Ceed - Automobiel KIA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Ceed KIA in PDF-formaat.
| Producttype | Auto |
| Merk | Kia |
| Model | Ceed |
| Categorie | Personenauto |
| Lengte | 4.31 m |
| Breedte | 1.80 m |
| Hoogte | 1.45 m |
| Leeggewicht | 1250 kg |
| Brandstoftank | 50 L |
| Brandstoftype | Benzine |
| Motorinhoud | 1.0 L |
| Vermogen | 88 kW |
| Transmissie | Handgeschakeld 6 versnellingen |
| Zitplaatsen | 5 |
| Veiligheidssystemen | Airbags, ABS, ESC, Bandenspanningscontrole |
| Onderhoudsinterval | Elke 15.000 km of 1 jaar |
| Belangrijkste functies | Navigatie, Bluetooth, USB, Climate control, Cruise control |
| Reiniging | Gebruik zachte doek en milde zeep |
| Reparatie | Alleen door erkende Kia-dealer |
| Garantie | 7 jaar of 150.000 km |
Veelgestelde vragen - Ceed KIA
Gebruikersvragen over Ceed KIA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Ceed - KIA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Ceed van het merk KIA.
GEBRUIKSAANWIJZING Ceed KIA
Nu u eigenaar bent van een KIA krijgt u waarschijnlijk veel vragen over uw auto en over het bedrijf, zoals "Wat is een KIA?", "Wie is KIA?" en "Wat betekent 'KIA'?"
Hier volgen enige antwoorden. Ten eerste, KIA is de oudste autoproducent in Korea. Het bedrijf bestaat uit duizenden werknemers die zich concentreren op het bouwen van auto's met een hoge kwaliteit tegen een redelijke prijs.
De eerste lettergreep, KI, in het woord "KIA" betekent "opkomende zon". De tweede lettergreep, A, betekent "Azië". Dus het woord KIA, betekent "opkomende zon uit Azië".
Veel plezier met uw auto!
Hartelijk dank voor het kiezen van een KIA.
Onthoud dat voor onderhoud uw dealer de aangewezen persoon is. Uw dealer heeft door de importeur getrainde monteurs in dienst, beschikt over de aanbevolen speciale gereedschappen, originele KIA-onderdelen en zal er alles aan doen u optimaal van dienst te zijn.
Bewaar het instructieboekje in de auto voor een eventuele volgende eigenaar.
Dit instructieboekje zal u vertrouwd maken met de bediening, het onderhoud en de veiligheidsaspecten van uw nieuwe auto. Bij het instructieboekje hoort een garantie- en onderhoudsboekje waarin u informatie vindt over de garantie. We raden u aan om deze informatie zorgvuldig te lezen en de daarin opgenomen aanwijzingen zorgvuldig op te volgen, zodat u veilig en probleemioos van uw nieuwe auto kunt genieten.
KIA rust zijn talrijke modellen uit met een grote verscheidenheid aan opties, componenten en kenmerken.
Het is dan ook mogelijk dat de uitrusting die in dit instructieboekje beschreven staat en die op illustraties afgebeeld is, niet allemaal van toepassing is op uw auto.
De in dit instructieboekje opgenomen informatie en specificaties golden ten tijde van het ter perse gaan. KIA behoudt zich te allen tijde het recht voor wijzigingen door te voeren zonder voorafgaande kennisgeving. Als u vragen heeft, kunt u zich te allen tijde tot uw KIA-dealer wenden.
Wij zullen er alles aan doen om u optimaal en tot volle tevredenheid van uw nieuwe KIA te laten genieten.
© 2007 KIA MOTORS
Alle rechten voorbehouden. Complete of gedeeltelijke reproductie op wat voor manier dan ook, elektronisch of mechanisch, inclusief kopieren, vastleggen via een systeem voor het opslaan en terughalen van informatie, of vertalen is niet toegestaan zonder schriftelijke toestemming van KIA Motors.
INHOUDSTABEL
Inleiding
Uw auto in één oogopslag
Kennismaking met uw auto
Besturing van uw auto
Rijtips
In geval van nood
Onderhoud
Specifications
Index
Inleiding
Hoe gebruikt u deze handleiding / 1-2 Inrijden van het voertuig / 1-3
HOE GEBRUIKT U DEZE HANDLEIDING
We willen u helpen, het grootst mogelijke rijplezier uit uw auto te halen. Deze handleiding kunt u daar zeker bij helpen. We raden u met aandrang aan, de hele handleiding grondig door te nemen. Om ernstige of zelfs dodelijke ongelukken te vermijden, dient u minstens de paragrafen WAARSCHUWING en VOORZICHTIG in alle hoofdstukken van deze handleiding aandachtig te lezen. U kan ze gemakkelijk herkennen aan de speciale markeringen die u hieronder ziet.
De illustraties vormen een aanvulling op de tekst in deze handleiding zodat u alle aanwijzingen voor een optimaal rijplezier goed begrijpt. Bij het lezen van uw handleiding zal u alles vernemen over de kenmerken van uw auto, belangrijke veiligheidsinformatie en rijgedrag in verschillende omstandigheden. De algemene opbouw van de handleiding is te zien in de inhoudstabel. Een goed beginpunt is de index, die een alfabetisch overzicht van alle informatie in deze handleiding geeft.
Hoofdstukken: Deze handleiding bestaat uit acht hoofdstukken en een index. Elk hoofdstuk begint met een korte inhoudstabel, zodat u in één oogopslag ziet of de informatie die u zoekt in dit hoofdstuk te vinden is.
In deze handleiding zal u op diverse plaatsen WAARSCHUWING, VOORZICHTIG en OPMERKING aantreffen. De paragrafen WAARSCHUWING, VOORZICHTIG en OPMERKING werden ingevoegd om uw veiligheid en uw blijvende tevredenheid over uw Kia Carnival te verzekeren. ALLE procedures en aanbevelingen in deze paragrafen WAARSCHUWING, VOORZICHTIG en OPMERKING dient u aandachtig te lezen en precies na te leven.
WAARSCHUWING
Een WAARSCHUWING wijst u erop bijzonder voorzichtig te zijn ter voorkoming van schade en ernstig letsel.
OPMERKING
Informatie waar VOORZICHTIG bij staat, dient ervoor om te voorkomen dat u een fout maakt waardoor uw auto beschadigd zou kunnen raken.
\* AANWIJZING
OPMERKING geeft aan dat er interessante of nuttige informatie wordt gegeven.
INRIJDEN VAN HET VOERTUIG
Er dient geen speciale inrijperiode in acht genomen te worden. Door de eerste 1000 km enkele eenvoudige voorzorgen te nemen, kunt u de prestaties, zuinigheid en de ievensduur van uw auto verhogen.
- Laat de motor niet op hoog toerental draaien.
- Rij geen lange periodes met dezelfde snelheid (hoog of laag). Varieer uw snelheid zodat de motor goed kan inlopen.
- Vermijd bruusk remmen, tenzij in noodgevallen, zodat de remmen zich goed kunnen zetten.
- Vermijd het wegrijden met vol gas.
Uw auto in één oogopslag
2
Overzicht interieur / 2-2
Overzicht dashboard / 2-3
Motorruimte / 2-4
OVERZICHT INTERIEUR

- Schakelaar spiegelbediening (indien van toepassing)
- Schakelaars ruitbediening (indien van toepassing)
- Bediening uitstroomopeningen
- Verlichting instrumentenpaneel (indien van toepassing)
- Instrumentenpaneel
- Cruise-controlbediening (indien van toepassing)
- Hendel achterklepontgrendeling
- Hoogteverstelling stuurwiel (indien van toepassing)
- Stoelen
- Ontgrendelhendel tankdopklep
- Rempedaal
- Binnenspiegel
- Hendel motorkapontgrendeling
OED026001/OLD026018
OVERZICHT DASHBOARD

- Airbag bestuurder (indien van toepassing)
- Schakelaar verlichting/richtingaanwijzers
- Instrumentenpaneel
- Ruitenwisser/-sproeier
- Contact
- Dagtøller / Informatiemonitor (indien van toepassing)
- Audiobediening (indien van toepassing)
- Stoelverwarming (indien van toepassing)
- Alarmknipperlichten
- Verwarmings- en ventilatiesysteem
- Selectiehendel
- 12V-aansluiting
- Airbag passagier (indien van toepassing)
- Dashboardkastje
OED026002
MOTORRUIMTE

Kennismaking met uw auto
Ruiten / 3-15
Stoelen / 3-20
Veiligheidsgordels / 3-30
Airbag - aanvullend veiligheidssysteem / 3-53
Motorkap / 3-77
Tankdopklep / 3-79
Spiegels / 3-82
Interieurverlichting / 3-86
Opbergvak / 3-87
Overige voorzieningen / 3-89
Schuif-/kanteldak / 3-93
Bagagenet / 3-98
Bevestigingssteun voor dakdrager / 3-99
Anteune / 3-100
Audiosysteem / 3-101
SLEUTELS

Het sleutelnummer is ingeslagen in het sleutelplaatje. Door dit nummer kan een officiële Kia-dealer bij verlies eenvoudig een sleutel bijbestellen. Verwijder het plaatje en bewaar dit op een veilige plaats. Noteer daarnaast het nummer en bewaar dit op een veilige plaats buiten de auto.

Sleutelfuncties
(1) Hoofdsleutel
Wordt gebruikt om de motor te starten en om de portieren en de achterklep te vergrendelen en ontgrendelen.
(2) Afstandsbediening (indien van toepassing)
Wordt gebruikt om de portieren en de achterklep te vergrendelen en ontgrendelen.
WAARSCHUWING
Contactsleutel
- Kinderen alleen achterlaten in de auto met de contactsleutel is gevaarlijk, zelfs wanneer deze niet in het contact steekt. Kinderen doen graag volwassenen na en zouden de sleutel in het contact kunnen steken. Met de contactsleutel is het mogelijk voor kinderen om de elektrisch bedienbare ruiten te openen of andere bedieningsorganen in werking te stellen. Het is zelfs mogelijk dat ze de motor starten waardoor ernstig lichamelijk letsel het gevolg kan zijn. Laat kinderen nooit zonder toezicht achter met de contactsleutels in de auto.
- Gebruik uitsluitend een originele Kia-contactsleutel in uw auto. Als er een imitatiesleutel wordt gebruikt, kan het gebeuren dat de het contactslot na het aanslaan van de motor niet van stand START naar stand ON terugkeert. Hierdoor blijft de startmotor continu draaien en kan er schade ontstaan aan de startmotor. Tevens kan er brand ontstaan als gevolg van oververhitting in de bedrading.
AFSTANDSBEDIENING (INDIEN VAN TOEPASSING)

(1) Vergrendelen ( )
Druk op deze toets om alle portieren te vergrendelen.
(2) Ontgrendelen ( )
Druk op deze toets om alle portieren te ontgrendelen.
Na het indrukken van deze toets zullen de portieren automatisch vergrendeld worden tenzij u ze binnen 30 s opent.
(3) Ontgrendelen achterklep
( , indien van toepassing)
Wanneer alle portieren vergrendeld zijn en deze knop ingedrukt wordt, wordt de achterklep gedurende 30 seconden ontgrendeld.
Nadat de achterklep is geopend terwijl alle portieren zijn vergrendeld, wordt de achterklep vergrendeld als deze wordt gesloten.
Als één van de portieren ontgrendeld is, wordt de achterklep niet vergrendeld als deze wordt gesloten.
\* AANWIJZING
In de volgende omstandigheden werkt de afstandsbediening niet:
- Als het contact aan staat.
- Als de afstandsbediening buiten het bereik van de ontvanger is (30 m).
- Als de batterij in de afstandsbediening (bijna) leeg is.
- Als er zich voorwerpen tussen de afstandsbediening en de ontvanger bevinden.
- Als de buitentemperatuur erg laag is.
- Als de afstandsbediening zich in de buurt van een radiozender of een luchthaven bevindt, waardoor de normale werking van de afstandsbediening verstoord wordt.
Vergrendel en ontgrendel de portieren met de contactsleutel wanneer de afstandsbediening niet juist werkt. Neem contact op met een officiële Kia-dealer indien u problemen met de afstandsbediening heeft.
Z OPMERKING
Zorg ervoor dat de afstandsbediening niet nat wordt. Beschadiging van de afstandsbediening door water of andere vloeistoffen, valt niet onder de fabrieksgarantie.
Het bereik van de afstandsbediening kan afhankelijk zijn van de plaats waar deze wordt gebruikt. Bijvoorbeeld in de buurt van politieposten, kantoren, zendmasten, militaire objecten, luchthavens enz. kan het bereik minder zijn.
Type A

Vervangen van batterij
De afstandsbediening is voorzien van een 3 Volt lithium batterij, die bij normaal gebruik enkele jaren meegaat. Vervang de batterij op de volgende manier.
- Verwijder de schroef (1) met een kruisschroevendraaier. (Alleen type A)
- Plaats een smal stukje gereedschap in de opening in wip het middelste dekseltje van de afstandsbediening los (2).
- Verwijder de afdekkap van de batterij (3, Alleen type A).
- Vervang de batterij door een nieuwe. Plaats de nieuwe batterij op de aangegeven manier met de pluskant "+" naar boven gericht.
- Plaats de batterij in omgekeerde volgorde van verwijderen.

OPMERKING
De afstandsbediening is ontworpen voor jarenlang probleemloos gebruik. Door vocht of statische elektriciteit kan de afstandsbediening echter defect raken. Raadpleeg voor vragen over het gebruik van de afstandsbediening of voor het vervangen van de batterij een officiële Kia-dealer.
Neem contact op met uw officiële Kia-dealer voor het programmeren van een vervangende afstandsbediening.

OPMERKING
- Door het gebruik van een verkeerde batterij kan de afstandsbediening niet goed werken. Gebruik altijd de juiste batterij.
- Laat, om beschadiging van de afstandsbediening te vcorkomen, deze niet vallen en stel hem niet bloot aan vccht, hitte of zonlicht.
ANTIDIEFSTALSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)

flowchart
graph TD
A["Antidiefstal-system uingeschakeld"] --> B["Antidiefstal-system ingeschakeld"]
B --> C["Alarm geactivoord"]
C --> A
Het antidiefstalsysteem wordt uitgeschakeld zodra de sleutel in het contactslot wordt gestoken.
Als de portieren zijn vergrendeld met de afstandsbediening, dient het ontgrendelen ook plaats te vinden met de afstandsbediening.
Antidiefstalsysteem ingeschakeld
Wanneer het contact in stand LOCK staat en de sleutel zich niet in het contactslot bevindt, wordt het antidiefstalsysteem automatisch ingeschakeld en zullen de alarmknipperlichten een keer oplichten onder de volgende omstandigheden:
- De motorkap, achterklep en alle portieren zijn gesloten en vergrendeld met behulp van de afstandsbediening.
- Als binnen 30 seconden nadat de portieren met de afstandsbediening zijn ontgrendeld, geen van de portieren of de achterklep wordt geopend, zuilen alle portieren weer worden vergrendeld en zal antidiefstalsysteem worden ingeschakeld.
\* AANWIJZING
Schakel het alarm pas in als alle passagiers de auto verlaten hebben. Als het alarm wordt ingeschakeld terwijl er nog iemand in de auto zit, wordt het alarm geactiveerd als diegene de auto verlaat. Als binnen 30 seconden na het inschakelen van het alarm een portier, de achterklep of de motorkap wordt geopend, wordt het systeem uitgeschakeld om onnodig activeren van het alarm te voorkomen.
OPMERKING
Controleer, voordat u de auto achterlaat, of de alarmknipperlichten eenmaal knipperen. Dit geeft aan dat het antidiefstalsysteem is ingeschakeld. Als de alarmknipperlichten niet knipperen, wordt het antidiefstalsysteem niet ingeschakeld. Laat uw auto in dat geval zo snel mogelijk controleren door een officièle Kia-dealer.
Alarm geactiveerd
Het alarm zal in de volgende situaties worden geactiveerd:
- Als een portier (of de achterklep) zonder de sleutel of de afstandsbediening geopend wordt.
- Als de motorkap geopend wordt.
De sirene en de alarmknipperlichten worden gedurende 30 seconden ingeschakeld.
Antidiefstalsysteem uitgeschakeld
Het ingeschakelde antidiefstalsysteem zal worden uitgeschakeld als:
- De toets " " op de afstandsbediening wordt ingedrukt. Na het indrukken van de ontgrendelknop moet u binnen 30 seconden een portier openen omdat anders alle portieren weer worden vergrendeld en het alarm weer wordt ingeschakeld.
- Het contact wordt in stand ON gezet.
Het alarm zal in de volgende situaties worden gedeactiveerd:
- Wanneer op de vergrendeltoets ( ) of ontgrendeltoets ( Ⓟ ) van de afstandsbediening gedrukt wordt.
- Het contact staat gedurende 30 seconden of meer in stand ON.
- De motor wordt gestart door de contactsleutel in de startstand te draaien.
\* AANWIJZING
De afstandsbediening werkt niet wanneer de sleutel in het contactslot zit. Vermijd het starten van de motor wanneer het antidiefstalsysteem geactiveerd is.
STARTBLOKKERING (INDIEN VAN TOEPASSING)
Uw auto is uitgerust met een elektronisch startblokkeersysteem om de kans op ongeoorloofd gebruik te verminderen.
De startblokkering bestaat uit een kleine transponder in de contactsleutel en elektronische systemen in de auto.
Wanneer u uw contactsleutel in het contactslot steekt en het contact in stand ON zet, controleert het startblokkeersysteem of de sleutel geldig is.
Als wordt bepaald dat de sleutel geldig is, kan de motor worden gestart.
Als wordt bepaald dat de sleutel niet geldig is, kan de motor niet worden gestart.
Uitschakelen van de startblokkering:
Steek de sleutel in het contact en draai hem in stand ON.
Inschakelen van de startblokkering:
Zet het contact in stand OFF. De startblokkering wordt automatisch ingeschakeld. Zonder een bijpassende sleutel kan de motor niet meer worden gestart.
\* AANWIJZING
Houd bij het starten van de motor andere sleutels met transponder uit de buurt.
Anders slaat de motor misschien niet aan of slaat bij na het starten weer af. Bewaar de sleutels die u bij uw auto krijgt gescheiden van elkaar om problemen te voorkomen.
Z OPMERKING
Plaats geen metalen accessoires in de buurt van de sleutel of contactsleutel.
De metalen accessoires kunnen het normale transpondersignaal verstoren, waardoor de motor mogelijk niet start.
OPMERKING
De transponder in uw contactsleutel is een belangrijk onderdeel van het startblokkeersysteem.
Hij is ontworpen voor jarenlang probleemfoos gebruik. Let op voor vocht, statische elektriciteit en een ruwe behandeling. Hierdoor kan de startblokkering defect raken.
OPMERKING
Breng geen wijzigingen aan in het startblokkeersysteem. Hierdoor kan het systeem defect raken. Laat het systeem indien nodig controleren en repareren door een officiële Kia-dealer.
Storingen veroorzaakt door onjuiste afstelling of eigenhandige modificaties van het startblokkeersysteem vallen niet onder de fabrieksgarantie.
SLOTEN

Portiersloten van buitenaf vergrendelen/ontgrendelen
- Draai de sleutel naar de achterzijde van de auto om het portier te ontgrendelen en naar de voorzijde om het portier te vergrendelen.
-
De portieren kunnen ook met de afstandsbediening worden vergrendeld en ontgrendeld.
-
Trek de portiergreep na het ontgrendelen omhoog om het portier te openen.
- Druk het portier met de hand dicht. Zorg ervoor dat het portier goed dicht zit.
- Als het voorportier met de sleutel wordt vergrendeld/ontgrendeld, zullen alle overige portieren en de achterklep gelijktijdig vergrendeld/ontgrendeld worden.
Z OPMERKING
Verwijder altijd de contactsleutel, bedien de parkeerrem, sluit alle ruiten en vergrendel alle portieren als u uw auto onbeheerd achterlaat.
\* AANWIJZING
Als het portier een aantal keren snel achter elkaar wordt vergrendeld en weer ontgrendeld, ofwel met de sleutel ofwel met de schakelaar portiervergrendeling, zal de werking van het systeem tijdelijk worden onderbroken om beschadiging van de onderdelen te voorkomen.

Wat te doen in noodgevallen
Als de schakelaar van de portiervergrendeling niet werkt, kunnen de portieren alleen van buitenaf met de contactsleutel vergrendeld worden.
De portieren zonder portierslot aan de buitenzijde kunnen als volgt vergrendeld worden;
- Open het portier.
- Steek de sleutel in het noodportierslot en draai de sleutel om te vergrendelen naar de achterkant van de auto.
- Sluit het portier op de juiste manier.
De achterklep wordt blijvend vergrendeld wanneer u de klep sluit terwijl de schakelaar van de portiervergrendeling niet werkt.

• Portier bestuurderszijde
Als aan de portiergreep binnen van het voorportier wordt getrokken terwijl het portier vergrendeld is, zal het portier ontgrendeld en geopend worden.
• Passagiersportier
Als eenmaal aan de portiergreep binnen wordt getrokken terwijl het portier vergrendeld is, zal het portier ontgrendeld worden.
Als tweemaal aan de portiergreep binnen wordt getrokken, zal het portier opengaan.

Bedien de schakelaar door hem in te drukken.
- Door op de schakelaar voor de portiervergrendeling te drukken, worden alle portieren vergrendeld en zal het controlelampje in de schakelaar gaan branden. Als een van de portieren open staat terwijl op de schakelaar wordt gedrukt, zullen de portieren niet vergrendeld worden.
- Als een willekeurig portier wordt ontgrendeld, zal het controlelampje van de schakelaar voor de portiervergrendeling knipperen. Als u op de schakelaar drukt terwijl het controlelampje knippert, zullen alle portieren worden vergrendeld.
- Als nogmaals op de schakelaar voor de portiervergrendeling wordt gedrukt, worden alle portieren ontgrendeld en zal het controlelampje in de schakelaar niet gaan branden.
Supervergrendeling (indien van toepassing)
Als u de sleutel in de stand LOCK draait of de toets LOCK op de afstandsbediening indrukt, kunnen de portieren uitsluitend ontgrendeld worden met de sleutel of de afstandsbediening.
Hiermee wordt voorkomen dat de portieren kunnen worden geopend door bijvoorbeeld een ruit in te slaan.
WAARSCHUWING
Schakel de supervergrendeling niet in met de sleutel of afstandsbediening als zich nog iemand in de auto bevindt. Degene die in de auto zit, kan de portieren niet ontgrendelen met de vergrendelknop portier of de schakelaar portiervergrendeling.
Als het portier bijvoorbeeld met de afstandsbediening is vergrendeld, dan kan degene die in de auto zit het portier niet ontgrendelen zonder de afstandsbediening.
WAARSCHUWING
- De portieren moeten tijdens het rijden altijd volledig gesloten en vergrendeld blijven om het onverwachts openen van de portieren te voorkomen. Vergrendelde portieren schrikken ook mogelijke indringers af wanneer de auto langzaam rijdt of stilstaat.
- Let bij het openen van het portier goed op of er geen ander verkeer aankomt. Anders kan er schade of letsel ontstaan.
WAARSCHUWING
Als u de auto niet vergrendeld achterlaat, geeft u gelegenheid tot diefstal. Verwijder altijd de contactsleutel, bedien de parkeerrem, sluit alle ruiten en vergrendel alle portieren als u uw auto onbeheerd achterlaat.
WAARSCHUWING
- Kinderen alleen achterlaten Een afgesloten auto kan binnenin erg warm worden, waardoor achtergelaten kinderen of huisdieren die niet uit de auto kunnen komen, letsel kunnen oplopen. Bovendien kunnen kinderen gewond raken door het bedienen van bepaalde systemen in de auto. Laat kinderen en huisdieren nooit zonder toezicht achter in de auto.
Portierontgrendelsysteem
Alle portieren zullen tijdens een botsing automatisch worden ontgrendeld als het contact in stand-ON staat.
De portieren mogen echter niet ontgrendeld worden als gevolg van problemen met de portiervergrendeling of de accu.
(Snelheidsafhankelijk) portiervergrendelsysteem
Als de rijsnelheid van de auto gedurende 1 seconde hoger wordt dan 40 km/h, dan worden automatisch ... alle portieren vergrendeld. Neem om deze functie uit te schakelen, contact op met een officiële Kia-dealer.

Het kinderslot zorgt ervoor dat kinderen de achterportieren niet per ongeluk van binnenuit kunnen openen. Schakel het kinderslot altijd in als u gaat rijden met kinderen.
- Open het achterportier.
- Zet het kinderslot aan de achterkant van het portier in stand LOCK. Als het kinderslot in stand LOCK (⊕) staat, kan het achterportier niet van binnenuit worden geopend.
-
Sluit het achterportier.
-
Het achterportier kan worden geopend met de buitenste handgreep (1).
Zelfs als het achterportier niet is vergrendeld, kan het portier niet met de binnenste portiergreep (2) worden geopend, totdat het kinderslot wordt uitgeschakeld ( ^⑦ ).
WAARSCHUWING
- Vergrendeling achterportieren
Als kinderen tijdens het rijden per ongeluk de achterportieren openen, kunnen ze uit de auto vallen en ernstig letsel oplopen. Om te voorkomen dat kinderen de achterportieren van binnenuit openen, dienen de kindersloten gebruikt te worden zodra er kinderen in de auto worden meegenomen.

Openen van de achterklep
- U kunt de achterklep ook vergrendelen/ontgrendelen (maar niet openen) met behulp van het afstandsbedieningssysteem.
- Indien de achterklep ontgrendeld is, kunt u hem openen door de hendel (1) in te drukken en de klep omhoog te trekken.
Z OPMERKING
Plaats geen zware voorwerpen op de hoedenplank. Hierdoor kan de hoedenplank beschadigd raken.
WAARSCHUWING
- Plaats geen zware voorwerpen op de hoedenplank. Bij een noodstop of bij het nemen van een bocht kunnen dergelijke voorwerpen letsel veroorzaken.
- Kijk uit voor de rand van de hoedenplank als u de bagageruimte gebruikt. Voorkom dat u uw hoofd stoot.

Noodontgrendeling bagageruimte Uw auto is uitgerust met een ontgrendelgreep aan de onderzijde van de achterklep om de achterklep in geval van nood vanaf de binnenzijde van de auto te kunnen openen. Als iemand per ongeluk opgesloten raakt in de bagageruimte, kan hij de achterklep van binnenuit openen door aan de hendel te trekken en de achterklep open te drukken.
WAARSCHUWING
- Zorg ervoor dat u weet waar de hendel zich bevindt zodat u zich in noodgevallen kunt bevrijden uit de bagageruimte.
- Vervoer nooit personen in de bagageruimte van de auto. De bagageruimte is een uiterst gevaarlijke locatie in geval van een aanrijding.
- Gebruik de ontgrendelhendel alleen in noodgevallen. Wees uiterst voorzichtig tijdens het rijden.

Bagageruimteverlichting (indien van toepassing)
De bagageruimteverlichting gaat branden zodra de achterklep geopend wordt. De verlichting blijft branden zolang de achterklep niet volledig gesloten is.
\* AANWIJZING
Zorg ervoor dat de achterklep goed dichtzit. Als deze niet goed dichtzit, kan de accu leeg raken als de motor niet draait, omdat de verlichting blijft branden.
\* AANWIJZING
- In een koud en nat klimaat werken de portiervergrendeling en portiermechanismen mogelijk niet door bevriezingsverschijnselen.
- Open of sluit de achterklep niet als de auto is opgekrikt om een wiel te verwisselen of de auto te repareren. Hierdoor kan de achterklep mogelijk niet goed sluiten.
WAARSCHUWING
- Achterklep
De achterklep klapt naar boven open. Zorg dat er niemand bij de achterzijde van de auto staat als u de achterklep opent.
OPMERKING
Controleer of de achterklep gesloten is voordat u met de auto gaat rijden. Er kan schade onstaan aan de gasveren van de achterklep en de bevestigingsmaterialen, als u de achterklep niet sluit voordat u gaat rijden.
WAARSCHUWING
- Uitlaatgas
Als u met een geopende achterklep rijdt, worden gevaarlijke uitlaatgassen in het interieur gezogen, hetgeen kan leiden tot ernstig letsel.
Wanneer het noodzakelijk is dat u met een geopende achterklep rijdt, houd dan de uitstroomopeningen en alle ruiten open, zodat extra frisse lucht in het interieur stroomt.
WAARSCHUWING
- Bagageruimte
Passagiers dienen niet plaats te nemen in de bagageruimte, waar geen veiligheidsgordels aanwezig zijn. Om bij een aanrijding of plotseling remmen letsel te voorkomen, dienen inzittenden altijd hun veiligheidsgordel te dragen.
RUITEN

Elektrisch bedienbare ruiten (indien van toepassing)
(1) Schakelaar ruitbediening bestuurdersportier
(2) Schakelaar ruitbediening passagiersportier
(3) Schakelaar ruitbediening achterportier (links) (indien van toepassing)
(4) Schakelaar ruitbediening achterportier (rechts) (indien van toepassing)
(5) Ruiten openen en sluiten
(6) Elektrisch bedienbare ruiten (indien van toepassing)
(7) Blokkeerschakelaar
ruitbediening
• Timer elektrische ruitbediening
De ruiten kunnen worden bediend tot ca. 30 seconden nadat het contact in stand ACC of LOCK is gezet of de contactsleutel is verwijderd. Als de voorportieren echter zijn geopend, kunnen de ruiten niet worden bediend als de sleutel uit het contact wordt verwijderd.
Elektrisch bedienbare ruiten (indien van toepassing)
Om de ruiten elektrisch te kunnen bedienen moet het contact in stand ON staan. leder portier is voorzien van een schakelaar voor de bediening van de desbetreffende ruit. De bestuurder beschikt echter over een blokkeerschakelaar waarmee de ruitbediening van de schakelaars op de overige portieren uitgeschakeld kan worden.
Als u tijdens het rijden hinderlijk windgeruis ondervindt wanneer een van de zijruiten geopend is, kunt u de ruit aan de andere zijde iets openen.
Z OPMERKING
- Open of sluit telkens maar één ruit tegelijk. Anders kan de elektrische ruitbediening beschadigd raken. Hierdoor zal bovendien de zekering langer meegaan.
- Probeer nooit tegelijkertijd de hoofdschakelaar voor de ruitbediening in het bestuurdersportier en de afzonderlijke schakelaar voor de ruitbediening in tegengestelde richting in te drukken. In dat geval stopt de ruit en kan deze niet meer worden geopend of gesloten.
WAARSCHUWING
- Zorg ervoor dat de handen en het gezicht zich op een veilige afstand van de ruit bevinden, alvorens de ruit de sluiten.
- Laat kinderen niet met de ruitbediening spelen. Schakel de blokkeerschakelaar zoveel mogelijk in (ingedrukt). Het onbedoeld bedienen van een ruit kan vooral bij kinderen tot letsel leiden.
- Steek tijdens het rijden de armen en het gezicht niet naar buiten.
- Controleer altijd dubbel of er zich geen armen, handen of andere belemmeringen in de buurt bevinden voordat een ruit gesloten wordt.
Type A

Ruiten openen en sluiten
Type A
Het bestuurdersportier beschikt over een hoofdschakelaar, waarmee alle ruiten van de auto kunnen worden bediend. Druk de desbetreffende schakelaar (5) aan de voorzijde in of trek deze omhoog om een ruit te openen of te sluiten.
Type B

Type B - Auto down-functie elektrisch bedienbare ruit (bestuurderszijde, indien van toepassing)
Door de schakelaar kortstondig in te drukken tot de tweede stand (6), wordt de ruit automatisch geheel geopend, zelfs als de schakelaar wordt losgelaten. Om de ruitbeweging te stoppen, kan de schakelaar kortstondig omhoog worden getrokken.
Type C

Type C - Elektrisch bedienbare ruiten Door de schakelaar kortstondig in te drukken of omhoog te trekken tot de tweede stand (6), wordt de ruit automatisch helemaal geopend of gesloten, zelfs als de schakelaar wordt losgelaten. Om de ruitbeweging te stoppen, kan de schakelaar kortstondig in tegenovergestelde richting worden bediend.

Klembeveiliging (bij automatische ruitbediening)
Als er tijdens de opwaartse beweging van de ruit een voorwerp of lichaamsdeel tussen de ruit en het portier komt, wordt de extra weerstand opgemerkt door het systeem en zal de ruit stoppen. Vervolgens zal de ruit ongeveer 30 cm (11,8 in.) zakken, zodat het voorwerp kan worden verwijderd.
WAARSCHUWING
- De klembeveiliging werkt alleen als de automatische sluitfunctie wordt gebruikt.
De klembeveiliging werkt niet als de ruit handmatig, met de schakelaar ruitbediening in de eerste stand (5), wordt bediend. Controleer altijd zorgvuldig of er zich geen hoofden, armen, handen of andere belemmeringen in de buurt bevinden voordat een ruit gesloten wordt.
- Controleer altijd of er niets tussen de ruit en het portier aanwezig is alvorens een ruit te sluiten om letsel en schade aan de auto te voorkomen. Als een voorwerp met een diameter kleiner dan 4 mm tussen de ruit en de sponning terechtkomt, wordt de extra weerstand mogelijk niet opgemerkt, waardoor de klembeveiliging niet werkt.
Als de automatische sluitfunctie niet goed werkt, kunt u het systeem als volgt resetten:
-
Zet het contact in stand ON.
-
Sluit elke ruit en houd de schakelaar van de desbetreffende ruit nog minstens 0,5 seconde omhoog nadat de ruit is gesloten.

Blokkeerschakelaar ruitbediening (indien van toepassing)
- De bestuurder kan de schakelaars voor de elektrische ruitbediening achter blokkeren door de blokkeerschakelaar op het bestuurdersportier in de stand LOCK (ingedrukt) te zetten.
- Als de blokkeerschakelaar van de ruitbediening is ingedrukt, kunnen de ruiten ook niet worden bediend met de hoofdschakelaars in het bestuurdersportier.

Open en sluit de ruiten met behulp van de ruitslinger.
STOELEN

Bestuurdersstoel
(1) Stoelverstelling vooruit/achteruit
(2) Rugleuningverstelling
(3) Hoogteverstelling stoel*
(4) Stoelverwarming*
(5) Lendensteun*
(6) Afstellen van hoofdsteun
Passagiersstoel
(7) Stoelverstelling vooruit/achteruit
(8) Rugleuningverstelling
(9) Stoelverwarming*
(10) Lendensteun*
(11) Afstellen van hoofdsteun
Achterstoelen
(12) In delen neerklapbare achterbank
(13) Armsteun*
(14) Afstellen van hoofdsteun
* ; indien van toepassing
WAARSCHUWING
- Losliggende voorwerpen in de voetenruimte van de bestuurder kunnen de werking van de pedalen nadelig beïnvloeden en mogelijk een ongeval veroorzaken. Losliggende voorwerpen kunnen ook de verstelling in lengterichting van de stoel hinderen. Plaats niets onder de voorstoelen.
- Laat kinderen nooit alleen achter in de auto.
WAARSCHUWING
- Bestuurdersstoel
- Probeer de stoel nooit tijdens het rijden te verstellen. Hierdoor kunt u de controle verliezen waardoor een ongeluk met ernstig letsel of schade het gevolg kan zijn.
- Zorg ervoor dat de rugleuning altijd in de normale positie kan staan. Als de rugleuning vanwege hinderlijk geplaatste voorwerpen of andere oorzaken niet goed vergrendeld kan worden, kan dit bij een noodstop of aanrijding ernstig letsel tot gevolg hebben.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Zet voor het wegrijden de rugleuning altijd rechtop en plaats de heupgordel strak en zo laag mogelijk over de heupen. Op deze manier bent u het best beschermd bij een eventuele aanrijding.
- Zet de stoel altijd zo ver mogelijk naar achteren, om te voorkomen dat airbags te dicht bij het lichaam worden geactiveerd, waardoor ernstig letsel kan ontstaan. Zorg ervoor dat de afstand tussen het stuurwiel en het bovenlichaam tenminste 250 nm (10 inch) bedraagt.

Afstellen van voorstoel
Verstelling in lengterichting
Verstel de stoel als volgt naar voren of naar achteren:
- Houd de hendel voor de langsverstelling aan de voorzijde van de stoel omhooggetrokken.
- Schuif de stoel in de gewenste positie.
- Laat de hendel los en controleer of de stoel vergrendeld is.
Druk de knop naar voren of naar achteren om de stoel in de gewenste stand te zetten. Als de hendel wordt losgelaten, zal de stoel in de ingestelde positie worden vergrendeld.

Afstellen van de zittinghoogte van de bestuurdersstoel (indien van toepassing)
Trek de hendel omhoog om de zitting omhoog te bewegen.
Druk de hendel omlaag om de zitting omlaag te bewegen.

Rugleuning afstellen
Draai de knop naar voren of naar achteren om de rugleuning in de gewenste stand te zetten.
WAARSCHUWING
Rijden met een neergeklapte rugleuning kan bij een aanrijding leiden tot ernstig letstel. Als de rugleuning neergeklapt is, kan de persoon op de desbetreffende stoel onder de gordel doorglijden, waardoor de onderbuik en nek zwaar belast kunnen worden. Hierdoor kan inwendig letsel ontstaan. Houd de rugleuningen daarom tijdens het rijden altijd zo comfortabel mogelijk rechtop.

(indien van toepassing)
De lendensteun kan versteld worden door de hendel aan de zijkant van de rugleuning te bewegen.
Draai de hendel naar voren om de spanning van de lendensteun te verhogen.
Draai de hendel naar achteren om de lendensteun te verlagen.

Stoelverwarming (indien van toepassing)
De voorstoelen kunnen onafhankelijk van elkaar worden verwarnd als het contact in stand ON staat. Als u de schakelaar van de stoelverwarming indrukt, regelt een thermostaat de stoeltemperatuur. ledere keer als u op de toets drukt verandert de termperatuurinstelling voor de stoel. Druk om het systeem uit te schakelen op de schakelaar totdat het controlelampje in de toets uit gaat.
\* AANWIJZING
- Laat de stoelverwarming controleren door een officiële dealer wanneer de verwarming niet werkt bij een omgevingstemperatuur die lager is dan 21 °C (70 °F).
- Gebruik voor het reinigen van de stoelen geen organisch oplosmiddel, zoals thinner, alcohol of wasbenzine. Hierdoor kan de stoelverwarming en de stoel zelf beschadigd worden.
- Plaats geen dekens, kussens of stoelhoezen over de stoel als de stoelverwarming is ingeschakeld. Dit kan leiden tot oververhitting.
- Vervang de stoelbekleding niet en plaats geen zware of scherpe voorwerpen op stoelen met stoelverwarming. Hierdoor kunnen de onderdelen van de stoelverwarming beschadigd raken.
WAARSCHUWING
Wees erg voorzichtig bij het gebruik van de stoelverwarming vanwege het gevaar voor oververhitting, waardoor brand kan ontstaan. Vooral de volgende categorieën personen dienen erg voorzichtig te zijn:
- Kinderen, ouderen, gehandicapten en ziekenhuispatiënten
- Personen met een gevoelige huid
- Vermoeide personen
- Dronken personen
- Personen die onder invloed zijn van medicijnen die het reactievermogen verminderen of slaap opwekken

Afstellen van hoofdsteun Adjusting the height up and down Afstellen van hoogte
De hoofdsteun is niet alleen comfortabel, maar beschermt tevens hoofd en nek van de inzittenden bij een aanrijding.
Hoger: trek de hoofdsteun omhoog om hem in de gewenste positie (1) te zetten. Lager: druk de ontgrendelknop (2) in en laat de hoofdsteun in de gewenste positie (3) zakken. De hoofdsteun biedt de meeste bescherming als het midden van de hoofdsteun zich op gelijke hoogte met het oor bevindt. Zorg ervoor dat afstand tussen hoofd en hoofdsteun overeenkomt met de breedte van de vuist.

Verwijderen
Trek de hoofdsteun zo ver mogelijk omhoog en druk vervolgens de ontgrendelknop (1) in om de hoofdsteun te verwijderen (2).
Als de auto is uitgerust met een actieve hoofdsteun, kunt u de hoofdsteun niet verwijderen.
WAARSCHUWING
Rijd niet in een auto waarvan de hoofdsteunen verwijderd zijn of onjuist afgesteld zijn. Dit om de kans op letsel zoveel mogelijk te beperken. Probeer nooit de hoofdsteun tijdens het rijden te verstellen.

Actieve hoofdsteun (indien van toepassing)
De actieve hoofdsteun is ontworpen om naar voren en boven te bewegen bij een aanrijding van achteren. Dit voorkomt dat het hoofd van de bestuurder of voorpassagier naar achteren beweegt waardoor nekletsel kan ontstaan.
Achterstoelen
In delen neerklapbare achterbank De rugleuning van de achterbank kan naar voren worden geklapt waardoor extra bagageruimte ontstaat en de bagageruimte van binnenuit toegankelijk is.
- Trek de ontgrendelknop omhoog om de rugleuning(en) voorover te klappen.
- Omhoog klappen: til de rugleuning omhoog en druk deze naar achteren totdat hij vastklikt.
- Plaats bij het omhoog klappen van de rugleuning de veiligheidsgordels in hun oorspronkelijke positie zodat ze op de juiste manier gebruikt kunnen worden.

- Til de voorzijde van de zitting (1) op.
- Til de achterzijde van de zitting (2) op.

- Druk de zitting stevig aan totdat u een klik hoort (3).
- Verwijder de hoofdsteun (4).

- Trek aan de ontgrendelhendel (5).
- Klap de rugleuning naar voren en omlaag (6).
- Plaats de stangen van de hoofdsteun in de gaten aan de achterzijde van de zitting (7).
Terugklappen van de achterbank:
- Verwijder de hoofdsteun.
- Druk de zitting lichtjes naar de voorzijde van de auto terwijl u de rugleuning omhoogtrekt en stevig naar achteren drukt totdat hij vastklikt.
- Zet de hoofdsteun in de juiste positie.
- Druk de zitting omlaag in zijn oorspronkelijke positie.
- Controleer de veiligheidsgordel en de gesp.
Z OPMERKING
- Vergeet niet bij het omhoogklappen van de rugleuning de schoudergordels in de juiste positie te plaatsen.
- Verwijder nooit de vloerbedekking uit uw auto. Door de emissieregeling kan de temperatuur van de uitlaat onder de bodemplaat zeer hoog worden.
WAARSCHUWING
- Bagage
Bagage moet altijd zodanig worden vastgezet dat het niet kan gaan schuiven en de inzittenden kan verwonden.
Z OPMERKING
- Zet de motor uit en de transmissie in stand P en bedien de parkeerrem alvorens bagage in of uit te laden. Anders zou de auto kunnen gaan rijden als de selectiehendel per ongeluk wordt verplaatst.
- Wees voorzichtig tijdens het laden van de auto tussen de achterstoelen om schade aan het interieur te voorkomen.
- Zet de lading goed vast, zodat deze niet los kan raken tijdens het rijden. Losliggende lading kan persoonlijk letsel en schade aan de auto veroorzaken.

Armsteun (indien van toepassing) De armsteun bevindt zich in het midden tussen de achterstoelen. Kantel de armsteun omlaag uit de rugleuning.

Afstellen van hoofdsteun
Afstellen van hoogte
Trek om de hoofdsteun hoger in te stellen de hoofdsteun omhoog tot hij op zijn plaats klikt (1). Druk de ontgrendelknop (2) in en zet de hoofdsteun in de laagste positie (3).

Verwijderen
Trek de hoofdsteun zo ver mogelijk omhoog en druk vervolgens de ontgrøndelknop (1) in om de hoofdsteun te verwijderen (2).
WAARSCHUWING
Rijd niet in een auto waarvan de hoofdsteunen verwijderd zijn of onjuist afgesteld zijn. Dit om de kans op letsel zoveel mogelijk te beperken.
VEILIGHEIDSGORDELS

Gordelspanner veiligheidsgordel (indien van toepassing)
De veiligheidsgordels van de bestuurder en voorpassagier zijn uitgerust met gordelspanners. Het doel van de gordelspanner is ervoor te zorgen dat de veiligheidsgordel strak tegen het lichaam van de inzittende figt bij bepaalde frontale aanrijdingen. De gordelspanners worden samen met de airbags geactiveerd als de frontale aanrijding ernstig genoeg is.
Wanneer plotseling wordt afgeremd of wanneer de inzittende te snel voorover probeert te buigen, wordt de gordel door de blokkeerautomaat vergrendeld. Bij bepaalde frontale aanrijdingen zal de gordelspanner echter geactiveerd worden en zal deze de gordel strakker om het lichaam van de inzittende trekken.
Als de gordelspanner wordt geactiveerd en het systeem registreert dat de spankracht van één of beide veiligheidsgordels te groot wordt, zorgt een spankrachtbegrenzer ervoor dat de gordel iets wordt gevierd. (indien van toepassing)

Het gordelspannersysteem bestaat hoofdzakelijk uit de volgende onderdelen. De plaats hiervan wordt in de afbeelding aangegeven.
(1) Waarschuwingslampje AIRBAG
(2) Gordelspanner
(3) Airbagmodule
WAARSCHUWING
Voor een optimale werking van de gordelspanner:
- De veiligheidsgordel moet op de juiste manier gedragen worden.
- De veiligheidsgordel moet op de juiste positie worden afgesteld.
WAARSCHUWING
Wanneer de gordelspanners geactiveerd worden, kan een luide knal hoorbaar zijn en kan er fijn stof, dat doet denken aan rook, zichtbaar worden in het passagierscompartiment. Dat zijn normale verschijnselen en het stof is niet schadelijk.
De fijne stof is normaal gesproken onschadelijk, maar kan bij personen met een gevoelige huid irritatie veroorzaken. Tevens dient langdurig inademen van de stof vermeden te worden. Was de aan het stof blootgestelde huid zorgvuldig na een ongeval waarbij de gordelspanners zijn geactiveerd.
Z OPMERKING
- Omdat de sensor die de airbag activeert, in verbinding staat met de gordelspanner, zal het waarschuwingslampje AIRBAG in het dashboard gedurende ongeveer 6 seconden gaan knipperen nadat het contact in stand ON of ACC wordt gezet. Daarna zou het lampje uit moeten gaan.
- Als de gordelspanner niet goed werkt, zal dit waarschuwingslampje gaan branden, ook al is er geen defect aan het airbagsysteem. Als het waarschuwingslampje AIRBAG niet gaat branden als het contact in de stand ON wordt gezet, als het niet uitgaat nadat het gedurende ongeveer 6 seconden heeft gebrand, of als het gaat branden tijdens het rijden, laat dan het gordelspanner- en/of het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.
WAARSCHUWING
Het mechanisme van de gordelspanners wordt tijdens het activeren heet. Raak de onderdelen van het gordelspannersysteem niet aan nadat ze geactiveerd zijn.
WAARSCHUWING
- Gordelspanners zijn ontworpen voor eenmalig gebruik. Wanneer een gordelspanner geactiveerd is geweest, moet deze worden vervangen. Alle veiligheidsgordels die tijdens een aanrijding zijn gebruikt, moeten compleet vervangen worden.
De veiligheidsgordel van de bestuurder en de voorpassagier moeten na een aanrijding altijd compleet vervangen worden ook al werden ze tijdens de aanrijding niet gedragen.
• Probeer nooit zelf de gordelspanners te controleren of te vervangen. Laat dit over aan een officiële Kia-dealer.
WAARSCHUWING
- Sla niet op de onderdelen van het gordelspannersysteem.
• Probeer nooit, op wat voor manier dan ook, onderhoud of reparaties uit te voeren aan het gordelspannersysteem. - Een onjuiste behandeling van de onderdelen van het gordeispannersysteem en het niet opvolgen van de waarschuwingen kunnen leiden tot een onvolledige werking of het onverhoeds activeren van de gordelspanner en tot ernstig letsel.
Draag te allen tijde de veiligheidsgordel wanneer u in een auto rijdt of meerijdt.
Veiligheidsgordels
WAARSCHUWING
- Veiligheidsgordels
Om de kans op ernstig letsel ten gevolge van een aanrijding te minimaliseren, dienen bestuurder en passagiers altijd de veiligheidsgordel te dragen. Kinderen moeten in een geschikt kinderzitje plaatsnemen. De aanwezigheid van airbags verandert hier niets aan. Integendeel, de airbags kunnen alleen goed werken als de inzittenden goed op hun plaats worden gehouden. Zorg ervoor dat u bekend bent met de informatie in dit hoofdstuk, inclusief de informatie over kinderzitjes. Lees ook de veiligheidsaanwijzingen op de zonnekleppen in uw auto.
Wij raden bestuurder en alle passagiers sterk aan de in de auto aanwezige veiligheidsgordels altijd op de juiste manier te dragen. Het juiste gebruik van de veiligheidsgordels vermindert het risico van ernstig letsel bij aanrijdingen of bij onverwachts remmen.
Alle zitplaatsen zijn uitgerust met driepuntsgordels. Een vertraging in de blokkeerautomaten zorgt ervoor dat de veiligheidsgordels onder normale omstandigheden niet geblokkeerd zijn. Hierdoor hebben de inzittenden een beetje bewegingsruimte en wordt het comfort van de veiligheidsgordels verbeterd. Wanneer krachten worden uitgeoefend op de auto, zoals bij krachtig remmen, een scherpe bocht of bij een aanrijding, zullen de blokkeerautomaten de veiligheidsgordels automatisch blokkeren.
Aangezien de vertraging in de automaat ook buiten een aanrijding om kan blokkeren, zou u tijdens het remmen of in een scherpe bocht kunnen merken dat de veiligheidsgordels geblokkeerd worden.
Bevestig kinderzitjes altijd op de achterbank.
Wanneer de middelste zitplaats achter niet beschikbaar is, mag een kinderzitje gebruikt worden op de buitenste zitplaats achter. Plaats een kinderzitje nooit op de voorstoel, omdat een geactiveerde airbag op die positie ernstig letsel kan veroorzaken bij kleine kinderen.
Veiligheidsgordels bieden de beste bescherming wanneer:
- De rugleuning rechtop staat.
- De inzittende rechtop zit (rechte rug).
- De heupgordel strak over de heupen zit.
- De schoudergordel strak over het bovenlichaam zit.
- De knieën recht naar voren wijzen.
Een waarschuwingslampje en een zoemer attenderen u erop dat u uw veiligheidsgordel vast dient te maken.
WAARSCHUWING
- Na een aanrijding
- Veiligheidsgordels kunnen beschadigd raken als ze blootgesteld worden aan grote trekkrachten.
- Alle veiligheidsgordels moeten altijd na een botsing gecontroleerd worden. Alle veiligheidsgordels die tijdens een ernstige aanrijding zijn gebruikt, moeten compleet vervangen worden. Laat de bevestigingspunten indien nodig op de juiste wijze repareren.
WAARSCHUWING
- Kofferruimte
(indien van toepassing)
Laat nooit passagiers meerijden in de kofferruimte. Er zijn geen veiligheidsriemen gemonteerd in de kofferruimte. Personen die in een auto rijden zonder dat zij in de veiligheidsriemen zitten, lopen een veel grotere kans dat zij bij een ongeluk ernstig lichamelijk letsel oplopen of komen te overlijden.
WAARSCHUWING
- Gedraaide
veiligheidsgordels
Een gedraaide of klemmende veiligheidsgordel biedt onvoldoende bescherming.
Ga onmiddellijk naar een officiële Kia-dealer wanneer u de veiligheidsgordel niet in orde kunt krijgen. Draag nooit een gedraaide of bekneld zittende veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
- Gebruik van gordels
Veiligheidsgordels werken alleen goed als ze correct worden gedragen. ledere zitplaats in uw auto beschikt over een specifieke veiligheidsgordel die bestaat uit een bij elkaar passende gordelsluiting en een gesp.
Volg de onderstaande aanwijzingen voor de meest effectieve werking van de veiligheidsgordels:
- Gebruik de schoudergordel alleen voor de buitenste schouder. Draag nooit de schoudergordel onder de arm door.
- Draag nooit de veiligheidsgordel rond de hals zodat de gordel over de binnenste schouder loopt.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel om de hals of over het gezicht.
- Draag de heupgordel zo laag mogelijk. Zorg ervoor dat de heupgordel goed over de heupen past. Draag de heupgordel nooit over de middel, maar altijd over de heupen, waar het lichaam het sterkst is.
- Gebruik een veiligheidsgordel nooit voor meerdere personen.
- De rugleuningen van de voorstoelen moeten tijdens het rijden altijd zo comfortabel mogelijk rechtop worden gehouden.
WAARSCHUWING
- Onderhoud veiligheidsgordels
- Een beschadigde veiligheids-gordel biedt onvoldoende bescherming bij een aanrijding.
- De veiligheidsgordels dienen regelmatig op slijtage en beschadigingen gecontroleerd te worden. Trek alle gordels volledig uit en controleer ze op de aanwezigheid van rafels, insnijdingen, brandplekken en andere beschadigingen. Laat de veiligheidsgordels een aantal keer af- en oprollen. Controleer of de gordels soepel en goed oprollen.
- Controleer of de sluitingen zonder problemen en direct vast- of losklikken.
- Sluit nooit de portieren wanneer er een veiligheids-gordel tussen zit.
- ledere gordel die niet in orde is of niet goed werkt, moet direct vervangen worden.
Z OPMERKING
Sluit nooit de portieren wanneer er een veiligheidsgordel tussen zit. De veiligheidsgordel of de gordelsluiting kan hierdoor beschadigd raken en de kans op letsel bij een ongeval verhogen.

Waarschuwingslampje en -zoemer veiligheidsgordel
(1) Waarschuwingslampje veiligheidsgordel bestuurdersstoel
(2) Waarschuwingslampje veiligheidsgordel voorpassagier
(3) Waarschuwingslampje veiligheidsgordel passagier links achter (indien van toepassing)
(4) Waarschuwingslampje veiligheidsgordel passagier midden achter (indien van toepassing)
(5) Waarschuwingslampje veiligheidsgordel passagier rechts achter (indien van toepassing)
Waarschuwingslampje en zoemer veiligheidsgordel bestuurder en voorpassagier
Als herinnering voor bestuurder en de voorpassagier gaat telkens als het contact in stand ON wordt gezet het waarschuwingslampje van de veiligheidsgordels gedurende 6 seconden branden.
Als er door iemand plaats wordt genomen op de voorstoel, werken het waarschuwingslampje en de zoemer als voigt:
Wanneer de veiligheidsgordel van de bestuurder en/of de voorpassagier niet vastgemaakt is als het contact in stand ON staat, zal het waarschuwingslampje gaan branden. Dit gebeurt ook als de veiligheidsgordel weer losgemaakt wordt als het contact in stand ON staat.
Als u de veiligheidsgordel nog steeds niet draagt en de rijsnelheid hoger wordt dan 9 km/h, zal het brandende waarschuwingslampje gaan knipperen totdat de rijsnelheid lager wordt dan 6 km/h. Als door blijft rijden zonder dat u de veiligheidsgordel draagt en voor de eerste keer sneller gaat rijden dan 20 km/h, zal de waarschuwingszoemer gedurende ongeveer 100 seconden klinken en zal het waarschuwingslampje van de niet gedragen gordel gaan knipperen.
Daarnaast zal de waarschuwingszoemer eenmaal ongeveer 100 seconden klinken wanneer u uw veiligheidsgordel losmaakt en de rijsnelheid 9 km/h of meer bedraagt.
Waarschuwingslampje veiligheidsgordel achterpassagier (indien van toepassing)
Als de veiligheidsgordel achter niet gedragen wordt als het contact in stand ON wordt gezet (motor draait niet), zal het bijbehorende waarschuwingslampje rood gaan branden en als de veiligheidsgordel omgedaan wordt, zal het bijbehorende waarschuwingslampje groen gaan branden. Na het starten van de motor en het wegrijden zal na 35 seconden het bijbehorende waarschuwingslampje uit gaan als u zachter rijdt dan 9 km/h.
Als alle achterpassagiers hun gordel dragen, zal het groene waarschuwingslampje voor de veiligheidsgordels uit gaan.
Als u harder rijdt dan 9 km/h zal na 35 seconden het bijbehorende waarschuwingslampje (veiligheidsgordel om: groen; veiligheidsgordel niet om: rood) aan en uit gaan.
Als de veiligheidsgordel achter wordt losgenomen bij een snelheid die hoger is dan 9 km/h, zal het bijbehorende waarschuwingslampje gedurende 35 seconden gaan knipperen.
Maar als de veiligheidsgordel losgenomen wordt binnen 9 seconden nadat de gordel is omgedaan, zal het waarschuwingslampje voor de veiligheidsgordel niet werken.

Vastmaken van de driepuntsgordel vóór:
- Pak de gordelsluiting en de gesp vast.
- Trek de gordel langzaam uit de blokkeerautomaat.

- Steek de gesp (1) in de opening van de gordelsluiting (2) totdat een klik hoorbaar is. De klik geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is.

- Leg het heupgedeelte ZO LAAG MOGELIJK OM DE HEUPEN om het risico dat u bij een aanrijding onder de gordel doorschiet zoveel mogelijk te beperken (1). Stel de gordel af door het schoudergedeelte STRAK tegen het lichaam aan te trekken (2). De oprolautomaat is ontworpen om een teveel aan speling automatisch op te heffen en de gordel de benodigde spanning te geven. Houd, voor een optimale veiligheid, de veiligheidsgordel niet slapper dan noodzakelijk.

- Stel het bevestigingspunt af op uw lengte. Omhoog: druk het bevestigingspunt naar boven (1). Omlaag: druk (2) de knop in en schuif het bevestigingspunt naar beneden (3). Controleer na het afstellen of het bevestigingspunt vergrendeld is.

Losmaken van de
driepuntsgordel vóór:
Druk de ontgrendelknop op de gordelsluiting in en laat de gordel langzaam oprollen.
WAARSCHUWING
- De rugleuningen moeten tijdens het rijden altijd zo comfortabel mogelijk rechtop worden gehouden. De veiligheidsgordels bieden de meeste bescherming wanneer de rugleuningen rechtop staan.
- Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel onder de arm of achter de rug langs.
- Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel om de hals of over het gezicht.
- Draag het heupgedeelte van de veiligheidsgordel zo laag mogelijk over de heupen. Zorg ervoor dat de heupgordel goed over de heupen past. Draag nooit de heupgordel rond uw middel.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Draag nooit een gedraaide of bekneld zittende veiligheidsgordel. Ga onmiddellijk naar de dichtstbijzijnde Kia-dealer wanneer u de veiligheidsgordel niet in orde kunt krijgen.
- Gebruik een veiligheidsgordel nooit voor meerdere personen.
Door het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregelen kan de kans op en de ernst van letsel bij een aanrijding toenemen.

Driepuntsgordel achter
Driepuntsgordels achter vastmaken:
- Pak de gordelsluiting en de gesp vast.
- Trek de gordel langzaam uit de blokkeerautomaat.
- Steek de gesp (1) in de opening van de gordelsluiting (2) totdat een klik hoorbaar is. De klik geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is.

- Leg het heupgedeelte ZO LAAG MOGELIJK OM DE HEUPEN om het risico dat u bij een aanrijding onder de gordel doorschiet zoveel mogelijk te beperken (1). Stel de gordel af door het schoudergedeelte STRAK tegen het lichaam aan te trekken (2). De oprolautomaat is ontworpen om een teveel aan speling automatisch op te heffen en de gordel de benodigde spanning te geven. Houd, voor een optimale veiligheid, de veiligheidsgordel niet slapper dan noodzakelijk.
Losmaken van de driepuntsgordel:
Druk de ontgrendelknop op de gordelsluiting in en laat de gordel langzaam oprollen.
WAARSCHUWING
- Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel onder de arm of achter de rug langs.
- Draag nooit het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel om de hals of over het gezicht.
- Draag het heupgedeelte van de veiligheidsgordel zo laag mogelijk over de heupen. Zorg ervoor dat de heupgordel goed over de heupen past. Draag nooit de heupgordel rond uw middel.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Draag nooit een gedraaide of bekneld zittende veiligheidsgordel.
Ga onmiddellijk naar de dichtstbijzijnde Kia-dealer wanneer u de veiligheidsgordel niet in orde kunt krijgen. - Gebruik een veiligheidsgordel nooit voor meerdere personen.
Door het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregelen kan de kans op en de ernst van letsel bij een aanrijding toenemen.
Juist gebruik en onderhoud van de veiligheidsgordels
Neem de volgende instructies in acht om ervoor te zorgen dat de veiligheidsgordels maximale bescherming bieden:
- Draag de gordels te allen tijde - ook tijdens korte ritten.
- Herstel een verdraaide veiligheidsgordel voor het gebruik.
- Houd scherpe randen en voorwerpen die beschadigingen kunnen veroorzaken uit de buurt van de gordels.
-
Controleer de gordels, de bevestigingspunten, de gordelsluitingen en de overige onderdelen regelmatig op slijtage en beschadigingen. Vervang beschadigde, versleten of dubieuze onderdelen onmiddellijk.
-
Reinig de gordels met een zachte zeepoplossing die speciaal geschikt is voor het reinigen van bekleding en tapijt. Volg de aanwijzingen op het etiket van het reinigingsmiddel.
- Breng geen aanpassingen of aanvullingen op de veiligheidsgordel aan.
- Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel na het afdoen volledig oprolt. Let op dat de gordel niet tussen het portier komt te zitten.
WAARSCHUWING
De gordels niet bleken of verven. Hierdoor kan de sterkte van de vezels afnemen, waardoor de gordels tijdens een aanrijding niet meer optimaal functioneren.
Veiligheidsgordels en zwangere vrouwen
Ook zwangere vrouwen dienen een veiligheidsgordel te dragen, tenzij hun arts daar bezwaar tegen heeft. Het heupgedeelte van de gordel moet zo STRAK en LAAG MOGELIJK gedragen worden.
WAARSCHUWING - Zwangere vrouwen
Zwangere vrouwen mogen het heupgedeelte van de veiligheidsgordel nooit over of boven de onderbuik dragen.
Veiligheidssystemen voor baby's en kleine kinderen
Voor een optimale veiligheid moeten baby's en kleine kinderen in een geschikt kinderzitje, dat is afgestemd op leeftijd en gewicht, worden vervoerd.
Laat een kind tijdens het rijden nooit knielen of staan op de zitting van een stoel. Laat nooit twee kinderen of een kind en een volwassene op hetzelfde moment gebruik maken van dezelfde veiligheidsgordel.
Laat kinderen bij voorkeur plaatsnemen op de achterbank.
WAARSCHUWING
- Kinderen op schoot
Houd nooit een kind op uw schoot of in uw armen in een rijdende auto.
Zelfs een zeer krachtig persoon kan een kind niet vasthouden bij een lichte aanrijding.
OPMERKING
- Hete metalen onderdelen
Veiligheidsgordels en stoelen kunnen warm worden wanneer een auto tijdens warm weer afgesloten heeft gestaan. Kinderen kunnen zich hieraan branden. Controleer de stoelen en de gordelsluitingen voordat u een kind laat plaatsnemen.
Veel bedrijven maken veiligheidssystemen voor baby's en kleinere kinderen (kinderzitjes). Een geschikt kinderzitje moet altijd voldoen aan de veiligheidseisen van het land waarin u woont. Controleer of het kinderzitje dat u in uw auto gebruikt voorzien is van een label waarop staat dat het zitje aan die eisen voldoet.
Bij de keuze van een kinderzitje moet u letten op de grootte van het kind en de afmetingen van de zitplaats in de auto. Zorg ervoor dat u eventuele instructies die door de fabrikant bij het kinderzitje geleverd zijn, opvolgt bij het plaatsen.
Veiligheidsgordels en grotere kinderen
Naarmate kinderen groeien, kunnen grotere kinderzitjes of zitkussens nodig zijn die beter geschikt zijn voor hun lengte.
Kinderen die het kinderzitje ontgroeid zijn, moeten gebruik maken van de in de auto aanwezige veiligheidsgordels. Bij de buitenste zitplaatsen moeten zowel het heupals het schoudergedeelte worden gebruikt.
Probeer het kind verder naar het midden plaats te laten nemen wanneer het schoudergedeelte over de hals of het gezicht van het kind loopt. Maak gebruik van een kinderzitje wanneer de schoudergordel hun gezicht of hals nog steeds raakt. Ook is het mogelijk om in de handel verkrijgbare voorzieningen te gebruiken die de veiligheidsgordel omlaag houden, zodat deze niet het gezicht of de hals raakt.
WAARSCHUWING
- Schoudergordels en kleine kinderen
- Laat een schoudergordel nooit het gezicht of de hals van een kind raken tijdens het rijden.
- Wanneer de veiligheidsgordels niet op de juiste manier gedragen worden en afgesteld zijn, is de kans op ernstig letsel voor zo'n kind hoog.
Kinderzitjes (indien van toepassing)
Voor kleine kinderen en baby's wordt het gebruik van een kinderzitje sterk aanbevolen. Dit kinderzitje moet de juiste maat hebben voor het kind en dlent volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant te worden geplaatst. Verder wordt aanbevolen dat het zitje op de achterbank van het voertuig wordt geplaatst, aangezien dat een belangrijke bijdrage aan de veiligheid kan leveren.
Om de kans op letsel bij een ongeval, hard remmen of plotselinge manoeuvre te minimaliseren, kunnen kinderen het beste op de achterbank zitten en dienen ze altijd goed beschermd te zijn. Volgens ongevallenstatistieken zijn kinderen veiliger in een kinderzitje op de achterbank dan in een kinderzitje op de voorstoel. Grotere kinderen dienen een van de in de auto aanwezige veiligheidsgordels te gebruiken.
U bent volgens de wet verplicht veiligheidssystemen voor kinderen te gebruiken. Als er kleine kinderen meerijden in uw voertuig dient u gebruik te maken van een kinderzitje.
Zonder adequate bescherming kunnen kinderen ernstig letsel oplopen bij een ongeval. Kleine kinderen en baby's moeten in een kinderzitje geplaatst worden. Voordat u een bepaald kinderzitje koopt, moet u eerst controleren of het in uw auto past en of het de juiste maat heeft voor uw kind. Volg bij het plaatsen van het kinderzitje altijd de gebruiksaanwijzing van de fabrikant.

WAARSCHUWING
- Een kinderzitje dient op de achterbank geplaatst te worden. Installeer een kinderzitje nooit op de passagiersstoel.
Mocht er zich een ongeval voordoen waarbij de passagiersairbag opgeblazen wordt, dan kan de airbag een kind in een kinderzitje ernstig letsel toebrengen. Gebruik daarom een kinderzitje alleen op de achterbank van uw voertuig.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Aangezien een veiligheidsgordel of kinderzitje zeer warm kunnen worden als ze in een gesloten voertuig worden achtergelaten, dient u altijd de bekleding en gordelsluitingen te controleren voordat u uw kind in de auto zet.
- Doe het kinderzitje in de bagageruimte of maak het vast met een veiligheidsgordel als het niet gebruikt wordt, zodat het niet naar voren geworpen wordt bij hard remmen of een ongeval.
- Kinderen die te groot zijn voor een kinderzitje dienen op de achterbank plaats te nemen en gebruik te maken van de aanwezige driepuntsgordels. Laat kinderen nooit op de passagiersstoel meerijden.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Let erop dat het schoudergedeelte van de gordel altijd over het midden van de schouder loopt, en nooit over de nek of achter de rug. Wanneer het schoudergedeelte niet goed aansluit, kan het helpen als uw kind iets meer richting het midden van de auto gaat zitten. Het heupgedeelte van de driepuntsgordel dient altijd zo nauwsluitend mogelijk en zo laag mogelijk op de heupen van het kind geplaatst te worden.
- Als de veiligheidsgordel niet goed past, raden wij u aan om een goedgekeurd zitkussen op de achterbank te plaatsen om zo de zithoogte van het kind te verhogen zodat de gordel wel past.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Laat een kind nooit op de stoel staan of knielen.
- Laat nooit iemand een kind vasthouden in een rijdend voertuig. Dit kan bij een ongeval of hard remmen leiden tot ernstig letsel van het kind. Een kind vasthouden in een rijdend voertuig biedt het kind geen enkele bescherming tijdens een ongeval, zelfs al heeft degene die het kind vasthoudt een veiligheidsgordel om.
Installatie op de achterste zitplaatsen
WAARSCHUWING
- Lees voor u het kinderzitje installeert eerst de handleiding van de fabrikant.
- Wanneer u de aanwijzingen in dit instructieboekje en de instructies bij het kinderzitje niet opvolgt, kan de kans en de ernst van letsel bij een aanrijding toenemen.
WAARSCHUWING
- Installeer geen kinderzitje op de passagiersstoel. Mocht er zich een ongeval voordoen waarbij de passagiersairbag opgeblazen wordt, dan kan de airbag een kind in een kinderzitje ernstig letsel toebrengen. Gebruik daarom een kinderzitje alleen op de achterbank van uw voertuig.
- Als een kinderzitje niet goed bevestigd wordt, neemt de kans op ernstig letsel bij een ongeval aanzienlijk toe.

Installeren van een kinderzitje met behulp van een driepuntsgordel (op de achterste zitplaatsen)
Volg voor het installeren van een kinderzitje op de achterbank de volgende stappen:
- Plaats het kinderzitje op de gewenste positie.
- Trek de driepuntsgordel uit de blokkeerautomaat.

- Voer de driepuntsgordel door het kinderzitje volgens de instructies van de fabrikant.

- Maak de gordel vast en zorg ervoor dat de gordel overal goed aansluit. Controleer na het installeren of het kinderzitje goed vastzit door het in alle richtingen te bewegen.
Als de gordel strakker moet, beweeg dan meer band richting de blokkeerautomaat.
Geschiktheid kinderzitje voor gebruik van de veiligheidsgordel
Gebruik kinderzitjes die officieel goedgekeurd zijn en die geschikt zijn voor uw kinderen. Zie de volgende tabel voor het gebruik van kinderzitjes.
| Leeftijd | Positie | ||
| Voorpassagier | Buitenste achter | Middelste achter | |
| 0 : Tot 10 kg(0 - 9 maanden) | X | U | U |
| 0+ : Tot 13 kg(0 - 2 jaar) | L1, L2 | U | U |
| I : 9 kg - 18 kg(9 maanden - 4 jaar) | L3, L4, L5 | U | U |
| II & III : 15 kg - 36 kg(4 - 12 jaar) | L6, L7 | U | U |
U : Geschikt voor de categorie "universele" zitjes, goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
L1 : Geschikt voor PegPerego primo Viaggio (E13 030010), goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
L2 : Geschikt voor GRACO Autobaby (E11 0344160/E11 0344161), goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
L3 : Geschikt voor Romer Lord Pius (E1 03301136), goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
L4 : Geschikt voor MAXI-COSI Priori XP (E1 03301153), goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
L5 : Geschikt voor BeSafe IZI COMFORT (E4 03443206), goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
L6 : Geschikt voor Euro Kids Star (E1 03301129), goedgekoud voor gebruik in deze gewichtsklasse
L7 : Geschikt voor Bebe comfort HiPSOS (E2 031011), goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
X : Zitpositie niet geschikt voor kinderen in deze gewichtsklasse
WAARSCHUWING
Geadviseerd wordt een kinderzitje altijd op de achterbank te plaatsen, ook al is de airbag voorpassagier UIT geschakeld met de AAN/UIT-schakelaar. Om de veiligheid voor uw kind te garanderen, moet de airbag voorpassagier worden uitgeschakeld wanneer u omdat het niet anders kan een kinderzitje op de voorstoel monteert.

Monteren van een kinderzitje met behulp van een systeem met bevestigingsbanden (indien van toepassing)
De haakhouders voor het kinderzitje bevinden zich op de dwarsbalk achter de achterbank.

- Voer de band van het kinderzitje over de rugleuning.
Voer bij voertuigen met verstelbare hoofdsteun de band onder de hoofdsteun en tussen de stijlen van de hoofdsteun door. Voer in andere gevallen de band over de bovenkant van de hoofdsteun. - Verwijder de hoedenplank en leg deze in de bagageruimte. Zorg ervoor dat hij goed vastgezet wordt.
- Plaats de haak van de band in de haakhouder van het kinderzitje en trek de band strak om het zitje vast te zetten.
Aan elke zijde van de zitplaats achter, tussen de zitting en de rugleuning, bevinden zich twee ISOFIX-bevestigingspunten in combinatie met een bevestigingspunt voor de bovenste band op het achterpaneel achter de zitplaatsen achter. Tijdens het plaatsen moet het zitje in de bevestigingspunten worden vastgeklikt (controleer of het zitje vastzit door eraan te trekken!) en worden vastgezet met de bovenste bevestigingsband op het bijbehorende punt op de dwarsbalk achter de achterbank.
Volg bij het installeren en gebruiken van een kinderzitje de installatiehandleiding die bij het ISOFIX-zitje wordt geleverd.
WAARSCHUWING
Als een kinderzitje op de achterbank is geplaatst met behulp van de ISOFIX-bevestigingen, moeten alle ongebruikte gordels op de achterbank worden vastgemaakt in de gordelsluitingen en moet de gordel op de plaats van het kinderzitje achter het zitje worden vastgemaakt om ervoor te zorgen dat de gordel buiten bereik van het kind blijft. Bij losse gespen of gordelsluitingen kan het kind in het kinderzitje verstrikt raken en ernstig letsel opiopen.

Vastzetten van het kinderzitje
- Om het kinderzitje vast te zetten in het ISOFIX-bevestigingspunt dient u de vergrendeling van het kinderzitje in het ISOFIX-bevestigingspunt vast te klikken. Controleer of een klikkend geluid hoorbaar is.
- Plaats de haak van de band in de haakhouder van het kinderzitje en trek de band strak om het zitje vast te zetten. Zie de vorige bladzijde.
WAARSCHUWING
- Installeer geen kinderzitje in het midden van de achterbank met behulp van de ISOFIX-bevestigingen. De ISOFIX-bevestigingen zijn alleen bedoeld voor de buitenste zitplaatsen links en rechts op de achterbank. Misbruik de ISOFIX-bevestigingen niet door te proberen een kinderzitje in het midden van de achterbank te monteren. Bij een ongeval zijn de ISOFIX-bevestigingen voor een kinderzitje dan mogelijk niet sterk genoeg om het kinderzitje op zijn plaats te houden in het midden van de achterbank. De bevestigingen kunnen dan afbreken en ernstig letsel veroorzaken.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Monteer niet meer dan een kinderzitje aan een van de onderste bevestigingspunten. Het extra gewicht kan ertoe leiden dat de bevestigingspunten of - banden afbreken, wat ernstig letsel kan veroorzaken.
- Bevestig het ISOFIX-kinderzitje of het voor ISOFIX geschikte kinderzitje alleen aan de daarvoor bestemde bevestigingspunten, zoals aangegeven in de afbeelding.
- Volg altijd de instructies voor installatie en gebruik van de fabrikant van het kinderzitje.
Geschikte ISOfix-bevestigingspunten voor een kinderzitje - Europa
| Gewichtsgroep | Afmetingen | Bevestiging | ISOfix-posities in auto | |||
| Voorpassagier | Buitenste achter (Bestuurderszijde) | Buitenste achter (Passagierszijde) | Middelste achter | |||
| Reiswieg | F | ISO/L1 | - | X | X | - |
| G | ISO/L2 | - | X | X | - | |
| 0: tot 10 kg | E | ISO/R1 | - | IUF | IUF | - |
| 0+: tot 13 kg | E | ISO/R1 | - | IUF | IUF | - |
| D | ISO/R2 | - | IUF | IUF | - | |
| C | ISO/R3 | - | IUF | IUF | - | |
| l: 9 tot 18 kg | D | ISO/R2 | - | IUF | IUF | - |
| C | ISO/R3 | - | IUF | IUF | - | |
| B | ISO/F2 | - | IUF | IUF | - | |
| B1 | ISO/F2X | - | IUF | IUF | - | |
| A | ISO/F3 | - | IUF | IUF | - | |
IUF = Geschikt voor ISOfix-bevestiging van naar voren gerichte, universele voor deze gewichtsgroep goedgekeurde kinderzijes.
X = ISOFIX bevestiging niet geschikt voor kinderzitje in deze gewichtsgroep en/of deze grootteklasse.
* Zowel ISO/R2 als ISO/R3 kan alleen op de voorste positie van de passagiersstoel geplaatst worden.
* Afmetingen en bevestigingspunten ISOfix-baby- of kinderzitje
A - ISO/F3: Volledig baby-/kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar voren gericht zit (hoogte 720 mm)
B - ISO/F2: Babyzitje waarbij het kind met het gezicht naar voren gericht zit (hoogte 650 mm)
B1 - ISO/F2X: Babyzitje (versie 2) waarbij het kind met het gezicht naar voren gericht zit (hoogte 650 mm)
C - ISO/R3: Volledig baby-/kinderzijte waarbij het kind met het gezicht naar achteren gericht zit (hoogte 720 mm)
D - ISO/R2: Babyzitje waarbij het kind met het gezicht naar achteren gericht zit
E - ISO/R1: Kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar achteren gericht zit
F - ISO/L1: Reiswieg waarbij het kind met het gezicht naar links gericht ligt
G - ISO/L2: Reiswieg waarbij het kind met het gezicht naar rechts gericht liigt
AIRBAG - AANVULLEND VEILIGHEIDSSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)

(1) Airbag bestuurder
(2) Airbag voorpassagier
(3) ON/OFF-schakelaar airbag
voorpassagier
(4) Zijairbag (indien van toepassing)
(5) Curtainbag (indien van toepassing)
(6) Airbagmodule
(7) Zijairbagsensor
(indien van toepassing)
(8) Airbagsensor vóór

Onderdelen aanvullend veiligheidssysteem en functies
De onderdelen van het aanvullend veiligheidssysteem zijn:
- Waarschuwingslampje AIRBAG
- Airbag voorpassagier
- Airbag bestuurder
- Airbagsensoren vóór
- Zijairbagsensoren (indien van toepassing)
- Airbagmodule (SRSCM)
- Blokkeerautomaten met gordelspanners
- Zijairbags (indien van toepassing)
- Curtain airbags (indien van toepassing)
- Controlelampje airbag voorpassagier UIT
- ON/OFF-schakelaar airbag voorpassagier
De SRSCM controleert constant alle componenten van het systeem als het contact in stand ON staat, om te bepalen of een aanrijding zwaar genoeg is om de airbags of de gordelspanners te activeren.
Het waarschuwingslampje AIR BAG op het dashboard knippert of brandt na het in stand ON zetten van het contact gedurende 6 seconden en moet vervolgens uit gaan.
Als een van de volgende condities zich voordoen, kan dat duiden op een storing in het airbagsysteem. Laat het airbagsysteem van uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer
- Het lampje niet kort gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet.
- Het lampje na ongeveer 6 seconden niet uitgaat maar blijft branden.
- Het lampje gaat branden tijdens het rijden.
Wat het airbagsysteem doet
De airbags voor bestuurder en voorpassagier zijn ontworpen om, in combinatie met de veiligheidsgordels, een extra bijdrage aan de veiligheid te leveren bij frontale aanrijdingen. De zijairbags en curtainbags (indien van toepassing) zijn bedoeld voor extra bescherming bij aanrijdingen van opzij, ook weer in combinatie met de veiligheidsgordels. Bij lichte aanrijdingen bieden de veiligheidsgordels voldoende bescherming. Bij zwaardere aanrijding bieden de veiligheidsgordels niet altijd voldoende bescherming. Om de bestuurder en de andere inzittenden in de auto bij een aanrijding optimaal te beschermen, moeten ook de veiligheidsgordels op de juiste manier worden gedragen.
Wat het airbagsysteem niet doet
Het airbagsysteem is ontworpen als aanvulling op de veiligheidsgordels. HET KOMT NIET IN DE PLAATS VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS.
De noodzaak van het gebruik van veiligheidsgordels
Er zijn vier belangrijke redenen om veiligheidsgordels te dragen in combinatie met het aanvullend veiligheidssysteem. Ze:
- Zorgen ervoor dat u in de juiste positie blijft (buiten het bereik van de airbag als deze opgeblazen wordt).
- Beperken de kans op letsel bij het over de kop slaan van de auto, bij aanrijdingen van achteren of van opzij. Dit omdat de airbag vóór niet ontworpen is om in dergelijke situaties opgeblazen te worden en omdat zelfs zijairbags in bepaalde gevallen niet geactiveerd worden.
- Beperken de kans op letsel bij frontale aanrijdingen of aanrijdingen van opzij die niet ernstig genoeg zijn om het aanvullend veiligheidssysteem te activeren.
- Beperken het risico dat u uit uw auto geslingerd wordt.
WAARSCHUWING
Airbags en
veiligheidsgordels
- Zelfs in auto's uitgerust met airbags, dienen u en uw passagiers te allen tijde de aanwezige veiligheidsgordels te dragen om de kans op letsel of de ernst daarvan bij een aanrijding of bij het over de kop slaan van de auto te beperken.
- Draag uw veiligheidsgordel altijd. Deze kan ervoor zorgen dat u tijdens hard afremmen net voor een aanrijding uit de buurt van de airbag blijft.
- Personen die geen veiligheidsgordel dragen of verkeerd op de stoel zitten kunnen niet voldoende worden beschermd en hebben een grotere kans op ernstig letsel.
(Vervolg)
(Vervolg)
- De voorste airbags zijn zo ontworpen dat ze bij bepaalde frontale aanrijdingen worden geactiveerd. Zijairbags en curtainbags (indien van toepassing) zijn bedoeld voor bepaalde zijdelingse aanrijdingen. Ze zullen in het algemeen geen bescherming bieden bij aanrijdingen van achteren af, bij het over de kop slaan van de auto en bij minder ernstige frontale aanrijdingen. Zij bieden geen bescherming bij aanrijdingen die het gevolg zijn van een kettingbotsing.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Wanneer er water in uw auto heeft gestaan (bijvoorbeeld natte vloerbedekking/laagje water op de vloer enz.) of wanneer uw auto op enige andere wijze waterschade opgelopen heeft, moet eerst de accukabel worden losgenomen voordat de motor gestart wordt of de sleutel in het contact wordt gestoken. Anders kan de airbag geactiveerd worden waardoor ernstig persoonlijk letsel op kan treden. Laat de auto naar een officiële Kia-dealer slepen om hem te laten controleren en zonodig te laten repareren.

De airbag van de bestuurder bevindt zich midden in het stuurwiel.
* Het aantal daadwerkelijke airbags kan afwijken van de afbeelding.
WAARSCHUWING
- Ga altijd zo ver mogelijk van het stuurwiel afzitten (bovenlichaam tenminste 250 mm (10 inch) van het stuurwiel), zonder de comfortabele zitpositie voor de bediening van de auto te verliezen, zodat het risico van ernstig letsel bij een aanrijding beperkt blijft.
- Plaats nooit voorwerpen op de airbag of tussen de airbag en uzelf. Dergelijk voorwerpen kunnen u door de kracht en de snelheid waarmee de airbag opgeblazen wordt ernstig verwonden.
- Breng geen stickers of andere versierselen aan op het stuurwielkussen. Deze kunnen het activeren van de airbag hinderen.

Airbag voorpassagier
De airbag voor de voorpassagier bevindt zich boven het dashboardkastje in het dashboard.
Plaats geen voorwerpen op het dashboard om te voorkomen dat deze bij het activeren van de airbag worden weggeslingerd.
* Het aantal daadwerkelijke airbags kan afwijken van de afbeelding.

ON/OFF-schakelaar airbag voorpassagier (indien aanwezig)
De airbag voorpassagier kan worden gedeactiveerd met behulp van de ON/OFF-schakelaar voor het geval er een kinderzitje op de voorpassagiersstoel wordt gemonteerd of voor het geval de voorstoel niet gebruikt wordt.
Om de veiligheid voor uw kind te garanderen, moet de airbag voorpassagier worden uitgeschakeld wanneer u een naar achteren gericht kinderzitje op de voorstoel monteert.

In- en uitschakelen van de airbag voorpassagier:
Steek om de airbag voorpassagier uit te schakelen de hoofdsleutel in de ON/OFF-schakelaar voor de airbag en zet deze in de stand OFF. Het controlelampje airbag voorpassagier UIT zal gaan branden en blijven branden toldat de airbag weer wordt ingeschakeld.
Steek om de airbag voorpassagier in te schakelen de hoofdsleutel in de ON/OFF-schakelaar voor de airbag en zet deze in de stand ON. Het controlelampje airbag voorpassagier UIT zal uitgaan.
\* AANWIJZING
- Als de schakelaar voor de airbag voorpassagier in stand ON staat, kan de airbag worden geactiveerd en mag er op de voorpassagiersstoel geen baby- of kinderzitje worden geplaatst.
- Als de schakelaar voor de airbag voorpassagier in stand OFF staat, is de airbag uitgeschakeld.
Z OPMERKING
- Als de ON/OFF-schakelaar van de airbag voorpassagier niet goed werkt, zal het waarschuwingslampje AIR BAG op het instrumentenpaneel gaan branden.
Verder zal, als het controlelampje airbag voorpassagier UIT niet brandt, de airbagmodule de airbag voorpassagier inschakelen en bij een frontale aanrijding activeren, ook al staat de ON/OFF-schakelaar van de airbag in de stand OFF.
(Vervolg)
(Vervoig)
Laat in dat geval de ON/OFF-schakelaar voor de airbag, het gordelspannersysteem en het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.
- Laat de ON/OFF-schakelaar voor de airbag, het gordelspannersysteem en het airbagsysteem zo speedig mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer als het waarschuwingslampje AIR BAG niet gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet of gaat branden tijdens het rijden.
WAARSCHUWING
- De bestuurder is verantwoordelijk voor de juiste stand van de ON/OFF-schakelaar van de airbag voorpassagier.
- Schakel de airbag voorpassagier alleen maar uit als het contact in stand OFF staat omdat er anders een defect kan ontstaan in de airbagmodule.
Verder kan het hierdoor voorkomen dat de airbag bestuurder en/of de voorpassagier en/of de zijairbag en curtain airbag niet of niet op de juiste manier worden geactiveerd in geval van een aanrijding.
- Plaats nooit een naar achteren gericht kinderzitje op de passagiersstoel, tenzij de airbag voorpassagier is uitgeschakeld. Het kind kan ernstig letsel oplopen als de airbag bij een aanrijding wordt geactiveerd.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Ook al is uw auto voorzien van een ON/OFF-schakelaar voor de airbag voorpassagier, monteer geen kinderzitje op de passagiersstoel. Een kinderzitje dient op de achterbank geplaatst te worden. Kinderen die te groot zijn voor een kinderzitje moeten plaatsnemen op de achterbank en gebruik maken van de aanwezige driepuntsgordels. Bij een aanrijding zitten kinderen het veiligst op de achterbank als ze op de juiste manier gebruik maken van de veiligheidsgordels.
- Zodra het niet meer nodig is een kind te vervoeren op de voorpassagiersstoel, moet de airbag voorpassagier weer worden ingeschakeld.
WAARSCHUWING
- De airbag voor de voorpassagier is veel groter en wordt met een aanzienlijk grotere kracht opgeblazen dan de airbag van de bestuurder. Deze kan een passagier die niet de goede zitpositie heeft en de veiligheidsgordel niet op de juiste manier draagt ernstig verwonden. De voorpassagier moet de stoel altijd zo ver mogelijk naar achteren schuiven en helemaal achterin de stoel gaan zitten.
- Het is van groot belang dat de voorpassagier altijd zijn of haar veiligheidsgordel draagt, zelfs bij het rijden op een parkeerterrein of op de oprit naar een garage.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Als de bestuurder krachtig moet remmen in een noodsituatie, worden de inzittenden naar voren gedrukt. Als de voorste inzittenden in dat geval geen gordel dragen, zullen zijn tegen de nog ontploffende airbag worden gedrukt. In dat geval kan ernstig letsel het gevolg zijn.
- Zorg ervoor dat de voorpassagier niet de handen of voeten op het dashboard laat rusten of met het gezicht te dicht in de buurt van het dashboard komt. Anders kan de airbag tijdens het activeren met grote kracht tegen de passagier aankomen.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Laat geen kinderen, zwangere vrouwen en andere zwakkere personen plaatsnemen op de voorstoel. Plaats ook geen kinderzitje op de voorstoel. Als de airbag wordt geactiveerd kan dit ernstig letsel tot gevolg hebben.
- Plaats geen voorwerpen op het dashboard en breng geen sticker aan op het dashboard. Plaats geen accessoires of extra spiegels op de voorruit. Deze kunnen het correct uitvouwen van de airbag verhinderen, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.

Zijairbag (indien van toepassing)
Beide voorstoelen van uw auto zijn uitgerust met een zijairbag. Het doel van de airbag is om de bestuurder en/of de voorpassagier een aanvullende bescherming te bieden naast de bescherming geboden door de veiligheidsgordel.
De zijairbags zijn ontworpen om alleen tijdens bepaalde aanrijdingen van opzij geactiveerd te worden, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, de hoek, de snelheid en de plaats van de impact. De zijairbags zijn niet ontworpen om bij alle aanrijdingen van opzij opgeblazen te worden.
* Het aantal daadwerkelijke airbags kan afwijken van de afbeelding.
WAARSCHUWING
- De zijairbag vormt een aanvulling op de gordelsystemen voor de bestuurder en de voorpassagier en geen vervanging voor deze systemen. Draag daarom tijdens het rijden altijd een veiligheidsgordel. De airbags worden alleen geactiveerd bij een aanrijding van opzij die krachtig genoeg is om letsel bij de inzittenden te veroorzaken.
- Voor de beste bescherming van de zijairbags en om letsel te voorkomen, dienen de bestuurder en de voorpassagier rechtop te zitten en de veiligheidsgordel op de juiste manier vast te maken. De bestuurder moet zijn handen in de tien voor twee stand op het stuurwiel plaatsen. De passagier moet zijn handen op de schoot houden.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Gebruik geen stoelhoezen.
- Het gebruik van stoelhoezen kan de werking van het systeem in negatieve zin beïnvloeden.
- Plaats geen accessoires op of in de buurt van de zijairbag.
- Plaats geen voorwerpen op de airbag of tussen de airbag en uzelf.
- Plaats geen voorwerpen (paraplu, tas, enz.) tussen het voorportier en de voorstoel. Dergelijke voorwerpen kunnen gevaarlijke projectielen worden en letsel veroorzaken wanneer de zijairbag geactiveerd wordt.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Sla niet op de zijairbagsensor wanneer het contact in stand ON staat. Hierdoor kan de airbag onverwacht geactiveerd worden, waardoor persoonlijk letsel kan ontstaan.
- Als de stoel of de bekleding beschadigd is, faat deze dan repareren door een officiële Kia-dealer.

Curtain airbag (indien van toepassing)
De curtain airbags bevinden zich langs de rand van het dak boven de voor- en achterportieren.
Ze zijn ontworpen om bij bepaalde aanrijdingen van opzij de hoofden van de voorste inzittenden en de passagiers op de buitenste zitplaatsen achter te beschermen.
* Het aantal daadwerkelijke airbags kan afwijken van de afbeelding.
De curtain airbags zijn ontworpen om alleen tijdens bepaalde aanrijdingen van opzij geactiveerd te worden, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, de hoek, de snelheid en de plaats van impact. De zijairbags zijn niet ontworpen om opgeblazen te worden bij frontale aanrijdingen, aanrijdingen van achteren en in de meeste situaties waarbij de auto over de kop slaat.
WAARSCHUWING
- De zijairbags en curtain airbags bieden een optimale bescherming als de inzittenden zo ver mogelijk rechtop zitten en hun gordel op de juiste manier dragen. Vooral voor kinderen is het belangrijk dat ze in een geschikt kinderzitje op de achterbank plaatsnemen.
- Als kinderen plaatsnemen op een van de buitenste zitplaatsen achterin, moeten ze in een geschikt kinderzitje plaatsnemen. Plaats het kinderzitje zo ver mogelijk weg van het portier en zet het goed vast.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Laat passagiers niet met het hoofd of andere delen van het lichaam tegen het portier leunen, steek de armen niet uit het raam en plaats geen voorwerpen tussen de passagier en de portieren als de auto is uitgerust met zijairbags en/of curtain airbags.
• Probeer nooit de onderdelen van de zijairbags en curtain airbags te openen of te repareren. Laat dit altijd over aan een officiële Kia-dealer.
Het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregelen kan ertoe leiden dat de inzittenden bij een aanrijding letsel oplopen.
Waarom werd de airbag bij een aanrijding niet opgeblazen?
(Voorwaarden voor wel of niet activeren van de airbags)
Er zijn veel soorten ongevallen waarbij de airbag geen aanvullende bescherming biedt.
Voorbeelden hiervoor zijn aanrijdingen van achter, tweede en volgende stoten bij een kettingbotsing en aanrijdingen bij lage snelheid. Met andere woorden, wees niet verrast wanneer de airbag(s) niet opgeblazen werd(en) hoewel uw auto beschadigd of zelfs total loss is.

(3) Zijairbagsensor (indien van toepassing)
WAARSCHUWING
- Let op dat u niet tegen plaatsen aanstoot waar de airbagsensoren zijn ingebouwd.
Anders kan de airbag onverwacht geactiveerd worden waardoor ernstig persoonlijk letsel op kan treden.
- Als de inbouwpositie van de airbagsensoren wordt gewijzigd, kan dit leiden tot activeren van de airbags in situaties waarin dit niet nodig is of het juist niet activeren van de airbags in situaties waar het wel nodig is. Voer daarom geen reparaties uit aan of in de buurt van de airbagsensoren. Laat de auto controleren en repareren door een officiële Kia-dealer.
(Vervoig)
(Vervolg)
- Er kunnen problemen ontstaan als de hoek waaronder de sensoren zijn ingebouwd wordt gewijzigd als gevolg van vervorming van de voorbumper of de carrosserie op plaatsen waar de airbagsensoren zijn ingebouwd. Laat de auto controleren en repareren door een officiële Kia-dealer.
- Uw auto is ontworpen om botsenergie zoveel mogelijk te absorberen en in bepaalde gevallen de airbag(s) te activeren. Het monteren van niet-originele bumpers of accessoires op de bumper kan een nadelige invloed hebben op de bescherming bij een aanrijding.

Voorwaarden voor activeren airbags
Voorste airbags
De voorste airbags (voor bestuurder en voorpassagier) worden geactiveerd bij frontale aanrijdingen, waarbij rekening wordt gehouden met de botskracht, de botshoek en de rijsnelheid.

Zijairbag (indien van toepassing)
De airbags opzij (zijairbags en curtainbags) worden geactiveerd bij een aanrijding van opzij, waarbij rekening wordt gehouden met de kracht van de botsing, de botshoek, de zijdelingse snelheid en de mogelijke roibeweging van de auto.
Ofschoon de voorste airbags (voor bestuurder en voorpassagier) ontworpen zijn voor frontale aanrijdingen, kunnen ze ook bij andere aanrijdingen, waarbij een bepaalde botskracht in de lengterichting optreedt, worden geactiveerd.
Ofschoon de airbags opzij (zijairbags en curtainbags (indien van toepassing)) ontworpen zijn voor zijdelingse aanrijdingen, kunnen ze ook bij andere aanrijdingen, waarbij een bepaalde botskracht in de dwarsrichting optreedt, worden geactiveerd.
Ze kunnen dus ook worden geactiveerd bij aanrijdingen onder een hoek, bij aanrijdingen waarbij de auto onder een vrachtwagen of bus schuift of als de auto over de kop rolt. Rijd daarom altijd voorzichtig.
De airbags kunnen ook worden geactiveerd als de auto zware stoten ondervindt bij het rijden op zeer slechte wegen. Rijd daarom voorzichtig op slechte wegen.
Bij bepaalde aanrijdingen van opzij kunnen als extra bescherming ook de voorste airbags worden geactiveerd.

Voorwaarden voor niet activeren airbags
- Bij sommige aanrijdingen bieden de veiligheidsgordels voldoende bescherming en worden de airbags niet geactiveerd. Als de airbags worden geactiveerd, bestaat er een kans op letsel (lichte schaaf-, brand- en snijwonden en dergelijke) en zou de bestuurder de controle over de auto kunnen verliezen.

- Bij aanrijding van achter worden de airbags meestal niet geactiveerd, omdat de inzittenden dan door de botskracht naar achteren worden gedrukt. In dat geval zijn de airbags overbodig.

- De voorste airbags worden bij zijdelingse aanrijdingen soms niet geactiveerd. De inzittenden bewegen altijd in de richting van de aanrijding, waardoor het activeren van de voorste airbags overbodig kan zijn. In dat geval kunnen de zijairbags en curtainbags (indien van toepassing) wel worden geactiveerd.

- Bij een aanrijding onder een schuine hoek is de botskracht kleiner dan bij een frontale botsing. In dat geval worden de airbags mogelijk ook niet geactiveerd.

- Op het moment van een aanrijding zal de bestuurder in een reflex hard remmen. Doordat de voorkant van de auto door de remkracht inveert, kan de auto onder hoge voertuigen schuiven. In dat geval is de botskracht mogelijk vrij klein, en worden de airbags niet geactiveerd.

OED036104
- Als de auto over de kop gaat, bieden de voorste airbags onvoldoende bescherming. Deze worden dan niet geactiveerd.
De zijairbags (indien van toepassing) kunnen echter wel geactiveerd worden als de auto na een aanrijding van opzij over de kop slaat.

- De airbags worden soms niet geactiveerd bij een aanrijding tegen een boom of paal, waarbij de botskracht zich concentreert op een klein gedeelte van de auto, buiten het bereik van de sensoren.
Werking van airbagsysteem
- De airbags kunnen alleen worden geactiveerd als het contact in stand ON of START staat.
- De airbags worden bij zwaardere aanrijdingen onmiddellijk geactiveerd om de inzittenden te beschermen tegen letsel.
- De airbags worden niet bij slechts één bepaalde rijsnelheid opgeblazen.
Of de airbags worden geactiveerd, hangt voornamelijk af van de kracht en de richting van de aanrijding. Deze twee factoren bepalen of de sensoren een elektronisch activeringssignaal uitzenden.
- Of de airbags al dan niet opgeblazen worden, is afhankelijk van een aantal factoren, zoals de rijsnelheid, de hoek van de aanrijding, de massa en de stijfheid van de bij de aanrijding betrokken auto's of objecten. Cok andere factoren kunnen een rol spelen.
- De voorste airbags worden direct volledig opgeblazen, waarna ze meteen weer leeglopen.
Het is vrijwel onmogelijk om tijdens een ongeval waar te nemen dat de voorste airbags opgeblazen worden. Het is aannemelijker dat u de leeggelopen airbags na de aanrijding uit het stuurwiel of het dashboard ziet hangen.
- Om bij een zware aanrijding bescherming te bieden, moeten de airbags snel opgeblazen worden. De snelheid waarmee de airbag wordt opgeblazen speelt een belangrijke rol in het voorkomen van ernstig letsel. Deze vormt dus een belangrijk punt tijdens het ontwerpen van een airbag.
Het opblazen van een airbag kan dus ook letsel zoals schaafwonden, blauwe piekken en gebroken ledematen veroorzaken. - Er zijn zelfs omstandigheden waaronder het contact met de airbag in het stuurwiel tot ernstig letsel kan leiden, vooral wanneer de inzittende te dicht op het stuurwiel zit.
WAARSCHUWING
- De bestuurder moet zover mogelijk van het stuurwiel af(tenminste 250 mm) gaan zitten om de kans op letsel te verminderen.
De voorpassagier moet de stoel altijd zo ver mogelijk naar achteren schuiven en helemaal achterin de stoel gaan zitten. - De airbags worden bij een aanrijding onmiddellijk geactiveerd en door de grote kracht waarmee dit gebeurt, kunnen de passagiers ernstig gewond raken als ze te dicht bij de airbag zitten.
- Het activeren van de airbags kan letsel veroorzaken als schaafwonden, verwondingen door brillen en brandwonden door de explosieve lading van de airbags.
Geluid en rookontwikkeling bij activeren airbag
Bij het opblazen van de airbags is een hard geluid hoorbaar en komt rook en poeder vrij. Dit is normaal en word: veroorzaakt doordat het ontstøkingsmechanisme van de airbag geactiveerd wordt. Nadat de airbags opgeblazen zijn, kunt u een poose last hebben bij het aderrhalen doordat uw borstkas in contact is geweest met zowel de veiligneidsgordel als de airbag en doordat u de rook hebt ingeademd. Wij adviseren u met klem zo snel mogelijk na een aanrijding de portieren en/of de ruiten te openen wanneer dit mogelijk is, om te voorkomen dat u te lang in aanraking blijft met de rook.
Hoewel de rook en het poeder niet giftig zijn, kunnen deze wel huidirritaties veroorzaken in de buurt van ogen, neus en hals. Was in dat geval de desbetreffende plek schoon en spoel deze met koud water na. Raacpleeg een dokter als de symptomen aanhouden.
WAARSCHUWING
Als de airbags gactiveerd zijn, zijn de bij het airbagsysteem behorende onderdelen in het stuurwiel en/of instrumentenpaneel en/of de dakrails boven de voor- en achterportieren zeer heet. Raak de onderdelen van het airbagsysteem niet aan direct nadat een airbag opgeblazen is, om letsel te voorkomen.

Het is verboden om een kinderzitje op de voorstoel te plaatsen.
Gebruik nooit een kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar achteren gericht op de voorstoel zit. Als de airbag wordt opgeblazen, oefent deze op een dergelijk geplaatst kinderzitje een grote kracht uit, waardoor het kind ernstig letsel kan oplopen.
Gebruik op de voorstoel ook geen kinderzitje waarbij het kind met het gezicht naar voren is gericht. Als de airbag van de voorpassagier wordt geactiveerd, zou dit ernstig letsel kunnen veroorzaken.
WAARSCHUWING
- Gebruik nooit een kinderzitje op de voorstoel. Als de airbag van de voorpassagier wordt geactiveerd, zou dit ernstig letsel kunnen veroorzaken.
- Als het kinderzitje op één van de buitenste zitplaatsen achter wordt geplaatst bij uitvoeringen met zijairbags, zorg er dan voor dat het kinderzitje zo ver mogelijk weg van het portier wordt geplaatst en zet het goed vast.
Door het activeren van de zijairbag of curtainbag zou dit ernstig letsel kunnen veroorzaken.
AIR BAG
Waarschuwingslampje AIRBAG
Het doel van het waarschuwingslampje AIRBAG in het dashboard is om u te waarschuwen voor een mogelijke storing in de airbag - het aanvullend veiligheidssysteem (SRS).
Als het contact in stand ON wordt gezet, moet het lampje gedurende ongeveer 6 seconden gaan knipperen en daarna uitgaan.
Laat het systeem controleren wanneer:
- Het lampje niet kort gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet.
- Het lampje na ongeveer 6 seconden niet uitgaat maar blijft branden.
- Het lampje gaat branden tijdens het rijden.
Onderhoud aan aanvullend veiligheidssysteem
Het aanvullend veiligheidssysteem is nagenoeg onderhoudsvrij en bevat geen onderdeien waaraan u zelf veilig onderhoud kunt plegen. Als het waarschuwingslampje AIR BAG niet gaat branden of constant brandt, laat uw auto dan zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.
Alle werkzaamheden aan het aanvullend veiligheidssysteem, zoals het verwijderen, het plaatsen of het repareren ervan, of werkzaamheden aan het stuurwiel moeten uitgevoerd worden door een officiële Kia-dealer. Een onjuiste behandeling van het airbagsysteem kan leiden tot ernstig persoonlijk letsel.
WAARSCHUWING
- Modificaties aan onderdelen van het aanvullend veiligheidssysteem of de bedrading, inclusief het aanbrengen van stickers, enz. op afdekkappen of modificaties aan de carrosseriestructuur kunnen ertoe leiden dat het systeem niet goed werkt, waardoor letsel kan ontstaan. - Reinig de afdekkappen van de airbags alleen met een zachte, droge doek of met een doek die bevochtigd is met schoon water. Oplos- en reinigingsmiddelen kunnen het materiaal van de afdekkappen aantasten en de werking van het systeem in negatieve zin beïnvloeden.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Er mogen geen objecten op of in de buurt van de airbags in het stuurwiel, op het instrumentenpaneel of op het dashboardpaneel boven het dashboardkastje worden geplaatst omdat dergelijke voorwerpen letsel kunnen veroorzaken als de airbags bij een aanrijding geactiveerd worden. - Als de airbags geactiveerd zijn, moeten ze vervangen worden door een officiële Kia-dealer. - Stel de onderdelen van het airbagsysteem niet bloot aan schokken en neem de bedrading van het airbagsysteem ook niet los. Als u dat wel doet kunt u letsel oplopen omdat de airbags onverwacht geactiveerd kunnen worden of juist niet geactiveerd worden wanneer dat wel nodig is.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Als onderdelen van het airbagsysteem moeten worden afgevoerd of als de auto in zijn geheel moet worden afgevoerd, moeten bepaalde voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de veiligheid in acht worden genomen. Een officiële Kia-dealer kent deze voorzorgsmaatregelen en kan u de benodigde informatie verstrekken. Het niet opvolgen van deze voorzorgsmaatregelen en procedures vergroot de kans op persoonlijk letsel. - Als uw auto in te diep water terechtgekomen is, waardoor de vloerbedekking doorweekt is of er water op de bodemplaats staat, probeer dan niet uw auto te starten maar laat hem transporteren naar een officiële Kia-dealer.
Aanvullende voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de veiligheid
- Vervoer nooit mensen in de bagageruimte of op een neergeklapte rugleuning. Laat iedereen rechtop zitten, met zijn rug tegen de rugleuning van de stoel, de veiligheidsgordel om en de voeten op de vloer.
- De inzittenden moeten tijdens het rijden niet uit hun stoel komen of van plaats wisselen. Een inzittende die zijn veiligheidsgordel niet draagt kan tijdens een aanrijding of een noodstop door de auto geslingerd worden, tegen andere inzittenden aan, of zelfs uit de auto geslingerd worden.
-
Elke veiligheidsgordel is bestemd voor een persoon. Als er meerdere personen van dezelfde veiligheidsgordel gebruik maken, kunnen ze bij een aanrijding ernstig letsel oplopen.
-
Maak geen gebruik van accessoires die aan de veiligheidsgordels bevestigd moeten worden. Accessoires die claimen het comfort voor de inzittenden te verbeteren of die de gordel anders geleiden, kunnen de beschermende werking van de veiligheidsgordel in negatieve zin beïnvloeden en de kans op letsel bij een aanrijding vergroten.
- De inzittenden moeten geen harde of scherpe voorwerpen plaatsen tussen henzelf en de airbags. Het dragen van harde of scherpe voorwerpen rond uw middel of het in uw mond houden van dergelijke voorwerpen kan ernstig letsel veroorzaken als een airbag geactiveerd wordt.
-
Blijf op veilige afstand van de afdekkappen van de airbags. Laat iedereen rechtop zitten, met zijn rug tegen de rugleuning van de stoel, de veiligheidsgordel om en de voeten op de vloer. Als inzittenden zich te dicht bij een airbag bevinden, kunnen ze letsel oplopen als de airbags geactiveerd worden.
-
Bevestig geen voorwerpen aan of in de buurt van de afdekkappen van de airbags. Voorwerpen die bevestigd zijn aan of in de buurt van de afdekkappen van de airbags vóór of de zijairbags kunnen een juiste werking van de airbags in negatieve zin beïnvloeden.
- Modificeer de voorstoelen niet. Modificatie van de voorstoelen kan de werking van de sensoren van het aanvullend veiligheidssysteem of van de zijairbags in negatieve zin beïnvloeden.
- Plaats niets onder de voorstoelen. Het plaatsen van voorwerpen onder de voorstoelen kan de werking van de sensoren van het aanvullend veiligheidssysteem of van de bedrading in negatieve zin beïnvloeden.
- Laat nooit het heupgedeelte van uw gordel om een kind heen lopen dat op uw schoot zit. Het kind zou ernstig letsel kunnen oplopen in geval van een aanrijding. Baby's en kinderen moeten op de juiste manier in geschikte kinderzijtes of gordels op de achterbank vervoerd worden.
WAARSCHUWING
- Als de inzittenden niet in de juiste positie zitten, kunnen ze te dicht bij een zich vullende airbag komen, delen in het interieur van de auto raken of uit de auto geslingerd worden.
- Zit altijd zoveel mogelijk rechtop, met de rugleuning rechtop, midden op de zitting en met uw veiligheidsgordel om, uw benen op een comfortabele manier gestrekt en uw voeten op de vloer.
Monteren van accessoires of modificaties aan uw met een airbag uitgeruste auto
Als u modificaties aan het chassis, de bumper, de voorzijde, het plaatwerk opzij of de rijhoogte aanbrengt of laat aanbrengen, kan dat invloed hebben op de werking van het airbagsysteem van uw auto.

OED036081/OED036041/OED036042
Airbagwaarschuwingslabel
Het airbagwaarschuwingslabel is bedoeld om de bestuurder en passagiers te waarschuwen voor mogelijke gevaren van het airbagsysteem.
MOTORKAP

- Trek aan de ontgrendelknop links onder het dashboard om de motorkap te ontgrendelen. De motorkap komt iets omhoog.

- Ga naar de voorzijde van de auto en til de motorkap iets op. Druk de veiligheidshaak (1) in het midden van de motorkap terug en trek de motorkap omhoog (2).

- Open de motorkap en plaats het uiteinde van de steun in de opening in de kap (1).
OPMERKING
Pak de steun altijd vast bij het deel dat omwikkeld is met rubber. Het rubber voorkomt dat u zich brandt aan het hete metaal als de motor warm is.
Sluiten van motorkap
- Controleer de volgende punten alvorens de motorkap te sluiten:
- Of alle vuldoppen correct teruggeplaatst zijn.
- Of er geen handschoenen, doeken of andere brandbare materialen in de motorruimte zijn achtergebleven.
- Zet de steun vast in de clip.
- Laat de motorkap zakken totdat hij ongeveer 30 cm (12 inch) openstaat en laat hem vervolgens ios, zodat hij goed in het slot valt. Controleer of de motorkap goed vergrendeld is alvorens te gaan rijden.
WAARSCHUWING
- Controleer, voordat u de motorkap sluit, of alle losse onderdelen en gereedschappen uit de motorruimte verwijderd zijn en er geen personen in de buurt van de motorkap staan wiens handen bekneld zouden kunnen raken.
- Laat geen handschoenen, doeken of andere brandbare materialen achter in de motorruimte. Deze zouden door de hitte in brand kunnen vliegen.
TANKDOPKLEP

- Zet de motor uit.
- Trek aan de ontgrendelhendel om de tankdopklep te openen.
WAARSCHUWING
Draag in verband met scherpe randen beschermende handschoenen tijdens het openen van de tankdopklep.

- Open de tankdopklep.
- Draai de tankdop linksom om deze te verwijderen.
- Vul de tank met brandstof.
- Plaats de dop terug en draai hem rechtsom totdat deze klikt. Dat geeft aan dat de dop goed vastzit.
- Sluit de tankdopklep en druk deze goed dicht.
WAARSCHUWING
- Tanken
In de brandstoftank kan een verhoogde druk heersen, waardoor er bij het openen van de tankdop een beetje brandstof uit kan spuiten. Verwijder de tankdop altijd voorzichtig en langzaam. Als er brandstof naar buiten komt of er een sissend geluid hoorbaar wordt, moet u even wachten voordat u de dop verder losdraait.
WAARSCHUWING
Brandstof is licht ontvlambaar en explosief. Neem bij het tanken de volgende richtlijnen in acht. Het niet opvolgen van deze richtlijnen kan leiden tot ernstig persoonlijk letsel als gevolg van brand of een explosie.
- Kijk voor het tanken altijd of er een noodknop voor het afsluiten van de brandstof is bij de brandstofpomp. - Raak, voordat u de tankdop en vulopening aanraakt, altijd even een ander metalen deel aan de voorzijde van de auto aan, om brandgevaar als gevolg van statische elektriciteit te voorkomen.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Stap niet terug in de auto tijdens het tanken. Raak geen stof aan die statische elektriciteit kan produceren (polyester, satijn, nylon, enz.). Statische elektriciteit kan brandstofdampen doen ontbranden, wat explosiegevaar oplevert. Als u tijdens het tanken toch terug in de auto moet stappen, raak ook dan even een metalen deel aan de voorzijde van de auto aan om eventuele statische elektriciteit kwijt te raken. - Als u een jerrycan wilt vullen, plaats deze dan op de grond. Een met statische elektriciteit geladen jerrycan kan brandstofdampen doen ontbranden. Zodra u begint te tanken, dient u contact te maken met de auto tot het tanken is voltooid.
Gebruik alleen jerrycans die geschikt zijn voor brandstof.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Gebruik geen mobiele telefoon in de buurt van een brandstofpomp. Elektrische stroom en/of elektronische storing van mobiele telefoons kan brandstofdampen doen ontbranden. Als u toch moet bellen, doe dat dan niet in de buurt van een brandstofpomp. - Zet de motor uit vóór het tanken. De elektrische onderdelen van de motor kunnen vonken produceren die brandstofdampen kunnen doen ontbranden. Zorg er altijd voor dat de motor UIT is vóór en tijdens het tanken. Controleer na het tanken of de tankdop en het tankdopklepje goed dicht zijn voordat u de motor start.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Gebruik geen open vuur bij een tankstation. Gebruik GEEN lucifers of aansteker en ROOK NIET. Laat ook geen brandende sigaret achter in de auto terwijl u gaat tanken. Brandstof is licht ontvlambaar en explosief.
- Als er tijdens het tanken brand uitbreekt, verlaat dan onmiddellijk de auto en breng de manager van het tankstation, de politie en de brandweer op de hoogte. Volg hun veiligheidsinstructies op.
OPMERKING
- Zorg ervoor dat u de juiste brandstof tankt, dus alleen benzine bij auto's met benzinemotor en alleen diesel bij auto's met dieselmotor.
• Zorg er na het tanken voor dat de tankdopklep goed dicht zit. - Gebruik, als de tankdop vervangen moet worden, uitsluitend een originele Kiadop of een andere, voor uw auto geschikte dop. Een verkeerde tankdop kan een ernstige storing in het brandstofsysteem of het emissieregelsysteem veroorzaken. De juiste vervangende dop is verkrijgbaar bij de officiële Kia-dealers.
- Mors geen brandstof op de buitenzijde van de auto. Brandstof kan de lak aantasten.
\* AANWIJZING
Druk voorzichtig op de tankdopklep of tik er zachtjes op als deze vastgevroren zit.
SPIEGELS
Buitenspiegel
Stel de spiegels af voordat u gaat rijden.
Uw auto is uitgerust met zowel een linker als een rechter buitenspiegel. De spiegels kunnen van binnenuit met een hendel versteld worden of elektrisch met behulp van een schakelaar afhankelijk van het gebruikte type. De spiegels kunnen worden ingeklapt om beschadigingen in een automatische wasserette of bij het rijden door een smalle straat te voorkomen.
WAARSCHUWING
- De rechter buitenspiegel is convergerend.
Bij uitvoeringen voor sommige landen is ook de linker buitenspiegel convergerend. Objecten in de spiegel zijn daardoor dichterbij dan ze lijken. - Gebruik bij het veranderen van rijstrook daarom uw binnenspiegel of kijk opzij om de werkelijke afstand tot het achteropkomende verkeer vast te stellen.

Verstei de buitenspiegel door de hendel aan de binnenzijde te bewegen.
7. OPMERKING
Gebruik geen krabber om de spiegel ijsvrij te maken; hierdoor kan het spiegelglas beschadigd raken. Forceer een bevroren spiegel niet tijdens het verstellen. Verwijder ijs met een ruitontdooier of met een spons of zachie doek en heet water.

Met behulp van de schakelaar kunt u de linker en rechter buitenspiegel elektrisch verstellen. Zet de keuzeschakelaar (1) in de stand R of L afhankelijk van de spiegel die u wilt verstellen. Druk vervolgens op het desbetreffende deel (▲) van de bedieningsschakelaar om de spiegel naar boven of naar beneden, naar links of rechts te verstellen.
Zet het hendeltje na het verstellen terug in het midden om te voorkomen dat de spiegel onbedoeld wordt versteld.
OPMERKING
- De spiegels stoppen hun beweging als de maximale stelhoek bereikt is. De stelmotor blijft echter draaien zolang de schakelaar ingedrukt blijft. Houd de schakelaar niet langer ingedrukt dan nodig om te voorkomen dat de stelmotor beschadigd wordt.
- Probeer nooit de spiegels tijdens het rijden te verstellen. Anders kan er schade ontstaan.

Pak de buitenspiegel bij de behuizing vast en klap deze naar achteren.

Druk op de toets om de buitenspiegel in te klappen.
Druk nogmaals op de toets om hem uit te klappen.
\* AANWIJZING
Klap een elektrisch bedienbare buitenspiegel nooit in met de hand. Hierdoor kan de motor beschadigd raken.
Spiegelverwarming (indien van toepassing)
De spiegelverwarming wordt tegelijk met de achterruitverwarming ingeschakeld. Druk de schakelaar van de achterruitverwarming in om de buitenspiegels te verwarmen ( ).
Het spiegelglas zal opgewarmd worden zodat ijs en wasem verdwijnt en u een beter zicht naar achter heeft. Druk nogmaals op de schakelaar om de verwarming uit te schakelen. De spiegelverwarming schakelt zichzelf na 20 minuten automatisch uit.
Binnenspiegel met dag-/nachtstand
Stel de binnenspiegel zo af dat u in het midden van de spiegel hot midden van de achterruit ziet. Stel de spiegel af voordat u gaat rijden.
OPMERKING
Zorg er indien mogelijk voor dat het uitzicht door de achterruit niet belemmerd wordt.

Handmatig
Stel de spiegel af voordat u wegrijdt en deze in de dag-stand staat.
Trek de hendel onder aan de spiegel naar u toe om de spiegel in de nachtstand te zetten om verblinding door de koplanpen van achteropkomend verkeer te voorkomen.
Houd er rekening mee dat het beeld in de spiegel in de nachtstand minder duidelijk is dan in de dagstand.

(indien van toepassing)
Een sensor in de spiegel registreert de lichtinval en absorbeert door middel van een chemische reactie de weerspiegelingen in een bereik van.
Als de selectiehendel in de achteruitstand (R) wordt gezet, wordt de binnenspiegel in de helderste stand gezet om het uitzicht naar achteren zo duidelijk mogelijk te maken.
Als het contact in stand ON staat, wordt de automatische dimfunctie automatisch ingeschakeld.
Druk op de AAN/UIT-knop (1) om de automatische dimfunctie uit te schakelen. Het spiegelcontrolelampje zal uitgaan.
Druk nogmaals op de AAN/UIT-knop (1) om de automatische dimfunctie weer in te schakelen. Het spiegelcontrolelampje zal gaan branden.

OPMERKING
Gebruik voor het reinigen van de spiegel een papieren doekje of vergelijkbaar materiaal dat vochtig is gemaakt met glasreiniger. Spuit niet direct glasreiniger op de spiegel. Hierdoor kan er glasreiniger in de spiegel komen.
Voor (indien van toepassing)
(1) De lampjes worden AAN en UIT geschakeld door de desbetreffende schakelaar in te drukken.
(2) DOOR:
De interieurverlichting gaat branden als een portier wordt geopend of als de portieren worden ontgrendeld met de afstandsbediening (indien van toepassing). De interieurverlichting gaat 30 seconden na het sluiten van het portier langzaam uit. Als het contact in stand ON staat of alle portieren vergrendeld worden met de afstandsbediening, zal de interieurverlichting echter binnen 30 seconden uitgaan.

Middeiste zitplaats (indien van toepassing)
(1) De lampjes worden AAN en UIT geschakeld door de desbetreffende schakelaar in te drukken.
(2) DOOR:
De interieurverlichting gaat branden als een portier wordt geopend of als de portieren worden ontgrendeld met de afstandsbediening (indien van toepassing). De interieurverlichting gaat 30 seconden na het sluiten van het portier langzaam uit. Als het contact in stand ON staat of alle portieren vergrendeld worden met de afstandsbediening, zal de interieurverlichting echter binnen 30 seconden uitgaan.
OPBERGVAK
\* AANWIJZING
- Laat geen waardevolle spullen achter in de opbergvakken, om diefstal te voorkomen.
- Plaats voorwerpen zodanig in de opbergvakken dat ze niet rammelen of op enige manier gevaar op kunnen leveren tijdens het rijden.
- Houd de deksels van de opbergvakken tijdens het rijden gesloten. Plaats niet te veel voorwerpen in de opbergvakken om te voorkomen dat de deksels niet gesloten kunnen worden.
WAARSCHUWING
Bewaar geen aanstekers of andere brandbare of explosieve materialen in de auto. Deze kunnen ontploffen of vlam vatten wanneer de auto gedurende lange tijd blootgesteld staat aan hoge temperaturen.

Opbergvak middenconsole (indien van toepassing)
Trek de lipjes (1) of (2) omhoog om het gewenste opbergvak te openen. In deze opbergvakken kunnen kleine voorwerpen voor bestuurder of voorpassagier worden bewaard.

Multifunctioneel vak (indien van toepassing)
Druk op de toets om de klep te openen. Het kan gebruikt worden voor het bewaren van kleine voorwerpen.

Trek om het dashboardkastje te openen aan de hendel (1) en het dashboardkastje opent automatisch (2). Sluit het dashboardkastje na gebruik.
Als uw auto is uitgerust met een koelboxfunctie kunt u dranken en andere etenswaren warm of koud houden door de uitstroomopening in het dashboardkastje te openen of te sluiten.
Zie voor meer details hoofdstuk 4.
Z OPMERKING
Houd het dashboardkastje tijdens het rijden altijd gesloten om de kans op letsel in geval van een aanrijding of bij plotseling remmen te verminderen.

Opbergvak voor zonnebril (indien van toepassing)
In de dakconsole bevindt zich een opbergvak voor een zonnebril. Druk op het afdekkapje om het opbergvak langzaam te openen. Plaats uw zonnebril met de glazen naar boven gericht in het opbergvak. Druk het opbergvak dicht.
\* AANWIJZING
Controleer of het ophergvak goed dicht zit alvorens te gaan rijden.
OVERIGE VOORZIENINGEN

Aansteker (indien van toepassing)
Voor het gebruik de aansteker indrukken en loslaten. Als het element voldoende verhit is, komt de aansteker automatisch naar buiten en is hij gereed voor gebruik.
Als de motor niet draait, moet het contact in stand ACC staan om de aansteker te kunnen gebruiken.
\* AANWIJZING
- Houd de aansteker niet ingedrukt omdat daardoor oververhitting kan ontstaan.
- Als aansteker mag alleen een originele Kia-aansteker worden gebruikt.
Het gebruik van de aansteker als voedingsbron voor accessoires (scheerapparaten, kruimelzuigers, koffiezetapparaten, enz.) kan de aanstekerbus beschadigen of kortsluiting veroorzaken. - Verwijder de aansteker met de hand wanneer deze niet binnen 30 seconden naar buiten springt om oververhitting te voorkomen.

Asbakken (indien van toepassing)
Druk, om de asbak te gebruiken, kort op de voorkant van de asbak, waardoor de aansteker en de asbak langzaam uit de middenconsole schuiven.
Verwijderen: Trek het binnenste van de asbak voorzichtig naar buiten.
WAARSCHUWING
- Gebruik van asbak
- Gebruik de asbakken in de auto niet voor afval.
- Er kan brand ontstaan wanneer brandende sigaretten of lucifers in een asbak met brandbare materialen worden gestopt.
Bekerhouder
WAARSCHUWING - Hete vloeistoffen
- Plaats geen bekers met hete vloeistof in de houder tijdens het rijden. Het morsen van hete vloeistof kan brandwonden tot gevolg hebben. Als dit bij de bestuurder gebeurt, zou deze de controle over de auto kunnen verliezen.
- Om het risico van persoonlijk letsel bij een aanrijding of een noodstop tot een minimum te beperken, mogen tijdens het rijden geen open flesjes, bekers, blikjes enz. in de bekerhouder worden geplaatst.

Voor
In de bekerhouders kunnen bekers en blikjes frisdrank worden geplaatst.

Achter (indien van toepassing)
Druk op toets om de bekerhouders achter te kunnen gebruiken. Druk het deksel na gebruik dicht.
\* AANWIJZING
Plaats geen zware bekers of blikjes in de bekerhouders. Hierdoor kunnen ze beschadigd raken.

Zonneklep
Gebruik de zonneklep om verblinding door direct zonlicht via de voor- en zijruiten tegen te gaan.
Trek de zonneklep omlaag om deze te kunnen gebruiken.
Trek de zonneklep omlaag, neem hem uit de steun (1) en draai hem naar de zijruit om bescherming te verkrijgen tegen zon van opzij.
De make-upspiegel kunt u gebruiken door de zonneklep te openen en het afdekkapje (2) van de spiegel op te klappen.
De make-upspiegelverlichting (indien aanwezig) gaat uit als de spiegelkap gesloten wordt of als de zonneklep in zijn oorspronkelijke positie wordt teruggezet.
\* AANWIJZING
- Sluit het afdekkapje van de make-upspiegel goed en klap de zonneklep omhoog na gebruik.
- Als de make-upspiegelverlichting (indien van toepassing) blijft branden, kan de accu te ver ontladen raken en kan er mogelijk schade aan de zonneklep ontstaan.

Deze aansluitingen zijn ontworpen om mobiele telefoons en andere apparaten die in de auto gebruikt kunnen worden, op te laden. Deze apparaten mogen niet meer dan 10 A afnemen als de motor draait.
\* AANWIJZING
- Gebruik de elektrische aansluiting alleen bij draaiende motor en neem het aangesloten apparaat los na gebruik. Gebruik van het apparaat bij een niet-draaiende motor of het aangesloten laten van het apparaat gedurende meerdere uren kan ertoe leiden dat de accu te ver ontladen raakt.
- Alleen voor het aansluiten van elektrische apparatuur die werkt op 12 V en een stroomverbruik heeft van maximaal 10 A.
- Schakel de airconditioning of de verwarming in de laagste stand als de 12V-aansluiting tegelijkertijd wordt gebruikt.
- Plaats het afdekkapje op de aansluiting wanneer deze niet wordt gebruikt.
- Sommige elektronische apparaten die op de 12V-aansluiting worden aangesloten, kunnen storingen veroorzaken. De problemen kunnen variëren van een slechte radio-ontvangst tot storingen in de elektronische systemen en apparaten in de auto.

Digitale klok (indien van toepassing)
Type A (indien van toepassing)
Als de accukabels, de zekeringen ROOM of de voedingsstekker zijn losgenomen, moet de tijd opnieuw worden ingesteld.
Zie voor meer details het deel over de tripcomputer in hoofdstuk 4.

Type B (indien van toepassing)
Wanneer het contact in stand ACC of ON staat, werken de knoppen van de klok als volgt:
• UREN:
Druk knop H met uw vinger, een potlood of iets dergelijks in om de urenaanduiding met één uur te wijzigen.
Als de knop langer dan 2 seconden wordt ingedrukt, loopt de tijd continu door.
• MINUTEN:
Druk knop M met uw vinger, een potlood of iets dergelijks in om de minutenaanduiding met één minuut te wijzigen.
Als de knop langer dan 2 seconden wordt ingedrukt, loopt de tijd continu door.
- RESETTEN:
Druk knop R met uw vinger, een potlood of iets dergelijks in om de minuten op nul te zetten. De klok wordt daarmee op het hele uur gelijkgezet.
Als de knop R bijvoorbeeld wordt ingedrukt bij een tijd tussen 9:01 en 9:29, zal het display 9:00 aangeven.
9:01 - 9:29 => 9:00
9:30 \~ 9:59 => 10:00
Houd toets R 5 seconden ingedrukt om van een 24-uursweergave over te schakelen op een 12-uursweergave.
Als u bijvoorbeeld toets R 5 seconden ingedrukt houdt als het display 22:15 aangeeft, zal het display veranderen in 10:15.

AUX- en USB-aansluiting (indien van toepassing)
Als uw auto is uitgerust met een AUX-aansluiting en/of een USB-aansluiting (Universal Serial Bus) kunt u de AUX-aansluiting gebruiken voor het aansluiten van een extern audioapparaat en de USB-aansluiting voor een apparaat met een USB-kabel of een USB-stick.
\* AANWIJZING
Als er een draagbaar audioapparaat op de elektrische aansluiting wordt aangesloten, kan er tijdens het afspelen storing hoorbaar zijn. Gebruik in dat geval de voedingsbron van het draagbare apparaat.
SCHUIF-/KANTELDAK
(INDIEN VAN TOEPASSING)

Indien uw auto is uitgerust met deze optie, kunt u het schuif-/kanteldak met behulp van de schakelaars in de dakconsole openschuiven of kantelen.
(1) Toets schuiven
(2) Toets kantelen
(3) Toets sluiten
Het schuif-/kanteldak kan elektrisch geopend, gesloten en gekanteld worden wanneer het contact in stand ON staat.
\* AANWIJZING
- In een koud en nat klimaat werkt het schuif-/kanteldak mogelijk niet door bevriezingsverschijnselen.
- Veeg na het wassen van de auto en na een regenbui het schuif/kanteldak eerst droog alvorens het te openen.
- Het schuif-/kanteldak kan niet opengeschoven worden wanneer het gekanteld is en niet gekanteld worden als het geopend is.
Z OPMERKING
Houd de schakelaars niet langer ingedrukt als het schuif/kanteldak volledig is geopend, gesloten of gekanteld. Hierdoor kunnen de motor en andere onderdelen beschadigd raken.
WAARSCHUWING
Verstel het zonnescherm niet tijdens het rijden. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen waardoor een ongeluk met ernstig letsel of schade het gevolg kan zijn.

Open-/dichtschuiven van het schuif-/kanteldak
Druk om het schuif-/kanteldak automatisch te openen op de toets schuiven (1) in de dakconsole (gedurende meer dan 0,5 s).
Het schuif-/kanteldak schuift naar de geadviseerde open stand (ongeveer 50 mm voor de geheel geopende stand).
Druk op een van de schakelaars om het openschuiven van het schuif-/kanteldak in een willekeurige stand te onderbreken.
Druk, om het schuif-/kanteldak maximaal open te schuiven, nogmaals op de toets SLIDE (1) en houd deze toets ingedrukt totdat het schuif-/kanteldak volledig open geschoven is.
\* AANWIJZING
Om het windgeruis tijdens het rijden te beperken, adviseren wij u het schuif-/kanteldak in de aanbevolen positie (ongeveer 50 mm voor de stand maximaal open) te zetten.
Druk om het schuif-/kanteldak automatisch te sluiten op de toets sluiten (3) in de dakconsole (gedurende meer dan 0,5 s).
Het schuif-/kanteldak zal volledig sluiten. Druk op een van de schakelaars om het openschuiven van het schuif-/kanteldak in een willekeurige stand te onderbreken.

Automatisch omkeren van bewegingsrichting
Als tijdens het automatisch sluiten van het schuif-/kanteldak het dak weerstand ondervindt omdat er een voorwerp of lichaamsdeel door het dak naar buiten is gestoken, schuift het dak automatisch een stukje terug en stopt het met bewegen.
Het automatisch omkeren van de bewegingsrichting vindt niet plaats als er een plat obstakel tussen het glaspaneel en de schuifdakrand aanwezig is. Controleer voor het sluiten of er geen lichaamsdelen of objecten door het schuif-/kanteldak naar buiten zijn gestoken.

Kantelen van het schuif-/kanteldak
Druk om het schuif-/kanteldak automatisch open te kantelen op de toets kantelen (2) in de dakconsole (gedurende meer dan 0,5 s).
Het schuif-/kanteldak zal volledig omhoog kantelen. Druk op een van de schakelaars om het omhoog kantelen van het schuif-/kanteldak in een willekeurige stand te onderbreken.
Sluit het schuif-/kanteldak door de schakelaar sluiten (3) in de dakconsole ingedrukt te houden tot het dak volledig gesloten is.

Het zonnescherm wordt automatisch met het glaspaneel geopend wanneer dit openschuift. U moet het echter handmatig sluiten.
WAARSCHUWING
- Zorg ervoor dat er geen hoofden, handen of andere lichaamsdelen tussen het schuif-/kanteldak en de carrosserie bekneld kunnen raken als het schuif-/kanteldak gesloten wordt.
- Steek tijdens het rijden de armen, het hoofd of andere lichaamsdelen niet buiten de auto.
- Zorg ervoor dat de handen en het hoofd zich op een veilige afstand van het schuif-/kanteldak bevinden, alvorens het schuif-/kanteldak te sluiten.
OPMERKING
- Verwijder van tijd tot tijd het vuil dat zich verzameld heeft op de geleiderail.
- Wanneer u het schuif-/kanteldak probeert te openen bij temperaturen onder het vriespunt, of als het dak bedekt is met sneeuw of ijs, kan het glaspaneel of de motor beschadigd raken.
- Het zonnescherm schuift gelijktijdig met het schuif-/kanteldak open. Laat het zonnescherm niet dichtzitten als het schuif-/kanteldak geopend is.

Wat te doen in noodgevallen
Als het schuif-/kanteldak niet elektrisch bediend kan worden:
- Open het opbergvak voor de zonnebril.
- Verwijder de twee schroeven en de dakconsole.

- Plaats de noodsleutel (meegeleverd bij de auto) en draai deze rechtsom om het dak te openen of linksom om het dak te sluiten.
Terugstellen van het schuif-/kanteldak
U moet het schuif-/kanteldak als volgt terugstellen wanneer de accu losgenomen is of wanneer het schuif-/kanteldak handmatig met de noodsleutel bediend wordt:
- Zet het contact in stand ON.
- Zet het schuif-/kanteldak in de stand maximaal kantelen met behulp van de desbetreffende schakelaar.
- Laat de toets voor omhoog kantelen los.
-
Druk op de toets voor omhoog kantelen en houd deze meer dan 10 s ingedrukt totdat het schuif-/kanteldak weer in de normale gekantelde positie staat, na even iets verder omhoog te zijn gekanteld. Laat vervolgens de toets los.
-
Druk op de toets voor omhoog kantelen en houd deze meer dan 5 s ingedrukt totdat het schuif-/kanteldak als volgt beweegt;
OMLAAG KANTELEN → OPEN SCHUIVEN → DICHT SCHUIVEN
Laat vervolgens de toets los.
Hierna is het schuif-/kanteldak gereset.
BAGAGENET (INDIEN VAN TOEPASSING)

U kunt bagage in de bagageruimte vastzetten met het bagagenet om te voorkomen dat de bagage tijdens het rijden gaat schuiven. Maak de haken van het bagagenet vast aan de vier ringen in de bagageruimte.
\* AANWIJZING
Plaats niet te veel of te grote voorwerpen onder het bagagenet. Ze kunnen beschadigd raken. Leg geen breekbare voorwerpen in de bagageruimte tijdens het rijden.
WAARSCHUWING
Voorkom oogletsel.
NIET overspannen. Hou gezicht en lichaam op voldoende afstand.
Niet gebruiken als band zichtbare slijtage of schade vertoont.
BEVESTIGINGSSTEUN VOOR DAKDRAGER

Voor het plaatsen van dakdragers kunt u gebruik maken van bevestigingssteunen en de dakdrageropeningen op het dak.
Plaats dakdragers volgens de onderstaande procedure.
- Steek een smalle schroevendraaier (of lets dergelijks) in de opening en schuif het plaatje in de richting van de pijl.
WAARSCHUWING
Verwijder het plaatje van de dakdrager met een platte schroevendraaier of iets dergelijks.
Wanneer u dit met uw nagels doet, kunt u zich bezeren.

- Draai de steun een halve slag en breng de steun in de opening aan zoals aangegeven in de afbeelding.
\* AANWIJZING
Plaats de steunen op het dak voordat u de dakdrager plaatst om te voorkomen dat u de steunen verliest.
- Verwijder de dakdrager na gebruik in omgekeerde volgorde en plaats de plaatjes terug in de openingen.
ANTENNE

Als uw auto is uitgerust met een audiosysteem, is hij tevens voorzien van een antenne met versterker.
Deze antenne kan desgewenst worden verwijderd, bijvoorbeeld als u uw auto wilt wassen.
Draai de antenne linksom om deze te verwijderen.
Draai de antenne rechtsom om deze te plaatsen.
\* AANWIJZING
- Zorg ervoor dat u de antenne verwijdert voordat u de auto in een automatische wasserette reinigt om te voorkomen dat deze beschadigd wordt.
- Draai de antenne bij het plaatsen volledig vast om ervoor te zorgen dat de ontvangst goed is.
AUDIOSYSTEEM
Algemene informatie
Aanwijzingen bij
bedieningsinstructies
De volgende hulpmiddelen worden gebruikt om de bedieningsinstructies te vereenvoudigen:
vraagt u om een actie te ondernemen
√ geeft de reactie van de eenheid
weer
geeft extra informatie
□ geeft aan dat het om een lijst gaat
WAARSCHUWING
Een WAARSCHUWING wijst u erop bijzonder voorzichtig te zijn ter voorkoming van schade en ernstig letsel.
Z. OPMERKING
Informatie waar VOORZICHTIG bij staat, dient ervoor om te voorkomen dat u een fout maakt waardoor uw auto beschadigd zou kunnen raken.
Klasse 1 laserproduct

Z. OPMERKING
Een onjuist gebruik van het apparaat kan de gebruiker blootstellen aan hoeveelheden onzichtbare laserstralen die de limieten voor klasse 1 laserproducten overschrijden.
WAARSCHUWING
Gebruik geen mobiele telefoon tijdens het rijden. Zeit de auto op een veilige plaats stil als u uw mobiele telefoon toch wilt gebruiken.
WAARSCHUWING
Zet het volume van het audiosysteem tijdens het rijden niet te hoog, zodat u geluiden van buiten de auto kunt horen.
Z OPMERKING
- Plaats geen dranken in de buurt van het audiosysteem. Het audiosysteem kan beschadigd raken als u morst.
- Sla niet op en stoot niet tegen het audiosysteem, anders kan het systeem beschadigd raken.
Veiligheidsinstructies
WAARSCHUWING
Bedien het apparaat uitsluitend bij stilstand met de afstandsbediening of laat uw passagier het apparaat bedienen. Als u dat niet doet, brengt u de inzittenden van uw auto en andere weggebruikers in gevaar.
WAARSCHUWING
Steek geen ander voorwerp dan een CD in de speler. Als u dat wel doet kunt u het precisiemechanisme van de speler beschadigen.
WAARSCHUWING
Houd het volume laag genoeg om uw aandacht niet af te leiden van het verkeer.
WAARSCHUWING
Open het apparaat niet en probeer niet zelf reparaties uit te voeren. Laat het repareren van het apparaat over aan gekwalificeerd personeel.
Aanwijzingen met betrekking tot de USB-stick
WAARSCHUWING
- We adviseren u alleen gebruik te maken van USB-sticks van gerenommeerde fabrikanten.
- Onder geen enkele voorwaarde mogen er andere apparaten zoals hard discs of andere digitale apparatuur op de USB-aansluiting worden aangesloten. Het aansluiten van andere apparaten kan storingen of defecten aan het audiosysteem veroorzaken.
- Maak geen gebruik van de USB-stick als dat de veiligheid tijdens het rijden in gevaar brengt.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Het is mogelijk dat er storingen hoorbaar zijn als de AUX-IN-aansluiting gelijktijdig met de elektrische aansluiting wordt gebruikt; dit duidt niet op een defect in het systeem. Gebruik in dat geval de voedingsbron van het externe draagbare apparaat.
- In uitzonderlijke gevallen kan het voorkomen dat een USB-stick niet herkend wordt door het systeem of een storing veroorzaakt. Gebruik alleen USB-sticks die voldoen aan de specificaties van de USB-aansluiting.
Dankzij "iAP (iPod Accessory Protocol) over UART" kan een iPod worden aangesloten.
Hieronder staan de iPod-modellen die ondersteund worden en hun minimale firmware-versies:
1) iPod mini (firmware-versie 1.4)
2) 4G iPod (firmware-versie 3.1)
3) iPod photo (firmware-versie 1.1)
4) iPod nano (firmware-versie 1.3)
5) 5G iPod (firmware-versie 1.0)
Andere iPod-modellen zoals de iPod Shuffle ondersteunen "iAP over UART" niet en worden daarom behandeld als UMS.
Het zoeken met behulp van meta- tags is niet mogelijk bij de iPod- modellen
RDS (Radio Data System)
Veel VHF-zenders sturen RDS-informatie mee.
De radio ontvangt deze signalen die de volgende informatie bevatten:
☐ PS (Program Service): Weergave van zendernaam.
- Radiotekst: Weergaven van aanvullende informatie over de zender waar naar geluisterd wordt.
☐ PTY (Program Type): Selecteren van zenders op basis van het soort programma dat uitgezonden wordt.
□ AF (Alternative Frequency): Automatisch zoeken van de frequentie die voor de desbetreffende zender de beste ontvangst biedt.
☐ TA (Traffic Announcement): Verkeersinformatie.
☐ EON (Enhanced Other Networks): Automatisch doorgeven van verkeersinformatie die via een andere zender wordt verzonden.
Aanwijzingen met betrekking tot CD-formats
De volgende soorten CD's kunnen worden afgespeeld in de CD-speler:
□ Audio-CD's (CD-DA die voldoen aan de Red Book Standard);
☐ CD-R/RW's (die voldoen aan het Orange Book, deel 2/3)
□ Multisessie-CD's (die voldoen aan multisessie-CD-specificaties 1.0)
Kennismaking met uw auto

Voorkom dat er vingerafdrukken op de CD terechtkomen als u de CD verwijdert.
Bewaar CD's met navigatiegegevens en audio-CD's aftijd in de bijbehorende doosjes.
Zorg er altijd voor dat CD's droog en schoon zijn voordat u ze in het apparaat plaatst.
Bescherm CD's tegen hitte en direct zonlicht.
Reinigen van het apparaat
Gebruik geen reinigingsvloeistoffen, alcohol of andere oplosmiddelen. Gebruik alleen een vochtige doek.
Bedieningselementen

1 ① Drukken: Aan/uit schakelen
Draaien: Volumeregeling
2 ▲ Uitwerptoets CD
3 |◀◀ / ▶▶| ... FM: Vorige of volgerde zender
CD: Vorige of volgende muziekstuk
CDC: Vorige of volgende muziekstuk
4 SCAN....FM: Frequentie afzoeken
CD/CDC: Afspelen van de eerste 10 seconden van elk muziekstuk op de CD's.
5 SETUP .... Openen van het setup-menu met de instellingen voor elke functie.
6 /7 Alleen MP3: wijzigen van de huidige map die wordt afgespeeld.
Alleen iPod: ga terug naar sorteermenu
7 LOAD* ...... CDC: Laden van CD's in het apparaat.
8 .... FM/CD/CDC: Draalknop om handmatig omhoog of omlaag te zoeken.
SETUP: Voor het wijzigen van instellingen.
9 SOUND ..... Opent het menu voor de geluidsinstellingen.
10 CD (AUX) .... Kort indrukken: Wijzigt van de huidige bron naar de CD of de USB-stick (indien aangesloten) of de iPod (indien aangesloten).
Lang indrukken: Naar extern apparaat (indien sangesloten)
11 1-6 FM/CD/CDC: Druk om af te stemmen op de
gewenste opgeslagen voorkeuzezender of om de
gewenste CD in de CD-wisselaar te selecteren.
RPT CD/CDC: Om de weergave van het afgespeelde
muziekstuk te herhalen
RND ....CD/CDC: Om de weergave in willekeurige volgorde
van de muziekstukken te activeren
12 FM/AM ...... Wijzigen van de actuele geluidsbron naar de stand FM/AM.
13 TA (AS'I) ..... Kort indrukken: om de weergave van
verkeersinformatie te activeren
Lang indrukken: om de functie Autostore (tuner) te activøren
* Afhankelijk van uitvoering
Plaatsen en verwijderen van CD's Plaatsen van een CD
Plaats de CD in de speler (etiket aan de bovenzijde).
Bij audio/MP3-CD's begint het afspelen automatisch.
Verwijderen van een CD
Druk op de toets ▲ en verwijder de CD voorzichtig.
Aan/uit schakelen
Druk op de toets ① om het apparaat aan of uit te schakelen.
Aan en uit schakelen met de contactsleutel
Als het audiosysteem ingeschakeld is, kan het automatisch uit en aan worden geschakeld door de contactsleutel te verwijderen of te plaatsen en hem te verdraaien.
Automatisch uitschakelen
Als het audiosysteem met de toets ① ingeschakeld is terwijl het contact in stand OFF stond, schakelt het systeem zichzelf na een van tevoren ingestelde tijd uit.
Volume
WAARSCHUWING
Houd er bij het instellen van het volume rekening mee dat u verkeersgeluiden (claxons, sirenes, hulpverleningsvoertuigen, enz.) moet kunnen horen.
Draai aan de knop om het volume te regelen.
Menubediening
Het centrale element bij het werken met de menu's is de knop.
Draai aan de knop om een menuoptie te selecteren.
Geluidsinstellingen
Druk op toets SOUND.
Druk nogmaals op de toets SOUND om de volgende submenu's op te roepen.
BASS TREBLE
FADER BALANCE
Draai aan de knop om de gewenste instelling te selecteren.
Druk op de toetsen SETUP, CD, FM of AM om het menu te verlaten.
De volgende opties zijn beschikbaar:
Bass
- Voor het instellen van de lagetonenweergave tussen -10 en +10.
Treble
Voor het instellen van de hogetonenweergave tussen -10 en +10.
Balance
Voor het instellen van de balans tussen L10 en R10.
Fader
Voor het instellen van de balans tussen R10 en F10.
Alleen geluidsweergave via de luidsprekers voor, de signalen naar achteren worden onderdrukt.
Volume-instellingen
^29 Voor het instellen van het volume tussen de minimum en maximum waarde.
Instellingen: 0 ... 35
Equalizer
Voor instellen van de frequenties waarmee de geselecteerde geluidsbron wordt weergegeven met de 5-bands equalizer (EQ OFF, JAZZ, POP, CLASSICAL, ROCK)
Houd de toets SOUND ingedrukt.
Draai aan de knop om de gewenste instelling te selecteren.
Luisteren naar de radio
Als de radiostand nog niet ingesteld is:
Druk op FM of AM.
- Het apparaat schakelt over naar de radiostand.
Druk op FM of AM om de gewenste frequentieband te selecteren.
Beschikbare frequentiebanden:
☐ FM 123: Geheugen voor 18 handmatig te programmeren FM-voorkeuzezenders.
☐ FM AST: Geheugen voor 6 automatisch te programmeren FM-voorkeuzezenders.
Kiezen van MW:
□ MW 1: Geheugen voor 6 handmatig te programmeren MW-voorkeuzezenders.
□ MW AST: Geheugen voor 6 automatisch te programmeren MW-voorkeuzezenders.
☐ LW: Geheugen voor 6 handmatig te programmeren LW-voorkeuzezenders.
Autostore
Automatisch opslaan van sterke zenders op de frequentieband waar op dat moment naar geluisterd wordt (FM AST, AM AST en MW AST).
Houd de toets AST ingedrukt om deze functie te activeren/deactiveren.
Het maximaal aantal voorkeuzezenders dat op elke band kan worden opgeslagen is 6. Activeer de functie "Autostore" om de lijst sterke zenders te updaten (bijv. bij het rijden door verschillende ontvangstgebieden).
Automatisch zoeken
Druk op de toets ◀◀ of ▶▶1 om naar de vorige/volgende zender op huidige geselecteerde frequentieband te gaan.
√ Het systeem begint altijd te zoeken naar een sterk signaal op LOCAL-niveau. Als er geen zender ontvangen kan worden op LOCAL-niveau, gaat het systeem zoeken op DISTANCE-niveau.
Druk op de toets |◀◀ of ▶▶| om het menu te verlaten.
Handmatig zoeken
Handmatig instellen van de frequentie.
Draai de knop rechtsom of linksom om de frequentie te verhogen of te verlagen.
Frequentie afzoeken
De radio zal op de geselecteerde frequentieband van iedere te ontvangen zender gedurende 10 seconden het signaal doorgeven en daarna naar de eerstvolgende zender met een hogere frequentie gaan.
Druk op de toets SCAN om de zoekfunctie te activeren/deactiveren.
Voorkeuzezenders
Op de FM123 frequentiebanden kunnen 18 voorkeuzezenders worden opgeslagen, op de 123 frequentiebanden voor MW, SW en LW kunnen elk 6 voorkeuzezenderes worden opgeslagen (zie ook "Selecteren van frequentieband").
Opslaan van voorkeuzezenders
Stem af op de gewenste zender.
Houd een van de voorkeuzetoetsen (1 - 6) in totdat u een bevestigingstoon hoort.
√ De gekozen zender wordt opgeslagen onder de voorkeuzetoets.
U kunt ook een zender op een andere golfband (bv. FM AST of FM123) kiezen en deze onder een van de voorkeuzetoetsen opslaan.
Oproepen van voorkeuzezenders
Selecteer de toets (1 - 6) voor de opgeslagen zender.
Radio Data System (RDS) op FM-band
Veei FM-zenders sturen RDS-informatie mee.
Met RDS ontvangt u de volgende informatie:
Verkeersprogramma (TP)
Als deze functie ingeschakeld is, wordt er verkeersinformatie doorgegeven. De verkeersinformatie wordt ook doorgegeven als er op dat moment geluisterd wordt naar een CD of MP3-bestand.
Druk op de toets TA om deze functie in of uit te schakelen.
Kies SCAN om 10 seconden het signaal weer te geven van zenders die verkeersinformatie doorgeven.
Kies I◄◄ of ►►I om te zoeken naar zenders die verkeersinformatie doorgeven.
Stel het gewenste volume waarmee de verkeersinformatie wordt weergegeven in in het SETUP-menu.
√ Als de verkeersinformatiefunctie geactiveerd is, verschijnt in het display het symbool TA.
Als er geen zenders die verkeersinformatie doergeven ontvangen worden
Als er geen zenders ontvangen worden die verkeersinformatie doorgeven, blijft de radio afgestemd op de actuele zender en verschijnt gedurende 3 seconden de melding 'No TA/TP' in het display. Als het verkeersinformatiesignaal gedurende 30 seconden wegvalt, gaat het systeem automatisch op zoek naar een andere zender die verkeersinformatie doorgeeft. Als er geen zender ontvangen kan worden die verkeersinformatie uitzendt, blijft de radio afgestemd op de actuele zender en verschijnt in het display gedurende 3 seconden de melding 'TP LOST'.
√ Het systeem blijft elke 30 seconden zoeken, net zo lang tot er een zender is gevonden die verkeersinformatie uitzendt.
Verkeersinformatie van andere zenders - EON
Met de RDS-functie EON (Enhanced Other Networks) kunt u verkeersinformatie ontvangen, ook al zendt de zender waar u naar luistert geen verkeersinformatie uit maar maakt deze zender wel deel uit van een netwerk met andere zenders.
Als de verkeersinformatiefunctie geactiveerd is, worden zenders met EON behandeld als zenders die wel verkeersinformatie uitzenden, d.w.z. dat het zoeken ook bij deze zenders stopt.
Als er verkeersinformatie wordt doorgegeven, schakelt het systeem via EON over naar de zender die deze informatie uitzendt. Na de verkeersinformatie wordt weer teruggeschakeld naar de oorspronkelijke zender.
Alarmmeldingen
(PTY ALARM / EON-netwerk)
Het systeem ontvangt automatisch uitzendingen van calamiteitenzenders.
√ Op het display verschijnt de melding 'ALARM'.
Door op de toets TA te drukken, wordt de weergave van de alarmmelding onderbroken maar wordt de alarmfunctie niet uitgeschakeld.
Alternatieve frequentie
Met deze functie kan worden ingesteld dat de radio automatisch controleert of de uitzending waar naar geluisterd wordt, op een andere frequentie beter ontvangen wordt.
√ In het display verschijnt het symbool AF als de alternatieve frequentiefunctie geactiveerd is in het SETUP-menu.
PTY-zoekfunctie (alleen FM)
Zoeken naar zenders op basis van soort programma.
Selecteer het gewenste programmatype in de lijst.
√ Het zoeken begint en wordt gestopt zodra de eerste zender wordt ontvangen die het geselecteerde programmatype uitzendt.
PI-zoeken
Met deze functie kan automatisch worden gezocht naar de frequentie met de beste ontvangst van een RDS-zender met behulp van een speciale PI-code.
√ Het systeem gaat automatisch zoeken naar een frequentie waarop de zender beter ontvangen kan worden.
√ Op het display verschijnt de aanduiding 'PI SEARCH'.
Luisteren naar een CD
Aanwijzingen met betrekking tot CD's
☐ Deze CD-speler is geschikt voor het afspelen van 12 cm CD's en 8 cm CD's in combinatie met een adapter en kan audio-CD's en CD's met MP3-bestanden afspelen.
☐ Plaats geen ongelijkmatig gevormde CD in de speler.
Over het algemeen kunnen CD-R's en CD-RW's gewoon worden afgespeeld. Afhankelijk van de kwaliteit van de CD, de fysieke conditie van de CD en de prestaties en conditie van de brander waarmee de CD's gebrand zijn, kunnen sommige CD-R's/CD-RW's wellicht niet worden afgespeeld.
Afspelen van een CD
Starten/stoppen
Druk op de toets CD om met het afspelen te beginnen.
√ Het afspelen wordt onderbroken als er een andere geluidsbron wordt geselecteerd.
Voor CDP: de CD wordt afgespeeld vanaf het begin van het eerste bestand.
Voor CDC: het systeem begint met het afspelen van de eerste beschikbare CD als er meer dan 1 CD in de wisselaar aanwezig is.
Uitwerpen van een CD
Druk op de toets
Verwijder de CD uit de invoeropening.
Vorige/volgende muziekstuk
Druk op de toets of om het voorgaande of volgende muziekstuk te selecteren OF
Draai knop rechtsom om omhoog te zoeken en linksom om omlaag te zoeken.
Versneld vooruit/achteruit
Houd de toetsen ◀◀ of ▶▶ I ingedrukt om de CD versneld vooruit of achteruit af te spelen.
Afspelen in willekeurige volgorde
Druk op de toets RND om de nummers op de CD in willekeurige volgorde af te spelen.
Muziekstuk herhalen
Druk op de toets RPT om het herhaald afspelen van een muziekstuk te activeren/deactiveren.
Zoeken
Druk op de toets SCAN om zoekfunctie te activeren/deactiveren.
√ De eerste 10 seconden van elk nummer op de CD worden weergegeven.
Luisteren naar MP3-bestanden
Aanwijzingen met betrekking tot MP3-bestanden
De volgende soorten MP3-bestanden kunnen worden afgespeeld in de CD-speler:
☐ Bestanden met het format MPEG1/2 of 2.5-Layer 3.
- Het format van de CD moet voldoen aan ISO 9660 Level 1 of Level 2 of Joliet met sectorformat in Mode 1 of Mode 2 Form 1. Andere formats kunnen niet betrouwbaar worden weergegeven.
☐ Het maximum aantal bestanden is 345, het maximum aantal mappen is 254 (het totaal aantal weergegeven karakters is 24).
☐ Bit rate: Maximaal 320 kbit/s, constant of variabel.
☐ Sampling frequentie: Maximaal 48 kHz.
- Tekstweergave: ID3 tag V1 en ID3 tag V2. MP3-bestanden kunnen aanvullende informatie bevatten zoals de naam van de artiest, naam van het muziekstuk en de naam van het album (ID3 tags met maximaal 12 karakters).
Karakters anders dan letters in onderkast/kapitalen (Aa - Zz) en underscore (_) worden wellicht niet weergegeven.
□ Alleen bestanden met de extensie .mp3 worden als MP3-bestanden herkend. - Het systeem speelt het eerste bestand misschien niet af in de volgorde waarop u de bestanden op de CD heeft gebrand.
☐ Het systeem speelt alleen de eerste sessie af als de CD zowel audiobestanden als MP3-bestanden bevat.
□ Bij het afspelen van een CD met 8 kbps of variabele bit rate (VBR) is de verstreken tijd die wordt aangegeven op het display wellicht niet correct.
☐ Controleer of een MP3 CD-R/CD-RW is gebrand die is geformatteerd als een data-CD en niet als een audio-CD.
□ MP3-bestanden zijn niet compatibel met geschreven dataoverdracht.
☐ Het MP3-symbol wordt in het display weergegeven als er een CD met MP3-bestanden wordt afgespeeld.
Starten/stoppen van afspelen
Druk op de toets CD om met het afspelen te beginnen.
√ Het afspelen wordt onderbroken als er een andere geluidsbron wordt geselecteerd.
Vorige/volgende map
Druk op de toets ◀ of ▶ om de voorgaande of volgende map te selecteren.
Vorige/volgende muziekstuk
Druk op de toets ◀◀◀ of ▶▶◀| om het voorgaande of volgende muziekstuk te selecteren OF
Draai de knop rechtsom om het volgende muziekstuk te selecteren en draai de knop linksom om het vorige muziekstuk te selecteren.
Versneld vooruit/achteruit
Houd de toetsen of ingedrukt om de CD versneld vooruit of achteruit af te spelen.
Afspelen in willekeurige volgorde
Als de CD-wisselaar is ingeschakeld*: Houd de toets RND ingedrukt om de functie afspelen in willekeurige volgorde te activeren/deactiveren.
Als de CD-speler is ingeschakeld: Druk op de toets RND om de functie afspelen in willekeurige volgorde te activeren/deactiveren.
* Alleen CD-wisselaar
Herhalen
Als de CD-wisselaar is ingeschakeld*: Houd de toets RPT ingedrukt om de functie herhalen te activeren/deactiveren.
Als de CD-speler is ingeschakeld: Druk op de toets RPT om de functie herhalen te activeren/deactiveren.
\* Alleen CD-wisselaar
Zoeken
Druk op de toets SCAN om zoekfunctie te activeren/deactiveren.
√ De eerste 10 seconden van eik nummer op de CD worden weergegeven.
√ Aan het einde van een map: het zoeken gaat verder met het eerste bestand van de volgende map.
√ Aan het einde van een CD: het zoeken gaat verder met het eerste bestand van de eerste map.
Activeren van tekstfunctie
Om tekstinformatie van de MP3-bestanden weer te geven op het display.
Houd de toets SETUP in de MP3-stand ingedrukt om de weergave van tekstinformatie in de volgorde bestandsnaam/speeltijd/titel/artie st/album/mapnaam te activeren.
Als de CD-wisselaar is ingeschakeld\*
(Alleen CD-wisselaar)
Laden van een enkele CD: Druk op de toets LOAD.
Laden van meerdere CD's: Houd de toets LOAD ingedrukt.
Plaats de CD met het etiket aan de bovenzijde. De CD-wisselaar begint met het afspelen.
Uitwerpen van een CD
Uitwerpen van een enkele CD: Druk op de toets ▲.
Uitwerpen van alle CD's: Houd de toets ▲ ingedrukt.
- Verwijder de CD uit de invoeropening.
Starten/stoppen van afspelen
Druk op de toets CD om met het afspelen te beginnen.
√ Het afspelen begint vanaf de actuele CD-positie in het magazijn.
Directe toegang tot CD
Druk op de toets 1 - 6 om de gewenste CD te selecteren.
√ De CD's in de CD-wisselaar worden weergegeven met "CDC 1, 2, 3, 4, 5, 6" enz.
Vorige/volgende muziekstuk
Druk op de toets ◀◀ of ▶▶1 om het voorgaande of volgende muziekstuk te selecteren OF
Draai de knop rechtsom om het volgende muziekstuk te selecteren en draai de knop linksom om het vorige muziekstuk te selecteren.
Versneld vooruit/achteruit
Houd de teetsen of ingedrukt om de CD versneld vooruit of achteruit af te spelen.
Afspelen in willekeurige volgorde
Houd de toets RND ingedrukt om de functie afspelen in willekeurige volgorde te activeren/deactiveren.
Muziekstuk herbalen
Houd de toets RPT ingedrukt om de functie herhalen te activeren/deactiveren.
Zoeken
Druk op de toets SCAN om zoekfunctie te activeren/deactiveren.
√ De eerste 10 seconden van elk nummer op de CD worden weergegeven.
√ Als het laatste muziekstuk op de CD eindigt: het zoeken gaat verder met het eerste muziekstuk van de huidige CD.

Omhoogtrekken om de klep te openen.
Houd de klep gesloten wanneer deze niet wordt gebruikt.
USB- en AUX-aansluiting (indien van toepassing)
Aanwijzingen met betrekking tot USB-hub
Vanwege de constante veranderingen aan USB-producten op de markt en aan de bijbehorende software is het mogelijk dat sommige USB-producten niet compatibel zijn met dit audiosysteem.
De onderstaande bestandsformaten worden ondersteund:
□ MP3
□ WMA
□OGG
Druk op de toets CD om met het afspelen te beginnen.
Vorige/volgende map
Druk op de toets ◀ of ▶ om de voorgaande of volgende map te selecteren.
Vorige/volgende bestand
Druk op de toets ◀◀ of ▶▶! om het voorgaande of volgende muziekbestand te selecteren OF
Draai de knop rechtsom om het volgende muziekstuk te selecteren en draai de knop linksom om het vorige muziekstuk te selecteren.
Versneld vooruit/achteruit
Houd de toetsen ◀◀ of ▶▶I ingedrukt om de CD versneld vooruit of achteruit af te spelen.
Bestanden in willekeurige volgorde afspelen
Als de CD-wisselaar is ingeschakeld*: Houd de toets RND ingedrukt om de functie bestanden afspelen in willekeurige volgorde te activeren/deactiveren.
Als de CD-speler is ingeschakeld: Druk op de toets RND om de functie bestanden afspelen in willekeurige volgoorde te activeren/deactiveren.
Herhalen
Als de CD-wisselaar is ingeschakeld*: Houd de toets RPT ingedrukt om de functie herhalen te activeren/deactiveren.
Als de CD-speler is ingeschakeld: Druk op de toets RPT om de functie herhalen te activeren/deactiveren.
Zoeken van bestanden
Druk op de toets SCAN om zoekfunctie te activeren/deactiveren.
√ De eerste 10 seconden van elk nummer op de CD worden weergegeven.
√ Als het laatste muziekstuk op de CD eindigt: het zoeken gaat verder met het eerste muziekstuk van de huidige CD.
Activeren van tekstfunctie
Om tekstinformatie van de MP3-bestanden weer te geven op het display.
Houd de toets SETUP in de MP3-stand ingedrukt om de weergave van tekstinformatie in de volgorde bestandsnaam/speeltijd/titel/artie st/album/mapnaam te activeren.
* Alleen CD-wisselaar

Omhoogtrekken om de klep te openen.
Houd de klep gesloten wanneer deze niet wordt gebruikt.
iPod/USB-hub (indien van toepassing)
Aanwijzingen met betrekking tot iPod/USB-hub
Dankzij "iAP (iPod Accessory Protocol) over UART" kan een iPod worden aangesloten.
Druk op de toets CD om met het afspelen te beginnen.
Bestanden sorteren
Druk op de toetsen ◀ of ▶ om de iPod-bestanden te sorteren op afspeellijst, artiest, album, liedje, genre of componist
Vorige/volgende bestand
Druk op de toets ◀◀ of ▶▶1 om het voorgaande of volgende muziekbestand te selecteren OF
Draai de knop rechtsom om het voigende muziekstuk te selecteren en draai de knop linksom om het vorige muziekstuk te selecteren.
Versneld vooruit/achteruit
Houd de toetsen of ingedrukt om de CD versneld vooruit of achteruit af te spelen.
Bestanden in willekeurige volgorde afspelen
Als de CD-wisselaar is ingeschakeld*: Houd de toets RND ingedrukt om de functie bestanden afspelen in willekeurige volgorde te activeren/deactiveren.
Als de CD-speler is ingeschakeld: Druk op de toets RND om de functie bestanden afspelen in willekeurige volgorde te activeren/deactiveren.
Herhalen
Als de CD-wisselaar is ingeschakeld*: Houd de toets RPT ingedrukt om de functie herhalen te activeren/deactiveren.
Als de CD-speier is ingeschakeld: Druk op de toets RPT om de functie herhalen te activeren/deactiveren.
Zoeken van bestanden
Druk op de toets SCAN om zoekfunctie te activeren/deactiveren.
De eerste 10 seconden van elk nummer op de CD worden weergegeven.
Als het laatste muziekstuk op de CD eindigt: het zoeken gaat verder met het eerste muziekstuk van de huidige CD.
Activeren van tekstfunctie
Tekstinformatie op de iPod oproepen.
Houd de toets SETUP in de MP3-stand ingedrukt om de weergave van tekstinformatie in de volgorde bestandsnaam/speeltijd/titel/artie st/album/mapnaam te activeren.
Ingang extern apparaat
Een extern apparaat kan worden aangesloten op de Aux-ingang van het systeem.
Houd de toets CD ingedrukt als een extern apparaat is aangesloten.
√ Het afspelen wordt onderbroken als er een andere geluidsbron wordt geselecteerd.
* Alleen CD-wisselaar
Afstandsbediening op het stuurwiel
Dubbele afstandsbediening stuurwiel*

CH ▲/ CH ▼ .... Radiomode: Druk op de toets preset up/down om op de huidige golfband de voorkeuzelijst te kiezen CDC: Kies volgende of vorige disc
Seek I◄◄ / ►►I ... Radiomode: Kies vorige/volgende zender CD/CDC/USB/IPOD: Kies vorige/volgende muziekstuk
Mute .... Dempen van het geluid
+ / - ...... Volume omhoog/omlaag
Mode .... Overschakelen tussen TUNER (FM)-/CD-/USB-/IPOD-/AUX-mode
Enkele afstandsbediening stuurwiel*

Seek |◀◀ / ▶▶| ... Radiomode: Kies vorige/volgende zender CD/CDC/USB/IPOD: Kies vorige/volgende muziekstuk
+ / - . . . . . . . . . Volume omhoog/omlaag
CH ▲.... Radiomode: Kies preset omhoog CDC: Volgende disc
Mode..... Overschakelen tussen TUNER (FM)-/CD-/USB-/IPOD-/AUX-mode
Aanwijzing: Zorg ervoor dat u een cd geplaatst hebt en de uitgang USB/IPOD/AUX aangesloten is om de volgende functies via de toetsen op het stuurwiel te regelen.
* Afhankelijk van de uitvoering
Instelmenu
In het setup-menu kunt u uw voorkeursinstellingen wijzigen.
Druk op de toets SETUP om het setup-menu op te roepen.
Druk nogmaals op de toets SETUP om de volgende submenu's op te roepen.
- START VOL
• TA VOL
• SDVC
• PTY
• REGIONAL
• AF
• MP3
- SECURITY CODE
Gebruik de knop om de gewenste instelling te selecteren.
Druk op de toetsen SETUP, CD, FM of AM om het menu te verlaten.
De volgende opties zijn beschikbaar:
Max.start vol.
Voor het instellen van het maximum volume bij het inschakelen van het systeem.
Instellingen: 5 ... 25
√ Als u het systeem inschakelt, wordt het volume ingesteld op dit niveau als het volume hoger was op het moment dat u het systeem uitschakelde.
TA vol.
Voor het instellen van het volume voor de weergave van verkeersinformatie.
Instellingen: 5 ... 25
SDVCInstelling voor snelheidsafhankelijke volumeregeling. Instellingen:
√ 1 ... 5: Geringe (1) tot grote (5) toename van het volume bij acceleratie.
√ 0: UIT, geen snelheidsafhankelijke volumeregeling.
PTY search
Zoeken naar zenders op basis van soort programma.
√ Geen: Geen PTY
√ 1 ... 29: PTY-programmatype
30...31: Kunnen niet geselecteerd worden. Alleen voor calamiteitentests en alarmmeldingen.
Druk een keer op de knop om de geselecteerde PTY te bevestigen.
√ Het zoeken begint en wordt gestopt zodra de eerste zender wordt ontvangen die het geselecteerde programmatype uitzendt.
Regional
Instellen van de regionale RDS-functie.
Instellingen:
√ ON: De radio stemt alleen af op alternatieve frequenties van de geselecteerde zender waarop hetzelfde regionale programma wordt uitgezonden.
√ OFF: De radio stemt af op alle alternatieve frequenties van de geselecteerde zender, ook af worden er verschillende regionale programma's uitgezonden.
AF retuning
Instellen van de RDS AF-functie.
Instellingen:
√ ON: Automatisch afstemmen op alternatieve frequenties voor dezelfde zender.
√ OFF: Niet automatisch afstemmen op alternatieve frequenties. De radio blijft afgestemd op de ingestelde frequentie.
MP3 Display
Activeren/deactiveren van tekstweergave bij afspelen. De tekst wordt weergegeven in het midden van het scherm.
Instellingen:
- FILENAME: De door de gebruiker ingevoerde bestandsnaam
□ PLAYTIME: Afspeelduur
TITLE: Titel
□ ARTIST: Artiest
□ ALBUM: Albumtitel
☐ DIRECTORY NAME: Naam directory
Optie veiligheidscode
U kunt de functie van de beveiligingscode in het SETUP-menu in- of uitschakelen.
Opnieuw aansluiten van de accu
Steeds wanneer de accukabels losgenomen zijn, dient u, als de functie van de beveiligingscode is ingeschakeld, uw wachtwoord in te voeren.
U hebt twee pogingen om het juiste wachtwoord in te voeren. Als na de tweede poging nog geen juist wachtwoord wordt ingevoerd, zal het systeem geblokkeerd worden.U dient dan 1 uur te wachten.Vervolgens kunt u het wachtwoord opnieuw invoeren.
Wanneer de functie van de beveiligingscode is uitgeschakeld, wordt de gebruiker niet naar het wachtwoord gevraagd.
Beveiligingscode inschakelen:
Druk op de toets SETUP om in het instelmenu te komen.
Druk herhaaldelijk op de toets SETUP om bij de submenu's te komen ("SECURITY CODE")
Druk op de knop om de SECURITY CODE te kiezen.
Voer 0000 in om de beveiligingscode in te schakelen. (Zie 'Invoeren van WACHTWOORD')
Voer het NIEUWE wachtwoord in (Zie 'Invoeren van WACHTWOORD')
Beveiligingscode uitschakelen:
Druk op de toets SETUP om in het instelmenu te komen.
Druk herhaaldelijk op de toets SETUP om bij de submenu's te komen ("SECURITY CODE")
Druk op de knop om de SECURITY CODE te kiezen.
Voer het opgeslagen wachtwoord in. (Zie 'Invoeren van WACHTWOORD')
Voer 0000 in om de beveiligingscode uit te schakelen.
Invoeren van WACHTWOORD:
Verdraai de knop om de cijfers van de veiligheidscode te wijzigen.
Druk eenmaal op de knop om naar het volgende cijfer te gaan.
Herhaal deze handelingen totdat alle 4 cijfers ingevoerd zijn.
Houd knop ingedrukt om het nieuwe wachtwoord te bevestigen.
√ Uw nieuwe wachtwoord is opgeslagen.
Ga voor hulp naar uw officiële dealer wanneer u het wachtwoord vergeten bent en het systeem geblokkeerd is.
Storingzoeken
In sporadisch voorkomende gevallen kan uw radio anders werken dan u verwacht. Neem voordat u contact opneemt met de serviceafdeling de gebruiksaanwijzing nogmaals zorgvuldig door en volg onderstaande checklist; het is mogelijk dat u een ogenschijnlijke storing snel kunt verhelpen.
> Symtomen
• Mogelijke oorzaak/oplossing
Algemeen
Audio/MP3-CD wordt uitgeworpen.
- De CD kan vuil zijn.
- Reinig de CD met een vochtige doek
- De CD voldoet niet aan de specificaties van de CD-speier.
- Zie Aanwijzingen met betrekking tot audio- en MP3-CD's
Het bedieningspaneel wordt warm.
- Geen storing. Het systeem voelt warm aan.
Het volume neemt automatisch af. Het volume kan niet verder worden verhoogd.
- Een geïntegreerd veiligheidscircuit voorkomt dat de temperatuur in het apparaat boven een bepaalde waarde komt.
- Laat het apparaat afkoelen (verlaag het volume).
Radio
Slechte of geen radio-ontvangst.
- Controleer of de antenne geheel uitgetrokken is en goed is aangesloten.
- Controleer of de negatieve accupool (bruine kabel) op de juiste manier met massa verbonden is (carrosserie).
Op de zenderlijst voor FM ABC en FM AST staan slechts een paar of geen zenders.
- Antenne antennespriet antenna defect. afgeschermd, verbogen of
- Neem contact op met een officiële Kia-dealer om de antenne te laten controleren.
De frequentie wordt weergegeven in plaats van de zendernaam.
- De radio is afgestemd op een zender die geen RDS-signalen meestuurt of de zender is te zwak.
De gewenste zender kan niet worden gevonden met de automatische zoekfunctie.
- Het signaal van de gewenste zender is te zwak.
- Stem handmatig af op de gewenste zender (manu. tuning).
- Controleer of de antenne geheel uitgetrokken is en goed is aangesloten.
Er wordt geen verkeersinformatie doorgegeven (tijdens het gebruik van de CD-wisselaar)
• Activeer de verkeersinformatiefunctie door de toets TA in te drukken.
CDC/MP3
Vervormde weergave/overslaan tijdens afspelen van CD.
- Speler kan CD niet lezen. CD is beschadigd of vuil.
CD-speler werkt niet.
- Bij lage buitentemperaturen kan er condensatie ontstaan op de laser.
- Schakel het systeem in en wacht 5 minuten om het vocht te laten verdampen.
Geen geluid tijdens afspelen van CD.
- Sommige CD's bevatten multimediagegevens die niet herkend worden door het systeem.
- Ga naar het eerstvolgende muzieknummer.
- Zie Aanwijzingen met betrekking tot audio- en MP3-CD's.Problemen met nieuwe audio-CD's met kopieerbeveiliging.
- Sommige kopieerbeveiligingsprocedures zijn niet compatibel met de geaccepteerde standaards voor audio-CD's. Dit duidt niet op een storing in het apparaat
- Zie Aanwijzingen met betrekking tot audio- en MP3-CD's
Contactslot / 4-3
Starten van de motor / 4-5
Handgeschakelde transmissie / 4-7
Automatische transmissie / 4-10
Remsystem / 4-16
Stuurwiel / 4-22
Voertuigstabiliteitsregeling / 4-28
Instrumentenpaneel / 4-32
Besturing van uw auto
Meters / 4-33
Waarschuwings- en controlelampjes / 4-35
Boordcomputer / 4-43
Informatemonitor / 4-48
Parkeerhulp / 4-50
Verlichting / 4-53
Ruitenwissers en ruitensproeiers / 4-59
Achterruitverwarming / 4-62
Alarmknipperlichten / 4-63
Handbediend verwarmings- en ventilatiesysteem / 4-64
Automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem / 4-73
Koelbox / 4-84
Voorruit ontdooic en ontwasemen / 4-85
WAARSCHUWING - UITLAATGASSEN KUNNEN GEVAARLIJK ZIJN!
Uitlaatgassen kunnen bijzonder gevaarlijk zijn. Draai onmiddellijk de ruiten open als u in de auto uitlaatgas ruikt.
- Inhaleer uitlaatgassen niet.
Uitlaatgassen bevatten koolmonoxide, een kleurloos en reukloos gas dat bewusteloosheid en dood door verstikking kan veroorzaken.
- Controleer of het uitlaatsysteem niet lekt.
Het uitlaatsysteem moet elke keer dat de auto op de brug staat voor olieverversen of voor andere reparaties worden gecontroleerd. Laat uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer als u merkt dat het geluid van de uitlaat verandert of als u over iets heen gereden bent dat de onderzijde van de auto heeft geraakt.
- Laat de motor niet draaien in een afgesloten ruimte.
Het is gevaarlijk de motor van uw auto in de garage te lateri draaien, ook al staat de garagedeur open. Laat de motor niet langer draaien in uw garage dan de tijd die u na het starten nodig heeft om de garage uit te rijden.
- Voorkom langdurig stationair draaien als er mensen in de auto zitten.
Als het noodzakelijk is de auto gedurende langere tijd stationair te laten draaien terwijl er mensen in de auto aanwezig zijn, doe dat dan alleen in een open ruimte, zet de luchttoevoer op BUITENLUCHT en schakel een van de hogere ventilatorsnelheden in zodat er frisse lucht naar het interieur wordt toegevoerd.
Als u moet rijden met de achterklep open omdat de lading het sluiten van de achterklep onmogelijk maakt:
-
Sluit alle ruiten.
-
Open de uitstroomopeningen opzij.
-
Zet de luchttoevoer op BUITENLUCHT, kies voor de luchtregeling VERWARMEN of VENTILEREN en zet de aanjager in een van de hogere standen.
Voor een goede werking van het ventilatiesysteem is het noodzakelijk dat de luchtinlaat onder de voorruit vrij blijft van sneeuw, ijs, bladeren en andere obstructies.
CONTACTSLOT

Verlicht contactslot (indien van toepassing)
Ter verhoging van het comfort gaat, als het contact niet in stand ON staat, de contactslotverlichting branden wanneer één van de portieren wordt geopend. Het lampje gaat uit na ongeveer 30 seconden of als het contact in stand ON wordt gezet.

Contactslot en stuurslot
Standen contactsiot
LOCK
Het stuurslot beschermt tegen diefstal. De contactsleutel kan alleen uit het contact worden verwijderd als het contact in stand LOCK staat.
Om de contactsleutel vanuit stand ACC in stand LOCK te zetten, moet deze ingedrukt worden.
ACC (Accessoires)
Het stuurwiel is van het stuurslot en de elektrische accessoires werken.
ON
Voordat de motor wordt gestart lichten de waarschuwingslampjes ter controle op. Het contactslot keert na het starten terug in deze stand.
Laat het contact niet in stand ON staan als de motor niet draait.
START
Draai de contactsleutel in stand START om de motor te starten. De startmotor zal rondgedraaid worden totdat u de sleutel loslaat. De sleutel keert vervolgens terug in de stand ON. In deze stand licht het waarschuwingslampje van het remsysteem ter controle op.
\* AANWIJZING
Draai het stuurwiel naar links en naar rechts om de contactsleutel om te kunnen draaien.
WAARSCHUWING
- Contactsleutel
- Zet het contact nooit in stand LOCK of ACC terwijl de auto rijdt. Hierdoor wordt sturen en remmen onmogelijk, wat onmiddellijk tot ongevallen kan leiden.
- Het stuurslot dient niet ter vervanging van de parkeerrem. Zet de versnellingspook voor u de bestuurdersstoel verlaat steeds in de de 1ste versnelling bij een handgeschakelde versnellingsbak of op P (parkeren) bij een automatische versnellingsbak; trek de handrem helemaal aan EN schakel de motor uit. Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.
(Vervolg)
(Vervoig)
- Steek nooit tijdens het rijden uw hand door het stuurwiel om de contactsleutel of andere bedieningsorganen te bedienen. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen.
- Plaats geen voorwerpen onder de bestuurdersstoel. Deze kunnen verschuiven waardoor ongelukken kunnen ontstaan
STARTEN VAN DE MOTOR
WAARSCHUWING
Zorg altijd voor degelijk schoeisel tijdens het rijden met de auto. Het wordt afgeraden schoenen te dragen met hoge hakken of schoenen met een groot loopopperviak zoals "moon en "snowboots" om te voorkomen dat de pendalen niet goed bediend kunnen worden.
Starten van de benzinemotor
- Controleer of de parkeerrem is aangetrokken.
- Handgeschakelde transmissie - Trap het koppelingspedaal volledig in en zet de versnellingspook in de vrijstand. Houd het koppelingspedaal ingetrapt tijdens het starten van de motor.
Automatische transmissie - Zet de selectiehendel in stand P. Trap het rempedaal volledig in.
De motor kan ook gestart worden met de selectiehendel in stand N.
- Draai de contactsleutel in stand START en houd de sleutel in deze stand totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden). Laat de sleutel vervolgens los.
- Laat bij extreme kou (lager dan - 18°C) of wanneer de auto een aantal dagen niet is gebruikt, de motor warmdraaien zonder het gaspedaal in te trappen.
Of de motor nu warm is of koud, hij dient gestart te worden zonder het gaspedaal in te trappen.
Z OPMERKING
Probeer de selectiehendel niet in stand P te zetten wanneer de motor tijdens het rijden afslaat. Als het veilig is met het oog op het overige verkeer, kunt u de selectiehendel tijdens het rijden in stand N zetten en kunt u de motor opnieuw proberen te starten door het contact in stand START te zetten.
OPMERKING
Laat de startmotor niet langer dan 10 seconden achter elkaar draaien.Wacht als de motor afslaat of niet aanslaat 5 tot 10 seconden alvorens de startmotor opnieuw in te schakelen. Als de startmotor niet correct bediend wordt, kan deze beschadigd raken.
Starten van de dieselmotor
Om de dieselmotor te starten bij koude motor moet deze voorgegloeid worden voordat de motor gestart wordt en vervolgens opgewarmd worden voordat u ermee wegrijdt.
-
Controleer of de parkeerrem is aangetrokken.
-
Handgeschakelde transmissie - Trap het koppelingspedaal volledig in en zet de versnellingspook in de vrijstand.
Houd het koppelingspedaal ingetrapt tijdens het starten van de motor.
Automatische transmissie - Zet de selectiehendel in stand P. Trap het rempedaal volledig in.
De motor kan ook gestart worden wanneer de selectiehendel in stand N staat.
Indicatielampje van de gloeispiraal

W-60
- Zet het contact in stand ON om de motor voor te gloeien. Het controlelampje voorgloeien zal nu gaan branden.
- Zet, wanneer het controlelampje voorgloeien uitgaat, het contact in stand START en houd het contact in deze stand totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden). Laat de sleutel vervolgens los.
\* AANWIJZING
Als de motor na 2 seconden niet aanslaat, draai dan de contactsleutel in stand LOCK gedurende 10 seconden en vervolgens in stand ON om hem weer voor te gloeien.
Starten en afzetten van een motor met turbo/intercooler
1 Voer het toerental van de motor niet te hoog op en accelereer niet direct na het starten van de motor. Laat een koude motor enkele seconden stationair draaien voordat u wegrijdt om ervoor te zorgen dat de turbocompressor voldoende smering krijgt.
2. Na het rijden met hoge snelheid of een lange rit met een zware motorbelasting dient de motor voor het afzetten ongeveer 1 min stationair te draaien.
Door de motor stationair te laten draaien zal de turbo afkoelen voordat de motor wordt afgezet.
OPMERKING
Zet de motor nooit direct af nadat hij zwaar belast is. Dit kan zware schade veroorzaken aan de motor of de turbocompressor.
HANDGESCHAKELDE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING)


De versneilingspook kan worden bediend zonder de ring (1) omhoog te trekken.

De ring (1) moet omhoog worden getrokken als de versnellingspook wordt bediend.
Bedienen van de handgeschakelde transmissie
De handgeschakelde transmissie heeft vijf (of zes) versnellingen vooruit.
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen geheel in en laat het langzaam opkomen.
Voordat de achteruitversnelling kan worden ingeschakeld, moet de versnellingspook eerst in de vrijstand worden gezet.
Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat de achteruit wordt ingeschakeld.
Laat de motor nooit met een toerental draaien dat in het rode gebied van de toerenteller ligt.
OPMERKING
- Bij het terugschakelen van de vijfde naar de vierde versnelling moet erop worden gelet dat de versnellingspook niet zo ver opzij wordt gedrukt dat per ongeluk de tweede versnelling wordt ingeschakeld. Hierdoor zou het motortoerental zo hoog kunnen oplopen dat de naald van de toerenteller in het rode gebied terecht zou kunnen komen. Dergelijke hoge toerentallen kunnen ernstige motorschade veroorzaken.
- Schakel niet meer dan 2 versnellingen tegelijk terug en schakel niet terug als de motor met een hoog toerental draait (5.000 omw/min). Terugschakelen onder dergelijke omstandigheden kan schade aan de motor veroorzaken.
- Bij zeer lage buitentemperaturen kan het schakelen wat moeizamer gaan zolang de transmissieolie nog koud is. Dat is normaal en niet schadelijk voor de transmissie.
- Als de auto geheel tot stilstand is gekomen en de 1e versnelling of de achteruit moeilijk ingeschakeld kunnen worden, zet dan de versnellingspook in de vrijstand en laat de koppeling opkomen. Trap het koppelingspedaal weer in en schakeel vervolgens de 1e versnelling of de achteruit in.
OPMERKING
- Laat, om vroegtijdige slijtage en beschadiging van de koppeling te voorkomen, uw voet tijdens het rijden niet op het koppelingspedaal rusten. Gebruik de koppeling ook niet om de auto stil te laten staan op een helling (bijvoorbeeld bij een verkeerslicht, enz.).
- Laat tijdens het rijden uw hand niet op de versnellingspook rusten omdat hierdoor voortijdige slijtage aan de schakelvorken in de transmissie op kan treden.
Trek altijd de parkeerrem stevig aan en zet de motor uit alvorens de auto te verlaten. Controleer vervolgens of de 1e versnelling is ingeschakeld als de auto op een horizontale weg of een helling wordt geparkeerd. Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.
Bedienen van de koppeling
Het koppelingspedaal moet geheel worden ingetrapt alvorens de versnellingspook te verplaatsen en moet daarna weer langzaam worden losgelaten. Het koppelingspedaal moet tijdens het rijden altijd geheel zijn losgelaten. Laat tijdens het rijden uw voet niet op het koppelingspedaal rusten. Dat veroorzaakt onnodige slijtage. Laat de koppeling ook niet gedeeltelijk in aangrijping komen om de auto op een helling op zijn plaats te houden. Dat veroorzaakt onnodige slijtage. Gebruik de voetrem of de parkeerrem om de auto op een helling op zijn plaats te houden. Trap het koppelingspedaal niet herhaaldelijk snel achter elkaar in.
Terugschakelen
Als u moet afremmen voor het overige verkeer op de weg of als u een helling oprijdt, schakel dan tijdig terug naar een lagere versnelling. Dit beperkt de kans op afslaan van de motor en zorgt voor een betere acceleratie op het moment dat u uw snelheid weer moet verhogen. Bij het afrijden van een steile helling helpt terugschakelen bij het handhaven van een veilige snelheid en bij het ontzien van het remsysteem.
Goede rijgewoonten
- Laat de auto nooit in zijn vrij een helling af rijden. Dit is bijzonder gevaarlijk. Laat de auto bij het afrijden van een helling altijd in een versnelling staan.
- Houd het rempedaal niet langdurig achter elkaar ingetrapt. Hierdoor kunnen de remmen oververhit raken en dienst gaan weigeren. Schakel in plaats daarvan bij het afrijden van een iange helling terug naar een lagere versnelling. Hierdoor remt de auto af op de motor.
- Vertraag de snelheid voordat u terugschakelt. Hiermee voorkomt u dat de motor met een te hoog toerental gaat draaien, hetgeen schadelijk kan zijn voor de motor.
- Verlaag uw snelheid ook als u geconironteerd wordt met zijwind. Dan kunt u de auto beter onder controle houden.
- Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat de achteruit wordt ingeschakeld. Als dat niet het geval is, kan de transmissie beschadigd raken.
Trap het koppelingspedaal in, zet de versnellingspook in de vrijstand, wacht 3 seconden en zet daarna de versnellingspook in de achteruit.
- Wees vooral voorzichtig bij het rijden op een gladde ondergrond. Let in dat geval vooral op bij het remmen, gasgeven en schakelen. Op een glad wegdek kan een abrupte snelheidsverandering leiden tot verlies van grip van de aangedreven wielen, waardoor u de controle over uw auto kunt verliezen.
WAARSCHUWING
- Draag altijd uw veiligheidsgordel! Bij een aanrijding lopen inzittenden die hun veiligheidsgordel niet dragen een veel grotere kans op ernstig letsel dan inzittenden die hun veiligheidsgordel wel dragen.
- Pas uw snelheid aan voordat u een bocht aansnijdt of gaat keren.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Maak geen plotselinge stuurbewegingen bij het wisselen van rijbaan of bij het nemen van snelle, scherpe bochten.
- De kans dat de auto over de kop slaat wanneer u de macht over het stuur verliest, is veel groter bij hogere snelheden.
- Meestal verliest de bestuurder de macht over de auto wanneer twee of meer wielen van de weg raken en de bestuurder het stuur omgooit om de auto weer de weg op te sturen.
- Gooi het stuur niet om wanneer uw auto van de weg raakt. Minder in plaats daarvan snelheid voordat u de auto terug de weg op stuurt.
• Houd u altijd aan de snelheidslimieten.
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING)

Trap het rempedaal in als u de selectiehendel verplaatst.
Daarna kunt u de selectiehendel in een andere stand zetten.
OED046004
Automatische transmissie; bedienen van
Rijden onder normale omstandigheden vindt plaats met de selectiehendel in stand D.
Om de selectiehendel in stand P te kunnen zetten, moet het rempedaal worden ingetrapt.
Trap voor een soepele en veilige bediening het rempedaal in bij het overschakelen van stand N naar een vooruit- of de achteruitversnelling.

WAARSCHUWING
- Automatische transmissie Controleer altijd of stand P is ingeschakeld, trek de parkeerrem volledig aan en zet de motor uit voordat u de auto verlaat. Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.

OPMERKING
- Geef geen gas wanneer stand R of één van de vooruitversnellingen is ingeschakeld en het rempedaal ingetrapt is.
- Houd de auto bij stilstaan op een helling nooit op zijn plaats door gas te geven. Gebruik de bedrijfsrem of de parkeerrem.
- Schakel niet van stand N of P in stand D of R wanneer het motortoerental meer is dan het stationaire toerental.
Standen selectiehendel
Stand P (parkeren)
In deze stand zijn de transmissie en de voorwielen geblokkeerd. Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat deze stand wordt ingeschakeld.

WAARSCHUWING
- Wanneer stand P tijdens het rijden wordt ingeschakeld, blokkeren de voorwielen en raakt u de controle over de auto kwijt.
- Gebruik stand P niet in plaats van de parkeerrem. Zorg er altijd voor dat de selectiehendel in stand P vergrendeld staat en niet kan bewegen en trek de parkeerrem altijd volledig aan.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Controleer altijd of stand P is ingeschakeld voordat u de auto verlaat. Trap het parkeerrempedaal volledig in, zet de motor uit en verwijder de sleutel. Als deze voorzorgsmaatregelen niet worden opgevolgd kan de auto onverwacht en plotseling in beweging komen.
- Laat een kind nooit zonder toezicht achter in de auto.
\* AANWIJZING
De transmissie kan beschadigd raken wanneer u stand P tijdens het rijden inschakelt.
Stand R (achteruit)
Gebruik deze stand om de auto achteruit te rijden.
\* AANWIJZING
Laat de auto helemaal tot stilstand komen alvorens de selectiehendel in of uit stand R te zetten. Anders zou de transmissie kunnen beschadigen, behalve onder de omstandigheden uitgelegd onder OP EIGEN KRACHT LOSTREKKEN VAN DE AUTO in dit instructieboekje.
Stand N (neutraal)
In stand N zijn de transmissie en de wielen niet geblokkeerd. De auto kan vrij rollen, zelfs als de vierwielaandrijving is ingeschakeld, tenzij de parkeerrem wordt of het rempedaal wordt ingetrapt.
Stand D (Drive)
Dit is de normale stand voor het rijden in voorwaartse richting. De transmissie schakelt automatisch tussen de vier vooruitversnellingen voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik en optimale prestaties.
Druk voor extra vermogen tijdens inhaalmanoeuvres of het beklimmen van een steile helling het gaspedaal volledig in. Hierdoor zal de automatische transmissie automatisch een lagere versnelling kiezen.
3 (derde versnelling, indien aanwezig)
Zet de selectiehendel in deze stand voor het trekken van een aanhanger op een helling.
In deze stand kan tevens worden afgeremd op de motor bij het afrijden van hellingen.
2 (tweede versnelling)
Schakel stand 2 (tweede versnelling) in voor meer vermogen bij het oprijden van een helling en voor beter afremmen op de motor bij het dalen.
In deze stand wordt ook de wielslip op een glad wegdek gereduceerd. Als de selectiehendel in stand 2 (tweede versnelling) staat, zal de transmissie automatisch schakelen tussen de 1e en 2e versnelling.
1 (eerste versnelling)
Zet de selectiehendel in deze stand wanneer een maximale trekkracht nodig is en bij het afrijden van steile hellingen.
Z OPMERKING
Overschrijd de geadviseerde maximum snelheden in 2 (2e versnelling) of 1 (eerste versnelling) niet. Het overschrijden van de geadviseerde maximum snelheden in 2 (2e versnelling) of 1 (eerste versnelling) kan leiden tot een overmatige hitteontwikkeling, waardoor de automatische transmissie beschadigd of defect kan raken.
Vanuit stilstand een steile helling oprijden
Trap het rempedaal in en zet de selectiehendel in stand D om vanuit stilstand een steile helling op te rijden. Kies de juiste versnelling afhankelijk van de mate waarin de auto belast is en de steilheid van de helling en ontgrendel de parkeerrem. Trap het gaspedaal geleidelijk in terwijl u het rempedaal op laat komen.
Bij het vanuit stilstand accelereren op een steile helling kan de auto de neiging hebben om achteruit te rollen. Door de selectiehendel in stand 2 (tweede versnelling) te zetten voorkomt u dat de auto achteruit gaat rollen.
Schakelblokkeersysteem (indien van toepassing)
De automatische transmissie heeft een schakelblokkeersysteem dat voorkomt dat de selectiehendel uit de stand P kan worden gezet zonder dat het rempedaal is ingetrapt.
Om de selectiehendel uit stand P te zetten:
- Houd het rempedaal ingetrapt.
- Start de motor of zet het contact in de stand ON.
- Druk de ontgrendelknop in en verplaats de selectiehendel.
Als het rempedaal herhaaldelijk wordt ingetrapt en losgelaten met de selectiehendel in de stand P, kan een ratelend geluid bij de selectiehendel worden gehoord. Dit is een normaal verschijnsel.
WAARSCHUWING
Houd tijdens het in een andere stand dan stand P zetten van de selectiehendel altijd het rempedaal ingetrapt om te voorkomen dat de auto zich onbedoeld in beweging zet, waardoor mensen die zich in de buurt van de auto bevinden letsel op zouden kunnen lopen.

Uitschakelen van schakelblokkeersysteem Als de selectiehendel niet vanuit stand P of N in een stand R kan worden gezet met het rempedaal ingetrapt, voer dan de volgende handelingen uit:
- Verwijder voorzichtig het afdekkapje (1) van de opening voor het uitschakelen van de schakelblokkering.
- Steek een schroevendraaier (of sleutel) in de opening en druk de schroevendraaier (of sleutel) naar beneden.
- Verzet de selectiehendel.
- Laat uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.
Goede rijgewoonten
- Houd het gaspedaal nooit ingetrapt als de selectiehendel van stand P of N in een andere stand wordt gezet.
- Zet de selectiehendel nooit in stand P als de auto nog niet volledig tot stilstand is gekomen.
- Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat stand R wordt ingeschakeld.
- Laat de auto nooit in zijn vrij een helling af rijden. Dit is bijzonder gevaarlijk. Laat de auto bij het rijden altijd in een versnelling staan.
-
Houd het rempedaal niet langdurig achter elkaar ingetrapt. Hierdoor kunnen de remmen oververhit raken en dienst gaan weigeren. Schakel in plaats daarvan bij het afrijden van een lange helling terug naar een lagere versnelling. Hierdoor remt de auto af op de motor.
-
Vertraag de snelheid voordat u terugschakelt. Anders kan de lagere versnelling misschien niet worden ingeschakeld.
- Gebruik altijd de parkeerrem. Vertrouw niet uitsluitend op stand P van de transmissie om de auto op zijn plaats te houden.
- Wees vooral voorzichtig bij het rijden op een gladde ondergrond. Let in dat geval vooral op bij het remmen, gasgeven en schakelen. Op een glad wegdek kan een abrupte snelheidsverandering leiden tot verlies van grip van de aangedreven wielen, waardoor u de controle over uw auto kunt verliezen.
- Voor de beste prestaties en een zo laag mogelijk brandstofverbruik moet het gaspedaal met een gelijkmatige beweging worden ingetrapt en worden losgelaten.
WAARSCHUWING
- Draag altijd uw veiligheidsgordel! Bij een aanrijding lopen inzittenden die hun veiligheidsgordel niet dragen een veel grotere kans op ernstig letsel dan inzittenden die hun veiligheidsgordel wel dragen.
- Pas uw snelheid aan voordat u een bocht aansnijdt of gaat keren.
- Maak geen plotselinge stuurbewegingen bij het wisselen van rijbaan of bij het nemen van snelle, scherpe bochten.
- De kans dat de auto over de kop slaat wanneer u de macht over het stuur verliest, is veel groter bij hogere snelheden.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Meestal verliest de bestuurder de macht over de auto wanneer twee of meer wielen van de weg raken en de bestuurder het stuur omgooit om de auto weer de weg op te sturen.
- Gooi het stuur niet om wanneer uw auto van de weg raakt. Minder in plaats daarvan snelheid voordat u de auto terug de weg op stuurt.
- Houd u altijd aan de snelheidslimieten.
WAARSCHUWING
Als u met u auto vast komt te zitten in de sneeuw, modder, zand, enz., kunt u proberen de auto weer los te krijgen door afwisselend voor- en achteruit te rijden. Doe dat echter niet als er mensen of obstakels in de directe nabijheid van de auto aanwezig zijn. Tijdens het voor- of achteruitrijden kan de auto plotseling naar voren of naar achteren bewegen als de aangedreven wielen weer grip krijgen, waardoor personen letsel kunnen oplopen of schade kan ontstaan.
REMSYSTEEM
Rembekrachtiging
Uw auto is voorzien van bekrachtigde remmen die bij normaal gebruik automatisch afgesteld worden.
Als de rembekrachtiging uitvalt omdat de motor is afgeslagen of door een andere oorzaak, kunt u de auto alsnog tot stilstand brengen door het rempedaal met een grotere kracht dan normaal in te drukken. De remweg zal echter langer dan gewoonlijk zijn.
Als de motor niet draait, wordt de mate van bekrachtiging steeds minder naarmate u vaker het rempedaal indrukt. Als de rembekrachtiging uitvalt, probeer dan niet "pompend" te remmen.
Rem alleen "pompend" als de wielen dreigen te blokkeren.
Problemen bij het remmen
Als de bedrijfsremmen tijdens het rijden uit zouden vallen, kunt u de auto met behulp van de parkeerrem alsnog tot stilstand brengen. Houd daarbij dan wel rekening met een veel langere remweg dan normaal.
WAARSCHUWING
- Parkeerrem
Wanneer tijdens het rijden met een normale snelheid de parkeerrem wordt aangetrokken, kunt u plotseling de controle over de auto verliezen. Trek de parkeerrem voorzichtig aan wanneer u deze gebruikt om de auto tot stilstand te brengen.
WAARSCHUWING
- Remmen
- Laat tijdens het rijden uw voet niet op het rempedaal rusten. Hierdoor kan de temperatuur van de remmen abnormaal hoog worden, kunnen de remblokken en -schoenen overmatig slijten en kan de remweg vergroot worden.
- Schakel bij het afrijden van een lange of een steile helling een lagere versnelling in en vermijd langdurig achter elkaar remmen. Door langdurig achter elkaar te remmen zullen de remmen oververhit raken en kan een tijdelijk verlies van remprestaties het gevolg zijn.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Als de remmen nat zijn, remt de auto minder dan normaal en kan de auto naar een kant trekken tijdens het remmen. Door het rempedaal licht in te trappen kunt u controleren of het remvermogen door het nat worden is verminderd.
Controleer uw remmen altijd op deze manier nadat u door waterplassen bent gereden. Druk voor het drogen van de remmen het rempedaal licht in terwijl u met een lage snelheid rijdt, totdat het remvermogen weer op het normale niveau is.
Remblokslijtage-indicators
Uw auto is voorzien van schijfremmen.
Wanneer de remblokken vóór of achter (indien van toepassing) versleten zijn, hoort u als waarschuwing een piepend geluid van de remmen. Dit geluid kan af en toe hoorbaar zijn of op het moment dat u het rempedaal intrapt.
Onder sommige rijomstandigheden of bij sommige klimaten kunnen de remmen piepen wanneer u het rempedaal voor de eerste keer of lichtjes intrapt. Dit is normaal en duidt niet op een probleem met de remmen.

OPMERKING
Blijf niet rijden met versleten remblokken om kostbare reparaties aan de remmen te voorkomen.

WAARSCHUWING
- Remblokslijtage
Dit waarschuwingsgeluid geeft aan dat de remblokken van uw auto vervangen moeten worden. Wanneer u deze waarschuwing negeert, kunnen de remprestaties na een poosje verminderen wat tot ernstige ongevallen kan leiden.

OPMERKING
Vervang altijd de remblokken van één en dezelfde as gelijktijdig.

Trap eerst de voetrem in en trek daarna de parkeerremhendel zonder de ontgrendelknop in te drukke zo ver mogelijk omhoog. Verder wordt geadviseerd bij het parkeren op een helling de versnellingspook in een lage versnelling te zetten (handgeschakelde transmissie) of de selectiehendel in stand P (automatische transmissie) te zetten.

OPMERKING
Wanneer met ingetrapte parkeerrem gereden wordt, zullen de remblokken overmatig slijten.

Trap het rempedaal in en trek de parkeerremhendel iets omhoog.
Druk vervolgens de ontgrendelknop in en beweeg de parkeerremhendel naar beneden terwijl u de ontgrendelknop ingedrukt houdt.

WAARSCHUWING
- Parkeerrem
- Gebruik stand P niet in plaats van de parkeerrem om de auto op zijn plaats te houden. Trek de parkeerrem aan EN controleer of de versnellingspook in de 1e versnelling of de achteruit staat bij handgeschakelde transmissie of de selectiehendel in stand P staat bij auto's met een automatische transmissie.
- Laat kinderen en personen die niet bekend zijn met de auto niet aan de parkeerrem komen. Als de parkeerrem per ongeluk ontgrendeld wordt, kan er ernstig letsel ontstaan.

W-75
Controleer of het waarschuwings- lampje van het remsysteem werkt door het contact in stand ON te zetten (start de motor niet). Dit lampje gaat branden wanneer het contact in stand START of ON wordt gezet en de parkeerrem aangetrokken is.
Zorg ervoor dat de parkeerrem voor het wegrijden vrij is en het waarschuwingslampje van het remsysteem uit is.
Als het waarschuwingslampje van het remsysteem blijft branden nadat de parkeerrem vrij is, kan er een storing in het remsysteem zijn. Laat dit direct controleren.
Breng de auto indien mogelijk direct tot stilstand. Als dat niet mogelijk is, rijdt dan erg voorzichtig door naar een plaats waar u wel kunt stoppen.
Parkeren bij stoepranden
- Als u de auto op een helling omhoog wilt parkeren, zet deze dan zo dicht mogelijk bij de stoeprand en draai de voorwielen van de stoeprand af, zodat de het voorwiel achteruit de stoeprand raakt, mocht deze onverhoopt gaan rollen.
- Als u de auto op een helling omlaag wilt parkeren, zet deze dan zo dicht mogelijk bij de stoeprand en draai de voorwielen naar de stoeprand toe, zodat het voorwiel vooruit de stoeprand raakt, mocht deze onverhoopt gaan rollen.
Antiblokkeersysteem (ABS) (indien van toepassing)
WAARSCHUWING
- Remsysteem met ABS
Het antiblokkeersysteem ontheft u niet van de noodzaak om voorzichtig rijden. Het blijft mogelijk dat u bij een ongeval betrokken raakt.
Het ABS zal niet altijd een ongeval kunnen voorkomen, zeker onder de volgende omstandigheden:
- Bij roekeloos, te hard of te dicht achter de voorganger rijden.
- Bij rijden met hoge snelheid als de grip op de weg minder is, door bijvoorbeeld regenval.
- Bij te snel rijden op slechte wegen. Het ABS is ontworpen om de maximale remwerking te verhogen op met name autowegen en wegen die in een goede staat verkeren. Op slechte wegen kan het ABS de remwerking zelfs verminderen.
Het ABS registreert continu de snelheid van de wielen. Zodra de wielen dreigen te blokkeren, vermindert het ABS de hydraulische remdruk op de wielen.
In dat geval is een tikkend geluid hoorbaar in het remsysteem en kan het rempedaal gaan trillen. Dit is normaal. Het betekent dat het ABS in werking is getreden.
Om in een noodsituatie het maximale rendement uit het ABS te halen, dient u niet zelf "pompend" te gaan remmen. Trap het rempedaal zo hard mogelijk in en laat het ABS verder het werk doen.
- Zelfs met het antiblokkeersysteem heeft uw auto nog steeds voldoende remweg nodig. Bewaar altijd een veilige afstand tot de auto voor u.
- Rem altijd af voor een bocht. Het antiblokkeersysteem kan geen ongevallen voorkomen die het gevolg zijn van te snel rijden.
- Op wegen met los grind of wegen die niet vlak zijn kan het antiblokkeersysteem voor een langere remweg zorgen dan bij auto's zonder antiblokkeersysteem.

Wi-78
Z. OPMERKING
- Wanneer het waarschuwingslampje ABS brandt en blijft branden, is er mogelijk een probleem aanwezig in het ABS. In dat geval werken de remmen echter wel normaal.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Het waarschuwingslampje ABS licht nadat het contact om stand ON is gezet ongeveer 3 seconden op. Het ABS voert dan een zelfdiagnose uit en het lampje zal uitgaan wanneer alles in orde is. Wanneer het lampje blijft branden, is er mogelijk een probleem aanwezig in het ABS. Laat de auto zo snel mogelijk controlleren door een officiële Kia-dealer.
Z OPMERKING
- Als u op een weg rijdt waar erg weinig grip is, is het mogelijk dat bij het remmen het ABS continu in werking is en het waarschuwingslampje ABS oplicht. Zet de auto stil op een veilige plaats en zet de motor uit.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Start de motor opnieuw. Als het waarschuwingslampje ABS uitgaat, is het ABS in orde. Anders is er mogelijk een storing in het ABS. Laat de auto zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.
\* AANWIJZING
Als u de auto met een hulpaccu moet starten doordat de accu is leeggeraakt, draait de motor mogelijk niet soepel rond en kan bovendieu het waarschuwingslampje ABS oplichten. Dit komt door de lage accuspanning. Het betekent niet dat er een storing in het ABS is.
• Rem niet "pompend"!
- Laat de accu bijladen voordat u wegrijdt.
STUURWIEL
Elektronische stuurbekrachtiging
De stuurbekrachtiging reduceert de benodigde stuurkracht door gebruik te maken van een elektromotor. Bij een niet-draaiende motor of bij een defecte stuurbekrachtiging blijft de auto bestuurbaar, maar is de benodigde stuurkracht veel groter.
De elektromotor die voor de bekrachtiging zorgt, wordt geregeld door een module die de elektromotor aanstuurt op basis van signalen over het stuurkoppel, de stand van het stuurwiel en de rijsnelheid.
Het verdraaien van het stuurwiel wordt zwaarder wanneer de rijsnelheid toeneemt en lichter wanneer de snelheid afneemt. Hierdoor kan het stuurwiel gemakkelijker verdraaid worden.
Indien u merkt dat onder normale omstandigheden het sturen van de auto zwaarder gaat dan normaal, moet u de stuurbekrachtiging door een officiële KIA-dealer laten controlieren.
\* AANWIJZING
De volgende symptomen kunnen zich tijdens normaal gebruik voordoen:
* Het waarschuwingslampje EPS brandt niet.
- Het draaien aan het stuurwiel gaat zwaarder nadat het contact in stand ON wordt gezet. Dat gebeurt als het als het EPS-systeem een zelfdiagnose uitvoert. Als de zelfdiagnose voltooid is, gaat het draaien aan het stuur weer net zo licht als anders.
• Er kan een klikkend geluid hoorbaar zijn van het EPS-relais na het in stand ON of LOCK zetten van het contact.
- Het geluid van de elektromotor kan hoorbaar zijn als de auto stilstaat of met lage snelheid rijdt.
- De benodigde stuurkracht kan plotseling toenemen als het EPS-systeem wordt uitgeschakeld om ernstige ongelukken te voorkomen als er tijdens de zelfdiagnose een storing in het EPS-systeem ontdekt wordt.
Verstelbare stuurkolom (indien van toepassing)
Een verstelbare stuurkolom maakt het mogelijk het stuurwiel af te stellen voordat u gaat rijden. Daarnaast kunt u het stuurwiel omhoog kantelen zodat uw benen meer ruimte hebben bij het in- en uitstappen.
Het stuurwiel moet zo worden afgesteld dat u een tijdens het rijden een comfortabele positie achter het stuur kunt vinden en tegelijkertijd een goed zicht heeft op de waarschuwingslampje en meters in het instrumentenpaneel.
WAARSCHUWING
- Stel het stuurwiel nooit af tijdens het rijden. Als u dat wel doet kunt u de macht over het stuur verliezen waardoor ongevallen en letsel veroorzaakt kunnen worden.
- Controleer na het afstellen of het stuurwiel goed vastzit.

Trek de vergrendeling (1) omhoog, zet het stuurwiel in de gewenste stand (2) en laat de vergrendeling weer los om het stuurwiel te blokkeren.
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden.

Om te claxonneren drukt u op het claxonsymbool op het stuurwiel.
Controleer regelmatig de werking van de claxon.
Z OPMERKING
- Om te claxonneren drukt u in de omgeving van het claxonsymbool op het stuurwiel (zie afbeelding).
- Om de claxon te bedienen hoeft u niet op het claxongedeelte te slaan. Druk het claxongedeelte niet in met een scherp voorwerp.
CRUISE CONTROL (INDIEN VAN TOEPASSING)
De cruise control stelt u in staat een bepaalde rijsnelheid te programmeren die de auto vervolgens aanhoudt zonder dat u de voet op het gaspedaal hoeft te houden.
Dit systeem is ontworpen om bij een snelheid van meer dan 40 km/h in werking te treden.
WAARSCHUWING
- Cruise control
Gebruik de cruise control in deze gevallen niet:
- Bij drukke of niet-constante verkeersstromen
• Op gladde of bochtige wegen - In situaties waarbij de snelheid veelvuldig varieert

Rijsnelheid instellen:
-
Druk op de toets CRUISE ON/OFF op het stuurwiel om de cruise control in te schakelen. Het controlelampje CRUISE in het instrumentenpaneel licht op ( ).
-
Geef gas tot u de gewenste snelheid tussen 40 km/h.
WAARSCHUWING
Als het systeem niet wordt uitgeschakeld (lampje CRUISE blijft branden) kan de cruise control mogelijk onbedoeld worden geactiveerd. Zet het systeem uit (lampje CRUISE uit) wanneer de cruise control niet gebruikt wordt.

- Druk de schakelaar SET (-) in en laat de schakelaar los als de gewenste snelheid is bereikt. Het controlelampje SET in het instrumentenpaneel zal gaan branden. Laat op dat moment ook het gaspedaal los. De snelheid wordt nu automatisch aangehouden.
De functie SET kan ongeveer 2 seconden nadat de toets CRUISE ON-OFF is ingedrukt, geactiveerd worden.
Op steile hellingen kan de snelheid van de auto tijdelijk lager worden.

Schakel de cruise control op één van de volgende manieren uit:
- Trap het rempedaal in. - Trap het koppelingspedaal in bij een handgeschakelde transmissie of zet de selectiehendel in stand N bij een automatische transmissie.
- Druk op de schakelaar CANCEL. Door deze handelingen wordt de werking van de cruise control onderbroken (het controlelampje SET op het instrumentenpaneel gaat uit), maar het systeem wordt niet uitgeschakeld. Om de werking van de cruise control te hervatten drukt u op schakelaar + op het stuurwiel. De cruise control keert terug naar de eerder door u ingestelde snelheid.
Schakel de cruise control op één van de volgende manieren uit:
- Druk op de toets CRUISE ON-OFF (het controlelampje CRUISE (☐) in het instrumentenpaneel gaat uit).
- Zet het contact in stand LOCK. In deze beide gevallen wordt het systeem uitgeschakeld. Volg de aanwijzingen onder "Rijsnelheid instellen" op de vorige bladzijde om de cruise control opnieuw in te schakelen.

Rijsnelheid verhogen:
Volg één van de volgende procedures:
- Houd schakelaar + ingedrukt. De auto zal accelereren. Laat de schakelaar los op het moment dat de gewenste snelheid is bereikt.
- Druk schakelaar + in en laat deze meteen los. De rijsnelheid wordt bij elke druk op de toets verhoogd met 1,6 km/h. De nieuwe snelheid wordt opgeslagen in het geheugen.
Tijdelijk accelereren met ingeschakelde cruise control
Trap het gaspedaal in als u tijdelijk sneller wilt gaan rijden terwijl de cruise control is ingeschakeld. De cruise control wordt niet uitgeschakeld en de rijsnelheid die oorspronkelijk was ingesteld blijft behouden.
Laat het gaspedaal los om weer terug te keren naar de oorspronkelijke rijsnelheid.

Rijsnelheid verlagen:
Volg één van de volgende procedures:
- Houd de toets - ingedrukt. De auto mindert geleidelijk snelheid. Laat de schakelaar los op het moment dat de gewenste snelheid is bereikt.
- Druk schakelaar - in en laat hem meteen los. De rijsnelheid wordt bij elke druk op de toets verlaagd met 1,6 km/h. De nieuwe snelheid wordt opgeslagen in het geheugen.
Besturing van uw auto

Terugkeren naar ingestelde rijsnelheid (boven 40 km/h):
De meest recente snelheid wordt automatisch hervat wanneer de toets RES/ACC omhoog wordt gedrukt. Dit kan alleen als de ingestelde rijsnelheid niet onderbroken is met schakelaar + en het systeem nog steeds geactiveerd is.
De ingestelde snelheid wordt echter niet hervat wanneer de snelheid minder is dan 40 km/h.
VOERTUIGSTABILITEITSREGELING (INDIEN VAN TOEPASSING)

Voertuigstabiliteitsregeling (ESP - Electronic stability program) (indien van toepassing)
Het ESP-systeem is ontworpen om de stabiliteit van de auto in bochten te verbeteren. Het ESP controleert in welke richting u stuurt en in welke richting de auto daadwerkelijk beweegt. Het ESP remt de wielen gericht af en grijpt indien nodig in in het motormanagementsysteem om de auto te stabiliseren.
WAARSCHUWING
Rijd niet harder dan de toestand van de weg toelaat en neem bochten niet met een te hoge snelheid. De voertuigstabiliteitsregeling (ESP) kan aanrijdingen niet voorkomen. Te hoge bochtensnelheden, abrupte uitwijkmanoeuvres en aquaplaning op een nat wegdek kunnen nog steeds leiden tot ernstige ongelukken. Alleen een bestuurder die veilig en oplettend rijdt kan aanrijdingen voorkomen door manoeuvres te vermijden die kunnen leiden tot het verlies van grip van de banden. Neem ook bij een auto die is uitgerust met ESP de normale voorzorgsmaatregelen in acht en pas uw snelheid altijd aan aan de omstandigheden.
Het ESP-systeem (Electronic Stability Program) is een elektronisch systeem dat ontworpen is om de auto onder ongunstige omstandigheden beter onder controle te kunnen houden. Het systeem is geen vervanging voor een veilig rijgedrag. Zaken als snelheid, conditie van de weg en stuurcommando's van de bestuurder hebben invloed op de mate waarin het ESP verlies van controle over de auto kan voorkomen. Het blijft te allen tijde de verantwoordelijkheid van de bestuurder de snelheid aan te passen aan de omstandigheden en te zorgen voor een juiste veiligheidsmarge.
In dat geval is een tikkend geluid hoorbaar in het remsysteem en kan het rempedaal gaan trillen. Dit is normaal. Het betekent dat het ESP in werking is getreden.
\* AANWIJZING
Na het starten van de motor en het wegrijden kan er in de motorruimte een klikkend geluid hoorbaar zijn. Dat is normaal en geeft aan dat het ESP op de juiste manier werkt.
Werking voertuigstabiliteitsregeling Voertuigstabiliteitsregeling ingeschakel

- Als het contact in stand ON wordt gezet, gaan de controlelampjes ESP en ESP OFF gedurende ongeveer 3 seconden branden, waarna de voertuigstabiliteitsregeling wordt ingeschakeld.
- Houd, om de voertuigstabiliteitsregeling uit te schakelen, de schakelaar ESP OFF ten minste 0,5 seconden ingedrukt nadat het contact in stand ON is gezet. (Het controlelampje ESP OFF gaat branden.) Druk op de schakelaar ESP OFF om de voertuigstabiliteitsregeling in te schakelen (het controlelampje ESP OFF dooft).
- Tijdens het starten van de motor is mogelijk een zacht tikkend geluid hoorbaar. Dit is de automatische zelfdiagnosefunctie van de voertuigstabiliteitsregeling en duidt niet op een storing.
In werking
ESP Als de voertuigstabiliteitsregeling in werking treedt, gaat het controlelampje ESP knipperen.
- Als de voertuigstabiliteitsregeling werkt, voelt u mogelijk lichte trillingen in de auto. Dit wordt veroorzaakt door het aansturen van de remmen en is normaal.
- Tijdens het wegrijden op een gladde weg neemt het motortoerental mogelijk niet toe, ondanks dat u het gaspedaal intrapt.
Voertuigstabiliteitsregeling uitschakelen
Voertuigstabiliteitsregeling uitgeschakeld
ESP OFF
- Druk op toets ESP OFF om de voertuigstabiliteitsregeling uit te schakelen. Het controlelampje ESP OFF gaat branden.
- De voertuigstabiliteitsregeling blijft uitgeschakeld, ook als u het contact in stand LOCK zet. Pas wanneer de motor opnieuw wordt gestart, zal de voertuigstabiliteitsregeling automatisch weer worden ingeschakeld.
■ Controlelampje ESP (knippert)
ESP
■ Controlelampje ESP OFF (gaat branden)
ESP
OFF
Controlelampje
Als het contact in stand ON wordt gezet, gaat het controlelampje branden. Als het systeem in orde is dooft het lampje na enige tijd weer.
Het controlelampje ESP gaat knipperen zodra het systeem in werking treedt.
Het controlelampje ESP OFF gaat branden als het systeem met de schakelaar is uitgeschakeld of blijft branden als er een storing in het systeem aanwezig is.
Z OPMERKING
Als er banden en/of velgen met een verschillende maat onder de auto gemonteerd zijn, kan dat de werking van het ESP in negatieve zin beïnvloeden. Zorg er daarom voor dat als de banden onder uw auto vervangen moeten worden, ze dezelfde maat hebben als de originele banden.
WAARSCHUWING
De voertuigstabiliteitsregeling is slechts een hulpmiddel bij het rijden. Pas op bochtige en gladde wegen uw rijsnelheid aan. Rijd voorzichtig en probeer niet te accelereren als het controlelampje ESP knippert of als u op een gladde weg rijdt.
\* AANWIJZING
Na het losnemen van de accukabels of nadat een lege accu opgeladen is, kan het controlelampje ESP OFF gaan branden.
Draai het stuurwiel in dit geval een halve slag naar links en naar rechts terwijl het contact in stand ON staat. Start vervolgens de motor opnieuw nadat het contact in stand LOCK gezet is. Het controlelampje ESP OFF dooft. Laat het systeem zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer als het controlelampje ESP OFF niet dooft.
Voertuigstabiliteitsregeling uitschakelen
Tijdens het rijden
- Het verdient aanbeveling om de voertuigstabiliteitsregeling waar mogelijk ingeschakeld te houden.
- Schakel de voertuigstabiliteitsregeling tijdens het rijden alleen uit als u op een vlakke weg rijdt.
Druk nooit op de schakelaar ESP OFF als de voertuigstabiliteitsregeling in werking is (controle-lampje ESP knippert).
Als het systeem in dat geval toch wordt uitgeschakeld, kan de auto gaan slippen.
\* AANWIJZING
- Schakel de voertuigstabiliteitsregeling uit (controlelampje ESP OFF brandt) als de auto op een rollenbank getest wordt. Als dat niet gebeurt, kan het toerental van de wielen mogelijk niet verhoogd worden, waardoor een foutieve diagnose zou kunnen worden gesteld.
- Het uitschakelen van de voertuigstabiliteitsregeling heeft geen gevolgen voor een correcte werking van het ABS en het remsysteem.
WAARSCHUWING
Druk niet op de schakelaar ESP OFF als de voertuigstabiliteitsregeling in werking is.
Als het systeem in dat geval toch wordt uitgeschakeld, kan de auto gaan slippen.
Schakel de voertuigstabiliteitsregeling tijdens het rijden alleen uit als u op een vlakke weg rijdt.
INSTRUMENTENPANEEL
Benzinemotor

- Toerenteller
- Controlelampje richtingaanwijzer
- Snelheidsmeter
- Temperatuurmeter
- Waarschuwings- en controlelampjes
- Schakelstandindicator automatische transmissie
- Kilometerteller/dagteller
- Functie-/resetknop dagteller
- Brandstofmeter
OED046015/OED046071
METERS
Snelheidsmeter
De snelheidsmeter geeft de snelheid aan als de auto vooruit rijdt.
Door op de functieknop te drukken kunt u kiezen tussen de kilometerteller, dagteller A en dagteller B.
Kilometerteiler
De kilometerteller geeft de totale afstand aan die met de auto gereden is.
Dagteller
TRIPA: Dagteller A
TRIPB: Dagteller B
De dagteller geeft de gereden afstand per afzonderlijke rit aan. Dagteller A en B kunnen gereset worden door de resetknop gedurende één seconde of langer in te drukken en vervoigens los te laten.
Toerenteller
De toerenteller geeft het aantal omwentelingen per minuut (omw/min) bij benadering weer.
Gebruik de toerenteller om de juiste schakelmomenten te kiezen en voorkom dat de motor zwaar moet trekken of met te hoge motortoerentallen draait.
De naald van de toerenteller kan licht bewegen wanneer het contact in stand ACC of ON staat en de motor uit is. Deze beweging is normaal en beïnvloedt de nauwkeurigheid van de toerenteller niet als de motor eenmaal draait.
\* AANWIJZING
Zorg ervoor dat het motortoerental niet toeneemt tot in het rode gebied. Hierdoor kan ernstige motorschade ontstaan.
Temperatuurmeter
Wanneer het contact in stand ON staat, geeft deze meter de koelvloeistoftemperatuur weer.
Blijf niet doorrijden met een oververhitte motor. Raadpleeg OVERVERHITTING in de index wanneer de motor oververhit raakt.
\* AANWIJZING
Als de naald van de meter buiten het normale bereik komt en in de richting van stand 130 beweegt, duidt dit op oververhitting van de motor, waardoor schade aan de motor kan ontstaan.
Brandstofmeter
De brandstofmeter geeft bij benadering de hoeveelheid brandstof aan die nog in de tank aanwezig is. De inhoud van de brandstoftank staat in hoofdstuk 8. De brandstofmeter is tevens voorzien van een waarschuwingslampje laag brandstofniveau dat gaat branden als de brandstoftank bijna leeg is.
Bij hellingen en bochten beweegt mogelijk de naald van de brandstofmeter, knippert mogelijk het waarschuwingslampje laag brandstofniveau, of gaat het waarschuwingslampje laag brandstofniveau mogelijk branden doordat de brandstof in de brandstoftank heen en weer beweegt.
WAARSCHUWING - Brandstofmeter
Het is gevaarlijk als de auto zonder brandstof komt te staan. Vul de brandstoftank zo snel mogelijk als het waarschuwingslampje gaat branden of als de naald van de brandstofmeter de '0' nadert.

Verlichting instrumentenpaneel (indien van toepassing)
Met behulp van de draaiknop kan de verlichtingssterkte voor het dashboard geregeld worden wanneer de parkeerlichten of de dimlichten branden.
De waarschuwingslampjes kunnen worden gecontroleerd door het contact in stand ON te zetten (start de motor niet). Ieder lampje dat niet gaat branden, moet gecontroleerd worden door een officiële Kia-dealer. Controleer nadat de motor aanslaat of alle waarschuwingslampjes uit zijn. Eventuele lampjes die nog branden, kunnen op een storing duiden. Het waarschuwingslampje van het remsysteem moet uitgaan zodra de parkeerrem vrij is. Het waarschuwingslampje laag brandstofniveau blijft branden als er nog maar weinig brandstof in de tank zit.
Waarschuwingslampje ABS (indien van toepassing)

Dit lampje gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet en gaat na ongeveer 3 seconden uit als het systeem in orde is.
Wanneer het lampje blijft branden, is er mogelijk een probleem aanwezig in het ABS. Laat de auto zo snel mogelijk controlleren door een officiële Kia-dealer.
Waarschuwingslampje EBD (indien van toepassing)

Als tijdens het rijden twee waarschuwingslampjes gelijktijdig gaan branden, dan zit er een probleem in het ABS- of EBD-systeem.
In dat geval werken het antiblokkeersysteem en het remsysteem misschien niet normaal. Laat uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.
WAARSCHUWING
Als zowel het waarschu- wingslampje ABS als het waarschuwingslampje remsysteem brandt en blijft branden, zal het remsysteem niet normaal werken. Er kan dus een onverwachte en gevaarlijke situatie ontstaan bij plotseling remmen. Vermijd in dit geval hard rijden en plotseling remmen. Laat uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.
Oliedruklampje

Dit waarschuwingslampje geeft aan dat de oliedruk van de motor laag is. Als het waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden:
- Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto tot stilstand.
- Controleer het motoroliepeil wanneer de motor uit is. Vul indien nodig olie bij wanneer het peil laag is.
Neem contact op met een officiële Kia-dealer als het waarschuwingslampje na het bijvullen blijft branden.
Waarschuwingslampje laadsysteem

Dit waarschuwingslampje duidt op een storing in de dynamo of in het laadsysteem.
Handel als volgt als het lampje gaat branden tijdens het rijden:
- Rijd naar de dichtstbijzijnde veilige locatie.
- Schakel de motor uit en controleer of de dynamoriem onvoldoende spanning heeft of gebroken is.
- Als de dynamoriem in orde is, bevindt het probleem zich in het laadsysteem. Laat de auto zo snel mogelijk repareren door een officiële Kia-dealer.
Waarschuwingslampje veiligheidsgordel

Als herinnering voor bestuurder en passagiers gaat telkens als het contact in stand ON wordt gezet het waarschuwingslampje van de veiligheidsgordels gedurende 6 seconden knipperen of branden.
Zie voor meer informatie Veiligheidsgordels in hoofdstuk 3.
Schakelstandindicator (indien van toepassing)

Afhankelijk van de stand van de selectiehendel gaat het overeenkomstige lampje branden.
OPMERKING
Ernstige motorschade kan het gevolg zijn wanneer u de motor niet onmiddellijk uitzet.
Controlelampje startblokkeersysteem (indien van toepassing)

Dit lampje gaat branden als de sleutel in het contact gestoken wordt en in stand ON wordt gedraaid.
Laat het systeem controleren door een officiële Kia-dealer wanneer het lampje niet gaat branden of gaat knipperen als het contact in stand ON staat en de motor nog niet is gestart.
Waarschuwingslampje remsysteem

Waarschuwing ingeschakelde parkeerrem
Dit lampje gaat branden wanneer het contact in stand START of ON wordt gezet en de parkeerrem ingeschakeld is. Zodra de parkeerrem niet langer meer is ingeschakeld, moet het lampje UIT zijn.
Waarschuwing laag remvloeistofniveau
Als het waarschuwingslampje blijft branden, kan dit duiden op een laag remvloeistofpeil in het reservoir.
Handel als volgt wanneer het waarschuwingslampje blijft branden:
- Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand.
-
Schakel de motor uit en controleer het remvloeistofpeil direct. Vul indien nodig remvloeistof bij. Controleer alle onderdelen van het remsysteem op lekkage.
-
Rijd niet met de auto als het waarschuwingslampje aan blijft of als de remmen niet goed werken. Laat de auto naar een officiële Kia-dealer slepen om het remsysteem te laten controleren en zonodig te laten repareren.
Controleer of het waarschuwingslampje van het remsysteem in orde is en brandt als het contact in stand ON staat.
WAARSCHUWING
Rijden met een auto waarvan het waarschuwingslampje brandt, is gevaarlijk. Laat het remsysteem direct controleren en repareren door een officiële Kia-dealer als het waarschuwingslampje blijft branden.
Waarschuwingslampje open achterklep (indien van toepassing)
Dit waarschuwingslampje gaat branden als de achterklep niet volledig gesloten is.
Waarschuwingslampje laag brandstofniveau
Dit waarschuwingslampje geeft aan dat de brandstoftank bijna leeg is. Dit lampje gaat branden als de brandstofvoorraad minder dan ongeveer 8 liter bedraagt. Vul zo snel mogelijk brandstof bij.
Waarschuwingslampje open portier
Dit waarschuwingslampje gaat branden als een portier niet goed gesloten is (in alle standen van het contact).

Dit controlelampje gaat branden als het grootlicht wordt ingeschakeld of een lichtsignaal wordt gegeven.
Controlelampje mistlampen vóór (indien van toepassing)
Dit lampje gaat branden als de mistlampen vóór worden ingeschakeld.
Controlelampje mistachterlicht (indien van toepassing)
Dit lampje gaat branden als de mistachterlichten worden ingeschakeld.

Controlelampje motormanagement (indien van toepassing)
Dit controlelampje maakt deel uit van het motorregelsysteem dat verschillende onderdelen van het emissieregelsysteem in de gaten houdt. Als dit lampje tijdens het rijden gaat branden, geeft het aan dat een mogelijk probleem gesignaleerd werd in de emissieregelsystemen.
Dit lampje gaat ook branden als het contact in stand ON wordt gezet en gaat een paar seconden nadat de motor gestart is weer uit. Laat uw auto door de dichtstbijzijnde officiële Kia-dealer controleren als het lampje tijdens het rijden gaat branden of als het niet gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet.
Over het algemeen kunt u met uw auto blijven rijden en hoeft deze niet gesleept te worden. Laat het systeem echter zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.

Z OPMERKING
- Wanneer u langere tijd met een brandend controlelampje motormanagement ( ) blijft doorrijden, kan schade aan de emissieregelsystemen ontstaan. Dit kan een nadelige invloed hebben op de rijprestaties en/of het brandstofverbruik.
- Wanneer het controlelampje motormanagement ( ) gaat branden, kan de katalysator beschadigd zijn. Hierdoor kan het motorvermogen teruglopen. Laat het motorregelsysteem zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.
Z OPMERKING
- Dieselmotor (indien van toepassing)
Laat het roetfiltersysteem controleren door een officiële Kia-dealer als het controlelampje motormanagement gaat branden (rijd niet verder dan 50 km/31 mijl met een brandend lampje)
Controlelampje laag niveau ruitensproeiervloeistof (indien van toepassing)
Dit controlelampje geeft aan dat het sproeierreservoir bijna leeg is. Vul zo snel mogelijk ruitensproeiervloeistof bij.
Controlelampje cruise control (indien van toepassing)
Controlelampje CRUISE

Het controlelampje gaat branden wanneer het cruise control-systeem wordt ingeschakeld.
Controlelampje SET

Het controlelampje gaat branden als de functie (-) van de cruise control is ingeschakeld.
Waarschuwingslampje AIRBAG (indien van toepassing)
AIR BAG
Dit waarschuwingslampje zal ongeveer 6 seconden gaan knipperen iedere keer dat het contact in stand ON wordt gezet.
Roep onmiddellijk de hulp in van een officiële Kia-dealer wanneer het lampje niet uit gaat of tijdens het rijden gaat branden.
Controlelampje airbag voorpassagier UIT (indien van toepassing)

Het controlelampje airbag voorpassagier UIT brandt gedurende ongeveer 4 s nadat het contact in stand ON is gezet.
Het controlelampje airbag voorpassagier UIT zal ook gaan branden als de AAN/UIT-schakelaar voor de airbag in de stand UIT staat en zal uitgaan als de AAN/UIT-schakelaar in de stand AAN wordt gezet.
OPMERKING
Als er een defect optreedt in de AAN/UIT-schakelaar zal het controlelampje airbag voorpassagier UIT niet branden en zal de airbagmodule de airbag voor de voorpassagier bij een frontale aanrijding activeren, ook al staat de schakelaar voor het AAN/UIT-schakelen van de airbag in de stand UIT.
Laat in dat geval de AAN/UIT- schakelaar voor de airbag en het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.
Controielampje ESP (voertuigstabiliteitsregeling) (indien van toepassing)
ESP
Controlelampje ESP (voertuigstabiliteitsregeling) (indien van toepassing) Het controlelampje EPS gaat branden op het moment dat het contact in stand ON wordt gezet en moet na ongeveer 3 seconden weer doven. Als de voertuigstabiliteitsregeling is ingeschakeld, registreert dit systeem de rijomstandigheden. Zolang deze normaal zijn, blijft het controlelampje ESP uit. Zodra het systeem registreert dat de wielen door willen gaan slippen, wordt de voertuigstabiliteitsregeling geactiveerd en gaat het controlelampje ESP knipperen.
Controlelampje ESP OFF (indien van toepassing)
ESP OFF
Het controlelampje EPS OFF gaat branden op het moment dat het contact in stand ON wordt gezet en moet na ongeveer 3 seconden weer doven. Druk op de schakelaar ESP OFF om de voertuigstabiliteitsregeling uit te schakelen. Het controlelampje ESP OFF gaat branden om aan te geven dat het systeem is uitgeschakeld. Als dit lampje brandt terwijl de voertuigstabiliteitsregeling is ingeschakeld, is er mogelijk een storing in het systeem. Laat de auto controleren door een officiële Kia-dealer.
\* AANWIJZING
Na het losnemen van de accukabels of nadat een lege accu opgeladen is, kan het controlelampje ESP OFF gaan branden.
Draai het stuurwiel in dit geval een halve slag naar links en naar rechts terwijl het contact in stand ON staat. Start vervolgens de motor opnieuw nadat het contact in stand LOCK gezet is. Het controlelampje ESP OFF dooft. Laat het systeem zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer als het controlelampje ESP OFF niet dooft.
Waarschuwingslampje elektrische stuurbekrachtiging
EPS
(EPS) (indien van toepassing, alleen dieselmotor)
Dit controlelampje gaat branden nadat het contact in stand ON gezet is en gaat wanneer de motor gestart wordt weer uit. Dit lampje zal ook gaan branden als er problemen zijn in het ESP-systeem.
Laat uw auto controleren door een officiële Kia-dealer als het lampje tijdens het rijden gaat branden.
Indicatielampje gloeispiraal (alleen dieselmotor)

Dit lampje gaat branden tijdens het voorgloeien en gaat daarna uit.
\* AANWIJZING
Laat het systeem zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer of een deskundig garagebedrijf wanneer het controlelampje voorgloeien blijft branden nadat de motor op bedrijfstemperatuur is of als het lampje gaat branden tijdens het rijden.
Waarschuwingslampje brandstofffilter (dieselmotor)

Dit waarschuwingslampje gaat gedurende 3 s na het in stand ON zetten van het contact branden en gaat vervolgens weer uit. Als het lampje gaat branden bij een draaiende motor, wil dat zeggen dat er teveel water in het brandstofffilter aanwezig is. Als dat het geval is, moet het water in het brandstofffilter worden afgetapt. Zie voor meer informatie "Brandstofffilter" in hoofdstuk 7.
Z OPMERKING
Als het waarschuwingslampje brandstofffilter brandt kan het motorvermogen (rijsnelheid en stationair toerental) afnemen. Als u blijft rijden met een brandend waarschuwingslampje, kan er schade ontstaan aan de motor of aan onderdelen van het common rail-systeem. Laat in dat geval uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.
BOORDCOMPUTER (INDIEN VAN TOEPASSING)

De boordcomputer voorziet de bestuurder middels een LCD van informatie als de geschatte actieradius, de gemiddelde rijsnelheid en de reisduur.
Als u korter dan 1 seconde op de toets ▼/OFF drukt, gaat de verlichting van het LCD uit. Als u nogmaals op de toets ▼/OFF drukt, gaat de verlichting van het LCD weer aan.
Mode (functie)
Door telkens minder dan 1 seconde op de toets MODE te drukken, kunnen onderstaande functies worden opgeroepen:

flowchart
graph TD
A["Kalender\n(indien van toepassing)"] --> B["Verstreken tijd"]
B --> C["Gemiddeld\nbrandstofverbruik"]
C --> D["Actueel\nbrandstofverbruik"]
D --> E["Actieradius"]
E --> F["Gemiddelde rijsnelheid"]
F --> A

Kalender en klok (indien van toepassing)
Type A - zonder navigatiesysteem De kalenderfuncties zijn dag, maand, jaar en klok. De dag, maand en jaar worden alleen bij geactiveerde kalenderfunctie weergegeven. De klok wordt in iedere stand weergegeven.
Kalender programmeren
Als u de toets MODE gedurende langer dan 2 seconden indrukt terwijl de kalenderfunctie geactiveerd is, schakelt u de functie kalender programmeren in. De programmeervolgorde is JAAR→MAAND→DAG.
Druk om naar de volgende instelling korter dan 1 seconde op de toets MODE en stel de data in met de toetsen UP (▲) en DOWN (▼) terwijl de geselecteerde instelling knippert.
Instellen klok
Als u de toets MODE gedurende langer dan 2 seconden indrukt in een andere stand, schakelt u de functie klok programmeren in. De programmeervolgorde is UREN→MINUTEN.
Druk om naar de volgende instelling korter dan 1 seconde op de toets MODE en stel de data in met de toetsen UP (▲) en DOWN (▼) terwijl de geselecteerde instelling knippert.
Als de minutenaanduiding lager is dan 30 en er minder dan 1 seconde op de toets RESET wordt gedrukt, springt de minutenaanduiding naar :00 en verandert de urenaanduiding niet.
Als de minutenaanduiding hoger is dan 30 en er minder dan 1 seconde op de toets RESET wordt gedrukt, springt de minutenaanduiding naar :00 en wordt de urenaanduiding 1 uur hoger.

OED046022
Type B - met navigatiosysteem
De kalender wordt in iedere stand weergegeven.
Om de programmeerfunctie voor de kalender en de klok op te roepen in andere standen moet de toets MODE gedurende meer dan 2 seconden worden ingedrukt. De programmeervolgorde is UREN→MINUTEN→JAAR→MAAND→DAG.
Druk om naar de volgende instelling korter dan 1 seconde op de toets MODE en stel de data in met de toetsen UP (▲) en DOWN (▼) terwijl de geselecteerde instelling knippert.
Als de minutenaanduiding lager is dan 30 en er minder dan 1 seconde op de toets RESET wordt gedrukt, springt de minutenaanduiding naar :0 en verandert de urenaanduiding niet.
Als de minutenaanduiding hoger is dan 30 en er minder dan 1 seconde op de toets RESET wordt gedrukt, springt de minutenaanduiding naar :0 en wordt de urenaanduiding 1 uur hoger.

OED046023


OED046024
Verstreken tijd
In deze stand wordt de tijd weergegeven die is verstreken sinds de tijd voor het laatst gereset werd.
Om de verstreken tijd op 0:00 te resetten, moet de toets RESET gedurende meer dan 1 seconde worden ingedrukt terwijl de verstreken tijd wordt weergegeven.
Als de verstreken tijd langer wordt dan 99:59, begint de weergave weer met 0:00.
Het bereik van het display loopt van 0:00 - 99:59.
Gemiddeld brandstofverbruik
In deze stand wordt het gemiddelde brandstofverbruik berekend uit het totale brandstofverbruik en de afstand die is afgelegd sinds het gemiddelde brandstofverbruik voor het laatst gereset werd. Het totale brandstofverbruik wordt berekend uit het brandstofverbruikssignaal. Voor een nauwkeurige berekening dient meer dan 500 m (0,3 milj) te worden gereden.
Om het gemiddelde brandstofverbruik te resetten op 0.0 //100 km (MPG), moet de toets RESET gedurende meer dan 1 seconde worden ingedrukt terwijl het gemiddelde brandstofverbruik wordt weergegeven.
Om de eenheid waarmee het gemiddeld brandstofverbruik wordt weergegeven te wijzigen (l/100 km↔MPG), moet de toets UP (▲) gedurende meer dan 3 seconden worden ingedrukt.
Het bereik van het display locpt van 0.0 - 99.9 l/100 km (MPG).

Actueel brandstofverbruik
In deze stand wordt het actuele brandstofverbruik berekend op basis van de hoeveelheid brandstof die op dat moment wordt verbruikt en de afgelegde afstand sinds het contact in stand ON werd gezet. Het actuele brandstofverbruik wordt berekend uit het brandstofverbruikssignaal. Het display wordt elke seconde bijgewerkt.
Om het actuele brandstofverbruik te resetten, moet de toets RESET gedurende meer dan 1 seconde worden ingedrukt terwijl het actuele brandstofverbruik wordt weergegeven.
Om de eenheid waarmee het actuele brandstofverbruik wordt weergegeven te wijzigen (/100 km↔MPG), moet de toets UP (▲) gedurende meer dan 3 seconden worden ingedrukt.
Het bereik van het display loopt van 0.0 - 99.9 //100 km (0.0 - 99.9 MPG). Als de rijsnelheid lager is dan 30 km/h, wordt het symbool “--” weergegeven.


OED046072
Actieradius
In deze stand wordt aangegeven hoeveel kilometer er ongeveer gereden kan worden met de hoeveelheid brandstof in de tank. Als de resterende afstand korter is dan 50 km (30 mijl), knippert het symbool “---” naast de actieradiusindicator.
Om de eenheid waarmee de actieradius wordt weergegeven te wijzigen (km ↔ mijlen), moet de toets UP (▲) gedurende meer dan 3 seconden worden ingedrukt.
Het bereik van het display loopt van 0 - 1.500 km (0 - 1.500 mijl).
\* AANWIJZING
- Als de auto niet op een horizontaal vlak staat of als de occupolen losgenomen zijn, kan het gebeuren dat de functie ACTIERADIUS niet goed werkt.
Indien er minder dan 6 liter brandstof getankt wordt, wordt dat niet door de boordcomputer geregistreerd.
- De boordcomputer geeft de bestuurder aanvullende informatie over de actuele status van de auto. De geschattie actieradius kan worden beïnvloed door de actuele bedrijfsomstandigheden, het gemiddelde brandstofverbruik en de rijstijl. De waarden die de eerste keer dat de boordcomputer wordt ingeschakeld, worden weergegeven, kunnen afwijken van de werkelijke waarden voor uw auto.
- De weergegeven actieradius is een schatting en kan derhalve afwijken van de werkelijke afstand die met de auto gereden kan worden.


OED046073
Gemiddelde rijsnelheid
In deze stand wordt de gemiddelde snelheid berekend sinds de laatste keer dat de gemiddelde snelheid gereset werd.
Om de gemiddelde rijsnelheid te resetten, moet de toets RESET gedurende meer dan 1 seconde worden ingedrukt terwijl de gemiddelde rijsnelheid wordt weergegeven.
Om de eenheid waarmee de gemiddelde rijsnelheid wordt weergegeven te wijzigen (km/h ↔ MPH), moet de toets UP (▲) gedurende meer dan 3 seconden worden ingedrukt.
Het bereik van het display loopt van 0 - 260 km/h (160 MPH).
INFORMATIEMONITOR (INDIEN VAN TOEPASSING)

Buitentemperatuur
Op de monitor wordt de actuele buitentemperatuur weergegeven.
Om de eenheid waarmee de temperatuur wordt weergegeven te wijzigen (°C ↔ °F), moet de toets DOWN (▼) gedurende meer dan 3 seconden worden ingedrukt. De eenheid kan echter niet worden gewijzigd als de tripcomputer in de kalenderstand staat.
Het bereik van het display loopt van - 40 - + 80°C (-40° - 176°F).
- Tussen -5°C en 3°C (vorstbereik), licht de melding 'Ice on road' (glad wegdek) op.
- De melding voor een glad wegdek verschijnt nadat het display voor de buitentemperatuur 5 keer knippert tijdens het overschakelen naar het vorstbereik.

Display open portier en open achterklep
Op het display van de tripcomputer word: aangegeven welk portier er niet goed gesloten is en tevens wordt aangegeven of de achterklep niet goed gesloten is.

TPMS (indien van toepassing)
Op de monitor is te zien in welke band de spanning te laag is.
Zie voor meer informatie Bandenspanningscontrolesysteem in hoofdstuk 6.

Melding defect remlicht (indien van toepassing)
Op de monitor wordt aangegeven welk remlicht er defect is.
PARKEERHULP (INDIEN VAN TOEPASSING)

De parkeerhulp waarschuwt de bestuurder tijdens het achteruitrijden met een signaal zodra de afstand tussen de auto en een voorwerp achter de auto minder dan 120 cm wordt. Het systeem dient slechts als hulpmiddel en vermindert niet de noodzaak om voorzichtig te rijden. Het bereik van de parkeersensoren is beperkt en niet alle voorwerpen worden even goed opgemerkt. Blijf daarom altijd alert tijdens het achteruitrijden.
WAARSCHUWING
De parkeerhulp is uitsluitend een ondersteunend systeem.
De werking van de parkeerhulp kan worden beïnvloed door verschillende factoren (inclusief milieufactoren). Het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder om voor en tijdens het achteruitrijden het gebied achter de auto te controleren.
Werking van de parkeerhulp
Werking
- Het systeem wordt ingeschakeld als de achteruitversnelling wordt ingeschakeld en het contact in stand ON staat. Bij een snelheid van meer dan 5 km/h wordt het systeem mogelijk niet juist geactiveerd.
- Het bereik van de parkeersensoren bedraagt ongeveer 120 cm.
- Als er zich meerdere voorwerpen achter de auto bevinden, zal het dichtstbijzijnde als eerste worden geregistreerd.
Waarschuwingssignalen
- Wanneer een voorwerp zich 120 - 81 cm van de achterbumper bevindt: Zoemer klinkt met tussenpozen
- Wanneer een voorwerp zich 80 - 41 cm van de achterbumper bevindt: Zoemer klinkt met kortere tussenpozen
- Wanneer een voorwerp zich binnen 40 cm van de achterbumper bevindt: Zoemer klinkt onafgebroken.
Gevallen waarin de parkeerhulp niet werkt
De parkeerhulp werkt mogelijk niet goed in de volgende gevallen:
- Er zit ijs op de sensor. (Het systeem werkt weer normaal zodra het ijs gesmoiten is.)
- Er zit vuil, zoals sneeuw of water, of een andere substantie op de sensor. (De sensor werkt weer normaal zodra deze vrij is gemaakt.)
- Bij het rijden op oneffen wegen (ongeplaveide wegen, gravel, drempels, hellingen).
- Als bepaalde hoogfrequente geluiden, zoals claxons, motorfietsmotoren, luchtremmen van vrachtwagens, enz. binnen het bereik van de sensor aanwezig zijn.
- Bij zware regenval of opspattend water.
-
Bij de aanwezigheid van afstandsbedieningen of mobiele telefoons binnen het bereik van de sensor.
-
Als de sensor bedekt is met sneeuw.
- Rijden met een aanhanger
Het sensorbereik kan in de volgende gevallen afnemen:
- Er zit vuil zoals sneeuw of water op de sensor.(De sensor werkt weer normaal zodra deze vrij is gemaakt.)"
- Bij extreem hoge of lage buitentemperaturen.
De volgende voorwerpen worden mogelijk niet opgemerkt door de sensoren:
- Smalle objecten als touwen, kettingen of paaltjes.
- Voorwerpen die de hoogfrequente signalen van de sensor absorberen, zoals kleding, sponsachtige materialen of sneeuw.
- Bij objecten lager dan 1 m en smaller dan 14 cm.
Waarschuwingen parkeerhulp
- Het waarschuwingssignaal van de parkeerhulp klinkt mogelijk niet regelmatig als het object achter de auto beweegt of een grillige vorm heeft.
- De correcte werking van de parkeerhulp kan verstoord raken als de bumperhoogte of de inbouwpositie van de sensoren is gewijzigd of als de bumper of sensor beschadigd is. Achteraf gemonteerde accessoires kunnen het bereik van de sensoren ook beïnvloeden.
- Voorwerpen die kleiner zijn dan 40 cm worden mogelijk niet of niet goed geregistreerd. Wees alert.
- Wanneer de sensor bedekt is met sneeuw, vuil of water werkt deze mogelijk niet goed totdat deze weer schoon en droog is gemaakt met een zachte doek.
- Druk of sla niet op de sensor en voorkom dat er krassen op de sensor komen. De sensor kan beschadigd raken.
\* AANWIJZINGHET
systeem werkt alleen in het bereik waarin de parkeersensoren zijn geplaatst. Bovendien worden kleine of smalle voorwerpen als palen, of voorwerpen die zich tussen de verschillende sensoren bevinden mogelijk niet door de sensoren geregistreerd.
Kijk tijdens het achteruitrijden altijd waar u rijdt.
Informeer bestuurders die onbekend zijn met de auto over de mogelijkheden en beperkingen van het systeem.
WAARSCHUWING
Wees extra voorzichtig als u dicht langs voorwerpen of personen, in het bijzonder kinderen, rijdt. Houd er rekening mee dat sommige voorwerpen mogelijk niet door de sensoren worden geregistreerd. Controleer altijd met eigen ogen of de weg vrij is voordat u wegrijdt.
Zelfdiagnose
Als u geen waarschuwingsgeluid hoort of als de zoemer met tussenpozen klinkt wanneer u de achteruitversnelling inschakelt, zit er mogelijk een storing in de parkeerhulp. Laat in dat geval uw auto zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.
WAARSCHUWING
Schade aan de auto en persoonlijk letsel, ontstaan vanwege het onjuist functioneren van de parkeerhulp, vallen niet onder de garantie.
Rijd altijd veilig en voorzichtig.
VERLICHTING
Energiebesparingsfunctie
- Deze functie dient om te voorkomen dat de accu ontladen wordt door automatisch de parkeerlichten uit te schakelen op het moment dat het bestuurdersportier geopend wordt nadat de sleutel uit het contactslot is genomen.
- De parkeerlichten worden automatisch uitgeschakeld als de auto in het donker langs de kant van de weg geparkeerd wordt.
Als het nodig is dat de verlichting blijft branden als de contactsleutel verwijderd is, kunt u de verlichting UIT en vervolgens weer AAN zetten met behulp van de lichtschakelaar op de stuurkolom.
Follow me home koplampen (indien van toepassing)
De koplampen blijven ongeveer 5 minuten branden nadat de contactsleutel is verwijderd of het contact in stand ACC of LOCK is gezet. De koplampen worden echter 30 seconden nadat het bestuurdersportier is geopend op gesloten uitgeschakeld.
De koplampen kunnen worden uitgeschakeld door tweemaal op de toets lock van de afstandsbediening te drukken of door de stand AUTO of dimlichten uit te schakelen.

Bediening verlichting
De lichtschakelaar heeft een stand voor het parkeerlicht en voor de dimverlichting.
De verlichting kan worden bediend door het uiteinde van de combischakelaar in één van de volgende standen te zetten:
(1) UIT
(2) Parkeerlicht
(3) Dimlicht
(4) Automatisch
(indien van toepassing)

Als de lichtschakelaar in de stand parkeerlicht staat (1e stand), branden de achterlichten, het parkeerlicht, de kentekenplaatverlichting en de verlichting van het instrumentenpaneel.

Als de lichtschakelaar in de stand dimlicht staat (2e stand), branden de koplampen, de achterlichten, het parkeerlicht, de kentekenplaatverlichting en de verlichting van het instrumentenpaneel.
\* AANWIJZING
Om de verlichting in te kunnen schakelen moet het contact in stand ON staan.

Automatisch
(indien van toepassing)
Als de lichtschakelaar in stand AUTO staat (3e stand), worden de achterlichten en koplampen automatisch in- of uitgeschakeld, afhankelijk van hoe donker het buiten is.
Z OPMERKING
- Bedek de sensor (1) op het dashboard nooit, zodat een optimale werking van de automatische verlichting gegarandeerd blijft.
- Reinig de sensor niet met een ruitenreiniger. Deze laat een dunnen film achter op de sensor, waardoor deze niet meer goed werkt.
- Als de voorruit van uw auto getint glas heeft of is voorzien van een coating, functioneert het automatische verlichtingssysteem mogelijk niet goed.

Druk de combischakelaar van u af om het grootlicht in te schakelen. Trek de schakelaar naar u toe om het dimlicht in te schakelen.
Het controlelampje voor het grootlicht gaat branden wanneer het grootlicht wordt ingeschakeld.
Om te voorkomen dat de accu uitgeput raakt, dient u de verlichting niet gedurende langere tijd te laten branden terwijl de motor niet draait.

Lichtsignaal
Trek de combischakelaar naar u toe om een lichtsignaal te geven. Als u de combischakelaar loslaat, keert deze weer terug naar zijn oorspronkelijke positie (dimlicht). De verlichting hoeft niet aan te staan om een lichtsignaal te kunnen geven.

Richtingaanwijzers (A)
Om de richtingaanwijzers te laten werken, moet het contact in stand ON staan. Beweeg de combischakelaar omhoog of omlaag om de richtingaanwijzers in te schakelen. Een groen controlelampje in de vorm van een pijl in het dashboard geeft aan welke richtingaanwijzer in werking is. Na een bocht keert de combischakelaar vanzelf weer terug in de middenstand. Zet de combischakelaar handmatig terug in de middenstand als de richtingaanwijzers na een bocht blijven knipperen.
Signaal rijstrookwisseling (B)
Beweeg de combischakelaar gedeeltelijk naar beneden of naar boven en houd hem vast om een wisseling van rijstrook aan te geven. Als u de combischakelaar loslaat, keert deze weer terug naar zijn oorspronkelijke positie.
Wanneer een controlelampje blijft branden, niet knippert of abnormaal knippert, kunnen één of meer lampen doorgebrand zijn en dienen deze vervangen te worden.
\* AANWIJZING
Als de richtingaanwijzer abnormaal snel of langzaam knippert, duidt dit op een kapotte lamp of een slecht contact in het circuit van de richtingaanwijzers.

Mistlampen vóór (indien van toepassing)
De mistlampen dienen voor een beter zicht en ter voorkoming van ongevallen onder omstandigheden waarbij het zicht sterk verminderd wordt door mist, regen, sneeuwval enz. De mistlampen gaan aan als de mistlampschakelaar (1) in stand ON (2) wordt gezet nadat de parkeerverlichting is ingeschakeld. Zet ce schakelaar weer in stand ON (2) om de mistlampen uit te schakelen.
OPMERKING
De mistlampen verbruiken zeer veel stroom. Gebruik de mistlampen alleen bij slecht zicht om te voorkomen dat de laadstroom volledig wordt gebruikt door de mistlampen en de accu leegraakt.

Mistachterlicht (indien van toepassing)
Zet de schakelaar in stand ON om het mistachterlicht in te schakelen als het dimlicht is ingeschakeld. Het controlelampje in het instrumentenpaneel gaat branden.
De mistachterlichten (indien van toepassing) gaan branden als de schakelaar van de mistachterlichten in stand ON wordt gezet en de schakelaar voor de verlichting in de stand parkeerlicht staat.
Zet de schakelaar nogmaals in stand ON, of zet de verlichting uit om de mistachterlichten uit te schakelen.
Motorvoertuigverlichting overdag (MVO) (indien van toepassing)
Door motorvoertuigenverlichting overdag (MVO) kunnen medeweggebruikers uw auto overdag beter zien. Motorvoertuigenverlichting overdag kan onder verschillende rijomstandigheden handig zijn, maar vooral in de periode rond zonsondergang en zonsopgang.
De motorvoertuigenverlichting overdag wordt uitgeschakeld wanneer:
- De koplampen worden ingeschakeid.
- De parkeerlichten worden ingeschakeld.
- De motor afslaat.
\* AANWIJZING
Als u de motorvoertuigverlichting overdag (DRL) uit wilt schakelen, open dan het zekeringenkastje aan bestuurderszijde en plaats een reservezekering in de zekeringhouder die is aangegeven niet DRL OFF.

Koplampverstelling (indien van toepassing)
De koplamphoogte kan worden afgesteld en worden aangepast aan het aantal inzittenden en de hoeveelheid bagage in de auto door de schakelaar voor de koplamphoogte te verdraaien.
Hoe hoger het nummer op de schakelaar, hoe lager de hoogte van de lichtbundel. Zorg ervoor dat de koplampen niet te hoog staan om verblinding van andere weggebruikers te voorkomen.
Hieronder staan voorbeelden van een correcte afstelling. Stel bij een andere mate van belasting dan hieronder vermeld de koplampen af volgens de situatie in het overzicht die zoveel mogelijk aansluit bij de actuele situatie.
| Beladingstoestand | Stand schakelaar |
| Alieen bestuurder | 0 |
| Bestuurder + voorpassagier | 0 |
| Aile zitplaatsen bezet | 1 |
| Aile zitplaatsen bezet + Maximaal toelaatbare belading | 2 |
| Bestuurder + Maximaal toelaatbare belading | 3 |
RUITENWISSERS EN RUITENSPROEIERS

Ruitenwissers vóór
Type A
De werking is als volgt als het contact in stand ON staat.
0 : Ruitenwisser uitgeschakeld
INT : Ruitenwisser werkt met regelmatige intervallen.
Gebruik deze stand bij motregen of mist. Stel de intervaltijd in met de knop (1).
1 : Normale wissersnelheid
2 : Hoge wissersnelheid
. : Druk voor een enkele wisbeweging de bedieningsschakelaar naar beneden en laat hem weer los. De ruitenwissers zullen blijven werken zolang de schakelaar naar beneden wordt gedrukt en wordt vastgehouden.
\* AANWIJZING
Maak de ruit vrij van sneeuw en ijs alvorens de ruitenwissers te gebruiken. Anders werkt de ruitenwisser mogelijk niet goed en kan deze beschadigd raken.
Type B
De werking is als volgt als het contact in stand ON staat.
0/1/2/
Zie de toelichting voor de bediening van type A.
AUTO (indien van toepassing):
De regensensor bovenaan op de voorruit registreert de hoeveelheid regen en schakelt de ruitenwisser automatisch in met de juiste snelheid/intervaltijd. Hoe harder het regent, hoe hoger de wissersnelheid. Als het ophoudt met regenen, wordt de ruitenwisser automatisch uitgeschakeld. Draai aan de snelheidsregelknop om de snelheid te wijzigen (1).
Als het contact in stand ON wordt gezet terwijl de ruitenwisserschakelaar in stand AUTO staat, of als het contact in stand ON staat en de ruitenwisserschakelaar in stand AUTO wordt gezet, of als de snelheidsregelknop in stand F wordt gezet en de ruitenwisserschakelaar in stand AUTO staat, voert het systeem een zelfcontrole uit. Zet de schakelaar in stand OFF als de ruitenwisser niet nodig is.
Z OPMERKING
Zet de schakelaar tijdens het wassen van de auto in stand OFF om te voorkomen dat de ruitenwissers in dat geval automatisch worden ingeschakeld.
Als de ruitenwissers tijdens het wassen worden ingeschakeld, raken ze mogelijk beschadigd.
Verwijder de behuizing van de regensensor bovenaan de voorruit aan passagierszijde niet. Eventuele schade aan onderdelen die hierdoor kan ontstaan, valt niet onder de fabrieksgarantie.
Zet de ruitenwisserschakelaar 's winters voor het starten van de motor in stand OFF. Als de ruitenwissers worden ingeschakeld terwijl de wisserbladen vastgevroren zijn, kunnen deze beschadigd raken. Verwijder alle sneeuw en ijs van de voorruit voordat de ruitenwissers worden ingeschakeld.
WAARSCHUWING
Als het contact in stand ON staat en de schakelaar voor de ruitenwissers vóór in de stand AUTO, neem dan onderstaande aanwijzingen in acht om letsel te voorkomen:
- Raak het bovenste deel van de voorruit, waar de regensensor zich bevindt, niet aan.
- Veeg het bovenste deel van de voorruit niet schoon met een vochtige doek.
- Oefen geen druk uit op de voorruit.
Z OPMERKING
- Schakel de ruitenwissers niet in als de ruit droog is om beschadiging van de wissers en de voorruit te voorkomen.
- Gebruik geen benzine, petroleum, thinner of andere oplosmiddelen in de buurt van de ruitenwisserbladen om beschadiging te voorkomen.
• Probeer de ruitenwissers nooit met de hand te bewegen om beschadiging van de ruitenwisserarmen en van andere onderdelen te voorkomen.

Ruitensproeiers
Trek de hendel naar voren om de ruitensproeier in te schakelen. Als de ruitenwisser in stand OFF staat, zal deze 2-3 wisslagen maken.
Gebruik deze functie om de voorruit te reinigen.
De ruitensproeier en de ruitenwissers blijven werken tot u de hendel loslaat.
Controleer het peil van de ruitensproeiervloeistof als de ruitensproeiers niet werken. Vul het reservoir met een geschikte, niet schurende ruitensproeiervloeistof wanneer het peil te laag is.
De vulpijp van het reservoir bevindt zich vooraan in de motorruimte aan de kant van de passagier.
OPMERKING
Gebruik de ruitensproeiers niet wanneer het reservoir leeg is om beschadiging van de ruitensproeierpomp te voorkomen.
WAARSCHUWING
Gebruik de ruitensproeiers niet bij temperaturen onder het vriespunt zonder eerst de voorruit met behulp van de voorruitontwaseming te hebben verwarmd; de vloeistof kan anders op de voorruit bevriezen en uw uitzicht belemmeren.

Schakelaar achterruitenwisser en -Sproeier (indien van toepassing)
De schakelaar van de achterruitenwisser en -sproeier bevindt zich aan het uiteinde van de ruitenwisser- en sproeierschakelaar. Zet de schakelaar in de gewenste stand om de achterruitenwisser en -sproeier te bedienen.
- Ruitensproeiervloeistof opspuiten en wissen
- Normale ruitenwisserbediening
o - Ruitenwisser is uitgeschakeld - Ruitensproeiervloeistof opspuiten en wissen
ACHTERRUITVERWARMING
Z OPMERKING
Om beschadiging van de geleiders op het binnenoppervlak van de achterruit te voorkomen, mag u de raam aan de binnenkant nooit met scherpe voorwerpen of schuurmiddelen reinigen.
\* AANWIJZING
Zie "Voorruit ontdooien en ontwasemen" in dit deel als u condens en ijs van de voorruit wilt verwijderen.

De achterruitverwarming ondoet de achterruit aan de binnen- en buitenzijde van rijp, condens en ijs als de motor is gestart.
Druk op de toets van de achterruitverwarming om de achterruitverwarming in te schakelen. Het controlelampje in de toets gaat branden wanneer de achterruitverwarming ingeschakeld is. Verwijder eerst eventueel aanwezige sneeuw van de achterruit voordat de achterruitverwarming ingeschakeld wordt.
De achterruitverwarming schakelt na ongeveer 20 minuten automatisch uit of wanneer het contact in stand LOCK wordt gezet. Druk de toets opnieuw in om de achterruitverwarming uit te schakelen.
Buitenspiegelverwarming (indien van toepassing)
Als uw auto voorzien is van buitenspiegelverwarming zal deze gelijktijdig met de achterruitverwarming in werking treden.

Voorruitverwarming (indien van toepassing)
Deze functie werkt alleen bij draaiende motor. Druk op de toets om 'de voorruitverwarming in te schakelen. Het controlelampje in de toets gaat branden als de verwarming wordt ingeschakeld. De voorruitverwarming schakelt na 20 minuten automatisch uit of wanneer het contact in stand LOCK wordt gezet. Druk de toets opnieuw in om de voorruitverwarming uit te schakelen.
ALARMKNIPPERLICHTEN

De alarmknipperlichten moeten worden gebruikt als u door omstandigheden gedwongen bent de auto op een gevaarlijke plaats tot stilstand te brengen. Zet, als u de auto in noodsituaties tot stilstand moet brengen, de auto zo ver mogelijk naast de rijbaan.
De alarmknipperlichten worden ingeschakeld door de schakelaar voor de alarmknipperlichten in te drukken. Hierdoor gaan alle richtingaanwijzers tegelijk knipperen. De alarmknipperlichten werken ook als de sleutel niet in het contactslot zit.
Druk nogmaals op de schakelaar voor de alarmknipperlichten om ze uit te schakelen.
HANDBEDIEND VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)

- Regeling van de temperatuur
- Luchtcirculatieknop
- Aanjagerschakelaar

- Toets A/C (indien van toepassing)
- Toets luchttoevoer
- Toets achterruitverwarming

OED046046

Om de aanjager in te kunnen schakelen moet het contact in stand ON staan.
Met de aanjagerknop kunt u de aanjagersnelheid regelen. U draait de knop naar rechts voor een hogere snelheid en naar links voor een lagere snelheid.
Zet de aanjagerknop in stand OFF om de aanjager uit te schakelen.

Regeling van de temperatuur
Met de knop vóór de temperatuurcontrole kunt u de temperatuur regelen van de lucht die uit het ventilatiesysteem stroomt. U kunt de temperatuur van de lucht in het passagiersgedeelte als volgt regelen:
Draai de knop naar rechts vóór warme tot hete lucht of naar links vóór koelere lucht.

OED046049
Luchtcirculatieknop
De luchtcirculatieknop regelt de circulatie van de lucht door het ventilatiesysteem.

Stand MAX / A/C
MAX A/C
Als u de stand MAX / A/C kiest bij ingeschakelde aanjager, zullen automatisch de volgende systeeminstellingen worden gekozen:
- de airconditioning zal worden ingeschakeld.
- de stand RECIRCULATIE zal worden ingesteld.
- de stand VENTILEREN zal worden ingesteld.
Als u de optie MAX / A/C kiest, kunt u de airconditioning niet uitschakelen en ook niet de stand RECIRCULATIE uitschakelen
Zet de aanjagerknop in de gewenste stand en draai de temperatuurregelknop geheel naar links voor een maximale koeling.
(uitstroomopening: B, D)
Stand VENTILEREN

De lucht stroomt naar de romp en naar het hoofd. Daarnaast kan iedere uitstroomopening versteld worden om de richting van de luchtstroom te wijzigen.
De lucht stroomt naar het hoofd en naar de voetenruimte. De lucht die naar de voetenruimte stroomt, is warmer dan de lucht die naar het hoofd stroomt. (Behalve wanneer de temperatuur in de laagste stand staat.)
De meeste lucht stroomt naar de voetenruimte en een klein gedeelte stroomt naar de voorruit en de zijruitontwaseming. (Uitstroomopening: C, E, A, D)
Stand VERWARMEN/ ONTWASEMEN

De meeste lucht stroomt naar de voetenruimte en de voorruit en een klein gedeelte stroomt door de zijruitontwaseming. (Uitstroomopening: A, C, E, D)
Stand ONTWASEMEN

De meeste lucht stroomt naar de voorruit en een klein gedeelte stroomt door de zijruitontwaseming. (Uitstroomopening: A, D)

Uitstroomopeningen dashboard
De uitstroomopening (B, D) kan afzonderlijk worden geopend of gesloten met het horizontale wieltje. Draai het wieltje naar links om de uitstroomopening te sluiten. Draai het wieltje naar rechts om de uitstroomopening te openen en in de gewenste stand te zetten.
Met de hendel in de ventilatieroosters kunt u de richting van de luchtstroom uit deze ventilatieroosters afstellen, zoals in de afbeelding is aangegeven.

OED046052
Toets luchttoevoer
Hiermee kan de stand BUITENLUCHT of de stand RECIRCULATIE worden gekozen.
Druk op de desbetreffende toets om de stand van de luchttoevoer te wijzigen.
Stand RECIRCULATIE

Het controlelampje in de toets brandt als de stand RECIRCULATIE is gekozen.
In de stand RECIRCULATIE wordt de lucht uit het passagierscompartiment door het systeem gerecirculeerd en, afhankelijk van de gekozen functie, gekoeld of verwarmd.
Stand BUITENLUCHT

Het controlelampje in de toets brandt als de stand BUITENLUCHT is gekozen. In de stand BUITENLUCHT stroomt de lucht van buitenaf in het passagierscompartiment. Deze lucht wordt, afhankelijk van de gekozen functie, verwarmd of gekoeld.
\* AANWIJZING
Let op: Door langdurig gebruik van de stand RECIRCULATIE kunnen de ruiten beslaan en zal de lucht in het passagierscompartiment muf worden.
Daarnaast kan de lucht in het passagierscompartiment extreem droog worden bij langdurig gebruik van de airconditioning in de stand RECIRCULATIE.
WAARSCHUWING
- Langdurig recirculeren kan leiden tot een verhoogde luchtvochtigheid in het interieur, waardoor de ruiten kunnen beslaan en het uitzicht belemmerd wordt.
- Ga niet slapen in de auto wanneer het airconditioningssysteem of de verwarming ingeschakeld is. Door een afname van de zuurstofconcentratie en/of de lichaamstemperatuur kunnen de inzittenden letsel oplopen.
- Langdurig recirculeren kan slaperigheid veroorzaken, waardoor de bestuurder de controle over de auto kan verliezen. Schakel daarom zo veel mogelijk de stand BUITENLUCHT in.

OED046053
Toets A/C (indien van toepassing)
Druk op toets A/C om de airconditioning in te schakelen. Het controlelampje gaat branden. Druk nogmaals op de toets om de airconditioning uit te schakelen.
Werking systeem
Ventileren
- Schakel de stand ↗ in met de luchtcirculatietoets.
- Schakel de stand BUITENLUCHT in met de luchttoevoertoets.
- Stel de temperatuur in op de gewenste waarde.
- Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
Verwarmen
- Schakel de stand √ in met de luchtcirculatietoets.
- Schakel de stand BUITENLUCHT in met de luchttoevoertoets.
- Stel de temperatuur in op de gewenste waarde.
- Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
- Als u de uitstromende lucht gedroogd wil hebben, kunt u de airconditioning (indien van toepassing) aanzetten.
- Schakel de stand 📋, “ in met de luchtcirculatietoets wanneer de voorruit beslaat.
Airconditioning (indien van toepassing)
Alle Kia-airconditioningssystemen zijn gevuld met het milieuvriendelijke koelmiddel R-134a dat niet schadelijk is voor de ozonlaag.
- Start de motor. Druk op toets A/C.
- Schakel de stand ➞ in met de luchtcirculatietoets.
- Schakel de stand RECIRCULATIE in met de toets luchttoevoer.
- Stel de aanjagersnelheid en de temperatuur bij om een maximaal comfort te bereiken.
- Wanneer maximale koeling gewenst is, draai dan de temperatuurregelknop geheel naar links, kies de stand RECIRCULATIE en schakel de aanjager in op de hoogste snelheid.
\* AANWIJZING
- Houd de temperatuurmeter nauwlettend in de gaten wanneer de airconditioning wordt gebruikt als u lange hellingen oprijdt of als u in druk verkeer rijdt bij hoge buitentemperaturen. Door het gebruik van het airconditioningssysteem kan de motor oververhit raken. Blijf de aanjager gebruiken en schakel het airconditioningssysteem uit wanneer de temperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit raakt.
- Bij het openen van de ruiten bij vochtig weer kan de airconditioning druppelvorming in het interieur veroorzaken. Omdat te veel vocht in het interieur schade aan elektrische componenten kan veroorzaken, moet de airconditioning alleen worden gebruikt als de ruiten gesloten zijn.
Aanwijzingen voor gebruik airconditioning
- Open de ruiten een tijdje wanneer de auto tijdens warm weer in de volle zon geparkeerd is geweest, zodat de warme lucht naar buiten kan.
- Om het beslaan van de ruiten tijdens regenachtig weer te verminderen, kunt u de vochtigheidsgraad in het interieur terugbrengen door de airconditioning in te schakelen.
- Tijdens de werking van de airconditioning ziet u het motortoerental bij stationair draaien zo nu en dan iets veranderen wanneer de aircocompressor inschakelt. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem.
-
Schakel de airconditioning iedere maand enkele minuten aan.
-
Na gebruik van de airconditioning kan onder de rechterzijde van de auto een plas heldere vloeistof gelekt zijn. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem.
- Als de stand RECIRCULATIE wordt gebruikt wanneer de airconditioning ingeschakeld is, wordt wel een maximaal koeleffect bereikt, maar kan het gebruik van deze stand gedurende een langere tijd ertoe leiden dat de lucht in het interieur muf wordt.
Hoeveelheid koudemiddel en compressorolie controleren
Ais er te weinig koudemiddel in het systeem zit, neem de koelcapaciteit van de airconditioning af. Een teveel aan koudemiddel heeft ook nadelige effecten op de werking van het systeem.
Laat de auto controleren door een officiële Kia-dealer als het systeem niet correct functioneert.
WAARSCHUWING
Onderhoud aan het airconditioningssysteem moet worden uitgevoerd door een officiële Kia-dealer. Een onjuiste werkmethode kan ernstig letsel tot gevolg hebben.
\* AANWIJZING
Als de prestaties van het airconditioningssysteem teruggelopen zijn, is het belangrijk het systeem bij te vullen met de juiste soort en hoeveelheid olie en koudemiddel. Anders kan er schade aan de compressor ontstaan en kan het systeem niet goed gaan functioneren.
AUTOMATISCH VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)

- Temperatuurregelknop verwarmingssysteem
- Toets AUTO (automatische regeling)
- A/C-display
- Aanjagerknop
-
Toets A/C
-
Toets luchttoevoer /
Toets luchtreiniger (indien van toepassing) - Toets voorruitontwaseming
- Toets luchtcirculatie
- Toets OFF
- Toets achterruitverwarming
OED046054

OED046055
Het automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem wordt bediend door eenvoudigweg de gewenste temperatuur in te stellen.
De volautomatische temperatuurregeling (FATC) regelt het verwarmen en het koelen als volgt:
-
Druk op toets AUTO. Dit wordt aangegeven met AUTO in het display. De te gebruiken uitstroomopeningen, de aanjagersnelheid, de luchtinlaat en de airconditioning worden automatisch geregeld op basis van de gekozen temperatuur.
-
Draai de knop TEMP om de gewenste temperatuur in te stellen.
Wanneer de temperatuur ingesteld wordt op (Lo), zal de airconditioning continu blijven werken.
- Schakel de automatische werking uit door op een willekeurige toets (behalve de bedieningstoets voor de temperatuur en toets AQS) te drukken. Wanneer u op de toets MODE, A/C, achterruitverwarming, luchttoevoer of aanjager drukt, wordt de gekozen functie handmatig bediend. De overige functies blijven automatisch werken.
Onafhankelijk van de ingestelde temperatuur kan de airconditioning in de automatische stand worden ingeschakeld om de luchtvochtigheid te verlagen, zelfs als de verwarming op dat moment is ingeschakeld.

Bedek de sensor op het dashboard nooit, zodat een optimale werking van het verwarmingsen airconditioningssysteem gegarandeerd blijft.
Handmatige bediening aircosysteem
Het verwarmings- en airconditioningssysteem kan ook handmatig geregeld worden met de toetsen anders dan de toets AUTO. In deze stand werkt het systeem sequentieel, afhankelijk van de gekozen toetsen.
Wanneer u in de automatische stand op één van de toetsen, behalve AUTO drukt, blijven de overige functies automatisch werken.
Druk op toets AUTO om de regeling weer volledig automatisch te doen zijn.

OED046056
Regeling van de temperatuur
De maximum temperatuur die kan worden ingesteld door de knop geheel naar rechts te draaien is (HI).
De minimum temperatuur die kan worden ingesteld door de knop geheel naar links te draaien is (Lo).
Door de knop te draaien, wordt de temperatuur telkens met 0,5°C verhoogd of verlaagd. Als de laagste temperatuur is ingesteld, zal de airconditioning continu werken.
Temperatuursaanduiding wijzigen De temperatuureenheid zal gereset worden naar graden Celsius wanneer de accu ontladen is of als de accupolen zijn losgenomen.
Dit is normaal. U kunt de temperatuur als volgt overschakelen van Celsius naar Fahrenheit:
Houd de toets OFF ingedrukt en druk minimaal 3 seconden op toets AUTO. De temperatuursaanduiding verandert van graden Celsius in graden Fahrenheit of andersom.

OED046057
Aanjagerknop
De aanjagersnelheid kan worden ingesteld door de knop in de gewenste stand te draaien.
Hoe hoger de aanjagersnelheid is, hoe meer lucht wordt aangevoerd.
Druk op toets OFF om de aanjager uit te schakelen.

OED046058
Toets luchttoevoer
Hiermee kan de stand BUITENLUCHT of de stand RECIRCULATIE worden gekozen.
Druk op de desbetreffende toets om de stand van de luchttoevoer te wijzigen.
ledere keer als u op de toets drukt, verandert de luchtinlaatstand in de onderstaande volgorde:

flowchart
graph TD
A["Stand RECIRCULATIE"] --> B["Stand AQS (indien van toepassing)"]
B --> C["Stand BUITENLUCHT"]
C --> A
Stand RECIRCULATIE

Het controlelampje in de toets brandt als de stand RECIRCULATIE is gekozen.
In de stand RECIRCULATIE wordt de lucht uit het passagierscompartiment door het systeem gerecirculeerd en, afhankelijk van de gekozen functie, gekoeld of verwarmd.

OED046059
Luchtreiniger
(indien van toepassing)
De aanvoer van buitenlucht wordt automatisch geregeld. Druk op de toets om de luchtreiniger te activeren.
In de stand AQS (Air Quality control System = luchtzuiveringssysteem) wordt de buitenlucht gecontroleerd op verontreinigingen en zoveef mogelijk gezuiverd voordat deze in het interieur terecht komt. Desondanks is het niet helemaal uit te sluiten dat er onaangename geurtjes het interieur binnendringen.
Uitschakelen van het systeem ;
• Druk nogmaals op de toets.
• Druk op toets luchttoevoer.
• Druk op toets AUTO.
- Kies de stand (…) of (♡) (als de ontwasemfunctie is geactiveerd).
- Stel de temperatuurregeling in op (Lo) of (HI) in de stand automatisch (het controlelampje in de toets AUTO brandt).
• Druk op de toets OFF.
Z OPMERKING
- Als gedurende langere tijd gereden wordt met de luchtreiniger geactiveerd, zullen de ruiten beslaan.
- Schakel met de luchtcirculatietoets de stand - ONTWASEMEN in of met de luchttoevoertoets de stand BUITENLUCHT om de ruiten te ontwasemen.
- De sensor van de luchtreiniger is op de radiateur geplaatst. Wees voorzichtig de sensor niet te beschadigen.
Stand BUITENLUCHT

Het controlelampje in de toets brandt als de stand BUITENLUCHT is gekozen. In de stand BUITENLUCHT stroomt de lucht van buitenaf in het passagierscompartiment. Deze lucht wordt, afhankelijk van de gekozen functie, verwarmd of gekoeld.
\* AANWIJZING
Let op: Door langdurig gebruik van de stand RECIRCULATIE kunnen de ruiten beslaan en zal de lucht in het passagiersecompartiment muf worden.
Daarnaast kan de lucht in het passagierscompartiment extreem droog worden bij langdurig gebruik van de airconditioning in de stand RECIRCULATIE.
WAARSCHUWING
- Langdurig recirculeren kan leiden tot een verhoogde luchtvochtigheid in het interieur, waardoor de ruiten kunnen beslaan en het uitzicht belemmerd wordt.
- Ga niet slapen in de auto wanneer het airconditioningssysteem of de verwarming ingeschakeld is. Door een afname van de zuurstofconcentratie en/of de lichaamstemperatuur kunnen de inzittenden letsel oplopen.
- Langdurig recirculeren kan slaperigheid veroorzaken, waardoor de bestuurder de controle over de auto kan verliezen. Schakel daarom zo veel mogelijk de stand BUITENLUCHT in.


Toets luchtcirculatie
De luchtcirculatietoets regelt de circulatie van de lucht door het ventilatiesysteem.
U kunt de verschillende uitstroomopeningen selecteren met de toetsen VENTILEREN, VERWARMEN en/of VOORRUITONTWASEMING.
Als u een keer op de toets drukt, schakelt u de bijbehorende uitstroomopeningen in en als u nogmaals op de toets drukt, schakelt u ze weer uit.
Stand VENTILEREN

De lucht stroomt naar de romp en naar het hoofd. Daarnaast kan iedere uitstroomopening versteid worden om de richting van de luchtstroom te wijzigen. (Uitstroomopening: B, D)
Stand VERWARMEN

De meeste lucht stroomt naar de voetenruimte. (Uitstroomopening: C, E, A, D)
Stand voorruitontwaseming

Het grootste deel van de luchtstroom wordt naar de voorruit geleid. (Uitstroomopening: A, D)
Daarnaast kunt u 2 - 3 standen gelijktijdig selecteren om de gewenste luchtstroom te krijgen.
- Stand VENTILEREN (✗) / VERWARMEN (√)
- Stand VENTILEREN (7) / ONTWASEMEN (1,3)
- Stand VERWARMEN (√) / ONTWASEMEN (1)
- Stand VENTILEREN (7) / VERWARMEN (9) / ONTWASEMEN (10)

Als u de stand maximaal ontwasemen selecteert, schakelt het systeem automatisch de volgende instellingen in:
- de airconditioning zal worden ingeschakeld.
• de stand BUITENLUCHT zal worden ingesteld. - de aanjager zal op de hoogste stand gaan draaien.
Als u de stand MAX ONTWASEMEN selecteert, kunt u de airconditioning niet uitschakelen of de stand BUITENLUCHT selecteren, u kunt wel de aanjagersnelheid en de temperatuur wijzigen.
Druk om de stand maximaal ontwasemen weer uit te schakelen op de keuzetoets voor de standen, nogmaals op de toets maximaal ontwasemen of op de toets AUTO.

Uitstroomopeningen dashboard
De uitstroomopening (B, D) kan afzonderlijk worden geopend of gesloten met het horizontale wieltje. Draai het wieltje naar links om de uitstroomopening te sluiten. Draai het wieltje naar rechts om de uitstroomopening te openen en in de gewenste stand te zetten.
Met de hendel in de ventilatieroosters kunt u de richting van de luchtstroom uit deze ventilatieroosters afstellen, zoals in de afbeelding is aangegeven.

Toets A/C
Druk op toets A/C om de airconditioning in te schakelen. Het controlelampje gaat branden.
Druk nogmaals op de toets om de airconditioning uit te schakelen.

OED046063
Toets OFF
Druk op toets OFF om de airconditioning uit te schakelen. Het is in dat geval nog steeds mogelijk om de luchtcirculatie en de luchttoevoer met de toetsen te bedienen, zolang het contact in stand ON staat.
Aanwijzingen voor gebruik airconditioning
- Open de ruiten een tijdje wanneer de auto tijdens warm weer in de volle zon geparkeerd is geweest, zodat de warme lucht naar buiten kan.
- Om het beslaan van de ruiten tijdens regenachtig weer te verminderen, kunt u de vochtigheidsgraad in het interieur terugbrengen door de airconditioning in te schakelen.
- Tijdens de werking van de airconditioning ziet u het motortoerental bij stationair draaien zo nu en dan iets veranderen wanneer de aircocompressor inschakelt. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem.
-
Schakel de airconditioning iedere maand enkele minuten aan.
-
Na gebruik van de airconditioning kan onder de rechterzijde van de auto een plas heldere vloeistof gelekt zijn. Dit is een normaal verschijnsel tijdens de werking van het systeem.
- Als de stand RECIRCULATIE wordt gebruikt wanneer de airconditioning ingeschakeld is, wordt wel een maximaal koeleffect bereikt, maar kan het gebruik van deze stand gedurende een langere tijd ertoe leiden dat de lucht in het interieur muf wordt.
\* AANWIJZING
Houd de temperatuurmeter nauwlettend in de gaten wanneer de airconditioning wordt gebruikt als u lange hellingen oprijdt of als u in druk verkeer rijdt bij hoge buitentemperaturen. Door het gebruik van het airconditioningssysteem kan de motor oververhit raken. Blijf de aanjager gebruiken en schakel het airconditioningssysteem uit wanneer de temperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit raakt.
Hoeveelheid koudemiddel en compressorolie controleren
Als er te weinig koudemiddel in het systeem zit, neem de koelcapaciteit van de airconditioning af. Een teveel aan koudemiddel heeft ook nadelige effecten op de werking van het systeem.
Laat de auto controleren door een officiële Kia-dealer als het systeem niet correct functioneert.
WAARSCHUWING
Onderhoud aan het airconditioningssysteem moet worden uitgevoerd door een officiële Kia-dealer. Een onjuiste werkmethode kan ernstig letsel tot gevolg hebben.
\* AANWIJZING
Als de prestaties van het airconditioningssysteem teruggelopen zijn, is het belangrijk het systeem bij te vullen niet de juiste soort en hoeveelheid olie en koudemiddel. Anders kan er schade aan de compressor ontstaan en kan het systeem niet goed gaan functioneren.
KOELBOX (INDIEN VAN TOEPASSING)

- Stel de temperatuur in op warm of koud.
Sluit de uitstroomopening als de koelbox niet wordt gebruikt.
U kunt dranken en andere etenswaren warm of koud houden door de uitstroomopening in het dashboardkastje te openen of te sluiten.
- Schakel de aanjager in.
- Zet de luchtcirculatieknop in de stand VENTILEREN ( ).
- Zet de hendel van de uitstroomopening in het dashboardkastje in de stand open.
(1) OPEN
(2) DICHT
VOORRUIT ONTDOOIEN EN ONTWASEMEN

Handbediend verwarmings- en ventilatiesysteem
Binnenkant voorruit ontwasemen
- Kies een willekeurige aanjagersnelheid, uitgezonderd "OFF".
- Stel de gewenste temperatuur in.
- Kies de stand of .
- Het systeem schakelt de toevoer van buitenlucht en de airconditioning in.
Om de kans op beslaan van de binnenkant van de ruit tot een minimum te beperken, wordt de luchttoevoer automatisch ingesteld op BUITENLUCHT als stand √ of ... is geselecteerd en werkt de airconditioning automatisch als stand ... is geselecteerd. Druk op de desbetreffende toets wanneer u niet wilt dat de airconditioning wordt ingeschakeld of dat de stand BUITENLUCHT wordt gekozen.
Voorruit ontdooien
- Zet de aanjager in de hoogste stand (geheel naar rechts).
- Stel de temperatuur in op maximaal.
- Kies de stand 📋.
- Het systeem schakelt de toevoer van buitenlucht en de airconditioning in.
OPMERKING
Gebruik de stand of niet in combinatie met koelen bij een extreem hoge luchtvochtigheid. Door het temperatuurverschil tussen de buitenlucht en de voorruit, kan de voorruit plotseling beslaan, waardoor het zicht wegvalt. Zet in dat geval de luchtcirculatieknop in de stand en de aanjager op de laagste stand.
- Draai de temperatuurknop volledig naar rechts (maximaal verwarmen) en zet de aanjagerknop op de hoogste snelheid om maximaal te ontdooien.
- Zet de knop voor de luchtcirculatie in stand VERWARMEN/ONTWASEMEN, wanneer tijdens het ontdooien of ontwasemen warme lucht in de voetenruimte gewenst wordt.
- Verwijder voor het rijden aile sneeuw en ijs van de voorruit, de achterruit, de buitenspiegels en alle zijruiten.
- Verwijder alle sneeuw en ijs van de motorkap en van de luchtaanvoeropening in het paravanrooster om de werking van de kachel en het ventilatiesysteem te verbeteren en de kans op het beslaan van de voorruit te verminderen.

Automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem
Binnenkant voorruit ontwasemen
- Kies de gewenste aanjagersnelheid.
- Stel de gewenste temperatuur in.
- Druk op de toets voorruitontwaseming (…).
- De airconditioning zal worden ingeschakeld en de stand BUITENLUCHT zal worden geselecteerd.

Voorruit ontdooien
- Zet de aanjager in de hoogste stand (geheel naar rechts).
- Stel de temperatuur in op maximaal (HI).
- Druk op de toets voorruitontwaseming ( ).
- De airconditioning zal worden ingeschakeld en de stand BUITENLUCHT zal worden geselecteerd.
Om de kans op beslaan van de binnenkant van de ruit tot een minimum te beperken, wordt de luchttoevoer automatisch ingesteld op BUITENLUCHT en werkt de airconditioning automatisch als stand " is geselecteerd. Als u de optie " kiest, kunt u de airconditioning niet uitschakelen en ook niet de stand BUITENLUCHT uitschakelen.
OPMERKING
Gebruik de stand ... niet in combinatie met koelen bij een extreem hoge luchtvochtigheid. Door het temperatuurverschil tussen de buitenlucht en de voorruit, kan de voorruit plotseling beslaan, waardoor het zicht wegvalt. Zet in dat geval de luchtcirculatieknop in de stand ? en de aanjager op de laagste stand.
- Draai de temperatuurknop volledig naar rechts (maximaal verwarmen) en zet de aanjagerknop op de hoogste snelheid om maximaal te ontdooien.
- Zet de knop voor de luchtcirculatie in stand VERWARMEN/ONTWASEMEN, wanneer tijdens het ontdooien of ontwasemen warme lucht in de voetenruimte gewenst wordt.
- Verwijder voor het rijden alle sneeuw en ijs van de voorruit, de achterruit, de buitenspiegels en alle zijruiten.
- Verwijder alle sneeuw en ijs van de motorkap en van de luchtaanvoeropening in het paravanrooster om de werking van de kachel en het ventilatiesysteem te verbeteren en de kans op het beslaan van de voorruit te verminderen.
Ontwasemfunctie
Handbediend verwarmings- en ventilatiesysteem
Om de kans op beslaan van de binnenkant van de ruit tot een minimum te beperken, wordt de luchttoevoer in de onderstaande gevallen ingesteld op BUITENLUCHT.
- Bij ingeschakeld systeem is een van de standen, √ of “geselecteerd.
- Het contact is in stand ON gezet terwijl een van de standen, √ of ... is geselecteerd.
In dat geval zal de airconditioning automatisch worden ingeschakeld als de stand wordt gekozen.
Druk op de desbetreffende toets wanneer u niet wilt dat de airconditioning wordt ingeschakeld of dat de stand BUITENLUCHT wordt gekozen.

Het uitschakelen of opnieuw inschakelen van de ontwasemfunctie bij een handbediend verwarmings- en ventilatiesysteem
- Zet het contact in stand ON.
- Zet de luchtcirculatieknop in de stand ONTWASEMEN (…).
- Druk de luchttoevoertoets ( ) binnen 3 seconden minimaal 5 keer in.
Het controlelampje in de luchttoevoertoets knippert vervolgens 3 keer met tussenpozen van 0,5 seconde. Dit geeft aan dat de ontwasemfunctie is uitgeschakeld of dat is teruggekeerd naar de geprogrammeerde status.
Als de accu te ver ontladen of losgekoppeld is geweest en weer opgeladen of aangesloten wordt, is de ontwasemfunctie standaard ingeschakeld.
Automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem
Om de kans op beslaan van de binnenkant van de ruit tot een minimum te beperken, wordt de luchttoevoer in de onderstaande gevallen ingesteld op BUITENLUCHT.
- Het contact wordt in stand ON gezet.
- De toets OFF is ingedrukt.
- De stand " is ingeschakeld.
In dat geval zal de airconditioning automatisch worden ingeschakeld als de stand "wordt gekozen.
Als u de optie kiest, kunt u de airconditioning en de stand BUITENLUCHT niet uitschakelen.
Emissieregelsysteem / 5-4
Voor het rijden / 5-6
Suggesties voor brandstofbesparing / 5-7
Speciale omstandigheden / 5-8
Rijden met een aanhanger / 5-17
Massa van de auto / 5-26
Informatie op labels / 5-28
Rijtips
VEREISTE BRANDSTOF
Benzinemotor (loodvrij)
Gebruik voor optimale prestaties van uw auto loodvrije benzine met een octaangetal van 95 RON/91 AKI of hoger.
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine met een octaangetal van 91\~94 RON/87\~90 AKI of meer voor uw nieuwe Kia.
Bij gebruik van LOODVRIJE BENZINE zijn de prestaties maximaal en de uitlaatgassen het schoonst en wordt vervuiling van de bougies tegengegaan.
\* AANWIJZING
GEBRUIK NOOIT LOODHOUDENDE BENZINE.
Loodhoudende benzine is schadelijk voor de katalysator en de lambdasensor van het motorregelsysteem en zal de emissieregeling nadelig beïnvloeden. Voeg nooit andere dan door Kia voorgeschreven brandstofadditieven of gelijkwaardige producten toe aan het brandstofsysteem. (Neem voor details contact op met een officiële Kia-dealer.)
Benzine die alcohol en methanol bevat
In sommige landen is naast benzine ook gasohol verkrijgbaar. Dit is een mengsel van benzine en ethanol of methanol.
Gebruik dit mengsel niet met meer dan 10% ethanol en gebruik geen benzine of mengsel dat methanol bevat. Deze brandstoffen kunnen rijproblemen en schade aan het brandstofsysteem veroorzaken.
Gebruik gasohol niet langer wanneer rijproblemen optreden.
Schade aan de auto of rijprobiemen vallen mogelijk niet onder de fabrieksgarantie wanneer ze veroorzaakt worden door het gebruik van:
- Benzinemengsels met meer dan 10% ethanol.
- Benzine of gasohol die methanol bevat.
- Loodhoudende benzine.
OPMERKING
Gebruik nooit benzinemengsels die methanol bevatten. Gebruik gasohol producten niet langer wanneer rijproblemen optreden.
Dieselmotor
Diesel
Gebruik voor dieselmotoren alleen in de handel verkrijgbare diesel die voldoet aan de EN 590-norm of vergelijkbaar. (EN staat voor "European Norm".) Gebruik geen scheepvaartdiesel, stookolie of niet-toegestane brandstoftoevoegingen, omdat het motor- en brandstofsysteem hierdoor sneller zal slijten en beschadigen. Het gebruik van niet-toegestane brandstoffen en/of brandstoftoevoegingen zal een beperkte garantie tot gevoig hebben.
Het cetaangetal van de dieselbrandstof voor uw auto moet 52 - 54 zijn. Als er twee soorten diesel leverbaar zijn, moet afhankelijk van de temperatuur worden gekozen voor zomer- of winterdiesel.
• Boven -5°C (23°F) ... zomerdiesel.
• Beneden -5°C (23°F) ... winterdiesel.
Houd het brandstofpeil zorgvuldig in de gaten: als de motor afslaat door een gebrek aan brandstof, moet het complete brandstofsysteem worden ontlucht alvorens de motor opnieuw gestart kan worden.
Z OPMERKING
• Zorg ervoor dat er geen benzine of water in de brandstoftank terechtkomt. Als dat wel het geval is, moet de brandstoftank worden afgetapt en moet het brandstofsysteem worden doorgespoeld om schade aan de brandstofpomp en de motor te voorkomen.
- In de winter mag, om afslaan van de motor door uitvlokken van de brandstof te voorkomen, petroleum aan de brandstof worden toegevoegd als de temperatuur daalt tot lager dan -10°C (50°F). Gebruik nooit meer dan 20% petroleum.
Biodiesel
Bij het benzinestation verkrijgbare biodieselmengsels met niet meer dan 5% biodiesel, algemeen bekend als "B5-biodiesel" mogen worden gebruikt indien ze aan de EN 14214-norm of vergelijkbaar voldoen. (EN staat voor "European Norm".) Het gebruik van biobrandstoffen van koolzaadmethylester (RME), vetzuur methylester (FAME), plantaardige methylester (VME), enz. of een diesel/biodieselmengsel zal de slijlage bespoedigen en kan de motor of het brandstofsysteem beschadigen. Reparatie of vervanging van versleten of beschadigde onderdelen als gevolg van het gebruik van niet-goedgekeurde brandstoffen valt niet onder de fabrieksgarantie.
Z OPMERKING
- Gebruik nooit brandstof, diesel of B5-biodiesel, die niet aan de meest recente specificaties voldoet.
- Gebruik nooit brandstoftoevoegingen en dergelijke die niet door de fabrikant zijn aanbevolen of goedgekeurd.
EMISSIEREGELSYSTEEM
Op het emissieregelsysteem van uw auto is een aangepaste garantieregeling van toepassing. Raadpleeg de garantie-informatie in het boekje Garantie & Onderhoud voor meer informatie.
Aanpassingen aan de auto
Er mogen geen aanpassingen aan deze auto worden gedaan. Door aanpassingen kunnen de prestaties, de veiligheid of de levensduur van uw Kia beïnvloed worden.
Aanpassingen kunnen zelfs in strijd zijn met overheidsbepalingen en milieuvoorschriften.
Daarnaast kunnen schade of problemen met de prestaties als gevolg van aanpassingen mogelijk niet onder de garantie vallen.
Uitlaatgassen (koolmonoxide); voorzorgsmaatregelen
WAARSCHUWING
Uitlaatgassen bevatten onder andere het reukloze en kleurloze gas koolmonoxide (CO) dat bij inademing dodelijk kan zijn. Hoewel het kleurloos en reukloos is, is het gevaarlijk en kan het bij inademing dodelijk zijn.
Neem de volgende aanwijzingen in acht ter voorkoming van koolmonoxidevergiftiging.
- Koolmonoxide kan samen met andere uitlaatgassen aanwezig zijn. Laat het uitlaatsysteem van uw auto direct door een officiële Kia-dealer of een ander daartoe bevoegd garagebedijf controleren indien u in het interieur uitlaatgas ruikt. Rijd niet met de auto als u uitlaatgassen ruikt, maar als het niet anders kan, rijd dan met alle ruiten volledig open. Laat uw auto onmiddellijk controleren en repareren.
- Laat de motor in een afgesloten ruimte (bijvoorbeeld een garage) niet langer draaien dan nodig is om de auto naar binnen of naar buiten te rijden.
- Stel het ventilatiesysteem zo af dat er verse buitenlucht naar het interieur gevoerd wordt, als de auto in een open ruimte stilstaat terwijl de motor wat langer moet blijven draaien.
- Blijf nooit met draaiende motor gedurende langere tijd in een stilstaande auto zitten.
- Controleer het emissieregel-systeem als de motor afslaat.
- Probeer de startmotor niet meer dan 3 keer opnieuw in te schakelen wanneer de motor afslaat of niet wil aanslaan.
Als de motor overmatig afslaat of de startmotor te vaak opnieuw wordt ingeschakeld kan het emissieregelsysteem beschadigd raken.
Voorzorgsmaatregelen katalysator
Een heet uitlaatsysteem kan brandbare materialen onder de auto in brand doen vliegen. Parkeer de auto nooit boven brandbare materialen zoals droog gras, papier, bladeren enz.
Uw auto is uitgerust met een katalysator ten behoeve van de emissieregeling.
- Gebruik bij een benzinemotor uitsluitend loodvrije benzine.
-
Gebruik de auto niet als de motor duidelijk storingen, zoals overslaan of vermogensverlies, vertoont.
-
Doe geen dingen die slecht zijn voor de motor. Voorbeelden hiervan zijn: de auto in de versnelling laten uitrollen terwijl het contact in stand LOCK staat en een helling af rijden met het contact in stand LOCK.
- Laat de motor niet langdurig (5 minuten of langer) met een hoog stationair toerental draaien.
- Voer zelf geen aanpassingen of wijzigingen uit aan de motor of het emissieregelsysteem. Alle controles en afstellingen moeten door een erkende Kia-dealer uitgevoerd worden.
Wanneer bovenstaande voorzorgsmaatregelen niet in acht worden genomen, kan schade aan de katalysator en aan uw auto ontstaan. Bovendien kan hierdoor de garantie vervallen.
VOOR HET RIJDEN
Vóór het instappen:
- Zorg ervoor dat alle ruiten, buitenspiegel(s) en lampen schoon zijn.
- Controleer de toestand van de banden.
- Controleer of er geen sporen van lekkage onder de auto te zien zijn.
- Controleer of er zich geen obstakels achter de auto bevinden wanneer u achteruit wilt rijden.
Noodzakelijke controles
De volgende vloeistofpeilen dienen regelmatig, afhankelijk van het gebruikte interval gecontroleerd te worden: motorolie, koelvloeistof, remvloeistof en ruitensproeiervloeistof. Nadere informatie vindt u in Hoofdstuk 7 ONDERHOUD.
Vóór het starten
- Sluit alle portieren.
- Verstel de stoel zodanig dat u alle bedieningsorganen gemakkelijk kunt bereiken.
- Stel de binnen- en buitenspiegels af.
- Controleer of alle verlichting werkt.
- Controleer alle instrumenten.
- Controleer of alle waarschuwings-lampjes werken als het contact in stand ON staat.
- Ontgrendel de parkeerrem en controleer of het waarschuwingslampje van het remsysteem uitgaat.
Voor een veilig gebruik is het noodzakelijk dat u volledig vertrouwd bent met uw auto en de bedieningsorganen.
WAARSCHUWING
- Rijden onder invloed van alcohol of drugs
Rijden onder invloed is gevaarlijk. Rijden onder invloed is de belangrijkste doodsoorzaak in het verkeer. Zelfs een geringe hoeveelheid alcohol zal het reactie-, waarnemings- en beoordelingsvermogen verminderen.
De kans op een ernstige aanrijding is vele malen groter als u gaat rijden onder invloed.
Ga niet rijden als u gedronken heeft of drugs heeft gebruikt. Rijd ook niet mee met een bestuurder die onder invloed van alcohol of drugs is. Bepaal van tevoren wie er rijdt of neem een taxi.
Rijden onder invloed van drugs is minstens even gevaarlijk als rijden onder invloed van aclohol.
SUGGESTIES VOOR BRANDSTOFBESPARING
Het brandstofverbruik van uw auto is voornamelijk afhankelijk van uw rijstijl, hoe, waar en wanneer u rijdt.
Uw rijstijl is van invloed op de totale hoeveelheid kilometers die u op een liter brandstof kunt afleggen. Door de onderstaande suggesties op te volgen, verbruikt uw auto zo min mogelijk brandstof en bespaart u geld op zowel de brandstof als op reparaties en onderhoud:
- Laat de motor niet stationair draaiend op bedrijfstemperatuur komen. Rijd weg zodra de motor soepel draait. Denk eraan dat het bij lagere buitentemperaturen langer duurt voordat de motor op bedrijfstemperatuur is.
- Bespaar brandstof door na een stop langzaam op te trekken.
-
Zorg ervoor dat de motor goed afgesteld is en houd u aan de voorgeschreven periodieke onderhoudsbeurten. Dat komt de levensduur van alle onderdelen ten goede en beperkt de onderhoudskosten.
-
Gebruik de airconditioning niet onnodig.
• Rijd langzaam op slechte wegen. - Zorg ervoor dat de banden altijd op de voorgeschreven spanning zijn. Dat verlaagt het brandstofverbruik en komt de levensduur van de banden ten goede.
- Bewaar voldoende afstand tot overige weggebruikers om noodstops te voorkomen. De remmen zullen hierdoor minder snel slijten. Bovendien neemt het brandstofverbruik af, omdat het versnellen tot de normale rijsnelheid na sterk afgeremd te hebben extra brandstof kost.
• Vervoer geen onnodig gewicht in de auto. - Laat tijdens het rijden uw voet niet op het rempedaal rusten. Dat veroorzaakt onnodige slijtage en mogelijk schade aan de remmen alsmede een hoger brandstofverbruik.
-
Bij een onjuiste wieluitlijning zullen de banden sneller slijten en is het brandstofverbruik hoger.
-
Geopende ruiten verhogen bij hoge sneiheid het brandstofverbruik.
- Het brandstofverbruik neemt toe bij zij- en tegenwind. Verminder onder deze omstandigheden snelheid om het brandstofverbruik enigszins te beperken.
Het in goede staat houden van uw auto is van groot belang voor zowel de veiligheid als het brandstofverbruik. Laat daarom het voorgeschreven periodieke onderhoud uitvoeren door een officiële Kia-dealer.
WAARSCHUWING
- Rijden met uitgezette motor Zet nooit de motor uit om een helling af te rijden of tijdens het rijden. Als de motor niet draait, werken de stuurbekrachtiging en de rembekrachtiging niet. Laat de motor draaien en schakel terug naar de juiste versnelling om optimaal op de motor te kunnen afremmen.
SPECIALE OMSTANDIGHEDEN
Rijden onder moeilijke omstandigheden
Neem de volgende raadgevingen in acht als ten gevolge van zware regenval, sneeuw, ijzel, modder of zand het rijden bemoeilijkt wordt:
- Rijd voorzichtig en bewaar extra afstand tot het overige verkeer.
• Vermijd abrupt remmen of sturen. - Rem "pompend".
\* AANWIJZING
Als uw auto is uitgerust met ABS dient u niet "pompend" te remmen.
- Probeer weg te rijden in de tweede versnelling als de auto vastzit in sneeuw, modder of zand. Geef voorzichtig gas om te voorkomen dat de wielen doorslippen.
- Gebruik zand, pekel, sneeuwkettingen of ander anti-slipmateriaal onder de aangedreven wielen als de auto vast is komen te zitten in ijs, sneeuw of modder.
WAARSCHUWING - Terugschakelen
Op een glad wegdek terugschakelen naar stand L, bij een automatische transmissie kan ongelukken veroorzaken. Door de plotselinge verandering in wielsnelheid kunnen de banden slippen. Wees voorzichtig met het terugschakelen op een glad wegdek.
Op eigen kracht Jostrekken van de auto
Verdraai eerst het stuurwiel een aantal keren naar rechts en naar links om de voorwielen vrij te maken wanneer de auto vastzit in ijs, modder of sneeuw en het nodig is de auto heen en weer te schommelen om te proberen hem los te trekken. Schakel vervolgens afwisselend de eerste versnelling en de achteruitversnelling (bij een handgeschakelde transmissie) in of stand R en één van de vooruitversnellingen (bij een automatische transmissie). Laat de motor niet met een te hoog toerental draaien en laat de wielen niet te lang doorslippen. Als de auto na enkele pogingen nog vastzit, dient u de auto los te laten trekken om oververhitting van de motor en beschadiging van de transmissie te voorkomen.
OPMERKING
Het langdurig op eigen kracht lostrekken van de auto kan oververhitting van de motor en beschadiging van de transmissie en van de banden veroorzaken.
WAARSCHUWING
- Slippende wielen
Laat de wielen niet doorslippen, vooral niet met hoge snelheid. Het met hoge snelheid door laten slippen van de wielen wanneer de auto stilstaat kan oververhitting van de banden veroorzaken waardoor deze kunnen exploderen en voorbijgangers kunnen verwonden.
\* AANWIJZING
De voertuigstabiliteitsregeling moet in stand OFF wordt gezet voordat de auto op eigen kracht losgetrokken wordt.
Vloeiend nemen van bochten
Pas uw snelheid zo aan dat u in bochten niet hoeft te remmen of te schakelen, vooral op een nat wegdek. Het beste is licht accelererend de bocht uit te rijden. Als u deze adviezen opvolgt wordt de bandenslijtage tot een minimum beperkt.
Rijden in het donker
Omdat het rijden in het donker meer gevaren oplevert dan het rijden bij daglicht, volgen hier een aantal belangrijke tips om te onthouden:
- Rijd langzamer en houd meer afstand tussen u en uw voorliggers omdat het zicht in het donker beperkter is, vooral in gebieden waar geen straatverlichting is.
- Stel uw spiegeis bij om schittering door de koplampen van andere auto's te beperken.
- Houd uw koplampen schoon en, indien uw auto niet is uitgerust met automatische koplampverstelling, op de juiste wijze afgesteld. Vuile of verkeerd afgestelde koplampen beperken het zicht in het donker.
- Vermijd rechtstreeks kijken in de koplampen van tegemoetkomende auto's. U kunt daardoor tijdelijk verblind raken en het duurt enkele seconden voordat uw ogen weer aan de duisternis gewend zijn.
Rijden in de regen
Regen en natte wegen kunnen het rijden gevaarlijk maken, vooral wanneer u er niet op bedacht bent. Hier volgen een aantal aandachtspunten voor het rijden in de regen:
- Door hevige regenval zal het zicht beperkt worden en de remafstand groter worden. Rijd daarom langzamer.
- Zorg ervoor dat uw ruitenwissers in goede staat verkeren. Vervang de ruitenwisserbladen als ze strepen achterlaten of bepaalde stukken overslaan.
- Wanneer de banden niet in een goede staat verkeren, kunnen de wielen bij een noodstop op een nat wegdek gaan slippen waardoor een ongeluk kan ontstaan. Zorg ervoor dat de banden in goede staat verkeren.
-
Schakel uw verlichting in zodat anderen u beter kunnen zien.
-
Te snel door grote waterplassen rijden kan uw remmen aantasten. Als u door plassen moet rijden, probeer dit dan langzaam te doen.
- Trap het rempedaal tijdens het rijden licht in totdat de remmen weer normaal werken wanneer u vermoed dat uw remmen nat geworden zijn.
Doorwaden van water
Vermijd het doorwaden van water tenzij u er zeker van bent dat het water niet hoger komt dan de onderzijde van de wielnaven. Rijd altijd langzaam bij het doorwaden van water. Bewaar voldoende remafstand omdat het remvermogen verminderd kan zijn.
Droog de remmen door na het doorwaden bij lage snelheid het rempedaal een aantal malen voorzichtig in te trappen.
Rijden met hoge snelheden
Banden
Verhoog de bandenspanning tot de voorgeschreven waarde. Een te lage bandenspanning kan leiden tot oververhitting van de banden en tot schade aan de banden.
Laat de banden van uw auto tijdig vervangen; versleten banden bieden minder grip en raken sneller lek.
\* AANWIJZING
Overschrijd nooit de maximale bandenspanning die op de band is aangegeven.
WAARSCHUWING
- Banden met een te hoge of een te lage spanning hebben een negatieve invloed op het rijgedrag en kunnen ervoor zorgen dat u de macht over de auto verliest, waardoor een aanrijding met (ernstig) letsel het gevolg kan zijn. Controleer voordat u gaat rijden altijd eerst de bandenspanning. Zie voor de juiste bandenspanning "Banden en velgen" in hoofdstuk 8.
- Het rijden met banden zonder of met onvoldoende profiel is gevaarlijk. Versleten banden kunnen ertoe leiden dat u de controle over uw auto verliest, waardoor (ernstig) letsel kan ontstaan. Versleten banden moeten zo spoedig mogelijk worden vervangen. Controleer het profiel van uw banden altijd voordat u gaat rijden. Zie voor meer informatie en de slijtagelimiet "Banden en veigen" in hoofdstuk 7.
Brandstof, koelvioelstof en motorolie
Bij het rijden met hoge snelheden wordt meer brandstof verbruikt dan bij het rijden in de stad. Vergeet niet zowel het koelvloeistofpeil als het motoroliepeil te controleren.
Aandrijfriem
Een onvoldoende gespannen of beschadigde aandrijfriem kan leiden tot oververhitting van de motor.
Rijden in de winter
- Wij adviseren dat u een noodpakket meeneemt. Dit pakket kan bestaan uit sneeuwkettingen, een ijskrabber, ruitondooier, een zak zand of zout, een pechlamp, een kleine schep en startkabels.
- Zorg ervoor dat het koelsysteem voldoende tegen vorst beschermd is.
- Controleer de toestand van de accu en de accukabels. Lage buitentemperaturen verminderen de capaciteit van de accu. Om in de winter voldoende startcapaciteit te hebben, moet de accu in topconditie verkeren.
- Controleer of de viscositeit van de motorolie geschikt is voor de winterse omstandigheden.
-
Controleer het ontstekingssysteem op loszittende aansluitingen en beschadigingen.
-
Vul het ruitensproeierreservoir met ruitensproeier-antivries (Gebruik hiervoor geen koelvloeistof.)
- Schakel bij het parkeren bij een handgeschakelde transmissie de eerste versnelling of de achteruit in en bij een automatische transmissie stand P en blokkeer de achterwielen.
Winterbanden
Als u winterbanden op uw Kia laat monteren, controleer dan of deze dezelfde afmetingen en beladingsindex hebben als de originele banden. Monteer sneeuwbanden op alle vier de wielen, voor een optimale wegligging onder alle weersomstandigheden. Let er op dat de grip op droge weg met winterbanden iets lager is dan met de originele banden. Rijd ook voorzichtig als de weg vrij is. Raadpleeg uw bandenleverancier voor de maximum snelheid van de banden.
▲ WAARSCHUWING
- Afmetingen winterbanden
De afmeting en het type van de winterbanden moeten gelijk zijn aan die van de standaard gemonteerde banden. Anders kan de veiligheid en het rijgedrag van uw auto negatief beinvloed worden.
Monteer geen banden met spikes zonder eerst na te gaan of het gebruik hiervan niet wettelijk verboden is.

Omdat de wangen van een radiaalband vrij dun zijn, kunnen ze door sommige typen sneeuwkettingen beschadigd raken. Daarom wordt aanbevolen om winterbanden te gebruiken in plaats van sneeuwkettingen. Monteer geen sneeuwkettingen op auto's met lichtmetalen velgen. In dat geval kunnen de velgen beschadigd raken. Als u niet om het gebruik van sneeuwkettingen heen kunt, gebruik dan bij voorkeur kettingen met platte schakels met een dikie van maximaal 15 mm. Schade door gebruik van verkeerde sneeuwkettingen valt buiten de fabrieksgarantie.
Breng ze alleen aan rond de voorwielen.
OPMERKING
- Monteer geen sneeuwkettingen wanneer uw auto uitgerust is met 225/45R17 banden.
- Zorg ervoor dat de sneeuwkettingen geschikt zijn voor de maat en het type band dat op uw auto gemonteerd is. Verkeerde sneeuwkettingen kunnen schade toebrengen aan de carrosserie en de wielophanging die buiten de fabrieksgarantie valt. Bovendien kunnen de bevestigingshaken beschadigd raken bij contact met de auto, waardoor de sneeuwkettingen los kunnen komen. Gebruik uitsluitend sneeuwkettingen van SAE-klasse S.
- Controleer na ca. 0,5 - 1 km te hebben gereden, of de kettingen nog goed zitten. Span de kettingen of monteer ze opnieuw als ze los zitten.
Sneeuwkettingen; aanbrengen van
Volg voor het plaatsen van de kettingen de aanwijzingen van de fabrikant en trek de kettingen zo strak mogelijk aan. Matig uw snelheid als u met sneeuwkettingen rijdt. Als u de kettingen tegen de carrosserie of het chassis hoort slaan, stop dan meteen en trek de kettingen aan. Als ze daarna nog tegen de auto slaan, ga dan zoveel langzamer rijden dat dit niet meer gebeurt. Verwijder de kettingen zodra u weer op een schone weg rijdt.
WAARSCHUWING
Monteren van sneeuwkettingen
Parkeer de auto op een vlakke ondergrond en uit de buurt van het overige verkeer voor het monteren van de sneeuwkettingen. Zet de alarmknipperlichten aan en plaats indien mogelijk een gevarendriehoek achter de auto. Zet de transmissie in stand P, trek de bedien de parkeerrem en zet de motor uit alvorens de sneeuwkettingen te monteren.
- Het rijgedrag van de auto kan door het gebruik van kettingen negatief beïnvloed worden.
- Rijd nooit sneller dan 30 km/h of sneller dan de door de fabrikant aanbevolen snelheid. Houd de laagste snelheid aan.
- Rijd voorzichtig en vermijd oneffenheden, gaten, scherpe bochten en andere situaties waardoor de auto plotseling zou kunnen uitveren.
- Vermijd het maken van scherpe bochten en het remmen met geblokkeerde wielen.
Z OPMERKING
- Kettingen die een verkeerde maat hebben of niet goed gemonteerd zijn, kunnen de remleidingen, wielophanging, carrosserie, en velgen van uw auto beschadigen.
- Stop onmiddellijk en span de kettingen aan zodra u ze tegen de auto hoort tikken.
Gebruik hoogwaardige ethyleenglycol koelvloeistof
Uw auto wordt afgeleverd met een koelsysteem dat gevuld is met hoogwaardige ethyleenglycol koelvloeistof. Alleen dit type koelvloeistof helpt corrosie in het koelsysteem te voorkomen, smeert de waterpomp afdoende en voorkomt bevriezing van het koelsysteem. Vervang de koelvloeistof periodiek en vul het op de juiste manier bij. Zie hiervoor het onderhoudsschema in hoofdstuk 7.
Laat voor de winter controleren of de koelvloeistof voldoende bescherming tegen bevriezing biedt voor de te verwachten winterse temperaturen.
In de winter krijgt de accu het extra zwaar. Controleer de accu en de accukabels en -klemmen visueel zoals beschreven staat in hoofdstuk 7. De ladingstoestand van de accu kan worden gecontroleerd door een officiële KIA-dealer of een servicestation.
Laat de motor indien nodig vullen met een speciale "winterolie"
In sommige landen wordt geadviseerd in de winter speciale winterolie te gebruiken met een lagere viscositeit. Zie hoofdstuk 8 voor meer informatie. Neem contact op met een officiële KIA-dealer als u niet weet wat voor soort olie u moet gebruiken.
Controleer de bougies en het ontstekingssysteem
Controleer de bougies zoals beschreven staat in hoofdstuk 7 en vervang ze indien nodig. Controleer ook de bedrading en de onderdelen van het ontstekingssysteem op scheuren, slijtage en andere vormen van beschadiging.
Voorkom bevriezing van de sloten Spuit een goedgekeurde slotontdooier of glycerine in het sieutelgat om bevriezing van de sloten te voorkomen. Verwijder het ijs van een bevroren slot door het in te spuiten met een goedgekeurde slotontdooier. Een inwendig bevroren slot kunt u proberen te ontdooien met behulp van een verwarmde sleutel. Zorg ervoor dat u zich niet brandt aan de verwarmde sleutel.
Gebruik goedgekeurde ruitensproeiervloeistof
Vul het ruitensproeierreservoir met ruitensproeierantivries volgens de aanwijzingen op de verpakking om bevriezing van het ruitensproeiersysteem te voorkomen. Ruitensproeierantivries is verkrijgbaar bij een officiële KIA-dealer en de meeste automaterialenzaken. Gebruik geen koelvloeistof of andere middelen omdat deze de lak kunnen beschadigen.
Rijtips
Voorkom vastvriezen van de parkeerrem
Onder bepaalde omstandigheden kan de parkeerrem in geactiveerde toestand vastvriezen. De kans daar op is het grootst als er rond de achterremmen sprake is van een opeenhoping van sneeuw of ijs of als de remmen nat zijn. Als de kans bestaat dat de parkeerrem vast gaat vriezen, gebruik hem dan alleen maar tijdelijk tijdens het in stand P zetten van de transmissie (automatische transmissie) of in de 1e versnelling of achteruit zetten (handgeschakelde transmissie) en het blokkeren van de wielen. Deactiveer daarna de parkeerrem.
Voorkom dat ijs en sneeuw zich ophopen aan de onderzijde van de auto
In sommige gevallen kunnen sneeuw en ijs zich ophopen onder de schermen en de bewegingen van de stuurinrichting belemmeren. Controleer regelmatig of de onderdelen van de stuurinrichting vrij kunnen bewegen als u in omstandigheden rijdt waarin opeenhoping van sneeuw of ijs het geval zou kunnen zijn
Neem de benodigde uitrusting voor noodgevallen mee
Afhankelijk van de weersomstandigheden waaronder u rijdt, kan het nodig zijn de juiste voorzorgsmaatregelen te treffen en bepaalde zaken mee te nemen. Onder deze zaken vallen bijvoorbeeld sneeuwkettingen, een sleepkabel of -ketting, een zaklantaarn, een alarmknipperlicht, zand, een schep, hulpstartkabels, een ruitenkrabber, handschoenen, een stuk zeil of een kleed, een deken, enz.
RIJDEN MET EEN AANHANGER
WAARSCHUWING
- Rijden met een aanhanger
Bij verkeerd gebruik van de aanhanger, kunt u de controle over de auto verliezen. Als de aanhanger bijvoorbeeld te zwaar beladen is, kunnen de remmen niet goed of zelfs helemaal niet werken. U en uw passagiers kunnen in dat geval ernstig letsel oplopen. Ga alleen rijden met een aanhanger als u de volgende aanwijzingen hebt opgevolgd.
\* AANWIJZING
Bij verkeerd gebruik van een aanhanger kan uw auto beschadigd raken, waardoor dure reparaties nodig zijn die niet onder de garantie vallen. Houd u aan de volgende regels bij het rijden met een aanhanger.
| Item\Motor | Benzinemotor | Dieselmotor | ||||
| 1,4/1,6 Motor | 2,0 Motor | 1,6 Motor | 2,0 Motor | |||
| MT | AT | |||||
| Maximaal aanhangwagengewicht kg | Ongeremd | 550 | 550 | 550 | 550 | 550 |
| Geremd | 1200 | 1500 | 1400 | 1400 | 1500 | |
| Maximale kogeldruk kg | 55 | 75 | 75 | 75 | 75 | |
| Gebruik alleen een goedgekeurde trekhaak! mm | 820 | |||||
MT: handgeschakelde transmissie AT: automatische transmissie
Rijtips

Uw auto is geschikt om met een aanhanger te rijden. Raadpleeg de informatie onder
"Aanhangwagengewicht" verderop in dit hoofdstuk om te bepalen hoe zwaar de aanhanger maximaal mag zijn.
Let op dat rijden met een aanhanger anders is dan rijden zonder aanhanger. Bij rijden met een aanhanger is de besturing anders en nemen slijtage en brandstofverbruik toe. Voor goed en veilig rijden met een aanhanger is het belangrijk dat de aanhanger technisch in orde is en op de juiste manier aan de auto is gekoppeld.
In dit hoofdstuk worden een aantal belangrijke aanwijzingen genoemd. Veel van deze hebben betrekking op uw eigen veiligheid en die van uw passagiers. Lees dit hoofdstuk daarom zorgvuldig door voordat u gaat rijden met een aanhanger.
Bepaalde onderdelen, zoals de motor, de transmissie en de banden, worden door het getrokken extra gewicht zwaarder belast. De motor moet wat meer toeren maken en moet meer vermogen leveren. Hierdoor neemt ook de warmteontwikkeling toe. De aanhanger zorgt bovendien voor een hogere luchtweerstand, waardoor de belasting nog verder toeneemt.
Als u gaat rijden met een aanhanger
Let op de volgende punten als u gaat rijden met een aanhanger:
• Overweeg de aanschaf van stabilisatorkoppeling. Raadpleeg de leverancier van uw aanhanger voor meer informatie.
- Uw auto is het meest geschikt voor het trekken van een aanhanger als deze minimaal 800 km heeft gereden. Als u gedurende de eerste 800 km met een aanhanger wilt rijden, rijd dan niet harder dan 80 km/h en accelereer niet voluit. Hierdoor wordt de motor en de rest van de auto niet overmatig belast tijdens de inrijperiode.
• Rijd altijd langzamer dan 100 km/h.
- Neem de volgende overwegingen met betrekking tot het extra gewicht in acht:
Gewicht van de aanhanger
Hoe zwaar kan de aanhanger veilig worden beladen? Hij mag nooit meer wegen dan het maximale aanhangergewicht voor een geremde aanhanger.
Dat hangt af van de manier waarop de aanhanger wordt gebruikt. Zo zijn onder andere de rijsneiheid, de hoogte, hellingshoek, buitentemperatuur en ervaring belangrijke factoren. Het maximale aanhangergewicht is ook afhankelijk van eventuele voorziening die op de auto zijn aangebracht.
Kogeldruk
Bij het trekken van een aanhanger zijn de kogeldruk en het maximaal toelaatbaar totaalgewicht van belang. Onder het totaalgewicht worden gerekend het ledig gewicht van de auto plus het gewicht van de belading en de inzittenden. Bij het slepen van een aanhanger dient bovendien het gewicht van de aanhanger hierbij worden opgeteld.
Controleer na het beladen van de aanhanger of de kogeldruk in orde is. Als dat niet het geval is, kan deze worden aangepast door de belading van de aanhanger anders te verdelen.
WAARSCHUWING
- Zorg ervoor dat de aanhanger aan de voorzijde altijd zwaarder is dan aan de achterzijde. De verhouding tussen de belading voor en achter dient ongeveer 60/40 te zijn.
- Belaad de aanhanger niet zwaarder dan volgens de fabrikant van de aanhanger c.q. trekhaak is toegestaan. Een verkeerde belading kan beschadiging van de auto en/of persoonlijk letsel tot gevolg hebben. Controleer het aanhangergewicht met een geschikte weegschaal of op een weegbrug.
- Door een verkeerde belading van de aanhanger bestaat de kans dat u de controle over de auto verliest.
Trekhaak
Een goede trekhaak is zéér belangrijk. Zijwind, rukwinden door passerende vrachtwagens en hobbelige wegen vormen een zware belasting voor de trekhaak. Neem de volgende regels in acht:
- Moeten er voor het bevestigen van de trekhaak gaten worden geboord in het chassis? Zorg er in dat geval voor dat, wanneer de trekhaak weer wordt verwijderd, deze gaten weer worden afgedicht.
Als dat niet gebeurt, zouden koolmonoxide (CO) uit de uitlaat, alsmede stof en water in het interieur terecht kunnen komen.
- De bumper is niet geschikt voor het monteren van een trekhaak. Monteer nooit een trekhaak los op de bumper. Gebruik alleen een trekhaak die op het chassis moet worden bevestigd.
Losbreekvoorziening
Bevestig altijd een stalen kabel of ketting tussen de aanhanger en de auto. Laat de kabel onder de koppeling doorlopen, zodat bij het losraken van de originele koppeling de dissel de grond niet kan raken.
Raadpleeg voor het gebruik van de losbreekvoorziening eventueel ook de aanwijzingen van de fabrikant van de trekhaak of van de aanhanger. Bevestig de kabel of ketting niet te strak, zodat de aanhanger vrij kan bewegen in bochten. Laat de kabel of ketting niet over de grond slepen.
Remsysteem aanhanger
Als uw aanhanger zwaarder is dan het maximaal toegestane ongeremde aanhangergewicht, moet de aanhanger zijn voorzien van een eigen, goed werkend remsysteem. Volg de instructies van de fabrikant voor het gebruiken, afstellen en onderhouden van het remsysteem van de aanhanger.
- Breng nooit wijzigingen aan in het remsysteem van de auto.
WAARSCHUWING
Ga niet rijden met een aanhanger met eigen remsysteem voordat dit systeem goed is afgesteld. Voor het afstellen is specifieke vakkennis benodigd. Laat dit daarom uitvoeren bij een gespecialiseerd bedrijf.
Rijden met een aanhanger
Voor het rijden met een aanhanger is enige ervaring vereist. Ga, voordat u zich op de openbare weg begeeft, eerst oefenen met het rijden met een aanhanger. Probeer vertrouwd te raken met het gewijzigde stuur- en remgedrag. Houd altijd in gedachten dat de auto met aanhanger langer is en minder snel reageert.
Controleer voordat u gaat rijden de bevestiging van de koppeling en de losbreekvoorziening, de elektrische aansluiting, de verlichting, de banden en de afstelling van de spiegels. Als de aanhanger is voorzien van elektrische remmen, controleer dan de remmen door langzaam te gaan rijden met de aanhanger en de remmen handmatig te bekrachtigen. Dit is tevens een goede controle van de elektrische aansluiting.
Controleer tijdens het rijden af en toe of de lading nog goed vastzit en of de verlichting en de remmen nog werken.
Afstand tot voorganger
Houd tenminste tweemaal zo veel afstand als tijdens het rijden zonder aanhanger. Hierdoor kunt u plotselinge remacties en uitwijkmanoeuvres voorkomen.
Inhalen
Het inhalen met een aanhanger neemt meer tijd in beslag. Bovendien moet u door de extra lengte de in te halen auto verder voorbij voordat u weer terug kunt keren naar de oorspronkelijke rijbaan.
Achteruitrijden
Houd het stuurwiel aan de onderzijde vast met één hand. Beweeg uw hand naar links om de aanhanger naar links te laten gaan. Beweeg uw hand naar rechts om de aanhanger naar rechts te laten gaan. Rijd altijd langzaam achteruit en laat u indien mogelijk door iemand anders begeleiden.
Rijden in bochten
Rijd met een aanhanger ruimer door bochten dan normaal. Anders kan de aanhanger te veel naar binnen komen en stoepranden, verkeersborden, bomen enz. raken. Voorkom schokkerige en plotselinge manoeuvres. Geen ruim van tevoren richting aan.
Richtingaanwijzers aanhanger
De aanhanger dient te zijn voorzien van richtingaanwijzers. Als u de richtingaanwijzers inschakelt, gaan de groene pijlen in het instrumentenpaneel knipperen. De richtingaanwijzers van de aanhanger dienen gelijktijdig mee te knipperen.
Ook als de richtingaanwijzers van de aanhanger niet werken, zullen de groene pijlen in het instrumentenpaneel knipperen.
Daarom is het belangrijk om af en toe te controleren of de richtingaanwijzers van de aanhanger nog werken. Controleer steeds na het opnieuw aankoppelen van de aanhanger of de verlichting en de richtingaanwijzers werken.
Sluit de verlichting van de aanhanger niet rechtstreeks aan op de verlichting van de auto. Gebruik hiervoor speciale goedgekeurde bedrading.
Raadpleeg uw Kia-dealer voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Het gebruik van niet goedgekeurde bedrading kan schade aan het elektrisch systeem van de auto en/of persoonlijk letsel veroorzaken.
Rijden op hellingen
Verminder snelheid en schakel naar een lagere versnelling voordat u een lange of steile helling afrijdt. Als u niet terugschakelt, moet u de remmen vaker intrappen waardoor deze oververhit raken en niet meer goed werken.
Schakel bij het oprijden van een lange helling terug en verminder snelheid tot ongeveer 70 km/h (45 mph). Hierdoor wordt voorkomen dat de motor en de transmissie oververhit raken.
Rijd in stand D wanneer de auto uitgerust is met een automatische transmissie en u met een aanhanger rijdt die meer weegt dan het maximaal toegestane ongeremde aanhangergewicht.
Wanneer u in stand D rijdt met een aanhanger wordt de levensduur van de transmissie door een lagere bedrijfstemperatuur verlengd.
Rijd in de vierde versnelling (of, indien nodig, een lagere versnelling) wanneer uw auto is uitgerust met een handgeschakelde transmissie.
OPMERKING
- Houd de motortemperatuur goed in de gaten als u met een aanhanger een steile helling (meer dan 6%) oprijdt. Hierdoor kan de motor oververhit raken. Als de koelvloeistoftemperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit dreigt te raken, breng de auto dan op een veilige plaats tot stilstand om de motor af te laten koelen. Zodra de motor voldoende is afgekoeld, kunt u uw weg vervolgen.
- Pas uw snelheid aan afhankelijk van het gewicht van de aanhanger en de hellingshoek van de weg, zodat de motor en de transmissie niet oververhit raken.
\* AANWIJZING
- Benzinemotor (1.6 of 2.0 l) met automatische transmissie
Als u een aanhanger trekt op een steile helling (meer dan 12%) met een snelheid van meer dan 30 km/h, terwijl de auto en de aanhanger maximaal beladen zijn, kan de motor of transmissie oververhit raken. Laat de motor in dat geval stationair draaien totdat deze voldoende afgekoeld is. Zodra de motor of de transmissie voldoende is afgekoeld, kunt u uw weg vervolgen.
Parkeren op een helling
Parkeer uw auto met aangekoppelde aanhanger bij voorkeur niet op een helling. Als de auto naar beneden zou rollen, zou deze beschadigd kunnen raken of ernstig letsel aan voorbijgangers kunnen toebrengen.
WAARSCHUWING
- Parkeren op een helling
Als u de auto met aanhanger op een helling parkeert, kunnen mensen ernstig letsel oplopen of zelfs dodelijk gewond raken als aanhanger onbedoeld los zou raken van de auto.
Is het niet anders mogelijk dan de auto op een helling te parkeren, doe dit dan als volgt:
- Druk het rempedaal in en zet de transmissie in de neutraalstand.
- Laat iemand anders blokken achter de wielen van de aanhanger plaatsen.
- Laat het rempedaal voorzicht los, als de blokken geplaatst zijn en laat de aanhanger tegen de blokken rollen.
- Rem opnieuw. Trek de parkeerrem aan en schakel bij een handgeschakelde transmissie de achteruit in of bij een automatische transmissie stand P.
- Laat het rempedaal los.
WAARSCHUWING
- Parkeerrem
Stap niet uit voordat de parkeerrem goed is aangetrokken.
Als u de motor laat draaien, kan de auto plotseling in beweging komen. Uzelf of andere mensen kunnen hierdoor ernstig letsel oplopen.
Wegrijden op een helling
-
Zet de handgeschakelde transmissie in de vrijstand of de automatische transmissie in stand P en houd het rempedaal ingetrapt wanneer:
-
Start de motor.
• Zet de transmissie in stand D. -
Ontgrendel de parkeerrem.
-
Laat het rempedaal langzaam los.
- Rijd langzaam vooruit tot de aanhanger los komt van de blokken.
- Stop en laat de blokken door iemand oprapen en opbergen.
Onderhoud bij het rijden met een aanhanger
Uw auto heeft vaker onderhoud nodig wanneer u regelmatig met een aanhanger rijdt. Belangrijke zaken die speciale aandacht verdienen zijn: de motorolie, de automatische-transmissievloeistof, de smering van de aandrijfassen en de koelvloeistof. De toestand van de remmen moet ook regelmatig gecontroleerd worden. Alle zaken staan in dit instructieboekje beschreven. De index is hierbij een handig hulpmiddel. Het is verstandig dat u deze gedeeltes te lezen voordat u met een aanhanger op pad gaat.
Vergeet ook niet de aanhanger en de trekhaak te onderhouden. Volg het onderhoudsscherna van de aanhanger en controleer hem regelmatig. Voer de controle bij voorkeur ieder keer uit wanneer u gaat rijden. Het is van het grootste belang dat de trekhaakmoeren en -bouten vastzitten.
Z OPMERKING
- Vanwege de hogere belasting tijdens het rijden met een aanhanger, kan bij warm weer of bij bergop rijden de motor oververhit raken. Als de koelvloeistoftemperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit dreigt te raken, schakel dan de airconditioning uit en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand om de motor af te laten koelen.
• Als met de auto een aanhanger getrokken wordt, moet de transmissievloeistof vaker worden gecontroleerd. - Als uw auto niet is uitgerust met een airconditioning, moet u een extra ventilator laten monteren om de koeling van de motor te optimaliseren als u een aanhanger trekt.
Rijtips
MASSA VAN DE AUTO
In dit deel vindt u informatie over de juiste manier van beladen van uw auto en/of aanhanger, zodat u ervoor kunt zorgen dat u het maximaal toelaatbaar totaalgewicht, met of zonder aanhanger, niet overschrijdt. Een juiste manier van beladen zorgt ervoor dat de prestaties van de auto zo min mogelijk in negatieve zin beïnvloed worden. Zorg ervoor dat u, voordat u uw auto gaat beladen, weet wat de volgende termen betekenen, zodat u uw auto, met of zonder aanhanger, op de juiste manier kunt beladen. De informatie vindt u bij de specificaties en op het typeplaatje:
Rijklaar gewicht
Dit is het gewicht van de auto met een volle brandstoftank en de complete standaarduitrusting. Dit gewicht is zonder passagiers, lading en extra uitrusting.
Leeggewicht
Dit is het gewicht van de auto bij aflevering plus het gewicht van de achteraf gemonteerde uitrusting.
Belading
Dit gotal heeft betrekking op al het gewicht dat opgeteld wordt bij het rijklaar gewicht, dus het gewicht van de lading en de extra uitrusting.
GAW (maximale asbelasting)
Dit is het totaalgewicht op elke as (voor en achter) - opgebouwd uit het rijklaar gewicht en de totale belasting.
GAWR (maximale toelaatbare asbelasting)
Dit is de maximale toegestane belasting op een enkele as (voor of achter). Deze cijfers staan op het typeplaatje.
De totale belasting op een as mag de GAWR nooit overschrijden.
GVW (maximaal toelaatbaar totaalgewicht)
Dit is het rijklaar gewicht plus het gewicht van de lading en van de passagiers.
GVWR (maximale massa voertuig)
Dit is het maximaal toelaatbaar gewicht van de volledig belaste auto (inclusief opties, uitrusting, passagiers en lading). De GVWR staat op het typeplaatje op de dorpel van het bestuurdersportier (of voorpassagiersportier).
Overbeladen
WAARSCHUWING
De maximale asbelasting en de maximale massa van het voertuig staan vermeld op het typeplaatje bevestigd aan het bestuurdersportier. Het overschrijden van deze waardes kan een ongeval of schade aan de auto veroorzaken. U kunt het gewicht van uw lading berekenen door de voorwerpen (of personen) vooraf te wegen. Wees voorzichtig uw auto niet te overbeladen.
Rijtips
INFORMATIE OP LABELS
In uw auto bevinden zich verschillende belangrijke labels en identificatienummers. De plaats van de labels wordt in de volgende afbeeldingen aangegeven:




Voertuig-identificatienummer (VIN)
Om het chassisnummer onder de passagiersstoel te controleren.

Rijtips

Waarschuwingssignalen / 6-2
Wat te doen in een noodgeval tijdens het rijden / 6-3
Als de motor niet gestart kan worden / 6-4
Starten met hulpaccu / 6-5
Oververhitting / 6-8
Bescherming elektrische circuits / 6-9
Slepen / 6-16
Controlesysteem lage bandenspanning (TPMS) / 6-21
Wiel verwisselen bij een lekke band / 6-25
In geval van nood
De alarmknipperlichten dienen ervoor om de overige weggebruikers te waarschuwen om extra voorzichtigheid in acht te nemen bij het naderen, inhalen of passeren van uw auto. Ze dienen te worden gebruikt in noodsituaties of als de auto aan de kant van de weg tot stilstand is gekomen.
Druk de schakelaar van de alarmknipperlichten in met het contact in een willekeurige stand. De schakelaar alarmknipperlichten bevindt zich in het dashboard. De schakelaar zorgt ervoor dat alle knipperlichten geactiveerd worden.
- De alarmknipperlichten werken ongeacht of de motor draait of niet.
- De richtingaanwijzers werken niet wanneer de alarmknipperlichten ingeschakeld zijn.
- Wees voorzichtig bij het gebruiken van de alarmknipperlichten wanneer de auto gesleept wordt.
WAT TE DOEN IN EEN NOODGEVAL TIJDENS HET RIJDEN
Als u tijdens het rijden een lekke band krijgt
Als tijdens het rijden een band leegloopt:
-
Laat het gaspedaal los en verminder vaart terwijl u rechtuit blijft rijden. Trap niet direct het rempedaal in en probeer ook niet direct naar de kant van de weg te sturen omdat u hierdoor de controle over de auto zou kunnen verliezen. Rem voorzichtig zodra de snelheid zo laag is dat u dat veilig kunt doen en zet de auto aan de kant van de weg. Zet de auto zoveel mogelijk aan de kant van de weg en parkeer op een stevige, vlakke ondergrond. Parkeer niet in de middenberm als u op een snelweg rijdt met gescheiden rijbanen.
-
Zet als de auto stilstaat de alarmknipperlichten aan, activeer de parkeerrem en zet de transmissie in stand P (automatische transmissie) of in de achteruit (handgeschakelde transmissie).
-
Laat alle inzittenden uitstappen. Laat iedereen uitstappen aan die zijde van de auto die van het langsrijdende verkeer afgewend is.
-
Volg bij het vervangen van een lekke band de aanwijzingen in dit hoofdstuk.
Als de motor afslaat tijdens het rijden
- Laat de auto geleidelijk uitrollen en blijf daarbij rechtuit rijden. Probeer de auto op een veilige plaats tot stilstand te brengen.
- Schakel de alarmknipperlichten in.
- Probeer de motor te starten. Neem contact op met een officiële KIA-dealer of een hulpdienst als de motor niet gestart kan worden.
ALS DE MOTOR NIET GESTART KAN WORDEN
Als de motor niet of langzaam ronddraait
- Controleer als uw auto is uitgerust met een automatische transmissie of de selectiehendel in stand N of P staat en of de parkeerrem geactiveerd is.
- Controleer of de accuklemmen schoon zijn en goed vastzitten.
- Schakel de interieurverlichting in. Als de interieurverlichting zwakker gaat branden of uitgaat als u de startmotor bedient, is de accu te ver ontladen.
- Controleer of de aansluitingen van de startmotor goed vastzitten.
- Probeer de auto niet aan te slepen of aan te duwen. Zie de aanwijzingen bij "Starten met hulpaccu".
WAARSCHUWING
Probeer de auto niet aan te slepen of aan te duwen. Hierdoor kan een aanrijding of andere schade ontstaan. Verder kan de katalysator door overbelasting beschadigd raken en brand veroorzaken als de auto wordt aangesleept of aangeduwd.
Als de motor wel ronddraait maar niet aanslaat
- Controieer het brandstofniveau.
- Zet het contact in stand LOCK en controleer alle stekkerverbindingen van de ontsteking, de bobine en de bougies. Sluit een eventuele losse stekker weer aan.
- Controleer de brandstofleiding in de motorruimte.
- Neem contact op met een officiële KIA-dealer of een hulpdienst als de motor nog steeds niet gestart kan worden.
STARTEN MET HULPACCU
Starten met een hulpaccu
Starten met een hulpaccu kan gevaarlijk zijn als dit niet op de juiste manier gebeurt. Volg daarom de procedures voor het starten met een hulpaccu op bladzijde 6-6 om te voorkomen dat u letsel oploopt of de auto en de accu beschadigd raken. Wij adviseren u met klem om bij twijfel een expert te raadplegen.
\* AANWIJZING
Maak alleen gebruik van een 12 volt hulpaccu. Door het gebruik van een 24 V spanningsbron (twee seriegeschakelde 12 V accu's of een 24 V snelstart-apparaat) kunt u de startmotor, het ontstekingssysteem en andere onderdelen van het elektrisch systeem beschadigen.
WAARSCHUWING
- Accu
Controleer nooit het elektrolytniveau in de accu. Hierdoor kan de accu scheuren of ontploffen, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.
WAARSCHUWING
- Accu
- Houd vonken en open vuur uit de buurt van de accu. In de accu komt waterstof vrij dat kan exploderen wanneer het wordt blootgesteld aan vlammen of vonken.
- Probeer uw auto niet met een hulpaccu te starten als de lege accu bevoren is of het elektrolytpeil laag is; de accu kan scheuren of exploderen.
Aansluiten van startkabels
Sluit de kabels in de aangegeven volgorde aan en neem ze in de omgekeerde volgorde los.

* Afhankelijk van het motortype is de plaats van de motorsteun mogelijk anders dan in de afbeelding.
OED066001
Startprocedure met behulp van een hulpaccu
- Controleer of de hulpaccu die u wilt gebruiken een 12 V accu is en controleer als deze zich in een andere auto bevindt of hij met de minpool aan massa
- Als de hulpaccu zich in een andere auto bevindt, mogen beide auto's elkaar niet raken.
- Schakel alle elektrische verbruikers uit.
-
Sluit de startkabels aan in de volgorde die in de afbeelding is aangegeven. Sluit eerst één klem van de startkabel aan op de pluspool van de lege accu (1) en de andere klem van dezelfde kabel op de pluspool van de hulpaccu (2).
-
Sluit vervolgens één klem van de andere kabel aan op de minpool van de hulpaccu (3) en de andere klem op een metalen onderdeel (bijvoorbeeld het motorhijsog) uit de buurt van de accu. Sluit de startkabel niet aan op of in de buurt van draaiende onderdelen (4). Sluit de startkabel verbonden met de minpool (-) van de hulpaccu niet aan op de minpool (-) van de lege accu.
Zorg ervoor dat de startkabels uitsluitend contact maken met de juiste accupolen of de juiste massaverbinding. Leun bij het aansluiten niet over de accu.
Z OPMERKING - Accukabels
Sluit de startkabel verbonden met de minpool (-) van de hulpaccu niet aan op de minpool (-) van de lege accu. Hierdoor kan de ontladen accu oververhit raken en scheuren, waardoor er accuzuur lekt.
- Start de motor van de auto met de hulpaccu en laat deze met 2.000 omw/min draaien. Start vervolgens de motor van de auto met de lege accu.
Laat uw auto controleren door een officiële Kia-dealer als de oorzaak van de lege accu niet duidelijk is.
Aanduwen of aanslepen
Een auto uitgerust met een handgeschakelde transmissie mag niet worden aangeduwd of aangesleept omdat hierdoor het emissieregelsysteem beschadigd kan raken.
Auto's die uitgerust zijn met een automatische transmissie kunnen niet worden aangeduwd of aangesleept.
Volg de aanwijzingen in dit gedeelte voor het starten met een hulpaccu.
Z OPMERKING
Probeer nooit een auto door middel van slepen te starten. Wanneer de auto plotseling naar voren schiet als de motor aanslaat, kan een aanrijding veroorzaakt worden.
OVERVERHITTING
Als uw temperatuurmeter een te hoge temperatuur aangeeft, als u een vermogensverlies bespeurt of wanneer u luid kloppende of pingelende geluiden hoort, is de motor waarschijnlijk oververhit geraakt. Handel in dat geval als volgt:
- Schakel de alarmknipperlichten in en rijd naar de dichtstbijzijnde veilige plaats. Breng de auto tot stilstand, zet de automatisch transmissie in stand P of de handgeschakelde transmissie in de vrijstand en trek de parkeerrem aan.
- Zorg ervoor dat de airconditioning uitgeschakeld is.
- Zet de motor uit en neem contact op met een officiële Kia-dealer voor hulp wanneer koelvloeistof of stoom uit de radiateur komt.
Laat de motor stationair draaien en open de motorkap om de motor geleidelijk af te laten koelen wanneer er geen koelvloeistof uit de radiateur komt.
WAARSCHUWING
Voorkom letsel en zorg ervoor dat uw haar, handen en kleding niet in aanraking komen met bewegende onderdelen van de motor zoals de koelventilator en de aandrijfriemen als de motor draait.
Zet de motor uit wanneer de temperatuur bij stationair draaien niet daalt en wacht voldoende lang om de motor de gelegenheid te geven af te koelen.
WAARSCHUWING
Verwijder de radiateurdop nooit als de motor heet is. Hierdoor kan er koelvloeistof naar buiten spuiten en kunt u ernstige brandwonden oplopen.
- Controleer vervolgens het koelvloeistofpeil. Wanneer het peil in het expansievat laag is, controleer dan de slangen en de aansluitingen van de radiateur, de slangen en de aansluitingen van de kachel, de radiateur en de waterpomp op lekkage. Start de motor niet toldat het probleem is verholpen wanneer u een grote lekkage of een ander probleem vindt dat vermoedelijk de oorzaak was van het oververhit raken van de motor. Neem voor hulp contact op met een officiële Kia-dealer. Vul voorzichtig koelvloeistof bij in het expansievat wanneer u geen lekkage of een ander probleem vindt.
Z OPMERKING
Als er veel koelvloeistof verdwenen is, duidt dit op een lekkage in het koelsysteem en moet het koelsysteem zo snel mogelijk gecontroleerd worden door een officiële KIA-dealer.
BESCHERMING ELEKTRISCHE CIRCUITS
Plat type

Normaal

Doorgebrand
Cartridge type

Normaal

Doorgsbrand
Draadzekering

Normaal

1VQA4037
Zekeringen
Het elektrisch systeem van een auto is tegen overbelasting beveiligd door middel van zekeringen.
Deze auto heeft twee zekeringkasten, één aan bestuurderszijde en de andere in de motorruimte.
De dieselmotor heeft een extra zekeringenkast die zich in de motorruimte naast het ruitensproeierreservoir bevindt.
Controleer de zekering van het desbetreffende circuit wanneer een bepaalde verlichting, accessoire of bedieningsorgaan niet werkt. Een doorgebrande zekering kunt u herkennen aan een onderbreking in het metalen element in de zekering.
Controleer de zekeringkast aan bestuurderszijde wanneer het elektrisch systeem niet werkt.
Vervang een zekering altijd door een zekering met dezelfde stroomsterkte.
Als de vervangende zekering ook doorbrandt, duidt dit op een elektrische storing. Probeer het betreffende systeem niet te gebruiken en neem onmiddellijk contact op met een officiële Kia-dealer.
Zekeringen vervangen
WAARSCHUWING - Zekering vervangen
- Vervang een zekering alleen door een zekering met dezelfde stroomsterkte.
- Een zekering met een hogere capaciteit kan door oververhitting schade en brand veroorzaken.
- Vervang een zekering nooit door iets anders - ook niet als noodreparatie. Hierdoor kan het elektrische circuit overbelasi worden, waardoor brand kan ontstaan.
- Verwijder een zekering niet met een schroevendraaier of een ander metalen voorwerp omdat hierdoor kortsluiting kan ontstaan, waardoor schade aan het elektrisch systeem kan worden veroorzaakt.

Vervangen zekering zijpaneel
- Zet het contact in stand LOCK en alle andere schakelaars uit.
- Open het deksel van de zekeringkast.

- Verwijder de verdachte zekering. Gebruik het demontagegereedschap dat zich in de zekeringkast in de motormuimte bevindt.
- Controleer de verwijderde zekering; vervangen indien deze is doorgebrand.
Er bevinden zich reservezekeringen in de zekeringkast aan bestuurderszijde (of in de zekeringkast in de motorruimte). - Plaats een nieuwe zekering met dezelfde stroomsterkte en controleer of de zekering goed vastzit.
Neem contact op met een officiële KIA-dealer als de zekering niet goed vastzit.
Als u geen reservezekering hebt, kunt u de zekering van een ander circuit gebruiken dat niet nodig is om te kunnen rijden, bijvoorbeeld van de aansteker, mits de zekering dezelfde stroomsterkte heeft.
Controleer de zekeringkast in de motorruimte wanneer de koplampen of andere elektrische componenten niet werken. Vervang een doorgebrande zekering.

Backup-zekering
Uw auto is uitgerust met een backup- zekering, waarmee u kunt voorkomen dat de accu leeg raakt, wanneer de auto gedurende langere tijd niet wordt gebruikt. Bereid de auto op de volgende manier voor wanneer deze voor langere tijd niet gebruikt wordt.
- Zet de motor uit.
- Schakel de verlichting uit.
- Open het zijpaneel aan bestuurderszijde en trek de backup-zekering omhoog (ROOM LP 15A).
\* AANWIJZING
- Als de backup-zekering omhoog is gezet, werken de waarschuwingszoemer, het audiosysteem, de klok, de interieurverlichting enz. niet meer. Sommige systemen zullen na het opnieuw inschakelen gereset moeten worden.
- Zelfs als de MEMORY zekering is verwijderd, kan de accu ontladen worden door brandende verlichting of de werking van andere elektrische systemen.

Motorruimte
- Zet het contact in stand LOCK en alle andere schakelaars uit.
-
Verwijder het deksel van de zekeringkast door de lippen aan beide uiteinden in te drukken en het deksel omhoog te trekken.
-
Controleer de verwijderde zekering; vervangen indien deze is doorgebrand.
- Plaats een nieuwe zekering met dezelfde stroomsterkte en controleer of de zekering goed vastzit.
Neem contact op met een officiële Kia-dealer als de zekering niet goed vastzit.
\* AANWIJZING
Plaats het deksel op de juiste manier nadat de zekeringkast in de motorruimte gecontroleerd is. Wanneer dit niet het geval is, kunnen elektrische storingen ten gevolge van binnendringend vocht optreden.

Vervang de doorgebrande zekering ALTERNATOR (benzine 125A, diesel 150A) of MDPS (80A) als volgt:
- Neem de minpool los van de accu.
- Verwijder de schroeven aangegeven in bovenstaande afbeelding.
- Vervang de zekering door een nieuwe met dezelfde stroomsterkte.
- Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde van verwijderen.
Zekering-/relaiskast
Aan de binnenzijde van de deksels vindt u een label met daarop de naam van de zekeringen en relais en de capaciteit.
Zekeringkast zijpaneel bestuurder

Mogelijk zijn niet alle beschrijvingen van de zekeringkast van toepassing op uw auto. Deze golden ten tijde van het ter perse gaan. Raadpleeg het label in de zekeringkast als u de zekeringkast controleert.
Zekeringkast zijpaneel bestuurder
| Omschrijving | Stroomsterkte zekering | Beveiligd onderdeel |
| START | 10A | Startrelais |
| A/CON SW | 10A | Airconditioning |
| HTD MIRR | 10A | Spiegelverwarming |
| SEAT HTR | 15A | Stoelverwarming |
| A/CON | 10A | Airconditioning |
| HEAD LAMP | 10A | Koplamp |
| FR WIPER | 25A | Ruitenwisser (voor) |
| RR WIPER | 15A | Achterruitenwisser |
| DRL OFF | - | Motorvoertuigverlichting overdag (MVO) uit |
| RR FOG | 10A | Mistachterlicht |
| P/WDW (LH) | 25A | Elektrisch bedienbare ruiten (links) |
| CLOCK | 10A | Klok |
| C/LIGHTER | 15A | Aansteker |
| DR LOCK | 20A | Schuif-/kanteldak, relaiskast ICM |
| DEICER | 20A | Relais voorruitverwarming |
| STOP | 15A | Remlichtschakelaar |
| ROOM LP | 15A | Interieurverlichting |
| AUDIO | 15A | Audiosysteem, boordcomputer |
| T/LID | 15A | Achterklep |
| SAFETY P/WDW RH | 25A | Elektrisch bedienbare ruit met klembeveiliging (rechts) |
| SAFETY P/WDW LH | 25A | Elektrisch bedienbare ruit met klembeveiliging (links) |
| Omschrijving | Stroomsterkte zekering | Beveiligd onderdeel |
| P/WDW(RH) | 25A | Elektrisch bedienbare ruiten (rechts) |
| P/OUTLET | 15A | 12V-aansluiting |
| T/SIG | 10A | Schakelaarmodule |
| A/BAG IND | 10A | Controlelampje airbag |
| CLUSTER | 10A | Instrumentenpaneel |
| A/BAG | 15A | Airbag |
| SPARE | 15A | Reservezekering |
| TAIL RH | 10A | Achterlicht (rechts) |
| TAIL LH | 10A | Achterlicht (links) |
Zekeringkast motorruimte
| Omschrijving | Stroomsterkte zekering | Bevelligd onderdeel |
| ALT | 125A/150A (DIESEL) | Dynamo |
| MDPS | 80A | Module MDPS |
| ABS 2 | 20A | Antiblokkeersysteem |
| ABS 1 | 40A | Antiblokkeersysteem |
| B+.1 | 50A | Voeding dashboard |
| RR HTD | 40A | Buitenspiegelverwarming |
| BLOWER | 40A | Aanjager |
| C/FAN | 40A | Condensorventiator |
| B+.2 | 50A | Voeding dashboard |
| IGN 2 | 40A | Contactslot |
| IGN 1 | 30A | Contactslot |
| ECU | 30A | Motormodule |
| SPARE.1 | 20A | Reservezekering |
| FR FOG | 15A | Relais mistlampen vóór |
| A/CON | 10A | Relais airconditioning |
| HAZARD | 15A | Alarmknipperlichten |
| F/PUMP | 15A | Relais brandstofpomp |
| ECU.1 | 10A | Motormodule |
| ECU.3 | 10A | Motormodule |
| ECU.4 | 20A | Motormodule |
| INJ | 15A | Relais airconditioning, inspuitventiel |
| SNSR.2 | 10A | Sensoren |
| HORN | 15A | Claxonrelais |
| ABS | 10A | Antiblokkeersysteem |
| Omschrijving | Stroomsterkte zekering | Beveiligd onderdeel |
| ECU.2 | 10A | Condensor, bobine |
| B/UP | 10A | Achteruitrijlicht |
| H/LP LO-RH | 10A | Koplamp rechts (dimlicht) |
| H/LP LO-LH | 10A | Koplamp links (dimlicht) |
| H/LP HI | 20A | Relais koplampen (grootlicht) |
| SNSR.1 | 10A | Lambdasensor |
| SPARE | 10A | Reservezekering |
| SPARE | 15A | Reservezekering |
| SPARE | 20A | Reservezekering |
Zekeringkast motorruimte (alleen dieselmotor)
| Omschrijving | Stroomsterkte zekering | Beveiligd onderdeel |
| GLOW PLUG | 80A | Gloeibougie |
| PTC HEATER #1 | 50A | Verwarmingselement 1 |
| PTC HEATER #2 | 50A | Verwarmingselement 2 |
| PTC HEATER #3 | 50A | Verwarmingselement 3 |
| FUEL FILTER HEATER | 30A | Verwarming brandstofffilter |
SLEPEN

Laat de auto bij voorkeur wegslepen door een officiële Kia-dealer of een erkend bergingsbedrijf. De juiste procedures voor het slepen zijn noodzakelijk om beschadigingen aan uw auto te voorkomen. Wij bevelen het gebruik van dollies aan.
Zie hoofdstuk 5 "Aanwijzingen voor het rijden" voor meer informatie over het rijden met een aanhanger.
OPMERKING
Controleer voor het slepen het niveau van de automatische-transmissievloeistof. Vul vloeistof bij als het niveau onder de aanduiding HOT op de peilstok is. Als u geen vloeistof heeft om bij te vullen, moet er een dolly worden gebruikt.

De auto mag gesleept worden met de achterwielen op de grond (zonder doilies) en de voorwielen van de grond.
Als er geen dollies worden gebruikt, moet de auto worden gesleept met de voorwielen van de grond.
Z OPMERKING
Zorg er bij het slepen van de auto voor dat de bumper of de onderzijde van de carrosserie niet beschadigd raakt

Slepen in noodgevallen zonder dollies:
- Zet het contact in stand ACC.
- Zet de selectiehendel in stand N (neutraal).
- Ontgrendel de parkeerrem.
Z OPMERKING
Als de selectiehendel niet in stand N wordt gezet, kan dit inwendige schade in de transmissie tot gevolg hebben.

- Sleep de auto nooit achteruit met de voorwielen op de grond. Hierdoor kan de auto beschadigd raken.
- Sleep de auto nooit met een takelwagen. Gebruik alleen een auto-ambulance of een bril.

- Plaats het sleepoog door het rechtsom te draaien totdat het volledig vastzit.
- Verwijder het sleepoog na gebruik en plaats het afdekkapje.


Slepen zonder takelwagen
Laat de auto bij voorkeur wegslepen door een officiële Kia-dealer of een erkend bergingsbedrijf.
Als dit niet mogelijk is, mag de auto tijdelijk worden gesleept met een sleepkabel of -ketting die aan het sleepoog aan de voor- of achterzijde van de auto is bevestigd. Wees voorzichtig bij het slepen van de auto. Laat een ervaren bestuurder in de gesleepte auto achter om te sturen en de remmen te bedienen.
Op deze manier slepen mag alleen op verharde wegen, over een korte afstand en met lage snelheid. Bovendien moeten de wielen, aandrijfassen, transmissie, stuurinrichting en remmen in orde zijn.
- Gebruik de sleepogen niet om een andere auto weg te slepen die vastzit in de modder of iets dergelijks waar hij niet op eigen kracht uit kan komen.
- Sleep geen auto's die zwaarder zijn dan de auto waarmee wordt gesleept.
- De bestuurders van beide auto's dienen goed met elkaar te communiceren.
Z OPMERKING
- Bevestig een sleepkabel alleen aan de sleepogen.
- Als de sleepkabel aan een ander onderdeel van de auto wordt bevestigd, kan dit leiden tot beschadigingen.
- Gebruik alleen een sleepkabel of -ketting die speciaal bedoeld is voor het slepen van auto's. Bevestig de kabel of ketting goed aan de sleepogen.
- Controleer voor het slepen of de sleepogen niet gebroken of op een andere manier beschadigd zijn.
- Bevestig de kabel of ketting goed aan de sleepogen.
- Voorkom schokbewegingen tijdens het slepen. Sleep met een gelijkmatige kracht.
- Trek niet in dwarsrichting of omhoog of omlaag aan het sleepoog. Anders kan het sleepoog beschadigd raken. Trek alleen in de lengterichting van de auto.
WAARSCHUWING
Wees voorzichtig bij het slepen van de auto.
• Probeer abrubt accelereren en remmen, alsmede vreemde manoeuvres te voorkomen, zodat de sleepkabel of -ketting en de sleepogen niet te zwaar worden belast. Anders kunnen deze breken, waardoor ernstig letsel of schade kan ontstaan.
- Als er nauwelijks beweging in de auto zit, ga dan niet onnodig door met slepen. Neem contact op met een officiële Kia-dealer of een deskundig bergingsbedrijf voor hulp.
- Sleep de auto onder een zo recht mogelijke hoek.
- Blijf op veilige afstand van de auto tijdens het slepen.


OED066029
- Gebruik een sleepkabel van maximaal 5 meter. Bevestig een rode doek in het midden.
- Rijdt voorzichtig tijdens het slepen om te voorkomen dat de sleepkabel slap komt te hangen.
Voorzorgsmaatregelen bij slepen in een noodgeval
- Zet het contact in stand ACC, zodat het stuurslot niet kan worden ingeschakeld.
- Zet de transmissie in stand N (neutraal).
- Ontgrendel de parkeerrem.
- Vanwege de verminderde remwerking, moet het rempedaal krachtiger worden bediend.
- Het sturen gaat zwaarder omdat de stuurbekrachtiging niet werkt.
- Tijdens een afdaling kunnen de remmen oververhit raken, waardoor de remwerking afneemt. Stop in dat geval regelmatig om de remmen af te laten koelen.
Z OPMERKING
Als de auto gesleept moet worden met alle wielen van de grond, mag hij alleen vooruit gesleept worden. Controleer of de transmissie in de vrijstand staat. Rijd niet harder dan 40 km/h (25 mph) en niet over een langere afstand dan 25 km (15 mijl). Zorg ervoor dat de auto niet op het stuurslot staat door het contact in stand ACC te zetten. Laat een ervaren bestuurder in de gesleepte auto achter om te sturen en de remmen te bedienen.
Tips voor het slepen van een auto die vastzit
Een auto die vastzit in de modder of iets dergelijks, waar deze niet op eigen kracht uit kan komen, kan mogelijk op de volgende manieren loskomen.
- Verwijder los zand of modder voor en achter de wielen.
- Plaats stenen of hout onder de banden.
CONTROLESYSTEEM LAGE BANDENSPANNING (TPMS) (INDIEN VAN TOEPASSING)

(1) Waarschuwingslampje lage bandenspanning
(2) Waarschuwingslampje positie lage bandenspanning
(3) Controlelampje storing TPMS
Controleer iedere maand bij koude banden of de bandenspanning van alle banden, inclusief het reservewiel (indien van toepassing), overeenkomt met de aanbevolen spanning op het voertuigplaatje of het bandenspanningslabel. (Als de bandenmaat van uw auto niet overeenkomt met de bandenmaat op het voertuigplaatje of het bandenspanningslabel, dient u de juiste spanning voor deze banden te bepalen.)
Voor extra beveiliging is uw auto uitgerust met een controlesysteem lage bandenspanning (TPMS) dat ervoor zorgt dat een waarschuwingslampje lage bandenspanning gaat branden wanneer de bandenspanning van een of meerdere band(en) aanmerkelijk te laag is. Wanneer het waarschuwingslampje lage bandenspanning brandt, dient u de auto dus stil te zetten, de banden zo snel mogelijk te controleren en ze op de juiste spanning te brengen. Rijden op banden waarvan de bandenspanning te laag is, heeft oververhitte en mogelijk beschadigde banden tot gevolg. Te lage bandenspanning levert een hoger brandstofverbruik op, verkort de levensduur van de banden en heeft mogelijk invloed op de rijeigenschappen van de auto en de remweg.
Het TPMS dient niet ter vervanging van onderhoud van de banden te worden gebruikt. Het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder dat de banden op de juiste spanning zijn, ook al is de bandenspanning nog niet zo laag dat het waarschuwingslampje gaat branden.
Uw auto is tevens uitgerust met een controlelampje storing TPMS dat aangeeft wanneer het systeem niet goed werkt. Het controlelampje storing TPMS heeft een aparte verklikker die ervoor zorgt dat het symbool TPMS gaat branden. Wanneer het controlelampje brandt, kan het systeem mogelijk niet naar behoren een te lage bandenspanning vaststellen. Storingen in de TPMS kunnen door verschillende oorzaken ontstaan, waaronder het plaatsen, vervangen of wisselen van banden of velgen waardoor de TPMS niet goed werkt. Controleer na het vervangen van een of meerdere band(en) of velg(en) het controlelampje storing TPMS om ervoor te zorgen dat de TPMS goed werkt.
Waarschuwingslampje lage bandenspanning

Waarschuwingslampje positie lage bandenspanning

De waarschuwingslampjes lage bandenspanning en positie lage bandenspanning branden wanneer de spanning van een of meer band(en) te laag is. Het waarschuwingslampje positie lage bandenspanning geeft aan van welke band(en) de spanning te laag is.
Verminder onmiddellijk snelheid, vermijd scherp aansnijden van bochten en anticipeer op een langere remweg. Zet de auto stil en controleer de banden zodra deze koud zijn. Breng de banden op de juiste spanning zoals aangegeven op het voertuigplaatje of het bandenspanningslabel op de middenstijl aan bestuurderszijde. Vervang de band met een te lage bandenspanning door het reservewiel als u geen tankstation kunt bereiken of als de band lek is. Als u de band met een lage spanning door het reservewiel of een andere band vervangt, gaan de waarschuwingslampjes lage bandenspanning en positie lage bandenspanning branden en gaat het controlelampje storing TPMS na een paar minuten branden. Het reservewiel of de andere banden zijn namelijk niet uitgerust met een bandenspanningssensor.
Z OPMERKING
Mogelijk gaat het waarschuwingslampje lage bandenspanning in de winter of bij koud weer branden als de banden bij warm weer op de aanbevolen spanning zijn gebracht. Het betekent niet dat uw TPMS defect is, omdat de lagere temperatuur een evenredig lagere bandenspanning tot gevolg heeft.
Controleer de bandenspanning en stel deze af wanneer u van een warm gebied naar een koud gebied of vice versa rijdt, of wanneer de buitentemperatuur aanmerkelijk toe- of afneemt.
WAARSCHUWING
- Te lage bandenspanning Een te lage bandenspanning zorgt ervoor dat de auto instabiel wordt en kan ervoor zorgen dat u de controle over de auto verliest en dat de remweg vergroot.
Doorrijden op banden met een te lage spanning heeft oververhitte en defecte banden tot gevolg.
Controlelampje storing TPMS (controlesysteem lage bandenspanning)
Het controlelampje storing TPMS gaat branden en blijft branden wanneer er een probleem aanwezig is in het controlesysteem lage bandenspanning. Wanneer de sensor links voor defect is, gaat het controlelampje storing TPMS branden, maar als de band rechts voor, links achter of rechts achter een te lage spanning heeft, gaan de waarschuwingslampjes lage bandenspanning en positie lage bandenspanning mogelijk branden samen met het controlelampje storing TPMS.
Laat het systeem zo snel mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer om de oorzaak van het probleem vast te stellen.
\* AANWIJZING
- Het controlelampje storing TPMS gaat mogelijk branden als de auto in de buurt rijdt van elektrische kabels of zenders zoals politiebureaus, kantoren, zenders, militaire objecten, luchthavens, zendmasten, enz. die de normale werking van het controlesysteem lage bandenspanning (TPMS) kunnen storen.
- Het controlelampje storing TPMS gaat mogelijk branden als bepaalde elektrische apparaten, zoals laptops, in de auto worden gebruikt. Dit kan de normale werking van het TPMS storen.
Een wiel wisselen met TPMS
Bij een lekke band gaan de waarschuwingslampjes lage bandenspanning en positie lage bandenspanning branden. Laat de lekke band zo snel mogelijk door een officiële Kia-dealer repareren of vervang de band door het reservewiel. Gebruik NOOIT bandenplak om de band met een te lage spanning te repareren. Anders moet u de bandenspanningssensor vervangen. Ieder wiel is uitgerust met een bandenspanningssensor achter het ventiel in het wiel. Gebruik wielen die speciaal geschikt zijn voor TPMS. Geadviseerd wordt om uw banden altijd zo snel mogelijk door een officiële Kia-dealer te laten repareren. Het reservewiel is niet uitgerust met een bandenspanningssensor.
Daardoor gaan, wanneer de band met een te lage spanning door het reservewiel is vervangen, de waarschuwingslampjes lage bandenspanning en positie lage bandenspanning branden en gaat het controlelampje storing TPMS na een paar minuten branden. Dit controlelampje storing TPMS blijft mogelijk branden totdat de oorspronkelijke band met een bandenspanningssensor weer op spanning is gebracht en onder de auto is gemonteerd.
Als de band eenmaal op de voorgeschreven spanning is gebracht en is gemonteerd, gaan de waarschuwingslampjes lage bandenspanning en positie lage bandenspanning binnen een paar minuten na het wegrijden uit.
Ga naar een officiële Kia-dealer als de lampjes na een paar minuten niet doven.
Mogelijk kunt u de bandenspanning niet beoordelen door alleen naar de banden te kijken. Gebruik altijd een bandenspanningsmeter van een goede kwaliteit om de bandenspanning te meten. Een band die warm is (door het rijden), heeft een hogere bandenspanning dat een band die koud is (doordat deze gedurende ten minste 3 uur heeft stilgestaan of niet meer dan 1,6 km (1 mijl) heeft gereden gedurende deze periode). Laat de band afkoelen alvorens de bandenspanning te meten.
Zorg er altijd voor dat de band koud is alvorens deze op de aanbevolen spanning te brengen.
Een koude band houdt in dat de auto gedurende 3 uur heeft stilgestaan of niet meer dan 1,6 km (1 mijl) heeft gereden gedurende deze periode.
\* AANWIJZING
Gebruik geen afdichtingsmiddel als uw auto is uitgerust met een controlesysteem lage bandenspanning. Het afdichtingsmiddel kan de bandenspanningssensoren beschadigen.
WAARSCHUWING - TPMS
- Het TPMS waarschuwt niet voor ernstige en plotselinge schade aan de banden veroorzaakt door externe factoren.
- Als de auto instabiel aanvoelt, haal dan onmiddellijk uw voet van het gaspedaal en breng uw auto op een veilige plaats tot stilstand.
WAARSCHUWING
Het aanpassen, wijzigen of uitschakelen van onderdelen van het controlesysteem lage bandenspanning (TPMS) verhindert mogelijk dat de bestuurder door het systeem wordt gewaarschuwd over een te lage bandenspanning en/of storingen in het TPMS. Door het aanpassen, wijzigen of uitschakelen van onderdelen van het TPMS vervalt mogelijk de garantie voor dat deel van de auto.
WIEL VERWISSELEN BIJ EEN LEKKE BAND

Het reservewiel, de krik, de krikslinger en de wielmoersleutel zijn opgeborgen in de bagageruimte. Leg de vloerbedekking opzij om bij deze onderdelen te komen.

Verwijderen van het reservewiel
Draai de bevestigingsbout van het wiel linksom.
Plaats het wiel in omgekeerde volgorde van verwijderen.
Plaats het reservewiel en het gereedschap zorgvuldig terug om te voorkomen dat ze tijdens het rijden gaan rammelen.
Belangrijk - gebruik van het compacte reservewiel (indien van toepassing)
Uw auto is uitgerust met een compact reservewiel. Dit compacte reservewiel neemt minder ruimte in beslag dan een reservewiel van normale afmetingen. Deze band is smaller dan een conventionele band en is uitsluitend bedoeld voor tijdelijk gebruik.
OPMERKING
- Als het compacte reservewiel onder de auto gemonteerd is, moet u extra voorzichtig rijden. Het compacte reservewiel moet zo snel mogelijk weer worden vervangen door een normale band en velg.
- Afgeraden wordt de auto te gebruiken als er meer dan een compact reservewiel gemonteerd is.
WAARSCHUWING
Dit reservewiel is uitsluitend bedoeld om gebruikt te worden over ZEER korte afstanden. Leg NOOIT lange afstanden af met de auto als er een compact reservewiel gemonteerd is.
De juiste bandenspanning van het compacte reservewiel is (420 kPa) 60 psi.
\* AANWIJZING
Controleer de bandenspanning nadat het reservewiel gemonteerd is. Breng de band indien nodig op de voorgeschreven spanning.
Neem bij het gebruik van het compacte reservewiel de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:
- Rijd niet harder dan 80 km/h (50 mph); bij een hogere snelheid kan de band beschadigd raken.
- Rijd langzaam genoeg om objecten op de weg te kunnen ontwijken. Objecten als putdeksels
of afgevallen lading en andere voorwerpen, kunnen het compacte reservewiel ernstig beschadigen.
- Door het reservewiel te lang te gebruiken, kan de band beschadigd raken en kunt u de macht over het stuur verliezen en mogelijk letsel oplopen.
- Overschrijd het laadvermogen van de auto niet en overschrijd ook het draagvermogen van de reserveband dat op de zijkant van de band is aangegeven niet.
- Rijd niet over objecten heen. De diameter van het compacte reservewiel is kleiner dan die van een conventioneel wiel, waardoor de grondspeling ongeveer 25 mm (1 inch) kleiner wordt en er sneller schade aan de auto kan ontstaan.
- Maak geen gebruik van een wasstraat als het reservewiel gemonteerd is.
-
Monteer geen sneeuwketting op het reservewiel. Vanwege de kleinere afmetingen zal een sneeuwketting niet goed passen. Hierdoor kan schade aan de auto ontstaan en kan de sneeuwketting losraken.
-
Deze band mag niet op de vooras gemonteerd worden als er over sneeuw of ijs gereden moet worden.
- Gebruik dit reservewiel niet onder een andere auto omdat het speciaal ontworpen is voor uw auto.
- De levensduur van de reserveband is korter dan die van een conventionele band. Controleer uw reserveband regelmatig en vervang een versleten reserveband door een band met dezelfde maat, gemonteerd op dezelfde velg.
- Het tijdelijk reservewiel moet niet gebruikt worden onder andere auto's en er mogen geen standaardbanden, sneeuwkettingen, wieldoppen of velgringen op de velg van het tijdelijke reservewiel worden gemonteerd. Als dat wel gedaan wordt, kan er schade aan deze componenten of andere delen van de auto ontstaan.
- Gebruik niet meer dan één tijdelijk reservewiel tegelijk onder uw auto.
- Trek geen aanhanger met uw auto als het tijdelijke reservewiel is gemonteerd.
Wiel; verwisselen van
Aanwijzingen voor krikken
De krik is uitsluitend bedoeld voor het verwisselen van een wiel.
Neem de onderstaande aanwijzingen in acht om letsel te voorkomen.
WAARSCHUWING
- Verwisselen van wielen
- Verwissel een wiel nooit op de rijbaan.
- Zet de auto altijd in de berm. Plaats de krik indien mogelijk op een stevige, vlakke ondergrond. Bel de wegenwacht voor hulp wanneer u de auto niet op een veilige plek kunt plaatsen.
- Plaats de krik uitsluitend op de daartoe bestemde plaats; nooit onder de bumper of iets dergelijks.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Anders zou de krik gemakkelijk om kunnen vallen en ernstig letsel veroorzaken. Begeef u nooit onder een auto die alleen met een krik wordt ondersteund. Plaats altijd eerst extra steunen.
- Start de motor niet en laat hem niet draaien zolang de auto is opgekrikt.
- Zorg dat er niemand meer in de auto aanwezig als deze wordt opgekrikt.
- Zorg ervoor dat kinderen op een veilige afstand van de auto en van de weg worden gehouden voordat de auto wordt opgekrikt.

- Plaats de auto op een stevige en vlakke ondergrond en trek de parkeerrem stevig aan.
- Zet de versnellingspook in de achteruit (bij handgeschakelde transmissie) of de selectiehendel in stand P (bij automatische transmissie).
- Schakel de alarmknipperlichten in.

- Neem de wielmoersleutel, de krik, de krikslinger en het reservewiel uit de auto.
- Plaats wielblokken voor en achter het wiel dat zich diagonaal tegenover het te verwisselen wiel bevindt.
WAARSCHUWING - Wielen verwisselen
- Trek daarom altijd de parkeerrem volledig aan en blokkeer het wiel dat zich diagonaal tegenover het te verwisselen wiel bevindt om te voorkomen dat de auto tijdens het verwisselen van een wiel beweegt.
- Het wordt aanbevolen om blokken voor en achter de wielen te plaatsen en dat iedereen de auto verlaat voordat deze wordt opgekrikt.

- Draai de wielmoeren linksom één slag los. Verwijder deze nog niet voordat het wiel los van de grond is.

- Plaats de krik onder het steunpunt dat zich het dichtst bij het te verwisselen wiel bevindt. Plaats de krik op de aangegeven plaats onder de dorpel. De krikpunten zijn extra verstevigd en zijn herkenbaar aan de uitsparingen in de dorpelrand.
Gebruik altijd de bij de auto aanwezige krik en de juiste kriksteunpunten. Gebruik nooit andere delen van de carrosserie om de auto op te krikken. Dit om de kans op letsel te beperken.

-
Steek de krikslinger in de krik en draai de slinger rechtsom totdat het wiel net van de grond loskomt. (Ongeveer 30 mm) Controleer alvorens de wielmoeren te verwijderen of de auto stabiel staat en er geen kans bestaat dat de auto van de krik glijdt of beweegt.
-
Draai de wielmoeren verder los en verwijder ze. Schuif het wiel van de wielbouten af en leg het wiel plat neer, zodat het niet kan wegrollen. Pak het reservewiel op, breng de gaten voor de wielbouten in lijn met de wielbouten en schuif het wiel op de wielbouten. Houd het wiel iets scheef en begin met het bovenste gat in lijn te brengen met de bovenste wielbout als het niet lukt het wiel in één keer tegelijk op alle wielbouten te schuiven. Beweeg vervolgens het wiel iets heen en weer zodat het op de overige wielbouten geschoven kan worden.
WAARSCHUWING
De velgen en wieldoppen kunnen scherpe randen hebben. Ga er, om te voorkomen dat u zich bezeert, voorzichtig mee om. Controleer voor het plaatsen van het wiel of er niets (modder, teer, grind, enz.) op de wielnaaf of de velg aanwezig is dat zou kunnen voorkomen dat het wiel goed tegen de wielnaaf aanligt.
Verwijder eventuele verontreinigingen. Als het wiel niet goed tegen de wielnaaf aanligt, zouden de wielmoeren los kunnen lopen, waardoor u het wiel zou kunnen verliezen. Als u een wiel verliest, kunt u de controle over de auto kwijtraken. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.
- Druk het wiel tegen de wielnaaf aan, plaats de wielmoeren op de wielbouten en draai ze handvast. Plaats de wielmoeren met de conische kant naar de wielnaaf gericht. Beweeg het wiel heen en weer om te controleren of het wiel goed aanligt en draai de wielmoeren zo ver mogelijk met de hand aan.
- Laat de auto zakken door de wielsleutel linksom te draaien.

Plaats de wielmoersleutel vervolgens zoals in de afbeelding is aangegeven en draai de wielmoeren vast. Zorg ervoor dat de moer helemaal in de dop valt. Ga niet op de hendel staan en gebruik ook geen pijp om de hendel te verlengen. Draai de moeren om en om vast tot alle moeren vastgedraaid zijn. Controleer vervolgens elke moer nogmaals op vastzitten. Laat na het vervangen van een wiel zo snel mogelijk een officiële KIA-dealer de wielmoeren met het juiste aanhaalmoment vastzetten.
Aanhaalmoment wielmoeren:
Stalen velg en lichtmetalen velg: 9 - 11 kgm (65 - 79 lb.ft)
Verwijder het ventieldopje en controleer de bandenspanning als u de beschikking heeft over een bandenspanningsmeter. Rijd langzaam naar het dichtstbijzijnde tankstation en breng de band op de juiste spanning als de bandenspanning te laag is. Laat wat lucht uit de band lopen als de bandenspanning te hoog is. Plaats na het controleren van de bandenspanning of het op spanning brengen altijd het ventieldopje. Als het ventieldopje niet teruggeplaatst wordt, kan er lekkage ontstaan. Koop zo snel mogelijk een nieuw ventieldopje en plaats dit als u een dopje verloren bent.
Berg het wiel met de lekke band op de juiste plaats op en berg ook de krik en het gereedschap op hun oorspronkelijke plaats op.
OPMERKING
De tapeinden en de wielmoeren van uw auto zijn voorzien van metrische draad. Zorg er bij het verwisselen van een wiel voor dat dezelfde moeren gebruikt worden voor het plaatsen - of wanneer de wielen vervangen worden, moeren met dezelfde metrische draad gebruikt worden. Bij het plaatsen van een niet metrische moer op een tapeind met metrische schroefdraad of omgekeerd, zal het wiel niet op de juiste manier aan de naaf worden bevestigd en zal het tapeind beschadigd raken, waardoor deze vervangen moet worden.
Houd er rekening mee dat de meeste wielmoeren geen metrisch schroefdraad hebben. Controleer goed het type schroefdraad voordat u niet originele wielmoeren of wielen gaat plaatsen. Neem bij twijfel contact op met een officiële Kia-dealer.
WAARSCHUWING
- Tapeinden
Wanneer de tapeinden beschadigd zijn, kunnen ze het wiel niet meer goed op zijn plaats houden. Hierdoor kan het wiel losraken en een ongeval veroorzaken.
Plaats de krik, de krikslinger, de wielmoersleutel en het gereedschapsetui zorgvuldig om te voorkomen dat ze tijdens het rijden gaan "rammelen".
WAARSCHUWING
Controleer na het plaatsen van het reservewiel zo spoedig mogelijk de bandenspanning. Breng de band indien nodig op de voorgeschreven spanning. Raadpleeg hoofdstuk 8, "Specifications".
Onderhoudswerkzaamheden / 7-2
Onderhoudsschema bij normaal gebruik / 7-4, 7-10
Onderhoud bij gebruik onder zware Omstandigheden / 7-8, 7-14
Uitleg bij onderhoudsschema / 7-16
Door de eigenaar uit te voeren Onderhoudswerkzaamheden / 7-20
Motorruimte / 7-23
Motorolie / 7-25
Koelsysteem / 7-27
Remmen en koppeling / 7-30
Automatische transmissie / 7-32
Smeermiddelen en vloeistoffen / 7-34
Brandstofffilter / 7-35
Luchtfilter / 7-36
Onderhoud exterieur / 7-62
Onderhoud interieur / 7-66
ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN
Neem bij het uitvoeren van eventueel onderhoud en controles de grootst mogelijke voorzichtigheid in acht om schade aan uw auto en/of persoonlijk letsel te voorkomen.
Indien u niet zeker bent van de handelswijze die voor het onderhoud of de reparatie dient te worden gavolgd, is het raadzaam de werkzaamheden te laten verrichten door uw officiële Kia-dealer.
Een officiële Kia-dealer heeft getrainde technici in dienst, beschikt over originele Kia-onderdelen en kan daardoor het juiste onderhoud aan uw auto uitvoeren. Raadpleeg een officiële Kia-dealer voor deskundig advies en voor service van topkwaliteit.
Niet doelmatig, onvoldoende of gebrekkig onderhoud kan problemen bij het gebruik van uw auto veroorzaken, wat kan leiden tot schade aan de auto, een ongeval of persoonlijk letsel.
Verantwoordelijkheid van de eigenaar
\* AANWIJZING
Het laten uitvoeren van onderhoud en de registratie daarvan behoort tot de verantwoordelijkheid van de eigenaar:
U dient aan te kunnen tonen dat het juiste onderhoud aan uw auto is uitgevoerd overeenkomstig de voorgeschreven intervallen zoals weergegeven op de volgende bladzijden. U heeft deze informatie nodig om aanspraak te kunnen maken op de door Kia verstrekte garantie.
De garantievoorwaarden vindt u in het garantieboekje.
Reparaties en afstellingen die nodig zijn als gevolg van te weinig of verkeerd onderhoud vallen niet onder de garantie.
Wij adviseren u de auto te laten repareren en onderhouden door een officiële KIA-dealer of erkende reparateur: deze voldoen aan onze kwaliteitseisen en verlenen u service van hoge kwaliteit.
Uitzonderingen op het onderhoudsschema
Volg het "Onderhoudsschema bij normaal gebruik" wanneer de auto normaalgesproken wordt gebruikt onder andere dan de hieronder vermelde omstandigheden. Volg in de onderstaande gevallen het "Onderhoudsschema bij verzwaard gebruik".
- Veel korte ritjes.
- Rijden in extreem stoffige of zanderige gebieden.
- Intensief gebruik van het remsysteem.
- Rijden in gebieden waar veel zout of andere agressieve stoffen worden gebruikt.
- Rijden op ruwe, modderige wegen.
• Rijden in heuvelachtige gebieden. - Langdurig stationair draaien of rijden met lage toerentallen.
• Gedurende lange tijd rijden bij lage temperaturen en/of in een extreem vochtig klimaat.
- Voor meer dan 50% rijden in druk stadsverkeer bij temperaturen boven de 32°C.
Wanneer uw auto wordt gebruikt onder een van de bovenstaande omstandigheden dienen voor het controleren, vervangen en verversen kortere intervallen te worden aangehouden dan aangegeven in het "Onderhoudsschema bij normaal gebruik". Volg ook na 96 maanden of 120.000 km (80.000 mijl)-Benzinemotor/ 160.000 km (100.000 mijl))- Dieselmotor de voorgeschreven onderhoudsintervallen.
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK - BENZINEMOTOR
| ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSPUNT | Aantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt | ||||||||
| Maanden | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | 84 | 96 | |
| Mijl×1.000 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 | 60 | 70 | 80 | |
| Km×1.000 | 15 | 30 | 45 | 60 | 75 | 90 | 105 | 120 | |
| Aandrijfriemen *1 | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Motorolie en oliefilter *2 | R | R | R | R | R | R | R | R | |
| Distributieriem | Benzine 2,0L | Elke 90.000 km (60.000 mijl) of 48 maanden controleren en elke 135.000 km (90.000 mijl) of 72 maanden vervangen *3 | |||||||
| Spanrol/geleiderol | Benzine 2,0L | Controleer bij controleren of vervangen van distributieriem | |||||||
| Luchtfilter | I | I | R | I | I | R | I | I | |
| Bougies | Benzine 1,4/1,6L | R | R | ||||||
| Benzine 2,0L | R | R | R | R | |||||
| Klepspeling *4 | Elke 90.000 km (60.000 mijl) of 48 maanden controleren *3 | ||||||||
I : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
R : Vervangen of verversen.
^*1 : Stel de aandrijfriem van de dynamo en van de waterpomp en, indien van toepassing, die van de stuurbekrachtiging en de airconditioning af. Controleren en indien nodig af- of bijstellen of vervangen.
*2 : Controleer het motoroliepeil elke 500 km (350 mijl) of voor een lange reis.
* : Hij kan ook eerder vervangen worden als u toch onderhoud uitvoert aan andere onderdelen.
^*4 : Controleer op vreemde bijgeluiden en/of motortrillingen en stel indien nodig af. Laat dit doen door een officiële KIA-dealer.
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK - BENZINEMOTOR (vervolg)
| ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSPUNT | Aantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt | ||||||||
| Maanden | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | 84 | 96 | |
| Mijl×1.000 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 | 60 | 70 | 80 | |
| Km×1.000 | 15 | 30 | 45 | 60 | 75 | 90 | 105 | 120 | |
| Ontluchtingslang en tankdop | I | I | I | I | |||||
| Luchtfilter brandstoftank | I | I | R | I | I | R | I | I | |
| Vacuüm- en carterventilatieslangen | I | I | I | I | |||||
| Vacuümslang (voor EGR en smoorklephuis) | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Brandstofffilter | R | R | |||||||
| Brandstofleidingen, -slangen en aansluitingen | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Koelsysteem | Controleer het koelsysteem dagelijks op lekkage en vul indien nodig koelvloeistof bij Controleer de waterpomp bij het vervangen van de aandrijfrem of distributieriem | ||||||||
I : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
R : Vervangen of verversen.
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK - BENZINEMOTOR (vervolg)
| ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSPUNT | Aantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt | ||||||||
| Maanden | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | 84 | 96 | |
| Mijl×1.000 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 | 60 | 70 | 80 | |
| Kmx1.000 | 15 | 30 | 45 | 60 | 75 | 90 | 105 | 120 | |
| Koelvloeistof *5 | eerste keer vervangen na 90.000 km (60.000 mijl) of 60 maanden: vervolgens elke 45.000 km (30.000 mijl) of 24 maanden vervangen *3 | ||||||||
| Accutoestand | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Alle elektrische systemen | I | I | I | I | |||||
| Remleidingen, -slangen en aansluitingen | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Rempedaal, koppelingspedaal | I | I | I | I | |||||
| Parkeerrem | I | I | I | I | |||||
| Rem-/koppelingsvloeistof | I | R | I | R | I | R | I | R | |
| Remschijven en remblokken | I | I | I | I | I | I | I | I | |
I : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
R : Vervangen of verversen.
*3 : Hij kan ook eerder vervangen worden als u toch onderhoud uitvoert aan andere onderdelen.
^75 : Vul het koelsysteem alleen bij met goedgekeurde koelvloeistof en vul het koelsysteem niet bij met water. Een onjuist koelvloeistofmengsel kan storingen en schade aan de motor veroorzaken.
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK - BENZINEMOTOR (vervolg)
| ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSPUNT | Aantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt | ||||||||
| Maanden | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | 84 | 96 | |
| Mijl×1.000 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 | 60 | 70 | 80 | |
| Km×1.000 | 15 | 30 | 45 | 60 | 75 | 90 | 105 | 120 | |
| Stuurhuis, stuurstangen en stofhoezen | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Aandrijfassen en aandrijfashoezen | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Banden (spanning en profiel) | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Voorwielophanging | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Bouten en moeren van chassis en carrosserie | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Koudemiddel airconditioning (indien van toepassing) | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Aircocompressor (indien van toepassing) | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Interieurfilter (indien van toepassing) | R | R | R | R | R | R | R | R | |
| Versnellingsbakolie (indien van toepassing) | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Automatische-transmissievloeistof (indien van toepassing) | I | I | I | I | I | R | I | I | |
1 : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
R : Vervangen of verversen.
ONDERHOUD BIJ GEBRUIK ONDER ZWARE OMSTANDIGHEDEN - BENZINEMOTOR
Controleer de volgende zaken vaker wanneer de auto veelvuldig onder zware rijomstandigheden wordt gebruikt. Raadpleeg de onderstaande tabel voor de juiste onderhoudsintervallen.
R: Vervangen I : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen
| ONDERHOUDSPUNT | Onderhoudswerkzaamheden | Onderhoudsinterval | Rijomstandigheid | |
| Motorolie en oliefilter | R | Elke 7.500 km (5.000 mijl) of 6 maanden | A, B, C, D, E,F, G, H, I | |
| Luchtfilter | R | Afhankelijk van de omstandighedenvaker vervangen | C, E | |
| Bougies | R | Afhankelijk van de omstandighedenvaker vervangen | B, H | |
| Distributieriem | Benzine 2,0L | R | Elke 60.000 km (40.000 mijl) of 48 maanden | D, E, F, G |
| Versnellingsbakolie(indien van toepassing) | R | Elke 100.000 km (62.500 mijl)*1 | C, D, E, G, H, I, J | |
| Automatische-transmissievloeistof(indien van toepassing) | R | Elke 45.000 km (30.000 mijl) | A, C, E, F, G, H, I | |
| Stuurhuis, stuurstangen en stofhoezen | I | Afhankelijk van de omstandighedenvaker controleren | C, D, E, F, G | |
^*1 : Hij kan ook eerder vervangen worden als u toch onderhoud uitvoert aan andere onderdelen.
| ONDERHOUDSPUNT | Onderhoudswerkzaamheden | Onderhoudsinterval | Rijomstandigheid |
| Voorwielophanging | I | Afhankelijk van de omstandigheden vaker controleren | C, D, E, F, G |
| Schijfremmen en remblokken, remklauwen en remschijven | I | Afhankelijk van de omstandigheden vaker controleren | C, D, E, G, H |
| Parkeerrem | I | Afhankelijk van de omstandigheden vaker controleren | C, D, G, H |
| Aandrijfassen en aandrijfashoezen | I | Afhankelijk van de omstandigheden vaker controleren | C, D, E, F, G, H, I |
| Interieurfilter (indien van toepassing) | R | Afhankelijk van de omstandigheden vaker controleren | C, E |
Zware rijomstandigheden
A : Veel korte ritten
B : Langdurig stationair draaien
C : Rijden op stoffige, onverharde wegen
D : Rijden in gebieden waar veel zout of andere agressieve stoffen worden gebruikt. Of rijden onder koude weersomstandigheden
E : Rijden in een omgeving met veel zand
F : Voor meer dan 50% rijden in druk stadsverkeer bij temperaturen boven de 32°C (90°F)
G : Rijden in heuvelachtige gebieden.
H : Rijden met een aanhanger
I : Politieauto's, taxi's, bedrijfsauto's of bij het slepen van een auto
J : Rijden met snelheden boven 170 km/h (106 mph)
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK - DIESELMOTOR
| ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSPUNT | Aantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt | ||||||||
| Maanden | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | 84 | 96 | |
| Mijl×1.000 | 12,5 | 25 | 37,5 | 50 | 62,5 | 75 | 87,5 | 100 | |
| Km×1.000 | 20 | 40 | 60 | 80 | 100 | 120 | 140 | 160 | |
| Aandrijfriemen *1 | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Motorolie en oliefilter *2 | Zonder roetfilter *2 | R | R | R | R | R | R | R | R |
| Met roetfilter *3 | R | R | R | R | R | R | R | R | |
| Distributieriem | Diesel 2,0L | I | R*3 | ||||||
| Spanrol/geleiderol/demperrol | Controleren bij het vervangen van de aandrijfriem of distributieriem | ||||||||
| Luchtfilter | I | R | I | R | I | R | I | R | |
1 : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
R : Vervangen of verversen.
*1 : Stel de aandrijfriem van de dynamo en van de waterpomp en, indien van toepassing, die van de stuurbekrachtiging en de airconditioning af. Controleren en indien nodig af- of bijstellen of vervangen.
^2 : Controleer het motoroliepeil elke 500 km (350 mijl) of voor een lange reis.
^3 : Hij kan ook eerder vervangen worden als u toch onderhoud uitvoert aan andere onderdelen.
^* : Roetfilter (Catalyzed Particulate Filter)
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK - DIESELMOTOR (vervolg)
| ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSPUNT | Aantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt | ||||||||
| Maanden | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | 84 | 96 | |
| Mijl×1.000 | 12,5 | 25 | 37,5 | 50 | 62,5 | 75 | 87,5 | 100 | |
| Km×1.000 | 20 | 40 | 60 | 80 | 100 | 120 | 140 | 160 | |
| Ontluchtingsslang en tankdop | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Carterventilatieslangen | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Vacuümslang (voor EGR en smoorklephuis) | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Vacuümpomp dynamo | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Olieslang en vacuümslang dynamo | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Brandstofffilterelement *4 | Elke 30.000 km (20.000 mijl) *3 | ||||||||
| Brandstofleidingen, -slangen en aansluitingen | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Koelsysteem | Controleer het koelsysteem dagelijks op lekkage en vul indien nodig koelvloeistof bij Controleer de waterpomp bij het vervangen van de aandrijfrem of distributieriem | ||||||||
I : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
R : Vervangen of verversen.
*3 : Hij kan ook eerder vervangen worden als u toch onderhoud uitvoert aan andere onderdelen.
^*4 : Als de specificaties van de dieselbrandstof niet voldoen aan de Europese EN590-normen, vervang het filter dan vaker. Neem voor details contact op met een officiële KIA-dealer.
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK - DIESELMOTOR (vervolg)
| ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSPUNT | Aantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt | ||||||||
| Maanden | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | 84 | 96 | |
| Mijl×1.000 | 12,5 | 25 | 37,5 | 50 | 62,5 | 75 | 87,5 | 100 | |
| Kmx1.000 | 20 | 40 | 60 | 80 | 100 | 120 | 140 | 160 | |
| Koelvloeistof *5 | eerste keer vervangen na 100.000 km (62.500 mijl) of 60 maanden: vervolgens elke 40.000 km (25.000 mijl) of 24 maanden vervangen *3 | ||||||||
| Accutoestand | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Alle elektrische systemen | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Remleidingen, -slangen en aansluitingen | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Rempedaal, koppelingspedaal | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Parkeerrem | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Rem-/koppelingsvloeistof | I | R | I | R | I | R | I | R | |
| Remschijven en remblokken | I | I | I | I | I | I | I | I | |
1 : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
R : Vervangen of verversen.
^3 : Hij kan ook eerder vervangen worden als u toch onderhoud uitvoert aan andere onderdelen.
^5 : Vul het koelsysteem alleen bij met goedgekeurde koelvloeistof en vul het koelsysteem niet bij met water. Een onjuist koelvloeistofmengsel kan storingen en schade aan de motor veroorzaken.
ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK - DIESELMOTOR (vervolg)
| ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSPUNT | Aantal maanden of gereden kilometers, wat het eerst wordt bereikt | ||||||||
| Maanden | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | 84 | 96 | |
| Mijl×1.000 | 12,5 | 25 | 37,5 | 50 | 62,5 | 75 | 87,5 | 100 | |
| Km×1.000 | 20 | 40 | 60 | 80 | 100 | 120 | 140 | 160 | |
| Stuurhuis, stuurstangen en stofhoezen | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Aandrijfassen en aandrijfashoezen | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Banden (spanning en profiel) | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Voorwielophanging | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Bouten en moeren van chassis en carrosserie | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Koudemiddel airconditioning (indien van toepassing) | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Aircocompressor (indien van toepassing) | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Interieurfilter (indien van toepassing) | R | R | R | R | R | R | R | R | |
| Versnellingsbakolie (indien van toepassing) | I | I | I | I | I | I | I | I | |
I : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen.
R : Vervangen of verversen.
ONDERHOUD BIJ GEBRUIK ONDER ZWARE OMSTANDIGHEDEN - DIESELMOTOR
Controleer de volgende zaken vaker wanneer de auto veelvuldig onder zware rijomstandigheden wordt gebruikt. Raadpleeg de onderstaande tabel voor de juiste onderhoudsintervallen.
R: Vervangen I : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen
| ONDERHOUDSPUNT | Onderhoudswerkzaamheden | Onderhoudsinterval | Rijomstandigheid | |
| Motorolie en oliefilter | R | Elke 7.500 km (5.000 mijl) of 6 maanden | A, B, C, F, G,H, I, J, K, L | |
| Luchtfilter | R | Afhankelijk van de omstandighedenvaker vervangen | C, E | |
| Distributieriem | Diesel 2,0L | R | Elke 60.000 km (40.000 mijl) of 48 maanden | D, E, F, G |
| Versnellingsbakolie(indien van toepassing) | R | Elke 100.000 km (62.500 mijl) * | C, D, E, G, H, I, K | |
| Stuurhuis, stuurstangen en stofhoezen | I | Afhankelijk van de omstandighedenvaker controleren | C, D, E, F, G | |
*1 : Hij kan ook eerder vervangen worden als u toch onderhoud uitvoert aan andere onderdelen.
| ONDERHOUDSPUNT | Onderhoudswerkzaamheden | Onderhoudsinterval | Rijomstandigheid |
| Voorwielophanging | I | Afhankelijk van de omstandighedenvaker controleren | C, D, E, F, G |
| Schijfremmen en remblokken,remklauwen en remschijven | I | Afhankelijk van de omstandighedenvaker controleren | C, D, E, G, H |
| Parkeerrem | I | Afhankelijk van de omstandighedenvaker controleren | C, D, G, H |
| Aandrijfassen en aandrijfashoezen | I | Afhankelijk van de omstandighedenvaker controleren | C, D, E, F, I, G, H |
| Interieurfilter (indien van toepassing) | R | Afhankelijk van de omstandighedenvaker controleren | C, E |
Zware rijomstandigheden
A : Veel korte ritien
B : Langdurig stationair draaien
C : Rijden op stoffige, onverharde wegen
D : Rijden in gebieden waar veel zout of andere agressieve stoffen worden gebruikt. Of rijden onder koude weersomstandigheden
E : Rijden in een omgeving met veel zand
F : Voor meer dan 50% rijden in druk stadsverkeer bij temperaturen boven de 32°C (90°F)
G : Rijden in heuvelachtige gebieden.
H : Rijden met een aanhanger
I : Politieauto's, taxi's, bedrijfsauto's of bij het slepen van een auto
J : Rijden onder winterse omstandigheden
K : Rijden met snelheden boven 170 km/h (106 mph)
L : Veelvuldig korte ritten
UITLEG BIJ ONDERHOUDSSCHEMA
Motorolie en oliefilter
De motorolie moet worden ververst en het filter moet worden vervangen volgens de intervallen van het onderhoudsschema. Als er onder ongunstige omstandigheden gereden wordt, moet de olie vaker ververst en het filter vaker vervangen worden.
Aandrijfriemen
Controleer alle aandrijfriemen op tekenen van sneetjes, scheurtjes, overmatige slijtage of verzadiging met olie en vervang indien nodig. De spanning van de aandrijfriemen moet periodiek worden gecontroleerd en indien nodig worden afgesteld.
Brandstofffilter (element)
Door een verstopt filter kan de snelheid waarmee gereden kan worden, afnemen, het emissiesysteem beschadigd raken of slecht aanslaan veroorzaakt worden. Als zich in de brandstoftank te veel vuil ophoopt, dient het filter mogelijk vaker vervangen te worden.
Laat de motor na het plaatsen van een nieuw filter enkele minuten draaien en controleer de aansluitingen op lekkage. Brandstofffilters moeten worden geplaatst door een officiële KIA-dealer.
Brandstofleidingen, -slangen en aansluitingen
Controleer de brandstofleidingen, -slangen en aansluitingen op lekkage en beschadigingen. Laat een ervaren monteur beschadigde of lekkende onderdelen direct vervangen.
WAARSCHUWING
- Alleen dieselmotor
Werk nooit aan het inspuitsysteem bij draaiende motor of binnen 30 seconden na het afzetten van de motor. De hogedrukpomp, de common rail, de verstuivers en de hogedrukleidingen staan onder hoge druk, ook als de motor uit is gezet. De brandstofstraal die kan ontsnappen, kan ernstig letsel veroorzaken. Mensen die een pacemaker dragen, mogen niet dichter dan 30 cm bij de motormodule of de bedrading in de motorruimte komen als de motor draait, omdat de hoge stroomsterktes in het common rail-systeem aanzienlijke magnetische velden produceren.
Distributieriem (indien van toepassing)
Controleer alle bij de distributieriem behorende onderdelen op beschadigingen en vervormingen. Vervang beschadigde onderdelen direct.
Ontluchtingsslang en tankdop
De ontluchtingsslang en de tankdop moeten worden gecontroleerd volgens de intervallen van het onderhoudsschema. Zorg ervoor dat de ontluchtingsslang of tankdop op de juiste manier vervangen wordt.
Vacuüm- en carterventilatieslangen (indien van toepassing)
Controleer het oppervlak van de slangen op sporen van oververhitting of mechanische schade. Hard en broos rubber, barstjes, scheurtjes, sneetjes, schaafplekken en overmatig zwellen zijn tekenen van veroudering. Besteed extra aandacht aan de controle van de delen van de slang die zich het dichtst bij warme onderdelen bevinden, zoals het uitlaatspruitstuk.
Controleer de ligging van de slangen om er zeker van te zijn dat de slangen niet in contact komen met warmtebronnen, scherpe randen of bewegende delen, waardoor schade door oververhitting of mechanische slijtage kan ontstaan. Controleer of alle slangaansluitingen, zoals klemmen en koppelingen, goed vastzitten en niet lekken. Vervang slangen onmiddellijk als er sporen van veroudering of beschadigingen gevonden worden.
Luchtfilter
Geadviseerd wordt bij het vervangen van filter een origineel KIA-luchtfilter te gebruiken.
Bougies (benzinemotor)
Gebruik altijd nieuwe bougies met de juiste warmtegraad.
Klepspeling (indien van toepassing)
Controleer op vreemde bijgeluiden en/of motortrillingen en stel indien nodig af. Laat dit doen door een officiële KIA-dealer.
Koelsysteem
Controleer de onderdelen van het koelsysteem, zoals radiateur, koelvloeistofreservoir, slangen en aansluitingen op lekkage en beschadigingen. Vervang beschadigde onderdelen.
Koelvloeistof
De koelvloeistof moet worden ververst volgens de intervallen van het onderhoudsschema.
Versnellingsbakolie (indien van toepassing)
Controleer de versnellingsbakolie volgens het onderhoudsschema.
Automatische-transmissievloeistof (indien van toepassing)
Het vloeistofniveau moet in het gebied HOT van de peilstok liggen als de motor en transmissie op de normale bedrijfstemperatuur zijn. Controleer het niveau van de automatische-transmissievloeistof bij draaiende motor met de transmissie in de vrijstand en de parkeerrem goed aangetrokken.
Remleidingen en -slangen
Controleer visueel op juiste bevestiging, schaafplekken, scheurtjes, veroudering en lekkage. Vervang verouderde of beschadigde onderdelen direct.
Remvloeistof
Controleer het vloeistofniveau in het remvloeistofreservoir. Het vloeistofniveau dient zich tussen de merktekens MIN en MAX aan de zijkant van het reservoir te bevinden. Gebruik uitsluitend de voorgeschreven hydraulische remvloeistof (DOT3 of DOT4).
Parkeerrem
Controleer het parkeerremsysteem inclusief het parkeerrempedaal en de kabels.
Schijfremmen, remblokken, remklauwen en remschijven
Controleer de remblokken op overmatige slijtage, de schijfremmen op slingering en slijtage en de remklauwen op vloeistoflekkage.
Bevestigingsbouten wielophanging
Controleer of de bouten van de wielophanging goed vastzitten en niet beschadigd zijn. Draai ze met het voorgeschreven aanhaalmoment vast.
Stuurhuis, stuurstangen en stofhoezen/onderste fuseekogel
Breng de auto tot stilstand, zet de motor uit en controleer op overmatige speling in het stuurwiel.
Controleer de stuurstangen op knikken of beschadigingen. Controleer de stofhoezen en fuseekogel op veroudering, scheurtjes of beschadigingen. Vervang beschadigde onderdelen.
Aandrijfassen en aandrijfashoezen
Controleer de aandrijfassen, hoezen en klemmen op scheurtjes, veroudering of beschadigingen. Vervang beschadigde onderdelen en breng indien nodig nieuw vet aan.
Koudemiddel airconditioning (indien van toepassing)
Controleer de leidingen en aansluitingen van de airconditioning op lekkage en beschadigingen.
DOOR DE EIGENAAR UIT TE VOEREN ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN
Schema voor onderhoud uitgevoerd door eigenaar
De eigenaar of officiële Kia-dealer dient de onderstaande controles volgens het aangegeven interval uit te voeren om een veilige en betrouwbare werking van de auto te garanderen.
Neem bij bijzonderheden zo spoedig mogelijk contact op met uw dealer.
Eventuele werkzaamheden die uit deze controles voortvloeien vallen doorgaans niet onder de fabrieksgarantie en zullen, samen het arbeidsloon en eventuele onderdelen en smeermiddelen, in rekening gebracht worden. ed.
Bij het tanken:
- Controleer het motoroliepeil.
- Controleer het koelvloeistofpeil in het expansievat
WAARSCHUWING
Wees voorzichtig bij het controleren van het koelvloeistofpeil wanneer de motor warm is. Hete koelvloeistof en stoom kunnen onder druk naar buiten spuiten. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.
- Controleer het niveau van de ruitensproeiervloeistof.
- Controleer of de bandenspanning in orde is.
Tijdens het rijden:
- Let op veranderingen in het uitlaatgeluid en let erop dat u in het interieur geen uitlaatgassen ruikt.
- Controleer op trillingen in het stuurwiel. Controleer of het sturen niet zwaarder of lichter gaat dan normaal en of de rechtuitstand niet is gewijzigd.
- Controleer of de auto niet naar een kant trekt op een vlakke, rechte weg.
- Controleer bij het remmen op vreemde geluiden, naar één kant trekken, een grotere slag van het rempedaal of een "hard" rempedaal.
- Controleer als de transmissie slipt of niet normaal werkt het niveau van de automatische-transmissievloeistof.
- Controieer de werking van stand P (Park) van de automatische transmissie.
- Controleer de werking van de parkeerrem.
- Controleer onder uw auto op lekkage (na het gebruik van de airconditioning kan er een plasje water onder uw auto ontstaan; dit is een normaal verschijnsel en duidt niet op lekkage).
Maandelijks:
- Controleer het koelvloeistofniveau in het expansievat.
- Controleer de werking van alle verlichting van uw auto, inclusief de remlichten, richtingaanwijzers en alarmknipperlichten.
- Controleer de bandenspanning van alle wielen inclusief het reservewiel.
Twee keer per jaar
(in het voorjaar en in het najaar):
- Controleer de slangen van de radiateur, verwarming, intercooler, turbocompressor en airconditioning op lekkage en beschadigingen.
- Controleer de werking van de ruitenwissers en -sproeiers. Reinig de ruitenwisserbladen met een schone, met ruitensproeiervloeistof doordrenkte doek.
- Controleer de stand van de koplampen.
- Controleer de dempers, de uitlaatpijpen, de hitteschilden en de bevestigingen van de uitlaat.
- Controleer de werking van de driepuntsgordels en controleer op slijtage.
- Controleer of het profiel van de banden nog voldoende is en controleer of de wielmoeren goed zijn aangedraaid.
Eén keer per jaar:
- Reinig de afvoeropeningen aan de onderzijde van de portieren en de dorpels.
- Smeer alle portierscharnieren, slotvangers en motorkapscharnieren.
- Smeer de portier- en motorkapsloten, -vergrendelingen.
• Smeer de portierrubbers. - Controieer het airconditioningsysteem.
- Controleer en smeer het bedieningsmechanisme van de automatische transmissie.
• Reinig de accu en de occupolen. - Controleer het remvloeistofniveau.
Voorzorgsmaatregelen voor onderhoud uitgevoerd door eigenaar
Verkeerd of onvolledig onderhoud kan problemen opleveren. In dit hoofdstuk worden alleen aanwijzingen gegeven voor werkzaamheden die eenvoudig uit te voeren zijn.
Zoals eerder uitgelegd in dit hoofdstuk kunnen verschillende werkzaamheden alleen door een gekwalificeerde monteur worden uitgevoerd die de beschikking heeft over speciaal gereedschap.
\* AANWIJZING
Het verkeerde onderhoud door de eigenaar tijdens de garantieperiode kan ertoe leiden dat de garantie vervalt. Lees voor details het bij de auto geleverde Kia-garantieboekje. Laat in twijfelgevallen het onderhoud altijd uitvoeren door een officiële Kia-dealer.
WAARSCHUWING
- Onderhoudswerkzaamheden
- Het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan een auto kan gevaarlijk zijn. Bij sommige onderhoudsprocedures kunt u ernstig verwond raken. Laat het werk uitvoeren door een gekwalificeerde monteur wanneer u niet over voldoende kennis en ervaring of over het juiste gereedschap beschikt.
- Werkzaamheden uitvoeren onder de motorkap terwijl de motor draait is gevaarlijk. Het is zelfs nog gevaarlijker wanneer u sieraden of losse kieding draagt. Zij kunnen verstrikt raken in de draaiende onderdelen en letsel veroorzaken. Zorg er daarom voor dat u alle sieraden afdoet (vooral ringen, armbanden, horloges en halskettingen) en losse kleding verwijdert voordat u bij een draaiende motor onder de motorkap in de buurt van de motor of de koelventilators komt.
WAARSCHUWING
- Alleen dieselmotor
Werk nooit aan het inspuitsysteem bij draaiende motor of binnen 30 seconden na het afzetten van de motor. De hogedrukpomp, de common rail, de verstuivers en de hogedrukleidingen staan onder hoge druk, ook als de motor uit is gezet. De brandstofstraal die kan ontsnappen, kan ernstig letsel veroorzaken. Mensen die een pacemaker dragen, mogen niet dichter dan 30 cm bij de motormodule of de bedrading in de motorruimte komen als de motor draait, omdat de hoge stroomsterktes in het common rail-systeem aanzienlijke magnetische velden produceren.
MOTORRUIMTE
■ 1,4L/1,6L Benzinemotor

Controle van het motoroliepeil
- Controleer of de auto horizontaal staat.
- Start de motor en laat deze op de normale bedrijfstemperatuur komen.
-
Zet de motor uit en wacht ongeveer 5 minuten zodat de olie naar het carter terug kan lopen.
-
Trek de peilstok uit de houder, veeg hem schoon en steek hem weer geheel in de houder.
Wees voorzichtig met de radiateurslang tijdens het controleren of bijvullen van de motorolie. Deze kan namelijk nog zo warm zijn, dat u zich eraan kunt branden.
- Trek de peilstok opnieuw uit de houder en controleer het peil. Het peil moet zich ergens tussen F en L bevinden.

Als het peil zich bij of op de L bevindt, moet u olie bijvullen tot de F. Vui niet te veel olie bij.
Gebruik alleen de voorgeschreven motorolie. (Raadpleeg "Aanbevolen smeermiddelen" verderop in dit hoofdstuk 8.)
Motorolie verversen en filter vervangen
Laat de motorolie verversen en het filter vervangen door een officiële KIA-dealer overeenkomstig het in het begin van dit hoofdstuk beschreven onderhoudsschema.
WAARSCHUWING
Gebruikte motorolie kan irritatie of huidkanker veroorzaken indien de huid langdurig in contact komt met de olie. De stoffen die in gebruikte motorolie aanwezig zijn, hebben bij laboratoriumproeven geleid tot kanker bij proefdieren. Was uw handen zorgvuldig met zeep en warm water als ze in contact zijn geweest met gebruikte motorolie.
KOELSYSTEEM
Het hogedruk-koelsysteem is voorzien van een reservoir dat gevuld is met een koelvloeistof die ook voldoende bescherming biedt tegen bevriezing. Het reservoir is in de fabriek gevuld.
Controleer de vorstbescherming en het koelvloeistofpeil ten minste één keer per week, aan het begin van het winterseizoen en voordat u naar een kouder klimaat reist.
Koelvloeistofpeil controleren
WAARSCHUWING - Losdraaien van de radiateurdop
- Verwijder de radiateurdop nooit terwijl de motor draait of nog een hoge temperatuur heeft. Daardoor kan er schade aan het koelsysteem en de motor ontstaan; bovendien kunt u ernstig letsel oplopen doordat er hete koelvloeistof of stoom ontsnapt.
- Zet de motor uit en wacht tot deze is afgekoeld. Zelis dan dient u uiterst voorzichtig te zijn bij het verwijderen van de radiateurdop. Wikkel een dikke doek rond de dop en draai hem voorzichtig linksom tot de eerste aanslag. Ga een stukje achteruit wanneer de druk van het koelsysteem af gaat.
(Vervolg)
(Vervolg)
Pas als u zeker weet dat er geen overdruk meer is, drukt u de dop met de doek in en draait u hem verder linksom om hem te verwijderen.
- Verwijder de radiateurdop of de aftapplug niet als de motor en de radiateur nog heet zijn, zelfs niet als de motor niet loopt. Er kan nog steeds hete koelvloeistof en stoom ontsnappen, waardoor er ernstig letsel kan ontstaan.

Controleer de toestand en de aansluitingen van alle slangen van het koelsysteem en van de verwarming. Vervang beschadigde en slechte slangen.
Het koelvloeistofpeil in het expansievat dient tussen de merktekens F en L of MAX en MIN te liggen als de motor koud is.
Vul als het niveau laag is voldoende voorgeschreven koelvioeistof bij om het systeem tegen vorst en corrosie te beschermen. Vul bij tot de F, maar vul niet te veel bij. Neem contact op met een officiële Kia-dealer indien u het reservoir regelmatig moet bijvullen.
Aanbevolen koelvloeistof
Ververs de koelvloeistof volgens het onderhoudsschema.
- Gebruik alleen gedemineraliseerd of gedestilleerd water.
- De motor van uw auto heeft aluminium onderdelen. Gebruik daarom een koelvloeistof op ethyleen-glycolbasis ter voorkoming van corrosie en bevriezing.
- Gebruik GEEN koelvloeistof op ethanol- of methanol-basis; meng ook geen ethanol- of methanol-antivries met de voorgeschreven koelvloeistof.
- Gebruik geen mengsel met meer dan 60% of minder dan 35% antivries; in dat geval is een optimale koelende werking niet gewaarborgd.
Zie de volgende tabel voor de mengverhouding.
| Buitentemperatuur | Mengverhouding (hoeveelheid) | |
| Antivries | Water | |
| -15°C | 35 | 65 |
| -25°C | 40 | 60 |
| -35°C | 50 | 50 |
| -45°C | 60 | 40 |

WAARSCHUWING
Verwijder bij een warme motor en radiateur de radiateurdop niet. Hete koelvloeistof en stoom kunnen onder druk naar buiten spuiten. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.
Koelvloeistof verversen
Laat de koelvloeistof verversen door een officiële KIA-dealer overeenkomstig het in het begin van dit hoofdstuk beschreven onderhoudsschema.
OPMERKING
Leg een flinke doek rond de vuopening om te voorkomen dat als er gemorst wordt, koelvloeistof terechtkomt of de dynamo of andere onderdelen van de motor.
REMMEN EN KOPPELING (INDIEN VAN TOEPASSING)

Rem en koppeling; controleren van vloeistofpeil
Controleer regelmatig het niveau in het remvloeistofreservoir. Het vloeistofniveau dient zich tussen de merktekens MAX en MIN aan de zijkant van het reservoir te bevinden. Reinig het gebied rondom de dop van het reservoir grondig alvorens de dop te verwijderen en vloeistof bij te vullen om te voorkomen dat deze vervuild raakt.
Vul vloeistof bij tot aan het merkteken MAX wanneer het niveau te laag is. Het niveau van de remvloeistof zal na verloop van tijd dalen. Dit is normaal en wordt veroorzaakt door het slijten van de remblokken. Laat het remsysteem controleren door een officiële Kia-dealer wanneer het peil erg laag is.
Gebruik alleen de voorgeschreven rem- en koppelingsvloeistof. (Raadpleeg "Aanbevolen smeermiddelen" verderop in dit hoofdstuk 8.)
Meng nooit verschillende soorten vloeistof door elkaar.
WAARSCHUWING
Als u het remvloeistofreservoir regelmatig moet bijvullen, moet u de auto laten controleren door een officiële Kia-dealer.
WAARSCHUWING
Wees voorzichtig bij het vervangen of bijvullen van remen koppelingsvloeistof. Zorg ervoor dat de vloeistof niet in contact komt met uw ogen. Spoel uw ogen direct met een ruime hoeveelheid leidingwater wanneer u rem- en koppelingsvloeistof in uw ogen krijgt. Laat uw ogen zo snel mogelijk onderzoeken door een dokter.
OPMERKING
Zorg ervoor dat rem- en koppelingsvloeistof niet in contact komt met het lakwerk van de auto. De lak kan hierdoor beschadigen. De kwaliteit van een rem- en koppelingsvloeistof die gedurende lange tijd blootgesteld is aan de buitenlucht kan niet gegarandeerd worden. Gebruik het juiste type vloeistof. Slecht een paar druppels minerale olie, bijvoorbeeld motorolie, in het remsysteem kunnen de onderdelen van het systeem beschadigen.
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING)

Het peil van de automatische-transmissievloeistof moet regelmatig gecontroleerd worden.
Zorg er voor dat de auto horizontaal staat en dat de parkeerrem is aangetrokken. Controleer het vloeistofpeil als volgt:
- Zet de selectiehendel in stand N en laat de motor stationair draaien.
- Laat de transmissie op bedrijfstemperatuur (vloeistof-temperatuur 70 - 80°C) komen, door bijvoorbeeld 10 minuten te rijden, beweeg de selectiehendel een keer door alle standen en zet deze vervolgens in stand N of P.

- Controleer of het vloeistofpeil zich in het gebied HOT van de peilstok bevindt. Als het vloeistofpeil lager is, vul dan de voorgeschreven vloeistof bij via de vulopening. Als het vloeistofpeil hoger is, tap dan vloeistof af via de aftapopening.
- Als het vloeistofpeil koud (vloeistoftemperatuur 20 - 30°C) wordt gecontroleerd, vul dan vloeistof bij tot de lijn COLD en controleer het vloeistofpeil opnieuw op de manier zoals in stap 2 is aangegeven.
WAARSCHUWING
Het niveau van de transmissievloeistof dient te worden gecontroleerd als de motor op de normale bedrijfstemperatuur is. Dit betekent dat de motor, de radiateur, de radiateurslang, het uitlaatsysteem, enz. erg heet zijn. Let goed op dat u bij deze procedure geen brandwonden oploopt.
OPMERKING
- Een te laag vloeistofpeil kan slippen van de transmissie veroorzaken. Een te hoog peil kan schuimvorming, verlies van vloeistof en storingen in de transmissie veroorzaken.
- Het gebruik van andere dan de voorgeschreven vloeistof kan storingen en defecten in de transmissie veroorzaken.
WAARSCHUWING
- Parkeerrem
Zet de parkeerrem vast en trap het rempedaal in bij het verplaatsen van de selectiehendel om te voorkomen dat de auto onverwachts in beweging komt.
\* AANWIJZING
Gebruik het merkteken COLD (C) alleen als een ruwe schatting en NIET om het niveau van de automatische-transmissievloeistof vast te stellen.
\* AANWIJZING
Nieuwe automatische-transmissievloeistof is rood van kleur. De rode kleurstof is toegevoegd door de fabrikant en dient om de automatische-transmissievloeistof te kunnen onderscheiden van motorolie en antivries. Alhoewel de kleurstof na verloop van tijd niet meer zichtbaar is, zegt dit niets over de kwaliteit van de vloeistof. Door het rijden, wordt de automatische-transmissievloeistof donkerder. De kleur wordt uiteindelijk lichtbruin. Laat de automatische-trausmissievloeistof overeenkomstig het in het begin van dit hoofdstuk beschreven onderhoudsschema verversen door een officiële Kia-dealer.
Verversen van de automatische-transmissievloeistof
Laat de automatische-transmissievloeistof verversen door een officiële KIA-dealer overeenkomstig het in het begin van dit hoofdstuk beschreven onderhoudsschema.
SMEERMIDDELEN EN VLOEISTOFFEN

Controleren van vloeistofniveau ruitensproeier
Het reservoir is transparant, zodat het niveau snel visueel kan worden gecontroleerd.
Controleer het vloeistofpeil in het sproeierreservoir en vul indien nodig vloeistof bij. Als u geen ruitensproeiervloeistof bij de hand heeft, kunt u het reservoir bijvullen met gewoon water. Gebruik in koude klimaten echter speciale ruitensproeiervloeistof om bevriezing te voorkomen.
WAARSCHUWING
- Gebruik geen koelvloeistof of antivries in het sproeierreservoir.
- Koelvloeistof kan het zicht ernstig belemmeren wanneer dit op de voorruit terechtkomt waardoor u de macht over de auto kunt verliezen of de lak beschadigd kan raken.
- Ruitensproeiervloeistof bevat alcohol en kan onder bepaalde omstandigheden licht ontvlambaar zijn. Houd open vuur en vonken uit de buurt van de ruitensproeiervloeistof en het sproeierreservoir. De auto kan beschadigd raken en de inzittenden kunnen letsel oplopen.
- Ruitensproeiervloeistof is giftig voor mensen en dieren. Drink geen ruitensproeiervloeistof en vermijd contact met ruitensproeiervloeistof. Hierdoor kan ernstig letsel ontstaan.
Smeren van carrosseriedelen
Alle bewegende delen van de carrosserie, zoals scharnieren van portieren, achterklep en motorkap en sloten dienen telkens als de motorolie wordt ververst, te worden gesmeerd. Gebruik bij koud weer een smeermiddel dat bevriezen van de sloten voorkomt.
Zorg ervoor dat de veiligheidshaak de motorkap tegenhoudt wanneer deze ontgrendeld is.
BRANDSTOFFILTER (DIESEL)
De waterafscheider vangt het water uit de brandstof op.
Het waarschuwingslampje gaat branden wanneer het contact in stand ON staat en water zich in de waterafscheider verzameld heeft.

Laat de auto controleren en het water aftappen door een officiële Kia-dealer als het waarschuwingslampje gaat branden.
OPMERKING
Als het water in de afscheider niet of niet vaak genoeg wordt afgetapt, kan er schade ontstaan aan belangrijke onderdelen doordat er water in het brandstofffilter komt.

Als u doorgereden bent totdat de tank leeg was, of als het brandstofffilter vervangen is, zorg er dan voor dat er vanuit de brandstoftank brandstof in het filter gepompt wordt, omdat de motor anders moeilijk start.
-
Verwijder de ontluchtingsdop op het brandstofffilter.
-
Pomp op en neer tot er brandstof uit de opening komt.
\* AANWIJZING
• Vang de brandstof bij het ontluchten op met een doekje.
- Reinig de brandstof rondom het brandstofffilter en de inspuitpomp vóór het starten van de motor, om brand te voorkomen.
- Controleer ten slotte of er nergens brandstof lekt.
LUCHTFILTER

Vervang het filterelement indien nodig.

- Neem de bevestigingsclips los om het luchtfilterdeksel te verwijderen.

-
Vervang het luchtfilter.
-
Bevestig het deksel met de bevestigingsclips.
Vervang het filter overeenkomstig het onderhoudsschema.
Vervang het element vaker dan in het onderhoudsschema is aangegeven als de auto wordt gebruikt in gebieden met zeer veel stof of zand. (Raadpleeg "Onderhoudsschema bij gebruik onder zware omstandigheden" in dit hoofdstuk.)
Z OPMERKING
- Rijd niet met de auto wanneer het luchtfilter verwijderd is; hierdoor kan de motor overmatig slijten.
- Zorg er om schade aan de motor te voorkomen voor dat bij het verwijderen van het luchtfilter geen stof en vuil in de luchtinlaat komen.
- Gebruik een origineel KIA-onderdeel. Door het gebruik van niet-originele KIA-onderdelen kan de luchtmassameter of de turbocompressor beschadigd raken.
INTERIEURFILTER AIRCONDITIONING (INDIEN VAN TOEPASSING)

Het interieurfilter, dat achter het dashboardkastje gemonteerd is, filtert de lucht die via het verwarmings- en airconditionings- systeem naar het interieur wordt gevoerd. Als het filter in de loop van de tijd verstopt raakt door stof en andere verontreinigingen, neemt de luchttoevoer via de uitstroomopeningen af en kan de voorruit aan de binnenzijde beslaan, ook al is de stand BUITENLUCHT gekozen. Laat, als dat het geval is, het interieurfilter vervangen door een officiële Kia-dealer.
Het interieurfilter moet elke 15.000 km vervangen worden. Als er veelvuldig met de auto gereden wordt in druk stadsverkeer of een stoffige omgeving, moet het filter vaker worden gecontroleerd en zo nodig worden vervangen. Als u als eigenaar het filter zelf wilt vervangen, volg dan onderstaande procedure en let erop geen andere onderdelen te beschadigen.

Vervangen van filter
- Verwijder bij een geopend dashboardkastje de nokken aan beide zijden zodat het dashboardkastje alleen nog maar aan zijn scharnieren hangt.

- Open de klep van het dashboardkastje gedeeltelijk, trek het elastiekkoord uit de klep en duw de borgclip door het gat aan de zijkant van het dashboardkastje. Open het dashboardkastje volledig.

- Trek de haken van het interieurfilterhuis uit het afdekkapje.

- Vervang het interieurfilter.
- Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde van verwijderen.
\* AANWIJZING
Plaats het nieuwe interieurfilter op de juiste manier.
Als het filter is omgekeerd, zal het systeem veel lawaai produceren en zal het filter minder effectief zijn.
RUITENWISSERBLADEN
Onderhoud van ruitenwisserbladen
\* AANWIJZING
In de handel verkrijgbare hot wax zoals gebruikt in automatische wasserettes bemoeilijkt het reinigen van de voorruit.
Verontreiniging van de voorruit of de ruitenwisserbladen door bepaalde substanties kan het effect van de ruitenwissers verminderen. Bekende vormen van verontreiniging zijn insecten, sap van bomen en hot wax-behandelingen gebruikt in sommige automatische wasserettes. Indien de bladen niet goed wissen, reinig dan zowel de ruit als de bladen met een goed schoonmaakmiddel of een zacht reinigingsmiddel en spoel grondig na met schoon water.
OPMERKING
Gebruik geen benzine, petroleum, thinner of andere oplosmiddelen in de buurt van de ruitenwisserbladen om beschadiging te voorkomen.
Vervangen van ruitenwisserbladen
Als de ruitenwissers de ruit niet langer goed schoonmaken, kan het zijn dat ze versleten of gescheurd zijn en dienen ze te worden vervangen.
Z OPMERKING
Probeer de ruitenwissers nooit met de hand te bewegen om beschadiging van de ruitenwisserarmen en van andere onderdelen te voorkomen.
Z OPMERKING
Het gebruik van niet- voorgeschreven ruitenwisser- bladen kan storingen en problemen veroorzaken.

-
Zet het contact uit en verwijder de sleutel.
-
Druk de bedieningsschakelaar gedurende ten minste 2 seconden naar beneden naar de stand voor een enkele wisbeweging. De ruitenwisserbladen bewegen niet meer omhoog. (indien van toepassing)

- Trek de ruitenwisserarm omhoog en klap het ruitenwisserblad om zodat de kunststof vergrendeling zichtbaar wordt.

-
Druk de vergrendeling in en schuif het wisserblad omhoog.
-
Haak het wisserblad uit de ruitenwisserarm.

-
Plaats het ruitenwisserblad door deze vast te klikken.
-
Zet de ruitenwisserarm in de juiste positie terug.
\* AANWIJZING
Laat de ruitenwisserarm niet tegen de voorruit klappen.

Vervangen van het achterruitenwisserblad (indien van toepassing)
- Trek de ruitenwisserarm omhoog en verwijder het ruitenwisserblad.

- Plaats het nieuwe ruitenwisserblad door het middelste deel in de opening van de ruitenwisserarm te steken tot het ruitenwisserblad vastklikt.
- Controleer of het ruitenwisserblad goed vastzit door er lichtjes aan te trekken.
- Zet de ruitenwisserarm in de juiste positie terug.
ACCU

Voor een optimale werking van de accu:
- Zorg ervoor dat de accu altijd goed vastzit.
- Houd de bovenzijde van de accu schoon en droog.
- Houd de accupolen en de accupoolklemmen schoon, zorg ervoor dat ze goed vastzitten en bescherm ze met vaseline.
- Spoel gemorst elektrolyt direct af met een oplossing van water en natriumbicarbonaat (dubbel koolzure soda).
- Neem de accukabels los als u de auto gedurende een langere periode niet gaat gebruiken.
WAARSCHUWING
- Gevaren accu

Lees de volgende aanwijzingen voor het omgaan met de accu zorgvuldig door.

Houd brandende sigaretten, vonken en open vuur uit de buurt van de accu.

Er bevindt zich altijd wat van het zeer licht ontvlambare waterstof in de accucellen. Dit kan ontploffen.

Houd accu's buiten bereik van kinderen, aangezien accu's het zeer agressieve zwavelzuur bevatten. Laat accuzuur niet in contact komen met uw huid, uw ogen, kleding en de lak van de auto.
(Vervolg)
(Vervolg)

Spoel uw ogen gedurende tenminste 15 minuten en roep onmiddellijk medische hulp in wanneer u elektrolyt in uw ogen krijgt. Blijf, indien mogelijk, spoelen met water totdat medische hulp gearriveerd is.
Was uw huid grondig wanneer deze in aanraking komt met elektrolyt. Roep onmiddellijk medische hulp in wanneer u pijn of een brandend gevoel heeft.

Draag een veiligheidsbril tijdens het opladen van en het werken in de buurt van accu's. Zorg altijd voor ventilatie wanneer in een afgesloten ruimte wordt gewerkt.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Bij het optillen van een accu met een kunststof behuizing kan door de druk accuzuur naar buiten komen, waardoor persoonlijk letsel optreedt. Houd bij het optillen uw handen aan de zijkant van de accu.
- Laad nooit een accu bij terwijl de accukabels nog aangesloten zijn.
- Het ontstekingssysteem werkt met hoogspanning. Raak de onderdelen van de ontsteking niet aan als de motor draait of het contact in stand ON staat.
Accu; laden van
Uw auto is uitgerust met een onderhoudsvrije accu.
- Laad de accu gedurende 10 uur met behulp van een druppellader wanneer de accu in een kort tijd leeggeraakt is (doordat bijv. lampen of interieurverlichting zijn blijven branden terwijl de motor uit was).
- Wanneer de accu geleidelijk ontladt door een hoge elektrische belasting tijdens het rijden, moet deze gedurende 2 uur met een stroomsterkte van 20 - 30 A opgeladen worden.

WAARSCHUWING
- Laden van de accu
Neem bij het laden van de accu de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:
- De accu moet uit de auto worden verwijderd en in een goed geventileerde ruimte geplaatst worden.
- Houd sigaretten, vonken en open vuur uit de buurt van de accu.
- Houd de accu tijdens het laden in de gaten; beëindig het laden of wijzig de laadstroom wanneer het elektrolyt in de cellen begint te borrelen of de temperatuur van het elektrolyt hoger dan 49°C (120°F) wordt.
- Draag een veiligheidsbril wanneer u de accu tijdens het opladen controleert.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Neem de acculader in de onderstaande volgorde los.
- Zet de hoofdschakelaar van de acculader uit.
- Neem de klem los van de minpool.
- Neem de klem los van de pluspool.
WAARSCHUWING
- Schakel vóór het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan de accu of het laden van de accu alle elektrische verbruikers uit en zet de motor af.
- Neem de minkabel van de accu altijd eerst los en sluit de minkabel van de accu altijd als laatste weer aan.
Te resetten onderdelen nadat de accu is ontladen of na het weer aansluiten van de accukabels.
- Automatische ruitbediening (zie hoofdstuk 3)
• Schuif-/kanteldak (zie hoofdstuk 3)
• Boordcomputer (zie hoofdstuk 4) - Verwarmings- en ventilatiesysteem (zie hoofdstuk 4)
• Klok (zie hoofdstuk 3, 4)
• Audio (zie hoofdstuk 3)
BANDEN EN WIELEN
Onderhoud van de banden
Voor uw veiligheid, een maximale levensduur van de banden en een zo laag mogelijk brandstofverbruik, dient u de banden steeds op de aanbevolen spanning te houden en dient u het totaalgewicht en de maximale asbelasting niet te overschrijden.
Bandenspanning
De spanning van de banden (inclusief het reservewiel) dient dagelijks bij koude banden gecontroleerd te worden. 'Koude banden' wil zeggen dat er de laatste drie uur niet met de auto is gereden of niet meer dan 1,6 km (1 mijl).
Voor optimale rijeigenschappen, een optimale wegligging en een zo laag mogelijke bandenslijtage dient u de banden op de aanbevolen spanning te houden.

Alle specificaties (afmetingen en spanningen) vindt u op een label op de dorpel bij het bestuurdersportier.
WAARSCHUWING
Een te lage bandenspanning (meer dan 0,7 bar te laag) leidt tot een enorme warmteontwikkeling, vooral bij hoge buitentemperaturen en hoge snelheden. Hierdoor is het mogelijk dat het profiel vervormt of dat andere bandafwijkingen optreden, waardoor u de controle over de auto kunt verliezen en ernstig letsel oploopt.
Z OPMERKING
- Wanneer banden warm zijn, zal de bandenspanning normaalgesproken 0,3 tot 0,4 bar hoger zijn dan wanneer ze koud zijn. Laat om de banden op de juiste spanning te brengen geen lucht ontsnappen uit warme banden. Hierdoor zal de bandenspanning te laag worden.
- Een te lage bandenspanning resulteert in overmatige slijtage, slechte rijeigenschappen, een verhoogd brandstofverbruik en vergroot de kans op een klapband doordat de banden te warm worden. Bovendien kan door een te lage bandenspanning ongelijkmatige slijtage van de banden ontstaan. Wanneer de bandenspanning extreem laag is, kan de band vervormen en/of van de velg aflopen. Houd de banden daarom op de juiste spanning. Laat een band controleren door een officiële Kia-dealer wanneer er regelmatig lucht bij moet.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Een te hoge bandenspanning heeft een negatieve invloed op het rijcomfort en de rijeigenschappen en zorgt voor een verhoogde slijtage in het midden van het loopvlak. Bovendien bestaat er een grotere kans op beschadiging door oneffenheden in het wegdek.
- Vergeet niet de ventieldopjes terug te plaatsen. Zonder het ventieldopje kan er vuil en vocht in het ventiel komen, waardoor lucht kan ontsnappen. Zorg bij verlies van een ventieldopje zo snel mogelijk voor een nieuw exemplaar.
WAARSCHUWING
- Bandenspanning
Een te hoge of een te lage bandenspanning reduceert de levensduur van de banden, beïnvloedt de rijeigenschappen van de auto in negatieve zin en kan tot onverwachte bandproblemen leiden. Hierdoor bestaat de kans dat u de macht over de auto verliest.
OPMERKING
- Bandenspanning
Let altijd op het volgende:
- Controleer de bandenspanning bij koude banden. (Nadat er de laatste drie uur niet met de auto is gereden of niet meer dan 1,6 km.)
- Controleer ook altijd de spanning van het reservewiel.
- Overschrijd het laadvermogen van de auto niet. Plaats niet te veel bagage op het roof rack als uw auto hiermee is uitgerust.
- Versleten, oude banden kunnen ongelukken veroorzaken. Vervang een band als het profiel erg versleten is of als de band beschadigd is.
Controleren bandenspanning
Controleer de bandenspanning minstens eenmaal per maand.
Controleer ook de spanning van het reservewiel.
Controle
Gebruik een goed kwaliteit meter om de bandenspanning te meten. Het is onmogelijk de bandenspanning te beoordelen door alleen naar de banden te kijken. Radiaalbanden lijken ook op de juiste spanning te zijn als de bandenspanning te laag is.
Controleer de bandenspanning bij koude banden. - "Koude" banden wil zeggen dat er de laatste drie uur niet met de auto is gereden of niet meer dan 1,6 km.
Verwijder de ventieldop. Druk de bandenspanningsmeter stevig op het ventiel om de spanning te meten. Als de bandenspanning overeenkomt met de aanbevolen druk op de band en het informatielabel, hoeft hij niet te worden aangepast. Corrigeer de bandenspanning tot het aanbevolen niveau als de spanning te laag is.
Druk als de bandenspanning te hoog is het metalen pennetje in het midden van het ventiel in om lucht uit de band te laten lopen. Controleer de bandenspanning opnieuw met de bandenspanningsmeter. Plaats de ventieldopjes altijd terug op de ventielen. Ze zorgen ervoor dat er geen vuil of vocht in de ventielen terechtkomt waardoor er lekken kunnen ontstaan.
Wielen; onderling verwisselen
Om de banden zo gelijkmatig mogelijk te laten slijten wordt aangeraden de wielen iedere 12.000 km (7.500 mijl) of eerder, indien het slijtagepatroon daartoe aanleiding geeft, te verwisselen.
Controleer bij het verwisselen van de wielen tevens de balans.
Controleer de banden bij het verwisselen van de wielen op ongelijkmatige slijtage en beschadigingen. Abnormale slijtage wordt meestal veroorzaakt door een onjuiste bandenspanning, een onjuiste wieluitlijning, onbalans, veelvuldig hard remmen en snelle bochten. Controleer het profiel en de zijkant van de band op zwellingen. Vervang de band wanneer u dit aantreft. Vervang de band ook wanneer het canvas of de koordlagen zichtbaar zijn. Breng na het verwisselen van de wielen de banden op de juiste spanning en controleer of de wielmoeren vastzitten.
Raadpleeg hoofdstuk 8, "Specificaties".
Met een volwaardig reservewiel

CBGQ0706
Zonder reservewiel

CBGQ0707
Banden met een specifieke draairichting (indien van toepassing)

CBGQ0707A
Controleer bij het verwisselen van de wielen tevens de remblokken op slijtage.
\* AANWIJZING
Verwissel radiaalbanden met een asymmetrisch profiel alleen van voren naar achteren en niet van links naar rechts.
WAARSCHUWING
- Gebruik het reservewiel niet voor het roteren van de wielen
- Gebruik nooit diagonaal- en radiaalbanden door elkaar. Anders kan de auto moeilijker onder controle te houden zijn, wat kan leiden tot ernstig letsel of schade aan de auto.

Banden vervangen
Als de band gelijkmatig afgesleten is verschijnt de slijtage-indicator als een onderbroken lijn door het loopvlak. Dit geeft aan dat er minder dan 1,6 mm (1/16 inch) profieldikte op de band aanwezig is. Vervang in dat geval de band.
Wacht niet met het vervangen van de band totdat de slijtage-indicator over de gehele profielbreedte zichtbaar is.
Uitlijnen en balanceren van de wielen
De wielen van uw auto zijn af fabriek zorgvuldig uitgelijnd en gebalanceerd voor een lange levensduur van de banden en optimale prestaties.
Normaalgesproken is het niet nodig de wielen nogmaals uit te lijnen. In het geval de banden van uw auto echter abnormale slijtage vertonen of als de auto naar een kant trekt, kan het zijn dat de auto opnieuw moet worden uitgelijnd.
Wanneer de auto tijdens het rijden op een vlakke weg trilt, kan het zijn dat de wielen opnieuw moeten worden gebalanceerd.
OPMERKING
De verkeerde balanceergewichtjes kunnen de lichtmetalen velgen van uw auto beschadigen.
Gebruik alleen goedgekeurde balanceergewichtjes.
WAARSCHUWING
- Gebruik bij het vervangen van banden nooit radiaalbanden en diagonaalbanden door elkaar. Alle vier de banden moeten dezelfde afmetingen, constructie en hetzelfde profiel hebben. Combineer uitsluitend banden die aanbevolen worden op het label onder de slotplaat van het bestuurdersportier. Overtuig u ervan dat alle banden en velgen dezelfde maat en hetzelfde draagvermogen hebben. Combineer uitsluitend banden en velgen die aanbevolen worden op het label of door een officiële Kia-dealer. Het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregelen kan de veiligheid en de rijeigenschappen van uw auto nadelig beïnvloeden.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Als er andere banden gemonteerd worden, kunnen de rijeigenschappen, het comfort, de bodemspeling, de speling tussen band en wielkast en de kalibratie van de snelheidsmeter negatief beïnvloed worden.
- Rijden met versleten banden is bijzonder gevaarlijk; versleten banden hebben een negatieve invloed op de remwerking, de besturing en de tractie.
- Het is het beste om alle vier de banden gelijktijdig te vervangen. Vervang als dit niet mogelijk of nodig is alleen de twee voor- of achterbanden. De rijeigenschappen van de auto kunnen ernstig beïnvloed worden wanneer slechts één band wordt vervangen.
Band compact reservewiel vervangen
(indien van toepassing)
De levensduur van de band van een compact reservewiel is korter dan die van een conventionele band. Vervang de band van het compacte reservewiel als de slijtage-indicatoren zichtbaar zijn. De nieuwe band voor het compacte reservewiel moet dezelfde maat hebben en van hetzelfde type zijn als de oorspronkelijke band, en dient op de velg van het originele compacte reservewiel te worden geplaatst. De band voor het compacte reservewiel is niet ontworpen voor normale velgen, en de velg van het compacte reservewiel is niet ontworpen voor normale banden.
Velgen; vervangen van
Als u om de een of andere reden de velgen wilt vervangen, dient u erop te letten dat de nieuwe velgen gelijkwaardig zijn aan de originele velgen voor wat betreft diameter, velgbreedte en offset (wielbolling).
WAARSCHUWING
Een velg van de verkeerde maat heeft een negatieve invloed op de levensduur van de velg en van het wiellager, de remweg, de rijeigenschappen, de grondspeling, de speling tussen band en carrosserie, de speling bij het gebruik van sneeuwkettingen, de kalibratie van de snelheidsmeter, de koplampafstelling en de bumperhoogte.
Grip
De grip van de banden kan verslechteren als de banden versleten zijn of niet op de juiste spanning zijn, of als u op een glad wegdek rijdt. Banden moeten worden vervangen als de slijtage-indicatoren zichtbaar zijn. Pas uw snelheid aan als er regen, sneeuw of ijzel op de weg ligt om de kans te verkleinen dat u de controle over de auto verliest.
Onderhoud van banden
Naast een juiste bandenspanning, draagt een juiste wieluitlijning bij tot het beperken van de bandenslijtage. Laat uw dealer de wieluitlijning controleren als een band ongelijkmatig afgesleten is.
Zorg ervoor dat nieuwe wielen uitgebalanceerd zijn. Dit komt het rijcomfort en de levensduur van de banden ten goede. Balanceer een wiel ook altijd wanneer de band van de velg verwijderd is geweest.

Label op de wang van de band
Deze informatie bestaat uit de basiseigenschappen van de band en het identificatienummer voor veiligheidscertificatie. Het identificatienummer kan worden gebruikt om de band te identificeren bij een terugroepactie.
1. Fabrikant of merknaam
Fabrikant of merknaam wordt aangegeven.
2. Aanduiding bandenmaat
De bandenmaat staat aangegeven op de wang van de banden. Deze informatie zal nodig zijn bij de aanschaf van nieuwe banden voor uw auto. De letters en cijfers in de aanduiding van de bandenmaat hebben de volgende betekenis.
Voorbeeld aanduiding bandenmaat:
(Deze maat dient slechts ter illustratie; de bandenmaat van uw auto is afhankelijk van de uitvoering.)
P205/65R15 92H
P - Geschikt soort voertuig (banden gemerkt met het voorvoegsel "P" zijn bestemd voor gebruik op personenauto's en bestelwagens; echter niet alle banden maken gebruik van deze markering).
205 - Breedte band in millimeter.
65 - Hoogte-/breedteverhouding. De hoogte van de wang van de band als percentage van de breedte.
R - Type band (radiaalband).
15 - Velgdiameter in inch.
92 - Index draagvermogen, een numerieke code die het maximale draagvermogen van de banden aangeeft.
H - Snelheidsclassificatie. Zie het overzicht in dit hoofdstuk voor meer informatie.
Aanduiding velgmaat
Ook velgen zijn voorzien van informatie die van belang kan zijn bij eventuele vervanging. De letters en cijfers in de aanduiding van de velgmaat hebben de volgende betekenis.
Voorbeeld aanduiding velgmaat: 6.0JX15
6.0 - Velgbreedte in inch.
J - Aanduiding offset.
15 - Velgdiameter in inch.
Snelheidsclassificatie banden
In het onderstaande overzicht staan de meest gebruikte snelheidsclassificaties voor autobanden weergegeven. De aanduiding van de snelheidsclassificatie maakt deel uit van de aanduiding van de bandenmaat op de wang van de band. Deze aanduiding geeft de maximum snelheid weer waarvoor deze band is ontworpen.
| Aanduidingsnelheidsclassificatie | Maximum snelheid |
| S | 180 km/h (112 mph) |
| T | 190 km/h (118 mph) |
| H | 210 km/h (130 mph) |
| V | 240 km/h (149 mph) |
| Z | Hoger dan 240 km/h(149 mph) |
| W* | 270 km/h (168 mph) |
- Snelheidsaanduiding W is een subcategorie van de snelheidsaanduiding Z.
3. Controleren van de leeftijd van de banden (TIN: identificatienummer)
Banden ouder dan 6 jaar (6 jaar na de productiedatum) zullen na verloop van tijd hun stevigheid verliezen en minder presteren (ook al worden ze niet gebruikt, zoals het reservewiel). Laat deze banden samen met de band van het reservewiel vervangen. U kunt de productiedatum vinden in de DOT-code op de wang (mogelijk alleen aan de binnenzijde) van de band. De DOT-code is een serie karakters op een band, die bestaat uit een combinatie van cijfers en letters. De productiedatum is af te leiden uit de laatste vier cijfers (karakters) van de DOT-code.
In het voorste deel van de DOT-code worden de fabriekscode, de bandenmaat en het type profiel aangegeven en in het tweede deel de week en het jaar waarin de band is geproduceerd.
Bijvoorbeeld:
DOT XXXX XXXX 1606 geeft aan dat de band is geproduceerd in week 16 van 2006.
WAARSCHUWING - Leeftijd band
Banden verouderen na verloop van tijd, zelfs wanneer ze niet worden gebruikt. Het verdient aanbeveling om banden bij normaal gebruik over het algemeen na zes (6) jaar te vervangen, ongeacht de resterende profieldiepte. Warmte ten gevolge van het rijden in een warm klimaat of het regelmatig met zware belading rijden kunnen het verouderingsproces versnellen. Het niet opvolgen van deze waarschuwing kan resulteren in een kapotte band. Hierdoor kunt u de controle verliezen, waardoor een ongeluk met ernstig letsel of schade kan ontstaan.
4. Structuur en materiaal van de band
Het aantal lagen rubber van de band. Bandenfabrikanten moeten ook aangeven welke materialen zijn gebruikt in de band, zoals staal, nylon en polyester. De letter "R" betekent radiaalband; de letter "D" betekent diagonaalband; en de letter "B" betekent band met kruislingse koordlagen.
5. Maximale bandenspanning
Dit getal geeft aan hoe hoog de bandenspanning maximaal mag zijn. Overschrijd deze maximale bandenspanning niet. Zie het informatielabel voor de aanbevolen bandenspanning.
6. Maximum belasting
Dit getal geeft het maximale gewicht in kilo's en ponden aan die de band kan dragen. Gebruik altijd banden met dezelfde maximale belasting als de banden die vanuit de fabriek zijn geplaatst.
7. Universele kwaliteitsgradatie profiel banden
De slijtageclassificatie van het loopvlak is een relatieve classificatie gebaseerd op de mate van slijtage onder gecontroleerde omstandigheden op een officieel erkende testbaan. Voorbeeld: een band met de aanduiding 150 zal 1,5 keer langer meegaan dan een band met de aanduiding 100.
De levensduur van de banden zal in belangrijke mate afhankelijk zijn van de gebruiksomstandigheden. De levenscuur kan echter van de norm afwijken door de rijstijl van de bestuurder, onderhoud van de banden, de toestand van de wegen en het klimaat.
De indicator is bij autobanden aangebracht op de wang. Welke banden er standaard of als optie beschikbaar zijn voor uw auto is afhankelijk van de uitvoering.
Grip-AA,A,Ben C
Er zijn drie gripclassificaties, van hoog naar laag AA, A, B en C. De gripclassificatie geeft aan in hoeverre de banden op een nat wegdek doorglijden bij het maken van een noodstop, zoals gemeten onder gecontroleerde omstandigheden op een officieel erkende testbaan, zowel op asfalt als op beton. Een band met classificatie C is een band met relatief weinig grip.
Temperatuur - A, B en C
Er zijn drie temperatuurclassificaties mogelijk: A (de hoogste), B en C. Deze classificaties geven aan in hoeverre de band hittebestendig is en in welke mate de band warmte afvoert, zoals getest onder gecontroleerde omstandigheden op een testwiel in een officieel erkend laboratorium.
Door aanhoudende hoge temperaturen gaat het materiaal van de banden achteruit, waardoor de banden minder lang meegaan. Bij extreem hoge temperaturen kunnen de banden zelfs plotseling lek gaan. De classificaties B en A geven aan dat het testresultaat van de band in het laboratorium beter is dan het in de wet voorgeschreven minimum.
WAARSCHUWING - Temperatuur banden
De temperatuurclassificatie van deze band geldt voor een band die de juiste spanning heeft en niet overbelast is. Extreem hoge rijselheden, een te lage bandenspanning en/of overbelasting kunnen een concentratie van hitte in de band veroorzaken, wat kan leiden tot een klapband. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen en ernstig letsel oplopen.
GLOEILAMPEN
WAARSCHUWING
- Vervangen van gloeilampen
Zet, voordat u lampen gaat vervangen, de parkeerrem stevig vast en controleer of het contact in stand LOCK staat om te voorkomen dat de auto plotseling in beweging komt, dat u zich brandt of dat u een schok krijgt.
Gebruik alleen lampen met de voorgeschreven wattage.
Z OPMERKING
Zorg ervoor dat de doorgebrande lamp vervangen wordt door een met dezelfde wattage. Anders kan de zekering of het elektrische bedradingssyteem beschadigd raken.
Z OPMERKING
Raadpleeg een officiële KIA- dealer wanneer u niet over het juiste gereedschap, de juiste lampen en/of ervaring beschikt. In veel gevallen kan het zelf vervangen van lampen problemen opleveren vanwege het feit dat om bij de lamp te kunnen komen, eerst andere onderdelen verwijderd dienen te worden. Dat is in het bijzonder het geval als u de koplampunit moet verwijderen om bij de gloellamp(en) te kunnen komen. Het verwijderen en plaatsen van de koplampunit kan leiden tot beschadigingen aan de auto.
\* AANWIJZING
Na zware regenval of het wassen van de auto kan het lijken alsof er vocht in de koplampen en achterlichten zit. Dit wordt veroorzaakt door het temperatuurverschil tussen de binvenzijde en de buitenzijde van het lampglas. Dit is vergelijkbaar met het beslaan van de ruiten bij het rijden onder regenachtige omstandigheden en duidt niet op een probleem met uw auto. Laat in het geval er vocht in het circuit van de verlichting is gekomen de auto controleren door een officiële KIA-dealer.

(1) Parkeerlicht
(2) Koplamp (grootlicht)
(3) Koplamp (dimlicht)
(4) Richtingaanwijzer vóór
(5) Mistlamp vóór
(indien van toepassing)
Vervangen van lamp koplamp
Laat als een lamp niet werkt de auto controleren door een officiële Kia-dealer.

- Halogeenlampen bevatten gas onder druk, zodat de halogeenlamp bij het vallen kan ontploffen waardoor kleine glasdeeltjes vrijkomen.
(Vervolg)
(Vervolg)
- Behandel halogeenlampen altijd voorzichtig om krassen te voorkomen. Voorkom contact met vloeistoffen wanneer de lampen branden. Raak het glas nooit met de vingers aan. Door achtergebleven vet kan de lamp te heet worden en knappen wanneer deze brandt. De lamp mag alleen in gemonteerde toestand worden ingeschakeld.
- Vervang een beschadigde of gebarsten lamp direct en gooi deze niet zomaar weg.
- Draag bij het vervangen van een lamp een veiligheidsbril. Laat de lamp alvorens hem te vervangen afkoelen.

Richtingaanwijzer/parkeerlicht vóór; vervangen van lamp
- Open de motorkap.
- Neem de stekker los van de koplamp.
-
Maak de klem van de lamp los door het uiteinde in te drukken en dit omhoog te duwen.
-
Verwijder de lamp uit de koplampunit.
- Plaats een nieuwe lamp in de koplampunit en bevestig deze door de klem op zijn plaats te drukken.
Vervangen van gloeilamp mistlamp vóór
Laat als een lamp niet werkt de auto controleren door een officiële Kia-dealer.

Vervangen van lamp interieurverlichting
- Wrik de lens met een platte schroevendraaier voorzichtig los uit het huis van de interieurverlichting.
WAARSCHUWING
Controleer, voordat u de lamp gaat vervangen, of toets OFF is ingedrukt om te voorkomen dat u zich brandt of een schok krijgt.
- Trek de lamp naar buiten.
- Steek een nieuwe lamp in de fitting.
- Breng de lipjes van de lens in lijn met de uitsparingen in het huis van de interieurverlichting en klik de lens vast.

Kentekenplaatverlichting, vervangen van lamp
- Draai de bevestigingsschroeven van de lens los met een kruiskopschroevendraaier.
- Verwijder de lens.
- Trek de lamp naar buiten.
- Plaats een nieuwe lamp.
- Plaats de lens en draai de bevestigingsschroeven goed vast.

(1) Mistachterlicht
(indien van toepassing)
(2) Achteruitrijlicht
(3) Rem-/achterlicht
(4) Richtingaanwijzer achter
Vervangen van lamp achterlichtunit
- Open de achterklep.

- Draai de plastic schroef linksom en verwijder het deksel.

- Verwijder de fitting uit de lichtunit door deze linksom te draaien tot de nokjes van de fitting in lijn liggen met de uitsparingen van de lichtunit.

- Verwijder de lamp uit de fitting door de lamp in te drukken en deze een willekeurige kant op te draaien tot de nokjes van de lamp in lijn liggen met de uitsparingen van de fitting. Trek de lamp uit de fitting.
- Plaats een nieuwe lamp in de fitting en draai de lamp een willekeurige kant op tot hij vastzit.
- Plaats de fitting in de lichtunit door de nokjes op de fitting in lijn te brengen met de uitsparingen in de lichtunit. Duw de fitting in de lichtunit en draai de fitting een kwartslag rechtsom.
- Plaats het deksel weer en draai de schroeven vast.

Gloeilamp derde remlicht
vervangen
Laat als een lamp niet werkt de auto controleren door een officiële Kia-dealer.

Richtingaanwijzer opzij (indien van toepassing)
- Verwijder de lichtunit van de auto door de lens naar voren te duwen en de lichtunit uit het scherm te trekken.
- Neem de stekker los van de lamp.
-
Neem de lens los van de fitting door de fitting linksom te draaien tot de nokjes in lijn staan met de uitsparingen.
-
Trek de lamp naar buiten.
- Steek een nieuwe lamp in de fitting.
- Monteer de fitting en de lens.
- Sluit de stekker van de lamp aan.
- Plaats de lichtunit in de carrosserie.
ONDERHOUD EXTERIEUR
Onderhoud exterieur - Algemeen
Het is van groot belang bij gebruik van chemische reinigingsmiddelen of polish de aanwijzingen op het etiket van het desbetreffende product op te volgen. Lees de waarschuwingen en opmerkingen op het etiket.
Lak; onderhoud van
Wassen
Was uw auto minimaal eenmaal per maand grondig met lauw of koud water om de lak tegen roest en veroudering te beschermen.
Was, nadat u op een stoffige of modderige weg gereden heeft, de auto zo snel mogelijk. Besteed hierbij de nodige zorg aan het verwijderen van opeengehoopt zout, vuil of modder. Controleer of de afvoeropeningen aan de onderzijde van de portieren en de dorpels open en schoon blijven.
Insecten, teer, sap van bomen, uitwerpselen van vogels, industrieel vuil en dergelijke kunnen de lak van uw auto aantasten als ze niet direct verwijderd worden.
Zeifs bij het direct verwijderen kan blijken dat water alleen niet toereikend is. Gebruik in dat geval een speciale autoshampoo.
Spoel de auto na het wassen grondig af met lauw of koud water. Laat de shampoo niet op de lak opdrogen.
Z OPMERKING
Gebruik geen agressieve reinigingsmiddelen, oplos-middelen of te heet water en was de auto niet in de volle zon of wanneer de carrosserie warm is.
WAARSCHUWING
Test na het wassen de remmen van uw auto bij lage snelheid om te controleren of de remwerking door binnengedrongen water beïnvloed is. Droog de remmen door het rempedaal bij lage snelheid licht in te trappen wanneer de remprestaties verminderd zijn.

- Water in de motorruimte kan de werking van de elektrische circuits beïnvloeden.
- Zorg ervoor dat water en andere vloeistoffen nooit in contact komen met elektrische/elektronische componenten in de auto omdat ze dan beschadigd kunnen raken.
in de was zetten
Zet de auto in de was wanneer het water niet langer druppels op de lak vormt.
Was en droog de auto altijd eerst voordat u hem in de was zet. Gebruik een goede kwaliteit vaste of vloeibare was en volg de aanwijzingen van de fabrikant. Zet de sierlijsten in de was om deze te beschermen en hun glans te laten behouden.
Het verwijderen van olie, teer en dergelijke stoffen met een vlekkenverwijderaar verwijdert gewoonlijk ook de was van de lak. Zet deze delen daarom na het verwijderen van de verontreiniging opnieuw in de was.
Z OPMERKING
- Als u stof of vuil met een droge doek wegveegt, komen er krassen op de lak.
- Gebruik geen staalwol, schuurmiddelen of sterk alkalische of bijtende oplosmiddelen op onderdelen die verchroomd zijn of op onderdelen die vervaardigd zijn van geanodiseerd aluminium. Het gebruik van deze middelen kan de beschermlaag aantasten waardoor verkleuring of glansverlies kan optreden.
Bijwerken van lakbeschadigingen
Repareer diepe krassen en steenslagbeschadigingen in de lak direct. Het blanke metaal gaat snel roesten waardoor ingrijpendere reparatiekosten noodzakelijk worden.
\* AANWIJZING
Wanneer uw auto beschadigd is en reparatie of vervanging van metalen delen nodig is, let er dan op dat de garage anti-corrosiemiddel aanbrengt op de gerepareerde of vervangen onderdelen.
Onderhoud van verchroomde onderdelen
- Gebruik een teerverwijderaar en geen schraper of ander scherp voorwerp voor het verwijderen van teer of insecten.
- Breng ter bescherming een waslaag aan op verchroomde onderdelen of bescherm ze met een speciaal conserveringsmiddel.
- Bescherm de verchroomde onderdelen onder winterse omstandigheden of bij gebruik van de auto in kustgebieden met een dikkere laag was of conserveringsmiddel. U kunt eventueel vaseline of een ander beschermingsmiddel gebruiken.
Onderhoud van de onderzijde
Zand en pekel kunnen zich ophopen aan de onderzijde van de carrosserie. Als deze middelen niet verwijderd worden, kan versnelde roestvorming optreden aan onderdelen aan de onderzijde van de carrosserie zoals brandstofleidingen, subframes, bodempiaat en uitlaatsysteem, ook al zijn deze onderdelen tegen corrosie beschermd.
Spoel daarom de onderzijde van de carrosserie en de wielkuipen eenmaal per maand, na het rijden op stoffige of modderige wegen en aan het eind van de winter grondig schoon met lauw of koud water. Besteed hieraan de nodige zorg; de opeenhopingen zijn niet altijd even gemakkelijk te zien. Als u het vuil alleen maar nat maakt zonder het te verwijderen, is het effect averechts. Houd ook de afvoeropeningen in portieren en dorpels te allen tijde open. Water dat in portieren en dorpels blijft staan, veroorzaakt roestvorming van binnenuit.
WAARSCHUWING
Test na het wassen de remmen van uw auto bij lage snelheid om te controleren of de remwerking door binnengedrongen water beïnvloed is. Droog de remmen door het rempedaal bij lage snelheid licht in te trappen wanneer de remprestaties verminderd zijn.
Onderhoud van lichtmetalen velgen
De lichtmetalen velgen zijn voorzien van een beschermende transparante laklaag.
- Gebruik voor het reinigen van lichtmetalen velgen geen schuur of polijstmiddelen, oplosmiddelen of een staalborstel. Deze kunnen de laklaag aantasten.
- Gebruik uitsluitend een zachte zeep of een neutraal oplosmiddel en spoel grondig na met water. Let er ook op de velgen te reinigen nadat u over wegen met pekel gereden heeft. Dit helpt corrosie te voorkomen.
- Vermijd het wassen van de velgen met behulp van de sneldraaiende borstels in de automatische wasserette.
- Gebruik geen bijtende middelen. Deze kunnen schade en corrosie van de velgen veroorzaken, die zijn voorzien van een beschermende transparante laklaag.
ONDERHOUD INTERIEUR
Onderhoud interieur - Algemeen
Voorkom dat bijtende vloeistoffen als parfum en kosmetische oliën in aanraking komen met het dashboard en de portierbekleding, omdat deze beschadiging of verkleuring kunnen veroorzaken. Indien deze stoffen toch met het dashboard of de portierbekleding in aanraking komen, moeten ze direct worden verwijderd. Raadpleeg de instructies voor het reinigen van kunststof.
OPMERKING
Was voor synthetisch leer kan vlekken en verkleuringen veroorzaken op het dashboard en de portierbekleding.
Reinigen van de interieurbekleding
Kunststof
Verwijder stof en los vuil van de kunststof bekleding met een plumeau of een stofzuiger. Reinig de kunststof oppervlakken met een vinylreiniger.
Stoffen
Verwijder stof en los vuil van de stoffen bekleding met een plumeau of een stofzuiger. Reinig met een zachte zeepoplossing die geschikt is voor bekleding of vloerbedekking. Verwijder nieuwe vlekken onmiddellijk met een vlekkenverwijderaar. Wanneer nieuwe vlekken niet direct verwijderd worden, kunnen er permanente vlekken of verkleuringen in de bekleding achterblijven. Daarnaast kunnen de brandwerende eigenschappen verminderen wanneer de bekleding niet op de juiste wijze wordt onderhouden.
OPMERKING
Het gebruik van andere dan de voorgeschreven reinigingsmiddelen en procedures kan het uiterlijk van de stof aantasten en de brandwerende eigenschappen verminderen.
Reinigen van de veiligheidsgordels
Reinig de gordels met een zachte zeepoplossing die speciaal geschikt is voor het reinigen van bekleding en tapijt. Volg de aanwijzingen op het etiket van het reinigingsmiddel. Bleek of verf de gordels nooit omdat dit een negatieve invloed op de sterkte van de gordel kan hebben.
Reinigen van de binnenzijde van de ruiten
Als de ruiten aan de binnenzijde snel beslagen raken (vette aanslag), moeten ze gereinigd worden met een speciale glasreiniger. Volg de aanwijzingen op het etiket van de glasreiniger.
OPMERKING
Ga niet met scherpe voorwerpen over de binnenzijde van de achterruit. Hierdoor kunnen de draden van de achterruitverwarming beschadigd raken.
De hierna volgende specificaties dienen uitsluitend ter informatie. Uw officiële Kia-dealer kan u nauwkeuriger en meer up-to-date informatie verschaffen.
Afmetingen
| Onderwerp | mm (in) |
| Totale lengte | 4235 (166,7) |
| Totale breedte | 1790 (70,5) |
| Totale hoogte | 1480 (58,3) |
| Spoorbreedte vóór | 1546^*1/1538^*2/1528^*3 ( 60,9^*1/60,6^*2/60,2^*3 ) |
| Spoorbreedte achter | 1544^*1/1536^*2/1527^*3 ( 60,8^*1/60,5^*2/60,1^*3 ) |
| Wielbasis | 2650 (104,3) |
*: Uitgerust met 185/65R15 of 195/65R15 banden.
*2 Uitgerust met 205/55R16 banden.
* Uitgerust met 225/45R17 banden.
Banden
| Onderwerp | Bandenmaat | Veigmaat | Bandenspanning bar(psi, kPa) | Aanhaalmomentwielmoerenkgm (lb.ft, Nm) | |||
| Normale belasting "1" | Maximum belasting | ||||||
| Voor | Achter | Voor | Achter | ||||
| Standaardband | 185/65R15 | 5,5J×15 | 2,2(32, 220) | 2,2(32, 220) | 2,2(32, 220) | 2,2(32, 220) | 9~11(65~79, 88~107) |
| 195/65R15 | 5,5J×15 | ||||||
| 205/55R16 | 6,0J×16 | ||||||
| 225/45R17 | 7,0J×17 | ||||||
| Compact reservewiel(indien van toepassing) | T125/80D15 | 5,5J×15 | 4,2(60, 420) | 4,2(60, 420) | 4,2(60, 420) | 4,2(60, 420) | |
*1 Normale belasting: maximaal 4 personen
Gloeilampen
| Gloeilamp | Watt | |
| Koplampen | Grootlicht | 55 |
| Dimlicht | 55 | |
| Lampen richtingaanwijzers voor | 21 | |
| Parkeerlichten | 5 | |
| Richtingaanwijzers opzij (indien van toepassing) | 5 | |
| Mistlampen vóór (indien van toepassing) | 55 | |
| Rem-/achterlichten | 21/5 | |
| Richtingaanwijzers achter | 21 | |
| Achteruitrijlicht | 21 | |
| Mistachterlicht (indien van toepassing) | 21 | |
| Derde remlicht | 2 | |
| Kentekenplaatverlichting | 5 | |
| Kaartleeslampje vóór | 10 | |
| Kaartleeslampje achter | 8 | |
| Instapverlichting | 5 | |
| Bagageruimteverlichting | 5 | |
| Lamp dashboardkastje | 5 | |
Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden
Gebruik voor een optimale werking en een lange levensduur van motor en aandrijflijn uitsluitend smeermiddelen van de juiste kwaliteit. Het gebruik van de juiste smeermiddelen helpt ook het motorrendement verhogen, wat een gunstiger brandstofverbruik oplevert.
Deze smeermiddelen en vloeistoffen worden aanbevolen voor gebruik in uw auto.
| Smeermiddel/vloeistof | Inhoud | Classificatie | ||
| Motorolie ^-1-2 (Met filter) | Benzine-motor | 1,4L/1,6L | 3,3 l (3,5 US qt.) | API Service SJ, SL of hoger,ILSAC GF-3 of hoger |
| 2,0L | 4,0 l (4,2 US qt.) | |||
| Diesel-motor | 1,6L | 5,3 l (5,6 US qt.) | Zonder roetfilter (Catalyzed Particulate Filter); API Service CH-4 of hoger, ACEA B4Met roetfilter (Catalyzed Particulate Filter), ACEA C3 | |
| 2,0L | 5,9 l (6,2 US qt.) | |||
| Vloeistofhandgeschakeldetransmissie | Benzine-motor | 1,4L/1,6L | 1,9 l (2,0 US qt.) | API Service GL-4, SAE 75W-85(gevuld voor de totale levensduar van de auto) |
| 2,0L | 2,0 l (2,1 US qt.) | |||
| Diesel-motor | 1,6L | 2,0 l (2,11 US qt.) | ||
| 2,0L | 2,10 l (2,22 US qt.) | |||
| Automatische-transmissievloeistof | Motor 1,4L/1,6L | 6,8 l (7,2 US qt.) | DIAMOND ATF SP-III,SK ATF SP-III | |
| Motor 2,0L | 6,6 l (6,9 US qt.) | |||
| Koelvloeistof | Benzine-motor | 1,4L/1,6L | 5,8~5,9 l (6,1~6,2 US qt.) | Op ethyleenglycolbasis voor eenaluminium radiateur |
| 2,0L | 6,2~6,3 l (6,6~6,7 US qt.) | |||
| Diesel-motor | 1,6L | 6,3 l (6,7 US qt.) | ||
| 2,0L | 7,3 l (7,7 US qt.) | |||
| Rem- en koppelingsvloeistof | 0,7~0,8 l (0,7~0,8 US qt.) | FMVSS116 DOT-3 of DOT-4 | ||
| Brandstof | 53 l (14 US gal) | - | ||
** Zie de SAE-viscositeitsindex op de volgende bladzijde.
** Tegenwoordig zijn er energiebesparende motoriën beschikbaar. Naast andere extra voordelen, dragen zij bij tot een laag brandstofverbruik door de hoeveelheid brandstof te beperken die nodig is om wrijving in de motor te overwinnen. Vaak zijn deze verbeteringen moeilijk waar te nemen in het dagelijks gebruik, maar op jaarbasis kunnen ze toch merkbaar kosten en energie besparen.
Aanbevolen SAE-viscositeitsindex
\* AANWIJZING
Zorg ervoor dat u de omgeving rond vuldoppen, aftappluggen en de peilstok altijd goed reinigt alverens het peil te controleren of de vloeistof af te tappen. Dit is vooral van belang in gebieden met veel stof of zaud en als er met de auto over overharde wegen wordt gereden. Doer het schoonmaken wordt voorkomen dat vuil en zand in de motor of andere componenten binnendringt en schade veroorzaakt.
De viscositeit (vloeibaarheid) van de motorolie is van invloed op het brandstofverbruik en op de werking onder koude weersomstandigheden (starten en oliecirculatie). Motoroliën met een lagere viscositeit geven een lager brandstofverbruik en betere prestaties onder koude weersomstandigheden, terwijl motoroliën met een hogere viscositeit echter wenselijk zijn voor een goede smering bij warme buitentemperaturen. Het gebruik van oliën met een andere dan de aanbevolen viscositeit kan resulteren in motorschade.
Houd bij de keuze van een olie rekening met de te verwachten buitentemperaturen tot aan de volgende olieverversing. Kies dan aan de hand van de tabel de aanbevolen olieviscositeit.

-
Voor een beter brandstofverbruik wordt aangeraden om motorolie met viscositeit SAE 5W-20, 5W-30 (API SJ, SL / ILSAC GF-3) te gebruiken. Echter, als deze motorolie niet in uw land verkrijgbaar is, kies dan een geschikte motorolie aan de hand van de viscositeitstabel.
-
Alleen voor gebieden met extreem lage buitentemperaturen en afhankelijk van de rijomstandigheden. (Speciaal af te raden bij langdurig rijden met zware belading en/of hoge snelheid.)
Index
9
Index
A
Accu 7-43
Achterruitverwarming ....4-62
Afstandsbediening....3-3
Airbag - aanvullend veiligheidssysteem ....3-53
Alarmknipperlichten 4-63
Als de motor niet gestart kan worden .....6-4
Antenne 3-100
Antidiefstalsysteem ....3-5
Audiosysteem ....3-101
Automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem .. 4-73
Automatische transmissie .....4-10, 7-32
B
Bagagenet 3-98
Banden en wielen 7-46
Bescherming elektrische circuits ....6-9
Bevestigingssteun voor dakdrager ....3-99
Boordcomputer 4-43
Door de eigenaar uit te voeren onderhoudswerkzaamheden ....7-20
E
Emissieregelsysteem ....5-4
G
Gloeilampen....7-55
H
Handbediend verwarmings- en ventilatiesysteem ..4-64
Handgeschakelde transmissie ....4-7
Hoe gebruikt u deze handleiding .....1-2
|
Informatie op labels 5-28
Informatiemonitor 4-48
Inrijden van het voertuig ....1-3
Instrumentenpaneel 4-32
Massa van de auto 5-26
Meters 4-33
Motorkap 3-77
Motorolie 7-25
Motorruimte....2-4,7-23
0
Onderhoud bij gebruik onder zware omstandigheden ....7-8, 7-14
Onderhoud exterieur 7-62
Onderhoud interieur 7-66
Onderhoudsschema bij normaal gebruik ....7-4, 7-10
Onderhoudswerkzaamheden 7-2
Opbergvak 3-87
Overige voorzieningen ....3-89
Oververhitting....6-8
Overzicht dashboard 2-3
Overzicht interieur ....2-2
P
Parkeerhulp 4-50
R
Remmen en koppeling 7-30
Remsysteem 4-16
Rijden met een aanhanger ....5-17
Ruiten 3-15
Ruitenwisserbladen....7-40
Ruitenwissers en ruitensproeiers....4-59
S
Schuif-/kanteldak 3-93
Slepen 6-16
Sleutels 3-2
Sloten 3-8
Smeermiddelen en vloeistoffen 7-34
Speciale omstandigheden 5-8
Specificaties 8-2
Spiegels....3-82
Startblokkering 3-7
Starten met hulpaccu 6-5
Index
Starten van de motor 4-5
Stoelen 3-20
Stuurwiel 4-22
Suggesties voor brandstofbesparing ....5-7
T
Tankdopklep 3-79
U
Uitleg bij onderhoudsschema ....7-16
V
Veiligheidsgordels ....3-30
Voertuigstabiliteitsregeling ....4-28
Voor het rijden 5-6
Voorruit ontdooien en ontwasemen .....4-85
W
Waarschuwings- en controlelampjes .....4-35
Waarschuwingssignalen 6-2
Wat te doen in een noodgeval tijdens het rijden ....6-3
Wiel verwisselen bij een lekke band .....6-25
A1HO-H073B
(네덜란드어/유럽)
KIA MOTORS CORPORATION