informatie onder "Aanhangwagengewicht" verderop in dit hoofdstuk om te bepalen hoe zwaar de aanhanger maximaal mag zijn.

Let op dat rijden met een aanhanger anders is dan rijden zonder aanhanger. Bij rijden met een aanhanger is de besturing anders en nemen slijtage en brandstofverbruik toe. Voor goed en veilig rijden met een aanhanger is het belangrijk dat de aanhanger technisch in orde is en op de juiste manier aan de auto is gekoppeld.

In dit hoofdstuk worden een aantal belangrijke aanwijzingen genoemd. Veel van deze hebben betrekking op uw eigen veiligheid en die van uw passagiers. Lees dit hoofdstuk daarom zorgvuldig door voordat u gaat rijden met een aanhanger.

Bepaalde onderdelen, zoals de motor, de transmissie en de banden, worden door het getrokken extra gewicht zwaarder belast. De motor moet wat meer toeren maken en moet meer vermogen leveren. Hierdoor neemt ook de warmteontwikkeling toe. De aanhanger zorgt bovendien voor een hogere luchtweerstand, waardoor de belasting nog verder toeneemt.

Als u gaat rijden met een aanhanger

Let op de volgende punten als u gaat rijden met een aanhanger:

Overweeg de aanschaf van stabilisatorkoppeling. Raadpleeg de leverancier van uw aanhanger voor meer informatie.

- Uw auto is het meest geschikt voor het trekken van een aanhanger als deze minimaal 800 km heeft gereden. Als u gedurende de eerste 800 km met een aanhanger wilt rijden, rijd dan niet harder dan 80 km/h en accelereer niet voluit. Hierdoor wordt de motor en de rest van de auto niet overmatig belast tijdens de inrijperiode.

• Rijd met aangepaste snelheid (maximaal 80 km/h).

- Neem de volgende overwegingen met betrekking tot het extra gewicht in acht:

Gewicht van de aanhanger

Hoe zwaar kan de aanhanger veilig worden beladen? Hij mag nooit meer wegen dan het maximale aanhangergewicht voor een geremde aanhanger.

Dat hangt af van de manier waarop de aanhanger wordt gebruikt. Zo zijn onder andere de rijsnelheid, de hoogte, hellingshoek, buitentemperatuur en ervaring belangrijke factoren. Het maximale aanhangergewicht is ook afhankelijk van eventuele voorziening die op de auto zijn aangebracht.

Kogeldruk

Bij het trekken van een aanhanger zijn de kogeldruk en het maximaal toelaatbaar totaalgewicht van belang. Onder het totaalgewicht worden gerekend het ledig gewicht van de auto plus het gewicht van de belading en de inzittenden. Bij het slepen van een aanhanger dient bovendien het gewicht van de aanhanger hierbij worden opgeteld.

Controleer na het beladen van de aanhanger of de kogeldruk in orde is. Als dat niet het geval is, kan deze worden aangepast door de belading van de aanhanger anders te verdelen.

WAARSCHUWING

• Zorg ervoor dat de aanhanger aan de voorzijde altijd zwaarder is dan aan de achterzijde. De verhouding tussen de belading voor en achter dient ongeveer 60/40 te zijn.
- Belaad de aanhanger niet zwaarder dan volgens de fabrikant van de aanhanger c.q. trekhaak is toegestaan. Een verkeerde belading kan beschadiging van de auto en/of persoonlijk letsel tot gevolg hebben. Controleer het aanhangergewicht met een geschikte weegschaal of op een weegbrug.
- Door een verkeerde belading van de aanhanger bestaat de kans dat u de controle over de auto verliest.

Trekhaak

Een goede trekhaak is zéér belangrijk. Zijwind, rukwinden door passerende vrachtwagens en hobbelige wegen vormen een zware belasting voor de trekhaak. Neem de volgende regels in acht:

• Moeten er voor het bevestigen van de trekhaak gaten worden geboord in het chassis? Zorg er in dat geval voor dat, wanneer de trekhaak weer wordt verwijderd, deze gaten weer worden afgedicht.
Als dat niet gebeurt, zouden koolmonoxide (CO) uit de uitlaat, alsmede stof en water in het interieur terecht kunnen komen.
- De bumper is niet geschikt voor het monteren van een trekhaak. Monteer nooit een trekhaak los op de bumper. Gebruik alleen een trekhaak die op het chassis moet worden bevestigd.

Losbreekvoorziening

Bevestig altijd een stalen kabel of ketting tussen de aanhanger en de auto. Laat de kabel onder de koppeling doorlopen, zodat bij het losraken van de originele koppeling de dissel de grond niet kan raken.

Raadpleeg voor het gebruik van de losbreekvoorziening eventueel ook de aanwijzingen van de fabrikant van de trekhaak of van de aanhanger. Bevestig de kabel of ketting niet te strak, zodat de aanhanger vrij kan bewegen in bochten. Laat de kabel of ketting niet over de grond slepen.

Remsysteem aanhanger

Als uw aanhanger zwaarder is dan het maximaal toegestane ongeremde aanhangergewicht, moet de aanhanger zijn voorzien van een eigen, goed werkend remsysteem. Volg de instructies van de fabrikant voor het gebruiken, afstellen en onderhouden van het remsysteem van de aanhanger.

- Breng nooit wijzigingen aan in het remsysteem van de auto.

WAARSCHUWING

Ga niet rijden met een aanhanger met eigen remsysteem voordat dit systeem goed is afgesteld. Voor het afstellen is specifieke vakkennis benodigd. Laat dit daarom uitvoeren bij een gespecialiseerd bedrijf.

Rijden met een aanhanger

Voor het rijden met een aanhanger is enige ervaring vereist. Ga, voordat u zich op de openbare weg begeeft, eerst oefenen met het rijden met een aanhanger. Probeer vertrouwd te raken met het gewijzigde stuur- en remgedrag. Houd altijd in gedachten dat de auto met aanhanger langer is en minder snel reageert.

Controleer voordat u gaat rijden de bevestiging van de koppeling en de losbreekvoorziening, de elektrische aansluiting, de verlichting, de banden en de afstelling van de spiegels. Als de aanhanger is voorzien van elektrische remmen, controleer dan de remmen door langzaam te gaan rijden met de aanhanger en de remmen handmatig te bekrachtigen. Dit is tevens een goede controle van de elektrische aansluiting.

Controleer tijdens het rijden af en toe of de lading nog goed vastzit en of de verlichting en de remmen nog werken.

Afstand tot voorganger

Houd tenminste tweemaal zo veel afstand als tijdens het rijden zonder aanhanger. Hierdoor kunt u plotselinge remacties en uitwijkmanoeuvres voorkomen.

inhalen

Het inhalen met een aanhanger neemt meer tijd in beslag. Bovendien moet u door de extra lengte de in te halen auto verder voorbij voordat u weer terug kunt keren naar de oorspronkelijke rijbaan.

Achteruitrijden

Houd het stuurwiel aan de onderzijde vast met één hand. Beweeg uw hand naar links om de aanhanger naar links te laten gaan. Beweeg uw hand naar rechts om de aanhanger naar rechts te laten gaan. Rijd altijd langzaam achteruit en laat u indien mogelijk door iemand anders begeleiden.

Rijden in bochten

Rijd met een aanhanger ruimer door bochten dan normaal. Anders kan de aanhanger te veel naar binnen komen en stoepranden, verkeersborden, bomen enz. raken.

Voorkom schokkerige en plotselinge manoeuvres. Geen ruim van tevoren richting aan.

Richtingaanwijzers aanhanger

De aanhanger dient te zijn voorzien van richtingaanwijzers. Als u de richtingaanwijzers inschakelt, gaan de groene pijlen in het instrumentenpaneel knipperen. De richtingaanwijzers van de aanhanger dienen gelijktijdig mee te knipperen.

Ook als de richtingaanwijzers van de aanhanger niet werken, zullen de groene pijlen in het instrumentenpaneel knipperen.

Daarom is het belangrijk om af en toe te controleren of de richtingaanwijzers van de aanhanger nog werken. Controleer steeds na het opnieuw aankoppelen van de aanhanger of de verlichting en de richtingaanwijzers werken.

Sluit de verlichting van de aanhanger niet rechtstreeks aan op de verlichting van de auto. Gebruik hiervoor speciale goedgekeurde bedrading.

Raadpleeg uw Kia-dealer voor meer informatie.

Z VOORZICHTIG

Het gebruik van niet goedgekeurde bedrading kan schade aan het elektrisch systeem van de auto en/of persoonlijk letsel veroorzaken.

Rijden op hellingen

Verminder snelheid en schakel naar een lagere versnelling voordat u een lange of steile helling afrijdt. Als u niet terugschakelt, moet u de remmen vaker intrappen waardoor deze oververhit raken en niet meer goed werken.

Schakel bij het oprijden van een lange helling terug en verminder snelheid tot ongeveer 70 km/h (45 mph). Hierdoor wordt voorkomen dat de motor en de transmissie oververhit raken.

Rijd in stand D wanneer de auto uitgerust is met een automatische transmissie en u met een aanhanger rijdt die meer weegt dan het maximaal toegestane ongeremde aanhangergewicht.

Wanneer u in stand D rijdt met een aanhanger wordt de levensduur van de transmissie door een lagere bedrijfstemperatuur verlengd.

Rijd in de vierde versnelling (of, indien nodig, een lagere versnelling) wanneer uw auto is uitgerust met een handgeschakelde transmissie.

\* OPMERKING

• Houd de motortemperatuur goed in de gaten als u met een aanhanger een steile helling (meer dan 12%) oprijdt. Hierdoor kan de motor oververhit raken. Als de koelvlocistoftemperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit dreigt te raken, breng de auto dan op een veilige plaats tot stilstand om de motor af te laten koelen. Zodra de motor voldoende is afgekoeld, kunt u uw weg vervolgen.

• Pas uw snelheid aan afhankelijk van het gewicht van de aanhanger en de hellingshoek van de weg, zodat de motor en de transmissie niet oververhit raken.

Parkeren op een helling

Parkeer uw auto met aangekoppelde aanhanger bij voorkeur niet op een helling. Als de auto naar beneden zou rollen, zou deze beschadigd kunnen raken of ernstig letsel aan voorbijgangers kunnen toebrengen.

WAARSCHUWING

- Parkeren op een helling

Als u de auto met aanhanger op een helling parkeert, kunnen mensen ernstig letsel oplopen of zelfs dodelijk gewond raken als aanhanger onbedoeld los zou raken van de auto.

Is het niet anders mogelijk dan de auto op een helling te parkeren, doe dit dan als volgt:

  1. Druk het rempedaal in en zet de transmissie in de neutraalstand.
  2. Laat iemand anders blokken achter de wielen van de aanhanger plaatsen.
  3. Laat het rempedaal voorzicht los, als de blokken geplaatst zijn en laat de aanhanger tegen de blokken rollen.
  4. Rem opnieuw. Trek de parkeerrem aan en schakel bij een handgeschakelde transmissie de achteruit in of bij een automatische transmissie stand P.
  5. Laat het rempedaal los.

WAARSCHUWING

- Parkeerrem

Stap niet uit voordat de parkeerrem goed is aangetrokken.

Als u de motor laat draaien, kan de auto plotseling in beweging komen. Uzelf of andere mensen kunnen hierdoor ernstig letsel oplopen.

Wegrijden op een hetling

  1. Zet de handgeschakelde transmissie in de vrijstand of de automatische transmissie in stand P en houd het rempedaal ingetrapt wanneer:
  2. Start de motor.
    • Zet de transmissie in stand D.
    • Ontgrendel de parkeerrem.
  3. Laat het rempedaal langzaam los.
  4. Rijd langzaam vooruit tot de aanhanger los komt van de blokken.
  5. Stop en laat de blokken door iemand oprapen en opbergen.

Onderhoud bij het rijden met een aanhanger

Uw auto heeft vaker onderhoud nodig wanneer u regelmatig met een aanhanger rijdt. Belangrijke zaken die speciale aandacht verdienen zijn: de motorolie, de automatische-transmissievloeistof, de smering van de aandrijfassen en de koelvloeistof. De toestand van de remmen moet ook regelmatig gecontroleerd worden. Alle zaken staan in dit instructieboekje beschreven. De index is hierbij een handig hulpmiddel. Het is verstandig dat u deze gedeeltes te lezen voordat u met een aanhanger op pad gaat.

Vergeet ook niet de aanhanger en de trekhaak te onderhouden. Volg het onderhoudsschema van de aanhanger en controleer hem regelmatig. Voer de controle bij voorkeur ieder keer uit wanneer u gaat rijden.

Het is van het grootste belang dat de trekhaakmoeren en -bouten vastzitten.

\* OPMERKING

• Vanwege de hogere belasting tijdens het rijden met een aanhanger, kan bij warm weer of bij bergop rijden de motor oververhit raken. Als de koelvlocistoftemperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit dreigt te raken, schakel dan de airconditioning uit en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand om de motor af te laten koelen.
• Als met de auto een aanhanger getrokken wordt, moet de transmissievloeistof vaker worden gecontroleerd.
• Als uw auto niet is uitgerust met een airconditioning, moet u een extra ventilator laten monteren om de kocling van de motor te optimaliseren als u een aanhanger trekt.

OVERBELADING

VOORZICHTIG

De maximale asbelasting en de maximale massa van het voertuig staan vermeld op het typeplaatje bevestigd aan het bestuurdersportier.

Het overschrijden van deze waardes kan een ongeval of schade aan de auto veroorzaken. U kunt het gewicht van uw lading berekenen door de voorwerpen (of personen) vooraf te wegen. Wees voorzichtig uw auto niet te overbeladen.

INFORMATIE OP LABELS

In uw auto bevinden zich verschillende belangrijke labels en identificatienummers. De plaats van de labels wordt in de volgende afbeeldingen aangegeven:

KIA Rio III - INFORMATIE OP LABELS - 1

Voertuig-identificatienummer (VIN)

Verwijder de kap onder de passagiersstoel om het chassisnummer te controleren.

Rijtips

KIA Rio III - Rijtips - 1

Waarschuwingssignalen / 6-2

Oververhitting / 6-3

Starten met hulpaccu / 6-4

Bescherming elektrische circuits / 6-7

Slepen / 6-14

Wiel verwisselen bij een lekke band / 6-19

In geval van nood

De alarmknipperlichten dienen ervoor om de overige weggebruikers te waarschuwen om extra voorzichtigheid in acht te nemen bij het naderen, inhalen of passeren van uw auto. Ze dienen te worden gebruikt in noodsituaties of als de auto aan de kant van de weg tot stilstand is gekomen.

Druk de schakelaar van de alarmknipperlichten in met het contact in een willekeurige stand. De schakelaar alarmknipperlichten bevindt zich in het dashboard. De schakelaar zorgt ervoor dat alle knipperlichten geactiveerd worden.

  • De alarmknipperlichten werken ongeacht of de motor draait of niet.
    • De richtingaanwijzers werken niet wanneer de alarmknipperlichten ingeschakeld zijn.
  • Wees voorzichtig bij het gebruiken van de alarmknipperlichten wanneer de auto gesleept wordt.

OVERVERHITTING

Als uw temperatuurmeter een te hoge temperatuur aangeeft, als u een vermogensverlies bespeurt of wanneer u luid kloppende of pingelende geluiden hoort, is de motor waarschijnlijk oververhit geraakt. Handei in dat geval als volgt:

  1. Schakel de alarmknipperlichten in en rijd naar de dichtstbijzijnde veilige plaats. Breng de auto tot stilstand, zet de automatisch transmissie in stand P of de handgeschakelde transmissie in de vrijstand en trek de parkeerrem aan.
  2. Zorg ervoor dat de airconditioning uitgeschakeld is.
  3. Zet de motor uit en neem contact op met een officiële Kia-dealer voor hulp wanneer koelvloeistof of stoom uit de radiateur komt.
    Laat de motor stationair draaien en open de motorkap om de motor geleidelijk af te laten koelen wanneer er geen koelvloeistof uit de radiateur komt.

Zet de motor uit wanneer de temperatuur bij stationair draaien niet daalt en wacht voldoende lang om de motor de gelegenheid te geven af te koelen.

  1. Controleer vervolgens het koelvloeistofpeil. Wanneer het peil in het expansievat laag is, controleer dan de slangen en de aansluitingen van de radiateur, de slangen en de aansluitingen van de kachel, de radiateur en de waterpomp op lekkage. Start de motor niet totdat het probleem is verholpen wanneer u een grote lekkage of een ander probleem vindt dat vermoedelijk de oorzaak was van het oververhit raken van de motor. Neem voor hulp contact op met een officiële Kia-dealer. Vul voorzichtig koelvloeistof bij in het expansievat wanneer u geen lekkage of een ander probleem vindt.

WAARSCHUWING - Losdraaien van de radiateurdop

Verwijder bij een warme motor en radiateur de radiateurdop niet. Hete koelvloeistof en stoom kunnen onder druk naar buiten spuiten. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.

Laat het koeisysteem controleren en repareren door een officiële Kia-dealer wanneer de motor regelmatig oververhit raakt.

STARTEN MET HULPACCU

Starten met een hulpaccu

Starten met een hulpaccu kan gevaarlijk zijn als dit niet op de juiste manier gebeurt. Volg daarom de procedures voor het starten met een hulpaccu om te voorkomen dat u letsel oploopt of de auto en de accu beschadigd raken. Wij adviseren u met klem om bij twijfel een expert te raadplegen.

\* OPMERKING

Maak alleen gebruik van een 12 volt hulpaccu. Door het gebruik van een 24 V spanningsbron (twee seriegeschakelde 12 V accu's of een 24 V snelstart-apparaat) kunt u de startmotor, het ontstekingssysteem en andere onderdelen van het elektrisch systeem beschadigen.

WAARSCHUWING

- Accu

Controleer nooit het elektrolytniveau in de accu. Hierdoor kan de accu scheuren of ontploffen, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.

WAARSCHUWING

- Accu

- Houd vonken en open vuur uit de buurt van de accu. In de accu komt waterstof vrij dat kan exploderen wanneer het wordt blootgesteld aan viammen of vonken.

• Probeer uw auto niet met een hulpaccu te starten als de lege accu bevoren is of het elektrolytpeil laag is; de accu kan scheuren of exploderen.

Aansluiten van startkabels

Sluit de kabels in de aangegeven volgorde aan en neem ze in de omgekeerde volgorde los. Lege accu 2 (+) 3 (+) Hulpaccu Startkabels 1 (+) 4

Startprocedure met behulp van een huipaccu

  1. Controleer of de hulpaccu die u wilt gebruiken een 12 V accu is en controleer als deze zich in een andere auto bevindt of hij met de minpool aan massa
  2. Als de hulpaccu zich in een andere auto bevindt, mogen beide auto's elkaar niet raken.
  3. Schakel alle elektrische verbruikers uit.
  4. Sluit de startkabels aan in de volgorde die in de afbeelding is aangegeven. Sluit eerst een klem van de startkabel aan op de pluspool van de lege accu (1) en de andere klem van dezelfde kabel op de pluspool van de hulpaccu (2).

  5. Sluit vervolgens één klem van de andere kabe aan op de minpool van de hulpaccu (3) en de andere klem op een metalen onderdeel (bijvoorbeeld het motorhijsoog) uit de buurt van de accu. Sluit de startkabel niet aan op of in de buurt van draaiende onderdelen (4). Sluit de startkabel verbonden met de minpool (-) van de hulpaccu niet aan op de minpool (-) van de lege accu.

Zorg ervoor dat de startkabels uitsluitend contact maken met de juiste accupolen of de juiste massaverbinding. Leun bij het aansluiten niet over de accu.

  1. Start de motor van de auto met de huipaccu en laat deze met 2.000 omw/min draaien. Start vervolgens de motor van de auto met de lege accu.

Laat uw auto controleren door een officiële Kia-dealer als de oorzaak van de lege accu niet duidelijk is.

Aanduwen of aanslepen

Een auto uitgerust met een handgeschakelde transmissie mag niet worden aangeduwd of aangesleept omdat hierdoor het emissieregelsysteem beschadigd kan raken.

Auto's die uitgerust zijn met een automatische transmissie kunnen niet worden aangeduwd of aangesleept.

Volg de aanwijzingen in dit gedeelte voor het starten met een hulpaccu.

Z. VOORZICHTIG

Probeer nooit een auto door middel van slepen te starten. Wanneer de auto plotseling naar voren schiet als de motor aanslaat, kan een aanrijding veroorzaakt worden.

BESCHERMING ELEKTRISCHE CIRCUITS

KIA Rio III - BESCHERMING ELEKTRISCHE CIRCUITS - 1

Zekeringen

Het elektrisch systeem van een auto is tegen overbelasting beveiligd door middel van zekeringen.

Deze auto heeft twee zekeringkastien, één in het onderpaneel aan bestuurderszijde en de andere in de motorruimte vlak bij de accu.

Controleer de zekering van het desbetreffende circuit wanneer een bepaalde verlichting, accessoire of bedieningsorgaan niet werkt. Een doorgebrande zekering kunt u herkennen aan een onderbreking in het metalen element in de zekering.

Controleer de zekeringkast aan bestuurderszijde wanneer het elektrisch systeem niet werkt.

Vervang een zekering altijd door een zekering met dezelfde stroomsterkte.

Als de vervangende zekering ook doorbrandt, duidt dit op een elektrische storing. Probeer het betreffende systeem niet te gebruiken en neem onmiddellijk contact op met een officiële Kia-dealer.

Er worden twee soorten zekeringen gebruikt: een standaard zekering voor lagere stroomsterktes en een hoofdzekering voor hogere stroomsterktes.

Zekeringen vervangen

• Vervang een zekering alleen door een zekering met dezelfde stroomsterkte.
- Een zekering met een hogere capaciteit kan door oververhitting schade en brand veroorzaken.
- Vervang een zekering nooit door iets anders - ook niet als noodreparatie. Hierdoor kan het elektrische circuit overbelast worden, waardoor brand kan ontstaan.
- Verwijder een zekering niet met een schroevendraaler of een ander metalen voorwerp omdat hierdoor kortsluiting kan ontstaan, waardoor schede aan het elektrisch systeem kan worden veroorzaakt.

KIA Rio III - Zekeringen vervangen - 1

Onderpaneel bestuurderszijde

  1. Zet het contact in stand LOCK en alle andere schakelaars uit.
  2. Verwijder de afdekkap.

KIA Rio III - Onderpaneel bestuurderszijde - 1

  1. Verwijder de verdachte zekering. Gebruik het demontagegereedschap (1) dat zich in de zekeringkast bevindt.
  2. Controleer de verwijderde zekering; vervangen indien deze is doorgebrand.

Er bevinden zich reservezekeringen in de zekeringkast in de motorruimte.

  1. Plaats een nieuwe zekering met dezelfde stroomsterkte en controleer of de zekering goed vastzit.

Neem contact op met een officiële Kia-dealer als de zekering niet goed vastzit.

Als u geen reservezekering heeft, kunt u de zekering van een ander circuit gebruiken, bijvoorbeeld van de radio of de interieurverlichting, die niet nodig is om te kunnen rijden, mits deze dezelfde stroomsterkte heeft.

Controleer de zekeringkast in de motorruimte wanneer de koplampen of andere elektrische componenten niet werken. Vervang een doorgebrande zekering.

KIA Rio III - Onderpaneel bestuurderszijde - 2

  1. Zet het contact in stand LOCK en alle andere schakelaars uit.
  2. Verwijder het deksel van de zekeringkast door de lippen aan beide uiteinden in te drukken en het deksel omhoog te trekken.
  3. Controleer de verwijderde zekering; vervangen indien deze is doorgebrand.
  4. Plaats een nieuwe zekering met dezelfde stroomsterkie en controleer of de zekering goed vastzit.
    Neem contact op met een officiële Kia-dealer als de zekering niet goed vastzit.

\* OPMERKING

Plaats het deksel op de juiste manier nadat de zekeringkast in de motorruimte gecontroleerd is. Wanneer dit niet het geval is, kunnen elektrische storingen ten gevolge van binnendringend vocht optreden.

KIA Rio III - \* OPMERKING - 1

Vervang de doorgebrande hoofdzekeringen MAIN als volgt:

  1. Neem de minpool los van de accu.
  2. Verwijder de schroeven die in de bovenstaande afbeelding worden aangegeven.
  3. Vervang de zekering door een nieuwe met dezelfde stroomsterkte.
  4. Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde van verwijderen.

Zekering-/relaiskast

Aan de binnenzijde van de deksels vindt u een label met daarop de naam van de zekeringen en relais en de capaciteit.

Motorruimte
KIA Rio III - Zekering-/relaiskast - 1

Onderpaneel bestuurderszijde
1. PR VIPER 2. VYLPLDH 3. PR VIPER 4. BLOON 5. KVPAHO 6. S/ROOF 7. STOP UP 8. C/D/ LUCK 9. IGN COIL 10. AHD 11. B/UP LP 12. SPARE 13. CA LIGHTER 14. FOLD'S 15. HTD SEAT 16. AHP 17. PR FOG UP 18. O'L 19. EOLI 20. DUSTER 21. PAVW RH 22. AUDIO 23. RE FOG UP 24. ON 25. HDD CLASS 26. A/BAG 27. TOU USE THE DESIGNATED RASE ONLY. STRAW 20% AND ANIMAL 20%. 1A 2B 3C 4D 5E 6F 7G 8H 9I 10J 1A 12J 13J 14J 15J 16J 17J 18J 19J 20J 21J 22J 23J 24J 25J 26J 27J 28J 29J 30J 31J 1A 32J 33J 34J 35J 36J 37J 38J 39J 1A 1A 1B 1C 1D 1E 1F 1G 1H 1A 1A 1B 1C 1D 1E 1F 1G 1H 1A 1A 1B 1C 1D 1E 1F 1G 1H 1A 1A 1B 1C 1D 1E 1F 1G 1H 1A 1A 1B 1C 1D 1E 1A 1A 1B 1C 1D 1E 1A 1A 1B 1C 1D 1A 1A 1B 1C 1A 1A 1B 1A 1A 1B 1A 1A 1C 1A 1A 1B 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 1A 2B PWR 2B SPARE 2B MLLT B/LP 2B AUDIO 2B SPARE LH 2B MLLT H/RN 2B TAIL L/P/UH 2B SLAD L/P/HI 2B HAZARE 2B T/SISL LP 2B A/BAG IND 2B START

1JBA6008/1JBA6009

Motorruimte

OmschrijvingStroomsterkte zekeringBeveiligd onderdeel
BATT_150ADynamo, Accu
ECU A30AMotormodule
RAD30AKoelventilateur
COND30ACondensorventilator
ECU B10AMotormodule
F/CUT20ABrandstofpomp
HORN10AClaxon
IGN130AOntsteking
IGN240AOntsteking
BATT_230ADynamo, Accu
MAIN120ADynamo
EPS80AStuurbekrachtiging
ABS140AABS
ABS240AABS
P/WDW30AElektrisch bedienbare ruiten
BLW40AAanjager
SPARE-Reservezekering
A/CCN110AAirconditioning
A/CON210AAirconditioning
ECU D10AMotormodule
SNSR10ASensoren
INJ15AInspuitventiel
ECU C20AMotormodule
SPARE-Reservezekering
SPARE-Reservezekering
HORN-Claxonrelais
OmschrijvingStroomsterkte zekeringBeveiligd onderdeel
MAIN-Hoofdrelais
FUEL PUMP-Relais brandstofpomp
RAD FAN-Relais koelventilator
COND FAN2-Relais condensorventilator
FUEL HTR-Relais verwarming brandstofffilter
BLOWER-Aanjagerrelais
START-Startrelais
COND FAN2-Relais condensorventilator
A/CON-Relais airconditioning

Onderpaneel bestuurderszijde

OmschrijvingStroomsterkte zekeringBeveiligd onderdeel
RR WIPER15AAchterruitenwisser
H/LP(LH)10AKoplamp (links)
FR WIPER25ARuitenwisser vóór
BLOWER10AAanjager
H/LP(RH)10AKoplamp (rechts)
S/ROOF20ASchuif-/kanteldak
STOP LP15ARemlichten
C/DR LOCK20ACentrale portiervergrendeling
IGN COIL15ABobine
ABS10AABS
B/UP LP10AAchteruitrijlicht
SPARE-Reservezekering
C/LIGHTER25AAansteker
FOLD'G10AInklapbare buitenspiegel
HTD SEAT20AStoelverwarming
AMP25AVersterker
FR FOG LP10AMistlamp vóór
DRL10AMotorvoertuigverlichting overdag (MVO)
ECU10AMotormodule
CLUSTER10AInstrumentenpaneel
P/WDW RH25AElektrisch bedienbare ruiten (rechts)
OmschrijvingStroomsterkte zekeringBeveiligd onderdeel
AUDIO10AAudiosysteem
RR FOG LP10AMistachterlicht
IGN10AOntsteking
HTD GLASS30AAchterruitverwarming
A/BAG15AAirbag
TCU10ARegeling automatische transmissie
SNSR10ASensoren
SPARE-Reservezekering
AUDIO15AAudiosysteem
MULT B/UP10AInstrumentenpaneel, ETACS, A/C, Klok, Interieurverlichting
P/WDW LH25AElektrisch bedienbare ruiten (links)
HTD MIRR10ASpiegelverwarming
TAIL LP(LH)10AAchterlicht (links)
TAIL LP(RH)10AAchterlicht (rechts)
HAZARD10AAlarmknipperlichten
T/SIG LP10ARichtingaanwijzer
A/BAG IND10AWaarschuwingslampje AIRBAG
START10AStartmotor

KIA Rio III - Zekering-/relaiskast - 3

Uw auto is uitgerust met een backup- zekering, waarmee u kunt voorkomen dat de accu leeg raakt, wanneer de auto gedurende langere tijd niet wordt gebruikt. Bereid de auto op de volgende manier voor wanneer deze voor langere tijd niet gebruikt wordt.

  1. Zet de motor uit.
  2. Schakel de verlichting uit.
  3. Open de afdekkap van de zekeringkast in het onderpaneel aan bestuurderszijde en trek zekering MULT B/UP 10A / AUDIO 15A omhoog.

\* OPMERKING

  • Als de backup-zekering omhoog is gezet, werken de waarschuwingszoemer, het audiosysteem, de klok, de interieurverlichting enz. niet meer. Sommige systemen zullen na het opnieuw inschakelen gereset moeten worden.
  • Zelfs als de MEMORY zekering is verwijderd, kan de accu outladen worden door brandende verlichting of de werking van andere elektrische systemen.

SLEPEN

KIA Rio III - SLEPEN - 1

Laat de auto bij voorkeur wegslepen door een officiële Kia-dealer of een erkend bergingsbedrijf. De juiste procedures voor het slepen zijn noodzakelijk om beschadigingen aan uw auto te voorkomen. Wij bevelen het gebruik van dollies aan.

Zie hoofdstuk 5 "Aanwijzingen voor het rijden" voor meer informatie over het rijden met een aanhanger.

KIA Rio III - SLEPEN - 2

De auto mag gesleept worden met de achterwielen op de grond (zonder dollies) en de voorwielen van de grond.

Als er geen dollies worden gebruikt, moet de auto worden gesleept met de voorwielen van de grond.

KIA Rio III - SLEPEN - 3

  • Sleep de auto nooit achteruit met de voorwielen op de grond. Hierdoor kan de auto beschadigd raken.
  • Sleep de auto nooit met een takelwagen. Gebruik alleen een auto-ambulance of een bril.

KIA Rio III - SLEPEN - 4

KIA Rio III - SLEPEN - 5
2GHA4107

Slepen in noodgevallen zonder dollies:

  1. Zet het contact in stand ACC.
  2. Zet de selectiehendel in stand N (neutraal).
  3. Ontgrendel de parkeerrem.

\* OPMERKING

Als de selectiehendel niet in stand N wordt gezet, kan dit inwendige schade in de transmissie tot gevolg hebben.

Transportogen

KIA Rio III - \* OPMERKING - 2

Transportogen (voor vervoer op een auto-ambulance)

VOORZICHTIG

Gebruik de ogen aan de voorzijde en de achterzijde van de auto niet voor het slepen. Deze ogen dienen UITSLUITEND om de auto tijdens transport vast te zetten. Wanneer de transportogen gebruikt worden om te slepen, kunnen ze beschadigd raken en ontstaat er mogelijk ernstig letsef.

KIA Rio III - VOORZICHTIG - 1

  1. Open de achterklep en verwijder het sleepoog uit de gereedschapset.
  2. Verwijder het afdekkapje (1) in de voorbumper door het aan de onderzijde in te drukken.

KIA Rio III - VOORZICHTIG - 2

  1. Plaats het sleepoog door het rechtsom te draaien totdat het volledig vastzit (2).
  2. Verwijder het sleepoog na het gebruik en plaats het afdekkapje.

• Voor 1JBA6016 • Achter 1JBA6017

Slepen zonder takelwagen

Laat de auto bij voorkeur wegslepen door een officiële Kia-dealer of een erkend bergingsbedrijf.

Als dit niet mogelijk is, mag de auto tijdelijk worden gesleept met een sleepkabel of -ketting die aan het sleepoog aan de voor- of achterzijde van de auto is bevestigd. Wees voorzichtig bij het slepen van de auto. Laat een ervaren bestuurder in de gesleepte auto achter om te sturen en de remmen te bedienen.

Op deze manier slepen mag alleen op verharde wegen, over een korte afstand en met lage snelheid. Bovendien moeten de wielen, aandrijfassen, transmissie, stuurinrichting en remmen in orde zijn.

  • Gebruik de sleepogen niet om een andere auto weg te slepen die vastzit in de modder of iets dergelijks waar hij niet op eigen kracht uit kan komen.
  • Sleep geen auto's die zwaarder zijn dan de auto waarmee wordt gesleept.
  • De bestuurders van beide auto's dienen goed met elkaar te communiceren.

\* OPMERKING

  • Bevestig een sleepkabel alleen aan de sleepogen.
  • Als de sleepkabel aan een ander onderdeel van de auto wordt bevestigd, kan dit leiden tot beschadigingen.
  • Gebruik alleen een sleepkabel of -ketting die speciaal bedoeld is voor het slepen van auto's. Bevestig de kabel of ketting goed aan de sleepogen.
  • Controleer voor het slepen of de sleepogen niet gebroken of op een andere manier beschadigd zijn.
  • Bevestig de kabel of ketting goed aan de sleepogen.
    • Voorkom schokbewegingen tijdens het slepen. Sleep met een gelijkmatige kracht.
  • Trek niet in dwarsrichting of omhoog of omlaag aan het sleepoog. Anders kan het sleepoog beschadigd raken. Trek alleen in de lengterichting van de auto.

VOORZICHTIG

Wees voorzichtig bij het slepen van de auto.

• Probeer abrubt accelereren en remmen, alsmede vreemde manoeuvres te voorkomen, zodat de sleepkabel of -ketting en de sleepogen niet te zwaar worden belast. Anders kunnen deze breken, waardoor ernstig letsel of schade kan ontstaan.
- Als er nauwelijks beweging in de auto zit, ga dan niet onnodig door met slepen. Neem contact op met een officiële Kia-dealer of een deskundig bergingsbedrijf voor hulp.
- Sleep de auto onder een zo recht mogelijke hoek.
- Blijf op veilige afstand van de auto tijdens het slepen.

KIA Rio III - VOORZICHTIG - 1

  • Gebruik een sleepkabel van maximaal 5 meter. Bevestig een rode doek in het midden.
  • Rijdt voorzichtig tijdens het slepen om te voorkomen dat de sleepkabel slap komt te hangen.

Als de auto niet door een takelwagen kan worden gesleept

  • Zet het contact in stand ACC, zodat het stuurslot niet kan worden ingeschakeld.
  • Zet de selectiehendel in stand N (neutraal).
  • Ontgrendel de parkeerrem.
    • Auto's met automatische transmissie mogen niet worden gesleept met een snelheid hoger dan 45 km/h (28 mph) en de gesleepte afstand mag maximaal 80 km (50 mil) zijn.
    • Auto's met een handgeschakelde transmissie moeten niet worden gesleept met een snelheid hoger dan 88 km/h (55 mph) en niet over een afstand die groter is dan 645 km (400 mijl).
  • Vanwege de verminderde remwerking, moet het rempedaal krachtiger worden bediend.
  • Het sturen gaat zwaarder omdat de stuurbekrachtiging niet werkt.

- Tijdens een afdaling kunnen de remmen oververhit raken, waardoor de remwerking afneemt. Stop in dat geval regelmatig om de remmen af te laten koelen.

\* OPMERKING

Om inwendige beschadiging van de transmissie te voorkomen, mag de auto nooit achteruit worden gesleept met alle vier de wielen op het wegdek.

Tips voor het slepen van een auto die vastzit

Een auto die vastzit in de modder of iets dergelijks, waar deze niet op eigen kracht uit kan komen, kan mogelijk op de volgende manieren loskomen.

  • Verwijder los zand of modder voor en achter de wielen.
  • Plaats stenen of hout onder de banden.

WIEL VERWISSELEN BIJ EEN LEKKE BAND

KIA Rio III - WIEL VERWISSELEN BIJ EEN LEKKE BAND - 1

Het reservewiel, de krik en de krikslinger en de wielmoersleutel zijn opgeborgen in de bagageruimte. Leg de vloerbedekking opzij om bij deze onderdelen te komen.

KIA Rio III - WIEL VERWISSELEN BIJ EEN LEKKE BAND - 2

Verwijderen van het reservewiel

Draai de bevestigingsbout van het wiel linksom.

Plaats het wiel in omgekeerde volgorde van verwijderen.

Plaats het reservewiel en het gereedschap zorgvuldig terug om te voorkomen dat ze tijdens het rijden gaan rammelen.

Wiel; verwisselen van

Aanwijzingen voor krikken

De krik is uitsluitend bedoeld voor het verwisselen van een wiel.

Neem de onderstaande aanwijzingen in acht om letsel te voorkomen.

WAARSCHUWING

- Verwisselen van wielen

  • Verwissel een wiel nooit op de rijbaan.
  • Zet de auto altijd in de berm. Plaats de krik indien mogelijk op een stevige, vlakke ondergrond.

Bel de wegenwacht voor hulp wanneer u de auto niet op een veilige plek kunt plaatsen.

  • Overschrijd de maximum belasting van de krik niet: 700 kg.
  • Plaats de krik uitsluitend op de daartoe bestemde plaats; nooit onder de bumper of iets dergelijks.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Anders zou de krik gemakkelijk om kunnen vallen en ernstig letsei veroorzaken. Begeef u nooit onder een auto die alleen met een krik wordt ondersteund. Plaats altijd eerst extra steunen.
  • Start de motor niet en laat hem niet draaien zolang de auto is opgekrikt.
    • Zorg dat er niemand meer in de auto aanwezig als deze wordt opgekrikt.
    • Zorg ervoor dat kinderen op een veilige afstand van de auto en van de weg worden gehouden voordat de auto wordt opgekrikt.

KIA Rio III - (Vervolg) - 1

  1. Plaats de auto op een stevige en vlakke ondergrond en trek de parkeerrem stevig aan.
  2. Zet de versnellingspook in de achteruit (bij handgeschakelde transmissie) of de selectiehendel in stand P (bij automatische transmissie).
  3. Schakel de alarmknipperlichten in.

KIA Rio III - (Vervolg) - 2

  1. Neem de wielmoersleutel, de krik, de krikslinger en het reservewiel uit de auto.
  2. Plaats wielblokken voor en achter het wiel dat zich diagonaal tegenover het te verwisselen wiel bevindt.

WAARSCHUWING

- Wielen verwisselen

  • Trek daarom altijd de parkeerrem volledig aan en blokkeer het wiel dat zich diagonaal tegenover het te verwisselen wiel bevindt om te voorkomen dat de auto tijdens het verwisselen van een wiel beweegt.
  • Het wordt aanbevolen om blokken voor en achter de wielen te plaatsen en dat iedereen de auto verlaat voordat deze wordt opgekrikt.

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 1

  1. Omwikkel het uiteinde van de schroevendraaier met een doek om krassen te voorkomen.

Steek een schroevendraaier in de opening van de wieldop (indien van toepassing) en wip de wieldop voorzichtig los.

① ② ③ ④ 1:JBA6024

  1. Draai de wielmoeren linksom één slag los. Verwijder deze nog niet voordat het wiel los van de grond is.

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 3

  1. Plaats de krik onder het steunpunt dat zich het dichtst bij het te verwisselen wiel bevindt. Plaats de krik op de aangegeven plaats onder de dorpel. De krikpunten zijn extra verstevigd en zijn herkenbaar aan de uitsparingen in de dorpelrand.

Gebruik altijd de bij de auto aanwezige krik en de juiste kriksteunpunten. Gebruik nooit andere delen van de carrosserie om de auto op te krikken. Dit om de kans op letsel te beperken.

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 4

  1. Steek de krikslinger in de krik en draai de slinger rechtsom totdat het wiel net van de grond loskomt. (Ongeveer 30 mm) Controleer alvorens de wielmoeren te verwijderen of de auto stabiel staat en er geen kans bestaat dat de auto van de krik glijdt of beweegt.
  2. Verwijder de wielmoeren door ze linksom te draaien en verwijder daarna het wiel.
  3. Plaats het reservewiel en draai de moeren met de schuine zijde naar binnen gericht met de hand vast.

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 5

  1. Laat de auto nu volledig zakken en draai de wielmoeren verder totdat ze niet verder gedraaid kunnen worden. Draai de wielmoeren kruislings goed vast. Laat bij het dichtstbijzijnde garagebedrijf de wielmoeren controleren als u niet zeker bent over het gebruikte aanhaalmoment.

Het voorgeschreven aan-haalmoment bedraagt 88 - 107 Nm (9 - 11 kgm). Als de wielmoeren niet goed vastzitten, is dit vaak herkenbaar aan trillingen in het rempedaal tijdens het remmen.

Z VOORZICHTIG

De tapeinden en de wielmoeren van uw auto zijn voorzien van metrische draad. Zorg er bij het verwisselen van een wiel voor dat dezelfde moeren gebruikt worden voor het plaatsen - of wanneer de wielen vervangen worden, moeren met dezelfde metrische draad gebruikt worden. Bij het plaatsen van een niet metrische moer op een tapeind met metrische schroefdraad of omgekeerd, zal het wiel niet op de juiste manier aan de naaf worden bevestigd en zal het tapeind beschadigd raken, waardoor deze vervangen moet worden.

Houd er rekening mee dat de meeste wielmoeren geen metrisch schroefdraad hebben. Controleer goed het type schroefdraad voordat u niet originele wielmoeren of wielen gaat plaatsen. Neem bij twijfel contact op met een officiële Kia-dealer.

WAARSCHUWING

- Tapeinden

Wanneer de tapeinden beschadigd zijn, kunnen ze het wiel niet meer goed op zijn plaats houden. Hierdoor kan het wiel losraken en een ongeval veroorzaken.

Plaats de krik, de krikslinger, de wielmoersleutel en het gereedschapsetui zorgvuldig om te voorkomen dat ze tijdens het rijden gaan "rammelen".

WAARSCHUWING

Controleer na het plaatsen van het reservewiel zo spoedig mogelijk de bandenspanning. Breng de band indien nodig op de voorgeschreven spanning. Raadpleeg hoofdstuk 8, "Specificaties".

Onderhoudswerkzaamheden / 7-2

Onderhoudsschema bij normaal gebruik / 7-4

Onderhoud bij verzwaard gebruik / 7-8

Door de eigenaar uit te voeren

onderhoudswerkzaamheden / 7-10

Motorraimte / 7-13

Motorolie en oliefilter / 7-15

Koelsysteem / 7-16

Remmen en koppeling / 7-19

Aandrijfriemen / 7-21

Stuurbekrachtiging / 7-22

Automatische transmissie / 7-23

Smeermiddelen en vloeistoffen / 7-25

Brandstofffilter / 7-26

Luchfilter / 7-26

Banden en wielen / 7-35

Vervangen van lampen / 7-43

Specificaties smeermiddelen / 7-52

Onderhoud exterieur / 7-54

Onderhoud interieur / 7-57

ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN

Neem bij het uitvoeren van eventueel onderhoud en controles de grootst mogelijke voorzichtigheid in acht om schade aan uw auto en/of persoonlijk letsel te voorkomen.

Indien u niet zeker bent van de handelswijze die voor het onderhoud of de reparatie dient te worden gevolgd, is het raadzaam de werkzaamheden te laten verrichten door uw officiële Kia-dealer.

Een officiële Kia-dealer heeft getrainde technici in dienst, beschikt over originele Kia-onderdelen en kan daardoor het juiste onderhoud aan uw auto uitvoeren. Raadpleeg een officiële Kia-dealer voor deskundig advies en voor service van topkwaliteit.

Niet doelmatig, onvoldoende of gebrekkig onderhoud kan problemen bij het gebruik van uw auto veroorzaken, wat kan leiden tot schade aan de auto, een ongeval of persoonlijk letsel.

Verantwoordelijkheid van de eigenaar

\* OPMERKING

Het laten uitvoeren van onderhoud en de registratie daarvan behoort tot de verantwoordelijkheid van de eigenaar.

U dient aan te kunnen tonen dat het juiste onderhoud aan uw auto is uitgevoerd overeenkomstig de voorgeschreven intervallen zoals weergegeven op de volgende bladzijden. U heeft deze informatie nodig om aanspraak te kunnen maken op de door Kia verstrekte garantie.

De garantievoorwaarden vindt u in het garantieboekje.

Reparaties en afstellingen die nodig zijn als gevolg van te weinig of verkeerd onderhoud vallen niet onder de garantie.

Wij adviseren u uw auto te laten repareren en onderhouden door een officiële KIA-dealer. Een officiële Kia-dealer voldoet aan de hoge kwaliteitsnormen van Kia, ontvangt technische ondersteuning van Kia en is mede daardoor in staat te zorgen voor een maximale klantentevredenheid.

Uitzonderingen op het onderhoudsschema

Volg het "Onderhoudsschema bij normaal gebruik" wanneer de auto normaalgesproken wordt gebruikt onder andere dan de hieronder vermelde omstandigheden. Volg in de onderstaande gevallen het "Onderhoudsschema bij verzwaard gebruik".

  • Vee! korte ritjes.
  • Rijden in extreem stoffige of zanderige gebieden.
  • Intensief gebruik van het remsysteem.
  • Rijden in gebieden waar veel zout of andere agressieve stoffen worden gebruikt.
  • Rijden op ruwe, modderige wegen.
  • Rijden in heuvelachtige gebieden.
  • Langdurig stationair draaien of rijden met lage toerentallen.
    • Gedurende lange tijd rijden bij lage temperaturen en/of in een extreem vochtig klimaat.

- Voor meer dan 50% rijden in druk stadsverkeer bij temperaturen boven de 32°C (90°F)

Wanneer uw auto wordt gebruikt onder een van de bovenstaande omstandigheden dienen voor het controleren, vervangen en verversen kortere intervallen te worden aangehouden dan aangegeven in het "Onderhoudsschema bij normaal gebruik".

Voig ook na 96 maanden of 120.000 km (80.000 mijl) de voorgeschreven onderhoudsintervallen.

ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK

ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSIN-TERVALAantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt
Maanden1224364860728496
Mijl ×1.0001020304050607080
Kmx1.000153045607590105120
Aandrijfriemen *1BenzineCCCCCCCC
DieselCCCC
Motorolie en oliefilter *2BenzineVVVVVVVV
DieselVVVVVVVV
DistributierlemCV
LuchtfilterelementCVCVCVCV
BougiesBenzineVVVV
Ontluchtingsslang en tankdopCCCC
Vacuüm- en carterventilatieslangenBenzineCCCC

C: Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
V : Vervangen/verversen.
1: Stel de aandrijfriem van de dynamo en van de waterpomp en, indien van toepassing, die van de stuurbekrachtiging en de airconditioning af. Controleren en indien nodig af- of bijstellen of vervangen.
^2 : Controleer het oliepeil en controleer de motor op lekkage iedere 500 km of voordat u een lange reis gaat maken.

ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (vervolg)

ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSIN-TERVALAantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt
Maanden1224364860728496
Mijl x1.0001020304050607080
Km×1.000153045607590105120
Vacuümslang (voor EGR en smoorklephuis)DieselCCCCCCCC
Vacuümpomp dynamoDieselCCCCCCCC
Olieslang dynamo en VacuümslangDieselCCCCCCCC
BrandstofffilterBenzineVV
BrandstofffilterelementDieselVVVV
Brandstofleidingen en -slangen, aansluitingenCCCCCCCC
Luchtfilter brandstoftankCCVCCVCC
Uitlaatpijp en demperCCCCCCCC

C: Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
V: Vervangen/verversen.

ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (vervolg)

ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSIN-TERVALAantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt
Maanden1224364860728496
Mijl ×1.0001020304050607080
Km×1.000153045607590105120
KoelsysteemControleer het koelsysteem dagelijks op lekkage en vul indien nodig koelvloeistof bij
Controleer de waterpomp bij het vervangen van de aandrijfriem of distributieriem
Koelvloeistof *3Eerste keer vervangen na 60 maanden of 90.000 km: daarna na iedere 24 maanden of 45.000 km.
AccutoestandCCCCCCCC
Alle elektrische systemenCCCC
Remleidingen en aansluitingenCCCCCCCC
Remsysteem, KoppelingspedaalCCCC
ParkeerremCCCC
Rem- en koppelingsvloeistofCVCVCVCV
Remschijven en remblokkenCCCCCCCC
Remtrommels en remvoeringenCCCC

C: Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
V : Vervangen/verversen.
^3 : Vul het koelsysteem alleen bij met goedgekeurde koelvloeistof en vul het koelsysteem niet bij met water. Een onjuist koelvloeistofmengsel kan storingen en schade aan de motor veroorzaken.

ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (vervolg)

ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSIN-TERVALAantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt
Maanden1224364860728496
Mijl ×1.0001020304050607080
Kmx1.000153045607590105120
Stuurbekrachtigingssysteem en -slangenCCCC
Stuurhuis, stuurstangen en stofhoezenCCCCCCCC
Aandrijfassen en aandrijfashoezenCCCC
Banden (spanning en profiel)CCCCCCCC
VoorwielophangingCCCCCCCC
Bouten en moeren van chassis en carrosserieCCCCCCCC
Koudemiddel airconditioning (indien van toepassing)CCCCCCCC
Aircocompresso (indien van toepassing)CCCCCCCC
Interieurfilter airconditioning (indien van toepassing)VVVVVVVV
Vloeistof handgeschakelde transmissieCCCCCCCC
Automatische-transmissievloeistofCCCCCVCC

C: Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
V: Vervangen/verversen.

ONDERHOUD BIJ VERZWAARD GEBRUIK

Controleer de volgende zaken vaker wanneer de auto veelvuldig onder zware rijomstandigheden wordt gebruikt. Raadpleeg de onderstaande tabel voor de juiste onderhoudsintervallen.

C: Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
V : Vervangen/verversen.

OnderhoudspuntOnderhoudswerkzaamhedenOnderhoudsintervalRijomstandigheid
Motorolie en oliefilterBenzineVElke 7.500 km (5.000 mijl) of 6 maandenA, B, C, F, GH, I, J
DieselVElke 7.500 km (5.000 mijl) of 6 maanden
LuchtfilterelementCAfhankelijk van de omstandigheden vaker controlerenC, E
BougieBenzineCAfhankelijk van de omstandigheden vaker controlerenB, H
DistributieriemVElke 60.000 km (40.000 mijl) of 48 maandenD, E, F, G
Vloeistof handgeschakelde transmissieVElke 90.000 km (60.000 mijl)A, C, D, E, F,G, H, I, J
Automatische-transmissievloeistofVElke 45.000 km (30.000 mijl)A, C, E, F, G ,H ,I
Stuurhuis, stuurstangen en stofhoezenCAfhankelijk van de omstandigheden vaker controlerenC, D, E, F, G
VoorwielophangingCAfhankelijk van de omstandigheden vaker controlerenC, D, E, F, G
Schijtremmen en remblokken, remklauwen en remschijvenCAfhankelijk van de omstandigheden vaker controlerenC, D, E, G, H
Remtrommels en remvoeringenCAfhankelijk van de omstandigheden vaker controlerenC, D, E, G, H
ParkeerremCAfhankelijk van de omstandigheden vaker controlerenC, D, G, H
Aandrijfassen en aandrijfashoezenCAfhankelijk van de omstandigheden vaker controlerenC, D, E, F
Interieurfilter airconditioning (indien van toepassing)VAfhankelijk van de omstandigheden vaker vervangenC, E

Zware rijomstandigheden

A : Veel korte ritjes

B : Langdurig stationair draaien

C : Rijden op stoffige, onverharde wegen

D : Rijden in gebieden waar veel zout of andere agressieve stoffen worden gebruikt. Of rijden onder koude weersomstandigheden

E : Rijden in een omgeving met veel zand

F : Voor meer dan 50% rijden in druk stadsverkeer bij temperaturen boven de 32°C (90°F)

G : Rijden in heuvelachtige gebieden.

H : Rijden met een aanhanger

1 : Politieauto's, taxi's, bedrijfsauto's of bij het slepen van een auto

J : Rijden met snelheden boven 170 km/h (106 mph)

DOOR DE EIGENAAR UIT TE VOEREN ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN

Schema voor onderhoud uitgevoerd door eigenaar

De eigenaar of officiële Kia-dealer dient de onderstaande controles volgens het aangegeven interval uit te voeren om een veilige en betrouwbare werking van de auto te garanderen.

Neem bij bijzonderheden zo spoedig mogelijk contact op met uw dealer.

Eventuele werkzaamheden die uit deze controles voortvloeien vallen doorgaans niet onder de fabrieksgarantie en zullen, samen het arbeidsloon en eventuele onderdelen en smeermiddeien, in rekening gebracht worden. ed.

Bij het tanken:

  • Controleer het motoroliepeil.
  • Controleer het koelvloeistofpeil in het expansievat

WAARSCHUWING

Wees voorzichtig bij het controleren van het koelvloeistofpeil wanneer de motor warm is. Hete koelvloeistof en stoom kunnen onder druk naar buiten spuiten. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.

  • Controleer het niveau van de ruitensproeiervloeistof.
  • Controleer of de bandenspanning in orde is.

Tijdens het rijden:

  • Let op veranderingen in het uitlaatgeluid en let erop dat u in het interieur geen uitlaatgassen ruikt.
  • Controleer op trillingen in het stuurwiel. Controleer of het sturen niet zwaarder of lichter gaat dan normaal en of de rechtuitstand niet is gewijzigd.
  • Controleer of de auto niet naar één kant trekt op een vlakke, rechte weg.
  • Controleer bij het remmen op vreemde geluiden, naar één kant trekken, een grotere siag van het rempedaal of een "hard" rempedaal.
  • Controleer als de transmissie slipt of niet normaal werkt het niveau van de automatische-transmissievloeistof.
  • Controleer de werking van stand P (Park) van de automatische transmissie.
  • Controleer de werking van de parkeerrem.
  • Controleer onder uw auto op lekkage (na het gebruik van de airconditioning kan er een plasje water onder uw auto ontstaan; dit is een normaal verschijnsel en duidt niet op lekkage).

Maandelijks:

  • Controleer het koelvloeistofniveau in het expansievat.
  • Controleer de werking van alle verlichting van uw auto, inclusief de remlichten, richtingaanwijzers en alarmknipperlichten.
  • Controleer de bandenspanning van alle wielen inclusief het reservewiel.

Twee keer per jaar

(in het voorjaar en in het najaar):

  • Controleer de radiateurslangen en de slangen van de verwarming en de airconditioning op lekkage en beschadigingen.
  • Controleer de werking van de ruitenwissers en -sproeiers. Reinig de ruitenwisserbladen met een schone, met ruitensproeiervloeistof doordrenkte doek.
  • Controleer de stand van de koplampen.
  • Controleer de dempers, de uitlaatpijpen, de hitteschilden en de bevestigingen van de uitlaat.
  • Controleer de werking van de driepuntsgordels en controleer op slijtage.
  • Controleer of het profiel van de banden nog voldoende is en controleer of de wielmoeren goed zijn aangedraaid.

Eén keer per jaar:

  • Reinig de afvoeropeningen aan de onderzijde van de portieren en de dorpels.
  • Smeer alle portierscharnieren, slotvangers en motorkapscharnieren.
  • Smeer de portier- en motorkapsloten, -vergrendelingen.
    • Smeer de portierrubbers.
  • Controleer vóór de zomer de werking van de airconditioning.
  • Controleer het vloeistofniveau van de stuurbekrachtiging.
  • Controleer en smeer het bedieningsmechanisme van de automatische transmissie.
  • Reinig de accu en de accupolen.
  • Controleer het remvloeistofniveau.

Voorzorgsmaatregelen voor onderhoud uitgevoerd door eigenaar

Verkeerd of onvolledig onderhoud kan problemen opleveren. In dit hoofdstuk worden alleen aanwijzingen gegeven voor werkzaamheden die eenvoudig uit te voeren zijn.

Zoals eerder uitgelegd in dit hoofdstuk kunnen verschillende werkzaamheden alleen door een gekwalificeerde monteur worden uitgevoerd die de beschikking heeft over speciaal gereedschap.

\* OPMERKING

Het verkeerde onderhoud door de eigenaar tijdens de garantieperiode kan ertoe leiden dat de garantie vervalt. Lees voor details het bij de auto geleverde Kia-garantieboekje. Laat in twijfelgevallen het onderhoud altijd uitvoeren door een officiële Kia-dealer.

WAARSCHUWING

- Onderhoudswerkzaamheden

- Het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan een auto kan gevaarlijk zijn. Bij sommige onderhoudsprocedures kunt u ernstig verwond raken. Laat het werk uitvoeren door een gekwalificeerde monteur wanneer u niet over voldoende kennis en ervaring of over het juiste gereedschap beschikt.

- Werkzaamheden uitvoeren onder de motorkap terwijl de motor draait is gevaarlijk. Het is zelfs nog gevaarlijker wanneer u sieraden of losse kleding draagt. Zij kunnen verstrikt raken in de draaiende onderdelen en letsel veroorzaken. Zorg er daarom voor dat u alle sieraden afdoet (vooral ringen, armbanden, horloges en halskettingen) en losse kleding verwijdert voordat u bij een draaiende motor onder de motorkap in de buurt van de motor of de koelventilators komt.

WAARSCHUWING

- Dieselmotor

Werk nooit aan het inspuitsysteem bij draaiende motor of binnen 30 seconden na het afzetten van de motor. De hogedrukpomp, de common rail, de verstuivers en de hogedrukleidingen staan onder hoge druk, ook als de motor uit is gezet. De brandstofstraal die kan ontsnappen, kan ernstig letsel veroorzaken. Mensen die een pacemaker dragen moeten niet dichter dan 30 cm bij de motormodule of de bedrading in de motorruimte komen als de motor draait, omdat de hoge stroomsterktes in het elektronisch motorregelsysteem aanzienlijke magnetische velden produceren.

MOTORRUIMTE

■ Benzinemotor

① ② ③ ④ ⑤ DCHC 16V ⑥ ⑦ ⑧ ⑨ ⑩ ⑪ ⑫

  1. Expansievat koelvloeistof
  2. Peilstok motorolie
  3. Remvloeistofreservoir
  4. Luchfilter
  5. Zekeringkast
  6. Minpool accu
  7. Pluspool accu
  8. Peilstok automatische-transmissievloeistof (indien van toepassing)
  9. Radiateurdop
  10. Vuldop motorolie
  11. Reservoir stuurbekrachtigingsvloeistof
  12. Sproelereservoir

1JBA0004

Dieselmotor
KIA Rio III - MOTORRUIMTE - 2

Controle van het motoroliepeil

  1. Controleer of de auto horizontaal staat.
  2. Start de motor en laat deze op de normale bedrijfstemperatuur komen.
  3. Zet de motor uit en wacht ongeveer 5 minuten zodat de olie naar het carter terug kan lopen.
  4. Trek de peilstok uit de houder, veeg hem schoon en steek hem weer geheel in de houder.
  5. Trek de peilstok opnieuw uit de houder en controleer het peil. Het peil moet zich ergens tussen F en L bevinden.

KIA Rio III - Controle van het motoroliepeil - 1

Als het peil zich bij of op de L bevindt, moet u olie bijvullen tot de F. Vul niet te veel olie bij.

Gebruik alleen de voorgeschreven motorolie. (Raadpleeg "Aanbevolen smeermiddelen" verderop in dit hoofdstuk.)

WAARSCHUWING

Gebruikte motorolie kan irritatie of huidkanker veroorzaken indien de huid langdurig in contact komt met de olie. De stoffen die in gebruikte motorolie aanwezig zijn, hebben bij laboratoriumproeven geleid tot kanker bij proefdieren. Was uw handen zorgvuldig met zeep en warm water als ze in contact zijn geweest met gebruikte motorolie.

\* OPMERKING

  • Hoewel twee oliefilters er precies hetzelfde uit kunnen zien, kunnen ze inwendig volledig anders zijn. Deze filters kunnen niet door elkaar gebruikt worden. Gebruik alleen het voorgeschreven filter om mogelijke motorschade te voorkomen. Neem contact op met een officiële Kia-dealer.
  • Volg deze aanwijzingen nauwkeurig op. Als het oliefilter onjuist gemonteerd wordt, kan er olielekkage optreden en motorschade ontstaan. Zorg ervoor dat afgewerkte olie volgens de wettelijke voorschriften wordt afgevoerd. Gooi afgewerkte olie niet in het riool of bij het overige afval.

KOELSYSTEEM

Het hogedruk-koelsysteem is voorzien van een reservoir dat gevuld is met een koelvloeistof die ook voldoende bescherming biedt tegen bevriezing. Het reservoir is in de fabriek gevuld.

Controleer de vorstbescherming en het koelvloeistofpeil tenminste één keer per jaar, aan het begin van het winterseizoen en voordat u naar een kouder klimaat reist.

Koelvloeistofpeil controleren

WAARSCHUWING

- Losdraaien van de radiateurdop

  • Verwijder de radiateurdop nooit terwijl de motor draait of nog een hoge temperatuur heeft. Daardoor kan er schade aan het koelsysteem en de motor ontstaan; bovendien kunt u ernstig letsel oplopen doordat er hete koelvloeistof of stoom ontsnapt.
  • Zet de motor uit en wacht tot deze is afgekoeid. Zelfs dan dient u uiterst voorzichtig te zijn bij het verwijderen van de radiateurdop. Wikkel een dikke doek rond de dop en draai hem voorzichtig linksom tot de eerste aanslag. Ga een stukje achteruit wanneer de druk van het koelsysteem af gaat.

(Vervolg)

(Vervolg)

Pas als u zeker weet dat er geen overdruk meer is, drukt u de dop met de doek in en draait u hem verder linksom om hem te verwijderen.

- Verwijder de radiateurdop of de aftapplug niet als de motor en de radiateur nog heet zijn, zelfs niet als de motor niet loopt. Er kan nog steeds hete koelvloeistof en stoom ontsnappen, waardoor er ernstig letsel kan ontstaan.

KIA Rio III - (Vervolg) - 1

Controleer de toestand en de aansluitingen van alle slangen van het koelsysteem en van de verwarming. Vervang beschadigde en slechte slangen.

Het koelvloeistofpeil in het expansievat dient tussen de merktekens F en L te liggen als de motor koud is.

Vul als het niveau laag is voldoende voorgeschreven koelvloeistof bij om het systeem tegen vorst en corrosie te beschermen. Vul bij tot de F, maar vul niet te veel bij. Neem contact op met een officiële Kia-dealer indien u het reservoir regelmatig moet bijvullen.

Koelvloeistof

  • Gebruik alleen gedemineraliseerd of gedestilleerd water.
  • De motor van uw auto heeft aluminium onderdelen. Gebruik daarom een koelvloeistof op ethyleen-glycolbasis ter voorkoming van corrosie en bevriezing.
  • Gebruik GEEN koelvloeistof op ethanol- of methanol-basis; meng ook geen ethanol- of methanol-antivries met de voorgeschreven koelvloeistof.
  • Gebruik geen mengsel met meer dan 60% of minder dan 35% antivries; in dat geval is een optimale koelende werking niet gewaarborgd.

Zie de volgende tabel voor de mengverhouding.

BuitentemperatuurMengverhouding (hoeveelheid)
AntivriesWater
-15°C3565
-25°C4060
-35°C5050
-45°C6040

KIA Rio III - Koelvloeistof - 1

Verwijder bij een warme motor en radiateur de radiateurdop niet. Hete koelvloeistof en stoom kunnen onder druk naar buiten spuiten. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.

REMMEN EN KOPPELING (INDIEN VAN TOEPASSING)

KIA Rio III - REMMEN EN KOPPELING (INDIEN VAN TOEPASSING) - 1

Rem en koppeling; controleren van vloeistofpeil

Controleer regelmatig het niveau in het remvloeistofreservoir. Het vloeistofniveau dient zich tussen de merktekens MAX en MIN aan de zijkant van het reservoir te bevinden. Reinig het gebied rondom de dop van het reservoir grondig alvorens de dop te verwijderen en vloeistof bij te vullen om te voorkomen dat deze vervuild raakt.

Vul vloeistof bij tot aan het merkteken MAX wanneer het niveau te laag is. Het niveau van de remvloeistof zal na verloop van tijd dalen. Dit is normaal en wordt veroorzaakt door het slijten van de remblokken. Laat het remsysteem controlieren door een officiële Kia-dealer wanneer het peil erg laag is.

Gebruik alleen de voorgeschreven rem- en koppelingsvloeistof. (Raadpleeg "Aanbevolen smeermiddelen" verderop in dit hoofdstuk.)

Meng nooit verschillende soorten vloeistof door elkaar.

WAARSCHUWING

Als u het remvloeistofreservoir regelmatig moet bijvullen, moet u de auto laten controleren door een officiële Kia-dealer.

WAARSCHUWING

Wees voorzichtig bij het vervangen of bijvullen van remen koppelingsvioeistof.

Zorg ervoor dat de vloeistof niet in contact komt met uw ogen. Spoel uw ogen direct met een ruime hoeveelheid leidingwater wanneer u rem- en koppelingsvloeistof in uw ogen krijgt. Laat uw ogen zo snel mogelijk onderzoeken door een dokter.

Onderhoud

Z. VOORZICHTIG

Zorg ervoor dat rem- en koppelingsvloeistof niet in contact komt met het lakwerk van de auto. De lak kan hierdoor beschadigen. De kwaliteit van een rem- en koppelingsvloeistof die gedurende lange tijd blootgesteld is aan de buitenlucht kan niet gegarandeerd worden. Gebruik het juiste type vloeistof. Slecht een paar druppels minerale olie, bijvoorbeeld motorolie, in het remsysteem kunnen de onderdelen van het systeem beschadigen.

AANDRIJFRIEMEN

De spanning van de aandrijfriemen moet periodiek worden gecontroleerd en indien nodig worden afgesteld. Verder moeten de aandrijfriemen ook worden gecontroleerd op scheurtjes, slijtage, rafelen en andere tekenen van veroudering en indien nodig worden vervangen.

Ook moet worden gecontroleerd of de aandrijfriemen elkaar niet raken en ook niet aanlopen tegen andere delen van de motor. Twee tot drie weken na het vervangen van een aandrijfriem moet de riem worden nagesteld om de rek die optreedt nadat de riem in gebruik is genomen, te elimineren.

Als de airconditioning regelmatig wordt gebruikt, moet de spanning van de aandrijfriem van de compressor minimaal een keer per maand worden gecontroleerd.

Als de aandrijfriem te los staat, laat hem dan afstellen door een officiële Kia-dealer.

STUURBEKRACHTIGING

KIA Rio III - STUURBEKRACHTIGING - 1

Controleren van vloeistofniveau stuurbekrachtiging

Controleer regelmatig het niveau van het reservoir van de stuurbekrachtigingsvloeistof. Het vloeistofniveau dient zich bij normale temperaturen tussen de merktekens MAX en MIN aan de zijkant van het reservoir te bevinden.

Reinig het gebied rondom de dop van het reservoir grondig alvorens stuurbekrachtigingsvloeistof bij te vullen om te voorkomen dat deze vervuild raakt.

Vul vloeistof bij tot aan het merkteken MAX wanneer het niveau te laag is.

Als u het reservoir regelmatig moet bijvullen, moet u de stuurinrichting laten controleren door een officiële Kia-dealer.

\* OPMERKING

- Blijf niet te lang doorrijden met een te laag vloeistofniveau in het reservoir om schade aan de stuurbekrachtigingspomp te voorkomen.

- Start de motor nooit als het reservoir leeg is.

• Voorkom bij het bijvullen van vloeistof dat er vuil in het reservoir komt.

- Als het vloeistofniveau te laag is, zal het sturen zwaarder gaan en kunnen er vreemde geluiden te horen zijn.

- Door niet de voorgeschreven vloeistof te gebruiken, zal de stuurbekrachtiging minder effectief zijn en kan schade aan de stuurinrichting ontstaan.

Gebruik alleen de voorgeschreven stuurbekrachtigingsvloeistof.

(Raadpleeg "Aanbevolen smeermiddelen" verderop in dit hoofdstuk.)

Slangen stuurbekrachtiging

Controleer voor het rijden de slangen van de stuurbekrachtiging op loszitten, lekkage, beschadigingen en verdraaiing.

AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING)

KIA Rio III - AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING) - 1

Het peil van de automatische-transmissievloeistof moet regelmatig gecontroleerd worden.

Het volume van de transmissievloeistof verandert met de temperatuur. Hoewel het aanbevolen wordt het niveau te controleren nadat minstens 30 minuten met de auto is gereden, kan het niveau ook gecontroleerd worden nadat de vloeistof volgens de volgende procedure is opgewarmd.

  1. Plaats de auto op een stevige en vlakke ondergrond en zet de parkeerrem stevig vast.
  2. Laat de motor ongeveer 2 minuten met stationair toerental draaien.
  3. Trap het rempedaal in en beweeg de selectiehendel langzaam door aile standen en schakel daarna stand P (Park) in.
  4. Trek bij stationair draaiende motor de peilstok uit de houder, veeg deze schoon en plaats hem vervolgens weer.
  5. Trek de peilstok opnieuw uit de houder en controleer het niveau.

WAARSCHUWING

Het niveau van de transmissievloeistof dient te worden gecontroleerd als de motor op de normale bedrijfstemperatuur is. Dit betekent dat de motor, de radiateur, de radiateurslang, het uitlaatsysteem, enz. erg heet zijn. Let goed op dat u bij deze procedure geen brandwonden oploopt.

VOORZICHTIG

  • Een te laag vloeistofpeil kan slippen van de transmissie veroorzaken. Een te hoog peil kan schuimvorming, verlies van vloeistof en storingen in de transmissie veroorzaken.
  • Het gebruik van andere dan de voorgeschreven vloeistof kan storingen en defecten in de transmissie veroorzaken.

WAARSCHUWING

- Parkeerrem

Zet de parkeerrem vast en trap het rempedaal in bij het verplaatsen van de selectiehendel om te voorkomen dat de auto onverwachts in beweging komt.

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 1

Als de vloeistof op de normale bedrijfstemperatuur van ongeveer 70 - 80°C is gekomen, moet het vloeistofniveau zich in het gebied HOT bevinden.

\* OPMERKING

Gebruik het merkteken COLD alleen als een ruwe schatting en NIET om het niveau van de automatische-transmissievloeistof vast te stellen.

\* OPMERKING

Nieuwe automatische-transmissievloeistof is rood van kleur. De rode kleurstof is toegevoegd door de fabrikant en dient om de automatische-transmissievloeistof te kunnen onderscheiden van motorolie en antivries. Alhoewel de kleurstof na verloop van tijd niet meer zichtbaar is, zegt dit niets over de kwaliteit van de vloeistof. Door het rijden, wordt de automatische-transmissievloeistof donkerder. De kleur wordt uiteindelijk fichtbruin. Laat de automatische-transmissievloeistof overeenkomstig het in het begin van dit hoofdstuk beschreven onderhoudsschema verversen door een officiële Kia-dealer.

SMEERMIDDELEN EN VLOEISTOFFEN

KIA Rio III - SMEERMIDDELEN EN VLOEISTOFFEN - 1

Controleren van vloeistofniveau ruitensproeier

Het reservoir is transparant, zodat het niveau snel visueel kan worden gecontroleerd.

Controleer het vloeistofpeil in het sproeierreservoir en vul indien nodig vloeistof bij. Als u geen ruitensproeiervloeistof bij de hand heeft, kunt u het reservoir bijvullen met gewoon water. Gebruik in koude klimaten echter speciale ruitensproeiervloeistof om bevriezing te voorkomen.

WAARSCHUWING

  • Gebruik geen koelvloeistof of antivries in het sproeierreservoir.
  • Koelvloeistof kan het zicht ernstig belemmeren wanneer dit op de voorruit terechtkomt waardoor u de macht over de auto kunt verliezen of de lak beschadigd kan raken.
  • Ruitensproeiervloeistof bevat alcohol en kan onder bepaalde omstandigheden licht ontvlambaar zijn. Houd open vuur en vonken uit de buurt van de ruitensproeiervloeistof en het sproeierreservoir. De auto kan beschadigd raken en de inzittenden kunnen letsel oplopen.
  • Ruitensproeiervloeistof is giftig voor mensen en dieren. Drink geen ruitensproeiervloeistof en vermijd contact met ruitensproeiervloeistof. Hierdoor kan ernstig letsel onistaan.

Smeren van carrosseriedelen

Alle bewegende delen van de carrosserie, zoals scharnieren van portieren, achterklep en motorkap en sloten dienen telkens als de motorolie wordt ververst, te worden gesmeerd. Gebruik bij koud weer een smeermiddel dat bevriezen van de sloten voorkomt.

Zorg ervoor dat de veiligheidshaak de motorkap tegenhoudt wanneer deze ontgrendeld is.

BRANDSTOFFILTER (DIESEL) LUCHTFILTER

KIA Rio III - BRANDSTOFFILTER (DIESEL) LUCHTFILTER - 1

De waterafscheider vangt het water uit de brandstof op.

Het waarschuwingslampje gaat branden wanneer het contact in stand ON staat en water zich in de waterafscheider verzameld heeft.

KIA Rio III - BRANDSTOFFILTER (DIESEL) LUCHTFILTER - 2

Laat de auto controleren door een officiële Kia-dealer als dit waarschu-wingslampje gaat branden.

Z VOORZICHTIG

Als het water in de afscheider niet of niet vaak genoeg wordt afgetapt, kan er schade ontstaan aan belangrijke onderdelen doordat er water in het brandstofffilter komt.

KIA Rio III - Z VOORZICHTIG - 1

Afhankelijk van de toestand van dit element kan het gereinigd worden of moet het vervangen worden. Schud het filterelement om de verontreinigingen te verwijderen, tenzij het zeer sterk vervuild is. Veeg de binnenzijde van het filterhuis en van het filterdeksel met een vochtige doek schoon wanneer het filterelement gecontroleerd wordt. Reinig en vervang dit filterelement vaker dan in het onderhoudsschema is aangegeven als de auto wordt gebruikt in gebieden met zeer veel stof of zand. Blaas het filterelement van binnen naar buiten door met perslucht.

KIA Rio III - Z VOORZICHTIG - 2

Luchtfilterelement; vervangen van

Er wordt een droog papieren luchtfilter gebruikt. Vervang het filterelement indien nodig.

  1. Neem de bevestigingsclips los om het luchtfilterdeksel te verwijderen.

KIA Rio III - Luchtfilterelement; vervangen van - 1

  1. Veeg de binnenzijde van het luchtfilterhuis met een vochtige doek schoon.

KIA Rio III - Luchtfilterelement; vervangen van - 2

  1. Vervang het luchtfilterelement. Het wordt aanbevolen het luchtfilterelement te vervangen door een origineel Kia-luchtfilterelement.
  2. Bevestig het deksel met de bevestigingsclips.

Vervang het element volgens het onderhoudsschema.

Vervang het element vaker dan in het onderhoudsschema is aangegeven als de auto wordt gebruikt in gebieden met zeer veel stof of zand. (Raadpleeg "Onderhoudsschema bij gebruik onder zware omstandigheden" in dit hoofdstuk.)

Z VOORZICHTIG

  • Rijd niet met de auto wanneer het luchtfilter verwijderd is; hierdoor kan de motor overmatig slijten.
  • Wanneer zonder luchtfilter gereden wordt, bestaat eerder de kans op terugslag waardoor brand kan ontstaan.
    • Zorg er om schade aan de motor te voorkomen voor dat bij het verwijderen van het luchtfilterelement geen stof en vuil in de luchtinlaat komt.

INTERIEURFILTER AIRCONDITIONING (INDIEN VAN TOEPASSING)

Buitenlucht Gerecirculeerde lucht Aanjager Interieurfilter airconditioning Verdamper Kachelradiateur 1LDA504

Het interieurfilter, dat achter het dashboardkastje gemonteerd is, filtert de lucht die via het verwarmings- en airconditionings-systeem naar het interieur wordt gevoerd. Als het filter in de loop van de tijd verstopt raakt door stof en andere verontreinigingen, neemt de luchttoevoer via de uitstroomopeningen af en kan de voorruit aan de binnenzijde beslaan, ook al is de stand BUITENLUCHT gekozen. Laat, als dat het geval is, het interieurfilter vervangen door een officiële Kia-dealer.

Het interieurfilter moet elke 15.000 km vervangen worden. Als er veelvuldig met de auto gereden wordt in druk stadsverkeer of een stoffige omgeving, moet het filter vaker worden gecontroleerd en zo nodig worden vervangen. Als u als eigenaar het filter zelf wilt vervangen, voig dan onderstaande procedure en let erop geen andere onderdelen te beschadigen.

KIA Rio III - INTERIEURFILTER AIRCONDITIONING (INDIEN VAN TOEPASSING) - 2

Vervangen van filter

  1. Verwijder bij een geopend dashboardkastje de nokken aan beide zijden zodat het dashboardkastje alleen nog maar aan zijn scharnieren hangt.

KIA Rio III - Vervangen van filter - 1

  1. Trek de haken aan beide zijden van het interieurfilterhuis naar buiten.

KIA Rio III - Vervangen van filter - 2

  1. Vervang het interieurfilter.
  2. Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde van verwijderen.

\* OPMERKING

Plaats het nieuwe interieurfilter met inachtneming van de merktekens UP↑en AIR FLOW↓. Als het filter is omgekeerd, zal het systeem veel lawaai produceren en zal het filter minder effectief zijn.

RUITENWISSERBLADEN

Onderhoud van ruitenwisserbladen

\* OPMERKING

In de handel verkrijgbare hot wax zoals gebruikt in automatische wasserettes bemoeilijkt het reinigen van de voorruit.

Verontreiniging van de voorruit of de ruitenwisserbladen door bepaalde substanties kan het effect van de ruitenwissers verminderen. Bekende vormen van verontreiniging zijn insecten, sap van bomen en hot wax-behandelingen gebruikt in sommige automatische wasserettes. Indien de bladen niet goed wissen, reinig dan zowel de ruit als de bladen met een goed schoonmaakmiddel of een zacht reinigingsmiddel en spoel grondig na met schoon water.

\* OPMERKING

Gebruik geen benzine, petroleum, thinner of andere oplosmiddelen in de buurt van de ruitenwisserbladen om beschadiging te voorkomen.

Vervangen van ruitenwisserbladen

Als de ruitenwissers de ruit niet langer goed schoonmaken, kan het zijn dat ze versleten of gescheurd zijn en dienen ze te worden vervangen.

\* OPMERKING

Probeer de ruitenwissers nooit met de hand te bewegen om beschadiging van de ruitenwisserarmen en van andere onderdelen te voorkomen.

\* OPMERKING

Het gebruik van niet-voorgeschreven ruitenwisserbladen kan storingen en problemen veroorzaken.

KIA Rio III - \* OPMERKING - 1

  1. Trek de ruitenwisserarm omhoog en klap het ruitenwisserblad om zodat de kunststof vergrendeling zichtbaar wordt.

\* OPMERKING

Laat de ruitenwisserarm niet tegen de voorruit klappen.

1JBA7037 1JBA7038

  1. Druk de klem in en schuif het wisserblad naar beneden. Verwijder het vervolgens van de arm.
  2. Haak het wisserblad uit de ruitenwisserarm.
  3. Plaats het ruitenwisserblad in omgekeerde volgorde van verwijderen.

KIA Rio III - \* OPMERKING - 2

Vervangen van het achterruitenwisserblad

  1. Trek de ruitenwisserarm omhoog en verwijder het ruitenwisserblad.

KIA Rio III - \* OPMERKING - 3

  1. Plaats het nieuwe ruitenwisserblad door het middelste deel (1) in de opening (2) van de ruitenwisserarm te steken tot het ruitenwisserblad vastklikt.
  2. Controleer of het ruitenwisserblad goed vastzit door er lichtjes aan te trekken.

ACCU

WAARSCHUWING

- Gevaren accu

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 1

Lees de volgende aanwijzingen voor het omgaan met de accu zorgvuldig door.

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 2

Houd brandende sigaretten, vonken en open vuur uit de buurt van de accu.

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 3

Er bevindt zich altijd wat van het zeer licht ontvlambare waterstof in de accucellen. Dit kan ontploffen.

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 4

Houd accu's buiten bereik van kinderen, aangezien accu's het zeer agressieve zwavelzuur bevatten. Laat accuzuur niet in contact komen met uw huid, uw ogen, kleding en de lak van de auto.

(Vervolg)

(Vervolg)

KIA Rio III - (Vervolg) - 1

Spoel uw ogen gedurende tenminste 15 minuten en roep onmiddellijk medische hulp in wanneer u elektrolyt in uw ogen krijgt. Blijf, indien mogelijk, spoelen met water totdat medische hulp gearriveerd is. Was uw huid grondig wanneer deze in aanraking komt met elektrolyt. Roep onmiddellijk medische hulp in wanneer u pijn of een brandend gevoel heeft.

KIA Rio III - (Vervolg) - 2

Draag een veiligheidsbril tijdens het opladen van en het werken in de buurt van accu's. Zorg altijd voor ventilatie wanneer in een afgesloten ruimte wordt gewerkt.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Bij het optillen van een accu met een kunststof behuizing kan door de druk accuzuur naar buiten komen, waardoor persoonlijk letsel optreedt. Houd bij het optillen uw handen aan de zijkant van de accu.
  • Laad nooit een accu bij terwijl de accukabels nog aangesloten zijn.
  • Het ontstekingssysteem werkt met hoogspanning. Raak de onderdelen van de ontsteking niet aan als de motor draart of het contact in stand ON staat.

KIA Rio III - (Vervolg) - 1

Voor een optimale werking van de accu:

  • Zorg ervoor dat de accu altijd goed vastzit.
  • Houd de bovenzijde van de accu schoon en droog.
  • Houd de accupolen en de accupoolklemmen schoon, zorg ervoor dat ze goed vastzitten en bescherm ze met vaseline.
  • Spoel gemorst elektrolyt direct af met een oplossing van water en natriumbicarbonaal (dubbel koolizure soda).
  • Neem de accukabels los als u de auto gedurende een langere periode niet gaat gebruiken.

Accu; laden van

Uw auto is uitgerust met een onderhoudsvrije accu.

  • Laad de accu gedurende 10 uur met behulp van een druppellader wanneer de accu in een kort tijd leeggeraakt is (doordat bijv. lampen of interieurverlichting zijn blijven branden terwijl de motor uit was).
  • Wanneer de accu geleidelijk onlaadt door een hoge elektrische belasting tijdens het rijden, moet deze gedurende 2 uur met een stroomsterkte van 20 - 30 A opgeladen worden.

Te resetten onderdelen nadat de accu is ontladen of na het weer aansluiten van de accukabels.

• Klok (Zie hoofdstuk 3)
- Verwarmings- en ventilatiesysteem (Zie hoofdstuk 4)
• Schuif-/kanteldak (Zie hoofdstuk 3)

WAARSCHUWING

- Laden van de accu

Neem bij het laden van de accu de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:

  • De accu moet uit de auto worden verwijderd en in een goed geventileerde ruimte geplaatst worden.
  • Houd sigaretten, vonken en open vuur uit de buurt van de accu.
  • Houd de accu tijdens het laden in de gaten; beëindig het laden of wijzig de laadstroom wanneer het elektrolyt in de cellen begint te borrelen of de temperatuur van het elektrolyt hoger dan 49°C wordt.
  • Draag een veiligheidsbril wanneer u de accu tijdens het opladen controleert.

(Vervolg)

(Vervoig)

  • Neem de acculader in de onderstaande volgorde los.
  • Zet de hoofdschakelaar van de acculader uit.
  • Neem de klem los van de minpool.
  • Neem de klem los van de pluspool.

\* OPMERKING

  • Schakel vóór het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan de accu of het laden van de accu alle elektrische verbruikers af en zet de motor uit.
  • Neem de minkabel van de accu altijd eerst los en sluit de minkabel van de accu altijd als laatste weer aan.

BANDEN EN WIELEN

Onderhoud van de banden

Voor uw veiligheid, een maximale levensduur van de banden en een zo laag mogelijk brandstofverbruik, dient u de banden steeds op de aanbevolen spanning te houden en dient u het totaalgewicht en de maximale asbelasting niet te overschrijden.

Bandenspanning

De spanning van de banden (inclusief het reservewiel) dient dagelijks bij koude banden gecontroleerd te worden. 'Koude banden' wil zeggen dat er de laatste drie uur niet met de auto is gereden of niet meer dan 1,6 km (1 mijl).

Voor optimale rijeigenschappen, een optimale wegligging en een zo laag mogelijke bandenslijtage dient u de banden op de aanbevolen spanning te houden.

KIA Rio III - Bandenspanning - 1

Een te lage bandenspanning (meer dan 0,7 bar te laag) leidt tot een enorme warmte-ontwikkeling, vooral bij hoge buitentemperaturen en hoge snelheden. Hierdoor is het mogelijk dat het profiel vervormt of dat andere bandafwijkingen optreden, waardoor u de controle over de auto kunt verliezen en ernstig letsel oploopt.

\* OPMERKING

- Wanneer banden warm zijn, zal de bandenspanning normaalgesproken 0,3 tot 0,4 bar hoger zijn dan wanneer ze koud zijn. Laat om de banden op de juiste spanning te brengen geen lucht ontsnappen uit warme banden. Hierdoor zal de bandenspanning te laag worden. - Een te lage bandenspanning resulteert in overmatige slijtage, slechte rijeigenschappen, een verhoogd brandstofverbruik en vergroot de kans op een klapband doordat de banden te warm worden. Bovendien kan door een te lage bandenspanning ongelijkmatige slijtage van de banden ontstaan. Wanneer de bandenspanning extreem laag is, kan de band vervormen en/of van de velg aflopen. Houd de banden daarom op de juiste spanning. Laat een band controleren door een officiële Kia-dealer wanneer er regelmatig lucht bij moet.

(Vervolg)

(Vervolg)

- Een te hoge bandenspanning heeft een negatieve invloed op het rijcomfort en de rijeigenschappen en zorgt voor een verhoogde slijtage in het midden van het loopvlak. Bovendien bestaat er een grotere kans op beschadiging door oneffenheden in het wegdek.

- Vergeet niet de ventieldopjes terug te plaatsen. Zonder het ventieldopje kan er vuil en vocht in het ventiel komen, waardoor lucht kan ontsnappen. Zorg bij verlies van een ventieldopje zo snel mogelijk voor een nieuw exemplaar.

WAARSCHUWING

- Bandenspanning

Een te hoge of een te lage bandenspanning reduceert de levensduur van de banden, beïnvloedt de rijeigenschappen van de auto in negatieve zin en kan tot onverwachte bandproblemen leiden. Hierdoor bestaat de kans dat u de macht over de auto verliest.

Wielen; onderling verwisselen

Om de banden zo gelijkmatig mogelijk te laten slijten wordt aangeraden de wielen iedere 12.000 km (7.500 mijl) of eerder, indien het slijtagepatroon daartoe aanleiding geeft, te verwisselen.

Controleer bij het verwisselen van de wielen tevens de balans.

Controleer de banden bij het verwisselen van de wielen op ongelijkmatige slijtage en beschadigingen. Abnormale slijtage wordt meestal veroorzaakt door een onjuiste bandenspanning, een onjuiste wieluitlijning, onbalans, veelvuldig hard remmen en snelle bochten. Controleer het profiel en de zijkant van de band op zwellingen. Vervang de band wanneer u dit aantreft. Vervang de band ook wanneer het canvas of de koordlagen zichtbaar zijn. Breng na het verwisselen van de wielen de banden op de juiste spanning en controleer of de wielmoeren vastzitten.

Raadpleeg hoofdstuk 8, "Specifications".

Met een volwaardig reservewiel

KIA Rio III - Wielen; onderling verwisselen - 1

flowchart
graph TD
    A["Input Module"] --> B["Output Module"]
    C["Input Module"] --> D["Processing Unit"]
    D --> E["Output Module"]
    B --> F["Output Module"]
    D --> G["Output Module"]
    F --> H["Output Module"]
    G --> H
    H --> I["Output Module"]

CBGQ0706

Zonder reservewiel

KIA Rio III - Wielen; onderling verwisselen - 2

CBGQ0707

Banden met een specifieke draairichting (indien van toepassing)

KIA Rio III - Wielen; onderling verwisselen - 3

CBGQ0707A

Controleer bij het verwisselen van de wielen tevens de remblokken en de achterremschoenen op slijtage.

\* OPMERKING

Verwissel radiaalbanden met een asymmetrisch profiel alleen van voor naar achter en niet van links naar rechts.

Slijtage-indicator 1LDA5026

Banden vervangen

Als de band gelijkmatig afgesleten is verschijnt de slijtage-indicator als een onderbroken lijn door het loopvlak. Dit geeft aan dat er minder dan 1,6 mm (1/16 inch) profieldikte op de band aanwezig is. Vervang in dat geval de band.

Wacht niet met het vervangen van de band totdat de slijtage-indicator over de gehele profielbreedte zichtbaar is.

Wielen; uitlijnen en balanceren van

De wielen van uw auto zijn af fabriek zorgvuldig uitgelijnd en gebalanceerd voor een lange levensduur van de banden en optimale prestaties.

Normaalgesproken is het niet nodig de wielen nogmaals uit te lijnen. In het geval de banden van uw auto echter abnormale slijtage vertonen of als de auto naar één kant trekt, kan het zijn dat de auto opnieuw moet worden uitgelijnd.

Wanneer de auto tijdens het rijden op een vlakke weg trilt, kan het zijn dat de wielen opnieuw moeten worden gebalanceerd.

\* OPMERKING

De verkeerde balanceergewichtjes kunnen de lichtmetalen velgen van uw auto beschadigen. Gebruik alleen goedgekeurde balanceergewichtjes.

WAARSCHUWING

- Gebruik bij het vervangen van banden nooit radiaalbanden en diagonaalbanden door elkaar. Alle vier de banden moeten dezelfde afmetingen, constructie en hetzelfde profiel hebben. Combineer uitsluitend banden die aanbevolen worden op het label onder de slotplaat van het bestuurdersportier. Overtuig u ervan dat alle banden en velgen dezelfde maat en hetzelfde draagvermogen hebben. Combineer uitsluitend banden en velgen die aanbevolen worden op het label of door een officiële Kia-dealer. Het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregeien kan de veiligheid en de rijeigen-schappen van uw auto nadelig beïnvloeden.

(Vervolg)

(Vervolg)

• Als er andere banden gemonteerd worden, kunnen de rijeigenschappen, het comfort, de bodemspeling, de speling tussen band en wielkast en de kalibratie van de snelheidsmeter negatief beïnvloed worden.
- Rijden met versleten banden is bijzonder gevaarlijk; versleten banden hebben een negatieve invloed op de remwerking, de besturing en de tractie.
- Het is het beste om alle vier de banden gelijktijdig te vervangen. Vervang als dit niet mogelijk of nodig is alleen de twee voor- of achterbanden. De rijeigenschappen van de auto kunnen ernstig beïnvloed worden wanneer slechts één band wordt vervangen.

Velgen; vervangen van

Als u om de een of andere reden de velgen wilt vervangen, dient u erop te letten dat de nieuwe velgen gelijkwaardig zijn aan de originele velgen voor wat betreft diameter, velgbreedte en offset (wielbolling).

WAARSCHUWING

Een velg van de verkeerde maat heeft een negatieve invloed op de levensduur van de velg en van het wiellager, de remweg, de rijeigenschappen, de grondspeling, de speling tussen band en carrosserie, de speling bij het gebruik van sneeuwkettingen, de kalibratie van de snelheidsmeter, de koplampafstelling en de bumperhoogte.

KIA Rio III - WAARSCHUWING - 1

Aanduiding bandenmaat

De bandenmaat staat aangegeven op de wang van de banden. Deze informatie zal nodig zijn bij de aanschaf van nieuwe banden voor uw auto. De letters en cijfers in de aanduiding van de bandenmaat hebben de volgende betekenis.

Voorbeeld aanduiding bandenmaat: 185/65 R14 86H

(Deze maat dient slechts ter illustratie; de bandenmaat van uw auto is afhankelijk van de uitvoering.)

185 - Breedte band in millimeter.

65 - Hoogte-/breedteverhouding. De hoogte van de wang van de band als percentage van de breedte.

R - Type band (radiaalband).

14 - Velgdiameter in inch.

86 - Index draagvermogen, een numerieke code die het maximale draagvermogen van de banden aangeeft.

H - Snelheidsclassificatie. Zie het overzicht in dit hoofdstuk voor meer informatie.

Aanduiding velgmaat

Ook velgen zijn voorzien van informatie die van belang kan zijn bij eventuele vervanging. De letters en cijfers in de aanduiding van de velgmaat hebben de volgende betekenis.

Voorbeeld aanduiding velgmaat:

5.5 J x 14

5.5 - Velgbreedte in inch.

J - Aanduiding offset.

14 - Velgdiameter in inch.

Snelheidsclassificatie banden

In het onderstaande overzicht staan de meest gebruikte snelheidsclassificaties voor autobanden weergegeven.

De aanduiding van de snelheidsclassificatie maakt deel uit van de aanduiding van de bandenmaat op de wang van de band. Deze aanduiding geeft de maximumsnelheid weer waarvoor deze band is ontworpen.

AanduidingsnelheidsclassificatieMaximumsnelheid
S180 km/h (112 mph)
T190 km/h (118 mph)
H210 km/h (130 mph)
V240 km/h (149 mph)
ZBoven 240 km/h (149 mph)

400 TEACTION 1JBA7018

Universele kwaliteitsgradatie banden

Slijtage loopvlak

De slijtageclassificatie van het loopvlak is een relatieve classificatie gebaseerd op de mate van slijtage onder gecontroleerde omstandigheden op een officieel erkende testbaan. Voorbeeld: een band met de aanduiding 150 zal 1,5 keer langer meegaan dan een band met de aanduiding 100.

De levensduur kan echter van de norm afwijken door de rijstijl van de bestuurder, onderhoud van de banden, de toestand van de wegen en het klimaat.

De indicator is bij autobanden aangebracht op de wang. Het aanbod van bij Kia-automobielen standaard gemonteerde of als optie leverbare banden is afhankelijk van de slijtagegraad.

Grip - A, B en C

Er zijn drie gripclassificaties, van hoog naar laag A, B en C. De gripclassificatie geeft aan in hoeverre de banden op een nat wegdek doorglijden bij het maken van een noodstop, zoals gemeten onder gecontroleerde omstandigheden op een officieel erkende testbaan, zowel op asfalt als op beton. Een band met classificatie C is een band met relatief weinig grip.

Temperatuur - A, B en C

Er zijn drie temperatuurclassificaties mogelijk: A (de hoogste), B en C. Deze classificaties geven aan in hoeverre de band hittebestendig is en in welke mate de band warmte afvoert, zoals getest onder gecontroleerde omstandigheden op een testwiel in een officieel erkend laboratorium.

Door aanhoudende hoge temperaturen gaat het materiaal van de banden achteruit, waardoor de banden minder lang meegaan. Bij extreem hoge temperaturen kunnen de banden zelfs plotseling lek gaan. De classificaties A en B geven aan dat het testresultaat van de band in het laboratorium beter is dan het in de wet voorgeschreven minimum.

WAARSCHUWING

- Temperatuur banden

De temperatuurclassificatie van deze band geldt voor een band die de juiste spanning heeft en niet overbelast is.

Extreem hoge rijsnelheden, een te lage bandenspanning en/of overbelasting kunnen een concentratie van hitte in de band veroorzaken, wat kan leiden tot een klapband. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen en ernstig letsel oplopen.

CUCYOUN APSE 70.05 1JBA7020

Controleren van de leeftijd van de banden

De sterkte van de banden en de prestaties nemen af naarmate de banden ouder worden. Banden die ouder zijn dan 6 jaar (af te leiden uit de productiedatum), inclusief de reserveband, moeten worden vervangen, ongeacht het aantal kilometers dat er mee gereden is. U kunt de productiedatum vinden op de zijkant van de band (aan de binnen- of buitenzijde). De productiedatum heeft de vorm van een DOT-nummer (Department Of Transportation), bestaande uit letters en cijfers. De productiedatum kunt u afleiden uit de laatste vier cijfers van de DOT-code.

De eerste letters en cijfers van de DOT-code staan voor de productielocatie, de bandenmaat en het type profiel en de laatste vier cijfers staan voor de productieweek en het productiejaar.

Bijvoorbeeld:

DOT XXXX XXXX 0805 geeft aan dat de band is geproduceerd in week 8 van 2005.

WAARSCHUWING

Bij een band ouder dan 6 jaar kunnen de koordlagen binnenin de band loslaten, waardoor u de controle over de auto kunt verliezen met ernstig letsel als gevolg. Controleer daarom de productiedatum en laat de banden binnen 6 jaar na de productiedatum vervangen.

VERVANGEN VAN LAMPEN

WAARSCHUWING

- Vervangen van gloeilampen Zet, voordat u gloeilampen gaat vervangen, de parkeerrem stevig vast en controleer of het contact in stand LOCK staat om te voorkomen dat de auto plotseling in beweging komt, dat u zich brandt of dat u een schok krijgt.

Gebruik alleen lampen met de voorgeschreven wattage.

\* OPMERKING

Zorg ervoor dat de doorgebrande lamp vervangen wordt door een met dezelfde wattage. Anders kan de zekering of het elektrische bedradingssyteem beschadigd raken.

\* OPMERKING

Raadpleeg een officiële Kia-dealer wanner u niet over het juiste gereedschap, de juiste lampen en/of ervaring beschikt. In veel gevallen kan het zelf vervangen van lampen problemen opleveren vanwege het feit dat om bij de lamp te kunnen komen, eerst andere onderdelen verwijderd dienen te worden. Dat is in het bijzonder het geval als u de voorbumper moet verwijderen om bij de gloeilamp(en) te kunnen komen. Het verwijderen en plaatsen van de voorbumper of onderdelen kan leiden tot beschadigingen aan de auto.

\* OPMERKING

Na zware regenval of het wassen van de auto kan het lijken alsof er vocht in de koplampen en achterlichten zit. Dit wordt veroorzaakt door het temperatuurverschil tussen de binnenzijde en de buitenzijde van het lampglas. Dit is vergelijkbaar met het beslaan van de ruiten bij het rijden onder regenachtige omstandigheden en duidt niet op een probleem met uw auto. Laat in het geval er vocht in het circuit van de verlichting is gekomen de auto controleren door een officiële Kia-dealer.

KIA Rio III - \* OPMERKING - 1

Vervangen van lamp koplamp

(1) Koplamp (grootlicht/dimlicht)
(2) Parkeerlicht
(3) Richtingaanwijzer vóór
(4) Mistlamp vóór (indien van toepassing)

1LDA7048

WAARSCHUWING

- Halogeenlampen

- Halogeenlampen bevatten gas onder druk, zodat de halogeenlamp bij het vallen kan ontploffen waardoor kleine glasdeeltjes vrijkomen.

(Vervolg)

(Vervolg)

  • Behandel halogeenlampen altijd voorzichtig om krassen te voorkomen. Voorkom contact met vloeistoffen wanneer de lampen branden. Raak het glas nooit met de vingers aan. Door achtergebleven vet kan de lamp te heet worden en knappen wanneer deze brandt. De lamp mag alleen in gemonteerde toestand worden ingeschakeld.
  • Vervang een beschadigde of gebarsten lamp direct en gooi deze niet zomaar weg.
  • Draag bij het vervangen van een lamp een veiligheidsbril. Laat de lamp alvorens hem te vervangen afkoelen.

KIA Rio III - (Vervolg) - 1

  1. Open de motorkap.
  2. Verwijder de afdekkap van de koplamp door de kap linksom te draaien.
  3. Neem de stekker los van de koplamp.

  4. Maak de klem van de lamp los door het uiteinde in te drukken en dit omhoog te duwen.

  5. Verwijder de lamp uit de koplampunit.
  6. Plaats een nieuwe lamp in de koplampunit en bevestig deze door de klem op zijn plaats te drukken.

  7. Sluit de stekker van de koplamp aan.

  8. Plaats de afdekkap van de kopiamp door de kap rechtsom te draaien.

KIA Rio III - (Vervolg) - 2

Richtingaanwijzer/parkeerlicht vóór; vervangen van lamp

  1. Open de motorkap.
  2. Neem de stekker los van de koplamp.

  3. Maak de klem van de lamp los door het uiteinde in te drukken en dit omhoog te duwen.

  4. Verwijder de lamp uit de koplampunit.
  5. Plaats een nieuwe lamp in de koplampunit en bevestig deze door de klem op zijn plaats te drukken.

Vervangen van gloeilamp mistlamp vóór

Laat als een lamp niet werkt de auto controleren door een officiële Kia-dealer.

KIA Rio III - Vervangen van gloeilamp mistlamp vóór - 1

Vervangen van lamp interieurverlichting

  1. Wrik de lens met een platte schroevendraaier voorzichtig los uit het huis van de interieurverlichting.

Z. VOORZICHTIG

Controleer, voordat u de lamp gaat vervangen, of toets OFF is ingedrukt om te voorkomen dat u zich brandt of een schok krijgt.

  1. Trek de lamp naar buiten.
  2. Steek een nieuwe lamp in de fitting.
  3. Breng de lipjes van de lens in lijn met de uitsparingen in het huis van de interieurverlichting en klik de lens vast.

KIA Rio III - VOORZICHTIG - 1

Kentekenplaatverlichting, vervangen van lamp

  1. Verwijder de lens.
  2. Trek de lamp naar buiten.
  3. Plaats een nieuwe lamp.
  4. Plaats de lens zorgvuldig.

KIA Rio III - Kentekenplaatverlichting, vervangen van lamp - 1

Vervangen van lamp achterlichtunit

(1) Mistachterlicht (indien van toepassing)
(2) Richtingaanwijzer achter
(3) Achteruitrijlicht
(4) Rem-/achterlicht
1. Open de achterklep.

4-deurs 5-deurs 1JBA7028 1JBA7042

2. 4-deurs

Draai de plastic schroef linksom en verwijder het deksel.

5-deurs

Draai de bevestigingsschroeven van de lichtunit los met een kruiskopschroevendraaier. Verwijder de achterlichtunit uit de carrosserie.

4-deurs 1JBA7029 5-deurs 1JBA7043

  1. Verwijder de fitting uit de lichtunit door deze linksom te draaien tot de nokjes van de fitting in lijn liggen met de uitsparingen van de lichtunit.

4-deurs 1JBA7030 5-deurs 1JBA7044

  1. Verwijder de lamp uit de fitting door de lamp in te drukken en deze een willekeurige kant op te draaien tot de nokjes van de lamp in lijn liggen met de uitsparingen van de fitting. Trek de lamp uit de fitting.

  2. Plaats een nieuwe lamp in de fitting en draai de lamp een willekeurige kant op tot hij vastzit.

  3. Plaats de fitting in de lichtunit door de nokjes op de fitting in lijn te brengen met de uitsparingen in de lichtunit. Duw de fitting in de lichtunit en draai de fitting een kwartslag rechtsom.
  4. Plaats het deksel en draai de schroef vast.

KIA Rio III - 5-deurs - 3

Gloeilamp derde remlicht vervangen (4-deurs, indien van toepassing)

  1. Open de achterklep.

KIA Rio III - 5-deurs - 4

  1. Haal de fitting uit de lamphouder door de fitting tegen de wijzers van de klok te draaien tot de pennetjes van de fitting precies tegenover de gleufjes van de houder zitten.
  2. Verwijder de lamp uit de fitting door de lamp in te drukken en deze een willekeurige kant op te draaien tot de nokjes van de lamp in lijn liggen met de uitsparingen van de fitting. Trek de lamp uit de fitting.

  3. Plaats een nieuwe lamp in de fitting en draai de lamp een willekeurige kant op tot hij vastzit.

  4. Plaats de fitting in het huis door de nokjes op de fitting in lijn te brengen met de uitsparingen in het huis. Draai de fitting een kwartslag rechtsom.

KIA Rio III - 5-deurs - 5

Richtingaanwijzer opzij (indien van toepassing)

  1. Verwijder de lichtunit van de auto door de lens naar voren te duwen en de lichtunit uit het scherm te trekken.
  2. Neem de stekker los van de lamp.
  3. Neem de lens los van de fitting door de fitting linksom te draaien tot de nokjes in lijn staan met de uitsparingen.

  4. Trek de lamp naar buiten.

  5. Steek een nieuwe lamp in de fitting.
  6. Monteer de fitting en de lens.
  7. Sluit de stekker van de lamp aan.
  8. Plaats de lichtunit in de carrosserie.

SPECIFICATIES SMEERMIDDELEN

Aanbevolen smeermiddelen

Gebruik voor een optimale werking en een lange levensduur van motor en aandrijflijn uitsluitend smeermiddelen van de juiste kwaliteit. Het gebruik van de juiste smeermiddelen helpt ook het motorrendement verhogen wat een verbeterd brandstofverbruik oplevert.

Tegenwoordig zijn er energiebesparende motoroliën beschikbaar.

Naast andere extra voordelen, dragen zij bij aan een laag brandstofverbruik door de hoeveelheid brandstof te beperken die nodig is om wrijving in de motor te overwinnen. Vaak zijn deze verbeteringen moeilijk waar te nemen in het dagelijks gebruik, maar op jaarbasis kunnen ze toch merkbaar kosten en energie besparen.

Deze smeermiddelen en vloeistoffen worden aanbevolen voor gebruik in uw auto.

Smeermiddel/vloeistofClassificatie
Motorolie *1BenzinemotorAPI SJ, SL of hoger,ILSAC GF-3 of hoger
Diesel motorAPI CH-4 of hoger,ACEA B4 of hoger
Vloeistof handgeschakelde transmissieAPI GL-4 (SAE 75W-85, gevuld voor de totale levensduar van de auto)
Automatische-transmissievloeistofDIAMOND ATF SP-III of SK ATF SP-III
StuurbekrachtigingsvloeistofPSF-III
Rem- en koppelingsvloeistofFMVSS116 DOT-3 of DOT-4

^*1 Zie de SAE-viscositeitsindex op de volgende bladzijde.

Aanbevolen SAE-viscositeitsindex

\* OPMERKING

Zorg ervoor dat u de omgeving rond vuldoppen, aftappluggen en de peilstok altijd goed reinigt alvorens het peil te controleren of de vloeistof af te tappen. Dit is vooral van belang in gebieden met veel stof of zand en als er met de auto over onverharde wegen wordt gereden. Door het schoonmaken wordt voorkomen dat vuil en zand in de motor of andere componenten binnendringt en schade veroorzaakt.

De viscositeit (vloeibaarheid) van de motorolie is van invloed op het brandstofverbruik en op de werking onder koude weersomstandigheden (starten en oliecirculatie). Motoroliën met een iagere viscositeit geven een lager brandstofverbruik en betere prestaties onder koude weersomstandigheden, terwijl motoroliën met een hogere viscositeit echter wenselijk zijn voor een goede smering bij warme buitentemperaturen. Het gebruik van oliën met een andere dan de aanbevolen viscositeit kan resulteren in motorschade.

Houd bij de keuze van een olie rekening met de te verwachten buitentemperaturen tot aan de volgende olieverversing. Kies dan aan de hand van de tabel de aanbevolen olieviscositeit.

KIA Rio III - \* OPMERKING - 1

bar Temperatuurbereik SAE-viscositeitsindex | Temperatuur (°C) (°F) | -30 | -20 | -10 | 0 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 | |---|---|---|---|---|---|---|---|---|---| | Motorolie benzinemotor *1 | 20W-50 | 15W-40 | 10W-30 | 5W-20, 5W-30 | 30 | 20W-40 | 15W-40 | 10W-30 | 5W-30 | | Motorolie dieselmotor | 30 | 20W-40 | 15W-40 | 10W-30 | 5W-30 | 0W-30* | | | |
  1. Voor een beter brandstofverbruik wordt aangeraden om motorolie met viscositeit SAE 5W-20, 5W-30 (API SJ,SL / iLSAC GF-3) te gebruiken. Echter, als deze motorolie niet in uw land verkrijgbaar is, kies dan een geschikte motorolie aan de hand van de viscositeitstabel.

  2. Alleen voor gebieden met extreem lage buitentemperaturen en afhankelijk van de rijomstandigheden. (Speciaal af te raden bij langdurig rijden met zware belading en/of hoge snelheid.)

ONDERHOUD EXTERIEUR

Onderhoud exterieur - Algemeen

Het is van groot belang bij gebruik van chemische reinigingsmiddelen of polish de aanwijzingen op het etiket van het desbetreffende product op te volgen. Lees de waarschuwingen en opmerkingen op het etiket.

Lak; onderhoud van

Wassen

Was uw auto minimaal eenmaal per maand grondig met lauw of koud water om de lak tegen roest en veroudering te beschermen.

Was, nadat u op een stoffige of modderige weg gereden heeft, de auto zo snel mogelijk. Besteed hierbij de nodige zorg aan het verwijderen van opeengehoopt zout, vuil of modder. Controleer of de afvoeropeningen aan de onderzijde van de portieren en de dorpels open en schoon blijven.

Insecten, teer, sap van bomen, uitwerpselen van vogels, industrieel vuil en dergelijke kunnen de lak van uw auto aantasten als ze niet direct verwijderd worden.

Zelfs bij het direct verwijderen kan blijken dat water alleen niet toereikend is. Gebruik in dat geval een speciale autoshampoo.

Spoel de auto na het wassen grondig af met lauw of koud water. Laat de shampoo niet op de lak opdrogen.

\* OPMERKING

Gebruik geen agressieve reinigingsmiddelen, oplosmiddelen of te heet water en was de auto niet in de volle zon of wanneer de carrosserie warm is.

WAARSCHUWING

Test na het wassen de remmen van uw auto bij lage snelheid om te controleren of de remwerking door binnengedrongen water beïnvloed is. Droog de remmen door het rempedaal bij lage snelheid licht in te trappen wanneer de remprestaties verminderd zijn.

Z VOORZICHTIG

  • Water in de motorruimte kan de werking van de elektrische circuits beïnvloeden.
  • Let zeer goed op wanneer u de motorruimte reinigt met water.

In de was zetten

Zet de auto in de was wanneer het water niet langer druppels op de lak vormt.

Was en droog de auto altijd eerst voordat u hem in de was zet. Gebruik een goede kwaliteit vaste of vloeibare was en volg de aanwijzingen van de fabrikant. Zet de sierlijsten in de was om deze te beschermen en hun glans te laten behouden.

Het verwijderen van olie, teer en dergelijke stoffen met een vlekkenverwijderaar verwijdert gewoonlijk ook de was van de lak. Zet deze delen daarom na het verwijderen van de verontreiniging opnieuw in de was.

\* OPMERKING

  • Als u stof of vuil met een droge doek wegveegt, komen er krassen op de lak.
  • Gebruik geen staalwol, schuurmiddelen of sterk alkalische of bijtende oplosmiddelen op onderdelen die verchroond zijn of op onderdelen die vervaardigd zijn van geanodiseerd aluminium. Het gebruik van deze middelen kan de beschermlaag aantasten waardoor verkleuring of glansverlies kan optreden.

Bijwerken van Iakbeschadigingen

Repareer diepe krassen en steenslagbeschadigingen in de lak direct. Het blanke metaal gaat snel roesten waardoor ingrijpendere reparatiekosten noodzakelijk worden.

\* OPMERKING

Wanneer uw auto beschadigd is en reparatie of vervanging van metalen delen nodig is, let er dan op dat de garage anti-corrosiemiddel aanbrengt op de gerepareerde of vervangen onderdelen.

Onderhoud van verchroomde onderdelen

  • Gebruik een teerverwijderaar en geen schraper of ander scherp voorwerp voor het verwijderen van teer of insecten.
  • Breng ter bescherming een waslaag aan op verchroomde onderdelen of bescherm ze met een speciaal conserveringsmiddel.
  • Bescherm de verchroomde onderdelen onder winterse omstandigheden of bij gebruik van de auto in kustgebieden met een dikkere laag was of conserveringsmiddel. U kunt eventueel vaseline of een ander beschermingsmiddel gebruiken.

Onderhoud van de onderzijde

Zand en pekel kunnen zich ophopen aan de onderzijde van de carrosserie. Als deze middelen niet verwijderd worden, kan versnelde roestvorming optreden aan onderdelen aan de onderzijde van de carrosserie zoals brandstofleidingen, subframes, bodemplaat en uitlaatsysteem, ook al zijn deze onderdelen tegen corrosie beschermd.

Spoel daarom de onderzijde van de carrosserie en de wielkuipen eenmaal per maand, na het rijden op stoffige of modderige wegen en aan het eind van de winter grondig schoon met lauw of koud water. Besteed hieraan de nodige zorg; de opeenhopingen zijn niet altijd even gemakkelijk te zien. Als u het vuil alleen maar nat maakt zonder het te verwijderen, is het effect averechts. Houd ook de afvoeropeningen in portieren en dorpels te allen tijde open. Water dat in portieren en dorpels blijft staan, veroorzaakt roestvorming van binnenuit.

WAARSCHUWING

Test na het wassen de remmen van uw auto bij lage snelheid om te controleren of de remwerking door binnengedrongen water beïnvloed is. Droog de remmen door het rempedaal bij lage snelheid licht in te trappen wanneer de remprestaties verminderd zijn.

Onderhoud van lichtmetalen veigen

De lichtmetalen velgen zijn voorzien van een beschermende transparante laklaag.

  • Gebruik voor het reinigen van lichtmetalen velgen geen schuur- of polijstmiddelen, oplosmiddelen of een staalborstel. Deze kunnen de laklaag aantasten.
  • Gebruik uitsluitend een zachte zeep of een neutraal oplosmiddel en spoel grondig na met water. Let er ook op de velgen te reinigen nadat u over wegen met pekel gereden heeft. Dit helpt corrosie te voorkomen.
  • Vermijd het wassen van de velgen met behulp van de sneldraaiende borstels in de automatische wasserette.
  • Gebruik geen bijtende middelen. Deze kunnen schade en corrosie van de velgen veroorzaken, die zijn voorzien van een beschermende transparante laklaag.

ONDERHOUD INTERIEUR

Onderhoud interieur - Algemeen

Voorkom dat bijtende vloeistoffen als parfum en cosmetische oliën in aanraking komen met het dashboard, omdat deze beschadiging of verkleuring kunnen veroorzaken. Indien deze stoffen toch met het dashboard in aanraking komen, moeten ze direct worden verwijderd. Raadpleeg de instructies voor het reinigen van kunststof.

Reinigen van de interieurbekleding

Kunststof

Verwijder stof en los vuil van de kunststof bekleding met een plumeau of een stofzuiger. Reinig de kunststof oppervlakken met een vinylreiniger.

Stoffen

Verwijder stof en los vuil van de stoffen bekleding met een plumeau of een stofzuiger. Reinig met een zachte zeepoplossing die geschikt is voor bekleding of vloerbedekking. Verwijder nieuwe vlekken onmiddellijk met een vlekkenverwijderaar. Wanneer nieuwe vlekken niet direct verwijderd worden, kunnen er permanente vlekken of verkleuringen in de bekleding achterblijven. Daarnaast kunnen de brandwerende eigenschappen verminderen wanneer de bekleding niet op de juiste wijze wordt onderhouden.

Z. VOORZICHTIG

Het gebruik van andere dan de voorgeschreven reinigingsmiddelen en procedures kan het uiterlijk van de stof aantasten en de brandwerende eigenschappen verminderen.

Reinigen van de veiligheidsgordels

Reinig de gordels met een zachte zeepoplossing die speciaal geschikt is voor het reinigen van bekleding en tapijt. Volg de aanwijzingen op het etiket van het reinigingsmiddel. Bleek of verf de gordels nooit omdat dit een negatieve invloed op de sterkte van de gordel kan hebben.

Reinigen van de binnenzijde van de ruiten

Als de ruiten aan de binnenzijde snel beslagen raken (vette aanslag), moeten ze gereinigd worden met een speciale glasreiniger. Volg de aanwijzingen op het etiket van de glasreiniger.

\* OPMERKING

Ga niet met scherpe voorwerpen over de binnenzijde van de achterruit. Hierdoor kunnen de draden van de achterruitverwarming beschadigd raken.

De hierna volgende specificaties dienen uitsluitend ter informatie. Uw officiële Kia-dealer kan u nauwkeuriger en meer up-to-date informatie verschaffen.

Afmetingen
mm (in)

Onderwerp4-deurs5-deurs
Totale lengte4.240 (166,9)3.990 (157,1)
Totale breedte1.695 (66,7)1.695 (66,7)
Totale hoogte1.470 (57,9)1.470 (57,9)
Spoorbreedte vóór1.470/1.485 *1 (57,9/58,5 *)11.470/1.485 *1 (57,9/58,5 *)1
Spoorbreedte achter1.460/1.475 *1 (57,5/58,1 *)11.460/1.475 *1 (57,5/58,1 *)1
Wielbasis2.500 (98,4)2.500 (98,4)

*1 Indien uitgerust met 175/70R14 banden

Banden

OnderwerpBandenmaatVelgmaatBandenspa-nning bar (psi,kPa)Aanhaalmoment wielmoeren kg·m (lb·ft, N·m)
Normale belasting2Maximum belasting
VoorAchterVoorAchter
Benzine-motor175/70R14 84T5.0J×142,1(30, 210)2,1(30, 210)2,3(33, 230)2,3(33, 230)9~11(65~79, 88~107)
185/65R14 86H5.5J×14
195/55R15 85V5.5J×15
Diesel-motor175/70R14 84T5.0J×142,2(32, 220)2,2(32, 220)2,3(33, 230)2,3(33, 230)
185/65R14 86H5.5J×14
195/55R15 85V5.5J×15

^2 Normale belasting: Maximaal 2 personen

Capaciteiten

Smeermiddel/vloeistofInhoudClassificatie
Motorolie *(Met filter)Benzinemotor3,3 / (3,5 US qt.)API SJ, SL of hoger,ILSAC GF-3 of hoger
Dieselmotor5,3 / (5,6 US qt.)API CH-4 of hogerACEA B4 of hoger
Vloeistof handgeschakelde transmissieBenzinemotor1,9 / (2,0 US qt.)API GL-4, SAE 75W-85 (gevuld voor de totale levensduar van de auto)
Dieselmotor2,0 / (2,1 US qt.)
Automatische-transmissievloeistofBenzinemotor6,1 / (6,5 US qt.)DIAMOND ATF SP-III,SK ATF SP-III
Dieselmotor7,22 / (7,63 US qt.)
Stuurbøkrachtiging0,8 / (0,8 US qt.)PSF-III
KoelvloeistofBenzinemotor5,5~5,8 /(5,8~6,1 US qt.)Op ethyleenglycolbasis vooreen aluminium radiateur
Dieselmotor5,3~5,4 /(5,6~5,7 US qt.)
Rem- en koppelingsvloeistof0,7~0,8 /(0,7~0,8 US qt.)FMVSS116 DOT-3 of DOT-4
Brandslof45 / (11,9 US gal)-

*1 Zie de SAE-viscositeitsindex in hoofdstuk 7.

Gloeilampen
Watt

Gloeilamp4-deurs5-deurs
Koplampen (dimlicht/grootlicht)55/6055/60
Lampen richtingaanwijzers voor2121
Parkeerlichten55
Richtingaanwijzers opzij (indien van toepassing)55
Mistlampen vóór (indien van toepassing)2727
Rem-/achterlichten21/521/5
Richtingaanwijzers achter2121
Achteruitrijlicht1616
Mistachterlicht (indien van toepassing)2121
Derde remlicht1616
Kentekenplaatverlichting55
Kaartleeslampje vóór1010
Kaartleeslampje achter1010
Lamp bagageruimte/Bagageruimteverlichting55

Index

Index

A

Aandrijfriemen 7-21

Accu 7-32

Achterruitverwarming 4-49

Afstandsbediening 3-4

Airbag - aanvullend veiligheidssysteem 3-54

Alarmknipperlichten 4-50

Antenne 3-96

Antidiefstalsysteem 3-6

Automatisch verwarmings-en ventilatiesysteem……4-59

Automatische transmissie 4-8/7-23

B

Bagagenet 3-96

Bagageruimte 3-75

Banden en wielen 7-35

Bescherming elektrische circuits 6-7

Brandstofffilter 7-26

C

Contactslot 4-2

D

Door de eigenaar uit te voeren onderhoudswerkzaamheden....7-10

E

Emissieregelsysteem 5-3

H

Handbediend verwarmings-en ventilatiesysteem ....4-51

Handgeschakelde transmissie 4-6

Hoe gebruikt u deze handleiding 1-2

1

Informatie op labels 5-21

Inrijden van het voertuig 1-3

Instrumentenpaneel 4-24

Motorolie en oliefilter 7-15

Motorruimte 2-4/7-13

0

Onderhoud bij verzwaard gebruik 7-8

Onderhoud exterieur 7-54

Onderhoud interieur 7-57

Onderhoudsschema bij normaal gebruik 7-4

Onderhoudswerkzaamheden 7-2

Opbergvak 3-87

Overbelading 5-20

Overige voorzieningen 3-89

Oververhitting 6-3

Overzicht dashboard 2-3

Overzicht exterieur 2-2

P

Parkeerhulp 4.39

R

Remmen en koppeling 7-19

Remsysteem 4-13

Rijden met een aanhanger 5-12

Ruiten 3-14

Ruitenwisserbladen 7-30

Ruitenwissers en ruitensproeiers 4-47

S

Schuif-/kanteldak 3-93

Slepen 6-14

Sleutels 3-2

Sloten 3-9

Smeermiddelen en vloeistoffen 7-25

Speciale omstandigheden 5-7

Specificaties 8-2

Specificaties smeermiddelen 7-52

Spiegels 3-82

Startblokkering 3-8

Starten met hulpaccu 6-4

Starten van de motor 4-4

Stoelen 3-17

Stuurbekrachtiging 7-22

Stuurwiel 4-19

Suggesties voor brandstofbesparing 5-6

T

Tankdopklep 3-79

V

Veiligheidsgordels 3-29

Vervangen van lampen 7-43

Voertuigstabiliteitsregeling 4.21

Index

Voor het rijden 5-5

Voorruit ontdooien en ontwasemen 4-69

W

Waarschuwings- en controlelampjes 4-31

Waarschuwingssignalen 6-2

Wiel verwisselen bij een lekke band 6-19

A1GO-HO53A

(네덜란드어/유럽)

KIA Rio III - W - 1

KIA MOTORS

Inhoudsopgave Klik op een titel om deze te openen
Handleidingassistent
Aangedreven door Anthropic
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : KIA

Model : Rio III

Categorie : Automobiel