Transit Connect (2003) - Automobiel FORD - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Transit Connect (2003) FORD in PDF-formaat.
| Type product | Bestelwagen / Personenauto (Transit Connect) |
| Merk | Ford |
| Model | Transit Connect (2003) |
| Wielbasis | Kort (2912 mm) of Lang (3300 mm) |
| Rijklaar gewicht | Ca. 1345–1475 kg (afhankelijk van motor en uitvoering) |
| Laadvermogen | 625–1000 kg (afhankelijk van uitvoering) |
| Motoren | 1,8L Duratec (115 pk) benzine; 1,8L Duratorq-TDDi/TDCi (75/90 pk) diesel |
| Brandstof | Benzine of diesel |
| Voorgloeisysteem (diesel) | Automatisch; controlelamp wachten tot uit |
| Versnellingsbak | Handgeschakeld, 5 versnellingen |
| Veiligheidssystemen | Frontairbags, zijairbags, gordelspanners, ABS, ISOFIX, kindersloten |
| Klimaatregeling | Handmatig met airconditioning, extra verwarming (optioneel) |
| Verlichting | Koplampen (H4 60/55W), mistlampen voor/achter, interieurverlichting |
| Accu | 12V; onderhoudsvrij type; vervangen bij loskoppelen |
| Zekeringen | Centrale zekeringenkast (dashboard) en extra kast (motorruimte) |
| Onderhoud | Motorolie controleren, koelvloeistof, ruitensproeiervloeistof, bandenspanning |
| Bandenspanning | Zie sticker op portierstijl; voor 195/65 R15 ca. 2,5 bar |
| Reservewiel | Onder de auto opgeborgen; ophijsen met wielmoersleutel |
| Kinderzitjes | ISOFIX bevestigingspunten op tweede zitrij; groep 0+/I/II/III |
| Afstandsbediening | Frequentie 433,92 MHz; batterij CR2032; maximaal 4 te programmeren |
| Alarm | Ingebouwd; inschakelen bij vergrendelen; uitschakelen bij ontgrendelen |
| Pagina's handleiding | 160 |
Veelgestelde vragen - Transit Connect (2003) FORD
Gebruikersvragen over Transit Connect (2003) FORD
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Transit Connect (2003) - FORD en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Transit Connect (2003) van het merk FORD.
GEBRUIKSAANWIJZING Transit Connect (2003) FORD
De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor, specificaties, ontwerpen of onderdelen zonder voorafgaande kennisgeving of verplichtingen te wijzigen. Deze publicatie, of een deel daarvan, mag niet worden gereproduceerd of vertaald zonder onze toestemming. Fouten of omissies uitgesloten.
Alle rechten voorbehouden.
Onderdeelnummer: 7T1J-19A321-CA (CG3526nl) 06/2006 20060720170747
Inleiding
Over deze handleiding......5
Overzicht van symbolen......5
Onderdelen en accessoires......5
Kort overzicht
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
Kinderzitjes....10
Plaatsing van kinderzitjes......12
Zitverhogers....14
ISOFIX verankeringspunten......15
Kindersloten....17
Bescherming van inzittenden
Werking....18
Veiligheidsgordels vastmaken.....22
Hoogte van veiligheidsgordels afstellen....23
Gebruik van veiligheidsgordels tijdens zwangerschap......24
Sleutels en afstandsbediening
Algemene informatie over radiofrequencies....25
Programmeren van de afstandsbediening....25
Batterij van afstandsbediening vervangen......26
Sloten
Vergrendelen en ontgrendelen....27
Motorstartblokkering
Werking....34
Gecodeerde sleutels......34
Immobilisatiesysteem inschakelen....36
Immobilisatiesysteem uitschakelen....36
Alarm
Alarm inschakelen......37
Alarm uitschakelen....37
Stuurwiel
Stuurwiel afstellen....38
Ruitenwissers en ruitensproeiers
Voorruitwissers....40
Voorruitsproeiers......40
Achterruitwissers en -sproeiers....40
Voorruitsproeiers afstellen......41
Ruitenwisserbladen controleren......41
Ruitenwisserbladen vervangen......42
Verlichting
Verlichtingsbediening......43
Voorste mistlampen......43
Mistachterlichten......43
Koplamphoogte afstellen......44
Waarschuwingsknipperlichten.....46
Richtingaanwijzers......47
Interieurverlichting......47
Inhoudsopgave
Gloeilampen vervangen......48
Ruiten en spiegels
Achterste zijruiten......55
Instrumenten
Overzicht instrumentenpaneel.....56
Meters....60
Waarschuwings- en indicatielampen....61
Akoestische waarschuwingssignalen en -indicaties....64
Klimaatregeling
Werking....65
Ventilatieroosters....66
Verwarmde ruiten en spiegels.....66
Handmatige klimaatregeling......67
Extra verwarming....70
Stoelen
De juiste zitpositie innemen......75
Voorstoelen....75
Hoofdsteunen....79
Achterbank....79
Verwarmde stoelen....82
Gemaksfuncties
Zonnekleppen....83
Klok....83
Aansteker....83
Asbak....84
Extra voedingsaansluitingen......84
Dashboardkastje......85
Middenconsole....85
Opbergruimtes....86
Wegenkaartopbergvakken......87
Rugleuningtafeltjes......88
De motor starten
Algemene informatie......89
Contactslot....89
Een benzinemotor starten......89
Een dieselmotor starten....90
Motor uitschakelen....91
Brandstof en tanken
Veiligheidsmaatregelen....92
Brandstofkwaliteit - Benzine......92
Brandstofkwaliteit - Diesel......92
Katalysator....92
Tankklep....93
Tanken....93
Technische specificatie......94
Versnel- lingsbak/transmissie
Handgeschakelde versnellingsbak....95
Remmen
Werking....96
Tips voor rijden met ABS......96
Parkeerrem....97
Parkeerhulp
Werking....98
Gebruik maken van de parkeerhulp....98
Transport
Algemene informatie......99
Dakrekken en bagagedragers.....99
Bagagenetten....99
Aanhangers trekken
Trekken van een aanhanger......101
Tips voor het rijden
Algemene punten bij het rijden....102
Inrijden....102
Nooduitrusting
Eerstehulpset....103
Gevarendriehoek......103
Staat na een aanrijding
Onderbrekingsschakelaar brandstoftoevoer....104
Componenten van veiligheidssysteem inspecteren....105
Zekeringen
Plaatsen zekeringenhouders.....106
Een zekering vervangen......108
Zekeringlabels....108
Specificatie-overzicht zekeringen......110
Bergen van de auto
Sleeppunten....111
Auto op vier wielen slepen......112
Onderhoud
Algemene informatie......113
De motorkap openen en sluiten....114
Overzicht motorruimte - 1,8 l Duratec-DOHC (Zeta) .....115
Overzicht motorruimte - 1,8 I Duratorq-TDDi (Lynx) diesel /1,8 I Duratorq-TDCi (Lynx) diesel ....116
Motorolie controleren....117
Motorkoelvloeistof controleren....119
Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem....120
Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren......120
Ruitensproeiervloeistof controleren....121
Technische specificatie......121
Verzorging van de auto
Reinigen van buitenzijde auto.....123
Reinigen van binnenzijde auto.....124
Kleine lakschade repareren......124
Accu van de auto
Onderhoud van de accu......125
Gebruik van startkabels......125
Accu vervangen....126
Velgen en banden
Een wiel vervangen......127
Verzorging van banden......133
Gebruiki van sneeuwkettingen....133
Technische specificatie......134
Voertuigidentificatie
Voertuigidentificatieplaatje......137
Voertuigidentificatienummer (VIN)....137
Motornummer....137
LAV-plaatje (lastafhankelijke remdrukregelklep)....137
Technische specifi- caties
Technische specificatie......138
Typegoedkeuring
OVER DEZE HANDLEIDING
Hartelijk dank voor het kiezen van een Ford. Wij raden u aan de tijd te nemen om uw auto goed te leren kennen door dit instructieboekje zorgvuldig te lezen. Hoe meer u van uw auto afweet, des te beter kunt u ermee omgaan en dat komt de veiligheid en het rijplezier ten goede.
N.B.: In dit instructieboekje worden alle modellen en opties beschreven, soms zelfs voordat deze leverbaar zijn. Soms worden opties beschreven waarmee uw auto niet is uitgerust.
N.B.: Gebruik uw auto altijd volgens de geldende regels en wetgeving.
N.B.: Overhandig bij verkoop van uw auto dit instructieboekje aan de nieuwe eigenaar. Het instructieboekje is een onderdeel van de auto.
OVERZICHT VAN SYMBOLEN
Symbolen in dit instructieboekje
WAARSCHUWING
U riskeert de dood of ernstige verwonding van uzelf en anderen wanneer u niet de instructies opvolgt waarop u door dit waarschuwingssymbool wordt geattendeerd.
LET OP
U riskeert beschadiging van uw auto wanneer u niet de instructies opvolgt waarop u door dit waarschuwingssymbool wordt geattendeerd.
Symbolen op uw auto


Wanneer u deze symbolen ziet, lees dan eerst de betreffende instructies in dit instructieboekje en volg deze op voordat u iets aanraakt of probeert af te stellen.
ONDERDELEN EN ACCESSOIRES
Originele Ford onderdelen en accessoires zijn speciaal voor uw auto ontwikkeld. Wij wijzen erop dat niet-originele Ford onderdelen en accessoires niet door Ford zijn onderzocht en goedgekeurd tenzij expliciet door Ford is aangegeven. Wij kunnen niet instaan voor de geschiktheid van dergelijke producten. Wij raden u aan uw Ford dealer te vragen of onderdelen en accessoires geschikt zijn voor uw auto.
Kort overzicht
Ontgrendelen
Transit Connect

Stand 1 eenmaal om beide voorportieren te ontgrendelen.
Stand 2 tweemaal om alle portieren te ontgrendelen.
Achterportier: rechtsom draaien om te ontgrendelen.

Druk de ontgrendeltoets op de afstandsbediening eenmaal in om beide voorportieren te ontgrendelen.
Druk de ontgrendeltoets op de afstandsbediening tweemaal binnen drie seconden in om alle portieren te ontgrendelen.

Druk de ontgrendeltoets van de laadruimte op de afstandsbediening eenmaal om alleen de achterdeuren en de schuifdeur(en) te ontgrendelen.
Tourneo Connect

Kort overzicht
Stand 1 eenmaal om alle portieren te ontgrendelen. De richtingaanwijzers knipperen eenmaal ter bevestiging.

Druk de ontgrendeltoets op de afstandsbediening eenmaal in om alle portieren te ontgrendelen. De richtingaanwijzers knipperen eenmaal ter bevestiging.
Vergrendelen
Centraal vergrendelingssysteem en alarminstallatie inschakelen:

E74803
In stand 2 draaien.

Druk eenmaal op de vergrendeltoets op de afstandsbediening. Bij wagens zonder dubbele vergrendeling knipperen de richtingaanwijzers tweemaal ter bevestiging.
Dubbele vergrendeling en alarminstallatie inschakelen:

Draai de sleutel in een voorportier in stand 1 en vervolgens binnen drie seconden in stand 2.
De centrale of de dubbele vergrendeling kan ook via de achterdeur worden geactiveerd. Draai de sleutel in de aangeduide richting voor het rechter voorportier.

Druk de vergrendelingstoets op de afstandsbediening tweemaal binnen drie seconden in. De richtingaanwijzers knipperen tweemaal ter bevestiging.
Klok gelijkzetten
Versie 1

E74265
A Omschakel- en terugsteltoets
• Draai de contactsleutel in stand II.
- Houd de toets A minimaal drie seconden ingedrukt tot de tijdsweergave op het display knippert.
- Druk op toets A om de minuten vooruit te zetten. Houd de toets ingedrukt om snel vooruit te gaan.
Om te wisselen tussen de 12 en 24 uurs cyclus zet u de contactsleutel in stand I en drukt u op toets A.
Versie 2
Raadpleeg voor gedetailleerde instructies hoe de klok moet worden ingesteld de afzonderlijke handleiding van de audio-installatie.

Kort overzicht
Druk op toets A om de tijd weer te geven.
Voorruit ontdooien en ontwasemen

Stel de maximum temperatuur in, zet de luchtverdeelknop in de stand voorruit en zet de
aanjagerschakelaar in stand 4. De airconditioning wordt automatisch ingeschakeld om het ontdooien of ontwasemen te ondersteunen.
Schakel eventueel de voor- en achterruitverwarming in.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
KINDERZITJES

E72336
WAARSCHUWINGEN
Bijzonder gevaarlijk! Plaats nooit een kinderzitje op een stoel waarvóór zich een airbag bevindt!
Oorspronkelijke tekst volgens ECE R94.01: Extreme Hazard! Do not use a rearward facing child restraint on a seat protected by an air bag in front of it!
Wanneer de airbag wordt geactiveerd bestaat het gevaar van ernstige verwonding of letsel met fatale gevolgen.
WAARSCHUWINGEN
Breng altijd de hoofdsteun van de achterbank omhoog wanneer een kinderveiligheidszitje wordt aangebracht of een persoon erop plaatsneemt, schuif daarbij het kinderveiligheidszitje niet van de bank af.
N.B.: Indien de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, laat dan het kinderzitje door een deskundige op beschadiging controleren.
N.B.: Laat kinderen niet zonder toezicht in het kinderveiligheidszitje of in de auto achter.
N.B.: Zorg er bij het vastzetten van een kinderzitje met de veiligheidsgordel altijd voor dat de gordel niet is gedraaid of los zit.
WAARSCHUWING
Er bestaat gevaar van overlijden of ernstige verwonding indien de aanwijzingen van de fabrikant niet worden opgevolgd of wanneer er op enigerlei wijze wijzigingen aan het kinderzitje worden aangebracht.
Volg bij het aanbrengen van een kinderzitje/babyzitje altijd de aanwijzingen van de fabrikant op.
WAARSCHUWING
Neem tijdens het rijden geen kinderen op schoot.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
Kinderen met een lengte van 150 cm of minder of van 12 jaar of jonger moeten gebruikmaken van speciale babyzitjes, kinderzitjes en kinderveiligheidkussens of zitverhogers op de achterbank.
In sommige landen moeten deze door de overheid zijn goedgekeurd (afhankelijk van het land).
Een ECE goedgekeurd kinderzitje is bij uw Ford dealer verkrijgbaar. Vraag welk kinderzitje wordt aanbevolen. Zij bieden in combinatie met de aanwezige veiligheidsgordels een optimale bescherming aan kinderen.
Kinderzitjes voor verschillende gewichtscategorieën
De juiste keuze van een kinderzitje is afhankelijk van de leeftijd en het gewicht van het kind:
Babyzitje

Baby's met een gewicht van minder dan 13 kg (circa 18 maanden) wordt optimale bescherming geboden wanneer ze worden vervoerd in een babyzitje (groep 0+) dat achterwaarts op de achterbank is geplaatst.
Kinderveiligheidszitje

Kinderen met een gewicht tussen 13 en 18 kg (circa 9 maanden tot 4 jaar) moeten goed vastgegespt in een kinderveiligheidszitje (groep I) op de achterbank worden vervoerd.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
PLAATSING VAN KINDERZITJES
WAARSCHUWINGEN

Wanneer uw Ford is uitgerust met een front-airbag aan passagierszijde, mogen kinderen met een lengte van 150 cm en minder of van 12 jaar en jonger alleen worden vervoerd in een kinderzitje dat stevig op de achterbank is bevestigd - nooit voorin de auto.

Bijzonder gevaarlijk! Plaats nooit een kinderzitje achterwaarts op een stoel waarvóór zich een airbag bevindt!
N.B.: Wanneer persoonlijke omstandigheden vereisen dat een kind met een gewicht van meer dan 9 kg moet plaatsnemen op een voorstoel waarvóór zich een airbag bevindt, gebruik dan altijd een in de rijrichting geplaatst kinderzitje.
De volgende tabel geeft aanwijzingen over de geschikte bevestigingspunten voor kinderzitjes.
Plaatsen voor het kinderzitje
| Zitplaatsen | Gewichtsgroepen | ||||
| IIIIIIIO+0 | |||||
| Tot 10 kg (ca. 0-9 maanden) | Tot 13 kg (ca. 0 - 2 jaar) | 9 - 18 kg (ca. 9 maanden - 4 jaar) | 15 tot 25 kg (ca. 31/2 - 12 jaar) | 22 - 36 kg (ca. 6 - 12 jaar) | |
| Baby-zitje | Baby-zitje | kinder-zitje | Veilig-heids-kussen (zitver-hoger) | Veilig-heids-kussen (zitver-hoger) | |
| Passagiersstoel, voor, met airbag | X | X | U1 | U1 | U1 |
| Passagiersstoel, voor, zonder airbag | UUUUU | ||||
| UUUUUAchter | |||||
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
| Zitplaatsen | Gewichtsgroepen | ||||
| IIIIIIIO+O | |||||
| Tot 10 kg (ca. 0-9 maanden) | Tot 13 kg (ca. 0 - 2 jaar) | 9 - 18 kg (ca. 9 maanden - 4 jaar) | 15 tot 25 kg (ca. 31/2 - 12 jaar) | 22 - 36 kg (ca. 6 - 12 jaar) | |
| Baby-zitje | Baby-zitje | kinder-zitje | Veilig-heids-kussen (zitver-hoger) | Veilig-heids-kussen (zitver-hoger) | |
| ISOFIX kinderzitje, tweede zitrij, midden | n.v.t.n.v.t.LLr | ||||
X = Zitplaats niet geschikt voor kinderen in deze gewichts-/leeftijdsgroep.
U = Zitplaats geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichts-/leeftijdsgroep.
U1 = Zitplaats geschikt voor universele kinderzitjes, maar Ford adviseert kinderen altijd in een geschikt kinderzitje op de achterbank te vervoeren.
L = Zitplaats geschikt voor bepaalde kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichts-/leeftijdsgroep.
N/A = Niet van toepassing.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
ZITVERHOGERS

Gebruik nooit een zitverhoger alleen in combinatie met een
heupgordel.

Leg de schoudergordel nooit onder de arm of achter de rug
van het kind langs.

Gebruik nooit kussens, boeken of handdoeken om het kind
hoger te laten zitten.
Kinderen met een gewicht van meer dan 15 kg en een lengte van minder dan 150 cm moeten gebruikmaken van een kinderzitje of een zitverhoger. Voor kinderen met een gewicht van 15 tot 25 kg raadt Ford het gebruik van een kinderzitje aan dat een combinatie is van een zitverhoger en een rugleuning in een kinderzitje. De hogere zitpositie zorgt ervoor dat de standaard veiligheidsgordel over het midden van de schouder komt te liggen en niet langs de hals en dat de heupgordel over de heupen komt te liggen in plaats van over de maag. Zorg ervoor dat uw kind rechtop zit.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
ISOFIX VERANKERINGSPUNTEN
Tourneo Connect
WAARSCHUWINGEN
Ford raadt het gebruik van een ISOFIX systeem zonder gebruik te maken van een draaibeveiliging, zoals een correct aangebrachte veiligheidsgordel aan de bovenzijde of een steunarm, af.
Er bestaat kans op overlijden of ernstige verwonding wanneer de instructies van de fabrikant niet correct worden opgevolgd of wanneer het kinderzitje/veiligheidsgordel op enige wijze wordt gewijzigd.
Uw auto is uitgerust met ISOFIX verankeringspunten. Uw Ford dealer zal ze graag voor u bereikbaar maken.

Het ISOFIX systeem bestaat uit twee stevige bevestigingsarmen aan het kinderzitje, waarmee dit aan verankeringspunten achter de rugleuning wordt bevestigd. Wanneer de twee onderste bevestigingspunten door uw Ford Dealer toegankelijk zijn gemaakt, kunt u deze in op de middelste zitplaats van de tweede zitrij vinden. De bevestigingspunten zijn voorzien van een cirkelvormig pictogram en de tekst 'ISOFIX'. De trechtervormige geleiders zorgen ervoor dat de bevestigingsarmen van een ISOFIX kinderzitje makkelijk en stevig kunnen worden bevestigd.
ISOFIX kinderzitjes die niet door Ford zijn goedgekeurd, zijn niet door Ford getest en de geschiktheid noch de veiligheid van dergelijke zitjes kan worden gegarandeerd, ongeacht of zij met het ISOFIX systeem of met de normale veiligheidsgordels worden bevestigd.
Kinderzitje met een veiligheidsriem aan de bovenzijde bevestigen
WAARSCHUWING
Bevestig de veiligheidsgordel zoals afgebeeld alleen aan het daartoe bestemde verankeringspunt. De veiligheidsgordel kan niet correct functioneren wanneer hij aan een ander punt wordt bevestigd.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
Voor kinderzitjes met een veiligheidsriem aan de bovenzijde is uw auto voorzien van een derde verankeringspunt, voor gebruik van een kinderzitje in voorwaartse richting. Deze extra verankeringspunt maak het gebruik van een veiligheidsriem aan de bovenzijde mogelijk. Neem contact op met uw Ford dealer om dit verankeringspunt te laten aanbrengen.

Bij uitvoeringen met vijf zitplaatsen bevindt het verankeringspunt zich boven de opening van de achterdeur.

Bij uitvoeringen met acht zitplaatsen bevindt dit punt zich achter de middelste zitplaats op de tweede zitrij.

Het verankeringspunt is te herkennen aan een pictogram. De veiligheidsgordel aan de bovenzijde van het kinderzitje moet onder de naar beneden geschoven hoofdsteun naar het verankeringspunt worden gevoerd. Verwijder de kap van het verankeringspunt en breng de riem aan. Na het aanbrengen van het kinderzitje moet de veiligheidsgordel volgens de richtlijnen van de fabrikant worden aangetrokken.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
KINDERSLOTEN
Tourneo Connect

Draai het veiligheidsslot naar binnen om het slot te deactiveren.
WAARSCHUWING

Wanneer het
kinderveiligheidsslot in werking
is gesteld, kan het portier alleen van buitenaf worden geopend.
N.B.: Alleen de schuifdeuren zijn
voorzien van kinderveiligheidssloten.
Draai met behulp van de
contactsleutel het veiligheidsslot op het uiteinde van de deur naar buiten.
De deur kan nu niet meer van
binnenuit worden geopend.
WERKING
Airbags

Breng aan de voorzijde van de auto geen enkele wijziging aan, omdat dit negatieve gevolgen kan hebben op de werking van de airbag.
N.B.: Het opblazen van een airbag gaat gepaard met een luide knal. Het is normaal dat een onschadelijke, poederachtige stof achterblijft.
Het airbagsysteem bestaat uit de volgende onderdelen:
- opblaasbare nylon zakken (airbags) met gasgeneratoren aan bestuurderszijde en passagierszijde
- zij-airbags
- side curtains
-
een gordelspanner
-
crashesensoren
- een controlelamp op het instrumentenpaneel
- een elektronisch regel- en diagnosesysteem

Reparaties aan hetzij de hoezen van de voorstoelen of de sensoren die op de stoelen zijn aangebracht mogen uitsluitend door goed geschoolde monteurs worden uitgevoerd. Wanneer een zij-airbag per ongeluk wordt geactiveerd kunnen verwondingen het gevolg zijn.
Blokkeer, belemmer of bedek de airbag niet, omdat deze dan misschien niet goed wordt opgeblazen. Steek geen scherpe voorwerpen in gebieden waar airbags zijn gemonteerd. Hierdoor zouden de airbags kunnen worden beschadigd.
Breng geen extra stoelhoezen aan die niet speciaal zijn ontwikkeld voor het gebruik op stoelen met zij-airbags. Laat het aanbrengen van deze stoelhoezen over aan de gedegen getrainde monteurs.

Draag altijd de veiligheidsgordel en houd voldoende afstand tot het stuurwiel. Alleen wanneer de veiligheidsgordel op de juiste wijze wordt gedragen, kan het lichaam op zijn plaats worden gehouden, waardoor de airbag zijn maximale bescherming kan bieden. Wanneer de airbag wordt geactiveerd bestaat het gevaar van ernstige verwonding.
Voor een optimale werking van de airbags moeten de zitting en de rugleuning correct worden ingesteld. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 75).
Dit is de ideale zitpositie voor de bestuurder en voorpassagier en helpt de kans op verwonding reduceren door te dicht op een zich ontvouwende airbag te zitten.

E75575
Bescherming van inzittenden
De front-airbags treden in werking bij zware aanrijdingen, hetzij frontaal of binnen een hoek van 30 graden van links of van rechts. De airbags worden in enkele milliseconden opgeblazen. Zodra de lichamen van de inzittenden in aanraking komen met de airbags, stromen deze leeg waardoor de voorwaartse beweging wordt opgevangen.

Bij lichte aanrijdingen, het over de kop slaan van de auto of bij aanrijdingen van opzij of van achteren worden de front-airbags niet geactiveerd.

E75577
WAARSCHUWINGEN
Laat reparaties aan het stuurwiel, de stuurkolom en het airbagsysteem over aan gedegen getrainde monteurs.
Houd het gebied vóór de airbags altijd vrij. Breng niets op of over deze gebieden aan.
Deze gebieden mogen uitsluitend worden gereinigd met een vochtige doek; nooit met een natte doek!
Bescherming van inzittenden
Zij-airbags

Een label aan de rugleuning duidt aan dat zij-airbags zijn gemonteerd. De zij-airbags bevinden zich in de zijkant van de rugleuningen van de voorstoelen. In geval van een zware zijdelingse aanrijding, wordt de airbag aan de betreffende zijde geactiveerd. De airbag wordt opgeblazen tussen het portierpaneel en de inzittende en boven het portierbekledingpaneel om het hoofd en de borstkast te beschermen. Zodra deze persoon in aanraking komt met de airbag, stroomt de airbag weer leeg, waardoor het lichaam soepel wordt opgevangen.

Bij lichte zijdelingse aanrijdingen en bij aanrijdingen van voren of van achteren worden de zij-airbags niet geactiveerd.
Veiligheidsgordels
WAARSCHUWINGEN

Draag altijd een veiligheidsgordel.

Gebruik een veiligheidsgordel nooit voor meer dan een oon.

Vermijd het dragen van dikke kleding.

De veiligheidsgordels moeten strak om het lichaam liggen.
Bescherming van inzittenden
Gordelslotspanner

De gordelslotspanners mogen niet worden verwijderd. Nadat de gordelslotspanners bij een aanrijding zijn geactiveerd, moeten zij worden vervangen. Laat de gordelslotspanners alleen onderhouden en afvoeren door speciaal geschoold personeel.
Het veiligheidssysteem met de gordelspanner aan bestuurderszijde helpt het risico van ernstige verwonding bij een zware aanrijding verkleinen. Tijdens een ernstige aanrijding wordt de veiligheidsgordel van de bestuurder voorgespannen zodat alle speling in de gordel wordt opgeheven. De gordelslotspanner is een veiligheidsvoorziening die ervoor zorgt dat de veiligheidsgordel strak tegen het lichaam komt te liggen. Wanneer de gordelslotspanner wordt geactiveerd, wordt de schoudergordel gespannen.
Bij een lichte frontale aanrijding, of wanneer de auto in de flank of van achteren wordt aangereden, treden de gordelslotspanners niet in werking.
VEILIGHEIDSGORDELS VASTMAKEN

Steek de slottong in het gordelslot tot u een 'klik' hoort; alleen dan is de veiligheidsgordel goed vergrendeld.
Trek de veiligheidsgordel gelijkmatig uit. Als er een stevige ruk aan wordt gegeven of als de auto op een helling staat, kan de gordel blokkeren.
Druk de rode knop op het gordelslot in om de gordel los te maken en laat de gordel zich gelijkmatig en volledig oprollen.
Veiligheidsgordels achterin

Om er zeker van kunnen zijn dat de veiligheidsgordel van de middelste zitplaats correct werkt, moet de rugleuning van de achterbank goed zijn vergrendeld.
Let erop dat elke slottong in het correcte gordelslot wordt gestoken.
HOOGTE VAN VEILIGHEIDSGORDELS AFSTELLEN
Veiligheidsgordel, voor

Veiligheidsgordel, achter

Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel soepel door de geleider glijdt.
GEBRUIK VAN VEILIGHEIDSGORDELS TIJDENS ZWANGERSCHAP

Breng de veiligheidsgordel voor uw eigen veiligheid, maar ook voor dat van uw ongeboren kind op correcte wijze aan. Draag niet alleen de heupgordel of de schoudergordel.
De heupgordel moet comfortabel over de heupen liggen aan de onderzijde van uw zwangere buik. Leg de schoudergordel tussen uw borsten, boven en aan de zijkant van uw zwangere buik.
ALGEMENE INFORMATIE OVER RADIOFREQUENTIES
LET OP
De radiofrequentie van de afstandsbediening kan ook worden gebruikt door andere zenders met een klein bereik (bijvoorbeeld zendamateurs, medische apparatuur, draadloze hoofdtelefoons, afstandsbedieningen en alarmsystemen). Wanneer de frequenties worden gestoord, kunt u geen gebruik meer maken van uw afstandsbediening. U kunt de portieren met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen.
N.B.: U kunt de portieren ontgrendelen wanneer u de toetsen op de afstandsbediening per ongeluk indrukt.
Het bereik tussen uw afstandsbediening en uw auto is afhankelijk van de omgeving.
PROGRAMMEREN VAN DE AFSTANDSBEDIENING
Maximaal kunnen vier afstandsbedieningen (inclusief de bij de auto geleverde afstandsbedieningen) voor uw auto worden geprogrammeerd.

Transit ConnectA Tourneo ConnectB
N.B.: Controleer of de alarminstallatie is uitgeschakeld en of alle portieren zijn gesloten.
- Zet, om nieuwe afstandsbedieningen te programmeren, de contactsleutel acht keer binnen tien seconden vanuit stand O in stand II. De contactsleutel moet uiteindelijk in
stand II staan en blijven staan. De portiersloten sluiten eenmaal vergrendelen en ontgrendelen om aan te duiden dat het nu mogelijk is nieuwe afstandsbedieningen te programmeren.
- Druk binnen 20 seconden nadat de portiersloten hebben vergrendeld en ontgrendeld op een willekeurige toets op de nieuwe afstandsbediening. De portiersloten zullen opnieuw vergrendelen en ontgrendelen om aan te duiden dat de afstandsbediening met succes is geprogrammeerd.
- Herhaal stap 2 bij alle afstandsbedieningen, inclusief uw originele afstandsbediening. Telkens wanneer een nieuwe afstandsbediening met succes is geprogrammeerd, begint de programmeerperiode opnieuw en is het gedurende 20 seconden mogelijk een nieuwe afstandsbediening te programmeren.
- Zet het contact in stand 0. De portiersloten zullen opnieuw vergrendelen en ontgrendelen om aan te duiden dat het programmeren van de afstandsbediening is beëindigd. Uw auto kan nu alleen met de afstandsbedieningen die u zojuist hebt geprogrammeerd worden vergrendeld en ontgrendeld.
BATTERIJ VAN AFSTANDSBEDIENING VERVANGEN
Wanneer het bereik van de zender in de sleutel geleidelijk begint af te nemen, moet de batterij worden vervangen (type 3V CR 2032).
![graph LR A["Device 1"] --> B["Device 2"] B --> C["+"] B --> D["Down Arrow"] style A fill:#f9f,stroke:#333 style B fill:#bbf,stroke:#333 style C fill:#dfd,stroke:#333 style D fill:#dfd,stroke:#333](/content/2026/05/1111155/images/4f999e9069d2f89620d5a5e80847faa7ba2ef8ef3e23ccc3a6d1bb362405516d.jpg)
E66527
- Open de zender door de huishelften met een plat voorwerp open te drukken.
- Maak de batterij voorzichtig met een plat voorwerp los. Breng de nieuwe batterij tussen de contacten aan met het + merkteken naar beneden. Stel de zender in omgekeerde volgorde weer samen.
VERGRENDELEN EN ONTGRENDELEN
Voorportieren
De voorportieren kunnen met de sleutel of de afstandsbediening worden vergrendeld en ontgrendeld.

Ze kunnen van binnenuit worden vergrendeld met de vergrendelknop 1 en ontgrendeld met de portierkruk 2.
Schuifdeur

N.B.: Bij de Tourneo Connect kan de schuifdeur aan de rechterzijde niet volledig worden geopend wanneer de klep van de brandstofvulopening is ontgrendeld en geopend.
Trek, om de deur te openen, de deurgreep uit en schuif vervolgens de deur naar achteren.

Draai, om de schuifdeur handmatig te vergrendelen, de grendelknop aan de binnenzijde van de deur in de stand voor vergrendelen 1. Om de deur te ontgrendelen in stand 2.
Dubbele achterdeuren

Sluit de achterdeuren goed om te voorkomen dat deze tijdens het rijden opengaan. Rijden met een geopende achterdeuren is bijzonder gevaarlijk omdat dan uitlaatgassen het interieur in kunnen worden binnengezogen.
Trek aan de deurgreep om de rechter deur te openen. Druk, om de rechter deur van binnenuit te ontgrendelen en te openen, de noodhendel naar links.

Trek aan de deurgreep om de linker deur te openen.

Beide deuren kunnen 180 graden worden geopend. Wanneer de deur 90 graden is geopend, moet u de gele knop op de deur indrukken. Bij het sluiten van de achterdeuren keren de deurvangers automatisch in hun oorspronkelijke stand terug.

Sommige modellen zijn voorzien van achterdeuren die 250 graden kunnen worden geopend. Wanneer de deur 90 graden is geopend, moet u de gele knop op de deur indrukken. Bij het sluiten van de achterdeuren keren de deurvangers automatisch in hun oorspronkelijke stand terug.
Achterklep

WAARSCHUWING
! Sluit de achterklep goed om te voorkomen dat hij tijdens het rijden opengaat. Rijden met een geopende achterklep is bijzonder gevaarlijk omdat dan uitlaatgassen het interieur in kunnen worden binnengezogen.
Trek, om de achterklep te openen aan de deurgreep A boven de kentekenplaat. De achterklep kan van binnenuit worden geopend door de ontgrendelknop B naar boven te bewegen; deze is bereikbaar via de opening onderaan de achterklep.
Centrale vergrendeling

Mocht zich een storing in de elektrische installatie van de auto voordoen, dan kunnen de voorportieren of de achterdeur met behulp van de sleutel afzonderlijk worden ontgrendeld.
Het centrale vergrendelingssysteem kan vanaf beide voorportieren in werking worden gesteld. Het kan ook via de achterdeuren of de achterklep worden geactiveerd.
Het centrale vergrendelingssysteem kan vanaf beide voorportieren worden gedeactiveerd.
Om ervoor te zorgen dat alle portieren goed worden vergrendeld, moeten alle portieren volledig worden gesloten.
Het vergrendelingssysteem wordt van buitenaf met de sleutel of de afstandsbediening geactiveerd. Van binnenuit wordt het met de vergrendelhendel boven de portierkruk op de voorportieren geactiveerd.
De schuifdeur kan afzonderlijk van binnenuit worden vergrendeld met de vergrendelknop op de deur.
Wanneer de achterdeur met een sleutel wordt ontgrendeld, wordt alleen die deur ontgrendeld.
Dubbele vergrendeling

WAARSCHUWING

Schakel de dubbele vergrendeling niet in wanneer personen in de auto bevinden.
De dubbele vergrendeling is een extra beveiliging om te verhinderen dat de portieren van binnenuit kunnen worden geopend. De dubbele vergrendeling kan alleen in werking worden gesteld wanneer alle portieren zijn gesloten.
Wagen ontgrendelen
Transit Connect
Zodra een portier is ontgrendeld, knipperen de richtingaanwijzers eenmaal ter bevestiging.

Met behulp van de sleutel: Draai de sleutel in het bestuurdersportier of het voorportier aan passagierszijde in de stand 1 om de voorportieren te ontgrendelen.
Draai de sleutel in het bestuurdersportier of het voorportier aan passagierszijde tweemaal in de stand1 om alle portieren te ontgrendelen.
Draai de sleutel in de achterdeur rechtsom om alleen de achterdeur te ontgrendelen.

Met behulp van de afstandsbediening: Druk eenmaal op de ontgrendeltoets om alleen de voorportieren te ontgrendelen of druk tweemaal binnen drie seconden op de ontgrendeltoets om alle deuren te ontgrendelen.

Druk eenmaal op de ontgrendeltoets om de achterdeuren en de schuifdeur te ontgrendelen.
Tourneo Connect
![graph TD A["Ford Model 1"] --> B["Car"] C["Ford Model 2"] --> B D["Top Car"] --> B style A fill:#f9f,stroke:#333 style C fill:#f9f,stroke:#333 style D fill:#ccf,stroke:#333](/content/2026/05/1111155/images/7379bd7534ae7792989a0a5ba5ce986e167ccf3b13021d74f69e63598c61d8cf.jpg)
Alle deuren ontgrendelen en de alarminstallatie uitschakelen:
Sloten
Met behulp van de sleutel: Draai de sleutel in het bestuurdersportier of het voorportier aan passagierszijde in de stand 1 om de voorportieren te ontgrendelen.

Met behulp van de afstandsbediening: druk eenmaal op de ontgrendeltoets.
De richtingaanwijzers knipperen eenmaal ter bevestiging.
Wagen vergrendelen

E74803
Centraal vergrendelingssysteem en alarminstallatie inschakelen:
Met behulp van de sleutel: Draai de sleutel in het bestuurdersportier of het voorportier aan passagierszijde in de stand 2.

Met behulp van de afstandsbediening: druk eenmaal op de vergrendeltoets.
Bij wagens zonder dubbele vergrendeling knipperen de richtingaanwijzers tweemaal ter bevestiging.
![graph TD A["Car"] -->|①| B["Laptop"] A -->|②| C["Engine"] B --> D["Sensor"] C --> D style A fill:#f9f,stroke:#333 style B fill:#ccf,stroke:#333 style C fill:#cfc,stroke:#333 style D fill:#fcc,stroke:#333](/content/2026/05/1111155/images/3c3df55032b4d1b5cfde00437efcf9aed97bf83edb00a99cdfec778a26ee9587.jpg)
Dubbele vergrendeling en alarminstallatie inschakelen:
Met behulp van de sleutel: Draai de sleutel in het bestuurdersportier of het voorportier aan passagierszijde in de stand 1 en vervolgens binnen drie seconden in stand 2.
De centrale/ dubbele vergrendeling kan ook via de achterdeur worden geactiveerd door de sleutel in dezelfde richting te draaien als afgebeeld voor het rechter voorportier.

Met behulp van de afstandsbediening: Druk tweemaal binnen drie seconden op de vergrendelingstoets.
De richtingaanwijzers knipperen tweemaal ter bevestiging.
De alarminstallatie kan ook afzonderlijk via de dubbele vergrendelingssysteem worden ingeschakeld door de sleutel in de stand 2 te draaien.
WERKING
Het immobilisatiesysteem is een beveiligingssysteem tegen diefstal dat voorkomt dat de motor kan worden gestart met een sleutel die niet de juiste code bevat.
GECODEERDE SLEUTELS

Uw auto is met gecodeerde sleutels afgeleverd.
WAARSCHUWING
Laat om veiligheidsredenen bij verlies van een sleutel de codes wissen en de sleutels programmeren met een nieuwe code. Raadpleeg uw dealer wanneer over nog slechts een gecodeerde sleutel beschikt.
Vervangingssleutels moeten tezamen met de andere sleutels opnieuw worden geprogrammeerd.
Bij verlies zijn vervangingssleutels bij de dealer verkrijgbaar nadat u het sleutelnummer hebt opgegeven. Dit nummer staat op het plaatje, dat bij de originele sleutels werd geleverd.
N.B.: Voor een storingvrije en probleemloze uitwisseling van signalen tussen de auto en de sleutel, mag de sleutel niet door metalen voorwerpen worden afgedekt.

Maximaal kunnen acht sleutels (inclusief de sleutels die bij de auto werden geleverd) worden gecodeerd met behulp van twee andere sleutels, die eerder voor uw auto werden gecodeerd.
Voer elk van de volgende handelingen binnen vijf seconden uit.

- Steek de eerste sleutel in het contactslot en draai hem in stand II.
- Draai de sleutel terug in stand o en neem de sleutel uit het contactslot.
- Steek de tweede sleutel in het contactslot en draai hem in stand II.
- Draai de tweede sleutel terug in stand 0 en neem de sleutel uit het contactslot - de coderingsmodus is nu geactiveerd.
- Wanneer nu een ongecodeerde sleutel in het contactslot wordt gestoken en binnen twintig seconden in de stand II wordt gedraaid, wordt de systeemcode door de sleutel ingelezen.
- Neem na de coderingsprocedure de sleutel uit het contactslot. Wacht vijf seconden met het inschakelen van het systeem.
Wanneer het coderen niet geheel correct is verlopen, knippert de controlelamp nadat het contact met de nieuw gecodeerde sleutel is aangezet en slaat de motor niet aan. Herhaal de procedure na een pauze van twintig seconden met aangezet contact (stand II).
Code wissen
Met twee voor uw auto gecodeerde sleutels kunt u alle overige gecodeerde sleutels onbruikbaar maken, bijvoorbeeld na verlies van een sleutel:
Voer elk van de volgende handelingen binnen vijf seconden uit.
Voer de eerste vier handelingen uit zoals is beschreven onder Sleutels coderen, en ga vervolgens als volgt te werk:

- Steek de tweede sleutel in het contactslot en draai hem in stand II.
- Neem de sleutel uit het contactslot.
- Steek de eerste sleutel in het contactslot, draai hem in stand II en houd hem in deze stand. De controlelamp knippert nu vijf seconden.
- Indien het contact gedurende deze vijf seconden wordt afgezet, wordt het wissen van de sleutelcode afgebroken en wordt de code niet gewist.
- Wanneer het wissen van de sleutels is voltooid, kunnen alle overige sleutels met uitzondering van de twee sleutels die nodig zijn voor het wissen, niet langer worden gebruikt tenzij ze opnieuw worden gecodeerd.
Extra sleutels kunnen nu worden gecodeerd.
IMMOBILISATIESYSTEEM INSCHAKELEN
Vijf seconden nadat u het contact hebt afgezet wordt het immobilisatiesysteem automatisch ingeschakeld. De controlelamp in de instrumentengroep knippert ter bevestiging dat het systeem is ingeschakeld.
IMMOBILISATIESYSTEEM UITSCHAKELEN
Het immobilisatiesysteem wordt automatisch uitgeschakeld bij het met een correct gecodeerde sleutel aanzetten van het contact. De controlelamp in de instrumentengroep brandt ongeveer drie seconden en gaat vervolgens uit. Wanneer de controlelamp langer dan een minuut blijft branden of knipperen en vervolgens met onregelmatige intervallen gaat branden, dan is uw sleutel niet herkend. Neem de sleutel uit het slot en probeer het nogmaals.
Wanneer u probeert de motor met een niet juist gecodeerde sleutel te starten, moet u ongeveer 20 seconden wachten voordat u het met een correct gecodeerde sleutel opnieuw probeert. Wanneer u de motor met een correct gecodeerde sleutel niet kunt starten, duidt dit op een storing. Laat dit onmiddellijk controleren.
ALARM INSCHAKELEN
Het systeem wordt geactiveerd zodra de auto is vergrendeld en beschermt uw auto tegen indringers die trachten de portieren, de motorkap of het bagagecompartiment te openen of de audio-installatie te verwijderen.
Automatische vertraging van het inschakelen
De twintig seconden vertraagde inschakeling begint wanneer de motorkap, laadruimte en alle portieren zijn gesloten en vergrendeld.
Alarmsignaal
Het alarm klinkt 30 seconden wanneer een onbevoegde een portier, de laadruimte of de motorkap opent. De waarschuwingsknipperlichten knipperen gedurende vijf minuten.
Als men tracht de motor te starten of de audio-installatie te ontvreemden zal het alarmsignaal opnieuw klinken.
ALARM UITSCHAKELEN
Het alarmsysteem kan op elk moment worden uitgeschakeld - ook wanneer het alarmsignaal klinkt - door één van de voorportieren te ontgrendelen.
De alarminstallatie wordt uitgeschakeld wanneer de laadruimte met een sleutel wordt ontgrendeld. Nadat de bagageruimte is afgesloten, wordt de alarminstallatie weer ingeschakeld.
STUURWIEL AFSTELLEN

Verstel nooit het stuurwiel als de auto in beweging is.
Druk de vergrendelhendel omlaag om de hoogte van het stuurwiel en de afstand tot de bestuurder ervan in te stellen.
Breng de hendel weer in zijn oorspronkelijke stand om de stuurkolom te vergrendelen.
Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 75).
AUDIOBEDIENING
Kies de radio, CD of cassette modus op de audio-installatie.
De volgende functies kunnen met de afstandsbediening worden bediend:
Volume
![graph TD A["VOL+"] --> B["MODE"] B --> C["VOLE"] C --> D["SEEK"] D --> A style A fill:#f9f,stroke:#333 style B fill:#ccf,stroke:#333 style C fill:#cfc,stroke:#333 style D fill:#fcc,stroke:#333](/content/2026/05/1111155/images/1f1ca6a831902699cdc308bedb78c986ca83c054986f0faeae2ea9051f6d4084.jpg)
E70361
Hoger volume: trek de VOL+ schakelaar in de richting van het stuurwiel.
Volume verlagen: trek de VOL- schakelaar in de richting van het stuurwiel.
Seek (zoekfunctie)

Beweeg de SEEK schakelaar in de richting van het stuurwiel of het instrumentenpaneel:
Stuurwiel
- In de radio modus wordt het eerstvolgende radiostation op een hogere of lagere frequentie opgezocht.
- In de CD modus wordt het volgende of het vorige nummer gekozen.
Mode
![graph TD A["VOL+"] --> B["MODE"] B --> C["VOL-"] D["SEEK"] --> A](/content/2026/05/1111155/images/06cd074260e9a22fa57b0279f00e6d5da886790202a155d80c95cbd61a494dc1.jpg)
E70363
Druk kort op de toets aan de zijkant:
- In de radio modus wordt het volgende in het geheugen opgeslagen radiostation opgezocht.
- In de CD modus wordt de volgende CD gekozen wanneer een CD-wisselaar is gemonteerd.
- In alle modi om een verkeersbericht te onderbreken.
Druk de toets aan de zijkant in en houd deze ingedrukt:
- In de radio modus om van golfband te veranderen.
Ruitenwissers en ruitensproeiers
VOORRUITWISSERS

E65995
Eenmalig wissenA
Wissen met intervallenB
Normale wissnelheidC
Hoge wissnelheidD
VOORRUITSPROEIERS

Schakel de ruitensproeiers niet langer dan tien seconden achtereen in; schakel de ruitensproeiers nooit in als het reservoir leeg is.
Druk de knop op het uiteinde van de hendel in en houd deze ingedrukt om de ruitensproeiers in te schakelen.
De ruitensproeiers werken in combinatie met de ruitenwissers.
ACHTERRUITWISSERS EN -SPROEIERS
Wissen met intervallen

Beweeg de schakelaarhendel naar het stuurwiel.
Ruitensproeiers

Schakel de ruitensproeiers niet langer dan tien seconden achtereen in; schakel de ruitensproeiers nooit in als het reservoir leeg is.
Trek de hendel volledig naar het stuurwiel toe en houd hem in deze stand om de ruitensproeiers in te schakelen.
De ruitensproeiers werken in combinatie met de ruitenwissers.
VOORRUITSPROEIERS
AFSTELLEN

De ruitensproeiers kunnen worden afgesteld door een speld in de kogelvormige sproeierkoppen te steken en de sproeiers in de gewenste stand te draaien.
RUITENWISSERBLADEN
CONTROLEREN

Controleer met uw vingertoppen de rubber randen van de ruitenwisserbladen op oneffenheden.
Reinig de ruitenwisserbladen met een in water gedrenkte, zachte spons.
RUITENWISSERBLADEN VERVANGEN

E66645
- Til de ruitenwisserarm op.
- Breng het ruitenwisserblad onder een rechte hoek ten opzichte van de ruitenwisserarm (1).
- Druk de klem in de richting van de pijl (2).
- Maak het ruitenwisserblad los van de arm (3).
- Beweeg het ruitenwisserblad zijwaarts (4).
- Trek het ruitenwisserblad van de arm (5).
Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
Stads- en achterlichtenB
KoplampenC
Mistlampen, vóórD
Beweeg de schakelaarhendel naar het stuurwiel om te wisselen.
Lichtsignaal

Beweeg de schakelaarhendel naar het stuurwiel.
VOORSTE MISTLAMPEN

E65988
Schakel de koplampen in 1 en trek de schakelaar één stand uit 2.
De mistlampen mogen alleen worden ingeschakeld wanneer het zicht ernstig wordt belemmerd door mist, sneeuw of regen.
MISTACHTERLICHTEN

E65989
WAARSCHUWING

De mistachterlichten mogen alleen worden gebruikt wanneer het zicht minder dan 50 meter bedraagt en mogen niet worden gebruikt bij regen of sneeuwval.
N.B.: Bij wagens die niet zijn uitgerust met mistlampen aan de voorzijde kan de schakelaar slechts één stand worden uitgetrokken.
Schakel de buitenverlichting in 1 en trek de schakelaar twee standen uit 2.
De hoogte van de koplamplichtbundels kan worden aangepast aan de belading van de auto. Draai de regelknop naar beneden om de lichtbundels omlaag te brengen en naar boven om ze omhoog te brengen.

Transit Connect

Zonder hoogteverstelling van de koplamplichtbundelsA
Met hoogteverstelling van de koplamplichtbundelsB
Aanbevolen regelknopstanden
| RegelknopstandBelading | ||||
| Aantal personen | ruimte 1 | T210T200G820ht in bag T230 | ||
| 000-1 | ||||
| 1 | max. 2 | 2 | 1,5 | 1.53/24 |
1 Wanneer de auto is uitgerust met het wegligging/rijhoogte pack, kan het noodzakelijk zijn de hoogte van de koplamplichtbundels in te stellen.
2 Zie technische gegevens. Zie Technische specificaties (bladzijde 138).
3 Lange wielbasis.
4 Korte wielbasis.
Tijdens het rijden met een aanhanger kunnen hogere regelknopstanden (+1) noodzakelijk zijn.
Tourneo Connect

Zonder hoogteverstelling van de koplamplichtbundelsA
Met hoogteverstelling van de koplamplichtbundelsB
Aanbevolen regelknopstanden
| RegelknopstandBelading | |||||
| Aantal personen | Gewicht in bagage- voor ruimte1 | K210 | K230K220K20 | ||
| AchterVoor | |||||
| 000--1-2 | |||||
| 00,50-12 | |||||
| 2 | 3 | - | 02/0.53 | 0,5 | 0 |
| 2 | 3 | max.1 | 12/1.53 | 1 | 1.53/2.52 |
| 1 | - | max.1 | 22/2.53 | 2,5 | 22/2.53 |
1 Zie technische gegevens. Zie Technische specificaties (bladzijde 138).
2 Lange wielbasis.
3 Korte wielbasis.
Tijdens het rijden met een aanhanger kunnen hogere regelknopstanden (+1) noodzakelijk zijn.
Druk op de schakelaar om het systeem in of uit te schakelen. De waarschuwingsknipperlichten werken ook bij afgezet contact.

Wanneer de schakelaar in stand B staat, brandt de interieurverlichting wanneer de portieren met de sleutel of de afstandsbediening worden ontgrendeld (alleen bij centrale vergrendeling) of wanneer een portier wordt geopend.
Bij sommige uitvoeringen zal met de schakelaar in de stand B de interieurverlichting na het sluiten van de portieren nog enige tijd blijven branden. De verlichting gaat onmiddellijk uit wanneer het contact wordt aangezet of de portieren worden vergrendeld.
Wanneer de schakelaar in stand C staat en het contact staat af, gaat de interieurverlichting automatisch na ongeveer 30 minuten uit.
Zet, om de verlichting weer in te schakelen, het contact korte tijd aan (stand II) of sluit en open het bestuurdersportier.
Leeslampen

Als gloeilampen branden, worden deze en hun omgeving heet. Schakel de lampen uit en laat deze afkoelen voordat u ze vervangt.

Laat telkens na het vervangen van een gloeilamp de afstelling de koplampen door een kundige controleren.
Schakel altijd de lampen uit en zet het contact af voordat u een gloeilamp vervangt.
Houd gloeilampen nooit bij het glas vast. Monteer uitsluitend gloeilampen die zijn voorzien van een UV-filter. Vervang een defecte gloeilamp altijd door een nieuw exemplaar van hetzelfde type.
Reinig bij het vervangen van een gloeilamp de koplamplens met een vochtige doek om een elektrostatische lading, die ervoor zorgt dat stof op de kunststof lens komt, te voorkomen.
Controleer nadat u een gloeilamp hebt vervangen, of de lampen correct werken.
Richtingaanwijzers, voor

Draai de lamphouder linksom en trek hem los. Druk de lamphouder licht in en draai hem linksom los. Vervang de gloeilamp. Let op de geleidenokken wanneer de lamp in omgekeerde volgorde weer wordt aangebracht.
Koplampen
Koplampunit openen

Draai de kap linksom en verwijder deze. Het aanbrengen vindt in omgekeerde volgorde plaats; zorg ervoor dat de pijl op de kap naar boven wijst.
Stadslicht

5 watt lampje met glazen voet
Verwijder de kap en trek de lamphouder los. Trek de gloeilamp los en vervang hem. Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
Trek de stekker los. Maak de draadklem los en verwijder de gloeilamp. Vervang de gloeilamp. Het aanbrengen vindt in omgekeerde volgorde plaats; zorg ervoor dat de draadklem goed in het lamphuis aangrijpt.
Zijknipperlichten

5 watt lampje met glazen voet
Draai de complete lamp rechtsom en trek hem los. Houd de lamphouder vast; draai het lamphuis linksom los en verwijder het. Trek de gloeilamp los en vervang deze. Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
Mistlampen

H11, 55 watt halogeen gloeilamp.
Steek uw hand achter de bumper en trek de stekker los. Draai de lamphouder linksom en trek hem los. Vervang de gloeilamp met de geïntegreerde lamphouder. Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
Achterlichtunits

Richtingaanwijzer 21 wattB
Achteruitrijlamp 21 wattC
Mistachterlicht 21 wattD
Open de achterdeuren en verwijder de twee vleugelmoeren waarmee het lamphuis is bevestigd. Trek het lamphuis los van de auto en maak de lamphouder los. Druk de gloeilamp voorzichtig in de lamphouder, draai hem linksom en verwijder de gloeilamp. Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
16 watt lampje met glazen voet
Verwijder de moeren waarmee het lamphuis is bevestigd. Neem het lamphuis van de wagen. Trek de gloeilamp los en vervang deze. Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
Kentekenplaatverlichting
Uitvoeringen met een achterklep

Verwijder het glas, de gloeilamp en breng een nieuwe aan. Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
Uitvoeringen met dubbele achterdeuren

5 watt lampje met glazen voet
Werk de kap voorzichtig met een geschikte schroevendraaier van het lamphuis los en neem de gloeilamp uit de houder. Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
Interieurverlichting
Voor

10 watt buislamp
Schakel de interieurverlichting uit. Werk het lamphuis aan de zijde tegenover de schakelaar met een dunne schroevendraaier los. Vervang de gloeilamp. Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
Achter

Werk voorzichtig het lamphuis los en verwijder de gloeilamp. Breng een nieuwe gloeilamp in omgekeerde volgorde aan.
Leeslampen

Schakel de interieurverlichting uit. Werk het lamphuis aan de zijde tegenover de schakelaar met een dunne schroevendraaier los. Vervang de gloeilamp. De gloeilampen kunnen worden vervangen nadat de contactplaat is teruggeklapt.
ELEKTRISCH BEDIENBARE RUITEN
WAARSCHUWING
⚠️ Controleer voordat u de elektrisch bedienbare ruiten bedient, of deze vrij zijn van obstructies en overtuig u ervan dat zich geen kinderen en/of huisdieren in de nabijheid van de ruitopeningen bevinden. Het nalaten hiervan kan ernstig lichamelijk letsel tot gevolg hebben. Het is in eerste instantie de verantwoording van de toeziende volwassenen dat een kind nooit alleen in de auto blijft; laat nooit de sleutels in de auto achter.
N.B.: Wanneer de schakelaars gedurende korte tijd vaak worden bediend kan het systeem een bepaalde tijd buiten werking treden om schade door oververhitting te voorkomen.
Zet het contact aan om de elektrisch bedienbare ruiten te openen of te sluiten.

E68836
Drukken om te openenA Drukken om te sluitenB
Portierruit aan bestuurderszijde automatisch openen
Druk kort op A. Druk opnieuw op A om de ruit te stoppen.
BUITENSPIEGELS

GroothoekspiegelA
WAARSCHUWING
Vergis u niet in de afstand van voorwerpen die u in de groothoek buitenspiegels ziet. Voorwerpen die u in deze spiegels ziet, zien er kleiner uit en lijken verder weg te zijn dan in werkelijkheid het geval is.
De spiegels vergroten het zicht naar achteren en verkleinen de zogenaamde dode hoek schuin naar achteren.

Zorg ervoor dat de spiegel weer volledig wordt vergrendeld wanneer u deze weer in zijn oorspronkelijke stand terugzet.
De elektrisch bedienbare buitenspiegels zijn voorzien van een verwarmingselement dat het spiegelglas ontdooit en ontwasemt. Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 66).
BINNENSPIEGEL

Trek de hendel naar buiten om de ruit te openen. Druk in het midden van de hendel om deze te vergrendelen. Trek in het midden van de hendel om de ruit te sluiten. Druk hem naar achteren tot hij wordt vergrendeld.
OVERZICHT INSTRUMENTENPANEEL
Links stuur

A Schakelaar verlichting/ mistlampen, vóór/ mistachterlichten. Zie Verlichting (bladzijde 43).
B Multifunctionele hendel: richtingaanwijzers, grootlicht. Zie Verlichting (bladzijde 43).
Claxon.C
D Instrumentengroep. Zie Instrumenten (bladzijde 56).
E Digitale klok. Zie Klok (bladzijde 83).
F Ruitenwisserschakelaar. Zie Ruitenwissers en ruitensproeiers (bladzijde 40).
G Luchtroosters. Zie Ventilatieroosters (bladzijde 66).
H Schakelaar waarschuwingsknipperlichten. Zie Waarschuwingsknipperlichten (bladzijde 46).
Audio-installatie. Zie afzonderlijke handleiding.I
J Toetsen temperatuurregelsysteem. Zie Klimaatregeling (bladzijde 65).
K Schakelaars voorruitverwarming/ achterruitverwarming. Zie Klimaatregeling (bladzijde 65).
L Asbak/ opbergvak. Zie Gemaksfuncties (bladzijde 83).
M Schakelaars luchtrecirculatie/ airconditioning. Zie Klimaatregeling (bladzijde 65).
N Sigarettenaansteker/ elektrisch aansluitpunt. Zie Gemaksfuncties (bladzijde 83).
O Contactslot. Zie Contactslot (bladzijde 89).
P Stuurwielverstelling. Zie Stuurwiel afstellen (bladzijde 38).
Q Bediening audio-installatie. Zie Audiobediening (bladzijde 38).
R Zekeringen. Zie Zekeringen (bladzijde 106).
S Regelknop hoogteverstelling koplamplichtbundels. Zie Koplamphoogte afstellen (bladzijde 44).
Rechts stuur

Audio-installatie. Zie afzonderlijke handleiding.A
B Schakelaar waarschuwingsknipperlichten. Zie Waarschuwingsknipperlichten (bladzijde 46).
C Luchtroosters. Zie Ventilatieroosters (bladzijde 66).
D Multifunctionele hendel: richtingaanwijzers, grootlicht. Zie Verlichting (bladzijde 43).
E Instrumentengroep. Zie Instrumenten (bladzijde 56). Claxon.F
G Digitale klok. Zie Klok (bladzijde 83).
H Ruitenwisserschakelaar. Zie Ruitenwissers en ruitensproeiers (bladzijde 40).
I Regelknop hoogteverstelling koplamplichtbundels. Zie Koplamphoogte afstellen (bladzijde 44).
J Schakelaar verlichting/ mistlampen, vóór/ mistachterlichten. Zie Verlichting (bladzijde 43).
K Contactslot. Zie Contactslot (bladzijde 89).
L Stuurwielverstelling. Zie Stuurwiel afstellen (bladzijde 38).
M Bediening audio-installatie. Zie Audiobediening (bladzijde 38).
N Sigarettenaansteker/ elektrisch aansluitpunt. Zie Gemaksfuncties (bladzijde 83).
O Asbak/ opbergvak. Zie Gemaksfuncties (bladzijde 83).
P Schakelaars voorruitverwarming/ achterruitverwarming. Zie Klimaatregeling (bladzijde 65).
Q Schakelaars luchtrecirculatie/ airconditioning. Zie Klimaatregeling (bladzijde 65).
R Toetsen temperatuurregelsysteem. Zie Klimaatregeling (bladzijde 65).
METERS

E74268
KoelvloeistoftemperatuurmeterA
ToerentellerB
SnelheidsmeterC
BrandstofmeterD
Omschakel- en terugsteltoetsE
Klok, kilometerteller en dagtellerF
Instelknop digitale klokG
Koelvloeistoftemperatuurmeter
Bij normale bedrijfstemperatuur bevindt de wijzer zich in het centrale gedeelte.
Wanneer de wijzer in het rode gebied komt, is de motor oververhit. Het fail safe koelsysteem is geactiveerd, waardoor de auto nog tijdelijk kan blijven doorrijden.
Toerenteller
Bij auto's met een dieselmotor heeft de toerenteller een bereik van 5 000 omwentelingen per minuut.
Brandstofmeter
De pijl naast het symbool van de benzinepomp duidt aan, aan welke zijde zich de brandstofvulklep bevindt.
Kilometerteller

E74269
Registreert de totaal afgelegde afstand van de auto.
Druk toets E kort in om tussen kilometerteller en dagteller te wisselen.
Dagteller

E74270
De dagteller kan worden gebruikt om de lengte van een bepaald traject te registreren. Druk en houd de toets E twee seconden ingedrukt om de dagteller terug te stellen.
Digitale klok
Zie Klok (bladzijde 83).
Wanneer het contact wordt aangezet gaan de volgende waarschuwings- en controlelampen branden ter bevestiging dat het systeem operationeel is:
- ABS
- Airbag
- Remsysteem
- Motor
- Immobilisatiesysteem
- Laadstroom
- Controlelamp laag brandstofniveau
• Multifunctionele controlelamp - Oliedruk
• Aandrijfregeling - Controlelamp waterafscheider
Indien een van deze waarschuwings- of controlelampen niet gaat branden wanneer het contact wordt aangezet, duidt dit op een storing. Laat het systeem door een deskundige controleren.
Controlelamp ABS

Gaat de controlelamp ABS tijdens het rijden branden, dan duidt dit op een storing.
Laat het systeem door een deskundige controleren. Het remsysteem (zonder ABS) blijft normaal functioneren.
Controlelamp airbag

Wanneer het contact wordt aangezet (stand II) brandt deze lamp kort ter
bevestiging dat het systeem operationeel is. Brandt de controlelamp niet, blijft hij branden, of brandt hij met intervallen of continu tijdens het rijden, dan duidt dit op een storing. Laat dit voor uw eigen veiligheid door een deskundige controleren.
Controlelamp remsysteem
WAARSCHUWING

Gaat de lamp branden nadat de handrem is vrijgezet of tijdens het rijden, laat dan het remsysteem onmiddellijk door een deskundige controleren.

Brandt wanneer de handrem is aangetrokken.
Controlelampen remsysteem en ABS
WAARSCHUWING

Verlaag geleidelijk uw snelheid. Druk het rempedaal voorzichtig in. Druk het rempedaal vooral niet abrupt in.
Indien beide controlelampen gelijktijdig branden, stop dan zodra dit veilig kan. Laat voordat u uw reis hervat het remsysteem door een deskundige controleren.
Richtingaanwijzers

Knippert bij ingeschakelde richtingaanwijzers. Een plotselinge toename van de knipperfrequentie waarschuwt voor een defecte gloeilamp.
Controlelamp motor
Uitvoeringen met een benzinemotor

Zodra de motor is aangeslagen moet deze controlelamp uitgaan.
Wanneer de lamp bij draaiende motor brandt, duidt dit op een storing. Laat dit zo spoedig mogelijk door een deskundige controleren. Wanneer de lamp tijdens het rijdenknippert, minder dan onmiddellijk snelheid. Blijft de lamp knipperen, vermijd dan snel optrekken en krachtig afremmen. Laat uw auto onmiddellijk door een deskundige controleren.
Uitvoeringen met een dieselmotor
N.B.: De controlelamp van de motor werkt ook als indicator van het voorgloeisysteem. Zie Een dieselmotor starten (bladzijde 90).

Wanneer de lamp bij draaiende motor brandt, duidt dit op een storing. Laat dit zo spoedig mogelijk door een deskundige controleren. Wanneer de lamp tijdens het rijden knippert, minder dan onmiddellijk snelheid. Blijft de lamp knipperen, vermijd dan snel optrekken en krachtig afremmen. De motor blijft draaien, maar levert minder vermogen. Laat uw auto onmiddellijk door een deskundige controleren.
Controlelamp laadstoom
WAARSCHUWING

Wanneer bij uitvoeringen met een dieselmotor de V-riem van de dynamo loszit, gescheur gebroken is, werkt ook de servobekrachtiging van het remsysteem niet meer.

Indien de lamp onder het rijden gaat branden, schakel dan alle onnodige stroomverbruikers uit en rijd onmiddellijk naar de dichtstbijzijnde deskundige.
Controlelamp laag brandstofniveau

E75774
Wanneer deze lamp brandt moet zo snel mogelijk brandstof worden getankt.
Brandt wanneer het grootlicht is ingeschakeld of wanneer een lichtsignaal wordt gegeven.
Multifunctionele controlelamp

Gaat de lamp tijdens het rijden branden, dan duidt dit op een storing. Laat dit zo spoedig mogelijk door een deskundige controleren.
Controlelamp oliedruk

Wanneer de lamp na het aanslaan van de motor blijft branden of tijdens het rijden gaat branden, stop dan onmiddellijk, zet de motor af en controleer het oliepeil. Zie Motorolie
controleren (bladzijde 117). Vul direct olie bij wanneer het oliepeil laag is.
Controlelamp aandrijfregelsysteem (BTCS)

Wanneer het contact wordt aangezet (stand II), brandt deze lamp kort ter
bevestiging dat het systeem operationeel is. Wanneer tijdens het rijden het systeem wordt geactiveerd, knippert de lamp. Als na het aanzetten van het contact de lamp niet brandt of continu tijdens het rijden brandt, duidt dit op een storing. Bij storingen schakelt het systeem uit. Laat het systeem door een deskundige controleren.
Controlelamp waterafscheider

Wanneer de lamp tijdens het rijden brandt, laat dan zo spoedig mogelijk het water
in het brandstofffilter aftappen door een deskundige.
Verlichting ingeschakeld
Wanneer bij afgezet contact het bestuurdersportier wordt geopend terwijl de buitenverlichting niet is uitgeschakeld, klinkt een gong.
WERKING
Buitenlucht
Houd de luchtinlaten onder de voorruit altijd vrij van sneeuw, bladeren e.d., opdat het verwarmings- en ventilatiesysteem optimaal kan functioneren.
Gerecirculeerde lucht
N.B.: Omdat er geen ventilatie is verdient het aanbeveling de recirculatiestand niet langer dan 30 minuten in te schakelen aangezien de ruiten kunnen beslaan.
In de recirculatiestand wordt alleen de lucht die in het passagierscompartiment aanwezig is gecirculeerd. Er stroomt geen buitenlucht de auto in.
Pollenfilter
Het pollenfilter verwijdert de meeste potentieel schadelijke stoffen als pollen, industriële luchtverontreiniging en straatvuil uit de lucht voordat deze het interieur binnenstroomt.
In een automatische wasstraat verdient het aanbeveling de aanjager uit te schakelen om te voorkomen dat wasdeeltjes zich in het filter kunnen vastzetten.
Aanjager
De aanjager kan enig geluid veroorzaken.
Verwarming
De verwarmingscapaciteit is afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur en het systeem werkt daarom alleen effectief bij warme motor.
Airconditioning
N.B.: De airconditioning werkt alleen bij temperaturen hoger dan +4 °C, bij draaiende motor en ingeschakelde aanjager. Het in werking stellen van de airconditioning leidt tot een hoger brandstofverbruik.
De lucht wordt door de warmtewisselaar geleid waar deze wordt gekoeld wanneer de airconditioning is ingeschakeld. Bovendien wordt vocht aan de gekoelde lucht onttrokken om te voorkomen dat de ruiten beslaan.
Het condenswater wordt naar buiten afgevoerd. Daarom is het volkomen normaal dat zich onder de geparkeerde auto een plasje water vormt.
Algemene opmerkingen over de klimaatregeling in het interieur
Sluit alle ruiten volledig.
Richt, voor een effectieve verwarming van het interieur, de verwarmde luchtstroom op de beenruimte. Richt bij koud of vochtig weer een gedeelte van de luchtstroom op de voorruit en de zijruiten.
Klimaatregeling
Richt, voor een effectieve koeling van het interieur, de gekoelde lucht op hoofdniveau.
VENTILATIEROOSTERS

Voor het snel ontdooien en ontwasemen van de voor- of achterruit. Schakel het systeem alleen in wanneer het noodzakelijk is.
Voorruitverwarming

Het systeem werkt alleen bij draaiende motor en ontdooit ook de voorruitsproeiers. Druk op de schakelaar om het systeem in of uit te schakelen. Het lampje in de schakelaar geeft de werking aan.
Na korte tijd schakelt het verwarmingssysteem automatisch uit.
Zet eerst het contact aan.
Druk op de schakelaar om het systeem in of uit te schakelen. Het lampje in de schakelaar geeft de werking aan.
Na korte tijd schakelt het verwarmingssysteem automatisch uit.
Verwarmbare buitenspiegels
De elektrisch bedienbare buitenspiegels zijn ook voorzien van een verwarmingselement. Dit systeem werkt wanneer de achterruitverwarming is ingeschakeld.
HANDMATIGE KLIMAATREGELING
Luchtverdeelknop

Hoofdniveau en beenruimteB
BeenruimteC
Beenruimte en voorruitD
VoorruitE
De luchtverdeelknop kan in elke gewenste stand tussen de symbolen worden gezet.
Een klein deel van de luchtstroom wordt altijd naar de voorruit geleid.
Temperatuurregelknop

Plaats de aanjagerschakelaar in een hogere stand om de aanjager met een hoger toerental te laten draaien.
Bij uitgeschakelde aanjager kan de voorruit beslaan.
Gerecirculeerde lucht

Druk op de recirculatietoets om te kiezen tussen toevoer van buitenlucht en gerecirculeerde lucht. De lamp in de schakelaar brandt wanneer het systeem is ingeschakeld.
Voorruit snel ontdooien/ontwasemen

De recirculatiestand wordt automatisch uitgeschakeld. Schakel zo nodig de voorruitverwarming in. Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 66).
Snel verwarmen van het
interieur

Stel de luchtverdeelknop in op hoofdniveau of hoofdniveau en beenruimte. Zet de aanjagerschakelaar in een willekeurige stand. Open de luchtroosters naar gelang uw persoonlijke wensen.
Airconditioning
Airconditioning in- en uitschakelen

N.B.: De airconditioning werkt alleen bij draaiende motor.
Druk op de schakelaar om het systeem in of uit te schakelen. Het lampje in de schakelaar brandt wanneer de airconditioning is ingeschakeld.
Wanneer de aanjagerschakelaar in de stand 0 wordt gezet, schakelt de airconditioning uit. Wanneer de aanjager weer wordt aangezet, schakelt de airconditioning automatisch weer in.
Koelen met buitenlucht

Interieur snel afkoelen

Voorruit ontdooien/ontwasemen

Buitenlucht stroomt nu het interieur in. Zolang de luchtverdeelknop is ingesteld op de voorruit, kan de recirculatiestand niet worden geselecteerd en wordt de airconditioning automatisch ingeschakeld. Let erop dat de aanjager is ingeschakeld.
Het lampje in de A/C schakelaar brandt tijdens het ontdooien/ ontwasemen.
Wanneer de A/C wordt ingedrukt, gaat de lamp in de schakelaar uit, maar de airconditioning kan niet worden uitgeschakeld zolang de luchtverdeelknop in de stand 'voorruit' staat.
Luchtvochtigheid verlagen

De airconditioning onttrekt vocht aan de lucht en de ruiten worden sneller ontwasemd.
EXTRA VERWARMING
Algemene informatie
WAARSCHUWINGEN
Schakel de programmeerbare standverwarming niet in bij tankstations, bij bronnen met brandbare dampen of stoffen of in afgesloten ruimtes.
⚠️ Tank geen brandstof wanneer het display van de programmeerbare standverwarming is ingeschakeld.
N.B.: De programmeerbare standverwarming schakelt automatisch uit wanneer de accuspanning laag wordt.
N.B.: Alle symbolen op het display knipperen wanneer de stroomtoevoer naar de programmeerbare standverwarming onderbroken is geweest. Onder deze omstandigheden werkt de verwarming niet. Zet het klokje gelijk.
N.B.: De programmeerbare standverwarming schakelt bij storingen uit. Laat het systeem door een deskundige controleren.
Neem de volgende richtlijnen in acht:
- Schakel de programmeerbare standverwarming het gehele jaar minimaal eenmaal per maand ongeveer tien minuten in. Hierdoor wordt voorkomen dat de vloeistofpomp en de aanjagermotor gaan vastzitten.
- Om corrosie te voorkomen moet de koelvloeistof in uw auto het gehele jaar door minstens 10 % antivries bevatten.
-
Om luchtbellen te voorkomen moet u ervoor zorgen dat het koelvloeistofpiel zicht tussen het MAX en MIN merkteken op het reservoir bevindt. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 119).
-
De aanjager van de programmeerbare standverwarming wordt ingeschakeld zodra de koelvloeistof een bepaalde temperatuur heeft bereikt. In deze stand heeft de omgevingstemperatuur gaan invloed.
- Wij continu gebruik van de standverwarming, registreert deze de omgevingstemperatuur. Wanneer deze hoger is dan 5 °C wordt de programmeerbare standverwarming niet ingeschakeld.
De programmeerbare standverwarming werkt onafhankelijk van de verwarming van de auto door het koelvloeistofcircuit van de motor te verwarmen. Hij wordt door de brandstoftank van energie voorzien. U kunt het systeem ook tijdens het rijden gebruiken om het interieur sneller te laten opwarmen.
Het is mogelijk dat bij ingeschakelde programmeerbare standverwarming er uitlaatgassen onder de zijkanten van de auto vrijkomen. Dit is normaal.
Werkingsprincipe
Voor ingebruikneming
LET OP
Wanneer de aanjagerschakelaar in een andere stand dan stand één wordt gezet, heeft dit een kortere levensduur van de accu of zelfs een lege accu tot gevolg.
Voordat de verwarming wordt ingeschakeld of geprogrammeerd moeten de volgende instellingen worden voorbereid:
- Zet de temperatuurregelknop van het standaard verwarmingssysteem op maximum.
- Zet de aanjagerschakelaar in stand 1.
- Schakel voor het afzetten van het contact de recirculatiestand in. Wacht minimaal vijf seconden met het sluiten van de luchtroosters van het ventilatiesysteem.
- Zet alle luchtroosters in de cabine open.
Instellen van de tijd

E71347
Druk de toets A langer dan drie seconden ingedrukt en houd hem ingedrukt tot de tijdsaanduiding op het display knippert. Druk de toetsen B en D binnen vijf seconden in om de tijd in te stellen. Houd de betreffende toets ingedrukt om de tijdsaanduiding snel te veranderen.
Verwarmingsduur programmeren

E71348
LET OP
De aanbevolen instelling is 30 minuten. Langere tijden verkorten de levensduur van de accu of kunnen zelfs een lege accu tot gevolg hebben.
N.B.: De verwarmingsduur voor van te voren ingestelde tijden en de verwarmingsmodi kunnen voor 10 tot 120 minuten worden ingesteld.
Druk de toets A langer dan drie seconden ingedrukt en houd hem ingedrukt tot de tijdsaanduiding op het display knippert. Wacht vijf seconden tot het verwarmingssymbool verschijnt en de verwarmingsduur knippert.
Druk de toetsen B en D in om de verwarmingsduur in te stellen.
Druk na het instellen van de verwarmingsduur op toets A. Het display geeft nu de tijd weer met een knipperende dubbele punt.
Verwarming uitschakelen
Druk op de toets met het verwarmingssymbool. De verwarming blijft nog drie minuten werken en schakelt vervolgens uit. Het display duidt nu de tijd aan.
Geprogrammeerde verwarmingsmodus

E71349
De verwarming kan op elk gewenst moment voor de geprogrammeerde tijdsduur worden ingeschakeld. Druk op toets C. Het display wordt verlicht en toont de resterende verwarmingstijd en het verwarmingssymbool.
Verwarming continu inschakelen
B
C

Nadat het contact is afgezet blijft de verwarming werken.
Schakel de verwarming uit om onnodig verwarmen te voorkomen.
Druk op toets B en houd deze ingedrukt. Druk op toets C. De verwarming werkt nu tot toets C opnieuw wordt ingedrukt. Het display wordt verlicht en toont de tijd en het verwarmingssymbool.
Verwarmingsmodus programmeren
De verwarming schakelt automatisch op de geactiveerde inschakeltijd in en blijft gedurende de geprogrammeerde verwarmingsduur werken. Het display wordt verlicht en toont de resterende verwarmingstijd en het verwarmingssymbool.
U kunt drie verschillende inschakeltijden programmeren.
Inschakeltijden programmeren
A
B

Druk toets A meerdere keren in tot het symbool 1, 2 of 3) voor de gewenste inschakeltijd wordt weergegeven. Druk op toetsen B en D om de tijd in te stellen. Houd de betreffende toets ingedrukt om de tijdsaanduiding snel te veranderen.
Druk na het programmeren van de inschakeltijden op toets A. Het display geeft nu de tijd weer met een knipperende dubbele punt.
Geprogrammeerde inschakeltijden activeren/ deactiveren

Druk toets A meerdere keren in tot het symbool 1, 2 of 3) voor de gewenste inschakeltijd wordt weergegeven. Druk op toets C. Het ON symbool verschijnt op het display. Druk opnieuw op toets C om de inschakeltijd weer te deactiveren.
Stoelen
DE JUISTE ZITPOSITIE INNEMEN

WAARSCHUWINGEN

Verstel de stoelen nooit tijdens het rijden.

Alleen wanneer de veiligheidsgordel correct wordt gedragen, kan deze u in een zodanige positie houden dat de airbag optimaal effect kan bewerkstelligen.
Wanneer u de veiligheidsgordel correct draagt kunnen de stoel, hoofdsteun, veiligheidsgordel en airbags bij een eventuele aanrijding optimale bescherming bieden. Wij raden aan dat u:
- zoveel mogelijk rechtop gaat zitten met de onderzijde van uw rug zover mogelijk naar achteren.
-
de rugleuning van de stoel niet meer dan 30 graden achterover kantelt.
-
de hoofdsteun zo instelt, dat de bovenzijde ervan gelijkligt met de bovenzijde van uw hoofd.
- voldoende afstand houdt tussen uzelf en het stuurwiel. minimaal 254 mm (10 inch) tussen uw borstbeen en de kap van de airbag aanhoudt.
- het stuurwiel met licht gebogen armen vasthoudt.
- uw benen licht buigt zodat u de pedalen volledig kunt indrukken.
- de schoudergordel over het midden van uw schouder en de heupgordel strak over uw heupen legt.
Zorg ervoor dat uw zitpositie comfortabel is en dat u de volledige controle over de wagen hebt.
VOORSTOELEN
WAARSCHUWING

Verstel de stoelen niet terwijl de wagen in beweging is.
Stoelen
Stoelen naar voren en
achteren schuiven

Schuif de stoel naar voren en naar achteren nadat u de hendel hebt losgelaten om ervoor te zorgen dat de stoel weer goed wordt vergrendeld.
Lendensteun instellen

Stoelhoogte instellen

Hellingshoek van de rugleuning instellen

Passagiersstoel, voor, neerklappen
WAARSCHUWINGEN
Zorg ervoor dat de stoelen en de rugleuningen goed vastzitten en volledig zijn vergrendeld.
WAARSCHUWINGEN
Leg geen voorwerpen op de rugleuning wanneer de wagen in beweging is.
Transit Connect

Stoelen

- Trek aan de lus en kantel de zitting naar voren.
- Kantel de hoofdsteun naar voren.
- Trek de hendel omhoog.
- Klap de rugleuning naar voren.
- Trek de hendel omhoog.
- Druk de rugleuning naar beneden.
Tourneo Connect
Verwijder de hoofdsteun. Zie Hoofdsteunen (bladzijde 79).

- Trek aan de lus en kantel de zitting naar voren.
- Trek de hendel omhoog.
- Klap de rugleuning naar voren.
- Trek de hendel omhoog.
- Druk de rugleuning naar beneden.
HOOFDSTEUNEN

Hoofdsteun instellen
WAARSCHUWING
Trek de hoofdsteun omhoog wanneer de achterbank door een passagier of voor een kinderzitje wordt gebruikt.
Stel de hoofdsteun zo in, dat de bovenzijde ervan gelijkligt met de bovenzijde van uw hoofd.
Hoofdsteun verwijderen
Druk de knoppen in en verwijder de hoofdsteun.
ACHTERBANK
WAARSCHUWINGEN
Gebruik tijdens het rijden de achterbank niet als bed.
WAARSCHUWINGEN
Zorg ervoor dat de stoelen en de rugleuningen goed vastzitten en volledig zijn vergrendeld.
⚠️ Controleer of de rode indicator niet te zien is wanneer u de armen van de rugleuningen van de tweede zitrij en de sloten van de derde zitrij in aangrijping brengt.
Plaats geen voorwerpen op een neergeklapte stoel.
Trek niet aan de achterbank van de tweede zitrij wanneer de complete bank naar voren is gekanteld.
Een rugleuningdeel naar voren kantelen
Tweede zitrij

Derde zitrij

Complete achterbank naar voren kantelen
Tweede zitrij


E74833

- Verwijder de middelste hoofdsteun.
- Schuif de buitenste hoofdsteunen geheel naar beneden.
- Trek de hendels aan de zijkant van de rugleuning omhoog.
- Klap de rugleuning naar voren.
- Trek de ontgrendelingslussen naar beneden.
- Kantel de achterbank naar voren.
- Druk de vergrendelingshendels omlaag.
Derde zitrij


E74846
- Schuif de hoofdsteunen geheel naar beneden.
- Trek de hendels aan de zijkant van de rugleuning omhoog.
- Klap de rugleuning naar voren.
- Trek de vergrendelingshendels omhoog.
- Kantel de achterbank naar voren.
Stoelen
- Trek de vergrendelingshendels omhoog.
- Kantel de zitting naar beneden.
- Kantel de rugleuning omhoog.
- Breng de middelste hoofdsteun aan.
Derde zitrij

- Druk de ontgrendelingshendels omlaag.
- Kantel de zitting naar beneden.
- Kantel de rugleuning omhoog.
VERWARMDE STOELEN

De stoelverwarming bereikt zijn maximum temperatuur na vijf tot zes minuten. Het systeem wordt automatisch uitgeschakeld.
ZONNEKLEPPEN

A Omschakel- en terugsteltoets
Klok gelijkzetten
• Draai de contactsleutel in stand II.
- Houd de toets A minimaal drie seconden ingedrukt tot de tijdsweergave op het display knippert.
- Druk op toets A om de minuten vooruit te zetten. Houd de toets ingedrukt om snel vooruit te gaan.
12 en 24 uurs cyclus
Om te wisselen tussen de 12 en 24 uurs cyclus zet u de contactsleutel in stand I en drukt u op toets A.
Versie 2
Raadpleeg voor gedetailleerde instructies hoe de klok moet worden ingesteld de afzonderlijke handleiding van de audio-installatie.

Druk op toets A om de tijd weer te geven.
AANSTEKER

WAARSCHUWING

Houd de aansteker nooit ingedrukt, omdat hij hierdoor kan worden beschadigd. Verwijder de aansteker wanneer kinderen alleen in de auto achterblijven.
De aansteker werkt ook bij afgezet contact.
De aansteker wordt ingeschakeld door hem in te drukken. Bij het bereiken van de juiste temperatuur springt de aansteker in de uitgangspositie terug.
De aansluiting voor de aansteker kan ook worden gebruikt voor accessoires van 12 volt en een maximum vermogen van 10 ampère. Wanneer de motor niet draait, wordt hierdoor wel de accu ontladen.
Gebruik voor het aansluiten van stroomverbruikers alleen de speciale stekkers uit het Ford Accessoires Programma of stekkers voor standaard SAE-aansluitpunten.
ASBAK

Druk, om de asbak de ledigen, de lippen aan de zijkanten in en trek de complete asbak uit de houder.
EXTRA VOEDINGSAAN- SLUITINGEN
Alle uitvoeringen

E74676
Het extra aansluitpunt kan ook worden gebruikt voor accessoires van 12 volt en een maximum vermogen van 20 ampère. Wanneer de motor niet draait, wordt hierdoor wel de accu ontladen.
Gebruik voor het aansluiten van stroomverbruikers alleen de speciale stekkers uit het Ford Accessoires Programma of stekkers voor standaard SAE-aansluitpunten.
Transit Connect

E74677
Rechts achterin de laadruimte bevindt zich een extra elektrisch aansluitpunt.
DASHBOARDKASTJE

E74687
In het handschoenenkastje is een haak aangebracht waaraan lichte tassen kunnen worden opgehangen.
MIDDENCONSOLE

E74366
WAARSCHUWING

Plaats tijdens het rijden geen bekers met hete dranken in de ders - kans op verbranden.
De volgende opbergvakken bevinden zich in de middenconsole:
- Muntenhouder
• Pennen-/ potlodenhouder
• Opbergvak
• Bekerhouders
OPBERGRUIMTES
Opbergruimte voorin

Opbergruimte boven de voorruit

Gebruik de opbergruimte boven de voorruit niet voor het opbergen van zware of harde voorwerpen. Bij een aanrijding bestaat het gevaar van verwonding.
De opbergruimte boven de voorruit kan worden gebruikt voor het opbergen van lichte voorwerpen, zoals bijvoorbeeld veiligheidsvesten, jassen, enz.
Banden op de zonnekleppen

Voor het opbergen van papieren is er een band op de zonnekleppen aangebracht.
Opbergvak op het dashboard

Het opbergvak aan de bovenzijde van het dashboard kan worden gebruikt voor het opbergen van papieren.
Portierbakken

In de voorportieren zijn bakken geïntegreerd.
Opbergruimte bij de stoel

Tas op bestuurdersstoelA Opbergvak onder de stoelB
WEGENKAARTOP-BERGVAKKEN

Gebruik de tafeltjes niet tijdens het rijden. Controleer voordat u wegrijdt of de tafeltjes in de onderste stand zijn vergrendeld.

Algemene opmerkingen over het starten
Als de accu losgekoppeld is geweest kan de motor, nadat de accukabels weer zijn aangesloten, een afwijkende draaikarakteristiek vertonen gedurende ca. 8 kilometer.
De oorzaak is, dat het motormanagement zich weer aan de motor moet aanpassen. Ongebruikelijke rijkarakteristieken tijdens deze periode moeten worden genegeerd.
Motor starten door middel van slepen of duwen
WAARSCHUWING
Om beschadiging te voorkomen moet u uw auto niet aanduwen of aanslepen. Gebruik hulpstartkabels en een hulpaccu. Zie Gebruik van startkabels (bladzijde 125).
CONTACTSLOT
Contactsleutelstanden
Stand 0
WAARSCHUWING
Draai nooit de sleutel in de stand 0 terug zolang de auto nog in beweging is.
Contact af. Wanneer de sleutel uit het contactslot wordt genomen, treedt het stuurslot in werking zodra het stuurwiel wordt gedraaid.
Stand I
Stuurslot ontgrendeld. De ontsteking en alle overige elektrische circuits zijn uitgeschakeld. Om te voorkomen dat de accu wordt ontladen, mag de contactsleutel niet te lang in deze stand blijven staan.
Stand II
Contact aan, alle elektrische circuits zijn ingeschakeld. Waarschuwings- en controlelampen Deze stand is de normale stand tijdens het rijden, die ook moet worden gekozen tijdens het slepen van de auto.
Stand III
Startmotor ingeschakeld. Laat de sleutel los zodra de motor aanslaat.
EEN BENZINEMOTOR STARTEN
N.B.: U kunt de startmotor per startpoging slechts maximaal 30 seconden inschakelen.
Koude of warme motor
LET OP
Zet, wanneer de temperatuur lager dan -20°C is, het contact minimaal één seconde aan voordat u de motor start. Hierdoor zorgt u ervoor dat de maximale benzinedruk is bereikt voordat de motor wordt gestart.
Druk het koppelingspedaal volledig en en schakel de startmotor in zonder het gaspedaal in te drukken.
Wacht even wanneer de motor niet binnen 15 seconden aanslaat en probeer het nogmaals.
Wanneer de motor na drie startpogingen nog niet is aangeslagen, wacht dan tien seconden en ga te werk zoals is beschreven onder Verzopen motor.
Wanneer het starten problemen oplevert bij temperaturen onder -25°C, druk dan het gaspedaal 1/4 tot 1/2 van de gaspedaalweg in en probeer het opnieuw.
Verzopen motor
Druk het gaspedaal volledig in.
Druk het gaspedaal langzaam volledig in, houd het in deze stand en start de motor.
Slaat de motor niet aan, herhaal dan de startprocedure zoals beschreven onder Koude of warme motor.
EEN DIESELMOTOR STARTEN
N.B.: U kunt de startmotor per startpoging slechts maximaal 30 seconden inschakelen.
Koude of warme motor
N.B.: Druk het gaspedaal niet in.
Druk het gaspedaal volledig in.

Zet het contact aan en wacht tot de controlelamp van het voorgloeisysteem
uitgaat.
N.B.: Wanneer de temperatuur lager is dan -15°C, mag u de startmotor 25 seconden achtereen inschakelen. Wanneer de auto frequent wordt gebruikt bij dergelijk lage temperaturen raden wij aan een verwarmingselelement in het motorblok te laten monteren.
N.B.: Schakel de startmotor in tot de motor aanslaat.
Start de motor.
Herhaal de complete startprocedure wanneer de motor afslaat.
MOTOR UITSCHAKELEN
Uitvoeringen met een dieselmotor
LET OP
Zet de motor niet af wanneer deze met een hoog toerental draait. Als de motor bij een hoog toerental wordt afgezet, zal de turbocompressor nog draaien nadat de oliedruk al tot nul is gedaald. Dit heeft vroegtijdige slijtage van de compressorlagers tot gevolg.
Laat het gaspedaal los. Wacht tot de motor stationair draait en zet de motor af.
VEILIGHEIDS- MAATREGELEN
WAARSCHUWINGEN
Stop altijd met tanken nadat het vulpistool voor de tweede keer is afgeslagen. Alle brandstof die u dan nog toevoegt vult de expansieruimte in de brandstoftank, hetgeen er toe kan leiden dat de brandstof overstroomt. Het morsen van brandstof kan gevaarlijk zijn voor andere weggebruikers.
Vermijd open vuur of hittebronnen in de nabijheid van het brandstofsysteem. Het brandstofsysteem staat onder druk. Wanneer het brandstofsysteem lekt, bestaat het gevaar van verwonding.
BRANDSTOFKWALITEIT - BENZINE
N.B.: Gebruik uitsluitend brandstof van hoge kwaliteit zonder additieven of andere toevoegingen.
LET OP
Gebruik geen gelode benzine of benzine met additieven die andere metallische bestanddelen (bijv. op mangaan gebaseerd) bevat. Deze kunnen het emissiesysteem beschadigen.
Gebruik ongelode benzine met een minimum octaangetal van 95 die voldoet aan de specificatie EN 228, of een equivalent.
BRANDSTOFKWALITEIT - DIESEL
N.B.: Gebruik uitsluitend brandstof van hoge kwaliteit zonder additieven of andere toevoegingen.
WAARSCHUWING
Meng de dieselolie niet met olie, benzine of andere vloeistoffen. Deze kunnen een chemische reactie veroorzaken.
LET OP
Voeg geen kerosine, paraffine of petroleum aan de dieselolie toe. Deze kunnen het brandstofsysteem beschadigen.
N.B.: Wij raden het langdurig gebruik van additieven af die vlokvorming moeten voorkomen.
Gebruik dieselolie die voldoet aan de specificatie EN 590, of een equivalent.
Rijden met een auto met katalysator
LET OP
Zorg ervoor dat u de tank niet leeg rijdt.
Schakel de startmotor niet langdurig achtereen in.
Brandstof en tanken
LET OP
Laat de motor niet met een losgekoppelde bougiekabel draaien.
Sleep of duw de auto niet aan. Gebruik hulpstartkabels. Zie
Gebruik van startkabels
(bladzijde 125).
Zet het contact tijdens het rijden niet af.
Parkeren
WAARSCHUWING
Parkeer uw auto niet boven droge bladeren of gras. Na het afzetten van de motor straalt het uitlaatsysteem nog gedurende enige tijd veel warmte uit. Hierdoor ontstaat het gevaar van brand.
TANKKLEP
Alle uitvoeringen

Wanneer u de tankdop losdraait is soms een sissend geluid hoorbaar. Dit is echter volkomen normaal en kan worden genegeerd.
Draai de dop rechtsom dicht tot hij klikt.
Tourneo Connect
N.B.: De schuifdeur kan niet volledig worden geopend wanneer de brandstofvulklep is ontgrendeld en geopend.
TANKEN
LET OP
Probeer niet de motor te starten wanneer u de tank met de onjuiste brandstof heeft gevuld. Hierdoor kan de motor worden beschadigd.
Brandstofverbruikscijfers
| Variant | Stadsver-keer | Buitenweg | Gecombi-neerd | CO2-emissie |
| I/100 km (mpg) | I/100 km (mpg) | I/100 km (mpg) | g/km | |
| 1,8 I Duratec (115 pk), asoverbrenging: 4,06 | 2299,7 (29,1)7,3 | |||
| 1,8 I Duratorq-TDCi Turbo diesel (75 pk, 1590 kg), stage IV, asoverbrenging: 4,06 | 1716,3 (44,8)5,6 | |||
| 1,8 I Duratorq-TDCi Turbo diesel (75 pk, 1470 kg), stage IV, asoverbren-ging: 4,06 | 1716,3 (44,8)5,5 | |||
| 1,8 I Duratorq-TDCi Turbo diesel (90 pk, 1590 kg), stage IV, asoverbrenging: 4,06 | 1746,5 (43,5)5,6 | |||
| 1,8 I Duratorq-TDCi Turbo diesel (90 pk, 1470 kg), stage IV, asoverbrenging: 4,06 | 1726,4 (44,1)5,5 | |||
| 1,8 I Duratorq-TDCi Turbo diesel (110 pk, 1590 kg), stage IV, asoverbrenging: 3,80 | 1656,1 (46,3)5,3 | |||
| 1,8 I Duratorq-TDCi Turbo diesel (110 pk, 1470 kg), stage IV, asoverbrenging: 3,80 | 1636,0 (47,1)5,2 |
Schakel de achteruit alleen in wanneer de auto volledig tot and is gekomen.

Oefen bij het terugschakelen van de vijfde naar de vierde helling geen onnodige zijwaartse ont uit op de schakelhendel gezien daardoor de tweede helling per ongeluk kan worden schakeld.
Om 'tandenknarsen' bij het inschakelen van de achteruit te voorkomen, moet nadat de auto tot stilstand is gekomen en het koppelingspedaal is ingedrukt ongeveer drie seconden worden gewacht.
Achteruitversnelling - 5-versnellingsbak

Om de achteruit in te schakelen moet de schakelhendel in de neutrale stand worden geplaatst en vervolgens tegen de veerdruk in volledig naar rechts worden gedrukt. Beweeg de hendel daarna naar achteren.
WERKING
Wanneer een remcircuit uitvalt, voelt het rempedaal zachter aan. Druk het rempedaal krachtig in en houd rekening met een langere remweg. Stop en laat dit onmiddellijk controleren. Hervat uw reis niet.
Uw auto is uitgerust met een diagonaal gescheiden remsysteem. Wanneer een remcircuit uitvalt, blijft het andere operationeel.
Schijfremmen

Natte remschijven hebben een lagere wrijvingscoëfficiënt. Druk na het verlaten van een wasstraat het rempedaal even voorzichtig in om de waterfilm op de remschijven te laten verdampen.
ABS
WAARSCHUWING
ABS is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn.
Het ABS voorkomt dat de wielen blokkeren, zelfs tijdens krachtig remmen, waardoor de auto in noodsituaties volledig bestuurbaar en stabiel blijft. Het ABS controleert de omtreksnelheid van alle wielen en regelt de remdruk naar elk wiel afzonderlijk. Tijdens krachtig remmen optimaliseert het ABS de adhesie tussen band en wegdek.
TIPS VOOR RIJDEN MET ABS

Wanneer het ABS in werking is, pulseert het rempedaal. Dit is normaal. Blijf het rempedaal indrukken.
Het ABS voorkomt geen gevaren die ontstaan wanneer:
- u te weinig afstand ten opzichte van voor u rijdend verkeer houdt.
- de auto te maken krijgt met aquaplaning.
• u bochten te snel neemt.
• het wegdek slecht is.
PARKEERREM
Handrem aantrekken

Controleer of de handrem is aangetrokken voordat u de
hefboom vrijzet.
N.B.: Druk de knop niet in wanneer u de handrem aantrekt.
- Druk het rempedaal stevig in.
- Trek de handremhefboom zo ver mogelijk naar boven.
Op een helling parkeren
Wanneer u op een helling moet parkeren met de voorzijde van de wagen hellingopwaarts, schakel dan de eerste versnelling in en draai dan de voorwielen van de trottoirband af. Wanneer u op een helling moet parkeren met de voorzijde van de wagen hellingafwaarts, schakel dan de achteruit in en draai dan de voorwielen naar de trottoirband toe.
Handrem vrijzetten
- Druk het rempedaal stevig in.
- Trek de handremhefboom lichtjes aan, druk de knop in en druk de hefboom naar beneden.
WERKING
WAARSCHUWING
De parkeerhulp is een extra systeem dat niet bedoeld is om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het achteruitrijden voorzichtig en oplettend te zijn. Vooral obstakels die zich dicht bij de auto (ca. 30 cm) en boven of onder de sensoren bevinden, worden mogelijk niet door de ultrasone parkeerhulp 'gezien' en kunnen schade aan de auto veroorzaken. Ultrasone geluidsgolven, zware regenval en/of weersomstandigheden die storende reflecties veroorzaken kunnen ertoe leiden dat objecten niet door de sensoren worden opgemerkt. Bovendien worden objecten die de ultrasone geluidsgolven absorberen door hun ongunstige oppervlakte-eigenschappen niet altijd door de sensoren opgemerkt.
GEBRUIK MAKEN VAN DE PARKEERHULP

Wees voorzichtig indien een trekhaak is gemonteerd.
Bij aangezet contact wordt het systeem automatisch geactiveerd bij het inschakelen van de achteruit.
Bij een afstand van maximaal 180 cm tussen het obstakel en de achterbumper klinkt een onderbroken signaal. Wanneer de afstand kleiner wordt, worden de intervallen tussen de signalen korter. Bij een afstand van minder dan 25 cm is het signaal ononderbroken.
Het systeem wordt automatisch uitgeschakeld indien er een door Ford goedgekeurde trekhaakmodule op de auto wordt aangebracht.
Houd de sensoren altijd vrij van vuil, sneeuw en ijs om een goede werking te waarborgen (reinig de sensoren niet met een scherp voorwerp).
In geval van een storing in het systeem zal bij het inschakelen van de achteruit of het aanzetten van het contact drie seconden lang eenmaal een toon hoorbaar. In geval van een storing wordt het systeem automatisch uitgeschakeld. Laat het systeem door een deskundige controleren.
Transport
ALGEMENE INFORMATIE
WAARSCHUWINGEN

Gebruik bevestigingsriemen die voldoen aan een norm, bijv. DIN.

Zorg ervoor dat alle losse voorwerpen goed zijn gezet.

Plaats bagage en ander voorwerpen zo laag mogelijk en er mogelijk naar voren in de ageruimte of de laadruimte.

Rijd niet met geopende achterklep of achterdeur.
Uitlaatgassen kunnen de auto worden binnengezogen.

Overschrijd niet de maximum voor- en achterasbelasting voor uto. Zie Technische cificatie (bladzijde 134).
DAKREKKEN EN BAGAGEDRAGERS
Imperiaal

Het rijden met een imperiaal kan een negatieve invloed op deenschappen van de auto pen.

De bevestigingspunten zijn weergegeven.
BAGAGENETTEN
LET OP
Het bagagenet mag met maximaal 9,5 kg worden belast. Leg geen zwaardere voorwerpen op het bagagenet.
! Controleer of de telescopische stangen stevig in de bekledingspanelen vastzitten.
Transport

De drie telescopische stangen kunnen worden verplaatst, zodat het bagagenet in vijf verschillende standen kan worden aangebracht.
TREKKEN VAN EEN AANHANGER
Het maximum toelaatbaar wagengewicht en het aanhangergewicht geven de technische eisen weer, die worden gesteld voor hellingen tot 12 % en bij hoogten van 1 000 meter boven de zeespiegel. In bergachtige streken worden de prestaties van de motor door de lagere luchtdruk nadelig beïnvloed. Daarom gelden de volgende beperkingen:
Boven 1 000 meter moet het maximum toelaatbaar totaalgewicht voor iedere 1 000 hoger met 10 % worden verlaagd.
Steile hellingen
WAARSCHUWING

Houd er rekening mee dat de oplooprem van een aanhanger
geen deel uitmaakt van het antiblokkeersysteem van de auto.
ALGEMENE PUNTEN BIJ HET RIJDEN
Uitvoeringen met een dieselmotor
Wanneer de controlelamp laag brandstofniveau gaat branden, ga dan zo spoedig mogelijk tanken. Wanneer u blijft rijden zonder te gaan tanken, gaat de motor onregelmatig draaien. Dit duidt erop dat de brandstoftank bijna leeg is. Ga onmiddellijk tanken.
INRIJDEN
Banden
WAARSCHUWING

Nieuwe banden hebben een inlooptijd van ongeveer 500
kilometer (300 mijl). Gedurende deze periode kan de auto een andere rijkarakteristiek vertonen.
Remmen
WAARSCHUWING

Vermijd indien mogelijk krachtig remmen gedurende de eerste
150 kilometer (100 mijl) in de stad en gedurende de eerste 1.500 kilometer (1.000 mijl) op snelwegen.
Motor
LET OP
Rijd de eerste 1.500 kilometer (1.000 mijl) niet te snel. Varieer van van snelheid en schakel tijdig op. Laat de motor niet zwoegen.
EERSTEHULPSET
Onder de bestuurdersstoel kan een EHBO doos worden opgeborgen.
Rechts stuur

Een riem op het achterpaneel van het laadcompartiment kan worden gebruikt om de gevarendriehoek vast te zetten.
ONDERBREKINGS- SCHAKELAAR BRANDSTOFTOEVOER
Uitvoeringen met een benzinemotor

De brandstoftoevoer kan worden onderbroken als gevolg van een aanrijding of plotselinge trillingen (bijvoorbeeld wanneer u tijdens het parkeren ergens tegenaan rijdt).
De schakelaar bevindt zich aan de rechterzijde boven het bekledingpaneel bij de voorstijl. Als de schakelaar wordt geactiveerd, springt de knop op de schakelaar omhoog.
Schakelaar terugstellen
WAARSCHUWING
Stel de veiligheidsschakelaar niet terug wanneer u brandstof ruikt of ziet weglekken.
- Draai de contactsleutel in de stand 0.
- Controleer het brandstofsysteem op lekkage.
- Als u geen lekkage hebt geconstateerd, kunt u de knop op de veiligheidsschakelaar indrukken (zie afbeelding).
- Draai de contactsleutel in de stand II. Wacht enkele seconden en draai de sleutel terug in de stand I.
- Controleer het brandstofsysteem opnieuw op lekkage.
COMPONENTEN VAN VEILIGHEIDSSYSTEEM INSPECTEREN
Veiligheidsgordels
Veiligheidsgordels die aan spanningen zijn blootgesteld - als gevolg van een aanrijding - moeten worden vervangen en de verankeringspunten moeten door een deskundige worden gecontroleerd.
PLAATSEN ZEKERINGENHOUDERS
WAARSCHUWING

Wijzigingen aan de elektrische installatie of het brandstofsysteem kunnen de veiligheid van de auto nadelig beïnvloeden aangezien er hierdoor brandgevaar of schade aan de motor kan ontstaan. Laat alle werkzaamheden aan deze systemen of het vervangen van relais of zekeringen met een hoog vermogen over aan een deskundige.

E75782
Extra zekeringenkastA
Centrale zekeringenkastB
Extra zekeringenkast

N.B.: Laat de MAXI zekeringen (zekeringen 1-9 in de extra zekeringenkast) door een deskundige vervangen.
De extra zekeringenkast bevindt zich aan de achterzijde in het motorcompartiment.
Maak de klem los en het scharnier aan de zijkanten en trek het deksel omhoog. Wanneer het deksel weer wordt aangebracht, druk dan op de zijden met de scharnieren (plaatsen 1 en 2) om ervoor te zorgen dat het deksel goed wordt gesloten.
Centrale zekeringenkast
Links stuur

De centrale zekeringenkast bevindt zich achter bekledingpaneel van het instrumentenpaneel.

Verwijder het bekledingpaneel om de zekeringenkast te kunnen bereiken.
Rechts stuur

De centrale zekeringenkast bevindt zich achter de zekeringenkast in het instrumentenpaneel.

E75787
ZekeringentabelA
ZekeringenB
Kantel het handschoenenkastje naar beneden om de zekeringenkast te kunnen bereiken.
EEN ZEKERING VERVANGEN
WAARSCHUWING

Zet het contact af en schakel alle elektrische verbruikers uit voordat u een zekering vervangt.
Let er bij het vervangen op dat de nieuwe zekering hetzelfde vermogen heeft als de oude zekering.
ZEKERINGLABELS
Het label met de zekeringen is aan de binnenzijde van het bekledingpaneel rechtsachter aangebracht om de zekeringen te kunnen identificeren. Afhankelijk van de uitvoering kunnen de zekeringen en relais verschillen.
De label met de zekeringentabel is in rechthoeken verdeeld, die de zekering of het relais weergeeft. De rechthoeken bevatten de volgende informatie:

Nummer van de zekeringA Symbool van de functieB
C Vermogen (ampère) van de zekering
Symbolen op het label met zekeringen

Zie instructieboekje

Airbag

ABS

Dimlicht, verlichting overdag

Grootlicht

Mistachterlichten
Zekeringen

Lichtschakelaar

Voorruitwissers

Achterruitenwisser

Voorruitverwarming

Aansteker, extra elektrisch aansluitpunt, voor

Claxon

Motormanagement

Brandstofopvoerpomp (diesel)

Voorgloeibougies (diesel)

Accu, dynamo, data link stekker

Instrumentengroep, motorcompartiment

Stads- en achterlichten

Airconditioning

Centrale vergrendeling

Extra elektrisch aansluitpunt, achter

A/C schakelaar, achterruitverwarming, standverwarming

Aanjagermotor

Contactslot overbelast, centrale zekeringenkast

Gloeibougies I + II, standverwarming

Contactslot

Remlichten

Interieurverlichting

Achteruitrijlicht, verwarmbare ruitensproeiers

Water in brandstof
SPECIFICATIE- OVERZICHT ZEKERINGEN
De volgende zekeringen en relais zijn gemarkeerd met het symbool "Zie instructieboekje" in de zekeringtabellen in uw auto.
Extra zekeringenkast
| Beveiligde circuitsAmpèreZekering | ||
| 12 | 15 | Motor van brandstofopvoerpomp (uitvoeringen met een dieselmotor) |
| Gloeibougie II defect (auto’s met dieselmotor).4018 | ||
| Lambda sondes (auto's met een benzinemotor)10 | ||
| Solenoïde aircokoppeling1026 |
Centrale zekeringenkast
| Beveiligde circuitsAmpèreZekering | ||
| Audio-installatie (geheugen en voeding)1531 | ||
| Audio-installatie (accessoire)7,540 | ||
| 7,548 | Waarschuwingsknipperlichten, portiervergrendeling, parkeerhulp, instrumentengroep, immobilisatiesysteem | |
| Aircoschakelaar (A/C)7,559 | ||
| Richtingaanwijzers, module portiervergrendeling1561 |
SLEEPPUNTEN
Alle uitvoeringen
Het sleepoog moet zich altijd in de auto bevinden.
Transit Connect
Links stuur

Het sleepoog is samen met de krik in de tas achter de bestuurdersstoel opgeborgen.
Tourneo Connect

Het sleepoog is samen met de krik opgeborgen in het linker zijpaneel van de laadruimte.
Alle uitvoeringen

Het afneembare sleepoog heeft linkse schroefdraad. Breng het sleepoog aan door het linksom in het draadgat te draaien. Gebruik de wielmoersleutel om het sleepoog stevig vast te zetten.
Werk met een dun schroevendraaiertje het paneel in de bumper los en breng het sleepoog aan.

A Bevestigingspunt voor sleepoog aan achterzijde
AUTO OP VIER WIELEN SLEPEN
Alle uitvoeringen
WAARSCHUWINGEN
Zet het contact aan wanneer uw auto wordt gesleept. Bij afgezet contact treedt het stuurslot in werking en werken de richtingaanwijzers en de remlichten niet.
De rem- en stuurbekrachtiging werken niet, tenzij de motor draait. Druk het rempedaal harder in en houd rekening met langere remafstanden en een zwaarder draaiend stuurwiel.
LET OP
! Te veel spanning op de sleepkabel kan schade toebrengen aan uw en aan de trekkende auto.
LET OP
Bevestig aan het voorste sleepoog geen sleepstang.
Trek rustig en soepel zonder rukken op.
Auto's met automatische transmissie
LET OP
Sleep uw auto niet met snelheden hoger dan 50 km/h (30 mph) of over afstanden van meer dan 50 km (30 mijl).
Sleep uw auto niet achterwaarts.
Zet de versnellingsbak in neutraal wanneer uw auto wordt gesleept.
ALGEMENE INFORMATIE
Wanneer u uw auto regelmatig laat onderhouden zal dit de betrouwbaarheid en de inruilwaarde ten goede komen. Er staat een groot netwerk van Ford Erkende Reparateurs ter beschikking die u met hun professionele expertise ter zijde kunnen staan. De speciaal opgeleide monteurs zijn het best gekwalificeerd om het onderhoud aan uw auto snel en vakkundig uit te voeren. Bovendien beschikken zij over gereedschappen en apparatuur die speciaal zijn ontwikkeld om het onderhoud aan uw auto uit te voeren.
Naast het normale onderhoud raden wij aan de volgende extra controles uit te voeren.
WAARSCHUWINGEN

Zet het contact af voordat u onderdelen aanraakt of eert af te stellen.

Raak onderdelen van het elektronisch
ontstekingssysteem bij aangezet contact of draaiende motor niet aan. Het systeem werkt met hoogspanning.

Zorg dat uw handen en kledingstukken niet met de
koelventilateur in aanraking kunnen komen. Onder bepaalde omstandigheden kan de koelventilateur na het afzetten van de motor nog enkele minuten blijven doordraaien.
Dagelijkse controles
- Buitenverlichting.
• Interieurverlichting.
• Waarschuwings- en controlelampen.
Controles bij het tanken
- Motoroliepeil. Zie Motorolie controleren (bladzijde 117).
- Remvloeistofpeil. Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 120).
- Peil van de ruitensproeiervloeistof. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 121).
- Bandenspanning (in koude toestand). Zie Technische specificatie (bladzijde 134).
• Staat van de banden. Zie Verzorging van banden (bladzijde 133).
Maandelijkse controles
- Koelvloeistofpeil (bij koude motor). Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 119).
- Slangen, leidingen en reservoirs op lekkage.
• Vloeistofpeil stuurbekrachtiging. Zie
• Werking van de airconditioning.
• Werking van de parkeerrem.
• Werking van de claxon.
Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 120).
DE MOTORKAP OPENEN
EN SLUITEN

Verwijder, om schade of verlies van de sleutel te voorkomen, de sleutel onmiddellijk na het openen van de motorkap en draai het Ford logo terug.
N.B.: Gebruik bij auto's met key free systeem de reservesleutel om de motorkap te openen.
Duw het Ford logo in de radiateurgrille opzij en draai de sleutel eerst linksom 1. Til de motorkap iets op en draai de sleutel volledig rechtsom 2 om de motorkap te openen.

Til de motorkap op en ondersteun hem met de steunstang in de houder 3 en let erop dat hij stevig vastzit.
Om de motorkap te sluiten brengt u hem omlaag en laat u hem vanaf 20-30 cm in het slot vallen.
Controleer altijd of de motorkap volledig is vergrendeld.
OVERZICHT MOTORRUIMTE - 1,8 L DURATEC-DOHC (ZETA)

A Vloeistofreservoir stuurbekrachtiging 1 . Zie
Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 120).
B Motorolievuldop. 1 . Zie Motorolie controleren (bladzijde 117).
C Reservoir remsysteem en koppeling 1 . Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 120).
D Extra zekeringenkast. Zie Zekeringen (bladzijde 106). Luchtfilter.E
F Reservoir ruitensproeiervloeistof Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 121). 1
G Accu. Zie Accu van de auto (bladzijde 125).
H Motoroliepeilstaaf 1 . Zie Motorolie controleren (bladzijde 117).
I Expansiereservoir 1 . Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 119).
1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke herkenning.
OVERZICHT MOTORRUIMTE - 1,8 L DURATORQ-TDDI (LYNX) DIESEL /1,8 L DURATORQ-TDCI (LYNX) DIESEL

A Vloeistofreservoir stuurbekrachtiging 1 . Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 120).
B Motorlievuldop 1 . Zie Motorolie controleren (bladzijde 117).
C Reservoir remsysteem en koppeling 1 . Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 120).
D Extra zekeringenkast. Zie Zekeringen (bladzijde 106). Luchtfilter.E
F Reservoir ruitensproeiervloeistof Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 121). 1
G Accu. Zie Accu van de auto (bladzijde 125).
H Motoroliepeilstaaf 1 . Zie Motorolie controleren (bladzijde 117).
I Expansiereservoir 1 . Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 119).
1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke herkenning.
MOTOROLIE CONTROLLEREN
WAARSCHUWING
Gebruik geen additieven of andere smeermiddelen. Deze zijn niet noodzakelijk en kunnen onder bepaalde omstandigheden beschadiging van de motor tot gevolg hebben, welke niet onder de Ford Garantie valt.
Het olieverbruik bereikt bij nieuwe motoren de normale waarde na ongeveer 5 000 km (3 000 mijl).
Zorg ervoor dat uw auto horizontaal staat. Controleer het oliepeil voordat u de motor start. Indien de motor draaide, zet het contact dan af en wacht enkele minuten om de olie in het carter te laten terugstromen voordat u het oliepeil controleert. Trek de peilstaaf uit de motor, veeg hem met een schone, niet-pluizende doek schoon en steek de peilstaaf weer helemaal terug en trek hem er opnieuw uit.
Indien het oliepeil zich tussen de merktekens bevindt, hoeft geen olie te worden bijgevuld. Hete motorolie kan vanwege de thermische expansie het MAX merkteken enkele millimeters overschrijden.
Als het peil tot het MIN merkteken is gedaald, moet onmiddellijk olie worden bijgevuld die aan de Ford specificatie voldoet. Door circa 0,5 - 1 liter (0,75 liter voor Duratec motoren) motorolie bij te vullen stijgt de oliefilm op de pijlstaaf van het MIN tot het MAX merkteken.

1,8 I Duratec motorA B 1,8 I Duratorq-TDdi/-TDCi turbodieselmotor
Vul bij tot het bovenste merkteken (MAX).
Motorolievuldop

1,8 | Duratec motorA B 1,8 | Duratorq-TDdi/-TDCi turbodieselmotor
Draai de dop linksom en trek hem omhoog. Verwijder de dop nooit bij draaiende motor.
Draai, om de dop te sluiten, deze rechtsom tot hij stevig vastzit.
Motorolie verversen
Alle uitvoeringen
Gebruik Ford/Motorcraft Formula E SAE 5W-30 motorolie. Als alternatief mag ook motorolie met een viscositeit van SAE 5W-30 die voldoet aan de Ford specificatie WSS-M2C913-B worden gebruikt.
Uitvoeringen met een benzinemotor
Motorolie die voldoet aan de Ford specificatie WSS-M2C913-A mag ook worden gebruikt.
Motorolie bijvullen
Wanneer er geen olie verkrijgbaar is die aan bovenstaande specificaties voldoet gebruik dan, afhankelijk van de buitentemperatuur, olie met een viscositeit van SAE 5W-30, SAE 10W-40 of SAE 5W-40, die voldoet aan de ACEA A1/B1 of ACEA A3/B3 specificaties. Het gebruik van deze alternatieve oliën kan tot gevolg hebben dat de motor minder snel aanslaat, minder vermogen levert, meer brandstof verbruikt en een hogere emissiewaarde heeft.
MOTORKOELVLOEISTOF CONTROLEREN

WAARSCHUWING
Verwijder nooit de dop van het expansiereservoir wanneer de motor heet is. Start de motor niet voordat het probleem is verholpen.
Het koelvloeistofniveau is van buitenaf zichtbaar via het transparante reservoir. Bij koude motor moet het koelvloeistofniveau zich tussen het MIN en het MAX merkteken bevinden. Aangezien koelvloeistof bij verwarming uitzet, is het normaal dat het niveau tot boven het MAX merkteken uitstijgt.
WAARSCHUWING
Wees bijzonder voorzichtig tijdens het bijvullen van koelvloeistof. Voorkom dat druppels koelvloeistof op de motor worden gemorst.
Over het algemeen moet koelvloeistof worden bijgevuld wanneer de motor koud is. Als u koelvloeistof moet bijvullen terwijl de motor heet is, wacht dan tien minuten om de motor te laten afkoelen. Draai de dop langzaam los. Nog resterende druk zal tijdens het losdraaien van de dop ontsnappen. Daarna kunt u de dop helemaal losdraaien.
Wanneer de auto nieuw is, is het koelsysteem gevuld met koelvloeistof die een bescherming tegen bevriezen biedt tot ongeveer -25 °C.
WAARSCHUWING
Voorkom dat deze vloeistof in contact komt met de huid of de ogen. Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts.
Vul koelvloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie.
CONTROLE VLOEISTOFPEIL KOPPELING EN REMSYSTEEM

Voorkom dat deze vloeistof in contact komt met de huid of de ogen. Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts.
Het remsysteem en het bedieningsmechanisme van de koppeling zijn aangesloten op één reservoir.
Het vloeistofpeil moet zich tussen het MIN en MAX merktekens op de zijkant van het reservoir bevinden. Wanneer het niveau tot onder het MIN merkteken daalt gaat het bericht controlelamp remsysteem branden. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 61).
STUURBEKRACHTI- GINGSVLOEISTOF CONTROLEREN

Bij koude motor moet het vloeistofpeil tot het MAX merkteken reiken.
Vul de voorgeschreven vloeistof bij wanneer de vloeistofspiegel onder het MIN merkteken staat.
Onderhoud
RUITENSPROEI- ERVLOEISTOF CONTROLEREN
De ruitensproeiers van de voor- en achterruit hebben een gemeenschappelijk reservoir.
Draai de dop van het reservoir na het vullen weer stevig vast.

Wanneer de auto tijdens het wassen in een autowasserette was wordt gezet, verwijder dan vas van de voorruit.
LET OP
Sommige wasinstallaties maken gebruik van water onder hoge druk. Hierdoor kunnen sommige onderdelen van uw auto worden beschadigd.
Verwijder de antenne voordat u een automatische wasstraat inrijdt.
Schakel de aanjager uit om te voorkomen dat deeltjes was zich in het luchtfilter vastzetten.
Wij raden aan uw auto met een spons en handwarm water en autoshampoo te wassen.
Koplampen reinigen
LET OP
Gebruik geen scherpe voorwerpen, schurende reinigingsmiddelen of chemische oplossingen om de koplampglazen te reinigen.
Veeg de koplampglazen niet schoon wanneer ze droog zijn.
Achterruit reinigen
LET OP
Gebruik geen scherpe voorwerpen, schurende reinigingsmiddelen of chemische oplossingen op de binnenzijde van de achterruit te reinigen.
Gebruik een schone, niet pluizende doek of een vochtige zeem om de binnenzijde van de achterruit te reinigen.
Onderhoud van de lak
LET OP
! Poets de auto niet in de felle zon.
! Voorkom dat polish op kunststof oppervlakken komt. Dit laat zich moeilijk verwijderen.
! Breng geen polish op de voor- en achterruit aan. Dit heeft een lawaaaiige werking van de ruitenwissers tot gevolg; bovendien kunnen de ruiten dan niet goed worden drooggeveegd.
Wij raden u aan de lak één- of tweemaal per jaar in de was te zetten.
REINIGEN VAN BINNENZIJDE AUTO
Veiligheidsgordels
WAARSCHUWINGEN

Gebruik voor het reinigen geen schurende middelen of nische oplosmiddelen.

Let er op dat geen vocht in het oprolmechanisme komt.
Reinig de veiligheidsgordels met een interieurreiniger of water met een zachte spons. Laat de veiligheidsgordels op een natuurlijke manier drogen. Gebruik geen haardroger o.i.d.
KLEINE LAKSCHADE REPAREREN
LET OP

Verwijder onmiddellijk ogenschijnlijk onschadelijke
substanties van het lakwerk (bijvoorbeeld uitwerpselen van vogels, boomsappen, dode insecten, teervlekken, wegenzout en industriële neerslag).
Lakbeschadigingen door steenslag of kleine krasjes moeten zo spoedig mogelijk worden hersteld. Uw Ford dealer heeft een grote keuze aan producten. Lees en volg nauwkeurig de instructies van de fabrikant op.
ONDERHOUD VAN DE ACCU
De accu vraagt zeer weinig onderhoud. Uw Ford dealer zal in het kader van het normale onderhoudsschema regelmatig het vloeistofpeil in de accu controleren.
GEBRUIK VAN STARTKABELS
Alleen accu's met dezelfde nominale spanning (12 volt) mogen met elkaar worden verbonden. Gebruik hulpstartkabels met geïsoleerde klemmen en kabels met een voldoende dikke koperen kern. Koppel de ontladen accu niet los van de elektrische installatie van de auto.
Hulpstartkabels aansluiten

Lege accuA HulpaccuB
- Plaats de auto's zodanig dat ze elkaar niet raken.
- Zet het contact van beide auto's af en schakel alle stroomverbruikers uit.
-
Verbind de positieve (+) pool van de lege accu met de positieve (+) pool van de hulpaccu 1.
-
Sluit het ene uiteinde van de tweede kabel aan op de negatieve (-) pool van de hulpaccu en het andere uiteinde zover mogelijk verwijderd van de accu op het motorblok of een motorsteun van de te starten motor 2. Sluit de kabel niet aan op de minpool (-) van de ontladen accu.
- Zorg ervoor dat de hulpstartkabels niet met draaiende onderdelen van de motor in aanraking kunnen komen.
Motor starten
- Laat de motor van de auto met de hulpaccu met verhoogd stationair toerental draaien.
• Probeer nu de motor van de auto met de ontladen accu te starten. - Laat beide motoren minimaal drie minuten draaien alvorens de kabels los te maken.
WAARSCHUWING

Schakel de koplampen tijdens het loskoppelen van de
hulpstartkabels niet in. Door de spanningspiek kunnen de gloeilampen doorbranden.
- Koppel de kabels in omgekeerde volgorde los.
ACCU VERVANGEN
Uitvoeringen met een benzinemotor
Wanneer de accu losgekoppeld is geweest, kan de motor gedurende 8 km nadat de accukabels weer zijn aangesloten een afwijkende draaikarakteristiek vertonen, omdat het motormanagementsysteem zichzelf aan de motor moet aanpassen.
EEN WIEL VERVANGEN
Reservewiel
WAARSCHUWING
Gebruik uitsluitend banden en velgen met de goedgekeurde maat. Het gebruik van andere maten kan schade aan de auto tot gevolg hebben en kan de typegoedkeuring ongeldig maken.

Steek het zeskantige uiteinde van de wielmoersleutel in de geleideboring om het reservewiel te laten zakken. Draai de wielmoersleutel linksom tot het wiel op de grond rust en de staalkabel geheel ontspannen is.

Maak de kap los en schuif deze terug om de eerste kabel los te maken. Draai de nippel op het uiteinde van de kabel 90 graden.
Draai de moer los om de tweede kabel los te maken.
Velgen en banden
Boordkrik
Transit Connect
Links stuur

De boordkrik en de wielmoersleutel bevinden zich in een tas achter de bestuurdersstoel.
Tourneo Connect

De boordkrik en de wielmoersleutel bevinden zich in het linker zijpaneel in de laadruimte.
Kriksteunpunten

De krik mag uitsluiten onder de uitsparingen 1 onder de dorpels worden geplaatst. Deze zijn eenvoudig te herkennen aan de kleine pijlvormige merktekens op de dorpel.
Velgen en banden
Wiel verwijderen
Alle uitvoeringen

Schakel de eerste versnelling of de achteruit in.

Laat de inzittenden uitstappen.

Gebruik de boordkrik uitsluitend voor het verwisselen van een Voer geen werkzaamheden er de auto uit wanneer deze uitend door de krik wordt ersteund.

Parkeer uw auto zodanig aan de kant van de weg dat u het verkeer niet hindert en zelf geen hinder ondervindt van het verkeer als u het wiel aan het verwisselen bent.

Zet een gevarendriehoek neer.

Zorg ervoor dat uw auto op een stevige, horizontale ondergrond t.

Breng zo nodig geschikte wiggen achter de wielen aan.

Zet de voorwielen in de rechtuitstand.

Zet het contact af en trek de handrem aan.
Breng het beitelvormig deel op het uiteinde van de wielmoersleutel aan.

Steek het platte uiteinde van de wielmoersleutel tussen de velgrand en het wieldeksel en werk voorzichtig het wieldeksel los.
Uitvoeringen met slotmoeren

Plaats de copsleutel op de slotmoer.
Alle uitvoeringen

Draai de wielmoeren een slag los.
WAARSCHUWING

Plaats de krik verticaal onder de uitsparing in de dorpelrand.
Zorg ervoor dat de gehele krikvoet op een stevige ondergrond komt te staan. Wanneer niet de complete krikvoet op de grond staat, laat dan de wagen zakken en zet de krik opnieuw neer.
Krik de wagen op tot de band vrij is van de grond.

Draai de wielmoeren nu geheel los en verwijder het wiel.
Uitvoeringen met slotmoeren
Vervanging slotmoeren en wielmoeren zijn verkrijgbaar aan de hand van het referentienummer op het certificaat van de slotmoeren (indien van toepassing).
Wiel verwisselen
Alle uitvoeringen
![graph TD A["Circle"] --> B["Hexagon 1"] A --> C["Hexagon 2"] A --> D["Hexagon 3"] A --> E["Hexagon 4"] A --> F["Hexagon 5"] A --> G["Hexagon 6"] style A fill:#ccc,stroke:#333 style B fill:#ccc,stroke:#333 style C fill:#ccc,stroke:#333 style D fill:#ccc,stroke:#333 style E fill:#ccc,stroke:#333 style…](/content/2026/05/1111155/images/685309ae186cb76daa242f00a1177c446e4da09cea422744b13ff69ece570774.jpg)
E76140
WAARSCHUWINGEN
Indien uw auto is uitgerust met richtinggebonden banden, zorg er dan voor dat de pijlen in de draairichting wijzen wanneer de auto vooruit rijdt. De pijlen op beide bandwangen geven de draairichting weer.
Wanneer een reservewiel moet worden gemonteerd waarvan de pijlen tegen de draairichting in wijzen, laat de band dan zo spoedig mogelijk door een deskundige omkeren.
Lichtmetalen velgen mogen nooit worden vastgezet met moeren voor stalen velgen.
Schuif het reservewiel op de tapeinden. Draai de wielmoeren - met de conische zijde naar het wiel gekeerd - rechtsom aan, maar zet ze nog niet vast.
Wagens met lichtmetalen velgen
N.B.: De wielmoeren van lichtmetalen velgen kunnen ook korte tijd worden gebruikt voor het bevestigen van het reservewiel met stalen velg (maximaal twee weken).
Alle uitvoeringen
Laat de wagen zakken en verwijder de krik.
Draai de wielmoeren in de aangegeven volgorde definitief vast.
Druk het wieldeksel stevig aan met de palm van uw hand.
Laat het aanhaalmoment van de wielmoeren en de bandenspanning zo snel mogelijk controleren.
Wiel opbergen

Leg het wiel plat op de grond met de buitenzijde naar beneden gekeerd en steek het uiteinde van de steun en de bout in de steun door het middelste gat in de velg.

Zet de kabel met de nippel vast en breng de kap aan.
Bevestig de andere kabel en zet de moer vast.

Verwijder de dop van de opening en steek de zeskantige uiteinde van de wielmoersleutel in de opening op het wiel omhoog te brengen. Draai de wielmoersleutel rechtsom tot het wiel volledig omhoog is gebracht en stevig vastzit.
Berg de wielmoersleutel, de krik en de krikslinger op en zet de gereedschappen vast.
VERZORGING VAN BANDEN
Als u een stoeprand moet oprijden, doe het dan zo langzaam mogelijk en rijd zo mogelijk haaks het trottoir op. Vermijd het rijden over hoge of scherpe obstakels. Laat de banden bij het parkeren niet langs trottoirbanden schuren.
Controleer het loopvlak van de banden regelmatig op beschadigingen, steentjes en onregelmatige slijtage. Ongelijkmatige bandenslijtage kan duiden op een verkeerde wieluitlijning.
Bandenspanning
De bandenspanning moet bij koude banden, voordat u een rit gaat maken, worden gecontroleerd. Voor het ruimtebesparende reservewiel moet de hoogste waarde voor uw auto/band-combinatie worden aangehouden.
Op de portierstijl aan bestuurderszijde bevindt zich een sticker met de aanbevolen bandenspanningen.
Links stuur

N.B.: Sneeuwkettingen mogen alleen op worden gemonteerd op 195/65 R 15 banden.
Gebruik uitsluitend sneeuwkettingen met kleine schakels. De sneeuwkettingen mogen uitsluitend om de aangedreven wielen (voorwielen) worden aangebracht.
Rijd niet harder dan 50 km/h. Verwijder de sneeuwkettingen onmiddellijk als de wegen sneeuuwvrij zijn.
Het ABS blijft normaal werken.
Om beschadiging van de wieldeksels te voorkomen verdient het aanbeveling deze te verwijderen wanneer met sneeuwkettingen wordt gereden.
Het identificatieplaatje van de auto is op de portierstijl aangebracht.
VOERTUIGIDENTIFI- CATIENUMMER (VIN)
Het voertuig identificatie nummer is ingeslagen in het vloerpaneel vóór de passagiersstoel voorin. Het nummer is bovendien ingeslagen in het kunststof plaatje dat aan de linkerzijde op het instrumentenpaneel is aangebracht.
MOTORNUMMER
Afhankelijk van het motortype is het motornummer ingeslagen in het motorblok (gezien vanaf de bestuurdersstoel):
Duratec motoren
Aan de uitlaatzijde van het motorblok, naast de flens van het versnellingsbakhuis.
Turbodieselmotoren
Vlak boven het versnellingsbakhuis en ook op de cilinderkop.
Bepaalde wagens zijn uitgerust met een LAV-plaatje (lastafhankelijke remdrukregelklep) op de stijl van het linker achterportier, waarop de afstelgegevens van deze klep staan. Deze afstellingen mogen alleen door een deskundige worden uitgevoerd.
Afmetingen van de auto
Korte wielbasis

| AfmetingenNr. | Afmetingen in mm (inches) | |
| min 90 (3,5)Bumper – ein | ||
| 91,1 (3,6)Bevestigingsp | ||
| 834 (32,8)Hart wiel – har | ||
| 460 (18,1)Hart trekhaak | ||
| 920 (36,2)Buitenzijde lar | ||
| F | Hart trekhaakkogel – hart 1e bevestigingspunt | 413,3 (16,3) |
| G | Hart trekhaakkogel – hart 2e bevestigingspunt | 566,3 (22,3) |
| Alle maten hebben betrekking op officieel door Ford goedgekeurde trekhaken en bevestigingsmaterialen. | ||
Wagengewicht
Transit Connect
Korte wielbasis
| Motor | Laadver-mogen variant | Max. toelaat-baar totaalgewicht | Rijklaar-gewicht | Laadver-mogen | Toelaat-bare dakbelasting |
| 1,8 | Duratec (115 pk) | 625 | 1970 | 1345 | 625 | 100 |
| 1,8 | Duratorq- TDdi (75 pk) | 625 | 2025 | 1400 | 625 | 100 |
| 1,8 | Duratorq- TDdi (75 pk) | 825 | 2230 | 1405 | 825 | 100 |
| 1,8 | Duratorq- TDCi (90 pk) | 625 | 2035 | 1410 | 625 | 100 |
| 1,8 | Duratorq- TDCi (90 pk) | 825 | 2240 | 1415 | 825 | 100 |
Lange wielbasis
| Motor | Laadver-mogen variant | Max. toelaat-baar totaalgewicht | Rijklaar-gewicht | Laadver-mogen | Toelaat-bare dakbelasting |
| 1007001380 | |||||
| 1,8 | Duratorq- TDdi (75 pk) | 1008251435 | ||||
| 1,8 | Duratorq- TDCi (90 pk) | 1009001440 |
Tourneo Connect
Korte wielbasis
| Motor | Laadver-mogen variant | Max. toelaat-baar totaalgewicht | Rijklaar-gewicht | Laadver-mogen | Toelaat-bare dakbelasting |
| 1006251420 | |||||
| 1,8 | Duratorq- TDCi (90 pk) | 1006251485 |
Voor sommige landen geldt een hoger laadvermogen. Raadpleeg het VIN plaatje of het kentekenbewijs voor meer informatie.
Lange wielbasis
| Motor | Laadver-mogen variant | Max. toelaat-baar totaalgewicht | Rijklaar-gewicht | Laadver-mogen | Toelaat-bare dakbelasting |
| 1007001475: |
Technische specificaties
| Motor | Laadver-mogen variant | Max. toelaat-baar totaalgewicht | Rijklaar-gewicht | Laadver-mogen | Toelaat-bare dakbelasting |
| 1,8 l Duratorq- TDCi (90 pk) | 100800154023 |
Voor sommige landen geldt een hoger laadvermogen. Raadpleeg het VIN plaatje of het kentekenbewijs voor meer informatie.
Afstandsbediening
N.B.: Het is raadzaam de afstandsbediening uitsluitend te gebruiken in landen die in de tabel zijn opgenomen.
Wanneer de typegoedkeuring van uw afstandsbediening wordt gecontroleerd, verwijs dan naar de volgende tabel.
| Type approval of the remote control | |
| Country | Official test number |
| A B D DK E FFIN GB GR H I IRLIS L N NL P S | CE 0499 1 |
| AUS BR GBZ M TR | SIEMENS 433,92 MHz5WK4 725/8686/8071 |
| CH | BAKOM 97.0946.K.P . |
| CY | MCW 129/95 23/1997 |
| CZ | CTU 1999 2R 712 |
| IL | 272/3-1998 |
| NZ | |
| PL | 542/98 |
| RC | 電波 88LP0012 |
| SK | Tú R 119SR 1999 2 |
| ZA | Ref.No.: 3K43D/3R1B9/SPLS-RX9/98 |
Wanneer de typegoedkeuring van het immobilisatiesysteem wordt gecontroleerd, verwijs dan naar de volgende tabel.
Typegoedkeuring
| Type approvals of the engine immobilisation system | |
| Country | Official test number |
| A B CH D DKE F FIN GB GRH HR I IRL ISL N NL P S | CE0499 1 |
| AUS HK J T TR | SIEMENS 134.2 kHz IPATSS |
| CDN | CAN 267 103 1914 ACAN 267 103 1915 A |
| CY | MCW 129/95 11/2000 |
| CZ | CTU 2000 3R 1102 |
| IL | 172-2000 |
| NZ | |
| PL | 5WK4 8201 CLBT/C/180/2001 GP-CLBT5WK4 8711 CLBT/C/219/2001 GP-CLBT |
| RC | 電波 89LP0045電波 89LP0046 |
| SK | Tú R 290SR 2000 3 |
| USA | FCC ID:M3N-IPATSU152 |
| Type approvals of the engine immobilisation system | |
| Country | Official test number |
| A B CH D DKE F FIN GB GRH HR I IRL ISL N NL P S | CE0499 1 |
| AUS HK J T TR | SIEMENS 134.2 kHz IPATSS |
| CDN | CAN 267 103 1914 ACAN 267 103 1915 A |
| CY | MCW 129/95 11/2000 |
| CZ | CTU 2000 3R 1102 |
| IL | 172-2000 |
| NZ | |
| PL | 5WK4 8201 CLBT/C/180/2001 GP-CLBT5WK4 8711 CLBT/C/219/2001 GP-CLBT |
| RC | 電波 89LP0045電波 89LP0046 |
| SK | Tú R 290SR 2000 3 |
| USA | FCC ID:M3N-IPATSU152 |
Zie: Onderdelen en accessoires......5
Accu van de auto....125
Accu vervangen....126
Uitvoeringen met een benzinemotor......126
Achterbank....79
Complete achterbank naar voren kantelen....80
Een rugleuningdeel naar voren kantelen....80
Achterruitwissers en
-sproeiers....40
Ruitensproeiers....41
Wissen met intervallen....40
Achterste zijruiten....55
Afstandsbediening programmeren
Zie: Programmeren van de afstandsbediening....25
Airconditioning
Zie: Klimaatregeling......65
Akoestische
waarschuwingssignalen en -indicaties....64
Verlichting ingeschakeld....64
Alarm....37
Alarm inschakelen....37
Alarmsignaal....37
Automatische vertraging van het inschakelen....37
Alarm uitschakelen....37
Algemene informatie over radiofrequencies....25
Algemene punten bij het rijden....102
Uitvoeringen met een dieselmotor....102
Anti Blokkeer Systeem (ABS)
Zie: Remmen....96
Asbak....84
Seek (zoekfunctie)......38
Volume....38
Auto op vier wielen slepen......112
Alle uitvoeringen....112
Auto's met automatische transmissie....112
B
Bagagenetten....99
Banden
Zie: Velgen en banden....127
Batterij van afstandsbediening
Zie: Batterij van afstandsbediening vervangen......26
Batterij van afstandsbediening vervangen......26
Bergen van de auto....111
Bescherming van inzittenden....18 Werking....18
Binnenspiegel....55
Brandstof en tanken....92 Technische specificatie....94
Brandstofkwaliteit......
Brandstofverbruik Zie: 6, 145
Buitenspiegels....53
C
Componenten van veiligheidssysteem inspecteren....105
Veiligheidsgordels....105
Index
Contactslot....89
Contactsleutelstanden....89
Contactslot
Zie: Contactslot....89
Controle koelvloeistofpeil
Zie: Motorkoelvloeistof controleren....119
Controle oliepeil
Zie: Motorolie controleren....117
Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem....120
D
Dakrekken en bagagedragers.....99
Imperiaal....99
Dashboardkastje......85
De juiste zitpositie innemen......75
De motorkap openen en sluiten....114
De motor starten....89
Algemene informatie......89
E
Een benzinemotor starten......89
Koude of warme motor....90
Verzopen motor....90
Een dieselmotor starten......90
Koude of warme motor....90
Een wiel vervangen......127
Boordkrik....128
Kriksteunpunten....128
Reservewiel....127
Wiel opbergen....131
Wiel verwijderen....129
Wiel verwisselen....131
Een zekering vervangen......108
Eerstehulpset....103
Links stuur....103
Rechts stuur....103
Portierruit aan bestuurderszijde automatisch openen....53
Elektrisch verstelbare buitenspiegels....54
Extra verwarming....70
Algemene informatie....70
Werkingsprincipe....71
Extra voedingsaansluitingen......84
Alle uitvoeringen....84
Transit Connect....85
G
Gebruiki van sneeuwkettingen....133
Gebruik maken van de parkeerhulp......98
Gebruik van startkabels......125
Hulpstartkabels aansluiten......125
Motor starten....126
Gebruik van veiligheidsgordels tijdens zwangerschap......24
Gecodeerde sleutels....34
Code wissen....35
Sleutels coderen....34
Gemaksfuncties....83
Gevarendriehoek......103
Gloeilampen vervangen......48
Achterlichtunits....50
Kentekenplaatverlichting....51
Koplampen....48
Leeslampen....52
Mistlampen....50
Richtingaanwijzers, voor......48
Zijknipperlichten....49
Gloeilampen vervangen
Zie: Gloeilampen vervangen......48
H
Handgeschakelde versnellingsbak....95
Achteruitversnelling - 5-versnellingsbak....95
Handmatige klimaatregeling......67
Aanjager....67
Gerecirculeerde lucht....68
Luchtverdeelknop....67
Snel verwarmen van het interieur.....68
Temperatuurregelknop......67
Ventilatie....68
Voorruit snel ontdooien/ ontwasemen....68
Handrem Zie: Parkeerrem....97
Hoofdsteunen....79
Hoofdsteun instellen....79
Hoofdsteun verwijderen....79
Hoogte van veiligheidsgordels afstellen....23
Veiligheidsgordel, achter......23
Veiligheidsgordel, voor......23
Hulpstartkabels Zie: Gebruik van startkabels......125
|
Immobilisatiesysteem inschakelen....36
Immobilisatiesysteem Zie: Motorstartblokkering......34
Immobilisatiesysteem uitschakelen....36
Inleiding....5
Inrijden....102
Banden....102
Motor....102
Remmen....102
Instrumenten....56
Interieurverlichting......47
Leeslampen....47
ISOFIX verankeringspunten......15
Tourneo Connect....15
K
Katalysator....92
Parkeren....93
Rijden met een auto met katalysator....92
Kindersloten....17
Tourneo Connect....17
Kinderzitjes....10
Kinderzitjes voor verschillende gewichtscategorieën....11
Kleine lakschade repareren......124
Klimaatregeling......65
Werking....65
Klok....83
Versie 1....83
Versie 2....83
Koplamphoogte afstellen......44
Alle uitvoeringen....44
Tourneo Connect......45
LAV-plaatje (lastafhankelijke remdrukregelklep)....137
Luchtroosters Zie: Ventilatieroosters....66
M
Meters....60
Brandstofmeter....61
Dagteller....61
Digitale klok....61
Kilometerteller......61
Koelvloeistoftemperatuurmeter......60
Toerenteller....61
Middenconsole....85
Mistachterlichten....43
Motorkapslot
Zie: De motorkap openen en sluiten....114
Motorkoelvloeistof
controleren....119
Motornummer....137
Duratec motoren....137
Turbodieselmotoren......137
Motorolie controleren....117
Motorolie bijvullen....119
Motorolie verversen......118
Motorolievuldop....118
Motorstartblokkering......34
Werking....34
Motor uitschakelen....91
Uitvoeringen met een dieselmotor....91
N
Onderbrekingsschakelaar
brandstoftoevoer......104
Uitvoeringen met een
benzinemotor....104
Onderdelen en accessoires......5
Onderhoud....113
Algemene informatie......113
Technische specificatie....121
Onderhoud van de accu......125
Opbergruimtes....86
Banden op de zonnekleppen......86
Opbergruimte bij de stoel....87
Opbergruimte boven de voorruit.....86
Opbergruimte voorin....86
Opbergvak op het dashboard......87
Portierbakken....87
Over deze handleiding......5
Overzicht instrumentenpaneel.....56
Links stuur....56
Rechts stuur....58
Overzicht motorruimte......
Overzicht van symbolen......5
Symbolen in dit instructieboekje......5
Symbolen op uw auto....5
P
Parkeerhulp
Zie: Gebruik maken van de
parkeerhulp....98
Parkeerhulp....98
Werking....98
Parkeerrem....97
Handrem aantrekken....97
Handrem vrijzetten....97
Op een helling parkeren....97
Plaatsen zekeringenhouders.....106
Centrale zekeringenkast......107
Extra zekeringenkast......106
Plaatsing van kinderzitjes......12
Programmeren van de
afstandsbediening....25
R
Reinigen van binnenzijde auto....124 Veiligheidsgordels....124
Reinigen van buitenzijde auto....123 Achterruit reinigen....123 Koplampen reinigen....123 Onderhoud van de lak....123
Remmen....96 Werking....96
Richtingaanwijzers....47 Rugleuningtafeltjes....88 Ruiten en spiegels....53
Ruitensproeiers Zie: Ruitenwissers en ruitensproeiers....40
Ruitensproeiervloeistof controleren....121
Ruitenwisserbladen controleren....41
Ruitenwisserbladen vervangen......42
Ruitenwissers en ruitensproeiers....40
S
Sleeppunten....111 Alle uitvoeringen....111 Alle uitvoeringen....111 Tourneo Connect....111 Transit Connect....111
Sleutels en afstandsbediening.....25 Sloten.....27
Sneeuwkettingen Zie: Gebruiki van sneeuwkettingen......133
Specificatie-overzicht zekeringen....110 Centrale zekeringenkast....110 Extra zekeringenkast....110
Spiegels Zie: Ruiten en spiegels....53 Zie: Verwarmde ruiten en spiegels....66
Staat na een aanrijding....104 Standverwarming Zie: Extra verwarming....70
Starten met hulpstartkabels Zie: Gebruik van startkabels....125 Stoelen....75
Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren......120
Stuurwiel afstellen....38 Stuurwiel....38
T
Tanken....93 Tankklep....93 Alle uitvoeringen....93 Tourneo Connect....93
Technische specificaties....138 Technische specificatie....138
Tips voor het rijden met ABS Zie: Tips voor rijden met ABS......96
Tips voor het rijden....102 Tips voor rijden met ABS....96 Transport....99 Algemene informatie....99
Trekken van een aanhanger....101 Steile hellingen....101 Typegoedkeuring....145
V
Veiligheidsgordels vastmaken.....22 Veiligheidsgordels achterin.....23 Veiligheidsmaatregelen.....92
Veiligheidsuitrusting voor kinderen....10
Velgen en banden....127 Technische specificatie....134
Ventilatie
Zie: Klimaatregeling......65
Ventilatieroosters....66
Vergrendelen en ontgrendelen....27
Achterklep....29
Centrale vergrendeling....29
Dubbele achterdeuren....28
Schuifdeur....27
Voorportieren....27
Wagen ontgrendelen....30
Wagen vergrendelen....32
Verlichtingsbediening......43
Verzorging van banden......133
Bandenspanning....133
Verzorging van de auto......123
Voertuigidentificatienummer (VIN)....137
Voertuig Identificatie Nummer (VIN)
Zie: Voertuigidentificatienummer (VIN)....137
Voertuigidentificatieplaatje......137
Voertuigidentificatie....137
Voorruitsproeiers afstellen......41
Voorruitsproeiers....40
Voorruitwissers....40
Voorste mistlampen......43
Voorstoelen....75
Armsteun instellen....77
Hellingshoek van de rugleuning instellen....77
Lendensteun instellen....76
Passagiersstoel, voor, neerklappen....77
Stoelen naar voren en achteren schuiven....76
Stoelhoogte instellen....76
W
Waarschuwings- en indicatielampen......61
Controlelamp aandrijfregelsysteem (BTCS)....64
Richtingaanwijzers......62
Waarschuwingsknipperlichten.....46
Wagen wassen Zie: Reinigen van buitenzijde auto....123
Wassen Zie: Reinigen van buitenzijde auto....123
Wegenkaartopbergvakken......87
Z
Zekeringen....106
Index
Zekeringlabels....108
Symbolen op het label met
zekeringen....108
Zitverhogers....14
Zonnekleppen....83





