FORD Transit (2008) - Automobiel

Transit (2008) - Automobiel FORD - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis Transit (2008) FORD in PDF-formaat.

📄 216 pagina's Nederlands NL Downloaden 💬 AI-vraag 10 vragen ⚙️ Specs
Notice FORD Transit (2008) - page 7
Kies uw taal en geef uw e-mailadres: we sturen u een specifiek vertaalde versie.
Type product Auto
Merk Ford
Model Transit (2008)
Categorie Bedrijfswagen (bestelwagen/bus/kombi)
Motortypes 2,3 l Duratec-HE (benzine), 2,2 l/2,4 l/3,2 l Duratorq-TDCi (diesel)
Transmissie Handgeschakelde versnellingsbak (6 versnellingen, achteruit)
Aandrijving Voorwielaandrijving, optioneel AWD (All Wheel Drive)
Veiligheidssystemen ABS, ESP, tractiecontrole, front- en zij-airbags, gordelspanners, kinderzitjes (ISOFIX)
Exterieurverlichting Koplampen H7 55/60W, mistlampen voor, LED-achterlichten, kentekenplaatverlichting
Interieur Handmatige klimaatregeling, elektrische ruiten, centrale vergrendeling met afstandsbediening, audiosysteem met AUX-ingang
Extra functies Cruise control, parkeerhulp, achteruitkijkcamera, programmeerbare standverwarming, spraakbediening, Bluetooth
Brandstoftank Ongeveer 80 liter (afhankelijk van uitvoering)
Gewicht (leeg) Ongeveer 1800-2500 kg (afhankelijk van variant)
Afmetingen (L x B x H) Ca. 5-6 m x 2 m x 2-2,5 m (afhankelijk van uitvoering)
Onderhoud Oliepeil, koelvloeistof, remvloeistof, bandenspanning controleren; ruitenwisserbladen en gloeilampen vervangen
Onderdelen Originele Ford onderdelen aanbevolen; zekeringen zelf vervangbaar
Gebruiksaanwijzing 216 pagina's, gratis PDF-download beschikbaar

Veelgestelde vragen - Transit (2008) FORD

Hoe start ik de motor bij koud weer?
Bij een benzinemotor: zet het contact aan, wacht even, trap het koppelingspedaal volledig in en start. Bij een dieselmotor: wacht tot het controlelampje voorgloeien uitgaat, trap het koppelingspedaal in en start. Bij temperaturen onder -25 °C kunt u het gaspedaal iets intrappen.
Hoe vervang ik een gloeilamp van de koplamp?
Schakel de verlichting uit en zet het contact af. Verwijder de koplampunit, maak de kap los, trek de stekker eraf, maak de klem los en verwijder de oude lamp. Plaats een nieuwe lamp van hetzelfde type (H7 55/60W) zonder het glas aan te raken. Monteer alles in omgekeerde volgorde.
Hoe stel ik de buitenspiegels af?
Gebruik de schakelaar op het instrumentenpaneel (bij de bestuurder). Draai de knop naar de gewenste spiegel (links/rechts) en beweeg deze in de gewenste richting. De spiegels zijn elektrisch verstelbaar en verwarmd.
Hoe gebruik ik de cruise control?
Schakel de cruise control in met de ON-knop. Rijd de gewenste snelheid (boven ca. 30 km/h) en druk op SET om de snelheid op te slaan. Verhoog/verlaag de snelheid met +/- toetsen. Druk op OFF of rem om uit te schakelen.
Hoe schakel ik de passagiersairbag uit?
Gebruik de sleutelschakelaar in het dashboardkastje. Draai de sleutel naar stand A (uit) om de airbag uit te schakelen. De controlelamp 'airbag uitgeschakeld' moet branden. Schakel de airbag weer in (stand B) zodra het kinderzitje is verwijderd.
Wat moet ik doen bij een lekke band?
Gebruik de bandenreparatieset (meegeleverd) of het reservewiel. Volg de instructies in de handleiding: krik de auto op bij de daarvoor bestemde punten, verwijder het wiel, monteer het reservewiel en draai de wielmoeren kruiselings aan. Raadpleeg de bandenspanningstabel.
Hoe programmeer ik de standverwarming?
Druk op toets A tot de tijd knippert. Stel de gewenste verwarmingsduur in (10-120 minuten) met toetsen B/D. Activeer de geprogrammeerde modus door toets C in te drukken. U kunt maximaal drie inschakeltijden instellen.
Hoe sluit ik een aanhanger aan?
Zorg dat de auto is uitgerust met een Ford-trekhaak. Sluit de stekker van de aanhanger aan op de 13-polige aansluiting. Het alarm detecteert de aanhanger. Controleer de verlichting en de max. trekgewicht (zie technische specificaties).
Hoe controleer ik het oliepeil?
Zet de auto op een vlakke ondergrond, wacht tot de motor is afgekoeld. Trek de oliepeilstaaf eruit, veeg hem schoon, steek hem terug en trek hem er opnieuw uit. Het peil moet tussen de MIN- en MAX-markeringen liggen. Vul indien nodig bij met de juiste oliesoort.
Hoe stel ik de klok in?
Bij het lage instrumentenpaneel: zet het contact aan, houd de kloktoets langer dan 3 seconden ingedrukt tot de tijd knippert, druk herhaaldelijk om de tijd in te stellen. Bij het hoge paneel: scroll naar 'TIJD INSTELLEN' in het menu, gebruik SET/RESET en de draaiknop.

Gebruikersvragen over Transit (2008) FORD

0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.

Stel een nieuwe vraag over dit apparaat

De e-mail blijft privé: deze wordt alleen gebruikt om u te waarschuwen als iemand op uw vraag reageert.

Nog geen vragen. Stel de eerste vraag.

Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Transit (2008) - FORD en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Transit (2008) van het merk FORD.

GEBRUIKSAANWIJZING Transit (2008) FORD

FordTransit Instructieboekje

Feel the difference

FORD Transit (2008) - FordTransit Instructieboekje - 1

FORD Transit (2008) - FordTransit Instructieboekje - 2

De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor, specificaties, ontwerpen of onderdelen zonder voorafgaande kennisgeving of verplichtingen te wijzigen. Deze publicatie, of een deel daarvan, mag niet worden gereproduceerd of vertaald zonder onze toestemming. Fouten of omissies uitgesloten.

Alle rechten voorbehouden.

Onderdeelnummer: 8C1J-19A321-CA (CG3527nl) 02/2008 20080304101744

Inleiding

Over deze handleiding....5

Overzicht van symbolen....5

Onderdelen en accessoires....5

Kort overzicht

Kort overzicht....6

Bescherming van inzittenden

Werking....13

Veiligheidsgordels vastmaken......14

Hoogte van veiligheidsgordels afstellen....15

Gebruik van veiligheidsgordels tijdens zwangerschap....16

Passagiersairbag uitschakelen......16

Sleutels en afstandsbediening

Algemene informatie over radiofrequencies....18

Programmeren van de afstandsbediening....18

Sloten

Vergrendelen en ontgrendelen......19

Motorstartblokkering

Werking....24

Gecodeerde sleutels....24

Immobilisatiesysteem inschakelen.....24

Immobilisatiesysteem uitschakelen.....24

Alarm

Werking....25

Alarm inschakelen....26

Alarm uitschakelen....26

Stuurwiel

Stuurwiel afstellen....27

Ruitenwissers en ruiten- sproeiers

Voorruitwissers....29

Automatisch in- en uitschakelende ruitenwissers....29

Voorruitsproeiers....30

Achterruitwissers en -sproeiers......30

Ruitenwisserbladen controleren......31

Ruitenwisserbladen vervangen......31

Verlichting

Verlichtingsbediening....33

Automatisch in- en uitschakelende verlichting....34

Voorste mistlampen....34

Mistachterlichten....34

Koplamphoogte afstellen....35

Waarschuwingsknipperlichten......35

Richtingaanwijzers....35

Interieurverlichting....36

Tredeverlichting....37

Gloeilampen vervangen....37

Gloeilampentabel....45

Ruiten en spiegels

Achterste zijruiten....49

Instrumenten

Meters....50

Waarschuwings- en indicatielampen....52

Akoestische waarschuwingssignalen en -indicaties....56

Infodisplays

Algemene informatie....57

Infoberichten....59

Persoonlijke instellingen....62

Klimaatregeling

Werking....65

Ventilatieroosters....65

Handmatige klimaatregeling......66

Verwarmde ruiten en spiegels......68

Extra verwarming....68

Stoelen

De juiste zitpositie innemen....73

Voorstoelen....73

Achterbank....75

Hoofdsteunen....77

Verwarmde stoelen....77

Gemaksfuncties

Klok....78

Zonnekleppen....78

Kaartjeshouders....78

Aansteker....79

Asbak....79

Extra voedingsaansluitingen....79

Bekerhouders....80

Dashboardkastje....80

Opbergruimtes....81

Flessenhouder....81

Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN) 81

De motor starten

Een benzinemotor starten....82

Een dieselmotor starten....83

Motor uitschakelen....83

Brandstof en tanken

Veiligheidsmaatregelen....84

Brandstofkwaliteit - Benzine......84

Brandstofkwaliteit - Diesel....84

Katalysator....84

Tankklep....85

Tanken....85

Brandstofverbruik 86

Technische specificatie....86

Versnel- lingsbak/transmissie

Handgeschakelde versnellingsbak.....88

Aandrijving op alle wielen (AWD)......88

Remmen

Werking....90

Tips voor rijden met ABS....90

Parkeerrem....90

Stabiliteitsregeling

Werking....91

Gebruik maken van stabiliteitsregeling....92

Aandrijfregeling (traction control)

Werking....95

Gebruik maken van aandrijfregeling (traction control)....95

Parkeerhulp

Werking....96

Gebruik maken van de parkeerhulp....96

Achteruitkijkcamera

Werking....98

Achteruitkijkcamera gebruiken......98

Snelheidsregeling (cruise control)

Werking....102

Gebruik maken van snelheidsregeling (cruise control)....102

Automatische snelheidsbegrenzer (ASL)

Werking....104

Transport

Algemene informatie......105

Bevestigingspunten voor lading .....105

Dakrekken en bagagedragers......107

Aanhangers trekken

Trekken van een aanhanger......108

Tips voor het rijden

Inrijden....109

Gereduceerd motorvermogen .....109

Nooduitrusting

Eerstehulpset....110

Gevarendriehoek....110

Nooduitgang....110

Staat na een aanrijding

Onderbrekingsschakelaar brandstoftoevoer....111

Componenten van veiligheidssysteem inspecteren....111

Zekeringen

Plaatsen zekeringenhouders......112

Een zekering vervangen......114

Specificatie-overzicht zekeringen.....114

Bergen van de auto

Sleeppunten....124

Auto op vier wielen slepen....124

Auto op vier wielen slepen - AWD.....125

Onderhoud

Algemene informatie......126

De motorkap openen en sluiten......127

Overzicht motorruimte - 2,3 l Duratec-HE (MI4)....128

Overzicht motorruimte - 2,2 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel .....129

Overzicht motorruimte - 2,4 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel /3.2 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel.....131

Oliepeilstaaf - 2,3 l Duratec-HE (MI4)....132

Oliepeilstaaf - 2,2 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel ....132

Oliepeilstaaf - 2,4 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel /3.2 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel....133

Motorolie controleren....133

Motorkoelvloeistof controleren......133

Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem....134

Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren....135

Ruitensproeiervloeistof controleren....136

Technische specificatie......137

Verzorging van de auto

Reinigen van buitenzijde auto......139

Reinigen van binnenzijde auto......140

Kleine lakschade repareren....140

Accu van de auto

Onderhoud van de accu....141

Gebruik van startkabels....141

Accu vervangen....142

Aansluitpunten van de accu .....142

Veiligheidsuitrusting voor kinderen

Kinderzitjes....143

Plaatsing van kinderzitjes......144

Zitverhogers....146

ISOFIX verankeringspunten....147

Kindersloten....148

Velgen en banden

Algemene informatie......149

Een wiel vervangen....149

Bandenreparatieset ....156

Verzorging van banden....160

Gebruik van winterbanden....161

Gebruik van sneeuwkettingen......161

Technische specificatie....161

Voertuigidentificatie

Voertuigidentificatieplaatje......165

Voertuigidentificatienummer (VIN).....165

Technische specificaties

Technische specificatie......166

Telefoon

Algemene informatie....179

Setup telefoon....179

Setup Bluetooth....181

Bedieningselementen telefoon......182

Gebruik maken van de telefoon - Auto's zonder Navigatiesysteem ....183

Gebruik maken van de telefoon - Auto's met Travel Pilot EX....186

Spraksturing

Werking....189

Sprakgestuurd regelsysteem gebruiken....190

Hartelijk dank voor het kiezen van een Ford. Wij raden u aan de tijd te nemen om uw auto goed te leren kennen door dit instructieboekje zorgvuldig te lezen. Hoe meer u van uw auto afweet, des te beter kunt u ermee omgaan en dat komt de veiligheid en het rijplezier ten goede.

N.B.: In deze handleiding worden de producteigenschappen en beschikbare opties van de gehele serie beschreven (soms zelfs wanneer deze nog niet algemeen verkrijgbaar zijn). Soms worden opties beschreven waarmee uw auto niet is uitgerust.

N.B.: Gebruik uw auto altijd volgens de geldende regels en wetgeving.

N.B.: Overhandig bij verkoop van uw auto dit instructieboekje aan de nieuwe eigenaar. Het instructieboekje is een onderdeel van de auto.

OVERZICHT VAN SYMBOLEN

Symbolen in dit instructieboekje

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

U riskeert de dood of ernstige verwonding van uzelf en anderen wanneer u niet de instructies

opvolgt waarop u door dit waarschuwingssymbool wordt geattendeerd.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

U riskeert beschadiging van uw auto wanneer u niet de instructies opvolgt waarop u door dit

waarschuwingssymbool wordt geattendeerd.

Symbolen op uw auto

FORD Transit (2008) - Symbolen op uw auto - 1

FORD Transit (2008) - Symbolen op uw auto - 2

Wanneer u deze symbolen ziet, lees dan eerst de betreffende instructies in dit instructieboekje en volg deze op voordat u iets aanraakt of probeert af te stellen.

ONDERDELEN EN ACCESSOIRES

Originele Ford onderdelen en accessoires zijn speciaal voor uw auto ontwikkeld. Wij wijzen erop dat niet-originele Ford onderdelen en accessoires niet door Ford zijn onderzocht en goedgekeurd tenzij expliciet door Ford is aangegeven. Wij kunnen niet instaan voor de geschiktheid van dergelijke producten. Wij raden u aan uw Ford dealer te vragen of onderdelen en accessoires geschikt zijn voor uw auto.

Kort overzicht

KORT OVERZICHT

Overzicht instrumentepaneel - wagens met links stuur
A B C D E GF H J L K TUV RS MNOQ P E70781

Kort overzicht

Overzicht instrumentepaneel - wagens met rechts stuur

FORD Transit (2008) - Overzicht instrumentepaneel - wagens met rechts stuur - 1

A Schakelaar elektrisch bedienbare buitenspiegel. Zie Elektrisch verstelbare buitenspiegels (bladzijde 48).
B Lichtschakelaar. Zie Verlichtingsbediening (bladzijde 33).
C Multifunctionele hendel. Zie Richtingaanwijzers (bladzijde 35). Zie Verlichtingsbediening (bladzijde 33).
D Instrumentengroep. Zie Meters (bladzijde 50).
E Klok.
F Controlelamp AWD (All Wheel Drive). Zie Aandrijving op alle wielen (AWD) (bladzijde 88).
G Schakelaar waarschuwingsknipperlichten. Zie Waarschuwingsknipperlichten (bladzijde 35).
H Schakelaar voorruitverwarming. Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 68).

I Schakelaar achterruitverwarming. Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 68).

J Blad met bekerhouders. Zie Bekerhouders (bladzijde 80).

Kort overzicht

Audio-installatie. Zie afzonderlijke handleiding.K

L Luchtroosters. Zie Ventilatieroosters (bladzijde 65).

M Aansteker. Zie Aansteker (bladzijde 79).

N Bediening temperatuurregelsysteem. Zie Klimaatregeling (bladzijde 65).

O Schakelhendel. Zie Handgeschakelde versnellingsbak (bladzijde 88).

P Controlelamp airbag aan passagierszijde uitgeschakeld. Zie Passagiersairbag uitschakelen (bladzijde 16).

Q Schakelaar elektronische stabiliteitsregeling (ESP). Zie Stabiliteitsregeling (bladzijde 91).

R Ruitenwisserschakelaar. Zie Ruitenwissers en ruitensproeiers (bladzijde 29).

Contactslot.S

Claxon.T

U Regelknop hoogteverstelling koplamplichtbundels. Zie Koplamphoogte afstellen (bladzijde 35).

V Bekerhouder. Zie Bekerhouders (bladzijde 80).

Stuurwiel instellen

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Verstel het stuurwiel nooit wanneer de auto in beweging is.

2 2 1

E95178

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 3

Duw de ontgrendelingshendel helemaal op zijn plaats wanneer u deze weer in de oude stand zet.

Zie Stuurwiel afstellen (bladzijde 27).

Kort overzicht

Informatiedisplays
FORD Transit (2008) - Kort overzicht - 1

flowchart
graph TD
    A["15:04\n15.0° C"] --> B["ACTIERAD. TOT\n200 km:"]
    B --> C["BRANDST.VERBR.\n8.0 I/100"]
    C --> D["GEM. SNELHEID\n87 km/h"]
    D --> E["BUITENTEMP:\nTEMP 15.0 °C°"]
    E --> F["PERS. INSTELL.\nSET/RESET"]

E73982

FORD Transit (2008) - Kort overzicht - 2

E73265
Scroll met de draaiknop door het menu.

FORD Transit (2008) - Kort overzicht - 3

Druk de SET en RESET toets in om een submenu of het item dat u wilt instellen te selecteren.

Zie Infodisplays (bladzijde 57).

Waarschuwings- en controlelampen

FORD Transit (2008) - Waarschuwings- en controlelampen - 1

Controlelamp remblokslijtage

FORD Transit (2008) - Waarschuwings- en controlelampen - 2

Controlelamp remsysteem

FORD Transit (2008) - Waarschuwings- en controlelampen - 3

Controlelamp automatische snelheidsregeling

FORD Transit (2008) - Waarschuwings- en controlelampen - 4

Controlelamp stabiliteitsregelsysteem (ESP) en aandrijfregelsysteem

FORD Transit (2008) - Waarschuwings- en controlelampen - 5

Controlelamp onderhoudsintervallen (alleen uitvoeringen met dieselmotor)

FORD Transit (2008) - Waarschuwings- en controlelampen - 6

Controlelamp schakeling

Kort overzicht

FORD Transit (2008) - Kort overzicht - 1

Controlelamp water-in-brandstof (uitvoeringen met dieselmotor)

Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 52).

Vergrendelen en ontgrendelen Achterdeuren
A B C

E71287

Wit zichtbaar, deur vergrendeldC

Schuifdeur
C A D B C

E71289

Bestelwagen en KombiA

B Bus

VergrendelenC

OntgrendelenD

Dubbele achterdeuren
B A

E71290

BuitenzijdeA

BinnenzijdeB

Kort overzicht

Achterklep
Ford A B

E71292

BuitenzijdeA

BinnenzijdeB

Werking van het vergrendelingssysteem

Het vergrendelingssysteem van uw auto kan zijn geprogrammeerd in een van de drie primaire vergrendelingscombinaties. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 19).

Extra elektrische aansluitpunten
FORD Transit (2008) - Werking van het vergrendelingssysteem - 1

Wanneer u het extra elektrische aansluitpunt gebruikt terwijl de motor niet draait, wordt de accu ontladen.

Zet het contact aan om het extra elektrisch aansluitpunt te kunnen gebruiken.

Stationair toerental na het starten

Wanneer de motor koud is, kan het stationaire toerental direct na het aanslaan hoger zijn.

Zie De motor starten (bladzijde 82).

Kort overzicht

Handgeschakelde versnellingsbak

Achteruitversnelling - 6-versnellingsbak

1

FORD Transit (2008) - Handgeschakelde versnellingsbak - 1

Wijzig de voorzijde van de wagen op geen enkele wijze. Dit zou nadelige gevolgen voor het ontvouwen van de airbags kunnen hebben.

FORD Transit (2008) - Handgeschakelde versnellingsbak - 2

Oorspronkelijke tekst volgens ECE R94.01: Extreme Hazard! Do not use a rearward facing child restraint on a seat protected by an air bag in front of it!

FORD Transit (2008) - Handgeschakelde versnellingsbak - 3

Draag een veiligheidsgordel en houd voldoende afstand tussen uzelf en het stuurwiel. Alleen wanneer de veiligheidsgordel correct wordt gedragen, kan deze u in een zodanige positie houden dat de airbag optimaal effect kan bewerkstelligen. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 73).

FORD Transit (2008) - Handgeschakelde versnellingsbak - 4

Laat reparaties aan het stuurwiel, de stuurkolom, stoelen, airbags en veiligheidsgordel uitvoeren door goed getrainde monteurs.

FORD Transit (2008) - Handgeschakelde versnellingsbak - 5

Houd de gebieden voor de airbags vrij. Breng niets aan op of over de panelen van de airbags.

FORD Transit (2008) - Handgeschakelde versnellingsbak - 6

Steek geen scherpe voorwerpen in gebieden waar airbags zijn gemonteerd. Dit zou de airbags kunnen beschadigen en nadelige gevolgen kunnen hebben voor het ontvouwen.

FORD Transit (2008) - Handgeschakelde versnellingsbak - 7

Gebruik stoelhoezen die zijn ontworpen voor stoelen met zij-airbags. Laat deze aanbrengen door goed getrainde monteurs.

N.B.: Het opblazen van een airbag gaat gepaard met een luide knal en u ziet een onschadelijke, poederachtige stofwolk. Dit is normaal.

N.B.: De front-airbag aan passagierszijde biedt bescherming voor een dubbele voorstoel.

N.B.: Veeg de panelen van de airbags alleen met een vochtige doek schoon.

Front-airbags aan bestuurders- en passagierszijde

FORD Transit (2008) - Front-airbags aan bestuurders- en passagierszijde - 1

De front-airbags treden in werking bij zware frontale aanrijdingen of bij aanrijdingen binnen een hoek van maximaal 30 graden van links of van rechts. De airbags worden in enkele milliseconden opgeblazen en stromen weer leeg zodra zij in contact komen met de lichamen van de inzittenden, waardoor de voorwaartse beweging wordt opgevangen. Bij lichte aanrijdingen, het over de kop slaan van de auto of bij aanrijdingen van opzij of van achteren worden de front-airbags niet geactiveerd.

Zij-airbags
FORD Transit (2008) - Front-airbags aan bestuurders- en passagierszijde - 2

De zij-airbags bevinden zich in de zijkant van de rugleuningen van de voorstoelen. Een label op de rugleuning geeft aan dat uw auto is uitgerust met zij-airbags.

De zij-airbags worden geactiveerd bij zware zijdelingse aanrijdingen. Alleen de airbag aan de zijde van de aanrijding wordt geactiveerd. De airbags worden in enkele milliseconden opgeblazen en stromen weer leeg zodra zijn in contact komen met de lichamen van de inzittenden, waardoor zijn bescherming bieden aan de omgeving van het hoofd en de ribben. Bij lichte zijdelingse aanrijdingen, het over de kop slaan van de auto of bij aanrijdingen van voren of achteren worden de zij-airbags niet geactiveerd.

Veiligheidsgordels

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Draag een veiligheidsgordel en houd voldoende afstand tussen uzelf en het stuurwiel. Alleen wanneer u de veiligheidsgordel op de juiste wijze draagt, kan deze u op uw plaats houden en zijn maximale bescherming bieden. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 73).

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Gebruik de veiligheidsgordel voor één persoon.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 2

Gebruik voor iedere stoel het juiste gordelslot.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 3

Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel niet slap of gedraaid zit.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 4

Draag geen dikke kleding. De veiligheidsgordels bieden optimaal bescherming wanneer ze sluitend worden gedragen.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 5

Leg de schoudergordel over het midden van de schouder en leg de heupgordel strak over uw heupen.

De gordelspanners hebben een lagere activeringsdrempel dan de airbags. Bij lichte aanrijdingen is het mogelijk dat alleen de gordelspanner in werking treedt.

VEILIGHEIDSGORDELS VASTMAKEN

FORD Transit (2008) - VEILIGHEIDSGORDELS VASTMAKEN - 1

Steek de slottong in het gordelslot tot een zachte klik hoorbaar is. U hebt de veiligheidsgordel niet correct bevestigd wanneer u geen klik hoort.

Trek de veiligheidsgordel gelijkmatig uit. Deze kan blokkeren wanneer u hem te snel uittrekt of wanneer de auto op een helling staat.

Druk de rode toets op het gordelslot in om de veiligheidsgordel los te maken. Let de gordel volledig en rustig oprollen.

HOOGTE VAN VEILIGHEIDSGORDELS AFSTELLEN

Veiligheidsgordel, voor

FORD Transit (2008) - HOOGTE VAN VEILIGHEIDSGORDELS AFSTELLEN - 1

Veiligheidsgordel, achter

FORD Transit (2008) - HOOGTE VAN VEILIGHEIDSGORDELS AFSTELLEN - 2

Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel soepel door de geleider glijdt.

GEBRUIK VAN VEILIGHEIDSGORDELS TIJDENS ZWANGERSCHAP

FORD Transit (2008) - GEBRUIK VAN VEILIGHEIDSGORDELS TIJDENS ZWANGERSCHAP - 1

Breng de veiligheidsgordel voor uw eigen veiligheid, maar ook voor dat van uw ongeboren kind op correcte wijze aan. Draag niet alleen de heupgordel of de schoudergordel.

De heupgordel moet comfortabel over de heupen liggen aan de onderzijde van uw zwangere buik. Leg de schoudergordel tussen uw borsten, boven en aan de zijkant van uw zwangere buik.

PASSAGIERSAIRBAG UITSCHAKELEN

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Om het risico van fataal letsel of ernstige verwonding te vermijden, mag NOOIT een kinderzitje achterwaarts op een voorstoel worden geplaatst, tenzij de airbag is UITGESCHAKELD.

AIRBAG OFF ON 2U5A-14B372-AA

E71313

De sleutelschakelaar en de controlelamp 'airbag uitgeschakeld' zijn aangebracht in het instrumentenpaneel.

Wanneer de controlelamp 'airbag uitgeschakeld' op het instrumentenpaneel met onderbrekingen brandt, dan is er sprake van een storing. Neem het kinderveiligheidszitje van de voorstoel. Laat het systeem voor uw eigen veiligheid door een geschoolde monteur controleren. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 52).

Airbag aan passagierszijde uitschakelen

PASS AIRBAG OFF ON A B

E71312

Wanneer een kinderzitje op de voorstoel wordt geplaatst, let er dan op dat de sleutelschakelaar in de stand A staat.

Controleer bij het aanzetten van het contact, of de controlelamp airbag aan passagierszijde uitgeschakeld brandt. Zie Kort overzicht (bladzijde 6).

Airbag aan passagierszijde inschakelen

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

INGESCHAKELD om ervoor te

zorgen dat het veiligheidssysteem

voor volwassenen correct werkt.

Draai, nadat u het kinderzitje van de voorstoel hebt verwijderd, de sleutelschakelaar weer in de stand B.

ALGEMENE INFORMATIE OVER RADIOFREQUENTIES

LET OP

De radiofrequentie van de afstandsbediening kan ook worden gebruikt door andere zenders met een klein bereik (bijvoorbeeld zendamateurs, medische apparatuur, draadloze hoofdtelefoons, afstandsbedieningen en alarmsystemen). Wanneer de frequenties worden gestoord, kunt u geen gebruik meer maken van uw afstandsbediening. U kunt de portieren met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen.

N.B.: U kunt de portieren ontgrendelen wanneer u de toetsen op de afstandsbediening per ongeluk indrukt.

Het bereik tussen uw afstandsbediening en uw auto is afhankelijk van de omgeving.

PROGRAMMEREN VAN DE AFSTANDSBEDIENING

U kunt maximaal acht afstandsbedieningen voor uw auto programmeren (inclusief die met uw auto werd meegeleverd). Vraag uw dealer om instructies.

VERGRENDELEN EN ONTGRENDELEN

Dubbele vergrendeling

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Schakel de dubbele vergrendeling niet in wanneer zich personen of dieren in de wagen bevinden.

Wanneer de dubbele vergrendeling is ingeschakeld kunnen de portieren niet van binnenuit worden ontgrendeld.

Dubbele vergrendeling is een voorziening tegen diefstal die voorkomt dat personen de portieren van binnenuit kunnen ontgrendelen. Alleen wanneer alle portieren zijn gesloten kunnen deze dubbel worden vergrendeld. Wanneer u probeert de dubbele vergrendeling in te schakelen terwijl er nog een portier openstaat, klinkt er een kort claxonsignaal en vergrendelen en ontgrendelen de portiersloten eenmaal. De portiersloten keren in hun oorspronkelijke stand terug.

Wanneer u de portieren met succes dubbel hebt vergrendeld, knipperen de richtingaanwijzers tweemaal. Wanneer de waarschuwingsknipperlichten zijn ingeschakeld, knipperen de richtingaanwijzers tweemaal lang.

Portieren met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen

FORD Transit (2008) - Portieren met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen - 1

flowchart
graph TD
    A["Vehicle Collision"] --> B{Car Collision}
    B -->|A| C["Transmission to Car"]
    B -->|B| D["Transmission to Car"]
    C --> E["Final Suspension"]
    D --> E
    style A fill:#f9f,stroke:#333
    style B fill:#ccf,stroke:#333

E71294

OntgrendelenA

VergrendelenB

Portieren met de sleutel dubbel vergrendelen

Draai de sleutel in de ontgrendelstand en vervolgens in de vergrendelstand om de portieren dubbel te vergrendelen.

Portieren met de afstandsbediening vergrendelen en ontgrendelen
B C A

E71293

VergrendelenA

OntgrendelenB

Laadruimte ontgrendelenC

Druk de betreffende toets eenmaal in.

Portieren met de afstandsbediening dubbel vergrendelen

Druk de vergrendeltoets tweemaal in.

Portieren met de hendels vergrendelen en ontgrendelen
Voorportieren
A MUS-LOCK B C E71286

Wit merktekenA

VergrendelenB

OntgrendelenC

Wanneer u het witte merkteken ziet, is het portier vergrendeld.

Achterdeuren
B A C

E71287

Wanneer u het witte merkteken ziet, is het portier vergrendeld.

Schuifdeur
C A D B C 571000

E71289

Bestelwagen en KombiA

B Bus

VergrendelenC

OntgrendelenD

Dubbele achterdeuren
B A

E71290

BuitenzijdeA

BinnenzijdeB

FORD Transit (2008) - Portieren met de afstandsbediening dubbel vergrendelen - 5

De ontgrendelknop is via de opening aan de onderzijde van de achterklep bereikbaar.

Slagvergrendeling

N.B.: Laat uw sleutels niet in de wagen liggen.

N.B.: U hoort een kort claxonsignaal wanneer u probeert de deuren te vergrendelen terwijl er nog een deur is geopend.

Met behulp van slagvergrendeling kan een portier worden gesloten met de sleutel of de afstandsbediening bij een geopend portier. Het portier wordt vergrendeld als deze wordt gesloten.

N.B.: Uw dealer kan deze functie indien nodig permanent uitschakelen.

De deuren worden automatisch vergrendeld vanaf rijsnelheden van 8 km/h (5 mph). Portieren met de hendel van binnenuit ontgrendelen.

Automatisch opnieuw vergrendelen

De portieren worden automatisch opnieuw vergrendeld wanneer u niet binnen 45 seconden na het ontgrendelen met de afstandsbediening een portier opent. De portieren worden vergrendeld en de alarminstallatie keert terug in de vorige stand.

Een fase ontgrendeling

N.B.: De richtingaanwijzers knipperen eenmaal wanneer u de deuren ontgrendelt.

Indien ingeschakeld, zijn de volgende voorzieningen beschikbaar:

U ontgrendelt alle deuren wanneer u:

  • de hendel aan de binnenzijde uittrekt (behalve wanneer u de deuren dubbel hebt vergrendeld).
  • of de sleutel in een van de deuren draait.
  • druk eenmaal op de ontgrendeltoets op de afstandsbediening.
  • druk de ontgrendeltoets voor de laadruimte op de afstandsbediening eenmaal in (Chassis-cabine).

Wanneer u de achterdeuren of de achterklep en de schuifdeur wilt ontgrendelen, druk dan de ontgrendeltoets van de laadruimte eenmaal in.

Twee fasen ontgrendeling

N.B.: De richtingaanwijzers knipperen eenmaal wanneer u de deuren ontgrendelt.

U ontgrendelt de voorportieren wanneer u:

  • de hendel aan de binnenzijde uittrekt (behalve wanneer u de deuren dubbel hebt vergrendeld).
  • of de sleutel in een van de deuren draait.
  • druk eenmaal de ontgrendeltoets op de afstandsbediening in (Bestelwagen, Bus en Kombi).

U ontgrendelt het bestuurdersportier wanneer u:

- de ontgrendeltoets op de afstandsbediening eenmaal indrukt (Chassis-cabine).

De voorportieren, achterdeuren en de laadruimte worden ontgrendeld als u:

  • de sleutel in één van beide voorportieren tweemaal binnen drie seconden draait.
  • de ontgrendeltoets op de afstandsbediening tweemaal binnen drie seconden indrukt.

Wanneer u bij een bestelwagen de achterdeuren of de achterklep en de schuifdeur wilt ontgrendelen, druk dan de ontgrendeltoets van de laadruimte eenmaal in.

Wanneer u bij wagens met Chassis-cabine het passagiersportier wilt ontgrendelen, druk dan de ontgrendeltoets van de laadruimte eenmaal in.

Zone opnieuw vergrendelen

De sloten van de Bestelwagen, Bus en Kombi zijn onderverdeeld in twee zones, die van de cabine en van de laadruimte. De Chassis-cabine heeft slechts één zone: die van de cabine.

  • Verlaat de wagen en druk op de vergrendeltoets.
  • Druk eenmaal op de ontgrendeltoets of de ontgrendeltoets van de laadruimte om de betreffende zone te ontgrendelen.

Wanneer u nu een deur in de ontgrendelde zone opent, blijven de andere deuren in die zone automatisch vergrendeld.

Programmeerbaar ontgrendelingssysteem

Het programmeerbare ontgrendelingssysteem wordt bij het afleveringsklaarmaken geprogrammeerd. U kunt kiezen welke deuren worden ontgrendeld wanneer u de ontgrendeltoets en de ontgrendeltoets van de laadruimte op de afstandsbediening eenmaal of tweemaal indrukt. Wanneer u deze voorziening hebt gedeactiveerd, kan deze niet meer worden geactiveerd. Raadpleeg uw dealer voor meer informatie.

WERKING

Het immobilisatiesysteem is een diefstalbeveiligingssysteem dat voorkomt dat iemand de motor van uw auto met een onjuist gecodeerde sleutel kan starten.

GECODEERDE SLEUTELS

N.B.: Dek uw sleutels niet met metalen voorwerpen af. Hierdoor kan de ontvanger uw sleutel niet herkennen als geldige sleutel.

N.B.: Wanneer u een sleutel bent verloren, laat dan de code bij al uw overige sleutels wissen. Raadpleeg uw dealer voor meer informatie. Laat de vervangingssleutels samen met uw overige sleutels opnieuw coderen.

Wanneer u een sleutel verliest, kunt u bij uw Ford dealer een vervangingssleutel verkrijgen. Geef, indien mogelijk, uw dealer het sleutelnummer door, dat op het plaatje staat dat met de originele sleutels is geleverd. U kunt ook extra sleutels bij uw Ford dealer verkrijgen.

IMMOBILISATIESYSTEEM INSCHAKELEN

Korte tijd nadat u het contact hebt afgezet wordt het immobilisatiesysteem automatisch ingeschakeld.

De controlelamp in de instrumentengroep knippert ter bevestiging dat het systeem is ingeschakeld.

IMMOBILISATIESYSTEEM UITSCHAKELEN

Het immobilisatiesysteem wordt automatisch uitgeschakeld bij het met een correct gecodeerde sleutel aanzetten van het contact.

De controlelamp in de instrumentengroep brandt ongeveer drie seconden en gaat vervolgens uit. Wanneer de controlelamp langer dan een minuut blijft branden of knipperen en vervolgens met onregelmatige intervallen gaat branden, dan is uw sleutel niet herkend. Neem de sleutel uit het slot en probeer het nogmaals.

Wanneer u de motor met een correct gecodeerde sleutel niet kunt starten, duidt dit op een storing. Laat het immobilisatiesysteem onmiddellijk controleren.

WERKING

Alle uitvoeringen

Wanneer het alarm is geactiveerd, klinkt de alarmclaxon 30 seconden en knipperen de waarschuwingsknipperlichten vijf minuten. Wanneer de oorzaak van het activeren van het alarm niet wordt opgeheven, keert de alarminstallatie in zijn vorige status. Wanneer de oorzaak niet wordt opgeheven, klinkt de alarmclaxon opnieuw.

Wagens met een perimeter alarm

Het perimeter alarm is een afschrikmiddel voor personen die ongeoorloofd de portieren en de motorkap proberen te openen. Het beschermt ook de audio-installatie en de aanhanger (indien een Ford trekhaak is gemonteerd). U kunt de alarminstallatie volledig of gedeeltelijk inschakelen. De aanhangerdetectie wordt uitgeschakeld wanneer u het alarm gedeeltelijk inschakelt.

Het perimeter alarm wordt geactiveerd wanneer iemand:

  • een portier opent.
    • de motorkap opent.
    • probeert de motor te starten met een onjuist gecodeerde sleutel.
    • de audio-installatie verwijdert
  • de stekker van de aanhanger loskoppelt (wanneer deze was aangesloten toen de alarminstallatie werd ingeschakeld).

Uitvoeringen met een categorie 1 alarminstallatie

FORD Transit (2008) - Uitvoeringen met een categorie 1 alarminstallatie - 1

De categorie 1 alarminstallatie is een uitbreiding op het perimeter alarm. Ultrasonische detectie van bewegingen in het interieur beveiligen uw wagen tegen het ongeoorloofd binnengaan van het passagierscompartiment en de laadruimte. U kunt de alarminstallatie geheel of gedeeltelijk inschakelen. De aanhangerdetectie en de beveiliging van het interieur worden uitgeschakeld wanneer u het alarm gedeeltelijk inschakelt. De beveiliging van het interieur wordt niet geactiveerd wanneer u de alarminstallatie bij geopend portier inschakelt.

De categorie 1 alarminstallatie werkt alleen correct wanneer alle ruiten volledig zijn gesloten. Plaats geen voorwerpen vóór de bewegingssensoren.

De categorie 1 alarminstallatie wordt geactiveerd wanneer:

  • beweging wordt geregistreerd in het passagierscompartiment of de laadruimte.
  • iemand tracht de laadruimte binnen te gaan via de achterdeur of de ruit in de achterklep.

ALARM INSCHAKELEN

Perimeter alarm

Twintig seconden nadat u de deuren hebt vergrendeld schakelt de alarminstallatie in. Tijdens deze vertraging kunt u de deuren of de motorkap sluiten zonder het alarm te activeren.

Gedeeltelijke inschakeling

Vergrendel de deuren met de sleutel. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 19).

Volledige inschakeling

Vergrendel de deuren met de afstandsbediening of schakel de dubbele vergrendeling met de sleutel of de afstandsbediening in. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 19).

Categorie 1 alarm

Gedeeltelijke inschakeling

Vergrendel de deuren met de sleutel. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 19).

Volledige inschakeling

N.B.: Schakel de alarminstallatie niet volledig in wanneer zich iemand in de wagen bevindt.

Vergrendel de deuren met de afstandsbediening of schakel de dubbele vergrendeling met de sleutel of de afstandsbediening in. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 19).

ALARM UITSCHAKELEN

Perimeter alarm

Schakel de alarminstallatie en het alarmsignaal uit door de deuren met de sleutel te ontgrendelen, zet het contact met een correct gecodeerde sleutel aan of ontgrendel de deuren met de afstandsbediening. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 19).

Categorie 1 alarm

Schakel de alarminstallatie en het alarmsignaal uit door de deuren met de sleutel via het bestuurdersportier te ontgrendelen en zet het contact binnen 12 seconden met een correct gecodeerde sleutel aan of ontgrendel de deuren met de afstandsbediening. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 19).

STUURWIEL AFSTELLEN

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Verstel nooit het stuurwiel als de auto in beweging is.

N.B.: Controleer of u in de juiste positie zit. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 73).

2 2 1 E95178

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 3

Duw de ontgrendelingshendel helemaal op zijn plaats wanneer u deze weer in de oude stand zet.

AUDIOBEDIENING

Kies de radio, CD of cassette modus op de audio-installatie.

De volgende functies kunnen met de afstandsbediening worden bediend:

Volume
VOICE VOL+ MODE SEEK VOL- E78046

E78046

Hoger volume: druk op de bovenste toets op de achterzijde van de afstandsbediening.

Minder volume: druk op de onderste toets op de achterzijde van de afstandsbediening.

Seek (zoekfunctie)
VOICE VOL+ MODE SEEK VOL- E78047

E78047

Beweeg de hendel naar boven of naar beneden:

  • In de radio modus wordt het eerstvolgende radiostation op een hogere of lagere frequentie opgezocht.
  • In de CD modus wordt het volgende of het vorige nummer gekozen.

Modus
VOICE ♦VOL+ MODE SEEK ♦VOL- F78048

E78048

Druk kort op de toets aan de zijkant:

  • In de radio modus wordt het volgende in het geheugen opgeslagen radiostation opgezocht.
  • In de CD modus wordt de volgende CD gekozen wanneer een CD-wisselaar is gemonteerd.
  • In alle modi om een verkeersbericht te onderbreken.

Druk de toets aan de zijkant in en houd deze ingedrukt:

• In de radio modus om van golflengte te veranderen.

VOORRUITWISSERS
A B C D

E71012

Eenmalig wissenA

Wissen met intervallenB

Normale wissnelheidC

Hoge wissnelheidD

Wissen met intervallen
A B C

E71013

Wissen met lange intervallenA

Wissen met intervallenB

Wissen met korte intervallenC

AUTOMATISCH IN- EN UITSCHAKELENDE RUITENWISSERS

Automatisch wissen
FORD Transit (2008) - AUTOMATISCH IN- EN UITSCHAKELENDE RUITENWISSERS - 1

Schakel de automatische wisfunctie niet bij droog weer in. De regensensor is bijzonder gevoelig en de ruitenwissers kunnen in werking treden indien de voorruit met vuil, mist of vliegen in aanraking komt.

! Vervang de ruitenwisserbladen zodra deze strepen water en vuil op de voorruit achterlaten. Als de ruitenwisserbladen niet worden vervangen, blijft de regensensor continu water op de voorruit waarnemen. Dit heeft tot gevolg dat de ruitenwissers in werking treden terwijl het grootste deel van de voorruit droog is.

Zorg bij vorst dat de voorruit volledig is ontdooit voordat u de automatische wisfunctie selecteert.

Schakel de automatische wisfunctie uit voordat u een wasstraat binnenrijdt.

Wanneer u de automatische wisfunctie inschakelt nadat het contact is aangezet, maken de ruitenwissers een wisbeweging ongeacht of de voorruit droog of nat is. De regensensor meet daarna continu de hoeveelheid water op de voorruit en zal de snelheid van de ruitenwissers automatisch instellen.

Wanneer u het contact aanzet terwijl de automatische wisfunctie al is ingeschakeld, maken de ruitenwissers geen wisbeweging tot de regensensor water op de voorruit detecteert.

A B

E71015

Lage gevoeligheidA

Hoge gevoeligheidB

Stel de gevoeligheid van de regensensor met de draaiknop in. Wanneer u de knop in de stand voor lage gevoeligheid zet, zullen de ruitenwissers in werking treden wanneer de sensor een grote hoeveelheid water op de voorruit registreert. Wanneer u de knop in de stand voor hoge gevoeligheid zet, zullen de ruitenwissers in werking treden wanneer de sensor een kleine hoeveelheid water op de voorruit registreert.

VOORRUITSPROEIERS
FORD Transit (2008) - AUTOMATISCH IN- EN UITSCHAKELENDE RUITENWISSERS - 3

Schakel de ruitenwissers niet langer dan 10 seconden achtereen in of wanneer het reservoir leeg is.

ACHTERRUITWISSERS EN - SPROEIERS

Wissen met intervallen
FORD Transit (2008) - ACHTERRUITWISSERS EN - SPROEIERS - 1

De achterruitwisser volgt de intervallen van de voorruitwissers.

Wissen tijdens achteruitrijden

De achterruitwisser treedt automatisch in werking wanneer de achteruit wordt ingeschakeld en de ruitenwisserschakelaar in stand A, B, C of D staat.

Ruitensproeier, achter
FORD Transit (2008) - Wissen tijdens achteruitrijden - 1

Schakel de achterruitsproeier niet langer dan 10 seconden achtereen in of wanneer het reservoir leeg is.

RUITENWISSERBLADEN CONTROLEREN
FORD Transit (2008) - Wissen tijdens achteruitrijden - 2

Controleer met uw vingertoppen de rubber randen van de ruitenwisserbladen op oneffenheden.

Reinig de ruitenwisserbladen met een in water gedrenkte, zachte spons.

RUITENWISSERBLADEN VERVANGEN
1 2 E93783

FORD Transit (2008) - Wissen tijdens achteruitrijden - 4

Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.

Standen van de lichtschakelaar

B CAF E D

E71094

A Uit

Stads- en achterlichtenB

KoplampenC

Mistlampen, voorD

MistachterlichtenE

ParkeerlichtenF

Parkeerlichten

Zet eerst het contact af.

Beide zijden

Druk de lichtschakelaar in en draai hem in stand F.

Een zijde
A SET RESET MENU B E77368

RechterzijdeA

LinkerzijdeB

Trek de hendel geheel naar het stuurwiel toe om tussen grootlicht en dimlicht te wisselen.

Lichtsignaal

Beweeg de schakelaarhendel naar het stuurwiel.

Home safe verlichting

Schakel de verlichting uit en trek de richtingaanwijzer naar het stuurwiel toe om de koplampen in te schakelen. Er klinkt kort een signaal. Bij een geopende deur gaan de koplampen automatisch na drie minuten uit, of 30 seconden nadat de laatste deur is gesloten.

Wanneer alle deuren zijn gesloten en een deur wordt binnen de 30 seconden vertragingstijd weer geopend, start de tijdschakeling van drie minuten opnieuw.

De home safe functie kan worden uitgeschakeld door hetzij de richtingaanwijzerhendel opnieuw naar het stuurwiel te trekken of door het contact AAN te zetten.

N.B.: Wanneer u de automatisch in-/uitschakelende verlichting hebt ingeschakeld, kunt u alleen het grootlicht inschakelen wanneer de functie de koplampen heeft ingeschakeld.

Afhankelijk van de lichtsituatie worden de koplampen automatisch in- en uitgeschakeld.

VOORSTE MISTLAMPEN
FORD Transit (2008) - Home safe verlichting - 1

Gebruik de mislampen alleen wanneer het zicht ernstig wordt belemmerd door mist, sneeuw of regen.

N.B.: Wanneer de automatische verlichting is ingeschakeld, kunnen de mistlampen, vóór, niet worden ingeschakeld.

MISTACHTERLICHTEN
FORD Transit (2008) - Home safe verlichting - 2

Schakel de mistachterlichten niet in bij regen of sneeuwval en wanneer het zicht meer dan 50 meter aagt.

N.B.: Wanneer de automatische verlichting is ingeschakeld, kunnen de mistachterlichten niet worden ingeschakeld.

U kunt de hoogte van de koplamplichtbundels aanpassen aan de belading van de wagen.

A B 3 2 1 D

E74611

Lichtbundels hogerA Lichtbundels lagerB

Zet de regelknop voor de hoogteregeling van de lichtbundels op nul wanneer de wagen onbeladen is. Stel de lichtbundels zodanig in dat het wegdek tussen 35 en 100 voor u is verlicht wanneer de wagen gedeeltelijk of maximaal is beladen.

Voor locatie: Zie Kort overzicht (bladzijde 6).

RICHTINGAANWIJZERS

SET RESET MENU

E71098

N.B.: Beweeg de richtingaanwijzerschakelaar even omhoog of omlaag om de richtingaanwijzers driemaal te laten knipperen.

Leeslampen - uitvoeringen zonder interieursensoren

C B A E71099

A Aan

B Uit

PortiercontactC

Interieurverlichting zonder schakelaar brandt alleen wanneer de schakelaar op de interieurverlichting voorin in de stand C staat en een deur wordt geopend.

Uitvoeringen met dubbele vergrendeling

Wanneer u de schakelaar in stand C zet, blijft de interieurverlichting korte tijd nadat u de deuren hebt gesloten doorbranden. Bij het aanzetten van het contact gaat het onmiddellijk uit.

Wanneer u het contact afzet, gaat de interieurverlichting branden. Na korte tijd schakelt gaat het automatisch uit.

Wanneer u een deur open laat, gaat de interieurverlichting automatisch na 30 minuten uit. Zet het contact kort aan om het weer in te schakelen.

Leeslampen - uitvoeringen met interieursensoren

A B C

E71945

A Uit

PortiercontactB

C Aan

Wanneer u de schakelaar in stand B zet, gaat de interieurverlichting branden wanneer u een deur of de achterklep ontgrendelt of opent. Wanneer u een deur openlaat, gaat het korte tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt. Zet het contact korte tijd aan om de verlichting weer in te schakelen.

De interieurverlichting gaat ook branden wanneer u het contact afzet. Het gaat korte tijd later automatisch uit of wanneer u de motor start of opnieuw start.

Wanneer u de schakelaar in stand C zet, gaat de interieurverlichting branden. Het gaat korte tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt. Zet het contact korte tijd aan om de verlichting weer in te schakelen.

Leeslampen

保存 保存 关闭

E71946

Wanneer u het contact afzet, gaan de leeslampen korte tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt. Zet het contact kort aan om het weer in te schakelen.

TREDEVERLICHTING

De tredeverlichting wordt automatisch in- en uitgeschakeld wanneer u de deuren opent en sluit. Wanneer u de deuren met de afstandsbediening ontgrendelt gaat de tredeverlichting branden. Het gaat korte tijd later automatisch uit.

GLOEILAMPEN VERVANGEN

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Schakel de verlichting uit en zet het contact af.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 2

Laat de gloeilamp afkoelen voordat u deze verwijdert.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Raak het glas van de gloeilamp niet aan.

FORD Transit (2008) - LET OP - 2

Breng alleen gloeilampen met het juiste vermogen aan. Zie Gloeilampentabel (bladzijde 45).

N.B.: Wanneer de wagen is voorzien van airconditioning raden wij aan uw dealer te vragen of hij de gloeilampen van uw wagen wil vervangen. Sommige gloeilampen zijn moeilijk bereikbaar.

N.B.: U moet de koplamp verwijderen om de gloeilamp van de koplamp, het stadslicht of de richtingaanwijzer te vervangen.

N.B.: De volgende instructies beschrijven hoe de gloeilampen moeten worden verwijderd. Breng de nieuwe gloeilampen in omgekeerde volgorde van verwijderen aan, tenzij anders is voorgeschreven.

Een koplamp verwijderen

2
4
3
2
4
3
2 4 3
2 4 3
2 4 3
2 4 3
2 4 3
2 4 3
2 4 3
2 4 3
2 4 3

  1. Verwijder de koplamp.
  2. Maak de klemmen los.
  3. Verwijder de kap.
  4. Trek de stekker los.
  5. Maak de klem los en verwijder de gloeilamp.

Stadslichten
1 4 3 2 E71060

  1. Verwijder de koplamp.
  2. Verwijder de kap.
  3. Verwijder de gloeilamp en de lamphouder.
  4. Verwijder de gloeilamp.

Richtingaanwijzers, voor
1 3 2 E71061

  1. Verwijder de koplamp.
  2. Draai de lamphouder linksom en verwijder deze.
  3. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.

Mistlampen, voor
FORD Transit (2008) - Een koplamp verwijderen - 3

N.B.: De gloeilamp kan niet uit de lamphouder worden genomen.

  1. Trek de stekker los.

  2. Draai de lamphouder linksom en verwijder deze.

Zijknipperlichten
1 2 3

E71063

  1. Verwijder voorzichtig het huis van het zijknipperlicht.
  2. Pak de lamphouder beet, draai het huis linksom en verwijder het.
  3. Verwijder de gloeilamp.

FORD Transit (2008) - Een koplamp verwijderen - 5

  1. Draai het glas rechtsom en verwijder het.
  2. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.

Zijmarkeringslampen

Chassis Cabine en uitvoeringen met open laadbak en verlengd chassis

FORD Transit (2008) - Zijmarkeringslampen - 1

  1. Trek de stekker los.
  2. Draai de lamphouder linksom en verwijder deze.
  3. Verwijder de gloeilamp.

Jumbo bestelwagen
FORD Transit (2008) - Zijmarkeringslampen - 2

  1. Draai het glas links- of rechtsom en verwijder het.
  2. Verwijder de gloeilamp.

Achterlichtunits
Bus en Kombi
1 2 E71066

A B C D F71067

E71067

Achterlicht en remlichtA

RichtingaanwijzerB

AchteruitrijlampC

MistachterlichtD

  1. Verwijder de vleugelmoeren.
  2. Verwijder de achterlichtunit en maak de lamphouder los.
  3. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.

Chassis Cabine en uitvoeringen met open laadbak
FORD Transit (2008) - Zijmarkeringslampen - 5

  1. Maak de klem los en schuif het kunststof frame naar de zijkant.
  2. Verwijder het glas.
  3. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.

Achterlichten

Uitvoeringen met open laadbak

FORD Transit (2008) - Uitvoeringen met open laadbak - 1

  1. Werk voorzichtig het glas los van de houder.
  2. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.

Derde remlicht

1 2 3

E71071

  1. Verwijder de schroeven.
  2. Verwijder de lamp.
  3. Verwijder de gloeilamp.

Markeringslichten op het dak

1 2 3 E71073

  1. Verwijder de schroeven.
  2. Verwijder het glas.
  3. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.

Kentekenplaatverlichting

Uitvoeringen met dubbele achterdeuren

1 2 E71074

  1. Verwijder het glas.
  2. Verwijder de gloeilamp.

Uitvoeringen met een achterklep

1 2 2 1 1 71075

  1. Verwijder het lampglas.
  2. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.

Uitvoeringen met open laadbak

FORD Transit (2008) - Uitvoeringen met open laadbak - 1

  1. Verwijder het glas.
  2. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.

Interieurverlichting, voor

Uitvoeringen zonder interieursensoren

FORD Transit (2008) - Uitvoeringen zonder interieursensoren - 1

  1. Werk voorzichtig de lamp los.
  2. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.

Uitvoeringen met interieursensoren

FORD Transit (2008) - Uitvoeringen met interieursensoren - 1

  1. Werk voorzichtig de lamp los.
  2. Verwijder het glas.
  3. Verwijder de gloeilamp.

Interieurverlichting, achterin
1 2 E71078

  1. Werk voorzichtig de lamp los.
  2. Verwijder de gloeilamp.

Leeslampen, voor
1 2 E73938

FORD Transit (2008) - Uitvoeringen met interieursensoren - 4

  1. Werk voorzichtig de lamp los.
  2. Draai de lamphouder linksom en verwijder deze.
  3. Verwijder de gloeilamp.

Verlichting

Tredeverlichting
FORD Transit (2008) - Verlichting - 1

  1. Werk voorzichtig de lamp los.
  2. Verwijder de lamphouder.
  3. Verwijder de gloeilamp.

GLOEILAMPENTABEL

Watt (specificatie)Gloeilamp
55/60Grootlicht en dim
5Stadslicht
21Richtingaanwijzer, v
55 (H11)Mistlamp, voor
5Zijknipperlicht
21/5Zijknipperlicht
3Markeringslicht
21/5Rem- en achterlic
Achterlicht - Chassis-cabine en uitvoering met open laadbak10
Remlicht - Chassis-cabine en uitvoering met open laadbak21
21Richtingaanwijzer, a
21Achteruitrijlamp
21Mistachterlicht
4Markeringslicht, ach

Verlichting

Watt (specificatie)Gloeilamp
16Derde remlicht
4Markeringslicht op dak
Kentekenplaatverlichting - uitvoeringen met dubbele achterdeuren5
Kentekenplaatverlichting - behalve uitvoeringen met dubbele achterdeuren10
10Interieurverlichting
10Leeslamp
10Tredeverlichting

ELEKTRISCH BEDIENBARE RUITEN

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Schakel de elektrisch bedienbare ruiten niet in tenzij deze vrij zijn van obstructies.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 2

Zet het contact aan om de elektrisch bedienbare ruiten te openen of te sluiten.

Ruit van bestuurdersportier automatisch openen

Druk de schakelaar tot de tweede aanslag in of til hem tot de tweede aanslag op en laat hem los. Druk hem opnieuw in om de ruit te stoppen.

BUITENSPIEGELS

E71273 A

GroothoekspiegelA

WAARSCHUWING

Vergis u niet in de afstand van voorwerpen die u in de groothoek buitenspiegels ziet. Voorwerpen die u in deze spiegels ziet, zien er kleiner uit en lijken verder weg te zijn dan in werkelijkheid het geval is.

De spiegels vergroten het zicht naar achteren en verkleinen de zogenaamde dode hoek schuin naar achteren.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Zorg ervoor dat de spiegel weer volledig wordt vergrendeld wanneer u deze weer in zijn oorspronkelijke stand terugzet.

De elektrisch bedienbare buitenspiegels zijn voorzien van een verwarmingselement dat het spiegelglas ontdooit en ontwasemt. Zie Klimaatregeling (bladzijde 65).

BINNENSPIEGEL
FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 2

Trek de hendel naar buiten om de ruit te openen. Druk in het midden van de hendel om deze te vergrendelen. Trek in het midden van de hendel om de ruit te sluiten. Druk hem naar achteren tot hij wordt vergrendeld.

METERS

Instrumentengroep - laag uitrustingsniveau
A B C D 60 120 °C 1/2 1/1 3 4 5 6 7 8 100 120 140 60 160 40 180 200 220 G F E

E71334

ToerentellerA

KoelvloeistoftemperatuurmeterB

BrandstofmeterC

SnelheidsmeterD

Terugsteltoets dagtellerE

F Kilometerteller, dagteller, klok, actieradius tot tank leeg en controlelamp niet goed gesloten portier

Insteltoets klokG

Instrumentengroep - hoog uitrustingsniveau
A B C D 60 120 °C 1/2 1/1 3 4 5 6 70 80 100 120 140 90 160° 30° 40° 180° -20° -10° -110° 200° 220° 130° F E

E73043

ToerentellerA

KoelvloeistoftemperatuurmeterB

BrandstofmeterC

SnelheidsmeterD

Waarschuwingslamp berichtE

F Informatiecentrum. Zie Algemene informatie (bladzijde 57).

Koelvloeistoftemperatuurmeter

Toont de temperatuur van de koelvloeistof. Bij normale bedrijfstemperatuur blijft de naald in het middengedeelte.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Start de motor niet voordat de oorzaak voor de oververhitting is verholpen.

Wanneer de naald in de richting van 120 °C beweegt, is de motor oververhit. Zet de motor af, zet het contact af en stel de oorzaak vast zodra de motor is afgekoeld. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 133). Zie Gereduceerd motorvermogen (bladzijde 109).

Brandstofmeter

De pijl naast het symbool van de pomp toont aan aan welke zijde zich de klep van de brandstofvulopening bevindt.

Kilometerteller, dagteller en klok

Instrumentengroep - laag uitrustingsniveau

FORD Transit (2008) - Kilometerteller, dagteller en klok - 1

A Klok en actieradius tot brandstoftank leeg DagtellerB KilometertellerC

De dagteller kan worden gebruikt om de lengte van een bepaald traject te registreren. Druk op de terugsteltoets om de dagteller op nul terug te stellen.

Instrumentengroep, laag uitrustingsniveau

Nadat het contact is aangezet gaan de volgende controlelampen en indicatoren ter bevestiging dat het systeem operationeel is kort branden:

  • ABS
  • Airbag
  • Remblokslijtage
  • Remsysteem

  • Snelheidsregeling
    • Portier niet goed gesloten

  • Motor
    • Regeling voor bergop rijden
  • Contact
    • Laag brandstofpeil
  • Oliedruk
  • Motor
    • Onderhoudsinterval
  • Schakelen
  • Stabiliteitsregelsysteem (ESP) en aandrijfregelsysteem
    • Water in brandstof

Instrumentengroep, hoog uitrustingsniveau

Nadat het contact is aangezet gaan de volgende controlelampen en indicatoren ter bevestiging dat het systeem operationeel is kort branden:

  • ABS
  • Airbag
  • Remblokslijtage
  • Remsysteem
  • Snelheidsregeling
  • Motor
    • Regeling voor bergop rijden
  • Contact
    • Laag brandstofpeil
    • Berichtenindicator
  • Schakelen
  • Stabiliteitsregelsysteem (ESP) en aandrijfregelsysteem
    • Water in brandstof

Indien één van deze waarschuwings- of controlelampen niet brandt nadat het contact is aangezet, duidt dit op een storing. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.

Controlelamp ABS

FORD Transit (2008) - Controlelamp ABS - 1

Wanneer deze lamp tijdens het rijden brandt, duidt dit op een storing. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren. De remmen blijven normaal werken (zonder ABS) maar laat deze storing zo spoedig mogelijk controleren.

Controlelamp airbag

FORD Transit (2008) - Controlelamp airbag - 1

Brandt de controlelamp niet, blijft hij branden, of brandt hij met tussenpozen of continu tijdens het rijden, dan duidt dit op een storing. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.

Controlelamp remblokslijtage

FORD Transit (2008) - Controlelamp remblokslijtage - 1

De controlelamp gaat branden wanneer de remblokken zijn versleten tot een vooraf

vastgestelde grens. Laat dit onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.

Controlelamp remsysteem

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Verlaag geleidelijk uw snelheid. Druk het rempedaal bijzonder voorzichtig in. Druk het rempedaal vooral niet op in.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 2

Wanneer de controlelamp van het remsysteem tijdens het rijden gaat branden, duidt dit op

een storing in één van beide remcircuits. Controleer het remvloeistofniveau. Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 134).

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Laat deze storing onmiddellijk controleren.

Als de controlelamp remsysteem samen met de ABS-controlelamp gaat branden, dan duidt dit op een storing. Breng de wagen zo snel mogelijk tot stilstand wanneer dit veilig kan en laat deze storing controleren voordat u uw reis hervat.

Controlelamp automatische snelheidsregeling

FORD Transit (2008) - Controlelamp automatische snelheidsregeling - 1

De controlelamp gaat branden wanneer u een snelheid heeft ingesteld met behulp van de

snelheidsregeling. Zie Gebruik maken van snelheidsregeling (cruise control) (bladzijde 102).

Richtingaanwijzer

FORD Transit (2008) - Richtingaanwijzer - 1

Knippert bij ingeschakelde richtingaanwijzers. Een plotselinge toename van de

knipperfrequentie duidt op een defecte gloeilamp. Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 37).

Controlelamp portier niet goed gesloten

FORD Transit (2008) - Controlelamp portier niet goed gesloten - 1

De controlelamp gaat branden wanneer u de wagen op contact heeft gezet en de

portieren, de motorkap of de achterklep niet goed zijn gesloten.

Controlelampen motor

Controlelamp motorstoring

FORD Transit (2008) - Controlelamp motorstoring - 1

Controlelamp aandrijflijn

FORD Transit (2008) - Controlelamp aandrijflijn - 1

Alle modelvarianten

Als een van deze lampen gaat branden bij een draaiende motor, dan duidt dit op een storing. De motor blijft draaien maar levert wellicht minder vermogen. Wanneer deze tijdens het rijden knippert, minder dan onmiddellijk snelheid. Blijft de lamp knipperen, vermijd dan snel optrekken en krachtig afremmen. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Laat deze storing onmiddellijk controleren.

Als beide lampen samen gaan branden, breng de wagen dan zo snel mogelijk tot stilstand wanneer dit veilig kan. Doet u dit niet, dan kan dit leiden tot verminderd vermogen en afslaan van de motor. Zet de wagen van contact en probeer de motor te starten. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren als de motor kan worden gestart. Als de motor niet start, moet de wagen worden gecontroleerd alvorens de rit kan worden voortgezet.

Controlelamp mistlampen, vóór

FORD Transit (2008) - Controlelamp mistlampen, vóór - 1

De controlelamp gaat branden wanneer u de mistlampen, vóór inschakelt.

Controlelamp voorgloeien

FORD Transit (2008) - Controlelamp voorgloeien - 1

Zie Een dieselmotor starten (bladzijde 83).

Controlelamp koplampen

FORD Transit (2008) - Controlelamp koplampen - 1

De controlelamp gaat branden wanneer u het dimlicht van de koplamp, de zijlichten of de

achterlichten inschakelt.

Controlelamp regeling voor bergop rijden

FORD Transit (2008) - Controlelamp regeling voor bergop rijden - 1

Onder het rijden brandt deze lamp tijdens activering van het systeem. Als de wagen op

contact is gezet en de controlelamp niet gaat branden, dan geeft dit aan dat het systeem is gedeactiveerd. Uw dealer kan het systeem heractiveren. Tijdens een storing wordt het systeem uitgeschakeld en brandt de controlelamp niet onder het rijden.

Controlelamp laadstroom

Alle modelvarianten

FORD Transit (2008) - Alle modelvarianten - 1

Als de controlelamp brandt onder het rijden, dan duidt dit op een storing. Schakel alle

onnodige stroomverbruikers uit. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.

Controlelamp laag brandstofniveau

FORD Transit (2008) - Controlelamp laag brandstofniveau - 1

Wanneer deze lamp brandt, ga dan zo spoedig mogelijk tanken.

De pijl naast het symbool van de pomp duidt aan aan welke zijde zich de klep van de brandstofvulopening bevindt.

De controlelamp gaat branden wanneer u het grootlicht inschakelt. De lamp knippert

wanneer u een lichtsignaal geeft.

Berichtenindicator

FORD Transit (2008) - Berichtenindicator - 1

De controlelamp gaat branden wanneer een nieuw bericht is opgeslagen in de

informatiedisplay. Zie Infoberichten (bladzijde 59).

Controlelamp oliedruk

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Hervat uw reis niet wanneer de controlelamp oliedruk gaat branden terwijl het oliepeil correct is. Laat het

systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.

FORD Transit (2008) - LET OP - 2

Wanneer de lamp na het starten blijft branden of tijdens het rijden gaat branden, duidt dit op een

storing. Breng de wagen tot stilstand zodra dit veilig kan en zet de motor af.

Controleer het motoroliepeil. Zie

Motorolie controleren (bladzijde 133).

Controlelamp mistachterlicht

FORD Transit (2008) - Controlelamp mistachterlicht - 1

De controlelamp gaat branden wanneer u de mistachterlichten inschakelt.

Controlelamp onderhoudsbeurt

Wagens met een dieselmotor

FORD Transit (2008) - Wagens met een dieselmotor - 1

De controlelamp gaat branden als onderhoud nodig is of er een overmatige hoeveelheid

roetdeeltjes of drab in de olie aanwezig is. Laat de motorolie zo spoedig mogelijk verversen.

Uw dealer schakelt de controlelamp onderhoudsbeurt uit nadat hij de onderhoudsbeurt heeft uitgevoerd.

Controlelamp schakeling

FORD Transit (2008) - Controlelamp schakeling - 1

De controlelamp brandt gedurende een korte periode om aan te geven dat schakelen

naar een hogere versnelling zuiniger is en zorgt voor een lagere CO2-uitstoot. De controlelamp brandt niet tijdens perioden van hoge acceleraties, remmen of intrappen van het koppelingspedaal.

Controlelamp stabiliteitsregeling (ESP) en tractieregeling

N.B.: Wanneer het ESP systeem of het tractieregelsysteem een storing vertoont, schakelt het betreffende systeem automatisch uit.

FORD Transit (2008) - Controlelamp stabiliteitsregeling (ESP) en tractieregeling - 1

De controlelamp gaat branden als een van de systemen is geactiveerd. Wanneer de lamp

niet knippert of tijdens het rijden gaat branden, duidt dit op een storing. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.

Wanneer u het ESP uitschakelt, gaat de controlelamp branden. De lamp gaat uit wanneer u het systeem weer inschakelt of wanneer u het contact afzet.

Wagens met een dieselmotor

FORD Transit (2008) - Wagens met een dieselmotor - 1

De controlelamp gaat branden ingeval van overmatige hoeveelheden water in het

brandstofffilter. Tap het water onmiddellijk af. Zie Water in brandstofffilter aftappen (bladzijde 135).

De gong voor geopend portier klinkt wanneer u het contact aanzet en nog niet alle deuren, de motorkap of de achterklep goed zijn gesloten.

Informatiecentrum

Zie Persoonlijke instellingen (bladzijde 62).

ALGEMENE INFORMATIE

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Stel omwille van de verkeersveiligheid de functies alleen in wanneer de auto stilstaat.

Met het Informatie Centrum en de multifunctionele hendel aan de stuurkolom kunnen verschillende systemen worden geprogrammeerd.

Het Informatie Centrum geeft tevens waarschuwingsberichten over storingen of niet correct werkende systemen. Zie Infoberichten (bladzijde 59).

Hoofdmenu

Overzicht van de schermen van het hoofdmenu
FORD Transit (2008) - Hoofdmenu - 1

flowchart
graph TD
    A["15:04\n15.0° C"] --> B["ACTIERAD. TOT\n200 km:"]
    B --> C["BRANDST.VERBR.\n8.0 I/100"]
    C --> D["GEM. SNELHEID\n87 km/h"]
    D --> E["BUITENTEMP:\nTEMP 15.0 °C°"]
    E --> F["PERS. INSTELL.\nSET/RESET"]

E73982
De diverse submenu's kunnen via het hoofdmenu worden bereikt.

Toetsen
FORD Transit (2008) - Hoofdmenu - 2

E73265
Scroll met de draaiknop door het menu.

FORD Transit (2008) - Hoofdmenu - 3

E73266
N.B.: Indien de geluidssignalen zijn geactiveerd, klinkt telkens wanneer de knop wordt ingedrukt een kort geluidssignaal.
Druk de SET en RESET toets in om een submenu of het item dat u wilt instellen te selecteren.

Kilometerteller
15:04 15.0° 4,7 tocht 000039 km

E73983

Dagteller
15:04 15.0° 4,7 tocht 000039 km

E73984
Druk de SET en RESET toets minimaal twee seconden in om de teller terug te stellen.

Actieradius tot de brandstoftank leeg is
ACTIERAD. TOT LEEG 200 km 4,7 tocht 000039 km

E73985
N.B.: De waarde kan variëren naarmate de rijomstandigheden veranderen.
Duidt bij benadering de afstand aan die nog kan worden afgelegd voordat de tank leeg is.

Gemiddeld brandstofverbruik
BRANDST.VERBR. 8.0 I/100 4,7 tocht 000039 km

E73986
Geeft het gemiddelde brandstofverbruik aan vanaf het moment dat de functie op nul werd teruggesteld.
Druk op de SET en RESET toets om de meter terug te stellen.

Gemiddelde snelheid

Geeft de gemiddelde snelheid weer over de laatste 1.000 kilometer (600 mijl) of vanaf het moment dat de functie op nul werd teruggesteld.

Druk op de SET en RESET toets om de meter terug te stellen.

Buitentemperatuur

BUITENTEMP:
TEMP15,0°
4,7tocht
000039km

E73988

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Zelfs wanneer de temperatuur tot boven +4 °C stijgt, is dit nog geen garantie dat de weg vrij is van ren die door plotselinge sveranderingen kunnen ontstaan.

Een waarschuwingssignaal klinkt bij de volgende weersomstandigheden:

  • +4 °C of lager: waarschuwing voor opvriezen
  • 0 °C of lager: waarschuwing voor ijsvorming

INFOBERICHTEN

Waarschuwingsberichten

Wanneer bepaalde waarschuwingsberichten op het display verschijnen moet u de SET en RESET toets indrukken om de berichten te bevestigen.

60 120 ℃ 4 1/2 1/1 50

E73273

Sommige waarschuwingsberichten worden vergezeld door een waarschuwingslamp boven het display en branden rood of oranje, afhankelijk van de ernst van het probleem.

Wanneer een waarschuwingsbericht wordt vergezeld door een waarschuwingslamp, blijft deze branden.

Berichtenschu-wings-lampBetekenisWaar-
roodMOCTORIGYAN SETORING of gerelateerde systemen. Stop zodra dit veilig kan en zet de motor onmid-dellijk af. Laat de motor door getrainde monteurs controleren.
roodOLIEBILDLAACH het oliepeil. Stop zodra dit veilig kan en zet de motor onmiddellijk af. Vul motorolie bij. ZieMotorolie controleren (bladzijde 133).
roodWATERWEBRANDSTOFandstof gevonden. Laat het brandstofsysteem door getrainde monteurs controleren.
De buitentemperatuur is lager dan 0 °CroodBUITENTEMF
De buitentemperatuur is lager dan +4 °CoranjeBUITENTE
oranjeVEVERROVJALGNDoor getrainde monteurs controleren.
PORT.Controleer of alle portieren goed zijn gesloten.oranjePOR
Het bestuurdersportier is open.oranjeBEST.PORT. OPEN
Het voorportier aan passagierszijde is open.oranjePAS. PO
OPENHet achterportier aan bestuurderszijde is open.oranjeBEST
OPENHet achterportier aan passagierszijde is open.oranjePAS.
De laadruimte of de achterdeur is open.oranjeKOFFERKL
De motorkap is open.oranjeMOTORKAP OPEN
BINNEN xx DAGDuidt aan dat OLEIVERVERDEN ververst.-
OLIEERVERSEN RESET ACTIEF-De aanduiding olie verversen wordt teruggesteld.
OLIEERVERSEN RESET VOLTOOID-Het terugstellen van de aanduiding olie verversen is voltooid.

Infodisplays

Berichtenschu-wings-lampBetekenisWaar-
STOP-*WEKDEWEKESETTJAT af. Zie Persoonlijke instel-lingen (bladzijde 62).

PERSOONLIJKE INSTELLINGEN

Overzicht van de schermen van het hoofdmenu
FORD Transit (2008) - PERSOONLIJKE INSTELLINGEN - 1

flowchart
graph TD
    A["PERS. INSTELL.<br>SET/RESET"] --> B["TAAL NEDERLANDS"]
    B --> C["TIJD INSTELLEN 12:5931"]
    C --> D["WEKKER INST. 12:5931 UIT"]
    D --> E["TIJDSINSTEL. 24 h"]
    E --> F["MAATEENHEDEN METRISCH"]
    F --> G["BERICHT GONG UIT"]
    G --> H["PERS. INSTELL.<br>EXIT"]
    H --> A

E73990

Menu Persoonlijke instellingen
PERS. INSTELL. SET/RESET 4,7 tocht 000039 km

E73989

De volgende submenu's zijn in het Menu Persoonlijke instellingen toegankelijk:

• Taal
• Tijd instellen
- Wekker instellen
• Weergave klok
• Maateenheden
• Gongsignalen bij berichten

Taal instellen
TAAL NEDERLANDS 4,7 tocht 000039 km

E73991

Er kan uit elf talen worden gekozen:

Engels (GB), Duits, Italiaans, Frans, Spaans, Turks, Russisch, Nederlands, Pools, Zweeds, Portugees.

Wanneer u een taal hebt geselecteerd, draai dan de draaiknop om de instelling op te slaan en het menu te verlaten.

Tijd instellen

Zie Klok (bladzijde 78).

Wekker instellen

WEKKER INST.04,08,00 23,59UIT
4,7 tocht000039 km

E74286

  • Druk de SET en RESET toets in en houd ze ingedrukt. De dag begint te knipperen. Met de draaiknop kan de juiste dag worden geselecteerd.
  • Druk de SET en RESET toets in om de instelling te bevestigen en naar de maand te gaan.
    • Ga op dezelfde wijze tewerk om het jaar, de uren en minuten in te stellen.
  • Na het instellen van de minuten en het indrukken van de SET en RESET toets, wordt de tijd in het geheugen opgeslagen.
  • Druk op de SET en RESET toets om de alarminstallatie in of uit te schakelen.

Alarm ingeschakeld

15:04
15.0° C
4,7tocht
000039km

E74287

*WEKKER*RESET V. STO
4,7trip
000039km

E74387

Druk op de SET en RESET toets om de installatie uit te schakelen.

Weergave klok

TIJDSINSTEL.24 h
4,7tocht
000039km

E73995

Druk op de SET en RESET toets om te wisselen tussen 12 en 24 uurs weergave.

Eenheden

Druk op de SET en RESET toets om te wisselen tussen metrische en Engelse eenheden.

Gongsignalen bij berichten

De volgende gongsignalen kunnen worden uitgeschakeld:

• buitentemperatuur 4 °C
• bevestiging tijdinstelling
• SET en RESET toets ingedrukt

Druk op de SET en RESET toets om de gongsignalen in of uit te schakelen.

PERS. INSTELL. ▶-- EXIT --

E73996

Druk op de SET en RESET toetsen om het menu te verlaten.

WERKING

Buitenlucht

Houd de luchtinlaten voor de voorruit vrij van belemmeringen (sneeuw, bladeren, enz.) zodat het klimaatregelsysteem effectief kan werken.

Gerecirculeerde lucht

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Wanneer de luchtrecirculatiestand langdurig wordt ingeschakeld, kunnen de ruiten beslaan. Wanneer de ruiten beslaan, stel dan de standen in om de voorruit te ontdooien en te ontwasemen.

De lucht die zich in het passagierscompartiment bevindt, wordt gerecirculeerd. Er stroomt geen buitenlucht de auto in.

Verwarming

De verwarmingscapaciteit is afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur.

Airconditioning

N.B.: De airconditioning werkt alleen wanneer de temperatuur hoger is dan 4 °C.

N.B.: Wanneer de airconditioning is ingeschakeld, zal het brandstofverbruik hoger zijn.

De lucht wordt door de warmtewisselaar gevoerd, waar deze wordt gekoeld. Om de ruiten wasemvrij te houden wordt vocht aan de lucht onttrokken. Het condens wordt naar buiten afgevoerd en daarom is het normaal dat zich een klein plasje water onder de auto vormt.

Algemene informatie over de klimaatregeling in het interieur

Sluit alle ruiten.

Het interieur verwarmen

Laat de lucht naar de beenruimten stromen. Laat, bij koud of vochtig weer, een geringe hoeveelheid lucht naar de voorruit en de portierruiten stromen.

Het interieur afkoelen

Laat de lucht naar het hoofdniveau stromen.

VENTILATIEROOSTERS

A B F C E D

E71344

Naar linksA

Naar rechtsB

OpenC

DichtD

NeerE

F Op

HANDMATIGE KLIMAATREGELING

Luchtverdeelknop
B C A E65965

HoofdniveauA

BeenruimteB

VoorruitC

N.B.: Een kleine hoeveelheid lucht stroomt altijd naar de voorruit.

Temperatuurregelknop
FORD Transit (2008) - HANDMATIGE KLIMAATREGELING - 2

N.B.: Wanneer u de aanjager uitschakelt kan de voorruit beslaan.

Gerecirculeerde lucht
A B

E65968

Gerecirculeerde luchtA

BuitenluchtB

Voorruit snel ontdooien en ontwasemen
FORD Transit (2008) - HANDMATIGE KLIMAATREGELING - 4

Sluit alle luchtroosters voor maximale luchttoevoer naar de voorruit. Schakel zo nodig de ruitverwarming in. Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 68).

Interieur snel verwarmen
FORD Transit (2008) - HANDMATIGE KLIMAATREGELING - 5

Airconditioning in- en uitschakelen
A B AC D C

E65972

Gerecirculeerde luchtA

BuitenluchtB

Aan en uitC

Koelen met buitenlucht
FORD Transit (2008) - HANDMATIGE KLIMAATREGELING - 7

Interieur snel afkoelen
FORD Transit (2008) - HANDMATIGE KLIMAATREGELING - 8

Voorruit ontdooien en ontwasemen
A

E65975

VoorruitA

Zet de luchtverdeelknop in de stand A en kies toevoer van buitenlucht. Wanneer de temperatuur hoger is dan 4 °C (39 °F), schakelt de airconditioning automatisch in. De controlelamp in de schakelaar brandt in dit geval niet.

Luchtvochtigheid in het interieur verlagen

A O

E65976

VoorruitA

Zet de luchtverdeelknop in de stand A en kies toevoer van buitenlucht. Wanneer de temperatuur hoger is dan 4 °C (39 °F), schakelt de airconditioning automatisch in. De controlelamp in de schakelaar brandt in dit geval niet.

Schakel de ruitverwarming in om de voor- of achterruit te ontdooien of ontwasemen.

N.B.: De ruitverwarming werkt alleen bij een draaiende motor.

Voorruitverwarming

FORD Transit (2008) - Voorruitverwarming - 1

In de elektrisch bedienbare buitenspiegels is een verwarmingselement gemonteerd dat het spiegelglas ontdooit of ontwasemt. Wanneer u de voorruitverwarming of de achterruitverwarming inschakelt, wordt ook de spiegelverwarming ingeschakeld.

EXTRA VERWARMING

Algemene informatie

WAARSCHUWINGEN

Schakel de programmeerbare standverwarming niet in bij tankstations, bij bronnen met brandbare dampen of stoffen of in afgesloten ruimtes.

Tank geen brandstof wanneer het display van de programmeerbare standverwarming is ingeschakeld.

N.B.: De programmeerbare standverwarming schakelt automatisch uit wanneer de accuspanning laag wordt.

N.B.: Alle symbolen op het display knipperen wanneer de stroomtoevoer naar de programmeerbare standverwarming onderbroken is geweest. Onder deze omstandigheden werkt de verwarming niet. Zet het klokje gelijk.

N.B.: De programmeerbare standverwarming schakelt bij storingen uit. Laat het systeem door een deskundige controleren.

Neem de volgende richtlijnen in acht:

  • Schakel de programmeerbare standverwarming het gehele jaar minimaal eenmaal per maand ongeveer tien minuten in. Hierdoor wordt voorkomen dat de vloeistofpomp en de aanjagermotor gaan vastzitten.
  • Om corrosie te voorkomen moet de koelvloeistof in uw auto het gehele jaar door minstens 10 % antivries bevatten.
  • Om luchtbellen te voorkomen moet u ervoor zorgen dat het koelvloeistofpiel zicht tussen het MAX en MIN merkteken op het reservoir bevindt. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 133).
  • De aanjager van de programmeerbare standverwarming wordt ingeschakeld zodra de koelvloeistof een bepaalde temperatuur heeft bereikt. In deze stand heeft de omgevingstemperatuur gaan invloed.
  • Wij continu gebruik van de standverwarming, registreert deze de omgevingstemperatuur. Wanneer deze hoger is dan 5 °C wordt de programmeerbare standverwarming niet ingeschakeld.

De programmeerbare standverwarming werkt onafhankelijk van de verwarming van de auto door het koelvloeistofcircuit van de motor te verwarmen. Hij wordt door de brandstoftank van energie voorzien. U kunt het systeem ook tijdens het rijden gebruiken om het interieur sneller te laten opwarmen.

Het is mogelijk dat bij ingeschakelde programmeerbare standverwarming er uitlaatgassen onder de zijkanten van de auto vrijkomen. Dit is normaal.

Werkingsprincipe

Voor ingebruikneming

LET OP

Wanneer de aanjagerschakelaar in een andere stand dan stand één wordt gezet, heeft dit een kortere levensduur van de accu of zelfs een lege accu tot gevolg.

Voordat de verwarming wordt ingeschakeld of geprogrammeerd moeten de volgende instellingen worden voorbereid:

  • Zet de temperatuurregelknop van het standaard verwarmingssysteem op maximum.
    • Zet de aanjagerschakelaar in stand 1.
  • Schakel voor het afzetten van het contact de recirculatiestand in. Wacht minimaal vijf seconden met het sluiten van de luchtroosters van het ventilatiesysteem.
  • Zet alle luchtroosters in de cabine open.

Instellen van de tijd
A 20:05 B P D

E71347

Druk de toets A langer dan drie seconden ingedrukt en houd hem ingedrukt tot de tijdsaanduiding op het display knippert. Druk de toetsen B en D binnen vijf seconden in om de tijd in te stellen. Houd de betreffende toets ingedrukt om de tijdsaanduiding snel te veranderen.

Verwarmingsduur programmeren
A B 90 P D

E71348

LET OP

De aanbevolen instelling is 30 minuten. Langere tijden verkorten de levensduur van de accu of kunnen zelfs een lege accu tot gevolg hebben.

N.B.: De verwarmingsduur voor van te voren ingestelde tijden en de verwarmingsmodi kunnen voor 10 tot 120 minuten worden ingesteld.

Druk de toets A langer dan drie seconden ingedrukt en houd hem ingedrukt tot de tijdsaanduiding op het display knippert. Wacht vijf seconden tot het verwarmingssymbool verschijnt en de verwarmingsduur knippert.

Druk de toetsen B en D in om de verwarmingsduur in te stellen.

Druk na het instellen van de verwarmingsduur op toets A. Het display geeft nu de tijd weer met een knipperende dubbele punt.

Verwarming uitschakelen

Druk op de toets met het verwarmingssymbool. De verwarming blijft nog drie minuten werken en schakelt vervolgens uit. Het display duidt nu de tijd aan.

Geprogrammeerde verwarmingsmodus

75 P C

E71349

De verwarming kan op elk gewenst moment voor de geprogrammeerde tijdsduur worden ingeschakeld. Druk op toets C. Het display wordt verlicht en toont de resterende verwarmingstijd en het verwarmingssymbool.

Verwarming continu inschakelen

B
7:30 P

C

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Nadat het contact is afgezet blijft de verwarming werken. Schakel de verwarming uit om onnodig armen te voorkomen.

Druk op toets B en houd deze ingedrukt. Druk op toets C. De verwarming werkt nu tot toets C opnieuw wordt ingedrukt. Het display wordt verlicht en toont de tijd en het verwarmingssymbool.

Verwarmingsmodus programmeren

De verwarming schakelt automatisch op de geactiveerde inschakeltijd in en blijft gedurende de geprogrammeerde verwarmingsduur werken. Het display wordt verlicht en toont de resterende verwarmingstijd en het verwarmingssymbool.

U kunt drie verschillende inschakeltijden programmeren.

Inschakeltijden programmeren

A
7:30 P

D
E71351
E71350

Druk toets A meerdere keren in tot het symbool 1, 2 of 3) voor de gewenste inschakeltijd wordt weergegeven. Druk op toetsen B en D om de tijd in te stellen. Houd de betreffende toets ingedrukt om de tijdsaanduiding snel te veranderen.

Druk na het programmeren van de inschakeltijden op toets A. Het display geeft nu de tijd weer met een knipperende dubbele punt.

Geprogrammeerde inschakeltijden activeren/ deactiveren

FORD Transit (2008) - Geprogrammeerde inschakeltijden activeren/ deactiveren - 1

Druk toets A meerdere keren in tot het symbool 1, 2 of 3) voor de gewenste inschakeltijd wordt weergegeven. Druk op toets C. Het ON symbool verschijnt op het display. Druk opnieuw op toets C om de inschakeltijd weer te deactiveren.

DE JUISTE ZITPOSITIE INNEMEN

Max. 30° E68595

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Verstel de stoelen nooit tijdens het rijden.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 2

Alleen wanneer de veiligheidsgordel correct wordt gedragen, kan deze u in een zodanige positie houden e airbag optimaal kan functioneren.

Wanneer u de veiligheidsgordel correct draagt kunnen de stoel, hoofdsteun, veiligheidsgordel en airbags bij een eventuele aanrijding optimaal bescherming bieden. Wij raden aan dat u:

  • zoveel mogelijk rechtop gaat zitten met de onderzijde van uw rug zover mogelijk naar achteren.
    • de rugleuning van de stoel niet meer dan 30 graden achterover kantelt.
  • de hoofdsteun zodanig instelt, dat de bovenzijde gelijkligt met de bovenzijde van uw hoofd. Stel de hoofdsteun zover mogelijk naar voren in, maar u moet comfortabel kunnen zitten.

  • voldoende afstand houdt tussen uzelf en het stuurwiel. minimaal 254 mm (10 inch) tussen uw borstbeen en de kap van de airbag aanhoudt.

  • het stuurwiel met licht gebogen armen vasthoudt.
  • uw benen licht buigt zodat u de pedalen volledig kunt indrukken.
  • de schoudergordel over het midden van uw schouder en de heupgordel strak over uw heupen legt.

Zorg ervoor dat uw zitpositie comfortabel is en dat u de volledige controle over de wagen hebt.

VOORSTOELEN

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Verstel de stoelen nooit tijdens het rijden.

Stoelen naar voren en achteren schuiven

FORD Transit (2008) - Stoelen naar voren en achteren schuiven - 1

Schuif de stoel naar voren en naar achteren nadat u de hendel omhoog hebt getrokken om er zeker van te zijn dat de stoel weer goed is vergrendeld.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Schuif de voorstoelen niet te ver naar het instrumentenpaneel toe. De voorste negen vergrendelingspunten zijn alleen bestemd om de accu toegankelijk te maken.

Lendensteun afstellen
FORD Transit (2008) - LET OP - 2

Hellingshoek van de zitting verstellen
FORD Transit (2008) - LET OP - 3

Hellingshoek van de rugleuning verstellen
FORD Transit (2008) - LET OP - 4

Draai de knop onder de armsteun.

Stoel draaien

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Zorg ervoor dat de stoelen en de rugleuningen goed vastzitten en volledig zijn vergrendeld.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Draai de stoel alleen naar het midden van de auto en niet richting het portier.

FORD Transit (2008) - LET OP - 2

Gebruik tijdens het rijden de achterbank niet als bed.

FORD Transit (2008) - LET OP - 3

Zorg ervoor dat de stoelen en de achterbanken goed vastzitten en volledig zijn vergrendeld.

Een rugleuningdeel naar voren kantelen

FORD Transit (2008) - Een rugleuningdeel naar voren kantelen - 1

Complete rugleuning naar voren kantelen

FORD Transit (2008) - Complete rugleuning naar voren kantelen - 1

Rugleuning naar voren kantelen:

  1. Trek de lussen naar beneden en houd ze in deze stand.

  2. Druk de rugleuning naar voren.

Rugleuning weer in de verticale stand kantelen:

  1. Trek de lussen naar beneden en houd ze in deze stand.
  2. Druk de rugleuning weer in verticale stand.

Zittingen van achterbanken verwijderen

1 2

E68611

FORD Transit (2008) - Zittingen van achterbanken verwijderen - 2

Plug de vrijgekomen boutgaten af wanneer u de banken verwijderd. Dit om te voorkomen dat uitlaatgassen de wagen kunnen binnendringen.

FORD Transit (2008) - Zittingen van achterbanken verwijderen - 3

De achterbank weegt 89 kilogram.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Sla de achterbank op een droge en veilige plaats op.

  1. Rugleuning naar voren klappen
  2. Trek de hendel naar boven en houd hem in deze stand.
  3. Trek voorzichtig de bank naar achteren tot de voorzijde van het frame uit de verankeringen in de vloer loskomt.
  4. Verwijder de bank.

Breng de bank in omgekeerde volgorde aan.

HOOFDSTEUNEN

FORD Transit (2008) - HOOFDSTEUNEN - 1

Hoofdsteun instellen

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Trek de hoofdsteun omhoog wanneer de achterbank door een passagier of voor een kinderzitje t gebruikt.

Stel de hoofdsteun zo in, dat de bovenzijde ervan gelijkligt met de bovenzijde van uw hoofd.

Hoofdsteun verwijderen

Druk de knoppen in en verwijder de hoofdsteun.

VERWARMDE STOELEN

FORD Transit (2008) - VERWARMDE STOELEN - 1

De stoelverwarming bereikt zijn maximum temperatuur na vijf tot zes minuten. Het systeem wordt automatisch uitgeschakeld.

KLOK

Auto's met klok in de audio- of navigatie-unit

Raadpleeg voor gedetailleerde instructies hoe de klok moet worden ingesteld de afzonderlijke handleiding van de audio-unit of de navigatie-unit.

Uitvoeringen met een instrumentengroep van het lage uitrustingsniveau

N.B.: U hooft een kort signaal wanneer de klok is ingesteld.

N.B.: Houd de toets van de klok langer dan een seconde ingedrukt om te wisselen tussen de 12 en 24 uurs modus.

  1. Zet de contactsleutel in stand II.
  2. Houd de toets langer dan drie seconden ingedrukt, tot de tijdsaanduiding op het display gaat knipperen.
  3. Druk de toets in om de tijd in te stellen. Houd de toets ingedrukt om de tijd versneld in te stellen.

Uitvoeringen met een instrumentengroep van het hoge uitrustingsniveau

TIJD INSTELLEN01,01,00 15,03
4,7 tocht000039 km

E73992

  1. Scroll naar dit display. Druk op SET en RESET en houd deze ingedrukt. De dag begint te knipperen. Instellen met de draaiknop.

  2. Druk op de SET en RESET toets om de instelling te bevestigen en ga naar de maand.

  3. Ga op dezelfde wijze te werk voor het instellen van het jaar, de uren en minuten.

Na het instellen en indrukken van de SET en RESET toetsen, worden de tijd en datum opgeslagen.

ZONNEKLEPPEN

FORD Transit (2008) - ZONNEKLEPPEN - 1

Wanneer u het aansluitpunt gebruikt terwijl de motor niet draait, wordt hierdoor de accu ontladen.

FORD Transit (2008) - ZONNEKLEPPEN - 2

Houd het verwarmingselement van de aansteker niet ingedrukt.

N.B.: U kunt het elektrische aansluitpunt gebruiken voor 12 volt accessoires met een maximum vermogen van 20 ampère. Gebruik alleen Ford stekkers of stekkers die geschikt zijn voor gebruik in SAE gestandaardiseerde aansluitingen.

FORD Transit (2008) - ZONNEKLEPPEN - 3

Druk het verwarmingselement in om de aansteker te laten gloeien. Hij springt automatisch in de oorspronkelijke stand terug.

Voor locatie: Zie Kort overzicht (bladzijde 6).

ASBAK

FORD Transit (2008) - ASBAK - 1

Wanneer u het extra elektrische aansluitpunt gebruikt terwijl de motor niet draait, wordt de accu ontladen.

N.B.: Het elektrisch aansluitpunt werkt alleen bij aangezet contact.

N.B.: U kunt het elektrisch aansluitpunt bij afgezet contact gebruiken.

N.B.: U kunt het elektrische aansluitpunt gebruiken voor 12 volt accessoires met een maximum vermogen van 20 ampère. Gebruik alleen Ford stekkers of stekkers die geschikt zijn voor gebruik in SAE gestandaardiseerde aansluitingen.

FORD Transit (2008) - ASBAK - 2

Plaats tijdens het rijden geen hete dranken in de bekerhouders.
Gebruik het tafeltje niet tijdens het rijden.
Plaats geen glazen voorwerpen in de bekerhouders.

DASHBOARDKASTJE
FORD Transit (2008) - ASBAK - 3

U kunt het handschoenenkastje als dossierkast gebruiken.

OPBERGRUIMTES

Opbergruimte boven de voorruit
FORD Transit (2008) - OPBERGRUIMTES - 1

Plaats geen zware voorwerpen in de opbergruimte boven de voorruit.

Opbergvak op dashboard
FORD Transit (2008) - OPBERGRUIMTES - 2

Plaats geen glazen voorwerpen in de flessenhouder.

AANSLUITING AUXILIARY INGANG (AUX IN)

Zie de afzonderlijke audiohandleiding.

FORD Transit (2008) - AANSLUITING AUXILIARY INGANG (AUX IN) - 1

Zet, wanneer de temperatuur lager dan -20 °C is, het contact minimaal één seconde aan voordat u de motor start. Hierdoor zorgt u ervoor dat de maximale benzinedruk wordt opgebouwd voordat de motor wordt gestart.

Auto's met handgeschakelde versnellingsbak

N.B.: Druk het gaspedaal niet in.

  1. Druk het koppelingspedaal volledig in.
  2. Start de motor.

Uitvoeringen met automatische transmissie

N.B.: Raak het gaspedaal niet aan.

  1. Schakel park of neutral in.
  2. Druk het rempedaal volledig in.
  3. Start de motor.

Alle modelvarianten

Wacht even wanneer de motor niet binnen 15 seconden aanslaat en probeer het nogmaals.

Wanneer de motor na drie startpogingen nog niet is aangeslagen, wacht dan tien seconden en ga te werk zoals is beschreven onder Verzopen motor.

Wanneer het starten problemen oplevert bij temperaturen onder -25 °C, druk dan het gaspedaal 1/4 tot 1/2 van de pedaalslag in en probeer het opnieuw.

Verzopen motor

Auto's met handgeschakelde versnellingsbak

  1. Druk het koppelingspedaal volledig in.
  2. Druk het gaspedaal volledig in en houd het ingedrukt.
  3. Start de motor.

Uitvoeringen met automatische transmissie

  1. Schakel park of neutral in.
  2. Druk het gaspedaal volledig in en houd het ingedrukt.
  3. Druk het rempedaal volledig in.
  4. Start de motor.

Alle modelvarianten

Slaat de motor niet aan, herhaal dan de startprocedure zoals beschreven onder Koude of warme motor.

Stationair toerental na het starten

Het stationaire toerental waarmee de motor direct na het aanslaan draait is afhankelijk van de motortemperatuur.

Wanneer de motor koud is, wordt het stationaire toerental automatisch verhoogd om de katalysator zo snel mogelijk op temperatuur te brengen. Hierdoor wordt de uitlaatgasemissie van de auto tot een absoluut minimum beperkt.

Het stationaire toerental neem langzaam af tot normaal zodra de katalysator opwarmt.

EEN DIESELMOTOR STARTEN

Koude of warme motor

Alle modelvarianten

N.B.: Wanneer de temperatuur lager is dan -15 °C, mag u de startmotor 25 seconden achtereen inschakelen. Wanneer de auto frequent wordt gebruikt bij dergelijk lage temperaturen raden wij aan een verwarmingselement in het motorblok te laten monteren.

N.B.: Schakel de startmotor in tot de motor aanslaat.

N.B.: U kunt de startmotor per startpoging slechts maximaal 30 seconden inschakelen.

N.B.: Als motor na een aantal pogingen niet start, dan gaat de motorcontrolelamp branden. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 52). De motor mag pas na 30 minuten opnieuw worden gestart om beschadiging van de startmotor te voorkomen.

FORD Transit (2008) - Alle modelvarianten - 1

Zet het contact aan en wacht tot de controlelamp van het voorgloeisysteem uitgaat.

Auto's met handgeschakelde versnellingsbak

N.B.: Druk het gaspedaal niet in.

  1. Druk het koppelingspedaal volledig in.
  2. Start de motor.

Uitvoeringen met automatische transmissie

  1. Selecteer park of neutral.
  2. Druk het rempedaal volledig in.
  3. Start de motor.

MOTOR UITSCHAKELEN

Auto's met turbocompressor

LET OP

Zet de motor niet af wanneer deze met een hoog toerental draait. Als de motor bij een hoog toerental wordt afgezet, zal de turbocompressor nog draaien nadat de oliedruk al tot nul is gedaald. Dit heeft vroegtijdige slijtage van de compressorlagers tot gevolg.

Laat het gaspedaal los. Wacht tot de motor stationair draait en zet de motor af.

VEILIGHEIDSMAATREGELEN

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Stop met tanken nadat het vulpistool voor de tweede keer is afgeslagen. Alle brandstof die u dan nog toevoegt vult de expansieruimte in de brandstoftank, hetgeen er toe kan leiden dat de brandstof overstroomt. Het morsen van brandstof kan gevaarlijk zijn voor andere weggebruikers.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 2

Vermijd open vuur of hittebronnen in de nabijheid van het brandstofsysteem. Het brandstofsysteem staat onder druk. Wanneer het brandstofsysteem lekt, bestaat het gevaar van verwonding.

BRANDSTOFKWALITEIT - BENZINE

N.B.: Gebruik uitsluitend brandstof van hoge kwaliteit zonder additieven of andere toevoegingen.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Gebruik geen gelode benzine of benzine met additieven die andere metallische bestanddelen (bijv. op ngaan gebaseerd) bevat. Deze kunnen emissiesysteem beschadigen.

Gebruik ongelode benzine met een minimum octaangetal van 95 die voldoet aan de specificatie EN 228, of een equivalent.

BRANDSTOFKWALITEIT - DIESEL

N.B.: Gebruik uitsluitend brandstof van hoge kwaliteit zonder additieven of andere toevoegingen.

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Meng de dieselolie niet met olie, benzine of andere vloeistoffen. Deze kunnen een chemische reactie orzaken.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Voeg geen kerosine, paraffine of petroleum aan de dieselolie toe. Deze kunnen het brandstofsysteem chadigen.

N.B.: Wij raden het langdurig gebruik van additieven af die vlokvorming moeten voorkomen.

Gebruik dieselolie die voldoet aan de specificatie EN 590, of een equivalent.

Rijden met een auto met katalysator

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Zorg ervoor dat u de tank niet leeg rijdt.

FORD Transit (2008) - LET OP - 2

Schakel de startmotor niet langdurig achtereen in.

FORD Transit (2008) - LET OP - 3

Laat de motor niet met een losgekoppelde bougiekabel draaien.

FORD Transit (2008) - LET OP - 4

Sleep of duw de auto niet aan. Gebruik hulpstartkabels. Zie Gebruik van startkabels

(bladzijde 141).

FORD Transit (2008) - LET OP - 5

Zet het contact tijdens het rijden niet af.

Parkeren

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Parkeer uw auto niet boven droge bladeren of gras. Na het afzetten van de motor straalt het uitlaatsysteem nog gedurende enige tijd veel warmte uit. Hierdoor ontstaat het gevaar van brand.

TANKKLEP

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Voorkom dat tijdens het tanken brandstof wordt gemorst, die zich in het vulpistool bevindt.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 2

Wij raden aan minimaal 10 seconden te wachten alvorens het vulpistool uit de vulbuis te halen, zodat alle achtergebleven brandstof in de brandstoftank kan stromen.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Wanneer u een hogedrukspuit gebruikt om uw auto te wassen, spuit dan kort op de brandstofvulklep af een afstand van niet minder dan 20 timeter (8 inch).

N.B.: Het is normaal dat een sissend geluid hoorbaar is wanneer u de tankdop opent.

FORD Transit (2008) - LET OP - 2

Probeer niet de motor te starten wanneer u de tank met de onjuiste brandstofsoort hebt gevuld. Hierdoor de motor worden beschadigd. Laat systeem onmiddellijk door een schoolde monteur controleren.

BRANDSTOFVERBRUIK

De CO2 waarden en de brandstofverbruikcijfers zijn afgeleid van laboratoriumtests volgens EEC richtlijn 80/1268/EEC en aanvullingen daarop. Deze richtlijnen worden door alle automobielfabrikanten aangehouden.

Deze gegevens zijn bedoeld voor het vergelijken van merken en modellen. Ze zijn niet bedoeld als weergave van het werkelijke brandstofverbruik van uw wagen. Het werkelijke brandstofverbruik wordt door vele factoren bepaald, waaronder de rijstijl, rijden met hoge snelheden, starten/stoppen, gebruik van de airconditioning, de gemonteerde accessoires, rijden met een aanhanger, enz.

Uw Ford dealer dient u gaarne van advies hoe u het brandstofverbruik kunt verlagen.

Brandstofverbruikscijfers

VariantStadsver-keerBuitenwegGecombi-neerdCO2-emissie
I/100 km (mpg)I/100 km (mpg)I/100 km (mpg)g/km
Tourneo 2,2 I DuraTorq-TDCi 62,5 kW (85 pk), asreductie: 4.232017,6 (37,2)6,6 (
Tourneo 2,2 I DuraTorq-TDCi 81 kW (110 pk), asre-ductie: 4.232017,6 (37,2)6,6 (
Tourneo 2,2 I DuraTorq-TDCi 96 kW (130 pk), asre-ductie: 4.542077,8 (36,0)6,7 (
Kombi 2,2 I DuraTorq-TDCi 62,5 kW (85 pk), asre-ductie: 4.239,1 (31,0) - 9,2 (30,7)6,4 (44,1) - 6,5 (43,5)7,4 (38,2) - 7,5 (37,7)195 - 198
Kombi 2,2 I DuraTorq-TDCi 81 kW (110 pk), asreductie: 4.239,1 (31,0) - 9,2 (30,7)6,4 (44,1) - 6,5 (43,5)7,4 (38,2) - 7,5 (37,7)195 - 198
Kombi 2,2 I DuraTorq-TDCi 11 kW (110 pk), asreductie: 4.549,1 (31,0) - 9,2 (30,7)6,7 (42,2) - 6,8 (41,5)7,6 (37,2) - 7,7 (36,8)200 - 203
VariantStadsver-keerBuitenwegGecombi-neerdCO2-emissie
I/100 km (mpg)I/100 km (mpg)I/100 km (mpg)g/km
Kombi 2,2 | DuraTorq-TDCi 96 kW (130 pk), asreductie: 4,54 tot T3009,6 (29,4) - 9,7 (29,1)6,5 (43,5) - 6,6 (42,8)7,6 (37,0) - 7,7 (36,5)202 - 204
Kombi 2,2 | DuraTorq-TDCi 96 kW (130 pk), asreductie: 4,54 T330 en hoger9,4 (30,1) - 9,5 (29,7)6,7 (42,2) - 6,8 (41,5)7,7 (36,7) - 7,8 (36,2)203 - 206
Kombi 2,4 | DuraTorq-TDCi 74 kW (100 pk), asreductie: 4.7811,1 (25,5) - 11,3 (25,0)7,3 (38,7) - 7,7 (36,7)8,7 (32,5) - 9,0 (31,3)230 - 238
Kombi 2,4 | DuraTorq-TDCi 74 kW (100 pk), asreductie: 5.1111,8 (23,9) - 12,2 (23,2)7,8 (36,2) - 8,2 (34,5)9,3 (30,5) - 9,7 (29,2)245 - 255
Kombi 2,4 | DuraTorq-TDCi 85 kW (115 pk), asreductie: 3,73 - handgeschakelde 6-versnellingsbak10,4 (27,2) - 10,6 (26,7)7,1 (39,8) - 7,3 (38,7)8,3 (34,0) - 8,5 (33,2)220 - 225
Kombi 2,4 | DuraTorq-TDCi 85 kW (115 pk), asreductie: 4,27 - handgeschakelde 6-versnellingsbak12,2 (23,2) - 12,6 (22,4)7,7 (36,7) - 7,9 (35,8)9,4 (30,2) - 9,6 (29,3)247 - 254
Kombi 2,4 | DuraTorq-TDCi 103 kW (140 pk), asre-ductie: 3,73 - handgeschakelde 6-versnellingsbak11,2 (25,2) - 11,4 (24,8)7,2 (39,2) - 7,6 (37,2)8,7 (32,6) - 9,0 (31,4)229 - 238
Kombi 2,4 | DuraTorq-TDCi 103 kW (140 pk), asre-ductie: 4,27 - handgeschakelde 6-versnellingsbak12,4 (22,8) - 12,8 (22,1)7,7 (36,7) - 8,1 (34,9)9,4 (30,0) - 9,8 (28,7)249 - 260
Kombi 3,2 | DuraTorq-TDCi, asreductie: 3.58209 - 3419,8
Kombi 3,2 | DuraTorq-TDCi, asreductie: 4.10222 - 38010

Schakel de achteruit niet in wanneer de wagen in beweging is. Dit kan de transmissie beschadigen.

N.B.: Druk het koppelingspedaal geheel in en wacht drie seconden voordat u de achteruit inschakelt.

De achteruit inschakelen

Auto's met een 5-versnellingsbak

1 3 5 2 4 R ↓ 1 3 5 2 4 R E68298

Auto's met een 6-versnellingsbak

1 2 R 1 3 5 2 4 6 R 1 3 5 2 4 6

E68299

AANDRIJVING OP ALLE WIELEN (AWD)

LET OP

Uitvoeringen met vierwielaandrijving moeten worden gesleept met ALLE wielen op het wegdek of ALLE wielen van het wegdek. Zie Bergen van de auto (bladzijde 124).

De vierwielaandrijving waarmee bepaalde uitvoeringen met achterwielaandrijving zijn uitgerust, is puur mechanisch en brengt automatisch het aandrijfkoppel over naar de voorwielen wanneer het wegdek glad is geworden door regen, sneeuw, ijs, enz.

Tijdens het rijden en activering van het systeem brandt de controlelamp AWD. Als de lamp niet brandt of voortdurend brandt tijdens het rijden, dan duidt dit op een storing. Bij storingen schakelt het systeem uit. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.

Wanneer vierwielaandrijving niet langer noodzakelijk is, schakelt het systeem automatisch uit en treedt de normale achterwielaandrijving weer in werking.

WERKING

Schijfremmen

Natte remschijven hebben een lagere wrijvingscoëfficiënt. Druk na het verlaten van een wasstraat het rempedaal even voorzichtig in om de waterfilm op de remschijven te laten verdampen.

ABS

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

ABS is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn oplicht om tijdens het rijden zichtig en oplettend te zijn.

Het ABS voorkomt dat de wielen blokkeren, zelfs tijdens krachtig remmen, waardoor de auto in noodsituaties volledig bestuurbaar en stabiel blijft.

TIPS VOOR RIJDEN MET ABS

Wanneer het ABS in werking is, pulseert het rempedaal. Dit is normaal. Blijf het rempedaal indrukken.

Het ABS voorkomt geen gevaren die ontstaan wanneer:

  • u te weinig afstand ten opzichte van voor u rijdend verkeer houdt.
    • de auto te maken krijgt met aquaplaning.
    • u bochten te snel neemt.
    • het wegdek slecht is.

PARKEERREM

Handrem aantrekken

FORD Transit (2008) - Handrem aantrekken - 1

Controleer of de handrem is aangetrokken voordat u de hefboom vrijzet.

N.B.: Druk de knop niet in wanneer u de handrem aantrekt.

  1. Druk het rempedaal stevig in.
  2. Trek de handremhefboom zo ver mogelijk naar boven.

Op een helling parkeren

Wanneer u op een helling moet parkeren met de voorzijde van de wagen hellingopwaarts, schakel dan de eerste versnelling in en draai dan de voorwielen van de trottoirband af. Wanneer u op een helling moet parkeren met de voorzijde van de wagen hellingafwaarts, schakel dan de achteruit in en draai dan de voorwielen naar de trottoirband toe.

Handrem vrijzetten

  1. Druk het rempedaal stevig in.
  2. Trek de handremhefboom lichtjes aan, druk de knop in en druk de hefboom naar beneden.

WERKING

Elektronisch Stabiliteits Programma (ESP)

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

ESP houdt niet in dat u niet langer voorzichtig en aandachtig hoeft te rijden.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 2

flowchart
graph TD
    A["A"] --> B1["B"]
    B1 --> B2["B"]
    B2 --> B3["B"]
    B3 --> A2["A"]
    A2 --> B4["B"]
    B4 --> B5["B"]
    style A fill:#fff,stroke:#000
    style B fill:#ccc,stroke:#000
    style B2 fill:#ccc,stroke:#000
    style B3 fill:#ccc,stroke:#000
    style A4 fill:#fff,stroke:#000
    style A3 fill:#fff,stroke:#000
    style A1 fill:#fff,stroke:#000
    style B1 fill:#ccc,stroke:#000
    style B2 fill:#ccc,stroke:#000
    style B4 fill:#ccc,stroke:#000
    style B5 fill:#ccc,stroke:#000

E72903

zonder ESPA

met ESPB

Het ESP ondersteunt de stabiliteit van de auto wanneer deze dreigt uit te breken. Dit wordt bewerkstelligd door de wielen afzonderlijk af te remmen en door het motorkoppel zo nodig te verlagen.

Het systeem zorgt ook voor een betere tractieregeling door het motorkoppel te verlagen wanneer de wielen bij het accelereren beginnen door te spinnen. Het verbetert de mogelijkheden om op gladde of losse oppervlakken te kunnen optrekken en het verbetert het comfort door wielspin in haarspeldbochten te beperken.

Controlelamp Elektronisch Stabiliteits Programma (ESP)

De controlelamp ESP knippert wanneer het systeem wordt geactiveerd. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 52).

Noodremassistent

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

De noodremassistent is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens den voorzichtig en oplettend te zijn.

De noodremassistent kan een noodstopsituatie herkennen aan de snelheid waarmee u het rempedaal indrukt. Hij zorgt voor een maximale remdruk zolang het rempedaal wordt ingedrukt. De noodremassistent kan de remweg in kritieke situaties reduceren.

Houd bij een snelheid van 60 km/u (37 mph) de schakelaar gedurende één seconde ingedrukt. Het lampje in de schakelaar gaat branden.

N.B.: Wanneer u het systeem uitschakelt, treedt dit tijdelijk opnieuw in werking wanneer het rempedaal wordt ingedrukt en de wagen slipt. De ESP controlelamp knippert in een dergelijk geval.

N.B.: Wanneer u het systeem uitschakelt, dan wordt het systeem automatisch geheractiveerd als de snelheid hoger is dan 60 km/u (37 mph).

Druk de schakelaar opnieuw in om het systeem in te schakelen. Telkens wanneer u het contact aan zet wordt het systeem automatisch ingeschakeld.

Voor locatie: Zie Kort overzicht (bladzijde 6).

WERKING

De Hill Launch Assist (HLA) maakt het eenvoudiger op te trekken wanneer de wagen op een helling staat zonder dat het noodzakelijk is gebruik te maken van de parkeerrem.

Wanneer de HLA actief is, blijft de wagen nadat u het rempedaal hebt losgelaten twee tot drie seconden op de helling stilstaan. Gedurende deze tijd heeft u de tijd om uw voet van het rempedaal te halen, het gaspedaal in te drukken en op te trekken. De remmen worden automatisch gelost zodra de motor voldoende vermogen heeft opgebouwd om weg te rijden. Zo wordt voorkomen dat de wagen op een helling kan terugrollen. Dit is een voordeel wanneer u op een helling moet optrekken, bijvoorbeeld vanaf een helling van een parkeerplaats, bij verkeerslichten of tijdens het achteruit tegen een helling inparkeren.

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

De HLA vervangt niet de parkeerrem. Trek altijd de handrem aan en schakel de eerste versnelling of de achteruit in wanneer u de auto verlaat.

GEBRUIK VAN HLA

De HLA wordt automatische geactiveerd als de wagen op een helling van meer dan 4% wordt stilgezet. De HLA werkt als de auto met de neus bergaf staat gericht met ingeschakelde achteruitversnelling.

De HLA activeren

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Wanneer u de HLA eenmaal hebt geactiveerd moet u in de wagen blijven.

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

De HLA is alleen actief als de groene HLA-lamp in het instrumentenpaneel brandt. U blijft te allen tijde verantwoordelijk voor het besturen van de wagen en het zo nodig in en uitschakelen van de HLA.

U kunt de HLA alleen inschakelen wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • De motor loopt.
  • Alle portieren (inclusief laaddeuren) zijn volledig gesloten.
    • De parkeerrem is volledig losgezet.
    • Er geen sprake is van storingen.

Activeren van de HLA:

  1. Trap het rempedaal en het koppelingspedaal in om de wagen volledig stil te zetten. Houd het rempedaal en het koppelingspedaal ingetrapt.

  2. Als de sensor registreert dat de wagen op een helling staat, dan wordt de HLA automatisch geactiveerd en gaat de groen HLA-lamp in het instrumentenpaneel branden.

  3. Wanneer u uw voet van het rempedaal neemt, blijft de wagen gedurende ongeveer twee tot drie seconden op de helling staan zonder achteruit te rollen. Deze periode wordt automatisch verlengd als u bezig bent weg te rijden.

  4. Rij weg op de normale manier. De remmen worden automatisch gelost.

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Als het motortoerental te hoog wordt opgejaagd of als een storing wordt geregistreerd bij een actieve

HLA, dan wordt de HLA gedeactiveerd en dooft de groene HLA-lamp.

De HLA uitschakelen

Voer een van de volgende handelingen uit om de HLA te deactiveren:

  • Trek de handrem aan.
  • Open een willekeurig portier (inclusief de laaddeuren).
  • Rij weg de helling op zonder de handrem aan te trekken.
  • Wacht twee tot drie seconden tot de HLA automatisch deactiveert.
  • Als de HLA is geactiveerd in een vooruitversnelling, selecteer dan de achteruitversnelling.
  • Als de HLA is geactiveerd in de neutrale versnelling, laat dan het koppelingspedaal los.
  • Als de HLA is geactiveerd in een achteruitversnelling, selecteer dan de neutrale versnelling.

De groene HLA-lamp wordt gedoofd.

HLA deactiveren

Uw dealer kan indien nodig de HLA permanent deactiveren.

WERKING

Het tractieregelsysteem verbetert de tractie wanneer een wiel doorspint bij snelheden tot 40 km/h (25 mph).

Wanneer een wiel begint door te spinnen wijzigt het tractieregelsysteem de druk naar de remklauw van dat wiel tot het stopt met doorspinnen.

GEBRUIK MAKEN VAN AANDRIJFREGELING (TRACTION CONTROL)

Het traction control systeem is operationeel wanneer u het contact aanzet.

De controlelamp van het traction control systeem knippert wanneer het systeem in werking is. Geef rustig gas tot het doorspinnende wiel weer grip heeft.

Het traction control systeem schakelt tijdelijk uit wanneer het buitensporig vaak binnen een korte tijd wordt ingeschakeld. Dit is normaal en heeft geen invloed op het remsysteem.

Bij uitgeschakeld ESP blijft het traction control systeem werken. De controlelamp in de instrumentengroep knippert in dit geval niet.

WERKING

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Ondanks de parkeerhulp bent u verplicht voorzichtig en aandachtig te rijden.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Bij zware regenval of andere omstandigheden waardoor verstorende reflecties ontstaan is het gelijk dat de sensoren bepaalde rwerpen niet 'zien'.

FORD Transit (2008) - LET OP - 2

De sensoren kunnen voorwerpen met een oppervlak de ultrasone geluidsgolven absorberen niet 'zien'.

FORD Transit (2008) - LET OP - 3

De sensoren kunnen voorwerpen die zich dicht bij de auto bevinden (ca. 30 centimeter aan de achterzijde en en of onder de sensoren) niet 'zien'.

FORD Transit (2008) - LET OP - 4

Wanneer u een hogedrukspuit gebruikt om uw auto te wassen, spuit dan kort op de sensoren vanaf een and van niet minder dan 20 timeter (8 inch).

N.B.: Wanneer de parkeerhulp een signaal registreert dat op dezelfde frequentie wordt uitgezonden als de sensoren gebruiken, of wanneer de auto maximaal is beladen, kan een vals signaal worden gegeven.

N.B.: De buitenste sensoren kunnen de zijnmuren van een garage detecteren. Wanneer de afstand tussen de buitenste sensor en de muur gedurende drie seconden constant blijft, wordt het akoestisch signaal uitgeschakeld. Wanneer u doorrijdt, kunnen de binnenste sensoren objecten achter de auto detecteren.

GEBRUIK MAKEN VAN DE PARKEERHULP

180 cm 180 cm E71358

LET OP

De parkeerhulp kan een naderhand gemonteerde trekhaak detecteren. De parkeerhulp duidt alleen de afstand tussen de bumper en het obstakel aan, niet de afstand tussen de trekhaak en het obstakel.

N.B.: Houd de sensoren vrij van vuil, ijs en sneeuw. Reinig de sensoren niet met scherpe voorwerpen.

Bij aangezet contact wordt de parkeerhulp wordt automatisch geactiveerd bij het inschakelen van de achteruit.

U hoort een onderbroken signaal wanneer de afstand tussen de achterbumper en een obstakel 180 cm bedraagt. Wanneer de afstand kleiner wordt, volgen de signalen elkaar sneller op. Wanneer de afstand 40 cm of minder bedraagt is het signaal ononderbroken.

N.B.: Wanneer u drie seconden lang een hoge pieptoon hoort, duidt dit op een storing. Het systeem schakelt bij storingen automatisch uit. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren.

WERKING

De camera is een visueel hulpmiddel bij achteruitrijden.

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

De camera is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Wanneer u een hogedrukspuit gebruikt om uw wagen te wassen, spuit dan kort op de camera vanaf afstand van niet minder dan 20 timeter.

FORD Transit (2008) - LET OP - 2

Oefen geen druk op de camera uit. De positie en de hoek van de camera wordt automatisch gewijzigd.

N.B.: Houd de camera vrij van vuil, ijs en sneeuw. Reinig de camera niet met scherpe voorwerpen, ontvetter, was of organische producten. Gebruik alleen een zachte doek.

Tijdens de bediening worden in de display hulplijnen weergegeven die de route van de wagen en de geschatte afstand vanaf voorwerpen aan de achterzijde voorstellen.

De bediening van de achteruitkijkcamera varieert afhankelijk van de buitentemperatuur, de rij-omstandigheden van de wagen en het type weg.

FORD Transit (2008) - LET OP - 3

De in de display weergegeven afstanden kunnen verschillen van de werkelijke afstand.

FORD Transit (2008) - LET OP - 4

Plaats geen voorwerpen voor de camera.

Achteruitkijkcamera

A B C

E95058

Display achteruitkijkcameraA

Achteruitkijkcamera - achterklepB

Achteruitkijkcamera - laaddeurC

Achteruitkijkcamera activeren

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Het kan voorkomen dat de camera voorwerpen die zich te dicht bij de wagen bevinden niet kan registreren.

Schakel de achteruitversnelling in met ingeschakeld contact. De afbeelding wordt op het scherm weergegeven.

De camera werkt wellicht niet correct onder de volgende omstandigheden:

• Donkere gebieden.
- Fel licht.

  • Als de buitentemperatuur snel toe- of afneemt.
  • Als de camera nat is (bijvoorbeeld tijdens regen of een hoge vochtigheid).
  • Als het zicht van de camera is geblokkeerd (bijvoorbeeld door modder).

Display gebruiken

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Voorwerpen boven de camera worden niet weergegeven.

Controleer indien nodig het gebied achter de auto.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Markeringen worden alleen gebruikt als algemene richtlijn en worden berekend voor auto's met een imale belading op een egaal wegdek.

N.B.: Bij achteruitrijden met een aanhanger geven de lijnen op het scherm de autorichting aan en niet de richting van de aanhanger.

De lijnen geven een geprojecteerde route van de auto en de afstand vanaf de buitenspiegels en de achterbumper aan.

E D C B A A E100159

A Speling buitenspiegel - 0,1 meter 0,5 meterB 1 meterC

2 meterD

3 meterE

Achteruitkijkcamera in- en uitschakelen

FORD Transit (2008) - Achteruitkijkcamera in- en uitschakelen - 1

Druk op toets A om het systeem handmatig uit te schakelen.

N.B.: De toets werkt alleen als de achteruitversnelling is ingeschakeld en de auto op contact staat.

Achteruitkijkcamera deactiveren

N.B.: Schakel een vooruitversnelling in. De display blijft een korte periode aan alvorens deze wordt uitgeschakeld.

WERKING

Met cruise control (automatische snelheidsregeling) kunt u met behulp van de schakelaars op het stuurwiel de rijsnelheid instellen. Cruise control werkt vanaf snelheden van 30 km/h.

GEBRUIK MAKEN VAN SNELHEIDSREGELING (CRUISE CONTROL)

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Schakel onder drukke verkeersomstandigheden, op trajecten met veel bochten en op le wegen cruise control niet in.

Cruise control inschakelen
FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 2

E75456
N.B.: Het systeem is gereed op de snelheid in te stellen.

Snelheid instellen
FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 3

Druk de schakelaar in om de huidige snelheid op te slaan en aan te houden. De controlelamp van de cruise control gaat branden. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 52).

Ingestelde snelheid veranderen

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Wanneer u een heuvel afrijdt, kan de snelheid hoger worden dan de ingestelde snelheid. Het systeem stelt niet de remmen in werking. Schakel terug en druk op de SET- schakelaar om het systeem te helpen de ingestelde snelheid te handhaven.

N.B.: Wanneer u het gaspedaal indrukt, verandert de ingestelde snelheid niet. Wanneer u het gaspedaal loslaat, gaat de auto weer met de eerder ingestelde snelheid rijden.

ES ET1 - A B E95393

Accelereren (versnellen)A Decelereren (vertragen)B

Ingestelde snelheid uitschakelen
FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 3

Druk het rempedaal of de RES schakelaar in.

N.B.: Het systeem regelt niet langer de rijsnelheid. De controlelamp van de cruise control gaat niet branden, maar de laatst ingestelde rijsnelheid blijft in het geheugen opgeslagen.

Ingestelde snelheid opnieuw inschakelen
E75453

De controlelamp van de cruise control gaat branden en het systeem zal proberen de auto met de eerder door u ingestelde snelheid te laten rijden.

Cruise control uitschakelen
FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 5

De eerder door u ingestelde snelheid blijft niet in het geheugen opgeslagen. De controlelamp van de cruise control gaat niet branden.

WERKING

Toerentalbegrenzer

Het toerental van de motor wordt begrensd om beschadigingen te voorkomen.

Snelheidsbegrenzer

De snelheidsbegrenzer voorkomt dat u sneller dan de geprogrammeerde snelheid rijdt. Raadpleeg voor meer informatie de tabel op de zonneklep aan bestuurderszijde.

Uitvoeringen met een dieselmotor

U kunt de topsnelheid van uw wagen op een bepaalde waarde begrenzen, vooropgesteld dat deze binnen de wettelijke normen valt. Raadpleeg uw dealer voor meer informatie.

ALGEMENE INFORMATIE

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Gebruik bevestigingsriemen die voldoen aan een norm, bijv. DIN.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 2

Zorg ervoor dat alle losse voorwerpen goed zijn vastgezet.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 3

Plaats bagage en ander voorwerpen zo laag mogelijk en zo ver mogelijk naar voren in de geruimte of de laadruimte.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 4

Rijd niet met geopende achterklep of achterdeur. Uitlaatgassen kunnen de auto worden binnengezogen.

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Overschrijd niet de maximum voor- en achterasbelasting voor uw auto. Zie Voertuigidentificatie

(bladzijde 165).

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 2

Zware ladingen bestemd voor de passagiersruimte moeten worden geplaatst op een neergeklapte erbank (zie de afbeelding). Zie terbank (bladzijde 75).

BEVESTIGINGSPUNTEN VOOR LADING

N.B.: Het aantal ladingsteunen kan afhankelijk van de uitvoering van de wagen variëren.

Transport

Lading bevestigen
FORD Transit (2008) - Transport - 1

Er is geen dakbelasting toegestaan bij busmodellen met een lange wielbasis, enkellucht, 13, 14 of 15

stoelen en een 200 pk dieselmotor.

FORD Transit (2008) - Transport - 2

Er is geen dakbelasting toegestaan bij busmodellen met een lange wielbasis, enkellucht, 13, 14 of 15

stoelen en een 140 pk dieselmotor met aandrijving op alle wielen (AWD).

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Wanneer u een imperiaal gebruikt, kan het brandstofverbruik van uw auto hoger zijn en kan de akteristiek anders zijn.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 2

Wanneer u een imperiaal aanbrengt, lees dan de instructies van de fabrikant en volg deze op.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Overschrijd de maximale asbelasting niet. Zie Voertuigidentificatie (bladzijde 165).

FORD Transit (2008) - LET OP - 2

Overschrijd de maximaal toegestane dakbelasting van 100 kg, of 50 kg voor Euroline en Nugget voertuigen, usief de imperiaal) niet.

Controleer de bevestiging van de de imperiaal als volgt:

• voordat u vertrekt
- na 50 kilometer (30 mijl) te hebben gereden
• met intervallen van 1.000 kilometer (600 mijl).

Uitvoeringen met een nooduitgang

Zie Nooduitgang (bladzijde 110).

TREKKEN VAN EEN AANHANGER

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Overschrijd het maximum toelaatbare totaalgewicht en het aanhangergewicht dat op het

identificatieplaatje van de wagen staat niet. Zie Voertuigidentificatie (bladzijde 165).

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 2

Rijd niet sneller dan 90 km/h (55 mph) wanneer u met een beladen aanhanger van meer dan 2.000 kg

rijdt.

N.B.: Niet alle wagens zijn geschikt of goedgekeurd voor een trekhaak. Controleer daarom eerst bij uw dealer.

Plaats de lading zo laag mogelijk en midden op de as(sen) van de aanhanger. Wanneer u met een onbeladen wagen rijdt, moet de lading in de aanhanger zover mogelijk naar de aanhangerkoppeling worden geschoven, omdat dit voor de beste stabiliteit zorgt. Overschrijd de maximum toelaatbare kogeldruk niet.

N.B.: De maximum kogeldruk kunt u vinden op het plaatje met gegevens op de trekhaak.

De stabiliteit van de wagen-aanhanger combinatie is vooral afhankelijk van de kwaliteit van de aanhanger.

Het maximum toelaatbaar wagengewicht en het aanhangergewicht geven de technische eisen weer, die worden gesteld voor hellingen tot 12 % en bij hoogten van 1.000 meter boven de zeespiegel. In bergachtige streken worden de prestaties van de motor door de lagere luchtdruk nadelig beïnvloed. Daarom gelden de volgende beperkingen:

In bergachtige streken moet vanaf hoogten van 1.000 meter het maximum toelaatbaar gewicht voor iedere 1.000 meter met 10% worden verlaagd.

Steile hellingen

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Houd er rekening mee dat de oplooprem van een aanhanger geen deel uitmaakt van het okkeersysteem van de wagen.

Schakel terug voordat u een steile afdaling bereikt.

INRIJDEN

Banden

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Nieuwe banden hebben een inlooptijd van ongeveer 500 kilometer (300 mijl). Gedurende deze periode kan de auto een andere rijkarakteristiek vertonen.

Remmen en koppeling

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Vermijd indien mogelijk het intensief gebruik van de remmen en de koppeling gedurende de eerste 150 kilometer (100 mijl) in de stad en gedurende de eerste 1.500 kilometer (1.000 mijl) op snelwegen.

Motor

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Rijd de eerste 1.500 kilometer (1.000 mil) niet te snel. Varieer uw snelheid en schakel tijdig op. Laat de motor zwoegen.

GEREDUCEERD MOTORVERMOGEN

Uw wagen kan zonder de motor te beschadigen korte tijd doorrijden wanneer de motor oververhit is. De motor levert dan minder vermogen. De afstand die u kunt afleggen is afhankelijk van de buitentemperatuur, de belading van de wagen en het omgeving waarin u rijdt.

Wanneer de naald naar het bovenste gebied beweegt, is de motor oververhit. Zie Meters (bladzijde 50).

Wanneer de temperatuur blijft stijgen zorgt het systeem ervoor dat de brandstoftoevoer naar de motor wordt gereduceerd. De airconditioning (indien gemonteerd) wordt uitgeschakeld en de koelventilateur wordt ingeschakeld.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Wordt te lang doorgereden, dan neemt de motortemperatuur nog verder toe en zal de motor volledig den uitgeschakeld.

  • Breng uw auto tot stilstand zodra dit kan.
  • Zet onmiddellijk de motor af om ernstige beschadiging te voorkomen.
    • Laat de motor eerst afkoelen.
  • Controleer het koelvloeistofpeil. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 133).
  • Laat de auto onmiddellijk door een deskundige controleren.

EERSTEHULPSET

Bus

Voor een EHBO-doos is ruimte onder de stoel op de tweede rij.

Gesloten bestelwagen, Kombi, Chassis Cabine, uitvoering met open laadbak

Voor de gevarendriehoek is ruimte in het opbergvak op het portier aan bestuurderszijde.

GEVARENDRIEHOEK

In de kaartenbak op het bestuurdersportier bevindt zich een ruimte voor het opbergen van een gevarendriehoek.

NOODUITGANG

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Zorg ervoor dat de imperiaal en de lading erop de nooduitgang niet afdekken. Vraag uw dealer voor

advies over imperiaals die voor uw wagen geschikt zijn.

Breek in geval van nood het glas met de hamer.

ONDERBREKINGS- SCHAKELAAR BRANDSTOFTOEVOER

FORD Transit (2008) - ONDERBREKINGS- SCHAKELAAR BRANDSTOFTOEVOER - 1

Wanneer u een ongeluk of een lichte aanrijding hebt gehad (bijv. tijdens het parkeren ergens tegenaan gereden) kan de veiligheidsschakelaar te brandstoftoevoer onderbreken. De schakelaar bevindt zich op het zijpaneel voor het passagiersportier.

Veiligheidsschakelaar terugstellen

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Stel de veiligheidsschakelaar niet terug wanneer u brandstof ruikt of ziet weglekken.

  • Contact afzetten.
  • Controleer het brandstofsysteem op lekkage.
  • Druk de bovenzijde van de schakelaar in om deze terug te stellen.

  • Zet het contact aan en zet na een paar seconden de contactsleutel in stand I.

  • Controleer het brandstofsysteem opnieuw op lekkage.

COMPONENTEN VAN VEILIGHEIDSSYSTEEM INSPECTEREN

Veiligheidsgordels

Veiligheidsgordels die zijn belast ten gevolge van een aanrijding moeten worden vervangen en de verankeringen worden gecontroleerd. Deze werkzaamheden moeten door een correct hiertoe opgeleide monteur worden uitgevoerd.

PLAATSEN ZEKERINGENHOUDERS

Stuur rechts
A D C B

E70864

Stuur links
C B D A

E91162

Voorschakel-zekeringkastA Standaard relaiskastB

C Aansluitkast in passagierscompartiment Aansluitkast in motorruimteD

Voorschakel-zekeringkast Bestuurdersstoel
E70866 1 2

Standaard relaiskast
2 2 1 E70869

3 4 3 E70868

Aansluitkast aan passagierszijde

E70869 1 2 2 2

3 3 4 E70870

N.B.: Tijdens het aanbrengen moet een klik hoorbaar zijn bij het laten aangrijpen van beide klemmen.

Voor locatie: Zie Onderhoud (bladzijde 126).

EEN ZEKERING VERVANGEN

WAARSCHUWINGEN

Wijzig de elektrische installatie van uw auto op geen enkele wijze. Laat reparaties aan de elektrische installatie en het vervangen van relais en zekeringen voor hoge stroomsterktes door goed getrainde monteurs uitvoeren.

Zet het contact af en schakel alle elektrische onderdelen uit voordat u probeert een zekering te vervangen of deze aanraakt.

LET OP

! Vervang een doorgeslagen zekering door een exemplaar met hetzelfde vermogen.

N.B.: U kunt een doorgeslagen zekering herkennen aan de gebroken smeltdraad.

N.B.: Alle zekeringen, behalve zekeringen voor hoge stroomsterktes, zijn zogenaamde steekzekeringen.

SPECIFICATIE-OVERZICHT ZEKERINGEN

Voorschakel-zekeringkast

1 R1 2 3 4 5 6 7 9 10 8

E70871

Beveiligde circuitsKleurAmpèreZekeri
Startmotor en dynamogrijs3501

Zekeringen

Beveiligde circuitsKleurAmpèreZek
geel602Voeding aansluitkast passagierszijde - start-relevant
blauw1003Voeding aansluitkast motorcompartiment - niet startrelevant
Voorruitverwarming, rechterzijdegroen404
blauw1005Voeding standaard relaiskast - niet startrelevant
Voorruitverwarming, linkerzijdegroen406
geel607Voeding aansluitkast passagierszijde - niet startrelevant
Aansluitpuntgeel608
Aansluitpuntgeel609
Aansluitpuntgeel6010
Geschakelde circuitsRelais
Onderbrekingsschakelaar accuR1

Zekeringen

Beveiligde circuitsKleurAm
Koelventilateurgeel6011
roze3012Voeding trekhaak entrekhaakmodule(KL30)
1340groenPomp van ABS enESP
Wordt niet gebruikt--14
Gloeibougiesgeel6015
geel6016Relais contactslot(KL15 #3
Vrijgave startmotorroze3017
groen4018Voeding ontsteking(KL15) naar aansluit-kast passagierszijde
Wordt niet gebruikt--19
rood1020ABS, ESP, sensorstuurhoek, voedinggiersensor (KL30)

Zekeringen

Beveiligde circuitsKleur4
naturel2521Kleppen en regeleenheid ABS en ESP
Voedingsrelais PCMgeel20
Wordt niet gebruikt--23
24 Dieselgeel20Extra verwarming,programmeerbarestandverwarming
24 Benzinegeel20Benzinepomp
bruin525Door accu gevoederelaisspoelen
Spanning PCMblauw1526
277,5bruinControle gloeibougie
28 Dieselbruin5T-MAF sensor
28 Benzineblauw15Controlesysteemkatalysator en lamb-dasondes
bruin529Sensor water inbrandstof (alleendiesel), voedingrelaisspoelen
rood1030Sonische ontlucht-klep, inspuitventielen(alleen benzine)
bruin531Rijsnelheidsensor
32 Dieselgeel20Gloeibougieverdamper
32 Benzinegeel20Ontstekingsmodulebobine op bougie
rood1033Achteruitrijlampen
geel2034Voeding trekhaak(KL15)

Zekeringen

Beveiligde circuitsKleurAm
bruin535Extra verwarming (KL15)
rood1036Koppeling van compressor airconditioning
bruin537Door contactslot gevoede relaisspoelen, PCM ontsteking, contact-sleutel
Geschakelde circuitsRelais
GloeibougiesR2
Wordt niet gebruiktR3
Vrijgave startmotorR4
Voeding (KL15 #4)R5
Voeding (KL15 #3)R6
R7 dieselGloeibougie verdamper
R7 benzineBenzinepomp
Voeding computer motorregelingR8
Wordt niet gebruiktR9
Solenoïde van compressor airconditioningR10

Standaard relaiskast
38 39 40 41 42 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 61 62 R11 R12 R13 R14 R15 R16 R17 R18 R19 R21 R22 R23 R24 R25 R26 F70873

E70873

Beveiligde circuitsKleurAmpèreZek
Achterruitwissergeel2038
Bediening airconditioning voor en achterrood1039
Voeding relaisspoelenbruin540
Tachograafbruin541
bruin542Hoogteregeling koplamplichtbundels, hoofdlichtschakelaar (KL15)
Verwarmbare voorstoelengeel2043
Claxongeel2044
geel2045Extra voedingspunt voorzijde
rood1046Verwarmbare buitenspiegels, indien CAT 1 gemonteerd

Zekeringen

Beveiligde circuitsKleurAmpèr
Aanstekergeel2047
bruin548Voeding relaisspoelen, elektrisch bedienbare buitenspiegels
Extra voedingspunt achterzijdegeel2049
Grootlicht, linksrood1050
Grootlicht, rechtsrood1051
Dimlicht, linksrood1052
rood1053Dimlicht, rechts
3054rozeVoorgeschakelde zekering voor dimlicht, grootlicht, verlichting overdag, tachograaf, aanjager van standverwarming
4055groenAanjagermotor
geel2056Elektrisch bedienbare ruiten
3057rozeAanjagermotor, achter
3058rozeRuitenwissermotor, voor
3059rozeAchterruitverwarming, verwarmbare buiten- spiegels
60Wordt-niet gebruikt-
geel6061Relais contact (KL15 #1)
geel6062Relais contact (KL15 #2)
RelaisGeschakelde circuits
R11Dimlicht
R12Verwarmbare buitenspiegels (indien CAT 1 alarm is gemonteerd)
R13Grootlicht
ClaxonR14
R15Verlichting overdag
R16Programmeerbare standverwarming

Zekeringen

Geschakelde circuitsRelais
R17Verwarmbare achterruiten en verwarmbare buitenspiegels (of achterruitverwarming, links, indien CAT 1 alarm is gemonteerd)
R18Achterruitverwarming, rechts (indien CAT 1 alarm is gemonteerd)
Voeding (KL15 #2)R19
Gereserveerd voor bijzondere toepassingenR20
Voeding (KL15 #1)R21
Voorruitverwarming, rechterzijdeR22
Ruitenwissers, voor, hoge en lage wissnelheidR23
AchterruitwisserR24
Ruitenwissers voor, aan en uit functieR25
Voorruitverwarming, linkerzijdeR26

Aansluitkast aan passagierszijde

63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82

E70874

Beveiligde circuitsKleurAmpè
Parkeerhulp achter, regensensorbruin563
Sensor gaspedaalgrijs264
Remlichtschakelaarblauw1565
bruin566Instrumentengroep, voeding PATS, tacho-graaf, schakelaar instrumentenverlichting
Sproeierpompblauw1567
Regeleenheid veiligheidssysteemrood1068
Schakelaar buitenverlichting (KL15)geel20
70geel20Alarmclaxon met eigen accu
71bruin5Schakelaar buitenverlichting (KL30)
rood1072Voeding accusaver, OBDII (KL30)
blauw1573Voeding radio, navigatiesysteem en telefoon
bruin574Instrumentengroep, schakelklok standver-warming, voeding keyless entry systeem,sensor interieuralarm (KL30)
7,575bruinStadslicht, rechts
Stadslicht, linksbruin7,576
bruin577Voeding contactslot, verbreekschakelaaraccuvoeding relaisspoelen
blauw1578Centrale vergrendeling
7,579bruinKentekenplaatverlichting, zijmarkering
blauw1580Mistlampen, vóór
81rood10Mistachterlichten
382violetVoedingsspanning audiosysteem en instru-mentenpaneel

reZeker

Extra zekeringen

PlaatsBeveiligde ci
rood1083TrekhaakmoduleBeenruimte aan linkerzijde

SLEEPPUNTEN
A B C

E71361

Sleepoog, voorA

B Sleepoog, achter (Bestelwagen, Bus, Kombi)

C Sleepoog, achter (Chassis Cabine en uitvoering met open laadbak)

AUTO OP VIER WIELEN SLEPEN

Alle uitvoeringen

WAARSCHUWINGEN

Zet het contact aan wanneer uw auto wordt gesleept. Bij afgezet contact treedt het stuurslot in werking en werken de richtingaanwijzers en de remlichten niet.

De rem- en stuurbekrachtiging werken niet, tenzij de motor draait. Druk het rempedaal harder in en houd rekening met langere remafstanden en een zwaarder draaiend stuurwiel.

LET OP

Te veel spanning op de sleepkabel kan schade toebrengen aan uw en aan de trekkende wagen.

! Bevestig aan het voorste sleepoog geen sleepstang.

Trek rustig en soepel zonder rukken op.

Wagens met automatische transmissie

LET OP

Sleep uw wagen niet met snelheden hoger dan 50 km/h (30 mph) of over afstanden van meer dan 50 km (30 mijl).

Wanneer uw wagen met snelheden boven 50 km/h (30 mph) en over afstanden van meer dan 30 miles (40 mijl) moet worden gesleept, moet hij worden getransporteerd terwijl alle vier wielen vrij zijn van het wegdek.

Bij een mechanisch defect aan de transmissie moeten de aangedreven wielen worden opgehesen zodat deze vrij zijn van het wegdek.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Sleep uw wagen niet achterwaarts.

FORD Transit (2008) - LET OP - 2

Zet de versnellingsbak in neutraal wanneer uw auto wordt gesleept.

AUTO OP VIER WIELEN SLEPEN - AWD

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Zet het contact aan wanneer uw auto wordt gesleept. Bij afgezet contact treedt het stuurslot in

werking en werken de richtingaanwijzers en de remlichten niet.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 2

De rem- en stuurbekrachtiging werken niet, tenzij de motor draait.

Druk het rempedaal harder in en houd rekening met langere remafstanden en een zwaarder draaiend stuurwiel.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Te veel spanning op de sleepkabel kan schade toebrengen aan uw en aan de trekkende wagen.

FORD Transit (2008) - LET OP - 2

Bevestig aan het voorste sleepoog geen sleepstang.

FORD Transit (2008) - LET OP - 3

Bij een mechanische storing aan de transmissie van uw wagen moet deze worden gesleept met ALLE

wielen op het wegdek of met ALLE wielen van het wegdek.

Trek rustig en soepel zonder rukken op.

ALGEMENE INFORMATIE

Wanneer u uw auto regelmatig laat onderhouden zal dit de betrouwbaarheid en de inruilwaarde ten goede komen. Er staat een groot netwerk van Ford Erkende Reparateurs ter beschikking die u met hun professionele expertise ter zijde kunnen staan. De speciaal opgeleide monteurs zijn het best gekwalificeerd om het onderhoud aan uw auto snel en vakkundig uit te voeren. Bovendien beschikken zij over gereedschappen en apparatuur die speciaal zijn ontwikkeld om het onderhoud aan uw auto uit te voeren.

Naast het normale onderhoud raden wij aan de volgende extra controles uit te voeren.

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Zet het contact af voordat u onderdelen aanraakt of probeert af te stellen.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 2

Raak onderdelen van het elektronisch ontstekingssysteem bij aangezet contact of draaiende

motor niet aan. Het systeem werkt met hoogspanning.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 3

Zorg dat uw handen en kledingstukken niet met de koelventilateur in aanraking kunnen

komen. Onder bepaalde omstandigheden kan de koelventilateur na het afzetten van de motor nog enkele minuten blijven doordraaien.

Dagelijkse controles

  • Buitenverlichting.
    • Interieurverlichting.
    • Waarschuwings- en controlelampen.

Controles bij het tanken

• Motoroliepeil. Zie Motorolie controleren (bladzijde 133).
- Remvloeistofpeil. Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 134).
- Peil van de ruitensproeiervloeistof. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 136).
- Bandenspanning (in koude toestand). Zie Velgen en banden (bladzijde 149).
• Staat van de banden. Zie Velgen en banden (bladzijde 149).

Maandelijkse controles

  • Koelvloeistofpeil (bij koude motor). Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 133).
  • Slangen, leidingen en reservoirs op lekkage.
    • Vloeistofpeil stuurbekrachtiging. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 135).
    • Werking van de airconditioning.
    • Werking van de parkeerrem.
    • Werking van de claxon.
    • Vastzitten van de wielmoeren. Zie Velgen en banden (bladzijde 149).

DE MOTORKAP OPENEN EN SLUITEN

Motorkap openen
2 1 3 Ford E72108

4 5

E72109

Motorkap sluiten

N.B.: Zorg dat de motorkap goed wordt gesloten.

Laat de motorkap zakken en vanaf een hoogte van 20 - 30 cm dichtvallen.

OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,3 L DURATEC-HE (MI4)

A B C D E GHIJ F

E70606

A Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 134).
B Motorlievuldop. Zie Motorolie controleren (bladzijde 133).
C Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 134).
D Plus aansluiting accu (voor aansluiten van hulpstartkabels). Zie Accu van de auto (bladzijde 141).
E Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 133).
F Reservoir ruitensproeiervloeistof. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 136).
G Aansluitkast in motorcompartiment. Zie Zekeringen (bladzijde 112).

H Reservoir stuurbekrachtiging. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 135).

I Oliepeilstaaf. Zie Motorolie controleren (bladzijde 133).

1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke herkenning.

OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,2 L DURATORQ-TDCI (PUMA) DIESEL

A B C D E GHIJ F

E70605

A Waterafscheider brandstofffilter (auto's met stuur links). Zie Water in brandstofffilter aftappen (bladzijde 135).

A Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 134).

B Motorolievuldop. Zie Motorolie controleren (bladzijde 133). Luchtfilter.C
D Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 134).
D Waterafscheider brandstofffilter (auto's met stuur rechts). Zie Water in brandstofffilter aftappen (bladzijde 135).
E Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 133).
F Reservoir ruitensproeiervloeistof. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 136).
G Aansluitkast in motorcompartiment. Zie Zekeringen (bladzijde 112).
H Plus aansluiting accu (voor aansluiten van hulpstartkabels). Zie Accu van de auto (bladzijde 141).
I Oliepeilstaaf. Zie Motorolie controleren (bladzijde 133).
J Vloeistofreservoir stuurbekrachtiging Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 135).

OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,4 L DURATORQ-TDCI (PUMA) DIESEL /3.2 L DURATORQ-TDCI (PUMA) DIESEL

A B C D E GHIJ F

E70607

A Waterafscheider brandstofffilter (auto's met stuur links). Zie Water in brandstofffilter aftappen (bladzijde 135).
A Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 134).
B Motoroliepeilstaaf 1 . Zie Motorolie controleren (bladzijde 133).
C Motorolievuldop 1 . Zie Motorolie controleren (bladzijde 133).
D Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 134).
D Waterafscheider brandstofffilter (auto's met stuur rechts). Zie Water in brandstofffilter aftappen (bladzijde 135).
E Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 133).

F Reservoir ruitensproeiervloeistof. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 136).

G Aansluitkast in motorcompartiment. Zie Een zekering vervangen (bladzijde 114).

H Plus aansluiting accu (voor aansluiten van hulpstartkabels). Zie Gebruik van startkabels (bladzijde 141).

I Luchtfilter. Reservoir stuurbekrachtiging. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 135). Luchtfilter.J

1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke herkenning.

OLIEPEILSTAAF - 2,3 L DURATEC-HE (MI4)
A B E92036 A MIN B MAX

OLIEPEILSTAAF - 2,2 L DURATORQ-TDCI (PUMA) DIESEL
A B E90983 A MIN B MAX

OLIEPEILSTAAF - 2,4 L DURATORQ-TDCI (PUMA) DIESEL /3.2 L DURATORQ- TDCI (PUMA) DIESEL

A B

E71362

A MIN
B MAX

MOTOROLIE CONTROLLEREN

LET OP

Gebruik geen additieven of andere smeermiddelen. Onder bepaalde omstandigheden kunnen deze de motor beschadigen.

N.B.: Het olieverbruik van nieuwe motoren bereikt zijn normale waarde na ongeveer 5.000 kilometer (3.000 mijl).

Het oliepeil controleren

LET OP

! Controleer of het peil tussen de MIN en MAX merktekens staat.

N.B.: Controleer het peil voordat de motor wordt gestart.

N.B.: De wagen moet op een vlakke ondergrond staan.

N.B.: Bij verwarming zet olie uit. Daardoor kan het oliepeil enkele millimeters boven het MAX merkteken staan.

Verwijder de oliepeilstaaf en veeg deze met een schone, niet pluizende doek schoon. Breng de oliepeilstaaf weer aan en verwijder hem opnieuw om het oliepeil te controleren.

Wanneer het peil bij het MIN merkteken staat, vul dan direct bij.

Bijvullen

WAARSCHUWINGEN

Vul alleen bij wanneer de motor koud is. Wacht wanneer de motor heet is tien minuten om de motor te laten afkoelen.

Verwijder de vuldop niet bij draaiende motor.

Verwijder de brandstofdop.

LET OP

Het oliepeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan.

Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 137).

MOTORKOELVLOEISTOF CONTROLEREN

Koelvloeistofpeil controleren

WAARSCHUWING

Voorkom dat de vloeistof in contact komt met de huid of de ogen. Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Controleer of het peil tussen de MIN en MAX merktekens staat.

N.B.: Koelvloeistof zet bij verwarming uit. Daardoor kan het koelvloeistofpeil enkele millimeters boven het MAX merkteken staan.

Wanneer het peil bij het MIN merkteken staat, vul dan direct bij.

Bijvullen

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Vul alleen bij wanneer de motor koud is. Wacht wanneer de motor heet is tien minuten om de motor te afkoelen.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 2

Verwijder de vuldop niet bij draaiende motor.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 3

Verwijder de vuldop niet wanneer de motor heet is. Laat de motor eerst afkoelen.

Draai de dop langzaam los. Laat de druk langzaam ontsnappen terwijl u de dop losdraait.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Mors geen koelvloeistof op onderdelen van de motor.

FORD Transit (2008) - LET OP - 2

Het oliepeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan.

Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 137).

CONTROLE VLOEISTOFPEIL KOPPELING EN REMSYSTEEM

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Voorkom dat de vloeistof in contact komt met de huid of de ogen.

Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Controleer of het peil tussen de MIN en MAX merktekens staat.

N.B.: Het remsysteem en het bedieningsmechanisme van de koppeling zijn aangesloten op één reservoir.

Wanneer het peil bij het MIN merkteken staat, vul dan direct bij.

Bijvullen

Verwijder de brandstofdop.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Het oliepeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan.

Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 137).

STUURBEKRACHTI- GINGSVLOEISTOF CONTROLEREN

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Voorkom dat de vloeistof in contact komt met de huid of de ogen.

Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Controleer of het peil tussen de MIN en MAX merktekens staat.

Wanneer het peil bij het MIN merkteken staat, vul dan direct bij.

Bijvullen

Verwijder de brandstofdop.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Het oliepeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan.

Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 137).

WATER IN BRANDSTOFFILTER AFTAPPEN

Uitvoeringen met een dieselmotor

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Voer geen dieselolie met het huishoudelijk afval af en laat het niet in de riolering stromen. Maak uik van de faciliteiten van de eente reinigingsdienst.

N.B.: De controlelamp water-in-brandstof gaat bij draaiende motor na ongeveer 2 seconden uit.

N.B.: Vul alleen vloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Brandstof en tanken (bladzijde 84).

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 2

  1. Trek de multistekker los.
  2. Sluit een geschikte slang aan op de sensor en steek de slang in een geschikte opvangbak.
  3. Draai de sensor een tot twee omwentelingen los en laat het water wegstromen.

Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.

CONTROLE INDICATOR ONDERHOUD BRANDSTOFFILTER

A B C

E66659

groenA doorzichtigB roodC

  1. Zet het contact af.
  2. Houd de gele toets gedurende drie seconden ingedrukt.
  3. Start de motor. Trap het gaspedaal gedurende vijf seconden volledig in.
  4. Controleer de positie van de plunjer in de service-indicator.

  5. Groen - filter hoeft niet te worden vervangen.

  6. Kleurloos - vervang het filter bij het volgende onderhoudsinterval.
  7. Rood - het filter moet worden vervangen. Laat dit onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.

RUITENSPROEI- ERVLOEISTOF CONTROLEREN

N.B.: De ruitensproeiers van de voor- en achterruit hebben een gemeenschappelijk reservoir.

Gebruik geen olie die niet aan de specificaties of eisen voldoet. Gebruik van een ongeschikte olie kan beschadiging van de motor tot gevolg hebben, hetgeen niet onder de Garantie valt.

SpecificatieAanbevolen
MotorolieE SAE 5W-30 motorolie 2 WSS-M2C913-BFord of Mot
StuurbekrachtigingvloeistofWSA-M2C195-AFord Stuurb
KoelvloeistofvriesWSS-M97B44-DMotorcraft S
RemvloeistofDOT 4 remvloeistofESD-M6C57-AFord of Mot
Achteras 1 WSS-M2C939AFord hypoid

1 Onder normale omstandigheden behoeft de achteras geen onderhoud. Wanneer echter de achteras in water wordt ondergedompeld, laat dan de olie door uw dealer verversen. 2 U kunt als alternatief SAE 5W-30 motorolie gebruiken, mits deze voldoet aan de specificatie WSS-M2C913-B.

N.B.: Gebruik bij temperaturen lager dan -20°C SAE 10W-40 motorolie.

Olie bijvullen: Wanneer geen olie verkrijgbaar is die voldoet aan de specificatie WSS-M2C913-B, moet u SAE 5W-30 (aanbevolen), SAE 5W-40 of SAE 10W-40 die voldoen aan de specificatie ACEA A1/B1 (aanbevolen) of ACEA A3/B3 gebruiken. Het gebruik van deze oliën kan tot gevolg hebben dat de motor minder snel aanslaat, minder vermogen levert, meer brandstof verbruikt en een hogere emissiewaarde heeft.

Inhouden

Inhoud in liter (gallons)Nr.Vari
MAX-merktekenVloeistof stu
5,5 (1,2)Voorruitsproeier
80 (17,6)BrandstoftankA
BrandstoftankVerhoogde hoeveelheid 03 (22,7)

Onderhoud

Inhoud in liter (gallons)Nr. Varian
4,3 (1,0)Motorolie - met filte zonder
3,9(0,9)Motorolie - zonder
2,3 | Duratec-HEKoelsysteem met extra verwarming10,1 (2,2)
2,3 | Duratec-HEKoelsysteem met alleen extra verwarming voorin7,8 (1,7)
6,2 (1,4)Motorolie - met filte zonder
5,9 (1,3)Motorolie - zonder
6,9 (1,5)Motorolie - met filte zonder
6,5 (1,4)Motorolie - zonder
2,2 | en 2,4 | DuraTorq-TDCiKoelsysteem met standverwarming en extra verwarming13 (2,9)
2,2 | en 2,4 | DuraTorq-TDCiKoelsysteem met extra verwarming12,8 (2,9)
2,2 | en 2,4 | DuraTorq-TDCiKoelsysteem met standverwarming11,5 (2,5)
2,2 | en 2,4 | DuraTorq-TDCiKoelsysteem met alleen extra verwarming voorin10 (2,2)
12,6 (2,8)Motorolie - met filt zonder
12 (2,6)Motorolie - zonder
7,3 (1,6)Koelsysteem3,2 | C

Vulhoeveelheden motorolie

literMotor
1,52,2 | DuraTorq-TDCi
0,72,3 | Duratec-HE
22,4 | DuraTorq-TDCi
Informatie niet beschikbaar.3,2 | Dura

REINIGEN VAN BUITENZIJDE AUTO

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Wanneer de auto tijdens het wassen in een autowasserette in de was wordt gezet, verwijder dan de van de voorruit.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Sommige wasinstallaties maken gebruik van water onder hoge druk. Hierdoor kunnen sommige erdelen van uw auto worden chadigd.

FORD Transit (2008) - LET OP - 2

Verwijder de antenne voordat u een automatische wasstraat inrijdt.

FORD Transit (2008) - LET OP - 3

Schakel de aanjager uit om te voorkomen dat deeltjes was zich in het luchtfilter vastzetten.

Wij raden aan uw auto met een spons en handwarm water en autoshampoo te wassen.

Koplampen reinigen

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Gebruik geen scherpe voorwerpen, schurende reinigingsmiddelen of oplossingen op alcoholische of mische basis om de koplampglazen reinigen.

FORD Transit (2008) - LET OP - 2

Veeg de koplampglazen niet schoon wanneer ze droog zijn.

Achterruit reinigen

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Gebruik geen scherpe voorwerpen, schurende reinigingsmiddelen of chemische oplossingen op de enzijde van de achterruit te reinigen.

Gebruik een schone, niet pluizende doek of een vochtige zeem om de binnenzijde van de achterruit te reinigen.

Chromen onderdelen reinigen

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Gebruik geen schuurmiddelen of chemische oplosmiddelen. Gebruik een zeepoplossing.

Onderhoud van de lak

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Poets de auto niet in de felle zon.

FORD Transit (2008) - LET OP - 2

Voorkom dat polish op kunststof oppervlakken komt. Dit laat zich moeilijk verwijderen.

FORD Transit (2008) - LET OP - 3

Breng geen polish op de voor- en achterruit aan. Dit heeft een lawaaaiige werking van de ruitenwissers tot alg; bovendien kunnen de ruiten dan goed worden drooggeveegd.

Wij raden u aan de lak één- of tweemaal per jaar in de was te zetten.

REINIGEN VAN BINNENZIJDE AUTO

Veiligheidsgordels

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Gebruik voor het reinigen geen schurende middelen of chemische oplosmiddelen.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 2

Let er op dat geen vocht in het oprolmechanisme komt.

Reinig de veiligheidsgordels met een interieurreiniger of water met een zachte spons. Laat de veiligheidsgordels op een natuurlijke manier drogen. Gebruik geen haardroger o.i.d.

Instrumentenpaneelschermen, LCD-schermen, radioschermen

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Gebruik voor het reinigen geen schurende middelen, oplosmiddelen op basis van alcohol of chemische smiddelen.

KLEINE LAKSCHADE REPAREREN

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Verwijder onmiddellijk ogenschijnlijk onschadelijke substanties van het lakwerk (bijvoorbeeld uitwerpselen vogels, boomsappen, dode insecten, vlekken, wegenzout en industriele rslag).

Lakbeschadigingen door steenslag of kleine krasjes moeten zo spoedig mogelijk worden hersteld. Uw Ford dealer heeft een grote keuze aan producten. Lees en volg nauwkeurig de instructies van de fabrikant op.

ONDERHOUD VAN DE ACCU

De accu vraagt zeer weinig onderhoud. Uw Ford dealer zal in het kader van het normale onderhoudsschema regelmatig het vloeistofpeil in de accu controleren.

GEBRUIK VAN STARTKABELS

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Verbind alleen accu's met dezelfde nominale spanning met elkaar.

FORD Transit (2008) - LET OP - 2

Gebruik altijd hulpstartkabels met geïsoleerde klemmen en een voldoende dikke kern.

FORD Transit (2008) - LET OP - 3

Koppel de ontladen accu niet los van de elektrische installatie van de auto.

Hulpstartkabels aansluiten
A C D B

E71367

Wagen met de lege accuA Wagen met de hulpaccuB Positieve hulpstartkabelC Negatieve hulpstartkabelD

  1. Plaats de auto's zodanig dat ze elkaar niet raken.
  2. Zet het contact van beide wagens af en schakel alle stroomverbruikers uit.
  3. Trek de kap van de plusaansluiting van de accu omhoog. Zie Onderhoud (bladzijde 126).
  4. Verbind de accupluspool (+) van wagen A met de accupluspool (+) van wagen B (kabel C).
  5. Verbind de accuminpool (-) met het motorblok of de motorsteun van wagen B. Verbind het andere uiteinde met het motorblok of de motorsteun van wagen A (kabel D).

1 2 1368

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Sluit de kabel niet aan op de minpool (-) van de ontladen accu.

FORD Transit (2008) - LET OP - 2

Zorg ervoor dat de kabels niet met draaiende onderdelen in aanraking kunnen komen.

Motor starten

  1. Start de motor van wagen B en laat deze met een matig hoog toerental draaien.
  2. Start de motor van wagen A.

  3. Laat beide motoren minimaal drie minuten draaien alvorens de kabels los te koppelen.

LET OP

Schakel de koplampen tijdens het loskoppelen van de hulpstartkabels niet in. Door de spanningspiek kunnen de gloeilampen doorbranden.

Koppel de kabels in omgekeerde volgorde los.

ACCU VERVANGEN

LET OP

Zorg ervoor dat de accubak goed is afgesloten.

N.B.: De accu bevindt zich onder de bestuurdersstoel in de wagen.

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

natural_image Mechanical assembly diagram showing a seat and för assembly with directional arrow (no text or symbols)
  1. Verwijder het accudeksel.
  2. Draai de veiligheidspen linksom en verwijder deze.
  3. Schuif het deksel aan de voorzijde van de accu af.

Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.

Wanneer de accu losgekoppeld is geweest, kan de motor gedurende 8 km nadat de accukabels weer zijn aangesloten een afwijkende draaikarakteristiek vertonen, omdat het motormanagementsysteem zichzelf aan de motor moet aanpassen.

Indien nodig moet de Keycode van de audio-installatie opnieuw worden geprogrammeerd.

AANSLUITPUNTEN VAN DE ACCU

FORD Transit (2008) - AANSLUITPUNTEN VAN DE ACCU - 1

! Sluit een elektrische componenten direct op de accu van de wagen aan.

Er zijn drie aansluitpunten, elk levert maximaal een stroomsterkte van 60 ampère. Vraag uw dealer om advies over accessoires die voor uw wagen geschikt zijn.

  1. Maak de klemmen los.
  2. Trek de kap omhoog.

KINDERZITJES

AIRBAG

E68916

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Laat kinderen met een lengte van minder dan 150 centimeter of jonger dan 12 jaar plaatsnemen in een geschikt, goedgekeurd kinderzitje, dat op de achterbank is geplaatst.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 2

Oorspronkelijke tekst volgens ECE R94.01: Extreme Hazard! Do not use a rearward facing child restraint on a seat protected by an air bag in front of it!

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 3

Lees de instructies van de fabrikant en volg deze op wanneer u een kinderzitje aanbrengt.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 4

Verander op geen enkele wijze het kinderzitje.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 5

Neem tijdens het rijden geen kinderen op schoot.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 6

Laat kinderen niet zonder toezicht in uw auto achter.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 7

Wanneer uw auto bij een aanrijding betrokken is geweest, laat dan het kinderzitje door een hiertoe leide monteur controleren.

N.B.: De wettelijke voorschriften t.a.v. het gebruik van kinderzitjes zijn per land verschillend.

Bij uw dealer is een keuze uit ECE-goedgekeurde kinderzitjes beschikbaar die specifiek voor uw auto zijn getest en goedgekeurd.

Kinderzitjes voor verschillende gewichtsgroepen

Gebruik het correcte kinderzitje als volgt:

Babyzitje

FORD Transit (2008) - Babyzitje - 1

Plaats kinderen met een lichaamsgewicht van minder dan 13 kilogram in een achterwaarts gericht babyzitje (groep 0+), dat op de achterstoel is geplaatst.

Veiligheidsuitrusting voor kinderen

Kinderveiligheidszitje
FORD Transit (2008) - Veiligheidsuitrusting voor kinderen - 1

Vervoer kinderen met een lichaamsgewicht van 13 tot 18 kilogram in een kinderveiligheidszitje (groep 1), dat op de achterbank is geplaatst.

PLAATSING VAN KINDERZITJES

Plaatsen voor het kinderzitje

ZitplaatsenGewichtsgroepen
3210+0
Tot 10 kg15 - 25 kg9-28 kg6ot 13 kg kg
BabyzitjeBabyzitjeKinderveiligheids-zitjeZitver-hoger of kussenZitver-hoger of kussen
Passagiersstoel, voor, met airbagXXXXX
Passagiersstoel, voor, zonder airbag U1 U1 U1 U1 U1
UUUUUAchterbXXIUIUUAchter
C, D, EEISOFIX maatklasse XX

X Niet geschikt voor kinderen van deze gewichtsgroep.
U Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep.

U Geschikt voor universele ISOFIX kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep.
U 1 Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep.

* Als omschreven in ECE 16.

ZITVERHOGERS

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Bevestig een kinderzitje of een zitverhoger nooit alleen met de heupgordel.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 2

Bevestig een kinderzitje of een zitverhoger niet met een veiligheidsgordel die niet gespannen gedraaid zit.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 3

Leg de schoudergordel niet onder de arm of achter de rug van het kind langs.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 4

Gebruik geen kussens, boeken of handdoeken om het kind hoger te laten zitten.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 5

Zorg ervoor dat uw kinderen rechtop zitten.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 6

Laat kinderen met een lichaamsgewicht van meer dan 15 kilogram maar met een lengte van

minder dan 150 centimeter in een kinderzitje of op een zitverhoger plaatsnemen.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Wanneer u een kinderzitje op een achterbank gebruikt, zorg dan dat het kinderzitje stevig tegen de stoel De hoofdsteun moet wellicht worden etild of verwijderd. Zie

Hoofdsteunen (bladzijde 77).

Kinderzitje (groep 2)

FORD Transit (2008) - Kinderzitje (groep 2) - 1

Wij raden het gebruik van een kinderzitje aan, dat uit een zitverhoger met een rugleuning bestaat in plaats van alleen een zitverhoger. De hogere zitpositie zorgt ervoor dat de standaard veiligheidsgordel correct over het midden van de schouder van het kind en de heupgordel over de heupen komt te liggen.

Zitverhoger (groep 3)

FORD Transit (2008) - Zitverhoger (groep 3) - 1

Gebruik bij toepassing van het ISOFIX systeem een voorziening dat voorkomt dat de veiligheidsgordel kan draaien. Wij raden het gebruik van een veiligheidsgordel aan de bovenzijde of een steun aan de onderzijde aan.

N.B.: Wanneer u een ISOFIX kinderzitje aanschaft, let er dan op dat dit geschikt is voor de gewichtsgroep van uw kind en dat de ISOFIX maatklasse geschikt is voor de plaats waar het zitje wordt aangebracht. Zie Plaatsing van kinderzitjes (bladzijde 144).

Uw auto is uitgerust met ISOFIX verankeringspunten die geschikt zijn voor het gebruik van goedgekeurde ISOFIX kinderzitjes.

Het ISOFIX systeem bestaat uit twee stevige bevestigingsarmen aan het kinderzitje, die op de verankeringspunten van de zitplaatsen op de tweede zitrij tussen de rugleuning en de zitting worden bevestigd. Verankeringspunten voor de veiligheidsgordels aan de bovenzijde bevinden zich aan de achterzijde van de zitplaatsen op de tweede zitrij.

Een kinderzitje met een veiligheidsgordel aan de bovenzijde bevestigen
FORD Transit (2008) - Zitverhoger (groep 3) - 2

Bevestig de veiligheidsgordel aan de bovenzijde aan geen ander punt dan aan het verankeringspunt dat por is bestemd.

KINDERSLOTEN
A B E74584

IngeschakeldA

UitgeschakeldB

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Wanneer de kindersloten in werking zijn gesteld, kunnen de portieren niet van binnenuit worden geopend.

ALGEMENE INFORMATIE

Voor het ruimtebesparende reservewiel moet de hoogste bandenspanning voor uw auto/band-combinatie worden aangehouden.

Gegevens omtrent banden, velgen en bandenspanningen voor speciale uitvoeringen staan alleen op de tabel met bandenspanningen van de betreffende auto.

Op de B-stijl bij het bestuurdersportier bevindt zich een tabel met de bandenspanning.

EEN WIEL VERVANGEN

Reservewiel

LET OP

Gebruik uitsluitend banden en velgen met de goedgekeurde maat. Het gebruik van andere maten kan schade aan de auto tot gevolg hebben en kan de typegoedkeuring ongeldig maken.

Het reservewiel bevindt zich onder de achterzijde van de wagen.

Uitvoeringen met enkellucht
FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Uitvoeringen met dubbellucht
FORD Transit (2008) - LET OP - 2

Wanneer uw wagen is uitgerust met een veiligheidsbout, verwijder deze dan door hem linksom te draaien.

Steek het platte uiteinde van de wielmoersleutel (Bus, Bestelwagen en Kombi) of de korte zijde van de krikslinger (Chassis Cabine, uitvoering met open laadbak) in de opening. Draai hem linksom tot het wiel op de grond rust en de kabel niet meer gespannen is.

FORD Transit (2008) - LET OP - 3

  1. Verwijder de vleugelmoer(en).
  2. Steek de steun en de kabel door de centrale opening in de velg.

Boordkrik

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

De boordkrik waarmee uw auto wordt geleverd mag alleen worden gebruikt voor het wisselen van een n noodsituaties.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 2

Controleer, voordat u de boordkrik gebruikt, of deze niet is beschadigd of vervormd en dat de schroefdraad smeerd en vrij is van treinigingen.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 3

U mag nooit iets tussen de krik en de grond of de krik en de auto plaatsen.

LET OP

Gebruik alleen de aangegeven kriksteunpunten. Indien andere punten worden gebruikt kan dit de carrosserie, de stuurinrichting, de wielophanging, de motor, het remsysteem en de brandstofleidingen beschadigen.

De krik, de wielmoersleutel en de krikslinger bevinden zich in een opbergvak in de opstaptrede rechtsvoor.

Auto's uit de 430- en 460-serie

FORD Transit (2008) - Auto's uit de 430- en 460-serie - 1

• Zet de krikslinger in elkaar.
- Steek het platte uiteinde van de krikstang op de kraan. Draai de stang geheel rechtsom. Schuif de stang in de pomp en krik de wagen op door een pompende beweging te maken.

Alle behalve auto's uit de 430- en 460-serie
FORD Transit (2008) - Auto's uit de 430- en 460-serie - 2

• Klap de krikstang uit.

FORD Transit (2008) - Auto's uit de 430- en 460-serie - 3

  • Steek de haak van de stang in het oog op de krik. Breng de wielmoersleutel aan in het andere uiteinde van de stang en draai hem rechtsom.

Voorste kriksteunpunten

LET OP

Let erop wanneer u de krik aanbrengt bij een wagen met airconditioning achterin (A/C), dat de krik niet in aanraking komt met de leidingen van de airconditioning of de ophangstrip van de brandstoftank.

Auto's uit de 430- en 460-serie
FORD Transit (2008) - LET OP - 1

E70951
Plaats de krik onder de uitsparingen aan de achterzijde van het subframe.

Alle behalve auto's uit de 430- en 460-serie
FORD Transit (2008) - LET OP - 2

Klap de klep op de bovenzijde van de krik dicht (opbergstand). De achterste bouten van het voorste subframe passen in een uitsparing in de klep op de krik.

Kriksteunpunten, achter
Bus, bestelwagen en Kombi (260, 280 en 300 serie) met voorwielaandrijving
FORD Transit (2008) - LET OP - 3

Klap de klep op de bovenzijde van de krik open. Plaats de krik onder de bladveer van het achterwiel, direct voor het wiel.

Bus, bestelwagen en Kombi (330 en 350 serie) met voorwielaandrijving

N.B.: In het reservewiel bevindt zich een extra blok.

FORD Transit (2008) - Bus, bestelwagen en Kombi (330 en 350 serie) met voorwielaandrijving - 1

Klap de klep op de bovenzijde van de krik open. Plaats de krik op het blok.

Auto's uit de 430- en 460-serie

N.B.: Plaats de krik onder de as, zo dicht mogelijk bij het wiel dat omhoog moet worden gebracht.

FORD Transit (2008) - Auto's uit de 430- en 460-serie - 1

Alle Chassis Cabine, bus, bestelwagen en Kombi uitvoeringen met achterwielaandrijving (alle behalve auto's uit de 430- en 460-serie)

N.B.: Plaats de krik onder de as, zo dicht mogelijk bij het wiel dat omhoog moet worden gebracht.

FORD Transit (2008) - Auto's uit de 430- en 460-serie - 2

Klap de klep op de bovenzijde van de krik open.

Wiel verwijderen

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Parkeer uw wagen dusdanig dat u, noch het verkeer hinder ondervindt of gevaar loopt.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 2

Zet een gevarendriehoek neer.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 3

Zorg ervoor dat de wagen met de wielen in de rechtuitstand op een stevige, vlakke ondergrond staat.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 4

Zet het contact af en schakel de parkeerrem in.

WAARSCHUWINGEN

Schakel de eerste versnelling of de achteruit in wanneer uw wagen is uitgerust met een handgeschakelde versnellingsbak. Selecteer stand 'P' wanneer deze met een automatische transmissie is uitgerust.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Laat de inzittenden uitstappen.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 2

Blokkeer het diagonaal tegenoverliggende wiel met een geschikt blok hout of een wielkeg.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 3

Let erop dat de pijlen op richting gebonden banden in de draairichting wijzen wanneer de auto

vooruit rijdt. Wanneer een reservewiel moet worden gemonteerd waarvan de pijlen tegengesteld aan de draairichting wijzen, laat dan de band zo spoedig mogelijk door een deskundige in de juiste richting monteren.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 4

Voer geen werkzaamheden uit onder een wagen die alleen wordt ondersteund door een krik.

N.B.: Zorg ervoor dat de krik verticaal ten opzichte van het kriksteunpunt staat en dat de voet vlak op de grond staat.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 5

• Verwijder de naafdop.
• Verwijder de moerdoppen.
• Draai de wielmoeren een slag los.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 6

  • Krik de wagen op tot de band vrij is van de grond.
  • Draai de wielmoeren nu geheel los en verwijder het wiel.

Wiel aanbrengen

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Zorg ervoor dat er zich geen smeermiddel (vet of olie) op de schroefdraad of tussen de

tapeinden en de moeren bevindt.

N.B.: De wielmoeren van de lichtmetalen velgen kunnen ook worden gebruikt voor het stalen reservewiel.

  • Breng het wiel in lijn en schuif het op de tapeinden. Zorg ervoor dat de platte ringen van de wielmoeren naar de velg zijn gekeerd. Breng de wielmoeren aan en zet ze vast.
  • Laat de wagen zakken en verwijder de krik.

1 3 4 5 2 6 1 4 3 2 5

E70961

  • Draai de wielmoeren in de aangegeven volgorde definitief vast.
  • Druk de naafdop met de palm van uw hand stevig aan.
  • Druk de doppen op de wielmoeren stevig vast.

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Laat het aanhaalmoment van de wielmoeren en de bandenspanning zo snel mogelijk controleren.

Wiel opbergen

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Hijs de reservewielhouder niet op zonder het wiel te hebben vastgezet.

Wanneer geen wiel is aangebracht kan het ophijsmechanisme bij het laten zakken worden beschadigd.

N.B.: Alleen wanneer het ophijsmechanisme doorslipt is het wiel volledig omhoog gebracht.

  • Leg het wiel met de buitenzijde naar beneden gekeerd plat op de grond. Kantel de steun en steek hem met de staalkabel door de centrale opening in de velg. Draai de vleugelmoer(en) vast.
  • Steek het platte uiteinde van de wielmoersleutel geheel in de boring en draai de wielmoersleutel rechtsom. Breng, bij uitvoeringen met een veiligheidsbout, deze aan en draai hem rechtsom.
  • Berg de wielmoersleutel, de krik en de krikstang op.

BANDENREPARATIESET

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Voor campers gelden afzonderlijke instructies die zijn opgenomen in de bandenreparatieset.

Het kan voorkomen dat in de wagen geen reservewiel is aangebracht. In een dergelijk geval is een bandenreparatieset voor noodgevallen aanwezig die kan worden gebruikt voor het repareren van één lekke band.

De bandenreparatieset bevindt zich in het handschoenenkastje.

Algemene informatie

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Afhankelijk van het type en de omvang van de beschadiging kunnen sommige banden slechts gedeeltelijk of soms geheel niet worden gedicht. Een te lage bandenspanning kan het weggedrag van de wagen beïnvloeden, waardoor u de macht over het stuur kunt verliezen.

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Gebruik de bandenreparatieset niet wanneer de band al beschadigd was als gevolg en het rijden met een je bandenspanning.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 2

Probeer geen andere lekken te dichten dan zichtbare lekken in het loopvlak van de band.

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 3

Probeer geen lekken te dichten in de bandwang.

Met behulp van de bandenreparatieset kunnen de meeste bandenlekken (met een diameter van maximaal 6 mm of 1/4 inch) worden gerepareerd om de mobiliteit tijdelijk te herstellen.

Let op het volgende bij gebruik van de set:

  • Rijd voorzichtig en maak geen plotselinge stuurbewegingen, vooral wanneer de wagen zwaar is beladen of tijdens het rijden met een aanhanger.
  • De set zorgt voor een tijdelijke reparatie, waardoor u uw reis tot de volgende dealer of bandenspecialist kunt voortzetten, of een afstand van maximaal 200 km (125 mijl) kunt afleggen.
  • Rijd niet sneller dan maximaal 80 km/h (50 mph).
  • Houd de set buiten het bereik van kinderen.
  • Gebruik de set bij omgevingstemperaturen van -30ircC (-22ircF) tot +70ircC (+158ircF) .

Bandenreparatieset gebruiken

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Samengeperste lucht kan zich gedragen als een explosief of drijfmiddel.

WAARSCHUWINGEN

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWINGEN - 1

Laat tijdens gebruik de bandenreparatieset nooit onbeheerd achter.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

De compressor mag niet langer dan 10 minuten blijven ingeschakeld.

N.B.: Gebruik de bandenreparatieset alleen bij wagens die ermee zijn uitgerust.

  • Parkeer uw wagen zodanig langs de kant van de weg dat u het verkeer niet belemmert en dat u in staat bent de bandenreparatieset te gebruiken zonder in gevaar te komen.
  • Trek, zelfs wanneer u op een vlakke ondergrond geparkeerd staat, de handrem aan om te waarborgen dat de wagen niet in beweging kan komen.
  • Probeer geen vreemde voorwerpen, zoals spijkers of schroeven, uit de band te verwijderen.
  • Laat de motor draaien terwijl de set wordt gebruikt, maar niet als de wagen in een afgesloten of slecht geventileerde ruimte staat (bijvoorbeeld in een gebouw). Schakel onder dergelijke omstandigheden de compressor in bij afgezette motor.
  • Vervang de fles met het afdichtmiddel door een nieuwe voordat de houdbaarheidsdatum (zie de bovenzijde van de fles) is bereikt.
  • Informeer andere gebruikers van de auto dat de band tijdelijk is gerepareerd met de bandenreparatieset en stel ze op de hoogte van de speciale rijvoorschriften.

Band oppompen

WAARSCHUWINGEN

Controleer de bandwang voordat u het afdichtmiddel in de band pompt. Wanneer u scheuren, knobbels of dergelijke ziet, probeer dan niet de band op te pompen.

Ga niet vlak naast de band staan wanneer de compressor draait.

Sla de bandwang gade. Wanneer u scheuren, knobbels en dergelijke ziet verschijnen, schakel dan de compressor uit en laat de lucht met het drukregelventiel ontsnappen B. Rijd niet verder met deze band.

Het afdichtmiddel bevat natuurlijk latex. Voorkom contact met huid, ogen of kleding. Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts.

Wanneer de bandenspanning binnen zeven minuten lager wordt dan 1,8 bar (26 psi), kan de band ernstig zijn beschadigd, waardoor een tijdelijke reparatie onmogelijk is. Vervolg in een dergelijk geval uw reis niet met deze band.

LET OP

Wanneer de fles op de houder wordt gedraaid, wordt de afdichting van de fles verbroken. Schroef de fles niet los van de houder, omdat het afdichtmiddel dan wegloopt.

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Fles met afdichtmiddelK

  1. Maak de afdekking van de bandenreparatieset open.
  2. Trek het label I waarop de maximaal toelaatbare snelheid van 80 km/h vermeld staat van het huis en maak het binnen het gezichtsveld van de bestuurder vast op het instrumentenpaneel. Zorg dat het label niet wordt vastgemaakt op belangrijke onderdelen/plekken.
  3. Haal de slang C en de stekker met kabel G uit de set.
  4. Schroef de oranje dop D en de afdekking van de fles J los.
  5. Schroef de fles met afdichtmiddel K naar rechts tot de aanslag in de flessenhouder E.
  6. Draai het ventieldopje van de beschadigde band af.
  7. Maak de beschermdop A los van de slang C en draai de slang C stevig op het ventiel van de beschadigde band.
  8. Zorg dat de compressorschakelaar H in stand O staat.
  9. Sluit de stekker G aan op de aansluiting van de aansteker of het extra elektrisch aansluitpunt. Zie Aansteker (bladzijde 79). Zie Extra voedingsaansluitingen (bladzijde 79).
  10. Start de motor.
  11. Zet de compressorschakelaar H in stand 1.

  12. Pomp de band niet langer dan zeven minuten op voor een minimale druk van 1,8 bar (26 psi) en een maximum druk van 2,5 bar (51 psi). Zet de compressorschakelaar H in stand O en controleer de huidige bandenspanning met behulp van drukmeter F.

  13. Neem de stekker G uit de aansluiting van de aansteker of het extra elektrisch aansluitpunt.
  14. Draai de slang C snel van het ventiel los en breng de beschermdop A aan. Draai het ventieldopje vast.
  15. Laat de fles met afdichtmiddel K in de flessenhouder E zitten.
  16. Zorg ervoor dat de bandenreparatieset, de dop van de fles en de oranje kap veilig worden opgeborgen, maar makkelijk bereikbaar zijn. De set is opnieuw nodig bij het controleren van de bandenspanning.
  17. Rijd onmiddellijk weg en rijd ongeveer drie kilometer (twee mijl) zodat het afdichtmiddel het lek kan afdichten.
    N.B.: Wanneer het afdichtmiddel in de band wordt gepompt, kan de druk toenemen tot 6 bar (87 psi) maar deze neemt na ca. 30 seconden weer af.

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Wanneer u heftige trillingen, onbalans in het stuurwiel of lawaai tijdens het rijden waarneemt, minder dan snelheid en rijd voorzichtig naar een plaats waar u veilig kunt stoppen. Controleer de band en de bandenspanning opnieuw. Wanneer de bandenspanning lager is dan 1,3 bar (19 psi) of wanneer er scheuren, knobbels of dergelijke zichtbaar zijn, hervat dan uw reis niet met deze band.

Bandenspanning controlleren

  1. Stop de wagen na ongeveer drie kilometer (twee mijl). Controleer en corrigeer zo nodig de spanning van de beschadigde band.
  2. Breng de set aan en lees de bandenspanning af van de drukmeter F.
  3. Wanneer de spanning 1,3 bar (19 psi) of hoger is, breng de band dan op de voorgeschreven spanning. Zie Technische specificatie (bladzijde 161).
  4. Volg de procedure voor het oppompen van de band.
  5. Controleer de bandenspanning met behulp van de drukmeter F. Wanneer de bandenspanning te hoog is, laat dan de spanning afnemen met behulp van de drukregelklep B.
  6. Als de band de correcte bandenspanning heeft, zet dan de compressorschakelaar H in stand O, verwijder de stekker G uit de aansluiting, draai de slang C los, draai de ventieldop aan en vervang de beschermdop A.
  7. Laat de fles met afdichtmiddel K in de flessenhouder E zitten en berg de set op op de plaats waar deze vandaan kwam.

  8. Rijd naar de dichtstbijzijnde bandenspecialist om de beschadigde band te vervangen. Vertel, voordat de band van de velg wordt afgenomen, de bandenspecialist dat de band een afdichtmiddel bevat. Vervang de set zo snel mogelijk na het eerste gebruik.

N.B.: Bedenk dat een bandenreparatieset slechts voor tijdelijke mobiliteit zorgt. Voorschriften aangaande bandreparatie na gebruik van de bandenreparatieset kunnen per land verschillen. Raadpleeg een bandenspecialist voor advies.

WAARSCHUWING

FORD Transit (2008) - WAARSCHUWING - 1

Zorg er voordat u wegrijdt voor dat de band de voorgeschreven bandenspanning heeft. Zie

Technische specificatie (bladzijde 161). Controleer voortdurend de bandenspanning tot de band is vervangen.

Lege flessen afdichtmiddel mogen samen met het huishoudelijk afval worden afgevoerd. Breng resten afdichtmiddel naar uw dealer of voer ze af volgens de lokale richtlijnen.

VERZORGING VAN BANDEN

FORD Transit (2008) - VERZORGING VAN BANDEN - 1

Zorg voor een langere levensduur ervoor dat de banden van de voor- en achterwielen gelijkmatig slijten. Wij raden aan dat de voor- en achterwielen met regelmatige intervallen van 15.000 tot 20 000 km (9.000 tot 12.000 mijl) te wisselen.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Laat tijdens het parkeren de bandwangen niet langs trottoirbanden schuren.

Als u een stoeprand moet oprijden, doe het dan zo langzaam mogelijk en rijd zo mogelijk haaks met de wielen het trottoir op.

Controleer regelmatig de banden op scheuren, vreemde voorwerpen of onregelmatige slijtage van het loopvlak. Ongelijkmatige slijtage betekent dat de wieluitlijning niet meer aan de specificaties voldoet.

GEBRUIK VAN WINTERBANDEN

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Controleer of u de velgen met de winterbanden met het correcte type wielmoeren hebt bevestigd.

Indien winterbanden zijn gemonteerd, controleer dan of de bandenspanning correct is. Zie Technische specificatie (bladzijde 161).

Rijd niet harder dan 50 km/h (30 mph).

FORD Transit (2008) - LET OP - 2

Rijd niet met sneeuwkettingen op een sneeuwvrij wegdek.

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Wanneer uw auto is uitgerust met wieldeksels, verwijder deze dan voordat u sneeuwkettingen teert.

N.B.: Het ABS blijft normaal werken.

Gebruik alleen sneeuwkettingen met kleine schakels.

Gebruik alleen sneeuwkettingen op de aangedreven wielen.

Uitvoeringen met voorwielaandrijving

N.B.: In de registratiedocumenten zijn voor de vooras alleen 195/75 R 16 C banden vermeld.

Wanneer uw wagen is uitgerust met 215/75 R 16 C banden, monteer dan 195/75 R 16 C (M+S) banden op de voorwielen. Breng de bandenspanning op de maximum voorgeschreven waarde.

Bandenspanning (koude banden)

Bus

Bandenspanning

BandenmaatVariantMaximaal beladenNormaal I
bar (lbf/in2)AchterVoorAchte
bar (lbf/in2)bar (lbf/in2)bar (lbf/in2)
4,1 (59)3,7 (54)3 (4
3,9 (57)3,6 (52)3 (
3,7 (54)3,4 (49)2,8
4,7 (62)3,7(54)467
4,1 (59)3,7 (568)461

Bestelwagen en Kombi - achterwielaandrijving

Bandenspanning

BandenmaatVariantMaximaal beladenNormaal I
bar (lbf/in2)AchterVoorAcht
bar (lbf/in2)bar (lbf/in2)bar (lbf/in2)
3004,2 (205/5551)462
330215/75 R 16 C3,4 (49)4,5 (65)3,4 (49)4,5 (65)
4,7 (6821587(55)467
430185/75 R 16 C4,5 (65)3,3 (48)4,5 (65)4,1 (59)
3,7 (549567(567)867
460185/75 R 16 C4,7 (68)4,75 (69)4,7 (68)4,75 (69)
4,3 (629567(567)463

Bestelwagen en Kombi - voorwielaandrijving

Bandenspanning

BandenmaatVMaximaal beladenNorma
variantAchterVoorAc
bar (lbf/in2)bar (lbf/in2)bar (lbf/in2)bar (lbf/in2)
3,5 (51)3,4 (49)
3,5 (51)3,4 (49)
4,2 (61)3,7 (54)
4 (58)3,6 (52)
4,5 (65)4 (58)4
4,3 (62)3,9 (57)
4,5 (65)3,4 (49)
4,7 (68)3,5(57)
SportVan235/45 R18 98LI (XL)2,9 (42)2,8 (40)

Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak - achterwielaandrijving Bandenspanning

BandenmaatVariantMaximaal beladenNorma
bar (lbf/in2)bar (lbf/in2)bar (lbf/in2)AchterVoorAc
300205/75 R 16 C3,5 (51)4,2 (61)3,5 (51)4,2 (61)
4,5 (65)3,4 (49)
3,3 (48)4,7 (68)
3,3 (48)4,6 (67)
4,7 (68)3,5(55)1
4,1 (59)4,7 (68)4

Velgen en banden

BandenmaatVariantMaximaal beladenNormaal I
bar (lbf/in2)AchterVoorAchter
bar (lbf/in2)bar (lbf/in2)bar (lbf/in2)
3,7 (54)4,6 (67)3,7
4,75 (69)4,7 (68)4,
4,3 (62)4,6 (67)4,9

Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak - voorwielaandrijving Bandenspanning

BandenmaatVariantMaximaal beladenNormaal I
bar (lbf/in2)AchterVoorAchter
bar (lbf/in2)bar (lbf/in2)bar (lbf/in2)
4,5 (65)4 (58)4,5 (
4,3 (62)3,8 (55)4,9
4,5 (65)3,4 (49)4,5
4,7 (62)3,5(51)46,7

VOERTUIGIDENTIFICA- TIEPLAATJE

A B FORD E D C

E85610

Voertuig Identificatie NummerA

B Maximaal toelaatbare totaalgewicht

C Maximaal toelaatbaar treingewicht

Maximum voorasbelastingD

Maximum achterasbelastingE

Het Voertuig Identificatie Nummer en de maximum toelaatbare gewichten zijn vermeld op een plaatje aan slotzijde onderin de opening van het passagiersportier.

VOERTUIGIDENTIFI- CATIENUMMER (VIN)

FORD Transit (2008) - VOERTUIGIDENTIFI- CATIENUMMER (VIN) - 1

Het Voertuig Identificatie Nummer is in de rechter voorwielkuip ingeslagen. Het is ook op de linkerzijde van het instrumentenpaneel vermeld.

Afmetingen van de auto

Korte wielbasis

C₃ C₂ C₁ E B

E71261

D A

E71262 D A

AfmetingenNr.Afmetingen in mm (inches)
AMaximum lengte - zonder trede achter (Bestelwagen en Kombi)4863 (191,5)
AMaximum lengte - zonder trede achter (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen zonder open laadbak)5114 (201,3)
AMaximum lengte - zonder trede achter (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak)5258 (207)
AMaximum lengte - met trede achter (Bestelwagen en Kombi)4965 (195,5)
AMaximum lengte - met trekhaak (Bestelwagen en Kombi)5006 (197,1)
AMaximum lengte - met trekhaak (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen zonder open laadbak)5249 (206,7)
AMaximum lengte - met trekhaak (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak)5258 (207)
BTotale breedte - excl. buitenspiegels (Bestelwagen en Kombi)1974 (77,7)

Technische specificaties

AfmetingenNr.Afmetingen in mm (inches)
BTotale breedte - excl. buitenspiegels (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met smalle laadbak)2007 (79)
BTotale breedte - excl. buitenspiegels (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met brede laadbak)2207 (86,9)
C1Totale hoogte - laag dak (Bestelwagen en Kombi)1997 - 2089 (78,6 - 82,2)
C1Totale hoogte - laag dak (Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak)1974 - 2035 (77,7 - 80,1)
C2Totale hoogte - semi-hoog dak (Bestelwagen en Kombi)2313 - 2405 (91,1 - 94,7)
-Totale hoogte - hoog basis (Best
2933 (115,5)Wielbasis
DWielbasis (Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak)3137 (123,5)
1737 - 1745 (68,4 - 68,7)poorbre
1700 - 1718 (66,9 - 67,6)poorbre

Middellange wielbasis
FORD Transit (2008) - Korte wielbasis - 4
E71263

E71264 D A

AfmetingenNr.Afmetingen in mm (inches)
AMaximum hoogte - semi-hoog dak (Bestelwagen en Kombi)5301 (208,7)
AMaximum lengte - zonder trede achter (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen zonder open laadbak)5552 (218,6)
AMaximum lengte - zonder trede achter (Chassis Dubbele Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak)5792 (228)
AMaximum lengte - zonder trede achter (Chassis Enkele Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak)5775 (227,4)
AMaximum lengte - met trede achter (Bestelwagen en Kombi)5332 (209,9)
AMaximum lengte - met trekhaak (Bestelwagen en Kombi)5373 (211,5)
AMaximum lengte - met trekhaak (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen zonder open laadbak)5616 (221,1)
AMaximum lengte - met trekhaak (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak)5708 (224,7)

Technische specificaties

AfmetingenNr.Afmetingen in mm (inches)
BTotale breedte - excl. buitenspiegels (Bestelwagen en Kombi)1974 (77,7)
BTotale breedte - excl. buitenspiegels (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met smalle laadbak)2007 (79)
BTotale breedte - excl. buitenspiegels (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met brede laadbak)2207 (86,9)
C1Totale hoogte - laag dak (Bestelwagen en Kombi)1995 - 2056 (78,6 - 80,9)
C1Totale hoogte - laag dak (Chassis Enkele Cabine en uitvoeringen met open laadbak)2029 - 2106 (79,9 - 82,9)
C1Totale hoogte - laag dak (Chassis Dubbele Cabine en uitvoeringen met open laadbak)2039 - 2137 (80,3 - 84,1)
C2Totale hoogte - semi-hoog dak (Bestelwagen en Kombi)2382 - 2390 (93,8 - 94)
C3Totale hoogte - hoog dak (Bestelwagen en Kombi)2546 - 2617 (100,2 - 103)
3300 (129,9)Wielba
DWielbasis (Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak)3504 (138)
1737 - 1745 (68,4 - 68,7)$
ESpoorbreedte - achter (alle uitvoeringen met enkellucht)1700 - 1718 (66,9 - 67,6)
ESpoorbreedte - achter (Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak - dubbellucht)1642 (64,6)

Lange wielbasis
C₃ C₂ C₁ E B

D A

E71265

E71266 D A

AfmetingenNr.Afmetingen in mm (inches)
AMaximum hoogte - semi-hoog dak (Bestelwagen en Kombi)5751 (226,4)
AMaximum hoogte - extra hoog dak (Bestelwagen en Kombi)5751 (226,4)
AMaximum hoogte - extra hoog dak (Verlengd chassis Bestelwagen en Kombi)6474 (254,9)
AMaximum lengte - zonder trede achter (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen zonder open laadbak)6002 (236,3)
AMaximum lengte - zonder trede achter (Chassis Enkele Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak)6175 (243,1)
AMaximum lengte - zonder trede achter (Chassis Dubbele Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak), verlengd chassis6142 (241,8)
AMaximum lengte - met trede achter (Bestelwagen en Kombi)5782 (227,6)
AMaximum lengte - met trede achter (Verlengd chassis Bestelwagen en Kombi)6505 (256,1)

Technische specificaties

AfmetingenNr.Afmetingen in mm (inches)
AMaximum lengte - met trede achter (Verlengd chassis zonder open laadbak)6390 (251,6)
AMaximum lengte - met trede achter (Verlengd chassis, Chassis Enkele Cabine met open laadbak)6675 (262,8)
AMaximum lengte - met trede achter (Verlengd chassis, Chassis Dubbele Cabine met open laadbak)6592 (259,5)
AMaximum lengte - met trekhaak (Bestelwagen en Kombi)5823 (229,3)
AMaximum lengte - met trekhaak (Verlengd chassis Bestelwagen en Kombi)6546 (257,7)
AMaximum lengte - met trekhaak (Chassis-cCabine en laadbak uitvoeringen zonder open laadbak)6066 (238,8)
AMaximum lengte - met trekhaak (Chassis Cabine en laadbak uitvoeringen zonder open laadbak), verlengd chassis6448 (253,9)
AMaximum lengte - met trekhaak (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak)6108 (240,5)
AMaximum lengte - met trekhaak (Chassis Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak), verlengd chassis6608 (260,2)
BTotale breedte - excl. buitenspiegels (Bestelwagen en Kombi)1974 (77,7)
BTotale breedte - excl. buitenspiegels (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met smalle laadbak)2007 (79)
BTotale breedte - excl. buitenspiegels (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met brede laadbak)2207 (86,9)
C1Totale hoogte - laag dak (Chassis Enkele Cabine en uitvoeringen met open laadbak)2010 - 2098 (79,1 - 82,6)
C1Totale hoogte - laag dak (Chassis Dubbele Cabine en uitvoeringen met open laadbak)2021 - 2112 (79,6 - 83,1)

Technische specificaties

AfmetingenNr.Afmetingen in mm (inches)
C2Totale hoogte - semi-hoog dak (Bestelwagen en Kombi)2390 - 2403 (94,1 - 94,6)
C2Totale hoogte - semi-hoog dak (Verlengd chassis Bestelwagen en Kombi)2608 - 2622 (102,7 - 103,2)
C2Totale hoogte - extra hoog dak (Verlengd chassis Bestelwagen en Kombi)2608 - 2629 (102,7 - 103,5)
C3Totale hoogte - hoog dak (Bestelwagen en Kombi)2609 - 2619 (102,7 - 103,1)
C3Totale hoogte - Verlengd chassis (Chassis Enkele Cabine)2015 - 2107 (79,3 - 83)
C3Totale hoogte - Verlengd chassis (Chassis Dubbele Cabine)2018 - 2118 (79,4 - 83,4)
3750 (147,6)Wielba
DWielbasis (Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak)3954 (155,7)
1737 - 1745 (68,4 - 68,7)
1700 - 1718 (66,9 - 67,6)
ESpoorbreedte - achter (Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak - dubbellucht)1642 (64,6)

Afstanden trekhaak

Bestelwagen en Kombi

A B C D E F

E71267

AfmetingenNr.Afmetingen in mm (inches)
AHart wiel - einde trekhaakkogel (standaard chassis)1140 (44,9)
1863 (73,3)Hart wi
416 (16,4)Hart trek
832 (32,8)Binnenz

el - einde khaakkog ijde langs

Technische specificaties

AfmetingenNr.Afmetingen in mm (inches)
334 (13,1)Hart trekhaakl
403,5 (15,9)Hart trekhaa
473 (18,6)Hart trekhaak

Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak

A B C D E

E71268

Technische specificaties

AfmetingenNr.Afmetingen in mm (inches)
AHart wiel - einde trekhaakkogel (standaard chassis)1180 (46,5)
1562 (61,5)Hart wiel - einde
418 (16,5)Hart trekhaakkog
836 (32,9)Binnenzijde lang
237 (9,3)Hart trekhaakkog
343,5 (13,5)Hart trekhaakkog

ALGEMENE INFORMATIE

In dit hoofdstuk worden de functies en eigenschappen van de Bluetooth mobiele telefoon en Voice Control (spraakbesturingssysteem) beschreven.

In dit hoofdstuk worden de volgende varianten beschreven:

  • een mobiele telefoon met een telefoonhouder zonder Voice Control
  • een Bluetooth en Voice Control systeem met telefoonhouder
  • een Bluetooth en Voice Control systeem zonder telefoonhouder.

Het Bluetooth mobiele telefoongedeelte van het systeem zorgt voor de interactie tussen de audio-installatie of het navigatiesysteem en uw mobiele telefoon. Het zorgt ervoor dat u uw audio-installatie of het navigatiesysteem kunt gebruiken voor het ontvangen van telefoongesprekken zonder daarbij gebruik te maken van uw mobiele telefoon.

Het Voice Control systeem kan worden gebruikt voor:

• mobiele telefoongesprekken
- functies van de audio-installatie
• functies van de airconditioning.

N.B.: De mobiele telefoon schakelt na het afzetten van het contact schakelt niet onmiddellijk uit: de vertraging waarmee de voeding wordt uitgeschakeld is ingesteld op 10 minuten. U kunt deze periode instellen tussen 0 en 60 minuten. Afhankelijk van uw mobiele telefoon kunt u dit bewerkstelligen door een adres in uw telefoonboek op te slaan met de naam Timer en de gewenste vertraging als telefoonnummer.

Wanneer Bluetooth en Voice Control gedurende langere tijd bij stilstaande wagen worden gebruikt, laat dan de motor stationair draaien om te voorkomen dat de accu wordt ontladen.

SETUP TELEFOON

Aansluiting met behulp van een telefoonhouder

Uw telefoon moet in een telefoonhouder zijn geplaatst voordat hij kan worden gebruikt als handsfree of spraakgestuurde telefoon. De juiste telefoonhouder is bij uw dealer verkrijgbaar.

Uw telefoon in de telefoonhouder plaatsen

N.B.: Uw mobiele telefoon moet in een telefoonhouder zijn geplaatst om de telefoon verbinding met de telefoonhouder te kunnen laten maken.

Sluit uw telefoon op de telefoonhouder aan.

  1. Plaats de onderzijde van de telefoon in de aansluiting in de telefoonhouder.
    N.B.: Druk de telefoon zover mogelijk naar achteren in de telefoonhouder.
  2. Druk de telefoon naar beneden tot deze vastklikt.

E87688 1 2

N.B.: De verbinding met het systeem wordt op uw telefoon weergegeven.

Telefoonboek

Na het opstarten kan het twee minuten duren voordat u toegang tot het telefoonboek kunt krijgen.

Telefoonboekcategorieën

Afhankelijk van uw telefoonboekadres kunnen verschillende categorieën op de audio-installatie of het navigatiesysteem worden weergegeven.

Voorbeeld:

MobielM
KantoorO
HuisH
FFax

N.B.: Adressen kunnen met of zonder toevoegingen worden weergegeven.

De categorie kan ook als icoon worden weergegeven:

FORD Transit (2008) - Telefoonboekcategorieën - 1

Telefoon

FORD Transit (2008) - Telefoonboekcategorieën - 2

Mobiel

FORD Transit (2008) - Telefoonboekcategorieën - 3

Huis

FORD Transit (2008) - Telefoonboekcategorieën - 4

Kantoor

FORD Transit (2008) - Telefoonboekcategorieën - 5

Fax

Van een telefoon een actieve telefoon maken

Wanneer het systeem voor het eerst wordt gebruikt, zijn er nog geen telefoons gekoppeld met het systeem.

Na het aanzetten van het contact worden een telefoon in de telefoonhouder en een Bluetooth telefoon op verschillende wijze door het systeem herkend.

Bluetooth telefoon

Nadat een Bluetooth telefoon met het systeem is gekoppeld, wordt deze de actieve telefoon. Raadpleeg voor meer informatie het menu van de telefoon.

In sommige gevallen moet de Bluetooth telefoon eerst worden geactiveerd door de betreffende voorkeuzetoets van de audio-installatie of het navigatiesysteem te drukken.

Wanneer het contact weer wordt aangezet, wordt de verbinding met de laatst actieve telefoon door het systeem hersteld.

Een andere Bluetooth telefoon koppelen

N.B.: Voordat een andere Bluetooth telefoon kan worden gekoppeld, moet de bestaande actieve Bluetooth telefoon worden uitgeschakeld.

Koppel een nieuwe Bluetooth telefoon zoals is beschreven onder 'Eisen voor een Bluetooth verbinding'.

Telefoons die in het systeem zijn opgeslagen zijn met behulp van de telefoonlijst op de audio-installatie of het navigatiesysteem toegankelijk.

N.B.: Wanneer zes (vijf Bluetooth telefoons voor systemen met een telefoonhouder) Bluetooth telefoons zijn gekoppeld, moet één hiervan vervallen om een nieuwe telefoon te kunnen koppelen.

Telefoon in telefoonhouder

Wanneer uw telefoon zich in de telefoonhouder bevindt, wordt deze niet automatisch de actieve telefoon.

Raadpleeg in dergelijke gevallen Van actieve telefoon veranderen in het betreffende hoofdstuk waarin het systeem waarmee uw wagen is uitgerust wordt beschreven.

SETUP BLUETOOTH

Voordat u uw telefoon kunt gebruiken moet deze worden gekoppeld aan het telefoonsysteem in de wagen.

Telefoons bedienen

Een telefoon kan in de auto worden aangesloten met behulp van een telefoonhouder of een Bluetooth verbinding.

Bij wagens met een telefoonhouder, kunnen maximaal vijf Bluetooth telefoons met het systeem in de auto worden gekoppeld.

Bij wagens zonder telefoonhouder, kunnen maximaal zes Bluetooth telefoons met het systeem in de auto worden gekoppeld.

N.B.: Wanneer met de telefoon die als de nieuwe actieve telefoon wordt geselecteerd een gesprek wordt gevoerd, wordt het gesprek doorgeschakeld naar de audio-installatie in de wagen.

N.B.: Zelfs wanneer uw telefoon aan een systeem in de wagen is gebonden, kan deze nog op de gebruikelijke wijze worden gebruikt.

Eisen voor een Bluetooth verbinding

Het volgende is vereist voordat met een Bluetooth telefoon een verbinding tot stand kan worden gebracht.

  1. De Bluetooth functie moet op de telefoon en op de audio-installatie zijn ingeschakeld. Raadpleeg voor meer informatie de handleiding van uw telefoon.
  2. De privé modus op de Bluetooth telefoon moet zijn geactiveerd.
  3. Zoek de audio-installatie op.
  4. Selecteer Ford Audio.
  5. Het Bluetooth PIN nummer 0000 moet via de toetsen op de telefoon worden ingevoerd.

N.B.: Wanneer het audio- of navigatiesysteem wordt uitgeschakeld, wordt een telefoongesprek verbroken. Wanneer de contactsleutel in de stand '0' wordt gezet, blijft de telefoonverbinding behouden.

Compatibiliteit van telefoontoestellen

LET OP

FORD Transit (2008) - LET OP - 1

Omdat er geen algemene overeenkomst bestaat, kunnen fabrikanten van mobiele telefoons een groot aantal profielen in hun Bluetooth apparaten implementeren. Daardoor is het mogelijk dat een telefoon niet compatible met een handsfree systeem is, waardoor in sommige gevallen de prestaties van het systeem aanzienlijk worden beperkt. Om dit te voorkomen moeten alleen aanbevolen telefoons worden gebruikt. Neem voor meer informatie over de actuele lijst met geschikte telefoontoestellen contact op met uw dealer.

Telefoontoestellen met een Symbian bedieningssysteem

N.B.: Om via Bluetooth toegang tot het telefoonboek te kunnen krijgen moet voor bepaalde telefoons eerst een speciaal bestand worden geinstalleerd. Dit bestand wordt een SIS bestand genoemd is via de Ford website beschikbaar. Raadpleeg uw dealer voor uitgebreide informatie.

BEDIENINGSELEMENTEN TELEFOON

Oproepen beëindigen of weigeren

Door op een van de diverse functietoetsen op de audio-installatie of het navigatiesysteem te drukken (bijvoorbeeld: AM/FM, CD/AUX) kunnen actieve gesprekken worden beeindigd of oproepen worden geweigerd.

Afstandsbediening

Uw auto kan zijn uitgerust met één van de diverse typen afstandsbedieningen:

Voice en mode toets
1 VOL+ VOICE MODE SEEK 2 VOL- E87661

Voice toets1
Mode toets2

Oproepen kunnen worden beantwoord door eenmaal op de MODE toets te drukken of worden beeindigd door er tweemaal op te drukken.

Voice en beantwoorden/weigeren toets

1 2 VOICE

E87662

Voice toets1

Beantwoorden/weigeren toets2

Met de VOICE toets wordt de spraakbesturing in- of uitgeschakeld.

Bij wagens met een

beantwoorden/weigeren toets kunnen telefoongesprekken worden beantwoord of geweigerd door op de juiste toets te drukken.

N.B.: Sommige audio-installaties hebben beantwoorden/weigeren toetsen op het front. Deze werken op dezelfde wijze.

Mode toets op het stuurwiel

M

E87663

Alleen Mode toets

FORD Transit (2008) - Alleen Mode toets - 1

Bij uitvoeringen zonder een VOICE toets wordt de MODE toets op de afstandsbediening gebruikt om de spraakbesturing in en uit te schakelen.

N.B.: Tijdens een oproep of een actief gesprek kunt u niet met de MODE toets de spraakbesturing activeren.

U kunt niet met de MODE toets de audio-installatie bedienen.

GEBRUIK MAKEN VAN DE TELEFOON - AUTO'S ZONDER NAVIGATIESYSTEEM

In dit hoofdstuk worden de telefoonfuncties van de audio-unit beschreven.

N.B.: Raadpleeg de handleiding van de audio-unit voor meer informatie over de bedieningsorganen.

Er moet een actieve telefoon aanwezig zijn.

Zelfs wanneer uw telefoon op de audio-unit is aangesloten, kan de telefoon op de gebruikelijke wijze worden gebruikt.

N.B.: U kunt het telefoonmenu verlaten door op de CD, AM/FM of AUX toets te drukken.

Bellen

Een nummer kiezen

U kunt toegang tot uw telefoonboekadres krijgen met hetzij de telefoon in de telefoonhouder of via Bluetooth. De namen en nummers verschijnen op het display van de audio-unit.

  1. Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'.
  2. Druk op de MENU toets.
  3. Houd de MENU toets ingedrukt tot PHONEBOOK verschijnt.
  4. Druk op de zoektoetsen om het gewenste telefoonnummer te selecteren.

N.B.: Houd de zoektoets ingedrukt om naar de volgende letter van het alfabet te gaan.

  1. Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden' om het geselecteerde telefoonnummer te bellen.

Wanneer u over een audio-unit met een telefoontoetsenbord (toetsen 0-9, * en #) beschikt, dan kunt u ook direct kiezen door het nummer via het toetsenbord op het radiodisplay in te voeren en op de toets 'beantwoorden' te drukken:

  1. Druk op de toets 'beantwoorden'.
  2. Kies het nummer met het toetsenbord op de audio-unit.
  3. Druk op de toets 'beantwoorden'.

N.B.: Wanneer u bij het kiezen van een telefoonnummer een onjuist cijfer intoetst, druk dan op de toets 'neerwaarts zoeken' om het laatste cijfer te wissen. Wanneer de toets lang wordt ingedrukt, wordt de complete serie cijfers gewist.

Houd de 0 ingedrukt om een + in te toetsen.

Een gesprek beëindigen

Gesprekken kunnen worden beeindigd door hetzij:

  • op één van de volgende toetsen van de audio-unit te drukken: PHONE, CD, AM/FM of ON/OFF
    • op de MODE toets op de afstandsbediening drukken
    • op de toets 'weigeren' te drukken.

N.B.: Wanneer u over een audio-unit met een telefoontoetsenbord beschikt, kunt u een telefoongesprek alleen beeindigen door op de toets 'weigeren' te drukken.

Een nummer herhalen

  1. Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'.
  2. Druk op de MENU toets.
  3. Selecteer de lijst CALL OUT of de lijst CALL IN.

N.B.: Wanneer de actieve telefoon niet over een lijst met laatst gekozen nummers beschikt, wordt het laatst gekozen nummer weergegeven.

  1. Druk op de zoektoets op de audiounit.

  2. Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden' om het gewenste telefoonnummer te bellen.

Laatst gekozen nummer opnieuw bellen

N.B.: Dit geldt alleen voor audio-units met een telefoontoetsenbord

  1. Druk op de toets 'beantwoorden'.
  2. Druk opnieuw op de toets 'beantwoorden' om het laatst gekozen nummer weer te geven.
  3. Druk voor de derde maal op de toets 'beantwoorden' om het nummer te bellen.

Een oproep ontvangen

Een oproep beantwoorden

Oproepen kunnen worden beantwoord door hetzij:

• op de PHONE toets te drukken
• op de MODE toets op de afstandsbediening drukken
• op de toets 'beantwoorden' te drukken

Een oproep weigeren

Oproepen kunnen worden geweigerd door hetzij:

• op de toets 'weigeren' te drukken
• op de CD toets te drukken
• op de AM/FM toets te drukken.

N.B.: Wanneer u over een audio-unit met een telefoontoetsenbord beschikt, kunt u een telefoongesprek alleen weigeren door op de toets 'weigeren' te drukken.

N.B.: U kunt geen oproep met behulp van de afstandsbediening weigeren.

Een tweede oproep beantwoorden

N.B.: De wachtfunctie op uw telefoon moet zijn geactiveerd.

Wanneer er tijdens een gesprek een tweede oproep binnenkomt, klinkt er een 'piep' en kunt u het actieve gesprek in de wachtstand plaatsen en de tweede oproep beantwoorden.

Een tweede oproep beantwoorden

Tweede oproepen kunnen worden beantwoord door hetzij:

• op de toets 'beantwoorden' te drukken
• op de MODE toets op de afstandsbediening drukken
• op de PHONE toets te drukken

N.B.: Hierdoor wordt het actieve gesprek beëindigd.

Een tweede oproep weigeren

Tweede oproepen kunnen worden geweigerd door hetzij:

• op de toets 'weigeren' te drukken
• op de CD toets te drukken
• op de AM/FM toets te drukken.

N.B.: Wanneer u over een audio-unit met een telefoontoetsenbord beschikt, kunt u een telefoongesprek alleen weigeren door op de toets 'weigeren' te drukken.

Van actieve telefoon veranderen

N.B.: Voordat telefoons kunnen worden geactiveerd moeten ze aan het systeem worden gekoppeld.

Met behulp van de voorkeuzetoetsen

  1. Druk op de PHONE toets op de audio-unit.
  2. Druk op de gewenste voorkeuzetoets (gebruik voorkeuzetoetsen 1 - 6).
    N.B.: Deze procedure geldt alleen voor audio-units met een telefoontoetsenbord.

Met behulp van het menu op de audio-unit

  1. Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'.
  2. Druk op de MENU toets op de audio-unit.
  3. Selecteer de ACTIVE PHONE optie op de audio-unit.

  4. Rol met behulp van de zoektoetsen door de verschillende opgeslagen telefoons om de gekoppelde telefoons weer te geven.

  5. Druk op de MENU toets om de telefoon te selecteren die de actieve telefoon moet worden.

N.B.: Nadat een Bluetooth telefoon met het systeem is gekoppeld, wordt deze de actieve telefoon.

Gekoppelde telefoon ontkoppelen

Een gekoppelde telefoon kan op elk gewenst moment uit het systeem worden gewist, behalve wanneer met deze telefoon een gesprek wordt gevoerd.

  1. Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'.
  2. Druk op de MENU toets op de audio-unit.
  3. Selecteer de optie DEBOND op de audio-unit.
  4. Rol met behulp van de zoektoetsen door de verschillende telefoons om de te ontkoppelen telefoon weer te geven.
  5. Druk op de MENU toets om de telefoon te selecteren die moet worden ontkoppeld.

GEBRUIK MAKEN VAN DE TELEFOON - AUTO'S MET TRAVEL PILOT EX

In dit hoofdstuk worden de telefoonfuncties van het TravelPilot EX navigatiesysteem beschreven.

N.B.: Raadpleeg de handleiding van uw TravelPilot EX navigatiesysteem voor meer informatie over de bedieningstoetsen.

Er moet een actieve telefoon aanwezig zijn.

Zelfs wanneer uw telefoon met het TravelPilot EX navigatiesysteem is gekoppeld, kan deze nog op de gebruikelijke wijze worden gebruikt.

Opbellen

Een nummer kiezen - telefoon in telefoonhouder

Wanneer u de telefoon in de telefoonhouder gebruikt, heeft u toegang tot het telefoonboek in uw mobiele telefoon. De namen en nummers verschijnen op het display van de TravelPilot EX.

  1. Druk op de PHONE toets op de audio-installatie.
  2. Maak gebruik van de TELEFOONBOEK optie in het menu.
  3. Kies het netnummer.
  4. Selecteer met de rechter draaiknop het gewenste telefoonnummer.
  5. Door op de INFO toets te drukken wordt meer informatie over het adres in het telefoonboek weergegeven.
  6. Druk op de rechter draaiknop.

Een nummer kiezen - telefoon met Bluetooth

Bij een Bluetooth telefoon kunnen de telefoonnummers met behulp van Voice Control worden gekozen, raadpleeg het hoofdstuk Voice Control.

Een gesprek beëindigen

Gesprekken kunnen worden beëindigd door hetzij:

• op de toets 'weigeren' te drukken
• op de MODE toets op de afstandsbediening drukken

• op de OFF toets op het navigatiesysteem te drukken
• op de rechter draaiknop te drukken.

Een nummer herhalen - telefoon in telefoonhouder

  1. Druk op de PHONE toets op de audio-installatie.
  2. Druk op de MENU toets.
  3. Selecteer de UITGAANDE GESPR. lijst, de INKOMENDE GESPR. lijst of OPNIEUW BEL.
  4. Druk op de PHONE toets op de audio-installatie om het gewenste telefoonnummer te kiezen.

Een nummer herhalen - telefoon met Bluetooth

  1. Druk op de PHONE toets op de audio-installatie.
  2. Druk op de MENU toets.
  3. Kies OPNIEUW BEL.
  4. Druk op de PHONE toets op de audio-installatie om het telefoonnummer te kiezen.

Een oproep beantwoorden

Een oproep beantwoorden

Oproepen kunnen worden beantwoord door hetzij:

• op de toets 'beantwoorden' te drukken
• op de MODE toets op de afstandsbediening drukken
• op de PHONE toets op de audio-installatie te drukken
- met behulp van de AANNEMEN optie in het menu.

Een oproep weigeren

Oproepen kunnen worden geweigerd door hetzij:

• op de toets 'weigeren' te drukken
- op één van de volgende toetsen van de audio-installatie te drukken: CD, AM/FM
- met behulp van de AFWIJZEN optie in het menu.

N.B.: U kunt geen oproep met behulp van de MODE toets op de afstandsbediening weigeren.

Een tweede oproep beantwoorden

N.B.: De wachtfunctie op uw telefoon moet zijn geactiveerd.

Wanneer er tijdens een gesprek een tweede oproep binnenkomt, klinkt er een 'piep' en kunt u het actieve gesprek in de wachtstand plaatsen en de tweede oproep beantwoorden.

Een tweede oproep beantwoorden

Tweede oproepen kunnen worden beantwoord door hetzij:

• op de toets 'beantwoorden' te drukken
• op de MODE toets op de afstandsbediening drukken.
• op de PHONE toets op de audio-installatie te drukken.
• met behulp van de AANNEMEN optie in het menu.

N.B.: Hierdoor wordt het actieve gesprek beëindigd.

Een tweede oproep weigeren

Tweede oproepen kunnen worden geweigerd door hetzij:

• op de reject toets te drukken
- op één van de volgende toetsen op de audio-installatie te drukken: CD, AM/FM.

Van actieve telefoon veranderen

N.B.: Voordat telefoons kunnen worden geactiveerd moeten ze aan het systeem worden gekoppeld.

  1. Druk op de PHONE toets op de audio-installatie.
  2. Selecteer met behulp van de ACTIEVE TELEFOON optie in het menu met de voorkeuzetoetsen de actieve telefoon uit de lijst.

Gekoppelde telefoon ontkoppelen

Een gekoppelde telefoon kan op elk gewenst moment uit het systeem worden gewist, behalve wanneer met deze telefoon een gesprek wordt gevoerd.

  1. Druk op de PHONE toets op de audio-installatie.
  2. Selecteer de AFMELDEN optie in het menu.
  3. Selecteer de telefoon uit de lijst met behulp van de voorkeuzetoetsen.

N.B.: Nadat een Bluetooth telefoon met het systeem is gekoppeld, wordt deze de actieve telefoon.

In sommige gevallen moet de Bluetooth telefoon eerst worden geactiveerd door de betreffende voorkeuzetoets van de audio-installatie of het navigatiesysteem te drukken.

WERKING

Met spraakbesturing kunt u de audio-installatie bedienen zonder dat uw aandacht van de weg wordt afgeleid om bijvoorbeeld instellingen te veranderen of om reacties van het systeem te ontvangen.

Wanneer u bij geactiveerd systeem één van de gedefinieerde spraaklabels gebruikt, zet het spraakbesturingssysteem uw spraaklabel om in een bedieningssignaal voor de audio-installatie. Uw spraaklabels nemen de vorm van dialogen of commando's aan. U wordt door mededelingen of vragen door deze dialogen geleid.

Maak uzelf vertrouwd met de functies van de audio-installatie voordat u het spraakherkenningsysteem gaat gebruiken.

N.B.: Wanneer Bluetooth en spraakbesturing gedurende langere tijd bij stilstaande wagen worden gebruikt, laat dan de motor stationair draaien om te voorkomen dat de accu wordt ontladen.

Ondersteunde commando's

Met het spraakbesturingssysteem kunt u de volgende systemen in de wagen bedienen:

  • telefoon
  • radio
  • CD-speler
  • klimaatregeling
  • navigatiesysteem.

N.B.: Het spraakbesturingssysteem is een taalgevoelig systeem. Wanneer u wenst dat het systeem in een andere taal werkt, raadpleeg dan uw dealer.

Reactie van het systeem

Wanneer u een gesproken commando geeft, antwoordt het systeem telkens met een piep wanneer het gereed is om door te gaan.

Probeer geen nieuwe commando's te geven voordat u de piep hebt gehoord. Het spraakbesturingssysteem herhaalt elk gesproken commando.

Wanneer u niet precies weet hoe u moet doorgaan, zeg dan "HELP" voor hulp of "CANCEL" wanneer u niet wilt doorgaan.

De "HELP" functie biedt u alleen een verzameling van de beschikbare commando's. Gedetailleerde uitleg over alle mogelijke gesproken commando's kunt u op de volgende bladzijden vinden.

Gesproken commando's

Alle commando's moeten op natuurlijke wijze worden uitgesproken, alsof u tot een passagier spreekt of een telefoongesprek voert. Uw stemvolume moet afhankelijk zijn van omgevingsgeluiden in of buiten de auto, maar schreeuw niet.

Spraaklabel

Het spraaklabel kan de telefoon, de audio-installatie en het navigatiesysteem ondersteunen door gebruik te maken van de "STORE NAME" functie (naam opslaan).

  • Sla maximaal 20 actieve spraaklabels per functie op.
  • De gemiddelde opnametijd per spraaklabel bedraagt ongeveer 2 tot 3 seconden.

Werking van het systeem

De volgorde en de inhoud van de spraaklabels zijn in de volgende lijst weergegeven. De tabel toont de volgorde van de spraaklabels van de gebruiker en de reacties van het systeem die voor iedere functie beschikbaar zijn.

<> duidt een nummer of opgeslagen spraaklabel aan, die door de gebruiker moet worden opgeslagen.

Short cuts

Er zijn een aantal gesproken woorden (short cuts) mogelijk, waarmee u enkele functies van de auto kunt regelen zonder het complete commandomenu te hoeven volgen. Dit zijn:

  • telefoon: "MOBILE NAME" 1 , "DIAL NUMBER", "DIAL NAME" en "REDIAL"
    • CD-speler: "DISC" en "TRACK"
  • klimaatregeling: "TEMPERATURE", "FAN", "AUTO MODE", "DEFROSTING/DEMISTING ON" en "DEFROSTING/DEMISTING OFF"
    • radio: "TUNE NAME"
  • navigatie: "ZOOM" en "ROUTE SETTING".

1) Alleen wanneer een mobiele telefoon met Bluetooth en spraaksturing (voice control) is aangesloten.

Communicatie met het systeem starten

Voordat u kunt beginnen met het systeem toe te spreken moet u voor iedere handeling eerst op de VOICE of de MODE toets drukken en wachten tot het systeem met een piep antwoordt.

+VOL+ VOICE MODE SEEK +VOL- +VOICE ←→ SEEK +VOL+ MODE VOL-

E87665

COMMANDO'S AUDIO-UNIT

CD-speler/ CD-wisselaar

Met behulp van Voice Control kunt u direct een CD of een nummer kiezen.

Overzicht

Het overzicht toont de beschikbare gesproken commando's voor het bedienen van uw CD-speler. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu.

Spraksturing

a) Kan alleen worden gebruikt voor een CD-wisselaar.
b) Kan als short cut worden gebruikt.

CD

Wanneer u een CD-wisselaar hebt, kunt u het nummer van de CD kiezen

Systeem antwoordtGebruiker z
"CD""CD"1
2"DISC"a"DISC NUMBER PLEASE"
"DISC <nummer>"''<een getal tus

a) Kan als short cut worden gebruikt.

Muzieknummer

U kunt ook direct een muzieknummer op de CD kiezen.

Systeem antwoordtGebruiker z
"CD""CD"1
2"TRACK"a"TRACK NUMBER PLEASE"
"TRACK<nummer>"""

a) Kan als short cut worden gebruikt.

Spraksturing

Radio

De gesproken commando's ondersteunen de radiofuncties en u kunt met Voice Control op radiostations afstemmen.

Overzicht

Het overzicht toont de beschikbare gesproken commando's voor de bediening van uw radio. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu.

a) Kan als short cut worden gebruikt.

Afstemfrequentie

Met deze functie kunt u met gesproken commando's afstemmen op radiostations.

Systeem antwoordtGebruiker zeg
"RADIO""RADIO"1
"FREQUENCY PLEASE""AM"2
"FREQUENCY PLEASE""FM"
"TUNE"""3

Naam opslaan

Wanneer u op een radiostation hebt afgestemd, kunt u deze met een naam in het bestand opslaan.

Spraksturing

Systeem antwoordtGebruiker z
"RADIO""RADIO"1
"STORE NAME""STORE NAME""NAME PLEASE"
"REPEAT NAME PLEASE""3
"STORING NAME""4"STORED"

Afstemmen op naam

Met deze functie kunt u op een opgeslagen radiostation afstemmen.

Systeem antwoordtGebruiker z
"RADIO""RADIO"1
2"TUNE NAME"a"NAME PLEASE"
"TUNE"3

a) Kan als short cut worden gebruikt.

Naam wissen

Met deze functie kunt u een opgeslagen radiostation wissen

Systeem antwoordtGebruiker z
"RADIO""RADIO"1
"NAME PLEASE""DELETE NAME
"DELETE<naam>"""3"CONFIRM YES OR NO"
"DELETED""YES"4
"NO""COMMAND CANCELLED"

Spraksturing

Bestand afspelen

Met deze functie kunt u het systeem alle opgeslagen radiostations laten opnoemen.

Systeem antwoordtGebruiker zeg
"RADIO""RADIO"1
"PLAY" "PLAY DIRECTC

Bestand wissen

Met deze functie kunt u alle opgeslagen radiostations wissen.

Systeem antwoordtGebruiker zeg
"RADIO""RADIO"1
"DELETE DIRECTORY""DELETE DIREC"CONFIRM YES OR NO"
"RADIO DIRECTORY DELETED""YES"3
"COMMAND CANCELLED""NO"

COMMANDO'S TELEFOON

Telefoon

Met uw telefoonsysteem kunt u een extra telefoonboek aanleggen. De opgeslagen nummers kunnen met behulp van Voice Control worden gekozen.

Telefoonnummers, die met behulp van Voice Control zijn opgeslagen, worden in het systeem van de auto opgeslagen en niet in dat van uw telefoon.

Overzicht

Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's voor het telefoonsysteem. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu.

"PHONE"
"HELP"
"MOBILE NAME"a, b
"DIAL NUMBER"a

Spraksturing

"PHONE"
"DIAL NAME"a
"DELETE NAME"
"DELETE DIRECTORY"
"PLAY DIRECTORY"
"STORE NAME"
"REDIAL"a
"ACCEPT CALLS"
"REJECT CALLS"

a) Kan als short cut worden gebruikt.
b) Alleen mogelijk bij mobiele telefoons die met Bluetooth zijn aangesloten en voorzien zijn van Voice Control en opgeslagen spraaklabels.

Een telefoonboek aanleggen

Naam opslaan

Nieuwe spraaklabels kunnen worden opgeslagen met het commando "STORE NAME". Deze eigenschap kan worden gebruikt voor het kiezen van een nummer door de naam in plaats van het complete telefoonnummer uit te spreken.

Systeem antwoordtGebruiker z
"PHONE""PHONE"1
"STORE NAME""STORE NAME""NAME PLEASE"
"REPEAT NAME PLEASE""
"STORING NAME"""4"STORED""NUMBER PLEASE"
""
"STORING NUMBER""STORE"6"

Spraksturing

Systeem antwoordtGebruiker zeg
"NUMBER STORED"

Naam wissen

Opgeslagen namen kunnen ook uit het bestand worden gewist.

Systeem antwoordtGebruiker zeg
"PHONE""PHONE"1
"NAME PLEASE""DELETE NAME"2
"DELETE""3"CONFIRM YES OR NO"
""DELETED""YES"4
"COMMAND CANCELLED""NO"

Bestand afspelen

Gebruik deze functie om het systeem alle opgeslagen namen en nummers te laten opnoemen.

Systeem antwoordtGebruiker zeg
"PHONE""PHONE"1
"PLAY DIRECTORY""PLAY DIRECTO

Bestand wissen

Met deze functie kunt u alle ingevoerde gegevens in één keer wissen.

Systeem antwoordtGebruiker zeg
"PHONE""PHONE"1
"DELETE DIRECTORY""DELETE DIRECT"CONFIRM YES OR NO"
"YES"3"PHONE DIRECTORY DELETED"

Spraksturing

Systeem antwoordtGebruiker z
"COMMAND CANCELLED""NO"

Telefoonfuncties

Naam mobiele telefoon

Met deze functie kunt u met een spraaklabel toegang krijgen tot de in uw mobiele telefoon opgeslagen telefoonnummers.

Systeem antwoordtGebruiker z
"PHONE""PHONE"1
2"MOBILE NAME"a, b"MOBILE NAME" "<telefoonafhan-kelijke dialoog>"

a) Kan als short cut worden gebruikt.

b) Alleen wanneer een mobiele telefoon met Bluetooth en Voice Control is aangesloten (afhankelijk van de mobiele telefoon).

Nummer kiezen

Nadat het spraaklabel is uitgesproken kunnen telefoonnummers worden gekozen.

Systeem antwoordtGebruiker z
"PHONE""PHONE"1
2"DIAL NUMBER"a"NUMBER PLEASE"
"<telefoonnummer>""<telefoonnur CONTINUE?"
"DIALLING""DIAL"4
"CORRECTION""<laatste deel van nummer herhalen>CONTINUE?"

a) Kan als short cut worden gebruikt.

Spraksturing

Naam kiezen

Nadat het spraaklabel is uitgesproken kunnen telefoonnummers worden gekozen.

Systeem antwoordtGebruiker zeg
"PHONE""PHONE"1
2"DIAL NAME"a"NAME PLEASE"
"DIAL<naam>"""3"CONFIRM YES OR NO"
"DIALLING""YES"4
"COMMAND CANCELLED""NO"

a) Kan als short cut worden gebruikt.

Nummer herhalen

Deze functie maakt het mogelijk het laatst gekozen nummer te herhalen.

Systeem antwoordtGebruiker zeg
"PHONE""PHONE"1
2"REDIAL"a"REDIAL" "CONFIRM YES OR NO"
"DIALLING""YES"3
"COMMAND CANCELLED""NO"

a) Kan als short cut worden gebruikt.

DTMF ('Tone' instelling)

Deze functie zet gesproken nummers om in DTMF tonen, bijvoorbeeld voor het op afstand bedienen van het antwoordapparaat bij u thuis.

N.B.: DTMF kan alleen worden gebruikt tijdens een telefoongesprek. Druk op de VOICE of de MODE toets en wacht op het teken van het systeem.

Systeem antwoordtGebruiker zeg
"NUMBER PLEASE"1
Systeem antwoordtGebruiker z
2"<cijfers 1 tot en met 9, nul, hekje, sterretje>"

Hoofdinstellingen

Oproepen beantwoorden en weigeren

Oproepen kunnen met Voice Control worden beantwoord of geweigerd.

Systeem antwoordtGebruiker z
"PHONE""PHONE"1
"ACCEPT CALLS""ACCEPT CALL
"REJECT CALLS""REJECT CALL

COMMANDO'S NAVIGATIESYSTEEM

Raadpleeg de afzonderlijke handleiding van het navigatiesysteem voor meer informatie over de commandomenu's.

COMMANDO'S KLIMAATREGELING

Klimaat

Met gesproken commando's voor de klimaatregeling kunnen het aanjagertoerental, de temperatuur en de modus worden ingesteld. Niet alle functies zijn in alle autotypen beschikbaar.

Overzicht

Het overzicht toont de beschikbare gesproken commando's voor de bediening van het klimaatregelsysteem. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu.

a) Kan als short cut worden gebruikt. Bij auto's met een Engelse taalmodule is de short cut "FAN" niet beschikbaar.

Aanjager

Met deze functie kunt u het aanjagertoerental instellen.

Systeem antwoordtGebruiker zeg
"CLIMATE""CLIMATE"1
2"FAN"a"FAN SPEED PLEASE"
3"FAN MINIMUM""MINIMUM"
"FAN <getal>"" <een getal tussen "
"FAN MAXIMUM""MAXIMUM"

a) Kan als short cut worden gebruikt. Bij auto's met een Engelse taalmodule is de short cut "FAN" niet beschikbaar.

Ontdooien/ontwasemen

Systeem antwoordtGebruiker zeg
"CLIMATE""CLIMATE"1
2"DEFROSTING/DEMISTING ON"a"DEFROSTING/DEMISTING ON"
"DEFROSTING/DEMISTING OFF"a"DEFROSTING/DEMISTING OFF"

a) Kan als short cut worden gebruikt.

Temperatuur

Met deze functie kunt u de temperatuur instellen.

Systeem antwoordtGebruiker z
"CLIMATE""CLIMATE"1
2"TEMPERATURE"a"TEMPERATURE PLEASE"
3"TEMPERATURE MINIMUM""MINIMUM"
"<een getal tussen 15 en 29 °C met stappen van 0,5>" of "<een getal tussen 59 en 84 °F>""TEMPERATURE"
"TEMPERATURE MAXIMUM""MAXIML"

a) Kan als short cut worden gebruikt.

Automatische modus

Systeem antwoordtGebruiker z
"CLIMATE""CLIMATE"1
2"AUTO MODE"a"AUTO MODE"

a) Kan als short cut worden gebruikt. Kan worden uitgeschakeld door een andere temperatuur of een ander aanjagertoerental in te stellen.

TYPEGOEDKEURINGEN

FCC/INDUSTRY CANADA NOTICE

Het apparaat voldoet aan Deel 15 van de FCC-regelgeving. Bediening is onderhevig aan de volgende twee voorwaarden: (1) dit apparaat mag geen schadelijke interferentie veroorzaken en (2) dit apparaat moet ontvangen interferentie accepteren (inclusief interferentie die kan leiden tot ongewenste bediening).

FCC ID: OW3RX-42

IC: 661AA-RX42

Het uitvoeren van wijzigingen of modificaties aan het apparaat zonder nadrukkelijke toestemming van de verantwoordelijke partij kan leiden tot vervallen van het recht op bediening van het apparaat.

RX-42 - Conformiteits-verklaring

Wij, de partij verantwoordelijk voor naleving, verklaren onder volledige verantwoordelijkheid dat het product Handset Integration RX-42 voldoet aan de vereisten van Council Directive 1999/5/EC. Een kopie van de Conformiteitsverklaring kunt u vinden op: www.nokia.com/phones/declaration_of_conformity

Het woord, het merk en de logo's Bluetooth zijn eigendom van Bluetooth SIG Inc. en de Ford Motor Company mag dergelijke merktekens onder licentie gebruiken. Namen van andere producten en bedrijven kunnen handelsmerken of handelsnamen van de respectieve eigenaren zijn.

Uw wagen is getest en gecertificeerd volgens de Europese wetgeving betreffende elektromagnetische comptabiliteit (EMC) (2004/104/EC). U dient ervoor te zorgen dat apparatuur die u heeft gemonteerd voldoet aan de betreffende lokale wetgeving. Laat apparatuur door goed geschoolde monteurs monteren.

Radiofrequentie (RF) zenders (bijv. mobiele telefoons, amateur radiozenders, enz.) mogen alleen in uw wagen worden gemonteerd, wanneer deze volledig voldoen aan de parameters die in de onderstaande tabel zijn weergegeven. Er zijn geen bijzondere voorzieningen of voorwaarden voor het monteren of gebruik.

Monteer geen zender/ontvangers, microfoons, luidsprekers en dergelijke in de ontvouwruimte van de airbags.

Bevestig geen antennekabels aan de originele bedrading, brandstofleidingen en remleidingen van de wagen.

Houd antennekabels en stroomdraden minimaal 100 mm weg van elektronische modules en airbags.

Bijlagen

1 2 3 4 5

E100566

Frequentie-band MHzin watt (piek RMS)AntenneplaatsenMaximum ui
1. 2. 350 W1 – 30
1. 2. 350 W30 – 54
1. 2. 350 W68 – 87,5
1. 2. 350 W142 – 176
1. 2. 350 W380 – 512
1. 2. 310 W806 – 940
806 – 940 2 W1 4. 5
1. 2. 310 W1200 – 1400
1. 2. 310 W1710 – 1885
1710 – 1885 1 W1 4. 5
1. 2. 310 W1885 – 2025
1885 – 2025 1 W1 4. 5
Frequentie-band MHzin watt (piek RMS)AntenneplaatsenMaximum uitga
Overal0,1 W2400 – 2500

1 Alleen voor GSM/3G mobiele telefoons met een patch antenne tegen de binnenzijde van de voorruit gemonteerd.

N.B.: Controleer na het monteren van een RF zender of deze niet de overige elektrische uitrusting in de wagen stoort, zowel in de standby- als in de zendmodus.

Controleer alle elektrische uitrusting:

• met het contact AAN
• bij draaiende motor
- tijdens een proefrit bij verschillende snelheden.

Controleer of de elektromagnetische velden die door de gemonteerde zender binnen het passagierscompartiment worden opgewekt niet de grenzen overschrijdt waaraan het menselijk lichaam mag worden blootgesteld, zoals gespecificeerd in EU richtlijn 2004/40/EC.

A

Aandrijfregeling (traction control)......95

Werking....95

Aandrijving op alle wielen (AWD)......88

Aanhangers trekken....108

Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN) 81

Aansluitpunten van de accu .....142

Aansteker....79

Accessoires Zie: Onderdelen en accessoires......5

Accu van de auto....141

Accu vervangen....142

Achterbank....75

Complete rugleuning naar voren kantelen....76

Een rugleuningdeel naar voren kantelen....76

Zittingen van achterbanken verwijderen....76

Achterruitwissers en -sproeiers......30

Ruitensproeier, achter....31

Wissen met intervallen....30

Wissen tijdens achteruitrijden....30

Achterste zijruiten....49

Achteruitkijkcamera....98 Werking....98

Achteruitkijkcamera gebruiken......98

Achteruitkijkcamera activeren....99

Achteruitkijkcamera deactiveren......101

Achteruitkijkcamera in- en uitschakelen....101

Display gebruiken....99

Afstandsbediening programmeren Zie: Programmeren van de afstandsbediening....18

Airconditioning Zie: Klimaatregeling......65

Akoestische waarschuwingssignalen en -indicaties....56

Informatiecentrum....56

Waarschuwing portier open....56

Alarm....25

Werking....25

Alarm inschakelen....26

Categorie 1 alarm....26

Perimeter alarm....26

Alarm uitschakelen....26

Categorie 1 alarm....26

Perimeter alarm....26

Algemene informatie over radiofrequencies....18

Anti Blokkeer Systeem (ABS) Zie: Remmen....90

Asbak....79

Seek (zoekfunctie)......28

Volume......27

Automatische snelheidsbegrenzer (ASL)....104

Werking....104

Automatische snelheidsbeperker (ASL) Zie: Automatische snelheidsbegrenzer (ASL)....104

Automatisch in- en uitschakelende ruitenwissers....29

Automatisch in- en uitschakelende verlichting....34

Auto op vier wielen slepen....124

B

Bandenreparatieset ....156

Algemene informatie....156

Bandenreparatieset gebruiken......156

Bandenspanning controleren....160

Oproepen beëindigen of weigeren......182

Bekerhouders....80

Bergen van de auto....124

Bescherming van inzittenden....13 Werking....13

Bevestigingspunten voor lading .....105

Extra steunen....107

Lading bevestigen....106

Bijlagen....202

Binnenspiegel....48

Brandstof en tanken....84

Technische specificatie....86

Brandstofkwaliteit......

Brandstofverbruik

Zie: 86

Brandstofverbruik 86

Buitenspiegels....47

C

CD-speler/ CD-wisselaar....190

Radio....192

Een telefoonboek aanleggen....195

Hoofdinstellingen....199

Telefoon....194

Telefoonfuncties....197

Componenten van veiligheidssysteem inspecteren....111

Veiligheidsgordels....111

Controle indicator onderhoud brandstofffilter....136

Controle koelvloeistofpeil

Zie: Motorkoelvloeistof controleren.....133

Controle oliepeil

Zie: Motorolie controleren....133

Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem....134

Bijvullen....134

Cruise control

Zie: Gebruik maken van snelheidsregeling (cruise control)....102

D

Dakrekken en bagagedragers......107

Imperiaal....107

Uitvoeringen met een nooduitgang......107

Dashboardkastje....80

De juiste zitpositie innemen....73

De motorkap openen en sluiten......127

Motorkap openen....127

Motorkap sluiten....127

De motor starten....82

E

Een benzinemotor starten....82

Koude of warme motor....82

Stationair toerental na het starten......82

Verzopen motor....82

Een dieselmotor starten....83

Koude of warme motor....83

Een wiel vervangen....149

Boordkrik....150

Kriksteunpunten, achter....152

Reservewiel....149

Voorste kriksteunpunten....151

Wiel aanbrengen....155

Wiel opbergen....155

Wiel verwijderen....154

Een zekering vervangen......114

Eerstehulpset....110

Bus....110

Gesloten bestelwagen, Kombi, Chassis Cabine, uitvoering met open laadbak....110

Ruit van bestuurdersportier automatisch openen....47

Elektrisch verstelbare buitenspiegels......48

Elektromagnetische compatibiliteit....202

Extra verwarming....68

Algemene informatie....68

Werkingsprincipe....69

Extra voedingsaansluitingen....79

F

Flessenhouder....81

G

Gebruik maken van aandrijfregeling (traction control)....95

Gebruik maken van de parkeerhulp....96

Gebruik maken van de telefoon ......

Een oproep beantwoorden....187

Een tweede oproep beantwoorden.....187

Gekoppelde telefoon ontkoppelen......188

Opbellen....186

Van actieve telefoon veranderen......188

Gebruik maken van snelheidsregeling (cruise control)....102

Cruise control inschakelen....102

Cruise control uitschakelen....103

Ingestelde snelheid opnieuw inschakelen....103

Ingestelde snelheid uitschakelen......103

Ingestelde snelheid veranderen......102

Snelheid instellen....102

Gebruik maken van stabiliteitsregeling....92

Gebruik van HLA 93

De HLA activeren....93

De HLA uitschakelen....94

Gebruik van sneeuwkettingen......161

Alle uitvoeringen....161

Uitvoeringen met voorwielaandrijving.....161

Gebruik van startkabels......141

Hulpstartkabels aansluiten....141

Motor starten....141

Gebruik van veiligheidsgordels tijdens zwangerschap....16

Gebruik van winterbanden....161

Gecodeerde sleutels....24

Gemaksfuncties....78

Gereduceerd motorvermogen .....109

Gevarendriehoek....110

Gloeilampentabel....45

Gloeilampen vervangen....37

Achterlichten....42

Achterlichtunits....40

Een koplamp verwijderen....37

Interieurverlichting, voor......43

Kentekenplaatverlichting....42

Leeslampen, voor......44

Markeringslichten op het dak......42

Mistlampen, voor....39

Richtingaanwijzers, voor......38

Stadslichten....38

Tredeverlichting....45

Zijknipperlichten....39

Zijmarkeringslampen....39

Gloeilampen vervangen

Zie: Gloeilampen vervangen....37

H

Handgeschakelde versnellingsbak.....88

De achteruit inschakelen....88

Handmatige klimaatregeling......66

Aanjager....66

Gerecirculeerde lucht....66

Interieur snel verwarmen....66

Luchtverdeelknop....66

Temperatuurregelknop....66

Ventilatie....67

Voorruit snel ontdooien en ontwasemen....66

Handrem Zie: Parkeerrem....90

Hill launch assist Zie: Gebruik van HLA ....93

HLA Zie: Gebruik van HLA ....93 Zie: Hill launch assist (HLA) ....93

Hoofdsteunen....77 Hoofdsteun instellen....77 Hoofdsteun verwijderen....77

Hoogte van veiligheidsgordels

afstellen....15

Veiligheidsgordel, achter....15

Veiligheidsgordel, voor......15

Hulpstartkabels

Zie: Gebruik van startkabels....141

|

Immobilisatiesysteem inschakelen.....24

Immobilisatiesysteem

Zie: Motorstartblokkering....24

Immobilisatiesysteem uitschakelen.....24

Infoberichten....59

Waarschuwingsberichten....59

Infodisplays....57

Algemene informatie....57

Informatiecentrum

Zie: Infodisplays....57

Inleiding....5

Inrijden....109

Banden....109

Motor....109

Remmen en koppeling....109

Instrumenten....50

Interieurverlichting....36

Leeslampen....37

Leeslampen - uitvoeringen met interieursensoren....36

Leeslampen - uitvoeringen zonder interieursensoren....36

Uitvoeringen met dubbele vergrendeling....36

ISOFIX verankeringspunten......147

Een kinderzitje met een veiligheidsgordel aan de bovenzijde bevestigen......147

K

Kaartjeshouders....78

Katalysator....84

Parkeren....85

Rijden met een auto met katalysator......84

Kindersloten....148

Kinderzitjes....143

Kinderzitjes voor verschillende gewichtsgroepen......143

Kleine lakschade repareren....140

Klimaatregeling......65

Werking....65

Klok....78

Auto's met klok in de audio- of navigatie-unit....78

Uitvoeringen met een instrumentengroep van het hoge uitrustingsniveau....78

Uitvoeringen met een instrumentengroep van het lage uitrustingsniveau....78

Koplamphoogte afstellen....35

Kort overzicht......6

L

Ladingsteunen

Zie: Dakrekken en bagagedragers.....107

Luchtroosters

Zie: Ventilatieroosters....65

M

Meters....50

Brandstofmeter....52

Instrumentengroep - hoog uitrustingsniveau....51

Instrumentengroep - laag uitrustingsniveau....50

Kilometerteller, dagteller en klok....52

Koelvloeistoftemperatuurmeter....52

Mistachterlichten....34

Motorkapslot

Zie: De motorkap openen en sluiten......127

Motorkoelvloeistof controleren......133

Bijvullen....134

Koelvloeistofpeil controleren....133

Motorolie controleren....133

Bijvullen....133

Het oliepeil controleren....133

Motorstartblokkering....24

Werking....24

Motor uitschakelen....83

Auto's met turbocompressor....83

N

Nooduitgang....110

Onderbrekingsschakelaar brandstoftoevoer....111

Veiligheidsschakelaar terugstellen......111

Onderdelen en accessoires....5

Onderhoud....126

Algemene informatie....126

Technische specificatie....137

Onderhoud van de accu....141

Opbergruimtes....81

Opbergruimte boven de voorruit......81

Opbergvak op dashboard....81

Over deze handleiding....5

Overzicht motorruimte......

Overzicht van symbolen....5

Symbolen in dit instructieboekje......5

Symbolen op uw auto....5

P

Parkeerhulp Zie: Gebruik maken van de parkeerhulp...96

Parkeerhulp....96 Werking....96

Parkeerrem....90 Handrem aantrekken....90

Handrem vrijzetten....90

Op een helling parkeren....90

Passagiersairbag uitschakelen....16 Airbag aan passagierszijde inschakelen....17

Airbag aan passagierszijde uitschakelen....16

Persoonlijke instellingen....62 Eenheden....63

Gongsignalen bij berichten....63

Menu Persoonlijke instellingen....62

Menu Persoonlijke instellingen - Exit......64

Overzicht van de schermen van het hoofdmenu....62

Taal instellen....62

Tijd instellen....62

Weergave klok....63

Wekker instellen....63

Plaatsen zekeringenhouders......112

Aansluitkast aan passagierszijde......113

Aansluitkast in motorcompartiment......113

Standaard relaiskast....112

Voorschakel-zekeringkast......112

Plaatsing van kinderzitjes......144

Programmeren van de afstandsbediening....18

R

Reinigen van binnenzijde auto....140 Instrumentenpaneelschermen, LCD-schermen, radioschermen....140

Veiligheidsgordels....140

Reinigen van buitenzijde auto....139

Achterruit reinigen....139

Chromen onderdelen reinigen......139

Koplampen reinigen....139

Onderhoud van de lak....139

Remmen....90 Werking....90

Richtingaanwijzers....35

Ruiten en spiegels....47

Ruitensproeiers Zie: Ruitenwissers en ruitensproeiers.....29

Ruitensproeiervloeistof controleren....136

Ruitenwisserbladen controleren......31

Ruitenwisserbladen vervangen......31

Ruitenwissers en ruitensproeiers......29

S

Schuifruiten....49

Setup Bluetooth....181 Compatibiliteit van telefoontoestellen.....182

Eisen voor een Bluetooth verbinding......181

Telefoons bedienen....181

Setup telefoon....179

Aansluiting met behulp van een telefoonhouder....179

Een andere Bluetooth telefoon koppelen....180

Telefoonboek....180

Telefoonboekcategorieën....180

Uw telefoon in de telefoonhouder plaatsen....179

Van een telefoon een actieve telefoon maken....180

Sleeppunten....124

Sleutels en afstandsbediening......18

Sloten....19

Sneeuwkettingen Zie: Gebruik van sneeuwkettingen......161

Snelheidsregeling (cruise control).....102 Werking.....102

Snelheidsregeling Zie: Snelheidsregeling (cruise control).....102

Specificatie-overzicht zekeringen.....114 Aansluitkast aan passagierszijde.....121

Aansluitkast in motorcompartiment......116

Extra zekeringen....123

Standaard relaiskast....119

Voorschakel-zekeringkast......114

Spiegels Zie: Ruiten en spiegels....47

Zie: Verwarmde ruiten en spiegels......68

Sprakgestuurd regelsysteem gebruiken....190 Werking van het systeem....190

Spraksturing....189 Werking....189

Staat na een aanrijding....111

Stabiliteits controle Zie: Gebruik maken van stabiliteitsregeling....92

Stabiliteitsregeling....91 Werking....91

Standverwarming Zie: Extra verwarming......68

Starten met hulpstartkabels Zie: Gebruik van startkabels....141

Stoelen....73

Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren....135 Bijvullen....135

Stuurwiel afstellen....27

Stuurwiel....27

T

Tanken 85

Tankklep....85

Technische specificaties....166 Technische specificatie....166

Telefoon Zie: Gebruik maken van de telefoon ...... Zie: Gebruik maken van de telefoon ....

Telefoon....179 Algemene informatie....179

Tips voor het rijden met ABS Zie: Tips voor rijden met ABS......90

Tips voor het rijden....109 Tips voor rijden met ABS....90

Traction control Zie: Gebruik maken van aandrijfregeling (traction control)....95

Transport....105 Algemene informatie....105

Tredeverlichting....37 Trekken van een aanhanger....108 Steile hellingen....108

Typegoedkeuringen....202 FCC/INDUSTRY CANADA NOTICE....202 RX-42 - Conformiteitsverklaring....202

V

Veiligheidsgordels vastmaken......14

Veiligheidsmaatregelen....84

Veiligheidsuitrusting voor kinderen....143

Velgen en banden....149 Algemene informatie....149 Technische specificatie....161

Ventilatie Zie: Klimaatregeling....65

Ventilatieroosters....65

Vergrendelen en ontgrendelen......19

Automatisch opnieuw vergrendelen......22

Automatisch vergrendelen....22

Dubbele vergrendeling....19

Een fase ontgrendeling....22

Portieren met de afstandsbediening vergrendelen en ontgrendelen....20

Portieren met de hendels vergrendelen en ontgrendelen....20

Portieren met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen....19

Programmeerbaar ontgrendelingssysteem......23

Slagvergrendeling....21

Twee fasen ontgrendeling....22

Zone opnieuw vergrendelen....23

Verlichtingsbediening....33

Standen van de lichtschakelaar......33

Verlichting....33

Versnellingsbak/transmissie......88

Versnellingsbak

Zie: Versnellingsbak/transmissie......88

Verwarmde ruiten en spiegels......68

Verwarmbare buitenspiegels......68

Verwarmbare ruiten......68

Verwarmde stoelen....77

Verwarming

Zie: Klimaatregeling....65

Verzorging van banden....160

Verzorging van de auto....139

Vierwielaandrijving (AWD)

Zie: Aandrijving op alle wielen (AWD)......88

Voertuigidentificatienummer (VIN).....165

Voertuig Identificatie Nummer (VIN)

Zie: Voertuigidentificatienummer (VIN).....165

Voertuigidentificatieplaatje......165

Voertuigidentificatie....165

Voorruitsproeiers....30

Voorruitwissers....29

Wissen met intervallen....29

Voorste mistlampen....34

Voorstoelen....73

Armsteun instellen....75

Hellingshoek van de rugleuning verstellen....75

Hellingshoek van de zitting verstellen.....74

Lendensteun afstellen....74

Stoel draaien....75

Stoelen naar voren en achteren schuiven....73

W

Waarschuwings- en

indicatielampen....52

Berichtenindicator......55

Controlelamp ABS....53

Controlelamp airbag....53

Controlelamp automatische snelheidsregeling....54

Controlelampen motor....54

Controlelamp onderhoudsbeurt......56

Controlelamp portier niet goed gesloten....54

Controlelamp regeling voor bergop rijden....55

Controlelamp remblokslijtage....53

Controlelamp remsysteem....53

Controlelamp schakeling....56

Controlelamp stabiliteitsregeling (ESP) en tractieregeling....56

Controlelamp voorgloeien....55

Instrumentengroep, hoog uitrustingsniveau....53

Instrumentengroep, laag uitrustingsniveau....52

Richtingaanwijzer....54

Waarschuwingsknipperlichten......35

Wagen wassen

Zie: Reinigen van buitenzijde auto......139

Wassen

Index

Zie: Reinigen van buitenzijde auto......139

Uitvoeringen met een dieselmotor......135

Winterbanden

Zie: Gebruik van winterbanden......161

Z

Zekeringen....112

Zitverhögers....146

Kinderzitje (groep 2)......146

Zitverhoger (groep 3)....146

Zonnekleppen....78

FORD Transit (2008) - Z - 1

FORD Transit (2008) - Z - 2

FORD Transit (2008) - Z - 3

Inhoudsopgave Klik op een titel om deze te openen
Handleidingassistent
Aangedreven door Anthropic
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : FORD

Model : Transit (2008)

Categorie : Automobiel