GARDENA

R160 - Grasmaaier GARDENA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis R160 GARDENA in PDF-formaat.

📄 82 pagina's Nederlands NL Downloaden 💬 AI-vraag 10 vragen ⚙️ Specs
Notice GARDENA R160 - page 1
Kies uw taal en geef uw e-mailadres: we sturen u een specifiek vertaalde versie.
Producttype Robotmaaier
Model R160
Merk Gardena
Afmetingen (L x B x H) 58 x 38 x 28 cm
Gewicht 8 kg
Energiebron Lithium-ion-accu
Accucapaciteit 2,0 Ah
Laadtijd 60 min
Maaihoogte 20-50 mm (instelbaar)
Maaimarge 16 cm
Maximale helling 25%
Geluidsniveau 57 dB(A)
Beschermingsgraad IPX5
Werking Automatisch met grensdraad
Werkgebied Max. 600 m²
Veiligheidsfuncties Lift- en kantelsensor, noodstop
Onderhoud Mes vervangen, accu controleren, behuizing reinigen
Garantie 2 jaar

Veelgestelde vragen - R160 GARDENA

Hoe installeer ik de grensdraad voor de Gardena R160?
Leg de grensdraad op de gewenste maaigrens en zet deze vast met haringen. Zorg dat de draad strak ligt en sluit hem aan op het laadstation. Raadpleeg de installatiehandleiding voor gedetailleerde stappen.
Wat moet ik doen als de accu niet laadt?
Controleer of het laadstation stroom krijgt en of de contactpunten schoon zijn. Als het probleem aanhoudt, neem dan contact op met de Gardena service.
Hoe stel ik de maaihoogte in?
Draai aan de centrale knop op de maaier om de hoogte in te stellen tussen 20 en 50 mm. De gekozen hoogte wordt weergegeven op de display.
Kan de robotmaaier ook op hellingen maaien?
Ja, de R160 kan hellingen tot 25% aan. Plaats bij steilere hellingen extra haringen om de grensdraad vast te zetten.
Hoe vaak moet ik het mes vervangen?
Vervang het mes elke 3 maanden of bij zichtbare slijtage. Gebruik alleen originele Gardena messen voor optimale prestaties.
Wat is het maximale maaioppervlak?
De R160 kan maximaal 600 m² maaien. Bij grotere oppervlakten kan de maaier tussentijds opladen.
Hoe berg ik de maaier op in de winter?
Reinig de maaier grondig, laad de accu volledig op en bewaar hem op een droge, vorstvrije plaats. Verwijder de accu als de maaier langere tijd niet wordt gebruikt.
Waarom stopt de maaier tijdens het maaien?
Controleer of de grensdraad beschadigd is, of de maaier vastzit in oneffen terrein. De sensoren stoppen de maaier bij obstakels of kantelen.
Kan ik de maaier ook handmatig gebruiken?
Nee, de R160 is volledig automatisch. U kunt hem alleen via het laadstation starten en stoppen.
Wat moet ik doen bij een foutmelding op het scherm?
Raadpleeg de foutcodelijst in de gebruiksaanwijzing. Vaak lost een reset het probleem op. Houd de startknop 3 seconden ingedrukt.

Gebruikersvragen over R160 GARDENA

0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.

Stel een nieuwe vraag over dit apparaat

De e-mail blijft privé: deze wordt alleen gebruikt om u te waarschuwen als iemand op uw vraag reageert.

Nog geen vragen. Stel de eerste vraag.

Download de handleiding voor uw Grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding R160 - GARDENA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. R160 van het merk GARDENA.

GEBRUIKSAANWIJZING R160 GARDENA

1 Introductie en veiligheid 5

1.1 Inleiding 5
1.2 Symbolen op de robotmaaier 6
1.3 Symbolen in de gebruikershandleiding 7
1.4 Veiligheidsinstructies 8

2 Presentatie 11

2.1 Wat is wat? 12
2.2 Werking 13
2.3 Meerdere robotmaaiers in één tuin 17
2.4 Eén robotmaaier in meerdere tuinen 17

3 Installatie 18

3.1 Voorbereidingen 18
3.2 Het laadstation installeren 19
3.3 De accu laden 24
3.4 De begrenzingsdraad installeren 25
3.5 De begrenzingsdraad aansluiten 31
3.6 De begeleidingsdraad installeren 33
3.7 De lus controleren 38
3.8 In gebruik nemen en aansluiten op het laadstation 39

4 Gebruik 40

4.1 Een lege accu laden
4.2 De timer gebruiken 41
4.3 Starten 41
4.4 Stoppen 41
4.5 Uitschakelen 41
4.6 De maaihoogte aanpassen 42

5 Bedieningspaneel 43

5.1 Snelkoppelingen
5.2 Programma 45
5.3 Selecties 45
5.4 Nummers 45
5.5 Hoofdschakelaar 46

6 Menufuncties 47

6.1 Hoofdmenu 47
6.2 Menustructuur 48
6.3 Commando's 49
6.4 Timer 49
6.5 Tuin 50
6.6 Instellingen 57

7 Voorbeelden van tuinen 61

8 Onderhoud 65

8.1 Winteropslag 66
8.2 Na de winteropslag 66
8.3 Reinigen 67
8.4 Transport en verwijderen 68
8.5 Bij onweer 68
8.6 De zaagbladen vervangen 68

9 Problemen oplossen 69

9.1 Meldingen 69
9.2 Indicatielampje in het laadstation 72
9.3 Symptomen 73
9.4 Breuken in de lusdraad opsporen 75

12 Informatie over het milieu 81

13 EG-verklaring van overeenstemming 82

AANTEKENINGEN

Serienummer:

PIN-code:

De productregistratiecode is een waardevol document en moet op een veilige plaats worden bewaard. Deze code hebt u bijvoorbeeld nodig om het product te registreren op de website van GARDENA of om de maaier te ontgrendelen in het geval u uw pincode niet meer weet.

Als de maaier wordt gestolen, is het belangrijk om GARDENA hiervan op de hoogte te stellen. Neem in dat geval contact op met uw dealer of GARDENA Central Service en geef het serienummer en de productregistratiecode van de maaier door, zodat deze als gestolen kan worden geregistreerd in een internationale database. Dit vormt een belangrijke stap in de diefstalbeveiliging van de maaier en maakt het kopen en verkopen van gestolen maaiers minder aantrekkelijk.

Zorg dat u het serienummer van de maaier altijd bij de hand hebt wanneer u contact opneemt met uw dealer of GARDENA Central Service. Zo kunnen wij u sneller helpen.

Het serienummer van het product bestaat uit negen cijfers en staat op het productplaatje en de productverpakking.

GARDENA Central Service

036 5210040 (NL)

02 704 99 89 (BE)

www.gardena.com

1 Introductie en veiligheid

1.1 Inleiding

Gefeliciteerd met uw keuze voor een product van uitzonderlijk hoge kwaliteit. Om het beste uit uw GARDENA robotmaaier te halen, moet u weten hoe hij werkt. Deze gebruikershandleiding bevat belangrijke informatie over de robotmaaier, de installatie en het gebruik van het product.

Naast deze gebruiksaanwijzing is er aanvullende informatie te vinden op de website van GARDENA, op www.gardena.com. Hier vindt u meer hulp en adviezen over het gebruik van de robotmaaier.

Om het gebruik van de gebruikershandleiding eenvoudiger te maken, wordt gebruik gemaakt van het volgende systeem:

  • Tekst die cursief is gedrukt, is tekst die verschijnt op het display van de robotmaaier of die verwijst naar een andere sectie van de gebruikershandleiding.
  • Woorden die vet zijn gedrukt, verwijzen naar de knoppen op het toetsenbord van de robotmaaier.
  • Woorden die cursief en in HOOFDLETTERS zijn gedrukt, verwijzen naar de stand van de hoofdschakelaar en de verschillende bedieningsmodi die voor de robotmaaier beschikbaar zijn.

GARDENA werkt voortdurend aan het verder ontwikkelen van zijn producten en behoudt zich dan ook het recht voor om zonder aankondiging vooraf wijzigingen in vorm, uiterlijk en werking door te voeren.

www.gardena.com

GARDENA R160 - Inleiding - 1

1001-003

BELANGRIJKE INFORMATIE

Lees de gebruikershandleiding zorgvuldig door en gebruik de robotmaaier niet voordat u de instructies hebt begrepen.

GARDENA R160 - BELANGRIJKE INFORMATIE - 1

WAARSCHUWING

De robotmaaier kan gevaarlijk zijn als u hem op verkeerde wijze gebruikt.

INTRODUCTIE EN VEILIGHEID

1.2 Symbolen op de robotmaaier

Deze symbolen staan op de maaier. Bestudeer ze zorgvuldig.

  • Lees de gebruikershandleiding zorgvuldig door en gebruik de robotmaaier niet voordat u de instructies hebt begrepen. De waarschuwingen en veiligheidsvoorschriften in deze gebruikershandleiding moeten zorgvuldig worden opgevolgd om de maaier veilig en efficiënt te kunnen gebruiken.
  • De robotmaaier kan alleen worden gestart als de hoofdschakelaar op 1 staat en de juiste PIN-code is ingevoerd. Zet de hoofdschakelaar op 0 voordat u inspecties en/of onderhoud uitvoert.
  • Blijf op een veilige afstand van de robotmaaier wanneer de robotmaaier in gebruik is. Houd uw handen en voeten uit de buurt van de draaiende messen. Plaats uw handen of voeten niet in de buurt van of onder de kap wanneer de robotmaaier in gebruik is.
  • Het is niet toegestaan om mee te rijden op de robotmaaier.
  • Dit product voldoet aan de geldende EC-richtlijnen.
  • Geluidsemissie naar de omgeving. De emissies van het product staan vermeld in hoofdstuk 10 Technische gegevens en op het productplaatje.
  • Het is niet toegestaan om dit product aan het einde van zijn levensduur af te voeren als normaal huishoudelijk afval. Zorg dat het product wordt gerecycled volgens de lokale wettelijke voorschriften.
  • Gebruik nooit een hogedrukreiniger en zelfs geen stromend water om de robotmaaier schoon te maken.

GARDENA R160 - Symbolen op de robotmaaier - 1

GARDENA R160 - Symbolen op de robotmaaier - 2
1001-002, 1001-003

GARDENA R160 - Symbolen op de robotmaaier - 3

GARDENA R160 - Symbolen op de robotmaaier - 4
3012-663, 3012-1085

GARDENA R160 - Symbolen op de robotmaaier - 5
3018-066

GARDENA R160 - Symbolen op de robotmaaier - 6
3012-685

GARDENA R160 - Symbolen op de robotmaaier - 7
6001-024

GARDENA R160 - Symbolen op de robotmaaier - 8
3012-1059

GARDENA R160 - Symbolen op de robotmaaier - 9
3012-689

GARDENA R160 - Symbolen op de robotmaaier - 10
3018-052

INTRODUCTIE EN VEILIGHEID

1.3 Symbolen in de gebruikershandleiding

De volgende symbolen worden in de gebruikershandleiding gebruikt. Bestudeer ze zorgvuldig.

  • Zet de hoofdschakelaar op 0 voordat u inspecties en/of onderhoud uitvoert.
  • Draag altijd handschoenen wanneer u aan het chassis van de maaier werkt.
  • Gebruik nooit een hogedrukreiniger en zelfs geen stromend water om de robotmaaier schoon te maken.
  • Een waarschuwingsbox waarschuwt dat er gevaar voor lichamelijk letsel bestaat wanneer de instructies niet worden opgevolgd.
  • Een informatiebox waarschuwt dat er materiële schade kan ontstaan wanneer de instructies niet worden opgevolgd. De box wordt ook gebruikt als er een kans bestaat dat de gebruiker een fout maakt.

GARDENA R160 - Symbolen in de gebruikershandleiding - 1

1.4 Veiligheidsinstructies

Gebruik

  • De robotmaaier is bedoeld voor het maaien van gras op open en vlakke grondoppervlakken. Hij mag uitsluitend worden gebruikt in combinatie met door de fabrikant aanbevolen apparatuur. Elk ander gebruik is onjuist. De instructies van de fabrikant over bediening, onderhoud en reparaties moeten nauwkeurig worden gevolgd.
  • De robotmaaier mag uitsluitend worden bediend, onderhouden en gerepareerd door personen die volledig vertrouwd zijn met de speciale kenmerken van en veiligheidsvoorschriften voor het product. Lees de gebruikershandleiding zorgvuldig door en gebruik de robotmaaier niet voordat u de instructies hebt begrepen.
  • Het is niet toegestaan het originele ontwerp van de robotmaaier aan te passen. Alle aanpassingen die gedaan worden, zijn voor eigen risico.
  • Controleer of er geen stenen, takken, gereedschap, speelgoed of andere voorwerpen op het gazon liggen die de bladen kunnen beschadigen en ervoor kunnen zorgen dat de maaier stilvalt.
  • Start de robotmaaier volgens de instructies. Als de hoofdschakelaar in stand 1 staat, moet u uw handen en voeten uit de buurt van de draaiende messen houden. Plaats uw handen of voeten nooit onder de maaier.
  • Til de robotmaaier nooit op en draag hem niet wanneer de hoofdschakelaar in stand 1 staat.
  • Laat personen die niet weten hoe de robotmaaier werkt en zich gedraagt de robotmaaier niet gebruiken.
  • Gebruik de robotmaaier nooit als er personen – met name kinderen – of huisdieren in de onmiddellijke nabijheid van de machine zijn.
  • Plaats niets boven op de robotmaaier of het bijbehorende laadstation.
  • Gebruik de robotmaaier niet als de maaischijf of de kap defect is. Gebruik het product ook niet met defecte messen, schroeven, moeren of kabels.
  • Gebruik de robotmaaier niet als de hoofdschakelaar niet werkt.
  • Schakel de robotmaaier altijd uit met de hoofdschakelaar wanneer de maaier niet wordt gebruikt. De robotmaaier kan alleen worden gestart als de hoofdschakelaar op 1 staat en de juiste PIN-code is ingevoerd.
  • Gebruik de robotmaaier nooit terwijl er een gazonsproeier aanstaat. Gebruik in dat geval de timerfunctie, zodat de robotmaaier en sproeier nooit tegelijkertijd werken. Zie 6.4 Timer op pagina 49.
  • GARDENA kan niet garanderen dat de robotmaaier volledig compatibel is met andere typen draadloze systemen, zoals afstandsbedieningen, radiozenders, ringleidingen, verzonken elektrische afrasteringen voor dieren en dergelijke.

GARDENA R160 - Gebruik - 1
1001-003

GARDENA R160 - Gebruik - 2

Plaats de robotmaaier in de originele verpakking wanneer hij over lange afstanden moet worden vervoerd.

Ga als volgt te werk om het product naar een andere locatie binnen of buiten het werkgebied te verplaatsen:

  1. Druk op de STOP-knop om de maaier te stoppen. Als de beveiliging is ingesteld op middelhoog of hoog niveau moet de PIN-code worden ingevoerd. Zie 6.6 Instellingen op pagina 57. De PIN-code bestaat uit vier cijfers en wordt gekozen wanneer u de robotmaaier voor het eerst start. Zie 3.8 In gebruik nemen en aansluiten op het laadstation.

  2. Zet de hoofdschakelaar in stand 0.

  3. Draag de robotmaaier aan de handgreep die zich achteraan onder de robotmaaier bevindt. Draag de maaier met de maaischijf van uw lichaam af gericht.

BELANGRIJKE INFORMATIE

Til de robotmaaier niet op wanneer deze in het laadstation is geparkeerd. Hierdoor kan het laadstation en/of de maaier worden beschadigd. Open de klep en trek de maaier uit het laadstation voordat u hem optilt.

GARDENA R160 - BELANGRIJKE INFORMATIE - 1

Als de robotmaaier ondersteboven ligt, moet de hoofdschakelaar altijd in stand 0 staan.

De hoofdschakelaar moet in stand 0 staan tijdens alle werkzaamheden aan het chassis van de robotmaalier, zoals het reinigen of vervangen van de messen.

GARDENA R160 - BELANGRIJKE INFORMATIE - 2

Inspecteer de robotmaaier elke week en vervang beschadigde of versleten onderdelen. De wekelijkse inspectie omvat de volgende punten:

  • Houd het laadstation vrij van gras, bladeren, twijgen en andere voorwerpen die het voor de robotmaaier moeilijk kunnen maken om in het laadstation te dokken.
  • Zet de hoofdschakelaar in stand 0 en trek een paar beschermende handschoenen aan. Draai de robotmaaier ondersteboven. Controleer de volgende punten:

  • Reinig de aandrijfwielen. Gras in de aandrijfwielen kan van invloed zijn op de wijze waarop de maaier op hellingen werkt.

  • Reinig de voorwielen. Gras op de voorwielen en op de voorwielas kan de prestaties nadelig beïnvloeden.
  • Reinig de kap, het chassis en het maaisysteem. Gras, bladeren en andere voorwerpen die het product zwaarder maken, kunnen de prestaties nadelig beïnvloeden.
  • Controleer of alle maaimessen intact zijn. Voor optimale maairesultaten en een laag energieverbruik moeten de maaimessen regelmatig worden vervangen, zelfs als ze niet beschadigd zijn. Alle messen en schroeven moeten wanneer nodig op hetzelfde moment worden vervangen zodat de draaiende onderdelen uitgebalanceerd blijven.

GARDENA R160 - BELANGRIJKE INFORMATIE - 3

Dit hoofdstuk bevat informatie waarvan u zich bewust moet zijn bij het plannen van de installatie.

Een installatie met een robotmaaier bevat vier hoofdonderdelen:

- De R160, een robotmaaier die het gazon maait door in principe te bewegen in een willekeurig patroon. De maaier wordt gevoed door een onderhoudsvrije accu.

- Een laadstation waarnaar de robotmaaier automatisch terugkeert wanneer de accu bijna leeg is.

Het laadstation heeft drie functies:

  • Controlesignalen door de begrenzingsdraad verzenden.
  • Controlesignalen door de begeleidingsdraad verzenden zodat de robotmaaier het laadstation kan vinden.
    • De accu van de robotmaaier opladen.

GARDENA R160 - BELANGRIJKE INFORMATIE - 4

- Een transformator, die is aangesloten tussen het laadstation en een stopcontact van 230 V. De transformator is met behulp van een 20 m lange laagspanningskabel aangesloten op het laadstation. De laagspanningskabel mag niet worden ingekort of verlengd.

- Een lusdraad, die in een lus rond het werkgebied van de robotmaaier wordt gelegd. De begrenzingsdraad wordt langs de randen van het gazon en rondom voorwerpen en planten gelegd en vormt een grens waar de robotmaaier niet mag komen. De draad dient tevens als begeleidingsdraad.

De bijgeleverde lusdraad is 250 m lang. Als dat niet voldoende is, kunt u extra draad kopen en die met behulp van een originele koppeling aan de bestaande draad vastmaken.

De maximaal toegestane lengte voor de lusdraad is 500 m.

GARDENA R160 - BELANGRIJKE INFORMATIE - 5

De nummers in de afbeelding geven het volgende aan:

  1. Laadstrip
  2. Klep naar maaihoogteafstelling
  3. Vergrendelknop om de klep te openen
  4. Stopknop
  5. Kap
  6. Achterwielen
  7. Controlelampje voor de werking van het laadstation, de begrenzingsdraad en de begeleidingsdraad
  8. Contactstrips
  9. Laadstation
  10. Display
  11. Toetsenbord
  12. Hoofdschakelaar
  13. Voorwiel
  14. Maaischijf

  15. Chassiskast met elektronica, accu en motoren

  16. Handvat
  17. Maaischijf
  18. Maaischijf
  19. Transformer
  20. Lusdraad voor begrenzingslus en begeleidingsdraad
  21. Laagspanningskabel
  22. Krammen
  23. Aansluitklemmen voor de lusdraad
  24. Schroeven voor bevestiging van het laadstation
  25. Meetlat voor gebruik bij de installatie van de begrenzingsdraad
  26. Koppelingen voor de lusdraad
  27. Gebruikershandleiding

PRESENTATIE

2.2 Werking

Capaciteit

De R160 robotmaaier is geschikt voor gazons tot 1.600 m².

De grootte van het gebied dat de robotmaaier kan maaien, is vooral afhankelijk van de staat van de messen, het soort gras, het groeitempo en de vochtigheid. Ook de vorm van de tuin speelt een rol. Als de tuin voornamelijk uit open gazons bestaat, kan de robotmaaier meer per uur maaien dan als de tuin uit een aantal kleine gazons bestaat, die van elkaar worden gescheiden door bomen, borders en passages.

Een volledig geladen robotmaaier maait 40 tot 60 minuten lang, afhankelijk van de leeftijd van de accu en de dikte van het gras. Vervolgens laadt de robotmaaier gedurende 50 tot 70 minuten op. De laadtijd kan variëren; die is onder meer afhankelijk van de omgevingstemperatuur.

Maaitechniek

Het maaisysteem van de robotmaaier is efficiënt en energiezuinig. In tegenstelling tot gewone gazonmaaiers snijdt de robotmaaier het gras af in plaats van het af te slaan.

Voor het beste resultaat raden we u aan om de robotmaaier vooral bij droog weer te gebruiken. De robotmaaier kan ook maaien als het regent, maar nat gras blijft makkelijker op de robotmaaier vastzitten en het risico dat de robotmaaier op steile hellingen slipt, is groter.

Als er kans op onweer is, moet de transformator worden losgekoppeld van de voeding, en de begrenzingslus en de begeleidingsdraad van het laadstation.

Voor het beste maairesultaat moeten de messen in goede staat zijn. Houd de messen zo lang mogelijk scherp door het gazon vrij te houden van takken, steentjes en andere voorwerpen die de messen kunnen beschadigen.

Vervang de messen regelmatig voor het beste maairesultaat. Het vervangen van de messen is heel eenvoudig. Zie 8.6 De zaagbladen vervangen op pagina 68.

GARDENA R160 - Maaitechniek - 1

De robotmaaier maait het gazon automatisch. Hierbij wisselen maaien en laden elkaar continu af.

Wanneer de batterijspanning te laag wordt, gaat de maaier op zoek naar het laadstation. De robotmaaier maait niet wanneer hij het laadstation zoekt.

Als de robotmaaier op zoek gaat naar het laadstation, zoekt hij eerst ongericht naar de begeleidingsdraad. Vervolgens volgt hij de begeleidingsdraad naar het laadstation, keert hij vlak voor het station en rijdt hij er achteruit in.

Als de batterij volledig geladen is, rijdt de maaier weg bij het laadstation en begint hij te maaien in een willekeurige richting van 90° tot 270° van de uitrijsector.

Voor een gelijkmatig maairesultaat, zelfs op lastig te bereiken plekken in de tuin, kan de maaier de begeleidingsdraad vanaf het laadstation volgen naar de locatie waar de begeleidingsdraad is verbonden met de begrenzingslus, om daar met maaien te beginnen.

Als de robotmaaier tegen een obstakel rijdt, keert hij terug en kiest hij een nieuwe richting.

GARDENA R160 - Maaitechniek - 2

Twee sensoren, op de voor- en achterkant van de robotmaaier, detecteren wanneer de robotmaaier de begrenzingsdraad nadert. De robotmaaier rijdt tot 28 centimeter over de begrenzingsdraad voordat hij omkeert.

GARDENA R160 - Maaitechniek - 3

De STOP-knop boven op de robotmaaier wordt vooral gebruikt om een rijdende maaier te stoppen. Als er op de STOP-knop wordt gedrukt, gaat er een klep open en ziet u het bedieningspaneel. De STOP-knop blijft ingedrukt totdat de klep weer wordt gesloten. De klep fungeert als een startonderbreker.

GARDENA R160 - Maaitechniek - 4

De instellingen van de maaier kunnen via het bedieningspaneel boven op de robotmaaier worden aangepast. Open de klep van het bedieningspaneel door op de STOP-knop te drukken.

Wanneer de hoofdschakelaar voor het eerst op stand 1 wordt gezet, wordt er een opstartprocedure geactiveerd, waarbij de taal en de datum- en tijdnotatie kunnen worden geselecteerd en de datum, tijd en viercijferige PIN-code kunnen worden ingesteld. Zie 3.8 In gebruik nemen en aansluiten op het laadstation op pagina 39.

Bewegingspatroon

Het bewegingspatroon van de robotmaaier is onregelmatig en wordt door de robotmaaier zelf bepaald. Een bewegingspatroon wordt nooit herhaald. Dit maaisysteem zorgt ervoor dat het gazon zeer gelijkmatig en zonder maailijnen wordt gemaaid.

Als de robotmaaier in een gebied komt en detecteert dat het gras langer dan voorheen is, kan hij het bewegingspatroon aanpassen. Hij kan dan in een vierkant patroon gaan maaien om het gebied met het langere gras systematischer te maaien.

Wanneer de robotmaaier in een vierkant patroon maait, wordt dit systematisch maaien genoemd. Om met systematisch maaien te kunnen beginnen, moet de robotmaaier meer dan 6 uur in bedrijf zijn geweest.

Het laadstation vinden

De robotmaaier kan worden ingesteld om het laadstation op een of meer van de drie beschikbare manieren te zoeken. De robotmaaier combineert deze drie zoekmethoden automatisch om het laadstation zo snel mogelijk te vinden, terwijl hij tegelijkertijd probeert om zo weinig mogelijk sporen te vormen.

Via de handmatige instelmogelijkheden kunnen de drie zoekmethoden worden gecombineerd om het zoeken naar het laadstation te optimaliseren voor de vorm van de betreffende tuin. Zie 6.5 Tuin op pagina 50.

Zoekmethode 1: Onregelmatig

De robotmaaier rijdt in een onregelmatig patroon totdat hij dicht bij het laadstation komt.

Het voordeel van deze zoekmethode is dat er geen kans bestaat op sporen van de robotmaaier in het gazon. Het nadeel is dat het zoeken soms wat langer kan duren.

GARDENA A B C D E Yes 123 405 7 b b O

3018-121

GARDENA R160 - Zoekmethode 1: Onregelmatig - 2

Zoekmethode 2: Begeleidingsdraad volgen

De robotmaaier rijdt in een onregelmatig patroon totdat hij bij de begeleidingsdraad komt. Vervolgens volgt de robotmaaier de begeleidingsdraad naar het laadstation.

De begeleidingsdraad is een extra kabel die vanaf het laadstation bijvoorbeeld richting een afgelegen deel van het werkgebied of door een smalle doorgang wordt gelegd, om vervolgens te worden aangesloten op de begeleidingsdraad. Zie 3.6 De begeleidingsdraad installeren op pagina 33.

Deze zoekmethode maakt het voor de robotmaaier makkelijker om het laadstation te vinden in een gebied met veel of grote eilanden, smalle doorgangen of steile hellingen.

Het voordeel van deze zoekmethode is de kortere zoektijd.

GARDENA R160 - Zoekmethode 2: Begeleidingsdraad volgen - 1

Zoekmethode 3: Begrenzingsdraad volgen

De robotmaaier rijdt in een onregelmatig patroon totdat hij bij de begrenzingslus komt. Vervolgens volgt hij de begrenzingslus naar het laadstation. De robotmaaier gaat willekeurig rechtsom of linksom.

Deze zoekmethode is geschikt voor een installatie met een open tuin met brede doorgangen (breder dan circa 3 meter) en geen of slechts enkele kleine eilanden.

Het voordeel van deze zoekmethode is dat er geen begeleidingsdraad hoeft te worden geïnstalleerd.

Het nadeel is dat er langs de begrenzingslus enkele sporen in het gazon kunnen worden gevormd. Bovendien zal de zoektijd langer zijn als de installatie smalle doorgangen of talrijke eilanden bevat.

In de regel wordt deze zoekmethode enkel gebruikt als de robotmaaier het laadstation met behulp van zoekmethode 1 of 2 niet binnen de verwachte tijd kan vinden.

GARDENA R160 - Zoekmethode 3: Begrenzingsdraad volgen - 1

2.3 Meerdere robotmaaiers in één tuin

Als u meerdere robotmaaiers in hetzelfde deel van een tuin installeert, moet elke maaier een eigen PIN-code hebben. Voor elke maaier is een volledige installatie en een eigen laadstation nodig. De begrenzingsdraden voor de afzonderlijke installaties kunnen naast elkaar worden gelegd.

2.4 Eén robotmaaier in meerdere tuinen

Eén robotmaaier kan heel goed worden gebruikt voor meerdere tuinen, maar in dat geval moet elke tuin zijn voorzien van een eigen laadstation en begrenzingslus.

Als de werkgebieden ver genoeg uit elkaar liggen (meer dan 10 meter), is het geen probleem om voor deze installaties dezelfde PIN-code te gebruiken.

Als de werkgebieden aan elkaar grenzen en de begrenzingslussen dicht bij elkaar liggen, moet voor elke installatie een andere PIN-code worden gebruikt. In dat geval moet de PIN-code bij elke verplaatsing naar een ander werkgebied worden gewijzigd in de robotmaaier. Zie 6.6 Instellingen op pagina 57 voor meer informatie over het wijzigen van de PIN-code.

INSTALLATIE

3 Installatie

Dit hoofdstuk beschrijft hoe u de GARDENA robotmaaier installeert. Lees voordat u met de installatie begint eerst het vorige hoofdstuk, 2 Presentatie.

Lees ook het huidige hoofdstuk volledig door voordat u met de installatie begint. De wijze waarop de installatie is uitgevoerd, bepaalt tevens hoe goed de robotmaaier functioneert. Het is daarom belangrijk om de installatie zorgvuldig te plannen.

De planning is gemakkelijker als u een schets maakt van het werkgebied, met inbegrip van alle obstakels. Zo vindt u eenvoudiger de beste positie voor het laadstation, de begrenzingsdraad en de begeleidingsdraad. Geef op de schets aan hoe de begrenzingsdraad en de begeleidingsdraad moeten lopen.

In hoofdstuk 7. Tuinvoorbeelden, vindt u voorbeelden van installaties.

Kijk ook op www.gardena.com voor meer beschrijvingen en tips over het installeren.

Volg onderstaande stappen om de installatie uit te voeren:

3.1 Voorbereidingen
3.2 Het laadstation installeren
3.3 De accu laden
3.4 De begrenzingsdraad installeren
3.5 De begrenzingsdraad aansluiten
3.6 De begeleidingsdraad installeren
3.7 De lus controleren
3.8 In gebruik nemen en aansluiten op het laadstation
3.9 Het dokken in het laadstation testen
Het laadstation en de begrenzingslus moeten zijn aangesloten om de robotmaaier volledig te kunnen opstarten.

3.1 Voorbereidingen

  1. Als het gras in het werkgebied langer dan 10 cm is, moet u het gras eerst met een gewone gazonmaaier maaien. Verzamel daarna het gras.
  2. Vul gaten en kuilen op om te voorkomen dat regenwater hier plassen vormt. Het product kan beschadigd raken als het wordt gebruikt in waterplassen.
  3. Lees alle stappen volledig door voordat u met de installatie begint.
  4. Controleer of alle onderdelen voor de installatie zijn meegeleverd. De cijfers tussen haakjes geven het onderdeel in de afbeelding 2.1 Wat is wat? aan.

GARDENA R160 - Voorbereidingen - 1

• Gebruikershandleiding (27)
- Robotmaaier
- Laadstation (9)
- Lusdraad voor begrenzingslus en begeleidingsdraad (20)
• Transformer (19)
• Laagspanningskabel (21)
• Krammen (22)
• Aansluitklemmen voor de lusdraad (23)
• Schroeven voor het laadstation (24)
- Meetlat (de meetlat wordt van de doos gescheurd) (25)
• Koppelingen voor de lusdraad (26)

Tijdens de installatie hebt u ook het volgende nodig:

  • Hamer/kunststof moker (om de krammen gemakkelijker in de grond te krijgen).
  • Combinatietang voor het knippen van de begrenzingsdraad en het samenknijpen van de contactstrips.
  • Kantensteker/rechte spade als de begrenzingsdraad moet worden ingegraven.

GARDENA R160 - Voorbereidingen - 2

3.2 Het laadstation installeren

Beste locatie voor het laadstation

Houd bij het kiezen van de beste locatie voor het laadstation rekening met de volgende aspecten:

  • Zorg voor minimaal 2 meter vrije ruimte vóór het laadstation
  • Kies een locatie dicht bij een stopcontact. De bijgeleverde laagspanningskabel is 20 meter lang
  • Een vlakke ondergrond om het laadstation op te plaatsen
  • Bescherming tegen waternevel van bijvoorbeeld een besproeiingsinstallatie
    • Bescherming tegen direct zonlicht
  • Locatie in het lagere deel van een werkgebied met een aanzienlijke helling
  • Eventuele noodzaak om het laadstation uit het zicht van buitenstaanders te houden

Voorbeelden van de ideale positie voor het laadstation vindt u in 7 Voorbeelden van tuinen op pagina 61.

INSTALLATIE

Het laadstation moet zodanig worden geplaatst dat er veel vrije ruimte vóór het laadstation is (minimaal 2 meter). Het laadstation moet ook centraal in het werkgebied worden geplaatst, zodat de robotmaaier het laadstation makkelijker kan vinden en snel alle gebieden in het werkgebied kan bereiken.

GARDENA R160 - INSTALLATIE - 1

Plaats het laadstation niet in krappe ruimtes in het werkgebied. Op dergelijke locaties kan de robotmaaier moeite hebben om in het laadstation te dokken.

GARDENA R160 - INSTALLATIE - 2

Plaats het laadstation op een redelijk vlakke ondergrond. De voorkant van het laadstation mag maximaal 5 cm hoger of lager liggen dan de achterkant.

Max 5 cm Max 5 cm

3018-126

Het laadstation mag niet zodanig worden geplaatst dat de grondplaat verbogen kan raken.

GARDENA R160 - INSTALLATIE - 4

Plaats het laadstation niet op een eiland omdat het hierdoor lastiger is om de begeleidingsdraad optimaal te leggen. Als het laadstation op een eiland moet worden geïnstalleerd, moet de begeleidingsdraad ook op het eiland worden aangesloten. Zie de afbeelding. Zie 3.4 De begrenzingsdraad installeren op pagina 25 voor informatie over eilanden.

GARDENA R160 - INSTALLATIE - 5

De transformator aansluiten

Houd bij het bepalen van de locatie voor de transformator rekening met de volgende punten:

• Dicht bij het laadstation
• Bescherming tegen regen
• Bescherming tegen direct zonlicht

Wanneer de transformator op een stopcontact buiten wordt aangesloten, moet dit stopcontact zijn goedgekeurd voor gebruik buitenshuis. De laagspanningskabel naar de transformator is 20 meter lang en mag niet worden ingekort of verlengd.

De laagspanningskabel mag door het werkgebied worden gelegd. De laagspanningskabel moet met krammen in de grond worden gezet of worden ingegraven en de maaihoogte moet zodanig worden ingesteld dat de messen op de maaischijf nooit in contact kunnen komen met de laagspanningskabel.

De transformator moet op een locatie worden geplaatst waar voldoende ventilatie is en geen direct zonlicht. De transformator moet onder een afdak worden geplaatst.

We raden u aan om een aardlekschakelaar te gebruiken bij het aansluiten van de transformator op het stopcontact.

Voor de beste prestaties mag de transformator niet worden blootgesteld aan direct zonlicht.

Zorg dat de laagspanningskabel over de grond om de 75 cm met krammen wordt vastgezet. De kabel moet overal vlak tegen de grond liggen, zodat hij niet wordt doorgesneden voordat de graswortels er overheen zijn gegroeid.

GARDENA R160 - De transformator aansluiten - 1

De transformator moet worden gemonteerd op een verticaal oppervlak, zoals een muur of een hek. Schroef de transformator in positie met behulp van de twee bevestigingsoogjes. Er worden geen schroeven meegeleverd. Kies schroeven die geschikt zijn voor het betreffende materiaal.

Monteer de transformator nooit op een hoogte waarbij het risico bestaat dat hij onder water komt te staan (minimaal 30 cm vanaf de grond). Het is niet toegestaan om de transformator op de grond te plaatsen.

GARDENA R160 - De transformator aansluiten - 2

3018-155

BELANGRIJKE INFORMATIE

De laagspanningskabel mag onder geen enkele voorwaarde worden ingekort of verlengd.

BELANGRIJKE INFORMATIE

Plaats de laagspanningskabel zodanig dat de messen op de maaischijf hiermee nooit in contact kunnen komen.

INSTALLATIE

Het laadstation installeren en aansluiten

  1. Zet het laadstation op een geschikte plek.
  2. Sluit de laagspanningskabel aan op het laadstation.

GARDENA R160 - Het laadstation installeren en aansluiten - 1

  1. Sluit de laagspanningskabel aan op de transformator.

GARDENA R160 - Het laadstation installeren en aansluiten - 2

  1. Sluit de voedingskabel van de transformator aan op een stopcontact van 230 V.
  2. Bevestig het laadstation aan de grond met behulp van de bijgeleverde schroeven. Draai de schroeven zodanig aan dat ze helemaal verzonken zijn.

GARDENA R160 - Het laadstation installeren en aansluiten - 3

Het is niet toegestaan nieuwe gaten in de grondplaat te maken. Alleen de bestaande gaten mogen worden gebruikt om de grondplaat in de grond vast te zetten.

BELANGRIJKE INFORMATIE

Sta of loop nooit op de plaat van het laadstation.

GARDENA R160 - BELANGRIJKE INFORMATIE - 1

Zodra het laadstation is aangesloten, kunt u de maaier opladen. Zet de hoofdschakelaar in stand 1.

Plaats de robotmaaier in het laadstation om de accu op te laden terwijl de begrenzingsdraad en de begeleidingsdraad worden gelegd.

Als de accu leeg is, duurt het ongeveer 45 tot 60 minuten om hem volledig te laden.

GARDENA R160 - BELANGRIJKE INFORMATIE - 2

De robotmaaier kan niet worden gebruikt zolang de installatie niet volledig voltooid is.

INSTALLATIE

3.4 De begrenzingsdraad installeren

De begrenzingsdraad kan op een van de volgende manieren worden geïnstalleerd:

- De draad in de grond vastzetten met krammen.

U kunt de begrenzingsdraad het beste met krammen vastzetten als u veranderingen wilt aanbrengen tijdens de eerste paar weken van het gebruik. Na enkele weken zal het gras over de draad heen zijn gegroeid, waardoor deze niet langer zichtbaar is. Gebruik een hamer/kunststof moker en de bijgeleverde krammen om de installatie uit te voeren.

• De draad ingraven.

Als u het gazon wilt verticuteren of beluchten, kunt u de begrenzingsdraad het best ingraven. Waar nodig kunnen beide methoden worden gecombineerd zodat een deel van de begrenzingsdraad is vastgezet met krammen en de rest is ingegraven. De draad kan worden ingegraven met behulp van bijvoorbeeld een kantensteker of een rechte spade. Zorg dat u de begrenzingsdraad minimaal 1 cm en maximaal 20 cm onder de grond legt.

Bepalen waar u de begrenzingsdraad wilt leggen

Bij het leggen van de begrenzingsdraad geldt het volgende:

  • Er moet een lus rond het werkgebied voor de robotmaaier worden gevormd. Gebruik alleen originele begrenzingsdraad. Dit is bestand tegen het vocht in de grond dat de draden anders makkelijk zou kunnen beschadigen.
  • De maaier mag op geen enkel punt binnen het volledige werkgebied meer dan 35 meter verwijderd zijn van de draad.
  • De draad mag niet langer zijn dan 500 meter.
  • Zorg dat er 20 cm extra draad beschikbaar is om de begeleidingsdraad later op aan te sluiten. Zie 3.6 De begeleidingsdraad installeren op pagina 33.

De afstand van de begrenzingsdraad tot obstakels varieert en is afhankelijk van wat er pal naast het werkgebied ligt. In de onderstaande afbeelding ziet u hoe de begrenzingsdraad rond het werkgebied en rond obstakels moet worden gelegd. Gebruik de bijgeleverde meetlat om de juiste afstand te bepalen. Zie 2.1 Wat is wat? op pagina 12.

0 cm 10 cm / 4" 30 cm / 12" 35 cm / 14" 3018-070

INSTALLATIE

Grenzen van het werkgebied

Als het werkgebied wordt begrensd door bijvoorbeeld een muur of hek moet de begrenzingsdraad op 35 cm vanaf het obstakel worden gelegd. Dat voorkomt dat de robotmaaier op een obstakel botst en beperkt slijtage aan de kap.

Ongeveer 20 cm van het gazon rond het vaste obstakel zal niet worden gemaaid.

Als het werkgebied grenst aan een kleine greppel, zoals bij een bloemperk, of een kleine verhoging, zoals een lage stoeprand (3-5 cm), moet de begrenzingsdraad op 30 cm binnen het werkgebied worden gelegd. Op die manier rijden de wielen niet de greppel in of de stoep op.

Ongeveer 18 cm gras langs de greppel/stoeprand zal niet worden gemaaid.

Als het werkgebied grenst aan een tegelpad of iets dergelijks, dat niet boven het gazon uitsteekt, is het mogelijk om de robotmaaier een eindje over het pad te laten rijden. De begrenzingsdraad moet dan 5 cm vanaf de rand van het pad worden gelegd.

Al het gras langs het tegelpad wordt gemaaid.

Als het werkgebied in tweeën wordt gedeeld door een tegelpad dat niet boven het gazon uitsteekt, is het mogelijk om de robotmaaier over het pad te laten rijden. Het kan een voordeel zijn om de begrenzingsdraad onder de tegels te leggen. De begrenzingsdraad kan ook in de voeg tussen de tegels worden gelegd.

Let op! De robotmaaier mag nooit over grind, mulch of soortgelijk materiaal rijden, omdat de messen hierdoor kunnen worden beschadigd.

BELANGRIJKE INFORMATIE

Als het werkgebied aan een waterpartij, helling, afgrond of openbare weg grenst, moet behalve de begrenzingsdraad ook een rand of iets dergelijks worden geplaatst. Die moet in dat geval minimaal 15 cm hoog zijn. Dat zorgt ervoor dat de robotmaaier nooit buiten het werkgebied terecht kan komen.

35 cm / 14"

3018-105

GARDENA R160 - BELANGRIJKE INFORMATIE - 2

Grenzen binnen het werkgebied

Gebruik de begrenzingsdraad om gebieden binnen het werkgebied te isoleren door eilanden te creëren rond obstakels die niet tegen botsingen kunnen, zoals bloemperken, struiken en fonteinen.

Obstakels die wel tegen een botsing kunnen, zoals bomen en struiken hoger dan 15 cm, hoeven niet met de begrenzingsdraad te worden geïsoleerd. De robotmaaier keert om wanneer hij tegen een dergelijk obstakel stoot.

Voor een veilige en stille werking is het raadzaam alle vaste voorwerpen in en rond het werkgebied af te grenzen.

Leg de draad tot en rond het gebied dat moet worden geïsoleerd en keer dan terug langs dezelfde route. Als er krammen worden gebruikt, moet de draad op de terugweg onder dezelfde kram worden gelegd. Als de begrenzingsdraden naar en vanaf het eiland dicht bij elkaar worden gelegd, kan de robotmaaier over de draad rijden.

De begrenzingsdraad mag op het traject van en naar een eiland niet worden gekruist.

Obstakels die een lichte helling vertonen, bijvoorbeeld stenen of grote bomen met bovengrondse wortels, moeten worden geïsoleerd met een eiland of worden verwijderd. De robotmaaier kan anders op zulke obstakels glijden, met als gevolg dat de messen beschadigd raken en/of de maaier vast komt te zitten.

Bijgebieden

Als het werkgebied uit twee zones bestaat, waarbij het voor de maaier lastig is om van de ene naar de andere zone te gaan, kunt u beter een bijgebied creëren. Voorbeelden hiervan zijn hellingen van 35% of een doorgang die smaller is dan 60 cm. Leg de begrenzingsdraad dan rond het bijgebied zodat er een eiland wordt gevormd buiten het hoofdgebied.

De robotmaaier moet handmatig worden verplaatst tussen hoofd- en bijgebied wanneer het gras in het bijgebied moet worden gemaaid. Hiervoor moet de MAN-bedieningsmodus worden gebruikt, omdat de maaier het traject tussen het bijgebied en het laadstation niet zelfstandig kan afleggen. Zie 5.1 Snelkoppelingen op pagina 44. In deze modus zal de robotmaaier nooit op zoek gaan naar het laadstation, maar doorgaan met maaien totdat de accu leeg is. Wanneer de accu leeg is, stopt de maaier en verschijnt de melding "Moet handmatig laden" op het display. Plaats de maaier in het laadstation om de accu te laden. Als het eerste werkgebied na het laden moet worden gemaaid, kunt u de bedieningsmodus op AUTO zetten voordat u de maaier in het laadstation plaatst.

Doorgangen tijdens het maaien

Vermijd lange en smalle doorgangen en zones smaller dan 1,5 tot 2 meter. Er bestaat een kans dan de robotmaaier

0 cm

3012-1073

0cm

3012-686

GARDENA R160 - Doorgangen tijdens het maaien - 3

tijdens het maaien langere tijd blijft hangen in een dergelijke doorgang of zone. Het gazon zal er dan geplet uitzien.

Hellingen

De robotmaaier kan ook werken op hellende werkgebieden. De maximale hellingsgraad wordt uitgedrukt in procenten (%). De hellingsgraad in procenten wordt berekend als het hoogteverschil in centimeter per meter. Als het hoogteverschil bijvoorbeeld 10 cm is, is de hellingsgraad 10%. Zie de afbeelding.

De begrenzingsdraad kan over een helling met een hellingsgraad van minder dan 10% worden gelegd.

De begrenzingsdraad mag niet op een helling van meer dan 10% worden gelegd. De kans bestaat dat de robotmaaier daar moeilijk kan draaien. De maaier stopt dan en de foutmelding Buiten maalgebied wordt weergegeven. Dat kan vooral gebeuren bij natte weersomstandigheden, omdat de wielen dan op het natte gras kunnen gaan slippen.

De begrenzingsdraad kan ook op een helling steiler dan 10% worden gelegd als er een obstakel is waar de robotmaaier tegenaan mag rijden, zoals bijvoorbeeld een omheining of dichte haag.

De robotmaaier kan binnen het werkgebied gazons maaien met een hellingsgraad tot 35 cm per meter (35%). Gebieden met een grote hellingsgraad moeten met begrenzingsdraad worden geïsoleerd.

Als de hellingshoek van een deel van de buitenste randen van het werkgebied meer dan 10 cm per strekkende meter (10%) is, moet de begrenzingsdraad 20 cm over een vlakke ondergrond lopen voordat de helling begint.

GARDENA R160 - Hellingen - 1
3012-1088
3018-109
3018-110

>10% 0-10% 0-10 cm 100 cm 35 cm 0-35% 100 cm 0-35 cm

3018-145

INSTALLATIE

De begrenzingsdraad leggen

Als u van plan bent de begrenzingsdraad met krammen vast te zetten:

  • Maai het gras op de plek waar u de draad gaat leggen heel kort met een gewone gazonmaaier of trimmer. In dat geval is het eenvoudiger om de draad dicht bij de grond te leggen, waardoor de kans kleiner wordt dat de maaier de draad doorsnijdt of de isolatie van de draad beschadigt.
  • Leg de begrenzingsdraad vlak bij de grond en zet de krammen dicht bij elkaar, op ongeveer 75 cm. De kabel moet overal vlak tegen de grond liggen, zodat hij niet wordt doorgesneden voordat de graswortels er overheen zijn gegroeid.
  • Gebruik een hamer om de krammen in de grond te tikken. Wees voorzichtig bij het inslaan van de krammen en zorg dat de draad niet te strak komt te staan. Vermijd scherpe bochten in de draad.

Als u de begrenzingsdraad gaat ingraven:

- Zorg dat u de begrenzingsdraad minimaal 1 cm en maximaal 20 cm onder de grond legt. De draad kan worden ingegraven met behulp van bijvoorbeeld een kantensteker of een rechte spade.

Gebruik de bijgeleverde meetlat als hulpmiddel bij het leggen van de begrenzingsdraad. Zo kunt u eenvoudig de juiste afstand aanhouden tussen de begrenzingsdraad en de grens/het obstakel.

BELANGRIJKE INFORMATIE

Leg extra draad niet opgerold buiten de begrenzingsdraad. Dit kan de werking van de robotmaaier verstoren.

Lus voor het aansluiten van de begeleidingsdraad

Om het aansluiten van de begeleidingsdraad op de begrenzingsdraad te vergemakkelijken, is het een goed idee om op het punt waar de begeleidingsdraad later wordt aangesloten een lus te creëren met behulp van een extra stuk begrenzingsdraad van ongeveer 20 cm. Bepaal voordat u begint met het uitleggen van de begrenzingsdraad waar u de begeleidingsdraad wilt plaatsen. Zie 3.6 De begeleidingsdraad installeren op pagina 33.

GARDENA R160 - Lus voor het aansluiten van de begeleidingsdraad - 1

De begrenzingsdraad richting het laadstation leggen

De begrenzingsdraad kan op diverse manieren richting het laadstation worden gelegd. U kunt de begrenzingsdraad het beste volledig buiten het laadstation om leggen. Zie optie 1. Het is ook mogelijk om de draad onder de laadplaat van het laadstation te leggen, zoals bij optie 2 op de afbeelding. De draad mag echter niet verder naar buiten worden gelegd dan aangegeven in optie 2, omdat de robotmaaier anders moeite zal hebben om het laadstation te vinden.

De begrenzingsdraad lassen

Gebruik een originele koppeling wanneer de begrenzingsdraad niet lang genoeg is en moet worden gelast. Die is waterbestendig en garandeert een betrouwbare elektrische aansluiting.

Steek beide draaduiteinden in de koppeling. Controleer of de draden volledig in de koppeling zijn gestoken, zodat de uiteinden zichtbaar zijn door het doorzichtige deel aan de andere zijde van de koppeling. Duw de knop boven op de koppeling vervolgens helemaal in. Gebruik hiervoor een tang, aangezien de knop op de koppeling met de hand lastig in te drukken is.

BELANGRIJKE INFORMATIE

Een tweaderige kabel of een kroonsteentje geïsoleerd met isolatietape levert geen adequate lassen op. Vochtige grond zorgt dat de draden oxideren, waardoor het circuit na een tijdje wordt onderbroken.

1. 2.

3018-12D

GARDENA R160 - BELANGRIJKE INFORMATIE - 2

3.5 De begrenzingsdraad aansluiten

Om de begrenzingsdraad aan te sluiten op het laadstation:

BELANGRIJKE INFORMATIE

De begrenzingsdraad mag zichzelf niet kruisen wanneer deze wordt aangesloten op het laadstation. Sluit het rechteruiteinde van de draad aan op de pen rechts op het laadstation en het linkeruiteinde op de pen links.

  1. Til de klep van het laadstation op.

  2. Pak de onderrand van de klep met beide handen vast en trek deze recht naar buiten richting de zijkant.

  3. Til de klep vervolgens recht omhoog.

  4. Schuif de uiteinden van de begrenzingsdraad in de onderste openingen op het laadstation en leidt ze door de bovenste openingen weer naar buiten. Steek het rechteruiteinde van de draad in de opening rechts en het linkeruiteinde van de draad in de opening links.

3012-268 3012-269 3012-867 3012-868

INSTALLATIE

  1. Steek de uiteinden van de draad in de aansluitklem:

  2. Open de aansluitklem.

  3. Plaats de draad in de uitsparing in de aansluitklem.

  4. Druk de aansluitklemmen samen met een tang. Druk totdat u een klik hoort.

  5. Knip overtollige begrenzingsdraad weg. Knip op 1 tot 2 cm boven de aansluitklemmen af.
  6. Druk de aansluitklemmen op de metalen pennen, gemarkeerd met A, op het laadstation. Controleer zorgvuldig of de aansluitklem goed is bevestigd.

BELANGRIJKE INFORMATIE

De rechteraansluitklem moet zijn aangesloten op de metalen pen rechts op het laadstation en het linkerdraaduiteinde moet zijn aangesloten op de linkeraansluitklem.

  1. Plaats de klep terug op het laadstation. Zorg dat de drie begeleidingen op het laadstation door de juiste openingen in de klep zijn gestoken.

Nederlands - 32

GARDENA R160 - BELANGRIJKE INFORMATIE - 1

3.6 De begeleidingsdraad installeren

De begeleidingsdraad is een kabel die vanaf het laadstation bijvoorbeeld richting een afgelegen deel van het werkgebied of door een smalle doorgang wordt gelegd, om vervolgens te worden aangesloten op de begeleidingsdraad. Voor de begrenzingslus en de begeleidingsdraad wordt dezelfde draadhaspel gebruikt.

De begeleidingsdraad wordt door de robotmaaier gebruikt om de weg naar het laadstation te vinden, maar dient ook om de robotmaaier naar afgelegen gebieden van de tuin te leiden.

Voor een gelijkmatig maairesultaat kan de maaier de begeleidingsdraad vanaf het laadstation volgen om met maaien te beginnen op een van de vooraf ingestelde posities langs de begeleidingsdraad. Afhankelijk van de tuinindeling moet u instellen hoe vaak de maaier de begeleidingsdraad vanaf het laadstation moet volgen. Zie 6.6 Instellingen op pagina 57.

Zorg dat de maaier op diverse afstanden vanaf de begeleidingsdraad werkt om spoorvorming te voorkomen wanneer de maaier de begeleidingsdraad van en naar het laadstation volgt. Het gebied naast de draad dat de maaier dan gebruikt, wordt de corridor genoemd.

De maaier loopt altijd links van de begeleidingsdraad, gezien in de richting van het laadstation. De corridor bevindt zich dus links van de begeleidingsdraad. De doorrijbreedte kan worden aangepast aan de vorm van de tuin. Gebruik altijd een zo breed mogelijke corridor.

De begeleidingsdraad kan, net als de begrenzingsdraad, met krammen in de grond worden vastgezet of worden ingegraven.

GARDENA R160 - De begeleidingsdraad installeren - 1

flowchart
graph TD
    A["Input"] --> B["Process"]
    B --> C["Output"]
    style A fill:#f9f,stroke:#333
    style B fill:#ccf,stroke:#333
    style C fill:#cfc,stroke:#333

3012-1074

GARDENA R160 - De begeleidingsdraad installeren - 2

Installeer de begeleidingsdraad om een zo breed mogelijke corridor te creëren.

Het nut van een begeleidingsdraad

Hoewel een begeleidingsdraad voor veel tuinen niet noodzakelijk is, raden we u aan altijd een begeleidingsdraad te installeren om de installatie zo betrouwbaar en efficiënt mogelijk te maken.

Een begeleidingsdraad is vereist als de tuin een van de volgende elementen bevat. Om de vereiste functionaliteit te verkrijgen, moet u er altijd voor zorgen dat de begeleidingsdraad correct worden geïnstalleerd.

• Smalle doorgangen (smaller dan 3 meter)
- De begrenzingsdraad loopt over een steile helling (steiler dan 25%)
- De begrenzingsdraad is over een lange helling gelegd (steiler dan 10%)
• Veel of grote eilanden

INSTALLATIE

  • De afstand naar een afgelegen gebied is groot of gecompliceerd
    • Het laadstation bevindt zich op een eiland

Smalle doorgangen

Als de afstand tot de begrenzingsdraden minder dan 3 meter bedraagt, moet een begeleidingsdraad door de doorgang heen worden gelegd. Dit is een betere optie dan toestaan dat de robotmaaier dicht langs de begrenzingslus loopt door een lage waarde in te stellen voor Max. afst. tot draad, omdat dit kan leiden tot spoorvorming.

GARDENA R160 - Smalle doorgangen - 1

Begrenzingslus loopt langs een steile helling.

Wanneer de robotmaaier de begrenzingsdraad over een steile helling moet volgen, zal de maaier van richting veranderen en van de begrenzingsdraad wegrijden. Als er geen begeleidingsdraad is, kan dit leiden tot lange zoektijden en een inefficiënte werking.

20% 100 cm 20 cm 25- 100 cm 25- cm

3D12-736

INSTALLATIE

Begrenzingslus loopt over een lange helling

Wanneer de robotmaaier de begrenzingslus dwars over een helling (steiler dan 10%) volgt, moet de maaier de hellingsgraad compenseren. Daarom zal de maaier de begrenzingslus in een langzamer tempo volgen. Er bestaat een grotere kans dat de maaier weg zal glijden en daardoor buiten het werkgebied terecht zal komen. Zonder een begeleidingsdraad bestaat er kans op lange zoektijden en uitval.

10- % 10 cm 100 cm

3012-738

Veel of grote eilanden

Als de robotmaaier de begrenzingslus mag volgen, kan het gebeuren dat hij tweemaal rond een eiland rijdt voordat hij het eiland verlaat en opnieuw op zoek gaat naar de begrenzingslus. Als er geen begeleidingsdraad is, kan dit leiden tot lange zoektijden en een inefficiënte werking.

Afstand tot een afgelegen gebied is groot of gecompliceerd

Als de robotmaaier de begrenzingslus van en naar een afgelegen gebied moet volgen en de afstand langs de begrenzingslus naar dit gebied groot of gecompliceerd is. Als er geen begeleidingsdraad is, kan dit leiden tot lange zoektijden en een inefficiënte werking.

GARDENA R160 - Afstand tot een afgelegen gebied is groot of gecompliceerd - 1

Het laadstation bevindt zich op een eiland

Als de afstand tussen het laadstation en de buitenste randen van de begrenzingslus meer dan 4 meter bedraagt, kan het lang duren voor de robotmaaier het laadstation vindt als hij de begrenzingslus volgt. Er bestaat een kans dat de maaier de buitenste rand van het werkgebied twee of drie keer zal volgen voordat hij van richting verandert en de lus op een andere locatie gaat volgen.

GARDENA R160 - Het laadstation bevindt zich op een eiland - 1

De begeleidingsdraad leggen en aansluiten

  1. Til de klep op het laadstation op.
  2. Schuif het uiteinde van de begeleidingsdraad in de opening rechtsonder op het laadstation en leidt dit door de bovenste opening weer naar buiten.

  3. Bevestig een aansluitklem op de begeleidingsdraad, op dezelfde wijze als bij de begrenzingsdraad in 3.5 De begrenzingsdraad aansluiten op pagina 31. Sluit deze aan op de aansluitpen, gemarkeerd met Guide, op het laadstation.

Guide 1

3018-131

A2 Gluss2 A1 Glu

3018-132

  1. Leid de begeleidingsdraad recht onder de plaat van het laadstation door en vervolgens minstens 2 meter in een rechte lijn vanaf de voorste rand van de plaat.

Als de begeleidingsdraad in een doorgang moet worden gelegd:

- De robotmaaier volgt de begeleidingsdraad aan dezelfde kant van de draad naar en van het laadstation. Dit betekent dat de begeleidingsdraad zich rechts van de maaier bevindt wanneer de maaier naar het laadstation toe gaat, terwijl deze zich links van de maaier bevindt wanneer de maaier van het laadstation weggaat.

- In de doorgang moet de begeleidingsdraad daarom zodanig worden geplaatst dat de maaier zo veel mogelijk ruimte heeft om te werken. De afstand tussen de begrenzingslus en de begeleidingsdraad moet echter minimaal 30 cm bedragen.

Maximale afstand Min. 30 cm/12" Min. 2 m/7 ft

3012-834

INSTALLATIE

Als de begeleidingsdraad op een steile helling moet worden geïnstalleerd, moet de draad bij voorkeur onder een hoek op de helling worden gelegd. Dit maakt het voor de maaiereenvoudiger om de begeleidingsdraad op de helling te volgen.

GARDENA R160 - INSTALLATIE - 1

Leg de draad niet in scherpe bochten. Hierdoor kan het voor de robotmaaier lastig worden om de begeleidingsdraad te volgen.

135° 135° 90°

3012-953

  1. Leid de begeleidingsdraad naar het punt op de begrenzingsdraad waar eerder een lus was gemaakt om het aansluiten van de begeleidingsdraad te vereenvoudigen.
  2. Knip de lus op de begrenzingsdraad door met bijvoorbeeld een draadtang.
  3. Sluit de begeleidingsdraad met behulp van een koppeling aan op de begrenzingsdraad:

Steek de begrenzingsdraad in elk van de openingen in de koppeling. Steek de begeleidingsdraad in de middelste opening in de koppeling. Controleer of de draden volledig in de koppeling zijn gestoken, zodat de uiteinden zichtbaar zijn door het doorzichtige deel aan de andere zijde van de koppeling.

Gebruik een tang om de knop op de koppeling helemaal in te drukken.

Het maakt niet uit welke openingen worden gebruikt voor het aansluiten van elke draad.

  1. Zet de las met krammen vast in het gazon of graaf hem in.

GARDENA R160 - INSTALLATIE - 3

De begeleidingsdraad mag de begrenzingsdraad niet kruisen, bijvoorbeeld een begrenzingsdraad die naar een eiland loopt.

GARDENA R160 - INSTALLATIE - 4

Controleer het lussignaal door te kijken naar het indicatielampje in het laadstation.

• Constant licht = goede signalen.
- Knippert één keer per seconde = onderbreking van de lus en geen signaal beschikbaar.
- Knippert twee keer per seconde = zwak signaal. Dit kan komen doordat de begrenzingslus langer dan 500 m is of doordat de draad beschadigd is. Als de maaier toch werkt, is het geen probleem.

Als het indicatielampje helemaal niet werkt, is het laadstation hoogstwaarschijnlijk niet aangesloten op het lichtnet.

Zie 9.2 Indicatielampje in het laadstation op pagina 72 wanneer het lampje niet constant groen is en ook niet groen knippert.

GARDENA R160 - INSTALLATIE - 5

3.8 In gebruik nemen en aansluiten op het laadstation

Voordat de maaier in gebruik wordt genomen, moet er via het menu van de maaier een opstartprocedure worden uitgevoerd. De maaier moet ook worden aangesloten op het laadstation.

  1. Open de klep van het bedieningspaneel door op de STOP-knop te drukken.
  2. Parkeer de robotmaaier in het laadstation.
  3. Zet de hoofdschakelaar in stand 1.

Wanneer de robotmaaier voor het eerst wordt gebruikt, wordt een opstartprocedure gestart. De volgende gegevens moeten worden ingevoerd:

• Taal
• Tijdnotatie
- De huidige tijd
- Datumnotatie
- Datum
- Viercijferige PIN-code. Alle combinaties behalve 0000 zijn toegestaan.

De installatie is pas volledig voltooid wanneer met behulp van de functies Test volg draad IN (3-2-4) en Test volg draad UIT (3-2-5) is bevestigd dat de robotmaaier het laadstation kan vinden en weer kan verlaten om de weg naar afgelegen gebieden van de tuin te vinden. Zie 6.5 Tuin op pagina 50.

BELANGRIJKE INFORMATIE

Gebruik Aantekeningen op pagina 4 om de PIN-code te noteren.

GEBRUIK

4 Gebruik

4.1 Een lege accu laden

Wanneer de robotmaaier nieuw is of langere tijd is opgeslagen, is de accu leeg en moet die voor gebruik worden geladen. Het laden duurt ongeveer 50 tot 70 minuten.

  1. Parkeer de robotmaaier in het laadstation. Schuif de maaier zo ver mogelijk naar binnen om te zorgen voor een goed contact tussen de maaier en het laadstation.

GARDENA R160 - Een lege accu laden - 1

Er is sprake van goed contact wanneer beide laadstrips op de maaier het midden van de contactstrips op het laadstation raken.

GARDENA R160 - Een lege accu laden - 2

  1. Open de klep en zet de hoofdschakelaar in stand 1. Op het display wordt aangegeven dat de accu wordt opgeladen.

GARDENA R160 - Een lege accu laden - 3

WAARSCHUWING

Lees de veiligheidsvoorschriften door voordat u de robotmaaier start.

GARDENA R160 - WAARSCHUWING - 1
1001-003

GARDENA R160 - WAARSCHUWING - 2

WAARSCHUWING

Houd uw handen en voeten uit de buurt van de draaiende messen. Plaats uw handen of voeten niet in de buurt van of onder de kap wanneer de motor draait.

GARDENA R160 - WAARSCHUWING - 1
3012-653

GEBRUIK

4.2 De timer gebruiken

Voor het beste maairesultaat mag u het gazon niet te vaak laten maaien. Gebruik de timerfunctie om een platgetrapt gazon te voorkomen en de maximale levensduur van de robotmaaier te waarborgen. Zie 6.4 Timer op pagina 49. Ga er bij het instellen van de timer van uit dat de maaier circa 65 m² per uur en dag maait. Bijvoorbeeld: als het werkgebied 500 m² bedraagt, moet de maaier ongeveer 8 uur per dag werken.

Bovenstaande tijden zijn bij benadering en hangen onder meer af van de kwaliteit van het gras, de scherpte van de messen en de leeftijd van de accu.

Als de omvang van het werkgebied dit toelaat, kan de kwaliteit van het gras verder worden verbeterd door dit om de andere dag te maaien in plaats van dagelijks enkele uren. Bovendien heeft het gras baat bij een rustperiode van ten minste drie opeenvolgende dagen per maand.

Op basis van de fabrieksinstelling zal de maaier 24 uur per dag en 7 dagen per week werken. Dit is een geschikte instelling voor een werkgebied dat overeenkomt met de maximale capaciteit van de robotmaaier van 1.600 m².

4.3 Starten

  1. Druk op de STOP-knop om de klep van het bedieningspaneel te openen.
  2. Zet de hoofdschakelaar in stand 1.
  3. Voer de PIN-code in (als hierom wordt gevraagd).
  4. Sluit de klep binnen 20 seconden. Als er meer dan 20 seconden zijn verstreken nadat er voor het laatst op de STOP-knop of het toetsenbord is gedrukt, moet eerst de knop YES worden ingedrukt voordat de klep kan worden gesloten.

Als de maaier in het laadstation is geparkeerd, zal hij het laadstation alleen verlaten wanneer de accu volledig geladen is en de timer zodanig is ingesteld dat de maaier mag werken.

Voordat de maaischijf start, klinken er 5 piepjes gedurende 2 seconden.

4.4 Stoppen

  1. Druk op de STOP-knop.

De robotmaaier stopt, de maaimotor stopt en de klep van het bedieningspaneel opent zich.

4.5 Uitschakelen

  1. Druk op de STOP-knop.
  2. Zet de hoofdschakelaar in stand 0.

Schakel de robotmaaier altijd uit met de hoofdschakelaar als de maaier moet worden onderhouden of buiten het werkgebied moet worden gebracht.

GARDENA R160 - Uitschakelen - 1

3018-104
Nederlands - 41

GEBRUIK

4.6 De maaihoogte aanpassen

De maaihoogte kan worden ingesteld van MIN (2 cm) tot MAX (6 cm).

Om de maaihoogte aan te passen:

  1. Druk op de STOP-knop om de maaier te stoppen.
  2. Open de klep naar de maaihoogteafstelling door de vergrendeling omlaag te drukken en vervolgens de klep op te lichten.
  3. Draai de hoogteafstellingsknop naar de gewenste stand.
  4. Draai rechtsom als u de maaihoogte wilt verhogen.
  5. Draai linksom als u de maaihoogte wilt verlagen.

  6. Sluit de klep. Verzeker u ervan dat de klep wordt vergrendeld.

GARDENA R160 - De maaihoogte aanpassen - 1

Tijdens de eerste week na een nieuwe installatie moet de maaihoogte op MAX worden ingesteld om beschadiging van de lusdraad te voorkomen. Hierna kan de maaihoogte elke tweede week geleidelijk worden verlaagd totdat de gewenste maaihoogte is bereikt.

GARDENA R160 - De maaihoogte aanpassen - 2

Alle commando's en instellingen voor de robotmaaier gebeuren via het bedieningspaneel. Alle functies zijn toegankelijk via een aantal menu's.

GARDENA R160 - De maaihoogte aanpassen - 3

Het bedieningspaneel bestaat uit een display en een toetsenbord. Alle informatie wordt op het display weergegeven en alles wordt met de knoppen ingevoerd.

GARDENA A B C 12 40 7 8 9 D Yes No Unn Auto

3018-121

Wanneer de STOP-knop is ingedrukt en de klep is geopend, worden het hoofdmenu, de cursor, de klok, de geselecteerde bedieningsmodus, het aantal maaiuren, de accustatus en de timerinstelling weergegeven.

- Het hoofdmenu is het hoogste niveau in de volledige menustructuur.

- De cursor geeft aan welk menu is geselecteerd wanneer de knop YES is ingedrukt.

• Op de klok staat de huidige tijd.

• AUTO, MAN of HOME geeft aan welke bedieningsmodus er is geselecteerd.

- Het aantal bedrijfsuren geeft aan hoeveel uur de robotmaaier in bedrijf is geweest sinds de productiedatum. De tijd die de robotmaaier heeft gemaaid of naar het laadstation heeft gezocht, wordt ook als rijtijd geteld.

- Het klokpictogram geeft aan wanneer de robotmaaier door de timer is of zal worden uitgeschakeld, d.w.z. in het laadstation staat of op weg is naar het laadstation om uit te schakelen.

- Het programmapictogram laat zien welke van de programma's onder de knoppen A, B of C is geselecteerd.

- De accustatus geeft de resterende lading van de accu aan.

Main menu 11:16 AUTO Commands Timer 1h Installation A Settings

3018-162

BEDIENINGSPANEEEL

Het toetsenbord bestaat uit vier groepen knoppen: bedieningsselectieknop, meerkeuzeknoppen, cijfers en startknop.

STOP GARDENA

3018-158

5.1 Snelkoppelingen

1. Home:

Stuart de maaier naar het laadstation. Hij blijft hier totdat een andere bedieningsmodus wordt geselecteerd. De tekst Home wordt op het bedieningsvenster weergegeven. Als de accu volledig geladen is, blijft de maaier geparkeerd staan in het laadstation.

2. Bedieningsmodus:

De geselecteerde bedieningsmodus wordt rechts op het display weergegeven als AUTO of MAN.

Druk op de knop om de volgende keuze te maken:

AUTO – de standaard, automatische bedieningsmodus waarbij de robotmaaier steeds afwisselend maait en wordt opgeladen.

MAN – deze instelling moet worden gebruikt om bijgebieden te maaien. Zie 3.4 De begrenzingsdraad installeren op pagina 25.

Als MAN is geselecteerd en de maaier vanaf een plek op het gazon start, blijft hij maaien totdat de accu leeg is. Daarna stopt de maaier en wordt de melding "Moet handmatig laden" weergegeven. De maaier moet dan handmatig worden teruggebracht naar het laadstation en na het laden weer handmatig worden gestart.

Als de maaier wordt geladen terwijl hij in de modus MAN staat, zal hij volledig worden geladen. Daarna rijdt hij ongeveer 20 cm achterwaarts het laadstation uit om vervolgens te stoppen. Dat geeft aan dat hij geladen is en klaar is om met maaien te beginnen.

Als het eerste werkgebied na het laden moet worden gemaaid, kunt u de bedieningsmodus op AUTO zetten voordat u de maaier in het laadstation plaatst.

1 2 Man Auto STOP GARDENA 3018-159

BEDIENINGSPANEEEL

5.2 Programma

  1. A

  2. B

  3. C

Onder de programmaknoppen kunt u sets van verschillende instellingen opslaan om deze opnieuw te gebruiken of om het gebruik van één robotmaaier in meerdere tuinen makkelijker te maken. Onder sommige knoppen zitten vooraf ingestelde instellingen.

  • Instellingen wijzigen: Voer de gewenste instellingen uit. Sla de instellingen op door de geselecteerde knop 2 seconden lang ingedrukt te houden, totdat u kort na elkaar twee piepjes hoort. Als u bijvoorbeeld op knop A drukt, wordt 2 seconden lang het bericht Program A changed (Programma A gewijzigd) weergegeven op het display.
  • Gebruik de opgeslagen informatie door snel op de betreffende knop te drukken. Als u bijvoorbeeld op knop A drukt, verschijnt de vraag Use program A? (Programma A gebruiken) op het display. U selecteert Program A (Programma A) door op YES (JA) te drukken. Vervolgens wordt de letter A rechts op het display weergegeven om aan te geven welk programma geselecteerd is.

STOP A B C GARDENA 3018-167

5.3 Selecties

  1. Cancel:

Indrukken om een stap terug te gaan in de menustructuur of de nieuwe invoer te annuleren.

  1. YES:

  2. Indrukken om een invoer of selectie te bevestigen.

  3. Indrukken om de maaier te starten als er meer dan 20 seconden zijn verstreken tussen het moment dat u voor het laatst een knop hebt ingedrukt en het moment waarop u de klep van het bedieningspaneel wilt sluiten.

  4. Pijl omhoog en pijl omlaag:

- Druk een van de pijlknoppen in om de cursor te verplaatsen naar een ander menu of een andere selectie.

STOP C Yes GARDENA 3018-160

5.4 Nummers

De cijfertoetsen worden bijvoorbeeld gebruikt om de PIN-code of tijdinstellingen in te voeren.

De cijfertoetsen kunnen ook worden gebruikt voor het invoeren van een reeks cijfers als snelkoppeling naar de diverse menu's. Zie 6.1 Hoofdmenu op pagina 47 voor meer informatie over nummerreeksen.

STOP GARDENA 1 2 3 4 5 6 7 8 9 3018-161

BEDIENINGSPANEEEL

5.5 Hoofdschakelaar

Zet de hoofdschakelaar in stand 1 om de robotmaaier te starten.

Zet de hoofdschakelaar in stand 0 als de maaier niet in gebruik is of als werkzaamheden worden uitgevoerd aan de maaischijf.

Als de hoofdschakelaar in stand 0 staat, kunnen de motoren van de maaier niet starten.

GARDENA R160 - Hoofdschakelaar - 1

Het hoofdmenu bestaat uit vier opties:

  • Commando's (1)
  • Timer (2)
  • Tuin (3)
  • Instellingen (4)

Elke optie heeft een aantal submenu's. Hiermee hebt u toegang tot alle functies voor het instellen van de robotmaaier.

Tussen menu's bladeren

Gebruik de pijlknoppen om door het hoofdmenu en de submenu's te bladeren. Gebruik de cijferknoppen om waarden en de tijd in te voeren en bevestig elke selectie met de knop YES. Druk op Cancel om een stap terug te gaan en druk op de knop Home om direct terug te keren naar het hoofdmenu.

Nummerreeksen

Een cijferreeks kan worden gebruikt als snelkoppeling naar een bepaalde functie.

De selectie die u in het hoofdmenu hebt gemaakt en de selecties die u vervolgens in submenu's hebt gemaakt, worden rechts op het display weergegeven als nummerreeksen.

Het eerste cijfer in de reeks verwijst naar de selectie in het hoofdmenu. Het tweede cijfer komt overeen met de selectie in het eerste submenu enz.

Voorbeeld: druk op 2 en vervolgens op 2 in het hoofdmenu om het submenu Dag timer weer te geven.

In de koppen op de volgende pagina's worden de bijbehorende nummerreeksen tussen haakjes vermeld.

Sommige submenu's bevatten opties die links worden aangevinkt. Dit houdt in dat deze opties zijn geselecteerd.

In sommige submenu's staat informatie rechts van de specifieke rijen. Die informatie geeft aan welke selectie er voor de functie is gemaakt.

Main menu 11:16 AUTO Commands Timer 1h Installation A Settings

3018-162

GARDENA A B C 123 405 7 B D Max Auto Yes

3018-121

Daytimer ► Reset all timers Start Time 1 Stop Time 1 Start Time 2 Stop Time 2 2-2

3018-163

GARDENA R160 - Submenu's - 4

Deze optie in het hoofdmenu geeft u toegang tot de volgende functies.

• Laden dan AUTO (1-1)

om de robotmaaier onmiddellijk naar het laadstation te laten rijden, de accu op te laden en vervolgens terug te keren naar de automatische bedieningsmodus. Selecteer de functie en druk op YES (JA) als de cursor op Yes (Ja) staat.

• Laatste fouten bekijken (1-2)

om de lijst met opgeslagen foutmeldingen weer te geven. Gebruik de pijlknoppen om door de lijst te schuiven. De lijst kan maximaal 20 foutmeldingen bevatten en bij elke melding worden de datum en tijd getoond.

• Naar fabrieksinstellingen (1-3)

om alle instellingen terug te zetten naar de oorspronkelijke waarden. Alle instellingen worden gereset, behalve de taal en de PIN-code. Selecteer de functie, voer uw PIN-code in en druk op YES als de cursor op Ja staat.

Commando's

Timer

Tuin

Instellingen

Laden dan AUTO

Laatste fouten bekijken

Fabrieksinstellingen

6.4 Timer

Voor het beste maairesultaat mag u het gazon niet te vaak laten maaien. Daarom is het belangrijk om de rijtijd via de timerfunctie te beperken als het werkgebied kleiner is dan de werkcapaciteit van de robotmaaier. Als u de robotmaaier te veel laat maaien, kan het gazon er geplet uitzien. Bovendien zal de maaier dan onnodig slijten.

De timerfunctie is ook een ideaal middel om te bepalen wanneer de robotmaaier niet mag maaien, bijvoorbeeld wanneer de kinderen in de tuin spelen.

Op basis van de fabrieksinstelling zal de robotmaaier 24 uur per dag en 7 dagen per week werken. Dit is gewoonlijk een geschikte instelling voor een werkgebied van 1.600 m ^2 .

Ga er bij het instellen van de timer vanuit dat de robotmaaier circa 65 m² per uur en dag maait.

• Timer uitschakelen (2-1)
om de timerfunctie tijdelijk uit te schakelen.
- Dag timer (2-2)
om de start- en stoptijden in te stellen. Voer de vereiste tijden in uren en minuten in en druk op OK om de ingevoerde tijd te bevestigen.
• Weekend timer (2-3)
om andere start- en stoptijden in te stellen voor vrijdag tot en met zondag. Voer de vereiste tijden in uren en minuten in en druk op OK om de ingevoerde tijd te bevestigen.

• Week timer (2-4)

De robotmaaier maait op de dagen die aangevinkt zijn.

Het klokpictogram geeft aan wanneer de robotmaaier door de timer is of zal worden uitgeschakeld, d.w.z. in het laadstation staat of op weg is naar het laadstation om uit te schakelen.

Commando's

Timer

Tuin

Instellingen

Negeer timer

dag timer

Weekend timer

Weektimer

6.5 Tuin

De volgende bedieningsinstellingen zijn toegankelijk via deze selectie in het hoofdmenu.

  • Uitrijhoek (3-1) om in te stellen hoe ver de robotmaaier achterwaarts uit het laadstation moet rijden voordat hij keert en in welke richting de maaier moet wegrijden van het laadstation.
  • Volg draad (3-2) om te zorgen dat de maaier een afgelegen gebied van de tuin makkelijk kan bereiken en het laadstation makkelijker kan vinden en om te bepalen hoe ver de maaier van de lus verwijderd moet blijven wanneer hij deze volgt.
  • Tuin vorm (3-3) om de robotmaaier te informeren over de vorm van de tuin.
  • Uitgebreid (3-4) om te controleren of de lus intact is of waar in het gazon de kabel zich precies bevindt en om de afstand in te stellen waarover de robotmaaier de begrenzingsdraad moet volgen.

Zie 7 Voorbeelden van tuinen op pagina 61 voor instelvoorbeelden voor tuinen.

GARDENA R160 - Tuin - 1

flowchart
graph LR
    A["Commando's"] --> B["Uitrijhoeken"]
    C["Timer"] --> B
    D["Tuin"] --> E["Volg draad"]
    F["Instellingen"] --> G["Installatievorm"]
    H["Uitgebreid"] --> G

Uitrijhoek (3-1)

Gewoonlijk verlaat de robotmaaier het laadstation in een richting vanuit een uitrijsector van 90°-270°, waarbij 90° de starthoek en 270° de eindhoek wordt genoemd. Door het instellen van de start- en eindhoeken kan men bepalen in welke richting de robotmaaier moet rijden bij het verlaten van het laadstation.

De robotmaaier kan worden ingesteld voor een of twee uitrijsectoren. Als het laadstation in een doorgang is geplaatst, kunnen er twee uitrijhoeken, bijvoorbeeld 70°-110° en 250°-290°, worden gebruikt.

Bij gebruik van twee uitrijsectoren is het nodig om tevens te specificeren hoe vaak de robotmaaier het laadstation via sector 1 moet verlaten. Dat wordt gedaan door een percentage op te geven voor de functie Aandeel eerste. Een percentage van 75% betekent bijvoorbeeld dat de maaier het laadstation 75% van de tijd zal verlaten via sector 1 en 25% van de tijd via sector 2.

De minimaal toegestane waarde voor de uitrijhoek is 70° en de maximaal toegestane waarde is 290°.

270° 90°

3018-124

290° 250° 70° 110°

3018-138

• Uitrij afstand (3-1-1)
Specificeer het aantal centimeters dat de robotmaaier achterwaarts uit het laadstation moet rijden voordat hij keert. De standaard uitrijafstand is 60 cm.
- Begin hoek 1 (3-1-2)
Geef in graden aan waar sector 1 moet starten.
• Einde hoek 1 (3-1-3)
Geef in graden aan waar sector 1 moet eindigen.
- Begin hoek 2 (3-1-4)
Geef in graden aan waar sector 2 moet starten.
• Einde hoek 2 (3-1-5)
Geef in graden aan waar sector 2 moet eindigen.
• Aandeel eerste (3-1-6)

Bij gebruik van twee uitrijsectoren: geef via een percentage aan hoe vaak de robotmaaier het laadstation via sector 1 moet verlaten.

Om de instellingen in Uitrijhoek te testen: voer in Aandeel eerste een percentage van 100% in als sector 1 moet worden getest. Voer in Aandeel eerste een percentage van 0% in als sector 2 moet worden getest. Parkeer de robotmaaier in het laadstation en selecteer de functie Test volg draad UIT (3-2-5). De robotmaaier zal het laadstation onmiddellijk verlaten overeenkomstig de instellingen in Uitrijhoek. Reset de waarde voor Aandeel eerste als de test is voltooid.

Uitrijhoeken

Volg draad

Installatievorm

Uitgebreid

Achteruitrijafstand

Begin hoek 1

Einde hoek 1

Begin hoek 2

Einde hoek 2

Aandeel eerste

Volg draad (3-2)

De functies in dit submenu zijn bedoeld voor situaties waarbij de maaier moet worden ingesteld om afgelegen gebieden te bereiken, om het makkelijker te maken om het laadstation te vinden en om te bepalen hoe ver de maaier van de lus verwijderd moet blijven wanneer hij deze volgt. Er zijn ook testfuncties om te zien hoe de verschillende uitrijfuncties werken en hoe de maaier de weg naar het laadstation vindt.

Volgt uitg. draad (3-2-1)

Deze functie houdt in dat de robotmaaier zodanig kan worden ingesteld dat deze de begrenzingslus of de begeleidingsdraad vanaf het laadstation volgt naar een meer afgelegen gebied van de tuin. Deze functie is erg nuttig in tuinen waar bijvoorbeeld de voor- en achtertuin met elkaar in verbinding staan via een smalle doorgang. Wanneer deze functie is ingeschakeld, zal de robotmaaier de begrenzingslus of de begeleidingsdraad vanaf het laadstation volgen in de ingestelde richting. Hij begint te maaien als hij dit gebied heeft bereikt.

Uitrijhoeken

Volg draad

Installatievorm

Uitgebreid

Volgt uitg. draad

Volg draad in

Doorrijbreedte

Test volg draad IN

Test volg draad UIT

Er kunnen maximaal drie afgelegen gebieden worden ingesteld:

Gebied 1

Gebied 2

Gebied 3

Volgt uitg. draad

Volg draad in

Doorrijbreedte

Test volg draad IN

Test volg draad UIT

Gebied 1

Gebied 2

Gebied 3

Voor elk gebied worden drie waarden ingesteld:

- Richting

Selecteer Rechts, Links of Begel. op basis van de locatie van het gebied ten opzichte van het laadstation. Stel de richting in op basis van de richting die de maaier opgaat, gezien vanaf het laadstation.

De richting kan worden ingesteld op Begel. als er een begeleidingsdraad is geïnstalleerd. In dat geval zal de maaier de begeleidingsdraad volgen in plaats van de begrenzingslus.

- Afstand

Voer de afstand in meters in vanaf het laadstation langs de begrenzingsdraad of de begeleidingsdraad naar het afgelegen gebied waar de maaier begint met maaien.

Tips! Gebruik de functie Test volg draad UIT (3-2-5) om te bepalen hoe ver het is naar het afgelegen gebied. De afstand wordt in meters vermeld op het display van de maaiier.

- Aandeel

Voer in hoeveel van de keren dat de robotmaaier wegrijdt bij het laadstation, hij de lus naar het afgelegen gebied moet volgen. Een waarde van 20% betekent bijvoorbeeld dat de robotmaaier in 20% van de gevallen dat hij het laadstation verlaat in de richting van het afgelegen gebied zal rijden. In de overige 80% van de gevallen verlaat de maaier het laadstation overeenkomstig de gemaakte instelling in Uitrijhoek (3-1).

Selecteer het percentage dat overeenkomt met de omvang van de afgelegen zone ten opzichte van het totale werkoppervlak. Selecteer een waarde lager dan 50% als het afgelegen gebied minder dan de helft van het totale werkoppervlak bestrijkt. Als het afgelegen gebied meer dan de helft van het totale werkoppervlak bestrijkt, moet een waarde hoger dan 50% worden ingesteld. Vergelijk met de voorbeelden in 7 Voorbeelden van tuinen op pagina

Gebied 1

Gebied 2

Gebied 3

Richting

Afstand

Aandeel

• Volg draad in (3-2-2)

Deze functie dient om in te stellen hoe de robotmaaier het laadstation moet zoeken.

De robotmaaier begint bij het zoeken naar het laadstation altijd met een onregelmatige zoekmethode. In bepaalde tuinen kan dit onvoldoende zijn om de maaier snel het laadstation te laten vinden. De zoekmethode kan dan worden geoptimaliseerd via de functie Volg draad in.

Als de robotmaaier het laadstation na een bepaalde periode van onregelmatig zoeken nog steeds niet kan vinden, gaat hij ook zoeken naar de begeleidingsdraad en na enige tijd eveneens naar de begrenzingsdraad om vervolgens een van deze te volgen naar het laadstation. Deze tijd wordt ingesteld in minuten en betekent dat het moment waarop de maaier naar de begeleidingsdraad en de begrenzingslus gaat zoeken, wordt uitgesteld.

De uitsteltijd kan via de functie Volg draad in worden aangepast aan de vorm van de tuin.

De standaardinstelling voor de robotmaaier is een uitsteltijd van 4 minuten voor de begeleidingsdraad en 11 minuten voor de begrenzingslus.

Om beide zoekmethoden te gebruiken, moet bijvoorbeeld een tijd van 4 minuten worden ingesteld voor Uitstellen begeleiden en een tijd van 9 minuten voor Uitstellen begr.lus. In dat geval zoekt de robotmaaier eerst 4 minuten onregelmatig om vervolgens gedurende 5 minuten de begeleidingsdraad te gaan zoeken. Als de robotmaaier na deze tijd nog geen begeleidingsdraad heeft gevonden, gaat hij op zoek naar zowel de begrenzingslus als de begeleidingsdraad.

Als het in de installatie onwenselijk is om de begrenzingslus te laten volgen, moet voor de begrenzingslus een uitsteltijd van 99 minuten worden ingesteld. Een uitsteltijd van 99 minuten betekent dat de functie is uitgeschakeld.

Het is natuurlijk ook mogelijk om voor zowel de begeleidingsdraad als de begrenzingslus dezelfde uitsteltijd op te geven, bijvoorbeeld 5 minuten. In dat geval zoekt de robotmaaier onregelmatig gedurende 5 minuten om daarna, als hij het laadstation nog niet heeft gevonden, verder te gaan met zoeken door de begeleidingsdraden of de begrenzingslus te volgen, afhankelijk van welke hij het eerst vindt.

De maaier wisselt de zoekmethoden niet af: als de maaier bijvoorbeeld eenmaal de begrenzingslus volgt, zal hij niet ineens de begeleidingsdraad gaan volgen.

Uitrijhoeken

Volg draad

Installatievorm

Uitgebreid

Volgt uitg. draad

Volg draad in

Doorrijbreedte

Test volg draad IN

Test volg draad UIT

Volgt uitg. draad

Volg draad in

Doorrijbreedte

Test volg draad IN

Test volg draad UIT

Uitstellen begr.lus

Uitstellen begeleiden

• Max. afst. tot draad (3-2-3)

De instelling voor Max. afst. tot draad bepaalt hoe ver de robotmaaier verwijderd mag blijven van de begrenzingslus of de begeleidingsdraad wanneer hij deze van en naar het laadstation volgt. Het gebied naast de lus/draad dat de maaier dan gebruikt, wordt de corridor genoemd.

Max. afst. tot draad is een relatieve afstand en wordt ingevoerd als een waarde op een schaal van 0 tot 20. Hoe lager de waarde, hoe korter de afstand die de robotmaaier aanhoudt.

Het is mogelijk om voor de begrenzingslus en de begeleidingsdraad afzonderlijke doorrijbreedtes in te voeren. De standaardwaarde voor de robotmaaier is 10, voor zowel de begrenzingslus als de begeleidingsdraad.

We raden aan om een zo hoog mogelijke waarde te gebruiken. Gebruik de functie Test volg draad IN (3-2-4) om de hoogst mogelijke waarde te bepalen.

Lage waarde

Een lage waarde voor Max. afst. tot draad betekent een smalle doorrijbreedte. Bij een smalle doorrijbreedte rijdt de robotmaaier dicht langs de begrenzingslus of de begeleidingsdraad.

Gebruik van de corridorinstelling Smalste wordt gewoonlijk afgeraden, maar in een tuin met een of meer smalle doorgangen kan een smalle corridor de enige keuzemogelijkheid zijn. De corridorinstelling Smalste verhoogt het risico van spoorvorming langs de begeleidingsdraad.

Wanneer Max. afst. tot draad is ingesteld op 0 zal de robotmaaier recht over de draad rijden, dat wil zeggen dat de helft van de maaier binnen de lus zal rijden en de andere helft buiten de lus.

Omdat de begrenzingslus vaak langs bloemperken, heggen en muren loopt, is het gewoonlijk niet aan te raden om Max. afst. tot draad voor de begrenzingslus in te stellen op 0. Als u deze waarde toch wilt gebruiken, moet de begrenzingslus op een afstand van 40 cm vanaf vaste voorwerpen worden gelegd in plaats van de gebruikelijke 35 cm, om er zeker van te zijn dat de maaier bij het volgen van de begrenzingslus niet langs dergelijke voorwerpen kan schuren of ertegenaan kan rijden.

Hoge waarde

Een hoge waarde betekent een wijde doorrijbreedte. Bij een wijde doorrijbreedte varieert de afstand die de robotmaaier tijdens het rijden aanhoudt tot de begrenzingsdraad en de begeleidingsdraad.

Voor een open tuin zonder nauwe doorgangen kan het best een brede corridor worden gebruikt, om het risico van spoorvorming tot een minimum te beperken.

Hoe hoger de waarde die voor Max. afst. tot draad wordt ingesteld, hoe kleiner de kans op spoorvorming. Een hoge waarde kan echter ook betekenen dat het voor de robotmaaier lastig kan worden om doorgangen in te rijden.

Een tuin met grote open ruimtes moet een wijde doorrijbreedte hebben, oftewel een hoge waarde voor Max. afst. tot draad.

• Test volg draad IN (3-2-4)

De functie Test volg draad IN (3-2-4) maakt het mogelijk om te testen hoe de robotmaaier het laadstation vindt.

Wanneer u deze functie selecteert, zal de maaier meteen de begrenzingslus of de begeleidingsdraad naar het laadstation volgen, afhankelijk van welke draad hij het eerst vindt. Als er een doorgang is waar de maaier niet doorheen kan, is de ingestelde waarde van Max. afst. tot draad te hoog. Als de functie Test volg draad IN (3-2-4) wordt ingeschakeld, rijdt de maaier op de grootste afstand van de draad die is toegestaan bij de ingestelde doorrijbreedte. Deze afbeelding laat zien hoe de robotmaaier wel door een doorgang heen kan rijden wanneer Max. afst. tot draad is ingesteld op de waarde 8 maar dit niet kan bij de waarde 10.

Bij gebruik van de functie Test volg draad IN (3-2-4) gaat op het display het huispictogram branden en zal de maaier in het laadstation blijven staan. Druk op de HOME-knop om terug te keren naar de normale bedieningsmodus.

• Test volg draad UIT (3-2-5)

De functie Test volg draad UIT (3-2-5) dient voor het testen van diverse uitrijinstellingen en het berekenen van de afstand vanaf het laadstation naar een afgelegen gebied.

Om de gemaakte instellingen in Volg uitg. draad (3-2-1) te testen:

- Stel bij Aandeel een waarde van 100% in voor het afgelegen gebied dat moet worden getest en selecteer een waarde van 0% voor alle andere gebieden. Parkeer de robotmaaier in het laadstation en selecteer de functie Test volg draad UIT (3-2-5). De maaier zal het laadstation dan onmiddellijk verlaten in de ingestelde richting en beginnen met maaien nadat de ingestelde afstand is afgelegd. Reset de waarden voor Aandeel wanneer de test is voltooid.

Volgt uitg. draad

Volg draad in

Doorrijbreedte

Test volg draad IN

Test volg draad UIT

GARDENA R160 - Hoge waarde - 1

flowchart
graph TD
    A["Rectangular Block"] --> B{Flow Direction}
    B -->|Path 1| C["Downward Arrow"]
    B -->|Path 2| D["Right Arrow"]
    C --> E["Downward Arrow"]
    D --> F["Upward Arrow"]

3018-141

De afstand van het laadstation naar een afgelegen zone meten

- Voer een afstand in waarvan u zeker weet dat deze de werkelijke waarde overschrijdt. Stel bij Aandeel een waarde van 100% in voor het gebied waarvoor u de afstand vanaf het laadstation wilt meten en selecteer een waarde van 0% voor alle andere gebieden. Parkeer de robotmaaier in het laadstation en selecteer de functie Test volg draad UIT (3-2-5). De maaier zal het laadstation dan onmiddellijk verlaten in de ingestelde richting. De afstand wordt in meters vermeld op het display van de maaier terwijl de maaier bezig is met maaien. Stop de robotmaaier nadat de gewenste afstand is afgelegd en noteer de afstand. Voer het weergegeven aantal meter in het veld Afstand in voor het betreffende werkgebied. Reset de waarden voor Aandeel wanneer de test is voltooid.

De maximale afstand die kan worden ingevoerd is 500 meter.

Tuin vorm (3-3)

Gebruik de instelling Tuin vorm (3-3) om het vermogen van de robotmaaier voor een gelijkmatig maairesultaat in het volledige werkgebied te optimaliseren. U kunt een van de volgende drie tuinvormen selecteren: Open, Normaal en Complex.

De instelling Open optimaliseert het bewegingspatroon voor een open tuin. Wanneer de tuin veel kleine gebieden omvat die met doorgangen met elkaar verbonden zijn, worden betere resultaten behaald met de instelling Complex. Selecteer:

  • Open (3-3-1) voor een groot, open gazongebied met weinig obstakels en zonder doorgangen, of voor een werkgebied waar het maairesultaat ongelijkmatig is vanwege steile hellingen.
  • Normaal (3-3-2) voor gazongebieden met een gemiddeld aantal obstakels en/of doorgangen.
  • Complex (3-3-3) voor een groot gazongebied met een groot aantal obstakels en/of doorgangen.

Uitgebreid (3-4)

- Rijdt over draad (3-4-1) De voorzijde van de robotmaaier rijdt altijd een bepaalde afstand voorbij de begrenzingsdraad voordat de maaier keert. Deze afstand is standaard ingesteld op 27 cm, maar kan zo nodig worden gewijzigd. De minimumwaarde is 15 cm en de maximumwaarde is 50 cm.

Om de afstand aan te passen: verplaats de cursor naar Rijdt over draad en druk op YES. Specificeer vervolgens het aantal centimeters dat de robotmaaier voorbij de begrenzingsdraad moet rijden.

GARDENA R160 - Uitgebreid (3-4) - 1

flowchart
graph LR
    A["Uitrijhoeken"] --> C["Open"]
    B["Volg draad"] --> C
    D["Installatievorm"] --> C
    E["Uitgebreid"] --> C
    F["Normaal"] --> C
    G["Complex"] --> C

6.6 Instellingen

De volgende bedieningsinstellingen zijn toegankelijk via deze selectie in het hoofdmenu.

  • Veiligheid (4-1)
    om instellingen met betrekking tot de PIN-code, tijdslot en alarm in te stellen. Het instellen van de PIN-code is nodig om het menu Veiligheid te kunnen weergeven.
    • Geluiden (4-2)
    om geluidsmeldingen voor activiteiten in de maaiier in/uit te schakelen en om de toetsgeluiden in/uit te schakelen.
    • Taal (4-3)
    om de menutaal te selecteren.
    • Tijd & datum (4-4)
    voor het instellen van de huidige tijd en datum, en de gewenste tijd- en datumnotatie.

Veiligheid (4-1)

• PIN-code (4-1-1)

U kunt uw PIN-code altijd wijzigen met behulp van deze functie. Om de PIN-code te wijzigen:

  • Verplaats de cursor naar PIN-code en druk op YES. Parkeer de robotmaaier in het laadstation. Voer de nieuwe PIN-code in en druk op YES. Voer dezelfde code opnieuw in en druk op YES. Als de PIN-code is gewijzigd, wordt op het display enige tijd het bericht weergegeven dat de PIN-code is gewijzigd. Hierna verschijnt het menu Veiligheid opnieuw.
  • Maak een notitie van de nieuwe PIN-code op de aangegeven regel in Aantekeningen op pagina 4.

• Tijdslot (4-1-2)

Deze functie houdt in dat de robotmaaier na een vooraf ingesteld aantal dagen stopt met maaien en pas weer gaat werken nadat de juiste PIN-code is ingevoerd. Deze functie houdt in dat de maaier om een PIN-code vraagt wanneer de hoofdschakelaar op 1 wordt gezet. De standaardinstelling voor de robotmaaier is 30 dagen, maar dit kan zo nodig worden gewijzigd.

BELANGRIJKE INFORMATIE

Het tijdslot is de belangrijkste antidiefstalfunctie. Het wordt aangeraden om deze altijd te activeren.

GARDENA R160 - BELANGRIJKE INFORMATIE - 1

flowchart
graph LR
    A["Commando's"] --> B["Veiligheid"]
    A --> C["Timer"]
    A --> D["Tuin"]
    A --> E["Instellingen"]
    B --> F["Geluid"]
    B --> G["Taal"]
    B --> H["Tijd & datum"]

GARDENA R160 - BELANGRIJKE INFORMATIE - 2

flowchart
graph LR
    A["Veiligheid"] --> B["PIN-code"]
    C["Geluid"] --> B
    D["Taal"] --> B
    E["Tijd & datum"] --> B
    F["Tijdsslot"] --> B
    G["Alarm"] --> B

GARDENA R160 - BELANGRIJKE INFORMATIE - 3

flowchart
graph LR
    A["PIN-code"] --> C["Aantal dagen"]
    B["Tijdsslot"] --> C
    D["Alarm"] --> C
    C --> E["UIT"]

Om

  • te activeren: verplaats de cursor naar Tijdslot en druk op YES. Verplaats de cursor vervolgens naar Aantal dagen en druk op YES. Specificeer hoeveel dagen de robotmaaier mag blijven maaien voor hij om de PIN-code vraagt. Sluit af door op YES te drukken. Wanneer het geselecteerde aantal dagen is verstreken, maakt de robotmaaier de maaibeurt af en laat hij de accu opladen. Daarna wordt de melding Voer PIN-code in op het display weergegeven. Voer dan uw code in en druk op YES. De robotmaaier vraagt ook altijd om de PIN-code wanneer de hoofdschakelaar op 1 wordt gezet.
  • te deactiveren: verplaats de cursor naar Tijdslot en druk op YES. Verplaats de cursor vervolgens naar UIT en druk op YES.

- Alarm (4-1-3)

Deze functie houdt in dat het eerste cijfer van de PIN-code moet worden ingevoerd binnen 10 seconden nadat de STOP-knop is ingedrukt of de maaier om de een of andere reden is opgetild. Als de juiste PIN-code na drie pogingen nog niet is ingevoerd, gaat het alarm af. Het alarm kan worden gestopt door het invoeren van de juiste PIN-code.

Om

  • te activeren: verplaats de cursor naar Alarm en druk op YES. Selecteer AAN om de functie in te schakelen en druk op YES. Geef vervolgens antwoord op de vraag Duur alarm door op te geven hoe lang het alarm moet klinken.
  • te deactiveren: verplaats de cursor naar Alarm en druk op YES. Selecteer UIT om de functie uit te schakelen en druk op YES. Wanneer u UIT selecteert, wordt ook de alarmfunctie uitgeschakeld.

Geluiden (4-2)

Er wordt een aantal audiomeldingen gebruikt om aan te geven wat de status is en wat de robotmaaier op dat moment aan het doen is. Zie de tabel hieronder.

GARDENA R160 - Geluiden (4-2) - 1

flowchart
graph LR
    A["PIN-code"] --> C["AAN"]
    B["Tijdsslot"] --> C["AAN"]
    D["Alarm"] --> C["AAN"]
    C --> E["UIT"]

GARDENA R160 - Geluiden (4-2) - 2

flowchart
graph LR
    A["Veiligheid\nGeluid\nTaal\nTijd & datum"] --> B["Bediening\nToetsenbord"]

• In werking (4-2-1)

Om

  • te activeren: verplaats de cursor naar In werking en druk op YES. Selecteer AAN en druk op YES.
  • te deactiveren: verplaats de cursor naar In werking en druk op YES. Selecteer UIT en druk op YES.

Als de maaischijf start, hoort u 5 piepjes gedurende 2 seconden. Uit veiligheidsoverwegingen kan dit geluid niet worden uitgeschakeld.

• Toetsenbord (4-2-2)

Om

  • te activeren: verplaats de cursor naar Toetsenbord en druk op YES. Selecteer AAN en druk op YES.
  • te deactiveren: verplaats de cursor naar Toetsenbord en druk op YES. Selecteer UIT en druk op YES.

GARDENA R160 - Om - 1

flowchart
graph LR
    A["Bediening\nToetsenbord"] --> B["AAN\nUIT"]

GARDENA R160 - Om - 2

flowchart
graph LR
    A["Bediening\nToetsenbord"] --> B["AAN\nUIT"]
Geluid Betekenis
2 pieptonen/10 seconden Opladen
5 pieptonen gedurende 2 secondenMaaischijf wordt gestart
3 pieptonen/seconde Foutmelding
Eén lange pieptoon Geblokkeerde maaischijf
Kort klikkend geluid Er werd een knop op het toetsenbord ingedrukt
Gedempte lange pieptoon Verkeerde invoer
Korte dubbele pieptoon De instelling is gewijzigd

Taal (4-3)

Met behulp van deze functie kan de bij de ingebruikname van de robotmaaier ingestelde taal worden gewijzigd.

Om de taal te selecteren:

- Verplaats de cursor naar Taal en druk op YES. Verplaats de cursor naar de gewenste taal en druk op YES.

Veiligheid Geluid Taal Tijd & datum

Tijd & datum (4-4)

Met behulp van deze functie kunnen de tijd en datum worden ingesteld. Deze functie kan ook worden gebruikt om de bij de ingebruikname van de robotmaaier ingestelde notatie te wijzigen.

• Tijdsinstelling (4-4-1)
Verplaats de cursor naar Tijdsinstelling en druk op YES.
Voer vervolgens de juiste tijd in en druk op YES om af te sluiten.
• Datuminstelling (4-4-2)
Verplaats de cursor naar Datuminstelling en druk op YES. Voer vervolgens de juiste datum in en druk op YES om af te sluiten.

VOORBEELDEN VAN TUINEN

7 Voorbeelden van tuinen

- Suggesties en instellingen voor installatie

De werking van de maaier wordt in zekere mate beïnvloed door de gekozen instellingen. Door de tuininstellingen van de robotmaaier af te stemmen op de vorm van de tuin is het voor de robotmaaier makkelijker om alle delen van de tuin regelmatig te bereiken en een perfect maairesultaat te realiseren.

Voor verschillende tuinen zijn verschillende instellingen nodig. Op de volgende pagina's vindt u enkele voorbeelden van tuinen met suggesties en instellingen voor de installatie.

Meer tuinvoorbeelden vindt u op www.gardena.com.

Zie 6.5 Tuin op pagina 50 voor meer informatie over de diverse instellingen.

BELANGRIJKE INFORMATIE

De standaardinstellingen zijn zodanig geselecteerd dat ze geschikt zijn voor zo veel mogelijk verschillende tuinen. De instellingen hoeven enkel te worden gewijzigd wanneer er sprake is van speciale installatiecondities.

Suggesties en instellingen voor installatie
Gebied400 m2. Open en vlak gebied.
Timer08:00-16:00Maandag, dinsdag, woensdag, vrijdag,zaterdag
VolgAandeel0%
Max afst.begel. lus20GARDENA R160 - BELANGRIJKE INFORMATIE - 1
Uitstellenbegeleiden4 min (fabrieksinstelling)
OpmerkingenDe timer moet worden gebruikt om te voorkomen dat het gras er afgetrapt uitziet, omdat het gebied kleiner is dan de maximale capaciteit van de maaier.

VOORBEELDEN VAN TUINEN

Gebied1.600 m2. Open gebied.
Timer00:00-24:00 (fabrieksinstelling) maandag-zondag
Volg Aandeel0%GARDENA R160 - VOORBEELDEN VAN TUINEN - 1
Max afst. begel. lus20
Uitstellen begeleiden4 min (fabrieksinstelling)
OpmerkingenOmdat de grootte van het werkgebied overeenkomt met de maximale capaciteit van de maaier wordt het aangeraden om de maaier op elk uur van de dag en elke dag van de week te laten werken.
Gebied1.600 m2. Een aantal eilanden en een helling van 25%.
Timer00:00-24:00 (fabrieksinstelling) maandag-zondag
Volg Aandeel20%
Max afst. begel. lus10GARDENA R160 - VOORBEELDEN VAN TUINEN - 2
Uitstellen begeleiden4 min (fabrieksinstelling)
OpmerkingenLeg de begeleidingsdraad onder een hoek over de steile helling. Stel voor de begrenzingslus een uitsteltijd van 99 minuten in omdat het werkgebied veel eilanden bevat. Hierdoor is de begrenzingsdraad ongeschikt om door de maaier te worden gebruikt om het laadstation te zoeken.3012-977

VOORBEELDEN VAN TUINEN

Gebied600 m2. L-vormige tuin met laadstation geinstalleerd in het smalle gebied. Bevat enkele eilanden.GARDENA R160 - VOORBEELDEN VAN TUINEN - 1
Timer07:00-19:00Maandag, dinsdag, woensdag, vrijdag, zaterdag
VolgAandeel50%
Max afst.begel. lus7
Uitstellenbegeleiden4 min (fabrieksinstelling)
OpmerkingenOmdat het grootste deel van het werkgebied door de robotmaaier makkelijk kan worden bereikt door de begeleidingsdraad vanaf het laadstation te volgen, moet Aandeel worden ingesteld op een relatief hoge waarde. De doorrijbreedte is verlaagd omdat er links van de begeleidingsdraad weinig ruimte is.
Gebied700 m2. U-vormige tuin verbonden met een smalle doorgang.GARDENA R160 - VOORBEELDEN VAN TUINEN - 2
Timer07:00-20:00Maandag, dinsdag, woensdag, vrijdag, zaterdag
VolgAandeel40%
Max afst.begel. lus4
Uitstellenbegeleiden4 min (fabrieksinstelling)
OpmerkingenOmdat het onwaarschijnlijk is dat de maaier het laadstation kan vinden door willekeurig te zoeken in het linkerdeel van het werkgebied is het verstandig om slechts een korte uitsteltijd te gebruiken. De doorrijbreedte is verlaagd omdat de begeleidingsdraad in een smalle doorgang is gelegd waar de ruimte links van de begeleidingsdraad beperkt is.

VOORBEELDEN VAN TUINEN

Gebied1.000 m^2 . Asymmetrisch werkgebied met een smalle doorgang en enkele eilanden.
Timer00:00-24:00maandag, dinsdag, woensdag, vrijdag
VolgAandeel30%GARDENA R160 - VOORBEELDEN VAN TUINEN - 13018-092
Max afst.begel. lus6
Uitstellenbegeleiden4 min (fabrieksinstelling)
OpmerkingenDe begeleidingsdraad moet langs de smalle doorgang worden geplaatst om ervoor te zorgen dat de maaier het laadstation zonder problemen kan vinden vanaf de rechterzijde van het werkgebied.De doorrijbreedte is verlaagd omdat de begeleidingsdraad in een smalle doorgang is gelegd waar de ruimte links van de begeleidingsdraad beperkt is.
Gebied200 m^2 + 50 m^2 in een bijgebied.
Timer08:00-15:00Maandag, dinsdag, donderdag, vrijdag
VolgAandeel0%GARDENA R160 - VOORBEELDEN VAN TUINEN - 23018-064
Max afst.begel. lus20
Uitstellenbegeleiden4 min (fabrieksinstelling)
OpmerkingenHet bijgebied wordt op woensdag en zaterdag gemaaaid met behulp van de modus MAN.

ONDERHOUD

8 Onderhoud

Voor een betere bedrijfszekerheid en een langere levensduur: controleer en reinig de robotmaaier regelmatig en vervang versleten onderdelen, indien nodig. Zie 8.3 Reinigen op pagina 67 voor meer informatie over het reinigen.

Na de ingebruikname van de robotmaaier moet u de maaischijf en de messen eens per week inspecteren. Als de mate van slijtage in deze periode laag is, kan het controle-interval worden vergroot.

Het is belangrijk dat de maaischijf soepel draait. De randen van de messen mogen niet beschadigd zijn. De levensduur van de messen kan sterk uiteenlopen en hangt bijvoorbeeld af van:

• de rijtijd en de grootte van het werkgebied;
- het type gras;
- het type grond;
- de aanwezigheid van voorwerpen zoals dennenappels, afgewaaide vruchten, speelgoed, gereedschap, stenen en wortels.

De levensduur bedraagt 2 tot 4 weken bij gebruik in gebieden met een oppervlak van meer dan 1.000 m² en is langer voor kleinere gebieden. Zie 8.6 De zaagbladen vervangen op pagina 68 voor instructies over het vervangen van de messen.

BELANGRIJKE INFORMATIE

Werken met botte messen geeft een slechter maairesultaat. De randen van het gazon wordt niet goed gemaid en er is meer energie nodig, waardoor de robotmaaier een minder groot oppervlak kan maaien.

ONDERHOUD

8.1 Winteropslag

Robotmaaier

Reinig de robotmaaier zorgvuldig voor u hem in de winterstalling zet. Zie 8.3 Reinigen op pagina 67.

Laad de accu volledig op voor de winteropslag. Zet u de hoofdschakelaar vervolgens op 0.

De accu moet 's winters 1 of 2 keer worden opgeladen om de levensduur van de accu te verlengen. Het laadstation moet in dat geval op een stopcontact worden aangesloten via een laagspanningskabel met transformator (al dan niet aangesloten op de begrenzingsdraad). Plaats de robotmaaier vervolgens in het laadstation en schakel de hoofdschakelaar naar 1. Controleer of de klep van het bedieningspaneel is geopend. De robotmaaier moet ongeveer één uur worden opgeladen. Verwijder de robotmaaier dan uit het laadstation en schakel de hoofdschakelaar naar 0. Laad de accu niet op bij temperaturen lager dan 0 °C.

Controleer de conditie van slijtagegevoelige onderdelen zoals messen. Corrigeer indien nodig om ervoor te zorgen dat de robotmaaier zich bij de start van het volgende seizoen in een goede conditie bevindt.

Stal de maaier, staande op vier wielen, op een droge, vorstvrije plek, bij voorkeur in de oorspronkelijke verpakking.

GARDENA R160 - Robotmaaier - 1

De accu moet voorafgaand aan de winteropslag volledig worden opgeladen. Als de accu niet volledig is opgeladen, kan hij beschadigd raken en in sommige gevallen onbruikbaar worden.

Laadstation

Berg het laadstation en de transformator binnen op. De begrenzingslus en de begeleidingsdraad kunnen in de grond blijven zitten. De uiteinden van de draden moeten worden beschermd tegen vocht, bijvoorbeeld door ze in een potje met vet te steken of door ze op een originele koppeling aan te sluiten.

8.2 Na de winteropslag

Controleer voor het eerste gebruik of reiniging nodig is; dit geldt met name voor de laadstrips op zowel de robotmaaier als het laadstation. Reinig ze met fijn schuurlinnen als ze verbrand of met een laagje bedekt lijken te zijn. Controleer ook of de tijd en datum op de robotmaaier correct zijn.

ONDERHOUD

8.3 Reinigen

Het is belangrijk om de robotmaaier schoon te houden. Een robotmaaier waaraan veel gras is blijven plakken, zal minder makkelijk hellingen op kunnen rijden. We raden u aan om bij het reinigen een borstel en spuitfles met water te gebruiken.

BELANGRIJKE INFORMATIE

Gebruik nooit een hogedrukreiniger en zelfs geen stromend water om de robotmaaier schoon te maken. Gebruik voor het reinigen nooit oplosmiddelen.

Chassis en maaischijf

  1. Zet de hoofdschakelaar in stand 0.
  2. Draag beschermende handschoenen.
  3. Til de robotmaaier op z'n kant.
  4. Reinig de maaischijf en het chassis met bijvoorbeeld een afwasborstel.

Controleer ook of de maaischijf vrij kan draaien ten opzichte van de glijplaat.

Als lange grassprieten of andere objecten hierin binnendringen, kan de beweging van de maaischijf worden belemmerd. Zelfs een licht remeffect leidt al tot een hoger energieverbruik en lagere maaitijden, en in het ergste geval zal de maaier hierdoor niet in staat zijn om een groot gazon te maaien.

Chassis

Reinig de onderkant van het chassis. Gebruik een borstel of licht vochtige doek.

Wielen

Reinig rondom de voorwielen en het achterwiel en ook rond de achterwielsteun.

Kap

Gebruik een vochtige, zachte spons of doek om de kap te reinigen. Als de kap erg vuil is, kunt u ook een zeepoplossing of afwasmiddel gebruiken.

Laadstation

Ontdoe het laadstation regelmatig van gras, bladeren, twijgen en andere objecten die het dokken kunnen belemmeren.

GARDENA R160 - Laadstation - 1
3018-062

GARDENA R160 - Laadstation - 2

8.4 Transport en verwijderen

Zet de machine vast tijdens transport. Het is belangrijk dat de robotmaaier niet kan bewegen tijdens vervoer, bijvoorbeeld van het ene gazon naar het andere.

8.5 Bij onweer

Om het risico op schade aan de componenten in de robot-maai te beperken, adviseren we om alle aansluitingen op het laadstation (voeding, begrenzingsdraad en begeleidings-draad) los te koppelen als er kans op onweer is.

GARDENA R160 - Bij onweer - 1

8.6 De zaagbladen vervangen

GARDENA R160 - De zaagbladen vervangen - 1

WAARSCHUWING

Gebruik bij vervanging altijd originele messen en schroeven. Als alleen de messen worden vervangen en de schroeven worden hergebruikt, kunnen de schroeven tijdens het maaien en snoeien slijten. De messen kunnen dan onder de kap vandaan schieten en ernstig letsel veroorzaken.

GARDENA R160 - WAARSCHUWING - 1

De robotmaaier is voorzien van drie messen die in de maaischijf zijn geschroefd. De drie messen en de schroeven moeten allemaal op hetzelfde moment worden vervangen zodat het maaisysteem uitgebalanceerd blijft.

Gebruik uitsluitend goedgekeurde, originele messen.

De messen vervangen:

  1. Zet de hoofdschakelaar in stand 0.
  2. Draag beschermende handschoenen.
  3. Draai de robotmaaier ondersteboven. Plaats de maaier op een zachte ondergrond om krassen op de kap te voorkomen.
  4. Draai de glijplaat zodat de opening ervan recht voor de schroef van het blad staat.
  5. Verwijder de schroef. Gebruik een platte of kruiskopschroevendraaier.
  6. Verwijder het mes en de schroef.
  7. Bevestig het nieuwe mes en de nieuwe schroef.

GARDENA R160 - WAARSCHUWING - 2

In dit hoofdstuk vindt u een aantal meldingen die bij een storing op het display kunnen worden weergegeven. Bij elke melding staan de mogelijke oorzaak en de te uit te voeren stappen vermeld.

Dit hoofdstuk bespreekt ook een aantal symptomen die u op weg kunnen helpen als de maaier niet werkt zoals verwacht.

Meer suggesties voor uit te voeren stappen in geval van defecten of symptomen zijn te vinden op www.gardena.com.

9.1 Meldingen

Hieronder vindt u een lijst met een aantal meldingen die op het display van de robotmaaier kunnen worden weergegeven. Als dezelfde melding vaak verschijnt: neem contact op met GARDENA Central Service of uw dealer om het probleem te verhelpen. Zie Aantekeningen op pagina 4.

Melding Oorzaak Actie
Linkerwielmotor geblokkeerdEr zit gras of iets anders rond het aandrijfwiel.Controleer het aandrijfwiel en verwijder het gras of ander materiaal.
Rechterwielmotor geblokkeerdEr zit gras of iets anders rond het aandrijfwiel.Controleer het aandrijfwiel en verwijder het gras of ander materiaal.
Geblokkeerde maaischijfEr zit gras of ander materiaal rond de maaischijf gewikkeld.Controleer de maaischijf en verwijder het gras of ander materiaal.
De maaischijf ligt in een plas water. Verplaats de maaier en zie of u kunt voorkomen dat zich water ophoopt in het werkgebied.
Geen lussignaalDe transformator is niet aangesloten.Als het indicatielampje in het laadstation niet brandt: controleer de aansluiting op het stopcontact en controleer tevens of er een aardlekschakelaar is geactiveerd. Controleer of de laagspanningskabel is aangesloten op het laadstation.
De begrenzingsdraad is niet aangesloten op het laadstationControleer of de aansluitklemmen van de begrenzingsdraad correct zijn aangesloten op het laadstation. Zie 3.5 De begrenzingsdraad aansluiten op pagina 31.
Begrenzingsdraad gebroken. Lokaliseer de plaats van de breuk. Vervang het beschadigde deel van de lus met een nieuwe lusdraad en maak een las met behulp van een originele koppeling. Zie 9.4 Breuken in de lusdraad opsporen op pagina 75.
De begrenzingsdraad is in de verkeerde richting om een eiland heen gelegd.Controleer of de begrenzingsdraad is gelegd volgens de instructies in hoofdstuk 3. Installatie.
De verbinding tussen de robotmaaier en het laadstation is verbroken.Plaats de robotmaaier in het laadstation en wijzig de PIN-code via Instellingen – Veiligheid – PIN-code. Het is mogelijk om de oude PIN-code opnieuw te gebruiken.
Storingen door metalen objecten (hekwerk, wapeningsstaal) of ondergrondse kabels in de nabijheid.Probeer de begrenzingsdraad te verleggen.

PROBLEMEN OPLOSSEN

Vastgereden De robotmaaier is ergens in vastgelopen.Maak de robotmaaier los en neem de oorzaak voor het vastlopen weg.
De robotmaaier is blijven steken achter een aantal obstakels.Ga na of er obstakels zijn die het voor de robotmaaier moeilijk maken om weg te rijden van deze plek.
Buiten maagebied De aansluitingen van de begrenzingsdraad op het laadstation zijn gekruist.Controleer of de begrenzingsdraad correct is aangesloten.
De begrenzingsdraad ligt te dicht bij de rand van het werkgebied.Controleer of de begrenzingsdraad is gelegd volgens de instructies in hoofdstuk 3.Installatie.
Het werkgebied heeft een steile hellingsgraad.Controleer of de begrenzingsdraad is gelegd volgens de instructies in hoofdstuk 3.Installatie.
De begrenzingsdraad is in de verkeerde richting om een eiland heen gelegd.Controleer of de begrenzingsdraad is gelegd volgens de instructies in hoofdstuk 3.Installatie.
Storingen door metalen objecten (hekwerk, wapeningsstaal) of ondergrondse kabels in de nabijheid.Probeer de begrenzingsdraad te verleggen.
De maaier kan moeilijk onderscheid maken tussen het eigen signaal en het signaal van een naburige installatie.Plaats de robotmaaier in het laadstation en wijzig de PIN-code viaInstellingen – Veiligheid – PIN-code.
Lage accu spanning De robotmaaier kan het laadstation niet vinden.Controleer of het laadstation en de begeleidingsdraad zijn geïnstalleerd volgens de instructies in hoofdstuk 3.Installatie.
De accu is versleten. Vervang de accu.Neem contact op met de dealer voor meer informatie.
De antenne van het laadstation is defect.Neem contact op met de dealer voor meer informatie.
De begeleidingsdraad is gebroken of niet aangesloten.Lokaliseer de plaats van de breuk. Vervang het beschadigde deel van de lus met een nieuwe lusdraad en maak een las met behulp van een originele koppeling. Zie9.4 Breuken in de lusdraad opsporen op pagina 75.
Verkeerde PIN-code Er is een verkeerde PIN-code ingevoerd. Na drie mislukte pogingen wordt het toetsenbord gedurende vijf minuten vergrendeld.Voer de juiste PIN-code in. Neem contact op met uw dealer als u de PIN-code niet meer weet.
Geen aandrijving De robotmaaier is ergens in vastgelopen.Maak de robotmaaier los en los de oorzaak voor het gebrek aan aandrijving op. Als dit door nat gras komt, wacht dan tot het gazon weer droog is voordat u de maaier opnieuw gebruikt.
Het werkgebied bevat een steile helling.De maximaal gegarandeerde helling is 35%. Steilere hellingen moeten worden geïsoleerd. Zie3.4 De begrenzingsdraad installeren op pagina 25.
De begeleidingsdraad is niet onder een hoek op een helling gelegd.Wanneer de begeleidingsdraad op een helling wordt geïnstalleerd, moet deze onder een hoek op de helling worden gelegd. Zie3.6 De begeleidingsdraad installeren op pagina 33.

PROBLEMEN OPLOSSEN

Laadstation geblokkeerdHet contact tussen de laadstrips en de contactstrips is mogelijk slecht en de robotmaaier heeft diverse pogingen gedaan om te laden.Plaats de robotmaaier in het laadstation en controleer of de laadstrips en de contactstrips goed contact maken.
Het pad van de robotmaaier wordt geblokkeerd door een voorwerp.Verwijder het voorwerp.
Vast in laadstation Het pad van de robotmaaier wordt geblokkeerd door een voorwerp, waardoor de maaier het laadstation niet kan verlaten.Verwijder het voorwerp.
Op zijn kop De robotmaaier helt te ver over of is gekanteld.Draai de maaier in de juiste richting.
Moet handmatig laden De robotmaaier staat in de bedrijfsstand MAN.Zet de maaier in het laadstation. Dit gedrag is normaal en er hoeft geen actie te worden ondernomen.

PROBLEMEN OPLOSSEN

9.2 Indicatielampje in het laadstation

Voor een volledig werkende installatie moet het indicatielampje in het laadstation constant groen branden. Volg de foutopsporingsgids hieronder als er iets anders wordt weergegeven.

Op www.gardena.com vindt u nog meer informatie over het opsporen van fouten. Neem contact op met GARDENA Central Service als u het probleem nog steeds niet kunt verhelpen. Zie Aantekeningen op pagina 4.

Licht Oorzaak Actie
Constant groen licht Allesis in orde Geen actie nodig
Knippert één keer per secondeDe begrenzingslus is niet aangesloten op het laadstationControleer of de aansluitklemmen van de begrenzingsdraad correct zijn aangesloten op het laadstation. Zie 3.5 De begrenzingsdraad aansluiten op pagina 31.
Breuk in de begrenzingslus Lokaliseer deplaats van de breuk. Vervang het beschadigde deel van de lus met een nieuwe lusdraad en maak een las met behulp van een originele koppeling. Zie 9.4 Breuken in de lusdraad opsporen op pagina 75.
Knippert twee keer per secondeZwak signaal vanwege een te lange begrenzingsdraad. De maximale lengte is 500 meter.Als de robotmaaier werkt zoals verwacht, hoeft u niets te doen.
Kort de begrenzingsdraad in door het werkgebied te verkleinen of door eilanden te vervangen door barrières waar de maaier tegenaan kan rijden.
Zwak signaal vanwege een beschadigde begrenzingsdraadOmdat het lastig is om te bepalen waar de draad is beschadigd, adviseren we om een nieuwe begrenzingsdraad te leggen voor het gehele werkgebied.

PROBLEMEN OPLOSSEN

9.3 Symptomen

Als uw robotmaaier niet naar verwachting werkt, volg dan de onderstaande foutopsporingsgids.

Kijk op www.gardena.com voor een FAQ (veelgestelde vragen) voor meer gedetailleerde antwoorden op een aantal standaardvragen. Neem contact op met GARDENA Central Service als u de oorzaak van de fout nog steeds niet kunt vinden. Zie Aantekeningen op pagina 4.

Symptomen Oorzaak Actie
De robotmaaier heeft moeite om te dokkenDe begrenzingsdraad is niet in een rechte lijn gelegd en komt niet ver genoeg uit het laadstation.Controleer of het laadstation is geïnstalleerd volgens de instructies. Zie 3.2 Het laadstation installeren op pagina 19.
Het laadstation bevindt zich op een hellingPlaats het laadstation op een volledig vlakke ondergrond. Zie 3.2 Het laadstation installeren op pagina 19.
Ongelijkmatige maairesultatenDe robotmaaier werkt te weinig uren per dag.Verhoog het aantal maaiuren. Zie 6.4 Timer op pagina 49.
De instelling van Aandeel is niet goed afgestemd op de indeling van het werkgebiedControleer of Aandeel is ingesteld op de juiste waarde. Zie 6.5 Tuin op pagina 50.
Werkgebied te groot. Probeer het werkgebied te verkleinen of de maaitijd te verlengen. Zie 6.4 Timer op pagina 49.
Botte messen. Vervang alle messen en schroeven zodat de draaiende onderdelen zijn uitgebalanceerd. Zie 8.6 De zaagbladen vervangen op pagina 68.
Lang gras ten opzichte van de ingestelde maaihoogte.Verhoog de maaihoogte en stel hem vervolgens geleidelijk lager in.
Gras verzameld door de maaischijf of rond de motoras.Controleer of de maaischijf vrij en soepel draait. Als dat niet het geval is, schroeft u de maaischijf los en verwijdert u alle gras en vreemde voorwerpen. Zie 8.3 Reinigen op pagina 67.
De robotmaaier werkt op het verkeerde tijdstipDe klok van de robotmaaier moet worden ingesteld.Stel de klok in. Zie 6.6 Instellingen op pagina 57.
De start- en stoptijden voor het maaien zijn verkeerd.Reset de start- en stoptijdinstelling voor maaien. Zie 6.4 Timer op pagina 49.
De robotmaaier trilt Beschadigde messen leiden tot onbalans in het maaisysteem.Controleer de messen en schroeven en vervang ze zo nodig. Zie 8.6 De zaagbladen vervangen op pagina 68.
Veel messen in dezelfde positie leiden tot onbalans in het maaisysteem.
De robotmaaier rijdt, maar de maaischijf draait nietDe robotmaaier is op zoek naar het laadstation.Geen actie De maaischijf draait niet als de maaier het laadstation zoekt.
De robotmaaier maait minder lang dan gewoonlijk tussen twee laadbeurten inMaaischijf geblokkeerd door gras of ander vreemd voorwerp.Verwijder en reinig de maaischijf. Zie 8.3 Reinigen op pagina 67.

PROBLEMEN OPLOSSEN

Zowel de maaitijd als de laadtijd is korter dan normaalDe accu is versleten. Vervang de accu. Neem contact op met de dealer voor meer informatie.
Dit gedrag is normaal bij lage temperaturen (effect wordt geleidelijk sterker onder de 15 °C).Geen actie
De robotmaaier begint bij het verlaten van het laadstation meteen met maaien, in plaats van de lus naar buiten te volgen.Breuk in de begeleidingsdraad. Spoor de onderbreking op en repareer de draad met behulp van een originele koppeling.
De begeleidingsdraad bevindt zich niet op de juiste locatie.Controleer of de begeleidingsdraad minstens 2 meter recht vanuit het laadstation is gelegd. Zie 3.6 De begeleidingsdraad installeren op pagina 33.
De instelling van Aandeel is te laag. Het aantal keren dat de maaier de uitgaande draad vanuit het laadstation moet volgen, wordt bepaald door Aandeel. Verhoog de waarde van Aandeel als u wilt dat de maaier de uitgaande draad vaker volgt. Controleer de waarde van Aandeel. Zie 6.5 Tuin op pagina 50.
De voor deze installatie geselecteerde doorrijbreedte is te breed.Verlaag de doorrijbreedte voor de betreffende lus. Zie 6.5 Tuin op pagina 50.
De installatie is zodanig uitgevoerd dat de maaier verder uit het laadstation moet rijden om het juiste signaal te vinden.Verhoog de uitrijafstand. Zie 6.5 Tuin op pagina 50.

PROBLEMEN OPLOSSEN

9.4 Breuken in de lusdraad opsporen

Breuken in de lusdraad zijn meestal te wijten aan onbewuste fysieke beschadigingen aan de draad, bijvoorbeeld bij het gebruik van een schop bij het tuinieren. In landen met nachtvorst kan de draad ook beschadigd raken door scherpe stenen die in de grond bewegen. Breuken kunnen ook worden veroorzaakt door de hoge spanning in de draad tijdens het installeren.

De kabelisolatie kan worden beschadigd wanneer het gras meteen na de installatie te kort wordt gemaaid. Bepaalde beschadigingen aan de isolatie zorgen soms pas weken of maanden later voor problemen. Om dit te voorkomen, moet u de eerste weken na het installeren altijd de maximale maaihoogte selecteren en de maaihoogte vervolgens elke tweede week een stap verlagen totdat de gewenste maaihoogte is bereikt.

Een foutieve las in de lusdraad kan soms weken nadat de las werd gemaakt voor problemen zorgen. Een foutieve las kan onder meer worden veroorzaakt doordat de originele koppeling niet stevig genoeg werd samengedrukt met behulp van een tang of doordat een koppeling van een mindere kwaliteit dan de originele koppeling werd gebruikt. Controleer eerst alle bij u bekende lassen voordat u verdergaat met de foutopsporing.

Een draadbreuk kan worden opgespoord door de afstand van de lus waar de breuk kan zijn opgetreden steeds te halveren, totdat er nog maar een kort stuk draad over is.

  1. Controleer of het indicatielampje in het laadstation één keer per seconde knippert, wat een breuk in de begrenzingslus aangeeft. Zie 9.2 Indicatielampje in het laadstation op pagina 72.

  2. Controleer of de aansluitingen van de begrenzingsdraad naar het laadstation correct zijn aangesloten en niet zijn beschadigd. Controleer of het indicatielampje in het laadstation nog steeds één keer per seconde knippert.

GARDENA R160 - Breuken in de lusdraad opsporen - 1

  1. Sluit het laadstation aan op de voeding. Verwissel de aansluitingen van de begeleidingsdraad en de begrenzingsdraad in het laadstation.

a) Verwissel aansluiting A1 en G1.

Als het indicatielampje één keer per seconde knippert, bevindt de breuk zich ergens in de begrenzingsdraad tussen A1 en het punt waar de begeleidingsdraad is aangesloten op de begrenzingsdraad (dikke zwarte lijn op de afbeelding).

Guide

3018-155

b) Zet A1 en G1 terug in hun oorspronkelijke posities. Verwissel vervolgens A2 en G1.

Als het indicatielampje één keer per seconde knippert, bevindt de breuk zich ergens in de begrenzingsdraad tussen A2 en het punt waar de begeleidingsdraad is aangesloten op de begrenzingsdraad (dikke zwarte lijn op de afbeelding).

A1 Guide A2 Guide Guide

3018-156

PROBLEMEN OPLOSSEN

  1. a) Ga er vanuit dat het indicatielampje één keer per seconde knipperde tijdens test a) hierboven. Herstel de oorspronkelijke posities van alle aansluitingen. Koppel A2 vervolgens los. Sluit een nieuwe lusdraad aan op A2. Sluit het andere uiteinde van de nieuwe lusdraad aan op een punt in het midden van de installatie.

Als het indicatielampje constant brandt, bevindt de breuk zich ergens in de draad tussen het losgekoppelde uiteinde en het punt waar de nieuwe draad is aangesloten (dikke zwarte lijn op onderstaande afbeelding).

Verplaats de aansluiting voor de nieuwe draad in dat geval dichter bij het losgekoppelde uiteinde (grofweg in het midden van het verdachte draaddeel) en controleer opnieuw of het indicatielampje constant brandt.

Ga zo verder totdat er nog een heel kort stuk draad over is, wat het verschil betekent tussen een constant brandend lampje en een lampje dat één keer per seconde knippert.

b) Als het indicatielampje tijdens test 3b) hierboven geel knipperde, voert u een nieuwe test uit. Sluit de nieuwe lusdraad hiervoor aan op A1.

GARDENA R160 - PROBLEMEN OPLOSSEN - 1

  1. Wanneer de breuk is gevonden, moet het beschadigde deel worden vervangen door een nieuw stuk draad. Het beschadigde deel kan worden weggeknipt als het mogelijk is om de begrenzingsdraad in te korten. Gebruik altijd originele koppelingen.

GARDENA R160 - PROBLEMEN OPLOSSEN - 2

GegevensR160
Afmetingen
Lengte 71 cm
Breedte 57 cm
Hoogte 31 cm
Gewicht 9 kg
Elektrisch systeem
Accu Speciale NiMH-accu, 18 V/2,2 Ah
Transformator 230 V AC/24 V
Gemiddeld energieverbruik bij maximaal gebruik 22 kWh/maand in een werkgebied van 1.600 m^2
Gemiddelde laadtijd 50-70 minuten
Gemiddelde maaitijd 40-60 minuten
Geluidsemissies
Gemeten geluidsniveau 60 dB (A)
Gegarandeerd geluidsniveau 63 dB (A)
Maaien
Maaisysteem Drie scharnierende mesbladen
Toerental maaimotor 2.500 tpm
Energieverbruik tijdens maaien 30 W +/- 20%
Maaihoogte2-6 cm
Maaibreedte22 cm
Werkcapaciteit1.600 m^2 +/- 20%

We kunnen niet garanderen dat de robotmaaier volledig compatibel is met andere typen draadloze systemen, zoals afstandsbedieningen, radiozenders, ringleidingen, verzonken elektrische afrasteringen voor dieren en dergelijke.

GARANTIEBEPALINGEN

11 Garantiebepalingen

GARDENA garandeert de werking van dit product gedurende een periode van twee jaar (vanaf de aankoopdatum). De garantie dekt ernstige materiaal- of productiefouten. Binnen de garantieperiode zullen we het product kosteloos vervangen of repareren als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • De maaier en het laadstation mogen uitsluitend worden gebruikt overeenkomstig de instructies in deze Gebruiksaanwijzing.
  • Gebruikers of onbevoegde derden mogen geen pogingen doen om het product te repareren.

Voorbeelden van defecten die niet onder de garantie vallen:

  • Schade veroorzaakt door water dat onder uit de maaier sijpelt (bv. door gebruik van was- of besproeiingsinstallaties).
  • Schade veroorzaakt door een kortgesloten laagspanningskabel.
    • Schade veroorzaakt door blikseminslag.
  • Schade veroorzaakt door het gebruik van een andere accu dan een originele accu.
    • Schade aan de lusdraad.

De messen en de accu worden beschouwd als slijtdelen en vallen niet onder de garantie.

Als uw GARDENA robotmaaier een defect vertoont, neem dan contact op met GARDENA Central Service (zie Aantekeningen op pagina 4) voor verdere instructies. Zorg dat u het betalingsbewijs en het serienummer van de maaier bij de hand hebt wanneer u contact opneemt met GARDENA Central Service.

INFORMATIE OVER HET MILIEU

12 Informatie over het milieu

De symbolen op de robotmaaier of de verpakking geven aan dat het product niet mag worden verwerkt als huishoudelijk afval. In plaats daarvan moet het product naar een gespecialiseerd recyclingcentrum worden gebracht, waar de elektronische componenten en accu's kunnen worden gerecycled.

Als u ervoor zorgt dat dit product goed wordt verwerkt, helpt u mogelijk negatieve gevolgen voor het milieu en mensen door verkeerd afvalbeheer van dit product tegen te gaan. Neem voor meer informatie over het recyclen van dit product contact op met de gemeente, het afvalverwerkingsbedrijf of de winkel waar u het product hebt gekocht.

GARDENA R160 - Informatie over het milieu - 1

13 EG-verklaring van overeenstemming

EU-verklaring van overeenstemming (alleen geldig voor Europa)

Husqvarna AB, SE-561 82 Huskvarna, Zweden, verklaart hierbij dat de robotmaaier GARDENA R160 met serienummers van 2013 en later (het jaartal staat duidelijk vermeld op het productplaatje, gevolgd door het serienummer), voldoet aan de vereisten van de volgende EU-richtlijnen:

• Machinerichtlijn 2006/42/EG.
- Richtlijn betreffende "beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen" 2011/65/EU.
- Richtlijn "betreffende de geluidsemissie door materieel voor gebruik buitenshuis" 2000/14/EG. Zie ook de Technische gegevens voor informatie over de geluidsemissie en maaibreedte. Aangemelde instantie 0404, SMP Svensk Maskinprovning AB, Fyrisborgsgatan 3, SE-754 50 Uppsala, Zweden, heeft een rapport opgesteld inzake een beoordeling van de overeenstemming met bijlage VI van Richtlijn 2000/14/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende "de geluidsemissie door materieel voor gebruik buitenshuis". Het certificaat heeft nummer: 01/901/175.
- Richtlijn elektromagnetische compatibiliteit 2004/108/EG en relevante aanvullingen.

De volgende normen zijn van toepassing:

  • EN 55014-1
  • EN 55014-2

Huskvarna, 10 december 2012

Christopher Goutwymon

GARDENA R160 - EU-verklaring van overeenstemming (alleen geldig voor Europa) - 2

Christer Gustavsson, Hoofd Ontwikkeling automatische gazonmaaiers (erkende vertegenwoordiger voor Husqvarna Group AB en verantwoordelijk voor technische documentatie)

GARDENA R160 - EU-verklaring van overeenstemming (alleen geldig voor Europa) - 3

Inhoudsopgave Klik op een titel om deze te openen
Handleidingassistent
Aangedreven door Anthropic
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : GARDENA

Model : R160

Categorie : Grasmaaier