Transit (2008) - Automobiel FORD - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Transit (2008) FORD in PDF-formaat.
| Type product | Auto |
| Merk | Ford |
| Model | Transit (2008) |
| Categorie | Bedrijfswagen (bestelwagen/bus/kombi) |
| Motortypes | 2,3 l Duratec-HE (benzine), 2,2 l/2,4 l/3,2 l Duratorq-TDCi (diesel) |
| Transmissie | Handgeschakelde versnellingsbak (6 versnellingen, achteruit) |
| Aandrijving | Voorwielaandrijving, optioneel AWD (All Wheel Drive) |
| Veiligheidssystemen | ABS, ESP, tractiecontrole, front- en zij-airbags, gordelspanners, kinderzitjes (ISOFIX) |
| Exterieurverlichting | Koplampen H7 55/60W, mistlampen voor, LED-achterlichten, kentekenplaatverlichting |
| Interieur | Handmatige klimaatregeling, elektrische ruiten, centrale vergrendeling met afstandsbediening, audiosysteem met AUX-ingang |
| Extra functies | Cruise control, parkeerhulp, achteruitkijkcamera, programmeerbare standverwarming, spraakbediening, Bluetooth |
| Brandstoftank | Ongeveer 80 liter (afhankelijk van uitvoering) |
| Gewicht (leeg) | Ongeveer 1800-2500 kg (afhankelijk van variant) |
| Afmetingen (L x B x H) | Ca. 5-6 m x 2 m x 2-2,5 m (afhankelijk van uitvoering) |
| Onderhoud | Oliepeil, koelvloeistof, remvloeistof, bandenspanning controleren; ruitenwisserbladen en gloeilampen vervangen |
| Onderdelen | Originele Ford onderdelen aanbevolen; zekeringen zelf vervangbaar |
| Gebruiksaanwijzing | 216 pagina's, gratis PDF-download beschikbaar |
Veelgestelde vragen - Transit (2008) FORD
Gebruikersvragen over Transit (2008) FORD
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Transit (2008) - FORD en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Transit (2008) van het merk FORD.
GEBRUIKSAANWIJZING Transit (2008) FORD
FordTransit Instructieboekje
Feel the difference


De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor, specificaties, ontwerpen of onderdelen zonder voorafgaande kennisgeving of verplichtingen te wijzigen. Deze publicatie, of een deel daarvan, mag niet worden gereproduceerd of vertaald zonder onze toestemming. Fouten of omissies uitgesloten.
Alle rechten voorbehouden.
Onderdeelnummer: 8C1J-19A321-CA (CG3527nl) 02/2008 20080304101744
Inleiding
Over deze handleiding....5
Overzicht van symbolen....5
Onderdelen en accessoires....5
Kort overzicht
Kort overzicht....6
Bescherming van inzittenden
Werking....13
Veiligheidsgordels vastmaken......14
Hoogte van veiligheidsgordels afstellen....15
Gebruik van veiligheidsgordels tijdens zwangerschap....16
Passagiersairbag uitschakelen......16
Sleutels en afstandsbediening
Algemene informatie over radiofrequencies....18
Programmeren van de afstandsbediening....18
Sloten
Vergrendelen en ontgrendelen......19
Motorstartblokkering
Werking....24
Gecodeerde sleutels....24
Immobilisatiesysteem inschakelen.....24
Immobilisatiesysteem uitschakelen.....24
Alarm
Werking....25
Alarm inschakelen....26
Alarm uitschakelen....26
Stuurwiel
Stuurwiel afstellen....27
Ruitenwissers en ruiten- sproeiers
Voorruitwissers....29
Automatisch in- en uitschakelende ruitenwissers....29
Voorruitsproeiers....30
Achterruitwissers en -sproeiers......30
Ruitenwisserbladen controleren......31
Ruitenwisserbladen vervangen......31
Verlichting
Verlichtingsbediening....33
Automatisch in- en uitschakelende verlichting....34
Voorste mistlampen....34
Mistachterlichten....34
Koplamphoogte afstellen....35
Waarschuwingsknipperlichten......35
Richtingaanwijzers....35
Interieurverlichting....36
Tredeverlichting....37
Gloeilampen vervangen....37
Gloeilampentabel....45
Ruiten en spiegels
Achterste zijruiten....49
Instrumenten
Meters....50
Waarschuwings- en indicatielampen....52
Akoestische waarschuwingssignalen en -indicaties....56
Infodisplays
Algemene informatie....57
Infoberichten....59
Persoonlijke instellingen....62
Klimaatregeling
Werking....65
Ventilatieroosters....65
Handmatige klimaatregeling......66
Verwarmde ruiten en spiegels......68
Extra verwarming....68
Stoelen
De juiste zitpositie innemen....73
Voorstoelen....73
Achterbank....75
Hoofdsteunen....77
Verwarmde stoelen....77
Gemaksfuncties
Klok....78
Zonnekleppen....78
Kaartjeshouders....78
Aansteker....79
Asbak....79
Extra voedingsaansluitingen....79
Bekerhouders....80
Dashboardkastje....80
Opbergruimtes....81
Flessenhouder....81
Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN) 81
De motor starten
Een benzinemotor starten....82
Een dieselmotor starten....83
Motor uitschakelen....83
Brandstof en tanken
Veiligheidsmaatregelen....84
Brandstofkwaliteit - Benzine......84
Brandstofkwaliteit - Diesel....84
Katalysator....84
Tankklep....85
Tanken....85
Brandstofverbruik 86
Technische specificatie....86
Versnel- lingsbak/transmissie
Handgeschakelde versnellingsbak.....88
Aandrijving op alle wielen (AWD)......88
Remmen
Werking....90
Tips voor rijden met ABS....90
Parkeerrem....90
Stabiliteitsregeling
Werking....91
Gebruik maken van stabiliteitsregeling....92
Aandrijfregeling (traction control)
Werking....95
Gebruik maken van aandrijfregeling (traction control)....95
Parkeerhulp
Werking....96
Gebruik maken van de parkeerhulp....96
Achteruitkijkcamera
Werking....98
Achteruitkijkcamera gebruiken......98
Snelheidsregeling (cruise control)
Werking....102
Gebruik maken van snelheidsregeling (cruise control)....102
Automatische snelheidsbegrenzer (ASL)
Werking....104
Transport
Algemene informatie......105
Bevestigingspunten voor lading .....105
Dakrekken en bagagedragers......107
Aanhangers trekken
Trekken van een aanhanger......108
Tips voor het rijden
Inrijden....109
Gereduceerd motorvermogen .....109
Nooduitrusting
Eerstehulpset....110
Gevarendriehoek....110
Nooduitgang....110
Staat na een aanrijding
Onderbrekingsschakelaar brandstoftoevoer....111
Componenten van veiligheidssysteem inspecteren....111
Zekeringen
Plaatsen zekeringenhouders......112
Een zekering vervangen......114
Specificatie-overzicht zekeringen.....114
Bergen van de auto
Sleeppunten....124
Auto op vier wielen slepen....124
Auto op vier wielen slepen - AWD.....125
Onderhoud
Algemene informatie......126
De motorkap openen en sluiten......127
Overzicht motorruimte - 2,3 l Duratec-HE (MI4)....128
Overzicht motorruimte - 2,2 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel .....129
Overzicht motorruimte - 2,4 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel /3.2 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel.....131
Oliepeilstaaf - 2,3 l Duratec-HE (MI4)....132
Oliepeilstaaf - 2,2 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel ....132
Oliepeilstaaf - 2,4 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel /3.2 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel....133
Motorolie controleren....133
Motorkoelvloeistof controleren......133
Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem....134
Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren....135
Ruitensproeiervloeistof controleren....136
Technische specificatie......137
Verzorging van de auto
Reinigen van buitenzijde auto......139
Reinigen van binnenzijde auto......140
Kleine lakschade repareren....140
Accu van de auto
Onderhoud van de accu....141
Gebruik van startkabels....141
Accu vervangen....142
Aansluitpunten van de accu .....142
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
Kinderzitjes....143
Plaatsing van kinderzitjes......144
Zitverhogers....146
ISOFIX verankeringspunten....147
Kindersloten....148
Velgen en banden
Algemene informatie......149
Een wiel vervangen....149
Bandenreparatieset ....156
Verzorging van banden....160
Gebruik van winterbanden....161
Gebruik van sneeuwkettingen......161
Technische specificatie....161
Voertuigidentificatie
Voertuigidentificatieplaatje......165
Voertuigidentificatienummer (VIN).....165
Technische specificaties
Technische specificatie......166
Telefoon
Algemene informatie....179
Setup telefoon....179
Setup Bluetooth....181
Bedieningselementen telefoon......182
Gebruik maken van de telefoon - Auto's zonder Navigatiesysteem ....183
Gebruik maken van de telefoon - Auto's met Travel Pilot EX....186
Spraksturing
Werking....189
Sprakgestuurd regelsysteem gebruiken....190
Hartelijk dank voor het kiezen van een Ford. Wij raden u aan de tijd te nemen om uw auto goed te leren kennen door dit instructieboekje zorgvuldig te lezen. Hoe meer u van uw auto afweet, des te beter kunt u ermee omgaan en dat komt de veiligheid en het rijplezier ten goede.
N.B.: In deze handleiding worden de producteigenschappen en beschikbare opties van de gehele serie beschreven (soms zelfs wanneer deze nog niet algemeen verkrijgbaar zijn). Soms worden opties beschreven waarmee uw auto niet is uitgerust.
N.B.: Gebruik uw auto altijd volgens de geldende regels en wetgeving.
N.B.: Overhandig bij verkoop van uw auto dit instructieboekje aan de nieuwe eigenaar. Het instructieboekje is een onderdeel van de auto.
OVERZICHT VAN SYMBOLEN
Symbolen in dit instructieboekje
WAARSCHUWING

U riskeert de dood of ernstige verwonding van uzelf en anderen wanneer u niet de instructies
opvolgt waarop u door dit waarschuwingssymbool wordt geattendeerd.
LET OP

U riskeert beschadiging van uw auto wanneer u niet de instructies opvolgt waarop u door dit
waarschuwingssymbool wordt geattendeerd.
Symbolen op uw auto


Wanneer u deze symbolen ziet, lees dan eerst de betreffende instructies in dit instructieboekje en volg deze op voordat u iets aanraakt of probeert af te stellen.
ONDERDELEN EN ACCESSOIRES
Originele Ford onderdelen en accessoires zijn speciaal voor uw auto ontwikkeld. Wij wijzen erop dat niet-originele Ford onderdelen en accessoires niet door Ford zijn onderzocht en goedgekeurd tenzij expliciet door Ford is aangegeven. Wij kunnen niet instaan voor de geschiktheid van dergelijke producten. Wij raden u aan uw Ford dealer te vragen of onderdelen en accessoires geschikt zijn voor uw auto.
Kort overzicht
KORT OVERZICHT
Overzicht instrumentepaneel - wagens met links stuur

Kort overzicht
Overzicht instrumentepaneel - wagens met rechts stuur

A Schakelaar elektrisch bedienbare buitenspiegel. Zie Elektrisch verstelbare buitenspiegels (bladzijde 48).
B Lichtschakelaar. Zie Verlichtingsbediening (bladzijde 33).
C Multifunctionele hendel. Zie Richtingaanwijzers (bladzijde 35). Zie Verlichtingsbediening (bladzijde 33).
D Instrumentengroep. Zie Meters (bladzijde 50).
E Klok.
F Controlelamp AWD (All Wheel Drive). Zie Aandrijving op alle wielen (AWD) (bladzijde 88).
G Schakelaar waarschuwingsknipperlichten. Zie Waarschuwingsknipperlichten (bladzijde 35).
H Schakelaar voorruitverwarming. Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 68).
I Schakelaar achterruitverwarming. Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 68).
J Blad met bekerhouders. Zie Bekerhouders (bladzijde 80).
Kort overzicht
Audio-installatie. Zie afzonderlijke handleiding.K
L Luchtroosters. Zie Ventilatieroosters (bladzijde 65).
M Aansteker. Zie Aansteker (bladzijde 79).
N Bediening temperatuurregelsysteem. Zie Klimaatregeling (bladzijde 65).
O Schakelhendel. Zie Handgeschakelde versnellingsbak (bladzijde 88).
P Controlelamp airbag aan passagierszijde uitgeschakeld. Zie Passagiersairbag uitschakelen (bladzijde 16).
Q Schakelaar elektronische stabiliteitsregeling (ESP). Zie Stabiliteitsregeling (bladzijde 91).
R Ruitenwisserschakelaar. Zie Ruitenwissers en ruitensproeiers (bladzijde 29).
Contactslot.S
Claxon.T
U Regelknop hoogteverstelling koplamplichtbundels. Zie Koplamphoogte afstellen (bladzijde 35).
V Bekerhouder. Zie Bekerhouders (bladzijde 80).
Stuurwiel instellen
WAARSCHUWING

Verstel het stuurwiel nooit wanneer de auto in beweging is.

E95178

Duw de ontgrendelingshendel helemaal op zijn plaats wanneer u deze weer in de oude stand zet.
Zie Stuurwiel afstellen (bladzijde 27).
Kort overzicht
Informatiedisplays

flowchart
graph TD
A["15:04\n15.0° C"] --> B["ACTIERAD. TOT\n200 km:"]
B --> C["BRANDST.VERBR.\n8.0 I/100"]
C --> D["GEM. SNELHEID\n87 km/h"]
D --> E["BUITENTEMP:\nTEMP 15.0 °C°"]
E --> F["PERS. INSTELL.\nSET/RESET"]
E73982

E73265
Scroll met de draaiknop door het menu.

Druk de SET en RESET toets in om een submenu of het item dat u wilt instellen te selecteren.
Zie Infodisplays (bladzijde 57).
Waarschuwings- en controlelampen

Controlelamp remblokslijtage

Controlelamp remsysteem

Controlelamp automatische snelheidsregeling

Controlelamp stabiliteitsregelsysteem (ESP) en aandrijfregelsysteem

Controlelamp onderhoudsintervallen (alleen uitvoeringen met dieselmotor)

Controlelamp schakeling
Kort overzicht

Controlelamp water-in-brandstof (uitvoeringen met dieselmotor)
Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 52).
Vergrendelen en ontgrendelen
Achterdeuren

E71287
Wit zichtbaar, deur vergrendeldC
Schuifdeur

E71289
Bestelwagen en KombiA
B Bus
VergrendelenC
OntgrendelenD
Dubbele achterdeuren

E71290
BuitenzijdeA
BinnenzijdeB
Kort overzicht
Achterklep

E71292
BuitenzijdeA
BinnenzijdeB
Werking van het vergrendelingssysteem
Het vergrendelingssysteem van uw auto kan zijn geprogrammeerd in een van de drie primaire vergrendelingscombinaties. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 19).
Extra elektrische
aansluitpunten

Wanneer u het extra elektrische aansluitpunt gebruikt terwijl de motor niet draait, wordt de accu ontladen.
Zet het contact aan om het extra elektrisch aansluitpunt te kunnen gebruiken.
Stationair toerental na het starten
Wanneer de motor koud is, kan het stationaire toerental direct na het aanslaan hoger zijn.
Zie De motor starten (bladzijde 82).
Kort overzicht
Handgeschakelde versnellingsbak
Achteruitversnelling - 6-versnellingsbak
1

Wijzig de voorzijde van de wagen op geen enkele wijze. Dit zou nadelige gevolgen voor het ontvouwen van de airbags kunnen hebben.

Oorspronkelijke tekst volgens ECE R94.01: Extreme Hazard! Do not use a rearward facing child restraint on a seat protected by an air bag in front of it!

Draag een veiligheidsgordel en houd voldoende afstand tussen uzelf en het stuurwiel. Alleen wanneer de veiligheidsgordel correct wordt gedragen, kan deze u in een zodanige positie houden dat de airbag optimaal effect kan bewerkstelligen. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 73).

Laat reparaties aan het stuurwiel, de stuurkolom, stoelen, airbags en veiligheidsgordel uitvoeren door goed getrainde monteurs.

Houd de gebieden voor de airbags vrij. Breng niets aan op of over de panelen van de airbags.

Steek geen scherpe voorwerpen in gebieden waar airbags zijn gemonteerd. Dit zou de airbags kunnen beschadigen en nadelige gevolgen kunnen hebben voor het ontvouwen.

Gebruik stoelhoezen die zijn ontworpen voor stoelen met zij-airbags. Laat deze aanbrengen door goed getrainde monteurs.
N.B.: Het opblazen van een airbag gaat gepaard met een luide knal en u ziet een onschadelijke, poederachtige stofwolk. Dit is normaal.
N.B.: De front-airbag aan passagierszijde biedt bescherming voor een dubbele voorstoel.
N.B.: Veeg de panelen van de airbags alleen met een vochtige doek schoon.
Front-airbags aan bestuurders- en passagierszijde

De front-airbags treden in werking bij zware frontale aanrijdingen of bij aanrijdingen binnen een hoek van maximaal 30 graden van links of van rechts. De airbags worden in enkele milliseconden opgeblazen en stromen weer leeg zodra zij in contact komen met de lichamen van de inzittenden, waardoor de voorwaartse beweging wordt opgevangen. Bij lichte aanrijdingen, het over de kop slaan van de auto of bij aanrijdingen van opzij of van achteren worden de front-airbags niet geactiveerd.
Zij-airbags

De zij-airbags bevinden zich in de zijkant van de rugleuningen van de voorstoelen. Een label op de rugleuning geeft aan dat uw auto is uitgerust met zij-airbags.
De zij-airbags worden geactiveerd bij zware zijdelingse aanrijdingen. Alleen de airbag aan de zijde van de aanrijding wordt geactiveerd. De airbags worden in enkele milliseconden opgeblazen en stromen weer leeg zodra zijn in contact komen met de lichamen van de inzittenden, waardoor zijn bescherming bieden aan de omgeving van het hoofd en de ribben. Bij lichte zijdelingse aanrijdingen, het over de kop slaan van de auto of bij aanrijdingen van voren of achteren worden de zij-airbags niet geactiveerd.
Veiligheidsgordels
WAARSCHUWINGEN

Draag een veiligheidsgordel en houd voldoende afstand tussen uzelf en het stuurwiel. Alleen wanneer u de veiligheidsgordel op de juiste wijze draagt, kan deze u op uw plaats houden en zijn maximale bescherming bieden. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 73).
WAARSCHUWINGEN

Gebruik de veiligheidsgordel voor één persoon.

Gebruik voor iedere stoel het juiste gordelslot.

Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel niet slap of gedraaid zit.

Draag geen dikke kleding. De veiligheidsgordels bieden optimaal bescherming wanneer ze sluitend worden gedragen.

Leg de schoudergordel over het midden van de schouder en leg de heupgordel strak over uw heupen.
De gordelspanners hebben een lagere activeringsdrempel dan de airbags. Bij lichte aanrijdingen is het mogelijk dat alleen de gordelspanner in werking treedt.
VEILIGHEIDSGORDELS VASTMAKEN

Steek de slottong in het gordelslot tot een zachte klik hoorbaar is. U hebt de veiligheidsgordel niet correct bevestigd wanneer u geen klik hoort.
Trek de veiligheidsgordel gelijkmatig uit. Deze kan blokkeren wanneer u hem te snel uittrekt of wanneer de auto op een helling staat.
Druk de rode toets op het gordelslot in om de veiligheidsgordel los te maken. Let de gordel volledig en rustig oprollen.
HOOGTE VAN VEILIGHEIDSGORDELS AFSTELLEN
Veiligheidsgordel, voor

Veiligheidsgordel, achter

Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel soepel door de geleider glijdt.
GEBRUIK VAN VEILIGHEIDSGORDELS TIJDENS ZWANGERSCHAP

Breng de veiligheidsgordel voor uw eigen veiligheid, maar ook voor dat van uw ongeboren kind op correcte wijze aan. Draag niet alleen de heupgordel of de schoudergordel.
De heupgordel moet comfortabel over de heupen liggen aan de onderzijde van uw zwangere buik. Leg de schoudergordel tussen uw borsten, boven en aan de zijkant van uw zwangere buik.
PASSAGIERSAIRBAG UITSCHAKELEN
WAARSCHUWING

Om het risico van fataal letsel of ernstige verwonding te vermijden, mag NOOIT een kinderzitje achterwaarts op een voorstoel worden geplaatst, tenzij de airbag is UITGESCHAKELD.

E71313
De sleutelschakelaar en de controlelamp 'airbag uitgeschakeld' zijn aangebracht in het instrumentenpaneel.
Wanneer de controlelamp 'airbag uitgeschakeld' op het instrumentenpaneel met onderbrekingen brandt, dan is er sprake van een storing. Neem het kinderveiligheidszitje van de voorstoel. Laat het systeem voor uw eigen veiligheid door een geschoolde monteur controleren. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 52).
Airbag aan passagierszijde uitschakelen

E71312
Wanneer een kinderzitje op de voorstoel wordt geplaatst, let er dan op dat de sleutelschakelaar in de stand A staat.
Controleer bij het aanzetten van het contact, of de controlelamp airbag aan passagierszijde uitgeschakeld brandt. Zie Kort overzicht (bladzijde 6).
Airbag aan passagierszijde inschakelen
WAARSCHUWING

INGESCHAKELD om ervoor te
zorgen dat het veiligheidssysteem
voor volwassenen correct werkt.
Draai, nadat u het kinderzitje van de voorstoel hebt verwijderd, de sleutelschakelaar weer in de stand B.
ALGEMENE INFORMATIE OVER RADIOFREQUENTIES
LET OP
De radiofrequentie van de afstandsbediening kan ook worden gebruikt door andere zenders met een klein bereik (bijvoorbeeld zendamateurs, medische apparatuur, draadloze hoofdtelefoons, afstandsbedieningen en alarmsystemen). Wanneer de frequenties worden gestoord, kunt u geen gebruik meer maken van uw afstandsbediening. U kunt de portieren met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen.
N.B.: U kunt de portieren ontgrendelen wanneer u de toetsen op de afstandsbediening per ongeluk indrukt.
Het bereik tussen uw afstandsbediening en uw auto is afhankelijk van de omgeving.
PROGRAMMEREN VAN DE AFSTANDSBEDIENING
U kunt maximaal acht afstandsbedieningen voor uw auto programmeren (inclusief die met uw auto werd meegeleverd). Vraag uw dealer om instructies.
VERGRENDELEN EN ONTGRENDELEN
Dubbele vergrendeling
WAARSCHUWING

Schakel de dubbele vergrendeling niet in wanneer zich personen of dieren in de wagen bevinden.
Wanneer de dubbele vergrendeling is ingeschakeld kunnen de portieren niet van binnenuit worden ontgrendeld.
Dubbele vergrendeling is een voorziening tegen diefstal die voorkomt dat personen de portieren van binnenuit kunnen ontgrendelen. Alleen wanneer alle portieren zijn gesloten kunnen deze dubbel worden vergrendeld. Wanneer u probeert de dubbele vergrendeling in te schakelen terwijl er nog een portier openstaat, klinkt er een kort claxonsignaal en vergrendelen en ontgrendelen de portiersloten eenmaal. De portiersloten keren in hun oorspronkelijke stand terug.
Wanneer u de portieren met succes dubbel hebt vergrendeld, knipperen de richtingaanwijzers tweemaal. Wanneer de waarschuwingsknipperlichten zijn ingeschakeld, knipperen de richtingaanwijzers tweemaal lang.
Portieren met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen

flowchart
graph TD
A["Vehicle Collision"] --> B{Car Collision}
B -->|A| C["Transmission to Car"]
B -->|B| D["Transmission to Car"]
C --> E["Final Suspension"]
D --> E
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
E71294
OntgrendelenA
VergrendelenB
Portieren met de sleutel dubbel vergrendelen
Draai de sleutel in de ontgrendelstand en vervolgens in de vergrendelstand om de portieren dubbel te vergrendelen.
Portieren met de
afstandsbediening
vergrendelen en ontgrendelen

E71293
VergrendelenA
OntgrendelenB
Laadruimte ontgrendelenC
Druk de betreffende toets eenmaal in.
Portieren met de afstandsbediening dubbel vergrendelen
Druk de vergrendeltoets tweemaal in.
Portieren met de hendels vergrendelen en ontgrendelen
Voorportieren

Wit merktekenA
VergrendelenB
OntgrendelenC
Wanneer u het witte merkteken ziet, is het portier vergrendeld.
Achterdeuren

E71287
Wanneer u het witte merkteken ziet, is het portier vergrendeld.
Schuifdeur

E71289
Bestelwagen en KombiA
B Bus
VergrendelenC
OntgrendelenD
Dubbele achterdeuren

E71290
BuitenzijdeA
BinnenzijdeB

De ontgrendelknop is via de opening aan de onderzijde van de achterklep bereikbaar.
Slagvergrendeling
N.B.: Laat uw sleutels niet in de wagen liggen.
N.B.: U hoort een kort claxonsignaal wanneer u probeert de deuren te vergrendelen terwijl er nog een deur is geopend.
Met behulp van slagvergrendeling kan een portier worden gesloten met de sleutel of de afstandsbediening bij een geopend portier. Het portier wordt vergrendeld als deze wordt gesloten.
N.B.: Uw dealer kan deze functie indien nodig permanent uitschakelen.
De deuren worden automatisch vergrendeld vanaf rijsnelheden van 8 km/h (5 mph). Portieren met de hendel van binnenuit ontgrendelen.
Automatisch opnieuw vergrendelen
De portieren worden automatisch opnieuw vergrendeld wanneer u niet binnen 45 seconden na het ontgrendelen met de afstandsbediening een portier opent. De portieren worden vergrendeld en de alarminstallatie keert terug in de vorige stand.
Een fase ontgrendeling
N.B.: De richtingaanwijzers knipperen eenmaal wanneer u de deuren ontgrendelt.
Indien ingeschakeld, zijn de volgende voorzieningen beschikbaar:
U ontgrendelt alle deuren wanneer u:
- de hendel aan de binnenzijde uittrekt (behalve wanneer u de deuren dubbel hebt vergrendeld).
- of de sleutel in een van de deuren draait.
- druk eenmaal op de ontgrendeltoets op de afstandsbediening.
- druk de ontgrendeltoets voor de laadruimte op de afstandsbediening eenmaal in (Chassis-cabine).
Wanneer u de achterdeuren of de achterklep en de schuifdeur wilt ontgrendelen, druk dan de ontgrendeltoets van de laadruimte eenmaal in.
Twee fasen ontgrendeling
N.B.: De richtingaanwijzers knipperen eenmaal wanneer u de deuren ontgrendelt.
U ontgrendelt de voorportieren wanneer u:
- de hendel aan de binnenzijde uittrekt (behalve wanneer u de deuren dubbel hebt vergrendeld).
- of de sleutel in een van de deuren draait.
- druk eenmaal de ontgrendeltoets op de afstandsbediening in (Bestelwagen, Bus en Kombi).
U ontgrendelt het bestuurdersportier wanneer u:
- de ontgrendeltoets op de afstandsbediening eenmaal indrukt (Chassis-cabine).
De voorportieren, achterdeuren en de laadruimte worden ontgrendeld als u:
- de sleutel in één van beide voorportieren tweemaal binnen drie seconden draait.
- de ontgrendeltoets op de afstandsbediening tweemaal binnen drie seconden indrukt.
Wanneer u bij een bestelwagen de achterdeuren of de achterklep en de schuifdeur wilt ontgrendelen, druk dan de ontgrendeltoets van de laadruimte eenmaal in.
Wanneer u bij wagens met Chassis-cabine het passagiersportier wilt ontgrendelen, druk dan de ontgrendeltoets van de laadruimte eenmaal in.
Zone opnieuw vergrendelen
De sloten van de Bestelwagen, Bus en Kombi zijn onderverdeeld in twee zones, die van de cabine en van de laadruimte. De Chassis-cabine heeft slechts één zone: die van de cabine.
- Verlaat de wagen en druk op de vergrendeltoets.
- Druk eenmaal op de ontgrendeltoets of de ontgrendeltoets van de laadruimte om de betreffende zone te ontgrendelen.
Wanneer u nu een deur in de ontgrendelde zone opent, blijven de andere deuren in die zone automatisch vergrendeld.
Programmeerbaar ontgrendelingssysteem
Het programmeerbare ontgrendelingssysteem wordt bij het afleveringsklaarmaken geprogrammeerd. U kunt kiezen welke deuren worden ontgrendeld wanneer u de ontgrendeltoets en de ontgrendeltoets van de laadruimte op de afstandsbediening eenmaal of tweemaal indrukt. Wanneer u deze voorziening hebt gedeactiveerd, kan deze niet meer worden geactiveerd. Raadpleeg uw dealer voor meer informatie.
WERKING
Het immobilisatiesysteem is een diefstalbeveiligingssysteem dat voorkomt dat iemand de motor van uw auto met een onjuist gecodeerde sleutel kan starten.
GECODEERDE SLEUTELS
N.B.: Dek uw sleutels niet met metalen voorwerpen af. Hierdoor kan de ontvanger uw sleutel niet herkennen als geldige sleutel.
N.B.: Wanneer u een sleutel bent verloren, laat dan de code bij al uw overige sleutels wissen. Raadpleeg uw dealer voor meer informatie. Laat de vervangingssleutels samen met uw overige sleutels opnieuw coderen.
Wanneer u een sleutel verliest, kunt u bij uw Ford dealer een vervangingssleutel verkrijgen. Geef, indien mogelijk, uw dealer het sleutelnummer door, dat op het plaatje staat dat met de originele sleutels is geleverd. U kunt ook extra sleutels bij uw Ford dealer verkrijgen.
IMMOBILISATIESYSTEEM INSCHAKELEN
Korte tijd nadat u het contact hebt afgezet wordt het immobilisatiesysteem automatisch ingeschakeld.
De controlelamp in de instrumentengroep knippert ter bevestiging dat het systeem is ingeschakeld.
IMMOBILISATIESYSTEEM UITSCHAKELEN
Het immobilisatiesysteem wordt automatisch uitgeschakeld bij het met een correct gecodeerde sleutel aanzetten van het contact.
De controlelamp in de instrumentengroep brandt ongeveer drie seconden en gaat vervolgens uit. Wanneer de controlelamp langer dan een minuut blijft branden of knipperen en vervolgens met onregelmatige intervallen gaat branden, dan is uw sleutel niet herkend. Neem de sleutel uit het slot en probeer het nogmaals.
Wanneer u de motor met een correct gecodeerde sleutel niet kunt starten, duidt dit op een storing. Laat het immobilisatiesysteem onmiddellijk controleren.
WERKING
Alle uitvoeringen
Wanneer het alarm is geactiveerd, klinkt de alarmclaxon 30 seconden en knipperen de waarschuwingsknipperlichten vijf minuten. Wanneer de oorzaak van het activeren van het alarm niet wordt opgeheven, keert de alarminstallatie in zijn vorige status. Wanneer de oorzaak niet wordt opgeheven, klinkt de alarmclaxon opnieuw.
Wagens met een perimeter alarm
Het perimeter alarm is een afschrikmiddel voor personen die ongeoorloofd de portieren en de motorkap proberen te openen. Het beschermt ook de audio-installatie en de aanhanger (indien een Ford trekhaak is gemonteerd). U kunt de alarminstallatie volledig of gedeeltelijk inschakelen. De aanhangerdetectie wordt uitgeschakeld wanneer u het alarm gedeeltelijk inschakelt.
Het perimeter alarm wordt geactiveerd wanneer iemand:
- een portier opent.
• de motorkap opent.
• probeert de motor te starten met een onjuist gecodeerde sleutel.
• de audio-installatie verwijdert - de stekker van de aanhanger loskoppelt (wanneer deze was aangesloten toen de alarminstallatie werd ingeschakeld).
Uitvoeringen met een categorie 1 alarminstallatie

De categorie 1 alarminstallatie is een uitbreiding op het perimeter alarm. Ultrasonische detectie van bewegingen in het interieur beveiligen uw wagen tegen het ongeoorloofd binnengaan van het passagierscompartiment en de laadruimte. U kunt de alarminstallatie geheel of gedeeltelijk inschakelen. De aanhangerdetectie en de beveiliging van het interieur worden uitgeschakeld wanneer u het alarm gedeeltelijk inschakelt. De beveiliging van het interieur wordt niet geactiveerd wanneer u de alarminstallatie bij geopend portier inschakelt.
De categorie 1 alarminstallatie werkt alleen correct wanneer alle ruiten volledig zijn gesloten. Plaats geen voorwerpen vóór de bewegingssensoren.
De categorie 1 alarminstallatie wordt geactiveerd wanneer:
- beweging wordt geregistreerd in het passagierscompartiment of de laadruimte.
- iemand tracht de laadruimte binnen te gaan via de achterdeur of de ruit in de achterklep.
ALARM INSCHAKELEN
Perimeter alarm
Twintig seconden nadat u de deuren hebt vergrendeld schakelt de alarminstallatie in. Tijdens deze vertraging kunt u de deuren of de motorkap sluiten zonder het alarm te activeren.
Gedeeltelijke inschakeling
Vergrendel de deuren met de sleutel. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 19).
Volledige inschakeling
Vergrendel de deuren met de afstandsbediening of schakel de dubbele vergrendeling met de sleutel of de afstandsbediening in. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 19).
Categorie 1 alarm
Gedeeltelijke inschakeling
Vergrendel de deuren met de sleutel. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 19).
Volledige inschakeling
N.B.: Schakel de alarminstallatie niet volledig in wanneer zich iemand in de wagen bevindt.
Vergrendel de deuren met de afstandsbediening of schakel de dubbele vergrendeling met de sleutel of de afstandsbediening in. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 19).
ALARM UITSCHAKELEN
Perimeter alarm
Schakel de alarminstallatie en het alarmsignaal uit door de deuren met de sleutel te ontgrendelen, zet het contact met een correct gecodeerde sleutel aan of ontgrendel de deuren met de afstandsbediening. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 19).
Categorie 1 alarm
Schakel de alarminstallatie en het alarmsignaal uit door de deuren met de sleutel via het bestuurdersportier te ontgrendelen en zet het contact binnen 12 seconden met een correct gecodeerde sleutel aan of ontgrendel de deuren met de afstandsbediening. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 19).
STUURWIEL AFSTELLEN
WAARSCHUWING

Verstel nooit het stuurwiel als de auto in beweging is.
N.B.: Controleer of u in de juiste positie zit. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 73).


Duw de ontgrendelingshendel helemaal op zijn plaats wanneer u deze weer in de oude stand zet.
AUDIOBEDIENING
Kies de radio, CD of cassette modus op de audio-installatie.
De volgende functies kunnen met de afstandsbediening worden bediend:
Volume

E78046
Hoger volume: druk op de bovenste toets op de achterzijde van de afstandsbediening.
Minder volume: druk op de onderste toets op de achterzijde van de afstandsbediening.
Seek (zoekfunctie)

E78047
Beweeg de hendel naar boven of naar beneden:
- In de radio modus wordt het eerstvolgende radiostation op een hogere of lagere frequentie opgezocht.
- In de CD modus wordt het volgende of het vorige nummer gekozen.
Modus

E78048
Druk kort op de toets aan de zijkant:
- In de radio modus wordt het volgende in het geheugen opgeslagen radiostation opgezocht.
- In de CD modus wordt de volgende CD gekozen wanneer een CD-wisselaar is gemonteerd.
- In alle modi om een verkeersbericht te onderbreken.
Druk de toets aan de zijkant in en houd deze ingedrukt:
• In de radio modus om van golflengte te veranderen.
VOORRUITWISSERS

E71012
Eenmalig wissenA
Wissen met intervallenB
Normale wissnelheidC
Hoge wissnelheidD
Wissen met intervallen

E71013
Wissen met lange intervallenA
Wissen met intervallenB
Wissen met korte intervallenC
AUTOMATISCH IN- EN UITSCHAKELENDE RUITENWISSERS
Automatisch wissen

Schakel de automatische wisfunctie niet bij droog weer in. De regensensor is bijzonder gevoelig en de ruitenwissers kunnen in werking treden indien de voorruit met vuil, mist of vliegen in aanraking komt.
! Vervang de ruitenwisserbladen zodra deze strepen water en vuil op de voorruit achterlaten. Als de ruitenwisserbladen niet worden vervangen, blijft de regensensor continu water op de voorruit waarnemen. Dit heeft tot gevolg dat de ruitenwissers in werking treden terwijl het grootste deel van de voorruit droog is.
Zorg bij vorst dat de voorruit volledig is ontdooit voordat u de automatische wisfunctie selecteert.
Schakel de automatische wisfunctie uit voordat u een wasstraat binnenrijdt.
Wanneer u de automatische wisfunctie inschakelt nadat het contact is aangezet, maken de ruitenwissers een wisbeweging ongeacht of de voorruit droog of nat is. De regensensor meet daarna continu de hoeveelheid water op de voorruit en zal de snelheid van de ruitenwissers automatisch instellen.
Wanneer u het contact aanzet terwijl de automatische wisfunctie al is ingeschakeld, maken de ruitenwissers geen wisbeweging tot de regensensor water op de voorruit detecteert.

E71015
Lage gevoeligheidA
Hoge gevoeligheidB
Stel de gevoeligheid van de regensensor met de draaiknop in. Wanneer u de knop in de stand voor lage gevoeligheid zet, zullen de ruitenwissers in werking treden wanneer de sensor een grote hoeveelheid water op de voorruit registreert. Wanneer u de knop in de stand voor hoge gevoeligheid zet, zullen de ruitenwissers in werking treden wanneer de sensor een kleine hoeveelheid water op de voorruit registreert.
VOORRUITSPROEIERS

Schakel de ruitenwissers niet langer dan 10 seconden achtereen in of wanneer het reservoir leeg is.
ACHTERRUITWISSERS EN - SPROEIERS
Wissen met intervallen

De achterruitwisser volgt de intervallen van de voorruitwissers.
Wissen tijdens achteruitrijden
De achterruitwisser treedt automatisch in werking wanneer de achteruit wordt ingeschakeld en de ruitenwisserschakelaar in stand A, B, C of D staat.
Ruitensproeier, achter

Schakel de achterruitsproeier niet langer dan 10 seconden achtereen in of wanneer het reservoir leeg is.
RUITENWISSERBLADEN
CONTROLEREN

Controleer met uw vingertoppen de rubber randen van de ruitenwisserbladen op oneffenheden.
Reinig de ruitenwisserbladen met een in water gedrenkte, zachte spons.
RUITENWISSERBLADEN
VERVANGEN


Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
Standen van de lichtschakelaar

E71094
A Uit
Stads- en achterlichtenB
KoplampenC
Mistlampen, voorD
MistachterlichtenE
ParkeerlichtenF
Parkeerlichten
Zet eerst het contact af.
Beide zijden
Druk de lichtschakelaar in en draai hem in stand F.
Een zijde

RechterzijdeA
LinkerzijdeB
Trek de hendel geheel naar het stuurwiel toe om tussen grootlicht en dimlicht te wisselen.
Lichtsignaal
Beweeg de schakelaarhendel naar het stuurwiel.
Home safe verlichting
Schakel de verlichting uit en trek de richtingaanwijzer naar het stuurwiel toe om de koplampen in te schakelen. Er klinkt kort een signaal. Bij een geopende deur gaan de koplampen automatisch na drie minuten uit, of 30 seconden nadat de laatste deur is gesloten.
Wanneer alle deuren zijn gesloten en een deur wordt binnen de 30 seconden vertragingstijd weer geopend, start de tijdschakeling van drie minuten opnieuw.
De home safe functie kan worden uitgeschakeld door hetzij de richtingaanwijzerhendel opnieuw naar het stuurwiel te trekken of door het contact AAN te zetten.
N.B.: Wanneer u de automatisch in-/uitschakelende verlichting hebt ingeschakeld, kunt u alleen het grootlicht inschakelen wanneer de functie de koplampen heeft ingeschakeld.
Afhankelijk van de lichtsituatie worden de koplampen automatisch in- en uitgeschakeld.
VOORSTE MISTLAMPEN

Gebruik de mislampen alleen wanneer het zicht ernstig wordt belemmerd door mist, sneeuw of regen.
N.B.: Wanneer de automatische verlichting is ingeschakeld, kunnen de mistlampen, vóór, niet worden ingeschakeld.
MISTACHTERLICHTEN

Schakel de mistachterlichten niet in bij regen of sneeuwval en wanneer het zicht meer dan 50 meter aagt.
N.B.: Wanneer de automatische verlichting is ingeschakeld, kunnen de mistachterlichten niet worden ingeschakeld.
U kunt de hoogte van de koplamplichtbundels aanpassen aan de belading van de wagen.

E74611
Lichtbundels hogerA Lichtbundels lagerB
Zet de regelknop voor de hoogteregeling van de lichtbundels op nul wanneer de wagen onbeladen is. Stel de lichtbundels zodanig in dat het wegdek tussen 35 en 100 voor u is verlicht wanneer de wagen gedeeltelijk of maximaal is beladen.
Voor locatie: Zie Kort overzicht (bladzijde 6).
RICHTINGAANWIJZERS

E71098
N.B.: Beweeg de richtingaanwijzerschakelaar even omhoog of omlaag om de richtingaanwijzers driemaal te laten knipperen.
Leeslampen - uitvoeringen zonder interieursensoren

A Aan
B Uit
PortiercontactC
Interieurverlichting zonder schakelaar brandt alleen wanneer de schakelaar op de interieurverlichting voorin in de stand C staat en een deur wordt geopend.
Uitvoeringen met dubbele vergrendeling
Wanneer u de schakelaar in stand C zet, blijft de interieurverlichting korte tijd nadat u de deuren hebt gesloten doorbranden. Bij het aanzetten van het contact gaat het onmiddellijk uit.
Wanneer u het contact afzet, gaat de interieurverlichting branden. Na korte tijd schakelt gaat het automatisch uit.
Wanneer u een deur open laat, gaat de interieurverlichting automatisch na 30 minuten uit. Zet het contact kort aan om het weer in te schakelen.
Leeslampen - uitvoeringen met interieursensoren

E71945
A Uit
PortiercontactB
C Aan
Wanneer u de schakelaar in stand B zet, gaat de interieurverlichting branden wanneer u een deur of de achterklep ontgrendelt of opent. Wanneer u een deur openlaat, gaat het korte tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt. Zet het contact korte tijd aan om de verlichting weer in te schakelen.
De interieurverlichting gaat ook branden wanneer u het contact afzet. Het gaat korte tijd later automatisch uit of wanneer u de motor start of opnieuw start.
Wanneer u de schakelaar in stand C zet, gaat de interieurverlichting branden. Het gaat korte tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt. Zet het contact korte tijd aan om de verlichting weer in te schakelen.
Leeslampen

E71946
Wanneer u het contact afzet, gaan de leeslampen korte tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt. Zet het contact kort aan om het weer in te schakelen.
TREDEVERLICHTING
De tredeverlichting wordt automatisch in- en uitgeschakeld wanneer u de deuren opent en sluit. Wanneer u de deuren met de afstandsbediening ontgrendelt gaat de tredeverlichting branden. Het gaat korte tijd later automatisch uit.
GLOEILAMPEN VERVANGEN
WAARSCHUWINGEN

Schakel de verlichting uit en zet het contact af.

Laat de gloeilamp afkoelen voordat u deze verwijdert.
LET OP

Raak het glas van de gloeilamp niet aan.

Breng alleen gloeilampen met het juiste vermogen aan. Zie Gloeilampentabel (bladzijde 45).
N.B.: Wanneer de wagen is voorzien van airconditioning raden wij aan uw dealer te vragen of hij de gloeilampen van uw wagen wil vervangen. Sommige gloeilampen zijn moeilijk bereikbaar.
N.B.: U moet de koplamp verwijderen om de gloeilamp van de koplamp, het stadslicht of de richtingaanwijzer te vervangen.
N.B.: De volgende instructies beschrijven hoe de gloeilampen moeten worden verwijderd. Breng de nieuwe gloeilampen in omgekeerde volgorde van verwijderen aan, tenzij anders is voorgeschreven.
Een koplamp verwijderen
2
4
3
2
4
3
2
4
3
2
4
3
2
4
3
2
4
3
2
4
3
2
4
3
2
4
3
2
4
3
2
4
3
- Verwijder de koplamp.
- Maak de klemmen los.
- Verwijder de kap.
- Trek de stekker los.
- Maak de klem los en verwijder de gloeilamp.
Stadslichten

- Verwijder de koplamp.
- Verwijder de kap.
- Verwijder de gloeilamp en de lamphouder.
- Verwijder de gloeilamp.
Richtingaanwijzers, voor

- Verwijder de koplamp.
- Draai de lamphouder linksom en verwijder deze.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
Mistlampen, voor

N.B.: De gloeilamp kan niet uit de lamphouder worden genomen.
-
Trek de stekker los.
-
Draai de lamphouder linksom en verwijder deze.
Zijknipperlichten

E71063
- Verwijder voorzichtig het huis van het zijknipperlicht.
- Pak de lamphouder beet, draai het huis linksom en verwijder het.
- Verwijder de gloeilamp.

- Draai het glas rechtsom en verwijder het.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
Zijmarkeringslampen
Chassis Cabine en uitvoeringen met open laadbak en verlengd chassis

- Trek de stekker los.
- Draai de lamphouder linksom en verwijder deze.
- Verwijder de gloeilamp.
Jumbo bestelwagen

- Draai het glas links- of rechtsom en verwijder het.
- Verwijder de gloeilamp.
Achterlichtunits
Bus en Kombi


E71067
Achterlicht en remlichtA
RichtingaanwijzerB
AchteruitrijlampC
MistachterlichtD
- Verwijder de vleugelmoeren.
- Verwijder de achterlichtunit en maak de lamphouder los.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
Chassis Cabine en uitvoeringen met open laadbak

- Maak de klem los en schuif het kunststof frame naar de zijkant.
- Verwijder het glas.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
Achterlichten
Uitvoeringen met open laadbak

- Werk voorzichtig het glas los van de houder.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
Derde remlicht

E71071
- Verwijder de schroeven.
- Verwijder de lamp.
- Verwijder de gloeilamp.
Markeringslichten op het dak

- Verwijder de schroeven.
- Verwijder het glas.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
Kentekenplaatverlichting
Uitvoeringen met dubbele achterdeuren

- Verwijder het glas.
- Verwijder de gloeilamp.
Uitvoeringen met een achterklep

- Verwijder het lampglas.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
Uitvoeringen met open laadbak

- Verwijder het glas.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
Interieurverlichting, voor
Uitvoeringen zonder interieursensoren

- Werk voorzichtig de lamp los.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
Uitvoeringen met interieursensoren

- Werk voorzichtig de lamp los.
- Verwijder het glas.
- Verwijder de gloeilamp.
Interieurverlichting, achterin

- Werk voorzichtig de lamp los.
- Verwijder de gloeilamp.
Leeslampen, voor


- Werk voorzichtig de lamp los.
- Draai de lamphouder linksom en verwijder deze.
- Verwijder de gloeilamp.
Verlichting
Tredeverlichting

- Werk voorzichtig de lamp los.
- Verwijder de lamphouder.
- Verwijder de gloeilamp.
GLOEILAMPENTABEL
| Watt (specificatie)Gloeilamp | |
| 55/60Grootlicht en dim | |
| 5Stadslicht | |
| 21Richtingaanwijzer, v | |
| 55 (H11)Mistlamp, voor | |
| 5Zijknipperlicht | |
| 21/5Zijknipperlicht | |
| 3Markeringslicht | |
| 21/5Rem- en achterlic | |
| Achterlicht - Chassis-cabine en uitvoering met open laadbak | 10 |
| Remlicht - Chassis-cabine en uitvoering met open laadbak | 21 |
| 21Richtingaanwijzer, a | |
| 21Achteruitrijlamp | |
| 21Mistachterlicht | |
| 4Markeringslicht, ach |
Verlichting
| Watt (specificatie)Gloeilamp | |
| 16Derde remlicht | |
| 4Markeringslicht op dak | |
| Kentekenplaatverlichting - uitvoeringen met dubbele achterdeuren | 5 |
| Kentekenplaatverlichting - behalve uitvoeringen met dubbele achterdeuren | 10 |
| 10Interieurverlichting | |
| 10Leeslamp | |
| 10Tredeverlichting |
ELEKTRISCH BEDIENBARE RUITEN
WAARSCHUWING

Schakel de elektrisch bedienbare ruiten niet in tenzij deze vrij zijn van obstructies.

Zet het contact aan om de elektrisch bedienbare ruiten te openen of te sluiten.
Ruit van bestuurdersportier automatisch openen
Druk de schakelaar tot de tweede aanslag in of til hem tot de tweede aanslag op en laat hem los. Druk hem opnieuw in om de ruit te stoppen.
BUITENSPIEGELS

GroothoekspiegelA
WAARSCHUWING
Vergis u niet in de afstand van voorwerpen die u in de groothoek buitenspiegels ziet. Voorwerpen die u in deze spiegels ziet, zien er kleiner uit en lijken verder weg te zijn dan in werkelijkheid het geval is.
De spiegels vergroten het zicht naar achteren en verkleinen de zogenaamde dode hoek schuin naar achteren.

Zorg ervoor dat de spiegel weer volledig wordt vergrendeld wanneer u deze weer in zijn oorspronkelijke stand terugzet.
De elektrisch bedienbare buitenspiegels zijn voorzien van een verwarmingselement dat het spiegelglas ontdooit en ontwasemt. Zie Klimaatregeling (bladzijde 65).
BINNENSPIEGEL

Trek de hendel naar buiten om de ruit te openen. Druk in het midden van de hendel om deze te vergrendelen. Trek in het midden van de hendel om de ruit te sluiten. Druk hem naar achteren tot hij wordt vergrendeld.
METERS
Instrumentengroep - laag uitrustingsniveau

E71334
ToerentellerA
KoelvloeistoftemperatuurmeterB
BrandstofmeterC
SnelheidsmeterD
Terugsteltoets dagtellerE
F Kilometerteller, dagteller, klok, actieradius tot tank leeg en controlelamp niet goed gesloten portier
Insteltoets klokG
Instrumentengroep - hoog uitrustingsniveau

E73043
ToerentellerA
KoelvloeistoftemperatuurmeterB
BrandstofmeterC
SnelheidsmeterD
Waarschuwingslamp berichtE
F Informatiecentrum. Zie Algemene informatie (bladzijde 57).
Koelvloeistoftemperatuurmeter
Toont de temperatuur van de koelvloeistof. Bij normale bedrijfstemperatuur blijft de naald in het middengedeelte.
LET OP

Start de motor niet voordat de oorzaak voor de oververhitting is verholpen.
Wanneer de naald in de richting van 120 °C beweegt, is de motor oververhit. Zet de motor af, zet het contact af en stel de oorzaak vast zodra de motor is afgekoeld. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 133). Zie Gereduceerd motorvermogen (bladzijde 109).
Brandstofmeter
De pijl naast het symbool van de pomp toont aan aan welke zijde zich de klep van de brandstofvulopening bevindt.
Kilometerteller, dagteller en klok
Instrumentengroep - laag uitrustingsniveau

A Klok en actieradius tot brandstoftank leeg DagtellerB KilometertellerC
De dagteller kan worden gebruikt om de lengte van een bepaald traject te registreren. Druk op de terugsteltoets om de dagteller op nul terug te stellen.
Instrumentengroep, laag uitrustingsniveau
Nadat het contact is aangezet gaan de volgende controlelampen en indicatoren ter bevestiging dat het systeem operationeel is kort branden:
- ABS
- Airbag
- Remblokslijtage
-
Remsysteem
-
Snelheidsregeling
• Portier niet goed gesloten - Motor
• Regeling voor bergop rijden - Contact
• Laag brandstofpeil - Oliedruk
- Motor
• Onderhoudsinterval - Schakelen
- Stabiliteitsregelsysteem (ESP) en aandrijfregelsysteem
• Water in brandstof
Instrumentengroep, hoog uitrustingsniveau
Nadat het contact is aangezet gaan de volgende controlelampen en indicatoren ter bevestiging dat het systeem operationeel is kort branden:
- ABS
- Airbag
- Remblokslijtage
- Remsysteem
- Snelheidsregeling
- Motor
• Regeling voor bergop rijden - Contact
• Laag brandstofpeil
• Berichtenindicator - Schakelen
- Stabiliteitsregelsysteem (ESP) en aandrijfregelsysteem
• Water in brandstof
Indien één van deze waarschuwings- of controlelampen niet brandt nadat het contact is aangezet, duidt dit op een storing. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.
Controlelamp ABS

Wanneer deze lamp tijdens het rijden brandt, duidt dit op een storing. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren. De remmen blijven normaal werken (zonder ABS) maar laat deze storing zo spoedig mogelijk controleren.
Controlelamp airbag

Brandt de controlelamp niet, blijft hij branden, of brandt hij met tussenpozen of continu tijdens het rijden, dan duidt dit op een storing. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.
Controlelamp remblokslijtage

De controlelamp gaat branden wanneer de remblokken zijn versleten tot een vooraf
vastgestelde grens. Laat dit onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.
Controlelamp remsysteem
WAARSCHUWING

Verlaag geleidelijk uw snelheid. Druk het rempedaal bijzonder voorzichtig in. Druk het rempedaal vooral niet op in.

Wanneer de controlelamp van het remsysteem tijdens het rijden gaat branden, duidt dit op
een storing in één van beide remcircuits. Controleer het remvloeistofniveau. Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 134).
WAARSCHUWING

Laat deze storing onmiddellijk controleren.
Als de controlelamp remsysteem samen met de ABS-controlelamp gaat branden, dan duidt dit op een storing. Breng de wagen zo snel mogelijk tot stilstand wanneer dit veilig kan en laat deze storing controleren voordat u uw reis hervat.
Controlelamp automatische snelheidsregeling

De controlelamp gaat branden wanneer u een snelheid heeft ingesteld met behulp van de
snelheidsregeling. Zie Gebruik maken van snelheidsregeling (cruise control) (bladzijde 102).
Richtingaanwijzer

Knippert bij ingeschakelde richtingaanwijzers. Een plotselinge toename van de
knipperfrequentie duidt op een defecte gloeilamp. Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 37).
Controlelamp portier niet goed gesloten

De controlelamp gaat branden wanneer u de wagen op contact heeft gezet en de
portieren, de motorkap of de achterklep niet goed zijn gesloten.
Controlelampen motor
Controlelamp motorstoring

Controlelamp aandrijflijn

Alle modelvarianten
Als een van deze lampen gaat branden bij een draaiende motor, dan duidt dit op een storing. De motor blijft draaien maar levert wellicht minder vermogen. Wanneer deze tijdens het rijden knippert, minder dan onmiddellijk snelheid. Blijft de lamp knipperen, vermijd dan snel optrekken en krachtig afremmen. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.
WAARSCHUWING

Laat deze storing onmiddellijk controleren.
Als beide lampen samen gaan branden, breng de wagen dan zo snel mogelijk tot stilstand wanneer dit veilig kan. Doet u dit niet, dan kan dit leiden tot verminderd vermogen en afslaan van de motor. Zet de wagen van contact en probeer de motor te starten. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren als de motor kan worden gestart. Als de motor niet start, moet de wagen worden gecontroleerd alvorens de rit kan worden voortgezet.
Controlelamp mistlampen, vóór

De controlelamp gaat branden wanneer u de mistlampen, vóór inschakelt.
Controlelamp voorgloeien

Zie Een dieselmotor starten (bladzijde 83).
Controlelamp koplampen

De controlelamp gaat branden wanneer u het dimlicht van de koplamp, de zijlichten of de
achterlichten inschakelt.
Controlelamp regeling voor bergop rijden

Onder het rijden brandt deze lamp tijdens activering van het systeem. Als de wagen op
contact is gezet en de controlelamp niet gaat branden, dan geeft dit aan dat het systeem is gedeactiveerd. Uw dealer kan het systeem heractiveren. Tijdens een storing wordt het systeem uitgeschakeld en brandt de controlelamp niet onder het rijden.
Controlelamp laadstroom
Alle modelvarianten

Als de controlelamp brandt onder het rijden, dan duidt dit op een storing. Schakel alle
onnodige stroomverbruikers uit. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.
Controlelamp laag brandstofniveau

Wanneer deze lamp brandt, ga dan zo spoedig mogelijk tanken.
De pijl naast het symbool van de pomp duidt aan aan welke zijde zich de klep van de brandstofvulopening bevindt.
De controlelamp gaat branden wanneer u het grootlicht inschakelt. De lamp knippert
wanneer u een lichtsignaal geeft.
Berichtenindicator

De controlelamp gaat branden wanneer een nieuw bericht is opgeslagen in de
informatiedisplay. Zie Infoberichten (bladzijde 59).
Controlelamp oliedruk
LET OP

Hervat uw reis niet wanneer de controlelamp oliedruk gaat branden terwijl het oliepeil correct is. Laat het
systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.

Wanneer de lamp na het starten blijft branden of tijdens het rijden gaat branden, duidt dit op een
storing. Breng de wagen tot stilstand zodra dit veilig kan en zet de motor af.
Controleer het motoroliepeil. Zie
Motorolie controleren (bladzijde 133).
Controlelamp mistachterlicht

De controlelamp gaat branden wanneer u de mistachterlichten inschakelt.
Controlelamp onderhoudsbeurt
Wagens met een dieselmotor

De controlelamp gaat branden als onderhoud nodig is of er een overmatige hoeveelheid
roetdeeltjes of drab in de olie aanwezig is. Laat de motorolie zo spoedig mogelijk verversen.
Uw dealer schakelt de controlelamp onderhoudsbeurt uit nadat hij de onderhoudsbeurt heeft uitgevoerd.
Controlelamp schakeling

De controlelamp brandt gedurende een korte periode om aan te geven dat schakelen
naar een hogere versnelling zuiniger is en zorgt voor een lagere CO2-uitstoot. De controlelamp brandt niet tijdens perioden van hoge acceleraties, remmen of intrappen van het koppelingspedaal.
Controlelamp stabiliteitsregeling (ESP) en tractieregeling
N.B.: Wanneer het ESP systeem of het tractieregelsysteem een storing vertoont, schakelt het betreffende systeem automatisch uit.

De controlelamp gaat branden als een van de systemen is geactiveerd. Wanneer de lamp
niet knippert of tijdens het rijden gaat branden, duidt dit op een storing. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.
Wanneer u het ESP uitschakelt, gaat de controlelamp branden. De lamp gaat uit wanneer u het systeem weer inschakelt of wanneer u het contact afzet.
Wagens met een dieselmotor

De controlelamp gaat branden ingeval van overmatige hoeveelheden water in het
brandstofffilter. Tap het water onmiddellijk af. Zie Water in brandstofffilter aftappen (bladzijde 135).
De gong voor geopend portier klinkt wanneer u het contact aanzet en nog niet alle deuren, de motorkap of de achterklep goed zijn gesloten.
Informatiecentrum
Zie Persoonlijke instellingen (bladzijde 62).
ALGEMENE INFORMATIE
WAARSCHUWING

Stel omwille van de verkeersveiligheid de functies alleen in wanneer de auto stilstaat.
Met het Informatie Centrum en de multifunctionele hendel aan de stuurkolom kunnen verschillende systemen worden geprogrammeerd.
Het Informatie Centrum geeft tevens waarschuwingsberichten over storingen of niet correct werkende systemen. Zie Infoberichten (bladzijde 59).
Hoofdmenu
Overzicht van de schermen van het hoofdmenu

flowchart
graph TD
A["15:04\n15.0° C"] --> B["ACTIERAD. TOT\n200 km:"]
B --> C["BRANDST.VERBR.\n8.0 I/100"]
C --> D["GEM. SNELHEID\n87 km/h"]
D --> E["BUITENTEMP:\nTEMP 15.0 °C°"]
E --> F["PERS. INSTELL.\nSET/RESET"]
E73982
De diverse submenu's kunnen via het hoofdmenu worden bereikt.
Toetsen

E73265
Scroll met de draaiknop door het menu.

E73266
N.B.: Indien de geluidssignalen zijn geactiveerd, klinkt telkens wanneer de knop wordt ingedrukt een kort geluidssignaal.
Druk de SET en RESET toets in om een submenu of het item dat u wilt instellen te selecteren.
Kilometerteller

E73983
Dagteller

E73984
Druk de SET en RESET toets minimaal twee seconden in om de teller terug te stellen.
Actieradius tot de brandstoftank leeg is

E73985
N.B.: De waarde kan variëren naarmate de rijomstandigheden veranderen.
Duidt bij benadering de afstand aan die nog kan worden afgelegd voordat de tank leeg is.
Gemiddeld brandstofverbruik

E73986
Geeft het gemiddelde brandstofverbruik aan vanaf het moment dat de functie op nul werd teruggesteld.
Druk op de SET en RESET toets om de meter terug te stellen.
Gemiddelde snelheid
Geeft de gemiddelde snelheid weer over de laatste 1.000 kilometer (600 mijl) of vanaf het moment dat de functie op nul werd teruggesteld.
Druk op de SET en RESET toets om de meter terug te stellen.
Buitentemperatuur
| BUITENTEMP: | |
| TEMP | 15,0° |
| 4,7 | tocht |
| 000039 | km |
E73988
WAARSCHUWING

Zelfs wanneer de temperatuur tot boven +4 °C stijgt, is dit nog geen garantie dat de weg vrij is van ren die door plotselinge sveranderingen kunnen ontstaan.
Een waarschuwingssignaal klinkt bij de volgende weersomstandigheden:
- +4 °C of lager: waarschuwing voor opvriezen
- 0 °C of lager: waarschuwing voor ijsvorming
INFOBERICHTEN
Waarschuwingsberichten
Wanneer bepaalde waarschuwingsberichten op het display verschijnen moet u de SET en RESET toets indrukken om de berichten te bevestigen.

E73273
Sommige waarschuwingsberichten worden vergezeld door een waarschuwingslamp boven het display en branden rood of oranje, afhankelijk van de ernst van het probleem.
Wanneer een waarschuwingsbericht wordt vergezeld door een waarschuwingslamp, blijft deze branden.
| Berichten | schu-wings-lamp | BetekenisWaar- |
| roodMOCTORIGYAN SETORING of gerelateerde systemen. Stop zodra dit veilig kan en zet de motor onmid-dellijk af. Laat de motor door getrainde monteurs controleren. | ||
| roodOLIEBILDLAACH het oliepeil. Stop zodra dit veilig kan en zet de motor onmiddellijk af. Vul motorolie bij. ZieMotorolie controleren (bladzijde 133). | ||
| roodWATERWEBRANDSTOFandstof gevonden. Laat het brandstofsysteem door getrainde monteurs controleren. | ||
| De buitentemperatuur is lager dan 0 °CroodBUITENTEMF | ||
| De buitentemperatuur is lager dan +4 °CoranjeBUITENTE | ||
| oranjeVEVERROVJALGNDoor getrainde monteurs controleren. | ||
| PORT. | Controleer of alle portieren goed zijn gesloten.oranjePOR | |
| Het bestuurdersportier is open.oranjeBEST.PORT. OPEN | ||
| Het voorportier aan passagierszijde is open.oranjePAS. PO | ||
| OPEN | Het achterportier aan bestuurderszijde is open.oranjeBEST | |
| OPEN | Het achterportier aan passagierszijde is open.oranjePAS. | |
| De laadruimte of de achterdeur is open.oranjeKOFFERKL | ||
| De motorkap is open.oranjeMOTORKAP OPEN | ||
| BINNEN xx DAG | Duidt aan dat OLEIVERVERDEN ververst.- | |
| OLIEERVERSEN RESET ACTIEF | - | De aanduiding olie verversen wordt teruggesteld. |
| OLIEERVERSEN RESET VOLTOOID | - | Het terugstellen van de aanduiding olie verversen is voltooid. |
Infodisplays
| Berichten | schu-wings-lamp | BetekenisWaar- |
| STOP | -*WEKDEWEKESETTJAT af. Zie Persoonlijke instel-lingen (bladzijde 62). | |
PERSOONLIJKE INSTELLINGEN
Overzicht van de schermen
van het hoofdmenu

flowchart
graph TD
A["PERS. INSTELL.<br>SET/RESET"] --> B["TAAL NEDERLANDS"]
B --> C["TIJD INSTELLEN 12:5931"]
C --> D["WEKKER INST. 12:5931 UIT"]
D --> E["TIJDSINSTEL. 24 h"]
E --> F["MAATEENHEDEN METRISCH"]
F --> G["BERICHT GONG UIT"]
G --> H["PERS. INSTELL.<br>EXIT"]
H --> A
E73990
Menu Persoonlijke instellingen

E73989
De volgende submenu's zijn in het Menu Persoonlijke instellingen toegankelijk:
• Taal
• Tijd instellen
- Wekker instellen
• Weergave klok
• Maateenheden
• Gongsignalen bij berichten
Taal instellen

E73991
Er kan uit elf talen worden gekozen:
Engels (GB), Duits, Italiaans, Frans, Spaans, Turks, Russisch, Nederlands, Pools, Zweeds, Portugees.
Wanneer u een taal hebt geselecteerd, draai dan de draaiknop om de instelling op te slaan en het menu te verlaten.
Tijd instellen
Zie Klok (bladzijde 78).
Wekker instellen
| WEKKER INST.04,08,00 23,59UIT | |
| 4,7 tocht000039 km |
E74286
- Druk de SET en RESET toets in en houd ze ingedrukt. De dag begint te knipperen. Met de draaiknop kan de juiste dag worden geselecteerd.
- Druk de SET en RESET toets in om de instelling te bevestigen en naar de maand te gaan.
• Ga op dezelfde wijze tewerk om het jaar, de uren en minuten in te stellen. - Na het instellen van de minuten en het indrukken van de SET en RESET toets, wordt de tijd in het geheugen opgeslagen.
- Druk op de SET en RESET toets om de alarminstallatie in of uit te schakelen.
Alarm ingeschakeld
| 15:04 | |
| 15.0° C | |
| 4,7 | tocht |
| 000039 | km |
E74287
| *WEKKER*RESET V. STO | |
| 4,7 | trip |
| 000039 | km |
E74387
Druk op de SET en RESET toets om de installatie uit te schakelen.
Weergave klok
| TIJDSINSTEL.24 h | |
| 4,7 | tocht |
| 000039 | km |
E73995
Druk op de SET en RESET toets om te wisselen tussen 12 en 24 uurs weergave.
Eenheden
Druk op de SET en RESET toets om te wisselen tussen metrische en Engelse eenheden.
Gongsignalen bij berichten
De volgende gongsignalen kunnen worden uitgeschakeld:
• buitentemperatuur 4 °C
• bevestiging tijdinstelling
• SET en RESET toets ingedrukt
Druk op de SET en RESET toets om de gongsignalen in of uit te schakelen.
Menu Persoonlijke instellingen - Exit

E73996
Druk op de SET en RESET toetsen om het menu te verlaten.
WERKING
Buitenlucht
Houd de luchtinlaten voor de voorruit vrij van belemmeringen (sneeuw, bladeren, enz.) zodat het klimaatregelsysteem effectief kan werken.
Gerecirculeerde lucht
LET OP

Wanneer de luchtrecirculatiestand langdurig wordt ingeschakeld, kunnen de ruiten beslaan. Wanneer de ruiten beslaan, stel dan de standen in om de voorruit te ontdooien en te ontwasemen.
De lucht die zich in het passagierscompartiment bevindt, wordt gerecirculeerd. Er stroomt geen buitenlucht de auto in.
Verwarming
De verwarmingscapaciteit is afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur.
Airconditioning
N.B.: De airconditioning werkt alleen wanneer de temperatuur hoger is dan 4 °C.
N.B.: Wanneer de airconditioning is ingeschakeld, zal het brandstofverbruik hoger zijn.
De lucht wordt door de warmtewisselaar gevoerd, waar deze wordt gekoeld. Om de ruiten wasemvrij te houden wordt vocht aan de lucht onttrokken. Het condens wordt naar buiten afgevoerd en daarom is het normaal dat zich een klein plasje water onder de auto vormt.
Algemene informatie over de klimaatregeling in het interieur
Sluit alle ruiten.
Het interieur verwarmen
Laat de lucht naar de beenruimten stromen. Laat, bij koud of vochtig weer, een geringe hoeveelheid lucht naar de voorruit en de portierruiten stromen.
Het interieur afkoelen
Laat de lucht naar het hoofdniveau stromen.
VENTILATIEROOSTERS

E71344
Naar linksA
Naar rechtsB
OpenC
DichtD
NeerE
F Op
HANDMATIGE KLIMAATREGELING
Luchtverdeelknop

HoofdniveauA
BeenruimteB
VoorruitC
N.B.: Een kleine hoeveelheid lucht stroomt altijd naar de voorruit.
Temperatuurregelknop

N.B.: Wanneer u de aanjager uitschakelt kan de voorruit beslaan.
Gerecirculeerde lucht

E65968
Gerecirculeerde luchtA
BuitenluchtB
Voorruit snel ontdooien en ontwasemen

Sluit alle luchtroosters voor maximale luchttoevoer naar de voorruit. Schakel zo nodig de ruitverwarming in. Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 68).
Interieur snel verwarmen

Airconditioning in- en uitschakelen

E65972
Gerecirculeerde luchtA
BuitenluchtB
Aan en uitC
Koelen met buitenlucht

Interieur snel afkoelen

Voorruit ontdooien en ontwasemen

E65975
VoorruitA
Zet de luchtverdeelknop in de stand A en kies toevoer van buitenlucht. Wanneer de temperatuur hoger is dan 4 °C (39 °F), schakelt de airconditioning automatisch in. De controlelamp in de schakelaar brandt in dit geval niet.
Luchtvochtigheid in het interieur verlagen

E65976
VoorruitA
Zet de luchtverdeelknop in de stand A en kies toevoer van buitenlucht. Wanneer de temperatuur hoger is dan 4 °C (39 °F), schakelt de airconditioning automatisch in. De controlelamp in de schakelaar brandt in dit geval niet.
Schakel de ruitverwarming in om de voor- of achterruit te ontdooien of ontwasemen.
N.B.: De ruitverwarming werkt alleen bij een draaiende motor.
Voorruitverwarming

In de elektrisch bedienbare buitenspiegels is een verwarmingselement gemonteerd dat het spiegelglas ontdooit of ontwasemt. Wanneer u de voorruitverwarming of de achterruitverwarming inschakelt, wordt ook de spiegelverwarming ingeschakeld.
EXTRA VERWARMING
Algemene informatie
WAARSCHUWINGEN
Schakel de programmeerbare standverwarming niet in bij tankstations, bij bronnen met brandbare dampen of stoffen of in afgesloten ruimtes.
Tank geen brandstof wanneer het display van de programmeerbare standverwarming is ingeschakeld.
N.B.: De programmeerbare standverwarming schakelt automatisch uit wanneer de accuspanning laag wordt.
N.B.: Alle symbolen op het display knipperen wanneer de stroomtoevoer naar de programmeerbare standverwarming onderbroken is geweest. Onder deze omstandigheden werkt de verwarming niet. Zet het klokje gelijk.
N.B.: De programmeerbare standverwarming schakelt bij storingen uit. Laat het systeem door een deskundige controleren.
Neem de volgende richtlijnen in acht:
- Schakel de programmeerbare standverwarming het gehele jaar minimaal eenmaal per maand ongeveer tien minuten in. Hierdoor wordt voorkomen dat de vloeistofpomp en de aanjagermotor gaan vastzitten.
- Om corrosie te voorkomen moet de koelvloeistof in uw auto het gehele jaar door minstens 10 % antivries bevatten.
- Om luchtbellen te voorkomen moet u ervoor zorgen dat het koelvloeistofpiel zicht tussen het MAX en MIN merkteken op het reservoir bevindt. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 133).
- De aanjager van de programmeerbare standverwarming wordt ingeschakeld zodra de koelvloeistof een bepaalde temperatuur heeft bereikt. In deze stand heeft de omgevingstemperatuur gaan invloed.
- Wij continu gebruik van de standverwarming, registreert deze de omgevingstemperatuur. Wanneer deze hoger is dan 5 °C wordt de programmeerbare standverwarming niet ingeschakeld.
De programmeerbare standverwarming werkt onafhankelijk van de verwarming van de auto door het koelvloeistofcircuit van de motor te verwarmen. Hij wordt door de brandstoftank van energie voorzien. U kunt het systeem ook tijdens het rijden gebruiken om het interieur sneller te laten opwarmen.
Het is mogelijk dat bij ingeschakelde programmeerbare standverwarming er uitlaatgassen onder de zijkanten van de auto vrijkomen. Dit is normaal.
Werkingsprincipe
Voor ingebruikneming
LET OP
Wanneer de aanjagerschakelaar in een andere stand dan stand één wordt gezet, heeft dit een kortere levensduur van de accu of zelfs een lege accu tot gevolg.
Voordat de verwarming wordt ingeschakeld of geprogrammeerd moeten de volgende instellingen worden voorbereid:
- Zet de temperatuurregelknop van het standaard verwarmingssysteem op maximum.
• Zet de aanjagerschakelaar in stand 1. - Schakel voor het afzetten van het contact de recirculatiestand in. Wacht minimaal vijf seconden met het sluiten van de luchtroosters van het ventilatiesysteem.
- Zet alle luchtroosters in de cabine open.
Instellen van de tijd

E71347
Druk de toets A langer dan drie seconden ingedrukt en houd hem ingedrukt tot de tijdsaanduiding op het display knippert. Druk de toetsen B en D binnen vijf seconden in om de tijd in te stellen. Houd de betreffende toets ingedrukt om de tijdsaanduiding snel te veranderen.
Verwarmingsduur programmeren

E71348
LET OP
De aanbevolen instelling is 30 minuten. Langere tijden verkorten de levensduur van de accu of kunnen zelfs een lege accu tot gevolg hebben.
N.B.: De verwarmingsduur voor van te voren ingestelde tijden en de verwarmingsmodi kunnen voor 10 tot 120 minuten worden ingesteld.
Druk de toets A langer dan drie seconden ingedrukt en houd hem ingedrukt tot de tijdsaanduiding op het display knippert. Wacht vijf seconden tot het verwarmingssymbool verschijnt en de verwarmingsduur knippert.
Druk de toetsen B en D in om de verwarmingsduur in te stellen.
Druk na het instellen van de verwarmingsduur op toets A. Het display geeft nu de tijd weer met een knipperende dubbele punt.
Verwarming uitschakelen
Druk op de toets met het verwarmingssymbool. De verwarming blijft nog drie minuten werken en schakelt vervolgens uit. Het display duidt nu de tijd aan.
Geprogrammeerde verwarmingsmodus

E71349
De verwarming kan op elk gewenst moment voor de geprogrammeerde tijdsduur worden ingeschakeld. Druk op toets C. Het display wordt verlicht en toont de resterende verwarmingstijd en het verwarmingssymbool.
Verwarming continu inschakelen
B

C
WAARSCHUWING

Nadat het contact is afgezet blijft de verwarming werken. Schakel de verwarming uit om onnodig armen te voorkomen.
Druk op toets B en houd deze ingedrukt. Druk op toets C. De verwarming werkt nu tot toets C opnieuw wordt ingedrukt. Het display wordt verlicht en toont de tijd en het verwarmingssymbool.
Verwarmingsmodus programmeren
De verwarming schakelt automatisch op de geactiveerde inschakeltijd in en blijft gedurende de geprogrammeerde verwarmingsduur werken. Het display wordt verlicht en toont de resterende verwarmingstijd en het verwarmingssymbool.
U kunt drie verschillende inschakeltijden programmeren.
Inschakeltijden programmeren
A

D
E71351
E71350
Druk toets A meerdere keren in tot het symbool 1, 2 of 3) voor de gewenste inschakeltijd wordt weergegeven. Druk op toetsen B en D om de tijd in te stellen. Houd de betreffende toets ingedrukt om de tijdsaanduiding snel te veranderen.
Druk na het programmeren van de inschakeltijden op toets A. Het display geeft nu de tijd weer met een knipperende dubbele punt.
Geprogrammeerde inschakeltijden activeren/ deactiveren

Druk toets A meerdere keren in tot het symbool 1, 2 of 3) voor de gewenste inschakeltijd wordt weergegeven. Druk op toets C. Het ON symbool verschijnt op het display. Druk opnieuw op toets C om de inschakeltijd weer te deactiveren.
DE JUISTE ZITPOSITIE INNEMEN

WAARSCHUWINGEN

Verstel de stoelen nooit tijdens het rijden.

Alleen wanneer de veiligheidsgordel correct wordt gedragen, kan deze u in een zodanige positie houden e airbag optimaal kan functioneren.
Wanneer u de veiligheidsgordel correct draagt kunnen de stoel, hoofdsteun, veiligheidsgordel en airbags bij een eventuele aanrijding optimaal bescherming bieden. Wij raden aan dat u:
- zoveel mogelijk rechtop gaat zitten met de onderzijde van uw rug zover mogelijk naar achteren.
• de rugleuning van de stoel niet meer dan 30 graden achterover kantelt. -
de hoofdsteun zodanig instelt, dat de bovenzijde gelijkligt met de bovenzijde van uw hoofd. Stel de hoofdsteun zover mogelijk naar voren in, maar u moet comfortabel kunnen zitten.
-
voldoende afstand houdt tussen uzelf en het stuurwiel. minimaal 254 mm (10 inch) tussen uw borstbeen en de kap van de airbag aanhoudt.
- het stuurwiel met licht gebogen armen vasthoudt.
- uw benen licht buigt zodat u de pedalen volledig kunt indrukken.
- de schoudergordel over het midden van uw schouder en de heupgordel strak over uw heupen legt.
Zorg ervoor dat uw zitpositie comfortabel is en dat u de volledige controle over de wagen hebt.
VOORSTOELEN
WAARSCHUWING

Verstel de stoelen nooit tijdens het rijden.
Stoelen naar voren en achteren schuiven

Schuif de stoel naar voren en naar achteren nadat u de hendel omhoog hebt getrokken om er zeker van te zijn dat de stoel weer goed is vergrendeld.
LET OP

Schuif de voorstoelen niet te ver naar het instrumentenpaneel toe. De voorste negen vergrendelingspunten zijn alleen bestemd om de accu toegankelijk te maken.
Lendensteun afstellen

Hellingshoek van de zitting
verstellen

Hellingshoek van de rugleuning verstellen

Draai de knop onder de armsteun.
Stoel draaien
WAARSCHUWING

Zorg ervoor dat de stoelen en de rugleuningen goed vastzitten en volledig zijn vergrendeld.
LET OP

Draai de stoel alleen naar het midden van de auto en niet richting het portier.

Gebruik tijdens het rijden de achterbank niet als bed.

Zorg ervoor dat de stoelen en de achterbanken goed vastzitten en volledig zijn vergrendeld.
Een rugleuningdeel naar voren kantelen

Complete rugleuning naar voren kantelen

Rugleuning naar voren kantelen:
-
Trek de lussen naar beneden en houd ze in deze stand.
-
Druk de rugleuning naar voren.
Rugleuning weer in de verticale stand kantelen:
- Trek de lussen naar beneden en houd ze in deze stand.
- Druk de rugleuning weer in verticale stand.
Zittingen van achterbanken verwijderen

E68611

Plug de vrijgekomen boutgaten af wanneer u de banken verwijderd. Dit om te voorkomen dat uitlaatgassen de wagen kunnen binnendringen.

De achterbank weegt 89 kilogram.
LET OP

Sla de achterbank op een droge en veilige plaats op.
- Rugleuning naar voren klappen
- Trek de hendel naar boven en houd hem in deze stand.
- Trek voorzichtig de bank naar achteren tot de voorzijde van het frame uit de verankeringen in de vloer loskomt.
- Verwijder de bank.
Breng de bank in omgekeerde volgorde aan.
HOOFDSTEUNEN

Hoofdsteun instellen
WAARSCHUWING

Trek de hoofdsteun omhoog wanneer de achterbank door een passagier of voor een kinderzitje t gebruikt.
Stel de hoofdsteun zo in, dat de bovenzijde ervan gelijkligt met de bovenzijde van uw hoofd.
Hoofdsteun verwijderen
Druk de knoppen in en verwijder de hoofdsteun.
VERWARMDE STOELEN

De stoelverwarming bereikt zijn maximum temperatuur na vijf tot zes minuten. Het systeem wordt automatisch uitgeschakeld.
KLOK
Auto's met klok in de audio- of navigatie-unit
Raadpleeg voor gedetailleerde instructies hoe de klok moet worden ingesteld de afzonderlijke handleiding van de audio-unit of de navigatie-unit.
Uitvoeringen met een instrumentengroep van het lage uitrustingsniveau
N.B.: U hooft een kort signaal wanneer de klok is ingesteld.
N.B.: Houd de toets van de klok langer dan een seconde ingedrukt om te wisselen tussen de 12 en 24 uurs modus.
- Zet de contactsleutel in stand II.
- Houd de toets langer dan drie seconden ingedrukt, tot de tijdsaanduiding op het display gaat knipperen.
- Druk de toets in om de tijd in te stellen. Houd de toets ingedrukt om de tijd versneld in te stellen.
Uitvoeringen met een instrumentengroep van het hoge uitrustingsniveau
| TIJD INSTELLEN01,01,00 15,03 |
| 4,7 tocht000039 km |
E73992
-
Scroll naar dit display. Druk op SET en RESET en houd deze ingedrukt. De dag begint te knipperen. Instellen met de draaiknop.
-
Druk op de SET en RESET toets om de instelling te bevestigen en ga naar de maand.
- Ga op dezelfde wijze te werk voor het instellen van het jaar, de uren en minuten.
Na het instellen en indrukken van de SET en RESET toetsen, worden de tijd en datum opgeslagen.
ZONNEKLEPPEN

Wanneer u het aansluitpunt gebruikt terwijl de motor niet draait, wordt hierdoor de accu ontladen.

Houd het verwarmingselement van de aansteker niet ingedrukt.
N.B.: U kunt het elektrische aansluitpunt gebruiken voor 12 volt accessoires met een maximum vermogen van 20 ampère. Gebruik alleen Ford stekkers of stekkers die geschikt zijn voor gebruik in SAE gestandaardiseerde aansluitingen.

Druk het verwarmingselement in om de aansteker te laten gloeien. Hij springt automatisch in de oorspronkelijke stand terug.
Voor locatie: Zie Kort overzicht (bladzijde 6).
ASBAK

Wanneer u het extra elektrische aansluitpunt gebruikt terwijl de motor niet draait, wordt de accu ontladen.
N.B.: Het elektrisch aansluitpunt werkt alleen bij aangezet contact.
N.B.: U kunt het elektrisch aansluitpunt bij afgezet contact gebruiken.
N.B.: U kunt het elektrische aansluitpunt gebruiken voor 12 volt accessoires met een maximum vermogen van 20 ampère. Gebruik alleen Ford stekkers of stekkers die geschikt zijn voor gebruik in SAE gestandaardiseerde aansluitingen.

Plaats tijdens het rijden geen hete dranken in de bekerhouders.
Gebruik het tafeltje niet tijdens het rijden.
Plaats geen glazen voorwerpen in de bekerhouders.
DASHBOARDKASTJE

U kunt het handschoenenkastje als dossierkast gebruiken.
OPBERGRUIMTES
Opbergruimte boven de voorruit

Plaats geen zware voorwerpen in de opbergruimte boven de voorruit.
Opbergvak op dashboard

Plaats geen glazen voorwerpen in de flessenhouder.
AANSLUITING AUXILIARY INGANG (AUX IN)
Zie de afzonderlijke audiohandleiding.

Zet, wanneer de temperatuur lager dan -20 °C is, het contact minimaal één seconde aan voordat u de motor start. Hierdoor zorgt u ervoor dat de maximale benzinedruk wordt opgebouwd voordat de motor wordt gestart.
Auto's met handgeschakelde versnellingsbak
N.B.: Druk het gaspedaal niet in.
- Druk het koppelingspedaal volledig in.
- Start de motor.
Uitvoeringen met automatische transmissie
N.B.: Raak het gaspedaal niet aan.
- Schakel park of neutral in.
- Druk het rempedaal volledig in.
- Start de motor.
Alle modelvarianten
Wacht even wanneer de motor niet binnen 15 seconden aanslaat en probeer het nogmaals.
Wanneer de motor na drie startpogingen nog niet is aangeslagen, wacht dan tien seconden en ga te werk zoals is beschreven onder Verzopen motor.
Wanneer het starten problemen oplevert bij temperaturen onder -25 °C, druk dan het gaspedaal 1/4 tot 1/2 van de pedaalslag in en probeer het opnieuw.
Verzopen motor
Auto's met handgeschakelde versnellingsbak
- Druk het koppelingspedaal volledig in.
- Druk het gaspedaal volledig in en houd het ingedrukt.
- Start de motor.
Uitvoeringen met automatische transmissie
- Schakel park of neutral in.
- Druk het gaspedaal volledig in en houd het ingedrukt.
- Druk het rempedaal volledig in.
- Start de motor.
Alle modelvarianten
Slaat de motor niet aan, herhaal dan de startprocedure zoals beschreven onder Koude of warme motor.
Stationair toerental na het starten
Het stationaire toerental waarmee de motor direct na het aanslaan draait is afhankelijk van de motortemperatuur.
Wanneer de motor koud is, wordt het stationaire toerental automatisch verhoogd om de katalysator zo snel mogelijk op temperatuur te brengen. Hierdoor wordt de uitlaatgasemissie van de auto tot een absoluut minimum beperkt.
Het stationaire toerental neem langzaam af tot normaal zodra de katalysator opwarmt.
EEN DIESELMOTOR STARTEN
Koude of warme motor
Alle modelvarianten
N.B.: Wanneer de temperatuur lager is dan -15 °C, mag u de startmotor 25 seconden achtereen inschakelen. Wanneer de auto frequent wordt gebruikt bij dergelijk lage temperaturen raden wij aan een verwarmingselement in het motorblok te laten monteren.
N.B.: Schakel de startmotor in tot de motor aanslaat.
N.B.: U kunt de startmotor per startpoging slechts maximaal 30 seconden inschakelen.
N.B.: Als motor na een aantal pogingen niet start, dan gaat de motorcontrolelamp branden. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 52). De motor mag pas na 30 minuten opnieuw worden gestart om beschadiging van de startmotor te voorkomen.

Zet het contact aan en wacht tot de controlelamp van het voorgloeisysteem uitgaat.
Auto's met handgeschakelde versnellingsbak
N.B.: Druk het gaspedaal niet in.
- Druk het koppelingspedaal volledig in.
- Start de motor.
Uitvoeringen met automatische transmissie
- Selecteer park of neutral.
- Druk het rempedaal volledig in.
- Start de motor.
MOTOR UITSCHAKELEN
Auto's met turbocompressor
LET OP
Zet de motor niet af wanneer deze met een hoog toerental draait. Als de motor bij een hoog toerental wordt afgezet, zal de turbocompressor nog draaien nadat de oliedruk al tot nul is gedaald. Dit heeft vroegtijdige slijtage van de compressorlagers tot gevolg.
Laat het gaspedaal los. Wacht tot de motor stationair draait en zet de motor af.
VEILIGHEIDSMAATREGELEN
WAARSCHUWINGEN

Stop met tanken nadat het vulpistool voor de tweede keer is afgeslagen. Alle brandstof die u dan nog toevoegt vult de expansieruimte in de brandstoftank, hetgeen er toe kan leiden dat de brandstof overstroomt. Het morsen van brandstof kan gevaarlijk zijn voor andere weggebruikers.

Vermijd open vuur of hittebronnen in de nabijheid van het brandstofsysteem. Het brandstofsysteem staat onder druk. Wanneer het brandstofsysteem lekt, bestaat het gevaar van verwonding.
BRANDSTOFKWALITEIT - BENZINE
N.B.: Gebruik uitsluitend brandstof van hoge kwaliteit zonder additieven of andere toevoegingen.
LET OP

Gebruik geen gelode benzine of benzine met additieven die andere metallische bestanddelen (bijv. op ngaan gebaseerd) bevat. Deze kunnen emissiesysteem beschadigen.
Gebruik ongelode benzine met een minimum octaangetal van 95 die voldoet aan de specificatie EN 228, of een equivalent.
BRANDSTOFKWALITEIT - DIESEL
N.B.: Gebruik uitsluitend brandstof van hoge kwaliteit zonder additieven of andere toevoegingen.
WAARSCHUWING

Meng de dieselolie niet met olie, benzine of andere vloeistoffen. Deze kunnen een chemische reactie orzaken.
LET OP

Voeg geen kerosine, paraffine of petroleum aan de dieselolie toe. Deze kunnen het brandstofsysteem chadigen.
N.B.: Wij raden het langdurig gebruik van additieven af die vlokvorming moeten voorkomen.
Gebruik dieselolie die voldoet aan de specificatie EN 590, of een equivalent.
Rijden met een auto met katalysator
LET OP

Zorg ervoor dat u de tank niet leeg rijdt.

Schakel de startmotor niet langdurig achtereen in.

Laat de motor niet met een losgekoppelde bougiekabel draaien.

Sleep of duw de auto niet aan. Gebruik hulpstartkabels. Zie Gebruik van startkabels
(bladzijde 141).

Zet het contact tijdens het rijden niet af.
Parkeren
WAARSCHUWING

Parkeer uw auto niet boven droge bladeren of gras. Na het afzetten van de motor straalt het uitlaatsysteem nog gedurende enige tijd veel warmte uit. Hierdoor ontstaat het gevaar van brand.
TANKKLEP
WAARSCHUWINGEN

Voorkom dat tijdens het tanken brandstof wordt gemorst, die zich in het vulpistool bevindt.

Wij raden aan minimaal 10 seconden te wachten alvorens het vulpistool uit de vulbuis te halen, zodat alle achtergebleven brandstof in de brandstoftank kan stromen.
LET OP

Wanneer u een hogedrukspuit gebruikt om uw auto te wassen, spuit dan kort op de brandstofvulklep af een afstand van niet minder dan 20 timeter (8 inch).
N.B.: Het is normaal dat een sissend geluid hoorbaar is wanneer u de tankdop opent.

Probeer niet de motor te starten wanneer u de tank met de onjuiste brandstofsoort hebt gevuld. Hierdoor de motor worden beschadigd. Laat systeem onmiddellijk door een schoolde monteur controleren.
BRANDSTOFVERBRUIK
De CO2 waarden en de brandstofverbruikcijfers zijn afgeleid van laboratoriumtests volgens EEC richtlijn 80/1268/EEC en aanvullingen daarop. Deze richtlijnen worden door alle automobielfabrikanten aangehouden.
Deze gegevens zijn bedoeld voor het vergelijken van merken en modellen. Ze zijn niet bedoeld als weergave van het werkelijke brandstofverbruik van uw wagen. Het werkelijke brandstofverbruik wordt door vele factoren bepaald, waaronder de rijstijl, rijden met hoge snelheden, starten/stoppen, gebruik van de airconditioning, de gemonteerde accessoires, rijden met een aanhanger, enz.
Uw Ford dealer dient u gaarne van advies hoe u het brandstofverbruik kunt verlagen.
Brandstofverbruikscijfers
| Variant | Stadsver-keer | Buitenweg | Gecombi-neerd | CO2-emissie |
| I/100 km (mpg) | I/100 km (mpg) | I/100 km (mpg) | g/km | |
| Tourneo 2,2 I DuraTorq-TDCi 62,5 kW (85 pk), asreductie: 4.23 | 2017,6 (37,2)6,6 ( | |||
| Tourneo 2,2 I DuraTorq-TDCi 81 kW (110 pk), asre-ductie: 4.23 | 2017,6 (37,2)6,6 ( | |||
| Tourneo 2,2 I DuraTorq-TDCi 96 kW (130 pk), asre-ductie: 4.54 | 2077,8 (36,0)6,7 ( | |||
| Kombi 2,2 I DuraTorq-TDCi 62,5 kW (85 pk), asre-ductie: 4.23 | 9,1 (31,0) - 9,2 (30,7) | 6,4 (44,1) - 6,5 (43,5) | 7,4 (38,2) - 7,5 (37,7) | 195 - 198 |
| Kombi 2,2 I DuraTorq-TDCi 81 kW (110 pk), asreductie: 4.23 | 9,1 (31,0) - 9,2 (30,7) | 6,4 (44,1) - 6,5 (43,5) | 7,4 (38,2) - 7,5 (37,7) | 195 - 198 |
| Kombi 2,2 I DuraTorq-TDCi 11 kW (110 pk), asreductie: 4.54 | 9,1 (31,0) - 9,2 (30,7) | 6,7 (42,2) - 6,8 (41,5) | 7,6 (37,2) - 7,7 (36,8) | 200 - 203 |
| Variant | Stadsver-keer | Buitenweg | Gecombi-neerd | CO2-emissie |
| I/100 km (mpg) | I/100 km (mpg) | I/100 km (mpg) | g/km | |
| Kombi 2,2 | DuraTorq-TDCi 96 kW (130 pk), asreductie: 4,54 tot T300 | 9,6 (29,4) - 9,7 (29,1) | 6,5 (43,5) - 6,6 (42,8) | 7,6 (37,0) - 7,7 (36,5) | 202 - 204 |
| Kombi 2,2 | DuraTorq-TDCi 96 kW (130 pk), asreductie: 4,54 T330 en hoger | 9,4 (30,1) - 9,5 (29,7) | 6,7 (42,2) - 6,8 (41,5) | 7,7 (36,7) - 7,8 (36,2) | 203 - 206 |
| Kombi 2,4 | DuraTorq-TDCi 74 kW (100 pk), asreductie: 4.78 | 11,1 (25,5) - 11,3 (25,0) | 7,3 (38,7) - 7,7 (36,7) | 8,7 (32,5) - 9,0 (31,3) | 230 - 238 |
| Kombi 2,4 | DuraTorq-TDCi 74 kW (100 pk), asreductie: 5.11 | 11,8 (23,9) - 12,2 (23,2) | 7,8 (36,2) - 8,2 (34,5) | 9,3 (30,5) - 9,7 (29,2) | 245 - 255 |
| Kombi 2,4 | DuraTorq-TDCi 85 kW (115 pk), asreductie: 3,73 - handgeschakelde 6-versnellingsbak | 10,4 (27,2) - 10,6 (26,7) | 7,1 (39,8) - 7,3 (38,7) | 8,3 (34,0) - 8,5 (33,2) | 220 - 225 |
| Kombi 2,4 | DuraTorq-TDCi 85 kW (115 pk), asreductie: 4,27 - handgeschakelde 6-versnellingsbak | 12,2 (23,2) - 12,6 (22,4) | 7,7 (36,7) - 7,9 (35,8) | 9,4 (30,2) - 9,6 (29,3) | 247 - 254 |
| Kombi 2,4 | DuraTorq-TDCi 103 kW (140 pk), asre-ductie: 3,73 - handgeschakelde 6-versnellingsbak | 11,2 (25,2) - 11,4 (24,8) | 7,2 (39,2) - 7,6 (37,2) | 8,7 (32,6) - 9,0 (31,4) | 229 - 238 |
| Kombi 2,4 | DuraTorq-TDCi 103 kW (140 pk), asre-ductie: 4,27 - handgeschakelde 6-versnellingsbak | 12,4 (22,8) - 12,8 (22,1) | 7,7 (36,7) - 8,1 (34,9) | 9,4 (30,0) - 9,8 (28,7) | 249 - 260 |
| Kombi 3,2 | DuraTorq-TDCi, asreductie: 3.58 | 209 - 3419,8 | |||
| Kombi 3,2 | DuraTorq-TDCi, asreductie: 4.10 | 222 - 38010 |
Schakel de achteruit niet in wanneer de wagen in beweging is. Dit kan de transmissie beschadigen.
N.B.: Druk het koppelingspedaal geheel in en wacht drie seconden voordat u de achteruit inschakelt.
De achteruit inschakelen
Auto's met een 5-versnellingsbak

Auto's met een 6-versnellingsbak

E68299
AANDRIJVING OP ALLE WIELEN (AWD)
LET OP
Uitvoeringen met vierwielaandrijving moeten worden gesleept met ALLE wielen op het wegdek of ALLE wielen van het wegdek. Zie Bergen van de auto (bladzijde 124).
De vierwielaandrijving waarmee bepaalde uitvoeringen met achterwielaandrijving zijn uitgerust, is puur mechanisch en brengt automatisch het aandrijfkoppel over naar de voorwielen wanneer het wegdek glad is geworden door regen, sneeuw, ijs, enz.
Tijdens het rijden en activering van het systeem brandt de controlelamp AWD. Als de lamp niet brandt of voortdurend brandt tijdens het rijden, dan duidt dit op een storing. Bij storingen schakelt het systeem uit. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.
Wanneer vierwielaandrijving niet langer noodzakelijk is, schakelt het systeem automatisch uit en treedt de normale achterwielaandrijving weer in werking.
WERKING
Schijfremmen
Natte remschijven hebben een lagere wrijvingscoëfficiënt. Druk na het verlaten van een wasstraat het rempedaal even voorzichtig in om de waterfilm op de remschijven te laten verdampen.
ABS
WAARSCHUWING

ABS is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn oplicht om tijdens het rijden zichtig en oplettend te zijn.
Het ABS voorkomt dat de wielen blokkeren, zelfs tijdens krachtig remmen, waardoor de auto in noodsituaties volledig bestuurbaar en stabiel blijft.
TIPS VOOR RIJDEN MET ABS
Wanneer het ABS in werking is, pulseert het rempedaal. Dit is normaal. Blijf het rempedaal indrukken.
Het ABS voorkomt geen gevaren die ontstaan wanneer:
- u te weinig afstand ten opzichte van voor u rijdend verkeer houdt.
• de auto te maken krijgt met aquaplaning.
• u bochten te snel neemt.
• het wegdek slecht is.
PARKEERREM
Handrem aantrekken

Controleer of de handrem is aangetrokken voordat u de hefboom vrijzet.
N.B.: Druk de knop niet in wanneer u de handrem aantrekt.
- Druk het rempedaal stevig in.
- Trek de handremhefboom zo ver mogelijk naar boven.
Op een helling parkeren
Wanneer u op een helling moet parkeren met de voorzijde van de wagen hellingopwaarts, schakel dan de eerste versnelling in en draai dan de voorwielen van de trottoirband af. Wanneer u op een helling moet parkeren met de voorzijde van de wagen hellingafwaarts, schakel dan de achteruit in en draai dan de voorwielen naar de trottoirband toe.
Handrem vrijzetten
- Druk het rempedaal stevig in.
- Trek de handremhefboom lichtjes aan, druk de knop in en druk de hefboom naar beneden.
WERKING
Elektronisch Stabiliteits Programma (ESP)
WAARSCHUWING

ESP houdt niet in dat u niet langer voorzichtig en aandachtig hoeft te rijden.

flowchart
graph TD
A["A"] --> B1["B"]
B1 --> B2["B"]
B2 --> B3["B"]
B3 --> A2["A"]
A2 --> B4["B"]
B4 --> B5["B"]
style A fill:#fff,stroke:#000
style B fill:#ccc,stroke:#000
style B2 fill:#ccc,stroke:#000
style B3 fill:#ccc,stroke:#000
style A4 fill:#fff,stroke:#000
style A3 fill:#fff,stroke:#000
style A1 fill:#fff,stroke:#000
style B1 fill:#ccc,stroke:#000
style B2 fill:#ccc,stroke:#000
style B4 fill:#ccc,stroke:#000
style B5 fill:#ccc,stroke:#000
E72903
zonder ESPA
met ESPB
Het ESP ondersteunt de stabiliteit van de auto wanneer deze dreigt uit te breken. Dit wordt bewerkstelligd door de wielen afzonderlijk af te remmen en door het motorkoppel zo nodig te verlagen.
Het systeem zorgt ook voor een betere tractieregeling door het motorkoppel te verlagen wanneer de wielen bij het accelereren beginnen door te spinnen. Het verbetert de mogelijkheden om op gladde of losse oppervlakken te kunnen optrekken en het verbetert het comfort door wielspin in haarspeldbochten te beperken.
Controlelamp Elektronisch Stabiliteits Programma (ESP)
De controlelamp ESP knippert wanneer het systeem wordt geactiveerd. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 52).
Noodremassistent
WAARSCHUWING

De noodremassistent is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens den voorzichtig en oplettend te zijn.
De noodremassistent kan een noodstopsituatie herkennen aan de snelheid waarmee u het rempedaal indrukt. Hij zorgt voor een maximale remdruk zolang het rempedaal wordt ingedrukt. De noodremassistent kan de remweg in kritieke situaties reduceren.
Houd bij een snelheid van 60 km/u (37 mph) de schakelaar gedurende één seconde ingedrukt. Het lampje in de schakelaar gaat branden.
N.B.: Wanneer u het systeem uitschakelt, treedt dit tijdelijk opnieuw in werking wanneer het rempedaal wordt ingedrukt en de wagen slipt. De ESP controlelamp knippert in een dergelijk geval.
N.B.: Wanneer u het systeem uitschakelt, dan wordt het systeem automatisch geheractiveerd als de snelheid hoger is dan 60 km/u (37 mph).
Druk de schakelaar opnieuw in om het systeem in te schakelen. Telkens wanneer u het contact aan zet wordt het systeem automatisch ingeschakeld.
Voor locatie: Zie Kort overzicht (bladzijde 6).
WERKING
De Hill Launch Assist (HLA) maakt het eenvoudiger op te trekken wanneer de wagen op een helling staat zonder dat het noodzakelijk is gebruik te maken van de parkeerrem.
Wanneer de HLA actief is, blijft de wagen nadat u het rempedaal hebt losgelaten twee tot drie seconden op de helling stilstaan. Gedurende deze tijd heeft u de tijd om uw voet van het rempedaal te halen, het gaspedaal in te drukken en op te trekken. De remmen worden automatisch gelost zodra de motor voldoende vermogen heeft opgebouwd om weg te rijden. Zo wordt voorkomen dat de wagen op een helling kan terugrollen. Dit is een voordeel wanneer u op een helling moet optrekken, bijvoorbeeld vanaf een helling van een parkeerplaats, bij verkeerslichten of tijdens het achteruit tegen een helling inparkeren.
WAARSCHUWING

De HLA vervangt niet de parkeerrem. Trek altijd de handrem aan en schakel de eerste versnelling of de achteruit in wanneer u de auto verlaat.
GEBRUIK VAN HLA
De HLA wordt automatische geactiveerd als de wagen op een helling van meer dan 4% wordt stilgezet. De HLA werkt als de auto met de neus bergaf staat gericht met ingeschakelde achteruitversnelling.
De HLA activeren
WAARSCHUWINGEN

Wanneer u de HLA eenmaal hebt geactiveerd moet u in de wagen blijven.
WAARSCHUWINGEN

De HLA is alleen actief als de groene HLA-lamp in het instrumentenpaneel brandt. U blijft te allen tijde verantwoordelijk voor het besturen van de wagen en het zo nodig in en uitschakelen van de HLA.
U kunt de HLA alleen inschakelen wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- De motor loopt.
- Alle portieren (inclusief laaddeuren) zijn volledig gesloten.
• De parkeerrem is volledig losgezet.
• Er geen sprake is van storingen.
Activeren van de HLA:
-
Trap het rempedaal en het koppelingspedaal in om de wagen volledig stil te zetten. Houd het rempedaal en het koppelingspedaal ingetrapt.
-
Als de sensor registreert dat de wagen op een helling staat, dan wordt de HLA automatisch geactiveerd en gaat de groen HLA-lamp in het instrumentenpaneel branden.
-
Wanneer u uw voet van het rempedaal neemt, blijft de wagen gedurende ongeveer twee tot drie seconden op de helling staan zonder achteruit te rollen. Deze periode wordt automatisch verlengd als u bezig bent weg te rijden.
-
Rij weg op de normale manier. De remmen worden automatisch gelost.
WAARSCHUWING

Als het motortoerental te hoog wordt opgejaagd of als een storing wordt geregistreerd bij een actieve
HLA, dan wordt de HLA gedeactiveerd en dooft de groene HLA-lamp.
De HLA uitschakelen
Voer een van de volgende handelingen uit om de HLA te deactiveren:
- Trek de handrem aan.
- Open een willekeurig portier (inclusief de laaddeuren).
- Rij weg de helling op zonder de handrem aan te trekken.
- Wacht twee tot drie seconden tot de HLA automatisch deactiveert.
- Als de HLA is geactiveerd in een vooruitversnelling, selecteer dan de achteruitversnelling.
- Als de HLA is geactiveerd in de neutrale versnelling, laat dan het koppelingspedaal los.
- Als de HLA is geactiveerd in een achteruitversnelling, selecteer dan de neutrale versnelling.
De groene HLA-lamp wordt gedoofd.
HLA deactiveren
Uw dealer kan indien nodig de HLA permanent deactiveren.
WERKING
Het tractieregelsysteem verbetert de tractie wanneer een wiel doorspint bij snelheden tot 40 km/h (25 mph).
Wanneer een wiel begint door te spinnen wijzigt het tractieregelsysteem de druk naar de remklauw van dat wiel tot het stopt met doorspinnen.
GEBRUIK MAKEN VAN AANDRIJFREGELING (TRACTION CONTROL)
Het traction control systeem is operationeel wanneer u het contact aanzet.
De controlelamp van het traction control systeem knippert wanneer het systeem in werking is. Geef rustig gas tot het doorspinnende wiel weer grip heeft.
Het traction control systeem schakelt tijdelijk uit wanneer het buitensporig vaak binnen een korte tijd wordt ingeschakeld. Dit is normaal en heeft geen invloed op het remsysteem.
Bij uitgeschakeld ESP blijft het traction control systeem werken. De controlelamp in de instrumentengroep knippert in dit geval niet.
WERKING
WAARSCHUWING

Ondanks de parkeerhulp bent u verplicht voorzichtig en aandachtig te rijden.
LET OP

Bij zware regenval of andere omstandigheden waardoor verstorende reflecties ontstaan is het gelijk dat de sensoren bepaalde rwerpen niet 'zien'.

De sensoren kunnen voorwerpen met een oppervlak de ultrasone geluidsgolven absorberen niet 'zien'.

De sensoren kunnen voorwerpen die zich dicht bij de auto bevinden (ca. 30 centimeter aan de achterzijde en en of onder de sensoren) niet 'zien'.

Wanneer u een hogedrukspuit gebruikt om uw auto te wassen, spuit dan kort op de sensoren vanaf een and van niet minder dan 20 timeter (8 inch).
N.B.: Wanneer de parkeerhulp een signaal registreert dat op dezelfde frequentie wordt uitgezonden als de sensoren gebruiken, of wanneer de auto maximaal is beladen, kan een vals signaal worden gegeven.
N.B.: De buitenste sensoren kunnen de zijnmuren van een garage detecteren. Wanneer de afstand tussen de buitenste sensor en de muur gedurende drie seconden constant blijft, wordt het akoestisch signaal uitgeschakeld. Wanneer u doorrijdt, kunnen de binnenste sensoren objecten achter de auto detecteren.
GEBRUIK MAKEN VAN DE PARKEERHULP

LET OP
De parkeerhulp kan een naderhand gemonteerde trekhaak detecteren. De parkeerhulp duidt alleen de afstand tussen de bumper en het obstakel aan, niet de afstand tussen de trekhaak en het obstakel.
N.B.: Houd de sensoren vrij van vuil, ijs en sneeuw. Reinig de sensoren niet met scherpe voorwerpen.
Bij aangezet contact wordt de parkeerhulp wordt automatisch geactiveerd bij het inschakelen van de achteruit.
U hoort een onderbroken signaal wanneer de afstand tussen de achterbumper en een obstakel 180 cm bedraagt. Wanneer de afstand kleiner wordt, volgen de signalen elkaar sneller op. Wanneer de afstand 40 cm of minder bedraagt is het signaal ononderbroken.
N.B.: Wanneer u drie seconden lang een hoge pieptoon hoort, duidt dit op een storing. Het systeem schakelt bij storingen automatisch uit. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren.
WERKING
De camera is een visueel hulpmiddel bij achteruitrijden.
WAARSCHUWING

De camera is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn.
LET OP

Wanneer u een hogedrukspuit gebruikt om uw wagen te wassen, spuit dan kort op de camera vanaf afstand van niet minder dan 20 timeter.

Oefen geen druk op de camera uit. De positie en de hoek van de camera wordt automatisch gewijzigd.
N.B.: Houd de camera vrij van vuil, ijs en sneeuw. Reinig de camera niet met scherpe voorwerpen, ontvetter, was of organische producten. Gebruik alleen een zachte doek.
Tijdens de bediening worden in de display hulplijnen weergegeven die de route van de wagen en de geschatte afstand vanaf voorwerpen aan de achterzijde voorstellen.
De bediening van de achteruitkijkcamera varieert afhankelijk van de buitentemperatuur, de rij-omstandigheden van de wagen en het type weg.

De in de display weergegeven afstanden kunnen verschillen van de werkelijke afstand.

Plaats geen voorwerpen voor de camera.
Achteruitkijkcamera

E95058
Display achteruitkijkcameraA
Achteruitkijkcamera - achterklepB
Achteruitkijkcamera - laaddeurC
Achteruitkijkcamera activeren
LET OP

Het kan voorkomen dat de camera voorwerpen die zich te dicht bij de wagen bevinden niet kan registreren.
Schakel de achteruitversnelling in met ingeschakeld contact. De afbeelding wordt op het scherm weergegeven.
De camera werkt wellicht niet correct onder de volgende omstandigheden:
• Donkere gebieden.
- Fel licht.
- Als de buitentemperatuur snel toe- of afneemt.
- Als de camera nat is (bijvoorbeeld tijdens regen of een hoge vochtigheid).
- Als het zicht van de camera is geblokkeerd (bijvoorbeeld door modder).
Display gebruiken
LET OP

Voorwerpen boven de camera worden niet weergegeven.
Controleer indien nodig het gebied achter de auto.
LET OP

Markeringen worden alleen gebruikt als algemene richtlijn en worden berekend voor auto's met een imale belading op een egaal wegdek.
N.B.: Bij achteruitrijden met een aanhanger geven de lijnen op het scherm de autorichting aan en niet de richting van de aanhanger.
De lijnen geven een geprojecteerde route van de auto en de afstand vanaf de buitenspiegels en de achterbumper aan.

A Speling buitenspiegel - 0,1 meter 0,5 meterB 1 meterC
2 meterD
3 meterE
Achteruitkijkcamera in- en uitschakelen

Druk op toets A om het systeem handmatig uit te schakelen.
N.B.: De toets werkt alleen als de achteruitversnelling is ingeschakeld en de auto op contact staat.
Achteruitkijkcamera deactiveren
N.B.: Schakel een vooruitversnelling in. De display blijft een korte periode aan alvorens deze wordt uitgeschakeld.
WERKING
Met cruise control (automatische snelheidsregeling) kunt u met behulp van de schakelaars op het stuurwiel de rijsnelheid instellen. Cruise control werkt vanaf snelheden van 30 km/h.
GEBRUIK MAKEN VAN SNELHEIDSREGELING (CRUISE CONTROL)
WAARSCHUWING

Schakel onder drukke verkeersomstandigheden, op trajecten met veel bochten en op le wegen cruise control niet in.
Cruise control inschakelen

E75456
N.B.: Het systeem is gereed op de snelheid in te stellen.
Snelheid instellen

Druk de schakelaar in om de huidige snelheid op te slaan en aan te houden. De controlelamp van de cruise control gaat branden. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 52).
Ingestelde snelheid veranderen
WAARSCHUWING

Wanneer u een heuvel afrijdt, kan de snelheid hoger worden dan de ingestelde snelheid. Het systeem stelt niet de remmen in werking. Schakel terug en druk op de SET- schakelaar om het systeem te helpen de ingestelde snelheid te handhaven.
N.B.: Wanneer u het gaspedaal indrukt, verandert de ingestelde snelheid niet. Wanneer u het gaspedaal loslaat, gaat de auto weer met de eerder ingestelde snelheid rijden.

Accelereren (versnellen)A Decelereren (vertragen)B
Ingestelde snelheid
uitschakelen

Druk het rempedaal of de RES schakelaar in.
N.B.: Het systeem regelt niet langer de rijsnelheid. De controlelamp van de cruise control gaat niet branden, maar de laatst ingestelde rijsnelheid blijft in het geheugen opgeslagen.
Ingestelde snelheid opnieuw inschakelen

De controlelamp van de cruise control gaat branden en het systeem zal proberen de auto met de eerder door u ingestelde snelheid te laten rijden.
Cruise control uitschakelen

De eerder door u ingestelde snelheid blijft niet in het geheugen opgeslagen. De controlelamp van de cruise control gaat niet branden.
WERKING
Toerentalbegrenzer
Het toerental van de motor wordt begrensd om beschadigingen te voorkomen.
Snelheidsbegrenzer
De snelheidsbegrenzer voorkomt dat u sneller dan de geprogrammeerde snelheid rijdt. Raadpleeg voor meer informatie de tabel op de zonneklep aan bestuurderszijde.
Uitvoeringen met een dieselmotor
U kunt de topsnelheid van uw wagen op een bepaalde waarde begrenzen, vooropgesteld dat deze binnen de wettelijke normen valt. Raadpleeg uw dealer voor meer informatie.
ALGEMENE INFORMATIE
WAARSCHUWINGEN

Gebruik bevestigingsriemen die voldoen aan een norm, bijv. DIN.

Zorg ervoor dat alle losse voorwerpen goed zijn vastgezet.

Plaats bagage en ander voorwerpen zo laag mogelijk en zo ver mogelijk naar voren in de geruimte of de laadruimte.

Rijd niet met geopende achterklep of achterdeur. Uitlaatgassen kunnen de auto worden binnengezogen.
WAARSCHUWINGEN

Overschrijd niet de maximum voor- en achterasbelasting voor uw auto. Zie Voertuigidentificatie
(bladzijde 165).

Zware ladingen bestemd voor de passagiersruimte moeten worden geplaatst op een neergeklapte erbank (zie de afbeelding). Zie terbank (bladzijde 75).
BEVESTIGINGSPUNTEN VOOR LADING
N.B.: Het aantal ladingsteunen kan afhankelijk van de uitvoering van de wagen variëren.
Transport
Lading bevestigen

Er is geen dakbelasting toegestaan bij busmodellen met een lange wielbasis, enkellucht, 13, 14 of 15
stoelen en een 200 pk dieselmotor.

Er is geen dakbelasting toegestaan bij busmodellen met een lange wielbasis, enkellucht, 13, 14 of 15
stoelen en een 140 pk dieselmotor met aandrijving op alle wielen (AWD).
WAARSCHUWINGEN

Wanneer u een imperiaal gebruikt, kan het brandstofverbruik van uw auto hoger zijn en kan de akteristiek anders zijn.

Wanneer u een imperiaal aanbrengt, lees dan de instructies van de fabrikant en volg deze op.
LET OP

Overschrijd de maximale asbelasting niet. Zie Voertuigidentificatie (bladzijde 165).

Overschrijd de maximaal toegestane dakbelasting van 100 kg, of 50 kg voor Euroline en Nugget voertuigen, usief de imperiaal) niet.
Controleer de bevestiging van de de imperiaal als volgt:
• voordat u vertrekt
- na 50 kilometer (30 mijl) te hebben gereden
• met intervallen van 1.000 kilometer (600 mijl).
Uitvoeringen met een nooduitgang
Zie Nooduitgang (bladzijde 110).
TREKKEN VAN EEN AANHANGER
WAARSCHUWINGEN

Overschrijd het maximum toelaatbare totaalgewicht en het aanhangergewicht dat op het
identificatieplaatje van de wagen staat niet. Zie Voertuigidentificatie (bladzijde 165).

Rijd niet sneller dan 90 km/h (55 mph) wanneer u met een beladen aanhanger van meer dan 2.000 kg
rijdt.
N.B.: Niet alle wagens zijn geschikt of goedgekeurd voor een trekhaak. Controleer daarom eerst bij uw dealer.
Plaats de lading zo laag mogelijk en midden op de as(sen) van de aanhanger. Wanneer u met een onbeladen wagen rijdt, moet de lading in de aanhanger zover mogelijk naar de aanhangerkoppeling worden geschoven, omdat dit voor de beste stabiliteit zorgt. Overschrijd de maximum toelaatbare kogeldruk niet.
N.B.: De maximum kogeldruk kunt u vinden op het plaatje met gegevens op de trekhaak.
De stabiliteit van de wagen-aanhanger combinatie is vooral afhankelijk van de kwaliteit van de aanhanger.
Het maximum toelaatbaar wagengewicht en het aanhangergewicht geven de technische eisen weer, die worden gesteld voor hellingen tot 12 % en bij hoogten van 1.000 meter boven de zeespiegel. In bergachtige streken worden de prestaties van de motor door de lagere luchtdruk nadelig beïnvloed. Daarom gelden de volgende beperkingen:
In bergachtige streken moet vanaf hoogten van 1.000 meter het maximum toelaatbaar gewicht voor iedere 1.000 meter met 10% worden verlaagd.
Steile hellingen
WAARSCHUWING

Houd er rekening mee dat de oplooprem van een aanhanger geen deel uitmaakt van het okkeersysteem van de wagen.
Schakel terug voordat u een steile afdaling bereikt.
INRIJDEN
Banden
WAARSCHUWING

Nieuwe banden hebben een inlooptijd van ongeveer 500 kilometer (300 mijl). Gedurende deze periode kan de auto een andere rijkarakteristiek vertonen.
Remmen en koppeling
WAARSCHUWING

Vermijd indien mogelijk het intensief gebruik van de remmen en de koppeling gedurende de eerste 150 kilometer (100 mijl) in de stad en gedurende de eerste 1.500 kilometer (1.000 mijl) op snelwegen.
Motor
LET OP

Rijd de eerste 1.500 kilometer (1.000 mil) niet te snel. Varieer uw snelheid en schakel tijdig op. Laat de motor zwoegen.
GEREDUCEERD MOTORVERMOGEN
Uw wagen kan zonder de motor te beschadigen korte tijd doorrijden wanneer de motor oververhit is. De motor levert dan minder vermogen. De afstand die u kunt afleggen is afhankelijk van de buitentemperatuur, de belading van de wagen en het omgeving waarin u rijdt.
Wanneer de naald naar het bovenste gebied beweegt, is de motor oververhit. Zie Meters (bladzijde 50).
Wanneer de temperatuur blijft stijgen zorgt het systeem ervoor dat de brandstoftoevoer naar de motor wordt gereduceerd. De airconditioning (indien gemonteerd) wordt uitgeschakeld en de koelventilateur wordt ingeschakeld.
LET OP

Wordt te lang doorgereden, dan neemt de motortemperatuur nog verder toe en zal de motor volledig den uitgeschakeld.
- Breng uw auto tot stilstand zodra dit kan.
- Zet onmiddellijk de motor af om ernstige beschadiging te voorkomen.
• Laat de motor eerst afkoelen. - Controleer het koelvloeistofpeil. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 133).
- Laat de auto onmiddellijk door een deskundige controleren.
EERSTEHULPSET
Bus
Voor een EHBO-doos is ruimte onder de stoel op de tweede rij.
Gesloten bestelwagen, Kombi, Chassis Cabine, uitvoering met open laadbak
Voor de gevarendriehoek is ruimte in het opbergvak op het portier aan bestuurderszijde.
GEVARENDRIEHOEK
In de kaartenbak op het bestuurdersportier bevindt zich een ruimte voor het opbergen van een gevarendriehoek.
NOODUITGANG
WAARSCHUWING

Zorg ervoor dat de imperiaal en de lading erop de nooduitgang niet afdekken. Vraag uw dealer voor
advies over imperiaals die voor uw wagen geschikt zijn.
Breek in geval van nood het glas met de hamer.
ONDERBREKINGS- SCHAKELAAR BRANDSTOFTOEVOER

Wanneer u een ongeluk of een lichte aanrijding hebt gehad (bijv. tijdens het parkeren ergens tegenaan gereden) kan de veiligheidsschakelaar te brandstoftoevoer onderbreken. De schakelaar bevindt zich op het zijpaneel voor het passagiersportier.
Veiligheidsschakelaar terugstellen
WAARSCHUWING

Stel de veiligheidsschakelaar niet terug wanneer u brandstof ruikt of ziet weglekken.
- Contact afzetten.
- Controleer het brandstofsysteem op lekkage.
-
Druk de bovenzijde van de schakelaar in om deze terug te stellen.
-
Zet het contact aan en zet na een paar seconden de contactsleutel in stand I.
- Controleer het brandstofsysteem opnieuw op lekkage.
COMPONENTEN VAN VEILIGHEIDSSYSTEEM INSPECTEREN
Veiligheidsgordels
Veiligheidsgordels die zijn belast ten gevolge van een aanrijding moeten worden vervangen en de verankeringen worden gecontroleerd. Deze werkzaamheden moeten door een correct hiertoe opgeleide monteur worden uitgevoerd.
PLAATSEN ZEKERINGENHOUDERS
Stuur rechts

E70864
Stuur links

E91162
Voorschakel-zekeringkastA Standaard relaiskastB
C Aansluitkast in passagierscompartiment Aansluitkast in motorruimteD
Voorschakel-zekeringkast
Bestuurdersstoel

Standaard relaiskast


Aansluitkast aan passagierszijde


N.B.: Tijdens het aanbrengen moet een klik hoorbaar zijn bij het laten aangrijpen van beide klemmen.
Voor locatie: Zie Onderhoud (bladzijde 126).
EEN ZEKERING VERVANGEN
WAARSCHUWINGEN
Wijzig de elektrische installatie van uw auto op geen enkele wijze. Laat reparaties aan de elektrische installatie en het vervangen van relais en zekeringen voor hoge stroomsterktes door goed getrainde monteurs uitvoeren.
Zet het contact af en schakel alle elektrische onderdelen uit voordat u probeert een zekering te vervangen of deze aanraakt.
LET OP
! Vervang een doorgeslagen zekering door een exemplaar met hetzelfde vermogen.
N.B.: U kunt een doorgeslagen zekering herkennen aan de gebroken smeltdraad.
N.B.: Alle zekeringen, behalve zekeringen voor hoge stroomsterktes, zijn zogenaamde steekzekeringen.
SPECIFICATIE-OVERZICHT ZEKERINGEN
Voorschakel-zekeringkast

E70871
| Beveiligde circuitsKleurAmpèreZekeri | |||
| Startmotor en dynamogrijs3501 |
Zekeringen
| Beveiligde circuitsKleurAmpèreZek | |||
| geel602 | Voeding aansluitkast passagierszijde - start-relevant | ||
| blauw1003 | Voeding aansluitkast motorcompartiment - niet startrelevant | ||
| Voorruitverwarming, rechterzijdegroen404 | |||
| blauw1005 | Voeding standaard relaiskast - niet startrelevant | ||
| Voorruitverwarming, linkerzijdegroen406 | |||
| geel607 | Voeding aansluitkast passagierszijde - niet startrelevant | ||
| Aansluitpuntgeel608 | |||
| Aansluitpuntgeel609 | |||
| Aansluitpuntgeel6010 |
| Geschakelde circuitsRelais | |
| Onderbrekingsschakelaar accuR1 |
Zekeringen
| Beveiligde circuitsKleurAm | |||
| Koelventilateurgeel6011 | |||
| roze3012 | Voeding trekhaak entrekhaakmodule(KL30) | ||
| 13 | 40 | groen | Pomp van ABS enESP |
| Wordt niet gebruikt--14 | |||
| Gloeibougiesgeel6015 | |||
| geel6016 | Relais contactslot(KL15 #3 | ||
| Vrijgave startmotorroze3017 | |||
| groen4018 | Voeding ontsteking(KL15) naar aansluit-kast passagierszijde | ||
| Wordt niet gebruikt--19 | |||
| rood1020 | ABS, ESP, sensorstuurhoek, voedinggiersensor (KL30) |
Zekeringen
| Beveiligde circuitsKleur4 | |||
| naturel2521 | Kleppen en regeleenheid ABS en ESP | ||
| Voedingsrelais PCMgeel20 | |||
| Wordt niet gebruikt--23 | |||
| 24 Diesel | geel20 | Extra verwarming,programmeerbarestandverwarming | |
| 24 Benzine | geel20 | Benzinepomp | |
| bruin525 | Door accu gevoederelaisspoelen | ||
| Spanning PCMblauw1526 | |||
| 27 | 7,5 | bruin | Controle gloeibougie |
| 28 Diesel | bruin5 | T-MAF sensor | |
| 28 Benzine | blauw15 | Controlesysteemkatalysator en lamb-dasondes | |
| bruin529 | Sensor water inbrandstof (alleendiesel), voedingrelaisspoelen | ||
| rood1030 | Sonische ontlucht-klep, inspuitventielen(alleen benzine) | ||
| bruin531 | Rijsnelheidsensor | ||
| 32 Diesel | geel20 | Gloeibougieverdamper | |
| 32 Benzine | geel20 | Ontstekingsmodulebobine op bougie | |
| rood1033 | Achteruitrijlampen | ||
| geel2034 | Voeding trekhaak(KL15) |
Zekeringen
| Beveiligde circuitsKleurAm | |||
| bruin535 | Extra verwarming (KL15) | ||
| rood1036 | Koppeling van compressor airconditioning | ||
| bruin537 | Door contactslot gevoede relaisspoelen, PCM ontsteking, contact-sleutel |
| Geschakelde circuitsRelais | |
| GloeibougiesR2 | |
| Wordt niet gebruiktR3 | |
| Vrijgave startmotorR4 | |
| Voeding (KL15 #4)R5 | |
| Voeding (KL15 #3)R6 | |
| R7 diesel | Gloeibougie verdamper |
| R7 benzine | Benzinepomp |
| Voeding computer motorregelingR8 | |
| Wordt niet gebruiktR9 | |
| Solenoïde van compressor airconditioningR10 |
Standaard relaiskast

E70873
| Beveiligde circuitsKleurAmpèreZek | |||
| Achterruitwissergeel2038 | |||
| Bediening airconditioning voor en achterrood1039 | |||
| Voeding relaisspoelenbruin540 | |||
| Tachograafbruin541 | |||
| bruin542 | Hoogteregeling koplamplichtbundels, hoofdlichtschakelaar (KL15) | ||
| Verwarmbare voorstoelengeel2043 | |||
| Claxongeel2044 | |||
| geel2045 | Extra voedingspunt voorzijde | ||
| rood1046 | Verwarmbare buitenspiegels, indien CAT 1 gemonteerd |
Zekeringen
| Beveiligde circuitsKleurAmpèr | |||
| Aanstekergeel2047 | |||
| bruin548 | Voeding relaisspoelen, elektrisch bedienbare buitenspiegels | ||
| Extra voedingspunt achterzijdegeel2049 | |||
| Grootlicht, linksrood1050 | |||
| Grootlicht, rechtsrood1051 | |||
| Dimlicht, linksrood1052 | |||
| rood1053 | Dimlicht, rechts | ||
| 3054 | roze | Voorgeschakelde zekering voor dimlicht, grootlicht, verlichting overdag, tachograaf, aanjager van standverwarming | |
| 4055 | groen | Aanjagermotor | |
| geel2056 | Elektrisch bedienbare ruiten | ||
| 3057 | roze | Aanjagermotor, achter | |
| 3058 | roze | Ruitenwissermotor, voor | |
| 3059 | roze | Achterruitverwarming, verwarmbare buiten- spiegels | |
| 60 | Wordt-niet gebruikt- | ||
| geel6061 | Relais contact (KL15 #1) | ||
| geel6062 | Relais contact (KL15 #2) |
| Relais | Geschakelde circuits |
| R11 | Dimlicht |
| R12 | Verwarmbare buitenspiegels (indien CAT 1 alarm is gemonteerd) |
| R13 | Grootlicht |
| ClaxonR14 | |
| R15 | Verlichting overdag |
| R16 | Programmeerbare standverwarming |
Zekeringen
| Geschakelde circuitsRelais | |
| R17 | Verwarmbare achterruiten en verwarmbare buitenspiegels (of achterruitverwarming, links, indien CAT 1 alarm is gemonteerd) |
| R18 | Achterruitverwarming, rechts (indien CAT 1 alarm is gemonteerd) |
| Voeding (KL15 #2)R19 | |
| Gereserveerd voor bijzondere toepassingenR20 | |
| Voeding (KL15 #1)R21 | |
| Voorruitverwarming, rechterzijdeR22 | |
| Ruitenwissers, voor, hoge en lage wissnelheidR23 | |
| AchterruitwisserR24 | |
| Ruitenwissers voor, aan en uit functieR25 | |
| Voorruitverwarming, linkerzijdeR26 |
Aansluitkast aan passagierszijde

E70874
| Beveiligde circuitsKleurAmpè | |||
| Parkeerhulp achter, regensensorbruin563 | |||
| Sensor gaspedaalgrijs264 | |||
| Remlichtschakelaarblauw1565 | |||
| bruin566 | Instrumentengroep, voeding PATS, tacho-graaf, schakelaar instrumentenverlichting | ||
| Sproeierpompblauw1567 | |||
| Regeleenheid veiligheidssysteemrood1068 | |||
| Schakelaar buitenverlichting (KL15)geel20 | |||
| 70 | geel20 | Alarmclaxon met eigen accu | |
| 71 | bruin5 | Schakelaar buitenverlichting (KL30) | |
| rood1072 | Voeding accusaver, OBDII (KL30) | ||
| blauw1573 | Voeding radio, navigatiesysteem en telefoon | ||
| bruin574 | Instrumentengroep, schakelklok standver-warming, voeding keyless entry systeem,sensor interieuralarm (KL30) | ||
| 7,575 | bruin | Stadslicht, rechts | |
| Stadslicht, linksbruin7,576 | |||
| bruin577 | Voeding contactslot, verbreekschakelaaraccuvoeding relaisspoelen | ||
| blauw1578 | Centrale vergrendeling | ||
| 7,579 | bruin | Kentekenplaatverlichting, zijmarkering | |
| blauw1580 | Mistlampen, vóór | ||
| 81 | rood10 | Mistachterlichten | |
| 382 | violet | Voedingsspanning audiosysteem en instru-mentenpaneel |
reZeker
Extra zekeringen
| PlaatsBeveiligde ci | ||||
| rood1083 | Trekhaakmodule | Beenruimte aan linkerzijde |
SLEEPPUNTEN

E71361
Sleepoog, voorA
B Sleepoog, achter (Bestelwagen, Bus, Kombi)
C Sleepoog, achter (Chassis Cabine en uitvoering met open laadbak)
AUTO OP VIER WIELEN SLEPEN
Alle uitvoeringen
WAARSCHUWINGEN
Zet het contact aan wanneer uw auto wordt gesleept. Bij afgezet contact treedt het stuurslot in werking en werken de richtingaanwijzers en de remlichten niet.
De rem- en stuurbekrachtiging werken niet, tenzij de motor draait. Druk het rempedaal harder in en houd rekening met langere remafstanden en een zwaarder draaiend stuurwiel.
LET OP
Te veel spanning op de sleepkabel kan schade toebrengen aan uw en aan de trekkende wagen.
! Bevestig aan het voorste sleepoog geen sleepstang.
Trek rustig en soepel zonder rukken op.
Wagens met automatische transmissie
LET OP
Sleep uw wagen niet met snelheden hoger dan 50 km/h (30 mph) of over afstanden van meer dan 50 km (30 mijl).
Wanneer uw wagen met snelheden boven 50 km/h (30 mph) en over afstanden van meer dan 30 miles (40 mijl) moet worden gesleept, moet hij worden getransporteerd terwijl alle vier wielen vrij zijn van het wegdek.
Bij een mechanisch defect aan de transmissie moeten de aangedreven wielen worden opgehesen zodat deze vrij zijn van het wegdek.
LET OP

Sleep uw wagen niet achterwaarts.

Zet de versnellingsbak in neutraal wanneer uw auto wordt gesleept.
AUTO OP VIER WIELEN SLEPEN - AWD
WAARSCHUWINGEN

Zet het contact aan wanneer uw auto wordt gesleept. Bij afgezet contact treedt het stuurslot in
werking en werken de richtingaanwijzers en de remlichten niet.

De rem- en stuurbekrachtiging werken niet, tenzij de motor draait.
Druk het rempedaal harder in en houd rekening met langere remafstanden en een zwaarder draaiend stuurwiel.
LET OP

Te veel spanning op de sleepkabel kan schade toebrengen aan uw en aan de trekkende wagen.

Bevestig aan het voorste sleepoog geen sleepstang.

Bij een mechanische storing aan de transmissie van uw wagen moet deze worden gesleept met ALLE
wielen op het wegdek of met ALLE wielen van het wegdek.
Trek rustig en soepel zonder rukken op.
ALGEMENE INFORMATIE
Wanneer u uw auto regelmatig laat onderhouden zal dit de betrouwbaarheid en de inruilwaarde ten goede komen. Er staat een groot netwerk van Ford Erkende Reparateurs ter beschikking die u met hun professionele expertise ter zijde kunnen staan. De speciaal opgeleide monteurs zijn het best gekwalificeerd om het onderhoud aan uw auto snel en vakkundig uit te voeren. Bovendien beschikken zij over gereedschappen en apparatuur die speciaal zijn ontwikkeld om het onderhoud aan uw auto uit te voeren.
Naast het normale onderhoud raden wij aan de volgende extra controles uit te voeren.
WAARSCHUWINGEN

Zet het contact af voordat u onderdelen aanraakt of probeert af te stellen.

Raak onderdelen van het elektronisch ontstekingssysteem bij aangezet contact of draaiende
motor niet aan. Het systeem werkt met hoogspanning.

Zorg dat uw handen en kledingstukken niet met de koelventilateur in aanraking kunnen
komen. Onder bepaalde omstandigheden kan de koelventilateur na het afzetten van de motor nog enkele minuten blijven doordraaien.
Dagelijkse controles
- Buitenverlichting.
• Interieurverlichting.
• Waarschuwings- en controlelampen.
Controles bij het tanken
• Motoroliepeil. Zie Motorolie controleren (bladzijde 133).
- Remvloeistofpeil. Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 134).
- Peil van de ruitensproeiervloeistof. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 136).
- Bandenspanning (in koude toestand). Zie Velgen en banden (bladzijde 149).
• Staat van de banden. Zie Velgen en banden (bladzijde 149).
Maandelijkse controles
- Koelvloeistofpeil (bij koude motor). Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 133).
- Slangen, leidingen en reservoirs op lekkage.
• Vloeistofpeil stuurbekrachtiging. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 135).
• Werking van de airconditioning.
• Werking van de parkeerrem.
• Werking van de claxon.
• Vastzitten van de wielmoeren. Zie Velgen en banden (bladzijde 149).
DE MOTORKAP OPENEN EN SLUITEN
Motorkap openen


E72109
Motorkap sluiten
N.B.: Zorg dat de motorkap goed wordt gesloten.
Laat de motorkap zakken en vanaf een hoogte van 20 - 30 cm dichtvallen.
OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,3 L DURATEC-HE (MI4)

E70606
A Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 134).
B Motorlievuldop. Zie Motorolie controleren (bladzijde 133).
C Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 134).
D Plus aansluiting accu (voor aansluiten van hulpstartkabels). Zie Accu van de auto (bladzijde 141).
E Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 133).
F Reservoir ruitensproeiervloeistof. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 136).
G Aansluitkast in motorcompartiment. Zie Zekeringen (bladzijde 112).
H Reservoir stuurbekrachtiging. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 135).
I Oliepeilstaaf. Zie Motorolie controleren (bladzijde 133).
1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke herkenning.
OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,2 L DURATORQ-TDCI (PUMA) DIESEL

E70605
A Waterafscheider brandstofffilter (auto's met stuur links). Zie Water in brandstofffilter aftappen (bladzijde 135).
A Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 134).
B Motorolievuldop. Zie Motorolie controleren (bladzijde 133). Luchtfilter.C
D Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 134).
D Waterafscheider brandstofffilter (auto's met stuur rechts). Zie Water in brandstofffilter aftappen (bladzijde 135).
E Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 133).
F Reservoir ruitensproeiervloeistof. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 136).
G Aansluitkast in motorcompartiment. Zie Zekeringen (bladzijde 112).
H Plus aansluiting accu (voor aansluiten van hulpstartkabels). Zie Accu van de auto (bladzijde 141).
I Oliepeilstaaf. Zie Motorolie controleren (bladzijde 133).
J Vloeistofreservoir stuurbekrachtiging Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 135).
OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,4 L DURATORQ-TDCI (PUMA) DIESEL /3.2 L DURATORQ-TDCI (PUMA) DIESEL

E70607
A Waterafscheider brandstofffilter (auto's met stuur links). Zie Water in brandstofffilter aftappen (bladzijde 135).
A Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 134).
B Motoroliepeilstaaf 1 . Zie Motorolie controleren (bladzijde 133).
C Motorolievuldop 1 . Zie Motorolie controleren (bladzijde 133).
D Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 134).
D Waterafscheider brandstofffilter (auto's met stuur rechts). Zie Water in brandstofffilter aftappen (bladzijde 135).
E Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 133).
F Reservoir ruitensproeiervloeistof. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 136).
G Aansluitkast in motorcompartiment. Zie Een zekering vervangen (bladzijde 114).
H Plus aansluiting accu (voor aansluiten van hulpstartkabels). Zie Gebruik van startkabels (bladzijde 141).
I Luchtfilter. Reservoir stuurbekrachtiging. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 135). Luchtfilter.J
1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke herkenning.
OLIEPEILSTAAF - 2,3 L
DURATEC-HE (MI4)

OLIEPEILSTAAF - 2,2 L
DURATORQ-TDCI (PUMA)
DIESEL

OLIEPEILSTAAF - 2,4 L DURATORQ-TDCI (PUMA) DIESEL /3.2 L DURATORQ- TDCI (PUMA) DIESEL

E71362
A MIN
B MAX
MOTOROLIE CONTROLLEREN
LET OP
Gebruik geen additieven of andere smeermiddelen. Onder bepaalde omstandigheden kunnen deze de motor beschadigen.
N.B.: Het olieverbruik van nieuwe motoren bereikt zijn normale waarde na ongeveer 5.000 kilometer (3.000 mijl).
Het oliepeil controleren
LET OP
! Controleer of het peil tussen de MIN en MAX merktekens staat.
N.B.: Controleer het peil voordat de motor wordt gestart.
N.B.: De wagen moet op een vlakke ondergrond staan.
N.B.: Bij verwarming zet olie uit. Daardoor kan het oliepeil enkele millimeters boven het MAX merkteken staan.
Verwijder de oliepeilstaaf en veeg deze met een schone, niet pluizende doek schoon. Breng de oliepeilstaaf weer aan en verwijder hem opnieuw om het oliepeil te controleren.
Wanneer het peil bij het MIN merkteken staat, vul dan direct bij.
Bijvullen
WAARSCHUWINGEN
Vul alleen bij wanneer de motor koud is. Wacht wanneer de motor heet is tien minuten om de motor te laten afkoelen.
Verwijder de vuldop niet bij draaiende motor.
Verwijder de brandstofdop.
LET OP
Het oliepeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan.
Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 137).
MOTORKOELVLOEISTOF CONTROLEREN
Koelvloeistofpeil controleren
WAARSCHUWING
Voorkom dat de vloeistof in contact komt met de huid of de ogen. Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts.
LET OP

Controleer of het peil tussen de MIN en MAX merktekens staat.
N.B.: Koelvloeistof zet bij verwarming uit. Daardoor kan het koelvloeistofpeil enkele millimeters boven het MAX merkteken staan.
Wanneer het peil bij het MIN merkteken staat, vul dan direct bij.
Bijvullen
WAARSCHUWINGEN

Vul alleen bij wanneer de motor koud is. Wacht wanneer de motor heet is tien minuten om de motor te afkoelen.

Verwijder de vuldop niet bij draaiende motor.

Verwijder de vuldop niet wanneer de motor heet is. Laat de motor eerst afkoelen.
Draai de dop langzaam los. Laat de druk langzaam ontsnappen terwijl u de dop losdraait.
LET OP

Mors geen koelvloeistof op onderdelen van de motor.

Het oliepeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan.
Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 137).
CONTROLE VLOEISTOFPEIL KOPPELING EN REMSYSTEEM
WAARSCHUWING

Voorkom dat de vloeistof in contact komt met de huid of de ogen.
Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts.
LET OP

Controleer of het peil tussen de MIN en MAX merktekens staat.
N.B.: Het remsysteem en het bedieningsmechanisme van de koppeling zijn aangesloten op één reservoir.
Wanneer het peil bij het MIN merkteken staat, vul dan direct bij.
Bijvullen
Verwijder de brandstofdop.
LET OP

Het oliepeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan.
Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 137).
STUURBEKRACHTI- GINGSVLOEISTOF CONTROLEREN
WAARSCHUWING

Voorkom dat de vloeistof in contact komt met de huid of de ogen.
Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts.
LET OP

Controleer of het peil tussen de MIN en MAX merktekens staat.
Wanneer het peil bij het MIN merkteken staat, vul dan direct bij.
Bijvullen
Verwijder de brandstofdop.
LET OP

Het oliepeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan.
Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 137).
WATER IN BRANDSTOFFILTER AFTAPPEN
Uitvoeringen met een dieselmotor
WAARSCHUWING

Voer geen dieselolie met het huishoudelijk afval af en laat het niet in de riolering stromen. Maak uik van de faciliteiten van de eente reinigingsdienst.
N.B.: De controlelamp water-in-brandstof gaat bij draaiende motor na ongeveer 2 seconden uit.
N.B.: Vul alleen vloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Brandstof en tanken (bladzijde 84).

- Trek de multistekker los.
- Sluit een geschikte slang aan op de sensor en steek de slang in een geschikte opvangbak.
- Draai de sensor een tot twee omwentelingen los en laat het water wegstromen.
Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
CONTROLE INDICATOR ONDERHOUD BRANDSTOFFILTER

E66659
groenA doorzichtigB roodC
- Zet het contact af.
- Houd de gele toets gedurende drie seconden ingedrukt.
- Start de motor. Trap het gaspedaal gedurende vijf seconden volledig in.
-
Controleer de positie van de plunjer in de service-indicator.
-
Groen - filter hoeft niet te worden vervangen.
- Kleurloos - vervang het filter bij het volgende onderhoudsinterval.
- Rood - het filter moet worden vervangen. Laat dit onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.
RUITENSPROEI- ERVLOEISTOF CONTROLEREN
N.B.: De ruitensproeiers van de voor- en achterruit hebben een gemeenschappelijk reservoir.
Gebruik geen olie die niet aan de specificaties of eisen voldoet. Gebruik van een ongeschikte olie kan beschadiging van de motor tot gevolg hebben, hetgeen niet onder de Garantie valt.
| SpecificatieAanbevolen | ||
| Motorolie | E SAE 5W-30 motorolie 2 | WSS-M2C913-BFord of Mot |
| Stuurbekrachtiging | vloeistof | WSA-M2C195-AFord Stuurb |
| Koelvloeistof | vries | WSS-M97B44-DMotorcraft S |
| Remvloeistof | DOT 4 remvloeistof | ESD-M6C57-AFord of Mot |
| Achteras 1 | WSS-M2C939AFord hypoid |
1 Onder normale omstandigheden behoeft de achteras geen onderhoud. Wanneer echter de achteras in water wordt ondergedompeld, laat dan de olie door uw dealer verversen. 2 U kunt als alternatief SAE 5W-30 motorolie gebruiken, mits deze voldoet aan de specificatie WSS-M2C913-B.
N.B.: Gebruik bij temperaturen lager dan -20°C SAE 10W-40 motorolie.
Olie bijvullen: Wanneer geen olie verkrijgbaar is die voldoet aan de specificatie WSS-M2C913-B, moet u SAE 5W-30 (aanbevolen), SAE 5W-40 of SAE 10W-40 die voldoen aan de specificatie ACEA A1/B1 (aanbevolen) of ACEA A3/B3 gebruiken. Het gebruik van deze oliën kan tot gevolg hebben dat de motor minder snel aanslaat, minder vermogen levert, meer brandstof verbruikt en een hogere emissiewaarde heeft.
Inhouden
| Inhoud in liter (gallons)Nr.Vari | ||
| MAX-merktekenVloeistof stu | ||
| 5,5 (1,2)Voorruitsproeier | ||
| 80 (17,6)BrandstoftankA | ||
| BrandstoftankVerhoogde hoeveelheid 03 (22,7) | ||
Onderhoud
| Inhoud in liter (gallons)Nr. Varian | ||
| 4,3 (1,0)Motorolie - met filte zonder | ||
| 3,9(0,9)Motorolie - zonder | ||
| 2,3 | Duratec-HE | Koelsysteem met extra verwarming | 10,1 (2,2) |
| 2,3 | Duratec-HE | Koelsysteem met alleen extra verwarming voorin | 7,8 (1,7) |
| 6,2 (1,4)Motorolie - met filte zonder | ||
| 5,9 (1,3)Motorolie - zonder | ||
| 6,9 (1,5)Motorolie - met filte zonder | ||
| 6,5 (1,4)Motorolie - zonder | ||
| 2,2 | en 2,4 | DuraTorq-TDCi | Koelsysteem met standverwarming en extra verwarming | 13 (2,9) |
| 2,2 | en 2,4 | DuraTorq-TDCi | Koelsysteem met extra verwarming | 12,8 (2,9) |
| 2,2 | en 2,4 | DuraTorq-TDCi | Koelsysteem met standverwarming | 11,5 (2,5) |
| 2,2 | en 2,4 | DuraTorq-TDCi | Koelsysteem met alleen extra verwarming voorin | 10 (2,2) |
| 12,6 (2,8)Motorolie - met filt zonder | ||
| 12 (2,6)Motorolie - zonder | ||
| 7,3 (1,6)Koelsysteem3,2 | C |
Vulhoeveelheden motorolie
| literMotor | |
| 1,52,2 | DuraTorq-TDCi | |
| 0,72,3 | Duratec-HE | |
| 22,4 | DuraTorq-TDCi | |
| Informatie niet beschikbaar.3,2 | Dura |
REINIGEN VAN BUITENZIJDE AUTO
WAARSCHUWING

Wanneer de auto tijdens het wassen in een autowasserette in de was wordt gezet, verwijder dan de van de voorruit.
LET OP

Sommige wasinstallaties maken gebruik van water onder hoge druk. Hierdoor kunnen sommige erdelen van uw auto worden chadigd.

Verwijder de antenne voordat u een automatische wasstraat inrijdt.

Schakel de aanjager uit om te voorkomen dat deeltjes was zich in het luchtfilter vastzetten.
Wij raden aan uw auto met een spons en handwarm water en autoshampoo te wassen.
Koplampen reinigen
LET OP

Gebruik geen scherpe voorwerpen, schurende reinigingsmiddelen of oplossingen op alcoholische of mische basis om de koplampglazen reinigen.

Veeg de koplampglazen niet schoon wanneer ze droog zijn.
Achterruit reinigen
LET OP

Gebruik geen scherpe voorwerpen, schurende reinigingsmiddelen of chemische oplossingen op de enzijde van de achterruit te reinigen.
Gebruik een schone, niet pluizende doek of een vochtige zeem om de binnenzijde van de achterruit te reinigen.
Chromen onderdelen reinigen
LET OP

Gebruik geen schuurmiddelen of chemische oplosmiddelen. Gebruik een zeepoplossing.
Onderhoud van de lak
LET OP

Poets de auto niet in de felle zon.

Voorkom dat polish op kunststof oppervlakken komt. Dit laat zich moeilijk verwijderen.

Breng geen polish op de voor- en achterruit aan. Dit heeft een lawaaaiige werking van de ruitenwissers tot alg; bovendien kunnen de ruiten dan goed worden drooggeveegd.
Wij raden u aan de lak één- of tweemaal per jaar in de was te zetten.
REINIGEN VAN BINNENZIJDE AUTO
Veiligheidsgordels
WAARSCHUWINGEN

Gebruik voor het reinigen geen schurende middelen of chemische oplosmiddelen.

Let er op dat geen vocht in het oprolmechanisme komt.
Reinig de veiligheidsgordels met een interieurreiniger of water met een zachte spons. Laat de veiligheidsgordels op een natuurlijke manier drogen. Gebruik geen haardroger o.i.d.
Instrumentenpaneelschermen, LCD-schermen, radioschermen
WAARSCHUWING

Gebruik voor het reinigen geen schurende middelen, oplosmiddelen op basis van alcohol of chemische smiddelen.
KLEINE LAKSCHADE REPAREREN
LET OP

Verwijder onmiddellijk ogenschijnlijk onschadelijke substanties van het lakwerk (bijvoorbeeld uitwerpselen vogels, boomsappen, dode insecten, vlekken, wegenzout en industriele rslag).
Lakbeschadigingen door steenslag of kleine krasjes moeten zo spoedig mogelijk worden hersteld. Uw Ford dealer heeft een grote keuze aan producten. Lees en volg nauwkeurig de instructies van de fabrikant op.
ONDERHOUD VAN DE ACCU
De accu vraagt zeer weinig onderhoud. Uw Ford dealer zal in het kader van het normale onderhoudsschema regelmatig het vloeistofpeil in de accu controleren.
GEBRUIK VAN STARTKABELS
LET OP

Verbind alleen accu's met dezelfde nominale spanning met elkaar.

Gebruik altijd hulpstartkabels met geïsoleerde klemmen en een voldoende dikke kern.

Koppel de ontladen accu niet los van de elektrische installatie van de auto.
Hulpstartkabels aansluiten

E71367
Wagen met de lege accuA Wagen met de hulpaccuB Positieve hulpstartkabelC Negatieve hulpstartkabelD
- Plaats de auto's zodanig dat ze elkaar niet raken.
- Zet het contact van beide wagens af en schakel alle stroomverbruikers uit.
- Trek de kap van de plusaansluiting van de accu omhoog. Zie Onderhoud (bladzijde 126).
- Verbind de accupluspool (+) van wagen A met de accupluspool (+) van wagen B (kabel C).
- Verbind de accuminpool (-) met het motorblok of de motorsteun van wagen B. Verbind het andere uiteinde met het motorblok of de motorsteun van wagen A (kabel D).

LET OP

Sluit de kabel niet aan op de minpool (-) van de ontladen accu.

Zorg ervoor dat de kabels niet met draaiende onderdelen in aanraking kunnen komen.
Motor starten
- Start de motor van wagen B en laat deze met een matig hoog toerental draaien.
-
Start de motor van wagen A.
-
Laat beide motoren minimaal drie minuten draaien alvorens de kabels los te koppelen.
LET OP
Schakel de koplampen tijdens het loskoppelen van de hulpstartkabels niet in. Door de spanningspiek kunnen de gloeilampen doorbranden.
Koppel de kabels in omgekeerde volgorde los.
ACCU VERVANGEN
LET OP
Zorg ervoor dat de accubak goed is afgesloten.
N.B.: De accu bevindt zich onder de bestuurdersstoel in de wagen.

natural_image
Mechanical assembly diagram showing a seat and för assembly with directional arrow (no text or symbols)- Verwijder het accudeksel.
- Draai de veiligheidspen linksom en verwijder deze.
- Schuif het deksel aan de voorzijde van de accu af.
Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
Wanneer de accu losgekoppeld is geweest, kan de motor gedurende 8 km nadat de accukabels weer zijn aangesloten een afwijkende draaikarakteristiek vertonen, omdat het motormanagementsysteem zichzelf aan de motor moet aanpassen.
Indien nodig moet de Keycode van de audio-installatie opnieuw worden geprogrammeerd.
AANSLUITPUNTEN VAN DE ACCU

! Sluit een elektrische componenten direct op de accu van de wagen aan.
Er zijn drie aansluitpunten, elk levert maximaal een stroomsterkte van 60 ampère. Vraag uw dealer om advies over accessoires die voor uw wagen geschikt zijn.
- Maak de klemmen los.
- Trek de kap omhoog.
KINDERZITJES

E68916
WAARSCHUWINGEN

Laat kinderen met een lengte van minder dan 150 centimeter of jonger dan 12 jaar plaatsnemen in een geschikt, goedgekeurd kinderzitje, dat op de achterbank is geplaatst.

Oorspronkelijke tekst volgens ECE R94.01: Extreme Hazard! Do not use a rearward facing child restraint on a seat protected by an air bag in front of it!

Lees de instructies van de fabrikant en volg deze op wanneer u een kinderzitje aanbrengt.

Verander op geen enkele wijze het kinderzitje.

Neem tijdens het rijden geen kinderen op schoot.

Laat kinderen niet zonder toezicht in uw auto achter.

Wanneer uw auto bij een aanrijding betrokken is geweest, laat dan het kinderzitje door een hiertoe leide monteur controleren.
N.B.: De wettelijke voorschriften t.a.v. het gebruik van kinderzitjes zijn per land verschillend.
Bij uw dealer is een keuze uit ECE-goedgekeurde kinderzitjes beschikbaar die specifiek voor uw auto zijn getest en goedgekeurd.
Kinderzitjes voor verschillende gewichtsgroepen
Gebruik het correcte kinderzitje als volgt:
Babyzitje

Plaats kinderen met een lichaamsgewicht van minder dan 13 kilogram in een achterwaarts gericht babyzitje (groep 0+), dat op de achterstoel is geplaatst.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
Kinderveiligheidszitje

Vervoer kinderen met een lichaamsgewicht van 13 tot 18 kilogram in een kinderveiligheidszitje (groep 1), dat op de achterbank is geplaatst.
PLAATSING VAN KINDERZITJES
Plaatsen voor het kinderzitje
| Zitplaatsen | Gewichtsgroepen | ||||
| 3210+0 | |||||
| Tot 10 kg | 15 - 25 kg9 | -28 kg6ot 13 kg kg | |||
| Babyzitje | Babyzitje | Kinderveiligheids-zitje | Zitver-hoger of kussen | Zitver-hoger of kussen | |
| Passagiersstoel, voor, met airbag | XXXXX | ||||
| Passagiersstoel, voor, zonder airbag | U1 | U1 | U1 | U1 | U1 |
| UUUUUAchterbXXIUIUUAchter | |||||
| C, D, EEISOFIX maatklasse X | X | ||||
X Niet geschikt voor kinderen van deze gewichtsgroep.
U Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep.
U Geschikt voor universele ISOFIX kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep.
U 1 Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep.
* Als omschreven in ECE 16.
ZITVERHOGERS
WAARSCHUWINGEN

Bevestig een kinderzitje of een zitverhoger nooit alleen met de heupgordel.

Bevestig een kinderzitje of een zitverhoger niet met een veiligheidsgordel die niet gespannen gedraaid zit.

Leg de schoudergordel niet onder de arm of achter de rug van het kind langs.

Gebruik geen kussens, boeken of handdoeken om het kind hoger te laten zitten.

Zorg ervoor dat uw kinderen rechtop zitten.

Laat kinderen met een lichaamsgewicht van meer dan 15 kilogram maar met een lengte van
minder dan 150 centimeter in een kinderzitje of op een zitverhoger plaatsnemen.
LET OP

Wanneer u een kinderzitje op een achterbank gebruikt, zorg dan dat het kinderzitje stevig tegen de stoel De hoofdsteun moet wellicht worden etild of verwijderd. Zie
Hoofdsteunen (bladzijde 77).
Kinderzitje (groep 2)

Wij raden het gebruik van een kinderzitje aan, dat uit een zitverhoger met een rugleuning bestaat in plaats van alleen een zitverhoger. De hogere zitpositie zorgt ervoor dat de standaard veiligheidsgordel correct over het midden van de schouder van het kind en de heupgordel over de heupen komt te liggen.
Zitverhoger (groep 3)

Gebruik bij toepassing van het ISOFIX systeem een voorziening dat voorkomt dat de veiligheidsgordel kan draaien. Wij raden het gebruik van een veiligheidsgordel aan de bovenzijde of een steun aan de onderzijde aan.
N.B.: Wanneer u een ISOFIX kinderzitje aanschaft, let er dan op dat dit geschikt is voor de gewichtsgroep van uw kind en dat de ISOFIX maatklasse geschikt is voor de plaats waar het zitje wordt aangebracht. Zie Plaatsing van kinderzitjes (bladzijde 144).
Uw auto is uitgerust met ISOFIX verankeringspunten die geschikt zijn voor het gebruik van goedgekeurde ISOFIX kinderzitjes.
Het ISOFIX systeem bestaat uit twee stevige bevestigingsarmen aan het kinderzitje, die op de verankeringspunten van de zitplaatsen op de tweede zitrij tussen de rugleuning en de zitting worden bevestigd. Verankeringspunten voor de veiligheidsgordels aan de bovenzijde bevinden zich aan de achterzijde van de zitplaatsen op de tweede zitrij.
Een kinderzitje met een veiligheidsgordel aan de bovenzijde bevestigen

Bevestig de veiligheidsgordel aan de bovenzijde aan geen ander punt dan aan het verankeringspunt dat por is bestemd.
KINDERSLOTEN

IngeschakeldA
UitgeschakeldB
WAARSCHUWING

Wanneer de kindersloten in werking zijn gesteld, kunnen de portieren niet van binnenuit worden geopend.
ALGEMENE INFORMATIE
Voor het ruimtebesparende reservewiel moet de hoogste bandenspanning voor uw auto/band-combinatie worden aangehouden.
Gegevens omtrent banden, velgen en bandenspanningen voor speciale uitvoeringen staan alleen op de tabel met bandenspanningen van de betreffende auto.
Op de B-stijl bij het bestuurdersportier bevindt zich een tabel met de bandenspanning.
EEN WIEL VERVANGEN
Reservewiel
LET OP
Gebruik uitsluitend banden en velgen met de goedgekeurde maat. Het gebruik van andere maten kan schade aan de auto tot gevolg hebben en kan de typegoedkeuring ongeldig maken.
Het reservewiel bevindt zich onder de achterzijde van de wagen.
Uitvoeringen met enkellucht

Uitvoeringen met dubbellucht

Wanneer uw wagen is uitgerust met een veiligheidsbout, verwijder deze dan door hem linksom te draaien.
Steek het platte uiteinde van de wielmoersleutel (Bus, Bestelwagen en Kombi) of de korte zijde van de krikslinger (Chassis Cabine, uitvoering met open laadbak) in de opening. Draai hem linksom tot het wiel op de grond rust en de kabel niet meer gespannen is.

- Verwijder de vleugelmoer(en).
- Steek de steun en de kabel door de centrale opening in de velg.
Boordkrik
WAARSCHUWINGEN

De boordkrik waarmee uw auto wordt geleverd mag alleen worden gebruikt voor het wisselen van een n noodsituaties.

Controleer, voordat u de boordkrik gebruikt, of deze niet is beschadigd of vervormd en dat de schroefdraad smeerd en vrij is van treinigingen.

U mag nooit iets tussen de krik en de grond of de krik en de auto plaatsen.
LET OP
Gebruik alleen de aangegeven kriksteunpunten. Indien andere punten worden gebruikt kan dit de carrosserie, de stuurinrichting, de wielophanging, de motor, het remsysteem en de brandstofleidingen beschadigen.
De krik, de wielmoersleutel en de krikslinger bevinden zich in een opbergvak in de opstaptrede rechtsvoor.
Auto's uit de 430- en 460-serie

• Zet de krikslinger in elkaar.
- Steek het platte uiteinde van de krikstang op de kraan. Draai de stang geheel rechtsom. Schuif de stang in de pomp en krik de wagen op door een pompende beweging te maken.
Alle behalve auto's uit de 430- en 460-serie

• Klap de krikstang uit.

- Steek de haak van de stang in het oog op de krik. Breng de wielmoersleutel aan in het andere uiteinde van de stang en draai hem rechtsom.
Voorste kriksteunpunten
LET OP
Let erop wanneer u de krik aanbrengt bij een wagen met airconditioning achterin (A/C), dat de krik niet in aanraking komt met de leidingen van de airconditioning of de ophangstrip van de brandstoftank.
Auto's uit de 430- en 460-serie

E70951
Plaats de krik onder de uitsparingen aan de achterzijde van het subframe.
Alle behalve auto's uit de 430- en 460-serie

Klap de klep op de bovenzijde van de krik dicht (opbergstand). De achterste bouten van het voorste subframe passen in een uitsparing in de klep op de krik.
Kriksteunpunten, achter
Bus, bestelwagen en Kombi (260, 280 en 300 serie) met voorwielaandrijving

Klap de klep op de bovenzijde van de krik open. Plaats de krik onder de bladveer van het achterwiel, direct voor het wiel.
Bus, bestelwagen en Kombi (330 en 350 serie) met voorwielaandrijving
N.B.: In het reservewiel bevindt zich een extra blok.

Klap de klep op de bovenzijde van de krik open. Plaats de krik op het blok.
Auto's uit de 430- en 460-serie
N.B.: Plaats de krik onder de as, zo dicht mogelijk bij het wiel dat omhoog moet worden gebracht.

Alle Chassis Cabine, bus, bestelwagen en Kombi uitvoeringen met achterwielaandrijving (alle behalve auto's uit de 430- en 460-serie)
N.B.: Plaats de krik onder de as, zo dicht mogelijk bij het wiel dat omhoog moet worden gebracht.

Klap de klep op de bovenzijde van de krik open.
Wiel verwijderen
WAARSCHUWINGEN

Parkeer uw wagen dusdanig dat u, noch het verkeer hinder ondervindt of gevaar loopt.

Zet een gevarendriehoek neer.

Zorg ervoor dat de wagen met de wielen in de rechtuitstand op een stevige, vlakke ondergrond staat.

Zet het contact af en schakel de parkeerrem in.
WAARSCHUWINGEN
Schakel de eerste versnelling of de achteruit in wanneer uw wagen is uitgerust met een handgeschakelde versnellingsbak. Selecteer stand 'P' wanneer deze met een automatische transmissie is uitgerust.

Laat de inzittenden uitstappen.

Blokkeer het diagonaal tegenoverliggende wiel met een geschikt blok hout of een wielkeg.

Let erop dat de pijlen op richting gebonden banden in de draairichting wijzen wanneer de auto
vooruit rijdt. Wanneer een reservewiel moet worden gemonteerd waarvan de pijlen tegengesteld aan de draairichting wijzen, laat dan de band zo spoedig mogelijk door een deskundige in de juiste richting monteren.

Voer geen werkzaamheden uit onder een wagen die alleen wordt ondersteund door een krik.
N.B.: Zorg ervoor dat de krik verticaal ten opzichte van het kriksteunpunt staat en dat de voet vlak op de grond staat.

• Verwijder de naafdop.
• Verwijder de moerdoppen.
• Draai de wielmoeren een slag los.

- Krik de wagen op tot de band vrij is van de grond.
- Draai de wielmoeren nu geheel los en verwijder het wiel.
Wiel aanbrengen
WAARSCHUWING

Zorg ervoor dat er zich geen smeermiddel (vet of olie) op de schroefdraad of tussen de
tapeinden en de moeren bevindt.
N.B.: De wielmoeren van de lichtmetalen velgen kunnen ook worden gebruikt voor het stalen reservewiel.
- Breng het wiel in lijn en schuif het op de tapeinden. Zorg ervoor dat de platte ringen van de wielmoeren naar de velg zijn gekeerd. Breng de wielmoeren aan en zet ze vast.
- Laat de wagen zakken en verwijder de krik.

E70961
- Draai de wielmoeren in de aangegeven volgorde definitief vast.
- Druk de naafdop met de palm van uw hand stevig aan.
- Druk de doppen op de wielmoeren stevig vast.
WAARSCHUWING

Laat het aanhaalmoment van de wielmoeren en de bandenspanning zo snel mogelijk controleren.
Wiel opbergen
LET OP

Hijs de reservewielhouder niet op zonder het wiel te hebben vastgezet.
Wanneer geen wiel is aangebracht kan het ophijsmechanisme bij het laten zakken worden beschadigd.
N.B.: Alleen wanneer het ophijsmechanisme doorslipt is het wiel volledig omhoog gebracht.
- Leg het wiel met de buitenzijde naar beneden gekeerd plat op de grond. Kantel de steun en steek hem met de staalkabel door de centrale opening in de velg. Draai de vleugelmoer(en) vast.
- Steek het platte uiteinde van de wielmoersleutel geheel in de boring en draai de wielmoersleutel rechtsom. Breng, bij uitvoeringen met een veiligheidsbout, deze aan en draai hem rechtsom.
- Berg de wielmoersleutel, de krik en de krikstang op.
BANDENREPARATIESET
WAARSCHUWING

Voor campers gelden afzonderlijke instructies die zijn opgenomen in de bandenreparatieset.
Het kan voorkomen dat in de wagen geen reservewiel is aangebracht. In een dergelijk geval is een bandenreparatieset voor noodgevallen aanwezig die kan worden gebruikt voor het repareren van één lekke band.
De bandenreparatieset bevindt zich in het handschoenenkastje.
Algemene informatie
WAARSCHUWINGEN

Afhankelijk van het type en de omvang van de beschadiging kunnen sommige banden slechts gedeeltelijk of soms geheel niet worden gedicht. Een te lage bandenspanning kan het weggedrag van de wagen beïnvloeden, waardoor u de macht over het stuur kunt verliezen.
WAARSCHUWINGEN

Gebruik de bandenreparatieset niet wanneer de band al beschadigd was als gevolg en het rijden met een je bandenspanning.

Probeer geen andere lekken te dichten dan zichtbare lekken in het loopvlak van de band.

Probeer geen lekken te dichten in de bandwang.
Met behulp van de bandenreparatieset kunnen de meeste bandenlekken (met een diameter van maximaal 6 mm of 1/4 inch) worden gerepareerd om de mobiliteit tijdelijk te herstellen.
Let op het volgende bij gebruik van de set:
- Rijd voorzichtig en maak geen plotselinge stuurbewegingen, vooral wanneer de wagen zwaar is beladen of tijdens het rijden met een aanhanger.
- De set zorgt voor een tijdelijke reparatie, waardoor u uw reis tot de volgende dealer of bandenspecialist kunt voortzetten, of een afstand van maximaal 200 km (125 mijl) kunt afleggen.
- Rijd niet sneller dan maximaal 80 km/h (50 mph).
- Houd de set buiten het bereik van kinderen.
- Gebruik de set bij omgevingstemperaturen van -30ircC (-22ircF) tot +70ircC (+158ircF) .
Bandenreparatieset gebruiken
WAARSCHUWINGEN

Samengeperste lucht kan zich gedragen als een explosief of drijfmiddel.
WAARSCHUWINGEN

Laat tijdens gebruik de bandenreparatieset nooit onbeheerd achter.
LET OP

De compressor mag niet langer dan 10 minuten blijven ingeschakeld.
N.B.: Gebruik de bandenreparatieset alleen bij wagens die ermee zijn uitgerust.
- Parkeer uw wagen zodanig langs de kant van de weg dat u het verkeer niet belemmert en dat u in staat bent de bandenreparatieset te gebruiken zonder in gevaar te komen.
- Trek, zelfs wanneer u op een vlakke ondergrond geparkeerd staat, de handrem aan om te waarborgen dat de wagen niet in beweging kan komen.
- Probeer geen vreemde voorwerpen, zoals spijkers of schroeven, uit de band te verwijderen.
- Laat de motor draaien terwijl de set wordt gebruikt, maar niet als de wagen in een afgesloten of slecht geventileerde ruimte staat (bijvoorbeeld in een gebouw). Schakel onder dergelijke omstandigheden de compressor in bij afgezette motor.
- Vervang de fles met het afdichtmiddel door een nieuwe voordat de houdbaarheidsdatum (zie de bovenzijde van de fles) is bereikt.
- Informeer andere gebruikers van de auto dat de band tijdelijk is gerepareerd met de bandenreparatieset en stel ze op de hoogte van de speciale rijvoorschriften.
Band oppompen
WAARSCHUWINGEN
Controleer de bandwang voordat u het afdichtmiddel in de band pompt. Wanneer u scheuren, knobbels of dergelijke ziet, probeer dan niet de band op te pompen.
Ga niet vlak naast de band staan wanneer de compressor draait.
Sla de bandwang gade. Wanneer u scheuren, knobbels en dergelijke ziet verschijnen, schakel dan de compressor uit en laat de lucht met het drukregelventiel ontsnappen B. Rijd niet verder met deze band.
Het afdichtmiddel bevat natuurlijk latex. Voorkom contact met huid, ogen of kleding. Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts.
Wanneer de bandenspanning binnen zeven minuten lager wordt dan 1,8 bar (26 psi), kan de band ernstig zijn beschadigd, waardoor een tijdelijke reparatie onmogelijk is. Vervolg in een dergelijk geval uw reis niet met deze band.
LET OP
Wanneer de fles op de houder wordt gedraaid, wordt de afdichting van de fles verbroken. Schroef de fles niet los van de houder, omdat het afdichtmiddel dan wegloopt.

Fles met afdichtmiddelK
- Maak de afdekking van de bandenreparatieset open.
- Trek het label I waarop de maximaal toelaatbare snelheid van 80 km/h vermeld staat van het huis en maak het binnen het gezichtsveld van de bestuurder vast op het instrumentenpaneel. Zorg dat het label niet wordt vastgemaakt op belangrijke onderdelen/plekken.
- Haal de slang C en de stekker met kabel G uit de set.
- Schroef de oranje dop D en de afdekking van de fles J los.
- Schroef de fles met afdichtmiddel K naar rechts tot de aanslag in de flessenhouder E.
- Draai het ventieldopje van de beschadigde band af.
- Maak de beschermdop A los van de slang C en draai de slang C stevig op het ventiel van de beschadigde band.
- Zorg dat de compressorschakelaar H in stand O staat.
- Sluit de stekker G aan op de aansluiting van de aansteker of het extra elektrisch aansluitpunt. Zie Aansteker (bladzijde 79). Zie Extra voedingsaansluitingen (bladzijde 79).
- Start de motor.
-
Zet de compressorschakelaar H in stand 1.
-
Pomp de band niet langer dan zeven minuten op voor een minimale druk van 1,8 bar (26 psi) en een maximum druk van 2,5 bar (51 psi). Zet de compressorschakelaar H in stand O en controleer de huidige bandenspanning met behulp van drukmeter F.
- Neem de stekker G uit de aansluiting van de aansteker of het extra elektrisch aansluitpunt.
- Draai de slang C snel van het ventiel los en breng de beschermdop A aan. Draai het ventieldopje vast.
- Laat de fles met afdichtmiddel K in de flessenhouder E zitten.
- Zorg ervoor dat de bandenreparatieset, de dop van de fles en de oranje kap veilig worden opgeborgen, maar makkelijk bereikbaar zijn. De set is opnieuw nodig bij het controleren van de bandenspanning.
- Rijd onmiddellijk weg en rijd
ongeveer drie kilometer (twee mijl)
zodat het afdichtmiddel het lek kan
afdichten.
N.B.: Wanneer het afdichtmiddel in de band wordt gepompt, kan de druk toenemen tot 6 bar (87 psi) maar deze neemt na ca. 30 seconden weer af.
WAARSCHUWING

Wanneer u heftige trillingen, onbalans in het stuurwiel of lawaai tijdens het rijden waarneemt, minder dan snelheid en rijd voorzichtig naar een plaats waar u veilig kunt stoppen. Controleer de band en de bandenspanning opnieuw. Wanneer de bandenspanning lager is dan 1,3 bar (19 psi) of wanneer er scheuren, knobbels of dergelijke zichtbaar zijn, hervat dan uw reis niet met deze band.
Bandenspanning controlleren
- Stop de wagen na ongeveer drie kilometer (twee mijl). Controleer en corrigeer zo nodig de spanning van de beschadigde band.
- Breng de set aan en lees de bandenspanning af van de drukmeter F.
- Wanneer de spanning 1,3 bar (19 psi) of hoger is, breng de band dan op de voorgeschreven spanning. Zie Technische specificatie (bladzijde 161).
- Volg de procedure voor het oppompen van de band.
- Controleer de bandenspanning met behulp van de drukmeter F. Wanneer de bandenspanning te hoog is, laat dan de spanning afnemen met behulp van de drukregelklep B.
- Als de band de correcte bandenspanning heeft, zet dan de compressorschakelaar H in stand O, verwijder de stekker G uit de aansluiting, draai de slang C los, draai de ventieldop aan en vervang de beschermdop A.
-
Laat de fles met afdichtmiddel K in de flessenhouder E zitten en berg de set op op de plaats waar deze vandaan kwam.
-
Rijd naar de dichtstbijzijnde bandenspecialist om de beschadigde band te vervangen. Vertel, voordat de band van de velg wordt afgenomen, de bandenspecialist dat de band een afdichtmiddel bevat. Vervang de set zo snel mogelijk na het eerste gebruik.
N.B.: Bedenk dat een bandenreparatieset slechts voor tijdelijke mobiliteit zorgt. Voorschriften aangaande bandreparatie na gebruik van de bandenreparatieset kunnen per land verschillen. Raadpleeg een bandenspecialist voor advies.
WAARSCHUWING

Zorg er voordat u wegrijdt voor dat de band de voorgeschreven bandenspanning heeft. Zie
Technische specificatie (bladzijde 161). Controleer voortdurend de bandenspanning tot de band is vervangen.
Lege flessen afdichtmiddel mogen samen met het huishoudelijk afval worden afgevoerd. Breng resten afdichtmiddel naar uw dealer of voer ze af volgens de lokale richtlijnen.
VERZORGING VAN BANDEN

Zorg voor een langere levensduur ervoor dat de banden van de voor- en achterwielen gelijkmatig slijten. Wij raden aan dat de voor- en achterwielen met regelmatige intervallen van 15.000 tot 20 000 km (9.000 tot 12.000 mijl) te wisselen.
LET OP

Laat tijdens het parkeren de bandwangen niet langs trottoirbanden schuren.
Als u een stoeprand moet oprijden, doe het dan zo langzaam mogelijk en rijd zo mogelijk haaks met de wielen het trottoir op.
Controleer regelmatig de banden op scheuren, vreemde voorwerpen of onregelmatige slijtage van het loopvlak. Ongelijkmatige slijtage betekent dat de wieluitlijning niet meer aan de specificaties voldoet.
GEBRUIK VAN WINTERBANDEN
LET OP

Controleer of u de velgen met de winterbanden met het correcte type wielmoeren hebt bevestigd.
Indien winterbanden zijn gemonteerd, controleer dan of de bandenspanning correct is. Zie Technische specificatie (bladzijde 161).
Rijd niet harder dan 50 km/h (30 mph).

Rijd niet met sneeuwkettingen op een sneeuwvrij wegdek.
LET OP

Wanneer uw auto is uitgerust met wieldeksels, verwijder deze dan voordat u sneeuwkettingen teert.
N.B.: Het ABS blijft normaal werken.
Gebruik alleen sneeuwkettingen met kleine schakels.
Gebruik alleen sneeuwkettingen op de aangedreven wielen.
Uitvoeringen met voorwielaandrijving
N.B.: In de registratiedocumenten zijn voor de vooras alleen 195/75 R 16 C banden vermeld.
Wanneer uw wagen is uitgerust met 215/75 R 16 C banden, monteer dan 195/75 R 16 C (M+S) banden op de voorwielen. Breng de bandenspanning op de maximum voorgeschreven waarde.
Bandenspanning (koude banden)
Bus
Bandenspanning
| BandenmaatVariant | Maximaal beladenNormaal I | ||||
| bar (lbf/in2) | AchterVoorAchte | ||||
| bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | |||
| 4,1 (59)3,7 (54)3 (4 | |||||
| 3,9 (57)3,6 (52)3 ( | |||||
| 3,7 (54)3,4 (49)2,8 | |||||
| 4,7 (62)3,7(54)467 | |||||
| 4,1 (59)3,7 (568)461 | |||||
Bestelwagen en Kombi - achterwielaandrijving
Bandenspanning
| BandenmaatVariant | Maximaal beladenNormaal I | ||||
| bar (lbf/in2) | AchterVoorAcht | ||||
| bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | |||
| 300 | 4,2 (205/5551)462 | ||||
| 330 | 215/75 R 16 C | 3,4 (49) | 4,5 (65) | 3,4 (49) | 4,5 (65) |
| 4,7 (6821587(55)467 | |||||
| 430 | 185/75 R 16 C | 4,5 (65) | 3,3 (48) | 4,5 (65) | 4,1 (59) |
| 3,7 (549567(567)867 | |||||
| 460 | 185/75 R 16 C | 4,7 (68) | 4,75 (69) | 4,7 (68) | 4,75 (69) |
| 4,3 (629567(567)463 | |||||
Bestelwagen en Kombi - voorwielaandrijving
Bandenspanning
| BandenmaatV | Maximaal beladenNorma | ||||
| variant | AchterVoorAc | ||||
| bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | ||
| 3,5 (51)3,4 (49) | |||||
| 3,5 (51)3,4 (49) | |||||
| 4,2 (61)3,7 (54) | |||||
| 4 (58)3,6 (52) | |||||
| 4,5 (65)4 (58)4 | |||||
| 4,3 (62)3,9 (57) | |||||
| 4,5 (65)3,4 (49) | |||||
| 4,7 (68)3,5(57) | |||||
| SportVan | 235/45 R18 98LI (XL) | 2,9 (42)2,8 (40) | |||
Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak - achterwielaandrijving Bandenspanning
| BandenmaatVariant | Maximaal beladenNorma | ||||
| bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | AchterVoorAc | ||
| 300 | 205/75 R 16 C | 3,5 (51) | 4,2 (61) | 3,5 (51) | 4,2 (61) |
| 4,5 (65)3,4 (49) | |||||
| 3,3 (48)4,7 (68) | |||||
| 3,3 (48)4,6 (67) | |||||
| 4,7 (68)3,5(55)1 | |||||
| 4,1 (59)4,7 (68)4 | |||||
Velgen en banden
| BandenmaatVariant | Maximaal beladenNormaal I | ||||
| bar (lbf/in2) | AchterVoorAchter | ||||
| bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | |||
| 3,7 (54)4,6 (67)3,7 | |||||
| 4,75 (69)4,7 (68)4, | |||||
| 4,3 (62)4,6 (67)4,9 | |||||
Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak - voorwielaandrijving Bandenspanning
| BandenmaatVariant | Maximaal beladenNormaal I | ||||
| bar (lbf/in2) | AchterVoorAchter | ||||
| bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | |||
| 4,5 (65)4 (58)4,5 ( | |||||
| 4,3 (62)3,8 (55)4,9 | |||||
| 4,5 (65)3,4 (49)4,5 | |||||
| 4,7 (62)3,5(51)46,7 | |||||
VOERTUIGIDENTIFICA- TIEPLAATJE

E85610
Voertuig Identificatie NummerA
B Maximaal toelaatbare totaalgewicht
C Maximaal toelaatbaar treingewicht
Maximum voorasbelastingD
Maximum achterasbelastingE
Het Voertuig Identificatie Nummer en de maximum toelaatbare gewichten zijn vermeld op een plaatje aan slotzijde onderin de opening van het passagiersportier.
VOERTUIGIDENTIFI- CATIENUMMER (VIN)

Het Voertuig Identificatie Nummer is in de rechter voorwielkuip ingeslagen. Het is ook op de linkerzijde van het instrumentenpaneel vermeld.
Afmetingen van de auto
Korte wielbasis

E71261


| AfmetingenNr. | Afmetingen in mm (inches) | |
| A | Maximum lengte - zonder trede achter (Bestelwagen en Kombi) | 4863 (191,5) |
| A | Maximum lengte - zonder trede achter (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen zonder open laadbak) | 5114 (201,3) |
| A | Maximum lengte - zonder trede achter (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak) | 5258 (207) |
| A | Maximum lengte - met trede achter (Bestelwagen en Kombi) | 4965 (195,5) |
| A | Maximum lengte - met trekhaak (Bestelwagen en Kombi) | 5006 (197,1) |
| A | Maximum lengte - met trekhaak (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen zonder open laadbak) | 5249 (206,7) |
| A | Maximum lengte - met trekhaak (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak) | 5258 (207) |
| B | Totale breedte - excl. buitenspiegels (Bestelwagen en Kombi) | 1974 (77,7) |
Technische specificaties
| AfmetingenNr. | Afmetingen in mm (inches) | |
| B | Totale breedte - excl. buitenspiegels (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met smalle laadbak) | 2007 (79) |
| B | Totale breedte - excl. buitenspiegels (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met brede laadbak) | 2207 (86,9) |
| C1 | Totale hoogte - laag dak (Bestelwagen en Kombi) | 1997 - 2089 (78,6 - 82,2) |
| C1 | Totale hoogte - laag dak (Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak) | 1974 - 2035 (77,7 - 80,1) |
| C2 | Totale hoogte - semi-hoog dak (Bestelwagen en Kombi) | 2313 - 2405 (91,1 - 94,7) |
| -Totale hoogte - hoog basis (Best | ||
| 2933 (115,5)Wielbasis | ||
| D | Wielbasis (Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak) | 3137 (123,5) |
| 1737 - 1745 (68,4 - 68,7)poorbre | ||
| 1700 - 1718 (66,9 - 67,6)poorbre |
Middellange wielbasis

E71263

| AfmetingenNr. | Afmetingen in mm (inches) | |
| A | Maximum hoogte - semi-hoog dak (Bestelwagen en Kombi) | 5301 (208,7) |
| A | Maximum lengte - zonder trede achter (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen zonder open laadbak) | 5552 (218,6) |
| A | Maximum lengte - zonder trede achter (Chassis Dubbele Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak) | 5792 (228) |
| A | Maximum lengte - zonder trede achter (Chassis Enkele Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak) | 5775 (227,4) |
| A | Maximum lengte - met trede achter (Bestelwagen en Kombi) | 5332 (209,9) |
| A | Maximum lengte - met trekhaak (Bestelwagen en Kombi) | 5373 (211,5) |
| A | Maximum lengte - met trekhaak (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen zonder open laadbak) | 5616 (221,1) |
| A | Maximum lengte - met trekhaak (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak) | 5708 (224,7) |
Technische specificaties
| AfmetingenNr. | Afmetingen in mm (inches) | |
| B | Totale breedte - excl. buitenspiegels (Bestelwagen en Kombi) | 1974 (77,7) |
| B | Totale breedte - excl. buitenspiegels (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met smalle laadbak) | 2007 (79) |
| B | Totale breedte - excl. buitenspiegels (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met brede laadbak) | 2207 (86,9) |
| C1 | Totale hoogte - laag dak (Bestelwagen en Kombi) | 1995 - 2056 (78,6 - 80,9) |
| C1 | Totale hoogte - laag dak (Chassis Enkele Cabine en uitvoeringen met open laadbak) | 2029 - 2106 (79,9 - 82,9) |
| C1 | Totale hoogte - laag dak (Chassis Dubbele Cabine en uitvoeringen met open laadbak) | 2039 - 2137 (80,3 - 84,1) |
| C2 | Totale hoogte - semi-hoog dak (Bestelwagen en Kombi) | 2382 - 2390 (93,8 - 94) |
| C3 | Totale hoogte - hoog dak (Bestelwagen en Kombi) | 2546 - 2617 (100,2 - 103) |
| 3300 (129,9)Wielba | ||
| D | Wielbasis (Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak) | 3504 (138) |
| 1737 - 1745 (68,4 - 68,7)$ | ||
| E | Spoorbreedte - achter (alle uitvoeringen met enkellucht) | 1700 - 1718 (66,9 - 67,6) |
| E | Spoorbreedte - achter (Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak - dubbellucht) | 1642 (64,6) |
Lange wielbasis


E71265

| AfmetingenNr. | Afmetingen in mm (inches) | |
| A | Maximum hoogte - semi-hoog dak (Bestelwagen en Kombi) | 5751 (226,4) |
| A | Maximum hoogte - extra hoog dak (Bestelwagen en Kombi) | 5751 (226,4) |
| A | Maximum hoogte - extra hoog dak (Verlengd chassis Bestelwagen en Kombi) | 6474 (254,9) |
| A | Maximum lengte - zonder trede achter (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen zonder open laadbak) | 6002 (236,3) |
| A | Maximum lengte - zonder trede achter (Chassis Enkele Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak) | 6175 (243,1) |
| A | Maximum lengte - zonder trede achter (Chassis Dubbele Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak), verlengd chassis | 6142 (241,8) |
| A | Maximum lengte - met trede achter (Bestelwagen en Kombi) | 5782 (227,6) |
| A | Maximum lengte - met trede achter (Verlengd chassis Bestelwagen en Kombi) | 6505 (256,1) |
Technische specificaties
| AfmetingenNr. | Afmetingen in mm (inches) | |
| A | Maximum lengte - met trede achter (Verlengd chassis zonder open laadbak) | 6390 (251,6) |
| A | Maximum lengte - met trede achter (Verlengd chassis, Chassis Enkele Cabine met open laadbak) | 6675 (262,8) |
| A | Maximum lengte - met trede achter (Verlengd chassis, Chassis Dubbele Cabine met open laadbak) | 6592 (259,5) |
| A | Maximum lengte - met trekhaak (Bestelwagen en Kombi) | 5823 (229,3) |
| A | Maximum lengte - met trekhaak (Verlengd chassis Bestelwagen en Kombi) | 6546 (257,7) |
| A | Maximum lengte - met trekhaak (Chassis-cCabine en laadbak uitvoeringen zonder open laadbak) | 6066 (238,8) |
| A | Maximum lengte - met trekhaak (Chassis Cabine en laadbak uitvoeringen zonder open laadbak), verlengd chassis | 6448 (253,9) |
| A | Maximum lengte - met trekhaak (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak) | 6108 (240,5) |
| A | Maximum lengte - met trekhaak (Chassis Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak), verlengd chassis | 6608 (260,2) |
| B | Totale breedte - excl. buitenspiegels (Bestelwagen en Kombi) | 1974 (77,7) |
| B | Totale breedte - excl. buitenspiegels (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met smalle laadbak) | 2007 (79) |
| B | Totale breedte - excl. buitenspiegels (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met brede laadbak) | 2207 (86,9) |
| C1 | Totale hoogte - laag dak (Chassis Enkele Cabine en uitvoeringen met open laadbak) | 2010 - 2098 (79,1 - 82,6) |
| C1 | Totale hoogte - laag dak (Chassis Dubbele Cabine en uitvoeringen met open laadbak) | 2021 - 2112 (79,6 - 83,1) |
Technische specificaties
| AfmetingenNr. | Afmetingen in mm (inches) | |
| C2 | Totale hoogte - semi-hoog dak (Bestelwagen en Kombi) | 2390 - 2403 (94,1 - 94,6) |
| C2 | Totale hoogte - semi-hoog dak (Verlengd chassis Bestelwagen en Kombi) | 2608 - 2622 (102,7 - 103,2) |
| C2 | Totale hoogte - extra hoog dak (Verlengd chassis Bestelwagen en Kombi) | 2608 - 2629 (102,7 - 103,5) |
| C3 | Totale hoogte - hoog dak (Bestelwagen en Kombi) | 2609 - 2619 (102,7 - 103,1) |
| C3 | Totale hoogte - Verlengd chassis (Chassis Enkele Cabine) | 2015 - 2107 (79,3 - 83) |
| C3 | Totale hoogte - Verlengd chassis (Chassis Dubbele Cabine) | 2018 - 2118 (79,4 - 83,4) |
| 3750 (147,6)Wielba | ||
| D | Wielbasis (Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak) | 3954 (155,7) |
| 1737 - 1745 (68,4 - 68,7) | ||
| 1700 - 1718 (66,9 - 67,6) | ||
| E | Spoorbreedte - achter (Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak - dubbellucht) | 1642 (64,6) |
Afstanden trekhaak
Bestelwagen en Kombi

E71267
| AfmetingenNr. | Afmetingen in mm (inches) | |
| A | Hart wiel - einde trekhaakkogel (standaard chassis) | 1140 (44,9) |
| 1863 (73,3)Hart wi | ||
| 416 (16,4)Hart trek | ||
| 832 (32,8)Binnenz |
el - einde khaakkog ijde langs
Technische specificaties
| AfmetingenNr. | Afmetingen in mm (inches) | |
| 334 (13,1)Hart trekhaakl | ||
| 403,5 (15,9)Hart trekhaa | ||
| 473 (18,6)Hart trekhaak |
Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak

E71268
Technische specificaties
| AfmetingenNr. | Afmetingen in mm (inches) | |
| A | Hart wiel - einde trekhaakkogel (standaard chassis) | 1180 (46,5) |
| 1562 (61,5)Hart wiel - einde | ||
| 418 (16,5)Hart trekhaakkog | ||
| 836 (32,9)Binnenzijde lang | ||
| 237 (9,3)Hart trekhaakkog | ||
| 343,5 (13,5)Hart trekhaakkog |
ALGEMENE INFORMATIE
In dit hoofdstuk worden de functies en eigenschappen van de Bluetooth mobiele telefoon en Voice Control (spraakbesturingssysteem) beschreven.
In dit hoofdstuk worden de volgende varianten beschreven:
- een mobiele telefoon met een telefoonhouder zonder Voice Control
- een Bluetooth en Voice Control systeem met telefoonhouder
- een Bluetooth en Voice Control systeem zonder telefoonhouder.
Het Bluetooth mobiele telefoongedeelte van het systeem zorgt voor de interactie tussen de audio-installatie of het navigatiesysteem en uw mobiele telefoon. Het zorgt ervoor dat u uw audio-installatie of het navigatiesysteem kunt gebruiken voor het ontvangen van telefoongesprekken zonder daarbij gebruik te maken van uw mobiele telefoon.
Het Voice Control systeem kan worden gebruikt voor:
• mobiele telefoongesprekken
- functies van de audio-installatie
• functies van de airconditioning.
N.B.: De mobiele telefoon schakelt na het afzetten van het contact schakelt niet onmiddellijk uit: de vertraging waarmee de voeding wordt uitgeschakeld is ingesteld op 10 minuten. U kunt deze periode instellen tussen 0 en 60 minuten. Afhankelijk van uw mobiele telefoon kunt u dit bewerkstelligen door een adres in uw telefoonboek op te slaan met de naam Timer en de gewenste vertraging als telefoonnummer.
Wanneer Bluetooth en Voice Control gedurende langere tijd bij stilstaande wagen worden gebruikt, laat dan de motor stationair draaien om te voorkomen dat de accu wordt ontladen.
SETUP TELEFOON
Aansluiting met behulp van een telefoonhouder
Uw telefoon moet in een telefoonhouder zijn geplaatst voordat hij kan worden gebruikt als handsfree of spraakgestuurde telefoon. De juiste telefoonhouder is bij uw dealer verkrijgbaar.
Uw telefoon in de telefoonhouder plaatsen
N.B.: Uw mobiele telefoon moet in een telefoonhouder zijn geplaatst om de telefoon verbinding met de telefoonhouder te kunnen laten maken.
Sluit uw telefoon op de telefoonhouder aan.
- Plaats de onderzijde van de telefoon in de aansluiting in de telefoonhouder.
N.B.: Druk de telefoon zover mogelijk naar achteren in de telefoonhouder. - Druk de telefoon naar beneden tot deze vastklikt.

N.B.: De verbinding met het systeem wordt op uw telefoon weergegeven.
Telefoonboek
Na het opstarten kan het twee minuten duren voordat u toegang tot het telefoonboek kunt krijgen.
Telefoonboekcategorieën
Afhankelijk van uw telefoonboekadres kunnen verschillende categorieën op de audio-installatie of het navigatiesysteem worden weergegeven.
Voorbeeld:
| MobielM | |
| KantoorO | |
| HuisH | |
| F | Fax |
N.B.: Adressen kunnen met of zonder toevoegingen worden weergegeven.
De categorie kan ook als icoon worden weergegeven:

Telefoon

Mobiel

Huis

Kantoor

Fax
Van een telefoon een actieve telefoon maken
Wanneer het systeem voor het eerst wordt gebruikt, zijn er nog geen telefoons gekoppeld met het systeem.
Na het aanzetten van het contact worden een telefoon in de telefoonhouder en een Bluetooth telefoon op verschillende wijze door het systeem herkend.
Bluetooth telefoon
Nadat een Bluetooth telefoon met het systeem is gekoppeld, wordt deze de actieve telefoon. Raadpleeg voor meer informatie het menu van de telefoon.
In sommige gevallen moet de Bluetooth telefoon eerst worden geactiveerd door de betreffende voorkeuzetoets van de audio-installatie of het navigatiesysteem te drukken.
Wanneer het contact weer wordt aangezet, wordt de verbinding met de laatst actieve telefoon door het systeem hersteld.
Een andere Bluetooth telefoon koppelen
N.B.: Voordat een andere Bluetooth telefoon kan worden gekoppeld, moet de bestaande actieve Bluetooth telefoon worden uitgeschakeld.
Koppel een nieuwe Bluetooth telefoon zoals is beschreven onder 'Eisen voor een Bluetooth verbinding'.
Telefoons die in het systeem zijn opgeslagen zijn met behulp van de telefoonlijst op de audio-installatie of het navigatiesysteem toegankelijk.
N.B.: Wanneer zes (vijf Bluetooth telefoons voor systemen met een telefoonhouder) Bluetooth telefoons zijn gekoppeld, moet één hiervan vervallen om een nieuwe telefoon te kunnen koppelen.
Telefoon in telefoonhouder
Wanneer uw telefoon zich in de telefoonhouder bevindt, wordt deze niet automatisch de actieve telefoon.
Raadpleeg in dergelijke gevallen Van actieve telefoon veranderen in het betreffende hoofdstuk waarin het systeem waarmee uw wagen is uitgerust wordt beschreven.
SETUP BLUETOOTH
Voordat u uw telefoon kunt gebruiken moet deze worden gekoppeld aan het telefoonsysteem in de wagen.
Telefoons bedienen
Een telefoon kan in de auto worden aangesloten met behulp van een telefoonhouder of een Bluetooth verbinding.
Bij wagens met een telefoonhouder, kunnen maximaal vijf Bluetooth telefoons met het systeem in de auto worden gekoppeld.
Bij wagens zonder telefoonhouder, kunnen maximaal zes Bluetooth telefoons met het systeem in de auto worden gekoppeld.
N.B.: Wanneer met de telefoon die als de nieuwe actieve telefoon wordt geselecteerd een gesprek wordt gevoerd, wordt het gesprek doorgeschakeld naar de audio-installatie in de wagen.
N.B.: Zelfs wanneer uw telefoon aan een systeem in de wagen is gebonden, kan deze nog op de gebruikelijke wijze worden gebruikt.
Eisen voor een Bluetooth verbinding
Het volgende is vereist voordat met een Bluetooth telefoon een verbinding tot stand kan worden gebracht.
- De Bluetooth functie moet op de telefoon en op de audio-installatie zijn ingeschakeld. Raadpleeg voor meer informatie de handleiding van uw telefoon.
- De privé modus op de Bluetooth telefoon moet zijn geactiveerd.
- Zoek de audio-installatie op.
- Selecteer Ford Audio.
- Het Bluetooth PIN nummer 0000 moet via de toetsen op de telefoon worden ingevoerd.
N.B.: Wanneer het audio- of navigatiesysteem wordt uitgeschakeld, wordt een telefoongesprek verbroken. Wanneer de contactsleutel in de stand '0' wordt gezet, blijft de telefoonverbinding behouden.
Compatibiliteit van telefoontoestellen
LET OP

Omdat er geen algemene overeenkomst bestaat, kunnen fabrikanten van mobiele telefoons een groot aantal profielen in hun Bluetooth apparaten implementeren. Daardoor is het mogelijk dat een telefoon niet compatible met een handsfree systeem is, waardoor in sommige gevallen de prestaties van het systeem aanzienlijk worden beperkt. Om dit te voorkomen moeten alleen aanbevolen telefoons worden gebruikt. Neem voor meer informatie over de actuele lijst met geschikte telefoontoestellen contact op met uw dealer.
Telefoontoestellen met een Symbian bedieningssysteem
N.B.: Om via Bluetooth toegang tot het telefoonboek te kunnen krijgen moet voor bepaalde telefoons eerst een speciaal bestand worden geinstalleerd. Dit bestand wordt een SIS bestand genoemd is via de Ford website beschikbaar. Raadpleeg uw dealer voor uitgebreide informatie.
BEDIENINGSELEMENTEN TELEFOON
Oproepen beëindigen of weigeren
Door op een van de diverse functietoetsen op de audio-installatie of het navigatiesysteem te drukken (bijvoorbeeld: AM/FM, CD/AUX) kunnen actieve gesprekken worden beeindigd of oproepen worden geweigerd.
Afstandsbediening
Uw auto kan zijn uitgerust met één van de diverse typen afstandsbedieningen:
Voice en mode toets

Voice toets1
Mode toets2
Oproepen kunnen worden beantwoord door eenmaal op de MODE toets te drukken of worden beeindigd door er tweemaal op te drukken.
Voice en beantwoorden/weigeren toets

E87662
Voice toets1
Beantwoorden/weigeren toets2
Met de VOICE toets wordt de spraakbesturing in- of uitgeschakeld.
Bij wagens met een
beantwoorden/weigeren toets kunnen telefoongesprekken worden beantwoord of geweigerd door op de juiste toets te drukken.
N.B.: Sommige audio-installaties hebben beantwoorden/weigeren toetsen op het front. Deze werken op dezelfde wijze.
Mode toets op het stuurwiel

E87663
Alleen Mode toets

Bij uitvoeringen zonder een VOICE toets wordt de MODE toets op de afstandsbediening gebruikt om de spraakbesturing in en uit te schakelen.
N.B.: Tijdens een oproep of een actief gesprek kunt u niet met de MODE toets de spraakbesturing activeren.
U kunt niet met de MODE toets de audio-installatie bedienen.
GEBRUIK MAKEN VAN DE TELEFOON - AUTO'S ZONDER NAVIGATIESYSTEEM
In dit hoofdstuk worden de telefoonfuncties van de audio-unit beschreven.
N.B.: Raadpleeg de handleiding van de audio-unit voor meer informatie over de bedieningsorganen.
Er moet een actieve telefoon aanwezig zijn.
Zelfs wanneer uw telefoon op de audio-unit is aangesloten, kan de telefoon op de gebruikelijke wijze worden gebruikt.
N.B.: U kunt het telefoonmenu verlaten door op de CD, AM/FM of AUX toets te drukken.
Bellen
Een nummer kiezen
U kunt toegang tot uw telefoonboekadres krijgen met hetzij de telefoon in de telefoonhouder of via Bluetooth. De namen en nummers verschijnen op het display van de audio-unit.
- Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'.
- Druk op de MENU toets.
- Houd de MENU toets ingedrukt tot PHONEBOOK verschijnt.
- Druk op de zoektoetsen om het gewenste telefoonnummer te selecteren.
N.B.: Houd de zoektoets ingedrukt om naar de volgende letter van het alfabet te gaan.
- Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden' om het geselecteerde telefoonnummer te bellen.
Wanneer u over een audio-unit met een telefoontoetsenbord (toetsen 0-9, * en #) beschikt, dan kunt u ook direct kiezen door het nummer via het toetsenbord op het radiodisplay in te voeren en op de toets 'beantwoorden' te drukken:
- Druk op de toets 'beantwoorden'.
- Kies het nummer met het toetsenbord op de audio-unit.
- Druk op de toets 'beantwoorden'.
N.B.: Wanneer u bij het kiezen van een telefoonnummer een onjuist cijfer intoetst, druk dan op de toets 'neerwaarts zoeken' om het laatste cijfer te wissen. Wanneer de toets lang wordt ingedrukt, wordt de complete serie cijfers gewist.
Houd de 0 ingedrukt om een + in te toetsen.
Een gesprek beëindigen
Gesprekken kunnen worden beeindigd door hetzij:
- op één van de volgende toetsen van de audio-unit te drukken: PHONE, CD, AM/FM of ON/OFF
• op de MODE toets op de afstandsbediening drukken
• op de toets 'weigeren' te drukken.
N.B.: Wanneer u over een audio-unit met een telefoontoetsenbord beschikt, kunt u een telefoongesprek alleen beeindigen door op de toets 'weigeren' te drukken.
Een nummer herhalen
- Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'.
- Druk op de MENU toets.
- Selecteer de lijst CALL OUT of de lijst CALL IN.
N.B.: Wanneer de actieve telefoon niet over een lijst met laatst gekozen nummers beschikt, wordt het laatst gekozen nummer weergegeven.
-
Druk op de zoektoets op de audiounit.
-
Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden' om het gewenste telefoonnummer te bellen.
Laatst gekozen nummer opnieuw bellen
N.B.: Dit geldt alleen voor audio-units met een telefoontoetsenbord
- Druk op de toets 'beantwoorden'.
- Druk opnieuw op de toets 'beantwoorden' om het laatst gekozen nummer weer te geven.
- Druk voor de derde maal op de toets 'beantwoorden' om het nummer te bellen.
Een oproep ontvangen
Een oproep beantwoorden
Oproepen kunnen worden beantwoord door hetzij:
• op de PHONE toets te drukken
• op de MODE toets op de afstandsbediening drukken
• op de toets 'beantwoorden' te drukken
Een oproep weigeren
Oproepen kunnen worden geweigerd door hetzij:
• op de toets 'weigeren' te drukken
• op de CD toets te drukken
• op de AM/FM toets te drukken.
N.B.: Wanneer u over een audio-unit met een telefoontoetsenbord beschikt, kunt u een telefoongesprek alleen weigeren door op de toets 'weigeren' te drukken.
N.B.: U kunt geen oproep met behulp van de afstandsbediening weigeren.
Een tweede oproep beantwoorden
N.B.: De wachtfunctie op uw telefoon moet zijn geactiveerd.
Wanneer er tijdens een gesprek een tweede oproep binnenkomt, klinkt er een 'piep' en kunt u het actieve gesprek in de wachtstand plaatsen en de tweede oproep beantwoorden.
Een tweede oproep beantwoorden
Tweede oproepen kunnen worden beantwoord door hetzij:
• op de toets 'beantwoorden' te drukken
• op de MODE toets op de afstandsbediening drukken
• op de PHONE toets te drukken
N.B.: Hierdoor wordt het actieve gesprek beëindigd.
Een tweede oproep weigeren
Tweede oproepen kunnen worden geweigerd door hetzij:
• op de toets 'weigeren' te drukken
• op de CD toets te drukken
• op de AM/FM toets te drukken.
N.B.: Wanneer u over een audio-unit met een telefoontoetsenbord beschikt, kunt u een telefoongesprek alleen weigeren door op de toets 'weigeren' te drukken.
Van actieve telefoon veranderen
N.B.: Voordat telefoons kunnen worden geactiveerd moeten ze aan het systeem worden gekoppeld.
Met behulp van de voorkeuzetoetsen
- Druk op de PHONE toets op de audio-unit.
- Druk op de gewenste voorkeuzetoets (gebruik voorkeuzetoetsen 1 - 6).
N.B.: Deze procedure geldt alleen voor audio-units met een telefoontoetsenbord.
Met behulp van het menu op de audio-unit
- Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'.
- Druk op de MENU toets op de audio-unit.
-
Selecteer de ACTIVE PHONE optie op de audio-unit.
-
Rol met behulp van de zoektoetsen door de verschillende opgeslagen telefoons om de gekoppelde telefoons weer te geven.
- Druk op de MENU toets om de telefoon te selecteren die de actieve telefoon moet worden.
N.B.: Nadat een Bluetooth telefoon met het systeem is gekoppeld, wordt deze de actieve telefoon.
Gekoppelde telefoon ontkoppelen
Een gekoppelde telefoon kan op elk gewenst moment uit het systeem worden gewist, behalve wanneer met deze telefoon een gesprek wordt gevoerd.
- Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'.
- Druk op de MENU toets op de audio-unit.
- Selecteer de optie DEBOND op de audio-unit.
- Rol met behulp van de zoektoetsen door de verschillende telefoons om de te ontkoppelen telefoon weer te geven.
- Druk op de MENU toets om de telefoon te selecteren die moet worden ontkoppeld.
GEBRUIK MAKEN VAN DE TELEFOON - AUTO'S MET TRAVEL PILOT EX
In dit hoofdstuk worden de telefoonfuncties van het TravelPilot EX navigatiesysteem beschreven.
N.B.: Raadpleeg de handleiding van uw TravelPilot EX navigatiesysteem voor meer informatie over de bedieningstoetsen.
Er moet een actieve telefoon aanwezig zijn.
Zelfs wanneer uw telefoon met het TravelPilot EX navigatiesysteem is gekoppeld, kan deze nog op de gebruikelijke wijze worden gebruikt.
Opbellen
Een nummer kiezen - telefoon in telefoonhouder
Wanneer u de telefoon in de telefoonhouder gebruikt, heeft u toegang tot het telefoonboek in uw mobiele telefoon. De namen en nummers verschijnen op het display van de TravelPilot EX.
- Druk op de PHONE toets op de audio-installatie.
- Maak gebruik van de TELEFOONBOEK optie in het menu.
- Kies het netnummer.
- Selecteer met de rechter draaiknop het gewenste telefoonnummer.
- Door op de INFO toets te drukken wordt meer informatie over het adres in het telefoonboek weergegeven.
- Druk op de rechter draaiknop.
Een nummer kiezen - telefoon met Bluetooth
Bij een Bluetooth telefoon kunnen de telefoonnummers met behulp van Voice Control worden gekozen, raadpleeg het hoofdstuk Voice Control.
Een gesprek beëindigen
Gesprekken kunnen worden beëindigd door hetzij:
• op de toets 'weigeren' te drukken
• op de MODE toets op de afstandsbediening drukken
• op de OFF toets op het navigatiesysteem te drukken
• op de rechter draaiknop te drukken.
Een nummer herhalen - telefoon in telefoonhouder
- Druk op de PHONE toets op de audio-installatie.
- Druk op de MENU toets.
- Selecteer de UITGAANDE GESPR. lijst, de INKOMENDE GESPR. lijst of OPNIEUW BEL.
- Druk op de PHONE toets op de audio-installatie om het gewenste telefoonnummer te kiezen.
Een nummer herhalen - telefoon met Bluetooth
- Druk op de PHONE toets op de audio-installatie.
- Druk op de MENU toets.
- Kies OPNIEUW BEL.
- Druk op de PHONE toets op de audio-installatie om het telefoonnummer te kiezen.
Een oproep beantwoorden
Een oproep beantwoorden
Oproepen kunnen worden beantwoord door hetzij:
• op de toets 'beantwoorden' te drukken
• op de MODE toets op de afstandsbediening drukken
• op de PHONE toets op de audio-installatie te drukken
- met behulp van de AANNEMEN optie in het menu.
Een oproep weigeren
Oproepen kunnen worden geweigerd door hetzij:
• op de toets 'weigeren' te drukken
- op één van de volgende toetsen van de audio-installatie te drukken: CD, AM/FM
- met behulp van de AFWIJZEN optie in het menu.
N.B.: U kunt geen oproep met behulp van de MODE toets op de afstandsbediening weigeren.
Een tweede oproep beantwoorden
N.B.: De wachtfunctie op uw telefoon moet zijn geactiveerd.
Wanneer er tijdens een gesprek een tweede oproep binnenkomt, klinkt er een 'piep' en kunt u het actieve gesprek in de wachtstand plaatsen en de tweede oproep beantwoorden.
Een tweede oproep beantwoorden
Tweede oproepen kunnen worden beantwoord door hetzij:
• op de toets 'beantwoorden' te drukken
• op de MODE toets op de afstandsbediening drukken.
• op de PHONE toets op de audio-installatie te drukken.
• met behulp van de AANNEMEN optie in het menu.
N.B.: Hierdoor wordt het actieve gesprek beëindigd.
Een tweede oproep weigeren
Tweede oproepen kunnen worden geweigerd door hetzij:
• op de reject toets te drukken
- op één van de volgende toetsen op de audio-installatie te drukken: CD, AM/FM.
Van actieve telefoon veranderen
N.B.: Voordat telefoons kunnen worden geactiveerd moeten ze aan het systeem worden gekoppeld.
- Druk op de PHONE toets op de audio-installatie.
- Selecteer met behulp van de ACTIEVE TELEFOON optie in het menu met de voorkeuzetoetsen de actieve telefoon uit de lijst.
Gekoppelde telefoon ontkoppelen
Een gekoppelde telefoon kan op elk gewenst moment uit het systeem worden gewist, behalve wanneer met deze telefoon een gesprek wordt gevoerd.
- Druk op de PHONE toets op de audio-installatie.
- Selecteer de AFMELDEN optie in het menu.
- Selecteer de telefoon uit de lijst met behulp van de voorkeuzetoetsen.
N.B.: Nadat een Bluetooth telefoon met het systeem is gekoppeld, wordt deze de actieve telefoon.
In sommige gevallen moet de Bluetooth telefoon eerst worden geactiveerd door de betreffende voorkeuzetoets van de audio-installatie of het navigatiesysteem te drukken.
WERKING
Met spraakbesturing kunt u de audio-installatie bedienen zonder dat uw aandacht van de weg wordt afgeleid om bijvoorbeeld instellingen te veranderen of om reacties van het systeem te ontvangen.
Wanneer u bij geactiveerd systeem één van de gedefinieerde spraaklabels gebruikt, zet het spraakbesturingssysteem uw spraaklabel om in een bedieningssignaal voor de audio-installatie. Uw spraaklabels nemen de vorm van dialogen of commando's aan. U wordt door mededelingen of vragen door deze dialogen geleid.
Maak uzelf vertrouwd met de functies van de audio-installatie voordat u het spraakherkenningsysteem gaat gebruiken.
N.B.: Wanneer Bluetooth en spraakbesturing gedurende langere tijd bij stilstaande wagen worden gebruikt, laat dan de motor stationair draaien om te voorkomen dat de accu wordt ontladen.
Ondersteunde commando's
Met het spraakbesturingssysteem kunt u de volgende systemen in de wagen bedienen:
- telefoon
- radio
- CD-speler
- klimaatregeling
- navigatiesysteem.
N.B.: Het spraakbesturingssysteem is een taalgevoelig systeem. Wanneer u wenst dat het systeem in een andere taal werkt, raadpleeg dan uw dealer.
Reactie van het systeem
Wanneer u een gesproken commando geeft, antwoordt het systeem telkens met een piep wanneer het gereed is om door te gaan.
Probeer geen nieuwe commando's te geven voordat u de piep hebt gehoord. Het spraakbesturingssysteem herhaalt elk gesproken commando.
Wanneer u niet precies weet hoe u moet doorgaan, zeg dan "HELP" voor hulp of "CANCEL" wanneer u niet wilt doorgaan.
De "HELP" functie biedt u alleen een verzameling van de beschikbare commando's. Gedetailleerde uitleg over alle mogelijke gesproken commando's kunt u op de volgende bladzijden vinden.
Gesproken commando's
Alle commando's moeten op natuurlijke wijze worden uitgesproken, alsof u tot een passagier spreekt of een telefoongesprek voert. Uw stemvolume moet afhankelijk zijn van omgevingsgeluiden in of buiten de auto, maar schreeuw niet.
Spraaklabel
Het spraaklabel kan de telefoon, de audio-installatie en het navigatiesysteem ondersteunen door gebruik te maken van de "STORE NAME" functie (naam opslaan).
- Sla maximaal 20 actieve spraaklabels per functie op.
- De gemiddelde opnametijd per spraaklabel bedraagt ongeveer 2 tot 3 seconden.
Werking van het systeem
De volgorde en de inhoud van de spraaklabels zijn in de volgende lijst weergegeven. De tabel toont de volgorde van de spraaklabels van de gebruiker en de reacties van het systeem die voor iedere functie beschikbaar zijn.
<> duidt een nummer of opgeslagen spraaklabel aan, die door de gebruiker moet worden opgeslagen.
Short cuts
Er zijn een aantal gesproken woorden (short cuts) mogelijk, waarmee u enkele functies van de auto kunt regelen zonder het complete commandomenu te hoeven volgen. Dit zijn:
- telefoon: "MOBILE NAME" 1 , "DIAL NUMBER", "DIAL NAME" en "REDIAL"
• CD-speler: "DISC" en "TRACK" - klimaatregeling: "TEMPERATURE", "FAN", "AUTO MODE", "DEFROSTING/DEMISTING ON" en "DEFROSTING/DEMISTING OFF"
• radio: "TUNE NAME" - navigatie: "ZOOM" en "ROUTE SETTING".
1) Alleen wanneer een mobiele telefoon met Bluetooth en spraaksturing (voice control) is aangesloten.
Communicatie met het systeem starten
Voordat u kunt beginnen met het systeem toe te spreken moet u voor iedere handeling eerst op de VOICE of de MODE toets drukken en wachten tot het systeem met een piep antwoordt.

E87665
COMMANDO'S AUDIO-UNIT
CD-speler/ CD-wisselaar
Met behulp van Voice Control kunt u direct een CD of een nummer kiezen.
Overzicht
Het overzicht toont de beschikbare gesproken commando's voor het bedienen van uw CD-speler. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu.
Spraksturing
a) Kan alleen worden gebruikt voor een CD-wisselaar.
b) Kan als short cut worden gebruikt.
CD
Wanneer u een CD-wisselaar hebt, kunt u het nummer van de CD kiezen
| Systeem antwoordtGebruiker z | ||
| "CD""CD"1 | ||
| 2 | "DISC"a | "DISC NUMBER PLEASE" |
| "DISC <nummer>"''<een getal tus |
a) Kan als short cut worden gebruikt.
Muzieknummer
U kunt ook direct een muzieknummer op de CD kiezen.
| Systeem antwoordtGebruiker z | ||
| "CD""CD"1 | ||
| 2 | "TRACK"a | "TRACK NUMBER PLEASE" |
| "TRACK<nummer>""" |
a) Kan als short cut worden gebruikt.
Spraksturing
Radio
De gesproken commando's ondersteunen de radiofuncties en u kunt met Voice Control op radiostations afstemmen.
Overzicht
Het overzicht toont de beschikbare gesproken commando's voor de bediening van uw radio. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu.
a) Kan als short cut worden gebruikt.
Afstemfrequentie
Met deze functie kunt u met gesproken commando's afstemmen op radiostations.
| Systeem antwoordtGebruiker zeg | ||
| "RADIO""RADIO"1 | ||
| "FREQUENCY PLEASE""AM"2 | ||
| "FREQUENCY PLEASE""FM" | ||
| "TUNE"""3 |
Naam opslaan
Wanneer u op een radiostation hebt afgestemd, kunt u deze met een naam in het bestand opslaan.
Spraksturing
| Systeem antwoordtGebruiker z | ||
| "RADIO""RADIO"1 | ||
| "STORE NAME""STORE NAME""NAME PLEASE" | ||
| "REPEAT NAME PLEASE""3 | ||
| "STORING NAME""4"STORED" |
Afstemmen op naam
Met deze functie kunt u op een opgeslagen radiostation afstemmen.
| Systeem antwoordtGebruiker z | ||
| "RADIO""RADIO"1 | ||
| 2 | "TUNE NAME"a | "NAME PLEASE" |
| "TUNE"3 |
a) Kan als short cut worden gebruikt.
Naam wissen
Met deze functie kunt u een opgeslagen radiostation wissen
| Systeem antwoordtGebruiker z | ||
| "RADIO""RADIO"1 | ||
| "NAME PLEASE""DELETE NAME | ||
| "DELETE<naam>"""3"CONFIRM YES OR NO" | ||
| "DELETED""YES"4 | ||
| "NO" | "COMMAND CANCELLED" |
Spraksturing
Bestand afspelen
Met deze functie kunt u het systeem alle opgeslagen radiostations laten opnoemen.
| Systeem antwoordtGebruiker zeg | ||
| "RADIO""RADIO"1 | ||
| "PLAY" "PLAY DIRECTC |
Bestand wissen
Met deze functie kunt u alle opgeslagen radiostations wissen.
| Systeem antwoordtGebruiker zeg | ||
| "RADIO""RADIO"1 | ||
| "DELETE DIRECTORY""DELETE DIREC"CONFIRM YES OR NO" | ||
| "RADIO DIRECTORY DELETED""YES"3 | ||
| "COMMAND CANCELLED""NO" |
COMMANDO'S TELEFOON
Telefoon
Met uw telefoonsysteem kunt u een extra telefoonboek aanleggen. De opgeslagen nummers kunnen met behulp van Voice Control worden gekozen.
Telefoonnummers, die met behulp van Voice Control zijn opgeslagen, worden in het systeem van de auto opgeslagen en niet in dat van uw telefoon.
Overzicht
Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's voor het telefoonsysteem. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu.
| "PHONE" |
| "HELP" |
| "MOBILE NAME"a, b |
| "DIAL NUMBER"a |
Spraksturing
| "PHONE" |
| "DIAL NAME"a |
| "DELETE NAME" |
| "DELETE DIRECTORY" |
| "PLAY DIRECTORY" |
| "STORE NAME" |
| "REDIAL"a |
| "ACCEPT CALLS" |
| "REJECT CALLS" |
a) Kan als short cut worden gebruikt.
b) Alleen mogelijk bij mobiele telefoons die met Bluetooth zijn aangesloten en voorzien zijn van Voice Control en opgeslagen spraaklabels.
Een telefoonboek aanleggen
Naam opslaan
Nieuwe spraaklabels kunnen worden opgeslagen met het commando "STORE NAME". Deze eigenschap kan worden gebruikt voor het kiezen van een nummer door de naam in plaats van het complete telefoonnummer uit te spreken.
| Systeem antwoordtGebruiker z | ||
| "PHONE""PHONE"1 | ||
| "STORE NAME""STORE NAME""NAME PLEASE" | ||
| "REPEAT NAME PLEASE"" | ||
| "STORING NAME"""4"STORED""NUMBER PLEASE" | ||
| "" | ||
| "STORING NUMBER""STORE"6" |
Spraksturing
| Systeem antwoordtGebruiker zeg | ||
| "NUMBER STORED" |
Naam wissen
Opgeslagen namen kunnen ook uit het bestand worden gewist.
| Systeem antwoordtGebruiker zeg | ||
| "PHONE""PHONE"1 | ||
| "NAME PLEASE""DELETE NAME"2 | ||
| "DELETE""3"CONFIRM YES OR NO" | ||
| ""DELETED""YES"4 | ||
| "COMMAND CANCELLED""NO" |
Bestand afspelen
Gebruik deze functie om het systeem alle opgeslagen namen en nummers te laten opnoemen.
| Systeem antwoordtGebruiker zeg | ||
| "PHONE""PHONE"1 | ||
| "PLAY DIRECTORY""PLAY DIRECTO |
Bestand wissen
Met deze functie kunt u alle ingevoerde gegevens in één keer wissen.
| Systeem antwoordtGebruiker zeg | ||
| "PHONE""PHONE"1 | ||
| "DELETE DIRECTORY""DELETE DIRECT"CONFIRM YES OR NO" | ||
| "YES"3 | "PHONE DIRECTORY DELETED" |
Spraksturing
| Systeem antwoordtGebruiker z | ||
| "COMMAND CANCELLED""NO" |
Telefoonfuncties
Naam mobiele telefoon
Met deze functie kunt u met een spraaklabel toegang krijgen tot de in uw mobiele telefoon opgeslagen telefoonnummers.
| Systeem antwoordtGebruiker z | ||
| "PHONE""PHONE"1 | ||
| 2 | "MOBILE NAME"a, b | "MOBILE NAME" "<telefoonafhan-kelijke dialoog>" |
a) Kan als short cut worden gebruikt.
b) Alleen wanneer een mobiele telefoon met Bluetooth en Voice Control is aangesloten (afhankelijk van de mobiele telefoon).
Nummer kiezen
Nadat het spraaklabel is uitgesproken kunnen telefoonnummers worden gekozen.
| Systeem antwoordtGebruiker z | ||
| "PHONE""PHONE"1 | ||
| 2 | "DIAL NUMBER"a | "NUMBER PLEASE" |
| "<telefoonnummer>""<telefoonnur CONTINUE?" | ||
| "DIALLING""DIAL"4 | ||
| "CORRECTION" | "<laatste deel van nummer herhalen>CONTINUE?" |
a) Kan als short cut worden gebruikt.
Spraksturing
Naam kiezen
Nadat het spraaklabel is uitgesproken kunnen telefoonnummers worden gekozen.
| Systeem antwoordtGebruiker zeg | ||
| "PHONE""PHONE"1 | ||
| 2 | "DIAL NAME"a | "NAME PLEASE" |
| "DIAL<naam>"""3"CONFIRM YES OR NO" | ||
| "DIALLING""YES"4 | ||
| "COMMAND CANCELLED""NO" |
a) Kan als short cut worden gebruikt.
Nummer herhalen
Deze functie maakt het mogelijk het laatst gekozen nummer te herhalen.
| Systeem antwoordtGebruiker zeg | ||
| "PHONE""PHONE"1 | ||
| 2 | "REDIAL"a | "REDIAL" "CONFIRM YES OR NO" |
| "DIALLING""YES"3 | ||
| "COMMAND CANCELLED""NO" |
a) Kan als short cut worden gebruikt.
DTMF ('Tone' instelling)
Deze functie zet gesproken nummers om in DTMF tonen, bijvoorbeeld voor het op afstand bedienen van het antwoordapparaat bij u thuis.
N.B.: DTMF kan alleen worden gebruikt tijdens een telefoongesprek. Druk op de VOICE of de MODE toets en wacht op het teken van het systeem.
| Systeem antwoordtGebruiker zeg | ||
| "NUMBER PLEASE"1 | ||
| Systeem antwoordtGebruiker z | ||
| 2 | "<cijfers 1 tot en met 9, nul, hekje, sterretje>" |
Hoofdinstellingen
Oproepen beantwoorden en weigeren
Oproepen kunnen met Voice Control worden beantwoord of geweigerd.
| Systeem antwoordtGebruiker z | ||
| "PHONE""PHONE"1 | ||
| "ACCEPT CALLS""ACCEPT CALL | ||
| "REJECT CALLS""REJECT CALL |
COMMANDO'S NAVIGATIESYSTEEM
Raadpleeg de afzonderlijke handleiding van het navigatiesysteem voor meer informatie over de commandomenu's.
COMMANDO'S KLIMAATREGELING
Klimaat
Met gesproken commando's voor de klimaatregeling kunnen het aanjagertoerental, de temperatuur en de modus worden ingesteld. Niet alle functies zijn in alle autotypen beschikbaar.
Overzicht
Het overzicht toont de beschikbare gesproken commando's voor de bediening van het klimaatregelsysteem. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu.
a) Kan als short cut worden gebruikt. Bij auto's met een Engelse taalmodule is de short cut "FAN" niet beschikbaar.
Aanjager
Met deze functie kunt u het aanjagertoerental instellen.
| Systeem antwoordtGebruiker zeg | ||
| "CLIMATE""CLIMATE"1 | ||
| 2 | "FAN"a | "FAN SPEED PLEASE" |
| 3 | "FAN MINIMUM""MINIMUM" | |
| "FAN <getal>"" <een getal tussen " | ||
| "FAN MAXIMUM""MAXIMUM" |
a) Kan als short cut worden gebruikt. Bij auto's met een Engelse taalmodule is de short cut "FAN" niet beschikbaar.
Ontdooien/ontwasemen
| Systeem antwoordtGebruiker zeg | ||
| "CLIMATE""CLIMATE"1 | ||
| 2 | "DEFROSTING/DEMISTING ON"a | "DEFROSTING/DEMISTING ON" |
| "DEFROSTING/DEMISTING OFF"a | "DEFROSTING/DEMISTING OFF" |
a) Kan als short cut worden gebruikt.
Temperatuur
Met deze functie kunt u de temperatuur instellen.
| Systeem antwoordtGebruiker z | ||
| "CLIMATE""CLIMATE"1 | ||
| 2 | "TEMPERATURE"a | "TEMPERATURE PLEASE" |
| 3 | "TEMPERATURE MINIMUM""MINIMUM" | |
| "<een getal tussen 15 en 29 °C met stappen van 0,5>" of "<een getal tussen 59 en 84 °F>" | "TEMPERATURE" | |
| "TEMPERATURE MAXIMUM""MAXIML" |
a) Kan als short cut worden gebruikt.
Automatische modus
| Systeem antwoordtGebruiker z | ||
| "CLIMATE""CLIMATE"1 | ||
| 2 | "AUTO MODE"a | "AUTO MODE" |
a) Kan als short cut worden gebruikt. Kan worden uitgeschakeld door een andere temperatuur of een ander aanjagertoerental in te stellen.
TYPEGOEDKEURINGEN
FCC/INDUSTRY CANADA NOTICE
Het apparaat voldoet aan Deel 15 van de FCC-regelgeving. Bediening is onderhevig aan de volgende twee voorwaarden: (1) dit apparaat mag geen schadelijke interferentie veroorzaken en (2) dit apparaat moet ontvangen interferentie accepteren (inclusief interferentie die kan leiden tot ongewenste bediening).
FCC ID: OW3RX-42
IC: 661AA-RX42
Het uitvoeren van wijzigingen of modificaties aan het apparaat zonder nadrukkelijke toestemming van de verantwoordelijke partij kan leiden tot vervallen van het recht op bediening van het apparaat.
RX-42 - Conformiteits-verklaring
Wij, de partij verantwoordelijk voor naleving, verklaren onder volledige verantwoordelijkheid dat het product Handset Integration RX-42 voldoet aan de vereisten van Council Directive 1999/5/EC. Een kopie van de Conformiteitsverklaring kunt u vinden op: www.nokia.com/phones/declaration_of_conformity
Het woord, het merk en de logo's Bluetooth zijn eigendom van Bluetooth SIG Inc. en de Ford Motor Company mag dergelijke merktekens onder licentie gebruiken. Namen van andere producten en bedrijven kunnen handelsmerken of handelsnamen van de respectieve eigenaren zijn.
Uw wagen is getest en gecertificeerd volgens de Europese wetgeving betreffende elektromagnetische comptabiliteit (EMC) (2004/104/EC). U dient ervoor te zorgen dat apparatuur die u heeft gemonteerd voldoet aan de betreffende lokale wetgeving. Laat apparatuur door goed geschoolde monteurs monteren.
Radiofrequentie (RF) zenders (bijv. mobiele telefoons, amateur radiozenders, enz.) mogen alleen in uw wagen worden gemonteerd, wanneer deze volledig voldoen aan de parameters die in de onderstaande tabel zijn weergegeven. Er zijn geen bijzondere voorzieningen of voorwaarden voor het monteren of gebruik.
Monteer geen zender/ontvangers, microfoons, luidsprekers en dergelijke in de ontvouwruimte van de airbags.
Bevestig geen antennekabels aan de originele bedrading, brandstofleidingen en remleidingen van de wagen.
Houd antennekabels en stroomdraden minimaal 100 mm weg van elektronische modules en airbags.
Bijlagen

E100566
| Frequentie-band MHz | in watt (piek RMS) | AntenneplaatsenMaximum ui |
| 1. 2. 350 W1 – 30 | ||
| 1. 2. 350 W30 – 54 | ||
| 1. 2. 350 W68 – 87,5 | ||
| 1. 2. 350 W142 – 176 | ||
| 1. 2. 350 W380 – 512 | ||
| 1. 2. 310 W806 – 940 | ||
| 806 – 940 | 2 W1 | 4. 5 |
| 1. 2. 310 W1200 – 1400 | ||
| 1. 2. 310 W1710 – 1885 | ||
| 1710 – 1885 | 1 W1 | 4. 5 |
| 1. 2. 310 W1885 – 2025 | ||
| 1885 – 2025 | 1 W1 | 4. 5 |
| Frequentie-band MHz | in watt (piek RMS) | AntenneplaatsenMaximum uitga |
| Overal0,1 W2400 – 2500 |
1 Alleen voor GSM/3G mobiele telefoons met een patch antenne tegen de binnenzijde van de voorruit gemonteerd.
N.B.: Controleer na het monteren van een RF zender of deze niet de overige elektrische uitrusting in de wagen stoort, zowel in de standby- als in de zendmodus.
Controleer alle elektrische uitrusting:
• met het contact AAN
• bij draaiende motor
- tijdens een proefrit bij verschillende snelheden.
Controleer of de elektromagnetische velden die door de gemonteerde zender binnen het passagierscompartiment worden opgewekt niet de grenzen overschrijdt waaraan het menselijk lichaam mag worden blootgesteld, zoals gespecificeerd in EU richtlijn 2004/40/EC.
A
Aandrijfregeling (traction control)......95
Werking....95
Aandrijving op alle wielen (AWD)......88
Aanhangers trekken....108
Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN) 81
Aansluitpunten van de accu .....142
Aansteker....79
Accessoires Zie: Onderdelen en accessoires......5
Accu van de auto....141
Accu vervangen....142
Achterbank....75
Complete rugleuning naar voren kantelen....76
Een rugleuningdeel naar voren kantelen....76
Zittingen van achterbanken verwijderen....76
Achterruitwissers en -sproeiers......30
Ruitensproeier, achter....31
Wissen met intervallen....30
Wissen tijdens achteruitrijden....30
Achterste zijruiten....49
Achteruitkijkcamera....98 Werking....98
Achteruitkijkcamera gebruiken......98
Achteruitkijkcamera activeren....99
Achteruitkijkcamera deactiveren......101
Achteruitkijkcamera in- en uitschakelen....101
Display gebruiken....99
Afstandsbediening programmeren Zie: Programmeren van de afstandsbediening....18
Airconditioning Zie: Klimaatregeling......65
Akoestische waarschuwingssignalen en -indicaties....56
Informatiecentrum....56
Waarschuwing portier open....56
Alarm....25
Werking....25
Alarm inschakelen....26
Categorie 1 alarm....26
Perimeter alarm....26
Alarm uitschakelen....26
Categorie 1 alarm....26
Perimeter alarm....26
Algemene informatie over radiofrequencies....18
Anti Blokkeer Systeem (ABS) Zie: Remmen....90
Asbak....79
Seek (zoekfunctie)......28
Volume......27
Automatische snelheidsbegrenzer (ASL)....104
Werking....104
Automatische snelheidsbeperker (ASL) Zie: Automatische snelheidsbegrenzer (ASL)....104
Automatisch in- en uitschakelende ruitenwissers....29
Automatisch in- en uitschakelende verlichting....34
Auto op vier wielen slepen....124
B
Bandenreparatieset ....156
Algemene informatie....156
Bandenreparatieset gebruiken......156
Bandenspanning controleren....160
Oproepen beëindigen of weigeren......182
Bekerhouders....80
Bergen van de auto....124
Bescherming van inzittenden....13 Werking....13
Bevestigingspunten voor lading .....105
Extra steunen....107
Lading bevestigen....106
Bijlagen....202
Binnenspiegel....48
Brandstof en tanken....84
Technische specificatie....86
Brandstofkwaliteit......
Brandstofverbruik
Zie: 86
Brandstofverbruik 86
Buitenspiegels....47
C
CD-speler/ CD-wisselaar....190
Radio....192
Een telefoonboek aanleggen....195
Hoofdinstellingen....199
Telefoon....194
Telefoonfuncties....197
Componenten van veiligheidssysteem inspecteren....111
Veiligheidsgordels....111
Controle indicator onderhoud brandstofffilter....136
Controle koelvloeistofpeil
Zie: Motorkoelvloeistof controleren.....133
Controle oliepeil
Zie: Motorolie controleren....133
Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem....134
Bijvullen....134
Cruise control
Zie: Gebruik maken van snelheidsregeling (cruise control)....102
D
Dakrekken en bagagedragers......107
Imperiaal....107
Uitvoeringen met een nooduitgang......107
Dashboardkastje....80
De juiste zitpositie innemen....73
De motorkap openen en sluiten......127
Motorkap openen....127
Motorkap sluiten....127
De motor starten....82
E
Een benzinemotor starten....82
Koude of warme motor....82
Stationair toerental na het starten......82
Verzopen motor....82
Een dieselmotor starten....83
Koude of warme motor....83
Een wiel vervangen....149
Boordkrik....150
Kriksteunpunten, achter....152
Reservewiel....149
Voorste kriksteunpunten....151
Wiel aanbrengen....155
Wiel opbergen....155
Wiel verwijderen....154
Een zekering vervangen......114
Eerstehulpset....110
Bus....110
Gesloten bestelwagen, Kombi, Chassis Cabine, uitvoering met open laadbak....110
Ruit van bestuurdersportier automatisch openen....47
Elektrisch verstelbare buitenspiegels......48
Elektromagnetische compatibiliteit....202
Extra verwarming....68
Algemene informatie....68
Werkingsprincipe....69
Extra voedingsaansluitingen....79
F
Flessenhouder....81
G
Gebruik maken van aandrijfregeling (traction control)....95
Gebruik maken van de parkeerhulp....96
Gebruik maken van de telefoon ......
Een oproep beantwoorden....187
Een tweede oproep beantwoorden.....187
Gekoppelde telefoon ontkoppelen......188
Opbellen....186
Van actieve telefoon veranderen......188
Gebruik maken van snelheidsregeling (cruise control)....102
Cruise control inschakelen....102
Cruise control uitschakelen....103
Ingestelde snelheid opnieuw inschakelen....103
Ingestelde snelheid uitschakelen......103
Ingestelde snelheid veranderen......102
Snelheid instellen....102
Gebruik maken van stabiliteitsregeling....92
Gebruik van HLA 93
De HLA activeren....93
De HLA uitschakelen....94
Gebruik van sneeuwkettingen......161
Alle uitvoeringen....161
Uitvoeringen met voorwielaandrijving.....161
Gebruik van startkabels......141
Hulpstartkabels aansluiten....141
Motor starten....141
Gebruik van veiligheidsgordels tijdens zwangerschap....16
Gebruik van winterbanden....161
Gecodeerde sleutels....24
Gemaksfuncties....78
Gereduceerd motorvermogen .....109
Gevarendriehoek....110
Gloeilampentabel....45
Gloeilampen vervangen....37
Achterlichten....42
Achterlichtunits....40
Een koplamp verwijderen....37
Interieurverlichting, voor......43
Kentekenplaatverlichting....42
Leeslampen, voor......44
Markeringslichten op het dak......42
Mistlampen, voor....39
Richtingaanwijzers, voor......38
Stadslichten....38
Tredeverlichting....45
Zijknipperlichten....39
Zijmarkeringslampen....39
Gloeilampen vervangen
Zie: Gloeilampen vervangen....37
H
Handgeschakelde versnellingsbak.....88
De achteruit inschakelen....88
Handmatige klimaatregeling......66
Aanjager....66
Gerecirculeerde lucht....66
Interieur snel verwarmen....66
Luchtverdeelknop....66
Temperatuurregelknop....66
Ventilatie....67
Voorruit snel ontdooien en ontwasemen....66
Handrem Zie: Parkeerrem....90
Hill launch assist Zie: Gebruik van HLA ....93
HLA Zie: Gebruik van HLA ....93 Zie: Hill launch assist (HLA) ....93
Hoofdsteunen....77 Hoofdsteun instellen....77 Hoofdsteun verwijderen....77
Hoogte van veiligheidsgordels
afstellen....15
Veiligheidsgordel, achter....15
Veiligheidsgordel, voor......15
Hulpstartkabels
Zie: Gebruik van startkabels....141
|
Immobilisatiesysteem inschakelen.....24
Immobilisatiesysteem
Zie: Motorstartblokkering....24
Immobilisatiesysteem uitschakelen.....24
Infoberichten....59
Waarschuwingsberichten....59
Infodisplays....57
Algemene informatie....57
Informatiecentrum
Zie: Infodisplays....57
Inleiding....5
Inrijden....109
Banden....109
Motor....109
Remmen en koppeling....109
Instrumenten....50
Interieurverlichting....36
Leeslampen....37
Leeslampen - uitvoeringen met interieursensoren....36
Leeslampen - uitvoeringen zonder interieursensoren....36
Uitvoeringen met dubbele vergrendeling....36
ISOFIX verankeringspunten......147
Een kinderzitje met een veiligheidsgordel aan de bovenzijde bevestigen......147
K
Kaartjeshouders....78
Katalysator....84
Parkeren....85
Rijden met een auto met katalysator......84
Kindersloten....148
Kinderzitjes....143
Kinderzitjes voor verschillende gewichtsgroepen......143
Kleine lakschade repareren....140
Klimaatregeling......65
Werking....65
Klok....78
Auto's met klok in de audio- of navigatie-unit....78
Uitvoeringen met een instrumentengroep van het hoge uitrustingsniveau....78
Uitvoeringen met een instrumentengroep van het lage uitrustingsniveau....78
Koplamphoogte afstellen....35
Kort overzicht......6
L
Ladingsteunen
Zie: Dakrekken en bagagedragers.....107
Luchtroosters
Zie: Ventilatieroosters....65
M
Meters....50
Brandstofmeter....52
Instrumentengroep - hoog uitrustingsniveau....51
Instrumentengroep - laag uitrustingsniveau....50
Kilometerteller, dagteller en klok....52
Koelvloeistoftemperatuurmeter....52
Mistachterlichten....34
Motorkapslot
Zie: De motorkap openen en sluiten......127
Motorkoelvloeistof controleren......133
Bijvullen....134
Koelvloeistofpeil controleren....133
Motorolie controleren....133
Bijvullen....133
Het oliepeil controleren....133
Motorstartblokkering....24
Werking....24
Motor uitschakelen....83
Auto's met turbocompressor....83
N
Nooduitgang....110
Onderbrekingsschakelaar brandstoftoevoer....111
Veiligheidsschakelaar terugstellen......111
Onderdelen en accessoires....5
Onderhoud....126
Algemene informatie....126
Technische specificatie....137
Onderhoud van de accu....141
Opbergruimtes....81
Opbergruimte boven de voorruit......81
Opbergvak op dashboard....81
Over deze handleiding....5
Overzicht motorruimte......
Overzicht van symbolen....5
Symbolen in dit instructieboekje......5
Symbolen op uw auto....5
P
Parkeerhulp Zie: Gebruik maken van de parkeerhulp...96
Parkeerhulp....96 Werking....96
Parkeerrem....90 Handrem aantrekken....90
Handrem vrijzetten....90
Op een helling parkeren....90
Passagiersairbag uitschakelen....16 Airbag aan passagierszijde inschakelen....17
Airbag aan passagierszijde uitschakelen....16
Persoonlijke instellingen....62 Eenheden....63
Gongsignalen bij berichten....63
Menu Persoonlijke instellingen....62
Menu Persoonlijke instellingen - Exit......64
Overzicht van de schermen van het hoofdmenu....62
Taal instellen....62
Tijd instellen....62
Weergave klok....63
Wekker instellen....63
Plaatsen zekeringenhouders......112
Aansluitkast aan passagierszijde......113
Aansluitkast in motorcompartiment......113
Standaard relaiskast....112
Voorschakel-zekeringkast......112
Plaatsing van kinderzitjes......144
Programmeren van de afstandsbediening....18
R
Reinigen van binnenzijde auto....140 Instrumentenpaneelschermen, LCD-schermen, radioschermen....140
Veiligheidsgordels....140
Reinigen van buitenzijde auto....139
Achterruit reinigen....139
Chromen onderdelen reinigen......139
Koplampen reinigen....139
Onderhoud van de lak....139
Remmen....90 Werking....90
Richtingaanwijzers....35
Ruiten en spiegels....47
Ruitensproeiers Zie: Ruitenwissers en ruitensproeiers.....29
Ruitensproeiervloeistof controleren....136
Ruitenwisserbladen controleren......31
Ruitenwisserbladen vervangen......31
Ruitenwissers en ruitensproeiers......29
S
Schuifruiten....49
Setup Bluetooth....181 Compatibiliteit van telefoontoestellen.....182
Eisen voor een Bluetooth verbinding......181
Telefoons bedienen....181
Setup telefoon....179
Aansluiting met behulp van een telefoonhouder....179
Een andere Bluetooth telefoon koppelen....180
Telefoonboek....180
Telefoonboekcategorieën....180
Uw telefoon in de telefoonhouder plaatsen....179
Van een telefoon een actieve telefoon maken....180
Sleeppunten....124
Sleutels en afstandsbediening......18
Sloten....19
Sneeuwkettingen Zie: Gebruik van sneeuwkettingen......161
Snelheidsregeling (cruise control).....102 Werking.....102
Snelheidsregeling Zie: Snelheidsregeling (cruise control).....102
Specificatie-overzicht zekeringen.....114 Aansluitkast aan passagierszijde.....121
Aansluitkast in motorcompartiment......116
Extra zekeringen....123
Standaard relaiskast....119
Voorschakel-zekeringkast......114
Spiegels Zie: Ruiten en spiegels....47
Zie: Verwarmde ruiten en spiegels......68
Sprakgestuurd regelsysteem gebruiken....190 Werking van het systeem....190
Spraksturing....189 Werking....189
Staat na een aanrijding....111
Stabiliteits controle Zie: Gebruik maken van stabiliteitsregeling....92
Stabiliteitsregeling....91 Werking....91
Standverwarming Zie: Extra verwarming......68
Starten met hulpstartkabels Zie: Gebruik van startkabels....141
Stoelen....73
Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren....135 Bijvullen....135
Stuurwiel afstellen....27
Stuurwiel....27
T
Tanken 85
Tankklep....85
Technische specificaties....166 Technische specificatie....166
Telefoon Zie: Gebruik maken van de telefoon ...... Zie: Gebruik maken van de telefoon ....
Telefoon....179 Algemene informatie....179
Tips voor het rijden met ABS Zie: Tips voor rijden met ABS......90
Tips voor het rijden....109 Tips voor rijden met ABS....90
Traction control Zie: Gebruik maken van aandrijfregeling (traction control)....95
Transport....105 Algemene informatie....105
Tredeverlichting....37 Trekken van een aanhanger....108 Steile hellingen....108
Typegoedkeuringen....202 FCC/INDUSTRY CANADA NOTICE....202 RX-42 - Conformiteitsverklaring....202
V
Veiligheidsgordels vastmaken......14
Veiligheidsmaatregelen....84
Veiligheidsuitrusting voor kinderen....143
Velgen en banden....149 Algemene informatie....149 Technische specificatie....161
Ventilatie Zie: Klimaatregeling....65
Ventilatieroosters....65
Vergrendelen en ontgrendelen......19
Automatisch opnieuw vergrendelen......22
Automatisch vergrendelen....22
Dubbele vergrendeling....19
Een fase ontgrendeling....22
Portieren met de afstandsbediening vergrendelen en ontgrendelen....20
Portieren met de hendels vergrendelen en ontgrendelen....20
Portieren met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen....19
Programmeerbaar ontgrendelingssysteem......23
Slagvergrendeling....21
Twee fasen ontgrendeling....22
Zone opnieuw vergrendelen....23
Verlichtingsbediening....33
Standen van de lichtschakelaar......33
Verlichting....33
Versnellingsbak/transmissie......88
Versnellingsbak
Zie: Versnellingsbak/transmissie......88
Verwarmde ruiten en spiegels......68
Verwarmbare buitenspiegels......68
Verwarmbare ruiten......68
Verwarmde stoelen....77
Verwarming
Zie: Klimaatregeling....65
Verzorging van banden....160
Verzorging van de auto....139
Vierwielaandrijving (AWD)
Zie: Aandrijving op alle wielen (AWD)......88
Voertuigidentificatienummer (VIN).....165
Voertuig Identificatie Nummer (VIN)
Zie: Voertuigidentificatienummer (VIN).....165
Voertuigidentificatieplaatje......165
Voertuigidentificatie....165
Voorruitsproeiers....30
Voorruitwissers....29
Wissen met intervallen....29
Voorste mistlampen....34
Voorstoelen....73
Armsteun instellen....75
Hellingshoek van de rugleuning verstellen....75
Hellingshoek van de zitting verstellen.....74
Lendensteun afstellen....74
Stoel draaien....75
Stoelen naar voren en achteren schuiven....73
W
Waarschuwings- en
indicatielampen....52
Berichtenindicator......55
Controlelamp ABS....53
Controlelamp airbag....53
Controlelamp automatische snelheidsregeling....54
Controlelampen motor....54
Controlelamp onderhoudsbeurt......56
Controlelamp portier niet goed gesloten....54
Controlelamp regeling voor bergop rijden....55
Controlelamp remblokslijtage....53
Controlelamp remsysteem....53
Controlelamp schakeling....56
Controlelamp stabiliteitsregeling (ESP) en tractieregeling....56
Controlelamp voorgloeien....55
Instrumentengroep, hoog uitrustingsniveau....53
Instrumentengroep, laag uitrustingsniveau....52
Richtingaanwijzer....54
Waarschuwingsknipperlichten......35
Wagen wassen
Zie: Reinigen van buitenzijde auto......139
Wassen
Index
Zie: Reinigen van buitenzijde auto......139
Uitvoeringen met een dieselmotor......135
Winterbanden
Zie: Gebruik van winterbanden......161
Z
Zekeringen....112
Zitverhögers....146
Kinderzitje (groep 2)......146
Zitverhoger (groep 3)....146
Zonnekleppen....78


