Focus - B8 (2012) - Automobiel FORD - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Focus - B8 (2012) FORD in PDF-formaat.
| Merk | Ford |
| Model | Focus - B8 (2012) |
| Categorie | Auto |
| Carrosserietype | 5-deurs, Stationwagon of 4-deurs |
| Aantal zitplaatsen | 5 |
| Motoren | Benzine: 1.0L EcoBoost, 1.6L Duratec, 1.6L EcoBoost, 2.0L EcoBoost; Diesel: 1.6L Duratorq-TDCi, 2.0L Duratorq-TDCi |
| Transmissie | Handgeschakeld of automatisch |
| Brandstoftype | Benzine of diesel (afhankelijk van uitvoering) |
| Veiligheidssystemen | Airbags (front, zijkant, gordijn), ABS, ESP, gordelspanners, kinderzitje-ISOFIX, bandenspanningscontrole |
| Parkeerhulp | Parkeersensoren voor/achter, achteruitkijkcamera, actieve parkeerhulp |
| Verlichting | Automatische verlichting, grootlichtregeling, mistlampen voor/achter, adaptieve verlichting (optioneel) |
| Klimaatregeling | Handmatig of automatisch, verwarmde ruiten en spiegels, extra verwarming |
| Audio en connectiviteit | Radio, CD, MP3, AUX, USB, Bluetooth, SYNC, navigatie (optioneel) |
| Bestuurdersassistentie | Snelheidsregeling, adaptieve cruise control, snelheidsbegrenzer, rijstrookassistent, dodehoekmonitor, verkeersbordherkenning, Active City Stop |
| Stuurwiel | Instelbaar in hoogte en diepte |
| Instrumentenpaneel | Meters, tripcomputer, informatiedisplay, waarschuwingslampen |
| Starten | Contactslot of sleutelloos starten (optioneel) |
| Onderhoud | Oliepeil, koelvloeistof, ruitensproeiervloeistof controleren; zekeringen, lampen, ruitenwisserbladen vervangen |
| Accessoires | Trekhaak, dakrek, kinderzitjes, bagagenetten, hondenrek |
| Gewicht (leeg) | Ca. 1200-1400 kg (afhankelijk van motor en uitvoering) |
Veelgestelde vragen - Focus - B8 (2012) FORD
Gebruikersvragen over Focus - B8 (2012) FORD
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Focus - B8 (2012) - FORD en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Focus - B8 (2012) van het merk FORD.
GEBRUIKSAANWIJZING Focus - B8 (2012) FORD
FORD FOCUS Instructieboekje

De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties, ontwerp en uitrusting op ieder moment zonder aankondiging of verplichting te wijzigen. Niets uit deze uitgave mag in enigerlei vorm en door enig middel gereproduceerd, verzonden of in een oproepsysteem opgeslagen of in een andere taal vertaald worden zonder onze schriftelijke toestemming. Fouten of omissies uitgesloten.
Alle rechten voorbehouden.
Onderdeelnummer: CG3568nl 06/2012 20120703102707
Inleiding
Over deze handleiding ....7
Overzicht van symbolen....7
Aanbeveling nieuwe onderdelen....9
In één oogopslag
In één oogopslag ....10
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
Kinderzitjes....17
Plaatsing van kinderzitjes....18
Stoelverhogers ....21
ISOFIX verankeringspunten....22
Kindersloten....23
Bescherming van inzittenden
Werking....25
Veiligheidsgordels vastmaken....27
Hoogte van veiligheidsgordels afstellen....27
Waarschuwingssignaal veiligheidsgordel......27
Gebruik van veiligheidsgordels tijdens zwangerschap....28
Passagiersairbag uitschakelen....28
Sleutels en afstandsbediening
Algemene informatie over radiofrequencies....30
Programmeren van de afstandsbediening....30
Batterij van afstandsbediening vervangen....30
Sloten
Vergrendelen en ontgrendelen....33
Sleutelloze toegang....35
Centrale vergrendeling....38
Portierrandbescherming
Werking....40
Portierrandbescherming vervangen.....40
Motorstartblokkering
Werking....41
Gecodeerde sleutels....41
Immobilisatiesysteem inschakelen......41
Immobilisatiesysteem uitschakelen......41
Alarm
Werking....42
Alarm inschakelen....43
Alarm uitschakelen....43
Stuurwiel
Stuurwiel afstellen....45
Ruitenwissers en ruiten- sproeiers
Voorruitwissers....47
Automatisch in- en uitschakelende ruitenwissers....47
Voorruitsproeiers....48
Achterruitwissers en -sproeiers......49
Koplampsproeiers....49
Ruitenwisserbladen controleren....50
Ruitenwisserbladen vervangen....50
Verlichting
Verlichtingsbediening....52
Automatisch in- en uitschakelende verlichting....53
Automatische grootlichtregeling......53
Voorste mistlampen....55
Mistachterlichten....55
Koplampen afstellen - Auto's met: Adaptieve verlichting, voor/Xenon koplampen....56
Koplamphoogte afstellen....56
Waarschuwingsknipperlichten....57
Richtingaanwijzers....57
Zijrichtingaanwijzers....57
Interieurverlichting....58
Een koplamp verwijderen....60
Gloeilampen vervangen....60
Gloeilampentabel....68
Ruiten en spiegels
Waarschuwings- en indicatielampen....78
Akoestische waarschuwingssignalen en -indicaties....81
Infodisplays
Algemene informatie......83
Tripcomputer....90
Persoonlijke instellingen....91
Infoberichten....91
Klimaatregeling
Werking....103
Ventilatieroosters....103
Handmatige klimaatregeling......104
Automatische klimaatregeling......106
Verwarmde ruiten en spiegels......109
Elektrisch zonnedak....109
Extra verwarming....112
Stoelen
De juiste zitpositie innemen....115
Handmatig verstelbare stoelen......115
Hoofdsteunen....116
Elektrisch verstelbare stoelen - Auto's met: 6-weg elektrisch verstelbare stoelen....118
Elektrisch verstelbare stoelen - Auto's met: 8-weg elektrisch verstelbare stoelen....119
Achterbank....120
Verwarmde stoelen....121
Gemaksfuncties
Dimmer instrumentenpaneelverlichting......123
Klok....123
Aansteker....123
Extra voedingsaansluitingen ....123
Bekerhouders....124
Glashouder....124
Kinder observatiespiegel....125
Aansluiting Auxiliary ingang....125
USB-poort....125
Houder satelliet-navigatie-unit......125
Vloermatten....125
Motor starten en stoppen
Algemene informatie....126
Contactslot....126
Stuurwielblokkering....126
Een benzinemotor starten....127
Een benzinemotor starten - Flex Fuel (FF, ethanol)....128
Een dieselmotor starten....128
Sleutelloos starten....129
Dieselroetfilter....131
Motor uitschakelen....132
Motorblokverwarming ....132
Start/stop knop
Werking....133
Start/stop knop gebruiken....133
Eco-modus
Werking....135
Eco-modus gebruiken....135
Brandstof en tanken
Veiligheidsmaatregelen....136
Brandstofkwaliteit - Benzine......136
Brandstofkwaliteit - Flex Fuel (FF, ethanol)....136
Brandstofkwaliteit - Diesel....137
Katalysator....137
Tankklep....138
Tanken....140
Brandstofverbruik....140
Technische specificatie....140
Versnel- lingsbak/transmissie
Handgeschakelde versnellingsbak......143
Automatische transmissie....143
Remmen
Werking....146
Tips voor rijden met ABS ....146
Parkeerrem....146
Stabiliteitsregeling
Werking....147
Gebruik maken van stabiliteitsregeling....148
Gebruik maken van stabiliteitsregeling - 2,0 l EcoBoost SCTi (MI4)....148
Regeling voor bergop rijden
Werking....149
Regeling voor bergop rijden gebruiken....149
Parkeerhulp
Werking....151
Parkeerhulp - Auto's met: Parkeerhulp achteruit....151
Parkeerhulp - Auto's met: Parkeerhulp voor en achter 152
Achteruitkijkcamera
Werking....155
Achteruitkijkcamera....155
Actieve parkeerhulp
Werking....158
Actieve parkeerhulp gebruiken .....158
Snelheidsregeling (Cruise Control)
Werking....161
Gebruik maken van snelheidsregeling....161
Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
Werking....163
Adaptieve cruise control gebruiken .....165
Functie voorgangerwaarschuwing (forward alert)......167
Snelheidsbegrenzer
Werking....169
Snelheidsbegrenzer gebruiken......169
Bestuurderswaarschuwing
Werking....171
Bestuurderswaarschuwing gebruiken....171
Waarschuwing rijden buiten baan
Werking....173
Waarschuwing rijden buiten baan gebruiken....174
Systeem hulp bij blijven rijden op rijstrook
Werking....176
Systeem hulp bij blijven rijden op rijstrook gebruiken....177
Verkeersbordherkenning
Werking....179
Verkeersbordherkenning gebruiken.....179
Active City Stop
Werking....181
Algemene informatie....183
Bagageverankeringspunten....183
Bagageafdekkingen....183
Bagagenetten....184
Hondenrek....185
Dakrekken en bagagedragers......187
Aanhangers trekken
Trekken van een aanhanger....190
Trekken van een aanhanger - 2,0 l EcoBoost SCTi (MI4)....190
Afneembare trekhaakkogel ....190
Trekhaak ....193
Tips voor het rijden
Inrijden....196
Voorzorgsmaatregelen voor koude weersomstandigheden....196
Door water rijden....196
Wat te doen bij pech
Eerstehulpset....197
Gevarendriehoek....197
Zekeringen
Plaatsen zekeringenhouders......198
Een zekering vervangen....199
Specificatie-overzicht zekeringen.....200
Bergen van de auto
Sleeppunten....208
Auto op vier wielen slepen....208
Onderhoud
Algemene informatie......210
De motorkap openen en sluiten......211
Overzicht motorruimte - 1,0 l EcoBoost......212
Overzicht motorruimte - 1,6 l Duratec-16V (Sigma)......213
Overzicht motorruimte - 1,6L EcoBoost SCTi (Sigma)......214
Overzicht motorruimte - 2,0 l EcoBoost SCTi (MI4)....215
Overzicht motorruimte - 2,0 l Duratec-HE (MI4)....217
Overzicht motorruimte - 1,6 l Duratorq-TDCi (DV) diesel ....218
Overzicht motorruimte - 2,0 l Duratorq-TDCi (DW) diesel .....219
Oliepeilstaaf - 1,0 l EcoBoost....220
Oliepeilstaaf - 1,6 l Duratec-16V (Sigma)....220
Oliepeilstaaf - 1,6L EcoBoost SCTi (Sigma)....221
Oliepeilstaaf - 2,0 l EcoBoost SCTi (MI4)....221
Oliepeilstaaf - 2,0 l Duratec-HE (MI4)....221
Oliepeilstaaf - 1,6 l Duratorq-TDCi (DV) diesel /2,0 l Duratorq-TDCi (DW) diesel ....221
Motorolie controleren....221
Motorkoelvloeistof controleren......222
Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem....223
Ruitensproeiervloeistof controleren.....223
Technische specificatie....224
Verzorging van de auto
Reinigen van buitenzijde auto....227
Reinigen van binnenzijde auto....228
Kleine lakschade repareren....229
Accu van de auto
Starten via starchulp....230
12 volt accu vervangen....231
Aansluitpunten van de accu ....231
Velgen en banden
Algemene informatie....232
Een wiel vervangen....232
Set tijdelijke mobiliteit....237
Verzorging van banden....241
Gebruik van winterbanden....242
Gebruik van sneeuwkettingen......242
Gebruik van sneeuwkettingen - 2,0 l EcoBoost SCTi (MI4)....242
Bandenspanningcontrolesysteem.....243
Technische specificatie....244
Voertuigidentificatie
Voertuigidentificatieplaatje......249
Chassisnummer....250
Inhouden en specificaties
Technische specificatie....251
Inleiding audio-installatie
Belangrijke audio-informatie......256
Overzicht audio-installatie
Overzicht audio-installatie....257
Beveiliging van uw audio- installatie
Beveiligingscode....265
Werking van de audio- installatie
Aan/uit toets....266
Volumeknop....266
Golfband toets....266
Station afstemtoetsen....266
Voorkeuzetoetsen....267
Autostore toets....267
Regeling functie verkeersinformatie.....267
Versneld vooruit/achteruit......271
Shuffle/random (door elkaar/willekeurig)....271
CD-nummers herhalen....271
CD-nummers scannen....272
MP3-bestand afspelen....272
MP3 weergave-opties....273
Afspelen CD beeindigen....273
Ingangsaansluiting (AUX IN)
Ingangsaansluiting (AUX IN)......274
Storingen verhelpen audio- installatie
Storingen verhelpen audio-installatie....275
Telefoon
Algemene informatie......276
Setup Bluetooth....276
Setup telefoon....277
Bedieningselementen telefoon......278
Gebruik maken van de telefoon .....278
Spraaksturing
Werking....281
Spraakgestuurd regelsysteem gebruiken....281
Extern apparaat aansluiten......299
Extern apparaat aansluiten - Auto's met: Bluetooth....300
USB-apparaat gebruiken ....300
iPod gebruiken ....301
Introductie navigatie
Algemene informatie....304
Rijveiligheid ....304
Overzicht navigatie-unit
Overzicht navigatie-eenheid....306
Navigatiedata laden....310
Introductie navigatie
Introductie navigatie ....311
Systeeminstellingen
Systeeminstellingen ....314
Navigatiesysteem
Menu route-opties ....317
TMC gebruiken ....320
Kaartupdates
Kaartupdates ....321
SYNC
Algemene informatie....322
Spraakherkenning gebruiken......324
SYNC gebruiken met telefoon....327
Toepassingen en diensten SYNC®......339
SYNC® gebruiken met Media Player....342
Storingsdiagnose SYNC®....347
Bijlagen
Typegoedkeuringen....355
Typegoedkeuringen....355
Typegoedkeuringen....355
Typegoedkeuringen....356
Typegoedkeuringen....356
Typegoedkeuringen....357
Typegoedkeuringen....357
Typegoedkeuringen....357
Elektromagnetische compatibiliteit.....357
Licentieovereenkomst eindgebruiker....359
OVER DEZE HANDLEIDING
Hartelijk dank voor het kiezen van een Ford. We adviseren u, enige tijd te nemen om met uw auto kennis te maken door deze handleiding te lezen. Hoe meer u van uw auto afweet, des te beter kunt u ermee omgaan en dat komt de veiligheid en het rijplezier ten goede.
WAARSCHUWING

Rijd altijd voorzichtig en oplettend wanneer u de bedieningselementen en functies van uw auto bedient.
N.B.: Deze handleiding beschrijft productkenmerken en opties die voor het programma leverbaar zijn, soms nog voordat deze algemeen verkrijgbaar zijn. Soms worden opties beschreven waarmee uw auto niet is uitgerust.
N.B.: Sommige van de afbeeldingen in deze handleiding worden voor verschillende modellen gebruikt, waardoor ze er anders kunnen uitzien dan in uw auto. De essentiële informatie in de afbeeldingen is echter altijd correct.
N.B.: Gebruik uw auto altijd volgens de geldende regels en voorschriften.
N.B.: Deze handleiding dient bij de auto te blijven wanneer deze wordt verkocht. Het vormt een integraal onderdeel van de auto.
Bescherming van het milieu
Ook u speelt een rol bij de bescherming van het milieu. Correct gebruik van auto's en geautoriseerde afvoer en verwerking van afval, reinigingsmiddelen en smeermiddelen zijn belangrijke stappen om dit doel te bereiken.
OVERZICHT VAN SYMBOLEN
Dit zijn enkele symbolen die u in uw auto kunt aantreffen.

Veiligheidswaarschuwing

Handleiding raadplegen

Anti-blokkeerremsysteem

Roken, vlammen en vonken vermijden

Accu

Accuzuur

Remvloeistof - niet op petroleumbasis

Remsysteem

Interieurfilter

Brandstofvuldop controleren

Kinderslot ver-/ontgrendelen

Onderste verankering kinderzitje

Bovenste verankering kinderzitje

Snelheidsregeling

Niet openen indien heet
Inleiding

Motorluchtfilter

Koelvloeistof

Koelvloeistoftemperatuur

Motorolie

Explosief gas

Ventilatorwaarschuwing

Veiligheidsgordel vastmaken

Frontairbag

Mistlampen voor

Brandstofpomp resetten

Zekeringenbox

Waarschuwingsknipperlichten

Bagageruimteontgrendeling

Boordkrik

Verlichtingsschakelaar

Waarschuwing lage bandenspanning

Correct vloeistofpeil aanhouden

Paniekalarm

Parkeerhulpsysteem

Parkeerrem

Stuurbekrachtigingsvloeistof

Elektrisch bediende ruiten voor/achter

Blokkering elektrisch bediende ruit

Onderhoud motor vereist

Zijairbag

Stabiliteitsregeling

Voorruitwisser en -sproeier
AANBEVELING NIEUWE ONDERDELEN
Uw auto is volgens de hoogste normen gebouwd met gebruik van hoogwaardige onderdelen. We raden het gebruik van originele Ford en Motorcraft onderdelen aan wanneer er gepland onderhoud of reparaties aan uw auto moeten worden uitgevoerd. U kunt originele Ford en Motorcraft onderdelen duidelijk herkennen aan de Ford, FoMoCo of Motorcraft logo's of markeringen op de onderdelen of hun verpakking.
Gepland onderhoud en mechanische reparaties
Een van de beste manieren om er zeker van te zijn dat uw auto jarenlang meegaat, is het uitvoeren van ondehoud in lijn met onze aanbevelingen en het gebruik van onderdelen conform de specificaties in deze Handleiding. Originele Ford en Motorcraft onderdelen voldoen of overtreffen deze specificaties.
Schadeherstel
We hopen dat u nooit bij een aanrijding betrokken raakt, maar ongelukken gebeuren nou eenmaal. Originele Ford vervangingsonderdelen voldoen aan onze strikte eisen voor montage, afwerking, structurele integriteit, corrosiebescherming en deukweerstand. Tijdens de ontwikkeling van de auto valideren we of deze onderdelen het gewenste beschermingsniveau leveren als een geheel systeem. Een goede manier om zeker te weten dat u dit beschermingsniveau geniet is het gebruik van originele Ford vervanginngsonderdelen.
Garantie op vervangings- onderdelen
Originele Ford en Motorcraft vervangingsonderdelen zijn de enige vervangingsonderdelen met het voordeel van Ford Garantie. Schade aan uw auto die veroorzaakt wordt door andere onderdelen dan die van Ford, wordt mogelijk niet gedekt door Ford Garantie. Zie de voorwaarden en bepalingen van Ford Garantie voor meer informatie.
In één oogopslag
Overzicht voorzijde exterieur

A Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 33). Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 35).
B Zie Automatische grootlichtregeling (bladzijde 53). Zie Bestuurderswaarschuwing (bladzijde 171). Zie Waarschuwing rijden buiten baan (bladzijde 173). Zie Systeem hulp bij blijven rijden op rijstrook (bladzijde 176). Zie Verkeersbordherkenning (bladzijde 179). Zie Active City Stop (bladzijde 181).
Zie Ruitenwisserbladen vervangen (bladzijde 50).C
In één oogopslag
Zie Onderhoud (bladzijde 210).D
Zie Sleeppunten (bladzijde 208).E
Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 60).F
G Bandenspanning. Zie Technische specificatie (bladzijde 244).
Zie Een wiel vervangen (bladzijde 232).H
Overzicht interieur

Zie Versnellingsbak/transmissie (bladzijde 143).A
Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 33).B
C Zie Elektrisch bedienbare ruiten (bladzijde 69). Zie Elektrisch verstelbare buitenspiegels (bladzijde 71).
Zie Hoofdsteunen (bladzijde 116).D
Zie Veiligheidsgordels vastmaken (bladzijde 27).E
Zie Achterbank (bladzijde 120).F
G Zie Handmatig verstelbare stoelen (bladzijde 115). Zie Elektrisch verstelbare stoelen (bladzijde 118).
Zie Parkeerrem (bladzijde 146).H
Zie De motorkap openen en sluiten (bladzijde 211).I
Overzicht instrumentenpaneel
Stuur links

A Luchtroosters. Zie Ventilatieroosters (bladzijde 103).
B Richtingaanwijzers. Zie Richtingaanwijzers (bladzijde 57). Grootlicht. Zie Verlichtingsbediening (bladzijde 52).
C Auto's met stuur links en spraakbesturing - Bediening informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 83).
C Auto's met stuur links zonder spraakbesturing - Bediening informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 83).
C Auto's met stuur rechts en spraakbesturing - Bediening informatie- en entertainment-display.
C Auto's met stuur rechts zonder spraakbesturing - Bediening informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 83).
D Instrumentengroep. Zie Meters (bladzijde 76). Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 78).
In één oogopslag
E Auto's met links en spraakbesturing - Bediening informatie- en entertainment-display.
E Auto's met stuur links zonder spraakbesturing - Bediening audiosysteem. Zie Audiobediening (bladzijde 45).
E Auto's met stuur rechts met spraakbesturing - Bediening informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 83).
E Auto's met stuur rechts zonder spraakbesturing - Bediening audiosysteem. Zie Audiobediening (bladzijde 45).
F Ruitenwisserschakelaar. Zie Ruitenwissers en ruitensproeiers (bladzijde 47).
Informatie- en entertainmentdisplay.G
H Audiosysteem. Zie Overzicht audio-installatie (bladzijde 257).
Portiervergrendelingsknop. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 33).
J Schakelaar waarschuwingsknipperlichten. Zie Waarschuwingsknipperlichten (bladzijde 57).
K Schakelaar stabiliteitsregeling. Zie Gebruik maken van stabiliteitsregeling (bladzijde 148).
L Schakelaar parkeerhulp. Zie Parkeerhulp (bladzijde 151).
M Schakelaar actieve parkeerhulp. Zie Actieve parkeerhulp (bladzijde 158).
N Start/stop-schakelaar. Zie Start/stop knop gebruiken (bladzijde 133).
O Schakelaar achterruitverwarming. Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 109).
P Schakelaar voorruitverwarming. Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 109).
Q Bedieningselementen klimaatregeling. Zie Klimaatregeling (bladzijde 103).
R Startknop. Zie Sleutelloos starten (bladzijde 129). Contactslot. Zie Contactslot (bladzijde 126).S
T Bediening audiosysteem. Zie Audiobediening (bladzijde 45). Spraakbesturing. Zie Spraaksturing (bladzijde 46). Bediening telefoon. Zie Bedieningselementen telefoon (bladzijde 278).
U Stuurwielverstelling. Zie Stuurwiel afstellen (bladzijde 45). Claxon.V
In één oogopslag
W Schakelaars snelheidsregeling (cruise control). Zie Gebruik maken van snelheidsregeling (bladzijde 161). Schakelaars adaptieve snelheidsregeling (ACC). Zie Adaptieve cruise control gebruiken (bladzijde 165). Schakelaars snelheidsbegrenzer. Zie Snelheidsbegrenzer gebruiken (bladzijde 169).
X Bediening verlichting. Zie Verlichtingsbediening (bladzijde 52). Mistlampen, vóór. Zie Voorste mistlampen (bladzijde 55). Mistachterlicht. Zie Mistachterlichten (bladzijde 55). Bediening koplampafstelling. Zie Koplamphoogte afstellen (bladzijde 56). Regelknop instrumentenverlichting. Zie Dimmer instrumentenpaneelverlichting (bladzijde 123).
Overzicht achterzijde exterieur

In één oogopslag
Zie Ruitenwisserbladen vervangen (bladzijde 50).A
Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 60).B
Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 60).C
Zie Tankklep (bladzijde 138).D
Zie Een wiel vervangen (bladzijde 232).E
F Bandenspanning. Zie Technische specificatie (bladzijde 244).
Zie Sleeppunten (bladzijde 208).G
H Zie Eerstehulpset (bladzijde 197). Zie Gevarendriehoek (bladzijde 197). Zie Set tijdelijke mobiliteit (bladzijde 237). Reservewiel. Zie Een wiel vervangen (bladzijde 232). Boordkrik. Zie Een wiel vervangen (bladzijde 232).
Wielmoersleutel. Zie Een wiel vervangen (bladzijde 232). Sleepoog. Zie Sleepunten (bladzijde 208). Brandstoftrechter. Zie Tankklep (bladzijde 138).
KINDERZITJES

WAARSCHUWINGEN
Laat kinderen met een lengte van minder dan 150 centimeter plaatsnemen in een geschikt goedgekeurd kinderzitje dat op de achterbank is bevestigd.
Bijzonder gevaarlijk! Plaats geen kinderveiligheidszitje achterwaarts op een stoel waarvóór zich een airbag bevindt!
Lees de instructies van de fabrikant en volg deze op wanneer u een kinderzitje aanbrengt.
Verander op geen enkele wijze het kinderzitje.
Neem tijdens het rijden geen kinderen op schoot.
WAARSCHUWINGEN
Laat kinderen niet zonder toezicht in uw auto achter.
Wanneer uw auto bij een aanrijding betrokken is geweest, dient u het kinderzitje door een hiertoe opgeleide monteur te laten controleren.
N.B.: De wettelijke voorschriften t.a.v. het gebruik van kinderzitjes zijn per land verschillend.
Alleen kinderzitjes die volgens ECE-R44.03 (of later) gecertificeerd zijn, zijn getest en goedgekeurd voor gebruik in uw auto. Een aantal zijn leverbaar via uw dealer.
Kinderzitjes voor verschillende gewichtsgroepen
Gebruik het correcte kinderzitje als volgt:
Babyzitje

Plaats kinderen met een lichaamsgewicht van minder dan 13 kilogram in een achterwaarts gericht babyzitje (Groep 0+) dat op de achterbank is bevestigd.
Kinderveiligheidszitje

Vervoer kinderen met een lichaamsgewicht van 13 tot 18 kilogram in een kinderveiligheidszitje (Groep 1), dat op de achterbank is bevestigd.
PLAATSING VAN KINDERZITJES
WAARSCHUWINGEN

Neem contact op met uw dealer voor de laatste informatie betreffende door Ford aanbevolen kinderzitjes.
WAARSCHUWINGEN
Bijzonder gevaarlijk! Plaats geen kinderveiligheidszitje achterwaarts op een stoel waarvóór zich een airbag bevindt!
Wanneer een kinderzitje met steunpoot wordt gebruikt, dan moet de steunpoot stevig op de vloer rusten.
Wanneer een kinderzitje met een gordel wordt gebruikt, dan mag de gordel niet slap hangt of is gedraaid.
LET OP
Het kinderzitje moet stevig tegen de stoel aan rusten. De hoofdsteun moet wellicht worden opgetild of verwijderd. Zie Hoofdsteunen (bladzijde 116).
N.B.: Bij gebruik van een kinderzitje op de voorstoel, dient u de voorste passagiersstoel altijd zo ver mogelijk naar achteren te verschuiven. Als het heupgedeelte van de veiligheidsgordel moeilijk vast te zetten is zonder dat er speling overblijft, zet de rugleuning dan recht omhoog en zet de stoel in een hogere stand. Zie Stoelen (bladzijde 115).
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
| Plaats 3210+0 | Gewichtsgroepen | ||||
| 22 - 36 kg15 - 25 k | |||||
| Voorstoel aan passagierszijde, met airbag AAN | UF1UF1UF1XX | ||||
| Voorstoel aan passagierszijde, met airbag UIT | UUUUU | ||||
| UUUUUAchte | |||||
X Niet geschikt voor kinderen in deze gewichtsgroep.
U Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep.
UF1 Geschikt voor universele, voorwaarts gekeerde kinderzitjes, die zijn goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsgroep. Wij raden u echter aan een door de overheid goedgekeurd kinderzitje te gebruiken dat op de achterbank wordt geplaatst.
ISOFIX-kinderzitjes
| Plaats | Gewichtsgroepen | ||
| 0+ | 1 | ||
| Naar achteren gericht | Naar voren gericht | ||
| Tot 13 kg | 9 - 18 kg | ||
| Voorstoel | Maatklasse | Niet uitgerust met ISOFIX | |
| Stoeltype | |||
| Achterste zitplaats opzij, ISOFIX | Maatklasse | C, D, E 1 | A, B, B1, C, D 1 |
| Stoeltype | IL 2 | IL, IUF 3 | |
| MaatklasseMiddelste achterstoelNiet uitgerust met ISOFIX | |||
| Stoeltype | |||
IL Geschikt voor bepaalde ISOFIX kinderzitjes van de categorie semi-universeel. Raadpleeg de voertuigaanbevelingslijst van de fabrikant van de kinderzitjes.
IUF Geschikt voor ISOFIX naar voren gerichte kinderzitjes van de categorie universeel goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsgroep en ISOFIX maatklasse.
*De ISOFIX maatklasse voor universele en semi-universele kinderzitjes is gedefinieerd door de hoofdletters A t/m G. Deze letters staan vermeld op ISOFIX kinderzitjes.
**Ten tijde van publicatie is de aanbevolen groep O+ ISOFIX kinderzitjes de Britax Roemer Baby Safe. Neem contact op met uw dealer voor de laatste informatie betreffende door Ford aanbevolen kinderzitjes.
***Ten tijde van publicatie is de aanbevolen groep 1 ISOFIX kinderzitjes de Britax Roemer Duo. Neem contact op met uw dealer voor de laatste informatie betreffende door Ford aanbevolen kinderzitjes.
STOELVERHOGERS
WAARSCHUWINGEN

Bevestig een kinderzitje of een zitverhoger nooit alleen met de heupgordel.

Bevestig een kinderzitje of een zitverhoger niet met een veiligheidsgordel die niet gespannen gedraaid zit.

Leg de schoudergordel niet onder de arm of achter de rug van het kind langs.

Gebruik geen kussens, boeken of handdoeken om het kind hoger te laten zitten.

Zorg ervoor dat uw kinderen rechtop zitten.

Laat kinderen met een lichaamsgewicht van meer dan 15 kilogram, maar met een lengte van minder dan 150 centimeter in een kinderzitje of op een zitverhoger plaatsnemen.
LET OP

Wanneer u een kinderzitje op de achterbank gebruikt, zorg dan dat het kinderzitje stevig tegen de stoel rust.
De hoofdsteun moet wellicht worden opgetild of verwijderd. Zie Hoofdsteunen (bladzijde 116).
Kinderzitje (Groep 2)

Wij raden het gebruik van een kinderzitje aan, dat uit een zitverhoger met een rugleuning bestaat in plaats van alleen een zitverhoger. De hogere zitpositie zorgt ervoor dat de standaard veiligheidsgordel correct over het midden van de schouder van het kind en de heupgordel over de heupen komt te liggen.
Zitverhoger (Groep 3)

Gebruik bij toepassing van het ISOFIX systeem een voorziening dat voorkomt dat de veiligheidsgordel kan draaien. Wij raden het gebruik van een veiligheidsgordel aan de bovenzijde of met een voet aan.
N.B.: Wanneer u een ISOFIX kinderzitje aanschaft, let er dan op dat dit geschikt is voor de gewichtsgroep van uw kind en dat de ISOFIX maatklasse geschikt is voor de plaats waar het zitje wordt aangebracht. Zie Plaatsing van kinderzitjes (bladzijde 18).
Uw wagen is uitgerust met ISOFIX verankeringspunten die geschikt zijn voor het gebruik van goedgekeurde ISOFIX kinderzitjes.
Het ISOFIX systeem bestaat uit twee stevige bevestigingsarmen aan het kinderzitje, die op de verankeringspunten op de achterbank tussen de rugleuning en de zitting worden bevestigd. Ook kunnen kinderzitjes met een veiligheidsgordel aan de bovenzijde worden aangebracht.
Verankeringspunten aan de bovenzijde - 5-deurs en stationwagon

Verankeringspunten aan de bovenzijde - 4-deurs

De verankeringspunten aan de bovenzijde bevinden zich onder een klep.
Kinderzitje met een veiligheidsriem aan de bovenzijde bevestigen
WAARSCHUWING

Bevestig de veiligheidsgordel aan de bovenzijde aan geen ander punt dan aan het verankeringspunt dat por is bestemd.
N.B.: Verwijder zo nodig het bagageafdekpaneel om de montage te vergemakkelijken. Zie Bagageafdekkingen (bladzijde 183).
WAARSCHUWING

Zorg ervoor dat de gordel aan de bovenzijde niet doorhangt of gedraaid is en goed op het keringspunt is bevestigd.
- Geleid de gordel naar het verankeringspunt.

E87145
- Druk het kinderzitje stevig naar achteren zodat de onderste ISOFIX verankeringspunten goed aangrijpen.
- Bevestig de veiligheidsgordel volgens de instructies van de fabrikant van het kinderzitje.
KINDERSLOTEN
WAARSCHUWING

Wanneer de kindersloten in werking zijn gesteld, kunnen de portieren niet van binnenuit worden geopend.
Handmatig bediende kindersloten
N.B.: Gebruik bij auto's met sleutelloze toegang de reservesleutel. Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 35).

N.B.: Door op de schakelaar te drukken worden tevens de schakelaars voor de elektrisch bediende achterruit gedeactiveerd.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen

Wijzig de voorzijde van de auto op geen enkele wijze. Dit zou nadelige gevolgen voor het ontvouwen van de airbags kunnen hebben.
Bijzonder gevaarlijk! Plaats nooit een kinderzitje achterwaarts op een stoel waarvóór zich een airbag bevindt!
Draag een veiligheidsgordel en houd voldoende afstand tussen uzelf en het stuurwiel. Alleen wanneer de veiligheidsgordel correct wordt gedragen, kan deze u in een zodanige positie houden dat de airbag optimaal kan functioneren. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 115).
Laat reparaties aan het stuurwiel, de
stuurkolom, stoelen, airbags en
veiligheidsgordel uitvoeren door een
goed opgeleide monteur.
Houd de gebieden voor de airbags vrij. Breng niets aan op of over de panelen van de airbags.
Steek geen scherpe voorwerpen in gebieden waar airbags zijn gemonteerd. Hierdoor zou de airbags kunnen beschadigen en nadelige gevolgen kunnen hebben voor het ontvouwen.
Gebruik stoelhoezen die zijn ontworpen voor stoelen met zij-airbags. Laat deze aanbrengen door een goed opgeleide monteur.
N.B.: Het opblazen van een airbag gaat gepaard met een luide knal en u ziet een onschadelijke, poederachtige stofwolk. Dit is normaal.
N.B.: Reinig de panelen van de airbags met een vochtige doek.
Voorairbags

E74302
De frontairbags en de voorste gordelspanners treden in werking bij zware frontale aanrijdingen of bij aanrijdingen binnen een hoek van maximaal 30 graden van links of van rechts. De airbags worden in enkele milliseconden opgeblazen en stromen weer leeg zodra zij in contact komen met de lichamen van de inzittenden, waardoor de voorwaartse beweging wordt opgevangen. Bij lichte aanrijdingen, het over de kop slaan van de auto of bij aanrijdingen van opzij of van achteren worden de frontairbags niet geactiveerd.
Zij- en gordijnairbag
Bij aanzienlijke aanrijdingen van opzij treden alleen de airbags aan de betreffende zijde en de voorste gordelspanners in werking. De airbags worden in enkele milliseconden opgeblazen en stromen weer leeg zodra zij in contact komen met de lichamen van de inzittenden, waardoor zij bescherming bieden aan het lichaam. De zijairbags en gordijnairbags worden niet geactiveerd bij lichte aanrijdingen van opzij, aanrijdingen van voren of van achteren, of het over de kop slaan van de auto.
Zijairbags

E72658
De zijairbags bevinden zich in de zijkant van de rugleuningen van de voorstoelen. Een label op de rugleuning geeft aan dat uw auto is uitgerust met zijairbags.
Side curtains

Achter de bekledingspanelen boven de voorste en achterste zijruiten zijn side curtains aangebracht. Opschriften in reliëf op de B-stijlen geven aan dat de auto is uitgerust met side curtains.
Veiligheidsgordels
WAARSCHUWINGEN
Draag een veiligheidsgordel en houd voldoende afstand tussen uzelf en het stuurwiel. Alleen wanneer u de veiligheidsgordel op de juiste wijze draagt, kan deze u op uw plaats houden en zijn maximale bescherming bieden. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 115).
Gebruik een veiligheidsgordel nooit voor meer dan een persoon.
Gebruik voor iedere stoel het juiste gordelslot.
Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel niet slap of gedraaid zit.
Draag geen dikke kleding. De veiligheidsgordels bieden optimaal bescherming wanneer ze nauwsluitend worden gedragen.
Leg de schoudergordel over het midden van de schouder en leg de heupgordel strak over uw heupen.
De veiligheidsgordelsystemen van de bestuurdersstoel en de passagiersstoel zijn uitgerust met een gordelspanner. De gordelspanners hebben een lagere activeringsdrempel dan de airbags. Bij lichte aanrijdingen is het mogelijk dat alleen de gordelspanners worden geactiveerd.
Status na aanrijding
WAARSCHUWINGEN
Veiligheidsgordels die zijn belast ten gevolge van een aanrijding moeten worden vervangen en de verankeringen worden gecontroleerd. Deze werkzaamheden moeten door een correct hiertoe opgeleide monteur worden uitgevoerd.
WAARSCHUWINGEN

Als een gordelspanner is geactiveerd, dan moet de veiligheidsgordel worden vervangen.
VEILIGHEIDSGORDELS VASTMAKEN
WAARSCHUWING

Steek de slottong in het gordelslot tot een zachte klik hoorbaar is.
Wanneer de veiligheidsgordel niet correct is bevestigd, hoort u geen klik.

Trek de veiligheidsgordel gelijkmatig uit. De veiligheidsgordel kan blokkeren wanneer deze te snel wordt uitgetrokken of wanneer de wagen op een helling staat.
Druk op de rode knop om de veiligheidsgordel te ontgrendelen. Laat hem volledig en geheel oprollen.
HOOGTE VAN VEILIGHEIDSGORDELS AFSTELLEN

N.B.: Door het stelmechanisme iets in te drukken terwijl u de knop indrukt komt het verstelmechanisme makkelijker los.
Druk voor het hoger of lager stellen de vergrendelknop op het verstelmechanisme in en beweeg deze zonodig.
Het veiligheidssysteem voor inzittenden biedt alleen optimale veiligheid wanneer u de heidsgordel correct gebruikt.

De waarschuwingslamp van het herinneringssysteem gaat branden en er klinkt een
akoestisch signaal wanneer de veiligheidsgordel van de voorstoel aan bestuurders- of passagierszijde niet is omgedaan en de auto sneller rijdt dan een relatief lage snelheid. De lamp gaat tevens branden wanneer de veiligheidsgordel van de voorstoel aan bestuurders- of passagierszijde niet is omgedaan als met de auto wordt gereden. Het akoestisch signaal wordt na enkele minuten uitgeschakeld, maar de lamp van het herinneringssysteem blijft branden tot de veiligheidsgordel van de voorstoel aan bestuurders- of passagierszijde is omgedaan.
Herinneringssysteem veiligheidsgordel achter
WAARSCHUWING

Als meerdere gordels binnen enkele seconden na elkaar worden losgemaakt, is slechts één stisch signaal hoorbaar.
N.B.: Druk op de OK knop van de bedieningselementen op het stuur om het bericht te bevestigen.
Er wordt een visuele herinnering van de gordelstatus weergegeven op de display van het instrumentepaneel nadat de motor is gestart en nogmaals wanneer een gordel wordt losgemaakt tijdens het rijden.
Vastgemaakte gordels worden aangegeven door een afvinksymbool.
Als een gordel wordt losgemaakt tijdens het rijden, dan wordt het scherm voor de gordelstatus weergegeven en worden de betreffende stoelen gemarkeerd met een uitroepteken. Er is tevens een akoestisch signaal hoorbaar.
Herinneringssysteem uitschakelen
Neem contact op met uw Ford dealer.
GEBRUIK VAN VEILIGHEIDSGORDELS TIJDENS ZWANGERSCHAP

Breng de veiligheidsgordel voor uw eigen veiligheid, maar ook voor dat van uw ongeboren kind op correcte wijze aan. Draag niet alleen de heupgordel of de schoudergordel.
De heupgordel moet comfortabel over de heupen liggen aan de onderzijde van uw zwangere buik. Leg de schoudergordel tussen uw borsten, boven en aan de zijkant van uw zwangere buik.
PASSAGIERSAIRBAG UITSCHAKELEN
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat de airbag aan passagierszijde is uitgeschakeld wanneer u een kinderzitje achterwaarts op de passagiersstoel voorin plaatst.
E71313

Schakelaar voor airbag aan passagierszijde monteren
WAARSCHUWING
Wanneer u een kinderzitje op een stoel moet plaatsen, waarvoor zich een operationele airbag bevindt, laat dan een schakelaar monteren waarmee de airbag aan passagierszijde kan worden uitgeschakeld. Raadpleeg uw dealer voor meer informatie.
N.B.: De sleutelschakelaar wordt in het handschoenenkastje gemonteerd en in de dakconsole wordt een controlelamp aangebracht.
Wanneer de controlelamp van de airbag tijdens het rijden gaat branden of knipperen, duidt dit op een storing. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 78). Verwijder het kinderzitje en laat het systeem onmiddellijk controleren.
Airbag aan passagierszijde uitschakelen
E71312

UitgeschakeldA IngeschakeldB
Zet de schakelaar in stand A.
Controleer bij het aanzetten van het contact, of de controlelamp airbag aan passagierszijde uitgeschakeld gaat branden.
Airbag aan passagierszijde inschakelen
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat de airbag aan de passagierszijde is ingeschakeld wanneer zich geen kinderzitje op de passagiersstoel voorin bevindt.
Zet de schakelaar in stand B.
ALGEMENE INFORMATIE OVER RADIOFREQUENTIES
LET OP
De radiofrequentie van de afstandsbediening kan ook worden gebruikt door andere zenders met een klein bereik (bijvoorbeeld zendamateurs, medische apparatuur, draadloze hoofdtelefoons, afstandsbedieningen en alarmsystemen). Wanneer de frequenties worden gestoord, kunt u geen gebruik meer maken van uw afstandsbediening. De portieren kunt u met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen.
! Controleer of uw auto vergrendeld is voordat u deze onbeheerd achterlaat. Hierdoor worden eventuele frequentieblokkeringen voorkomen.
N.B.: U kunt de portieren ontgrendelen wanneer u de toetsen op de afstandsbediening per ongeluk indrukt.
Het bereik tussen uw afstandsbediening en uw auto is afhankelijk van de omgeving.
PROGRAMMEREN VAN DE AFSTANDSBEDIENING
U kunt maximaal acht afstandsbedieningen voor uw auto programmeren (inclusief die met uw auto werd meegeleverd).
Een nieuwe afstandsbediening programmeren
- Steek de sleutel in het contactslot.
-
Draai de sleutel van stand 0 naar II en vervolgens terug naar 0. Doe dit vier keer binnen zes seconden.
-
Houd de sleutel in stand 0 en druk binnen 10 seconden op een willekeurige toets van de afstandsbediening. Via een signaal of LED ontvangt u bevestiging dat het programmeren is voltooid.
N.B.: Tijdens deze fase kunnen meerdere afstandsbedieningen worden geprogrammeerd.
4. Druk binnen 10 seconden op een willekeurige toets van iedere extra afstandsbediening.
Ontgrendelfunctie opnieuw programmeren
N.B.: Wanneer u de ontgrendeltoets op de afstandsbediening indrukt, worden alle portieren ontgrendeld of wordt alleen het bestuurdersportier ontgrendeld. Door opnieuw op de ontgrendeltoets te drukken worden alle portieren ontgrendeld.
Houd de ontgrendel- en vergrendeltoets op de afstandsbediening minimaal vier seconden tegelijkertijd ingedrukt bij uitgeschakeld contact. De richtingaanwijzers knipperen tweemaal om de wijziging te bevestigen.
Herhaal de procedure om de oorspronkelijke ontgrendelfunctie in te schakelen.
BATTERIJ VAN AFSTANDSBEDIENING VERVANGEN

Zorg dat u oude batterijen op milieuvriendelijke wijze weggooit. Zoek advies m.b.t. de plaatselijke
regels m.b.t. recycling.
Afstandsbediening met inklapbaar sleutelblad

- Plaats een schroevendraaier op de afgebeelde positie en druk de klem voorzichtig in.
- Druk de klem naar beneden om het batterijkapje te ontgrendelen.

- Verwijder voorzichtig de kapje.

- Draai de afstandsbediening om om de batterij te verwijderen.
- Breng een nieuwe batterij (3V CR 2032) aan met de + naar boven gekeerd.
- Vervang het batterijkapje.
Afstandsbediening zonder inklapbaar sleutelblad

-
Houd de drukknoppen in de randen ingedrukt om de afdekking te ontgrendelen. Verwijder voorzichtig de kapje.
-
Verwijder de sleutelbaard.
Sleutels en afstandsbediening

- Draai de platte schroevendraaier in de afgebeelde richting om de twee huishelften van de afstandsbediening van elkaar te scheiden.

- Steek de schroevendraaier voorzichtig in de afgebeelde positie om de afstandsbediening te openen.

Raak de batterijcontacten of de printplaat niet met de schroevendraaier aan.
- Maak de batterij voorzichtig met de schroevendraaier los.
- Breng een nieuwe batterij (3V CR 2032) aan met de + naar beneden gekeerd.
- Zet de twee huishelften van de afstandsbediening op elkaar vast.
- Breng het sleutelblad aan.
VERGRENDELEN EN ONTGRENDELEN
LET OP

Controleer of uw auto vergrendeld is voordat u deze onbeheerd achterlaat.
N.B.: Laat uw sleutels niet in de auto liggen.
Vergrendelen
Met sleutel vergrendelen
Draai de bovenzijde van de sleutel in de richting van de voorzijde van de auto.
Met afstandsbediening vergrendelen
N.B.: Het bestuurdersportier kan met de sleutel worden vergrendeld. Hiervan moet gebruik worden gemaakt wanneer de afstandsbediening niet werkt.
N.B.: De auto kan worden vergrendeld met een geopend achterportier. Het portier wordt vergrendeld als deze wordt gesloten.

Druk de toets.
Dubbel vergrendelen
WAARSCHUWING

Schakel de dubbele vergrendeling niet in wanneer zich personen of dieren in de wagen bevinden. De portieren kunnen niet van binnenuit worden ontgrendeld indien de dubbele vergrendeling is ingeschakeld.
N.B.: Als u de auto dubbel vergrendelt vanaf de binnenzijde, schakel dan het contact in om de portieren in de stand voor enkele vergrendeling te zetten.
N.B.: De auto kan dubbel worden vergrendeld met een geopend achterportier. Het portier wordt dubbel vergrendeld als deze wordt gesloten.
Dubbele vergrendeling is een voorziening tegen diefstal die voorkomt dat personen de portieren van binnenuit kunnen ontgrendelen.
Met sleutel dubbel vergrendelen
Draai de sleutel tweemaal binnen drie seconden in de vergrendelstand.
Met afstandsbediening dubbel vergrendelen

Druk de toets tweemaal binnen drie seconden in.
Ontgrendelen
Met sleutel ontgrendelen
Draai de bovenzijde van de sleutel in de richting van de achterzijde van de auto.
Met afstandsbediening ontgrendelen
N.B.: Het bestuurdersportier kan met de sleutel worden ontgrendeld. Hiervan moet gebruik worden gemaakt wanneer de afstandsbediening niet werkt.
N.B.: Als de auto meerdere weken vergrendeld blijft, wordt de afstandsbediening uitgeschakeld. De auto moet met de sleutel ontgrendeld en de motor met de sleutel gestart worden. Door de auto op deze manier te ontgrendelen en te starten, wordt de afstandsbediening weer ingeschakeld.

Druk de toets.
Automatisch opnieuw vergrendelen
Wanneer u niet binnen 45 seconden na het ontgrendelen met de afstandsbediening een portier, de achterklep of het koffersdeksel opent, of het contact inschakelt, dan worden de portieren automatisch opnieuw vergrendeld. De portieren worden vergrendeld en het alarm wordt in de voorgaande status geschakeld.
Ontgrendelfunctie opnieuw programmeren
De ontgrendelfunctie kan zodanig worden geprogrammeerd dat alleen het bestuurdersportier wordt ontgrendeld (Zie Programmeren van de afstandsbediening (bladzijde 30).).
Bevestiging van vergrendelen en ontgrendelen
N.B.: Als uw auto dubbele vergrendeling heeft, knipperen de richtingaanwijzers eenmaal nadat u de centrale vergrendeling heeft geactiveerd, gevolgd door nog tweemaal knipperen na dubbel vergrendelen.
Wanneer u de portieren vergrendelt, knipperen de richtingaanwijzers eenmaal.
Wanneer u de portieren dubbel vergrendelt, knipperen de richtingaanwijzers driemaal.
Wanneer u de portieren ontgrendelt, knipperen de richtingaanwijzers eenmaal.
De portieren van binnenuit vergrendelen en ontgrendelen

Druk de toets. Voor locatie: Zie In één oogopslag (bladzijde 10).
Kofferdeksel/achterklep
Achterklep openen met de afstandsbediening

Druk de toets tweemaal binnen drie seconden in.
Kofferdeksel/achterklep sluiten

Portieren afzonderlijk met de sleutel vergrendelen
N.B.: Als de centrale vergrendeling niet werkt, dan kunnen de portieren afzonderlijk met de sleutel in de afgebeelde positie worden vergrendeld.

N.B.: Als de kindersloten ook geactiveerd zijn, wordt door het omhoog trekken van de interne pal alleen de noodvergrendeling gedeactiveerd en niet de kindersloten. De portieren kunnen alleen worden geopend door vanaf de buitenzijde de portierkruk uit te trekken.
N.B.: Als de portieren met deze methode ontgrendeld zijn, dan moeten de portieren afzonderlijk vergrendeld worden tot de centrale vergrendeling is gerepareed.
Ontgrendel het bestuurdersportier met de sleutel. De overige portieren kunnen afzonderlijk worden ontgrendeld door vanuit het interieur de portierkruk van het betreffende portier uit te trekken.
SLEUTELLOZE TOEGANG
Algemene informatie
WAARSCHUWING
De sleutelloze toegang werkt misschien niet wanneer de sleutel zich dicht bij metalen voorwerpen of elektronische apparaten, zoals mobiele telefoons, bevindt.
Het passive entry systeem werkt niet indien:
- De accu van de auto leeg is.
- De frequenties van de passieve sleutel worden verstoord.
- De batterij in de passieve sleutel leeg is.
N.B.: Wanneer het passive entry systeem niet werkt, moet u voor het vergrendelen en ontgrendelen van uw auto de sleutelbaard gebruiken.
De sleutelloze toegang maakt het gebruik van een sleutel of afstandsbediening overbodig.

Voor het passief vergrendelen en ontgrendelen is een geldige passieve sleutel nodig die zich in de omgeving van een van de drie externe detectiezones bevindt. Deze zones bevinden zich op ongeveer anderhalve meter afstand van de portierhandgrepen aan bestuurders- en passagierszijde en het kofferdeksel/de achterklep.
Passieve sleutel
De auto kan met de passieve sleutel worden ontgrendeld en vergrendeld. De passieve sleutel kan tevens als afstandsbediening worden gebruikt. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 33).
Auto vergrendelen
WAARSCHUWING

De auto wordt niet automatisch vergrendeld. Als de vergrendelfunctie niet is geactiveerd, blijft de auto endeld.
N.B.: Het contact wordt automatisch afgezet wanneer de auto vanaf de buitenzijde wordt vergrendeld. Dit om te voorkomen dat de voertuigaccu wordt ontladen.
N.B.: Kom niet aan de portierhandgreep.

Raak een vergrendelsensor van de voorportierhandgreep aan om de auto te vergrendelen.
Activeren van centraal vergrendelingssysteem en alarminstallatie:
- Raak eenmaal een vergrendelsensor van de voorportierhandgreep aan.
Activeren van dubbele vergrendeling en alarminstallatie:
• Raak een vergrendelsensor van de voorportierhandgreep tweemaal binnen drie seconden aan.
N.B.: Er moet even worden gewacht tussen iedere aanraking van de portierhandgreep.
N.B.: Eenmaal geactiveerd, blijft de auto gedurende drie seconden vergrendeld. Na de vertragingsperiode kunnen de portieren weer worden ontgrendeld, op voorwaarde dat de passieve sleutel zich binnen het detectiegebied bevindt.
Twee korte knippersignalen van de richtingaanwijzers geeft aan dat alle portieren en het kofferdeksel/de achterklep zijn vergrendeld en dat de alarminstallatie is ingeschakeld.
Kofferdeksel/achterklep
N.B.: Als de passieve sleutel zich bij gesloten portieren in de auto bevindt, kan het kofferdeksel/de achterklep niet worden gesloten en komt deze weer omhoog.
N.B.: Indien zich een tweede geldige passieve sleutel binnen het detectiegebied van de achterzijde bevindt, kan het kofferdeksel/de achterklep niet worden afgesloten.
Auto ontgrendelen
N.B.: Indien de auto langer dan drie dagen niet wordt ontgrendeld, schakelt de sleutelloze toegang over op een energiebesparende modus. Hierdoor wordt voorkomen dat de accu leegraakt. Wanneer de auto in deze modus wordt ontgrendeld kan de reactietijd enigszins langer zijn dan normaal. Nadat de auto na eenmaal is ontgrendeld, wordt de energiebesparende modus uitgeschakeld.
N.B.: Als de auto meerdere weken vergrendeld blijft, wordt het sleutelloze systeem uitgeschakeld. De auto moet worden ontgrendel met behulp van de sleutelbaard. Door de auto eenmaal te ontgrendelen, wordt het sleutelloze systeem ingeschakeld.
N.B.: Raak de vergrendelsensor van de voorportierhandgreep niet aan bij het openen van een portier.

Open een willekeurig portier.
N.B.: De passieve sleutel moet zich binnen het detectiegebied van dat portier bevinden.
Een lang lichtsignaal van de richtingaanwijzers geeft aan dat alle portieren en het kofferdeksel/de achterklep zijn ontgrendeld en dat de alarminstallatie is uitgeschakeld.
Alleen bestuurdersportier ontgrendelen
Indien de ontgrendelfunctie opnieuw is geprogrammeerd zodat alleen het bestuurdersportier en het kofferdeksel/de achterklep worden ontgrendeld (Zie
Programmeren van de afstandsbediening (bladzijde 30). ), let dan op het volgende:
Als het bestuurdersportier als eerste wordt geopend blijven de andere portieren vergrendeld. Alle andere portieren kunnen vanuit het interieur worden ontgrendeld door de ontgrendeltoets op het instrumentenpaneel in te drukken. Voor locatie: Zie In één oogopslag (bladzijde 10). De portieren kunnen afzonderlijk worden ontgrendeld door vanuit het interieur de portierhandgreep van het betreffende portier uit te trekken.
Uitgeschakelde sleutels
In de auto achtergebleven sleutels worden uitgeschakeld bij het vergrendelen van de auto.
Een uitgeschakelde sleutel kan niet meer worden gebruikt voor het aanzetten van het contact of het starten van de motor.
Om deze passieve sleutels opnieuw te kunnen gebruiken moeten ze opnieuw worden geactiveerd.
Ontgrendel de auto met behulp van een passieve sleutel of de afstandsbediening om al uw passieve sleutel te activeren.
Bij het aanzetten van het contact of wanneer de motor met een geldige sleutel wordt gestart worden alle passieve sleutels worden geactiveerd.
Portieren met de sleutelbaard vergrendelen en ontgrendelen

- Verwijder voorzichtig de kapje.
- Verwijder de sleutelbaard en steek hem in het slot.
N.B.: Alleen de handgreep van het bestuurdersportier is uitgerust met een slotcilinder.
CENTRALE VERGRENDELING
U kunt ook bij afgezet contact de elektrisch bedienbare ruiten bedienen met behulp van de functie integraal openen en sluiten.
N.B.: Het integraal sluiten werkt alleen als het geheugen voor elke ruit afzonderlijk correct is ingesteld. Zie Elektrisch bedienbare ruiten (bladzijde 69).
Comfortontgrendeling

Druk, om alle ruiten te openen, op de ontgrendeltoets van de afstandsbediening en houd deze minstens drie seconden ingedrukt. Druk op de vergrendel- of ontgrendeltoets om de openingsfunctie te stoppen.
Comfortvergrendeling
Uitvoeringen zonder sleutelloze toegang
WAARSCHUWING
Let altijd op bij het integraal sluiten. Druk in een noodgeval onmiddellijk op de vergrendel- of ontgrendeltoets om te stoppen.
Sloten

Druk, om alle ruiten te sluiten, op de vergrendeltoets van de afstandsbediening en houd deze minstens drie seconden ingedrukt. Druk op de vergrendel- of ontgrendeltoets om de sluitfunctie te stoppen. Tijdens het integraal sluiten is de antiklemfunctie geactiveerd.
Uitvoeringen met sleutelloze toegang

Let altijd op bij het integraal sluiten.
Raak in een noodgeval de
vergrendelsensor van een
portierhandgreep aan om te stoppen.
N.B.: Het integraal sluiten kan worden geactiveerd met behulp van de bestuurdersportierhandgreep. Integraal openen en sluiten kan ook worden geactiveerd met de toetsen op de passieve sleutel.
Houd om alle ruiten te sluiten de bestuurdersportierhandgreep minstens twee seconden ingedrukt. Tijdens het integraal sluiten is de antiklemfunctie geactiveerd.
WERKING
N.B.: Wanneer het portier geopend is, kan de beschermkap rustig opzij bewogen worden om reiniging toe te staan. Zorg dat de kap weer correct in positie wordt gebracht, zodat de klep ook teruggetrokken wordt wanneer u probeert het portier te sluiten.
N.B.: Houd de portierranden vrij van obstructies zoals vuil, sneeuw of ijs.
De voor- en achterportieren hebben een uittrekbare kunststof kap die in positie wordt gebracht wanneer een portier wordt geopend. De kap beschermt de portierrand tegen beschadigingen door het in contact komen met andere objecten en obstakels.
PORTIERRANDBESCHERMING VERVANGEN
N.B.: De beschermkappen van het voor- en achterportier verschillen in lengte. Als u de kap met de verkeerde lengte aanbrengt, dan werkt deze mogelijk niet correct.
N.B.: Open het portier en zorg dat de bescherming uitgetrokken is om de kap te vervangen.

- Steek een schroevendraaier in de aangeduide plaats en draai het blad om de kap van de houder op te tillen.
- Verwijder de kap.
N.B.: Trek de kaphouder indien nodig naar buiten bij het aanbrengen.
- Breng de kap aan door de kap omlaag te drukken op de houder.
WERKING
Het immobilisatiesysteem is een diefstalbeveiligingssysteem dat voorkomt dat iemand de motor van uw auto met een onjuist gecodeerde sleutel kan starten.
GECODEERDE SLEUTELS
N.B.: Dek uw sleutels niet met metalen voorwerpen af. Hierdoor kan de ontvanger uw sleutel niet herkennen als geldige sleutel.
N.B.: Wanneer u een sleutel bent verloren, laat dan de code bij al uw overige sleutels wissen. Raadpleeg uw dealer voor meer informatie. Laat de vervangingssleutels samen met uw overige sleutels opnieuw coderen.
Wanneer u een sleutel verliest, kunt u bij uw Ford dealer een vervangingssleutel verkrijgen. Geef, indien mogelijk, uw dealer het sleutelnummer door, dat op het plaatje staat dat met de originele sleutels is geleverd. U kunt ook extra sleutels bij uw Ford dealer verkrijgen.
IMMOBILISATIESYSTEEM INSCHAKELEN
Korte tijd nadat u het contact hebt afgezet wordt het immobilisatiesysteem automatisch ingeschakeld.
IMMOBILISATIESYSTEEM UITSCHAKELEN
Het immobilisatiesysteem wordt automatisch uitgeschakeld bij het met een correct gecodeerde sleutel aanzetten van het contact.
WERKING
Alarmsysteem
Uw wagen kan zijn uitgerust met één van de volgende alarminstallaties:
- Perimeter alarminstallatie.
- Perimeter alarminstallatie met interieursensoren.
- Categorie 1 alarm met interieursensoren en sirene met afzonderlijke accu.
Perimeter alarminstallatie
Het perimeter alarm is een afschrikmiddel voor personen die ongeoorloofd de portieren en de motorkap proberen te openen. Het beveiligt ook de audio-installatie.
Interieursensoren

De sensoren in de interieurverlichting mogen niet worden afgedekt.
Schakel het alarm niet in indien zich personen, dieren of andere bewegende voorwerpen in de auto bevinden.
Dit sensoren zijn een afschrikmiddel voor indringers door elke beweging in de auto met behulp van sensoren te registreren.
Sirene met afzonderlijke accu
De sirene met afzonderlijke accu is een extra alarmsysteem dat de sirene inschakelt wanneer het alarm wordt geactiveerd. Deze wordt direct ingeschakeld bij het afsluiten van de wagen. De sirene heeft zijn eigen accu en wordt ingeschakeld zodra iemand de accukabels of de accu van de sirene zelf loskoppelt.
Alarm activeren
Wanneer het alarm is ingeschakeld, kan het op een van de volgende manieren worden geactiveerd:
- Wanneer iemand een portier, de achterklep of de motorkap opent zonder geldige sleutel of afstandsbediening.
- Wanneer iemand de audio-installatie of het navigatiesysteem verwijdert.
- Wanneer het contactslot zonder geldige sleutel in stand I, II of III wordt gezet.
- Wanneer de interieursensoren bewegingen in de wagen registreren.
•Bij wagens met een sirene met afzonderlijke accu, wanneer iemand de accukabels of de accu van de sirene zelf loskoppelt.
Wanneer het alarm is geactiveerd, klinkt het alarmsignaal gedurende 30 seconden en knipperen de waarschuwingsknipperlichten vijf minuten.
ledere verdere poging om een van bovenstaande handelingen uit te voeren activeert het alarm opnieuw.
Volledige en gereduceerde beveiliging
Volledige beveiliging
Volledige beveiliging is de standaard instelling.
Bij volledige beveiliging worden de interieursensoren geactiveerd bij het inschakelen van het alarm.
N.B.: Dit kan resulteren in een vals alarm wanneer dieren of bewegende voorwerpen in de auto aanwezig zijn.
N.B.: Een valse alarm kan ook worden geactiveerd door de hulpverwarming Zie Extra verwarming (bladzijde 112). Als u de hulpverwarming gebruikt, leid de luchtstroom dan naar de beenruimte.
Gereduceerde beveiliging
Bij verminderde beveiliging worden de interieursensoren gedeactiveerd bij het inschakelen van het alarm.
N.B.: U kunt de gereduceerde beveiliging slechts gedurende één contactcyclus inschakelen. De volgende keer dat u het contact aanzet, zal het alarm worden teruggesteld naar volledige beveiliging.
Vragen bij het verlaten van de wagen
U kunt de informatiedisplay zodanig instellen, dat telkens wordt gevraagd welk beveiligingsniveau u wilt instellen.
Wanneer u Ask on Exit selecteert, verschijnt telkens wanneer u het contact afzet het bericht Reduced guard? op de display in de instrumentengroep.
Wanneer u de gereduceerde beveiliging wilt instellen, drukt u op de OK toets wanneer dit bericht verschijnt.
Wanneer u de volledige beveiliging wilt instellen, verlaat dan de auto zonder op de OK te drukken.
Volledige of gereduceerde beveiliging selecteren
N.B.: Door Reduced te selecteren wordt de alarminstallatie niet permanent in de gereduceerde beveiligingsmodus gezet. De installatie wordt slechts één contactcyclus in de gereduceerde modus geschakeld. Wanneer u regelmatig de alarminstallatie in de gereduceerde beveiligingsmodus zet, selecteer dan Ask on Exit.
U kunt volledige of gereduceerde beveiliging selecteren m.b.v. het informatie-display. Zie Algemene informatie (bladzijde 83).
Informatiemededelingen
Zie Infoberichten (bladzijde 91).
ALARM INSCHAKELEN
Alarminstallatie inschakelen, wagen vergrendelen. Zie Sloten (bladzijde 33).
ALARM UITSCHAKELEN
Uitvoeringen zonder keyless entry systeem
Perimeter alarminstallatie
Schakel de alarminstallatie en het alarmsignaal uit door de portieren met de sleutel te ontgrendelen, zet het contact met een correct gecodeerde sleutel aan of ontgrendel de portieren of de achterklep met de afstandsbediening.
Categorie 1 alarm
Schakel de alarminstallatie en het alarmsignaal uit door de portieren met de sleutel te ontgrendelen, zet het contact met een correct gecodeerde sleutel binnen 12 seconden aan of ontgrendel de portieren of de achterklep met de afstandsbediening.
Uitvoeringen met keyless entry systeem
N.B.: Voor keyless entry moet zich binnen het detectiegebied van dat portier een geldige passive key bevinden. Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 35).
Perimeter alarminstallatie
Schakel de alarminstallatie en het alarmsignaal uit door de portieren te ontgrendelen en zet het contact aan, of ontgrendel de portieren of de achterklep met de afstandsbediening.
Categorie 1 alarm
Schakel de alarminstallatie en het alarmsignaal uit door de portieren te ontgrendelen en zet het contact binnen 12 seconden aan, of ontgrendel de portieren of de achterklep met de afstandsbediening.
STUURWIEL AFSTELLEN
WAARSCHUWING

Verstel nooit het stuurwiel als de auto in beweging is.
N.B.: Controleer of u in de juiste positie zit. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 115).

Duw de ontgrendelingshendel helemaal op zijn plaats wanneer u deze weer in de oude stand zet.
AUDIOBEDIENING
Selecteer de gewenste bron op de audio-unit.
De volgende functies kunnen met de afstandsbediening worden bediend:
Type 1

Opwaarts zoeken of volgendeB
Volume lagerC
Neerwaarts zoeken of vorigeD
ModusE
Druk de modus toets in om de audiobron te kiezen.
Type 2

Volume hogerA
Opwaarts zoeken of volgendeB
Volume lagerC
Neerwaarts zoeken of vorigeD
SPRAAKSTURING

Trek aan de toets om de spraakbesturing in of uit te schakelen. Zie Spraaksturing (bladzijde 281). Zie SYNC (bladzijde 322).
Zoeken, volgende of vorige
Druk de seek toets in om:
- op het volgende of vorige radiostation af te stemmen
- het volgende of vorige nummer af te spelen
Druk de seek toets in en houd deze ingedrukt om:
- af te stemmen op het volgende radiostation op een hogere of lagere frequentie
•door een nummer te zoeken
VOORRUITWISSERS

E128444
Enkele wisslagA
B Wissen met intervallen of automatisch wissen
Normale wissnelheidC
Wissen met hoge snelheidD
Intervalwissen

E128445
Wissen met korte intervallenA
IntervalwissenB
Wissen met lange intervallenC
De intervalwerking kan met de draaischakelaar worden ingesteld.
Sommige uitvoeringen zonder een automatisch ruitenwissersysteem zijn uitgerust met een snelheidsafhankelijk ruitenwissersysteem voor de voorruit.
Wanneer de auto tot loopsnelheid of tot stilstand wordt gebracht, wordt de ruitenwissersnelheid automatisch naar de volgende lagere snelheid teruggebracht.
Wanneer de auto in snelheid toeneemt, keert de ruitenwissersnelheid terug naar de met de hand gekozen instelling.
Wanneer de ruitenwisserhendel wordt bediend terwijl het systeem is ingeschakel, wordt het systeem uitgeschakeld.
Indien de auto opnieuw in snelheid mindert of tot stilstand wordt gebracht, wordt het systeem opnieuw geactiveerd.
AUTOMATISCH IN- EN UITSCHAKELENDE RUITENWISSERS
LET OP
Schakel de automatische wisfunctie niet bij droog weer in. De regensensor is bijzonder gevoelig en de ruitenwissers kunnen in werking treden indien de voorruit met vuil, mist of vliegen in aanraking komt.
! Vervang de ruitenwisserbladen zodra deze strepen water en vuil op de voorruit achterlaten. Als de ruitenwisserbladen niet worden vervangen, blijft de regensensor continu water op de voorruit waarnemen. Dit heeft tot gevolg dat de ruitenwissers in werking treden terwijl het grootste deel van de voorruit droog is.
Zorg bij vorst dat de voorruit volledig is ontdooit voordat u de automatische wisfunctie selecteert.
LET OP

Schakel de automatische wisfunctie uit voordat u een wasstraat binnenrijdt.
N.B.: Als de automatische verlichting is ingeschakeld in combinatie met de automatische wisfunctie, dan wordt het dimlicht automatisch ingeschakeld wanneer de regensensor de continue wisfunctie van de ruitenwissers activeert.

Hoge gevoeligheidA
B Aan
Lage gevoeligheidC
Wanneer u de automatische wisfunctie inschakelt, maken de ruitenwissers pas een wisbeweging nadat water op de voorruit is geregistreerd. De regensensor meet daarna continu de hoeveelheid water op de voorruit en zal de snelheid van de ruitenwissers automatisch instellen.
Stel de gevoeligheid van de regensensor met de draaiknop in. Bij een lage gevoeligheid zullen de ruitenwissers in werking treden wanneer de sensor een grote hoeveelheid water op de voorruit registreert. Bij een hoge gevoeligheid zullen de ruitenwissers in werking treden wanneer de sensor een kleine hoeveelheid water op de voorruit registreert.
VOORRUITSPROEIERS

Schakel de ruitensproeiers niet langer dan tien seconden achtereen in; schakel de ruitensproeiers nooit in als het reservoir leeg is.
Wanneer de hendel naar het stuurwiel wordt getrokken treden zowel de sproeier als de ruitenwissers in werking.
Na het loslaten van de hendel blijven de ruitenwissers nog kortstondig in werking.
ACHTERRUITWISSERS EN - SPROEIERS
Intervalwissen

Wissen met lage snelheidB
Druk op de toets op het uiteinde van de hendel om te navigeren tussen uitschakelen, intervalwissen en wissen met lage snelheid.
Wissen tijdens achteruitrijden
De achterruitwisser wordt automatisch geactiveerd als de achteruitversnelling wordt ingeschakeld, mits de achterruitwisser niet reeds is ingeschakeld en de voorruitwisser werkt.
Ruitensproeier, achter

Schakel de ruitensproeiers niet langer dan tien seconden achtereen in; schakel de ruitensproeiers nooit het reservoir leeg is.
Wanneer de hendel van het stuurwiel wordt geduwd, treden zowel de sproeier als de ruitenwissers in werking.
Na het loslaten van de hendel blijven de ruitenwissers nog kortstondig in werking.
KOPLAMPSPROEIERS
Bij ingeschakelde koplampen werken de koplampsproeiers in combinatie met de voorruitsproeiers.
N.B.: Om ervoor te zorgen de het ruitensproeierreservoir te snel leegraakt, werken de koplampsproeiers niet telkens wanneer de voorruitsproeiers in werking worden gesteld.
RUITENWISSERBLADEN
CONTROLEREN

Controleer met uw vingertoppen de rubber randen van de ruitenwisserbladen op oneffenheden.
Reinig de ruitenwisserbladen met een in water gedrenkte, zachte spons.
RUITENWISSERBLADEN VERVANGEN
Voorruitwisserbladen
LET OP

Zet om de ruitenwisserbladen te vervangen de voorruitwissers in de onderhoudsstand.

U kunt de onderhoudsstand in de winter gebruiken om de
ruitenwisserbladen eenvoudiger te kunnen bereiken om deze vrij te maken van sneeuw en ijs. De voorruitwissers keren in hun normale stand terug zodra u het contact inschakelt, u moet er dus voor zorgen dat de buitenzijde van de voorruit geheel vrij is van sneeuw en ijs voordat u het contact inschakelt.
Onderhoudsstand

Zet het contact af en zet binnen drie seconden de ruitenwisserhendel in de stand A. Laat de hendel los wanneer de ruitenwissers in de onderhoudsstand staan.
Ruitenwisserbladen vervangen
Zet de ruitenwissers in de onderhoudsstand en trek de wisserarmen omhoog.

Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
N.B.: Zorg ervoor dat het ruitenwisserblad goed op zijn plaats komt te zitten.
-
Draai het ruitenwisserblad onder een rechte hoek op de ruitenwisserarm.
-
Maak het ruitenwisserblad los van de wisserarm.
-
Verwijder het ruitenwisserblad.
N.B.: Zorg ervoor dat het ruitenwisserblad goed op zijn plaats komt te zitten.
- Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
VERLICHTINGSBEDIENING
Standen van de lichtschakelaar

Off (uit)A
Stads- en achterlichtenB
KoplampenC
Parkeerlichten
WAARSCHUWING

Door langdurig gebruik van de parkeerlichten wordt de accu ontladen.
Schakel het contact uit.
Beide zijden
Zet de lichtschakelaar in stand B.
Een zijde

Druk de hendel naar voren om te schakelen tussen grootlicht en dimlicht.
Lichtsignaal
Trek de schakelaarhendel naar het stuurwiel toe.
Home safe verlichting
Schakel de verlichting uit en trek de richtingaanwijzer naar het stuurwiel toe om de koplampen in te schakelen. Er klinkt kort een signaal. Bij een geopende deur gaan de koplampen automatisch na drie minuten uit, of 30 seconden nadat de laatste deur is gesloten.
De home safe functie kan worden uitgeschakeld door hetzij de richtingaanwijzerhendel opnieuw naar het stuurwiel te trekken of door het contact AAN te zetten.
Onder slechte weersomstandigheden kan het nodig zijn uw koplampen handmatig in te kelen.
N.B.: Wanneer u de automatisch in-/uitschakelende verlichting hebt ingeschakeld, kunt u alleen het groot licht inschakelen wanneer de functie de koplampen heeft ingeschakeld.
N.B.: Als de automatische verlichting is ingeschakeld in combinatie met de automatische wisfunctie, dan wordt het dimlicht automatisch ingeschakeld wanneer de regensor de continue wisfunctie van de ruitenwissers activeert.

Afhankelijk van de lichtsituatie worden de koplampen automatisch in- en uitgeschakeld.
De koplampen blijven branden gedurende een bepaalde periode nadat het contact is afgezet. De tijdvertraging kan worden afgesteld met behulp van de informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 83).
Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden
voorzichtig en oplettend te zijn. Een handmatige deactivering kan nodig zijn indien het systeem het grootlicht niet in- of uitschakelt.

Een handmatige deactivering kan nodig zijn bij het naderen van andere weggebruikers, zoals fietsers.

Gebruik het systeem niet in de mist.
LET OP
Onder koude en barre weersomstandigheden is het mogelijk dat het systeem niet werkt. In dergelijke gevallen kan handmatige deactivering nodig zijn.
Refleterende verkeersborden kunnen als tegemoetkomend verkeer worden herkend en de koplampen kunnen dan in de dimstand worden geschakeld.
Indien de lampen van tegemoetkomende voertuigen achter obstakels verborgen zijn (bijvoorbeeld vangrails), is het mogelijk dat het systeem het grootlicht niet deactiveert.
Breng altijd Originele Ford Onderdelen aan wanneer gloeilampen voor de koplampen worden vervangen. Andere gloeilampen kunnen de prestaties van het systeem verminderen.
! Controleer en vervang ruitenwisserbladen regelmatig om ervoor te zorgen dat de camerasensor vrij zicht door de voorruit heeft. Vervangende ruitenwisserbladen moeten de juiste lengte hebben.
N.B.: Houd de voorruit vrij van belemmeringen zoals uitwerpselen van vogels, insecten en sneeuw of ijs.
Het systeem schakelt automatisch grootlicht in indien het voldoende donker is en er geen ander verkeer is. Indien het system de koplampen of achterlichten van een naderend voertuig waarneemt, of de straatverlichting vóór de auto, schakelt het systeem het grootlicht uit voordat het andere weggebruikers kan verblinden. Dimlicht blijft ingeschakeld.
Een camerasensor is centraal achter de voorruit van de auto gemonteerd en controleert continu de omstandigheden om te beslissen wanneer het grootlicht moet worden uit- en ingeschakeld.
Zodra het systeem actief is, wordt het grootlicht ingeschakeld indien:
- het voldoende donker is om het gebruik van grootlicht nodig te maken en
- er geen verkeer of straatverlichting vóór het voertuig is en
- de rijsnelheid hoger is dan 40 km/u.
Het grootlicht wordt uitgeschakeld indien: - Het omgevingslicht voldoende is om grootlicht overbodig te maken.
- De koplampen van een tegemoetkomend voertuig worden ontdekt.
- Straatverlichting wordt ontdekt.
- De rijsnelheid minder wordt dan 25 km/u.
- De camerasensor te heet is of versperd is.
Het systeem activeren
Schakel het systeem in m.b.v. de informatiedisplay en de automatisch inschakelende koplampen. Zie Infodisplays (bladzijde 83). Zie Automatisch in- en uitschakelende verlichting (bladzijde 53).

Zet de schakelaar in de stand van de automatisch inschakelende koplampen.
N.B.: Het systeem kan enige tijd nodig hebben om te initialiseren na eerst het contact in te scahekelen, met name in zeer donkere omstandigheden. Het grootlicht wordt gedurende deze periode niet automatisch ingeschakeld.
De gevoeligheid van het systeem instellen.
Het systeem heeft drie gevoeligheidsniveaus die toegankelijk zijn via de informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 83).
De gevoeligheid bepaalt de snelheid waarmee het grootlicht wordt hersteld nadat ontdekt verkeer het zichtveld heeft verlaten.
Het systeem handmatig onderbreken

Druk tegen of trek aan de hendel om te wisselen tussen groot- en dimlicht.
N.B.: Dit is een tijdelijke onderbreking en het systeem keert na een korte periode naar automatische werking terug.
Om het systeem permanent te deactiveren, gebruikt u de informatiedisplaymenu of schakelt u de lichtschakelaar van automatisch inschakelende koplampen naar koplampen.
VOORSTE MISTLAMPEN
WAARSCHUWING

Gebruik de mistlampen alleen wanneer het zicht ernstig wordt belemmerd door mist, sneeuw of

MISTACHTERLICHTEN
WAARSCHUWINGEN

Gebruik de mistachterlichten alleen wanneer het zicht minder dan 50 meter bedraagt.

Schakel de mistachterlichten niet in bij regen of sneeuwval en wanneer het zicht meer dan 50 meter aagt.

KOPLAMPEN AFSTELLEN - AUTO'S MET: ADAPTIEVE VERLICHTING, VOOR/XENON KOPLAMPEN
Ga naar uw dealer voor het instellen van de koplampen voor rechts- of linksrijdend verkeer.
N.B.: Uitvoeringen met Xenon koplampen zijn uitgerust met automatische hoogteregeling van de koplamplichtbundels.
- Druk om de knop omhoog te brengen.

- Draai de knop naar de gewenste instelling.
- Druk de knop weer naar binnen.
U kunt de hoogte van de koplamplichtbundels aanpassen aan de belading van de auto.
Aanbevolen regelknopstanden
| Belading | partiment | Stand regelknopLading in bag | |
| Voorstoelen | Zitplaatsen, tweede zitrij | ||
| 0--1-2 | |||
| 2 | 3 | - | 1 |
| 2 | 3 | Max 1 | 2 |
| 1 | - | Max 1 | 3 |
1 Zie Voertuigidentificatie (bladzijde 249).
Voor locatie: Zie In één oogopslag (bladzijde 10).
RICHTINGAANWIJZERS

E130141
N.B.: Beweeg de richtingaanwijzerschakelaar kort omhoog of omlaag om de richtingaanwijzers driemaal te laten knipperen.
ZIJRICHTINGAANWIJZERS

E72898
Lichtbundel van koplampA
Lichtbundel van bochtverlichtingB
Bij het nemen van een bocht verlicht de bochtverlichting de binnenzijde van de bocht.
N.B.: Lampen kunnen afzonderlijk van elkaar worden ingeschakeld, maar niet afzonderlijk worden uitgeschakeld als de bestuurder alle lampen heeft ingeschakeld.
N.B.: Alle andere lampen kunnen niet worden geschakeld of alleen met afzonderlijke leeslamp- of interieurverlichtingsfunctie.
De lampen gaan branden wanneer u een portier of de achterklep ontgrendelt of opent. Wanneer u het contact afzet, gaan alle lampen korte tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt. Zet het contact korte tijd aan om de verlichting weer in te schakelen.
Zijdelings gemonteerde lamp

Als u op B drukt blijven alle lampen uitgeschakeld wanneer het portier geopend wordt. Druk nogmaals op de schakelaar om dit ongedaan te maken.
U kunt alle lampen bedienen m.b.v. schakelaar C.
Centraal gemonteerde lamp

A Aan/uit-schakelaar leeslamp rechterzijde
B Aan/uit-schakelaar leeslamp linkerzijde
PortierfunctieschakelaarC
Aan/uit-schakelaar alle lampenD
Als u op C drukt blijven alle lampen uitgeschakeld wanneer het portier geopend wordt. Druk nogmaals op de schakelaar om dit ongedaan te maken.
U kunt alle lampen bedienen m.b.v. schakelaar D.
Sfeerverlichting
Wanneer u het contact afzet, gaan de sfeerverlichtingslampen korte tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt.
Wanneer het donker is, zijn de sfeerverlichtingslampen actief als het contact en de koplampen ingeschakeld zijn.
Type 1
De sfeerverlichting verlicht diverse plaatsen, bijv. beenruimtes, bekerhouders en portieren met een bepaalde kleur. Deze verlichting kan in- en uitgeschakeld worden via het menu in de informatiedisplay. Zie Algemene informatie (bladzijde 83).
Gebruik de dimschakelaars van de instrumentenverlichting om de gewenste helderheid af te stellen. Zie Dimmer instrumentenpaneelverlichting (bladzijde 123).
Type 2

E133092
De sfeerverlichting verlicht diverse plaatsen, bijv. beenruimtes, bekerhouders en portieren met een keuze uit diverse kleuren. De bedieningsschakelaar van de sfeerverlichting bevindt zich in de dakconsole.
Draai de regelknop om de sfeerverlichting te activeren en de gewenste helderheid af te stellen. Gebruik de linker schakelaar om de kleurkeuzes te bekijken. Gebruik de rechter schakelaar om alle sfeerverlichtingsplaatsen en interieurlampen te activeren.
EEN KOPLAMP VERWIJDEREN
WAARSCHUWING

Laat Xenon gloeilampen door een geschoolde monteur vervangen. Er bestaat kans op een elektrische k.
- Open de motorkap. Zie De motorkap openen en sluiten (bladzijde 211).

- Verwijder de schroeven.
- Trek de koplamp zover mogelijk naar de voorzijde van de auto om deze los te maken van het onderste bevestigingspunt.
- Trek de buitenzijde van de koplamp omhoog en verwijder hem.

- Trek de stekker los.
N.B.: Wanneer de koplamp wordt gemonteerd, let er dan op dat de stekker correct wordt aangesloten.
N.B.: Wanneer de koplamp wordt gemonteerd, let er dan op dat het onderste bevestigingspunt van de koplamp goed op zijn plaats komt te zitten.
N.B.: Bij het monteren van de koplamp moet de schroef in de koplamprand zitten alvorens u deze aanbrengt.
GLOEILAMPEN VERVANGEN
WAARSCHUWINGEN

Schakel de verlichting en vervolgens het contact uit.

Laat de gloeilamp afkoelen voordat u deze verwijdert.

Laat Xenon gloeilampen door een goed opgeleide monteur vervangen. Er bestaat kans op een elektrische
schok.
LET OP

Raak het glas van de gloeilamp niet aan.
LET OP

Breng alleen gloeilampen met de juiste specificaties aan. Zie Gloeilampentabel (bladzijde 68).
N.B.: De volgende instructies beschrijven hoe de gloeilampen moeten worden verwijderd. Breng de nieuwe gloeilampen in omgekeerde volgorde van verwijderen aan, tenzij anders is voorgeschreven.
Koplampen
N.B.: Verwijder de kappen om de gloeilampen te kunnen bereiken.

StadslichtA
Koplamp, dimlichtB
GrootlichtC
RichtingaanwijzerD
Richtingaanwijzer
- Verwijder de koplamp. Zie Een koplamp verwijderen (bladzijde 60).

- Verwijder het paneel.
- Draai de lamphouder linksom en verwijder deze.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
Grootlicht
LET OP

Raak het glas van de gloeilamp niet aan.
- Verwijder de koplamp. Zie Een koplamp verwijderen (bladzijde 60).

E133105
-
Verwijder het paneel.
-
Trek de stekker los.
-
Maak de klemveer los en verwijder de gloeilamp.
Koplamp, dimlicht
LET OP

Raak het glas van de gloeilamp niet aan.
- Verwijder de koplamp. Zie Een koplamp verwijderen (bladzijde 60).

- Verwijder het paneel.
- Trek de stekker los.
- Maak de klemveer los en verwijder de gloeilamp.
Stadslicht
- Verwijder de koplamp. Zie Een koplamp verwijderen (bladzijde 60).

- Verwijder het paneel.
- Verwijder de lamphouder.
- Verwijder de gloeilamp.
Zijknipperlicht

- Verwijder voorzichtig de kapje.

- Maak de bevestigingsklem m.b.v. een geschikt werktuig los.

- Verwijder voorzichtig het zijknipperlicht.

- Verwijder de lamphouder.
- Verwijder de gloeilamp.
Naderingslicht
LET OP

Voorkom dat het spiegelglas tijdens het verwijderen breekt.
N.B.: Draai het spiegelglas zover mogelijk naar binnen.

- Steek uw vingers in de opening tussen de spiegelbehuizing en het spiegelglas en trek voorzichtig aan het spiegelglas om dit te verwijderen.

- Verwijder het lamphuis.

- Verwijder de gloeilamp.
Voormistlichten
- Verwijder de koplamp. Zie Een koplamp verwijderen (bladzijde 60).

N.B.: De gloeilamp van de mistlamp kan niet uit de lamphouder worden verwijderd.
- Trek de stekker los.
- Draai de lamphouder linksom en verwijder deze.
Achterlichten - 5-deurs

- Verwijder het bekledingspaneel.

- Verwijder de vleugelmoeren en maak de klem los.
- Verwijder het lamphuis.

- Trek de stekker los.

- Verwijder de lamphouder.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
A. Remlicht
B. Achteruitrijlamp
C. Achterlicht en mistachterlicht
D. Richtingaanwijzer
Achterlichten - 4-deurs
Richtingaanwijzer, achter- en mistlicht

- Verwijder het bekledingspaneel.
Verlichting

- Verwijder de vleugelmoeren en maak de klem los.
- Verwijder het lamphuis.

- Trek de stekker los.

-
Verwijder de lamphouder.
-
Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
A. Achterlicht en mistachterlicht
B. Richtingaanwijzer
Rem- en achteruitrijlicht
- Open het kofferdeksel.

- Verwijder het bekledingspaneel van het kofferdeksel.

LET OP
Maak eerst de buitenzijde los uit de klemmen.
- Verwijder de vleugelmoer en maak de 2 klemmen los.
- Verwijder het lamphuis.

- Verwijder de lamphouder.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
A. Remlicht
B. Achteruitrijlamp
Derde remlicht
N.B.: Deze items kunnen niet worden gerepareerd; raadpleeg a.u.b. uw dealer wanneer deze defect raken.
Kentekenplaatverlichting
N.B.: Deze items kunnen niet worden gerepareerd; raadpleeg a.u.b. uw dealer wanneer deze defect raken.
Interieurverlichting
Auto's met LED-lampen
N.B.: De LED verlichting kan niet worden gerepareerd, raadpleeg bij defecten uw dealer.

Bagageruimteverlichting, beenruimteverlichting en achterlicht

- Werk de lamp voorzichtig los. 2. Verwijder de gloeilamp.
GLOEILAMPENTABEL
| Vermogen (watt) | Specificati | ||
| 21PY21WRichtingaan | |||
| 55H1Grootlicht | |||
| H7Koplamp, dimlicht | 55 | ||
| 55H1Bochtverlichting | |||
| 55H11Mistlamp, vóór | |||
| 5W5WStadslicht | |||
| WY5WZijknipperlicht | 5 | ||
| 5W5WNaderingslich | |||
| 21PY21WRichtingaan | |||
| Remlicht en achterlicht | P21/5W | 21/5 | |
| 5W5WAchterlicht | |||
| P21WMistachterlicht | 21 | ||
| Achteruitrijlamp | W16W | 16 | |
| 5W5WVerlichting ba | |||
1 Vervang een doorgebrande zekering door een exemplaar met hetzelfde vermogen.
ELEKTRISCH BEDIENBARE RUITEN
WAARSCHUWING

Schakel de elektrisch bedienbare ruiten niet in tenzij deze vrij zijn van obstructies.
N.B.: Wanneer de ruiten gedurende korte tijd vaak worden bediend kan het systeem een bepaalde tijd buiten werking treden om schade door oververhitting te voorkomen.
Zet het contact aan om de elektrisch bedienbare ruiten te openen of te sluiten.
Integraal openen/sluiten
Met behulp van de functie integraal openen en sluiten kunt u ook de elektrisch bedienbare ruiten bij afgezet contact bedienen. Zie Sloten (bladzijde 33).
Module portier bestuurderszijde
Met behulp van de schakelaars op het bestuurdersportier kunt u alle ruiten bedienen.

Ruiten automatisch openen en sluiten
Druk de schakelaar tot het tweede schakelpunt in of trek hem tot het tweede schakelpunt omhoog en laat hem los. Druk de schakelaar opnieuw in of trek hem opnieuw omhoog om de beweging te stoppen.
Veiligheidsschakelaar voor de achterste ruiten
WAARSCHUWING

Bij sommige auto's worden door drukken op de schakelaar tevens de achterportieren van binnenuit endeld. Zie Kindersloten (bladzijde
N.B.: U kunt altijd de ruiten achterin vanaf het bestuurdersportier bedienen.

Met een schakelaar op het bestuurdersportier kan de elektrische bediening van de achterste ruiten worden geblokkeerd.
Het lampje in de schakelaar gaat branden en de lampjes in de schakelaars van de achterste ruiten gaan uit wanneer de blokkering is ingeschakeld.
Antiklemfunctie
WAARSCHUWING

Het onzorgvuldig sluiten van de ruiten kan deze beschermingsfunctie opheffen en verwonding tot gevolg en.
De ruit stopt automatisch tijdens het sluiten en gaat een stukje terug wanneer de ruit een obstakel tegenkomt.
Antiklemfunctie uitschakelen
WAARSCHUWING

Wanneer u de ruit voor de derde keer sluit, wordt de antiklemfunctie uitgeschakeld. Controleer of er geen nakels in de weg zitten.
Om deze veiligheidsvoorziening uit te schakelen wanneer er meer weerstand is, bijvoorbeeld in de winter, gaat u als volgt te werk:
- Sluit de ruiten tweemaal tot aan de weerstand en laat deze terugschuiven.
- Sluit de ruit voor een derde keer tot deze weerstand ondervindt. De antiklemfunctie wordt uitgeschakeld en u kunt de ruit niet meer automatisch sluiten. De ruit zal de weerstand overbruggen en u kunt de ruit volledig sluiten.
- Laat de ruit door een deskundige controleren indien deze na de derde poging niet sluit.
Geheugen van de elektrisch bedienbare ruiten opnieuw instellen
WAARSCHUWING

De antiklemfunctie wordt buiten werking gesteld tot het geheugen opnieuw is ingesteld.
Nadat de accukabels zijn losgenomen moet het geheugen van elke ruit afzonderlijk opnieuw worden ingesteld:
N.B.: Bij uitvoeringen met een convertible kap, moeten de kap en de portieren volledig worden gesloten voordat de volgende procedure kan worden uitgevoerd.
- Trek de schakelaar omhoog en houd hem in deze stand tot de ruit volledig is gesloten.
- Laat de schakelaar los.
- Trek de schakelaar opnieuw langer dan een seconde omhoog.
- Druk de schakelaar in en houd hem ingedrukt tot de ruit volledig is geopend.
- Laat de schakelaar los.
- Trek de schakelaar omhoog en houd hem in deze stand tot de ruit volledig is gesloten.
- Open de ruit en probeer hem automatisch te sluiten.
- Herhaal de procedure wanneer de ruit niet automatisch sluit.
BUITENSPIEGELS
WAARSCHUWING

Vergis u niet in de afstand van voorwerpen die u in deze groothoekspiegel ziet. Voorwerpen in deze spiegels ziet, zien er kleiner uit ken verder weg te zijn dan in elijkheid het geval is.
Druk de spiegel in de richting van de portierruit.
Uitklappen
Zorg ervoor dat de spiegel weer volledig wordt vergrendeld wanneer u deze weer in zijn oorspronkelijke stand terugzet.
Richtingen waarin de spiegel kan worden gekanteld

De elektrisch bedienbare buitenspiegels zijn voorzien van een verwarmingselement dat het spiegelglas ontdooit en ontwasemt. Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 109).
Elektrisch inklapbare buitenspiegels
Automatisch inklappen en uitklappen
N.B.: Als de spiegels zijn ingeklapt met behulp van de toets handmatig inklappen, dan kunnen deze alleen worden uitgeklapt met behulp van de toets handmatig inklappen.
De spiegels klappen automatisch uit wanneer u de auto vergrendelt met behulp van de sleutel, de afstandsbediening of een verzoek van de sleutelloze toegang. De spiegels klappen uit wanneer u de auto ontgrendelt met behulp van de sleutel, de afstandsbediening, een verzoek van de sleutelloze toegang, de binnenhandgreep van het bestuurdersportier of door de motor te starten.
Handmatig inklappen en uitklappen
De elektrisch inklapbare spiegels werken bij aangezet contact.
N.B.: U kunt de spiegels nog gedurende enkele minuten na het afzetten van het contact bedienen (kantelen en inklappen). Zodra een portier wordt geopend wordt het mechanisme uitgeschakeld.

Druk op de toets om de spiegels in of uit te klappen.
Wanneer nogmaals op de schakelaar wordt gedrukt terwijl de spiegels in beweging zijn, stoppen deze en keren in de oorspronkelijke stand terug.
N.B.: Wanneer de spiegels gedurende korte tijd vaak worden bediend, kan het systeem tijdelijk buiten bedrijf zijn om schade door oververhitting te voorkomen.
De automatisch dimmende achteruitkijkspiegel voorkomt verblinding door achteropkomend verkeer. Bij ingeschakelde achteruitversnelling werkt hij niet.
MONITOR DODE HOEK
Informatiesysteem dode hoek (BLIS)
WAARSCHUWINGEN
Het systeem is niet ontworpen om contact met andere auto's of voorwerpen te voorkomen. Het systeem dient alleen als een waarschuwing om te helpen bij het registreren van auto's in blinde hoeken. Het systeem registreert geen voorwerpen, voetgangers, motorrijders of fietsers.
Gebruik het systeem niet als vervanging van de zijspiegels en de achteruitkijkspiegels en het over de schouder kijken alvorens van rijstrook te veranderen. Het systeem is geen vervanging voor voorzichtig rijden en mag alleen worden gebruikt als hulpmiddel.
Het systeem is een comfortfunctie die de bestuurder helpt bij het registreren van auto's die de blinde hoek zijn binnengereden (A). Het registratiegebied bevindt zich aan beide zijden van de auto en loopt vanaf de buitenspiegels tot ongeveer 3 meter achter de bumper. Het systeem geeft tijdens het rijden een waarschuwing af wanneer bepaalde auto's de blinde hoek binnenrijden.

Gebruik van het systeem
Het systeem geeft een gele indicator weer die is aangebracht in de buitenspiegels.

N.B.: Nadat het contact is aangezet branden beide indicatoren kort ter bevestiging dat het systeem operationeel is.
N.B.: Bij auto's met automatische transmissie is het systeem alleen actief in stand S, D en N.
Het systeem is alleen actief vanaf rijsnelheden van 10 km/u. Het systeem wordt tijdelijke gedeactiveerd wanneer de achteruitrijversnelling wordt gekozen.
Systeemregistratie en - waarschuwingen
Het systeem activeert de waarschuwing voor auto's die de blinde hoek binnenrijden vanaf de achterzijde of de zijkant. Voor auto's die worden ingehaald of auto's die de blinde hoek vanaf de voorzijde binnenrijden wordt de waarschuwing alleen geactiveerd wanneer de auto een korte periode in de blinde hoek blijft rijden.
N.B.: Voor auto's die snel door de blinde hoek rijden (meestal minder dan 2 seconden) wordt de waarschuwing niet geactiveerd.
Het systeem bestaat uit twee radarsensoren die zijn aangebracht achter de achterwielen (weggewerkt achter de bumpers).
LET OP
Breng geen voorwerpen zoals bumperstickers aan in dit gebied.
Reparaties aan deze gebieden met behulp van carrosserievulmiddel hebben een nadelige invloed op de prestaties van het systeem.

Situaties waarin het naderingsalarm niet werkt
Het kan voorkomen dat auto's die de blinde hoek binnenrijden en uitrijden niet worden geregistreerd.
Gevallen waar dit kan voorkomen:
•Vuilophoping op de achterbumperpanelen in het gebied van de sensoren.
- Bepaalde manoeuvres van auto's die de blinde hoek binnenrijden en uitrijden.
•Auto's die met hoge snelheid door de blinde hoek rijden.
- Slechte weersomstandigheden.
- Verschillende auto's die kort na elkaar door de blinde hoek rijden.
Valse waarschuwingen
N.B.: Valse waarschuwingen zijn tijdelijk en worden automatisch gecorrigeerd.
Het kan voorkomen dat het systeem een waarschuwing afgeeft wanneer er geen auto in de blinde hoek aanwezig is.
Gevallen waar dit kan voorkomen:
•Vangrails.
• Betonmuren bij de snelweg.
•Gebieden in aanleg.
- Scherpe bochten rond een gebouw.
-Struiken en bomen.
•Fietsers en motorrijders.
-Stoppen met een auto erachter en erg dichtbij.
Systeem in- en uitschakelen
N.B.: De stand aan of uit blijft behouden tot deze handmatig wordt gewijzigd.
Het systeem kan worden in- en uitgeschakeld met behulp van de informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 83).
Er worden geen meldingen ontvangen nadat het systeem is uitgeschakeld. De BLIS-controlelamp gaat branden. Zie
Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 78).
Registratiefouten
N.B.: De waarschuwingsindicator in de spiegel brandt niet.
Als het systeem een storing bij een sensor heeft geregistreerd, gaat het waarschuwingssymbool van het systeem branden en dooft niet. De informatiedisplay bevestigt de storing en geeft aan of de linker- of rechterzijde is betroffen.
Geblokkeerde sensor
WAARSCHUWING

Voordat het systeem een blokkering heeft geregistreerd en een waarschuwing afgeeft, neemt het al gemiste voorwerpen toe.
LET OP

Bij zware regenval of andere omstandigheden waardoor
verstorende reflecties ontstaan is het mogelijk dat de sensoren bepaalde auto's niet 'zien'.
N.B.: Houd de achterbumper in het gebied van de sensoren vrij van vuil, ijs en sneeuw.
Als een sensor geblokkeerd raakt, kunnen de prestaties van het systeem afnemen. Een bericht m.b.t. een geblokkeerde sensor kan worden weergegeven.
Het systeem keert automatisch terug naar de normale werking nadat twee andere voertuigen aan beide zijden zijn geregistreerd.
Valse waarschuwing trekhaak
LET OP

Auto's met een trekhaakmodule die niet door ons is goedgekeurd kunnen wellicht niet correct worden gistreerd. Schakel het systeem uit om e waarschuwingen te voorkomen. Zie displays (bladzijde 83).
Als de auto is uitgerust met een trekhaakmodule die door ons is goedgekeurd, registreert het systeem een aangesloten aanhangwagen en wordt gedeactiveerd. Op de informatiedisplay verschijnt ter bevestiging een mededeling. Zie Infoberichten (bladzijde 91). De BLIS-controlelamp gaat branden. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 78).
METERS
Type 1

E132065
A Informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 83).
SnelheidsmeterB
KoelvloeistoftemperatuurmeterC
Terugsteltoets dagtellerD
BrandstofpeilmeterE
ToerentellerF
Type 2 en 3

E130149
A Informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 83).
SnelheidsmeterB
KoelvloeistoftemperatuurmeterC
BrandstofpeilmeterD
ToerentellerE
2.0L EcoBoost - MI4

E141657
OlietemperatuurmeterA
VuldrukmeterB
OliedrukmeterC
Koelvloeistoftemperatuurmeter
Alle modelvarianten
Geeft de temperatuur van de koelvloeistof aan. Bij normale bedrijfstemperatuur blijft de naald in het centrale gedeelte.
WAARSCHUWING

Start de motor niet voordat de oorzaak voor de oververhitting is verholpen.
Wanneer de wijzer in het rode gebied komt, is de motor oververhit. Schakel de motor uit, schakel het contact uit en stel de oorzaak vast zodra de motor is afgekoeld. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 222).
Olietemperatuurmeter
Duidt de temperatuur van de motorolie aan.
Bij normale bedrijfstemperatuur bevindt de wijzer zich in het 'normal' gedeelte.
Wanneer de wijzer in het rode gebied komt, is de motor oververhit. Verlaag het motortoerental zodra dit veilig kan en laat de motor afkoelen. Wanneer met hoge motortoerentallen wordt doorgereden terwijl de wijzer in het rode gebied staat, wordt om te voorkomen dat de motor wordt beschadigd het motortoerental automatisch gereduceerd.
Vuldrukmeter
Duidt de verhoogde inlaatdruk, die door de turbocompressor wordt geleverd, aan.
Oliedrukmeter
WAARSCHUWING

Wanneer u continu met de wijzer van de oliedrukmeter in het rode gebied rijdt, kan dit beschadiging van de r tot gevolg hebben.
N.B.: Bij koude motor moet de oliedruk ongeveer 5 bar bedragen. Dit is normaal. Wanneer de motor warm wordt, neemt de oliedruk af.
Deze meter duidt de motoroliedruk aan tot een aanbevolen, veilige maximum waarde van 5 bar.
Tijdens normaal rijden is de oliedruk afhankelijk van het motortoerental, bij hogere toerentallen neemt de druk toe en neemt bij lagere toerentallen af.
Wanneer de motoroliedruk tot onder de normale waarde afneemt, zal de wijzer van de oliedrukmeter in het rode gebied komen en gaat de oliedrukcontrolelamp in de instrumentengroep branden. Stop zodra dit veilig kan en zet de motor onmiddellijk af. Controleer het oliepeil en vul zo nodig olie bij. Zie Motorolie controleren (bladzijde 221).
Brandstofpeilmeter
De pijl naast het symbool van de benzinepomp duidt aan, aan welke zijde zich de brandstofvulklep bevindt.
De volgende waarschuwings- en controlelampen gaan branden wanneer het contact wordt aangezet:
•Airbag
•ABS
- Stabiliteitsregeling (ESP)
• Laag brandstofpeil
- Remsysteem
•Vorst
- ESP uit
Indien een van deze waarschuwings- of controlelampen niet gaat branden wanneer het contact wordt ingeschakeld, duidt dit op een storing. Laat het systeem onmiddellijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren.
Waarschuwingslamp ABS

Als deze lamp brandt onder het rijden, dan duidt dit op een storing. De normale remwerking blijft gehandhaafd (zonder ABS). Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren.
Waarschuwingslamp airbag

Als deze lamp brandt onder het rijden, dan duidt dit op een storing. Laat het systeem door een goed opgeleide monteur controleren.
Indicator dodehoekmonitor

Deze brandt wanneer deze functie wordt gedeactiveerd of in combinatie met een bericht. Zie Monitor dode hoek (bladzijde 72). Zie Infoberichten (bladzijde 91).
Lamp remsysteem

De lamp gaat branden wanneer de parkeerrem wordt ingeschakeld.
WAARSCHUWING

Verlaag geleidelijk uw snelheid en breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan. Gebruik de remmen voorzichtig.
Als de lamp tijdens het rijden gaat branden, controleer dan of de parkeerrem niet is ingeschakeld. Als de parkeerrem niet is ingeschakeld, dan is er een storing aanwezig. Laat het systeem onmiddellijk door een goed opgeleide monteur controleren.
Controlelamp automatische snelheidsregeling

De controlelamp gaat branden wanneer u een snelheid heeft ingesteld met behulp van de snelheidsregeling. Zie Gebruik maken van snelheidsregeling (bladzijde 161).
Richtingaanwijzers

Knippert tijdens werking. Een plotselinge toename van de knipperfrequentie duidt op een defecte gloeilamp. Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 60).
Waarschuwingslamp motor

Wanneer de lamp bij draaiende motor brandt, duidt dit op een storing. Wanneer deze tijdens het rijden knippert, minder dan onmiddellijk snelheid. Blijft de lamp knipperen, vermijd dan snel accelereren en krachtig afremmen. Laat het systeem onmiddellijk door een goed opgeleide monteur controleren.
LET OP

Als de waarschuwingslamp motor brandt vergezeld van een bericht, dan moet het systeem zo snel mogelijk den gecontroleerd.
Controlelamp Forward Alert

Deze brandt wanneer deze functie wordt uitgeschakeld of in combinatie met een bericht.
Zie Functie voorgangerwaarschuwing (forward alert) (bladzijde 167).
Controlelamp mistlampen, vóór

Brandt wanneer u de mistlampen vóór inschakelt.
Waarschuwingslamp 'Vorst'
WAARSCHUWING

Ook wanneer de temperatuur tot boven +4°C (39°F) stijgt, is dit nog geen garantie dat de weg vrij is van gevaren die door plotselinge weersveranderingen kunnen ontstaan.

Deze lamp brandt oranje bij een buitenluchttemperatuur tussen +4 °C en 0 °C. Het brandt en
kleurt rood wanneer de temperatuur lager dan 0 °C is.
Controlelamp voorgloeibougies

Zie Een dieselmotor starten (bladzijde 128).
Controlelamp koplampen

Brandt wanneer u het dimlicht of de stadslichten en achterlichten inschakelt.
Waarschuwingslamp laadstroom

Als deze lamp brandt onder het rijden, dan duidt dit op een storing. Schakel alle onnodige
stroomverbruikers uit. Laat het systeem onmiddellijk door een goed opgeleide monteur controleren.
Waarschuwing voor verlaten rijstrook (lane departure)

Deze brandt wanneer deze functie wordt uitgeschakeld of in combinatie met een bericht.
Zie Waarschuwing rijden buiten baan (bladzijde 173).
Waarschuwingslamp laag brandstofniveau

Wanneer deze lamp brandt, ga dan zo spoedig mogelijk tanken.
Waarschuwingslamp lage bandenspanning

Zie
Bandenspanningcontrolesysteem (bladzijde 243).
Brandt wanneer u het grootlicht inschakelt. De lamp knippert wanneer u een lichtsignaal geeft.
Berichtsymbolen

De controlelamp gaat branden wanneer een nieuw bericht is opgeslagen op de
informatiedisplay. Zie Infoberichten (bladzijde 91).
Waarschuwingslamp oliedruk
LET OP
Hervat uw reis niet wanneer de controlelamp gaat branden terwijl het peil correct is. Laat het systeem onmiddellijk door een goed opgeleide monteur controleren.

Wanneer de lamp na het starten blijft branden of oplicht tijdens het rijden, dan duidt dit op een
storing. Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan en schakel de motor uit. Controleer het motoroliepeil. Zie Motorolie controleren (bladzijde 221).
Controlelamp mistachterlicht

Brandt wanneer u de mistachterlichten inschakelt.
Herinneringssysteem veiligheidsgordel

Zie Waarschuwingssignaal veiligheidsgordel (bladzijde 27).
Controlelampje schakelen

Het controlelampje brandt om aan te geven dat schakelen naar een hogere versnelling zuiniger
is en voor een lagere CO2-uitstoot zorgt. Het controlelampje brandt niet tijdens perioden van hoge acceleratie, remmen of intrappen van het koppelingspedaal.
Controlelamp Elektronisch Stabiliteits Programma (ESP)

Wanneer het systeem tijdens het rijden wordt geactiveerd, knippert de lamp. Als na het
inschakelen van het contact deze lamp niet brandt of indien het tijdens het rijden continu brandt, dan duidt dit op een storing. Bij storingen schakelt het systeem uit. Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren.

Wanneer u het aandrijfregelsysteem (traction control) uitschakelt, gaat de
waarschuwingslamp branden. De lamp gaat uit wanneer u het systeem weer inschakelt of wanneer u het contact uitschakelt.
Start/stop-indicatielamp

Deze lamp brandt om u te informeren over wanneer de motor wordt uitgeschakeld of in
combinatie met een bericht. Zie Start/stop knop gebruiken (bladzijde 133). Zie Infoberichten (bladzijde 91).
De gongsignalen in- en uitschakelen
U kunt bepaalde akoestische signalen op de informatiedisplay deactiveren met behulp van de stuurwielbediening. Voor locatie: Zie In één oogopslag (bladzijde 10).
Type gong instellen:
- Druk op de linker pijltjestoets op het stuurwiel om het hoofdmenu binnen te gaan.
- Selecteer Instellingen met de op- en neer-pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets.
- Selecteer Chimes en druk op de rechter pijltoets.
- Selecteer Information of Warning en druk op de toets OK om het gongsignaal in en uit te schakelen.
- Druk op de linker pijltoets om het menu te verlaten. Houd de linker pijltoets ingedrukt om terug te keren naar de weergave van het hoofdmenu.
Indien de keuzehendel niet in de stand P staat klinkt een akoestisch waarschuwingssignaal wanneer het bestuurdersportier wordt geopend.
Vorst
WAARSCHUWING

Ook wanneer de temperatuur tot boven +4°C (39°F) stijgt, is dit nog geen garantie dat de weg vrij is van en die door plotselinge sveranderingen kunnen ontstaan.
Een waarschuwingssignaal klinkt onder de volgende weersomstandigheden:
•+4°C (39°F) of lager: vorstwaarschuwing.
- 0°C (32°F) of lager: gevaar voor ijzel.
Sleutel buiten auto
Uitvoeringen met sleutelloze toegang
Als de motor draait en er geen passieve sleutel meer in het interieur gedetecteerd wordt, klinkt een akoestisch waarschuwingssignaal.
Portier niet goed gesloten
Er klinkt een waarschuwingssignaal wanneer er een portier geopend wordt als het voertuig een relatief lage snelheid overschrijdt.
Verlichting ingeschakeld
Wanneer bij afgezet contact het bestuurdersportier wordt geopend terwijl de buitenverlichting niet is uitgeschakeld, klinkt een akoestisch waarschuwingssignaal.
Laag brandstofpeil
Er klinkt een waarschuwingssignaal wanneer de resterende brandstof minder dan ca. 6 liter is.
Herinneringssysteem veiligheidsgordel
Zie Waarschuwingssignaal veiligheidsgordel (bladzijde 27).
ALGEMENE INFORMATIE
N.B.: De informatiedisplay blijft nadat u het contact hebt afgezet gedurende enkele minuten aan.
Verschillende systemen van uw auto kunnen worden aangestuurd met behulp van de bedieningstoetsen informatiedisplay op de stuurkolom. De bijbehorende informatie verschijnt op de informatiedisplay.
Raadpleeg voor gedetailleerde instructies de betreffende handleiding.
Lijst met componenten
Het pictogram verandert om de gebruikte functie aan te duiden.

CD-speler

Radio

Auxiliary ingang

Telefoon

Instellingen
Bedieningstoetsen
Druk op de pijltoetsen omhoog en omlaag om door de opties in het menu te scrollen en deze te selecteren.
Druk op de rechter pijltoets om een submenu op te vragen.
Druk op de linker pijltoets om een menu te verlaten.
Houd telkens de linker pijltoets ingedrukt wanneer u naar het hoofdmenu wilt terugkeren (escape toets).
Druk op de OK toets om een keuze te maken en een instelling te bevestigen.
Menustructuur informatiedisplay
Alle modelvarianten
U verkrijgt toegang tot het menu met behulp van de bedieningstoetsen informatiedisplay. Voor locatie: Zie In één oogopslag (bladzijde 10).
Infodisplays
![graph TD A["Boordcomputer"] --> B["Dagteller"] A --> C["Actieradius"] A --> D["Huidigverbruik"] A --> E["Ø-verbruik"] A --> F["Ø-snelheid"] A --> G["Buitentemp."] A --> H["Fabrieksinstelling"] I["Informatie"] --> J["Gordels"] I --> K["Auto StartStop"] I --> L["Driver Alert"] I --> M["Verk.borden"] N…](/content/2026/06/1159513/images/1cf27e2593e4b6e46ac3b9e1ba22259bca2539a45b45d985288ed37884515e53.jpg)
![graph TD A["A"] --> B["B"] B --> C["Display"] B --> D["Attentiegel."] B --> E["Comfort"] C --> F["Navigatie-info"] C --> G["Taalgegevens voor"] D --> H["Maateenheid"] D --> I["Temp.eenh."] D --> J["Parkeerhulp"] D --> K["Een waarschuwing"] E --> L["Extra verw."] E --> M["Standverwarm."] E --> N["Ala…](/content/2026/06/1159513/images/630fd8a96768e1c95a0b3e32bf93c65f9b86bd8751a3f295478da48eaf2f3264.jpg)
E133368
Menustructuur informatie- en entertainmentdisplay
U heeft toegang tot het menu met behulp van de toetsen op het audio- of navigatiesysteem.
Alle modelvarianten
![graph TD A["CD"] --> B["Radio"] B --> C["Aux"] C --> D["Telefoon"] D --> E["SYNC-Telefoon"] E --> F["Menu"] F --> G["SYNC-Applications"] B --> H["FM"] H --> I["FM AST"] H --> J["DAB1"] H --> K["DAB2"] H --> L["AM"] H --> M["AM AST"] C --> N["iPOD"] N --> O["USB"] N --> P["Bluetooth audio"] N --> Q["…](/content/2026/06/1159513/images/6d543a8f6175554cfaaba9f271f03ff688e6d839b3434e7e137e49b14f029a89.jpg)



E156546
Menustructuur informatie- en entertainmentdisplay
U verkrijgt toegang tot het menu met behulp van de bedieningstoetsen informatie- en entertainmentdisplay. Voor locatie: Zie In één oogopslag (bladzijde 10).
Auto's met navigatiesysteem
![graph TD A["Navigatie"] --> B["A"] A --> C["B"] A --> D["C"] B --> E["Route"] E --> F["Actieve routegel"] E --> G["Routelijst"] E --> H["Omleiding"] E --> I["Gedeelte vrijgev"] B --> J["Best. invoeren"] J --> K["Land"] J --> L["Stad/PC"] J --> M["Straat"] J --> N["Stadsdeel"] J --> O["Start routegel…](/content/2026/06/1159513/images/204fee306247947b560e2b828537b4decf6f8aa5401b4fde6fd436d2e56be2bc.jpg)
Infodisplays
![graph TD A["A"] --> CD["CD"] CD --> de_radio["de radio"] CD --> Aux["Aux"] Aux --> Telefoon["Telefoon"] Menu["Menu"] --> B["B"] B --> N["Navigatie"] B --> C["C"] C --> Eco_instelling["Eco instelling"] C --> Dynamisch["Dynamisch"] C --> Snelweg["Snelweg"] C --> Tunnel["Tunnel"] C --> Veer/Autotrein["…](/content/2026/06/1159513/images/c9e71fd6b91b4cf3371aa1ee4783d9df12c7f301530616cd7b3fb41225093938.jpg)
E130535
![graph TD B["● B"] --> A1["Audio"] B --> A2["Klok"] C["● C"] --> D1["Hulpfuncties"] C --> D2["Pers. gegevens"] C --> D3["Instellingen terug"] D1 --> E1["Borden/rijstrook"] D1 --> E2["Max. snelheden"] D1 --> E3["Nav-pijl in lijsten"] D1 --> E4["Gevarenlocatie"] D2 --> F1["Laatste best. wissen"] D2 -->…](/content/2026/06/1159513/images/288c866e0b05728681289a76fa2e2849850de43677063051e55943ac91a35859.jpg)
TRIPCOMPUTER
Tripcomputer
De dagteller registreert het aantal kilometers van een bepaald traject.
Actieradius tot de brandstoftank leeg is
Duidt bij benadering de afstand aan die nog kan worden afgelegd voordat de tank leeg is. De waarde zal variëren naarmate de rijomstandigheden veranderen.
Momentaan brandstofverbruik
Duidt het momentane gemiddelde brandstofverbruik aan.
Gemiddeld brandstofverbruik
Geeft het gemiddelde brandstofverbruik aan vanaf het moment dat de functie op nul werd teruggesteld.
Gemiddelde snelheid
Geeft de berekende gemiddelde snelheid aan vanaf het moment dat de functie op nul werd teruggesteld.
Buitentemperatuur
Geeft de buitentemperatuur weer.
Kilometerteller
De kilometerteller geeft het totale aantal gereden kilometers weer.
Tripcomputer resetten
Een bepaald display terugstellen:
- Selecteer Boordcomputer met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets.
- Selecteer de functie die moet worden teruggesteld.
- Houd de OK toets ingedrukt.
PERSOONLIJKE INSTELLINGEN
Taal instellen
Er kan uit 13 talen worden gekozen:
Engels, Duits, Italiaans, Frans, Spaans, Russisch, Nederlands, Pools, Zweeds, Portugees, Tsjechisch, Deens en Noors.
Maateenheden
Blader naar dit display en druk op de OK-toets om te wisselen tussen metrische en Engelse eenheden.
Het wisselen tussen de maateenheden met dit dispaly heeft invloed op de volgende displays:
- Resterende afstand tot tank leeg is
•Gemiddeld brandstofverbruik
•Momentaan brandstofverbruik
•Gemiddelde snelheid
Temperatuureenheden
Blader naar dit display en druk op de OK-toets om te wisselen tussen metrische en Engelse eenheden.
Het wisselen naar andere temperatuureenheden via dit display heeft invloed op de volgende displays:
- Omgevingstemperatuur
- Het temperatuurdisplay in de automatische klimaatregeling.
Gong uitschakelen
De volgende geluidssignalen kunnen worden uitgeschakeld:
• Waarschuwingsmeldingen.
- Informatiemeldingen.
INFOBERICHTEN
N.B.: Afhankelijk van het type instrumentenpaneel kunnen bepaalde berichten worden afgekort of ingekort.

Druk op de toets OK om te bevestigen en om enkele berichten van de informatiedisplay te verwijderen. Andere berichten worden na korte tijd automatisch verwijderd.
Bepaalde berichten moeten worden bevestigd voordat toegang tot de menu's wordt verkregen.
Berichtsymbolen

De berichtenindicator licht op om bepaalde berichten aan te vullen. Afhankelijk van de ernst
van het bericht is de indicator rood of oranje en blijft deze branden totdat de oorzaak van het bericht is verholpen.
Sommige berichten worden aangevuld door een systeemspecifiek symbool met een berichtenindicator.
Active City Stop
| Mededeling | Berichtsymbolen | Te verrichten handeling |
| airbag storing service nu | oranje | Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. |
Alarminstallatie
| Mededeling | Berichtsymbolen | Te verrichten handeling |
| alarm afgegaan check voertuig | Zie Alarm (bladzijde 42).oranje | |
| Alarmsysteem, Storing, Onderhoud zsm | - | Laat het systeem door een goed opgeleide monteur controleren. |
| Mededeling | lamp | Te verrichten handelingControle- |
| derd zicht Ruit schoon-maken | oranjeFrontcamera Vermin-De sensor van de frontcamera heeft verminderd zicht. Reinig de voorruit. | |
| Onderhouds zsm | oranjeFronteresa Staming frontcamera heeft een storing.Laat dit zo snel mogelijk controleren. | |
Accu en laadsysteem
| Mededeling | Berichtsymbolen | Te verrichten handeling |
| Overspanning elektrisch systeem. Stop veilig. | rood | Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan en schakel het contact uit. Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. |
| Accu, Spanning laag, Zie handboek | oranje | Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. |
Controlefunctie blinde hoek
| Mededeling | Berichtsymbolen | Te verrichten handeling |
| BLIS Vermonderd zicht Zie handboek | ZieMonitor dode hoek (bladzijde 72).oranje | |
| BLIS: storing rechter sensor, Onderhoud zsm | oranje | Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. |
| BLIS: storing linker sensor, Onderhoud zsm | oranje | Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. |
| BLIS, Niet beschikbaar wegens aanhanger | ZieMonitor dode hoek (bladzijde 72).oranje |
Elektrisch bediend kinderslot
| Mededeling | Berichtsymbolen | Te verrichten handeling |
| Elektrisch kinderslot, Storing, Onderhoud zsm | oranje | Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. |
Klimaatregeling
| Mededeling | lamp | Te verrichten handelingControle- |
| Zie Extra verwarming (bladzijde 112).oranjeHulpverwarm | ||
| Zie Extra verwarming (bladzijde 112).-Hulpverwarming ui |
Cruise control en adaptieve cruise control (ACC)
| Mededeling | lamp | Te verrichten handelingControle- |
| geblokkeerd Zie handboek | oranjeVoorste radar-sensor | Zie Adaptieve snelheidsregeling (ACC)(bladzijde 163). |
| beschikbaar | oranjeForzaerAdaptieve snelheidsregeling (ACC)(bladzijde 163). | |
| ACC niet beschikbaar | oranje | Zie Adaptieve snelheidsregeling (ACC)(bladzijde 163). |
Portieren open
| Mededeling | Berichtsymbolen | Te verrichten handeling |
| roodBestuurderspo. open portier. | Stop de auto zo snel dit veilig kan en sluit het portier. | |
| Achterportier bestuurdersz. open | rood | Stop de auto zo snel dit veilig kan en sluit het portier. |
| roodPassag portier open portier. | Stop de auto zo snel dit veilig kan en sluit het portier. | |
| Achterportier passagierszijde open | rood | Stop de auto zo snel dit veilig kan en sluit het portier. |
| roodKofferbak open portier. | Stop de auto zo snel dit veilig kan en sluit het portier. | |
| roodmotorkap opere De motorkap openen en sluiten (bladzijde 211). | Stop de auto zo snel dit veilig kan en sluit het portier. |
Bestuurderswaarschuwing
| Mededeling | lamp | Te verrichten handelingControle- |
| feur moe Rusten nu! | roodWaa | Bremydeg Chatoft stilstand zodra dit veilig kan en pauzeer. |
| feur moe Rust aanbe-volen! | oranjeWa | arschuwing Chauf-Neem gauw een pauze. |
Startblokkeringssysteem
| Mededeling | Berichtsymbolen | Te verrichten handeling |
| Startonderbreking actief, Zie handboek | oranje | Uw sleutel is niet herkend. Neem de sleutel uit het slot en probeer het nogmaals. |
| Startonderbreking, Storing, Onderhoud zsm | oranje | Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. |
Hellingstart
| Mededeling | Berichtsymbolen | Te verrichten handeling |
| Hellingstart niet beschikbaar | oranje | Laat het systeem door een goed opgeleide monteur controleren. |
Keyless entry (sleutelloze toegang)
| Mededeling | Berichtsymbolen | Te verrichten handeling |
| Ford KeyFree, Sleutel niet in auto | Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 35).rood | |
| Ford KeyFree, Sleutel in auto | Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 35).oranje | |
| Ford KeyFree Steek sleutel in sleutelhouder | Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 35).- |
Infodisplays
| Mededeling | Berichtsymbolen | Te verrichten handeling |
| Ford KeyFree, Sleutel niet herkend | Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 35).- | |
| Sleutel, Batterij leeg, Vervangen | - | Zie Batterij van afstandsbediening vervangen (bladzijde 30). |
| Stuurslot geactiveerd, Stuur draaien | Zie Stuurwielblokkering (bladzijde 126).- |
Lane keeping aid
| Mededeling | lamp | Te verrichten handelingControle- |
| storing Onderhoud zsm | oranjeLan | Lakebertsaideem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. |
Verlichting
| Mededeling | Berichtsymbolen | Te verrichten handeling |
| Koplamp, Storing, Onderhoud zsm | oranje | Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. |
| -Remlicht-Lamp defect | Een of beide gloeilampen van de remlichten is of zijn defect. Controleer de gloeilampen van de remlichten. Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 60). | |
| Parkeerlicht, Lamp defect | - | Een of meer gloeilampen van de stadslichten of achterlichten is of zijn defect. Controleer de gloeilampen van de stadslichten en achterlichten. Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 60). |
| Mistachterlicht, Lamp defect | - | Een of beide gloeilampen van de mistachterlichten is of zijn defect. Controleer de gloeilampen van de mistachterlichten. Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 60). |
Infodisplays
| Mededeling | Berichtsymbolen | Te verrichten handeling |
| -Dimlicht Lamp defect | Een of beide gloeilampen van het dimlicht is of zijn defect. Controleer de gloeilampen van het dimlicht. Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 60). | |
| Remlicht aanhanger, Lamp defect | - | Een of beide gloeilampen van de remlichten van uw aanhanger is of zijn defect. Controleer de gloeilampen van de remlichten van uw aanhanger. |
| Knipperl. aanhang., Lamp defect | - | Een of beide gloeilampen van de richtingaanwijzers van uw aanhanger is of zijn defect. Controleer de gloeilampen van de richtingaanwijzers van uw aanhanger. |
Onderhoud
| Mededeling | Berichtsymbolen | Te verrichten handeling |
| Motortemperatuur te hoog, Veilig stoppen! | rood | Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan en schakel het contact uit. Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. |
| Laag niveau, Remvloeistof, Onderhoud nu | rood | Controleer het remvloeistofniveau. Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 223). |
| Motor Storing Onderhoud nu! | rood | Stop zodra dit veilig kan en zet de motor onmiddel- lijk af. Laat het systeem onmiddellijk door een goed opgeleide monteur controleren. |
| Water geregistreerd in brandstof, onderhoud nodig | oranje | Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. |
| Motor Storing Onderhoud nu! | oranje | Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. |
| Vloeistofpeil ruitensproeier laag | - | Controleer het peil van de ruitensproeiervloeistof. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 223). |
| -Motorolie verversen | Laat het systeem door een goed opgeleide monteur controleren. |
Bescherming van de inzittenden
| Mededeling | lamp | Te verrichten handelingControle- |
| zsm | -Gordellathesysteem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. | |
Vooruit- en achteruitrijbeveiliging
| Mededeling | lamp | Te verrichten handelingControle- |
| Onderhoud zsm | oranjelnp | arkeelhp y Steering zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. |
Handrem
| Mededeling | lamp | Te verrichten handelingControle- |
| Handrem aangetrokken | rood | Zie Parkeerrem (bladzijde 146). |
| Handrem aangetrokken | oranje | Zie Parkeerrem (bladzijde 146). |
Stuurbekrachtiging
| Mededeling | Berichtsymbolen | Te verrichten handeling |
| Stuurslot Storing Veilig stoppen | rood | Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan en schakel het contact uit. Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. |
| Besturing uitgevallen Veilig stoppen! | rood | Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan en schakel het contact uit. Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. |
| Stuurbekrachtiging Storing Onderhoud zsm | oranje | Stuurbekrachtiging. De auto blijft bestuurbaar, maar hiervoor is meer kracht vereist. Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. |
| Besturing, Storing, Onderhoud nu | oranje | Laat het systeem door een goed opgeleide monteur controleren. |
Stabiliteitsregeling (ESP)
| Mededeling | lamp | Te verrichten handelingControle- |
| Zie Algemene informatie (bladzijde 83).oranjeTractic |
De motor inschakelen
| Mededeling | Berichtsymbolen | Te verrichten handeling |
| Ford KeyFree, contact afzetten, op POWER drukken | Zie Sleutelloos starten (bladzijde 129).rood | |
| Rijden reinigt uitlaatfilter Zie handboek | Zie Dieselroetfilter (bladzijde 131).oranje | |
| Motor Storing Onderhoud nu! | Zie Dieselroetfilter (bladzijde 131).oranje | |
| Rem indrukken om te starten | Zie Sleutelloos starten (bladzijde 129).- |
Infodisplays
| Mededeling | Berichtsymbolen | Te verrichten handeling |
| Koppeling indrukken om te starten | Zie Sleutelloos starten (bladzijde 129).- | |
| Rem en koppeling indrukken om te starten | Zie Sleutelloos starten (bladzijde 129).- | |
| Tijdoverschrijding motorstart | Zie Motor starten en stoppen (bladzijde 126).- | |
| Zie Een dieselmotor starten (bladzijde 128).-mo | ||
| Uitlaatfilter wordt gereinigd | Zie Dieselroetfilter (bladzijde 131).- | |
| Zie Dieselroetfilter (bladzijde 131).-Reinigen filte |
Start/stop
| Mededeling | Berichtsymbolen | Te verrichten handeling |
| Auto StartStop Ontsteking uitschakelen | rood | Schakel het contact uit voordat u uit het voertuig stapt als het systeem de motor uitgeschakeld heeft. Zie Start/stop knop gebruiken (bladzijde 133). |
| Auto StartStop Storing Onderhoud zsm | oranje | Laat het systeem door een goed opgeleide monteur controleren. |
| Auto StartStop Om te starten Kopp. indrukken | - | De motor moet weer worden gestart; trap het koppelingspedaal in om te starten. Zie Start/stop knop gebruiken (bladzijde 133). |
| Auto StartStop Versnelling in vrij zetten | - | Selecteer neutraal om het systeem de motor weer te laten starten. Zie Start/stop knop gebruiken (bladzijde 133). |
| Auto StartStop Handmatig starten vereist | - | Het systeem werkt niet. Er moet handmatig worden gestart. |
Transmissie
| Mededeling | Berichtsymbolen | Te verrichten handeling |
| Transmissie te heet, Remped. indrukken | rood | Onder bepaalde rijomstandigheden kunnen de koppelingen in de transmissie oververhit raken. Onder dergelijke omstandigheden moet het rempedaal worden ingetrapt en de auto worden stilgezet om verdere oververhitting. Selecteer N (NEUTRAL) of P (PARK) en bedien het rempedaal en de parkeerrem tot de transmissie is afgekoeld en het bericht uit de display is verdwenen. Als met de auto wordt gereden met dit actieve bericht, dan kan als oververhittingswaarschuwing schokken van de auto voorkomen. |
| Transmissie, Storing, Onderhoud nu | rood | Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. |
| Transmissie te heet, Veilig stoppen! | rood | De transmissie is oververhit. Onder deze extreme omstandigheden schakelt de transmissie de aandrijving uit om beschadiging als gevolg van oververhitting te voorkomen. U kunt pas weer met de auto rijden wanneer de transmissie is afgekoeld. Selecteer N (NEUTRAL) of P (PARK) en bedien het rempedaal en de parkeerrem tot de transmissie is afgekoeld en het bericht uit de display is verdwenen. |
| Transmissie te heet, Remped. indrukken | oranje | Onder bepaalde rijomstandigheden kunnen de koppelingen in de transmissie oververhit raken. Onder dergelijke omstandigheden moet het rempedaal worden ingetrapt en de auto worden stilgezet om verdere oververhitting. Selecteer N (NEUTRAL) of P (PARK) en bedien het rempedaal en de parkeerrem tot de transmissie is afgekoeld in het bericht uit de display is verdwenen. Als met de auto wordt gereden met dit actieve bericht, dan kan als oververhittingswaarschuwing schokken van de auto voorkomen. |
| Transmissie beperkte functie, Zie handboek | oranje | Sommige versnellingen zijn mogelijk niet beschikbaar. Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. |
Infodisplays
| Mededeling | Berichtsymbolen | Te verrichten handeling |
| Transmissie warmt op, Even wachten | - | Bij lage buitentemperaturen kan het na het starten van de motor enkele seconden duren voordat de transmissie R (REVERSE) of D (DRIVE) inschakelt. Houd het rempedaal ingetrapt tot deze berichten uit de display zijn verdwenen. |
| Automaat niet in parkeerstand, Selecteer P | - | Zie Automatische transmissie (bladzijde 143). Zie Motor starten en stoppen (bladzijde 126). |
| om te starten druk rempedaal in | - | Zie Automatische transmissie (bladzijde 143). Zie Motor starten en stoppen (bladzijde 126). |
| Zie Automatische transmissie (bladzijde 143). |
Bandenspanningcontrolesysteem
| Mededeling | Berichtsymbolen | Te verrichten handeling |
| Controleer bandenspanning! | oranje | De spanning in een van de banden is gedaald. Controleer de spanning zo snel mogelijk. |
| Bandenspann.sys., Storing, Onderhoud zsm | oranje | Permanente storing. Laat uw auto door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. |
WERKING
Buitenlucht
Houd de luchtinlaten voor de voorruit vrij van belemmeringen (sneeuw, bladeren, enz.) zodat het klimaatregelsysteem effectief kan werken.
Gerecirculeerde lucht
LET OP
Wanneer de luchtrecirculatiestand langdurig wordt ingeschakeld, kunnen de ruiten beslaan. Wanneer de ruiten beslaan, stel dan de standen in om de voorruit te ontdooien en te ontwasemen.
De lucht die zich in het passagierscompartiment bevindt, wordt gerecirculeerd. Er stroomt geen buitenlucht de auto in.
Verwarming
De verwarmingscapaciteit is afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur.
Airconditioning
N.B.: De airconditioning werkt alleen wanneer de temperatuur hoger is dan 4 °C.
N.B.: Wanneer de airconditioning is ingeschakeld, zal het brandstofverbruik hoger zijn.
De lucht wordt door de warmtewisselaar gevoerd, waar deze wordt gekoeld. Om de ruiten wasemvrij te houden wordt vocht aan de lucht onttrokken. Het condens wordt naar buiten afgevoerd en daarom is het normaal dat zich een klein plasje water onder de auto vormt.
Algemene informatie over de klimaatregeling in het interieur
Sluit alle ruiten.
Het interieur verwarmen
Laat de lucht naar de beenruimten stromen. Laat, bij koud of vochtig weer, een geringe hoeveelheid lucht naar de voorruit en de portierruiten stromen.
Het interieur afkoelen
Laat de lucht naar het hoofdniveau stromen.
VENTILATIEROOSTERS
Middelste luchtroosters

Luchtrooster aan de zijkant

HANDMATIGE
KLIMAATREGELING
Toetsen voor luchtverdeling

E74660
HoofdniveauA
Hoofdniveau en beenruimteB
BeenruimteC
Beenruimte en voorruitD
VoorruitE
De luchtverdeelknop kan in elke gewenste stand tussen de symbolen worden gezet.
Ventilator

Off (uit)A
N.B.: Wanneer u de aanjager uitschakelt kan de voorruit beslaan.
Gerecirculeerde lucht

Druk op de toets om te kiezen tussen toevoer van buitenlucht en het recirculeren van de in het interieur aanwezige lucht.
Interieur snel verwarmen

Ventilatie

Stel de regelknoppen van de luchtstroom, de aanjager en luchtroosters naar wens in.
Airconditioning
Airconditioning in- en uitschakelen

Wanneer u de aanjager uitschakelt, wordt ook de airconditioning uitgeschakeld. Wanneer u de aanjager weer inschakelt, schakelt de airconditioning automatisch in.
Koelen met buitenlucht

Interieur snel afkoelen

E129887
Met de verwarmingsregeling in deze stand worden de airconditioning en de gerecirculeerde lucht automatisch ingeschakeld.
De airconditioning en gerecirculeerde lucht kunnen worden in- en uitgeschakeld.
Voorruit ontdooien en ontwasemen

Wanneer de temperatuur hoger is dan 4 °C, schakelt de airconditioning automatisch in. Let erop dat de aanjager aanstaat. De controlelamp in de schakelaar brandt tijdens het ontdooien en ontwasemen.
Wanneer u de luchtverdeelknop in een andere stand dan voorruit zet, blijft de A/C ingeschakeld.
U kunt de airconditioning en luchtrecirculatie in- en uitschakelen terwijl de luchtverdeelknop in de stand voorruit staat.
Schakel zo nodig de ruitverwarming in. Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 109).
Luchtvochtigheid in het interieur verlagen

Het systeem regelt automatisch de temperatuur, de hoeveelheid en verdeling van de lucht en past deze aan de rij- en weersomstandigheden aan. Door eenmaal op de AUTO toets te drukken wordt de auto modus ingeschakeld.
Uw auto is uitgerust met een automatisch klimaatregelsysteem met twee zones. Wanneer het systeem in de mono modus staat, worden alle temperatuurzones gekoppeld aan de zone aan bestuurderszijde. Wanneer u de mono modus uitschakelt, kunt u met het twee zone systeem verschillende temperaturen instellen voor de bestuurder en passagier voorin.
N.B.: Vermijd het wijzigen van de instellingen wanneer het in de auto extreem warm of koud is. De automatische klimaatregeling past zich automatisch aan de actuele omstandigheden aan. Voor een correcte werking van het systeem moeten de midden- en zijroosters volledig zijn geopend.
N.B.: De zonnesensor bevindt zich bovenop het instrumentenpaneel. Bedek de zonnesensor niet.
N.B.: Als het systeem bij lage buitentemperaturen in de auto modus staat, wordt de lucht zolang de motor koud is naar de voorruit en de zijruiten geleid.
Temperatuur instellen

E133115
U kunt de temperatuur tussen 15,5 °C en 29,5 °C in stappen van 0,5 °C instellen. In de stand LO, 15 °C, schakelt het systeem over op permanente koeling. In de stand HI, 30 °C, schakelt het systeem over op permanente verwarming.
N.B.: Als stand LO of HI wordt geselecteerd, dan regelt het systeem geen stabiele temperatuur.
Mono modus
In de mono modus zijn de temperatuurinstellingen voor de bestuurder en de passagier aan elkaar gekoppeld. Wanneer u de temperatuur met de draaiknop aan bestuurderszijde verandert, wordt dezelfde instelling voor de passagierszijde doorgevoerd. In de mono modus verschijnt MONO in de display.
Mono modus uitschakelen
Selecteer met de draaiknop aan passagierszijde een temperatuur voor de passagierszijde. De mono modus wordt uitgeschakeld en MONO verdwijnt van de display. De temperatuur voor de bestuurderszijde blijft ongewijzigd. U kunt nu de temperatuur voor de bestuurderszijde en de passagierszijde onafhankelijk van elkaar instellen. De temperatuurinstellingen voor beide zijden worden in de display weergegeven. U kunt een temperatuurverschil van maximaal 4 °C instellen.
N.B.: Wanneer het temperatuurverschil groter is dan 4 °C, wordt de temperatuur aan de andere zijde bijgesteld zodat het verschil 4 °C blijft.
N.B.: Wanneer voor één zijde de stand HI of LO wordt geselecteerd, wordt voor beide zijden de stand HI of LO ingesteld.
Druk op de knop AUTO en houd deze ingedrukt om de mono-modus weer in te schakelen. MONO verschijnt in de display en de temperatuur aan passagierszijde wordt aangepast aan de temperatuur aan bestuurderszijde.
Ventilator

Stel het aanjagertoerental met de toetsen in.
De ventilatorinstelling wordt in de display weergegeven.
Druk om terug te keren naar de auto modus op de AUTO toets.
Luchtverdeling
Druk op de gewenste toets om de luchtverdeling in te stellen. ledere combinatie van instellingen kan tegelijkertijd worden geselecteerd.

E70308
BeenruimteA
HoofdniveauB
VoorruitC
Wanneer u voorruit ontdooien en ontwasemen kiest schakelen A, B en C automatisch uit en wordt de airconditioning ingeschakeld. Buitenlucht stroomt nu het interieur in. U kunt de recirculatiestand niet selecteren.
Interieur snel afkoelen

Voorruit ontdooien en ontwasemen

Druk de knop voorruit ontdooien en ontwasemen in. Buitenlucht stroomt nu het interieur in. De airconditioning wordt automatisch ingeschakeld. Zolang de luchtverdeling in deze stand blijft staan, kunt u de recirculatiestand niet selecteren.
Het ventilatortoerental en de temperatuurregeling werken automatisch en kunnen niet met de hand worden bediend. De aanjager draait met een hoog toerental en de temperatuur wordt op HI ingesteld.
Wanneer u voorruit ontdooien en ontwasemen selecteert, schakelt de voorruitverwarming automatisch in en na korte tijd weer uit.
Druk om terug te keren naar de auto modus op de AUTO toets.
Airconditioning in- en uitschakelen

Druk op de A/C toets om de airconditioning in of uit te schakelen. A/C OFF verschijnt in de display wanneer de airconditioning is uitgeschakeld.
A/C ON verschijnt in de display wanneer de airconditioning wordt ingeschakeld.
Gerecirculeerde lucht

Druk op de recirculatietoets om de lucht te laten recirculeren.
N.B.: In de auto modus wordt bij hoge binnen- en buitentemperaturen voor een maximale koeling van het interieur automatisch de recirculatiestand ingeschakeld. Wanneer de ingestelde temperatuur eenmaal is bereikt, selecteert het systeem automatisch toevoer van buitenlucht.
Automatische airconditioning uitschakelen

Druk de toets.
Het verwarmings-, ventilatie- en airconditioningsysteem wordt uitgeschakeld en de recirculatiestand ingeschakeld.
Schakel de ruitverwarming in om de voor- of achterruit te ontdooien of ontwasemen.
N.B.: De ruitverwarming werkt alleen bij een draaiende motor.
Verwarmde voorruit

Verwarmde achterruit

Auto's zonder extra verwarming
Als de omgevingstemperatuur lager is dan 5 °C en de temperatuur van de motorkoelvloeistof lager is dan 65 °C, dan worden de verwarmde voorruit en achterruit automatisch ingeschakeld. Het systeem wordt automatisch uitgeschakeld.
Verwarmbare buitenspiegels
In de elektrisch bedienbare buitenspiegels is een verwarmingselement gemonteerd dat het spiegelglas ontdooit of ontwasemt. Wanneer u de achterruitverwarming inschakelt, worden deze elementen automatisch ingeschakeld.
ELEKTRISCH ZONNEDAK
WAARSCHUWING

Controleer voordat u het elektrisch bedienbare schuifdak bedient, of deze vrij is van obstructies en overtuig u ervan dat zich geen kinderen en/of huisdieren in de nabijheid van de schuifdakopening bevinden. Het nalaten hiervan kan ernstig lichamelijk letsel tot gevolg hebben. Het is in eerste instantie de verantwoording van de toeziende volwassenen dat een kind nooit alleen in de auto blijft; laat nooit de sleutels in de auto achter.
N.B.: Wanneer de schakelaars gedurende korte tijd vaak worden bediend kan het systeem een bepaalde tijd buiten werking treden om schade door oververhitting te voorkomen.
N.B.: Het elektrisch bedienbare schuifdak kan bij afgezet contact worden bediend via de functie integraal openen/sluiten. Zie Centrale vergrendeling (bladzijde 38).
Het schuifdak kan op twee manieren worden geopend - de achterzijde van het schuifdak kan omhoog worden gekanteld of het schuifdak kan horizontaal naar achteren worden geschoven. Wanneer de schakelaar wordt ingedrukt opent of sluit het schuifdak.
Zet het contact aan om de elektrisch bedienbare schuifdak te openen of te sluiten.
De schakelaar van het elektrisch bedienbare schuifdak bevindt zich tussen de zonnekleppen.
Schuifdak openen en sluiten

Schuifdak automatisch openen en sluiten
N.B.: Bij het automatisch openen stopt het schuifdak op ongeveer 8 cm van de volledig geopende stand. Deze stand reduceert het dreunende geluid dat soms bij volledig geopend schuifdak hoorbaar is. Het schuifdak stopt alleen automatisch in deze stand wanneer het automatisch wordt geopend.
Druk, om het schuifdak automatisch te openen of te sluiten, de betreffende zijde van de schakelaar tot de tweede aanslag in en laat hem vervolgens los. Druk de schakelaar opnieuw in om de beweging te stoppen.
Het schuifdak stopt automatisch wanneer de gesloten stand is bereikt.
Antiklemfunctie van het schuifdak
WAARSCHUWINGEN
De antiklemfunctie wordt buiten werking gesteld tot het geheugen opnieuw is ingesteld. Het onzorgvuldig sluiten van de ruit kan verwondingen tot gevolg hebben.
WAARSCHUWINGEN

Het onvoorzichtig sluiten van het elektrisch bedienbare schuifdak kan de antiklemfunctie teniet doen en pondingen tot gevolg hebben.
Wanneer het schuifdak tijdens het sluiten met een obstakel in aanraking komt, stopt het automatisch en schuift het een stukje terug.
Ga, om de antiklemfunctie op te heffen wanneer er sprake is van weerstand, bijv. in de winter, als volg te werk:
WAARSCHUWING

Wanneer het schuifdak voor de derde maal wordt gesloten, wordt de antiklemfunctie uitgeschakeld. Let erop dat er tijdens het sluiten van het schuifdak geen obstakels in de weg kunnen zitten.
Sluit het schuifdak voor een derde keer tot deze weerstand ondervindt. De antiklemfunctie is uitgeschakeld en het schuifdak kan niet automatisch worden gesloten. Het schuifdak zal de weerstand overwinnen en kan vervolgens volledig worden gesloten.
Laat het schuifdak door een deskundige controleren indien het na de derde poging niet sluit.
Veiligheidsmodus van het schuifdak
WAARSCHUWING

De antiklemfunctie werkt tijdens deze procedure niet. Let erop dat er tijdens het sluiten van het schuifdak geen obstakels in de weg kunnen zitten.
Wanneer het systeem een storing vaststelt, treedt de veiligheidsmodus in werking. Het schuifdak beweegt dan slechts gedurende ca. 0,5 seconden per keer en stopt vervolgens. Sluit het schuifdak door opnieuw de schakelaar in te drukken wanneer het schuifdak stopt. Wanneer de achterzijde van het schuifdak omhoog is gekanteld, laat dan het schuifdak volledig omhoogkantelen en sluit het vervolgens. Laat het systeem onmiddellijk door een deskundige controleren.
Leerprocedure schuifdak
WAARSCHUWING

De antiklemfunctie werkt tijdens deze procedure niet. Let erop dat er tijdens het sluiten van het schuifdak obstakels in de weg kunnen zitten.
Wanneer het schuifdak niet langer meer correct sluit, voer dan deze 'leerprocedure' uit:
• Kantel de achterzijde van het schuifdak zover mogelijk omhoog. Laat de schakelaar los.
- Druk de schakelaar opnieuw in en houd deze 30 seconden ingedrukt tot u het schuifdak ziet bewegen.
•Laat de schakelaar los en druk deze onmiddellijk opnieuw in. Het schuifdak sluit, schuift volledig open en schuift vervolgens weer dicht. Laat de schakelaar niet los voordat het schuifdak de gesloten stand voor de tweede keer heeft bereikt.
Wanneer de schakelaar niet constant wordt ingedrukt, wordt de leerprocedure afgebroken. Begin van voren af aan opnieuw met de procedure.
EXTRA VERWARMING
Parkeerverwarming
WAARSCHUWINGEN

Schakel de parkeerverwarming uit tijdens het tanken, wanneer u zich in een omgeving bevindt met dbare dampen of stoffen en in ten ruimten.

De parkeerverwarming moet het gehele jaar minimaal eenmaal per maand ongeveer tien minuten en ingeschakeld. Hierdoor wordt komen dat de vloeistofpomp en de germotor gaan vastzitten.
N.B.: De parkeerverwarming werkt alleen wanneer er zich minimaal 7,5 liter brandstof in de tank bevindt en de buitentemperatuur lager is dan 15 °C. De parkeerverwarming werkt niet wanneer de accu slecht geladen is.
N.B.: De verwarming werkt afhankelijk van de buitentemperatuur.
N.B.: Wanneer de parkeerverwarming is ingeschakeld, kunnen wat uitlaatgassen onder de zijkanten van de wagen uitkomen. Dit is normaal.
N.B.: Bij auto's met hanbediende klimaatregeling is de verwarming van het interieur afhankelijk van de instelling van de temperatuur, luchtverdeling en aanjager.
De parkeerverwarming werkt onafhankelijk van de verwarming van de auto door het koelvloeistofcircuit van de motor te verwarmen. Hij wordt door de brandstoftank van energie voorzien. U kunt het systeem ook tijdens het rijden gebruiken om het interieur sneller te laten opwarmen.
Wanneer de parkeerverwarming correct wordt gebruikt, biedt deze de volgende voordelen:
- Het interieur wordt voorverwarmd.
- De ruiten blijven bij vorst vrij van ijs en condensatie wordt voorkomen.
- De koude start wordt vermeden waardoor de motor eerder op bedrijfstemperatuur is.
Om te voorkomen dat de accu wordt ontladen:
- Nadat de parkeerverwarming een verwarmingscyclus heeft doorlopen, zal de volgende geprogrammeerde verwarmingscyclus alleen worden uitgevoerd indien de motor tussentijds is gestart.
•Rijd met de auto na een verwarmingscyclus minimaal een verwarmingscyclus.
Programmeerbare parkeerverwarming
N.B.: De geprogrammeerde tijd is de tijd waarop u wilt dat de auto warm is en klaar is om weg te rijden, niet de tijd waarop de verwarming inschakelt.
N.B.: U moet de tijden minimaal 70 minuten ten opzichte van de tijd die u wilt instellen vooruit programmeren.
N.B.: U moet de tijd en de datum correct invoeren. Zie Klok (bladzijde 123).
Verwarmingstijden programmeren:
-
Gebruik de pijltoetsen op het stuurwiel voor toegang tot het hoofdmenu. Zie Infodisplays (bladzijde 83).
-
Selecteer de optie standverwarming.

E136301
- Met de twee tijdfuncties kunt u tot twee verwarmingscycli voor elke dag van de week programmeren. Deze tijden blijven in het geheugen opgeslagen en de verwarming schakelt elke dag van de week op deze tijden in.
- Met de functie once (eenmaal) kunt u een verwarmingscyclus voor één specifieke dag programmeren.
- Met de functie Heat now (nu verwarmen) wordt de verwarming automatisch ingeschakeld.
Functies Tijd 1 en Tijd 2 programmeren
![Tijd 1 [07:55] > □ Maandag □ Dinsdag ☒ Woensdag □ Donderdag □ Vrijdag](/content/2026/06/1159513/images/feea159c2f795be993a4914d5e4c675cbbd60729ae1e35999afe1ce35b1f6a98.jpg)
E74468
- Gebruik de pijltoetsen op het stuurwiel voor toegang tot het hoofdmenu.
- Selecteer de eerste programmatijdlijst.
- Selecteer de dag waarop de verwarming de auto moet verwarmen.
- Druk op de toets OK.
- Ga op dezelfde wijze te werk om alle dagen te selecteren waarop de verwarming de auto moet verwarmen.
- Selecteer, om de tijd in te stellen waarop de auto moet zijn verwarmd, de tijd aan de bovenzijde van het display en druk op de toets OK. De uren beginnen te knipperen.
- Pas zo nodig de uren en minuten aan. U kunt de tweede programmatijdlijst gebruiken om een tweede cyclus in te stellen, bijvoorbeeld verschillende tijden op verschillende dagen of tweemaal op dezelfde dag. De programmeerprocedure is hetzelfde als voor de eerste programma-timer.
Geprogrammeerde verwarming deactiveren
- Gebruik de pijltoetsen op het stuurwiel voor toegang tot het hoofdmenu.
- Actieve programmasessie deselecteren.
Verwarming voor enkele cyclus programmeren
- Selecteer Eenmaal en druk op de rechter pijltoets.
- Druk op de toets OK en stel de gewenste tijd en datum in.
- Druk op OK om de ingestelde tijd en datum te bevestigen.
Verwarming handmatig activeren
Markeer Nu verwarmen en druk op de toets OK. Wanneer de verwarming is ingeschakeld verschijnt in het vak ernaast een kruis.
Deselecteer de functie Nu verwarmen om de verwarming te deactiveren.
Extra verwarming diesel (afhankelijk van het land)
WAARSCHUWING

Schakel de verwarming op brandstof uit tijdens het tanken, wanneer u zich in een omgeving bevindt met dbare dampen of stoffen en in ten ruimten.
De standverwarming helpt bij het verwarmen van de motor en het interieur bij auto's met een dieselmotor. Het systeem wordt afhankelijk van de buitenluchttemperatuur, de koelvloeistoftemperatuur en de belasting van de dynamo automatisch in- of uitgeschakeld, tenzij u het hebt uitgeschakeld.
Parkeerverwarming uitschakelen:
- Markeer Extra verwarming en druk op de toets OK. Wanneer de verwarming is ingeschakeld verschijnt in het vak ernaast een kruis.
Extra verwarming diesel (afhankelijk van het land)
Deze extra verwarming (PTC elektrische verwarming) helpt bij het verwarmen van de motor en het interieur bij auto's met dieselmotor. Het systeem wordt afhankelijk van de buitenluchttemperatuur, de koelvloeistoftemperatuur en de belasting van de dynamo automatisch in- of uitgeschakeld.
DE JUISTE ZITPOSITIE INNEMEN

WAARSCHUWINGEN

Verstel de stoelen nooit tijdens het rijden.

Alleen wanneer de veiligheidsgordel correct wordt gedragen, kan deze u in een zodanige positie houden dat bag optimaal kan functioneren.
Wanneer u de veiligheidsgordel correct draagt kunnen de stoel, hoofdsteun, veiligheidsgordel en airbags bij een eventuele aanrijding optimaal bescherming bieden. Wij raden aan dat u:
- zoveel mogelijk rechtop gaat zitten met de onderzijde van uw rug zover mogelijk naar achteren.
- de rugleuning van de stoel niet meer dan 30 graden achterover kantelt.
- de hoofdsteun zodanig instelt, dat de bovenzijde gelijkligt met de bovenzijde van uw hoofd. Stel de hoofdsteun zover mogelijk naar voren in, maar u moet comfortabel kunnen zitten.
-voldoende afstand houdt tussen uzelf en het stuurwiel. minimaal 250 mm (10 inch) tussen uw borstbeen en de kap van de airbag aanhoudt.
- het stuurwiel met licht gebogen armen vasthoudt.
• uw benen licht buigt zodat u de pedalen volledig kunt indrukken.
- de schoudergordel over het midden van uw schouder en de heupgordel strak over uw heupen legt.
Zorg ervoor dat uw zitpositie comfortabel is en dat u de volledige controle over de auto hebt.
HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN
Stoelen naar voren en achteren schuiven

Schuif de stoel naar voren en naar achteren nadat u de hendel hebt losgelaten om ervoor te zorgen dat pel weer goed wordt vergrendeld.
Stoelen
Lendensteun instellen

Hoogte van de bestuurdersstoel
verstellen

Hellingshoek van de rugleuning instellen

Trek de achterste hoofdsteun omhoog wanneer iemand achterin plaatsneemt.
Verwijder de voorste hoofdsteunen niet wanneer de voorstoelen worden gebruikt.
Wanneer een voorwaarts gericht kinderzitje op een stoel van de tweede of derde stoelenrij wordt geplaatst, verwijder dan altijd de hoofdsteun van die stoel.
Hoofdsteun instellen
Stel de hoofdsteun zo in, dat de bovenzijde ervan gelijkligt met de bovenzijde van uw hoofd.
Hoofdsteunen verwijderen
Hoofdsteunen voorin

Druk vergrendelknop 1 in en maak tegelijkertijd bevestigingsklem 2 los met behulp van een geschikt voorwerp.
Buitenste hoofsteunen achter

Druk de knop in en verwijder de hoofdsteun.
Binnenste hoofdsteun achter

Druk de knoppen in en verwijder de hoofdsteun.
Lengte zitkussen afstellen

Druk op de vergrendelhendel onder de kussenverlenging en schuif de verlenging naar voren of naar achteren.
ACHTERBANK
WAARSCHUWINGEN

Wanneer u de rugleuningen neer- en opklapt, let er dan op dat uw vingers niet tussen de rugleuning en het frame komen.

Zorg ervoor dat de stoelen en de rugleuningen goed vastzitten en volledig zijn vergrendeld.
Rugleuningen naar voren klappen
WAARSCHUWING

Laat de hoofdsteunen zakken. Zie Hoofdsteunen (bladzijde 116).

E135629
- Druk de ontgrendelknoppen in en houd deze ingedrukt.
- Druk de rugleuning naar voren.

N.B.: Zorg dat de veiligheidsgordel volledig in het oprolmechanisme wordt opgerold.
3. Maak de veiligheidsgordels vast in de klemmen op het bekledingspaneel aan de buitenzijde.
Zitting en rugleuning achterbank naar voren klappen
WAARSCHUWINGEN

Zorg ervoor dat de rode indicator niet is te zien wanneer u de bank in de sloten drukt.

Laat de hoofdsteunen zakken. Zie Hoofdsteunen (bladzijde 116).

Wanneer u uw vingers tussen het zitkussen en de rugleuning steekt, zorg dan dat u niet met uw vingers vast komt te zitten in de ISOFIX-verankeringspunten en de steunen. Zie ISOFIX verankeringspunten (bladzijde 22).

E135646
N.B.: Houd de rand van het zitkussen tegen om de ISOFIX-verankeringspunten en steunen mijden.
- Steek uw vingers tussen de zitting en de rugleuning en klap de zitting naar voren.
- Druk de ontgrendelknoppen in en houd deze ingedrukt.
- Druk de rugleuning naar voren.

N.B.: Zorg dat de veiligheidsgordel volledig in het oprolmechanisme wordt opgerold.
4. Maak de veiligheidsgordels vast in de klemmen op het bekledingspaneel aan de buitenzijde.
Rugleuningen opklappen
WAARSCHUWING

Zorg er bij het opklappen van de rugleuningen voor dat de gordels zichtbaar zijn voor de inzittende enchter de bank bekneld raken.
VERWARMDE STOELEN
LET OP

Wanneer deze functie bij stilstaande motor wordt ingeschakeld, wordt hierdoor de accu ontladen.
Stoelen

De maximum temperatuur wordt bereikt na vijf tot zes minuten. De temperatuur wordt door een thermostaat geregeld.
De stoelverwarming werk alleen met ingeschakeld contact.
DIMMER INSTRUMENTENPA-NEELVERLICHTING

Druk herhaaldelijk of houd ingedrukt tot het gewenste niveau is bereikt.
N.B.: Als de accu losgekoppeld wordt, leeg is of een nieuwe accu wordt aangebracht, dan stelt de verlichte componenten automatisch op de maximale instelling in.
KLOK
Zie Infodisplays (bladzijde 83).
AANSTEKER
LET OP

Wanneer u het aansluitpunt gebruikt terwijl de motor niet draait, wordt hierdoor de accu ontladen.

Houd het verwarmingselement van de aansteker niet ingedrukt.
N.B.: U kunt het elektrische aansluitpunt gebruiken voor 12 volt accessoires met een maximum vermogen van 10 ampère. Gebruik alleen Ford stekkers of stekkers die geschikt zijn voor gebruik in SAE gestandaardiseerde aansluitingen.

Druk het verwarmingselement in om de aansteker te laten gloeien. Hij springt automatisch in de oorspronkelijke stand terug.
EXTRA VOEDINGSAAN- SLUITINGEN
LET OP

Wanneer u het aansluitpunt gebruikt terwijl de motor niet draait, wordt hierdoor de accu ontladen.
N.B.: U kunt het elektrische aansluitpunt gebruiken voor 12 volt accessoires met een maximum vermogen van 10 ampère. Gebruik alleen Ford stekkers of stekkers die geschikt zijn voor gebruik in SAE gestandaardiseerde aansluitingen.

E78056
De extra elektrische aansluitpunten bevinden zich in de middenconsole en de bagageruimte.
BEKERHOUDERS
WAARSCHUWING

Plaats tijdens het rijden geen hete dranken in de bekerhouders.
Armleuning achterbank

De aansluiting vindt u in het dashboardkastje of de middenconsole. Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 274).
USB-POORT
De aansluiting vindt u in het dashboardkastje of de middenconsole. Zie Verbinding (bladzijde 298).
HOUDER SATELLIET- NAVIGATIE-UNIT
Houder instellen

- Ontgrendelen
- Stel de gewenste positie van de houder in.
- Vergrendelen
N.B.: Zorg dat de houder van de navigatie-unit in de juiste positie wordt vergrendeld.
VLOERMATTEN
WAARSCHUWING

Wanneer de vloermatten worden gebruikt, zorg dan dat de vloermatten correct worden vastgemaakt met de correcte bevestigingselementen, zodat de matten geen invleod hebben op de bediening van de pedalen.
ALGEMENE INFORMATIE
Algemene opmerkingen over het starten
Als de accu losgekoppeld is geweest kan de motor, nadat de accukabels weer zijn aangesloten, een afwijkende draaikarakteristiek vertonen gedurende ca. 8 kilometer.
De oorzaak is, dat het motormanagement zich weer aan de motor moet aanpassen. Ongebruikelijke rijkarakteristieken tijdens deze periode moeten worden genegeerd.
Motor starten door middel van slepen of duwen
WAARSCHUWING

Om beschadiging te voorkomen moet u uw auto niet aanduwen of aanslepen. Gebruik hulpstartkabels
en een hulpaccu. Zie Starten via starchulp (bladzijde 230).
CONTACTSLOT
WAARSCHUWING

Draai nooit de sleutel in de stand 0 of I terug zolang de auto nog in beweging is.

- Contact uitgeschakeld.
I De ontsteking en alle hoofdcircuits zijn uitgeschakeld.
N.B.: Laat, om te voorkomen dat de accu leegraakt, de contactsleutel niet te lang in deze stand staan.
II Het contact staat aan. Alle elektrische circuits zijn ingeschakeld. Waarschuwings- en controlelampen branden. Dit is de stand waarin de sleutel moet staan tijdens het rijden. U moet deze stand ook kiezen wanneer de auto wordt gesleept.
III Startmotor ingeschakeld. Laat de sleutel los zodra de motor aanslaat.
STUURWIELBLOKKERING
WAARSCHUWING

Controleer altijd voordat u probeert uw auto in beweging te brengen of het stuurslot is uitgeschakeld.
Uitvoeringen zonder sleutelloos startsysteem
Stuurslot activeren:
- Neem de sleutel uit het contactslot.
- Draai het stuurwiel.
Uitvoeringen met sleutelloos startsysteem
N.B.: Het stuurslot wordt niet geactiveerd bij ingeschakeld contact of wanneer met de auto wordt gereden.
Uw auto is uitgerust met een elektronisch bediend stuurslot. Deze werkt automatisch.
Korte tijd nadat u de auto heeft geparkeerd en de passieve sleutel zich buiten de auto bevindt, of nadat u de auto vergrendelt, wordt het stuurslot geactiveerd. Zie
Sleutelloze toegang (bladzijde 35).
Stuurslot deactiveren
Schakel het contact in of:
Uitvoeringen met automatische transmissie
- Trap het rempedaal in.
Auto's met handgeschakelde versnellingsbak
- Trap het koppelingspedaal in.
EEN BENZINEMOTOR STARTEN
N.B.: De startmotor kan slechts een beperkte periode worden bediend (bijvoorbeeld 10 seconden). Het aantal startpogingen is beperkt tot ongeveer zes. Als deze limiet wordt overschreden, dan laat het systeem pas nieuwe pogingen toe nadat een periode is verstreken (bijvoorbeeld 30 minuten).
Koude of warme motor
Auto's met handgeschakelde versnellingsbak
N.B.: Raak het gaspedaal niet aan.
N.B.: Door tijdens het starten het koppelingspedaal op te laten komen, kan de startmotor uitgeschakeld maar blijft het contact aan.
-
Druk het koppelingspedaal volledig in.
-
Start de motor.
Auto's met automatische transmissie
N.B.: Raak het gaspedaal niet aan.
N.B.: Door tijdens het starten het rempedaal op te laten komen, kan de startmotor uitgeschakeld maar blijft het contact aan.
-
Zet de keuzehendel in stand "P" of "N".
-
Druk het rempedaal volledig in.
-
Start de motor.
Alle auto's
Wacht even wanneer de motor niet aanslaat, en probeer het opnieuw.
Als de motor na drie startpogingen nog niet is aangeslagen, wacht dan 10 seconden en ga te werk zoals is beschreven onder Verzopen motor.
Levert het starten bij temperaturen lager dan -25 °C problemen op, druk het gaspedaal dan tot het middenpunt van de pedaalslag in en probeer het opnieuw.
Verzopen motor
Auto's met handgeschakelde versnellingsbak
- Druk het koppelingspedaal volledig in.
- Druk het gaspedaal volledig in en houd het ingedrukt.
- Start de motor.
Auto's met automatische transmissie
- Zet de keuzehendel in stand "P" of "N".
- Druk het gaspedaal volledig in en houd het ingedrukt.
- Druk het rempedaal volledig in.
- Start de motor.
Alle auto's
Slaat de motor niet aan, herhaal dan de startprocedure zoals beschreven onder Koude of warme motor.
Stationair toerental na het starten
Het stationaire toerental waarmee de motor direct na het aanslaan draait, is afhankelijk van de motortemperatuur.
Het stationaire toerental neemt automatisch toe wanneer de motor koud is (dit om de katalysator op te warmen). Zo worden de voertuigemissies tot een absoluut minimum beperkt.
Het stationaire toerental neemt langzaam tot normaal af zodra de katalysator opwarmt.
EEN BENZINEMOTOR STARTEN - FLEX FUEL (FF, ETHANOL)
Voor algemene informatie bij het starten van een benzinemotor. Zie Een benzinemotor starten (bladzijde 127).
Starten bij lage buitentemperaturen
Indien de buitentemperatuur lager is dan -10°C en de tank E85 bevat, moet een motorblokverwarming worden gebruikt om het starten te vergemakkelijken. Zie
Motorblokverwarming (bladzijde 132).
Gebeurt dit niet, dan kan de motor niet worden gestart.
Indien de buitentemperatuur lager dan -10°C blijft, is het raadzaam ongelode benzine met een octaangetal van 95 bij te tanken indien de tank niet geheel gevuld is. Ongeveer 10 liter benzine brengt de verhouding bio-ethanol E85 in een 3/4 gevulde tank van 85% naar 70% terug, waardoor de koude-starteigenschappen aanzienlijk worden verbeterd.
Indien bij zeer lage buitentemperaturen de tank alleen is gevuld met E85 en er geen motorblokverwarming kan worden gebruikt, kunt u moeilijkheden ondervinden bij het starten van de motor.
Indien de motor niet wil aanslaan, ga dan als volgt te werk:
- Trap het gaspedaal volledig in.
- Zet de contactsleutel in stand III.
LET OP

Laat de sleutel los zodra de motor aanslaat.
- Laat het gaspedaal langzaam opkomen nadat de motor vijf seconden draait of terwijl het motortoerental toeneemt.
Als de motor niet wordt gestart, herhaal dan stap 1, 2 en 3 of sluit een motorblokverwarming gedurende twee uren aan alvorens de motor te starten.
Tijdens het starten worden de inspuitventielen buiten werking gesteld zolang het gaspedaal is ingedrukt. Dit kan worden gebruikt om het teveel aan brandstof na enkele mislukte startpogingen uit het inlaatspruitstuk te verwijderen.
Indien de accu losgekoppeld is geweest of nadat een ander soort brandstof is getankt, kan de motor met een onregelmatig stationair toerental draaien. Dit herstelt zich na 10 tot 30 seconden.
EEN DIESELMOTOR STARTEN
Koude of warme motor
Alle auto's
N.B.: Wanneer de temperatuur lager is dan -15°C, mag u de startmotor 25 seconden achtereen inschakelen.
N.B.: Schakel de startmotor in totdat de motor aanslaat.
N.B.: U kunt de startmotor per startpoging slechts maximaal 30 seconden inschakelen.

Zet het contact aan en wacht tot de controlelamp van het voorgloeisysteem uitgaat.
Auto's met handgeschakelde versnellingsbak
N.B.: Raak het gaspedaal niet aan.
- Druk het koppelingspedaal volledig in.
- Start de motor.
Auto's met automatische transmissie
- Schakel park of neutral in.
- Druk het rempedaal volledig in.
- Start de motor.
SLEUTELLOOS STARTEN
WAARSCHUWINGEN

Het is mogelijk dat het keyless startsysteem niet werkt wanneer de sleutel zich te dicht bij metalen voorwerpen of elektronische apparaten, zoals een mobiele telefoon, bevindt.

Controleer altijd voordat u probeert uw auto in beweging te brengen of het stuurslot is uitgeschakeld. Zie
Stuurwielblokkering (bladzijde 126).
N.B.: Het contact wordt na bepaalde tijd automatisch uitgeschakeld als de auto met ingeschakeld contact is achtergelaten. Dit is om te voorkomen dat de accu van de auto leegraakt.
N.B.: Om het contact aan te zetten en de motor te starten moet zich een geldige passieve sleutel in de auto bevinden.
N.B.: Druk het rempedaal of koppelingspedaal, afhankelijk van het type versnellingsbak, volledig in om de motor te starten.

E85766
Contact aan
Druk de toets eenmaal in. Alle elektrische circuits zijn operationeel, de waarschuwings- en controlelampen branden.
Motor starten bij uitvoeringen met handgeschakelde versnellingsbak
N.B.: Door tijdens het starten het koppelingspedaal op te laten komen, wordt de startmotor uitgeschakeld maar blijft het contact aan.
- Druk het koppelingspedaal volledig in.
- Druk de knop kortstondig in.
Motor starten bij uitvoeringen met automatische transmissie
N.B.: Door tijdens het starten het rempedaal op te laten komen, kan de startmotor uitgeschakeld maar blijft het contact aan.
- Druk het rempedaal volledig in.
- Zet de keuzehendel in stand "P" of "N".
- Druk de knop kortstondig in.
Een dieselmotor starten
N.B.: De startmotor kan pas worden ingeschakeld wanneer het voorgloeien is voltooid. Onder extreem koude omstandigheden kan dit enkele seconden duren.
N.B.: Houd het koppelings- of rempedaal ingetrapt tot de motor wordt gestart.
Motor slaat niet aan.
Het startsysteem met passieve sleutel werkt niet indien:
- De frequenties van de passieve sleutel worden verstoord.
- De batterij in de passieve sleutel leeg is.
Volg de volgende procedure wanneer de motor niet kan worden gestart.

- Werk voorzichtig de kap los.

- Met de sleutel in deze stand kunt u de knop indrukken om het contact aan te zetten en de motor te starten.
De motor afzetten bij stilstaande auto
N.B.: Het contact, alle elektrische circuits, waarschuwings- en controlelampen worden uitgeschakeld.
Handgeschakelde versnellingsbak
Druk de knop kortstondig in.
De motor afzetten bij rijdende auto
WAARSCHUWING

Afzetten van de motor terwijl nog met de auto wordt gereden, leidt tot verlies van rem- en stuurbekrachtiging. De stuurinrichting wordt niet geblokkeerd, maar er is meer moeite nodig. Als het contact is uitgeschakeld, kunnen sommige elektrische circuits en waarschuwings- en controlelampen worden uitgeschakeld (OFF).
Houd de knop ingedrukt of druk deze binnen twee seconden tweemaal in.
DIESELROETFILTER
Het DPF is een onderdeel van het uitlaatgasemissiesysteem van uw auto. Het zuivert de uitlaatgassen van schadelijke roetdeeltjes bij auto's met dieselmotor.
Regeneratie
WAARSCHUWING

Laat de motor niet stationair draaien of parkeer de auto niet op droge bladeren, droog gras of ander brandbaar materiaal. Het DPF-regeneratieproces werkt met bijzonder hoge uitlaatgastemperaturen en na het afzetten van de motor en tijdens en na DPF-regeneratie blijft de uitlaat een aanzienlijke hoeveelheid hitte uitstralen. Hierdoor ontstaat het gevaar van brand.
LET OP

U dient te voorkomen dat de brandstof oprakt.
N.B.: Tijdens regeneratie bij een laag toerental of stationaire motor kan een hete metaalachtige lucht worden geroken en is wellicht een klikkend metaalachtig geluid hoorbaar. Dit wordt veroorzaakt door de tijdens de regeneratie bereikte hoge temperaturen en dit is normaal.
N.B.: Nadat de motor is afgezet draaien de ventilatoren wellicht nog een korte periode door.
In tegenstelling tot een gewoon filter, dat regelmatig vervangen moet worden, is het DPF zodanig ontworpen dat het regenereert (zichzelf reinigt) om doeltreffend te blijven. Het regeneratieproces vindt automatisch plaats. Onder sommige rijomstandigheden moet u echter het regeneratieproces ondersteunen.
Als u alleen korte afstanden aflegt of uw tijdens het rijden regelmatig stopt en start (met verhoogd accelereren en decelereren), dan zal een enkele keer rijden onder de volgende omstandigheden het regeneratieproces ondersteunen:
•Rijd tot 20 minuten met een constante snelheid, bij voorkeur op een hoofdweg of snelweg.
- Voorkom langdurig stationair draaien en neem altijd snelheidslimieten en het type wegdek in acht.
• Zet de auto niet van contact.
- Kies zo nodig een lagere versnelling dan normaal om tijdens deze rit een hoger motortoerental te verkrijgen.
MOTOR UITSCHAKELEN
Auto's met turbocompressor
LET OP

Zet de motor niet af wanneer deze met een hoog toerental draait. Als de motor bij een hoog toerental wordt bezet, zal de turbocompressor nog zien nadat de oliedruk al tot nul is aald. Dit heeft vroegtijdige slijtage van oppressorlagers tot gevolg.
Laat het gaspedaal los. Wacht tot de motor stationair draait en zet de motor af.
MOTORBLOKVERWARMING
LET OP

Onkoppel de voedingskabel van de aansluiting van de motorverwarming alvorens weg te rijden.
N.B.: De aansluiting van de motorverwarming is aangebracht in de voorbumper.

Sluit de motorverwarming twee tot drie uur aan, voordat u de motor start.
WERKING
LET OP
Voor auto's met start/stop-schakelaar verschillen de accuvereisten. De accu moet worden vervangen door een accu met exact dezelfde specificatie als de originele.
Het systeem verlaagt het brandstofverbruik en de CO2-emissies door de motor uit te schakelen wanneer de auto stationair draait, bijvoorbeeld bij verkeerslichten. De motor wordt automatisch opnieuw gestart wanneer de bestuurder het koppelingspedaal intrapt of wanneer een voertuigsysteem dit aanvraagt, bijvoorbeeld voor het laden van de accu.
Om maximaal voordeel uit het systeem te halen, moet de keuzehendel in de neutrale stand worden gezet en het koppelingspedaal bij een stop van langer dan drie seconden worden losgelaten.
START/STOP KNOP GEBRUIKEN
WAARSCHUWINGEN

Indien het systeem dit vereist, kan de motor automatisch opnieuw worden gestart. Zie Werking (bladzijde 133).

Schakel het contact uit voordat de motorkap wordt geopend of onderhoudswerkzaamheden worden voerd.

Schakel altijd het contact uit voordat u uit de auto stapt, want het systeem kan de motor wel uitgeschakeld en, maar het contact is nog steeds chakeld.
N.B.: Het systeem werkt alleen wanneer de motor de normale bedrijfstemperatuur heeft bereikt en de buitentemperatuur tussen 0 °C en 30 °C ligt.
N.B.: Als u de motor laat afslaan en vervolgens binnen een paar seconden het koppelingspedaal intrapt, dan wordt de motor automatisch opnieuw gestart.
N.B.: De start/stop-indicatielamp brandt groen wanneer de motor wordt uitgeschakeld. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 78).
N.B.: De start/stop-indicatielamp knippert oranje, wat aanduidt dat u neutraal moet selecteren of het koppelingspedaal moet intrappen. Hierbij wordt een bericht op de display weergegeven.
N.B.: Als het systeem een storing heeft geregistreerd wordt dit uitgeschakeld. Laat het systeem onmiddellijk door een goed opgeleide monteur controleren.
N.B.: Wanneer u het systeem heeft uitgeschakeld, is de schakelaar verlicht.
N.B.: Het systeem is standaard ingeschakeld. Druk op de schakelaar in het instrumentenpaneel om het systeem uit te schakelen. Het systeem wordt alleen gedeactiveerd gedurende de huidige contactcyclus. Druk nogmaals op de schakelaar om het systeem in te schakelen. Voor locatie. Zie In één oogopslag (bladzijde 10).

Motor afzetten
- Stop de auto.
- Zet de keuzehendel in de neutraalstand.
- Laat het koppelingspedaal los.
- Laat het gaspedaal los.
Het systeem zet de motor wellicht niet af onder bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld:
- Om het interieurklimaat te behouden.
•Lage accuspanning. - De buitentemperatuur is te laag of te hoog.
- Het bestuurdersportier is geopend.
•Lage bedrijfstemperatuur motor. - Weinig vacuum in remsysteem.
- Als een snelheid van 5 km/u niet is overschreden.
- De veiligheidsgordel van de bestuurdersstoel is niet vastgemaakt.
Motor starten
N.B.: De keuzehendel moet in de neutraalstand staan.
Druk het koppelingspedaal in.
Het systeem kan de motor onder bepaalde omstandigheden weer starten, bijvoorbeeld:
•Lage accuspanning.
- Om het interieurklimaat te behouden.
WERKING
Het systeem assisteert de bestuurder bij het efficiënter rijden door voortdurend de karakteristieken van het schakelen, het anticiperen op verkeersomstandigheden en de snelheid op autosnelwegen en buitenwegen te controleren.
N.B.: Deze rendementswaarden resulteren niet in een vaste brandstofverbruikswaarde. Deze kan namelijk variëren aangezien deze niet alleen samenhangt met de rijgewoonten, maar ook wordt beïnvloed door veel andere factoren zoals korte ritten en een koude start.
N.B.: Regelmatige korte ritten, waarbij de motor niet volledig op bedrijfstemperatuur komt, zullen het brandstofverbruik ook doen toenemen.
De waarde van deze karakteristieken wordt aangeduid door de bloemblaadjes in het display, waarbij vijf bloemblaadjes het efficiëntste is. Hoe efficiënter u rijdt, hoe beter deze waarde en hoe lager het totale brandstofverbruik.
Type 1

SchakelenA
AnticipatieB
Efficiënte snelheidC
Schakelen
Door de hoogst mogelijke versnelling voor de betreffende rijomstandigheden te gebruiken, verbetert het brandstofverbruik.
Anticipatie
Door uw rijsnelheid aan te passen en de afstand tot voertuigen voor u aan te passen zodat hard remmen of versnellen niet nodig is, verbetert het brandstofverbruik.
Efficiënte snelheid
Bij een hogere snelheid wordt meer brandstof verbruikt. Door uw kruissnelheid op buitenwegen te verlagen, verbetert het brandstofverbruik.
Type 2 en 3
De relevante informatie wordt in het informatiedisplay weergegeven.
ECO-MODUS GEBRUIKEN
Toegang tot het systeem wordt verkregen m.b.v. het relevante informatiedisplaymenu. Zie Infodisplays (bladzijde 83).
Eco-modus resetten
Reset het gemiddelde brandstofverbruik.
N.B.: Het berekenen van nieuwe waarden kan even duren.
VEILIGHEIDSMAATREGELEN
WAARSCHUWINGEN

Stop met tanken nadat het vulpistool voor de tweede keer is afgeslagen. Alle brandstof die u dan nog toevoegt vult de expansieruimte in de brandstoftank, hetgeen er toe kan leiden dat de brandstof overstroomt. Het morsen van brandstof kan gevaarlijk zijn voor andere weggebruikers.

Vermijd open vuur of hittebronnen in de nabijheid van het brandstofsysteem. Het brandstofsysteem staat onder druk. Wanneer het brandstofsysteem lekt, bestaat het gevaar van verwonding.
BRANDSTOFKWALITEIT - BENZINE
LET OP

Gebruik geen gelode benzine of benzine met additieven die andere metallische bestanddelen (bijv. op gaan gebaseerd) bevat. Deze kunnen emissiesysteem beschadigen.
N.B.: Gebruik uitsluitend brandstof van hoge kwaliteit zonder additieven of andere toevoegingen.
Gebruik ongelode benzine met een minimum octaangetal van 95 die voldoet aan de specificatie EN 228, of een equivalent volgens nationale specificatie.
Uw auto is geschikt voor ethanolmengsels tot 10% (E5 en E10).
BRANDSTOFKWALITEIT-FLEX FUEL (FF, ETHANOL)
WAARSCHUWINGEN

Breng geen wijzigingen aan het brandstofsysteem of onderdelen ervan aan.

Vervang het brandstofsysteem of componenten ervan niet door onderdelen die niet specifiek zijn orpen voor gebruik van E85.
LET OP

Gebruik geen gelode benzine of benzine met additieven die andere metallische bestanddelen (bijv. op ngaan gebaseerd) bevat. Deze kunnen emissiesysteem beschadigen.

Gebruik geen methanol in plaats van E85.
N.B.: Gebruik uitsluitend brandstof van hoge kwaliteit zonder additieven of andere toevoegingen.
N.B.: Tijdens gebruik van E85 kan het brandstofverbruik hoger zijn.
N.B.: De auto functioneert naar behoren op commerciële ongelode benzine met octaangetal 95. E85 van een hoge kwaliteit levert echter dezelfde bescherming en prestaties.
Gebruik ongelode benzine met een minimum octaangetal van 95 die voldoet aan de specificatie EN228, of een equivalent. U kunt tevens een mengsel van ongelode benzine en E85 gebruiken.
Opslaan voor de lange termijn
Vanwege kleine hoeveelheden corrosiebevorderende verontreinigingen in E85 wordt aanbevolen de tank alleen te vullen met ongelode benzine met een octaangetal van 95 alvorens de auto voor een langere periode niet te gebruiken.
BRANDSTOFKWALITEIT - DIESEL
WAARSCHUWING

Meng de dieselolie niet met olie, benzine of andere vloeistoffen. Deze kunnen een chemische reactie orzaken.
LET OP

Voeg geen kerosine, paraffine of petroleum aan de dieselolie toe. Deze kunnen het brandstofsysteem chadigen.

Gebruik dieselolie die voldoet aan de specificatie EN 590, of de betreffende nationale specificatie.
N.B.: We adviseren alleen brandstof van hoge kwaliteit te gebruiken.
N.B.: Het gebruik van niet door Ford goedgekeurde additieven of andere motorbehandelingen worden door Ford afgeraden.
N.B.: Wij raden het langdurig gebruik van additieven af die vlokvorming moeten voorkomen.
Opslaan voor de lange termijn
De meeste dieselbrandstoffen bevatten biodiesel; wanneer uw voertuig lange tijd niet wordt gebruikt (meer dan twee maanden), dan wordt aanbevolen de tank enkel met diesel op aardoliebasis (indien beschikbaar) te vullen of een antioxidant aan de biodiesel toe te voegen. Uw dealer kan u helpen met een geschikte antioxidant.
KATALYSATOR
WAARSCHUWING

Laat de motor niet stationair draaien of parkeer de wagen niet op droge bladeren, droog gras of ander dbaar materiaal. Tijdens het gebruik e motor en na het afzetten van de r straalt het uitlaatsysteem veel nte uit. Hierdoor ontstaat het gevaar rand.
Rijden met een auto met katalysator
LET OP

Zorg ervoor dat u de tank niet leeg rijdt.

Schakel de startmotor niet langdurig achtereen in.

Laat de motor niet met een losgekoppelde bougiekabel draaien.

Sleep of duw de auto niet aan. Gebruik hulpstartkabels. Zie Starten via starchulp (bladzijde 230).

Zet het contact tijdens het rijden niet af.
TANKKLEP
WAARSCHUWINGEN

Voorkom dat tijdens het tanken brandstof wordt gemorst, die zich in het vulpistool bevindt.

Vermijd open vuur of hittebronnen in de nabijheid van het brandstofsysteem. Het
brandstofsysteem staat onder druk. Wanneer het brandstofsysteem lekt, bestaat het gevaar van verwonding.
LET OP

Wanneer u een hogedrukspuit gebruikt om uw auto te wassen, spuit dan kort op de brandstofvulklep vanaf
een afstand van niet minder dan 200 millimeter.
Type 1

- Druk op de klep om deze te openen. Open de klep volledig tot hij vergrendelt.

N.B.: Wanneer u het vulpistool plaatst, opent een veerbelaste klep wanneer de correcte vulpistooldiameter wordt geregistreerd. Hierdoor wordt voorkomen dat onjuiste brandstof wordt getankt.
- Breng het vulpistool tot en met de eerste nok op het vulpistool A in. Laat het rusten op de afdekking van de vulbuis.
WAARSCHUWING

Stop met tanken nadat het vulpistool voor de tweede keer is afgeslagen. Alle brandstof die u dan bevoegt vult de expansieruimte in de dstoftank, waardoor de brandstof zou en overstromen. Het morsen van dstof kan gevaarlijk zijn voor andere gebruikers.

- Til tijdens het tanken het vulpistool niet op. Dit kan de brandstofstroom beïnvloeden en het vulpistool afsluiten voordat de brandstoftank vol is.
Type 1

- Bedien het vulpistool binnen de getoonde gebieden.
WAARSCHUWINGEN

Wij raden aan het vulpistool langzaam uit de vulbuis te halen, zodat alle achtergebleven brandstof brandstoftank kan stromen. Er kan 0 seconden worden gewacht alvorens vulpistool uit de vulbuis te halen.

Verwijder tijdens de gehele tankprocedure het vulpistool niet uit de volledig geplaatste positie.

- Til het vulpistool licht op om het te verwijderen.
Tanken met een jerrycan
Gebruik de trechter in het handschoenenkastje.
TANKEN
LET OP

Probeer niet de motor te starten wanneer u de tank met de onjuiste brandstofsoort hebt gevuld. Hierdoor de motor worden beschadigd. Laat het een onmiddellijk door een geschoolde nteur controleren.
TANKEN - FLEX FUEL (FF, ETHANOL)
LET OP

Probeer niet de motor te starten wanneer u de tank met de onjuiste brandstofsoort hebt gevuld. Hierdoor de motor worden beschadigd. Laat het een onmiddellijk door een geschoolde nteur controleren.
Laat de motor na het tanken 5 minuten met een rijsnelheid van boven de 48 km/h werken om het risico van een langere herstarttijd van de motor te verkleinen.
BRANDSTOFVERBRUIK
De CO2 waarden en de brandstofverbruikcijfers zijn afgeleid van laboratoriumtests volgens EEC richtlijn 80/1268/EEC en aanvullingen daarop. Deze richtlijnen worden door alle automobielfabrikanten aangehouden.
Deze gegevens zijn bedoeld voor het vergelijken van merken en modellen. Ze zijn niet bedoeld als weergave van het werkelijke brandstofverbruik van uw wagen. Het werkelijke brandstofverbruik wordt door vele factoren bepaald, waaronder de rijstijl, rijden met hoge snelheden, starten/stoppen, gebruik van de airconditioning, de gemonteerde accessoires, rijden met een aanhanger, enz.
Uw Ford dealer dient u gaarne van advies hoe u het brandstofverbruik kunt verlagen.
Brandstofverbruikscijfers
| Variant | BuitenwegStadverkeerHeerd | Gecombi- | CO2-emissie | |
| 1/100 km (mpg) | 1/100 km (mpg) | 1/100 km (mpg) | g/km | |
| 1.0L EcoBoost (73 kW/100 pk), 5-deurs | 1094,8 (58,9)4 | |||
| 1.0L EcoBoost (73 kW/100 pk), 4-deurs en station-wagon | 1124,9 (57,6)4, | |||
| 1.0L EcoBoost (92 kW/125 pk), 5-deurs | 1145 (56,5)4,2 | |||
| 1.0L EcoBoost (92 kW/125 pk), 4-deurs en station-wagon | 1175,1 (55,4)4,4 | |||
| 1.6L Duratec-16V Ti-VCT, 5-deurs, auto's met handgeschakelde versnellingsbak | 83(55,9)(47,9)4 | |||
| 1.6L Duratec-16V Ti-VCT, 4-deurs en stationwagon, auto's met handgeschakelde versnellingsbak | 4,8 (58,9)8 | 1 (36,9)7,1) | 139 | |
| 1.6L Duratec-16V Ti-VCT, auto's met DPS6 automatische transmissie | 9,3(80,4)(44,1)4, | |||
| 1.6L EcoBoost, auto's zonder start/stop-systeem | 8,3 (34) | 5 (56,5) | 6,2 (45,6) | 144 |
| 1.6L EcoBoost, auto's met start/stop-systeem | 7,7 (36,7) | 5 (56,5) | 6 (47,1) | 139 |
| 2.0L Duratec-HE - MI4, auto's met handgeschakelde versnellingsbak | 9,6 | (29,7)(42,2)5 | (56,5)149 | |
| 2.0L Duratec-HE - MI4, auto's met automatische transmissie | 19,6(34)(44,1)4, |
Brandstof en tanken
| Variant | BuitenwegStadsverkeer neerd | Gecombi-verkeer neerd | CO2-emissie | |
| l/100 km (mpg) | l/100 km (mpg) | l/100 km (mpg) | g/km | |
| 1697,2 (39,2)5,6 ( | ||||
| 1.6L Duratorq-TDCi, auto's zonder start/stop-systeem | 1174,5 (62,8)3,7 ( | |||
| 1.6L Duratorq-TDCi, auto's met start/stop-systeem | 1094,2 (67,3)3,7 ( | |||
| 2.0L Duratorq-TDCi - DW, auto's met handgeschakelde versnellingsbak | 1295 (56,5)4,2 (6 | |||
| 2.0L Duratorq-TDCi - DW, auto's met automatische transmissie | 1395,3 (53,3)4,4 ( |
De achteruit inschakelen
LET OP
Schakel de achteruit niet in wanneer de wagen in beweging is. Dit kan inwendige schade aan de versnellingsbak veroorzaken.

Bij sommige auto's moet de kraag omhoog worden gebracht tijdens inschakelen van de achteruit.
Auto's met handgeschakelde 5-versnellingsbak
LET OP
Druk het koppelingspedaal geheel in en wacht drie seconden voordat u de achteruit inschakelt.
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE
Keuzehandelstanden

Handmatig terugschakelen-
WAARSCHUWING
Druk het rempedaal in voordat u de keuzehendel verplaatst en houd het ingedrukt tot u wegrijdt.
Druk de knop op de keuzehendel in om een andere stand in te schakelen.
De stand van de keuzehendel wordt op het informatiedisplay weergegeven.
Parkeren
WAARSCHUWINGEN

Schakel de parkeerstand alleen in wanneer de auto stilstaat.

Trek voordat u de auto verlaat de parkeerrem aan en schakel de parkeerstand in. Controleer of de
keuzehendel is vergrendeld.
N.B.: Wanneer het bestuurdersportier wordt geopend en u de parkeerstand niet hebt ingeschakeld, klinkt een akoestisch signaal.
In deze stand wordt geen kracht op de aangedreven wielen overgebracht en de transmissie is geblokkeerd. Wanneer de keuzehendel in deze stand staat kunt u de motor starten.
Achteruit
WAARSCHUWINGEN

Schakel de achteruit alleen in wanneer de auto stilstaat en de motor stationair draait.

Zorg altijd dat de auto volledig stil staat voordat er vanuit de achteruitversnelling naar een andere elling wordt geschakeld.
Selecteer de achteruitversnelling om het voertuig achteruit te laten rijden.
Neutraal
In deze stand wordt geen kracht op de aangedreven wielen overgebracht, maar de transmissie is niet geblokkeerd. Wanneer de keuzehendel in deze stand staat kunt u de motor starten.
Rijden
N.B.: Het schakelen vindt alleen plaats bij bepaalde rijsnelheden en motortoerentallen.
N.B.: U kunt de actueel geselecteerde versnelling tijdelijk uitschakelen m.b.v. de knoppen + en -.
Schakel de rijstand in om automatisch gebruik te maken van alle voorwaartse versnellingen.
De transmissie schakelt de juiste versnelling in voor optimale prestaties gebaseerd op de omgevingstemperatuur, de hellingshoek van het wegdek, de belading van de auto en de inbreng van de bestuurder.
Sportmodus en handmatig schakelen
Sportmodus
N.B.: In de modus Sport werkt de transmissie normaal, maar worden versnellingen sneller gekozen bij hogere motortoerentallen.
N.B.: In de modus Sport wordt S weergegeven in het instrumentenpaneel.
Activeer de modus Sport door de keuzehendel in de stand S te plaatsen. De Sport-modus blijft actief tot u handmatig op- of terugschakelt m.b.v. + en -, of de keuzehendel weer in stand D zet.
Handmatig schakelen
WAARSCHUWING

Houd de knoppen niet constant in — of +.
LET OP

De transmissie schakelt automatisch terug wanneer het motortoerental te laag is.
Druk op de knop - om terug te schakelen en op de knop + om op te schakelen.
Er worden mogelijk versnellingen overgeslagen wanneer er herhaaldelijk binnen korte intervallen op de knoppen wordt gedrukt.
De handmatige modus beschikt ook over een kickdown functie. Zie Kickdown.
Aanwijzingen voor het rijden met een automatische transmissie
LET OP

Laat de motor niet langdurig achtereen stationair draaien met een ingetrapt rempedaal in de stand D.
Wegrijden
- Zet de parkeerrem los.
- Laat het rempedaal opkomen en druk het gaspedaal in.
Stoppen
- Laat het gaspedaal opkomen en druk het rempedaal in.
- Schakel de parkeerrem in.
- Selecteer neutraal of park.
Kickdown
Druk het gaspedaal volledig in terwijl het keuzehendel in de rijstand staat om voor optimale prestaties de eerstvolgende lagere versnelling in te schakelen. Laat het gaspedaal los wanneer kickdown niet langer gewenst is.
Voorziening voor het ontgrendelen van de keuzehendel
Gebruik de hefboom om bij een elektrische storing of bij een lege accu de keuzehendel uit de parkeerstand te zetten.

- Verwijder voorzichtig de kapje.
- Verwijder de borgklem.
- Verwijder het zijpaneel van de middenconsole.

N.B.: De hendel is wit van kleur.
- Druk het rempedaal in. Houd de hendel m.b.v. een geschikte gereedschapspers naar voren gedrukt terwijl u de keuzehendel vanuit de parkeerstand in de neutraalstand trekt.
WERKING
N.B.: Afhankelijk van de verkeerswetgeving van het land waarin uw auto oorspronkelijk is gebouwd, knipperen de remlichten wanneer u krachtig remt.
N.B.: Zo nu en dan kunnen remgeluiden hoorbaar zijn. Dit is normaal en duidt niet op een storing. Bij de normale werking kunnen er zo nu en dan piep- of kraakgeluiden vanaf het systeem hoorbaar zijn wanneer de remmen worden bediend. Dergelijke geluiden worden meestal veroorzaakt door externe invloeden, zoals kou, warmte, vocht, stof op de weg, zout of modder.
Schijfremmen
Natte remschijven hebben een lagere wrijvingscoëfficiënt. Druk na het verlaten van een wasstraat het rempedaal even voorzichtig in om de waterfilm op de remschijven te laten verdampen.
ABS
WAARSCHUWING

ABS is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden
voorzichtig en oplettend te zijn.
Het ABS voorkomt dat de wielen blokkeren, zelfs tijdens krachtig remmen, waardoor de auto in noodsituaties volledig bestuurbaar en stabiel blijft.
TIPS VOOR RIJDEN MET ABS
N.B.: Wanneer het systeem in werking is, pulseert het rempedaal en legt wellicht een langere weg af. Blijf het rempedaal indrukken. Er is tevens wellicht een geluid hoorbaar vanaf het systeem. Dit is normaal.
Het ABS voorkomt geen risico's die ontstaan wanneer:
•u te weinig afstand ten opzichte van voor u rijdend verkeer houdt;
- de auto te maken krijgt met aquaplaning;
• u bochten te snel neemt;
- het wegdek slecht is.
PARKEERREM
WAARSCHUWING

Bij auto's met automatische transmissie moet de keuzehendel altijd in de stand P (Park) staan.
•Druk het rempedaal krachtig in.
- Trek de handremhendel krachtig en zover mogelijk aan.
- Druk de ontgrendelknop tijdens het aantrekken niet in.
- Wanneer uw auto op een helling geparkeerd staat met de voorzijde in opwaartse richting, schakel dan de eerste versnelling of P (Park) in en draai het stuurwiel van de trottoirband af.
- Wanneer uw auto op een helling geparkeerd staat met de voorzijde in neerwaartse richting, schakel dan de achteruit of P (Park) in en draai het stuurwiel naar de trottoirband toe.
Druk, om de handrem los te zetten, het rempedaal krachtig in, trek de hefboom iets omhoog, druk de ontgrendelknop in en laat de hefboom zakken.
WERKING
Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)
WAARSCHUWING

ESP houdt niet in dat u niet langer voorzichtig en aandachtig hoeft te rijden.
![graph TD A1["A"] --> B1["B"] B1 --> B2["B"] B2 --> B3["B"] B3 -.-> A2["A"] B3 -.-> B4["B"] style A fill:#fff,stroke:#000 style B fill:#ccc,stroke:#000 style B2 fill:#ccc,stroke:#000 style B3 fill:#ccc,stroke:#000 style A fill:#fff,stroke:#000 style A2 fill:#fff,stroke:#000 style A3 fill:#fff,stroke:…](/content/2026/06/1159513/images/f851b5ce229be81604e688ce4a779efcff0b5f4e405cba22913d24aa2248bfff.jpg)
E72903
zonder ESPA
met ESPB
Het ESP ondersteunt de stabiliteit van de auto wanneer deze dreigt uit te breken. Dit wordt bewerkstelligd door de wielen afzonderlijk af te remmen en door het motorkoppel zo nodig te verlagen.
Het systeem zorgt ook voor een betere aandrijfregeling (traction control) door het motorkoppel te verlagen en afzonderlijke wielen af te remmen wanneer de wielen bij het accelereren beginnen door te draaien. Het verbetert de mogelijkheden om op gladde of losse oppervlakken te kunnen optrekken en het verbetert het comfort door wielspin in haarspeldbochten te beperken.
Waarschuwingslamp stabiliteitsregeling (ESP)
De waarschuwingslamp van het ESP knippert wanneer het systeem is geactiveerd. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 78).
Noodremassistent
WAARSCHUWING

De noodremassistent is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden ichtig en oplettend te zijn.
De noodremassistent kan een noodstopsituatie herkennen aan de snelheid waarmee u het rempedaal indrukt. Hij zorgt voor een maximale remdruk zolang het rempedaal wordt ingedrukt. De noodremassistent kan de remweg in kritieke situaties reduceren.
Aanhangerstabiliteitsregeling
WAARSCHUWING

De aanhangerstabiliteitsregeling is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens den met een aanhanger voorzichtig lettend te zijn.
Aanhangerstabiliteitsregeling is een uitbreidingsfunctie van ESP die automatisch registreert wanneer een gekoppelde aanhanger begint te slingeren.
Als dit het geval is, dan remt het systeem automatisch de afzonderlijke wielen af om de stabiliteit van de aanhanger en het voertuig te herstellen. Als er overmatig slingeren wordt geregistreerd, dan wordt het motorkoppel verlaagd en neemt de snelheid van het voertuig automatisch af.
N.B.: Telkens wanneer u het contact aan zet wordt het systeem automatisch ingeschakeld.
Het systeem uit- en inschakelen. Zie Infodisplays (bladzijde 83).
GEBRUIK MAKEN VAN STABILITEITSREGELING - 2,0 L ECOBOOST SCTI (MI4)
WAARSCHUWING

Als de stabiliteitsregeling wordt uitgeschakeld, dan wordt tevens de active city stop (veiligheidssysteem op-kop-staartbotsingen) uitgeschakeld.
N.B.: Telkens wanneer u het contact aan zet wordt het systeem automatisch ingeschakeld.
N.B.: Het systeem kan tevens worden uit- en ingeschakeld met behulp van de informatiedisplay. Zie Algemene informatie (bladzijde 83).
De schakelaar bevindt zich in het instrumentenpaneel. Zie In één oogopslag (bladzijde 10).
Sportmodus inschakelen
N.B.: De stabiliteitsregeling wordt alleen verminderd en niet volledig uitgeschakeld.
Druk op de schakelaar. Er verschijnt een bericht vergezeld van een verlicht pictogram in de display. Druk nogmaals op de schakelaar om het systeem in de normale modus te zetten.
Systeem uitschakelen
Houd de schakelaar ongeveer vijf seconden ingedrukt. Er verschijnt een bericht vergezeld van een verlicht pictogram in de display.
WERKING
Het systeem maakt het eenvoudiger op te trekken wanneer de auto op een helling staat zonder dat het noodzakelijk is gebruik te maken van de parkeerrem.
Wanneer het systeem actief is, dan blijft de auto korte tijd op de helling stil staan nadat u het rempedaal loslaat. Gedurende deze tijd heeft u de tijd om uw voet van het rempedaal te halen, het gaspedaal in te drukken en op te trekken. De remmen worden automatisch gelost zodra de motor voldoende vermogen heeft opgebouwd om weg te rijden. Zo wordt voorkomen dat de auto op een helling kan terugrollen. Dit is een voordeel wanneer u op een helling moet optrekken, bijvoorbeeld vanaf een helling van een parkeerplaats, bij verkeerslichten of tijdens het achteruit tegen een helling inparkeren.
WAARSCHUWING

Het systeem vervangt niet de parkeerrem. Trek altijd de handrem aan en schakel de eerste versnelling of de achteruit in wanneer u de auto verlaat.
REGELING VOOR BERGOP RIJDEN GEBRUIKEN
Het systeem wordt automatisch geactiveerd als de auto op een helling van meer dan 3% wordt stilgezet. Het systeem werkt als de auto met de neus bergaf staat gericht met ingeschakelde achteruitversnelling en als de auto bergop staat gericht met ingeschakelde vooruitversnelling.
Alleen auto's met handgeschakelde versnellingsbak
Het systeem kan worden in- en uitgeschakeld met behulp van de informatiedisplay. Zie Algemene informatie (bladzijde 83).
Het systeem activeren
WAARSCHUWINGEN

U dient in de auto te blijven zitten nadat het systeem is geactiveerd.

U blijft te allen tijde verantwoordelijk voor het besturen van de auto en het zo nodig in en uitschakelen van het em.

Als een storing is geregistreerd wanneer het systeem actief is, dan wordt het systeem gedeactiveerd en t een bericht weergegeven op de ay. Zie Infoberichten (bladzijde 91).
U kunt het systeem alleen activeren als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- De motor loopt.
- Het systeem is ingeschakeld.
• Bij wagens met een handgeschakelde versnellingsbak, het koppelingspedaal is ingedrukt. - Er geen sprake is van storingen.
Activeren van het systeem:
- Druk het rempedaal in om de wagen volledig tot stilstand te brengen. Houd het rempedaal ingedrukt.
- Als de sensoren registreren dat de auto op een helling staat, dan wordt het systeem automatisch geactiveerd.
-
Wanneer u uw voet van het rempedaal neemt, blijft de auto een korte periode op de helling staan zonder achteruit te rollen. Deze periode wordt automatisch verlengd als u bezig bent weg te rijden.
-
Rijd op de normale manier weg. De remmen worden automatisch gelost.
Het systeem deactiveren
Voer voor het activeren van het systeem één van de volgende stappen uit:
•Wacht even tot het systeem automatisch gedeactiveerd wordt.
- Wanneer een vooruitversnelling was ingeschakeld toen het systeem actief werd, schakel dan de achteruit in.
- Wanneer de achteruitversnelling was ingeschakeld toen het systeem actief werd, schakel dan een vooruitversnelling in.
WERKING
WAARSCHUWING

Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden richtig en oplettend te zijn.
LET OP

Uitvoeringen met een trekhaakmodule die niet door ons is goedgekeurd, kunnen obstakels niet correct ecteren.

Bij zware regenval of andere omstandigheden waardoor verstorende reflecties ontstaan is het gelijk dat de sensoren bepaalde werpen niet 'zien'.

De sensoren kunnen voorwerpen met een oppervlak de ultrasone geluidsgolven absorberen niet 'zien'.

De parkeerhulp detecteert geen obstakels die van de auto af bewegen. Deze worden alleen kort nadat zij euw naar de auto toe bewegen etecteerd.

Wanneer u een hogedrukspuit gebruikt om uw auto te wassen, spuit dan kort op de sensoren vanaf een and van niet minder dan 20 centimeter nches).

De parkeerhulp stuurt signalen via het door Ford aangebrachte en goedgekeurde audiosysteem. Werkt iet, dan werkt het parkeerhulpsysteem naar behoren.
N.B.: Bij auto's met een afneembare trekhaakkoppeling wordt de parkeerhulp achter automatisch uitgeschakeld wanneer een van de aanhangerlampen (of verlichting) wordt aangesloten op de 13 pins stekkerdoos via een door Ford goedgekeurde trekhaakmodule.
N.B.: Houd de sensoren vrij van vuil, ijs en sneeuw. Reinig de sensoren niet met scherpe voorwerpen.
N.B.: Wanneer de parkeerhulp een signaal registreert dat op dezelfde frequentie wordt uitgezonden als de sensoren gebruiken, of wanneer de auto maximaal is beladen, kan een vals signaal worden gegeven.
N.B.: De buitenste sensoren kunnen de zijnmuren van een garage detecteren. Wanneer de afstand tussen de buitenste sensor en de muur gedurende drie seconden constant blijft, wordt het akoestisch signaal uitgeschakeld. Wanneer u doorrijdt, kunnen de binnenste sensoren objecten achter de auto detecteren.
PARKEERHULP - AUTO'S MET: PARKEERHULP ACHTERUIT
WAARSCHUWING

Ondanks de parkeerhulp bent u verplicht voorzichtig en aandachtig te rijden.

De parkeerhulp wordt automatisch geactiveerd wanneer u bij aangezet contact de achteruit inschakelt.
U hoort een onderbroken signaal wanneer de afstand tussen de achterbumper en een obstakel ca. 150 cm bedraagt of ca. 50 cm aan de zijkanten. Wanneer de afstand kleiner wordt, volgen de signalen elkaar sneller op.

Indicator afgelegde weg.A
Als de afgelegde weg korter wordt, dan beweegt de indicator richting de auto.
Een voortdurend signaal weerklinkt op een afstand van minder dan 30 centimeter tot de achterbumper.
N.B.: Bij auto's met een trekhaak die door Ford is goedgekeurd, klinkt het continue signaal op een afstand van 45 centimeter vanaf de achterbumper.

Storingsindicatielamp.A
N.B.: Als een storing wordt aangegeven, wordt het systeem uitgeschakeld. Laat het systeem onmiddellijk door een goed opgeleide monteur controleren.

Een aanhangersymbool geeft aan dat een aanhanger is aangekoppeld, waarna het systeem wordt uitgeschakeld.
PARKEERHULP - AUTO'S MET: PARKEERHULP VOOR EN ACHTER
WAARSCHUWING

Ondanks de parkeerhulp bent u verplicht voorzichtig en aandachtig te rijden.
Parkeerhulp in- en uitschakelen
De parkeerhulp is standaard uitgeschakeld. Schakel de achteruitversnelling in of druk de schakelaar op het instrumentenpaneel in, om de parkeerhulp in te schakelen. Positie van onderdeel: Zie In één oogopslag (bladzijde 10).
Wanneer de parkeerhulp is ingeschakeld, brandt het lampje in de schakelaar.
Druk nogmaals op de schakelaar om de functie uit te schakelen.
Manoeuvreren met de parkeerhulp

1 Achteruitversnelling geselecteerd
2 Neutraal of vooruitversnelling geselecteerd
Display en toonA
Display en toonB
Alleen displayC
Display en toonD
U hoort een onderbroken signaal wanneer de afstand tussen de achterbumper en een obstakel ca. 150 cm bedraagt, 80 cm tussen een obstakel en de voorbumper of 50 cm aan de zijkanten. Wanneer de afstand kleiner wordt, volgen de signalen elkaar sneller op. Een voortdurend signaal weerklinkt op een afstand van minder dan 30 centimeter tot de voor- of achterbumper.
N.B.: Bij auto's met een trekhaak die door Ford is goedgekeurd, klinkt het continue signaal op een afstand van 45 centimeter vanaf de achterbumper.
U hoort een wisselend signaal wanneer de obstakels aan de voor- en achterzijde minder dan 30 centimeter van de voor- of achterbumper zijn verwijderd.

Indicator afgelegde weg.A
Als de afgelegde weg korter wordt, dan beweegt de indicator richting de auto.
![graph TD A["A"] --> B["●"] A --> C["●"] B --> D["!"] C --> D](/content/2026/06/1159513/images/9becc1e18239aa45feb56ab768a16180b311c09a0821b70eea1aa3d8d5258be3.jpg)
E130383
Storingsindicatielamp.A
N.B.: Als een storing wordt aangegeven, wordt het systeem uitgeschakeld. Laat het systeem onmiddellijk door een goed opgeleide monteur controleren.

Een aanhangersymbool geeft aan dat een aanhanger is aangekoppeld, waarna de achterste sensoren worden uitgeschakeld.
WERKING
De camera is een visueel hulpmiddel bij achteruitrijden.
WAARSCHUWING

Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden ichtig en oplettend te zijn.
LET OP

Wanneer u een hogedrukspuit gebruikt om uw wagen te wassen, spuit dan kort op de camera vanaf een and van niet minder dan 20 centimeter.

Oefen geen druk op de camera uit.
N.B.: Houd de camera vrij van vuil, ijs en sneeuw. Reinig de camera niet met scherpe voorwerpen, ontvetter, was of organische producten. Gebruik alleen een zachte doek.
Tijdens de bediening worden in de display hulplijnen weergegeven die de route van de wagen en de geschatte afstand vanaf voorwerpen aan de achterzijde voorstellen.
WAARSCHUWINGEN

De bediening van de camera varieert afhankelijk van de buitentemperatuur, de hstandigheden van de auto en het weg.

De in de display weergegeven afstanden kunnen verschillen van de werkelijke afstand.

Plaats geen voorwerpen voor de camera.
De camera is aangebracht op de achterklep (bij de handgreep).

Achteruitkijkcamera activeren
LET OP

Het kan voorkomen dat de camera voorwerpen die zich te dicht bij de auto bevinden niet kan registreren.
Met het contact en het audiosysteem ingeschakeld:
- Druk op de parkeerhulpschakelaar op het instrumentenpaneel. Voor locatie: Zie In één oogopslag (bladzijde 10). Of,
- Schakel de achteruitversnelling in.
De afbeelding wordt op het scherm weergegeven.
De lamp in de schakelaar gaat branden wanneer het systeem wordt geactiveerd.
De camera werkt wellicht niet correct onder de volgende omstandigheden:
- Donkere gebieden.
• Fel licht. -
Als de buitentemperatuur snel toe- of afneemt.
-
Als de camera nat is (bijvoorbeeld tijdens regen of een hoge vochtigheid).
- Als het zicht van de camera is geblokkeerd (bijvoorbeeld door modder).
Display gebruiken
LET OP

Voorwerpen boven de camera worden niet weergegeven. Controleer indien nodig het gebied achter de auto.

Markeringen worden alleen gebruikt als algemene richtlijn en worden berekend voor auto's met een imale belading op een egaal wegdek.
De lijnen geven een geprojecteerde route van de auto (gebaseerd op de huidige stuurwielhoek) en de afstand vanaf de buitenspiegels en de achterbumper aan.

Speling buitenspiegel - 0,1 meterA Rood - tot 0,3 meterB Oranje - 0,3 tot 0,6 meterC
Groen - 0,6 tot 0,9 meterD
A Oranje - middenlijn van de geprojecteerde route van de auto
N.B.: De groene lijn wordt verlengd van 0,9 meter tot een afstand van 3,2 meter.
N.B.: Wanneer er met een aanhanger achteruit wordt gereden, dan worden de lijnen niet op het scherm getoond. De camera geeft de voertuigrichting en niet de aanhanger weer.
Achteruitkijkcamera deactiveren
N.B.: Schakel een vooruitversnelling in. De display blijft een korte periode aan alvorens deze wordt uitgeschakeld.
N.B.: Het systeem wordt automatisch uitgeschakeld wanneer de voertuigsnelheid ongeveer 15 km/u is.
Druk op de parkeerhulpschakelaar op het instrumentenpaneel. Voor locatie: Zie In één oogopslag (bladzijde 10).
Auto's met parkeerhulp
In de display wordt tevens een gekleurde afstandsbalk getoond. Deze geeft de afstand van de achterbumper naar het geregistreerde object aan.
De volgende kleurcodes zijn van toepassing:
•Groen - 0,6 tot 1,8 meter
- Oranje - 0,3 tot 0,6 meter
• Rood - 0,3 meter of minder.
WERKING
WAARSCHUWINGEN

Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn.

U blijft te allen tijde verantwoordelijk voor het besturen van de auto en het zo nodig in- en uitschakelen van het em.

U dient er op te letten dat de gekozen ruimte te allen tijde tijdens de manoeuvre vrij blijft van obstakels.

Auto's met overhangende lading, voorwerpen op straat en andere voorwerpen mogen niet door het systeem herkend worden. U dient te controlleren of de gekozen ruimte geschikt is voor parkeren.

Gebruik het systeem niet als er een aanhanger aan de auto is bevestigd.

Gebruik het systeem niet als er een fietsenrek achterop de auto is bevestigd.

Gebruik het systeem niet als er een overhangend voorwerp op het dak is bevestigd.

Als de manoeuvre onderbroken wordt voordat deze voltooid is, dan wordt het systeem uitgeschakeld. De stuurpositie geeft niet de werkelijke positie van het stuur aan en u dient de besturing van de auto over te nemen.

Zorg dat loszittende kleding, uw handen of uw armen het draaiende stuurwiel niet belemmeren.
Het systeem detecteert een geschikte ruimte voor fileparkeren en parkeert de auto. Het systeem regelt de besturing terwijl de bestuurder het gaspedaal, de transmissie en de remmen bedient. De manoeuvre kan op elk willekeurig moment gestopt worden door het stuurwiel vast te houden of op de schakelaar van de actieve parkeerhulp te drukken. Zie In één oogopslag (bladzijde 10).
Het systeem geeft de bestuurder tijdens de hele procedure audiovisuele instructies om de auto veilig te parkeren.
ACTIEVE PARKEERHULP GEBRUIKEN
LET OP
Bij zware regenval of andere omstandigheden waardoor verstorende reflecties ontstaan is het mogelijk dat de sensoren bepaalde voorwerpen niet 'zien'.
De sensoren kunnen voorwerpen met een oppervlak de ultrasone geluidsgolven absorberen niet 'zien'.
De sensoren registreren wellicht geen stoeprand.
N.B.: Als het aandrijfregelsysteem wordt uitgeschakeld, dan is de actieve parkeerhulp niet beschikbaar. Zie Algemene informatie (bladzijde 83).
Het systeem lijnt de auto niet correct uit als:
- Een reserveband of een band die meer is versleten dan de andere banden wordt gebruikt;
- De in de fabriek aangebrachte banden niet bij de auto zijn gebruikt;
- De banden doorslippen;
- U de auto laat rollen;
- De weersomstandigheden slecht zijn (zware regenval, sneeuw, mist enz.).
Rijd naar voren met een maximale snelheid van 30 km/u. Druk op de schakelaar van de actieve parkeerhulp. Zie In één oogopslag (bladzijde 10). Gebruik de richtingaanwijzerhendel om zoeken aan de linker- of rechterzijde van de auto te selecteren.
N.B.: Als geen selectie wordt gemaakt met behulp van de richtingaanwijzerhendel, dan gebruikt het systeem standaard de passagierszijde van de auto.
![graph TD A["Top Car"] --> B["Central Vehicle"] B --> C["Bottom Car"] style A fill:#f9f,stroke:#333 style B fill:#bbf,stroke:#333 style C fill:#f96,stroke:#333 note right of B Signal Wave end note right of C E130107 end note right of A A end](/content/2026/06/1159513/images/6b03bd163643d1fa2bccb35bbef9c8489b59e66534caef7da61b5f595d1fa000.jpg)
N.B.: Uitschakelen van de akoestische signalen: Zie Persoonlijke instellingen (bladzijde 91).
De informatie- en entertainmentdisplay informeert u en een akoestisch signaal is hoorbaar wanneer een geschikte parkeerplaats is gevonden. Volg om het voertuig te parkeren de instructies op de informatie- en entertainmentdisplay.
N.B.: De pijlsymbolen of afbeeldingen op de display laten zien aan welke zijde van het voertuig het systeem parkeert. De display geeft ook aan wanneer u de achteruitversnelling dient te selecteren.
Rem af, stop ongeveer op positie A en volg hierna de instructies van het systeem.

Als een snelheid van 10 km/u wordt overschreden, dan wordt het systeem uitgeschakeld en dient u de dige besturing van de auto over te en.
Rijd voorzichtig met de auto achteruit met behulp van het gaspedaal en het rempedaal om de auto te besturen. Er zijn waarschuwingssignalen voor de parkeerhulp hoorbaar. Stop de auto wanneer u een continu signaal hoort.
U kunt de manoeuvre overnemen door het stuur vast te nemen. Er kan een bericht worden weergegeven dat het systeem kan worden hervat. Druk op de schakelaar voor de actieve parkeerhulp om dit bericht te accepteren. Zie In één oogopslag (bladzijde 10).

Rijd met de auto vooruit. Stop de auto wanneer u een continu signaal hoort.
Herhaal de bovenstaande stappen tot de auto naar tevredenheid is geparkeerd. De display geeft aan wanneer het systeem de manoeuvre heeft voltooid.
WERKING
WAARSCHUWING

Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn.
Met cruise control (automatische snelheidsregeling) kunt u met behulp van de schakelaars op het stuurwiel de rijsnelheid instellen. U kunt cruise control gebruiken bij snelheden hoger dan ongeveer 30 km/u.
GEBRUIK MAKEN VAN SNELHEIDSREGELING
WAARSCHUWING

Schakel onder drukke verkeersomstandigheden, op trajecten met veel bochten en op le wegen cruise control niet in.
Cruise control inschakelen

E130072
N.B.: Het systeem is gereed op de snelheid in te stellen.
Snelheid instellen
Druk op de SET+ of de SET- schakelaar om de snelheid in het geheugen op te slaan en met de actuele snelheid te blijven rijden. De waarschuwingslamp van de cruise control gaat branden. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 78).
Ingestelde snelheid veranderen
WAARSCHUWING

Wanneer u een heuvel afrijdt, kan de snelheid hoger worden dan de ingestelde snelheid. Het systeem niet de remmen in werking. Schakel en druk op de SET- schakelaar om systeem te helpen de ingestelde eid te handhaven.
N.B.: Wanneer u het gaspedaal indrukt, verandert de ingestelde snelheid niet. Wanneer u het gaspedaal loslaat, gaat de auto weer met de eerder ingestelde snelheid rijden.

E130073
Accelereren (versnellen)A Decelereren (vertragen)B
Cruise control uitschakelen
Druk het rempedaal in of bedien de CAN schakelaar.
N.B.: Het systeem regelt niet langer de rijsnelheid. De waarschuwingslamp van de cruise control gaat niet branden, maar de laatst ingestelde rijsnelheid blijft in het geheugen opgeslagen.
Cruise control opnieuw inschakelen
Bedien de RES schakelaar.
De waarschuwingslamp van de cruise control gaat branden en het systeem zal proberen de auto met de eerder door u ingestelde snelheid te laten rijden.
Cruise control uitschakelen

E130072
De eerder door u ingestelde snelheid blijft niet in het geheugen opgeslagen. De waarschuwingslamp van de cruise control gaat niet branden.
WERKING
WAARSCHUWINGEN

Het systeem is geen aanrijdingswaarschuwings- of aanrijdingsvoorkomingssysteem. De afzonderlijke forward alert functie waarschuwt voor aanrijdingen en verlaagt de rijsnelheid. Zie Functie voorgangerwaarschuwing (forward alert) (bladzijde 167). U moet zelf ingrijpen wanneer het systeem geen verkeer voor u waarneemt.

Tijdens het rijden bent u verantwoordelijk voor het handhaven van de juiste afstand en snelheid, ook wanneer adaptive cruise control is ingeschakeld. U moet altijd oplettend in het verkeer blijven en ingrijpen wanneer adaptive cruise control niet de juiste snelheid of afstand aanhoudt.

Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn.

Het systeem remt niet voor langzame of stilstaande auto's, voetgangers, objecten op de weg, tegemoetkomende auto's of kruisende auto's.
LET OP

Gebruik adaptive cruise control alleen wanneer de verkeerssituatie dit toelaat, bijvoorbeeld op snelwegen en hoofdwegen waarop het verkeer blijft doorstromen.

Gebruik ACC niet bij slecht zicht, vooral niet bij mist, zware regenval, opspattend water en sneeuw.

Gebruik ACC niet op bevoren of gladde wegen.

Gebruik het systeem niet wanneer u een snelweg oprijdt of verlaat.
LET OP

De radarsensor heeft een beperkt gezichtsveld. In sommige situaties kan het een andere wagen dan verwacht steren of helemaal geen.
N.B.: Wanneer adaptive cruise control is ingeschakeld, kunt u ongebruikelijke geluiden horen wanneer automatisch wordt afgeremd. Dit is normaal en het wordt veroorzaakt door het automatische remsysteem.
N.B.: Houd de voorzijde van de wagen vrij van vuil, metalen badges of voorwerpen, inclusief beschermers tegen steenslag en extra lampen die de werking van de sensor kunnen belemmeren.
Het systeem is ontwikkeld om u te helpen de afstand tot de auto voor u gelijk te houden of een rijsnelheid in te stellen wanneer er zich geen langzamer rijdend verkeer voor u bevindt. Het systeem is bedoeld om het rijden te veraangenamen wanneer u andere auto's volgt die op dezelfde rijstrook in dezelfde richting rijden.
Het systeem is gebaseerd op het gebruik van een radarsensor, die een stralenbundel direct vóór de auto projecteert. Binnen het bereik van het systeem zien deze stralenbundel alle auto's vóór u.
De radarsensor is achter de grille aangebracht.
Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
Onverwachte reacties
A

Onverwachte reacties kunnen optreden:
•bij voertuigen die zich op uw rijbaan voegen en alleen kunnen worden 'gezien' wanneer ze zich volledig op de rijbaan bevinden (A). Motorfietsen kunnen soms laat of in het geheel niet worden 'gezien'. (B)
•bij voertuigen voor u bij het in- en uitrijden van een bocht (C). De stralenbundel volgt geen scherpe bochten van de weg.
In dergelijke gevallen remt het systeem laat of onverwacht. U moet alert blijven en zo nodig ingrijpen.
Automatisch remmen met ACC
WAARSCHUWINGEN
U dient dan onmiddellijk te reageren, omdat adaptive cruise control onvoldoende remt om een veilige afstand tot uw voorligger aan te houden.
In sommige gevallen kan de waarschuwing ontbreken of vertraag worden. U moet altijd remmen indien dit nodig is.
Wanneer u een auto volgt dan remt adaptive cruise control niet automatisch tot stilstand af.
Het systeem remt automatisch voor u, om de ingestelde afstand tussen uw auto en uw voorligger te handhaven. Het remvermogen is beperkt tot ongeveer 30% van de totale remcapaciteit zodat de wagen soepel en comfortabel blijft rijden. Wanneer sterker dan dit moet worden afgeremd, en u grijpt zelf niet in, klinkt er een alarmsignaal en verschijnt er een waarschuwingssymbool in de instrumentengroep.
ADAPTIEVECRUISECONTROL GEBRUIKEN
Het systeem wordt bediend met de toetsen op het stuurwiel.

Snelheidstoename instellenA
Snelheidsafname instellenB
ACC aan/uitC
ACC afstand vergrotenD
ACC afstand verkleinenE
Het systeem inschakelen
Druk op schakelaar C. Het systeem wordt in de stand-by modus geschakeld.
Snelheid instellen
N.B.: Het systeem moet in de standby-modus staan.
Druk op schakelaar A of schakelaar B om de gewenste snelheid te selecteren. De snelheid wordt op de informatiedisplay weergegeven en opgeslagen als de ingestelde snelheid.
Ingestelde snelheid veranderen
N.B.: De rijsnelheid kan in stappen van 5 km/u of 5 mph worden verhoogd of verlaagd.
N.B.: Wanneer het systeem niet op deze wijzigingen reageert, kan de reden zijn dat de ingestelde afstand tot uw voorligger voorkomt dat de rijsnelheid kan toenemen.
Druk op schakelaar A voor het verhogen of schakelaar B voor het verlagen van de ingestelde snelheid tot de gewenste snelheidsinstelling op de informatiedisplay wordt weergegeven. De voertuigsnelheid zal geleidelijk in de gekozen snelheid veranderen.
Afstand tot uw voorligger instellen
LET OP
Pas een afstand toe die in overeenstemming is met de plaatselijke regelgeving.
N.B.: De ingestelde afstand is tijdafhankelijk en daarom zal de afstand automatisch de rijsnelheid aanpassen. Wanneer bijvoorbeeld de afstand wordt ingesteld op vier balken, bedraagt de tijdsafstand 1,8 seconden. Dit houdt in dat bij een snelheid van 100 km/u (62 mph) de afstand tot uw voorligger wordt gehandhaafd op 50 meter (164 feet).
N.B.: Wanneer het gaspedaal kortstondig wordt ingedrukt, bijvoorbeeld om in te halen, wordt het systeem tijdelijk uitgeschakeld en weer ingeschakeld wanneer het gaspedaal wordt losgelaten. Er verschijnt een bericht op de informatiedisplay.
N.B.: De afstand blijft ongewijzigd tijdens ontstekingscycli.

De afstand tussen u en uw voorligger wordt door een variabele instelling gehandhaafd. Deze bestaat uit vijf stappen, die met horizontale balken op de informatiedisplay worden weergegeven. Een balk komt overeen met de kleinste afstand en vijf balken met de grootste. Deze balken zijn leeg tijdens de stand-by modus en gekleurd tijdens de ingeschakelde modus.
Wanneer geen voorligger wordt geregistreerd, wordt alleen uw auto op de informatiedisplay onder de balken weergegeven. Het systeem houdt de ingestelde snelheid aan zolang de omstandigheden dat toelaten. De ingestelde afstand wordt gehandhaafd en weergegeven.
Wanneer een voertuig door de sensor wordt geregistreerd. geeft de display een ander voertuig boven de horizontale balken weer:

dit is de volgmodus en het systeem versnelt of vertraagt zo nodig om de ingestelde afstand tot de voorligger te handhaven.
Bedien schakelaar E om de afstand te laten afnemen of schakelaar D om de afstand te laten toenemen. De ingestelde afstand wordt door het aantal balken op de display weergegeven.
N.B.: De aanbevolen afstand is vier tot vijf balken.
Systeem tijdelijk deactiveren
N.B.: Het systeem wordt gedeactiveerd wanneer de versnellingshendel naar een neutrale stand wordt gezet of wanneer het gaspedaal of het koppelingspedaal een langere periode wordt ingetrapt.
Trap op het rempedaal of bedien schakelaar F om het systeem te annuleren. Het systeem gaat naar de standby-modus, waarna u alle functies handmatig kunt bedienen. De ingestelde snelheid en de afstand blijven in het geheugen opgeslagen.
Bedien schakelaar F nogmaals om te hervatten. Het systeem hervat de eerder ingestelde snelheid en afstand als de omstandigheden dit toelaten.
Systeem uitschakelen
Druk op schakelaar C om het systeem uit te schakelen.
N.B.: Bij deactiveren van het systeem door op schakelaar C te drukken, wordt de opgeslagen snelheid niet behouden.
Automatisch uitschakelen
N.B.: Wanneer het motortoerental te laag wordt, verschijnt een mededeling op de informatiedisplay dat u moet terugschakelen (alleen handgeschakelde versnellingsbak). Wanneer u deze aanbeveling niet opvolgt, gaat het systeem automatisch naar de uitgeschakelde modus.
N.B.: Het systeem werkt niet als het aandrijfregelsysteem (traction control) uitgeschakeld is.
Het systeem is afhankelijk van diverse andere veiligheidssystemen, zoals ABS en ESP. Wanneer een van deze systemen niet goed werkt of reageert op een noodsituatie wordt het systeem automatisch uitgeschakeld.
Bij een automatische uitschakeling klinkt een signaal en verschijnt het bericht op de informatiedisplay. Zie Infoberichten (bladzijde 91). U moet dan ingrijpen en uw rijsnelheid en de afstand tot uw voorligger aanpassen.
Een automatische uitschakeling kan plaatsvinden wanneer:
- de snelheid afneemt tot onder 30 km/u (20 mph)
-de wielen de grip op het wegdek verliezen - de temperatuur van de remmen te hoog is, bijvoorbeeld tijdens het rijden door de bergen of over heuvelachtige wegen
- het motortoerental te laag is
- de radarsensor bedekt is
- de parkeerrem wordt ingeschakeld.
Wacht nooit tot een waarschuwing voor een aanrijding. Tijdens het rijden bent u verantwoordelijk voor het
handhaven van de juiste afstand en snelheid, ook wanneer het systeem is ingeschakeld.

Het systeem reageert alleen op voertuigen die vóór u in dezelfde richting rijden en reageert niet op
langzaam rijdende of stilstaande voertuigen.
WAARSCHUWINGEN

Rijd nooit op een zodanige manier dat het systeem wordt geactiveerd. Het systeem is uitsluitend bedoeld noodsituaties te assisteren.
LET OP
Waarschuwingen kunnen laat, niet of onnodig gegeven worden door onverwachte reacties m.b.t. de stralenbundel. Zie Werking (bladzijde 163).
Het systeem maakt gebruik van dezelfde radarsensor als de adaptive cruise control en heeft daardoor dezelfde beperkingen. Zie Werking (bladzijde 163).
N.B.: De ondersteuning van het remsysteem reduceert alleen de snelheid waarmee de aanrijding plaatsvindt wanneer u onmiddellijk na de waarschuwing remt.
N.B.: Wanneer het rempedaal voldoende snel is ingedrukt treden de remmen met volle kracht in werking, ook al wordt het rempedaal licht ingedrukt.
N.B.: De ondersteuning van het remsysteem bereidt het remsysteem voor op snel remmen en de remmen komen soepel in aangrijping, hetgeen als een lichte schok kan worden ervaren.
N.B.: De waarschuwing voor een aanrijding vindt alleen plaats wanneer het systeem is ingeschakeld; de ondersteuning van het remsysteem is altijd ingeschakeld en kan niet worden uitgeschakeld.
N.B.: Het systeem kan met zonder geactiveerde adaptive cruise control gebruikt worden.
Het systeem helpt u door te waarschuwen voor het risico op een aanrijding met de auto voor u.
Het systeem waarschuwt u met gonggeluiden en een visuele waarschuwing in het informatiedisplay. Zie Infoberichten (bladzijde 91).
De remondersteuning wordt geactiveerd om een maximale remwerking te verkrijgen en de ernst van de aanrijding met de auto voor u te beperken.
Het systeem in- en uitschakelen
N.B.: Wanneer het systeem is uitgeschakeld, blijft een waarschuwingslampje in het informatiedisplay branden. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 78).
N.B.: De systeemstatus en instellingen blijven onveranderd tijdens ontstekingscycli.
Het systeem kan worden in- en uitgeschakeld m.b.v. het informatiedisplay. Zie Algemene informatie (bladzijde 83).
Gevoeligheid voor de waarschuwingen instellen
U kunt de gevoeligheid van het waarschuwingssysteem instellen met de knoppen op het stuurwiel. Zie Algemene informatie (bladzijde 83). Hiermee wordt geregeld hoe snel de visuele en akoestische waarschuwing wordt geactiveerd.
WERKING
WAARSCHUWING

Wanneer u een heuvel afrijdt, kan de snelheid hoger worden dan de ingestelde snelheid. Het systeem bedient de remmen niet, maar geeft een waarschuwing af.
Via het systeem kan een snelheid worden ingesteld waar de auto vervolgens op wordt begrensd. De ingestelde snelheid wordt de effectieve maximumsnelheid van de auto, maar met als optie deze snelheid indien nodig tijdelijk te overschrijden.
SNELHEIDSBEGRENZER GEBRUIKEN
N.B.: De ingestelde snelheidslimiet kan gedurende een korte periode doelbewust worden overschreven (bijvoorbeeld tijdens inhalen).
Het systeem wordt bediend met de toetsen op het stuurwiel.

Snelheidstoename instellenA Snelheidsbegrenzer aan/uitB
Snelheidsafname instellenC
D Snelheidsbegrenzer annuleren/hervatten
Het systeem in- en uitschakelen
Druk op schakelaar B. De informatiedisplay vraagt een snelheid in te stellen.
Snelheidslimiet instellen
Gebruik de cruise control schakelaars om de instelling van de maximumsnelheid te wijzigen.
Druk op schakelaar A of schakelaar C om de gewenste snelheidslimiet te selecteren. De snelheid wordt op de informatiedisplay weergegeven en opgeslagen als de ingestelde snelheid.
Bedien schakelaar D om de werking van de begrenzer te annuleren en deze in de standby-modus te zetten. De informatiedisplay bevestigt deactivering door de ingestelde snelheid doorgekruist weer te geven.
Bedien schakelaar D om de werking van de begrenzer te hervatten. De informatiedisplay bevestigt dat het systeem actief is door de ingestelde snelheid opnieuw weer te geven.
Ingestelde snelheidslimiet doelbewust overschrijden
Trap het gaspedaal volledig in om het systeem tijdelijk te deactiveren. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd nadat de voertuigsnelheid onder de ingestelde snelheid is gedaald.
Systeemwaarschuwingen
Als de ingestelde limiet per ongeluk wordt overschreden (bijvoorbeeld bergafwaarts rijden), dan knippert de ingestelde snelheid in de informatiedisplay en wordt een hoorbare waarschuwing afgegeven.
Als de ingestelde snelheidslimiet doelbewust wordt overschreden, dan geeft de informatiedisplay de ingestelde snelheid doorgekruist weer.
WERKING
WAARSCHUWINGEN

Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn.

U blijft te allen tijde verantwoordelijk voor het besturen van de auto en het zo nodig in- en uitschakelen van het em.

Indien de sensor versperd raakt, is het mogelijk dat het systeem niet werkt.

Neem regelmatig de vereiste rustpauzes en wacht niet totdat het systeem u waarschuwt indien u peidheid voelt.

Neem rustpauzes uitsluitend op plekken waar dit veilig kan.

Bepaalde rijstijlen en -gedrag kan erin resulteren dat het systeem een waarschuwing afgeeft, ook al voelt n vermoeidheid.
LET OP

Onder koude en barre weersomstandigheden is het mogelijk dat het systeem niet werkt. Regen, sneeuw, opspattend water en grote contrasten in verlichting kunnen de sensor allemaal beïnvloeden.

Het systeem werkt niet indien de sensor de rijstrookmarkeringen niet kan registreren.

Het is mogelijk dat het systeem niet werkt in gebieden met wegwerkzaamheden.

Het is mogelijk dat het systeem niet werkt op wegen met scherpe bochten of smalle rijstroken.
LET OP

Voer geen voorruitreparaties uit in de directe omgeving van de sensor.

Indien uw auto is uitgerust met een niet door ons goedgekeurde wielophangingsset, is het mogelijk dat systeem niet naar behoren werkt.
N.B.: Houd de voorruit vrij van belemmeringen zoals uitwerpselen van vogels, insecten en sneeuw of ijs.
N.B.: Het systeem is bedoeld als hulpmiddel voor de bestuurder op snelle hoofdwegen en snelwegen.
N.B.: Het systeem berekent een alertheidsniveau bij rijsnelheden boven ca. 65 km/u.
Het systeem controleert automatisch uw rijgedrag aan de hand van verschillende inputs incl. de voorste camerasensor.
Indien het systeem ontdekt dat u slaperig wordt of dat uw rijstijl verslechtert, waarschuwt het systeem u.
BESTUURDERS- WAARSCHUWINGGEBRUIKEN
Het systeem in- en uitschakelen
N.B.: De systeemstatus blijft onveranderd tijdens ontstekingscycli.
Activeer het systeem m.b.v. het informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 83).
Eenmaal geactiveerd berekent het systeem uw alertheidsniveau aan de hand van uw uw rijgedrag ten opzichte van de rijstrookmarkeringen, en andere factoren.
Systeemwaarschuwingen
N.B.: Het systeem geeft geen waarschuwingen onder ca. 65 km/u.
Het waarschuwingssysteem werkt in twee fasen. In eerste instantie geeft het systeem een tijdelijke waarschuwing dat een rustpauze moet worden genomen. Dit bericht verschijnt slechts gedurende een korte periode. Wordt geen rustpauze genomen, dan kan een tweede waarschuwing worden gegeven die in het informatiedisplay blijft weergegeven totdat ze geannuleerd wordt. Zie Infoberichten (bladzijde 91).
Druk op OK op de stuurwielbediening om de waarschuwing te verwijderen.
Systeemdisplay
Wanneer het systeem actief is, loopt het automatisch op de achtergrond en geeft het uitsluitend indien nodig waarschuwingen. U kunt de status te allen tijde bekijken m.b.v. het informatiedisplay. Zie Algemene informatie (bladzijde 83).
Het alertheidsniveau wordt in zes stappen op een gekleurde balk weergegeven.

Alertheidsniveau is in orde, geen rustpauze nodig.

Alertheidsniveau is kritisch, hetgeen betekent dat - zo snel als dit veilig kan - een rustpauze moet worden genomen.
De statusbalk verloopt van links naar rechts met het afnemen van het berekende alertheidsniveau. Zodra het rustpauze-icoon wordt genaderd, verandert de kleur van groen naar geel en uiteindelijk rood, wanneer een rustpauze moet worden genomen.
•Groen - Geen rustpauze vereist.
-Geel - Eerste (tijdelijke) waarschuwing.
•Rood - Tweede waarschuwing.
N.B.: Het alertheidsniveau wordt grijs weergegeven als de camerasensor de rijstrookmarkeringen niet kan registeren of als de voertuigsnelheid lager is dan ca. 65 km/u.
Systeem resetten
U kunt het systeem als volgt resetten:
- Schakel de contactspanning uit en in.
-Stop de auto en open en sluit het bestuurdersportier.
WERKING
WAARSCHUWINGEN

Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn.

U blijft te allen tijde verantwoordelijk voor het besturen van de auto en het zo nodig in- en uitschakelen van het em.

Indien de sensor versperd raakt, is het mogelijk dat het systeem niet werkt.

Het is mogelijk dat rijstrookmarkeringen niet altijd goed gevolgd worden door de sensor.
Andere structuren of voorwerpen kunnen soms verkeerd als rijstrookmarkering gedetecteerd worden, hetgeen kan resulteren in een valse of gemiste waarschuwing.
LET OP

Onder koude en barre weersomstandigheden is het mogelijk dat het systeem niet werkt. Regen, sneeuw, opspattend water en grote contrasten in verlichting kunnen de sensor allemaal beïnvloeden.

Het systeem werkt niet indien de sensor de rijstrookmarkeringen niet kan registreren.

Het is mogelijk dat het systeem niet werkt in gebieden met wegwerkzaamheden.

Het is mogelijk dat het systeem niet werkt op wegen met scherpe bochten of smalle rijstroken.

Voer geen voorruitreparaties uit in de directe omgeving van de sensor.
LET OP

Indien uw auto is uitgerust met een niet door ons goedgekeurde wielophangingsset, is het mogelijk dat systeem niet naar behoren werkt.
N.B.: Houd de voorruit vrij van belemmeringen zoals uitwerpselen van vogels, insecten en sneeuw of ijs.
N.B.: Het systeem is bedoeld als hulpmiddel voor de bestuurder op snelle hoofdwegen en snelwegen.
N.B.: Het is mogelijk dat het systeem niet werkt tijdens hard remmen of accelereren en wanneer u de auto met opzet verkeerd bestuurt.
N.B.: Het systeem werkt met minimaal een geregistreerde rijstrookmarkering.
N.B.: Het systeem werkt alleen boven rijsnelheden van ca. 65 km/u.
Er is een sensor gemonteerd achter de binnenspiegel. Deze controleert continu de omstandigheden om u te waarschuwen voor onbedoeld afdrijven van het midden van de rijstrook bij hoge snelheden.
Het systeem registreert en volgt automatisch de rijstrookmarkeringen op de weg. Indien het registreert dat de auto onbedoeld naar de rijstrookgrenzen afdrijft, wordt een visuele waarschuwing weergegeven in het informatiedisplay. Ook wordt een waarschuwing gegeven in de vorm van een trilling die in het stuurwiel voelbaar is.
WAARSCHUWING RIJDEN BUITEN BAAN GEBRUIKEN
Het systeem in- en uitschakelen
N.B.: Wanneer het systeem is uitgeschakeld, blijft een waarschuwingslamp op de informatiedisplay branden. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 78).
N.B.: De systeemstatus en instellingen blijven onveranderd tijdens ontstekingscycli.

Activeer en deactiveer het systeem m.b.v. de knop op de richtingaanwijzerhendel.
Druk op de knop om het systeem uit te schakelen. Druk tweemaal op de knop om het systeem in te schakelen.
Trillingsniveau in stuurwiel afstellen
Het systeem heeft drie intensiteitsniveaus die m.b.v. de informatiedisplay kunnen worden ingesteld. Zie Algemene informatie (bladzijde 83).
De gevoeligheid van het systeem instellen.
U kunt instellen hoe snel het systeem u voor een gevaarlijke situatie waarschuwt. Het systeem heeft twee gevoeligheidsniveaus die m.b.v. de informatiedisplay kunnen worden ingesteld. Zie Algemene informatie (bladzijde 83).
Systeemwaarschuwingen

Een kolom wordt weergegeven aan weerszijden van een tekening van de auto, die de rijstrookmarkeringen voorstellen.
De rijstrookmarkeringen hebben de volgende kleurcode:
•Groen - Het systeem is gereed om u te waarschuwen voor onbedoeld overschrijden van de rijstrookmarkeringen.
•Rood - De auto nadert of is te dicht bij de gedetecteerde rijstrookgrens.
Onderneem meteen veilig actie om de auto in de juiste positie te brengen.
•Grijs - De betreffende rijstrookgrens wordt onderdrukt.
Gevallen waarin een rijstrookgrens kan worden onderdrukt:
- Het is mogelijk dat rijstrookmarkeringen op de weg niet door de sensor worden gedetecteerd.
- De richtingaanwijzer voor die zijde van de auto is ingeschakeld.
• Tijdens hard accelereren of remmen of indien scherp wordt ingestuurd. - De voertuigsnelheid ligt buiten de bedrijfslimieten.
• Bij tussenkomst van het ABS of de stabiliteitsregeling (ESP).
- Smalle rijstrookbreedte.
Indien de rijstrookmarkeringen rood worden of indien een trilling in het stuurwiel voelbaar is, moet u meteen veilige actie ondernemen om de auto in het juiste spoor te brengen en onbedoeld afdrijven te corrigeren.
WERKING
WAARSCHUWINGEN

Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden ichtig en oplettend te zijn.

U blijft te allen tijde verantwoordelijk voor het besturen van de auto en het zo nodig in- en uitschakelen van het em.

Indien de sensor versperd raakt, is het mogelijk dat het systeem niet werkt.

Het is mogelijk dat rijstrookmarkeringen niet altijd goed gevolgd worden door de sensor.
Andere voorwerpen of objecten kunnen soms incorrect worden gedetecteerd als een rijstrookmarkering, wat leidt tot een valse of gemiste waarschuwing in combinatie met een valse of gemiste stuurinterventie.

Houd altijd het stuurwiel vast voor het geval u moet ingrijpen.
LET OP

Onder koude en barre weersomstandigheden is het mogelijk dat het systeem niet werkt. Regen, euw, opspattend water en grote trasten in verlichting kunnen de sensor maal beïnvloeden.

Het systeem werkt niet indien de sensor de rijstrookmarkeringen niet kan registreren.

Het is mogelijk dat het systeem niet werkt in gebieden met wegwerkzaamheden.

Het is mogelijk dat het systeem niet werkt op wegen met scherpe bochten of smalle rijstroken.
LET OP

Voer geen voorruitreparaties uit in de directe omgeving van de sensor.

Indien uw auto is uitgerust met een niet door ons goedgekeurde wielophangingsset, is het mogelijk dat systeem niet naar behoren werkt.
N.B.: Houd de voorruit vrij van belemmeringen zoals uitwerpselen van vogels, insecten en sneeuw of ijs.
N.B.: Het systeem is bedoeld als hulpmiddel voor de bestuurder op snelle hoofdwegen en snelwegen.
N.B.: Het is mogelijk dat het systeem niet werkt tijdens hard remmen of accelereren, en wanneer u het voertuig met opzet verkkeerd bestuurt.
N.B.: Het systeem werkt met minimaal een geregistreerde rijstrookmarkering.
N.B.: Het systeem werkt alleen bij een rijnsnelheid tussen ca. 65 km/h en 180 km/h.
N.B.: Als het systeem geen actieve besturing door de bestuurder detecteert, dan wordt het tijdelijk gedeactiveerd tot u de controle overneemt. Het systeem waarschuwt u met een akoestisch signaal en een bericht op de display.
Er is een sensor gemonteerd achter de binnenspiegel. Deze controleert continu de omstandigheden om u te waarschuwen voor onbedoeld afdrijven van het midden van de rijstrook bij hoge snelheden.
Het systeem registreert en volgt automatisch de rijstrookmarkeringen op de weg. Indien het registreert dat de auto onbedoeld naar de rijstrookgrenzen afdrijft, wordt een visuele waarschuwing weergegeven op de informatiedisplay. Het systeem past ook automatisch een stuurkoppel toe om het pad van de auto te corrigeren. Als het systeem het pad van de auto niet kan corrigeren, dan wordt een waarschuwing voor het verlaten van de rijstrook gegeven. Zie Waarschuwing rijden buiten baan gebruiken (bladzijde 174).
SYSTEEM HULP BIJ BLIJVEN RIJDEN OP RIJSTROOK GEBRUIKEN
Het systeem in- en uitschakelen
N.B.: Het systeem is standaard uitgeschakeld.
N.B.: Wanneer het systeem ingeschakeld is, is de waarschuwing voor het verlaten van de rijstrook (lane departure) standaard ingeschakeld.

Activeer en deactiveer het systeem m.b.v. de knop op de richtingaanwijzerhendel.
Druk driemaal op de knop om het systeem in te schakelen. Druk nogmaals op de knop om het systeem uit te schakelen.
Systeemwaarschuwingen

Een kolom wordt weergegeven aan weerszijden van een tekening van de auto, die de rijstrookmarkeringen voorstellen.
De rijstrookmarkeringen hebben de volgende kleurcode:
- Groen - Het systeem is gereed om in te grijpen bij het onbedoeld overschrijden van de rijstrookmarkeringen.
-Geel - Het systeem past automatisch een stuurkoppel toe om het pad van de auto en onbedoeld afdrijven van het midden van de rijstrook te corrigeren.
•Rood - De auto nadert of is te dicht bij de gedetecteerde rijstrookgrens. Er wordt een waarschuwing gegeven in de vorm van trillingen via het stuurwiel. Onderneem meteen veilig actie om de auto in de juiste positie te brengen.
•Grijs - De betreffende rijstrookgrens wordt onderdrukt.
Gevallen waarin een rijstrookgrens kan worden onderdrukt:
- Het is mogelijk dat rijstrookmarkeringen op de weg niet door de sensor worden gedetecteerd.
- De richtingaanwijzer voor die zijde van de auto is ingeschakeld.
• Tijdens hard accelereren of remmen of indien scherp wordt ingestuurd.
- De voertuigsnelheid ligt buiten de bedrijfslimieten.
• Bij tussenkomst van het ABS of de stabiliteitsregeling (ESP).
- Smalle rijstrookbreedte.
N.B.: Het systeem kan op elk willekeurig moment uitgeschakeld worden door het stuurwiel te draaien.
WERKING
WAARSCHUWINGEN

Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn.

U blijft te allen tijde verantwoordelijk voor het besturen van de auto en het zo nodig in- en uitschakelen van het systeem.

Indien de sensor versperd raakt, is het mogelijk dat het systeem niet werkt.
LET OP

Onder koude en barre weersomstandigheden is het mogelijk dat het systeem niet werkt. Regen, sneeuw, opspattend water en grote contrasten in verlichting kunnen de sensor allemaal beïnvloeden.

Voer geen voorruitreparaties uit in de directe omgeving van de sensor.

Indien uw auto is uitgerust met een niet door ons goedgekeurde wielophangingsset, is het mogelijk dat systeem niet naar behoren werkt.

Breng altijd Originele Ford Onderdelen aan wanneer gloeilampen voor de koplampen worden vervangen.
Andere gloeilampen kunnen de prestaties van het systeem verminderen.
N.B.: Houd de voorruit vrij van belemmeringen zoals uitwerpselen van vogels, insecten en sneeuw of ijs.
N.B.: Het systeem registreert mogelijk niet alle verkeersborden.
N.B.: Het systeem is ontworpen om verkeersborden te herkennen conform het Verdrag van Wenen.
Er is een sensor gemonteerd achter de binnenspiegel. Het systeem registreert voortdurend verkeersborden en geeft waarschuwingen m.b.t. de wettelijke snelheidslimiet en inhaalregelgeving.
Het systeem detecteert automatisch herkenbare verkeersborden, bijv. borden met snelheidslimiet, borden voor niet inhalen en borden voor einde snelheidslimiet.
VERKEERSBORDHERKENNING GEBRUIKEN
Het systeem in- en uitschakelen
N.B.: De systeemstatus en instellingen blijven onveranderd tijdens ontstekingscycli. Het systeem kan worden in- en uitgeschakeld m.b.v. het informatiedisplay. Zie Algemene informatie (bladzijde 83).
Snelheidswaarschuwing systeem instellen
Het systeem heeft een aantal snelheidswaarschuwingsniveaus die m.b.v. het informatiedisplay kunnen worden ingesteld. Zie Algemene informatie (bladzijde 83).
Systeemdisplay

E132994
Het systeem kan twee verkeersborden parallel weergeven.
U kunt de status te allen tijde bekijken m.b.v. het informatiedisplay.
De weergave van het systeem vindt in vier fasen plaats:
- Alle nieuwe herkenbare verkeersborden worden met meer helderheid in het display weergegeven dan de overige waarschuwingsborden.
- Na een vooraf bepaalde tijd worden ze normaal weergegeven.
- Na een vooraf bepaalde afstand worden ze grijs weergegeven.
- Na nog een vooraf bepaalde afstand worden ze gewist.
Als een aanvullend verkeersbord wordt gedetecteerd, bijv. een gereduceerde snelheidslimiet bij een nat wegdek, dan wordt dit niet weergegeven, maar als een leeg vak onder het betreffende bord aangeduid.
WERKING
WAARSCHUWINGEN

Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden ichtig en oplettend te zijn.

U blijft te allen tijde verantwoordelijk voor het besturen van de auto en het zo nodig in- en uitschakelen van het em.

Kijk nooit direct of met welk type voorwerp dan ook in de sensor. Er bestaat een risico op oogletsel.

Indien de sensor versperd raakt, is het mogelijk dat het systeem niet werkt.

Voor het verkrijgen van maximale systeemprestaties moet ervoor gezorgd worden dat het remsysteem open is. Zie Inrijden (bladzijde 196).

De prestaties van het systeem kunnen variëren, afhankelijk van het voertuig en de ersomstandigheden.

Het systeem reageert niet op voertuigen die in een andere richting rijden.

Het systeem reageert niet op fietsen, motors, mensen of dieren.

Wanneer het contact ingschakeld is, dan verstuurt de sensor voortdurend een laserstraal.

Het systeem werkt niet tijdens hard versnellen en sturen.

Onder koude en barre weersomstandigheden is het mogelijk dat het systeem niet werkt.
Regen, sneeuw, mist en ijs kunnen de sensor beïnvloeden.

Voer geen voorruitreparaties uit in de directe omgeving van de sensor.
WAARSCHUWINGEN

Indien uw auto is uitgerust met een niet door ons goedgekeurde voorruit, dan is het mogelijk dat het systeem aan behoren werkt.

Als de motor stopt nadat het systeem geactiveerd is, dan worden de waarschuwingsknipperlichten tiveerd.

Het systeem werkt wellicht niet bij het nemen van scherpe bochten.
N.B.: Houd de voorruit vrij van belemmeringen zoals uitwerpselen van vogels, insecten en sneeuw of ijs.
N.B.: Houd de motorkap vrij van ijs en sneeuw, want het systeem werkt anders niet naar behoren.
Er is een sensor gemonteerd achter de binnenspiegel. De sensor controleert voortdurend de omstandigheden om te bepalen wanneer er ingegrepen moet worden.
Het systeem is ontworpen om u te helpen bij het reduceren van aanrijdingen met voorgangers bij lage snelheden. Het helpt u ook bij het reduceren van aanrijdingsschade of het volledig voorkomen van de aanrijding.
Het systeem werkt bij snelheden tot ca. 30 km/u door bediening van de remmen wanneer de sensor een waarschijnlijke aanrijding detecteert.
U moet het rempedaal intrappen om de volledige remkracht te verkrijgen.
Wanneer het systeem remt of de remmen automatisch heeft bediend, dan wordt er een bericht in de display weergegeven.
Voor informatie en gegevens m.b.t. de lasersensor: Zie Typegoedkeuringen (bladzijde 355).
ACTIVE CITY STOP - TOIMINNON KÄYTTÖ
WAARSCHUWING

Kijk nooit direct of met welk type voorwerp dan ook in de sensor. Er bestaat een risico op oogletsel.
Het systeem in- en uitschakelen
N.B.: Het systeem is standaard ingeschakeld.
N.B.: In bepaalde situaties wordt aanbevolen het systeem te deactiveren, bijvoorbeeld tijdens off-road rijden wanneer objecten de voorruit kunnen bedekken.
Activeer en deactiveer het systeem m.b.v. het informatiedisplay. Zie Algemene informatie (bladzijde 83).
Kijk nooit direct of met welk type voorwerp dan ook in de sensor. Er bestaat een risico op oogletsel.

Als de stabiliteitsregeling wordt uitgeschakeld, dan wordt tevens de active city stop (veiligheidssysteem in kop-staartbotsingen) uitgeschakeld. It display wordt een bericht gegeven.
Het systeem in- en uitschakelen
N.B.: Het systeem is standaard ingeschakeld.
N.B.: In bepaalde situaties wordt aanbevolen het systeem te deactiveren, bijvoorbeeld tijdens off-road rijden wanneer objecten de voorruit kunnen bedekken.
Activeer en deactiveer het systeem m.b.v. het informatiedisplay. Zie Algemene informatie (bladzijde 83).
ALGEMENE INFORMATIE
WAARSCHUWINGEN

Gebruik bevestigingsriemen die voldoen aan een norm, bijv. DIN.

Zorg ervoor dat alle losse voorwerpen goed zijn vastgezet.

Plaats bagage en ander voorwerpen zo laag mogelijk en zo ver mogelijk naar voren in de bagageruimte of de uimte.

Rijd niet met geopende achterklep of achterdeur. Uitlaatgassen kunnen de auto worden binnengezogen.

Overschrijd niet de maximum voor- en achterasbelasting voor uw auto. Zie Voertuigidentificatie (bladzijde

Zware ladingen bestemd voor de passagiersruimte moeten worden geplaatst op een neergeklapte
achterbank (zie de afbeelding). Zie
Achterbank (bladzijde 120).
LET OP

Laat geen items in contact komen met de achterruiten.

Gebruik geen schurende materialen voor het reinigen van de binnenzijde van de achterruiten.

Breng geen stickers of labels aan op de binnenzijde van de achterruiten.

Til de klep op voor toegang tot het verankeringspunt.
BAGAGEAFDEKKINGEN
WAARSCHUWING

Leg geen voorwerpen op het bagageafdekpaneel.
Transport
3-/5-deurs

Wagon

Trek het afdekpaneel uit en zet het in de bevestigingspunten vast.
Maak hem uit de bevestigingspunten los en laat hem in de houder oprollen. Zet de haak op de houder vast.

Bij de stationwagon zijn geen verankeringspunten voor het bagagenet achter de eerste stoelrij aangebracht, maar wel achter de tweede stoelrij.
Cassette met bagage-scheidingsnet aanbrengen:
Verwijder de bagageafdekhoes.
Druk de geleiders op de cassette naar elkaar toe en schuif de telescopische pennen in de uitsparingen achter de rugleuningen van de achterstoelen.
Zorg ervoor dat de kappen op het uiteinde met de borgpennen op correcte wijze in de zijbekledingpanelen worden aangebracht.
Transport

Trek het net omhoog en breng de uiteinden van de stang aan in de houders tegen het dak.
Zorg ervoor dat de stang in het smalle gedeelte van de houders komt te zitten.
WAARSCHUWING

Druk, nadat de cassette is aangebracht, de voorste rand van de bagageafdekhoes in zijn
oorspronkelijke stand (naar voren) om te voorkomen dat het zicht naar achteren wordt belemmerd.
Breng de bagageafdekhoes weer aan.
Het verwijderen geschiedt in omgekeerde volgorde.
Bagagenet

Het bagagenet kan worden gebruikt om te voorkomen dat voorwerpen door de wagen schuiven.
Bevestig de haken op de hoeken aan de vier sjorogen op de laadvloer.
HONDENREK
LET OP

Houd een afstand van minimaal een centimeter aan tussen het hondenrek en de stoelen ervoor.
Transport
Aanbrengen achter de voorstoelen.

- Druk de uiteinden van de bovenste stang op het rooster naar elkaar toe en breng ze aan in de houders tegen het dak. Druk de stang naar voren in het smalle deel van de houders.

- Bevestig het hondenrek aan de onderste bevestigingspunten. Zet de schroeven niet vast.

- Zet het rek met behulp van de kartelwielen vast op de onderste stang. Zet de kartelwielen niet vast.
- Zet de schroeven bij de onderste bevestigingspunten vast.
- Draai de kartelwielen vast.
Aanbrengen achter de achterbank

- Druk de uiteinden van de bovenste stang op het rooster naar elkaar toe en breng ze aan in de houders tegen het dak. Druk de stang naar voren in het smalle deel van de houders.

- Maak de twee bouten los van beide bevestigingspunten voor de bagage. Zie Bagageverankeringspunten (bladzijde 183).
- Zet de onderste stang met behulp van de kartelwielen vast op het rek. Zet de kartelwielen niet vast.
- Bevestig de onderste stang van het scheidingshek voor de hond aan de bevestigingspunten voor de bagage met behulp van de nieuwe meegeleverde bouten.
- Draai de kartelwielen vast.
Het verwijderen geschiedt in omgekeerde volgorde.
DAKREKKEN EN BAGAGEDRAGERS
Imperiaal
WAARSCHUWINGEN
Wanneer u een imperiaal gebruikt, kan het brandstofverbruik van uw auto hoger zijn en kan de rijkarakteristiek anders zijn.
Schakel bij auto's met 2.0L EcoBoost SCTi (MI4) motor de stabiliteitsregeling niet uit of selecteer geen sportmodus bij gebruik van een imperiaal.
Wanneer u een imperiaal aanbrengt, lees dan de instructies van de fabrikant en volg deze op.
Overschrijd de maximum toelaatbare dakbelasting van 75 kg (inclusief de imperiaal) niet.
Controleer of de imperiaal goed vastzit en zet de bevestigingen als volgt vast:
• Voordat er wordt gestart.
•Na 50 kilometer te hebben gereden.
- Met intervallen van 1.000 kilometer.
Als de rails in dwarsrichting niet worden gebruikt, moeten ze worden verwijderd om het brandstofverbruik te verlagen.
Dakdragers aanbrengen
WAARSCHUWINGEN
Verdeel de lading gelijkmatig over de laadvloer en houd het zwaartepunt zo laag mogelijk. Zet de lading goed vast om te voorkomen dat deze kan verschuiven. Plaats nooit de lading direct op het dakpaneel.
Verwijder de dakdragers voordat u een automatische wasstraat binnenrijdt.
N.B.: De zijrails zijn zodanig ontworpen dat dakdragers (voor fietssteunen, skiklemmen, enz.) uit het Ford Accessoires Programma kunnen worden aangebracht.
N.B.: Reinig, voordat de dakdragers worden aangebracht, de zijrails met een in water gedrenkte spons.
N.B.: Positioneer de dakdragers zoals afgebeeld.

E135136
515 mmA
750 mmB

N.B.: Er is zelfklevend schuimrubber meegeleverd om schudden door windstoten te voorkomen.
N.B.: Zorg dat het oppervlak van de dwarsdragers schoon is alvorens het zelfklevende schuimrubber te bevestigen.
- Verwijder de achterzijde en bevestig het zelfklevende schuimrubber op de dwarsdragers op de aangegeven posities.

- Breng de sleutel aan. Draai de sleutel linksom.
- Verwijder het paneel.
- Draai de schroeven los.

- Breng de rubberen strips in de afgebeelde posities aan.

N.B.: Er mag geen opening aanwezig zijn tussen de dwarsdrager en rail (A).
- Breng de dwarsdragers aan.
- Haal de bouten aan tot u een duidelijke klik hoort.
- Breng het paneeltje aan. Draai de sleutel rechtsom om te vergrendelen.
- Verwijder de sleutel.
Dakbox aanbrengen

Zorg dat het zelfklevende schuimrubber niet in contact komt met de bevestigingsbout.
TREKKEN VAN EEN AANHANGER
WAARSCHUWINGEN

De Focus ECONetic is niet goedgekeurd voor het trekken van een aanhangwagen.

Rijd niet harder dan 100 km/u (62 mph).

De bandenspanningen moeten worden vermeerderd met 0,2 bar (3 psi) boven de specificatie. Zie
Technische specificatie (bladzijde 244).

Overschrijd het maximaal toelaatbaar treingewicht, dat op het identificatieplaatje van de auto is
vermeld, niet. Zie Voertuigidentificatie (bladzijde 249).

Overschrijd nooit het maxiamale toegestane kogeldruk, d.w.z. het verticale gewicht op de
trekhaakkogel, van 75 kilogram.
N.B.: We raden u aan een trekhaakset bij uw dealer aan te schaffen. Indien u dit niet doet, kan dit tot schade aan de motor leiden.
N.B.: Niet alle auto's zijn geschikt of goedgekeurd voor het aanbrengen van een trekhaak. Vraag dit eerst bij uw dealer na.
Plaats de lading zo laag mogelijk en midden op de as(sen) van de aanhanger. Wanneer u met een onbeladen auto rijdt, moet de lading in de aanhanger zover mogelijk in de richting van de aanhangerkoppeling worden geschoven, omdat dit voor de beste stabiliteit zorgt.
De stabiliteit van de combinatie van auto en aanhanger is vooral afhankelijk van de kwaliteit van de aanhanger.
In streken op grotere hoogte boven 1000 meter moet het opgegeven maximaal toelaatbaar treingewicht met 10% worden verminderd voor elke extra 1000 meter.
Steile hellingen
WAARSCHUWING

Houd er rekening mee dat de oplooprem van een aanhanger niet door het ABS wordt geregeld.
Schakel een versnelling terug voordat u een steile afdaling bereikt.
TREKKEN VAN EEN AANHANGER - 2,0 L ECOBOOST SCTI (MI4)
WAARSCHUWING

Uw auto is niet goedgekeurd voor het trekken van een aanhangwagen.
AFNEEMBARE TREKHAAKKOGEL
WAARSCHUWING

U hoort een waarschuwingssignaal wanneer de trekhaakkogel niet in een van de vergrendelstanden staat. Het schuwingssignaal wordt na 30 hnden uitgeschakeld. Als u het signaal oort wanneer de trekhaakkogel wordt laatst of bij activering van het systeem, uik de trekhaak dan niet en laat dit een gekwalificeerde monteur oleren.
LET OP

Beweeg de trekhaakkogel alleen met uw hand. Gebruik nooit uw voet of gereedschap omdat dan het hanisme kan worden beschadigd.

De auto is uitgerust met een 13-pins aanhangeraansluiting A onder de achterbumper naast de trekhaakkogel B.
Trekhaakkogel ontgrendelen
LET OP

Raak de trekhaakkogel niet aan tijdens de ontgrendelprocedure.
N.B.: Als de ontgrendelprocedure wordt onderbroken (bijv. door een obstakel of een onderbreking van de voeding), dient u het systeem te resetten. Om het systeem te resetten dient de ontgrendelprocedure herhaald te worden.
N.B.: De lamp in de schakelaar gaat branden wanneer het systeem wordt geactiveerd.
Voordat de trekhaakkogel wordt ontgrendeld, moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
- De achterklep/het kofferdeksel moet geopend zijn.
- Het contact moet zijn uitgeschakeld.
- Er mag geen stekker op de 13-pens aanhangeraansluiting zijn aangesloten.
- De accuspanning moet hoger dan 11 volt zijn.

- Druk op de knop om het systeem te activeren.
- Druk binnen vier seconden nogmaals op de knop om de trekhaakkogel te ontgrendelen.

De trekhaakkogel wordt automatisch in de lage stand gezwenkt.
Als de trekhaakkogel niet ontgrendelt, druk de knop dan nogmaals 15 seconden in.
WAARSCHUWING

Als de trekhaakkogel hierna nog steeds niet ontgrendelt, gebruik de trekhaak dan niet en laat deze door ekwalificeerde monteur controleren.
Trekhaakkogel naar buiten toe zwenken

Plaats de trekhaakkogel in de bedrijfsstand. De trekhaakkogel wordt automatisch in de bedrijfsstand vergrendeld. De vergrendelprocedure is duidelijk hoorbaar en het waarschuwingssignaal wordt gestopt.
Trekhaakkogel naar binnen toe zwenken
LET OP
Voordat de trekhaakkogel naar binnen toe wordt gezwenkt, moet de aanhanger altijd ontkoppeld worden of moeten het rek/de drager en de bijbehorende bevestigingen gedemonteerd worden. Maak bevestigingen voor stabilisatiesystemen los. Verwijder de stekker voor de voeding van de aanhanger en de adapter uit de stekkerdoos. Doet u dit niet, dan kan de bumper worden beschadigd.
- Ontgrendel de trekhaakkogel. Zie Trekhaakkogel ontgrendelen.

- De trekhaakkogel wordt automatisch in de lage stand gezwenkt.

- Plaats de trekhaakkogel tot de aanslag in de opbergstand. De trekhaakkogel wordt automatisch in de opbergstand vergrendeld. De vergrendelprocedure is duidelijk hoorbaar en het waarschuwingssignaal wordt gestopt.
Storingen
Als de ontgrendelknop van de trekhaakkogel oplicht of u een waarschuwingssignaal hoort wanneer het contact in de stand II staat, herhaal dan de ontgrendelprocedure.
Als u tijdens de ontgrendelprocedure aan de trekhaakkogel trekt, dan wordt het systeem gestopt om een overbelasting te voorkomen. Om het systeem te resetten moet de ontgrendelknop 15 seconden worden ingedrukt.
Rijden met een aanhanger
WAARSCHUWINGEN

In het geval van pech onderweg moet de aanhanger eerst worden losgekoppeld voordat de auto wordt ept.

Wanneer aan één van de onderstaande voorwaarden niet kan worden voldaan, gebruik dan de aak niet en laat deze door een goed eide monteur controleren.
Controleer voordat u gaat rijden of de trekhaakkogel goed is vergrendeld. Controleer of:
- er geen waarschuwingssignaal klinkt nadat de vergrendelingsprocedure is voltooid
- de trekhaakkogel is vergrendeld. Deze moet stevig op zijn plaats blijven als er aan getrokken wordt.
Onderhoud
LET OP

De trekhaak en het mechanisme zijn onderhoudsvrij. Smeer ze niet met olie of vet.

Alleen de fabrikant mag aan de trekhaak reparaties uitvoeren of hem demonteren.

Als u een hogedrukreiniger gebruikt om uw auto te wassen, richt de waterstraal dan niet op het
zwenkmechanisme van de trekhaakkogel.
TREKHAAK
WAARSCHUWINGEN

Wanneer de trekhaak niet wordt gebruikt, berg de trekhaakkogel dan stevig vastgezet in het
bagagecompartiment op.
WAARSCHUWINGEN

Het aanbrengen van de afneembare trekhaakkogel moet bijzonder zorgvuldig plaatsvinden aangezien ste bevestiging bepalend is voor de heid van uw auto en de aanhanger.

Gebruik geen gereedschap voor het aanbrengen of verwijderen van de afneembare trekhaakkogel. Wijzig unhangerkoppeling niet. Demonteer pareer de trekhaakkogel niet.

Een 13 pins stekkerdoos en het bevestigingspunt voor de trekhaakkogel bevinden zich onder de achterbumper. Draai de stekkerdoos 90 graden tot hij in zijn eindstand wordt vergrendeld.
Trekhaakkogel ontgrendelen

- Verwijder de beschermkap (1). Steek de sleutel in het slot en draai hem rechtsom om hem te ontgrendelen (2).
- Houd de trekhaakkogel vast. Trek het kartelwiel naar buiten en draai het rechtsom tot het klikt (3).
- Het rode merkteken op kartelwiel moet tegenover het groene merkteken op de trekhaakkogel staan.
- Laat de kartelwiel los. De trekhaakkogel is nu ontgrendeld.
Trekhaakkogel aanbrengen

Breng de trekhaakkogel alleen aan wanneer de koppeling volledig is ontgrendeld.
- Verwijder de dop.
-
Druk de trekhaakkogel verticaal in de opening tot hij aangrijpt (1). Houd uw hand niet in de omgeving van het kartelwiel.
-
Het groene merkteken op kartelwiel moet tegenover het groene merkteken op de trekhaakkogel staan.
- Draai de sleutel linksom om de trekhaakkogel te vergrendelen en verwijder de sleutel (2).
- Trek de beschermkap van de sleutel en steek deze in het slot.
Rijden met een aanhanger

Wanneer aan één van de onderstaande voorwaarden niet kan worden voldaan, gebruik dan de trekhaak niet en laat deze door een goed opgeleide monteur controleren.
Controleer voordat u gaat rijden of de trekhaakkogel goed is vergrendeld. Controleer of:
- de groene merktekens tegenover elkaar staan
- de draaiknop (A) correct aan de trekhaakkogel bevestigd is
- of u de sleutel (B) heeft verwijderd
- De trekhaakkogel stevig vastzit. Deze moet stevig op zijn plaats blijven als er aan getrokken wordt.
Trekhaakkogel verwijderen

- Koppel de aanhanger af.
- Verwijder de beschermkap. Schuif de kap op de sleutel. Steek de sleutel in het slot en ontgrendel deze (1).
- Houd de trekhaakkogel vast. Trek het kartelwiel uit, draai het rechtsom tot tegen de aanslag (2), verwijder de trekhaakkogel (3).
- Laat het kartelwiel los.
Wanneer de trekhaakkogel op deze wijze wordt ontgrendeld, kan hij ten alle tijde worden aangebracht.
Rijden zonder aanhanger

- Verwijder de trekhaakkogel.
- Steek de stekker in de houder (1).
WAARSCHUWING

Ontgrendel de trekhaakkogel nooit terwijl een aanhanger is aangekoppeld.
Onderhoud
WAARSCHUWING

Verwijder voordat u uw auto met een hogedrukreiniger reinigt de afneembare trekhaakkogel en sluit opening met de dop af.
Houd het systeem schoon. Smeer de lagerpunten, glij-oppervlakken en vergrendelingskogels met harsvrij vet of olie. Smeer het slot met grafiet.
In geval van verlies kunnen vervangingssleutels onder vermelding van het nummer op de slotcilinder.
INRIJDEN
Banden
WAARSCHUWING

Nieuwe banden hebben een inlooptijd van ongeveer 500 kilometer. Gedurende deze periode e auto een andere rijkarakteristiek nen.
Remmen en koppeling
WAARSCHUWING

Vermijd indien mogelijk intensief gebruik van de remmen en de koppeling gedurende de eerste 150 meter in de stad en gedurende de 1500 kilometer op snelwegen.
Motor
LET OP

Rijd niet te snel gedurende de eerste 1500 kilometer. Varieer uw snelheid regelmatig en schakel tijdig op. Laat notor niet zwoegen.
VOORZORGSMAATREGELEN VOOR KOUDE WEERSOMSTANDIGHEDEN
De werking van sommige componenten en systemen kan worden beïnvloed bij temperaturen lager dan -30 °C.
DOOR WATER RIJDEN
Door water rijden
LET OP

Rijd alleen door water in noodgevallen en niet als normaal wordt gereden.
LET OP

De motor kan beschadigd raken als water het luchtfilter binnendringt.
In noodsituaties kan de auto met een maximumsnelheid van 10 km/u (6 mph) door water met een maximale diepte van 200 mm (8") rijden. Tijdens rijden door stromend water moet extra worden opgelet.
Houd tijdens rijden in water een lage snelheid aan en zet de auto niet stil. Voer na het rijden door water de volgende procedures uit als de situatie dit toelaat:
- Trap het rempedaal licht in en controleer of volledige remwerking wordt verkregen.
- Controleer of de claxon werkt.
- Controleer of de verlichting van de auto volledig werkt.
- Controleer de stuurbekrachtiging.
EERSTEHULPSET
Er is ruimte vrijgemaakt in de bagageruimte.
GEVARENDRIEHOEK
Er is ruimte vrijgemaakt in de bagageruimte.
PLAATSEN ZEKERINGENHOUDERS
Zekeringenkast in motorruimte
Deze zekeringenkast is aangebracht in de motorruimte. Zie Onderhoud (bladzijde 210).
Zekeringkast in de passagiersruimte

- Knijp in de klemmen om de afdekking los te maken.
- Laat de zekeringenkastafdekking zakken en trek deze naar u toe.
Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
Zekeringenkast laadruimte 4-deurs

Wijzig de elektrische installatie van de wagen op geen enkele wijze. Laat reparaties aan de elektrische installatie en het vervangen van relais en zekeringen voor hoge stroomsterktes door een goed opgeleide monteur uitvoeren.
WAARSCHUWINGEN

Zet het contact af en schakel alle stroomverbruikers uit voordat u een zekering aanraakt of probeert te ngen.
LET OP

Breng een vervangingszekering met hetzelfde vermogen aan als van de verwijderde zekering.
N.B.: U kunt een doorgeslagen zekering herkennen aan de gebroken smeltdraad.
N.B.: Alle zekeringen, behalve zekeringen voor hoge stroomsterkten, zijn steekzekeringen.
N.B.: Er zit een zekeringentrekker in de zekeringenkast van de motorruimte.
SPECIFICATIE-OVERZICHT ZEKERINGEN
Zekeringenkast in motorruimte

E129925
| Beveiligde circuitsAmperageZekering | ||
| 7 | 40 | Pomp antiblokkeersysteem, pomp elektronisch stabiliteits-programma |
| Klep elektronisch stabiliteitsprogramma308 | ||
| Verwarmde achterruit309 | ||
| Verwarmingsaanjager4010 | ||
| Module start/stop-systeem3011 | ||
| Motorregelsystemen, relais uitlaatgasrecirculatie3012 | ||
| Startmotorrelais3013 | ||
| Voorruitverwarming, rechterzijde4014 |
Zekeringen
| Beveiligde circuitsAmperageZekering | ||
| 15 | 25 | Transmissieregeleenheid, ventilator tussenkoeler - 1.0L EcoBoost |
| Voorruitverwarming, linkerzijde4016 | ||
| Standverwarming2017 | ||
| Ruitenwissers2018 | ||
| 19 | 5 | Antiblokkeersysteem, module elektronisch stabiliteitsprogramma |
| Claxon1520 | ||
| Remlichtschakelaar521 | ||
| Accubewakingssysteem1522 | ||
| Relaisspoelen, schakelaarmodule verlizingsregeling5 | ||
| 24 | 20 | Voedingsuitgang achter |
| 1025 | Elektrisch verstelbare buitenspiegels | |
| 1526 | Regeleenheid transmissie | |
| 27 | 15 | Koppeling van compressor airconditioning |
| 28 | 5 | Adaptieve snelheidsregeling (cruise control) |
| 29 | 20 | Koplampsproeiers |
| 30 | 5 | Computer motorregeling |
| -31 | Niet in gebruik | |
| 32 | 10 | Uitlaatgasrecirculatieklep, wervelregelkleppen, verwarmde lambdasonde (motorregeling), relais elektronische regeleenheid koelventilator (spoel), koelvloeistofpomp met doordraaifunctie - 1.0L EcoBoost |
| 33 | 10 | Motorregelkleppen, EVAP-klep, regelklep turbocompressor, sensor water-in-brandstof, bobines - 1.0L EcoBoost |
| 1034 | Verstuivers, verddamperrelais, EVAP-klep | |
| 35 | 5 | Actieve afsluitklep radiateurgrille (benzinemotor), relais koelvloeistofpomp met doordraaifunctie, relais ventilator tussenkoeler |
Zekeringen
| Beveiligde circuitsAmperageZekering | ||
| 35 | 15 | Actieve afsluitklep radiateurgrille en filterverwarming (dieselmotor) |
| Computer motorregeling1036 | ||
| Niet in gebruik-37 | ||
| Computer motorregeling, transmissieregelmodule1538 | ||
| Koplampregeleenheid (halogeen-afstelling)539 | ||
| Elektronische stuurbekrachtiging540 | ||
| Carrosserieregelmodule2041 | ||
| Achterruitwisser1542 | ||
| 43 | 15 | Koplampregeleenheid (HID-afstelling), adaptieve koplampen |
| Adaptieve snelheidsregeling (cruise control)544 | ||
| 1045 | Verwarmde spuitmonden | |
| 46 | 25 | Elektrisch bedienbare ruiten (voor) |
| 47 | 7,5 | Verwarmbare buitenspiegels |
| 1548 | Verdamper |
Zekeringkast in de passagiersruimte

| Beveiligde circuitsAmperageZekering | ||
| Voeding brandstofpomp2056 | ||
| Niet in gebruik-57 | ||
| Niet in gebruik-58 | ||
| Voeding passief diefstalbeveiligingssysteem (PATS)559 | ||
| 60 | 10 | Interieurverlichting, schakelaargroep bestuurdersportier, dashboardkastje, sfeerverlichting (ambient), elektrisch schuifdakpaneel |
| Aansteker, achterste voedingsaansluiting2061 | ||
| 62 | 5 | Module regensensor, vochtsensor, automatisch dimmende binnenspiegel |
| Adaptieve snelheidsregeling (cruise control)1063 | ||
| Niet in gebruik-64 | ||
| 1065 | Ontgrendeling kofferdeksel | |
| 2066 | Bestuurdersportierslot, dubbele vergrendeling | |
| 67 | 7,5 | Informatie- en entertainmentdisplay, GPS, aansluitopties spraakgestuurde bediening Bluetooth |
| 68 | 15 | Elektrisch stuurslot |
| 569 | Instrumentengroep | |
| 2070 | Centrale vergrendeling | |
| 71 | 10 | Airconditioning |
| 7,572 | Regeleenheid stuurwiel | |
| 73 | 5 | Sirene met afzonderlijke accu (alarmsysteem), boorddiagnosesysteem |
| 74 | 15 | Grootlicht |
| 75 | 15 | Voormistlichten |
| 76 | 10 | Achteruitrijlamp |
| 2077 | Sproeierpomp | |
| 78 | 5 | Contactslot of startknop |
Zekeringen
| Beveiligde circuitsAmperageZekering | ||
| 79 | 15 | Audio-unit, waarschuwingsknipperlichten en portierver-grendeling |
| Elektrisch schuifdak2080 | ||
| Interieurbewegingssensoor, RF-ontvanger581 | ||
| Massa sproeierpomp2082 | ||
| Massa centrale vergrendeling2083 | ||
| Massa bestuurdersportierslot en dubbele ontgrendeling2 | ||
| 7,585 | Verwarming klimaatregeling, schakelaar deactivering passagiersairbag, schakelaar stoelverwarming, extra verwarming, module verwarming handmatig bediende airconditioning | |
| 86 | 10 | Veiligheidssysteem, deactiveringssysteem passagiersairbag |
| Niet in gebruik-87 | ||
| Niet in gebruik-88 | ||
| Niet in gebruik-89 |
Zekeringenkast laadruimte

E129927
| Beveiligde circuitsAmperageZekering | ||
| Niet in gebruik-1 | ||
| Keyless-module102 | ||
| Portierhandgrepen sleutelloos voertuigsysteem53 | ||
| 4 | 25 | Portiermodule (linksvoor) (elektrisch bedienbare ruiten, centrale vergrendeling, elektrisch inklapbare spiegels, buitenspiegelverwarming) |
| 5 | 25 | Portiermodule (rechtsvoor) (elektrisch bedienbare ruiten, centrale vergrendeling, elektrisch inklapbare spiegels, buitenspiegelverwarming) |
| Portiermodule (linksachter) (elektrisch bedienbare ruiten) | ||
| 7 | 25 | Portiermodule (rechtsachter) (elektrisch bedienbare ruiten) |
| Alarmsysteem108 | ||
| Elektrisch verstelbare bestuurdersstoel259 | ||
| Niet in gebruik-10 | ||
| 11 | 25 | Elektrisch verstelbare voorste passagiersstoel - 2.0L EcoBoost - MI4 |
| 12 | 10 | Module airconditioning (met module start/stop-systeem) |
| 13 | 5 | Instrumentenpaneel (met module start/stop-systeem) |
| 14 | 7,5 | Informatie- en entertainment-display, GPS-module (met module start/stop-systeem) |
| 15 | 15 | Audio-installatie, bedieningspaneel audio-installatie (met module start/stop-systeem) |
| Niet in gebruik-16 | ||
| 1 Niet in gebruik- | ||
| Niet in gebruik-18 | ||
| Niet in gebruik-19 | ||
| Niet in gebruik-20 | ||
| 2 Niet in gebruik- | ||
| Niet in gebruik-22 | ||
| Niet in gebruik-23 | ||
| Niet in gebruik-24 | ||
| Niet in gebruik-25 | ||
| Aanhangermodule4026 | ||
| Niet in gebruik-27 | ||
| Niet in gebruik-28 | ||
| 29 | 5 | Dodehoekmonitor, lane keeping aid (hulp bij blijven rijden op rijstrook), active city stop (veiligheidssysteem tegen kop-staartbotsingen), achteruitkijkcamera (zonder module start/stop-systeem) |
| Module parkeerhulp530 | ||
| Niet in gebruik-31 | ||
| Niet in gebruik-32 | ||
| Niet in gebruik-33 | ||
| Verwarming bestuurdersstoel1534 | ||
| 1535 | Verwarming voorste passagiersstoel | |
| Niet in gebruik-36 | ||
| Elektrisch schuifdak537 | ||
| Niet in gebruik-38 | ||
| Niet in gebruik-39 | ||
| 4 | Niet in gebruik- | |
| 541 | Inklapbare trekhaakkogel | |
| Niet in gebruik-42 | ||
| Niet in gebruik-43 | ||
| 4 | Niet in gebruik- | |
| Niet in gebruik-45 | ||
| 46 | 10 | Dodehoekmonitor, lane keeping aid (hulp bij blijven rijden op rijstrook), achteruitkijkcamera (met module start/stop-systeem) |
SLEEPPUNTEN
Locatie sleepoog
Het afneembare sleepoog bevindt zich in het bagagecompartiment.
Het sleepoog moet altijd in de wagen worden meegenomen.
Sleepoog aanbrengen
LET OP

Het afneembare sleepoog heeft linkse schroefdraad. Draai het linksom om het vast te zetten. Zorg or dat het sleepoog volledig wordt gezet.
N.B.: Bij wagens met een trekhaak kan het sleepoog aan de achterzijde niet worden aangebracht. Gebruik de trekhaak voor het slepen van een auto.
Sleepoog, voor

Steek een geschikt voorwerp in het gat aan de onderzijde van het paneel en trek het paneel los.
Breng het sleepoog aan.
AUTO OP VIER WIELEN SLEPEN
Alle modelvarianten
WAARSCHUWINGEN

Zet het contact aan wanneer uw auto wordt gesleept. Bij afgezet contact treedt het stuurslot in ng en werken de richtingaanwijzers e remlichten niet.

De rem- en stuurbekrachtiging werken niet, tenzij de motor draait. Druk het rempedaal harder in en rekening met langere remafstanden n zwaarder draaiend stuurwiel.
LET OP

Te veel spanning op de sleepkabel kan schade toebrengen aan uw en aan de trekkende auto.

Zet de versnellingsbak in neutraal wanneer uw auto wordt gesleept.

In geval van pech of een mechanische storing mag niet gebruik worden gemaakt van afzonderlijke asdragers.
De auto moet worden gesleept met ALLE wielen op het wegdek of worden vervoerd met ALLE wielen van het wegdek op een vlakke ondergrond.
Trek rustig en soepel zonder rukken op.
Uitvoeringen met automatische transmissie
LET OP

Wanneer uw auto met snelheden boven 20 km/u en over afstanden van meer dan 20 kilometer moet worden eept, moet deze worden ansporteerd terwijl ALLE wielen vrij van het wegdek.

Het wordt aanbevolen de auto niet te slepen met de aandrijfwielen op het wegdek. Als het echter nodig is om de van een gevaarlijk plaats te vijderen, sleep uw auto dan niet sneller 20 km/u of over een afstand van meer 20 kilometer.

Sleep uw auto niet achterwaarts.

In geval van een mechanische storing bij de transmissie mag niet gebruik worden gemaakt van afzonderlijke ragers. ALLE wielen moeten vrij zijn het wegdek op een vlakke ondergrond.

Sleep uw auto niet als de omgevingstemperatuur lager is dan 0 °C.
ALGEMENE INFORMATIE
Wanneer u uw auto regelmatig laat onderhouden zal dit de betrouwbaarheid en de inruilwaarde ten goede komen. Er staat een groot netwerk van Ford Erkende Reparateurs ter beschikking die u met hun professionele expertise ter zijde kunnen staan. De speciaal opgeleide monteurs zijn het best gekwalificeerd om het onderhoud aan uw auto snel en vakkundig uit te voeren. Bovendien beschikken zij over gereedschappen en apparatuur die speciaal zijn ontwikkeld om het onderhoud aan uw auto uit te voeren.
Naast het normale onderhoud raden wij aan de volgende extra controles uit te voeren.
WAARSCHUWINGEN

Zet het contact af voordat u onderdelen aanraakt of probeert af te stellen.

Raak onderdelen van het elektronisch ontstekingssysteem bij aangezet contact of draaiende motor niet aan. Het systeem werkt met hoogspanning.

Zorg dat uw handen en kledingstukken niet met de koelventilateur in aanraking kunnen komen. Onder bepaalde omstandigheden kan de koelventilateur na het afzetten van de motor nog enkele minuten blijven doordraaien.
LET OP

Zorg tijdens het uitvoeren van onderhoudscontroles dat de vuldoppen stevig zijn aangebracht.
Dagelijkse controles
•Buitenverlichting.
•Binnenverlichting
- Waarschuwings- en controlelampen.
Controles bij het tanken
•Motoroliepeil. Zie Motorolie controleren (bladzijde 221).
-Remvloeistofpeil. Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 223).
- Peil van de ruitensproeiervloeistof. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 223).
- Bandenspanning (in koude toestand). Zie Technische specificatie (bladzijde 244).
- Staat van de banden. Zie Velgen en banden (bladzijde 232).
Maandelijkse controles
- Koelvloeistofpeil (bij koude motor). Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 222).
- Slangen, leidingen en reservoirs op lekkage.
- Werking van de airconditioning.
- Werking van de parkeerrem.
- Werking van de claxon.
•Vastzitten van de wielmoeren. Zie Technische specificatie (bladzijde 244).
Onderhoud
DE MOTORKAP OPENEN EN SLUITEN
De motorkap openen

Verplaats de gele pal naar rechts.

Open de motorkap en ondersteun deze met de steunstang.
De motorkap sluiten
WAARSCHUWING

Zorg dat de motorkap goed wordt gesloten.
Laat de motorkap zakken en vanaf een hoogte van 20 - 30 cm dichtvallen.
OVERZICHT MOTORRUIMTE - 1,0 L ECOBOOST

A Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 223). Motorolievuldop¹. Zie Motorolie controleren (bladzijde 221).B
C Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 223). Accu. Zie Accu van de auto (bladzijde 230).D
E Zekeringenkast in motorruimte. Zie Zekeringen (bladzijde 198). Luchtfilter. Geen onderhoud nodig.F Motoroliepeilstaaf. Zie Motorolie controleren (bladzijde 221).G
H Vloeistofreservoir ruitensproeiers. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 223). I Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 222).
1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf zijn voor een makkelijke herkenning fel gekleurd.
OVERZICHT MOTORRUIMTE - 1,6 L DURATEC-16V (SIGMA)

Expansiereservoir*: Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 222).A
B Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur rechts)*: Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 223).
Motorolievuldop: Zie Motorolie controleren (bladzijde 221).C
D Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur links): Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 223).
Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 230).E
Zekeringenkast in motorcompartiment: Zie Zekeringen (bladzijde 198).F
Luchtfilter: geen onderhoud vereist.G
Motoroliepeilstaaf: Zie Motorolie controleren (bladzijde 221).H
Vloeistofreservoir ruitensproeiers*: Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 223).
Voor een gemakkelijke herkenbaarheid zijn alle vuldoppen en de motoroliepeilstaaf met een kleur gemarkeerd.
OVERZICHT MOTORRUIMTE - 1,6L ECOBOOST SCTI (SIGMA)

A Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 223). Motorolievuldop¹. Zie Motorolie controleren (bladzijde 221).B
C Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 223). Accu. Zie Accu van de auto (bladzijde 230).D
A Zekeringenkast in motorruimte. Zie Zekeringen (bladzijde 198). Luchtfilter. Geen onderhoud nodig.F Motoroliepeilstaaf. Zie Motorolie controleren (bladzijde 221).G
H Vloeistofreservoir ruitensproeiers. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 223). I Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 222).
1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf zijn voor een makkelijke herkenning fel gekleurd.
OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,0 L ECOBOOST SCTI (MI4)

A Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 223).
Motorolievuldop 1 . Zie Motorolie controleren (bladzijde 221).B
C Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 223).
Accu. Zie Accu van de auto (bladzijde 230).D
E Zekeringenkast in motorruimte. Zie Specificatie-overzicht zekeringen (bladzijde 200).
Luchtfilter. Geen onderhoud nodig.F
Motoroliepeilstaaf. Zie Motorolie controleren (bladzijde 221).G
H Vloeistofreservoir ruitensproeiers. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 223).
I Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 222).
1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf zijn voor een makkelijke herkenning fel gekleurd.
OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,0 L DURATEC-HE (MI4)

Expansiereservoir*: Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 222).A
B Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur rechts): Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 223).
Motorolievuldop: Zie Motorolie controleren (bladzijde 221).C
D Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur links): Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 223).
Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 230).E
Zekeringenkast in motorcompartiment: Zie Zekeringen (bladzijde 198).F
Luchtfilter: geen onderhoud vereist.G
Motoroliepeilstaaf: Zie Motorolie controleren (bladzijde 221).H
Vloeistofreservoir ruitensproeiers*: Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 223).
Voor een gemakkelijke herkenbaarheid zijn alle vuldoppen en de motoroliepeilstaaf met een kleur gemarkeerd.
OVERZICHTMOTORRUIMTE-1,6LDURATORQ-TDCI (DV) DIESEL

Expansiereservoir*: Zie Motorkoelvloeistof controlleren (bladzijde 222).A
B Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur rechts): Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 223).
Motorolievuldop 1 : Zie Motorolie controleren (bladzijde 221).C
D Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur links): Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 223).
Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 230).E
Zekeringenkast in motorcompartiment: Zie Zekeringen (bladzijde 198).F
Luchtfilter: geen onderhoud vereist.G
Motoroliepeilstaaf: Zie Motorolie controleren (bladzijde 221).H
Vloeistofreservoir ruitensproeiers*: Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 223).
1 Voor een gemakkelijke herkenbaarheid zijn alle vuldoppen en de motoroliepeilstaaf met een kleur gemarkeerd.
OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,0 L DURATORQ-TDCI (DW)
DIESEL

Expansiereservoir*: Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 222).A
B Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur rechts): Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 223).
Motoroliepeilstaaf: Zie Motorolie controleren (bladzijde 221).C
D Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur links): Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 223).
Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 230).E
Zekeringenkast in motorcompartiment: Zie Zekeringen (bladzijde 198).F
Luchtfilter: geen onderhoud vereist.G
Motorolievuldop: Zie Motorolie controleren (bladzijde 221).H
Vloeistofreservoir ruitensproeiers*: Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 223).
Voor een gemakkelijke herkenbaarheid zijn alle vuldoppen en de motoroliepeilstaaf met een kleur gemarkeerd.
OLIEPEILSTAAF - 1,0 L
ECOBOOST

A MIN
B MAX
OLIEPEILSTAAF - 1,6 L
DURATEC-16V (SIGMA)

A MIN
B MAX
OLIEPEILSTAAF - 1,6L
ECOBOOST SCTI (SIGMA)

E134114
A MIN
B MAX
OLIEPEILSTAAF - 2,0 L ECOBOOST SCTI (MI4)


A MIN
B MAX
OLIEPEILSTAAF - 2,0 L
DURATEC-HE (MI4)

OLIEPEILSTAAF - 1,6 L
DURATORQ-TDCI (DV) DIESEL
/2,0 L DURATORQ-TDCI (DW)
DIESEL

MOTOROLIE CONTROLEREN
LET OP
Gebruik geen additieven of andere smeermiddelen. Onder bepaalde omstandigheden kunnen deze de motor beschadigen.
N.B.: Het olieverbruik van nieuwe motoren bereikt zijn normale waarden na ongeveer 5000 kilometer.
Het oliepeil controleren
LET OP

Controleer of het peil tussen de MIN en de MAX merktekens staat.
N.B.: Controleer het peil voordat de motor wordt gestart.
N.B.: De auto moet op een vlakke ondergrond staan.
N.B.: Bij verwarming zet olie uit. Daardoor kan het oliepeil enkele millimeters boven het MAX merkteken staan.
Verwijder de oliepeilstaaf en veeg deze met een schone, niet pluizende doek schoon. Breng de oliepeilstaaf weer aan en verwijder hem opnieuw om het oliepeil te controleren.
Wanneer het peil bij het MIN merkteken staat, vul dan direct bij.
Bijvullen
WAARSCHUWINGEN

Vul alleen bij wanneer de motor koud is. Wacht wanneer de motor heet is tien minuten om de motor te latenelen.

Verwijder de vuldop niet bij draaiende motor.
Verwijder de vuldop.
WAARSCHUWING

Het oliepeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan.
N.B.: Neem onmiddellijk gemorste olie op met een absorberende doek.
Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 224).
Draai de vuldop er weer op. Draai hem tot u sterke weerstand voelt.
MOTORKOELVLOEISTOF CONTROLEREN
Koelvloeistofpeil controleren
WAARSCHUWING

Voorkom dat de vloeistof in contact komt met de huid of de ogen. Mocht dit toch gebeuren, spoel het
betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts.
LET OP

Controleer of het peil tussen de MIN en MAX merktekens staat.
N.B.: Koelvloeistof zet bij verwarming uit. Daardoor kan het koelvloeistofpeil enkele millimeters boven het MAX merkteken staan.
Wanneer het peil bij het MIN merkteken staat, vul dan direct bij.
Bijvullen
WAARSCHUWINGEN

Vul alleen bij wanneer de motor koud is. Wacht wanneer de motor heet is tien minuten om de motor te laten elen.

Verwijder de vuldop niet bij draaiende motor.

Verwijder de vuldop niet wanneer de motor heet is. Laat de motor eerst afkoelen.
WAARSCHUWINGEN

Onverdunde koelvloeistof is brandbaar en kan ontbranden wanneer deze wordt gemorst op een uitlaat.
LET OP

In een noodgeval kan water in het koelsysteem worden bijgevuld om een tankstation te bereiken. Laat het eem zo snel mogelijk door een goed eleide en vakkundige monteur roleren.

Langdurig gebruik van koelvloeistof met een incorrecte mengverhouding kan leiden tot motorschade door opse, oververhitting of bevriezing.
Draai de dop langzaam los. Laat de druk langzaam ontsnappen terwijl u de dop losdraait.
LET OP

Het oliepeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan.
Vul bij met een mengsel van koelvloeistof en water (50/50) op basis van vloeistof die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 224).
CONTROLE VLOEISTOFPEIL KOPPELINGENREMSYSTEEM
WAARSCHUWINGEN

Het gebruik van een andere vloeistof dan de aanbevolen remvloeistof kan de werking van het remsysteem teren en voldoet niet aan de atiestandaard van Ford.
WAARSCHUWINGEN

Voorkom dat de vloeistof in contact komt met de huid of de ogen. Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts.

Als het vloeistofpeil is gezakt tot de marking MIN, laat het systeem dan zo snel mogelijk controlleren door een opgeleide monteur.
N.B.: Bewaar remvloeistof schoon en droog. Vervuiling door vuil, water, petroleumproducten of andere materialen kunnen leiden tot beschadiging en mogelijk het defect raken van het remsysteem.
N.B.: Het remsysteem en het bedieningsmechanisme van de koppeling zijn aangesloten op één reservoir.
Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 224).
RUITENSPROEIERVLOEISTOF CONTROLEREN
N.B.: De ruitensproeiers van de voor- en achterruit hebben een gemeenschappelijk reservoir.
Gebruik voor het bijvullen een mengsel van sproeiervloeistof en water om bevriezing bij koude weersomstandigheden te voorkomen en het reinigende effect te verbeteren. We adviseren alleen sproeiervloeistof van hoge kwaliteit te gebruiken.
Raadpleeg de productinstructies voor informatie over vloeistofverdunning.
N.B.: Gebruik vloeistoffen die voldoen aan de gedefinieerde specificaties of vereisten. Gebruik van andere vloeistoffen kan beschadiging tot gevolg hebben, hetgeen niet onder de Garantie valt.
| SpecificatiePunt | Viscositeits-graad | Aanbevolen vloeistof | |
| Motorolie - alleen benzinemotoren | Castrol of Ford motorolie5W-20WS | ||
| Alternatieve motorolie - alle benzinemotoren behalve 1.0L EcoBoost | Castrol of Ford motorolie5W-30WS | ||
| Motorolie - dieselmo-toren | Castrol of Ford motorolie5W-30WS | ||
| -WSS-M97B44-DAntivries | Motorcraft SuperPlus anti-vries | ||
| Remvloeistof | WSS-M6C65-A2 of ISO 4925 klasse 6 | - | Motorcraft of Ford DOT 4 LV High Performance remvloeistof |
Uw auto is ontworpen voor gebruik van Castrol en Ford motorolie voor een gunstig brandstofverbruik met behoud van de duurzaamheid van de motor.
Olie bijvullen: Als u geen olie kunt vinden die voldoet aan de specificatie gedefinieerd door WSS-M2C913-C of WSS-M2C948-B (alleen benzinemotoren), dan dient u SAE 5W-30 te gebruiken die voldoet aan de specificatie gedefinieerd door ACEA A5/B5.
Het gebruik van olie voor bijvullen in plaats van de gespecificeerde olie kan tot gevolg hebben dat de motor minder snel aanslaat, minder vermogen levert, meer brandstof verbruikt en een hogere emissiewaarde heeft.
Castrol motorolie wordt aanbevolen.

Inhouden
| Inhoud in liter (gallons)Nr. Variat | ||
| Alle benzinemotoren behalve 2.0L EcoBoost - MI4 | 55 (12,1)Brandstoftank | |
| 62 (13,6)Brandstoftank2 | ||
| 53 (11,7)Brandstoftank1,6 | ||
| 60 (13,2)Brandstoftank2 | ||
| Alle | Ruitensproeiersysteem - met koplampsproeiers | 4,5 (1) |
| Alle | Ruitensproeiersysteem - zonder koplampsproeiers | 3 (0,7) |
| 4,1 (0,9)Motorolie - inclu | ||
| 4 (0,9)Motorolie - exclu | ||
| ca. 6,3 (1,4)Koelsysteem1. | ||
| 4,1 (0,9)Motorolie - inclu | ||
| 3,75 (0,8)Motorolie - excl | ||
| ongeveer 5,8 (1,3)Koelsysteem | ||
| 4,1 (0,9)Motorolie - inclu | ||
| 3,75 (0,8)Motorolie - excl | ||
| ca. 6,3 (1,4)Koelsysteem1. | ||
| Motorolie - inclusief filter2.0L Duratec-HE3 (M)4 | ||
| Motorolie - exclusief filter2.0L Duratec3(9E(0N)4 | ||
| 2.0L Duratec-HE eMI4,5 (1,4)Koelsysteem | ||
| 5,4 (1,2)Motorolie - inclu | ||
| 5,1 (1,1)Motorolie - exclu | ||
| Koelsysteem2.0L EcoBoost - MI4 ongeveer 8,7 (1,9) | ||
| 3,8 (0,8)Motorolie - inclu | ||
| Motorolie - exclusief filter1,6 l DuraTorq,5 (DCB) | ||
| Koelsysteem1,6 l DuraTorq- TDCi ongeveer 7,3 (1,6) | ||
Onderhoud
| Inhoud in liter (gallons)Nr. Variant | ||
| 5,7 (1,3)Motorolie - inclusie | ||
| 5,4 (1,2)Motorolie - exclusie | ||
| ca. 8,5 (1,9)Koelsysteem2.0L |
Vulhoeveelheden motorolie
| Motor | Vulhoeveelheid in liter (gallons) |
| 0,8 (0,2)1.0L EcoBoost | |
| 0,8 (0,2)1.6L Duratec-16V T | |
| 0,8 (0,2)1.6L EcoBoost | |
| 0,9 (0,2)2.0L Duratec-HE - | |
| 1,6 (0,4)1,6 l DuraTorq-TDC | |
| 1,8 (0,4)2.0L Duratorq-TDC |
REINIGEN VAN BUITENZIJDE AUTO
WAARSCHUWING

Wanneer de auto tijdens het wassen in een autowasserette in de was wordt gezet, verwijder dan de was e voorruit.
LET OP

Controleer eerst de geschiktheid van de autowasserette voor uw auto, voordat u van de autowasserette ruik maakt.

Sommige wasinstallaties maken gebruik van water onder hoge druk. Hierdoor kunnen sommige onderdelen uw auto worden beschadigd.

Verwijder de antenne voordat u een automatische wasstraat inrijdt.

Schakel de aanjager uit om te voorkomen dat deeltjes was zich in het luchtfilter vastzetten.
Wij raden aan uw auto met een spons en handwarm water en autoshampoo te wassen.
Koplampen reinigen
LET OP

Gebruik geen scherpe voorwerpen, schurende reinigingsmiddelen of oplossingen op alcoholische of mische basis om de koplampglazen te gen.

Veeg de koplampglazen niet schoon wanneer ze droog zijn.
Achterruit reinigen
LET OP

Gebruik geen scherpe voorwerpen, schurende reinigingsmiddelen of chemische oplossingen op de enzijde van de achterruit te reinigen.
Gebruik een schone, niet pluizende doek of een vochtige zeem om de binnenzijde van de achterruit te reinigen.
Chromen onderdelen reinigen
LET OP

Gebruik geen schuurmiddelen of chemische oplosmiddelen. Gebruik een zeepoplossing.
Lichtmetalen velgen reinigen
N.B.: Breng geen chemisch reinigingsmiddel aan op warme of hete velgranden en wieldeksels.
N.B.: Heavy-duty reinigers of chemische reinigingsmiddelen in combinatie met borstelbewegingen voor het verwijderen van remmenstof en vuil kan na verloop van tijd leiden tot slijtage van de blanke lak.
N.B.: Gebruik geen reinigingsmiddelen op basis van waterstofffluoride of sterk bijtende reinigingsmiddelen, staalwol, brandstoffen of sterke oplosmiddelen voor huishoudelijk gebruik.
N.B.: Rijd enkele minuten met de auto wanneer u deze een langere periode wilt parkeren nadat de wielen zijn gereinigd met een wielenreiniger. Zo wordt de kans op corrosie van de remschijven, remblokken en remvoeringen verminderd.
N.B.: Bij gebruik van sommige automatische wasstraten kan de afwerking van de velgranden en wieldeksels beschadigd raken.
Lichtmetalen velgen en wieldeksels zijn voorzien van een blanke laklaag. Om de goede staat van de velgen en wieldeksels te behouden wordt het volgende aangeraden:
- Wekelijks reinigen met behulp van de aanbevolen wielen- en bandenreiniger.
- Een spons gebruiken om zware afzettingen (vuil en remmenstof) te verwijderen.
-Grondig afspoelen met een hogedrukspuit nadat de reinigingsprocedure is voltooid.
Er wordt aanbevolen Ford-wielenreiniger te gebruiken. Lees en volg de aanwijzingen van de fabrikant.
Het gebruik van niet aanbevolen reinigingsmiddelen kan leiden tot ernstige en permanente cosmetische beschadiging.
Onderhoud van de lak
LET OP

Poets de auto niet in de felle zon.

Voorkom dat polish op kunststof oppervlakken komt. Dit laat zich moeilijk verwijderen.

Breng geen polish op de voor- en achterruit aan. Dit heeft een lawaaiige werking van de ruitenwissers tot alg; bovendien kunnen de ruiten dan goed worden drooggeveegd.
Wij raden u aan de lak één- of tweemaal per jaar in de was te zetten.
REINIGEN VAN BINNENZIJDE AUTO
Veiligheidsgordels
WAARSCHUWINGEN

Gebruik voor het reinigen geen schurende middelen of chemische oplosmiddelen.

Let er op dat geen vocht in het oprolmechanisme komt.
Reinig de veiligheidsgordels met een interieurreiniger of water met een zachte spons. Laat de veiligheidsgordels op een natuurlijke manier drogen. Gebruik geen haardroger o.i.d.
Instrumentenpaneelschermen, LCD-schermen, radioschermen
WAARSCHUWING

Gebruik voor het reinigen geen schurende middelen, oplosmiddelen op basis van alcohol of chemische middelen.
Achterruiten
LET OP

Gebruik geen schurende materialen voor het reinigen van de binnenzijde van de achterruiten.

Breng geen stickers of labels aan op de binnenzijde van de achterruiten.
KLEINE LAKSCHADE REPAREREN
LET OP
Verwijder onmiddellijk ogenschijnlijk onschadelijke substanties van het lakwerk (bijvoorbeeld uitwerpselen van vogels, boomsappen, dode insecten, teervlekken, wegenzout en industriële neerslag).
Lakbeschadigingen door steenslag of kleine krasjes moeten zo spoedig mogelijk worden hersteld. Uw Ford dealer heeft een grote keuze aan producten. Lees en volg nauwkeurig de instructies van de fabrikant op.
STARTEN VIA STARTHULP
WAARSCHUWING

Gebruik brandstofleidingen, motorafdekkingen of inlaatspruitstuk nooit als massapunten.
LET OP

Verbind alleen accu's met dezelfde nominale spanning met elkaar.

Gebruik altijd hulpstartkabels met geïsoleerde klemmen en een voldoende dikke kern.

Koppel de ontladen accu niet los van de elektrische installatie van de auto.
Hulpstartkabels aansluiten
![graph TD A["Component A"] -->|Arrow to| B["Component B"] B -->|Arrow to| C["Component C"] C -->|Arrow to| D["Component D"] D -->|Arrow to| A](/content/2026/06/1159513/images/89991ef47eeb613c7b776dc0d563c93808b2bd3113c438f49c508604e6ef39e9.jpg)
E102925
Auto met de lege accuA
Auto met de hulpaccuB
Positieve hulpstartkabelC
Negatieve hulpstartkabelD
- Plaats de auto's zodanig dat ze elkaar niet raken.
- Zet het contact van beide auto's af en schakel alle stroomverbruikers uit.
- Verbind de plus (+) pool van auto B met de plus (+) pool van auto A (kabel C).
- Verbind de min (-) pool van auto B met de massa-aansluiting van auto A (kabel D). Zie Aansluitpunten van de accu (bladzijde 231).
LET OP

Sluit de kabel niet aan op de minpool (−) van de ontladen accu.

Zorg ervoor dat de kabels niet met draaiende onderdelen en onderdelen van het brandstoftoevoersysteem in raking kunnen komen.
Motor starten
- Start de motor van auto B en laat deze met een matig hoog toerental draaien.
- Start de motor van auto A.
- Laat beide motoren minimaal drie minuten draaien alvorens de kabels los te koppelen.
LET OP

Schakel niet de koplampen tijdens het loskoppelen van de hulpstartkabels in. Door de spanningspiek kunnen de ilampen doorbranden.
Koppel de kabels in omgekeerde volgorde los.
Voor auto's met start/stop-schakelaar verschillen de accuvereisten. De accu moet worden angen door een accu met exact elfde specificatie als de originele.
N.B.: Indien nodig moet de Keycode van de audio-installatie opnieuw worden geprogrammeerd.
De accu is aangebracht in de motorruimte. Zie Onderhoud (bladzijde 210).
AANSLUITPUNTEN VAN DE ACCU
LET OP

Sluit de kabel niet aan op de minpool (−) van de ontladen accu.

Het massaverbindingspunt bevindt zich rechts van de accu bij de zekeringenkast in de motorruimte.
ALGEMENE INFORMATIE
LET OP
Gebruik uitsluitend banden en velgen met de goedgekeurde maat. Het gebruik van andere maten kan schade aan de auto tot gevolg hebben en kan de typegoedkeuring ongeldig maken.
Wanneer u banden met een andere diameter laat monteren dan die van de in de fabriek gemonteerde banden, geeft de snelheidsmeter niet meer de juiste snelheid aan. Breng uw wagen naar uw dealer en laat het motor managementsysteem opnieuw programmeren.
Wanneer u banden met een andere diameter dan de in de fabriek gemonteerde banden wilt aanbrengen, controleer dan bij uw dealer of deze geschikt zijn.
N.B.: Controleer de bandenspanningen regelmatig voor een optimaal brandstofverbruik.
Op de B-stijl bij het bestuurdersportier bevindt zich een plaatje met de bandenspanning.
Controleer de bandenspanning bij een temperatuur waarin u gaat rijden en wanneer de banden koud zijn.
EEN WIEL VERVANGEN
Wielslotmoeren
Na het overleggen van het certificaat met het referentienummer kunt u bij uw dealer een vervangings dopsleutel en vervangings slotmoeren verkrijgen.
Uitvoeringen met een reservewiel
Als het reservewiel exact hetzelfde type is en dezelfde afmeting heeft als de andere aangebrachte wielen, dan kan het bestaande wiel worden vervangen door het reservewiel en kan worden verder gereden op de normale wijze.
Als het reservewiel verschilt van de andere wielen, dan is er een geel label aangebracht met de betreffende snelheidslimiet.
Raadpleeg de volgende informatie alvorens het wiel te verwisselen.
WAARSCHUWINGEN
Leg zo kort mogelijke afstanden af.
Monteer nooit meer dan één reservewiel tegelijk.
Voer geen bandenreparaties uit aan een reservewiel.
Rijd met dit wiel niet een automatische wasstraat in.
Als u niet zeker bent van het type reservewiel, rijd dan niet sneller dan 80 km/u.
Schakel bij auto's met 2.0L EcoBoost SCTi (MI4) motor de stabiliteitsregeling niet uit of selecteer geen sportmodus als een tijdelijk reservewiel is aangebracht.
Breng alleen sneeuwkettingen aan op gespecificeerde banden. Zie Technische specificatie (bladzijde 244).
N.B.: De bodemvrijheid van de auto wordt wellicht verminderd. Wees voorzichtig tijdens het parkeren naast een stoeprand.
N.B.: De auto kan enige ongewone rij-eigenschappen vertonen.
Boordkrik
WAARSCHUWINGEN

De boordkrik waarmee uw auto wordt geleverd mag alleen worden gebruikt voor het wisselen van een n noodsituaties.

Controleer, voordat u de boordkrik gebruikt, of deze niet beschadigd of vervormd is en of de schroefdraad eerd en vrij van verontreinigingen is.

U mag nooit iets tussen de krik en de grond of de krik en de auto plaatsen.
N.B.: Auto's met een bandenreparatieset zijn niet uitgerust met een boordkrik en een wielmoersleutel.
Het verdient aanbeveling een hydraulische garagekrik te gebruiken wanneer u bijv. de zomerbanden door winterbanden vervangt.
N.B.: Gebruik een krik met een minimum hefvermogen van 1,5 ton en een krikkop met een diameter van minimaal 80 mm.
Uitvoeringen zonder bandenreparatieset
De krik, de wielmoersleutel, het afneembare sleepoog en de wieldopverwijderaar zijn aangebracht in de reservewielkuip.
Kriksteunpunten
WAARSCHUWING

Gebruik uitsluitend de aangegeven kriksteunpunten. Wanneer u andere punten gebruikt kan dit de sserie, de stuurinrichting, de phanging, de motor, het remsysteem brandstofleidingen beschadigen.

Alleen voor gebruik in noodsituatiesA
OnderhoudB

E93302
Kleine pijlvormige markeringen op de dorpels A duiden de kriksteunpunten aan.

Wielmoersleutel monteren
WAARSCHUWING

Het afneembare sleepoog heeft linkse schroefdraad. Draai het linksom om het vast te zetten. Zorg ervoor dat het sleepoog volledig wordt vastgezet.

Steek het afneembare sleepoog in de wielmoersleutel.
Wieldop verwijderen

- Breng de wieldopverwijderaar aan.
- Verwijder de wieldop.
N.B.: Zorg dat de wieldopverwijderaar onder een rechte hoek ten opzichte van de wieldop wordt aangetrokken.
Wiel verwijderen
WAARSCHUWINGEN

Parkeer uw auto dusdanig dat u, noch het verkeer hinder ondervindt of gevaar loopt.

Zet een gevarendriehoek neer.

Zorg ervoor dat de auto met de wielen in de rechtuitstand op een stevige, vlakke ondergrond staat.

Zet het contact af en schakel de parkeerrem in.
WAARSCHUWINGEN

Schakel de eerste versnelling of de achteruit in wanneer uw wagen is uitgerust met een handgeschakelde versnellingsbak. Is de auto met een automatische transmissie uitgerust, selecteer dan de stand 'P'.

Laat de inzittenden uitstappen.

Blokkeer het diagonaal tegenoverliggende wiel met een geschikt blok hout of een wielkeg.

Let erop dat bij richting gebonden banden de pijlen in de draairichting wijzen wanneer de auto vooruit rijdt.
Wanneer een reservewiel moet worden gemonteerd waarvan de pijlen tegengesteld aan de draairichting wijzen, laat dan de band zo spoedig mogelijk door een goed opgeleide monteur in de juiste richting monteren.

Voer geen werkzaamheden uit onder een wagen die alleen wordt ondersteund door een krik.

Zorg ervoor dat de krik verticaal ten opzichte van het kriksteunpunt staat en dat de voet vlak op de grond
N.B.: Leg lichtmetalen velgen niet met de buitenzijde op de grond, hierdoor wordt de lak beschadigd.
N.B.: Het reservewiel bevindt zich onder het vloerpaneel in de bagageruimte.
- Breng de copsleutel voor de slotmoer aan.

- Draai de wielmoeren een slag los.
- Krik de auto op tot de band vrij is van de grond.
- Verwijder de wielmoeren en het wiel.
Wiel aanbrengen
WAARSCHUWINGEN

Gebruik uitsluitend banden en velgen met de goedgekeurde maat. Het gebruik van andere maten kan beschadiging van de auto tot gevolg hebben en maakt de typegoedkeuring ongeldig. Zie Technische specificatie (bladzijde 244).

Laat geen run flat banden monteren als de auto hiermee oorspronkelijk niet was uitgerust. Raadpleeg uw dealer voor meer informatie over de geschiktheid van banden.
WAARSCHUWING

Bevestig lichtmetalen velgen niet met moeren die voor stalen velgen zijn bestemd.
N.B.: De wielmoeren voor lichtmetalen velgen en stalen spaakvelgen kunnen gedurende korte tijd worden gebruikt voor het vastzetten van de stalen velg van het reservewiel (maximaal twee weken).
N.B.: Zorg ervoor dat de contactvlakken tussen de velg en de naaf vrij zijn van vreemde voorwerpen.
N.B.: Zorg ervoor dat de conische zijde van de wielmoeren naar de velg is gekeerd.
- Breng het wiel aan.
- Draai de wielmoeren handvast aan.
- Breng de copsleutel voor de slotmoer aan.
![graph TD A["1"] --> B[" "] C["3"] --> D[" "] E["4"] --> F[" "] G["5"] --> H["2"] I[" "] --> J[" "]](/content/2026/06/1159513/images/a5a12fceb2e9ac529c7c7b810628795df89fb727ca11c5d66a9c880ebe80f4e3.jpg)
E75442
- Zet de wielmoeren in de aangegeven volgorde voorlopig vast.
- Laat de wagen zakken en verwijder de krik.
-
Draai de wielmoeren in de aangegeven volgorde definitief vast. Zie Technische specificatie (bladzijde 244).
-
Breng de wieldop aan met de bal van uw hand.
WAARSCHUWING

Laat het aanhaalmoment van de wielmoeren en de bandenspanning zo spoedig mogelijk controlleren.
Uw wagen heeft eventueel geen reservewiel. In dat geval is er een bandenreparatieset aan boord, waarmee u één lekke band kunt repareren.
De bandenreparatieset bevindt zich in de reservewielkuip.
Algemene informatie
WAARSCHUWINGEN

Afhankelijk van het type en de omvang van de beschadiging kunnen sommige banden slechts gedeeltelijk of soms geheel niet worden gedicht. Een te lage bandenspanning kan het weggedrag van de wagen beïnvloeden, waardoor u de macht over het stuur kunt verliezen.

Gebruik de bandenreparatieset niet wanneer de band al beschadigd is door het rijden met een te lage enspanning.

Gebruik de bandenreparatieset niet bij run flat banden.

Probeer geen andere lekken te dichten dan zichtbare lekken in het loopvlak van de band.

Probeer geen lekken te dichten in de bandwang.
Met de bandenreparatieset kunt u de meeste gaatjes dichten [tot een diameter van zes millimeter], waarna u tijdelijk verder kunt rijden.
Let op het volgende bij het gebruik van de set:
•Rijd voorzichtig en maak geen plotselinge stuurbewegingen, vooral wanneer de wagen zwaar is beladen of tijdens het rijden met een aanhanger.
- De set zorgt voor een tijdelijke reparatie, waardoor u uw reis tot de volgende dealer of bandenspecialist kunt voortzetten, of een afstand van maximaal 200 km (125 mijl) kunt afleggen.
•Rijd niet sneller dan maximaal 80 km/h (50 mph).
•Houd de set buiten het bereik van kinderen.
-Gebruik de set bij omgevingstemperaturen van -30°C tot +70°C .
Gebruik van de bandenreparatieset
WAARSCHUWINGEN

Samengeperste lucht kan zich gedragen als een explosief of drijfmiddel.

Laat de bandenreparatieset tijdens het gebruik nooit onbeheerd achter.
LET OP

Laat de compressor niet langer dan 10 minuten draaien.
N.B.: Gebruik de bandenreparatieset alleen bij wagens die ermee zijn uitgerust.
-Parkeer uw wagen zodanig langs de kant van de weg dat u het verkeer niet belemmert en dat u in staat bent de set te gebruiken zonder in gevaar te komen.
- Trek, zelfs wanneer u op een vlakke ondergrond geparkeerd staat, de handrem aan om te waarborgen dat de auto niet in beweging kan komen.
•Probeer geen vreemde voorwerpen, zoals spijkers of schroeven, uit de band te verwijderen.
•Laat, wanneer u de set gebruikt, de motor draaien, maar niet wanneer de wagen in een gesloten of slecht geventileerde ruimte staat (bijv. in een gebouw). Zet in dergelijke gevallen de compressor aan zonder de motor te starten.
- Vervang de fles met het afdichtmiddel door een nieuwe voordat de houdbaarheidsdatum (zie de bovenzijde van de fles) is bereikt.
- Informeer andere gebruikers van de wagen dat de band tijdelijk is gerepareerd met de bandenreparatieset en stel hen op de hoogte van de speciale rijvoorschriften.
Band oppompen
WAARSCHUWINGEN

Controleer de bandwang voordat u het afdichtmiddel in de band pompt. Wanneer u scheuren, knobbels ofelijke ziet, probeer dan niet de band pompen.

Ga niet vlak naast de band staan wanneer de compressor draait.

Sla de bandwang gade. Wanneer u scheuren, knobbels en dergelijke ziet verschijnen, schakel dan de pressor uit en laat de lucht met de tklep B ontsnappen. Rijd niet verder deze band.
WAARSCHUWINGEN

Het afdichtmiddel bevat natuurlijk latex. Voorkom contact met huid, ogen of kleding. Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts.

Wanneer de bandenspanning binnen zeven minuten lager wordt dan 1,8 bar (26 psi), kan de band ernstig zijn beschadigd, waardoor een tijdelijke reparatie onmogelijk is. Vervolg in een dergelijk geval uw reis niet met deze band.
LET OP

Wanneer de fles op de houder wordt gedraaid, wordt de afdichting van de fles verbroken. Draai de fles niet uit de houder omdat dan het afdichtmiddel ontsnapt.

- Open het deksel van de bandenreparatieset.
- Trek het label I waarop de maximaal toelaatbare snelheid van 80 km/h (50 mph) vermeld staat van het huis en maak het binnen het gezichtsveld van de bestuurder vast op het instrumentenpaneel. Het label mag niets belangrijks aan het oog onttrekken.
- Haal de slang C en de stekker met kabel G uit de set.
- Draai de oranje dop D en de flessendop J los.
- Draai de fles afdichtmiddel K stevig rechtsom in de flessenhouder E.
- Draai het ventieldopje van de beschadigde band eraf.
- Verwijder de beschermdop A van de slang C en draai de slang C stevig op het ventiel van de lekke band.
- De compressorschakelaar H moet in de stand O staan.
- Sluit de stekker G aan op de aansluiting van de aansteker of het extra elektrisch aansluitpunt. Zie Aansteker (bladzijde 123). Zie Extra voedingsaansluitingen (bladzijde 123).
- Start de motor.
- Zet de compressorschakelaar H in de stand 1.
- Pomp de band niet langer dan zeven minuten op voor een minimale druk van 1,8 bar (26 psi) en een maximum druk van 2,5 bar (51 psi). Zet de compressorschakelaar H in de stand O en controleer de huidige bandenspanning met de drukmeter F.
-
Neem de stekker G uit de aansluiting van de aansteker of het extra elektrisch aansluitpunt.
-
Draai de slang C snel van het ventiel los en breng de beschermdop A aan. Draai het ventieldopje vast.
- Laat de fles afdichtmiddel K in de flessenhouder E zitten.
- Zorg ervoor dat de set, de flessendop en de oranje dop veilig worden opgeborgen, maar makkelijk bereikbaar zijn. De set kan weer nodig zijn wanneer u de bandenspanning controleert.
- Ga onmiddellijk ongeveer drie kilometer (twee mijl) rijden, zodat het afdichtmiddel het lek kan afdichten.
N.B.: Wanneer het afdichtmiddel in de band wordt gepompt, kan de druk toenemen tot 6 bar (87 psi) maar deze neemt na ca. 30 seconden weer af.
WAARSCHUWING
Wanneer u heftige trillingen, onbalans in het stuurwiel of lawaai tijdens het rijden waarneemt, minder dan snelheid en rijd voorzichtig naar een plaats waar u veilig kunt stoppen. Controleer de band en de bandenspanning opnieuw. Wanneer de bandenspanning lager is dan 1,3 bar (19 psi) of wanneer er scheuren, knobbels of dergelijke zichtbaar zijn, hervat dan uw reis niet met deze band.
Bandenspanning controlleren
- Stop na ongeveer drie kilometer (twee mijl) te hebben gereden. Controleer en corrigeer zo nodig de spanning van de beschadigde band.
- Sluit de set aan en lees de bandenspanning af op de drukmeter F.
-
Wanneer de spanning 1,3 bar (19 psi) of hoger is, breng de band dan op de voorgeschreven spanning. Zie Technische specificatie (bladzijde 244).
-
Herhaal de procedure om de band weer op spanning te brengen.
- Controleer de bandenspanning nogmaals met de drukmeter F. Wanneer de spanning te hoog is, laat dan de spanning afnemen met behulp van de aflaatklep B.
- Zodra u de band op de juiste spanning hebt gebracht: zet de compressorschakelaar H in de stand O, trek de stekker G uit de contactdoos, draai de slang C los, draai het ventieldopje vast en breng de beschermdop A weer aan.
- Laat de fles afdichtmiddel K in de flessenhouder E zitten en bewaar de set veilig op zijn oorspronkelijke plaats.
- Rijd naar de dichtstbijzijnde bandenspecialist om de beschadigde band te laten vervangen. Vertel, voordat de band van de velg wordt afgenomen, de bandenspecialist dat de band een afdichtmiddel bevat. Vervang de set zo snel mogelijk na eenmalig gebruik.
N.B.: Bedenk dat een bandenreparatieset slechts voor tijdelijke mobiliteit zorgt. Voorschriften aangaande bandreparatie na gebruik van de bandenreparatieset kunnen per land verschillen. Raadpleeg een bandenspecialist voor advies.
WAARSCHUWING

Voordat u wegrijdt moet de band de voorgeschreven bandenspanning hebben. Zie Technische
specificatie (bladzijde 244). Controleer voortdurend de bandenspanning tot de band is vervangen.
Lege flessen afdichtmiddel mogen samen met het huishoudelijk afval worden afgevoerd. Breng resten afdichtmiddel naar uw dealer of voer ze af volgens de lokale richtlijnen.
VERZORGING VAN BANDEN

E70415
Om ervoor te zorgen dat de banden van de voor- en achterwielen van uw auto gelijkmatig slijten en een langere levensduur hebben, adviseren we de wielen met regelmatige intervallen tussen 5000 en 10000 kilometer van voor naar achter en vice versa te wisselen.
LET OP

Laat tijdens het parkeren de bandwangen niet langs stoepbanden schuren.
Als u een stoeprand moet oprijden, doe het dan zo langzaam mogelijk en rijd zo mogelijk haaks met de wielen het trottoir op.
Controleer de banden regelmatig op scheuren, vreemde voorwerpen of onregelmatige slijtage van het loopvlak. Ongelijkmatige slijtage kan betekenen dat de wieluitlijning niet meer aan de specificaties voldoet.
Controleer iedere twee weken de bandenspanning (inclusief het reservewiel) wanneer de banden koud zijn.
GEBRUIK VAN WINTERBANDEN
LET OP

Controleer of u de velgen met de winterbanden met het correcte type wielmoeren hebt bevestigd.
Indien winterbanden zijn gemonteerd, controleer dan of de bandenspanning correct is. Zie Technische specificatie (bladzijde 244).
Rijd niet harder dan 50 km/u (30 mhp).

Rijd niet met sneeuwkettingen op een sneeuwvrij wegdek.

Breng alleen sneeuwkettingen aan op gespecificeerde banden. Zie Technische specificatie (bladzijde
244).
LET OP

Wanneer uw auto is uitgerust met wieldeksels, verwijder deze dan voordat u sneeuwkettingen monteert.
N.B.: Het ABS blijft normaal werken.
Gebruik alleen sneeuwkettingen met kleine schakels.
Monteer alleen sneeuwkettingen op de voorwielen.
Uitvoeringen met stabiliteitsregeling (ESP)
Uitvoeringen met stabiliteitsregeling (ESP) kunnen een wat ongebruikelijke rijkarakteristiek vertonen, hetgeen kan worden verminderd door het aandrijfregelsysteem (traction control) uit te schakelen. Zie Gebruik maken van stabiliteitsregeling (bladzijde 148).
GEBRUIK VAN SNEEUWKETTINGEN - 2,0 L ECOBOOST SCTI (MI4)
WAARSCHUWINGEN

Rijd niet harder dan 50 km/u (30 mhp).

Rijd niet met sneeuwkettingen op een sneeuwvrij wegdek.

Breng alleen sneeuwkettingen aan op gespecificeerde banden. Zie Technische specificatie (bladzijde

Wanneer uw wagen is uitgerust met wieldeksels, verwijder deze dan voordat u sneeuwkettingen eert.
N.B.: Het ABS blijft normaal werken.
Gebruik alleen sneeuwkettingen van 12 millimeter of kleiner bij 215/55 R 16 banden.
Gebruik alleen sneeuwkettingen van 10 millimeter of kleiner bij 215/50 R 17 banden. Monteer alleen sneeuwkettingen op de voorwielen.
Uitvoeringen met stabiliteitsregeling (ESP)
Uitvoeringen met stabiliteitsregeling (ESP) kunnen een wat ongebruikelijke rijkarakteristiek vertonen, hetgeen kan worden verminderd door het aandrijfregelsysteem (traction control) uit te schakelen. Zie Gebruik maken van stabiliteitsregeling (bladzijde 148).
BANDENSPANNINGCON- TROLESYSTEEM
WAARSCHUWINGEN

Het systeem ontheft u niet van de verantwoording om regelmatig de bandenspanning te controleren.

Het systeem waarschuwt u alleen voor een lage bandenspanning. Het pompt de banden niet op.

Rijd niet met een aanzienlijk te lage bandenspanning. Hierdoor kunnen de banden oververhit raken en worden beschadigd. Een te lage bandenspanning verhoogt het brandstofverbruik, verkort de levensduur van de banden en heeft een nadelige invloed op de rijeigenschappen.
LET OP

Buig of beschadig de ventielen niet wanneer u de banden oppompt.

Laat banden door goed opgeleide monteurs monteren.
Het detectiesysteem bandenspanningsverlies waarschuwt ingeval van een luchtdrukwijziging in een van de banden. Dit vindt plaats via de ABS-sensoren die de rollende omtrek van de wielen registreren. Wanneer de rollende omtrek verandert, dan geeft dit een lage spanning aan in een band. Er wordt een waarschuwingsbericht weergegeven in de informatiedisplay en de berichtencontrolelamp gaat branden. Zie Infoberichten (bladzijde 91).
Wanneer een waarschuwingsbericht voor een lage bandenspanning op de informatiedisplay wordt weergegeven, controleer dan de bandenspanning zo spoedig mogelijk en breng deze op de voorgeschreven waarde. Zie Technische specificatie (bladzijde 244).
Wanneer dit regelmatig voorkomt, laat dan zo snel mogelijk de oorzaak vaststellen en verhelp de storing.
Naast een te lage bandenspanning of een beschadigde band kunnen de volgende situaties van invloed zijn op de rollende omtrek:
•Ongelijke belading.
-Gebruik van een aanhanger of een heuvel op en af rijden.
-Gebruik van sneeuwkettingen.
•Rijden op zachte ondergrond zoals sneeuw of modder.
N.B.: Het systeem functioneert naar behoren, maar de detectietijd kan wellicht toenemen.
Systeem resetten
N.B.: Reset het systeem niet wanneer met de auto wordt gereden.
N.B.: Het systeem moet worden gereset na een afstelling van de bandenspanning of een bandenwissel.
N.B.: Zet het contact aan.
- Navigeer m.b.v. de informatiedisplaybediening naar
Instelingen > Bestuurd. ass. > Band.sp. contr.
- Houd de knop OK ingedrukt tot er een bevestiging verschijnt.
Bandenspanningen (koude banden) - Alle behalve 2.0L EcoBoost - MI4
Aanhaalmoment wielmoeren
| Nm (lb-ft)Velgtype | |
| 135 (100)Alle |
Tot 80 km/u
| BandenmaatUitvoering | Maximaal beladenNormale bel | ||||
| bar (lbf/in2) | AchterVoorAchter | ||||
| bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | |||
| 4,2 (61)4,1(61)4,2 | |||||
| 4,2 (61)4,1(61)4,2 | |||||
Tot 160 km/u
| BandenmaatUitvoering | Maximaal beladenNormale bel | ||||
| bar (psi) | bar (psi) | bar (psi) | bar (psi) | ||
| Alle | 205/55 R 16* | 2 | 1 (2,4) (35)2,1 | (2,8) (41) | |
| 1.0L EcoBoost, 1.6L Duratec-16V Ti-VCT, 1.6L EcoBoost, 2.0L Duratec-HE - MI4, 1.6L Duratorq-TDCi | 215/55 R 16* | 2 | 1 (2,4) (35)2,1 | (2,8) (41) | |
| 2.0L Duratorq-TDCi - DW | 215/55 R 16* | 2,3 | (2,3) (35)2,1 | (2,8) (41) | |
Velgen en banden
| BandenmaatUit | Maximaal beladenNormale | ||||
| voering AchterVoorAchterVoor | |||||
| bar (psi)bar (psi | |||||
| 1.0L EcoBoost, 1.6L Duratec-16V Ti-VCT, 1.6L EcoBoost, 2.0L Duratec-HE - MI4, 1.6L Duratorq-TDCi | 2,8 (41)2,4 (35) | ||||
| 2.0L Duratorq-TDCi - DW | 2,8 (42)2,4(3B) | ||||
| 1.6L Duratec-16V Ti-VCT, 1.6L EcoBoost, 2.0L Duratec-HE - MI4, 1.6L Duratorq-TDCi | 2,8 (43)2,4(3B) | ||||
| 2.0L Duratorq-TDCi - DW | 2,8 (43)2,4(3B) | ||||
* Breng alleen sneeuwkettingen aan op gespecificeerde banden.
Snelheid continu hoger dan 160 km/u (100 mph)
| BandenmaatUit | Maximaal beladenNormale | ||||
| voering AchterVoorAchterVoor | |||||
| bar (psi)bar (psi | |||||
| 1.0L EcoBoost, 1.6L Duratec-16V Ti-VCT, 1.6L Duratorq-TDCi | 2,8 (4054535) | ||||
| 1.6L EcoBoost | 2,8 (4054535) | ||||
| 1.0L EcoBoost, 1.6L Duratec-16V Ti-VCT, 1.6L EcoBoost, 2.0L Duratec-HE - MI4, 1.6L Duratorq-TDCi | 2,8 (4054535) | ||||
Velgen en banden
| BandenmaatUitvoering AchterVoorAchterVoor | Maximaal beladenNormale bel | ||||
| bar (psi) | bar (psi) | ||||
| 2.0L Duratorq-TDCi - DW | 2,8 (41)2,6 (38)2,1 | ||||
| 1.0L EcoBoost, 1.6L Duratec-16V Ti-VCT, 1.6L EcoBoost, 2.0L Duratec-HE - MI4, 1.6L Duratorq-TDCi | 215/50 R 17 | 2,1 (31) | 2,1 (31) | 2,4 (35) | 2,8 (41) |
| 2.0L Duratorq-TDCi - DW | 2,8 (41)2,65(38)2,1 | ||||
| 1.6L Duratec-16V Ti-VCT, 1.6L EcoBoost, 2.0L Duratec-HE - MI4, 1.6L Duratorq-TDCi | 235/40 R 18 | 2,1 (31) | 2,1 (31) | 2,4 (35) | 2,8 (41) |
| 2.0L Duratorq-TDCi - DW | 2,8 (41)2,64(38)2,1 | ||||
Bandenspanningen (koude banden) - 2.0L EcoBoost - MI4
Aanhaalmoment wielmoeren
| Velgtype | Nm (lb-ft) |
| Alle | 135 (100) |
Tijdelijk reservewiel - Tot 80 km/u
WAARSCHUWING

Schakel de stabiliteitsregeling niet uit wanneer een tijdelijk reservewiel is aangebracht.
Velgen en banden
| Bandenmaat Achter | Maximaal beladenNormale bela | |||
| verVoorAchterVoor | ||||
| bar (lbf/in2)bar (lbf) | ||||
| 4,2 (61)4,2 (61)4, | ||||
| 4,2 (61)4,2 (61)4, | ||||
Tijdelijk reservewiel - Tot 120 km/u
WAARSCHUWING

Schakel de stabiliteitsregeling niet uit wanneer een tijdelijk reservewiel is aangebracht.
| Bandenmaat Achter | Maximaal beladenNormale bela | |||
| verVoorAchterVoor | ||||
| bar (lbf/in2)bar (lbf) | ||||
| 205/55 R 16 | 3 (3444)3 (44)3 (4 | |||
Tot 220 km/h (137 mph)
| Bandenmaat | Normale belasting | Maximaal beladen | ||
| VoorAchterVoorAchter | ||||
| bar (psi) | bar (psi) | bar (psi) | bar (psi) | |
| 215/55 R 16* | 2,4 (35) | 2,4 (35) | 2,4 (35) | 2,8 (41) |
| 215/50 R 17* | 2,4 (35) | 2,4 (35) | 2,4 (35) | 2,8 (41) |
| 235/40 R 18 | 2,4 (35) | 2,4 (35) | 2,4 (35) | 2,4 (35) |
* Breng alleen sneeuwkettingen aan op gespecificeerde banden.
Snelheid continu hoger dan 220 km/h (137 mph)
| Bandenmaat Achter | Maximaal beladenNormale belasti | |||
| terVoorAchterVoor | ||||
| bar (psi)bar (psi)bar | ||||
| 2,8 (41)2,6 (38)2,4 ( | ||||
| 2,8 (41)2,8 (41)2,4 ( | ||||
| 2,5 (36)2,5 (36)2,4 ( | ||||
VOERTUIGIDENTIFICA- TIEPLAATJE
N.B.: Het ontwerp van het identificatieplaatje kan afwijken van het getoonde plaatje.
N.B.: De informatie op het identificatieplaatje is afhankelijk van de vereisten per land.

ModelA
UitvoeringB
MotorbenamingC
EmissieniveauD
VoertuigidentificatienummerA
Maximaal toelaatbare totaalgewichtF
Maximaal toelaatbaar treingewichtG
Maximale voorasbelastingH
Maximale achterasbelastingl
Het voertuigidentificatienummer (VIN) en de maximum toelaatbare gewichten zijn vermeld op een plaatje aan slotzijde onderin de opening van het rechter portier.
CHASSISNUMMER

Het Voertuig Identificatie Nummer (chassisnummer) is rechtsvoor naast de voorstoel in de bodemplaat ingeslagen. Het is ook op de linkerzijde van het instrumentenpaneel vermeld.
Afmetingen van de wagen
4-deurs
| Afmeting in mmBeschrijving va | |
| 4534 (178,5)Totale lengte | |
| 2010 (79,1)Totale breedte in | |
| 1451 - 1484 (57,1 - 58,4)Totale hoc | |
| 2648 (104,3)Wielbasis | |
| 1544 - 1559 (60,8 - 61,4)Spoorbree | |
| 1534 - 1549 (60,4 - 61)Spoorbree |
5-deurs
| Afmeting in mmBeschrijving via | |
| 4358 - 4412 (171,6 - 173,7)Totale len | |
| 2010 (79,1)Totale breedte in | |
| 1451 - 1484 (57,1 - 58,4)Totale hoc | |
| 2648 (104,3)Wielbasis | |
| 1544 - 1559 (60,8 - 61,4)Spoorbree | |
| 1534 - 1549 (60,4 - 61)Spoorbree |
Stationwagon
| Afmeting in mmBeschrijving va | |
| 4556 - 4606 (179,4 - 181,3)Totale le | |
| 2010 (79,1)Totale breedte ir | |
| 1472 - 1505 (58 - 59,3)Totale hoc |
Inhouden en specificaties
| Afmeting in mmBeschrijving van a | |
| 2648 (104,3)Wielbasis | |
| 1544 - 1559 (60,8 - 61,4)Spoorbreedt | |
| 1534 - 1549 (60,4 - 61)Spoorbreedte |
Afmetingen trekhaak


E132737
4-deurs
| Afmeting in mmBeschrijving van het | ||
| 77 - 80 (3 - 3,1)Bumper – midden | ||
| 3 (0,1)Bevestigingspunt – haaf | ||
| 1068 - 1071 (42 - 42,2)Hart wiel – haaf | ||
| 515 (20,3)Hart trekhaakkogel - | ||
| 1030 (40,6)Afstand tussen de | ||
| F | Hart trekhaakkogel – hart 1e bevestigings-punt | 447 - 450 (17,6 -17,7) |
| G | Hart trekhaakkogel – hart 2e bevestigings-punt | 747 - 750 (29,4 - 29,5) |
5-deurs
| Afmeting in mmBeschrijving van A | ||
| 81 - 83 (3,2 - 3,3)Bumper – midde | ||
| 3 (0,1)Bevestigingspunt – ha | ||
| B | Bevestigingspunt – hart trekhaakkogel (afneembare aanhangwagenkoppeling) | 18 (0,7) |
| 896 - 898 (35,3 - 35,4)Hart wiel – ha | ||
| 515 (20,3)Hart trekhaakkogel – | ||
| 1030 (40,6)Afstand tussen de | ||
| F | Hart trekhaakkogel – hart 1e bevestigings- punt | 396 - 398 (15,6 - 15,7) |
| G | Hart trekhaakkogel – hart 2e bevestigings- punt | 696 - 698 (27,4 - 27,5) |
Stationwagon
| Afmeting in mmBeschrijving va | ||
| 81 (3,2)Bumper – midden | ||
| 72 - 77 (2,8 - 3)Bevestigingsp | ||
| 1094 (43,1)Hart wiel – hart | ||
| 586 (23,1)Hart trekhaakkog | ||
| 1172 (46,1)Afstand tussen d | ||
| F | Hart trekhaakkogel – hart 1e bevestigings- punt | 474 (18,7) |
| G | Hart trekhaakkogel – hart 2e bevestigings- punt | 719 (28,3) |
BELANGRIJKE AUDIO-INFORMATIE
WAARSCHUWINGEN

Door technische verschillen kunnen opneembare CD's (CD-R's) en opnieuw beschrijfbare CD's
(CD-RW's) mogelijk niet correct functioneren.

Deze radio / CD-spelers spelen CD's af die voldoen aan de standaard audiospecificaties van het
International Red Book. CD's met een kopieerbeveiliging van sommige fabrikanten voldoen niet aan deze standaard en het afspelen ervan kan niet worden gegarandeerd.

Dual format, dubbelzijdige CD's (DVD Plus, CD-DVD format), die door de muziekindustrie worden gebruikt,
zijn dikker dan normale CD's en het afspelen ervan kan daardoor niet worden gegarandeerd en ze kunnen klemraken. CD's met een onregelmatige vorm en CD's met krasbescherming of zelfklevende etiketten mogen niet worden gebruikt. Garantieclaims, waarbij dit type CD in een audio-installatie wordt aangetroffen die voor reparatie wordt aangeboden, worden niet geaccepteerd.

Alle CD-spelers zijn alleen bedoeld om commercieel geperste 12 cm audio CD's af te spelen.

Uw audio-installatie kan worden beschadigd wanneer voorwerpen als creditcards of munten door de
opening van de CD-speler naar binnen worden geduwd.
Labels op de audio-installatie
CLASS 1
LASER PRODUCT
CAUTION—INVISIBLE LASER RADIATION WHEN OPEN DO NOT STARE INTO BEAM OR
VIEW DIRECTLY WITH OPTICAL INSTRUMENTS
CD etiketten
Audio CD




MP3




N.B.: Audio-units zijn voorzien van een geïntegreerd multifunctioneel display boven de CD-sleuf. Hierop wordt belangrijke informatie weergegeven over de bediening van de audio-unit. Daarnaast bevinden zich rondom het display diverse pictogrammen die oplichten wanneer een functie actief is (bijvoorbeeld CD, Radio of Aux.)
Type 1

A Uitwerpen: Druk op de toets om een CD uit te werpen. Zie CD-speler (bladzijde 271).
Cursorpijlen: Druk op een toets om door de schermopties te scrollen.B
C CD sleuf: Hier plaatst u een CD. Zie CD-speler (bladzijde 271).
OK: Druk op de toets om de schermselecties te bevestigen.D
E INFO: Druk op de toets voor toegang tot radio-, CD-, USB- en IPod-informatie.
F TA: Druk op de toets om verkeersberichten in of uit te schakelen; annuleert berichten tijdens een actief bericht. Zie Regeling functie verkeersinformatie (bladzijde 267).
G Numeriek toetsenbord: Druk op de toets om een eerder opgeslagen radiostation op te vragen. Houd de toets ingedrukt tot het geluid weer wordt weergegeven om een favoriet radiostation op te slaan. Zie Voorkeuzetoetsen (bladzijde 267).
H Opwaarts zoeken: Druk op de toets om naar de volgende zender op de radiofrequentieband of het volgende nummer op een CD te gaan. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 266). Zie Nummer selecteren (bladzijde 271).
Aan/uit- en volumeknop: Druk op de knop om het audiosysteem in of uit te schakelen. Draai de knop om het volume aan te passen.
J Neerwaarts zoeken: Druk op de toets om naar de voorgaande zender op de radiofrequentieband of het voorgaande nummer op een CD te gaan. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 266). Zie Nummer selecteren (bladzijde 271).
K MENU: Druk op de toets voor toegang tot verschillende audiosysteemfuncties.
L SOUND: Druk op de toets om de geluidsinstellingen (bass, treble, middle, balance en fade) aan te passen. Zie Volumeknop (bladzijde 266).
M AUX: Druk op de toets voor toegang tot de AUX en SYNC functies; deze annuleert ook het navigeren in het menu of de lijst. Zie Aansluiting Auxiliary ingang (bladzijde 125). Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 274).
N RADIO: Druk op de toets om verschillende radiofrequentiebanden te kiezen; deze annuleert ook het navigeren in het menu of de lijst. Zie Werking van de audio-installatie (bladzijde 266).
O CD: Druk op de toets om de bron op CD in te stellen; deze annuleert ook het navigeren in het menu of de lijst. Zie CD-speler (bladzijde 271).
Type 2

A Beschrijvingen voor functietoetsen 1-4

A Uitwerpen: Druk op de toets om een CD uit te werpen. Zie CD-speler (bladzijde 271).
Cursorpijlen: Druk op een toets om door de schermopties te scrollen.B
C CD sleuf: Hier plaatst u een CD. Zie CD-speler (bladzijde 271).
OK: Druk op de toets om de schermselecties te bevestigen.D
E INFO: Druk op de toets voor toegang tot radio-, CD-, USB- en IPod-informatie.
F TA: Druk op de toets om verkeersberichten in of uit te schakelen; annuleert berichten tijdens een actief bericht. Zie Regeling functie verkeersinformatie (bladzijde 267).
G Sound (klank): Druk op de toets om de geluidsinstellingen (bass, treble, middle, balance en fade) aan te passen. Zie Volumeknop (bladzijde 266).
H Numeriek toetsenbord: Druk op de toets om een eerder opgeslagen radiostation op te vragen. Houd de toets ingedrukt tot het geluid weer wordt weergegeven om een favoriet radiostation op te slaan. Zie Gebruik maken van de telefoon (bladzijde 278). Zie Voorkeuzetoetsen (bladzijde 267).
I Functietoets 4: Druk op de toets om verschillende functies van het audiosysteem te selecteren, afhankelijk van in welke modus (bijv. radio of CD) u zich bevindt.
J Functietoets 3: Druk op de toets om verschillende functies van het audiosysteem te selecteren, afhankelijk van in welke modus (bijv. radio of CD) u zich bevindt.
K Opwaarts zoeken: Druk op de toets om naar de volgende zender op de radiofrequentieband of het volgende nummer op een CD te gaan. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 266). Zie Nummer selecteren (bladzijde 271).
L Aan/uit- en volumeknop: Druk op de knop om het audiosysteem in of uit te schakelen. Draai de knop om het volume aan te passen.
M Neerwaarts zoeken: Druk op de toets om naar de voorgaande zender op de radiofrequentieband of het voorgaande nummer op een CD te gaan. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 266). Zie Nummer selecteren (bladzijde 271).
N Functietoets 2: Druk op de toets om verschillende functies van het audiosysteem te selecteren, afhankelijk van in welke modus (bijv. radio of CD) u zich bevindt.
O Functietoets 1: Druk op de toets om verschillende functies van het audiosysteem te selecteren, afhankelijk van in welke modus (bijv. radio of CD) u zich bevindt.
P MENU: Druk op de toets voor toegang tot verschillende audiosysteemfuncties.
Q PHONE: Druk op de toets voor toegang tot de telefoonfunctie van het SYNC systeem door op PHONE en vervolgens op MENU te drukken. Zie de afzonderlijke handleiding. Zie Telefoon (bladzijde 276).
R AUX: Druk op de toets voor toegang tot de AUX en SYNC functies; deze annuleert ook het navigeren in het menu of de lijst. Zie Aansluiting Auxiliary ingang (bladzijde 125). Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 274). Zie Verbinding (bladzijde 298).
S RADIO: Druk op de toets om verschillende radiofrequentiebanden te kiezen; deze annuleert ook het navigeren in het menu of de lijst. Zie Werking van de audio-installatie (bladzijde 266).
T CD: Druk op de toets om de bron op CD in te stellen; deze annuleert ook het navigeren in het menu of de lijst. Zie CD-speler (bladzijde 271).
Functietoetsen 1 tot en met 4 zijn contextafhankelijk en wijzigen als functie van de huidige audio-unitmodus. Beschrijvingen voor de functies worden aan de onderzijde van het display weergegeven.

A Beschrijvingen voor functietoetsen 1-4

Aan, uit: Druk op de knop om het audiosysteem in of uit te schakelen.A
DISPLAY: Druk op de toets om de display in de standby-modus te zetten.B
C Numeriek toetsenbord: Druk op de toets om een eerder opgeslagen radiostation op te vragen. Houd de toets ingedrukt tot het geluid weer wordt weergegeven om een favoriet radiostation op te slaan. Zie Gebruik maken van de telefoon (bladzijde 278). Zie Voorkeuzetoetsen (bladzijde 267).
D CD sleuf: Hier plaatst u een CD. Zie CD-speler (bladzijde 271).
Cursorpijlen: Druk op de toets om door de schermopties te scrollen.E
F Digitale signaalverwerking: Druk op de toets voor toegang tot de functies voor digitale signaalverwerking. Zie Digitale signaalverwerking (DSP) (bladzijde 269).
G Uitwerpen: Druk op de toets om een CD uit te werpen. Zie CD-speler (bladzijde 271).
H INFO: Druk op de toets voor toegang tot radio-, CD-, USB- en IPod-informatie.
KLOK: Druk op de toets voor toegang tot de klokfuncties.I
J Opwaarts zoeken: Druk op de toets om naar de volgende zender op de radiofrequentieband of het volgende nummer op een CD te gaan (in de CD-modus). In de telefoonmodus kan de toets gebruikt worden om een oproep te beëindigen. Een inkomende oproep kan hiermee geweigerd worden. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 266). Zie Nummer selecteren (bladzijde 271). Zie Gebruik maken van de telefoon (bladzijde 278).
K MUTE: Druk op de toets om het geluid uit te schakelen. Druk nogmaals op de toets om het geluid weer in te schakelen.
L TA: Druk op de toets om verkeersberichten in of uit te schakelen; annuleert berichten tijdens een actief bericht. Zie Regeling functie verkeersinformatie (bladzijde 267).
M Functietoets 4: Druk op de toets om verschillende functies van het audiosysteem te selecteren, afhankelijk van in welke modus (bijv. radio of CD) u zich bevindt.
N SOUND: Druk op de toets om de geluidsinstellingen (bass, treble, middle, balance en fade) aan te passen. Zie Volumeknop (bladzijde 266).
O Functietoets 3: Druk op de toets om verschillende functies van het audiosysteem te selecteren, afhankelijk van in welke modus (bijv. radio of CD) u zich bevindt.
OK: Druk op de toets om de schermselecties te bevestigen.P
Q Functietoets 2: Druk op de toets om verschillende functies van het audiosysteem te selecteren, afhankelijk van in welke modus (bijv. radio of CD) u zich bevindt.
R MENU: Druk op de toets voor toegang tot verschillende audiosysteemfuncties.
S Functietoets 1: Druk op de toets om verschillende functies van het audiosysteem te selecteren, afhankelijk van in welke modus (bijv. radio of CD) u zich bevindt.
T PHONE: Druk op de toets voor toegang tot de telefoonfunctie van het SYNC systeem door op PHONE en vervolgens op MENU te drukken. Zie de afzonderlijke handleiding. Zie Telefoon (bladzijde 276).
U AUX: Druk op de toets voor toegang tot de AUX en SYNC functies; deze annuleert ook het navigeren in het menu of de lijst. Zie Aansluiting Auxiliary ingang (bladzijde 125). Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 274).
V Neerwaarts zoeken: Druk op de toets om naar de voorgaande zender op de radiofrequentieband of het voorgaande nummer op een CD te gaan (in de CD-modus). In de telefoonmodus kan de toets gebruikt worden om een oproep te verrichten. Een inkomende oproep kan hiermee geaccepteerd worden. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 266). Zie Nummer selecteren (bladzijde 271). Zie Gebruik maken van de telefoon (bladzijde 278).
W RADIO: Druk op de toets om verschillende radiofrequentiebanden te kiezen; deze annuleert ook het navigeren in het menu of de lijst. Zie Werking van de audio-installatie (bladzijde 266).
X CD: Druk op de toets om de bron op CD in te stellen; deze annuleert ook het navigeren in het menu of de lijst. Zie CD-speler (bladzijde 271).
Volume: Draai de knop om het volume aan te passen.Y
Functietoetsen 1 tot en met 4 zijn contextafhankelijk en wijzigen als functie van de huidige audio-unitmodus. Beschrijvingen voor de functies worden aan de onderzijde van het display weergegeven.
BEVEILIGINGSCODE
Elke installatie heeft een unieke code die gekoppeld is aan het chassisnummer (VIN). Het systeem controleert automatisch of de audio-installatie en de auto overeenkomen, voordat het gebruik wordt toegestaan.
Als een veiligheidscodemelding verschijnt, neem dan contact op met uw dealer.
AAN/UIT TOETS
Druk op de knop bij uitgeschakeld contact. De audio-unit wordt nu maximaal 1 uur bediend.
Als de audio-unit wordt ingeschakeld voordat het contact wordt afgezet, dan wordt de audio-unit automatisch na 10 minuten of bij het openen van één van de portieren uitgeschakeld.
VOLUMEKNOP
Zo kunt u de volume-instellingen aanpassen (bijvoorbeeld bas en hoge tonen).
- Druk de klanktoets in.
- Druk op de pijltjestoetsen omhoog/omlaag om de gewenste instelling te selecteren.
- Gebruik de pijltjestoetsen links/rechts om de vereiste aanpassing uit te voeren. Het display geeft de gekozen instelling weer.
- Druk op de OK toets om de nieuwe instelling te bevestigen.
GOLFBAND TOETS
Druk op de toets RADIO om een van de beschikbare frequentiebanden te selecteren.
Wanneer een andere geluidsbron is ingeschakeld kan deze keuzetoets ook worden gebruikt om weer over te schakelen naar de radio.
Of druk op de linker pijltjestoets om de beschikbare frequentiebanden weer te geven. Blader naar de gewenste frequentieband en druk op OK.
STATION AFSTEMTOETSEN
DAB-service linking
N.B.: De DAB service linking is standaard uitgeschakeld.
N.B.: Via service linking zijn kruisreferenties mogelijk naar andere betreffende frequenties van hetzelfde radiostation (bijvoorbeed FM en andere DAB-ensembles).
N.B.: Het systeem schakelt automatisch naar een ander betreffend radiostation als het huidige radiostation niet beschikbaar is (bijvoorbeeld tijdens het verlaten van het dekkingsgebied).
DAB service linking in- en uitschakelen. Zie Algemene informatie (bladzijde 83).
Zoeken
Selecteer een frequentieband en druk kort op een van de zoektoetsen. Het toestel stopt bij het eerste radiostation dat in de door u gekozen richting wordt gevonden.
Handmatig afstemmen
Type 1
- Druk op de MENU toets.
- Selecteer de modus RADIO en vervolgens MANUAL TUNE.
- Druk op de linker en rechter pijltjestoetsen om de frequentieband in kleine stappen omlaag of omhoog af te zoeken of houd de toets ingedrukt om snel te zoeken tot u een radiostation vindt waarnaar u wilt luisteren.
- Druk op OK om naar een radiostation te blijven luisteren.
Type 2 en 3
-
Druk op functietoets 2.
-
Druk op de linker en rechter pijltjestoetsen om de frequentieband in kleine stappen omlaag of omhoog af te zoeken of houd de toets ingedrukt om snel te zoeken tot u een radiostation vindt waarnaar u wilt luisteren.
- Druk op OK om naar een radiostation te blijven luisteren.
Scanfunctie
SCAN laat u elk gevonden radiostation enkele seconden horen.
Type 1
- Druk op de MENU toets.
- Selecteer de modus RADIO en vervolgens SCAN.
- Gebruik de zoektoetsen om de geselecteerde frequentieband op- of neerwaarts af te zoeken.
- Druk op OK om naar een radiostation te blijven luisteren.
Type 2 en 3
- Druk op functietoets 3.
- Gebruik de zoektoetsen om de geselecteerde frequentieband op- of neerwaarts af te zoeken.
- Druk opnieuw op functietoets 3 of OK om naar een radiostation te blijven luisteren.
VOORKEUZETOETSEN
Met deze voorziening kunt u uw favoriete radiostations opslaan, zodat u later hierop direct kunt afstemmen door de juiste golfband te selecteren en de betreffende voorkeuzetoets in te drukken.
- Selecteer een golfband.
-
Stem af op het gewenste radiostation.
-
Houd een van de voorkeuzetoetsen ingedrukt. Er verschijnen een voortgangsbalk en een melding. Wanneer de voortgangsbalk vol is, is het radiostation opgeslagen. Tevens wordt ter bevestiging de geluidsweergave kort onderbroken.
Dit kan op elke golfband en voor iedere voorkeuzetoets worden herhaald.
N.B.: Wanneer u naar een ander deel van het land rijdt, wordt de informatie van FM en DAB radiostations die op een andere frequentie uitzenden en onder een voorkeuzetoets zijn opgeslagen, automatisch geactualiseerd met de correcte frequentie en stationsnaam voor dat gebied.
AUTOSTORE TOETS
N.B.: Autostore slaat maximaal de 10 sterkste beschikbare signalen op (AM- of FM-golfband) en overschrijft daarbij de eerder opgeslagen radiostations. Autostore kan, net als bij de andere golfbanden, ook worden gebruikt om radiostations handmatig op te slaan.
N.B.: Bij type 3 moet u FM AST of AM AST selecteren om deze functie te gebruiken.
•Houd functietoets 1 of de toets RADIO ingedrukt.
- Wanneer het zoeken is voltooid, wordt het geluid weer ingeschakeld en de sterkste signalen worden onder de voorkeuzetoetsen van Autostore opgeslagen.
REGELING FUNCTIE VERKEERSINFORMATIE
Veel radiostations die op de FM-band uitzenden hebben een TP-code die aanduidt dat deze verkeersinformatie uitzenden.
Verkeersberichten inschakelen
Voordat u verkeersberichten kunt ontvangen, moet u op de TA of TRAFFIC toets drukken. 'TA' verschijnt op de display om aan te duiden dat de functie is ingeschakeld.
Wanneer u reeds op een radiostation had afgestemd dat verkeersinformatie uitzendt, verschijnt ook 'TP' op de display. Anders gaat de unit zoeken naar een station dat verkeersinformatie uitzendt.
Wanneer verkeersinformatie wordt uitgezonden, wordt de normale weergave van radio of CD automatisch onderbroken en verschijnt 'TA - Traffic mededeling' op de display.
Wanneer met behulp van de voorkeuzetoetsen een radiostation wordt gekozen dat geen verkeersinformatie uitzendt, dan blijft het radiotoestel op dit station afgestemd, tenzij TA of TRAFFIC wordt uitgeschakeld en vervolgens weer wordt ingeschakeld.
N.B.: Als TA ingeschakeld is en u een voorkeuzetoets selecteert voor (of handmatig afstemt op) een radiostation dat geen verkeersinformatie (TA) uitzendt, dan hoort u geen verkeersinformatie.
N.B.: Wanneer u naar een radiostation luistert dat geen verkeersinformatie (TA) uitzendt en u TA uitschakelt en weer inschakelt, dan wordt er gezocht naar TP.
Volume van de verkeersberichten
Verkeersberichten onderbreken de normale geluidsweergave met een voorgeprogrammeerd volume dat gewoonlijk hoger is dan het gebruikelijke luistervolume.
Instellen van het voorgeprogrammeerde volume:
-Gebruik de volumeknop om het gewenste volume in te stellen tijdens een inkomende TA-uitzending. De display geeft het geselecteerde niveau weer.
Verkeersberichten beëindigen
Aan het einde van een verkeersbericht gaat de audio-installatie weer door met zijn normale werking. Om een verkeersbericht voortijdig af te breken, drukt u tijdens het verkeersbericht op TA of TRAFFIC.
N.B.: Indien op een ander tijdstip op TA of TRAFFIC wordt gedrukt, wordt de functie uitgeschakeld.
AUTOMATISCHE VOLUMEREGELING
Indien van toepassing, past de automatische volumeregeling (AVC) het geluidsvolume aan, om geluiden van de motor en het wegdek te compenseren.
- Druk op de MENU toets en kies AUDIO.
- Kies AVC LEVEL of ADAPTIVE VOL.
- Druk op de linker of rechter pijltjestoets om de instelling bij te stellen.
- Druk op de OK toets om uw keuze te bevestigen.
- Druk op de MENU toets om terug te gaan.
DSP voor bezette zitplaatsen
Deze functie houdt rekening met de verschillen in afstand tot de diverse luidsprekers in de auto ten opzichte van de zitplaatsen. Selecteer de zitplaats waarvoor het audiosignaal moet worden gecorrigeerd.
DSP-equalizer
Selecteer de muziekcategorie waarnaar u bij voorkeur luistert. Het audiosignaal verandert om de weergave van de specifiek gekozen muziekstijl te verbeteren.
DSP-instellingen wijzigen
- Druk op de MENU toets.
- Selecteer AUDIO of AUDIO SETTINGS.
- Blader naar de gewenste DSP-functie.
-
Druk op de pijltjestoetsen omhoog/omlaag om de gewenste instelling te selecteren.
-
Druk op de OK toets om uw keuze te bevestigen.
- Druk op de toets MENU om terug te keren.
NIEUWSBERICHTEN
Sommige radiotoestellen onderbreken de normale ontvangst voor nieuwsberichten van radiostations op de FM band of RDS of EON geschakelde stations op dezelfde wijze als bij verkeersberichten.
Tijdens nieuwsuitzendingen zal het display aangeven dat er een binnenkomend bericht is. Het nieuwsbericht onderbreekt de geluidsweergave met hetzelfde voorgeprogrammeerde volume als bij verkeersberichten.
- Druk op de MENU toets.
- Selecteer AUDIO of AUDIO SETTINGS.
- Scroll naar NEWS, in- of uitschakelen met de OK toets.
- Druk op de MENU toets om terug te gaan.
ALTERNATIEVE FREQUENTIES
Veel programma's die op de FM-band worden uitgezonden hebben een programma-identificatie (PI) code, die door de audio-installatie kan worden herkend.
Als bij uw radio AF is ingeschakeld en u rijdt vanuit het ene ontvangstgebied naar een ander, zoekt deze functie naar een krachtiger radiosignaal en stemt daarop af wanneer het wordt gevonden.
Onder bepaalde omstandigheden kan door het afstemmen op alternatieve frequenties (AF) de normale ontvangst tijdelijk worden onderbroken.
De installatie evalueert continu de signaalsterkte en, indien een beter signaal beschikbaar komt, schakelt de installatie over naar dat alternatief. De geluidsweergave wordt onderbroken terwijl het toestel de lijst met alternatieve frequenties controleert en, zo nodig, de golfband eenmaal afzoekt naar een alternatieve frequentie.
Wanneer een radiostation wordt gevonden wordt de weergave van het geluid hervat; wanneer er geen radiostation wordt gevonden, stemt het systeemautomatisch af op de oorspronkelijke frequentie.
Indien geselecteerd wordt 'AF' op het display weergegeven.
- Druk op de MENU toets.
- Selecteer AUDIO of AUDIO MENU.
- Blader naar ALTERNAT FREQ. of ALTERNATIVE FREQ. en schakel dit in of uit met de OK toets.
- Druk op de toets MENU om terug te keren.
De regionale modus (REG) regelt het gedrag van AF door tussen regionale netwerken van een hoofdzender te schakelen. Een zender kan over een groot netwerk beschikken dat in een groot gedeelte van het land te ontvangen is. Op verschillende tijden van de dag kan dit grote netwerk worden onderverdeeld in een aantal kleinere regionale netwerken, die bijvoorbeeld in grotere plaatsen of steden zijn gevestigd. Wanneer het netwerk niet in regionale zenders wordt opgesplitst, zendt het complete netwerk hetzelfde programma uit.
Regionale modus AAN: Dit voorkomt het schakelen naar andere regionale netwerken, die niet hetzelfde programma uitzenden.
Regionale modus OFF (uit): Hiermee kan een groter gebied worden ontvangen wanneer naburige regionale netwerken hetzelfde programma uitzenden, maar kan leiden tot overschakelen wanneer dit niet het geval is.
- Druk op de MENU toets.
- Selecteer AUDIO of AUDIO SETTINGS.
- Blader naar RDS REGIONAL en schakel dit in of uit met de toets OK.
- Druk op de toets MENU om terug te keren.
CD AFSPELEN
N.B.: Tijdens het afspelen wordt de CD, het nummer en de verstreken tijd van het nummer op het display weergegeven.
Druk tijdens radio-ontvangst eenmaal op de toets CD om de CD-weergave te starten.
Het afspelen start onmiddellijk wanneer een CD wordt geladen.
NUMMER SELECTEREN
- Druk eenmaal op de toets opwaarts zoeken om naar het volgende nummer te gaan of druk meerdere keren om naar de daaropvolgende nummers te gaan.
- Druk eenmaal op de toets neerwaarts zoeken om het huidige nummer te herhalen. Wanneer deze toets binnen twee seconden vanaf het begin van een nummer wordt ingedrukt, dan wordt het vorige nummer geselecteerd.
- Druk meerdere keren op de toets neerwaarts zoeken om voorafgaande nummers te selecteren.
- Druk op de pijltjestoetsen omhoog of omlaag en selecteer het gewenste nummer met de OK toets.
Type 2 en 3
Het gewenste nummer kan worden ingevoerd met de cijfertoetsen. Kies het gewenste nummer volledig (bijvoorbeeld 1 gevolgd door 2 voor nummer 12) of kies het nummer en druk direct op OK.
VERSNELD VOORUIT/ACHTERUIT
Houd de zoeken omlaag of omhoog toets ingedrukt om achteruit of vooruit binnen de nummers op de CD te gaan.
SHUFFLE/RANDOM (DOOR ELKAAR/WILLEKEURIG)
Door het willekeurig afspelen van nummers, ook wel bekend als "shuffle", worden alle opnames op de CD in willekeurige volgorde afgespeeld.
Type 1
- Druk op de toets MENU en selecteer CD MODE.
- Selecteer SHUFFLE waarna de functie kan worden in- of uitgeschakeld.
Wanneer een MP3-CD wordt afgespeeld, bestaan de opties uit SHUFFLE voor de hele CD of voor alle nummers in de map.
Type 2 en 3
Druk op functietoets 2.
N.B.: Wanneer een MP3-CD wordt afgespeeld, bestaan de opties uit SHUFFLE voor de hele CD of voor alle nummers in de map. Door meerdere keren op functietoets 2 te drukken wordt tussen deze opties gewisseld.
Gebruik de zoektoetsen omhoog/omlaag om desgewenst het volgende willekeurige nummer te selecteren.
CD-NUMMERS HERHALEN
Type 1
-
Druk op de toets MENU en selecteer CD MODE.
-
Selecteer REPEAT waarna de functie kan worden in- of uitgeschakeld. Het nummer wordt na afloop herhaald.
Wanneer een MP3-CD wordt afgespeeld, bestaan de opties uit HERHALEN van het nummer of van alle nummers in de map.
Type 2 en 3
Druk op functietoets 1.
Wanneer een MP3-CD wordt afgespeeld, bestaan de opties uit HERHALEN van het nummer of van alle nummers in de map. Door meerdere keren op functietoets 1 te drukken wordt tussen deze opties gewisseld.
CD-NUMMERS SCANNEN
Met de functie SCAN kunt u van elk nummer circa 5 seconden laten afspelen.
Type 1
Er zijn verschillende scanmodi mogelijk, afhankelijk van het type CD dat wordt afgespeeld.
- Druk op de toets MENU en selecteer CD MODE.
- Selecteer SCAN waarna de functie kan worden in- of uitgeschakeld.
N.B.: Wanneer een MP3-CD wordt afgespeeld, bestaan de opties uit SCANNEN van de hele CD of van alleen de nummers in de map.
- Druk op de toets OK om de scanmodus te stoppen.
Type 2 en 3
- Druk op functietoets 3.
N.B.: Wanneer een MP3-CD wordt afgespeeld, bestaan de opties uit SCANNEN van de hele CD of van alleen de nummers in de map. Door meerdere keren op functietoets 3 te drukken wordt tussen deze opties gewisseld.
- Druk op functietoets 3 om de scanmodus te stoppen.
N.B.: Sommige audiobestanden met een kopieerbeveiliging kunnen wellicht niet worden gelezen door de CD-speler.
De CD-speler ondersteunt tevens audiobestanden van het formaat MP3 en WMA.
Wanneer een CD met audio in de CD-speler wordt geplaatst, wordt de mapstructuur van de CD ingelezen. Het kan even duren voordat wordt begonnen met afspelen (afspelen is afhankelijk van de kwaliteit van de CD).
MP3 nummers kunnen op verschillende manieren op een CD worden opgenomen. Ze kunnen allemaal in de hoofdmap worden geplaatst, net als bij een normale audio-CD, of ze kunnen in een bepaalde map worden geplaatst, die bijvoorbeeld bedoeld is voor een album, een artiest of een bepaald genre.
Een multi session CD afspelen
De normale afspeelvolgorde bij CD's met meerdere mappen is eerst de nummers in de bovenliggende map, dan de nummers in de eerste onderliggende map, vervolgens de nummers in de tweede onderliggende map, etc. Wanneer bijvoorbeeld folder 1 de folders 1a en 1b bevat, en folder 2 bevat folder 2a, is de afspeelvolgorde folder 1, 1a, 1b, 2, 2a.
Wanneer het afspelen van een bestand is voltooid, wordt verder gegaan met het afspelen van de andere bestanden in dezelfde map. De map wordt automatisch gewijzigd wanneer alle bestanden in de huidige map zijn afgespeeld.
MP3 WEERGAVE-OPTIES
Wanneer een MP3-CD wordt afgespeeld, kan bepaalde informatie die gecodeerd in elke opname is opgenomen, worden weergegeven. Deze informatie omvat meestal:
- De bestandsnaam
- De naam van de map
- ID3 informatie die op het album kan staan of de naam van de artiest.
Gewoonlijk wordt de naam van het bestand dat wordt afgespeeld weergegeven. Druk om een van de andere informatie-items te selecteren herhaaldelijk op de INFO toets tot het benodigde item wordt weergegeven in de display.
N.B.: Wanneer de gekozen ID3 informatie niet beschikbaar is, verschijnt NO MP3 TAG op het display.
Opties weergave CD tekst
Wanneer een audio CD met CD tekst wordt afgespeeld, kan een beperkte hoeveelheid informatie, die aan elk nummer is toegevoegd, worden weergegeven. Deze informatie omvat meestal:
- De naam van de CD
- De naam van de artiest
- De naam van het nummer.
N.B.: Deze display-opties kunnen op dezelfde wijze worden gekozen als bij MP3 CD's. NO DISC NAME of NO TRACK NAME wordt weergegeven in de display als geen informatie is gecodeerd.
AFSPELEN CD BEËINDIGEN
Om de radioweergave bij alle typen te hervatten:
•Druk de RADIO toets in.
N.B.: Hierdoor wordt niet de CD uitgeworpen; het weergeven van de CD wordt alleen onderbroken op de plaats waar de weergave van de radio werd hervat.
Druk nogmaals op de CD toets om het afspelen van de CD te hervatten.
N.B.: Stel voor optimale prestaties bij het afspelen van een extra apparaat het volume daarvan hoog. Hierdoor worden storingen gereduceerd wanneer het apparaat wordt aangesloten op de aansluiting voor de sigarenaansteker in de auto.
Via de extra ingang (AUX IN), indien aanwezig, kan een extra apparaat zoals een MP3-speler op de audio-installatie van de auto worden aangesloten. Het geluid kan via de luidsprekers in de auto worden weergegeven.
Sluit het extra apparaat met conventionele 3,5 mm audiostekkers aan op de AUX IN aansluiting.
Selecteer de extra ingang met de toets AUX en het geluid wordt weergegeven via de luidsprekers in de auto. Op het display van de audiounit verschijnt LINE IN of LINE IN ACTIVE. Volume, hoge en lage tonen kunnen zoals gewoonlijk via de audio-installatie worden ingesteld.
De toetsen van de audio-installatie kunnen tevens worden gebruikt om de weergave van de audio-installatie te hervatten terwijl het extra apparaat aangesloten blijft.
| RectificatieDisplay van de audio-in | |
| CONTROLEER CD | Algemeen bericht voor storingen tijdens het afspelen van een CD, zoals 'cannot read the CD' (kan CD niet lezen), 'data-CD inserted' (data-CD aangebracht), enz. Controleer of de CD is aangebracht met de juiste zijde naar boven is gekeerd. Reinig de CD of reinig deze opnieuw of vervang de CD door een exemplaar met voor u bekende muziek. Neem contact op met uw dealer wanneer de storing blijft bestaan. |
| STORING CD-LOOPWERK | Algemeen bericht voor storingen tijdens het afspelen van een CD, zoals een mogelijke storing in het mecha-nisme. |
| CD-DRIVE TE WARM | Omgevingstemperatuur te hoog – CD-speler werkt niet tot deze is afgekoeld. |
| IPOD FOUT BIJ LEZEN APPA-RAAT | Algemeen bericht voor storingen tijdens het afspelen van een iPod, zoals het niet kunnen lezen van de data. Zorg dat de iPod correct is geplaatst. Neem contact op met uw dealer wanneer de storing blijft bestaan. |
ALGEMENE INFORMATIE
LET OP

Door gebruik van het systeem bij uitgeschakelde motor wordt de accu ontladen.
In dit hoofdstuk worden de functies en eigenschappen van het handsfree systeem voor de Bluetooth mobiele telefoon beschreven.
Het Bluetooth mobiele telefoongedeelte van het systeem zorgt voor de interactie tussen de audio-installatie of het navigatiesysteem en uw mobiele telefoon. Het zorgt ervoor dat u uw audio-installatie of het navigatiesysteem kunt gebruiken voor het ontvangen van telefoongesprekken zonder daarbij uw mobiele telefoon vast te houden.
Compatibiliteit van telefoontoestellen
LET OP

Omdat er geen algemene overeenkomst bestaat, kunnen fabrikanten van mobiele telefoons groot aantal profielen in hun Bluetooth araten implementeren. Daardoor is het gelijk dat een telefoon niet compatible een handsfree systeem is, waardoor ommige gevallen de prestaties van het seem aanzienlijk worden beperkt. Om ve voorkomen moeten alleen bevolen telefoons worden gebruikt.
Bezoek de website
www.ford-mobile-connectivity.com
voor volledige gegevens.
SETUP BLUETOOTH
Voordat u uw telefoon kunt gebruiken moet deze worden gekoppeld aan het telefoonsysteem in de auto.
Telefoons bedienen
Er kunnen maximaal zes Bluetooth apparaten aan het systeem in de auto worden gekoppeld.
N.B.: Wanneer met de telefoon die als de nieuwe actieve telefoon wordt geselecteerd een gesprek wordt gevoerd, wordt het gesprek doorgeschakeld naar het audiosysteem in de auto.
N.B.: Zelfs wanneer uw telefoon aan een systeem in de auto is gebonden, kan deze nog op de gebruikelijke wijze worden gebruikt.
Eisen voor een Bluetooth verbinding
Het volgende is vereist voordat met een Bluetooth telefoon een verbinding tot stand kan worden gebracht.
-
De Bluetooth functie moet op de telefoon en op het audiosysteem zijn ingeschakeld. Zorg ervoor dat de menu-optie Bluetooth in de audiounit op AAN is ingesteld. Raadpleeg voor meer informatie over telefooninstellingen de handleiding van uw mobiele telefoon.
-
Zoek in het Bluetooth menu van uw telefoon naar Ford Audio en selecteer deze optie.
-
Voer het op de voertuigdisplay weergegeven codenummer in met behulp van de toetsen van de telefoon. Wanneer geen codenummer wordt weergegeven op de display, voer dan het Bluetooth PIN nummer 0000 in met behulp van de toetsen van de telefoon. Voer nu het op de voertuigdisplay weergegeven Bluetooth PIN-nummer in.
- Als de mobiele telefoon om goedkeuring van de automatische verbinding vraagt, selecteer dan JA.
N.B.: Als de audiounit wordt uitgeschakeld, wordt een telefoongesprek verbroken. Wanneer de contactsleutel in de stand '0' wordt gezet, blijft de telefoonverbinding behouden.
SETUP TELEFOON
Telefoonboek
N.B.: Wellicht moet toegang tot het telefoonboek via het Bluetooth systeem worden bevestigd via de mobiele telefoon.
Na het opstarten kan het al naar gelang de grootte enkele minuten duren voordat u toegang tot de telefoonboeklijst krijgt.
Telefoonboekcategorieën
De categorie wordt als pictogram weergegeven:

Telefoon

Mobiel

Thuis

Kantoor
Van een telefoon een actieve telefoon maken
N.B.: Wanneer met de telefoon die als de nieuwe actieve telefoon wordt geselecteerd een gesprek wordt gevoerd, wordt het gesprek doorgeschakeld naar het audiosysteem in de auto.
Wanneer het systeem voor het eerst wordt gebruikt, zijn er nog geen telefoons gekoppeld met het systeem.
Na het inschakelen van het contact en de audiounit moet de Bluetooth telefoon aan het systeem worden gekoppeld. Zie Setup Bluetooth (bladzijde 276).
Nadat een Bluetooth telefoon bij het systeem is aangemeld, wordt deze de actieve telefoon. Raadpleeg voor meer informatie het menu van de telefoon.
Selecteer de telefoon in het menu van de actieve telefoon.
Wanneer het contact en de radio weer wordt aangezet, wordt de verbinding met de laatst actieve telefoon door het systeem hersteld.
N.B.: In sommige gevallen moet de Bluetooth verbinding ook op de telefoon worden bevestigd.
Een andere Bluetooth telefoon aanmelden
Koppel een nieuwe Bluetooth telefoon zoals is beschreven onder 'Eisen voor een Bluetooth verbinding'.
Telefoons die in het systeem zijn opgeslagen zijn met behulp van de telefoonlijst op de audiounit toegankelijk.
N.B.: Er kunnen maximaal zes apparaten worden gekoppeld. Als er al zes Bluetooth apparaten zijn gekoppeld, moet er één worden ontkoppeld om een nieuw apparaat te kunnen koppelen.
BEDIENINGSELEMENTEN TELEFOON
Afstandsbediening

N.B.: Raadpleeg de handleiding van de audio-unit voor meer informatie over de bedieningsorganen. Zie Overzicht audio-installatie (bladzijde 257).
N.B.: U kunt het telefoonmenu verlaten door te drukken op de toets CD, RADIO of AUX.
N.B.: Indien er naar wordt verwezen kunnen de pijltjestoetsen omhoog/omlaag, de toetsen omhoog/omlaag zoeken en de OK toets worden gebruikt op het stuur of de audio-unit.
In dit hoofdstuk worden de telefoonfuncties van de audio-unit beschreven.
Er moet een actieve telefoon aanwezig zijn. Zelfs wanneer uw telefoon op de audio-unit is aangesloten, kan de telefoon op de gebruikelijke wijze worden gebruikt.
Bellen
Een nummer kiezen m.b.v. spraakbesturing
Telefoonnummers kunnen m.b.v. spraakbesturing worden gekozen. Zie Commando's telefoon (bladzijde 290).
Een nummer kiezen m.b.v. het adresboek
-
Druk op de toets PHONE.
-
Druk op de pijltjestoetsen omhoog/omlaag tot PHONEBOOK wordt weergegeven.
-
Druk op de toets OK.
N.B.: U kunt tevens het telefoontoetsenblok gebruiken om de eerste letter van de gewenste invoer te selecteren. Druk herhaaldelijk op het betreffende nummer dat overeenkomt met de letter tot de gewenste letter wordt weergegeven.
- Druk op de omhoog/omlaag-pijltjestoetsen om het gewenste telefoonnummer te selecteren.
N.B.: Houd de pijltjestoetsen omhoog/omlaag ingedrukt om voor- of achterwaarts te gaan in het telefoonboek.
- Druk op de toets OK om het geselecteerde telefoonnummer te kiezen.
Een nummer kiezen m.b.v. het telefoontoetsenblok
-
Druk op de toets PHONE.
-
Kies het nummer met het toetsenbord op de audio-unit.
- Druk op de toets OK.
N.B.: Als u bij het kiezen van een telefoonnummer een onjuist cijfer intoetst, druk dan op functietoets 3 om het laatste cijfer te wissen. Wanneer de toets lang wordt ingedrukt, wordt de complete serie cijfers gewist.
Een gesprek beëindigen
Geprekken kunnen worden beeindigd door:
- te drukken op de toets omhoog zoeken.
- te drukken op de OK toets.
- te drukken op functietoets 4.
Een nummer herhalen
- Druk op de toets PHONE.
- Druk op de pijltjestoetsen omhoog/omlaag tot CALL LISTS wordt weergegeven.
- Druk op de toets OK.
N.B.: Indien de actieve telefoon niet over een lijst met eerder gekozen nummers beschikt, kan het laatst gekozen nummer opnieuw worden gekozen.
- Druk op de toetsen omhoog/omlaag om de gewenste lijst met gekozen nummers te selecteren.
- Druk op de toets OK.
- Druk op de omhoog/omlaag-pijltjestoetsen om het gewenste telefoonnummer te selecteren.
- Druk op de toets OK.
Laatst gekozen nummer opnieuw opbellen
- Druk op de toets PHONE.
-
Druk op de pijltjestoetsen omhoog/omlaag tot REDIAL wordt weergegeven.
-
Druk op de toets OK.
Een inkomend gesprek ontvangen
Een inkomend gesprek beantwoorden
Inkomende gesprekken kunnen worden beantwoord door op de toets omlaag zoeken of de OK toets te drukken.
Een inkomend gesprek weigeren
Inkomende oproepen kunnen worden geweigerd door:
• te drukken op de toets omhoog zoeken, of
- te drukken op de pijltjestoets omlaag om REJECT te markeren en vervolgens te drukken op de OK toets.
Een tweede oproep ontvangen
N.B.: De functie tweede inkomend gesprek op uw telefoon moet zijn geactiveerd.
Wanneer er tijdens een gesprek een inkomend gesprek binnenkomt, klinkt er een 'piep' en kunt u het actieve gesprek in de wachtstand plaatsen en het tweede inkomende gesprek beantwoorden.
Een tweede inkomend gesprek beantwoorden
N.B.: Het eerste inkomende gesprek wordt verbroken en vervangen door het tweede inkomende gesprek.
Tweede inkomende gesprekken kunnen worden beantwoord door op de toets omlaag zoeken op het stuur of de audio-unit of de OK toets op de audio-unit te drukken.
Een tweede inkomend gesprek weigeren
Tweede inkomende gesprekken kunnen worden geweigerd door:
- te drukken op de toets omhoog zoeken, of
- te drukken op de pijltjestoets omlaag om REJECT te markeren en vervolgens te drukken op de OK toets.
Tweede inkomende gesprekken kunnen worden geweigerd door te drukken op functietoets 4.
Microfoon dempen
N.B.: Het is mogelijk om tijdens een gesprek de microfoon te dempen. Tijdens het dempen verschijnt er een bevestiging op het display.
Druk op functietoets 1. Druk nogmaals op de toets om deze functie uit te schakelen.
Van actieve telefoon veranderen
N.B.: Voordat telefoons kunnen worden geactiveerd moeten ze bij het systeem worden aangemeld.
N.B.: Nadat een telefoon aan het systeem is gekoppeld, wordt deze de actieve telefoon.
- Druk op de toets PHONE.
- Druk op de toetsen omhoog/omlaag tot SELECT PHONE wordt weergegeven.
- Druk op de toets OK.
- Blader met de toetsen omhoog/omlaag door de verschillende opgeslagen telefoons om de gekoppelde telefoons weer te geven.
- Druk op de toets OK om de telefoon te selecteren die de actieve telefoon moet worden.
Actieve telefoon afmelden
Een actieve telefoon kan op elk gewenst moment uit het systeem worden gewist, behalve wanneer met deze telefoon een gesprek wordt gevoerd.
- Druk op de toets PHONE.
- Druk op de toetsen omhoog/omlaag tot SELECT PHONE wordt weergegeven.
- Druk op de toets OK.
- Druk op de toetsen omhoog/omlaag om de gewenste telefoon te markeren.
- Druk op functietoets 1.
WERKING
LET OP

Door gebruik van het systeem bij uitgeschakelde motor wordt de accu ontladen.
Met spraakbesturing kunt u het systeem bedienen zonder dat uw aandacht van de weg wordt afgeleid om bijvoorbeeld instellingen te veranderen of om reacties van het systeem te lezen.
Wanneer u bij geactiveerd systeem één van de gedefinieerde spraaklabels gebruikt, zet het spraakbesturingssysteem uw spraaklabel om in een bedieningssignaal voor het systeem. Uw spraaklabels nemen de vorm aan van dialogen of commando's. U wordt door mededelingen of vragen door deze dialogen geleid.
Maak uzelf vertrouwd met de functies van het systeem voordat u het spraakherkenningsysteem gaat gebruiken.
Ondersteunde commando's
Met het spraakbesturingssysteem kunt u de volgende systemen in de wagen bedienen:
- Bluetooth telefoon
·radio
-CD-speler
-extern apparaat (USB) - extern apparaat (iPod)
- automatische klimaatregeling
Reactie van het systeem
Wanneer u een gesproken commando geeft, antwoordt het systeem telkens met een piep wanneer het gereed is om door te gaan.
Probeer geen nieuwe commando's te geven voordat u de piep hebt gehoord. Het spraakbesturingssysteem herhaalt elk gesproken commando.
Wanneer u niet precies weet hoe u moet doorgaan, zeg dan "HELP" voor hulp of "CANCEL" wanneer u niet wilt doorgaan.
De "HELP" functie biedt u alleen een verzameling van de beschikbare commando's. Een gedetailleerde uitleg over alle mogelijke gesproken commando's kunt u op de volgende bladzijden vinden.
Gesproken commando's
Alle commando's moeten op natuurlijke wijze worden uitgesproken, alsof u tot een passagier spreekt of een telefoongesprek voert. Uw stemvolume moet afhankelijk zijn van omgevingsgeluiden in of buiten de auto, maar schreeuw niet.
Werking van het systeem
De volgorde en de inhoud van de spraaklabels zijn in de volgende lijst weergegeven. De tabel toont de volgorde van de spraaklabels van de gebruiker en de reacties van het systeem die voor iedere functie beschikbaar zijn.
<-> duidt een nummer of opgeslagen spraaklabel aan, die door de gebruiker moet worden opgeslagen.
Short cuts
Er zijn een aantal gesproken woorden (short cuts) mogelijk, waarmee u enkele functies van de auto kunt regelen zonder het complete commandomenu te hoeven volgen. Dit zijn:
•Telefoon: NAAM BELLEN, NUMMER (DRAAIEN | BELLEN) en OPNIEUW (DRAAIEN|BELLEN) | NUMMER HERHALEN.
•Telefoon: VOORNAAM, ACHTERNAAM, LOCATIE BELLEN. Voorbeeld: Fred Bloggs thuis bellen.
- Automatische klimaatregeling:
TEMPERATUUR, AUTO MODUS | AUTOMATISCH, ONTDOOIEN AAN, RUITVERWARMING AAN, ONTDOOIEN UIT EN RUITVERWARMING UIT.
•Radio: TITEL TUNE | STATIONSNAAM.
- Extern apparaat (USB en iPod): TRACK | TITEL [NUMMER].
Communicatie met het systeem starten
Voordat u kunt beginnen met het systeem toe te spreken moet u voor iedere handeling eerst op de VOICE toets drukken en wachten tot het systeem met een piep antwoordt. Zie Spraaksturing (bladzijde 46).
Druk de toets opnieuw in om de spraakbesturing uit te schakelen.
Spraaklabel
Het spraaklabel kan de telefoon, de audio-installatie en het navigatiesysteem ondersteunen door gebruik te maken van de "STORE NAME" functie (naam opslaan). U kunt spraaklabels toewijzen aan items zoals favoriete radiozenders en persoonlijke telefooncontacten. Zie
Commando's audio-unit (bladzijde 282). Zie Commando's telefoon (bladzijde 290).
- Sla maximaal 20 actieve spraaklabels per functie op.
- De gemiddelde opnametijd per spraaklabel bedraagt ongeveer 2 tot 3 seconden.
COMMANDO'S AUDIO-UNIT
CD-speler
U kunt het afspelen direct met spraakbesturing bedienen.
Overzicht
Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu aan de hand van gekozen voorbeelden.
* Kan als short cut worden gebruikt.
** Alleen beschikbaar als de CD audiogegevensbestanden bevat, zoals MP3.
Muzieknummer
U kunt direct een muzieknummer op de CD kiezen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "CD PLAYER""CD PLAYER"1 | ||
| 2 | "TRACK"* | "TRACK NUMBER PLEASE" |
| 3 | ""** | "TRACK" |
* Kan als short cut worden gebruikt.
** Getallen kunnen ook als max. vier losse cijfers worden uitgesproken (bijv. "2", "4", "5" voor muzieknummer 245)
Shuffle alles
Random afspelen instellen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "CD PLAYER""CD PLAYER"1 | ||
| "SHUFFLE ALL"2 |
Radio
De gesproken commando's ondersteunen de radiofuncties en u kunt met Voice Control op radiostations afstemmen.
Overzicht
Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu.
* Kan als short cut worden gebruikt.
Afstemfrequentie
Met deze functie kunt u met gesproken commando's afstemmen op radiostations.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "RADIO""RADIO"1 | ||
| "AM FREQUENCY PLEASE""AM"2 | ||
| "FM FREQUENCY PLEASE""FM" | ||
| 3 | "* | "TUNE" |
* De frequentie kan op verschillende manieren worden ingevoerd. Raadpleeg onderstaande voor representatieve voorbeelden.
FM-golflente: 87,5 - 108,0 in stappen van 0,1
- "Eighty nine point nine" (89,9)
- "Ninety" (90,0)
AM/MW-golflengte: 531 - 1602 in stappen van 9
AM/LW-golflengte: 153 - 281 in stappen van 1
Wanneer u op een radiostation hebt afgestemd, kunt u deze met een naam in het bestand opslaan.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "RADIO""RADIO"1 | ||
| "STORE NAME""STORE NAME""NAME PLEASE" | ||
| "REPEAT NAME PLEASE"" | ||
| "STORING NAME"""4"STORED" |
Afstemmen op naam
Met deze functie kunt u op een opgeslagen radiostation afstemmen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "RADIO""RADIO"1 | ||
| 2 | "TUNE NAME"* | "NAME PLEASE" |
| "TUNE<naam>"""<naam>"3 |
* Kan als short cut worden gebruikt.
Naam wissen
Met deze functie kunt u een opgeslagen radiostation wissen
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "RADIO""RADIO"1 | ||
| "NAME PLEASE""DELETE NAME | ||
| "DELETE<naam>"""3 |
Spraksturing
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "CONFIRM YES OR NO" | ||
| "DELETED""YES"4 | ||
| "COMMAND CANCELLED""NO" |
Bestand afspelen
Met deze functie kunt u het systeem alle opgeslagen radiostations laten opnoemen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "RADIO""RADIO"1 | ||
| "PLAY" "PLAY DIRECT( |
Bestand wissen
Met deze functie kunt u alle opgeslagen radiostations wissen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "RADIO""RADIO"1 | ||
| "DELETE DIRECTORY""DELETE DIREC"CONFIRM YES OR NO" | ||
| "RADIO DIRECTORY DELETED""YES"3 | ||
| "COMMAND CANCELLED""NO" |
Afspelen
Met deze functie schakelt de audiobron over op de radiomodus.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "RADIO""RADIO"1 | ||
| "PLAY"2 |
Spraaksturing
Auxiliary ingang
Met deze functie laat u de audiobron overschakelen op het aangesloten apparaat met auxiliary ingang.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "EXTERNAL DEVICE""EXTERNAL I | ||
| "LINE IN""LINE IN"2 |
Externe apparaten - USB
Deze gesproken commando's ondersteunen de functionaliteit van een extern USB-apparaat dat op de audiounit kan worden aangesloten.
Overzicht
Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu aan de hand van gekozen voorbeelden.
* Kan als short cut worden gebruikt.
** Aan door spraakbesturing geactiveerde afspeellijsten en mappen moeten specifieke bestandsnamen worden toegewezen. Zie Algemene informatie (bladzijde 298).
Afspelen USB Met deze functie laat u de audiobron
overschakelen op het aangesloten USB-apparaat.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "EXTERNAL DEVICE""EXTERNAL DEV | ||
| "USB""USB"2 | ||
| "PLAY"3 |
USB-muzieknummer
U kunt direct een muzieknummer op het USB-apparaat kiezen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "EXTERNAL DEVICE""EXTERNAL DEV | ||
| "USB""USB"2 | ||
| "TRACK NUMBER PLEASE""TRACK"3 | ||
| 4 | ""** | "TRACK" |
* Getallen kunnen ook als max. vier losse cijfers worden uitgesproken (bijv. "2", "4", "5" voor muzieknummer 245)
Externe apparaten - iPod
Deze gesproken commando's ondersteunen de functionaliteit van een iPod die op de audiounit kan worden aangesloten.
Overzicht
Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu aan de hand van gekozen voorbeelden.
| "EXTERNAL DEVICE", "IPOD" |
| "HELP" |
| "PLAY" |
| "TRACK"* |
| "PLAYLIST"** |
Spraaksturing
* Kan als short cut worden gebruikt.
** Aan door spraakbesturing geactiveerde afspeellijsten moeten specifieke bestandsnamen worden toegewezen. Zie Algemene informatie (bladzijde 298).
iPod-muzieknummer
U kunt direct een muzieknummer op de iPod kiezen in de lijst met alle titels.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "EXTERNAL DEVICE""EXTERNAL I | ||
| "IPOD""IPOD"2 | ||
| 3 | "TRACK"* | "TRACK NUMBER PLEASE" |
| 4 | "" | "TRACK |
* Kan als short cut worden gebruikt.
** Getallen kunnen ook als max. vijf losse cijfers worden uitgesproken (bijv. "5", "2", "4", "5", "3" voor muzieknummer 52453) tot een grenswaarde van 65535.
Afspeellijst iPod
U kunt direct een afspeellijst in de iPod kiezen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "EXTERNAL DEVICE""EXTERNAL DEV | ||
| "IPOD""IPOD"2 | ||
| 3 | "PLAYLIST"* | "PLAYLIST NUMBER PLEASE" |
| "PLAYLIST"""getal tus |
* Aan door spraakbesturing geactiveerde afspeellijsten moeten specifieke bestandsnamen worden toegewezen. Zie Algemene informatie (bladzijde 298).
COMMANDO'S TELEFOON
Telefoon
Met uw telefoonsysteem kunt u een extra telefoonboek aanleggen. De opgeslagen nummers kunnen met behulp van Voice Control worden gekozen.
Telefoonnummers, die met behulp van Voice Control zijn opgeslagen, worden in het systeem van de auto opgeslagen en niet in dat van uw telefoon.
Overzicht
Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu aan de hand van gekozen voorbeelden.
* Kan als short cut worden gebruikt.
Telefoonfuncties
Nummer kiezen
Nadat het spraaklabel is uitgesproken kunnen telefoonnummers worden gekozen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "TELEFOON""TELEFOON"1 | ||
| 2 | "DIAL NUMBER"* | "NUMBER PLEASE" |
| "<telefoonnummer>"<telefoonnu CONTINUE?" | ||
| "DIALLING""DIAL"4 | ||
| "CORRECTION" | "<laatste deel van nummer herhalen>CONTINUE?" |
* Kan als short cut worden gebruikt.
Naam kiezen
Nadat het spraaklabel is uitgesproken kunnen telefoonnummers worden gekozen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "TELEFOON""TELEFOON"1 | ||
| 2 | "DIAL NAME"* | "NAME PLEASE" |
| "DIAL<naam>"""3"CONFIRM YES OR NO" | ||
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "DIALLING""YES"4 | ||
| "COMMAND CANCELLED""NO" |
* Kan als short cut worden gebruikt.
Nummer herhalen
Deze functie maakt het mogelijk het laatst gekozen nummer te herhalen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "TELEFOON""TELEFOON"1 | ||
| 2 | "REDIAL"* | "REDIAL" "CONFIRM YES OR NO" |
| "DIALLING""YES"3 | ||
| "COMMAND CANCELLED""NO" |
* Kan als short cut worden gebruikt.
Naam mobiele telefoon
Met deze functie kunt u met een spraaklabel toegang krijgen tot de in uw mobiele telefoon opgeslagen telefoonnummers.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "TELEFOON""TELEFOON"1 | ||
| 2 | "MOBILE NAME"* | "MOBILE NAME"" |
* Kan als short cut worden gebruikt.
DTMF ('Tone' instelling)
Met deze functie worden gesproken getallen in DTMF-tonen omgezet. Voor bijvoorbeeld het op afstand bedienen van het antwoordapparaat bij u thuis of voor het invoeren van PIN-nummer, enz.
N.B.: DTMF kan alleen worden gebruikt tijdens een telefoongesprek. Bedien de toets VOICE en wacht op de systeemprompt.
Kan alleen worden gebruikt op auto's met een aparte toets VOICE.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "NUMBER PLEASE"1 | ||
| 2 | "<cijfers 1 tot en met 9, nul, hekje, sterretje>" |
Een telefoonboek aanleggen
Naam opslaan
Nieuwe spraaklabels kunnen worden opgeslagen met het commando "STORE NAME". Deze functie kan worden gebruikt voor het kiezen van een nummer door de naam in plaats van het complete telefoonnummer uit te spreken.
| Systeem antwoordtGebruiker zegl | ||
| "TELEFOON""TELEFOON"1 | ||
| "STORE NAME""STORE NAME""NAME PLEASE" | ||
| "REPEAT NAME PLEASE""": | ||
| "STORING NAME""4"STORED"NUMBER PLEASE" | ||
| "": | ||
| "STORING NUMBER""STORE"6""NUMBER STORED" |
Naam wissen
Opgeslagen namen kunnen ook uit het bestand worden gewist.
Spraksturing
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "TELEFOON""TELEFOON"1 | ||
| "NAME PLEASE""DELETE NAME"2 | ||
| "DELETE<naam>"""3"CONFIRM YES OR NO" | ||
| ""DELETED""YES"4 | ||
| "COMMAND CANCELLED""NO" |
Bestand afspelen
Gebruik deze functie om het systeem alle opgeslagen namen en nummers te laten opnoemen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "TELEFOON""TELEFOON"1 | ||
| "PLAY DIRECTORY""PLAY DIRECTO |
Bestand wissen
Met deze functie kunt u alle ingevoerde gegevens in één keer wissen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "TELEFOON""TELEFOON"1 | ||
| "DELETE DIRECTORY""DELETE DIRECT"CONFIRM YES OR NO" | ||
| "DIRECTORY DELETED""YES"3 | ||
| "COMMAND CANCELLED""NO" |
Spraaksturing
Hoofdinstellingen
Oproepen weigeren
Oproepen kunnen zo worden ingesteld dat ze met spraakbesturing automatisch worden geweigerd.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "TELEFOON""TELEFOON"1 | ||
| "REJECT CALLS""REJECT CALLS | ||
| "ACCEPT CALLS"f | "ACCEPT CALLS" |
* schakel met dit commando de modus 'weigeren' uit
COMMANDO'S KLIMAATREGELING
Airconditioning
Met gesproken commando's voor de klimaatregeling kunnen het aanjagertoerental, de temperatuur en de modus worden ingesteld. Niet alle functies zijn in alle autotypen beschikbaar.
Overzicht
Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu aan de hand van gekozen voorbeelden.
| "CLIMATE" |
| "HELP" |
| "FAN"* |
| "DEFROSTING/DEMISTING ON"# |
| "DEFROSTING/DEMISTING OFF"* |
| "TEMPERATURE"* |
| "AUTO MODE"* |
* Kan als short cut worden gebruikt. Bij auto's met een Engelse taalmodule is de short cut "FAN" niet beschikbaar.
Aanjager
Met deze functie kunt u het aanjagertoerental instellen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "CLIMATE""CLIMATE"1 | ||
| 2 | "FAN"a | "FAN SPEED PLEASE" |
| 3 | "FAN MINIMUM""MINIMUM" | |
| "FAN<getal>""" | ||
| "FAN MAXIMUM""MAXIMUM" |
* Kan als short cut worden gebruikt. Bij auto's met een Engelse taalmodule is de short cut "FAN" niet beschikbaar.
Ontdooien/ontwasemen
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "CLIMATE""CLIMATE"1 | ||
| 2 | "DEFROSTING ON/DEMISTING ON"* | "DEFROSTING ON/DEMISTING ON" |
| "DEFROSTING OFF/DEMISTING OFF"* | "DEFROSTING OFF/DEMISTING OFF" |
* Kan als short cut worden gebruikt.
Temperatuur
Met deze functie kunt u de temperatuur instellen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "CLIMATE""CLIMATE"1 | ||
| 2 | "TEMPERATURE"* | "TEMPERATURE PLEASE" |
| "TEMPERATURE MINIMUM""MINIMUM"3 |
Spraaksturing
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| " " of " " | "TEMPERATURE " | |
| "TEMPERATURE MAXIMUM""MAXIML |
* Kan als short cut worden gebruikt.
Automatische functie
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "CLIMATE""CLIMATE"1 | ||
| 2 | "AUTO MODE"* | "AUTO MODE" |
* Kan als short cut worden gebruikt. Kan worden uitgeschakeld door een andere temperatuur of een ander aanjagertoerental in te stellen.
ALGEMENE INFORMATIE
LET OP
Ga voorzichtig te werk bij het omgaan met externe apparaten met blootliggende stekkers (zoals de USB-plug). Vervang altijd de beschermkap/beschermplaat (indien mogelijk). Er bestaat kans op elektrostatische ontlading, wat tot schade aan het apparaat kan leiden.
Raak de USB-aansluiting in de auto niet aan of voer er geen werkzaamheden aan uit. Dek de aansluiting af wanneer deze niet wordt gebruikt.
Maak alleen gebruik van USB-massaopslagapparaten.
Zet de audio-unit altijd op een andere bron (bijvoorbeeld de radio) alvorens het USB-apparaat te ontkoppelen.
! Breng geen USB-hubs of -splitters aan.
N.B.: Het systeem is alleen ontworpen voor het herkennen en lezen van geschikte audiobestanden van een USB-apparaat dat voldoet aan de klasse voor USB-massaopslagapparaten of een iPod. Er kan niet worden gegarandeerd dat alle beschikbare USB-apparaten met het systeem kunnen worden gecombineerd.
N.B.: Er kan gebruik worden gemaakt van compatibele apparaten met een USB-adapterkabel en apparaten die rechtstreeks kunnen worden aangesloten op de USB-aansluiting van de auto (bijvoorbeeld USB-geheugensticks en Pen Drives).
N.B.: Het kan voorkomen dat sommige USB-apparaten met een hoger stroomverbruik incompatibel zijn (bijvoorbeeld sommige grotere harde schijven).
N.B.: De toegangstijd voor het lezen van de bestanden van het externe apparaat variëren afhankelijk van factoren zoals de bestandsstructuur, de grootte van het bestand en de inhoud van het apparaat.
Het systeem ondersteunt een aantal externe apparaten voor een volledige integratie met de audio-unit via de USB-aansluitingen en extra aansluitingen. Eenmaal aangesloten kan het externe apparaat worden aangestuurd via de audio-unit.
Hieronder staat een lijst met veel voorkomende compatibele apparaten:
•USB-geheugensticks
- USB-draagbare harde schijven
•Enkele MP3-spelers met USB-aansluiting
-iPod mediaspelers (ga naar www.ford-mobile-connectivity.com voor de nieuwste compatibiliteitslijst).
Het systeem is USB 2.0 Full Speed compatibel, USB 1.1 Host Compliant en ondersteunt FAT 16/32 bestandssystemen.
Informatie over audiobestands-structuren voor externe apparaten
USB
Maak alleen een enkele partitie op het USB-apparaat.
Er wordt aanbevolen MP3-bestanden in een map op te slaan.
Als afspeellijsten worden gemaakt, dan dienen deze de correcte bestandspaden gerefereerd aan het USB-apparaat te bevatten. Er wordt aanbevolen de afspeellijst te maken nadat de audiobestanden zijn overgedragen naar het USB-apparaat.
Afspeellijsten moeten worden gemaakt in .m3u formaat.
Audiobestanden moeten worden gemaakt in .mp3 formaat.
Houd u aan het volgende:
-1000 items per map (bestanden, mappen en afspeellijsten)
-5000 mappen met USB-apparaat (inclusief afspeellijsten)
-8 submapniveau's.
Volg de onderstaande procedure voor het inschakelen van spraakregeling voor aangepaste afspeellijsten en mappen:
•Maak mappen met de naam
"Ford<*>", waar <*> een cijfer tussen 1 en 10 is. Bijvoorbeeld "Ford3" zonder extensie.
- Maak afspeellijsten met de naam
"Ford<*>.m3u", waar <*> een cijfer tussen 1 en 10 is. Bijvoorbeed
"Ford5.m3u" zonder spatie tussen
"Ford" en het cijfer.
Hierna kunnen aangepaste mappen en afspeellijsten worden geselecteerd met behulp van spraakregeling.
iPod
Maak afspeellijsten met de naam
"Ford<*>", waar <*> een cijfer tussen 1 en 10 is voor het inschakelen van spraakregeling voor aangepaste afspeellijsten. Bijvoorbeed "Ford7" zonder spatie tussen "Ford" en het cijfer.
Hierna kunnen aangepaste afspeellijsten worden geselecteerd met behulp van spraakregeling.
Zorg dat het externe apparaat stevig in de auto is bevestigd en dat bijbehorende aansluitingen de
bedieningselementen voor het rijden niet blokkeren.
Externe apparaten kunnen worden aangesloten met behulp van de extra ingangsaansluiting en de USB-poort. Zie Aansluiting Auxiliary ingang (bladzijde 125). Zie USB-poort (bladzijde 125).
Aansluiting
Sluit het apparaat aan en bevestig het indien nodig om bewegen in de auto te voorkomen.
Een iPod aansluiten
Sluit de USB-kabel van de iPod aan op de USB-aansluiting van de auto.
EXTERN APPARAAT AANSLUITEN - AUTO'S MET: BLUETOOTH
Bluetooth audio-apparaat aansluiten
LET OP

Omdat er verschillende standaarden bestaan, kunnen fabrikanten een groot aantal profielen in hun Bluetooth apparaten implementeren. Hierdoor kan incompatibiliteit ontstaan tussen het Bluetooth apparaat en het systeem, wat in sommige gevallen de systeemfunctionaliteit kan beperken. Om dit te voorkomen moeten alleen aanbevolen apparaten worden gebruikt.
Bezoek de website
www.ford-mobile-connectivity.com
voor volledige gegevens.
Apparaat aansluiten op (voertuig)systeem
Volg voor het aansluiten van het apparaat op het systeem dezelfde procedure als voor Bluetooth handsfree telefoons. Zie Setup Bluetooth (bladzijde 276).
Het apparaat bedienen
N.B.: De zoektoetsen en de bestandsinformatie werken alleen bij bepaalde telefoons en apparaten.
Selecteer Bluetooth audio als de actieve bron.
- Selecteer AUX.
- Druk op de pijltjestoetsen omhoog/omlaag om de gewenste functie te selecteren.
- Druk op de toets OK.
Toegang tot nummers kan worden verkregen door vooruit en achteruit te navigeren met behulp van de knoppen op het stuur of rechtstreeks via de knoppen van de audio-unit.
Bediening van de audio-installatie
Druk op de toetsen opwaarts/neerwaarts zoeken om achteruit en vooruit door de nummers te gaan.
Houd de toetsen ingedrukt om snel achteruit/vooruit door een nummer te gaan.
Druk op de toets INFO of functietoets 4 om het volgende weer te geven:
•Titel.
- Artiest.
• Album.
- Bestandsnaam.
USB-APPARAAT GEBRUIKEN
Verschillende pictogrammen worden gebruikt voor het herkennen van verschillende audiobestanden, mappen enz.

USB-apparaat is de actieve bron

Map

Afspeellijst

Album

Artiest

Bestandsnaam

Titel van nummer

Informatie niet beschikbaar
Bediening
Selecteer het USB-apparaat als audiobron door herhaaldelijk op de toets AUX te drukken tot het scherm USB op het display verschijnt. Nadat het USB-apparaat is aangesloten, wordt het eerste nummer van de eerste map automatisch afgespeeld. Vervolgens wordt na het wijzigen van de audiobron de afspeelpositie op het USB-apparaat onthouden.
Druk eenmaal op de pijltjestoets omhoog/omlaag of de OK toets om door de inhoud van het apparaat te bladeren.
De display toont de nummerinformatie en de volgende andere belangrijke informatie:
- Een verticale schuifbalk aan de rechterzijde van de display geeft de huidige positie van het mapoverzicht aan.
-">" na een ingang geeft aan dat een niveau lager leesbaar is (bijvoorbeeld een map vernoemd naar een album met afzonderlijke albumnummers in de betreffende map). - "<" voor de lijst geeft aan dat een niveau hoger leesbaar is.
- Pictogrammen aan de linkerzijde van de nummer-/maptekst geven het type bestand/map aan. Raadpleeg de lijst voor een uitleg van deze pictogrammen.
Gebruik voor het navigeren door de inhoud van het USB-apparaat de pijltjestoets omhoog/omlaag om door de lijsten te bladeren en de pijltjestoets links/rechts om binnen de mapstructuur omhoog of omlaag te bladeren. Druk op de OK toets om afspelen te selecteren nadat het gewenste nummer of de gewenste afspeellijst of map is gemarkeerd.
N.B.: Houd de pijltjestoets naar links ingedrukt als u naar het bovenste niveau van de inhoud van het USB-apparaat wilt navigeren.
Bediening van de audio-installatie
Druk op de toetsen opwaarts/neerwaarts zoeken om achteruit en vooruit door de nummers te gaan.
Houd de toetsen ingedrukt om snel achteruit/vooruit door een nummer te gaan.
Gebruik de functietoetsen om willekeurig afspelen, herhaald afspelen en scannen in te schakelen voor het gehele apparaat, mappen en afspeellijsten.
Druk op de toets INFO of functietoets 4 om het volgende weer te geven:
-titel
·artiest
-album
·mapnaam
- bestandsnaam.
IPOD GEBRUIKEN
Verschillende pictogrammen worden gebruikt voor het herkennen van verschillende audiobestanden, mappen enz.

iPod is de actieve bron

Afspeellijst iPod

Artiest iPod

Album iPod

Genre iPod

Nummer iPod

Algemene categorie iPod

Algemeen mediabestand iPod
Bediening
Sluit de iPod aan. Zie Extern apparaat aansluiten (bladzijde 299).
Selecteer de iPod als audiobron door herhaaldelijk op de toets AUX te drukken tot het scherm iPod op de display verschijnt.
De iPod-menulijst voor het bladeren door de inhoud is beschikbaar via de radiodisplay. Bladeren door de inhoud is gebaseerd op hetzelfde principe als voor het gebruik van een stand-alone iPod (bijvoorbeeld zoeken op artiest, titel enz.). Druk eenmaal op de pijltjestoets omhoog/omlaag of de OK toets om door de inhoud van de iPod te bladeren.
De display toont de nummerinformatie en de volgende andere belangrijke informatie:
- Een verticale schuifbalk aan de rechterzijde van de display geeft de huidige positie van het lijstoverzicht aan.
-">" na een ingang geeft aan dat een niveau omlaag leesbaar is (bijvoorbeeld alle albums van een bepaalde artiest).
- "<" voor de lijst geeft aan dat een niveau hoger leesbaar is.
- Een pictogram aan de linkerzijde geeft het type van de op dit moment weergegeven lijst aan (bijvoorbeeld een albumlijst). Raadpleeg de lijst voor een uitleg van deze pictogrammen.
Gebruik voor het navigeren door de inhoud van de iPod de pijltjestoets omhoog/omlaag om door de lijsten te bladeren en de pijltjestoets links/rechts om binnen de structuur omhoog of omlaag te bladeren. Druk op de OK toets om afspelen te selecteren nadat het gewenste nummer, album, genre of de gewenste afspeellijst of artiest is gemarkeerd.
N.B.: Houd de pijltjestoets naar links ingedrukt als u naar het bovenste niveau van de inhoud van de iPod wilt navigeren.
Bediening van de audio-installatie
Druk op de toetsen opwaarts/neerwaarts zoeken om achteruit en vooruit door de nummers te gaan.
Houd de toetsen ingedrukt om snel achteruit/vooruit door een nummer te gaan.
Gebruik de functietoetsen om willekeurig afspelen en herhaald afspelen in te schakelen voor afspeellijsten.
Druk op functietoets 3 om het volledige apparaat of een afspeellijst te scannen wanneer dit/deze actief is.
Druk op de toets INFO of functietoets 4 om het volgende weer te geven:
-titel
·artiest
-album.
ALGEMENE INFORMATIE
Druk op de betreffende toets op het front in om toegang te krijgen tot de systeemfuncties. Hierdoor komt u in de geselecteerde modus.
Een uur modus
Om de accu niet te ontladen, kan het systeem in een één uur modus worden bediend. Druk bij afgezet contact op de ON/OFF toets om het systeem in te schakelen. Na een uur schakelt het systeem automatisch uit.
Opmerkingen m.b.t. het systeem
WAARSCHUWINGEN

De aangegeven maximale snelheid is wellicht niet van toepassing op uw auto. U bent altijd verantwoordelijk voor het besturen van de auto, het overzien van de systemen en het houden aan de correcte snelheidslimiet.

Het glas van het LCD scherm kan breken wanneer het met een hard voorwerp in aanraking komt. Raak de vloeibare kristallen niet aan wanneer het glas mocht breken. Reinig de huid onmiddellijk met water en zeep wanneer deze met de kristallen in aanraking is gekomen.

De unit is een hoogwaardig laserproduct dat gebruikmaakt van een zichtbare laserstraal. Wanneer hiermee onjuist wordt omgegaan kan deze gevaarlijke straling veroorzaken. Probeer niet via openingen in de unit te kijken.
LET OP
! CD's met een onregelmatige vorm en CD's met krasbescherming of zelfklevende etiketten mogen niet worden gebruikt. Garantieclaims, waarbij dit type CD in een audio-installatie wordt aangetroffen die voor reparatie wordt aangeboden, worden niet geaccepteerd.
Reinig de unit niet met oplosmiddelen of spuitbussen. Gebruik alleen een vochtige doek.
Steek geen vreemde voorwerpen in de unit of sleuf voor de mediakaart.
! Breng niet meer dan één CD tegelijk aan.
Gebruik uitsluitend 12 cm of 8 cm CD's met geschikte adapter.
Probeer niet de unit te openen.
Raadpleeg uw dealer wanneer de unit defect is.
Incorrect gebruik van andere in deze handleiding beschreven instellingen en aansluitingen kan tot beschadiging leiden van de unit.
Zet het contact niet aan en start de motor niet terwijl de software wordt bijgwerkt.
Gebruik het systeem wanneer de contactsleutel in de accessoirestand staat of de motor draait. Wanneer het systeem regelmatig bij stilstaande motor wordt gebruikt moet erop worden gelet dat de accu niet leeg raakt.
RIJVEILIGHEID
WAARSCHUWINGEN

Het systeem levert informatie waarmee u veilig en snel uw bestemming kunt bereiken.
WAARSCHUWINGEN

Om veiligheidsredenen mag de bestuurder het systeem alleen bij stilstaande wagen programmeren.

Het systeem biedt geen hulp met betrekking tot stopborden, verkeerslichten of verkzaamheden en biedt evenminre belangrijke veiligheidsinformatie.

Gebruik het systeem niet voordat u zich vertrouwd hebt gemaakt met de bediening ervan.

Bekijk de systeemdisplay alleen wanneer de rijomstandigheden dit toelaten.
Veiligheidsinformatie
Lees de volgende veiligheidsmaatregelen en volg deze op. Wanneer u dit nalaat wordt de kans op een aanrijding en lichamelijk letsel verhoogd. Ford Motor Company is niet aansprakelijk voor schade die voortvloeit uit het niet opvolgen van deze richtlijnen.
Wanneer de route-instructies nauwkeurig moeten worden bekeken, zet de wagen dan op een veilig moment aan de kant en parkeer deze.
Gebruik het navigatiesysteem niet om hulpdiensten te lokaliseren.
Maak altijd gebruik van de nieuwste navigatie-informatie voor een zo efficiënt en veilig mogelijk gebruik van het systeem. Uw dealer is gaarne bereid u hierbij behulpzaam te zijn.
OVERZICHT NAVIGATIE-
EENHEID

A Beschrijvingen voor functietoetsen 1-4
Functietoetsen 1 tot en met 4 zijn contextafhankelijk en wijzigen als functie van de huidige audio-unitmodus. Beschrijvingen voor de functies worden aan de onderzijde van het display weergegeven.
Auto's met CD-SD navigatiesysteem

F Kaart selecteren. Zie Routeweergaven (bladzijde 318).
G Menu selecteren. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 314).
H Telefoontoetsenblok en stationsvoorkeuzetoetsen. Zie Werking van de audio-installatie (bladzijde 266). Zie Menu's audio-installatie (bladzijde 269). Zie Telefoon (bladzijde 276).
I Klok. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 314).
J Verkeersberichten. Zie Traffic Message Channel (verkeersberichtenkanaal) (bladzijde 320).
Functie 4.K
Functie 3.L
M Opwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 266). Zie Nummer selecteren (bladzijde 271).
Aan/uit en volumeknop. Zie Aan/uit toets (bladzijde 266).N
O Neerwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 266). Zie Nummer selecteren (bladzijde 271).
Functie 2.P
Functie 1.Q
R Telefoon selecteren. Zie Telefoon (bladzijde 276).
S Extra ingang selecteren. Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 274).
T Radio selecteren. Zie Werking van de audio-installatie (bladzijde 266). Zie Menu's audio-installatie (bladzijde 269).
CD selecteren. Zie CD-speler (bladzijde 271).U
V Navigatie selecteren. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 314).
Auto's met Sony CD-SD navigatiesysteem

A Aan/uit regeling. Zie Aan/uit toets (bladzijde 266).
B Navigatie selecteren. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 314).
C Telefoontoetsenblok en stationsvoorkeuzetoetsen. Zie Werking van de audio-installatie (bladzijde 266). Zie Menu's audio-installatie (bladzijde 269). Zie Telefoon (bladzijde 276).
CD-sleuf.D
Navigatiepijlen.E
F Kaart selecteren. Zie Routeweergaven (bladzijde 318).
CD-uitwerptoets.G
Informatie.H
I Klok. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 314).
J Opwaarts zoeken. CD-nummer selecteren, oproep beëindigen. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 266). Zie Nummer selecteren (bladzijde 271). Zie Gebruik maken van de telefoon (bladzijde 278).
K Home selecteren. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 314).
L Verkeersberichten. Zie Traffic Message Channel (verkeersberichtenkanaal) (bladzijde 320).
Functie 4.M
N Geluid selecteren. Zie Volumeknop (bladzijde 266).
Functie 3.O
P OK.
Functie 2.Q
R Menu selecteren. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 314).
Functie 1.S
T Telefoon selecteren. Zie Telefoon (bladzijde 276).
U Extra ingang selecteren. Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 274).
V Neerwaarts zoeken. CD-nummer selecteren, oproep beantwoorden. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 266). Zie Nummer selecteren (bladzijde 271). Zie Gebruik maken van de telefoon (bladzijde 278).
W Radio selecteren. Zie Werking van de audio-installatie (bladzijde 266). Zie Menu's audio-installatie (bladzijde 269).
CD selecteren. Zie CD-speler (bladzijde 271).X
Volumeregeling.Y
NAVIGATIEDATA LADEN
Navigatiedata laden

- Plaats de SD-navigatiekaart in de opening.
- Druk op de NAV toets. De waarschuwing verkeersveiligheid wordt weergegeven in de display.
- Druk op de pijltjestoetsen omhoog/omlaag om de gewenste functie te selecteren.
- Druk op de OK toets om uw keuze te bevestigen.
Raadpleeg uw dealer voor nieuwe uitgaven van kaarten en het opwaarderen van het systeem.
Auto's met mobiel navigatiesysteem
LET OP

Door gebruik van het systeem bij uitgeschakelde motor wordt de accu ontladen.
N.B.: Aan het versturen en ontvangen van tekstberichten zijn kosten verbonden.
N.B.: Raadpleeg de handleiding bij uw telefoon voor alle telefoonfuncties en de werking van de functies.
N.B.: Bewaar de activeringscode (afgedrukt op de gebruikershandleiding) op een veilige plaats.
N.B.: Bewaar het tekstbericht voor activering in het postvak IN van uw mobiele telefoon.
Compatibiliteit van telefoontoestellen
LET OP

Omdat er geen algemene overeenkomst bestaat, kunnen fabrikanten van mobiele telefoons groot aantal profielen in hun Bluetooth araten implementeren. Daardoor is het kelijk dat een telefoon niet compatible een handsfree systeem is, waardoor ommige gevallen de prestaties van het seem aanzienlijk worden beperkt. Om ve voorkomen moeten alleen bevolen telefoons worden gebruikt.
Bezoek de website www.ford-mobile-connectivity.com voor volledige gegevens.
Micro SD-kaart installeren
![graph TD A["Input Phone"] --> B["Processing Unit"] B --> C["Output Box"] style A fill:#f9f,stroke:#333 style B fill:#ccf,stroke:#333 style C fill:#cfc,stroke:#333](/content/2026/06/1159513/images/ba772934642af576bce65bfce35b48db703e29f42d08ac314bd85b4b5480c8c4.jpg)
E114212
- Verwijder de micro SD-kaart uit de adapter.
- Plaats de micro SD-kaart in de mobiele telefoon.
Navigatiesysteem mobiele telefoon activeren
N.B.: De radio moet zijn ingeschakeld alvorens de mobiele telefoon aan te sluiten op de GPS-ontvanger in de auto.
N.B.: De Ford Mobile Navigation moet worden geinstalleerd en geactiveerd op uw mobiele telefoon.
N.B.: Er kunnen maximaal drie telefoons worden geactiveerd.
N.B.: Gedetailleerde instructies vindt u op de micro SD-kaart en op www.ford-mobile-connectivity.com.
Volg voor het aansluiten van het apparaat op het systeem dezelfde procedure als voor Bluetooth handsfree telefoons. Zie Setup Bluetooth (bladzijde 276).
- Schakel de radio in.

E114213
- Schakel uw mobiele telefoon in en start de Ford Mobile Navigation.
- Kies Selecteer navigatie.
- Kies Adres.
- Wijzig de route-opties indien nodig en start de routebegeleiding.
- De bochtinformatie wordt weergegeven in de voertuigdisplay. De gesproken instructies zijn hoorbaar via de voertuigluidsprekers.
N.B.: Uw mobiele telefoon geeft uw huidige positie weer. - U kunt de applicatie verlaten en verder gaan met de routebegeleiding na het herstarten van de applicatie.
Auto's met CD-SD navigatiesysteem of Sony CD-SD navigatiesysteem
Het systeem beschikt over een groot aantal functies die makkelijk en intuïtief zijn te gebruiken. Routebegeleiding wordt weergegeven op het scherm. Het beeldscherm geeft alle informatie voor het bedienen van het systeem door gebruikmaking van menu's, tekstpagina's en displays. Schermselecties worden gemaakt door te navigeren door de menu's met behulp van de pijltoetsen omhoog, omlaag, naar links en naar rechts en op de toets OK te drukken om de gewenste instelling te activeren.
Basiswerking
- Druk op de toets NAV of MENU voor toegang tot de menustructuur.
- Gebruik de pijltoetsen omhoog, omlaag, naar links en naar rechts en navigeer door de verschillende keuzelijsten.
- Druk op de OK toets om de keuze te activeren.
Keuzelijsten
Op diverse schermen wordt een lijst met beschikbare opties weergegeven.
- Selecteer de gewenste optie; als deze niet op het scherm wordt weergegeven, gebruik dan de pijltoetsen omhoog en omlaag om de rest van de keuzelijst te bekijken.
- Druk op de OK toets om uw keuze te bevestigen.
Alfanumeriek toetsenbord
Wanneer een adres moet worden opgegeven, verschijnt een toetsenbord en wordt u uitgenodigd een postcode, plaatsnaam of straat in te voeren.
- Gebruik de pijltoetsen omhoog, omlaag, naar links en naar rechts om de gewenste letter of het gewenste nummer te selecteren.
N.B.: Wanneer u de letters invoert, verschijnt het resultaat in de display.
N.B.: Het systeem beperkt uw invoer doordat alleen letters kunnen worden ingevoerd, waarmee een geldig adres kan worden gevormd. - Druk op de OK toets om de keuze te activeren.
Voorbeeld van een route invoeren
Hoofdscherm navigatie
- Druk op de toets NAV om het navigatiesysteem te selecteren. De waarschuwing wordt weergegeven. Lees de waarschuwing en druk op de OK toets om het systeem te gebruiken.
Scherm voor het invoeren van de bestemming
-Gebruik de pijltoetsen omhoog en omlaag en navigeer naar Best. invoeren.
- Druk op de OK toets om de keuze te activeren.
N.B.: Er wordt een lijst met verschillende opties weergegeven.
- Begin vanaf de bovenzijde. Kies het land, gevolgd door de postcode als deze beschikbaar is of de naam van de plaats en de straat.
- Voer met het alfanumerieke toetsenbord en de keuzelijst uw adresgegevens in.
- Navigeer nadat voldoende informatie is ingevoerd naar Start routebegeleiding en druk op de toets OK om uw keuze te activeren.
N.B.: Wanneer u bijvoorbeeld slechts naar het centrum van een stad wilt navigeren, hoeven niet de volledige adresgegevens te worden ingevoerd.
- De route wordt vervolgens berekend en het scherm keert terug naar het hoofdnavigatiescherm met instructies hoe u moet rijden.
- Volg de schermaanwijzingen en de aanwijzingen via gesproken tekst om uw reisdoel te bereiken.
De meest belangrijke instellingen van uw navigatiesysteem zijn via de MENU of NAV toets bereikbaar. In de volgende rubriek worden de diverse opties en het gebruik ervan beschreven.
Voor menustructuren: Zie Infodisplays (bladzijde 83).
Menustructuur - Informatie- en entertainmentdisplay - Auto's met navigatiesysteem
Route
Via deze functie kunt u de route aanpassen aan uw specifieke reisvereisten (bijvoorbeeld verdergaan met routebegeleiding, blokkeren van specifieke delen van de route of selecteren van specifieke delen van een route).
Best. invoeren
Via deze functie kunt u de reisdoelgegevens invoeren (bijvoorbeeld stadsnamen of straatnamen invoeren of een plaats op een kaart uitzoeken).
Verkeersinformatie
Via deze functie kunt u aanpassen hoe verkeersinformatie wordt ontvangen (bijvoorbeeld verkeersberichten bekijken en sorteren, uw route bekijken of delen van uw route blokkeren).
Eigen adres
Via deze functie kunt u de routebegeleiding naar uw eigen adres starten of de gegevens van uw eigen adres wijzigen.
N.B.: Druk bij auto's met een Sony CD-SD navigatiesysteem op de HOME toets, waarna het systeem de routebegeleiding naar het thuisadres in de lijst automatisch start.
Laatste best.
Hiermee kunt u snel toegang krijgen tot eerdere reisdoelen die in het systeem zijn ingevoerd. Een gedetailleerde display toont de volledige opgeslagen informatie inclusief een overzichtskaart. Selecteer het gewenste reisdoel uit de lijst.
Favorieten
Via deze functie kunt u een persoonlijk adresboek aanleggen en bijvoorbeeld aan adressen en reisdoelen een door u gedefinieerde naam geven. Een gedetailleerde display toont de volledige opgeslagen informatie inclusief een overzichtskaart. Selecteer het gewenste reisdoel uit de lijst.
Spec. bestemm.
Via deze functie kunt u de route aanpassen aan uw specifieke reisvereisten (bijvoorbeeld een museum op de route of een specifieke speciale bestemming in de buurt van uw reisdoel selecteren).
Toerenplanning
Via deze functie kunt u een aantal verschillende reisdoelen invoeren en tevens de volgorde selecteren waarin u de reisdoelen wilt bezoeken. U kunt tevens een bestaande reis wijzigen of een vorige reis opvragen. Het systeem berekent automatisch de door u gekozen reis en geeft deze weer.
Positie opslaan
Via deze functie kunt u uw huidige positie opslaan en benoemen.
Routeopties
Via deze functie kunt u de route aanpassen aan uw specifieke reisvereisten (bijvoorbeeld de snelste of meest economische route selecteren of een route selecteren waarbij tunnels, seizoenswegen en tolwegen worden vermeden).
Speciale functies
Via deze functie kunt u GPS- en systeeminformatie of een demonstratie van de systeemfunctionaliteit selecteren.
Kaartweergave
Via deze functie kunt u de weergave van het kaartscherm wijzigen (bijvoorbeeld heldere 2D- of 3D-weergave) en display-informatie voor uw reis aanpassen (bijvoorbeeld tijd tot aankomst en rijstrookbegeleiding).
Hulpfuncties
Via deze functie kunt u display-informatie voor uw reis aanpassen (bijvoorbeeld borden, rijstroken en snelheidslimieten).
Pers. gegevens
Via deze functie kunt u persoonlijke gegevens wijzigen en verwijderen (bijvoorbeeld uw thuisadres).
Instellingen terug
Via deze functie kunt u de navigatie-instellingen resetten.
Menustructuur - Informatie- en entertainmentdisplay - Alle auto's
Audio-instellingen
Adaptief volume
Via deze functie kunt u het volume aanpassen ter compensatie van motor- en verkeersgeluiden. U kunt deze functie in- en uitschakelen.
Klank
Via deze functie kunt u de volume-instellingen aanpassen (bijvoorbeeld bas en hoge tonen).
Nav-audio-mix
Via deze functie kunt het volume tussen de gesproken begeleiding van het navigatiesysteem en de audiobron instellen.
DSP-instelling
Via deze functie kunt u de luidsprekers aanpassen aan de betreffende stoelposities.
DSP-equalizer
Via deze functie kunt u de muziekcategorie selecteren waarnaar u bij voorkeur luistert. Het audiosignaal verandert om de weergave van de specifiek gekozen muziekstijl te verbeteren.
Nieuws
Via deze functie kunt u nieuwsberichten ontvangen van radiostations op de FM band of RDS of EON geschakelde stations op dezelfde wijze als bij verkeersberichten. U kunt deze functie in- en uitschakelen.
Alternatieve frequenties
Via deze functie kunt u zoeken en schakelen naar het sterkste zendersignaal tijdens navigeren van het ene zendergebied naar het andere.
Alt. frequentie
Deze functie regelt het gedrag van AF door tussen regionale netwerken van een hoofdzender te schakelen.
DAB-servicelink
Via deze functie kunt u stations selecteren die worden uitgezonden op de DAB-kanalen.
Bluetooth
Via deze functie kunt u Bluetooth in- of uitschakelen.
Klokinstellingen
Tijd
Via deze functie kunt u de tijd handmatig instellen.
Datum instellen
Via deze functie kunt u de datum, de maand en het jaar handmatig instellen.
GPS-tijd
Via deze functie kunt u in een geschikt dekkingsgebied automatisch de datum en de tijd instellen met behulp van GPS.
Tijdzone
Via deze functie kunt u een specifieke tijdzone selecteren.
Zomertijd
Via deze functie kunt u het systeem zo instellen, dat de zomer- en wintertijd automatisch worden ingesteld.
N.B.: GPS-tijd moet zijn geselecteerd.
24-uurs
Via deze functie kunt u het systeem instellen op de 12- en 24-uurs modus.
MENU ROUTE-OPTIES
U kunt een aantal opties invoeren die de geplande route veranderen.
Met behulp van de pijltoetsen omhoog, omlaag, naar links en naar rechts kunt u in de lijst selecteren welke verkeersfuncties moeten worden vermeden of worden opgenomen in de route door de functie in of uit te schakelen.
Route
Eco
Via deze optie wordt prioriteit gegeven aan de meest economische route naar uw reisdoel.
Sportief
Via deze optie wordt prioriteit gegeven aan de snelste route naar uw reisdoel.
Kort
Via deze optie wordt prioriteit gegeven aan de kortste route naar uw reisdoel.
Altijd vragen
Gebruik deze functie om te zorgen dat u altijd het routetype voor uw reis kunt kiezen.
Rijstijl
Rustig
Via deze optie wordt prioriteit gegeven aan de route voor een bestuurder met een rustige rijstijl naar uw reisdoel.
Normaal
Via deze optie wordt prioriteit gegeven aan de route voor een bestuurder met een normale rijstijl naar uw reisdoel.
Sportief
Via deze optie wordt prioriteit gegeven aan de route voor een bestuurder met een sportieve rijstijl naar uw reisdoel.
Eco instelling
Aanhanger
Gebruik deze functie om de economy-instellingen van uw reis te wijzigen afhankelijk van het feit of al dan niet een aanhanger is aangekoppeld (indien dit het geval is, wordt rekening gehouden met de aanhangergrootte).
Dakkoffer
Gebruik deze functie om de economy-instellingen van uw reis te wijzigen met betrekking tot het gebruik van een dakkoffer.
Dynamisch
Wanneer deze functie is ingeschakeld en het toestel ontvangt een geldig traffic message channel (TMC) signaal, wordt de route automatisch herzien en wordt rekening gehouden met verkeersongevallen en files.
N.B.: Deze functie kan vertraging en oponthoud tijdens het rijden voorkomen.
Snelweg
Als het systeem is ingeschakeld, zoekt dit naar snelwegen op uw route en worden de totale afstand en de reistijd automatisch bijgewerkt.
N.B.: Deze functie kan vertraging en oponthoud tijdens het rijden voorkomen.
Veer/autotrein
Als het systeem is ingeschakeld, zoekt dit naar faciliteiten met veerboten en autotreinen op uw route en worden de totale afstand en de reistijd automatisch bijgewerkt.
Tol
Als het systeem is ingeschakeld, zoekt dit naar tolwegen op uw route en worden de totale afstand en de reistijd automatisch bijgewerkt.
Seizoenswegen
Als het systeem is ingeschakeld, zoekt dit naar seizoenswegen op uw route en worden de totale afstand en de reistijd automatisch bijgewerkt.
N.B.: Deze functie kan vertraging en oponthoud tijdens het rijden voorkomen.
Vignet
Als het systeem is ingeschakeld, selecteert dit automatisch tolwegen en worden de totale afstand en de reistijd automatisch bijgewerkt.
ROUTEWEERGAVEN
Kaartweergave
Druk op de toets MAP voor een kaartweergave.
Op dit scherm wordt de huidige locatie van uw auto in het midden door middel van een pijl binnen een cirkel aangeduid. De pijl wijst in de rijrichting.
De informatie op de bovenste regel omvat de naam van de actuele straat of van de volgende straat die moet worden genomen als er moet worden afgeslagen.
U kunt de wijze waarop de kaart wordt weergegeven veranderen, door in- of uit te zoomen en de oriëntatie-instellingen te wijzigen. Druk op de betreffende functietoetsen om de schaalverdeling van de kaart te wijzigen en gebruik de linker en rechter pijltoetsen om in of uit te zoomen. De actuele schaalverdeling wordt op de display weergegeven.
De schaalverdeling kan tussen 50 meter en 500 kilometer (of tussen 0,05 mijl en 500 mijl) worden ingesteld, met een automatische instelling geheel naar links. De automatische instelling verandert de schaalverdeling voortdurend op basis van het type weg waarop gereden wordt.
Kruispuntzoom
Deze functie zorgt ervoor dat automatisch op de kaartweergave wordt ingezoomd bij een afslag of het maken van ingewikkelde manoeuvres. Kort hierna wordt de normale weergave hervat.
Selecteer AUTO om de kruisingszoom te activeren.
Navigatiedisplay
Wanneer met een navigatieroute is begonnen, is het standaard scherm het hoofdnavigatiescherm:
Zodra u via een geactiveerde route rijdt, worden via het scherm en d.m.v. gesproken tekst aanwijzingen gegeven. Naar welke audiobron u ook wilt luisteren, primair wordt iedere afslag en de informatie over de afstand op het scherm weergegeven in de vorm van een grafische inzet. U hoeft het toestel niet op het hoofdnavigatiesysteem te laten staan wanneer u langs een route navigeert. Zo nodig is wat meer gedetailleerde informatie over de route beschikbaar via het hoofdnavigatiescherm.
WAARSCHUWING

Vertrouw tijdens het navigeren niet op de aanwijzingen op het scherm.
Luister altijd naar de navigatiestem
en houd uw aandacht bij de weg voor u.
WERKING
Traffic Message Channel (TMC) radiostations zenden op de FM-band uit. TMC is een systeem dat verkeersberichten ontvangt, die kunnen worden gebruikt voor het plannen van alternatieve routes en het voorkomen van oponthoud.
TMC GEBRUIKEN
Druk op de TA of TRAFFIC toets om het Traffic menu weer te geven.
Verkeersberichten
Verkeersberichten (TA) kunnen via dit menu worden in- of uitgeschakeld. Wanneer het systeem is ingeschakeld wordt een TA indicator aan de onderzijde van de statusbalk weergegeven.
Stations die programma's met verkeersinformatie (TP) op de FM-band uitzenden kunnen worden herkend aan de letters TP die op het display worden weergegeven. Wanneer TA is ingeschakeld beantwoordt het toestel deze berichten en onderbreekt het de muziekweergave. Nadat het bericht is beeindigd, wordt de muziekweergave weer hervat.
Verkeersberichten beëindigen
Aan het einde van een verkeersbericht hervat de installatie weer zijn normale werking. Om een verkeersbericht voortijdig af te breken, drukt u tijdens het verkeersbericht op de TA, TRAFFIC, RADIO of CD toets.
TMC berichten gebruiken
Selecteer het gewenste item om een lijst met TMC berichten weer te geven. Zie Algemene informatie (bladzijde 83). Dit is slechts een overzicht met basisinformatie. Selecteer het bericht waarover u meer informatie wilt en een ander scherm met het volledige bericht met details de plaats van het incident, enz. wordt weergegeven.
U kunt een scherm kiezen dat alleen berichten toont die betrekking hebben op uw geprogrammeerde route of een scherm dat alle ontvangen berichten toont. Druk op functietoets 1 om de weergave te veranderen.
Waarschuwing gevaarlijke verkeerssituaties (afhankelijk van land)
N.B.: De beschikbaarheid van deze functie verschilt per land.
Het systeem ondersteunt een waarschuwingsfunctie dat visuele en hoorbare informatie geeft over gevaarlijke verkeerssituaties. Het systeem is standaard uitgeschakeld. Het systeem kan worden in- en uitgeschakeld met behulp van de informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 83).
Het netwerk van wegen verandert voortdurend door de aanleg van nieuwe wegen, verandering van de classificatie, enz. Daardoor is het mogelijk dat de klantgegevens in het systeem niet altijd exact overeenkomen met de werkelijkheid.
De wegenkaartinformatie wordt regelmatig bijgewerkt, maar alle gebieden zijn niet tot op hetzelfde niveau gedekt. Sommige wegen, vooral privé wegen, zijn soms niet in de database verwerkt. Gebruik altijd de nieuwste DVD's om uw navigatiesysteem zo nauwkeurig te laten werken. Uw dealer is gaarne bereid u hierbij behulpzaam te zijn.
ALGEMENE INFORMATIE

SYNC is een communicatiesysteem voor auto's dat werkt met uw van Bluetooth voorziene mobiele telefoon en draagbare mediaspeler. Hiermee kunt u:
•bellen en gebeld worden
•toegang tot muziek op uw draagbare audiospeler verkrijgen en deze afspelen
• noodhulp aanvragen
•toegang tot de contacten in uw telefoonboek en muziek verkrijgen met gesproken commando's
•muziek streamen vanaf uw aangesloten mobiele telefoon
•vooraf gedefineerde tekstberichten selecteren
- het geavanceerde spraakherkenningssysteem gebruiken
- uw USB-apparaat opladen (indien uw apparaat dit ondersteunt).
Zorg dat u de gebruikshandleiding van uw apparaat leest voordat u dit in combinatie met SYNC gebruikt.
Ondersteuning
Neem voor meer ondersteuning contact op met een erkende dealer. Meer informatie is beschikbaar op de Ford website.
Veiligheidsinformatie
WAARSCHUWING

Afleiding tijdens het rijden kan leiden tot verlies van de controle over de auto, aanrijdingen en letsel. We adviseren zeer voorzichtig te werk te gaan bij het gebruik van apparatuur die uw aandacht van de weg kunnen afleiden. Uw hoofdverantwoordelijkheid is de veilige bediening van uw auto. We raden het gebruik van handheld-apparaten tijdens het rijden af, adviseren waar mogelijk het gebruik van spraakgestuurde systemen en willen u bewust maken van nationale en lokale wetten met betrekking tot het gebruik van elektronische apparatuur tijdens het rijden.
Bij het gebruik van SYNC:
- Bedien geen afspeelapparatuur wanneer de stroomdraden of kabels ervan zijn gebroken, gespleten of beschadigd. Positioneer draden en kabels zodanig, dat hier niet op gestapt kan worden en deze de bediening van pedalen, stoelen en opbergvakken of veilige rijcondities niet belemmeren.
- Laat afspeelapparatuur niet onder extreme omstandigheden in uw auto liggen, want hierdoor kan de apparatuur beschadigd raken. Zie de handleiding van uw apparaat voor meer informatie.
- Probeer het systeem niet te wijzigen of repareren. Neem contact op met uw erkende dealer.
Privacy-informatie
Wanneer uw mobiele telefoon op SYNC wordt aangesloten, dan maakt het systeem een profiel binnen uw auto aan dat aan uw mobiele telefoon gekoppeld is. Dit profiel wordt aangemaakt om uw meer mobiele functies en een efficiëntere bediening te bieden. Dit profiel kan onder andere gegevens bevatten over uw telefoonboek, tekstberichten (gelezen en ongelezen) en de oproepgeschiedenis. Inclusief de oproepgeschiedenis terwijl uw mobiele telefoon niet op het systeem aangesloten was. Als u verbinding maakt met een media-apparaat creëert en bewaart het systeem bovendien een index van ondersteunde mediabestanden. Het systeem slaat ook een kort ontwikkelingslog van ca. 10 minuten op van alle recente systeemactiviteit. Het logprofiel en andere systeemgegevens kunnen gebruikt worden ter verbetering van het systeem en ter ondersteuning van de diagnose in het geval van eventuele storingen.
Het mobiele profiel, de index van het media-apparaat en het ontwikkelingslog blijven in uw auto opgeslagen tenzij u deze wist en zijn over het algemeen alleen in uw auto toegankelijk als de mobiele telefoon of mediaspeler aangesloten is. Als u het systeem of uw auto niet langer wilt gebruiken, dan raden we u aan een Master Reset uit te voeren om alle opgeslagen informatie te wissen.
Er kan geen toegang tot systeemgegevens worden verkregen zonder speciale uitrusting en toegang tot de SYNC module van uw auto. Wij zullen geen toegang tot de systeemgegevens verkrijgen voor andere dan de beschreven doeleinden zonder toestemming, rechterlijk bevel of waar nodig op order van wettelijke uitvoerders, andere overheidsinstanties of derden die als wettelijke autoriteit gelden. Andere partijen kunnen onafhankelijk van ons om toegang tot de informatie vragen. Zie voor meer informatie de gedeeltes over noodhulp.
SPRAAKHERKENNING GEBRUIKEN
Dit systeem helpt u bij de bediening van veel functies m.b.v. spraakcommando's. Hierdoor kunt u uw handen aan het stuurwiel houden en u aandacht op de weg voor u gevestigd houden.
Handige tips
Zorg dat het interieur van de auto zo stil mogelijk is. Windgeruis van open ruiten en trillingen door het wegdek kunnen het correct herkennen van gesproken commando's door het systeem voorkomen.
Druk op de spraaktoets en wacht tot de gesproken mededeling van het systeem voltooid is en er een piep volgt, voordat u een commando geeft. Als er van te voren een gesproken commando wordt gegeven, dan registreert het systeem dit niet.
Spreek natuurlijk, zonder lange pauzes tussen de woorden.
U kunt het systeem op elk willekeurig moment tijdens het spreken onderbreken door op het spraakpictogram te drukken. U kunt een spraaksessie ook annuleren door het spraakpictogram op elk willekeurig moment ingedrukt te houden.
Een spraaksessie starten

Druk op de spraaktoets en wacht tot de gesproken mededeling van het systeem voltooid is en er
een piep volgt. Er wordt een lijst met beschikbare commando's in de display weergegeven. Zeg een van de volgende zaken:
| Voor hetZeg | |
| Streamen van audio vanaf uw mobiele telefoon."Bluetooth Audio" | |
| Annuleren van de gevraagde actie."Annuleren" | |
| "Line-in" | Verkrijgen van toegang tot het apparaat dat op de extra ingangsaansluiting aangesloten is. |
| Maken van oproepen."Telefoon" | |
| Terugkeren naar het hoodmenu."SYNC" | |
| "USB" | Verkrijgen van toegang tot het apparaat dat op uw USB-poort is aangesloten. |
| "Spraakinstellingen" | Aanpassen van het spraakniveau voor interactie en feedback. |
| "Help" | Horen van een lijst met gesproken commando's die beschikbaar zijn in de huidige modus. |
Systeeminteractie en -feedback
Het systeem geeft feedback aan de hand van akoestische tonen, propmts, vragen en gesproken bevestigingen, afhankelijk van de situatie en het gekozen interactieniveau (spraakinstellingen). U kunt het spraakherkenningssysteem zodanig aanpassen dat dit meer of minder instructies en feedback geeft.
Een hogere mate van interactie is de standaardinstelling om u te helpen bij het leren van het gebruik van het systeem. U kunt deze instellingen op elk willekeurig moment wijzigen.
Het interactieniveau aanpassen

Druk op de spraakknop. Zeg "Spraakinstellingen" bij een prompt en kies daarna een van
de volgende opties:
| Zal het systeemAls u zegt | |
| "Dialoogmodus gevorderden" | Minder akoestische interactie en meer toonprompts geven. |
| Uitgebreide interactie en begeleiding geven. |
Het systeem schakelt standaard de "Interaction mode standard" (standaard interactiemodus) in.
Bevestigingsprompts zijn korte vragen die het systeem stelt wanneer uw verzoek niet duidelijk is of wanneer er meer reacties op uw verzoek mogelijk zijn. Het systeem kan bijvoorbeeld vragen "Phone, is that correct?".
Druk op de spraaktoets om de instelling voor bevestigingsprompts te wijzigen. Zeg "Spraakinstellingen" bij een prompt en kies daarna een van de volgende opties:
| Zal het systeemAls u zegt | |
| "Bevestiging uit" | Maakt de meest waarschijnlijke keuze op basis van het commando. Er kan soms toch gevraagd worden de instellingen te bevestigen. |
| "Bevestiging aan" | Uw gesproken commando verduidelijken met een korte vraag. |
Het systeem maakt een optielijst aan indien er op basis van uw gesproken commando meerdere mogelijkheden zijn. Indien ingeschakeld, kunnen er maxmiaal vier mogelijkheden ter verduidelijking worden aangegeven.
Zeg bijvoorbeeld, "1" na de toon om John Doe thuis te bellen of "2" na de toon om Johnny Doe mobiel te bellen of "3" na de toon om Jane Doe thuis te bellen.
Dezelfde logica geldt voor media-inhoud. Zeg bijvoorbeeld: "1" na de toon om John Doe te spelen of "2" na de toon om Johnny Doe te spelen of "3" na de toon om Jane Doe te spelen.
| Zal het systeemAls u zegt | |
| "Media kandidatenlijst uit" | Maakt de meest waarschijnlijke keuze uit de media-optielijst. Er kunnen soms toch vragen worden gesteld. |
| "Media kandidatenlijst aan" | Uw gesproken commando voor media-opties verduidelijken. |
| "Telefoon kandidatenlijst uit" | Maakt de meest waarschijnlijke keuze uit de optielijst van de mobiele telefoon. Er kunnen soms toch vragen worden gesteld. |
| "Telefoon kandidatenlijst aan" | Verduidelijkt uw gesproken commando voor telefoonopties. |
Spraakinstellingen wijzigen met behulp van de informatie- en entertainmentdisplay
- Druk op de MENU toets.
- Selecteer SYNC-Instelling..
- Selecteer Spraakinstell..
SYNC GEBRUIKEN MET TELEFOON
Handsfree bellen is een van de hoofdfuncties van SYNC. Ondadnks dat het systeem een verscheidenheid aan functies ondersteunt, zijn veel functies afhankelijk van de mobiele telefoon zelf. De meeste mobiele telefoons met de draadloze Bluetooth-technologie ondersteunen de volgende functies:
- Een inkomend gesprek beantwoorden.
- Een gesprek beëindigen.
- De privacy-modus gebruiken.
- Een nummer kiezen.
-Nummer herhalen.
•Melding gesprek in wacht.
-Beller-ID.
Andere functies zoals het versturen van een tekstbericht (sms) met behulp van Bluetooth en Automatic phonebook download (telefoonboek automatisch downloaden) zijn telefoonafhankelijke functies. Zie de handleiding van uw mobiele telefoon of ga naar uw lokale Ford website om de compatibiliteit van uw mobiele telefoon te controleren.
Mobiele telefoon voor het eerst koppelen
N.B.: Schakel het contact en de radio in.
N.B.: Druk op de pijl omhoog en omlaag op uw audiosysteem om door de menu's te scrollen.
Door uw mobiele telefoon draadloos te verbinden met SYNC kunt u handsfree bellen en gebeld worden.
-
Druk op de toets PHONE. Wanneer in de display Geen telef. gekoppeld wordt aangeduid, druk dan op de toets Toevoegen.
-
Wanneer Begin koppeling door in de display wordt weergegeven, zoek dan naar SYNC op uw apparaat om de koppelingsprocedure te starten. Zorg dat de Bluetooth-functie op uw mobiele telefoon ingeschakeld is voordat het zoeken wordt gestart. Raadpleeg zo nodig de handleiding van uw mobiele telefoon.
-
Voer indien gevraagd in de display van uw mobiele telefoon de PIN van zes tekens, verstrekt door SYNC, in de display in. In de display wordt aangeduid wanneer de koppeling met succes is voltooid.
Afhankelijk van de capaciteit van uw mobiele telefoon en uw markt, kan het systeem u vragen stellen zoals het instellen van de huidige mobiele telefoon als primaire telefoon (de mobiele telefoon waarmee SYNC automatisch verbinding probeert te maken na het inschakelen van het contact), het downloaden van uw telefoonboek, etc.
Meer mobiele telefoons koppelen
N.B.: Zorg dat de radio is ingeschakeld.
N.B.: Druk op de pijl omhoog en omlaag op uw audiosysteem om door de menu's te scrollen.
- Druk op de toets PHONE.
-
Scroll naar en selecteer BT-apparaten.
-
Druk op de toets OK.
-
Druk op de toets Toevoegen om de koppelingsprocedure te starten.
-
Wanneer Begin koppeling door in de display wordt weergegeven, zoek dan naar SYNC op uw apparaat om de koppelingsprocedure te starten. Raadpleeg zo nodig de handleiding van uw mobiele telefoon.
-
Voer indien gevraagd in de display van uw mobiele telefoon de PIN van zes tekens, verstrekt door SYNC, in de audiodisplay in. In de display wordt aangeduid wanneer de koppeling met succes is voltooid.
Het systeem stelt vervolgens vragen, bijvoorbeeld of u de huidige mobiele telefoon als primaire telefoon wilt instellen (de mobiele telefoon waarmee SYNC automatisch verbinding probeert te maken na het inschakelen van het contact), het downloaden van uw telefoonboek, etc.
Spraakcommando's mobiele telefoon
| "TELEFOON" | |
| "Call">" | "Handsfree uit" |
| "<naam> thuis bellen"> | "Pauzeren" |
| "<name> op het werk bellen"> | "Conferentie" |
| "<naam> op kantoor bellen"> | "Menu">2,4 |
| "<naam> op GSM bellen"> | "Telefoonboek">"2 |
| "<naam> op ander nummer bellen"> | "Telefoonboek<naam> thuis"2 |
| "Ontvangen oproepen"> | "Telefoonboek<naam> op kantoor"2 |
| "Gemiste oproepen">2 | "Telefoonboek<naam> op het werk"2 |
| "Gekozen">2 | "Telefoonboek<naam> op GSM"2 |
| "Verbindingen">2 | "Telefoonboek<naam> op ander nummer"2 |
| "Kiezen">1,3 | - |
1 Bij deze commando's hoeft u niet eerst "Telefoon" te zeggen.
2 Deze commando's zijn niet beschikbaar tot de telefooninformatie volledig met behulp van Bluetooth is gedownload.
3 Zie de tabel Kiezen hierna.
4 Zie de tabel Menu hierna.
Telefoonboekcommando's. Wanneer u SYNC vraagt om toegang tot een naam, nummer, etc. in het telefoonboek, dan wordt de gevraagde informatie in de display weergegeven. Druk op de toets Phone en zeg "Bellen" om de contactpersoon te bellen.
| "KIEZEN" |
| "112" (een een twee), etc. |
| "700" (zevenhonderd) |
| "800" (achthonderd) |
| "900" (negenhonderd) |
| "Pond", (#) |
| "Nummer <0-9>" |
| "Asterisk" (*) |
| "Alles wissen" (verwijdert alle ingevoerde tekens) |
| "Wissen" (verwijdert een teken) |
| "Plus" |
| "Sterretje" |
N.B.: Om de kiesmodus te verlaten, houdt u de toets Phone ingedrukt en drukt u op MENU of een andere toets.
| "MENU" |
| "(Telefoon) verbindingen" |
| "SMS melden uit" |
| "SMS melden aan" |
| "Beltoon instellen" |
| "Beltoon 1 instellen" |
| "Beltoon 2 instellen" |
| "Beltoon 3 instellen" |
| "Beltoon (telefoon) uit" |
| "Telefoonnaam" |
| "Tekstberichten inbox" |
| Woorden tussen ( ) zijn optioneel en hoeven niet gezegd te worden om het systeem het commando te laten begrijpen. |
Bellen
Druk op de spraaktoets en, wanneer dit gevraagd wordt, zeg:
- "
bellen" of "Kiezen", en vervolgens het gewenste nummer. - Wanneer het systeem het nummer bevestigt, zeg dan nogmaals "Kiezen" om te bellen.
Om het laatst genoemde cijfer te verwijderen, zegt u "Wissen" of drukt u op de pijl naar links. Om alle genoemde cijfers te verwijderen, zegt u "Alles wissen" of houdt u de pijl naar links ingedrukt.
Om het gesprek te beëindigen, drukt u op de toets End call (Einde) op het stuurwiel of selecteert u Einde in de display en drukt u op OK.
Gebeld worden
Wanneer u wordt gebeld, kunt u:
- De oproep beantwoorden door op de toets Accept Call (Oproep accepteren) op het stuurwiel te drukken of Oproep accepteren op de display te selecteren en op OK te drukken.
- Om het gesprek te weigeren, drukt u op de toets Reject Call (Oproep weigeren) op het stuurwiel of selecteert u Oproep weigeren in de display en drukt u op OK.
- De oproep negeren door niets te doen.
Telefoonopties tijdens een actief gesprek
Tijdens een actief gesprek heeft u extra menufuncties tot uw beschikking, zoals een gesprek in de wacht zetten, gesprekken samenvoegen, etc.
Voor toegang kiest u een van de beschikbare opties onderaan de display of drukt u op Meer.
| Kunt uNa het selecteren van | |
| Mic. uit | De microfoon van uw auto uitschakelen. Om de microfoon in te schakelen, drukt u nogmaals op de toets Mic. off (microfoon uit). |
| Privé | Een gesprek van een actieve handsfree omgeving overschakelen naar uw mobiele telefoon voor een meer privé gesprek.Indien geselecteerd, wordt Privé in de display weergegeven. |
| Een actief gesprek in de wacht zetten.Pauze Indien geselecteerd, wordt Pauze in de display weergegeven. | |
| Nummer kiezen | Nummers invoeren, bijvoorbeeld nummers voor wacht-woorden, met behulp van het systeemtoetsenbord. |
| Conferentie | Twee afzonderlijke gesprekken samenvoegen. (SYNC ondersteunt maximaal drie bellers in een meervoudig gesprek of conferentiegesprek.)1. Druk op Meer.2. Verkrijg toegang tot het gewenste contact via SYNC of gebruik spraakcommando's om de tweede oproep te plaatsen. Indien het tweede gesprek actief is, drukt u op de toets Meer.3. Scrol tot Conferentie verschijnt en druk op OK. |
| Toegang tot de contacten in uw telefoonboek verkrijgen.T1. Druk op Meer.2. Scrol tot Telefoonboek verschijnt en druk op OK.3. Scrol door de contacten in uw telefoonboek.2. Druk nogmaals op OK wanneer de gewenste selectie in de display wordt weergegeven.3. Druk op de toets OK of Kiezen om de selectie te bellen. | |
| Toegang tot uw oproeplijsten verkrijgen.Oproeplijsten1. Druk op Meer.2. Scrol tot Oproeplijsten verschijnt en druk op OK.3. Scrol door de opties in oproeplijsten (ontvangen, gekozen of gemiste).4. Druk op OK wanneer de gewenste selectie in de display wordt weergegeven.5. Druk op de toets OK of Kiezen om de selectie te bellen. |
Toegangsfuncties via het telefoonmenu
U kunt toegang tot uw oproeplijsten en telefoonboek verkrijgen, tekstberichten versturen en toegang tot de telefoon- en systeeminstellingen verkrijgen. Ook kunt u toegang tot geavanceerde functies zoals noodhulpoproep verkrijgen.
-
Druk op de toets PHONE om het telefoonmenu te openen.
-
Selecteer een van de beschikbare opties.
| Kunt uNa het selecteren van | |
| Nummer kiezen | Een nummer kiezen met behulp van het systeemtoetsen-bord. |
| Opnieuw kiezen | Het laatst gebelde nummer herhalen (indien beschikbaar). Druk op OK om te selecteren. |
| Telefoonboek12 | Toegang tot uw gedownloade telefoonboek verkrijgen.1. Druk op OK om te bevestigen en in te voeren. U kunt de toetsen onderaan het scherm gebruiken om snel toegang tot een alfabetische categorie te verkrijgen. U kunt ook de lettes op het toetsenbord gebruiken om snel naar een bepaalde letter in de lijst te gaan.2. Scrol tot het gewenste contact verschijnt en druk vervolgens op OK.3. Druk op de toets OK of Kiezen om de gewenste selectie te bellen. |
| Oproeplijsten1 | Toegang tot eerder gekozen, ontvangen of gemiste oproepen verkrijgen.1. Druk op OK om te selecteren.2. Scrol om te selecteren uit Ontvangen oproepen, Gekozen oproepen of Gemiste oproepen. Druk op OK en maak uw selectie.3. Druk op de toets OK of Kiezen om de gewenste selectie te bellen.Het systeem probeert bij elke verbinding van uw mobiele telefoon met SYNC uw telefoonboek en oproeplijsten automatisch opnieuw te downloaden (als de functie voor automatisch downloaden ingeschakeld is en uw mobiele telefoon met ingeschakelde Bluetooth deze functie ondersteunt). |
| Snelkeuze | Een van de tien ingevoerde snelkeuzes selecteren. Om een snelkeuze in te voeren, gaat u naar het telefoonboek en houdt u een van de nummers tussen 0 en 9 op het systeemtoetsenbord ingedrukt. |
| SMS1 | Tekstberichten versturen, downloaden en verwijderen. |
| BT-apparaten | Toegang tot de menu-items van Bluetooth-apparaten (toevoegen, verbinden, als primair instellen, aan of uit, verwijderen). |
| Tel.instellingen1 | Onder andere de status van uw mobiele telefoon bekijken, beltonen instellen, uw berichtmelding selecteren, de items in uw telefoonboek wijzigen en het telefoonboek en andere items automatisch downloaden van uw mobiele telefoon. |
| De functie noodhulpoproep in- of uitschakelen.Noodhulpoproep |
1 Dit is een telefoonafhankelijke functie.
Tekstberichten
N.B.: Dit is een telefoonafhankelijke functie.
Met SYNC kunt u tekstberichten ontvangen, versturen, downloaden en verwijderen. Het systeem kan tevens ontvangen tekstberichten lezen, zodat u uw ogen niet van de weg hoeft te nemen.
Een tekstbericht ontvangen
N.B.: Dit is een telefoonafhankelijke functie. Uw mobiele telefoon moet het downloaden van tekstberichten met behulp van Bluetooth ondersteunen om tekstberichten te kunnen ontvangen.
N.B.: Per tekstbericht is slechts één ontvanger toegestaan.
Wanneer een nieuw bericht ontvangen wordt, weerklinkt een toon en geeft de display aan dat u een nieuwe bericht heeft. U heeft de volgende opties:
- Druk op de toets Luister om SYNC het bericht te laten voorlezen.
- Druk op Weerg. om het tekstbericht te openen, druk op negeren of doe niets en het bericht wordt in uw inbox voor tekstberichten geplaatst. Nadat er gedrukt is, heeft u de mogelijkheid het bericht te laten voorlezen, andere berichten weer te geven of Meer te selecteren.
- Open een spraaksessie en zeg "SMS voorlezen".
- Selecteer meer en scrol. Kies tussen:
- Afzender antw.: Druk op OK voor toegang tot de vooraf gedefineerde berichten die u kunt versturen en scrol vervolgens door de lijst.
- Afzender bellen: Druk op OK om de afzender van het bericht te bellen.
- SMS doorsturen: Druk op OK om het bericht door te sturen naar iemand in uw telefoonboek of oproeplijsten. U kunt ook ervoor kiezen een nummer in te voeren.
Uw tekstberichten versturen, downloaden en verwijderen
Tekstberichten zijn een telefoonafhankelijke functie. Indien uw mobiele telefoon compatibel is, kunt u met SYNC tekstberichten ontvangen, versturen, downloaden en verwijderen.
-
Druk op de toets PHONE.
-
Scrol tot SMS verschijnt en druk vervolgens op OK.
Er wordt een lijst met beschikbare tekstberichten weergegeven. U kunt uit de volgende opties kiezen:
- New Hiermee kunt u een nieuw tekstbericht versturen op basis van een vooraf gedefinieerde set van 15 berichten.
-Weerg. Hiermee kunt het hele bericht lezen en wordt bovendien de optie gegeven om het bericht door SYNC te laten voorlezen. Om naar het volgende bericht te gaan, selecteer u Meer. Hiermee kunt u de afzender antwoorden, de afzender bellen of het bericht doorsturen.
·Wissen Hiermee kunt u de huisige tekstberichten van SYNC verwijderen (niet van uw mobiele telefoon). In de display wordt aangeduid wanneer alle tekstberichten zijn gewist door Leeg weer te geven. - More Hiermee kunt u alle berichten wissen of handmatig het downloaden van alle ongelezen berichten van uw mobiele telefoon activeren.
Wanneer u SMS verzenden selecteert, kunt u kiezen uit de volgende vooraf gedefinieerde berichten:
- Kan nu niet.
- Bel je later.
- Veel verkeer :-(.
- Tot over 10 min.
-
Tot over 20 min.
·Ja.
•Nee.
•Bedankt!.
•Lachen:-). -
Ik mis je.
- Ik hou van je.
- Route sturen.
- Bel me.
• Waar ben je?
• Waarom?
Om het bericht te versturen:
- Druk op Zenden wanneer de gewenste selectie in de display gemarkeerd wordt weergegeven.
- Druk op Ja wanneer de contactpersoon wordt weergegeven en druk nogmaals op OK om te bevestigen wanneer het systeem u vraagt of u een bericht wilt versturen. Elk tekstbericht wordt verstuurd met de volgende handtekening: Dit bericht werd verstuurd van mijn Ford.
N.B.: U kunt tekstberichten versturen door een contactpersoon uit het telefoonboek te kiezen en de tekstoptie in de display te selecteren of door een ontvangen bericht in de inbox te beantwoorden.
Toegang tot uw telefoonin- stellingen
Dit zijn telefoonafhankelijke functies. Met uw telefooninstellingen kunt u toegang tot functies (zoals uw beltoon of tekstberichtmelding) verkrijgen en deze aanpassen, uw telefoonboek wijzigen en ook automatisch downloaden instellen.
- Druk op de toets PHONE.
- Scrol tot Tel.instellingen verschijnt en druk vervolgens op OK.
- Scrol om een van de volgende opties te selecteren:
| Kunt uNa het selecteren van | |
| Inst. als hoofd | Als deze optie aangevinkt is, gebruikt SYNC deze mobiele telefoon als de hoofdtelefoon indien er meerdere mobiele telefoons in de auto beschikbaar zijn die aan SYNC gekoppeld zijn. Deze optie kan gewijzigd worden voor alle gekoppelde mobiele telefoons (niet alleen voor de actieve telefoon) via het menuBT-apparaten. |
| Status telefoon | De naam van de mobiele telefoon, de naam van de provider, het nummer van de mobiele telefoon, de signaalsterkte en het batterijniveau bekijken. Dit geldt alleen als de mobiele telefoon deze functie ondersteunt. Hierna kunt u op de pijl naar links drukken om terug te keren naar het telefoonstatusmenu. |
| Beltoon inst. | De beltoon voor een ingaande oproep selecteren (een van het systeem of een van uw mobiele telefoon).1. Druk opOKom te selecteren en scrol omBeltoon 1,Beltoon 2,Beltoon 3andBeltoontelefoonte horen.2. Druk opOKom te selecteren.Als uw mobiele telefoon in-band beltonen ondersteunt, dan klinkt de beltoon van uw mobiele telefoon alsBeltoontelefoonis gekozen. |
| SMS melden | De optie kiezen om een toon te horen die u over een ontvangen tekstbericht informeert.1. Druk opOKom de toon in of uit te schakelen. |
| Inst. tel.boek | De inhoud van uw telefoonboek aanpassen (d.w.z. toevoegen, verwijderen, downloaden). Druk opOKom te selecteren en scrol tussen:Contacten toevoegen:Druk opOKom meer contacten van uw telefoonboek toe te voegen. "Push" de gewenste contacten van uw mobiele telefoon. Zie de handleiding van uw mobiele telefoon voor informatie over de "push" van contacten.Wissen:Druk opOKom het huidige telefoonboek en de oproeplijsten te verwijderen. WanneerTelefoonboek wissen?wordt weergegeven, druk dan opYesom te bevestigen. SYNC keert terug naar het menuTel.instellingen.Nu downloaden:Druk opOKom uw telefoonboek te selecteren en naar SYNC te downloaden.Auto-download:Deze optie om uw telefoonboek automatisch te downloaden wanneer uw mobiele telefoon verbinding maakt met SYNC kunt u in- of uitschakelen. De duur van het downloaden is afhankelijk van de mobiele telefoon en de hoeveelheid.Wanneer automatisch downloaden ingeschakeld is, worden eventueel opgeslagen wijzigingen, toevoegingen of verwijderingen in SYNC sinds uw laatste download verwijderd.Om uw telefoonboek niet automatisch te downloaden wanneer uw mobiele telefoon verbinding maakt met SYNC kunt u deze optie uitschakelen.Toegang tot uw telefoonboek, oproeplijsten en tekstberichten is alleen mogelijk wanneer uw gekoppelde mobiele telefoon met SYNC verbonden is. |
BT-apparaten
Dit menu biedt toegang tot uw Bluetooth-apparaten. Gebruik de pijltoetsen om door de menu-opties te scrollen.
Via het menu BT-apparaten kunt u apparaten toevoegen, verbinden en verwijderen en een mobiele telefoon als primaire telefoon instellen.
Menu-opties Bluetooth-apparaten
- Druk op de toets PHONE om het telefoonmenu te openen.
- Scrol tot BT-apparaten verschijnt en druk vervolgens op OK.
- Scrol om een van de volgende opties te selecteren:
| Kunt uNa het selecteren van | |
| Extra mobiele telefoons aan het systeem koppelen. Toevoegen1. Druk op de toetsToevoegenom de koppelingsprocedure te starten.2. WanneerBegin koppeling doorin de display wordt weergegeven, zoek dan naarSYNCop uw apparaat om de koppelingsprocedure te starten. Raadpleeg zo nodig de handleiding van uw mobiele telefoon.3. Voer indien gevraagd in de display van uw mobiele telefoon de PIN van zes tekens, verstrekt door SYNC, in de radiodisplay in. In de display wordt aangeduid wanneer de koppeling met succes is voltooid.4.Telefoonnaamals favoriete mobiele telefoon instellen? Kies Ja of Nee.5. Afhankelijk van de functionaliteit van uw mobiele telefoon, kunnen er andere vragen worden gesteld (bijv. of u uw telefoonboek wilt downloaden). Druk op Ja of Nee om uw antwoorden te selecteren. | |
| Een gekoppelde telefoon verwijderen.WissenDruk op Wissen en bevestig met Ja wanneer gevraagd wordt het geselecteerde apparaat van SYNC te verwijderen. Nadat een mobiele telefoon uit de lijst verwijderd is, kan de mobiele telefoon alleen verbonden worden door het koppelingsproces opnieuw uit te voeren. | |
| Hoofd | Een eerder gekoppelde mobiele telefoon als primaire mobiele telefoon instellen.Druk op Hoofd om de gewenste mobiele telefoon als de primaire mobiele telefoon te selecteren.Elke keer dat het contact wordt ingeschakeld probeert SYNC verbinding te maken met de primaire mobiele telefoon. Wanneer een mobiele telefoon als primaire telefoon geselecteerd wordt, dan wordt deze als eerste in de lijst weergegeven en gemarkeerd met een asterisk*. |
| Verb. | Een eerder gekoppelde moviele telefoon met ingeschakelde Bluetooth verbinden. U kunt slechts met een apparaat per keer verbinding maken om gebruik te maken van de functionaliteit van de mobiele telefoon. Wanneer er met een andere telefoon verbinding wordt gemaakt, wordt de verbinding met de vorige mobiele telefoon voor de telefoondiensten verbroken. Met SYNC kunt u tegelijkertijd verschillende Bluetooth-apparaten gebruiken voor de functionaliteit van de mobiele telefoon en de functie BT audio afspelen.Druk op Verb. om verbinding te maken met de geselecteerde, eerder gekoppelde mobiele telefoon. |
| Ontkp. | De geselecteerde mobiele telefoon ontkoppelen. Druk op Ontkp. en bevestig met Ja indien gevraagd. Nadat een mobiele telefoon ontkoppeld is, kan hiermee weer verbinding worden gemaakt zonder de volledige koppe-lingsprocedure te hoeven uitvoeren. |
Systeeminstellingen
-
Druk op de knop MENU om het menu van het systeem te openen.
-
Selecteer SYNC-Instelling. en druk vervolgens op OK.
| Kunt uNa het selecteren van | |
| Bluetooth aan | Deze optie in- of uitschakelen om de Bluetooth-interface van het systeem in of uit te schakelen. Selecteer en druk vervolgens op OK om de status van de optie te wijzigen. |
| Standaard inst. | Terugkeren naar de standaardinstellingen. Bij deze selectie wordt uw geïndexeerde informatie (telefoonboek, oproeplijsten, tekstberichten en gekoppelde apparaten) niet gewist.Druk op OK om te selecteren en druk vervolgens op Ja wanneer Standaard inst.? in de display verschijnt. |
| Volledige reset | Alle informatie die op SYNC is opgeslagen (telefoonboek, oproeplijsten, tekstberichten en gekoppelde apparaten) volledig wissen en naar de standaardinstellingen terugkeren.Druk op OK om te selecteren en druk vervolgens op Ja wanneer Volledige reset? in de display verschijnt. De display duidt aan wanneer dit voltooid is en SYNC keert terug naar het menu SYNC-Instelling. |
| Gedownloade applicaties of software-updates installeren. Scrol om te selecteren en druk op OK. Bevestig met Ja wanneer Install. in SYNC in de display wordt weergegeven. Er moet een geldige SYNC-applicatie of -update op de USB-drive beschikbaar zijn om de installatie met succes te kunnen voltooien. | |
| Systeeminfo. | Het versienummer en serienummer van het systeem weergeven.Druk op OK om te selecteren. |
| Spraakinstell. | Het submenu voor spaakinstellingen omvat Dialoogmodus, Bevestig ingave, Telef. kandidaat en Media kandidaat. Zie Spraakherkenning gebruiken (bladzijde 324). |
| USB doorzoeken | De actuele menustructuur van het verbonden USB-apparaat doorzoeken. Druk op OK en gebruik de pijlen omhoog en omlaag om door de mappen en bestanden te scrollen. Gebruik de pijlen naar link en rechts om een map te openen en sluiten. Media-inhoud in dit menu kan direct voor afspelen geselecteerd worden. |
| Noodhulpoproep | De functie noodhulpoproep in- of uitschakelen. Zie Toepassingen en diensten SYNC® (bladzijde 339). |
TOEPASSINGEN EN DIENSTEN SYNC®
- Druk op de knop MENU om het menu van het systeem te openen.
- Scrol tot SYNC-Applic. is geselecteerd en druk vervolgens op OK.
Er wordt een lijst met beschikbare applicaties weergegeven. Elke applicatie kan zijn eigen specifieke instellingen hebben.
SYNC Noodhulpoproep
WAARSCHUWINGEN

Voor de werking van deze functie moet uw mobiele telefoon compatibel zijn met SYNC.

Zorg ervoor dat uw mobiele telefoon zich op een veilige plek in uw auto bevindt. Als dit niet gebeurt, kan dit tot ernstig letsel of beschadiging van de telefoon leiden, waardoor de noodhulpoproep mogelijk niet correct werkt.

Het systeem probeert geen noodhulpoproep te doen als de instelling voor noodhuloproep voorafgaand aan een aanrijding niet op Aan (On) staat ingesteld., Dit kan resulteren in een vertraagde reactietijd, waardoor het risico op ernstig letsel of overlijden mogelijk groter is. Wacht niet tot het systeem een noodhulpoproep verricht als u dit zelf kunt doen. Bel direct de noodhulpdiensten om een vertraging in de reactietijd te voorkomen. Als u u binnen vijf seconden na de aanrijding geen noodhulpoproep hoort, is het systeem of de telefoon mogelijk beschadigd of buiten werking.
N.B.: Zorg voordat u deze functie inschakelt dat u de belangrijke informatie in de privacy notice noodhulporoep verderop in dit hoofdstuk leest.
N.B.: Als de noodhulpoproep ingeschakeld of uitgeschakeld wordt, geldt deze instelling voor alle gekoppelde telefoons. Als de noodhulpoproep is uitgeschakeld, klinkt er een gesproken bericht of wordt een bericht/pictogram (of beide) weergegeven wanneer het contact wordt ingeschakeld.
N.B.: Elke mobiele telefoon werkt anders. Ondanks dat SYNC Noodhulpoproep met de meeste mobiele telefoons werkt, kunnen sommige telefoons problemen met de deze functie vertonen.
N.B.: Voor belangrijke informatie m.b.t. de activering van airbags: Zie Bescherming van inzittenden (bladzijde 25).
In het geval van een aanrijding waarbij een airbag of de veiligheidsschakelaar van het brandstofsysteem wordt geactiveerd, kan het systeem een noodhulpoproep verrichten door 112 te bellen (het noodhulpnummer in de meeste Europese landen) via een gekoppelde en aangesloten mobiele telefoon. Ga voor meer informatie over SYNC en noodhulp naar uw regionale Ford website.
Noodhulpoproep op Aan (On) instellen:
- Druk op de knop PHONE om het menu Phone te openen.
- Scrol naar noodhulpoproep.
- Druk op OK om te bevestigen en open het menu noodhulpoproep.
- Scrol en selecteer Aan of Uit.
-
Druk OK om de selectie te bevestigen. Displayopties:
-
Als Aan is geselecteerd, Ingesteld op Aan in de display weergegeven.
- Als Uit is geselecteerd, dan wordt een dialoogvenster geopend waarmee u een gesproken herinnering kunt instellen.
- Uit met een gesproken herinnering zorgt voor een herinnering in de display en een gesproken herinnering wanneer de mobiele telefoon wordt aangesloten en het contact wordt ingeschakeld.
- Uit zonder een gesproken herinnering zorgt alleen voor een herinnering in de display wanneer de mobiele telefoon wordt aangesloten.
Voor een correcte werking van Noodhulpoproep:
- SYNC® moet van spanning worden voorzien en correct werken ten tijde van de aanrijding en gedurende de activering en het gebruik van de functie.
- De functie noodhulp dient vóór een aanrijding ingeschakeld te zijn.
- Er moet een mobiele telefoon op SYNC aangesloten te zijn.
- In bepaalde landen is er mogelijk een geldige en geregistreerde SIM-kaart en voldoende beltegoed vereist om 112 te kunnen bellen.
- Een aangesloten mobiele telefoon moet ten tijde van het ongeval een oproep kunnen verrichten.
- De netwerkdekking, batterijlading en signaalsterkte van de aangesloten mobiele telefoon moeten voldoende zijn.
•Uw auto moet over accuspanning beschikken en zich in een Europees land bevinden of een regio waarin SYNC Noodhulpoproep de lokale noodhulpdiensten kan bellen. Zie uw lokale Ford website voor meer gegevens.
In het geval van een aanrijding
N.B.: Niet elke aanrijding gaat gepaard met een activering van een airbag of de veiligheidsschakelaar van het brandstofsysteem (wat tot de activering van de noodhulpoproep kan leiden). Als de noodhulpoproep echter geactiveerd wordt, probeert SYNC contact op te nemen met de noodhulpdiensten. Als een aangesloten mobiele telefoon beschadigd is of geen verbinding met SYNC heeft, dan zoekt SYNC naar een andere beschikbare, eerder gekoppelde mobiele telefoon en probeert hiermee verbinding te maken om 112 te kunnen bellen.
Vóór de oproep:
- Als de oproep niet geannuleerd is en met succes is uitgevoerd, wordt eerst het introductiebericht voor de noodhulptelefonist(e) afgespeeld, gevolgd door handsfree communicatie tussen uw auto en de telefonist(e).
•SYNC zorgt voor een kort tijdvenster (ca. 10 seconden) waarin de oproep geannuleerd kan worden. Als de oproep niet geannuleerd wordt, probeert SYNC 112 te bellen.
•SYNC geeft het volgende of een vergelijkbaar bericht weer: "SYNC probeert een noodhulpoproep te verrichten. Om de oproep te annuleren, kiest u annuleren op het scherm of drukt u op de toets voor het beëindigen van de oproep".
Tijdens een oproep
•Noodhulp maakt gebruik van informatie van het GPS van de auto of het mobiele netwerk (indien beschikbaar) om de meest geschikte taal voor het waarschuwen van de telefonist(e) van de noodhulpdienst en het afspelen van het betreffende introductiebericht te bepalen. Deze informatie kan ook de GPS-coördinaten van uw auto omvatten.
- De taal die gebruikt wordt voor interactie met de inzittenden van de auto wordt vooraf door de gebruiker geselecteerd voor alle SYNC functies en kan verschillen van de taal die door SYNC gebruikt om informatie naar de telefonist(e) van de noodhulpdienst door te geven.
- Nadat het introductiebericht is afgespeeld, blijft de lijn open zodat er handsfree met de telefonist(e) van de noodhulpdienst gesproken kan worden.
- Wanneer de lijn geopend wordt, dient u erop voorbereid te zijn om informatie over uw naam, telefoonnummer en locatie te verstrekken.
N.B.: Terwijl er informatie aan de telefonist(e) van de nppdhulpdienst wordt verstrekt, hoort u het volgende of een vergelijkbaar bericht "Een moment geduld terwijl er belangrijke informatie aan de telefonist(e) van de noodhulpdienst wordt verstrekt." SYNC geeft de melding "liijn open" of een degelijke melding aan het begin van de handsfree communicatie.
N.B.: Tijdens een noodhulpoproep wordt een noodscherm in de display van uw auto weergegeven waarop de GPS-coördinaten, indien beschikbaar, staan vermeld. Deze coördinaten komen overeen met de informatie in het introductiebericht voor de telefonist(e) van de noodhulpdienst.
N.B.: De telefonist(e) van de noodhulpdienst kan, onafhankelijk van SYNC Noodhulpoproep, ook informatie van het mobiele netwerk, zoals het telefoonnummer, de locatie van de telefoon en de telefoonmaatschappij, ontvangen.
Een noodhulpoproep werkt mogelijk niet als:
•Uw mobiele telefoon of de hardware van de Noodhulpoproep bij een aanrijding beschadigd is.
- De accu van de auto of het SYNC systeem geen voeding heeft.
- Uw telefoon bij een aanrijding uit het voertuig wordt geworpen.
- Uw telfoon niet over een geldige en geregistreerde SIM-kaart en beltegoed beschikt.
•U zich in een Europees land of een regio bevindt waarin de SYNC Noodhulpoproep niet verricht kan worden. Zie uw lokale Ford website voor meer gegevens.
Belangrijke informatie over de functie Ford SYNC Noodhulpoproep
Noodhulpoproep verricht momenteel geen oproepen naar noodhulpdiensten in de volgende landen: Albanië, Wit-Rusland, Bosnië-Herzegovina, Macedonië, Nederland, Oekraïne, Moldavië en Rusland.
Zie uw lokale Ford website voor recente gegevens.
Privacy notice noodhulpoproep
Wanneer Noodhulpoproep ingeschakeld is, kan er aan de noodhulpdiensten worden doorgegeven dat de auto bij een aanrijding betrokken is, waarbij een airbag of de veiligheidsschakelaar van het brandstofsysteem geactiveerd is. Deze functie kan mogelijk informatie over uw locatie of andere informatie over uw voertuig of de aanrijding aan de telefonist(e) doorgeven, zodat de juiste noodhulpdiensten ingeschakeld kunnen worden.
Indien u niet wilt dat deze informatie bekend gemaakt wordt, schakel deze functie dan niet in.
SYNC® GEBRUIKEN MET MEDIA PLAYER
U kunt toegang krijgen tot en muziek afspelen vanaf uw digitale audiospeler via het luidsprekersysteem van de auto met behulp van het mediamenu van het systeem of met spraakcommando's. U kunt uw muziek ook sorteren en afspelen op een specifieke categorie, zoals artiest, album, etc.
SYNC is geschikt voor bijna alle digitale mediaspelers, waaronder: iPod®, Zune™, "Plays from device" spelers en de meeste USB-drives. SYNC ondersteunt ook audioformaten zoals MP3, WMA, WAV en ACC.
Uw digital mediaspeler aansluiten op de USB-poort
N.B.: Als uw digitale mediaspeler een aan/uit-schakelaar heeft, zorg er dan voor dat het apparaat ingeschakeld is.
Verbinden met behulp van spraakcommando's
- Sluit het apparaat op de USB-poort van de auto aan.
- Druk op de spraaktoets en zeg "USB" wanneer dit gevraagd wordt.
- U kunt nu muziek afspelen door een van de betreffende spraakcommando's te geven. Zie de spraakcommando's voor media.
Verbinden met behulp van het systeemmenu
- Sluit het apparaat op de USB-poort van de auto aan.
- Druk op de toets AUX tot Initialiseren linksboven in de display verschijnt.
- Afhankelijk van hoeveel digitale mediabestanden er op het aangesloten apparaat, kan USB indexeren in de display verschijnen. Wanneer de indexering voltooid is, keert het scherm terug naar het menu Play.
Druk op Zoeken. U kunt nu door de lijst scrollen:
·Alles afspelen.
·Afspeellijsten.
-Nummers.
·Artiesten.
Albums.
-Genres.
- USB doorzoeken.
- Reset Sync USB.
·Afsluiten.
Wat speelt er nu?
Op elk moment dat er een nummer wordt afgespeeld, kunt u op het spraakpictogram drukken en aan het systeem vragen "Wat speelt er nu?". Het systeem leest de metadata-tags (indien van informatie voorzien) van het nummer dat wordt afgespeeld.
Spraakcommando's voor media

Druk op de spraaktoets en, wanneer dit gevraagd wordt, zeg "USB" en vervolgens een van de
volgende opties:
| "USB" | |
| "Pauze" | |
| "Herhalen uit""Afspelen" | |
| "Albumafspelen"1,2 | "Herhalen aan" |
| "Alles afspelen" | "Albumzoeken"1,2 |
| "Artiestafspelen"1,2 | "Artiestzoeken"1,2 |
| "Genreafspelen"1,2 | "Genrezoeken"1 |
| "Volgende map"3 | "Nummerzoeken"1 |
| "Volgend nummer" | "Nummerzoeken"1,2 |
| "Afspeellijstafspelen"2 | "Shuffle uit" |
| "Vorige map"3 | "Shuffle aan" |
| "Soortgelijke muziek""Vorig num | |
| "Liedafspelen"1 | "Wat speelt er nu?" |
| "Nummerafspelen"1,2 | |
2 Spraakcommando's die niet beschikbaar zijn tot de indexering voltooid is.
3 Spraakcommando's die alleen in de mapmodus beschikbaar zijn.
| Leidraad spraakcommando's | |
| "Genre zoeken" of "Genre afspelen" | Het systeem zoekt alle gegevens van uw geïndexeerde muziek en begint, indien beschikbaar, met het afspelen van het gekozen muziektype. U kunt alleen muziekgenres afspelen die in de genre metadata-tags op uw digitale mediaspeler aanwezig zijn. |
| "Soortgelijke muziek" | Het systeem stelt een afspeellijst samen en speelt vervolgens muziek af die vergelijkbaar is met de muziek die momenteel via de USB-poort wordt afgespeeld, aan de hand van de geïndexeerde metadata-informatie. |
| Zoeken of Afspelen, "Artiest", "Nummer" of "Album" | Het systeem zoekt naar een specifiek(e) artiest, nummer of album in de via de USB-poort geïndexeerde muziek. |
Het systeem kan ook muziek van uw mobiele telefoon via Bluetooth afspelen.
Om naar de Bluetooth audio te schakelen, gebruikt u de toets AUX of Source of drukt u op de spraaktoets en zegt u "Bluetooth audio" wanneer dit gevraagd wordt, gevolgd door een van de volgende opties:
| "BLUETOOTH AUDIO" |
| "Verbindingen" |
| "Pauze" |
| "Afspelen" |
| "Volgend nummer" |
| "Vorig nummer" |
Functies mediamenu
Met het mediamenu kunt u selecteren welke mediabron u wilt gebruiken, hoe u uw muziek wilt afspelen (op artiest, genre, shuffle, herhalen, etc.), kunt u soortgelijke muziek vinden of de index van uw USB-apparaten resetten.
-
Druk op AUX om USB-weergave te selecteren en vervolgens op Opties om het menu Media te openen.
-
Scrol om te navigeren door:
| Kunt uNa het selecteren van | |
| De afspeellijst willekeurig afspelen en een nummer herhalen | Uw muziek willekeurig afspelen of herhalen. Wanneer deze selecties zijn ingeschakeld, blijven ze ingeschakeld tot ze weer uitgeschakeld worden. |
| Soortgelijke muziek | U kunt soortgelijke muziek als in de huidige afspeellijst afspelen via de USB-poort. Het systeem maakt gebruik van de metadata-informatie van elk nummer om een afspeellijst samen te stellen. Het systeem creëert een nieuwe lijst van soortgelijke nummers en begint vervolgens met afspelen. Voor deze functie moet de metadata-tag van elk nummer van informatie zijn voorzien. Als uw metadata-tags geen informatie bevatten, dan zijn de nummers bij bepaalde afspeelapparatuur niet beschikbaar in spraakherkenning, afspeelmenu of soortgelijke muziek. Als u deze nummers echter op uw afspeelapparaatuur opslaat in de mass storage device mode dan zijn ze beschikbaar in spraakherkenning, de menuverkenner Afspelen en Soortgelijke muziek. Onbekende items worden in een lege metadata-tag geplaatst. |
| Reset SYNC USB | Voert een reset van de USB-index uit. Nadat de nieuwe indexering is voltooid, kunt u kiezen wat u uit de USB-bibliothek wilt afspelen. |
Toegang tot de USB-bibliotheek
Met dit menu kunt u uw mediabestanden selecteren en afspelen op artiest, album, genre, afspeellijst, nummer of zelfs verkennen wat er op uw USB-apparaat staat.
- Zorg dat uw apparaat op de USB-poort is aangesloten en ingeschakeld is.
- Druk op AUX om USB-weergave te selecteren en vervolgens op Zoeken.
Als er geen mediabestanden beschikbaar zijn, dan wordt dit op de display aangeduid. Als er wel mediabestanden beschikbaar zijn, dan kunt u door de volgende opties scrollen en hieruit selecteren:
| Kunt uNa het selecteren van | |
| Alles afspelen | Alle geïndexeerde mediabestanden (nummers) van uw audiospeler afspelen, een per keer in numerieke volgorde. *Druk op OK om te selecteren. De titel van het eerste nummer wordt in de display weergegeven. |
| Playlists | Toegang tot uw afspeellijsten verkrijgen (van formaten zoals . ASX, .M3U, . WPL of . MTP).1. Druk op OK om te selecteren.2. Scrol om de gewenste afspeellijst te selecteren en druk vervolgens op OK. |
| Nummers | Een specifiek nummer zoeken en afspelen dat geïndexeerd is.*1. Druk op OK om te selecteren.2. Scrol om het gewenste nummer te selecteren en druk vervolgens op OK. |
| Artists | Alle geïndexeerde mediabestanden sorteren op artiest. Na het selecteren, stelt het systeem een lijst samen en speelt vervolgens alle artiesten en nummers in alfabetische volgorde af.*1. Druk op OK om te selecteren.2. Scrol om de gewenste artiest te selecteren en druk vervolgens op OK. |
| Albums | Alle geïndexeerde mediabestanden sorteren op albums.*1. Druk op OK om te selecteren.2. Scrol om de gewenste albums te selecteren en druk vervolgens op OK. |
| Genres | Geïndexeerde muziek sorteren op genre (categorie).1. Druk op OK om te selecteren.2. Scrol om het gewenste genre te selecteren en druk vervolgens op OK. |
| USB doorzoeken | Alle ondersteunde digitale mediabestanden op uw via de USB-poort aangesloten media-apparaat doorzoeken. U kunt alleen media-inhoud bekijken die compatibel is met SYNC; andere opgeslagen bestanden zijn niet zichtbaar.1. Druk op OK om te selecteren.2. Scrol om geïndexeerde mediabestanden op uw flash-drive te verkennen en druk vervolgens op OK. |
| Reset Sync USB | Voert een reset van de USB-index uit. Nadat de nieuwe indexering is voltooid, kunt u kiezen wat u uit de USB-bibliothek wilt afspelen. |
* U kunt de toetsen onderaan het scherm gebruiken om snel naar een bepaalde alfabetische categorie te gaan. U kunt ook de lettes op het numerieke toetsenbord gebruiken om snel naar een bepaalde letter in de lijst te gaan.
Bluetooth-apparaten en systeeminstellingen
Toegang tot deze menu's kan verkregen worden met behulp van de display. Zie SYNC gebruiken met telefoon (bladzijde 327).
STORINGSDIAGNOSE SYNC®
Uw SYNC systeem is eenvoudig in gebruik. Indien u echter vragen mocht hebben, raadpleeg dan de onderstaande tabellen.
Gebruik de Ford website om de compatibiliteit van uw mobiele telefoon te controleren.
| Storingen telefoon | ||
| Mogelijk oplossingMogelijke oorzaak | ||
| Veel achter-grondgeluiden tijdens een tele-foongesprek | De audio-instellingen van uw telefoon hebben mogelijk invloed op de werking van SYNC. | Raadpleeg de handleiding van uw telefoon voor informatie m.b.t. de audio-instellingen. |
| Tijdens een gesprek hoor ik de andere persoon, maar andersom niet. | Mogelijke functiestoring van de telefoon. | Probeer het toestel uit te schakelen, het toestel te resetten, de batterij van het toestel te verwijderen en probeer het vervolgens opnieuw. Zorg dat de optie Mic.uit van SYNC op uit is ingesteld. |
| SYNC kan mijn telefoonboek niet downlo-aden. | Dit is een telefoonafhan-kelijke functie.Mogelijke functiestoring van de telefoon. | Ga naar de website om de compatibiliteit van uw telefoon te controleren.Probeer het toestel uit te schakelen, het toestel te resetten of de batterij van het toestel te verwijderen en probeer het vervolgens opnieuw.Probeer de contacten in uw telefoonboek "over te brengen" naar SYNC® door gebruik te make van de functie Contacten toev..Mogelijk oplossingMogelijke oorzaakSto |
| U moet uw telefoon en de functie Auto-download telefoonboek van SYNC inscha-kelen. | ||
| Het systeem zegt "Telefoon-boek gedown-load", maar mijn telefoonboek in SYNC is leeg of er ontbreken contacten. | Beperkte mogelijkheden van uw telefoon. | Probeer de contacten in uw telefoonboek "over te brengen" naar SYNC door gebruik te make van de functieContacten toev.Als de ontbrekende contacten op uw SIM-kaart zijn opgeslagen, probeer ze dan naar het geheugen van het toestel te kopiëren.Verwijderen eventuele afbeeldingen of speciale ringtones die aan het ontbrekende contact gekoppeld zijn.U moet uw telefoon en de functie Auto-download telefoonboek van SYNC inscha-kelen. |
| Ik ondervind problemen bij het verbinden van mijn mobiele tele-foon met SYNC. | Dit is een telefoonafhan-kelijke functie.Mogelijke functiestoring van de mobiele telefoon. | Ga naar de website om de compatibiliteit van uw mobiele telefoon te controleren.Probeer het toestel uit te schakelen, het toestel te resetten of de batterij van het toestel te verwijderen en probeer het vervolgens opnieuw.Probeer uw toestel uit SYNC te verwijderen, SYNC uit uw toestel te verwijderen en probeer het opnieuw.Controleer altijd de beveiligingsinstellingen en de instellingen van "auto accept/prompt" met betrekking tot de SYNC Blue-tooth-verbinding van uw telefoon.Update de firmware van uw toestel.Schakel de instellingAuto phonebook download(Auto-download telefoonboek)uit. |
| Het versturen van een SMS werkt niet via SYNC. | Dit is een telefoonafhan-kelijke functie. | Ga naar de website om de compatibiliteit van uw mobiele telefoon te controleren.Mogelijk oplossingMogelijke oorzaak |
| Mogelijke functiestoring van de mobiele telefoon. | Probeer het toestel uit te schakelen, het toestel te resetten of de batterij van het toestel te verwijderen en probeer het vervolgens opnieuw. | |
| SMS-audiobe-richten werken niet op mijn mobiele tele-foon. | Dit is een beperking van het toestel. | Dit is een telefoonafhankelijke functie. Uw mobiele telefoon moet het downloaden van tekstberichten via Bluetooth onder- steunen om tekstberichten te kunnen ontvangen.Toegang tot het menu SMS van SYNC om te controleren of de functie door uw mobiele telefoon ondersteund wordt. Druk op de toets PHONE, scrol en selecteer daarna SMS en druk vervolgens op OK.Omdat elke mobiele telefoon anders is, dient u de gebruikershandleiding te controleren van de mobiele telefoon die gekoppeld wordt. Er kan kunnen verschillen tussen mobiele telefoons bestaan op basis van merk, model, serviceprovider en softwa-reversie. |
| Storingen USB en media | ||
| Mogelijk oplossingMogelijke oorzaak | ||
| Ik ondervind problemen bij het aansluiten van mijn appa- raat. Controleer of u de kabel van de fabrikant gebruikt.Zorg dat de USB-kabel correct op het toestel en op de USB-poort van de auto is aangesloten. | Mogelijke functiestoring van het apparaat. | |
| Mogelijk oplossingMogelijke oorzaakSto | ||
| Controleer of het toestel niet beschikt over een automatisch installatieprogramma of actieve beveiligingsinstellingen. | ||
| SYNC herkent het toestel niet wanneer ik het contact van mijn auto inschakel. | Dit is een beperking van het apparaat. | Zorg dat u het apparaat niet in de auto achterlaat bij zeer hoge of lage tempera-turen. |
| Bluetooth audio streamt niet. | Dit is een telefoonafhan-kelijke functie. Het apparaat is niet aangesloten. | Zorg dat het apparaat op SYNC is aange-sloten en dat u op afspelen op uw apparaat heeft gedrukt. |
| SYNC herkent de muziek op mijn apparaat niet. | Uw muziekbestanden bevatten mogelijk niet de juiste informatie over artiest, titel, album of genre.zijn.Er kunnen auteursrechten op het nummer rusten, waardoor afspelen niet mogelijk is. | Zorg dat de nummers over alle informatie-details beschikken.Bij sommige apparaten moet u de USB-instellingen wijzigen van massa-opslag naar media transfer protocol-klasse (MTP-klasse).Het bestand kan corrupt |
| Wanneer mijn iPhone of iPod Touch tegelijkertijd via USB en Bluetooth Audio is aangesloten, hoor ik soms geen geluid. | Dit is een beperking van het apparaat. | Selecteer in het afspeelscherm van de iPhone of iPod Touch het airplay-pictogram van het audio-apparaat onderaan het scherm van uw iPhone of iPod Touch.Selecteer SYNC om naar de iPhone of iPod Touch te luisteren via Bluetooth Audio.Selecteer Dock Connector om naar de iPhone of iPod Touch te luisteren via USB. |
| Storingen spraakcommando's | ||
| Mogelijk oplossingMogelijke oorzaakSto | ||
| SYNC begrijpt niet wat ik zeg. | U gebruikt mogelijk onjuiste spraakcom-mando's. | Controleer de spraakcommando's voor uw mobiele telefoon en voor uw media aan het begin van de betreffende hoofdstukken.Mogelijk oplossingMogelijke oorzaak |
| U spreekt mogelijk te snel of op het verkeerde moment. | Zie het scherm tijdens een actieve spraaksessie voor een lijst met spraakcommando's.De microfoon van het systeem bevindt zich in de binnenspiegel of net boven de voorruit in de hemelbekleding. | |
| SYNC begrijpt de naam van een nummer of artiest niet. Zeg h | U gebruikt mogelijk onjuiste spraakcommando's.het zeghden aan der and geltijk niet precies zoals deze is opgeslagen.Het systeem "leest" de naam mogelijk niet op dezelfde manier als u deze zegt. | Controleer de spraakcommando's voor uw media aan het begin van het betreffende mediahoofdstuk.precies zoalsdit in de lijst wordt vermeld. Als u "Play Artist Prince" zegt, speelt het systeem geen muziek van Prince and the Revolution of Prince and the New Power Generation.Zorg dat u altijd de gehele titel noemt, zoals "California remix featuring Jennifer Nettles".Als de nummers zijn opgeslagen met hoofdletters, dan dient u deze te spellen.Voor LOLA moet u "L-O-L-A" zeggen.Gebruik geen speciale tekens in de titel, want die worden niet door het systeem herkend. |
| SYNC begrijpt of belt niet de juiste contact-persoon wanneer ik wil bellen. | U gebruikt mogelijk onjuiste spraakcommando's.U zegt de naam mogelijk niet precies zoals deze is opgeslagen.De contacten in uw tele-foonboek zijn mogelijk erg kort, lijken op elkaar of bevatten speciale tekens.De contacten in uw tele-foonboek zijn opgeslagen met hoofdletters. | Controleer de spraakcommando's voor uw telefoon aan het begin van het hoofdstuk mobiele telefoon.Spreek de naam van de contactpersoon precies uit zoals deze in de lijst wordt vermeld. Als bijvoorbeeld een contactper- soon is opgeslagen als Joe Wilson, zeg dan "Call Joe Wilson".Het systeem werkt beter wanneer volledige namen in de lijst worden vermeld, zoals "Joe Wilson" in plaats van alleen "Joe".Gebruik geen speciale tekens, zoals 123 of ICE, want die worden niet door het systeem herkend.Als de contacten zijn opgeslagen met hoofdletters, dan dient u deze te spellen.Voor JAKE dient u "Call J-A-K-E" te zeggen.Mogelijk oplossingMogelijke oorzaakSto |
| U kunt ook gebruik maken van de mobiele telefoon en media-optielijst om een lijst met mogelijke opties te verkrijgen als het systeem u niet volledig begrepen heeft. Zie Spraakherkenning gebruiken (bladzijde 324). | ||
| Het SYNC spraakbestu-ringssysteem heeft problemen met het herkennen van buiten-landse namen in de contacten-lijst van mijn mobiele tele-foon. | Buitenlandse namen worden uitgesproken met de actueel geselecteerde taal voor SYNC. | Het SYNC systeem past de phonetische uitspraakregels van de geselecteerde taal op de contactnamen in de mobiele telefoon toe.Handige tip: Selecteer uw contactpersoon handmatig (PHONE > Telefoonboek > contactnaam) en druk op de Horen soft-key. SYNC leest de contactnaam voor, zodat u een idee krijgt van welke uitspraak SYNC verwacht. |
| Het SYNC spraakbestu-ringssysteem heeft problemen met het herkennen van buiten-landse nummers, artiesten, albums, genres en namen in de afspeellijst van de USB media-player of USB flashdrive. | Buitenlandse namen worden uitgesproken met de actueel geselecteerde taal voor SYNC. | Het SYNC systeem past de phonetische uitspraakregels van de geselecteerde taal op de namen in de USB mediaplayer of USB flashdrive toe. Het systeem kan enkele uitzonderingen maken voor zeer populaire artiestennamen (bijv. U2), zodat u altijd de Engelse uitspraak voor deze artiesten kunt gebruiken. |
| Gesproken aanwijzingen worden elektro-nisch gegene-reerd en de uitspraak van | Het SYNC systeem maakt gebruik van tekst-naar-spraak technologie voor gesproken aanwij-zingen. | Het systeem gebruikt een synthetisch gegenereerde stem in plaats van een vooraf opgenomen menselijke stem.Mogelijk oplossingMogelijke oorzaak |
| sommige woorden kan mogelijk niet correct zijn in de betreffende taal. | SYNC biedt verschillende nieuwe spraakbesturingsfuncties voor een uitgebreid aantal talen. Een contacnaam direct uit het telefoonboek bellen zonder opname vooraf (bijv. “bel John Smith”) of een nummer, artiest, album, genre of afspeellijst in uw USB mediaplayer direct selecteren (bijv."speel artiest Madonna"). | |
| Met mijn vorige Bluetooth spraakbesturingssysteem kon ik de radio, CD-speler en klimaatregelsystemen bedienen.Waarom kan ik deze systemen niet met SYNC bedienen? | SYNC is erop gericht uw mobiele apparatuur en de opgeslagen inhoud ervan te bedienen. | SYNC biedt aanzienlijk meer mogelijkheden ten opzichte van de voorgaande systemen, zoals:Een contacnaam direct uit het telefoonboek bellen zonder opname vooraf (bijv. “bel John Smith”) of een nummer, artiest, album, genre of afspeellijst in uw USB mediaplayer direct selecteren (bijv."speel artiest Madonna"). |
| Algemeen | ||
| Mogelijk oplossingMogelijke oorzaak | ||
| De geselecteerde taal voor de display van het instrumentenpaneel en de informatie- en entertainment-display (radio, CD, menu-instellingen, | Een niet door SYNC ondersteunde taal is momenteel geselecteerd voor de display van het instrumentenpaneel en de informatie- en entertainmentdisplay. | SYNC ondersteunt slechts vier talen in een afzonderlijke module voor tekstweergave, spraakbesturing en gesproken aanwijzingen. De vier talen in elke bundel worden geselecteerd op basis van de meest gangbare talen die gesproken worden in het land waar de auto wordt verkocht. Als de geselecteerde taal niet beschikbaar is, blijft SYNC gebruik maken van de op dat moment actieve taal. |
SYNC
| Algemeen | ||
| Mogelijk oplossingMogelijke oorzaakSto | ||
| etc.) komt niet overeen met de SYNC taal (telefoon, USB, Bluetooth audio, spraakbesturing en gesproken aanwijzingen). | SYNC biedt verschillende nieuwe spraakbesturingsfuncties voor een uitgebreid aantal talen. Een contacnaam direct uit het telefoonboek bellen zonder opname vooraf (bijv. “bel John Smith”) of een nummer, artiest, album, genre of afspeellijst in uw USB mediaplayer direct selecteren (bijv."speel artiest Madonna"). | |
TYPEGOEDKEURINGEN
FCC/INDUSTRYCANADA NOTICE
Het apparaat voldoet aan Deel 15 van de FCC-regelgeving. Bediening is onderhevig aan de volgende twee voorwaarden: (1) dit apparaat mag geen schadelijke interferentie veroorzaken en (2) dit apparaat moet ontvangen interferentie accepteren (inclusief interferentie die kan leiden tot ongewenste bediening).
FCC ID: WJLRX-42
IC: 7847A-RX42
Het uitvoeren van wijzigingen of modificaties aan het apparaat zonder nadrukkelijke toestemming van de verantwoordelijke partij kan leiden tot vervallen van het recht op bediening van het apparaat.
RX-42 - Conformiteitsverklaring
Wij, de partij verantwoordelijk voor naleving, verklaren onder volledige verantwoordelijkheid dat het product Handset Integration RX-42 voldoet aan de vereisten van Council Directive 1999/5/EC. Een kopie van de Conformiteitsverklaring kunt u vinden op:
www.novero.com/declaration_of_conformity
Het woord, het merk en de logo's Bluetooth zijn eigendom van Bluetooth SIG Inc. en de Ford Motor Company mag dergelijke merktekens onder licentie gebruiken. Namen van andere producten en bedrijven kunnen handelsmerken of handelsnamen van de respectieve eigenaren zijn.
TYPEGOEDKEURINGEN
iPod is een handelsmerk van Apple Inc.
TYPEGOEDKEURINGEN

© 2008 NAVTEQ B.V. Alle rechten voorbehouden.
| AT | “© Bundesamt für Eich- und Vermessungswesen” |
| PL | “© EuroGeographics” |
| FR | “source: Géoroute® IGN France & BD Carto® IGN France” |
| DE | “Die Grundlagendaten wurden mit Genehmigung der zuständigen Behörden entnommen” |
| GB | “Based upon Crown Copyright material.” |
| GR | “Copyright Geomatics Ltd.” |
| IT | “La Banca Dati Italiana è stata prodotta usando quale riferimento anche cartografia numerica ed al tratto prodotta e fornita dalla Regione Toscana.” |
| NO | “Copyright © 2000; Norwegian Mapping Authority” |
| PT | “Source: lgeoE - Portugal” |
| ES | “Información geográfica propiedad del CNIG” |
| SE | “Based upon electronic data © National Land Survey Sweden.” |
| CH | “Topografische Grundlage: © Bundesamt für Landestopographie” |
TYPEGOEDKEURINGEN


Het SD-logo is een handelsmerk.
TYPEGOEDKEURINGEN
Lasersensor

Onzichtbare laserstraal. Kijk niet direct met optische instrumenten (vergrootglazen). Klasse 1M
laserproduct.
WAARSCHUWINGEN

IEC 60825-1: 1993 + A2:2001. Conform FDA-prestatiestandaard voor laserproducten m.u.v. afwijking ereenstemming met laserkennisgeving er Notice) nr. 50, d.d. 26 juli 2001.
| SpecificatiePunt | |
| 45mWMax. gemido | |
| 33nsPulsduur | |
| 905nmGolflengte |
eld ve
TYPEGOEDKEURINGEN
EU-verklaring
Valeo verklaart hierbij dat dit korte bereik-apparaat voldoet aan de noodzakelijke vereisten en andere relevante bepalingen in Directive 1999/5/EC.
Certificaat voor Verenigde Arabische Emiraten

De navigatie-software is gedeeltelijk gebaseerd op de werkzaamheden van het FreeType team © 2006.
TYPEGOEDKEURINGEN
De navigatie-software is gedeeltelijk gebaseerd op de werkzaamheden van de onafhankelijke JPEG groep.
Uw auto is getest en gecertificeerd volgens de wetgeving betreffende elektromagnetische comptabiliteit 45/EEC, UN ECE Regeling 10 of re geldende lokale vereisten). U dient or te zorgen dat apparatuur die u heeft monteerd voldoet aan de betreffende wetgeving. Laat apparatuur door geschoolde monteurs monteren.

Radiofrequentie (RF) zenders (bijv. mobiele telefoons, amateur radiozenders, enz.) mogen alleen in auto worden gemonteerd wanneer voldoen aan de in onderstaande tabelelde parameters. Er zijn geen andere voorzieningen of voorwaarden het monteren of gebruiken ervan.
WAARSCHUWINGEN

Monteer geen zender/ontvangers, microfoons, luidsprekers en dergelijke in het ontvouwbereik van bags.

Bevestig geen antennekabels aan de originele bedrading, brandstofleidingen en remleidingen e auto.
WAARSCHUWINGEN

Houd antenne- en voedingskabels op een afstand van tenminste 10 centimeter van elektronische ules en airbags.

E85998
| Frequentieband MHz | watt (piek RMS) | AntenneplaatsenMaximum uitgang |
| 3,450 W1 – 30 | ||
| 1,2,350 W30 – 54 | ||
| 1,2,350 W68 – 87,5 | ||
| 1,2,350 W142 – 176 | ||
| 1,2,350 W380 – 512 | ||
| 1,2,310 W806 – 940 | ||
| 1,2,310 W1200 – 1400 | ||
| 1,2,310 W1710 – 1885 | ||
| 1,2,310 W1885 – 2025 |
N.B.: Controleer na het aanbrengen van een RF zender of deze niet de overige elektrische uitrusting in de wagen stoort, zowel in de standby- als in de zendmodus.
Controleer alle elektrische uitrusting:
- met het contact AAN
•bij draaiende motor
•tijdens een proefrit bij verschillende snelheden.
Controleer of de elektromagnetische velden die door de gemonteerde zender in het interieur van de auto worden opgewekt niet de grenzen overschrijden waaraan het menselijk lichaam mag worden blootgesteld.
LICENTIEOVEREENKOMST EINDGEBRUIKER
SYNC® Licentieovereenkomst Eindgebruiker (EULA)
•U hebt een apparaat ("APPARAAT") verkregen dat door FORD MOTOR COMPANY gelicenseerde software van een partner van Microsoft Corporation ("MS") bevat. Deze geïnstalleerde, oorspronkelijk van MS afkomstige softwareproducten, evenals bijbehorende media, gedrukte materialen en "online" of elektronische
documentatie ("MS SOFTWARE"), worden beschermd door internationale intellectuele eigendomsrechten en verdragen. De MS SOFTWARE wordt in licentie gegeven, niet verkocht. Alle rechten voorbehouden.
- De MS SOFTWARE kan gekoppeld worden aan en/of communiceren met, of kan later met upgrades worden bijgewerkt om gekoppeld te worden aan en/of te communiceren met door FORD MOTOR COMPANY verstrekte aanvullende software en/of systemen. Deze oorspronkelijk van FORD MOTOR COMPANY afkomstige aanvullende software en systemen van geïnstalleerde, evenals bijbehorende media, gedrukte materialen en "online" of elektronische documentatie ("FORD SOFTWARE"), worden beschermd door internationale intellectuele eigendomsrechten en verdragen. De FORD SOFTWARE wordt in licentie gegeven, niet verkocht. Alle rechten voorbehouden.
- De MS SOFTWARE en/of FORD SOFTWARE kan gekoppeld worden aan en/of communiceren met, of kan later met upgrades worden bijgewerkt om gekoppeld te worden aan en/of te communiceren met door derde software- en serviceleveranciers verstrekte aanvullende software en/of systemen. De oorspronkelijk van derde software- en serviceleveranciers afkomstige aanvullende software en service, evenals bijbehorende media, gedrukte materialen en "online" of elektronische documentatie ("SOFTWARE VAN DERDEN"), worden beschermd door internationale intellectuele eigendomsrechten en verdragen. De SOFTWARE VAN DERDEN wordt in licentie gegeven, niet verkocht. Alle rechten voorbehouden.
- Naar de MS SOFTWARE, FORD SOFTWARE en SOFTWARE VAN DERDEN wordt hierna collectief en afzonderlijk verwezen als "SOFTWARE".
ALSUNIETAKKOORDGAAT MET DEZE LICENTIEOVEREENKOMST EINDGEBRUIKER ("EULA"), DAN MAG U HET APPARAAT NIET GEBRUIKEN EN DE SOFTWARE NIET KOPIEREN. GEBRUIK VAN DE SOFTWARE, MET INBEGRIP VAN MAAR NIET BEPERKT TOT GEBRUIK OP HET APPARAAT, VORMT UW AKKOORD MET DEZE EULA (OF RATIFICATIE VAN EEN VOORGAANDE TOESTEMMING).
VERLENING VAN SOFTWARELICENTIE: Deze EULA verleent u de volgende licentie:
•U mag u de SOFTWARE gebruiken zoals geïnstalleerd op het APPARAAT en anderszins gekoppeld aan door of via FORD MOTOR COMPANY of haar derde software- en serviceleveranciers verstrekte systemen en/of service.
Beschrijving van andere rechten en beperkingen
- Spraakherkenning: Als de SOFTWARE spraakherkenningscomponenten omvat, moet u begrijpen dat spraakherkenning een inherent statistisch proces is en dat herkenningsfouten inherent aan het proces zijn. FORD MOTOR COMPANY noch haar leveranciers kunnen aansprakelijk worden gesteld voor schade voortvloeiend uit fouten in het spraakherkenningsproces.
- Beperkingen van reconstructie, decompilatie en demontage: U mag de SOFTWARE niet reconstrueren, decompileren of demonteren, noch anderen toestaan de SOFTWARE te reconstrueren, decompileren of demonteren, behalve en alleen in de mate dat dergelijke activiteit uitdrukkelijk is toegestaan door toepasselijk recht, niettegenstaande deze beperking.
- Beperkingen van distribueren, kopiëren, modificeren en creëren van afgeleide werken: U mag geen afgeleide werken op basis van de SOFTWARE distribueren, kopiëren, modificeren of creëren, behalve en alleen in de mate dat dergelijke activiteit uitdrukkelijk is toegestaan door toepasselijk recht, niettegenstaande deze beperking.
•Eén EULA: De eindgebruikerdocumentatie bij het APPARAAT en bijbehorende systemen en service kan meerdere EULA's bevatten, zoals meerdere vertalingen en/of meerdere mediaversies
(bijvoorbeeld in de gebruikersdocumentatie en in de software). Zelfs als u meerdere EULA's ontvangt, hebt u slechts een licentie voor het gebruik van één (1) kopie van de SOFTWARE.
-Overdracht van SOFTWARE: U kunt uw rechten onder deze EULA uitsluitend als onderdeel van een verkoop of overdracht van het APPARAAT permanent overdragen, mits u geen kopieën behoudt, u alle SOFTWARE overdraagt (inclusief alle componentonderdelen, media en gedrukte materialen, eventuele upgrades, en, indien van toepassing, certificaten van echtheid, en de ontvanger akkoord gaat met de voorwaarden van deze EULA. Als de SOFTWARE een upgrade is, moet elke overdracht alle voorgaande versies van de SOFTWARE omvatten.
- Beëindiging: Zonder andere rechten te schaden, kan FORD MOTOR COMPANY of MS deze EULA beëindigen indien u niet voldoet aan de voorwaarden en bepalingen van deze EULA.
- Veiligheidsupdates/Digital Rights Management: Eigenaren van inhoud maken gebruik van de WMDRM-technologie, die in uw APPARAAT is opgenomen, ter bescherming van intellectueel eigendom, inclusief auteursrechtelijk beschermde inhoud. Delen van de SOFTWARE op uw APPARAAT gebruiken WMDRM-software om toegang tot WMDRM-beveiligde inhoud te verkrijgen. Als de inhoud niet met WMDRM-software beschermd kan worden, kunnen eigenaren van inhoud Microsoft vragen het vermogen van de SOFTWARE om WMDRM te gebruiken voor het afspelen of kopieren van beschermde inhoud in te trekken. Deze actie heeft geen invloed op
onbeschermde inhoud. Wanneer uw APPARAAT licenties voor beveiligde inhoud downloadt, gaat u ermee akkoord dat Microsoft een intrekkingslijst aan de licenties kan toevoegen. Eigenaars van inhoud kunnen u vragen de SOFTWARE op uw APPARAAT te upgraden voor toegang tot hun inhoud. Als u een upgrade weigert, is toegang tot de inhoud waarvoor de upgrade vereist is niet mogelijk.
- Toestemming voor gebruik van gegevens: U gaat ermee akkoord dat MS, Microsoft Corporation, FORD MOTOR COMPANY, derde software- en systeemleveranciers, hun partners en/of hun aangewezen agent technische informatie verzamelen en gebruiken kunnen die op enige wijze als onderdeel van productsupportdiensten met betrekking tot de SOFTWARE of gerelateerde service verkregen is. MS, Microsoft Corporation, FORD MOTOR COMPANY, derde software- en serviceleveranciers, hun partners en/of hun aangewezen agent mogen deze informatie uitsluitend gebruiken voor het verbeteren van hun producten of het leveren van aangepaste service of technologie aan u. MS, Microsoft Corporation, FORD MOTOR COMPANY, derde software- en serviceleveranciers, hun partners en/of hun aangewezen agent mogen deze informatie aan andere verstrekken, maar niet in een zodanige vorm die u persoonlijk identificeert.
• Servicecomponenten op
internetbasis: De SOFTWARE kan componenten bevatten die het gebruik van bepaalde diensten op internetbasis mogelijk maken en vergemakkelijken. U erkent en aanvaardt dat MS, Microsoft Corporation, FORD MOTOR COMPANY, derde software- en serviceleveranciers, hun partners en/of hun aangewezen agent de versie van de SOFTWARE en/of de componenten ervan waarvan u gebruik maakt kan controleren en upgrades voor of aanvullingen op de SOFTWARE kan verstrekken die automatisch door uw APPARAAT gedownload kunnen worden.
SOFTWARE kan toestaan dat FORD MOTOR COMPANY, derde software-en serviceleveranciers, MS, Microsoft Corporation, hun partners en/of hun aangewezen agent SOFTWARE-updates, aanvullingen, add-on componenten of servicecomponenten op internetbasis van de SOFTWARE verstrekken of ter beschikking stellen na de datum waarop u uw eerste kopie van de SOFTWARE ("Aanvullende componenten") hebt verkregen.
Als FORD MOTOR COMPANY of derde software- en serviceleveranciers u Aanvullende componenten verstrekken of aan u beschikbaar stellen en er geen andere EULA-voorwaarden bij de Aanvullende componenten verstrekt worden, dan gelden de voorwaarden van deze EULA.
Als MS, Microsoft Corporation, hun partners en/of hun aangewezen agent Aanvullende componenten beschikbaar stellen, en er geen andere EULA-voorwaarden verstrekt worden, dan gelden de voorwaarden van deze EULA, behalve dat MS, Microsoft Corporation of partener die de Aanvullende component(en) verstrekt de licentiegever van de Aanvullende component(en) is.
FORD MOTOR COMPANY, MS, Microsoft Corporation, hun partners en/of hun aangewezen agent behouden zich het recht voor zonder aansprakelijkheid aan u verstrekte of beschikbaar gestelde diensten op internetbasis door het gebruik van de SOFTWARE te staken.
- Links naar sites van derden: De MS SOFTWARE kan u de mogelijkheid bieden om te linken naar sites van derden door het gebruik van de SOFTWARE. De sites van derden staan niet onder de controle van MS, Microsoft Corporation, hun partners en/of hun aangewezen agent. MS noch Microsoft Corporation noch hun partners noch hun aangewezen agent zijn verantwoordelijk voor (i) de inhoud van sites van derden, links op de sites van derden, of wijzigingen of updates van sites van derden, of (ii) webcasting of andere vormen van overdracht vanaf sites van derden. Als de SOFTWARE links naar sites van derden verstrekt, dan worden deze links slechts voor uw gemak verstrekt, en het opnemen van een link impliceert geen goedkeuring van de site van derden door MS, Microsoft Corporation, hun partners en/of hun aangewezen agent.
- Verplichting om op verantwoorde wijze te rijden: U erkent uw verplichting om op verantwoorde wijze te rijden en uw aandacht op de weg te houden. U leest en houdt zich aan de gebruiksaanwijzing van het APPARAT, met name als ze betrekking hebben op veiligheid en van elk risico met betrekking tot het gebruik van het APPARAAT wordt uitgegaan.
UPGRADES EN HERSTELMEDIA: Als de SOFTWARE door FORD MOTOR COMPANY los van het APPARAAT wordt verstrekt via media zoals een ROM-chip, CD-ROM('s) of download via internet of andere middelen, en benoemd wordt als "Alleen voor upgrade-doeleinden" of "Alleen voor hersteldoeleinden" mag u één (1) kopie van dergelijke SOFTWARE op het APPARAAT installeren als vervangingskopie voor de bestaande SOFTWARE, en deze gebruiken in overeenstemming met deze EULA, met inbegrip van eventuele aanvullende EULA-voorwaarden bij de upgrade-SOFTWARE.
INTELLECTUELE
EIGENDOMSRECHTEN: Alle aanspraken en intellectuele eigendomsrechten op de SOFTWARE (inclusief maar niet beperkt tot afbeeldingen, foto's, animaties, video, audio, muziek, tekst en "applets" die in de SOFTWARE zijn opgenomen), alsmede begeleidende gedrukte materialen en kopieën van de SOFTWARE, zijn eigendom van MS, Microsoft Corporation, FORD MOTOR COMPANY, of hun partners of leveranciers. De SOFTWARE wordt in licentie gegeven, niet verkocht. U mag de gedrukte materialen bij de SOFTWARE niet kopieren. Alle aanspraken en intellectuele eigendomsrechten op de inhoud waartoe toegang kan worden verkregen door het gebruik van de SOFTWARE is het eigendom van de betreffende eigenaar van inhoud en kunnen beschermd zijn door toepasbaar auteursrecht of andere intellectuele eigendomswetten en verdragen. Deze EULA verleent u geen recht tot het gebruik van dergelijke inhoud. Alle rechten die niet specifiek onder deze EULA zijn toegekend, zijn voorbehouden door MS, Microsoft Corporation, FORD MOTOR COMPANY, terde software- en serviceleveranciers, hun partners en leveranciers. Het gebruik van online diensten waartoe toegang kan worden verkregen via de SOFTWARE kan worden beheerst door de betreffende gebruiksvoorwaarden met betrekking tot dergelijke diensten. Indien deze SOFTWARE documentatie bevat die uitsluitend in elektronische vorm wordt verstrekt, mag u één kopie van dergelijke elektronische documentatie afdrukken.
EXPORTBEPERKINGEN: U erkent dat de SOFTWARE onderworpen is aan de exportwetgeving van de Verenigde Staten en de Europese Unie. U gaat ermee akkoord om aan alle toepasselijke internationale en nationale wetten, inclusief die van de Verenigde Staten, te voldoen die op de SOFTWARE van toepassing zijn. Export Administration Regulations (EAR), alsmede beperkingen met betrekking tot eindgebruikers, eindgebruik en bestemming afgegeven door de Verenigde Staten en andere overheden. Zie voor meer informatie http://www.microsoft.com/exporting/.
HANDELSMERKEN: Deze EULA verleent u geen enkel recht met betrekking tot enige handelsmerken of servicemerken van FORD MOTOR COMPANY, MS, Microsoft Corporation, derde software- en serviceleveranciers, hun partners of leveranciers.
PRODUCTONDERSTEUNING: MS, de bovenliggende coörperatie Microsoft Corporation, of hun partners of dochterondernemingen leveren geen productondersteuning voor de SOFTWARE. Raadpleeg voor productondersteuning de FORD MOTOR COMPANY instructies in de documentatie bij het APPARAAT. Indien u vragen hebt over deze EULA, of om enige andere reden contact wilt opnemen met FORD MOTOR COMPANY, zie dan het adres dat in de documentatie bij het APPARAAT is verstrekt.
Geen aansprakelijkheid voor bepaalde schades: BEHALVE ZOALS VERBODEN DOOR DE WET, KUNNEN FORD MOTOR COMPANY, DERDE SOFTWARE- OF SERVICELEVERANCIERS, MS, MICROSOFT CORPORATION EN HUN PARTNERS IN GEEN ENKEL GEVAL AANSPRAKELIJK WORDEN GESTELD VOOR INDIRECTE, SPECIALE, RESULTERENDE OF INCIDENTELE SCHADE VOORTVLOEIEND UIT OF MET BETREKKING TOT HET GEBRUIK VAN OF PRESTATIES VAN DE SOFTWARE. DEZE BEPERKING GELDT ZELFS ALS ENIGE REMEDIE NIET AAN ZIJN EERSTE DOEL VOLDOET. IN GEEN GEVAL ZIJN MS, MICROSOFT CORPORATION EN/OF HUN PARTNERS AANSPRAKELIJK VOOR EEN BEDRAG VAN MEER DAN TWEEEHONDERDVIJFTIG US DOLLAR (U.S. \$250.00).
-ER ZIJN GEEN ANDERE GARANTIES DAN DIE UITDRUKKELIJK VERSTREKT KUNNEN ZIJN VOOR UW NIEUWE AUTO.
Eindgebruikerinformatie
Microsoft® Windows® Mobile voor belangrijke autombobilveiligheids-informatie
Dit systeem Ford SYNC TM bevat software die in licentie is gegeven aan fabrikant FORD MOTOR COMPANY door een partner van Microsoft Corporation volgens een licentie-overeenkomst. Verwijdering, reproductie, reconstructie of ander onbevoegd gebruik van de software van dit systeem in schending van de licentie-overeenkomst is strikt verboden en kan leiden tot juridische actie.
Lees en volg de instructies: Lees en volg alle instructies en veiligheidsinformatie in deze eindgebruikerhandleiding ("Gebruikershandleiding") voordat u gebruik maakt van uw systeem op basis van Windows Automotive. Het niet opvolgen van de voorzorgsmaateregelen in deze Gebruikershandleiding kan leiden tot een ongeval of andere ernstige gevolgen.
Bewaar de Gebruikershandleiding in de auto: Wanneer de
Gebruikershandleiding in de auto wordt bewaard, kan deze als gebruiksklaar referentiemateriaal dienen voor u en andere gebruikers die niet bekend zijn met het systeem op basis van Windows Automotive. Zorg ervoor dat voor het eerste gebruik van het systeem, alle personen toegang tot de Gebruikershandleiding hebben en de instructies en veiligheidsinformatie zorgvuldig lezen.
WAARSCHUWING

Het bedienen van bepaalde delen van dit systeem tijdens het rijden kan uw aandacht van de weg afleiden, ogelijk een ongeval of andere ernstige gen veroorzaken. Wijzig nooit de eminstellingen of voer nooit verbale gegevens in (met behulp van anden) tijdens het rijden. Stop de auto en veilige en legale wijze voordat u eert deze bewerkingen uit te voeren. belangrijk aangezien tijdens het len of wijzigen van sommige functies schien uw aandacht van de weg moet len en uw handen van het stuurwiel verwijderen.
Algemene bediening
Spraakgestuurde commando's:
Functies binnen het systeem op basis van Automotive Windows kunnen worden bewerkstelligd met enkel gesproken commando's. Via gesproken commando's tijdens het rijden kunt u het systeem bedienen kunt zonder uw handen van het stuurwiel te halen.
Langdurig bekijken van scherm: Verkrijg geen toegang tot een functie waarbij u het scherm tijdens het rijden langdurig moet bekijken. Stop op een veilige en legale manier voordat u probeert toegang te verkrijgen tot een functie van het systeem die langdurige aandacht vereist. Zelfs af en toe vluchtig naar het scherm kijken kan gevaarlijk zijn als uw aandacht op een kritiek moment van uw rijtaak wordt afgeleid.
Volume: Verhoog het volume niet overmatig. Houd het volume tijdens het rijden op een niveau waarbij u kan nog steeds ander verkeer en noodhulpsignalen kunt horen. Rijden terwijl u deze geluiden niet kunt horen, kan tot een ongeval leiden.
Gebruik van spraakherkenningsfuncties:
Spraakherkenningssoftware is een inherent statistisch proces dat aan fouten onderhevig is. Het is uw verantwoordelijkheid om spraakherkenningsfuncties in het systeem te controleren en eventuele fouten te corrigeren.
Navigatiefuncties: Navigatiefuncties in het systeem zijn bedoeld om instructies informatie van afslag tot afslag te leveren tot de gewenste bestemming. Zorg dat alle personen die gebruik maken van dit systeem de instructies en veiligheidsinformatie zorgvuldig lezen en geheel volgen.
Afleidingsgevaar: Navigatiefuncties kunnen een handmatige (non-verbale) instelling vereisen. Een dergelijke instelling uitvoeren of gegevens invoeren tijdens het rijden, kan uw aandacht aanzienlijk afleiden en tot een ongeval of andere ernstige gevolgen leiden. Stop de auto op een veilige en legale wijze voordat u probeert deze bewerkingen uit te voeren.
Stel uw eigen inzicht voorop: Alle verstrekte navigatiefuncties dienen slechts als hulpmiddel. Beslissingen tijdens het rijden dient u op basis van uw eigen observaties van de lokale omstandigheden en de geldende verkeersregels te nemen. Dergelijke functies zijn geen vervanging van uw persoonlijke inzicht. Routesuggesties gemaakt door dit systeem dienen nooit lokale verkeersregels of uw persoonlijke inzicht of kennis van veilige rijpraktijken te vervangen.
Routeveiligheid: Volg de voorgestelde route niet als dit in een onveilige of ongeoorloofde manouevre kan resulteren, als u hierdoor in een onveilige situatie terecht komt of als u naar een gebied wordt geleid dat u als onveilig beschouwt. De bestuurder is uiteindelijk verantwoordelijk voor de veilige bediening van de auto en moet derhalve evalueren of het veilig is om de voorgestelde route te volgen.
Mogelijke onnauwkeurigheden van kaarten: De kaarten waarvan dit systeem gebruik maakt, kunnen onnauwkeurig zijn door eventuele, wegwijzingen, verkeersomstandigheden of rijomstandigheden. Gebruik altijd goed inzicht en gezond verstand wanneer u de voorgestelde routes volgt.
Noodhulpdiensten: Vertrouw niet op navigatiefuncties in het systeem om noodhulpdiensten te lokaliseren. Vraag de lokale autoriteiten of een telefonist(e) van de noodhulpdienst voor deze locaties. Niet alle noodhulpdiensten zoals politiebureaus, brandweerkazernes, ziekenhuizen en klinieken zijn opgenomen in de database van de kaart voor dergelijke navigatiefuncties.
TeleNav-software Licentieovereenkomst Eindgebruiker
Lees deze voorwaarden en bepalingen zorgvuldig voordat u de TeleNav-software gebruikt. Uw gebruik van de TeleNav-software betekent dat u deze voorwaarden en bepalingen accepteert. Als u niet akkoord gaat met deze voorwaarden en bepalingen, zorg dan datde zegel van de verpakking niet verbroken wordt, de TeleNav-software niet verbroken wordt en de software niet anderszins wordt gebruikt.
TeleNav kan deze Overeenkomst en het privacybeleid op elk gewenst moment herzien, met of zonder kennisgeving aan u. U gaat ermee akkoord om van tijd tot tijd http://www.telenav.com te bezoeken om de dan geldende versie van deze Overeenkomst en van het privacybeleid te controleren.
1. Veilig en wettig gebruik
U erkent dat aandacht besteden aan de TeleNav-software voor u en anderen een risico op letsel of overlijden kan betekenen in situaties die anderszins uw volledige aandacht vereisen, en u dus met het volgende instemt bij het gebruik van de TeleNav-software: (a) neem alle verkeersregels in acht en rijd veilig; (b) gebruik uw eigen persoonlijke inzicht tijdens het rijden. Als u denkt dat een door de TeleNav-software voorgestelde route u aanwijzingen geeft een onveilige of illegale manoeuvre te laten uitvoeren, u naar een plek stuurt die u onveilig acht, volg dergelijke aanwijzingen dan niet; (c) zorg dat u geen bestemmingen invoert of de de TeleNav-software anderszins manipuleert, tenzij uw voertuig stilstaat en geparkeerd is; (d) gebruik de TeleNav-software niet voor illegale, onbevoegde, onbedoelde, onveilige, gevaarlijke of onrechtmatige doeleinden, of op een wijze die afwijkt van deze overeenkomst; (e) rangschik alle GPS-apparaten en draadloze apparaten en kabels die nodig zijn voor het gebruik van de TeleNav-software op een veilige manier in uw auto, zodat ze het rijden en de werking van eventuele veiligheidssystemen (zoals een airbag) niet kunnen beïnvloeden.
U gaat ermee akkoord TeleNav te vrijwaren van alle claims die voortvloeien uit eventueel gevaarlijk of anderszins ongepast gebruik van de TeleNav-software in een bewegend voertuig, inclusief gevolgen van uw nalaten om te voldoen aan de bovenstaande aanwijzingen.
2. Accountinformatie
U gaat akkoord: (a) met het verstrekken van juiste, nauwkeurige, actuele en volledige informatie over uzelf aan TeleNav wanneer u de TeleNav-software registreert, en (b) met het direct informeren van TeleNav over eventuele wijzigingen van dergelijke informatie, en deze juist, nauwkeurig, actueel en volledig te houden.
3. Softwarelicentie
Onderworpen aan uw naleving van de voorwaarden van deze Overeenkomst, verleent TeleNav u hierbij een persoonlijke, niet-exclusieve, niet-overdraagbare licentie (behalve zoals uitdrukkelijk is toegestaan met betrekking tot uw permanente overdracht van de TeleNav-softwarelicentie), zonder het recht om sublicentie te geven, de TeleNav-software (alleem in objectcodevorm) te gebruiken voor toegang tot en gebruik van de TeleNav-software. Deze licentie wordt beeindigd bij eventuele beeindiging of afloop van deze Overeenkomst. U gaat ermee akkoord dat u de TeleNav-software alleen gebruikt voor uw persoonlijke zakelijke of recreatieve doeleinden, en niet om commerciële navigatiediensten aan derden te bieden.
3.1 Licentiebeperkingen
U gaat ermee akkoord geen van de volgene zaken te verrichten: (a) reconstrueren, decompileren, demonteren, vertalen, modificeren, wijzigen of anderszins veranderen van de TeleNav-sSoftware of enig deel daarvan; (b) pogen de broncode, audiobibliotheek of structuur van de TeleNav-software af te leiden zonder voorafgaande en uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van TeleNav; (c) verwijderen van de TeleNav-Software, of wijzigen van handelsmerken, handelsnamen, logo's, octrooi- of auteursrechten van TeleNav of zijn leveranciers, of andere kennisgevingen of markeringen; (d) distribueren, sublicentiëren of anderszins overdragen van de TeleNav-software overdragen aan anderen, behalve als deel van uw permanente overdracht van de TeleNav-software; of (e) gebruiken van de TeleNav-software op een manier die (i) inbreuk maakt op de intellectuele eigendomsrechten of merkgebonden rechten, rechten van publiciteit of privacy of andere rechten van een partij, (ii) een wet, statuut, besluit of regelgeving schaadt, met inbegrip van maar niet beperkt tot wet- en regelgeving gerelateerd aan spamming, privacy, consument en kinderbescherming, obsceniteit of smaad, of (iii) schadelijk, bedreigend, beledigend, intimiderend, kwetsend, lasterlijk, vulgair, obsceen, smadend of anderszins verwerpelijk is; en (f) leasen, verhuren, of anderszins ongeoorloofde toegang voor derden tot de TeleNav-software toestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van TeleNav.
4. Disclaimers
Voor zover toegestaan volgens toepasselijk recht, zal TeleNav, zijn licentiegevers en leveranciers, of agenten of werknemers van een van de voorgaande, in geen enkel geval aansprakelijk zijn voor gemaakte beslissingen of ondernomen acties door u of iemand anders, vertrouwend op de informatie verstrekt door de TeleNav-software. TeleNav garandeert ook niet de juistheid van de kaart of andere gegevens die voor de TeleNav-sSoftware worden gebruikt. Dergelijke gegevens kunnen niet altijd overeenkomen met de werkelijkheid vanwege, onder andere, wegafsluitingen, wegwerkzaamheden, constructiewerkzaamheden, weer, nieuwe wegen en andere veranderende omstandigheden. U bent verantwoordelijk voor het gehele risico voortvloeiend uit uw gebruik van de TeleNav-software. U stemt bijvoorbeeld, maar zonder beperking, ermee in om niet op de TeleNav-software te vertrouwen voor kritische navigatie in gebieden waar het welzijn of het voortbestaan van u of anderen afhankelijk is van de nauwkeurigheid van navigatie, aangezien de kaarten of de functionaliteit van de TeleNav-software niet bedoeld zijn ter ondersteuning van dergelijke toepassingen met een hoog risico, vooral in meer afgelegen geografische gebieden.
TELENAV WIJST ALLE GARANTIES MET BETREKKING TOT DE TELENAV-SOFTWARE, WETTELIJK, UITDRUKKELIJK OF IMPLICIET, UITDRUKKELIJK AF EN SLUIT DEZE UIT, MET INBEGRIP VAN ALLE GARANTIES DIE VOORTVLOEIEN UIT VERHANDELEN, GEBRUIK OF HANDEL, EN MET INBEGRIP, MAAR NIET BEPERKT TOT, DE IMPLICIETE GARANTIES VAN VERKOOPBAARHEID, GESCHIKTHEID VOOR EEN BEPAALD DOEL EN NIET-INBREUK OP RECHTEN VAN DERDEN MET BETREKKING TOT DE TELENAV-SOFTWARE. Bepaalde rechtsgebieden staan de disclaimer van bepaalde garanties niet toe, dus deze beperking is mogelijk niet op u van toepassing.
5. Beperking van aansprakelijkheid
VOOR ZOVER TOEGESTAAN ONDER TOEPASSELIJK RECHT, KUNNEN TELENAV OF HAAR LICENTIEGEVERS EN LEVERANCIERS IN GEEN GEVAL AANSPRAKELIJK WORDEN GESTELD DOOR U OF DERDEN VOOR INDIRECTE, INCIDENTELE, VOORTVLOEIENDE, SPECIALE OF , MORELE SCHADE (IN ELK GEVAL INCLUSIEF, MAAR NIET BEPERKT TOT, SCHADE WEGENS DE ONMOGELIJKHEID TOT GEBRUIK VAN DE APPARATUUR OF TOEGANG TOT GEGEVENS, GEGEVENSVERLIES, VERLIES VAN ZAKEN, VERLIES VAN WINSTEN, ONDERBREKING VAN DE BEDRIJFSVOERING OF DERGELIJKE) DIE VOORTVLOEIEN UIT HET GEBRUIK VAN OF HET ONVERMOGEN TOT GEBRUIK VAN DE TELENAV-SOFTWARE, ZELFS ALS TELENAV GEADVISEERD IS OVER VAN DE MOGELIJKHEID VAN DERGELIJKE SCHADE.
NIETTEGENSTAANDE ENIGE SCHADE DIE U OM WELKE REDEN OOK ZOU KUNNEN OPLOPEN (INCLUSIEF EN ZONDER BEPERKING, ALLE SCHADE HIERIN VERMELD EN ALLE DIRECTE OF 09/22/09 - 10 van 19 - Vertrouwelijk ALGEMENE SCHADE IN CONTRACT, ONRECHTMATIGHEDEN (INCLUSIEF NALATIGHEID) OF ANDERSZINS), WORDT DEVOLLEDIGE AANSPRAKELIJKHEID VAN TELENAV EN VAN ALLE LEVERANCIERS VAN TELENAV BEPERKT TOT HET WERKELIJK DOOR U BETAALDE BEDRAG VOOR DE TELENAV-SOFTWARE. SOMMIGE STATEN EN/OF RECHTSGEBIEDEN STAAN DE UITSLUITING OF BEPERKING VAN INCIDENTELE SCHADE OF GEVOLGSCHADE NIET TOE, ZODAT DE BOVENSTAANDE BEPERKINGEN OF UITSLUITINGEN MOGELIJK NIET OP U VAN TOEPASSING ZIJN.
6. Arbitrage en toepasselijk recht
U gaat ermee akkoord dat alle geschillen, claims of controverses voortvloeiend uit of verband houdend met deze Overeenkomst of de TeleNav-software worden beslecht door onafhankelijke arbitrage met betrekking van een neutrale arbiter en beheerd door de American Arbitration Association in de county Santa Clara, Californië. De arbiter past de de commerciële regels van arbitrage (Commercial Arbitration Rules) van de American Arbitration Association toe, en het oordeel op basis van toekenning door de arbiter kan door een bevoegde rechtbank worden ingevoerd. Neem in acht dat er geen rechter of jury bij een arbitrageprocedure is en de beslissing van de arbiter bindend is voor beide partijen. U gaat uitdrukkelijk akkoord uw recht op een juryproces op te zeggen.
Deze Overeenkomst en de prestaties hieronder worden beheerst onder en opgezet volgens de wetten van de staat Californië, zonder gelding van de conflictregels. Voor zover gerechtelijke actie noodzakelijk is in verband met de bindende arbitrage, gaan zowel u als TeleNav ermee akkoord zich te onderwerpen aan de exclusieve bevoegdheid van de rechtbanken van de county Santa Clara, Californië. Het Verdrag van de Verenigde Naties inzake Contracten voor de internationale verkoop van goederen is niet van toepassing.
7. Toewijzing
U mag deze Overeenkomst of een van uw rechten of verplichtingen niet verkopen toewijzen of overdragen, behalve in totaliteit, in verband met uw permanente overdracht van de TeleNav-software, en uitdrukkelijk geconditioneerd op het akkoord gaan van de nieuwe gebruiker van de TeleNav-software met het gebonden zijn door de voorwaarden en bepalingen van deze Overeenkomst. Een dergelijke verkoop, toewijzing of overdracht die niet expliciet is toegestaan onder deze paragraaf zal resulteren in onmiddellijke beeindiging van deze Overeenkomst, zonder aansprakelijkheid aan TeleNav, in welk geval u en alle andere partijen onmiddellijk alle gebruik van de TeleNav-software staken. Niettegenstaande het voorgaande, kan TeleNav deze Overeenkomst op elk moment toewijzen aan enige andere partij zonder voorafgaande kennisgeving, mits de cessionaris gebonden blijft aan deze Overeenkomst.
8. Diversen
8,1
Deze Overeenkomst vormt de volledige overeenkomst tussen u en TeleNav met betrekking tot het onderwerp hiervan.
8,2
Behalve voor de beperkte licenties die uitdrukkelijk zijn verleend in deze overeenkomst, behoudt TeleNav alle rechten, titels en belangen in en op de TeleNav-software, inclusief en zonder beperking alle gerelateerde rechten op intellectueel eigendom. Geen licenties of andere rechten die niet uitdrukkelijk zijn verleend in deze Overeenkomst zijn bedoeld om verleend of toegekend te worden, of worden verleend of toegekend, door implicatie, statuut, aansporing, estoppel of anderszins, en TeleNav en haar leveranciers en licentiegevers behouden hierbij alle andere betreffende rechten dan de licenties expliciet verleend in deze Overeenkomst.
8,3
Door gebruik te maken van de TeleNav-software, gaat u akkoord met het op elektronische wijze ontvangen van alle communicatie, waaronder kennisgevingen, overeenkomsten, wettelijk vereiste openbaarmakingen of andere informatie met betrekking tot de TeleNav-software (collectief "Kennisgevingen"). TeleNav kan dergelijke Kennisgevingen verstrekken door deze op de TeleNav Website te plaatsen of door dergelijke Kennisgevingen naar uw draadloze apparaat te laten downloaden. Als u wenst uw toestemming om Kennisgevingen elektronisch te ontvangen in te trekken, dient u het gebruik van de TeleNav-software te stoppen.
8,4
Het niet eisen van de uitvoer van enige bepaling door u of TeleNav, zal geen afbreuk doen aan het recht van de betreffende partij om de uitvoer op een later tijdstip te eisen, noch zal een ontheffing van enige schending of tekortkoming van deze Overeenkomst een ontheffing van enige daaropvolgende schending of tekortkoming van de bepaling zelf vormen.
8,5
Indien enige bepaling hierin als onuitvoerbaar wordt gezien, dan zal een dergelijke bepaling worden aangepast aan de intentie van de partijen, en zullen de overige bepalingen van deze Overeenkomst volledig en onverminderd van kracht blijven.
8,6
De koppen in deze Overeenkomst dienen slechts ter referentie en worden niet als onderdeel van deze Overeenkomst beschouwd, en hiernaar zal niet verwezen worden in verband met de constructie of interpretatie van deze Overeenkomst. Zoals gebruikt in deze overeenkomst, dienen de woorden "met inbegrip van" en "inclusief", en variaties daarvan, niet beschouwd te worden als termen van beperking, maar als termen die gevolgd worden door de woorden "zonder beperking".
9. Overige leveranciervoorwaarden en - bepalingen
De TeleNav-software maakt gebruik van kaartgegevens en andere gegevens die door derde leveranciers aan TeleNav in licentie zijn gegeven ten behoeve van u en andere eindgebruikers. Deze Overeenkomst omvat eindgebruikervoorwaarden die van toepassing zijn op deze bedrijven (opgenomen aan het einde van deze Overeenkomst), en uw gebruik van de TeleNav-software is dus ook onderworpen aan dergelijke voorwaarden. U gaat ermee akkoord om te voldoen aan de volgende aanvullende voorwaarden en bepalingen, die voor derde leverancierlicentiegevers van TeleNav gelden:
NavTeq Licentieovereenkomst Eindgebruiker
EINDGEBRUIKERVOORWAARDEN
De verstrekte inhoud ("Gegevens") is onder licentie, niet verkocht. Door dit pakket te openen, of de Gegevens te installeren, kopieren of anderszins te gebruiken, gaat u akkoord gebonden te zijn aan de voorwaarden van deze overeenkomst. Als u niet akkoord gaat met de voorwaarden van deze overeenkomst, is het u niet toegestaan de Gegevens te installeren, kopieren, gebruiken, verkopen of overdragen. Als u de voorwaarden van deze overeenkomst wenst te verwerpen, en de Gegevens niet geïnstalleerd, gekopieerd of gebruikt hebt, dient u binnen dertig (30) dagen na aankoop contact op te nemen met de verkoper of NAVTEQ North America, LLC ("NT") voor een terugbetaling van uw aankoopprijs. Ga naar visit www.navteq.com o mcontact op te nemen met NT.
De Gegevens worden verstrekt voor uw persoonlijke, interne gebruik en mogen niet worden doorverkocht. De gegevens zijn beschermd door auteursrecht, en zijn onderworpen aan de volgende voorwaarden (deze "Licentieovereenkomst Eindgebruiker") en bepalingen waarmee u akkoord gaat, enerzijds, en NAVTEQ North America LLC ("NT") en haar licentiegevers (met inbegrip van hun licentiegevers en leveranciers) anderzijds.
De Gegevens voor gebieden in Canada omvatten informatie die verkregen is met de toestemming van Canadese autoriteiten, waaronder: © Her Majesty the Queen in Right of Canada, © Queen's Printer for Ontario, © Canada Post Corporation, GeoBase®.
NT heeft een niet-exclusieve licentie van de United States Postal Service ® om ZIP+4 ® informatie te publiceren en verkopen.
© United States Postal Service ® 2009. Prijzen zijn niet vastgesteld, gecontroleerd of goedgekeurd door de United States Postal Service ®. De volgende handelsmerken en registraties zijn eigendom van de USPS: United States Postal Service, USPS en ZIP+4.
De Gegevens voor Mexico omvatten bepaalde Gegevens van het Instituto Nacional de Estadística y Geografía.
VOORWAARDEN EN BEPALINGEN
Licentiebeperkingen op gebruik: U gaat ermee akkoord dat uw licentie voor het gebruik van deze Gegevens is beperkt tot en geconditioneerd voor persoonlijk gebruik en niet-commerciële doeleinden, en niet voor servicebureau, timesharing of andere soortgelijke doeleinden. Behalve zoals anders hierin is uiteengezet, gaat u akkoord met het niet anderszins reproduceren, kopiëren, modificeren, decompileren, demonteren of reconstrueren van enig gedeelte van deze Gegevens, en mag u deze niet overdragen of distribueren in elke vorm of voor elk doel dan ook, behalve voor zover toegestaan door dwingend recht.
Licentiebeperkingen op overdracht: Uw beperkte licentie staat geen overdracht of doorverkoop van de Gegevens toe, behalve op voorwaarde dat u de Gegevens en al het bijbehorende materiaal op een permanente basis mag overdragen als: (a) u geen kopieën van de Gegevens bewaart; (b) de ontvanger akkoord gaat met de voorwaarden van deze Licentieovereenkomst Eindgebruiker; en (c) u de Gegevens in exact dezelfde vorm overdraagt zoals u deze hebt gekocht door fysiek overbrengen van de oorspronkelijke media (bijvoorbeeld de CD-ROM of DVD die u hebt gekocht), alle originele verpakkingsmaterialen, alle Handleidingen en andere documentatie. Met name Multi-disc sets mogen alleen overgedragen of verkocht worden als een complete set als verstrekt aan u en niet als een subset daarvan.
Aanvullende licentiebeperkingen:
Behalve waartoe u door NT specifiek gelicentieerd bent in een afzonderlijke schriftelijke overeenkomst, en zonder beperking van de voorgaande paragraaf, is uw licentie geconditioneerd op gebruik van de Gegevens zoals voorgeschreven in deze overeenkomst, en mag u niet (a) deze Gegevens gebruiken in combinatie met producten, systemen, of andere geïnstalleerde of anderszins verbonden of aan communicatie gekoppelde toepassingen bij voertuigen die beschikken over mogelijkheden met betrekking tot voertuignavigatie, positiebepaling, verzending, real-time routebegeleiding, wagenpark of vergelijkbare toepassingen; of (b) met of gekoppeld aan communicatie, inclusief en zonder beperking, mobiele telefoons, palmtop en handcomputers, pagers en personal digital assistants of PDA's.
WAARSCHUWING

Deze Gegevens kunnen onnauwkeurige of onvolledige informatie bevatten vanwege het verloop van tijd, veranderende omstandigheden, gebruikte bronnen en de aard van het verzamelen van uitgebreide geografische Gegevens, die kunnen leiden tot incorrecte resultaten.
Geen garantie: Deze Gegevens worden "as is" (als verstrekt) aan u geleverd, en u gaat ermee akkoord deze te gebruiken op uw eigen risico. NT en haar licentiegevers (en hun licentiegevers en leveranciers) geven geen garanties of verklaringen van enige soort, expliciet of impliciet, voortvloeiend uit recht of anderszins, met inbegrip van maar niet beperkt tot, de inhoud, kwaliteit, nauwkeurigheid, volledigheid, effectiviteit, betrouwbaarheid, geschiktheid voor een bepaald doel, nut, gebruik of resultaten die uit deze Gegevens verkregen worden, of een foutvrije of ononderbroken werking van de Gegevens of de server.
Disclaimer van garantie: NT EN HAAR LICENTIEGEVERS (MET INBEGRIP VAN HUN LICENTIEGEVERS EN LEVERANCIERS) WIJZEN ALLE GARANTIES, EXPLICIET OF IMPLICIET, VAN KWALITEIT, PRESTATIES, VERKOOPBAARHEID, GESCHIKTHEID VOOR EEN BEPAALD DOEL OF NIET-INBREUK AF. Sommige staten, gebieden en landen staan bepaalde garantieuitsluitingen niet toe, dus in dat opzicht kan de bovenstaande uitsluiting mogelijk niet voor u gelden.
Disclaimer van aansprakelijkheid: NT EN HAAR LICENTIEGEVERS (MET INBEGRIP VAN HUN LICENTIEGEVERS EN LEVERANCIERS) KUNNEN NIET DOOR U AANSPRAKELIJK WORDEN GESTELD VOOR CLAIMS, EISEN OF ACTIES, ONGEACHT DE AARD VAN DE OORZAAK VAN DE CLAIMS, EISEN OF ACTIES BEWEREND VERLIES, LETSEL OF SCHADE, DIRECT OF INDIRECT, DIE UIT HET GEBRUIK OF HET BEZIT VAN DEZE GEGEVENS KUNNEN VOORTVLOEIEN; OF VOOR HET VERLIES VAN WINST, INKOMSTEN, OVEREENKOMSTEN OF BESPARINGEN, OF ANDERE DIRECTE, INDIRECTE, INCIDENTELE, SPECIALE OF GEVOLGSCHADE VOORTVLOEIEND UIT UW GEBRUIK VAN OF ONVERMOGEN TOT GEBRUIK VAN DEZE GEGEVENS, EVENTUELE TEKORTKOMINGEN IN DEZE GEGEVENS, OF DE SCHENDING VAN DEZE VOORWAARDEN OF BEPALINGEN, IN EEN ACTIE IN CONTRACT OF ONRECHTMATIGHEID OF OP BASIS VAN EEN GARANTIE, ZELFS ALS NT OF HAAR LICENTIEGEVERS GEADVISEERD ZIJN OVER DE MOGELIJKHEID VAN DERGELIJKE SCHADE. Sommige staten, gebieden en landen staan bepaalde aansprakelijkheidsuitsluitingen of schadebeperkingen niet toe, dus in dat opzicht kan het bovenstaande mogelijk niet voor u gelden.
Exportcontrole: U gaat ermee akkoord geen delen van de Gegevens of directe producten daarvan van waar dan ook te exporteren, behalve in overeenstemming met, en met alle vereiste licenties en goedkeuringen onder toepasselijke wetten, regels en voorschriften voor export, met inbegrip van maar niet beperkt tot de wetten, regels en voorschriften beheerd door het Office of Foreign Assets Control van de Verenigde Staten. Department of Commerce en Bureau of Industry and Security van de Verenigde Staten. Department of Commerce. In de mate dat dergelijke wetten, regels of voorschriften voor export NT verbieden haar verplichtingen uit hieronder te leveren of te distribueren Gegevens na te leven, zal een dergelijk gebrek verontschuldigd worden en zal geen schending van deze Overeenkomst vormen.
Volledige overenkomst: Deze voorwaarden en bepalingen vormen de volledige overeenkomst tussen NT (en haar licentiegevers, inclusief hun licentiegevers en leveranciers) en u, met betrekking tot het onderwerp hiervan, en vervangen in hun geheel alle eerder bestaande geschreven of mondelinge overeenkomsten tussen ons met betrekking tot dergelijke onderwerpen.
Scheidbaarheid: U en NT gaan ermee akkoord dat als enig gedeelte van deze overeenkomst onwettig of onuitvoerbaar is, dit van de Overeenkomst wordt gescheiden en zal de rest van de Overeenkomst volledig en onverminderd van kracht blijven.
Toepasselijk recht: De bovenstaande voorwaarden en bepalingen worden beheerst door de wetten van de staat Illinois, zonder effect te geven aan (i) de strijdigheid van wettelijke bepalingen, of (ii) het Verdrag van de Verenigde Naties inzake Contracten voor de internationale verkoop van goederen, dat expliciet is uitgesloten. U gaat ermee akkoord zich te onderwerpen aan de persoonlijke jurisdictie van de staat Illinois voor alle geschillen, claims en acties voortvloeiend uit of in verband met de Gegevens verstrekt aan u hieronder.
Eindgebruikers overheid: Als de Gegevens worden verworven door of namens de overheid van de Verenigde Staten, of een andere entiteit die rechten zoekt of toepast die vergelijkbaar zijn met die gewoonlijk opgeëist worden door de overheid van de Verenigde Staten, zijn deze gegevens een "commerciële term" zoals deze term is gedefinieerd in 48 C.F.R. ("FAR") 2.101, wordt in licentie gegeven in overeenstemming met deze Licentieovereenkomst Eindgebruiker, en elke kopie van Gegevens geleverd of anderszins ingericht moet passend gemarkeerd en ingesloten te worden met de volgende "Kennisgeving van gebruik", en moet worden behandeld in overeenstemming met deze Kennisgeving:
KENNISGEVING VAN GEBRUIK
CONTRACTANT (FABRIKANT/LEVERANCIER)
NAAM:
NAVTEQ
CONTRACTANT (FABRIKANT/LEVERANCIER)
ADRES:
Deze Gegevens zijn een commercieel item zoals gedefinieerd in FAR 2.101
en zijn onderworpen aan de Licentieovereenkomst Eindgebruiker waaronder
deze Gegevens zijn verstrekt.
© 2011 NAVTEQ. Alle rechten voorbehouden.
Als de Contracterende functionaris, de federale regering of een federale functionaris weigert om de hierin verstrekt legenda te gebruiken, moet de Contracterende functionaris, de federale regering of een federale functionaris NAVTEQ hierover informeren voordat er aanvullende of alternatieve rechten in de Gegevens worden gezocht.
Wi-Fi hotspot gegevens verstrekt door JiWire, © 2013 JiWire.
Gracenote® Copyright
CD- en muziekgerelateerde gegevens van Gracenote, Inc., copyright© 2000-2007 Gracenote. Gracenote Software, copyright © 2000-2007 Gracenote. Dit product en deze service kunnen over een of meer van de volgende V.S. octrooien #5,987,525, #6,061,680, #6,154,773, #6,161,132, #6,230,192, #6,230,207, #6.240,459, #6,330,593 en andere uitgegeven of uitstaande octrooien beschikken. Sommige diensten verstrekt onder licentie van Open Globe, Inc. voor V.S. octrooi: #6,304,523.
Gracenote en CDDB zijn geregistreerde handelsmerken van Gracenote. Het Gracenote logo en logotype, en het "Powered by Gracenote™" logo zijn handelsmerken van Gracenote.
Gracenote® Licentieovereenkomst Eindgebruiker (EULA)
Dit apparaat bevat software van Gracenote, Inc., 2000 Powell Street Emeryville, California 94608 ("Gracenote").
Met de software van Gracenote (de "Gracenote Software") kan dit apparaat een identificatie van CD en muziekbestanden uitvoeren en muziekgerelateerde informatie verkrijgen, met inbegrip van naam, artiest, nummer en titelinformatie ("Gracenote Gegevens"), van online servers ("Gracenote Servers"), en andere functies vervullen. U mag Gracenote Gegevens uitsluiten gebruiken met behulp van de beoogde Eindgebruikerfuncties van dit apparaat.
Dit apparaat bevat mogelijk inhoud die behoort tot de Gracenote aanbieders. Indien dit het geval is, gelden alle hierin uiteengezette beperkingen met betrekking tot Gracenote Gegevens ook voor dergelijke inhoud, en hebben dergelijke inhoudaanbieders het recht op alle hierin uiteengezette voordelen en beveiligingen beschikbaar voor Gracenote.
U gaat ermee akkoord dat u de inhoud van Gracenote ("Gracenote Inhoud"), Gracenote Gegevens, de Gracenote Software en Gracenote Servers uitsluitend gebruikt voor uw eigen persoonlijk, niet-commercieel gebruik. U gaat ermee akkoord geen Gracenote Inhoud, Gracenote Software of Gracenote Gegevens (behalve in een Tag die is gekoppeld aan een muziekbestand) toe te wijzen, kopieren, overdragen of verzenden naar derden. U GAAT ERMEE AKKOORD GEEN GRACENOTE INHOUD, GRACENOTE GEGEVENS, DE GRACENOTE SOFTWARE, OF GRACENOTE SERVERS TE GEBRUIKEN OF EXPLOITEREN, BEHALVE ZOALS HIERIN UITDRUKKELIJK IS TOEGESTAAN.
U gaat ermee akkoord dat uw niet-exclusieve licenties voor het gebruik van Gracenote Inhoud, Gracenote Gegevens, de Gracenote Software en Gracenote Servers worden beëindigd als u deze beperkingen schendt. U gaat ermee akkoord dat indien uw licenties beëindigd worden, u alle gebruik van Gracenote Inhoud, Gracenote Gegevens, de Gracenote Software en Gracenote Servers staakt. Gracenote behoudt alle rechten voor in respectievelijk Gracenote Gegevens, de Gracenote Software, en de Gracenote Servers en Gracenote Inhoud, met inbegrip van alle eigendomsrechten. Onder geen beding is Gracenote aansprakelijk voor betalingen aan u voor informatie die u verstrekt, met inbegrip van auteursrechtelijk beschermd materiaal of muziekbestandinformatie. U gaat ermee akkoord dat Gracenote haar betreffende rechten, gezamenlijk of afzonderlijk, onder deze overeenkomst rechtstreeks in de naam van elk bedrijf tegen u kan afdwingen.
Gracenote gebruikt een unieke ID voor het bijhouden van vragen voor statistische doeleinden. Het doel van een willekeurig toegewezen numerieke ID is om Gracenote het aantal vragen te laten tellen zonder iets te weten over wie u bent. Zie de website www.gracenote.com voor meer informatie en het Gracenote Privacybeleid.
DE GRACENOTE SOFTWARE, ELK ITEM VAN GRACENOTE GEGEVENS EN DE GRACENOTE INHOUD WORDEN "AS IS" (ALS VERSTREKT) AAN U IN LICENTIE GEGEVEN. GRACENOTE GEEFT OOK GEEN VERKLARINGEN OF GARANTIES, EXPLICIET OF IMPLICIET, MET BETREKKING TOT DENAUWKEURIGHEID GRACENOTE GEGEVENS VAN DE GRACENOTE SERVERS OF GRACENOTE INHOUD. GRACENOTE, COLLECTIEF EN AFZONDERLIJK, BEHOUDT HET RECHT VOOR GEGEVENS EN/OF INHOUD VAN DE BETREFFENDE SERVERS VAN DE BEDRIJVEN TE VERWIJDEREN OF, IN HET GEVAL VAN GRACENOTE, GEGEVENSCATEGORIEËN TE WIJZIGEN OM REDENEN DIE GRACENOTE VOLDOENDE ACHT. ER WORDT GEEN GARANTIE GEGEVEN DAT GRACENOTE INHOUD OF DE GRACENOTE SOFTWARE OF GRACENOTE SERVERS FOUTVRIJ ZIJN OF DAT DE WERKING VAN DE GRACENOTE SOFTWARE OF GRACENOTE SERVERS ONONDERBROKEN IS. GRACENOTE IS NIET VERPLICHT OM U TE VOORZIEN VAN VERBETERDE OF AANVULLENDE GEGEVENSTYPEN DIE GRACENOTE DESGEWENST IN DE TOEKOMST KAN VERSTREKKEN EN IS VRIJOM HAAR ONLINE DIENSTEN OP ELK MOMENT TE STOPPEN. GRACENOTE WIJST ALLE GARANTIES AF, EXPLICIET OF IMPLICIET, MET INBEGRIP VAN MAAR NIET BEPERKT TOT, IMPLICIETE GARANTIES VAN VERKOOPBAARHEID, GESCHIKTHEID VOOR EEN BEPAALD DOEL, TITEL EN NIET-INBREUK. GRACENOTE KAN OOK DE RESULTATEN VERKREGEN DOOR HET GEBRUIK VAN DE GRACENOTE SOFTWARE OF EEN GRACENOTE SERVER GARANDEREN. IN GEEN GEVAL IS GRACENOTE AANSPRAKELIJK VOOR ENIGE GEVOLGSCHADE OF INCIDENTELE SCHADE OF VOOR GEDERFDE WINST OF VERLOREN INKOMSTEN VOOR WELKE REDEN DAN OOK.
© Gracenote 2007.
FCC ID: KMHSYNCG2
IC: 1422A-SYNCG2
Dit apparaat voldoet aan Deel 15 van de FCC-voorschriften en aan RSS-210 van Industry Canada. Bediening is onderhevig aan de volgende twee voorwaarden: (1) Dit apparaat mag geen schadelijke interferentie veroorzaken en (2) dit apparaat moet ontvangen interferentie accepteren (inclusief interferentie die kan leiden tot ongewenste bediening.
WAARSCHUWING

Het uitvoeren van wijzigingen of modificaties aan het apparaat zonder nadrukkelijke toestemming
van de verantwoordelijke partij kan leiden tot vervallen van het recht op bediening van het apparaat. De term "IC" vóór het radiocertificatienummer duidt alleen aan dat er aan de technische specificates van Industry Canada is voldaan.
De antenne die voor deze zender wordt gebruikt mag zich niet in de buurt van een andere antenne of zender bevinden of hier tegelijkertijd mee werken.
1
12 volt accu vervangen....231
A
A/C
Zie: Klimaatregeling....103
Aan/uit toets....266
Aanbeveling nieuwe onderdelen....9
Garantie op vervangingsonderdelen......9
Gepland onderhoud en mechanische reparaties....9
Schadeherstel....9
Aanhangers trekken....190
Aansluiting Auxiliary ingang....125
Aansluitpunten van de accu ....231
Aansteker....123
ABS
Zie: Remmen....146
ACC
Zie: Adaptieve cruise control gebruiken .....165
ACC
Zie: Adaptieve snelheidsregeling (ACC).....163
Accessoires
Zie: Aanbeveling nieuwe onderdelen......9
Accu van de auto....230
Achterbank....120
Rugleuningen naar voren klappen......120
Rugleuningen opklappen....121
Zitting en rugleuning achterbank naar voren klappen....121
Achterruitwissers en -sproeiers......49
Intervalwissen....49
Ruitensproeier, achter......49
Wissen tijdens achteruitrijden....49
Achteruitkijkcamera....155
Achteruitkijkcamera activeren....155
Achteruitkijkcamera deactiveren....157
Auto's met parkeerhulp....157
Display gebruiken....156
Werking....155
Actieve parkeerhulp....158
Werking....158
Actieve parkeerhulp gebruiken .....158
Het systeem in- en uitschakelen....182
Het systeem in- en uitschakelen....182
Adaptieve cruise control gebruiken 165
Afstand tot uw voorligger instellen......165
Automatisch uitschakelen....166
Het systeem inschakelen....165
Ingestelde snelheid veranderen....165
Snelheid instellen....165
Systeem tijdelijk deactiveren....166
Systeem uitschakelen....166
Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
Zie: Adaptieve cruise control gebruiken .....165
Adaptieve snelheidsregeling
(ACC)....163
Werking....163
Afneembare trekhaakkogel ....190
Onderhoud....193
Rijden met een aanhanger....193
Storingen....192
Trekhaakkogel naar binnen toe zwenken....192
Trekhaakkogel naar buiten toe zwenken....192
Trekhaakkogel ontgrendelen....191
Afspelen CD beëindigen....273
Afstandsbediening programmeren
Zie: Programmeren van de afstandsbediening....30
Afstelling koplampen
Zie: Koplampen afstellen - Auto's met: Adaptieve verlichting, voor/Xenon koplampen......56
Airconditioning
Zie: Klimaatregeling....103
Akoestische waarschuwingssignalen en -indicaties....81
De gongsignalen in- en uitschakelen......81
Herinneringssysteem veiligheidsgordel....82
Laag brandstofpeil....82
Portier niet goed gesloten....82
Sleutel buiten auto....82
Verlichting ingeschakeld....82
Vorst....82
Alarm....42
Werking....42
Alarm inschakelen....43
Alarm uitschakelen....43
Uitvoeringen met keyless entry systeem....44
Uitvoeringen zonder keyless entry systeem......43
Algemene informatie over radiofrequencies....30
Alternatieve frequenties....269
De gevoeligheid van het systeem instellen....55
Het systeem activeren....54
Het systeem handmatig onderbreken.....55
Automatische klimaatregeling......106
Airconditioning in- en uitschakelen......108
Automatische airconditioning uitschakelen....109
Gerecirculeerde lucht....109
Interieur snel afkoelen....108
Luchtverdeling....108
Mono modus....107
Mono modus uitschakelen....107
Mono modus weer inschakelen....107
Temperatuur instellen....107
Ventilator....108
Voorruit ontdooien en ontwasemen......108
Automatische transmissie....143
Aanwijzingen voor het rijden met een automatische transmissie....145
Keuzehandelstanden....143
Sportmodus en handmatig schakelen....144
Voorziening voor het ontgrendelen van de keuzehendel....145
Automatische volumeregeling......269
Automatisch in- en uitschakelende ruitenwissers....47
Automatisch in- en uitschakelende verlichting....53
Auto op vier wielen slepen....208
Alle modelvarianten....208
Uitvoeringen met automatische transmissie....209
Autostore toets....267
B
Bagageafdekkingen....183
3-/5-deurs....184
Wagon....184
Bagagenetten....184
Bagagenet....184
Bagageverankeringspunten....183
Bandenreparatieset Zie: Set tijdelijke mobiliteit....237
Bandenspanningcontrolesysteem.....243
Systeem resetten....243
Bandenspanningen Zie: Technische specificatie......244
Banden Zie: Velgen en banden....232
Batterij van afstandsbediening Zie: Batterij van afstandsbediening vervangen....30
Batterij van afstandsbediening vervangen....30
Afstandsbediening met inklapbaar sleutelblad....31
Afstandsbediening zonder inklapbaar sleutelblad....31
Bedieningselementen telefoon......278
Afstandsbediening....278
Bekerhouders....124
Armleuning achterbank....124
Belangrijke audio-informatie......256
CD etiketten....256
Labels op de audio-installatie....256
Bergen van de auto....208
Bescherming van inzittenden....25
Werking....25
Bestuurderswaarschuwing......171
Werking....171
Bestuurderswaarschuwing gebruiken....171
Het systeem in- en uitschakelen....171
Systeemdisplay....172
Systeem resetten....172
Systeemwaarschuwingen....171
Beveiligingscode....265
Beveiliging van uw audio-installatie....265
Bijlagen....355
Brandstof en tanken....136 Technische specificatie....140
Brandstofkwaliteit - Benzine......136
Brandstofkwaliteit - Diesel....137 Opslaan voor de lange termijn....137
Brandstofkwaliteit - Flex Fuel (FF, ethanol)....136 Opslaan voor de lange termijn....137
Brandstofverbruik....140
Brandstofverbruik Zie: Technische specificatie....140
Buitenspiegels....70 Handmatig inklapbare spiegels....70
C
CD afspelen....271
CD-nummers herhalen....271 Type 1....271 Type 2 en 3....272
CD-nummers scannen....272 Type 1....272 Type 2 en 3....272
CD-speler....271
Centrale vergrendeling....38 Comfortontgrendeling....38 Comfortvergrendeling....38
Chassisnummer....250
Een telefoonboek aanleggen....293
Hoofdinstellingen....295
Telefoon....290
Telefoonfuncties....291
Contactslot....126
Contactslot Zie: Contactslot....126
Controle koelvloeistofpeil Zie: Motorkoelvloeistof controleren......222
Controle oliepeil Zie: Motorolie controleren....221
Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem....223
Cruise Control Zie: Snelheidsregeling (Cruise Control)......161
D
Dakrekken en bagagedragers....187
Dakdragers aanbrengen....187
Imperiaal....187
De juiste zitpositie innemen....115
De motorkap openen en sluiten....211 De motorkap openen....211 De motorkap sluiten....211
Dieselroetfilter....131 Regeneratie....131
Digitale signaalverwerking (DSP)....269 DSP-equalizer....269 DSP-instellingen wijzigen....269 DSP voor bezette zitplaatsen....269
Dimmer instrumentenpaneelverlichting......123
Door water rijden....196 Door water rijden....196
DPF Zie: Dieselroetfilter....131
E
Eco-modus....135
Werking....135
Eco-modus gebruiken....135
Eco-modus resetten....135
Een benzinemotor starten....127
Koude of warme motor....127
Stationair toerental na het starten......127
Verzopen motor....127
Een benzinemotor starten - Flex Fuel (FF, ethanol)....128
Starten bij lage buitentemperaturen......128
Een dieselmotor starten....128
Koude of warme motor....128
Een koplamp verwijderen....60
Een wiel vervangen....232
Boordkrik....233
Kriksteunpunten....233
Uitvoeringen met een reservewiel......232
Wiel aanbrengen....236
Wieldop verwijderen....235
Wielmoersleutel monteren....235
Wielslotmoeren....232
Wiel verwijderen....235
Een zekering vervangen....199
Eerstehulpset....197
Antiklemfunctie....70
Geheugen van de elektrisch bedienbare ruiten opnieuw instellen....70
Integraal openen/sluiten......69
Module portier bestuurderszijde......69
Ruiten automatisch openen en sluiten....69
Veiligheidsschakelaar voor de achterste ruiten....69
Elektrische portiersloten
Zie: Vergrendelen en ontgrendelen....33
Richtingen waarin de spiegel kan worden gekanteld....71
Elektrisch verstelbare stoelen - Auto's
met: 6-weg elektrisch verstelbare
stoelen....118
Elektrisch verstelbare stoelen - Auto's met: 8-weg elektrisch verstelbare stoelen....119
Lengte zitkussen afstellen....120
Elektrisch zonnedak....109
Antiklemfunctie van het schuifdak......110
Leerprocedure schuifdak....111
Schuifdak automatisch openen en sluiten....110
Schuifdak kantelen....110
Schuifdak openen en sluiten....110
Veiligheidsmodus van het schuifdak......111
Elektromagnetische compatibiliteit....357
Extern apparaat aansluiten - Auto's met: Bluetooth....300
Bluetooth audio-apparaat aansluiten....300
Extern apparaat aansluiten......299
Aansluiting....299
Extra verwarming....112
Extra verwarming diesel (afhankelijk van het land)....114
Parkeerverwarming....112
Extra voedingsaansluitingen ....123
F
Functie voorgangerwaarschuwing (forward alert)......167
Gevoeligheid voor de waarschuwingen instellen....168
Het systeem in- en uitschakelen....168
G
Gebruik maken van de telefoon .....278
Actieve telefoon afmelden....280
Bellen....278
Een inkomend gesprek ontvangen......279
Een tweede oproep ontvangen......279
Microfoon dempen....280
Van actieve telefoon veranderen....280
Gebruik maken van
snelheidsregeling....161
Cruise control inschakelen....161
Cruise control opnieuw inschakelen......162
Cruise control uitschakelen....162
Ingestelde snelheid veranderen....161
Snelheid instellen....161
Gebruik maken van stabiliteitsregeling -
Systeem uitschakelen....148
Gebruik maken van
stabiliteitsregeling....148
Gebruik van sneeuwkettingen - 2,0 l
EcoBoost SCTi (MI4)......242
Uitvoeringen met stabiliteitsregeling
(ESP)....243
Gebruik van sneeuwkettingen......242
Uitvoeringen met stabiliteitsregeling
(ESP)....242
Gebruik van veiligheidsgordels tijdens
zwangerschap....28
Gebruik van winterbanden....242
Gecodeerde sleutels....41
Gemaksfuncties....123
Gevarendriehoek....197
Glashouder....124
Gloeilampentabel....68
Gloeilampen vervangen....60
Achterlichten - 4-deurs....65
Achterlichten - 5-deurs....64
Bagageruimteverlichting,
beenruimteverlichting en
achterlicht....67
Derde remlicht....67
Interieurverlichting....67
Kentekenplaatverlichting......67
Koplampen....61
Zijknipperlicht....62
Gloeilampen vervangen
Zie: Gloeilampen vervangen....60
Golfband toets....266
H
Handgeschakelde versnellingsbak......143
De achteruit inschakelen....143
Handmatige klimaatregeling......104
Airconditioning....105
Gerecirculeerde lucht....105
Interieur snel verwarmen....105
Toetsen voor luchtverdeling....104
Ventilatie....105
Ventilator....105
Handmatig verstelbare stoelen......115
Hellingshoek van de rugleuning instellen....116
Hoogte van de bestuurdersstoel verstellen....116
Lendensteun instellen....116
Stoelen naar voren en achteren schuiven....115
Handrem
Zie: Parkeerrem....146
Zie: Regeling voor bergop rijden gebruiken....149
HLA
Zie: Regeling voor bergop rijden......149
HLA
Zie: Regeling voor bergop rijden gebruiken....149
Hondenrek....185
Aanbrengen achter de achterbank......186
Aanbrengen achter de voorstoelen......186
Hoofdsteunen....116
Hoofdsteunen verwijderen....117
Hoofdsteun instellen....116
Hoogte van veiligheidsgordels
afstellen....27
Houder satelliet-navigatie-unit......125
Houder instellen....125
Hulpstartkabels
Zie: Starten via starchulp....230
|
Immobilisatiesysteem inschakelen......41
Immobilisatiesysteem
Zie: Motorstartblokkering......41
Immobilisatiesysteem uitschakelen......41
In één oogopslag ....10
Overzicht achterzijde exterieur......15
Overzicht instrumentenpaneel....12
Overzicht interieur....11
Overzicht voorzijde exterieur....10
Infoberichten....91
Accu en laadsysteem....93
Bestuurderswaarschuwing....95
Controlefunctie blinde hoek....93
Cruise control en adaptieve cruise control (ACC)....94
De motor inschakelen....99
Elektrisch bediend kinderslot....93
Handrem....98
Hellingstart....95
Keyless entry (sleutelloze toegang)......95
Klimaatregeling....94
Stuurbekrachtiging....99
Transmissie....101
Verlichting....96
Vooruit- en achteruitrijbeveiliging....98
Infodisplays....83
Algemene informatie....83
Informatiecentrum
Zie: Infodisplays....83
Ingangsaansluiting (AUX IN)......274
Inhouden en specificaties ....251
Technische specificatie....251
Inleiding audio-installatie....256
Inleiding....7
Inrijden....196
Banden....196
Motor....196
Remmen en koppeling....196
Instrumentenpaneel....76
Interieurverlichting....58
Binnenverlichting....58
Sfeerverlichting....59
Introductie navigatie ....311
Algemene informatie....304
Auto's met CD-SD navigatiesysteem of Sony CD-SD navigatiesysteem....312
Auto's met mobiel navigatiesysteem......311
iPod-aansluiting
Zie: Extern apparaat aansluiten......299
Zie: Extern apparaat aansluiten - Auto's met: Bluetooth....300
iPod gebruiken 301
Bediening....302
Bediening van de audio-installatie......302
iPod
Zie: iPod gebruiken ....301
ISOFIX verankeringspunten....22
Kinderzitje met een veiligheidsriem aan de bovenzijde bevestigen....23
Verankeringspunten aan de bovenzijde - 4-deurs....22
Verankeringspunten aan de bovenzijde - 5-deurs en stationwagon....22
K
Kaartupdates ....321
Katalysator....137
Rijden met een auto met katalysator......137
Kinder observatiespiegel....125
Kindersloten....23
Elektrisch bediende kindersloten......23
Handmatig bediende kindersloten....23
Kinderzitjes....17
Kinderzitjes voor verschillende gewichtsgroepen....17
Kleine lakschade repareren....229
Klimaatregeling....103
Werking....103
Klok....123
Koplampen afstellen - Auto's met: Adaptieve verlichting, voor/Xenon koplampen....56
Koplamphoogte afstellen....56
Aanbevolen regelknopstanden....56
Koplampsproeiers....49
L
Ladingsteunen
Zie: Dakrekken en bagagedragers.....187
Licentieovereenkomst
eindgebruiker....359
SYNC® Licentieovereenkomst
Eindgebruiker (EULA)......359
Luchtroosters
Zie: Ventilatieroosters....103
M
Seizoenswegen....318
Snelweg....317
Tol....318
Veer/autotrein....318
Vignet....318
Meters....76
Brandstofpeilmeter....78
Koelvloeistoftemperatuurmeter....77
Oliedrukmeter....78
Olietemperatuurmeter....78
Vuldrukmeter....78
Mistachterlichten....55
Mistlampen - Achter
Zie: Mistachterlichten....55
Mistlampen - Voor
Zie: Voorste mistlampen....55
Monitor dode hoek 72
Gebruik van het systeem....73
Informatiesysteem dode hoek (BLIS)......72
Registratiefouten....74
Systeem in- en uitschakelen....74
Systeemregistratie en
-waarschuwingen....73
Motorblokverwarming ....132
Motorkapslot
Zie: De motorkap openen en sluiten......211
Motorkoelvloeistof controleren......222
Bijvullen....222
Koelvloeistofpeil controleren....222
Motorolie controleren....221
Bijvullen....222
Het oliepeil controleren....222
Motorstartblokkering......41
Werking....41
Motor starten en stoppen 126
Algemene informatie....126
Motor uitschakelen....132
Auto's met turbocompressor....132
MP3-aansluiting
Zie: Extern apparaat aansluiten......299
Zie: Extern apparaat aansluiten - Auto's met:
Bluetooth....300
MP3-bestand afspelen....272
Een multi session CD afspelen....272
MP3 weergave-opties....273
Opties weergave CD tekst......273
N
Navigatiedata laden....310
Navigatiedata laden....310
Navigatiesysteem 317
Nieuwsberichten....269
Algemene informatie......210
Technische specificatie....224
Over deze handleiding 7
Bescherming van het milieu....7
Overzicht audio-installatie....257
Overzicht motorruimte - 1,0 l EcoBoost....212
Overzicht motorruimte - 1,6 l Duratec-16V (Sigma)......213
Overzicht motorruimte - 1,6 l Duratorq-TDCi (DV) diesel ....218
Overzicht motorruimte - 1,6L EcoBoost SCTi (Sigma)......214
Overzicht motorruimte - 2,0 l Duratec-HE (MI4)......217
Overzicht motorruimte - 2,0 l Duratorq-TDCi (DW) diesel .....219
Overzicht motorruimte - 2,0 l EcoBoost SCTi (MI4)....215
Overzicht navigatie-eenheid......306 Auto's met CD-SD navigatiesysteem......307
Auto's met Sony CD-SD navigatiesysteem....309
Overzicht navigatie-unit ....306
Overzicht van symbolen....7
P
Parkeerhulp - Auto's met: Parkeerhulp achteruit....151
Parkeerhulp - Auto's met: Parkeerhulp voor en achter ....152
Manoeuvreren met de parkeerhulp......153
Parkeerhulp in- en uitschakelen....152
Parkeerhulp ....151 Werking....151
Parkeerrem....146
Passagiersairbag uitschakelen....28 Airbag aan passagierszijde inschakelen....29
Airbag aan passagierszijde uitschakelen....29
Schakelaar voor airbag aan passagierszijde monteren....29
Persoonlijke instellingen....91 Gong uitschakelen....91
Maateenheden....91
Taal instellen....91
Temperatuureenheden....91
Plaatsen zekeringenhouders......198
Zekeringenkast in motorruimte....198
Zekeringenkast laadruimte....198
Zekeringkast in de passagiersruimte......198
Plaatsing van kinderzitjes....18
Portierrandbescherming....40 Werking....40
Portierrandbescherming vervangen.....40
Programmeren van de afstandsbediening....30
Een nieuwe afstandsbediening programmeren....30
Ontgrendelfunctie opnieuw programmeren....30
R
Regeling functie verkeersinformatie......267
Verkeersberichten beëindigen....268
Verkeersberichten inschakelen....268
Volume van de verkeersberichten....268
Regeling voor bergop rijden gebruiken....149
Alleen auto's met handgeschakelde versnellingsbak....149
Het systeem activeren....149
Het systeem deactiveren....150
Regeling voor bergop rijden....149 Werking....149
Regionale modus (REG)......270
Reinigen van binnenzijde auto....228 Achterruiten....228
Instrumentenpaneelschermen, LCD-schermen, radioschermen......228
Veiligheidsgordels....228
Reinigen van buitenzijde auto....227 Achterruit reinigen....227
Chromen onderdelen reinigen....227
Koplampen reinigen....227
Lichtmetalen velgen reinigen....227
Onderhoud van de lak....228
Remmen....146
Werking....146
Richtingaanwijzers....57
Rijveiligheid ....304 Veiligheidsinformatie....305
Routeweergaven 318
Kaartweergave....318
Kruispuntzoom....318
Navigatiedisplay....318
Ruiten en spiegels....69
Ruitensproeiers
Zie: Ruitenwissers en ruitensproeiers......47
Ruitensproeiervloeistof
controleren....223
Ruitenwisserbladen controleren......50
Ruitenwisserbladen vervangen......50
Achterruitwisserblad....51
Voorruitwisserbladen....50
Ruitenwissers en ruitensproeiers......47
S
Schuifdak
Zie: Elektrisch zonnedak....109
Set tijdelijke mobiliteit....237
Algemene informatie......237
Bandenspanning controlleren....240
Gebruik van de bandenreparatieset......238
Setup Bluetooth....276
Eisen voor een Bluetooth verbinding......276
Telefoons bedienen....276
Setup telefoon....277
Een andere Bluetooth telefoon aanmelden....277
Telefoonboek......277
Telefoonboekcategorieën......277
Van een telefoon een actieve telefoon maken....277
Sleepoog aanbrengen....208
Sleutelloos starten....129
Contact aan....129
De motor afzetten bij rijdende auto......131
De motor afzetten bij stilstaande auto....130
Een dieselmotor starten....130
Motor slaat niet aan....130
Motor starten bij uitvoeringen met automatische transmissie....129
Motor starten bij uitvoeringen met handgeschakelde versnellingsbak......129
Sleutelloze toegang....35
Algemene informatie....35
Auto ontgrendelen....36
Auto vergrendelen....36
Passieve sleutel....36
Portieren met de sleutelbaard vergrendelen en ontgrendelen....38
Uitgeschakelde sleutels....37
Sleutels en afstandsbediening....30
Sloten....33
Sneeuwkettingen
Zie: Gebruik van sneeuwkettingen......242
Zie: Gebruik van sneeuwkettingen - 2,0 l EcoBoost SCTi (MI4)....242
Snelheidsbegrenzer gebruiken......169
Het systeem in- en uitschakelen....169
Ingestelde snelheidslimiet doelbewust overschrijden....169
Snelheidslimiet instellen....169
Systeemwaarschuwingen....169
Snelheidsbegrenzer....169
Werking....169
Snelheidsregeling (Cruise Control)
Zie: Gebruik maken van snelheidsregeling......161
Snelheidsregeling (Cruise Control)......161
Werking....161
Specificatie-overzicht zekeringen......200
Zekeringenkast in motorruimte....200
Zekeringenkast laadruimte....205
Zekeringkast in de passagiersruimte......203
Spiegels
Zie: Ruiten en spiegels....69
Zie: Verwarmde ruiten en spiegels......109
Spraakgestuurd regelsysteem
gebruiken....281
Spraaklabel....282
Werking van het systeem....281
Spraakherkenning gebruiken....324
Een spraaksessie starten....324
Handige tips....324
Systeeminteractie en -feedback......325
Spraaksturing....46
Werking....281
Stabiliteitsregeling....147
Werking....147
Standverwarming
Zie: Extra verwarming....112
Start/stop knop gebruiken....133
Motor afzetten....133
Motor starten....134
Starten met hulpstartkabels
Zie: Starten via starchulp....230
Starten via starchulp....230
Hulpstartkabels aansluiten....230
Station afstemtoetsen....266
DAB-service linking....266
Handmatig afstemmen....266
Scanfunctie....267
Zoeken....266
Stoelen....115
Stoelverhogers 21
Kinderzitje (Groep 2)......21
Zitverhoger (Groep 3)......21
Storingen verhelpen
audio-installatie....275
Storingsdiagnose SYNC®....347
Stuurwiel afstellen....45
Stuurwielblokkering....126
Uitvoeringen met sleutelloos startsysteem....126
Uitvoeringen zonder sleutelloos startsysteem....126
Stuurwiel....45
SYNC® gebruiken met Media
Player....342
Bluetooth-apparaten en systeeminstellingen....347
Functies mediamenu....344
Spraakcommando's voor media....343
Toegang tot de USB-bibliotheek......345
Uw digital mediaspeler aansluiten op de USB-poort....342
Wat speelt er nu?......343
SYNC gebruiken met telefoon....327
Bellen....330
BT-apparaten....336
Gebeld worden....330
Meer mobiele telefoons koppelen......327
Mobiele telefoon voor het eerst koppelen....327
Spraakcommando's mobiele telefoon....328
Tekstberichten....333
Telefoonopties tijdens een actief gesprek....330
Toegangsfuncties via het telefoonmenu....331
Toegang tot uw telefooninstellingen......334
SYNC....322
Algemene informatie....322
Systeem hulp bij blijven rijden op rijstrook gebruiken....177
Het systeem in- en uitschakelen....177
Systeemwaarschuwingen....177
Systeem hulp bij blijven rijden op rijstrook....176
Werking....176
Systeeminstellingen ....314
Audio-instellingen....315
Klokinstellingen....316
Menustructuur - Informatie- en entertainmentdisplay - Alle auto's......315
Menustructuur - Informatie- en entertainmentdisplay - Auto's met navigatiesysteem....314
T
Tanken met een jerrycan....139
Technische specificaties
Zie: Inhouden en specificaties ....251
Telefoon
Zie: Gebruik maken van de telefoon .....278
Telefoon....276
Algemene informatie......276
Tips voor het rijden met ABS
Zie: Tips voor rijden met ABS ....146
Tips voor het rijden....196
Tips voor rijden met ABS ....146
TMC gebruiken 320
TMC berichten gebruiken....320
Verkeersberichten....320
Verkeersberichten beëindigen....320
Waarschuwing gevaarlijke verkeerssituaties (afhankelijk van land)....320
Toepassingen en diensten SYNC®....339
In het geval van een aanrijding....340
Noodhulpoproep op Aan (On) instellen: 339
SYNC Noodhulpoproep....339
Traffic Message Channel (verkeersberichtenkanaal) ....320
Werking....320
Transport....183
Algemene informatie....183
Trekhaak 193
Onderhoud....195
Rijden met een aanhanger....194
Rijden zonder aanhanger....195
Trekhaakkogel aanbrengen....194
Trekhaakkogel ontgrendelen....193
Trekhaakkogel verwijderen....195
Trekken van een aanhanger - 2,0 l EcoBoost SCTi (MI4)....190
Trekken van een aanhanger....190
Actieradius tot de brandstoftank leeg is....90
Buitentemperatuur....90
Gemiddeld brandstofverbruik....90
Gemiddelde snelheid....90
Kilometerteller....90
Momentaan brandstofverbruik....90
Tripcomputer....90
Tripcomputer resetten....90
Typegoedkeuringen....355
Certificaat voor Verenigde Arabische Emiraten....357
EU-verklaring....357
FCC/INDUSTRY CANADA NOTICE....355
Lasersensor....356
RX-42 - Conformiteitsverklaring......355
U
USB-apparaat gebruiken ....300
Bediening....301
Bediening van de audio-installatie....301
USB-poort....125
USB Zie: USB-apparaat gebruiken ....300
V
Veiligheidsgordels vastmaken....27
Veiligheidsgordels Zie: Veiligheidsgordels vastmaken......27
Veiligheidsmaatregelen....136
Veiligheidsuitrusting voor kinderen......17
Velgen en banden....232
Algemene informatie....232
Technische specificatie....244
Ventilatie Zie: Klimaatregeling....103
Ventilatieroosters....103
Luchtrooster aan de zijkant....104
Middelste luchtroosters....103
Verbinding....298
Algemene informatie....298
Vergrendelen en ontgrendelen....33
Bevestiging van vergrendelen en ontgrendelen....34
De portieren van binnenuit vergrendelen en ontgrendelen....34
Dubbel vergrendelen....33
Kofferdeksel/achterklep....34
Ontgrendelen....33
Portieren afzonderlijk met de sleutel vergrendelen....34
Vergrendelen....33
Verkeersbordherkenning gebruiken.....179
Het systeem in- en uitschakelen....179
Snelheidswaarschuwing systeem instellen....179
Systeemdisplay....179
Verkeersbordherkenning....179
Werking....179
Verlichtingsbediening....52
Parkeerlichten....52
Standen van de lichtschakelaar....52
Verlichting....52
Versneld vooruit/achteruit......271
Versnellingsbak/transmissie....143
Versnellingsbak
Zie: Versnellingsbak/transmissie......143
Verwarmde ruiten en spiegels......109
Verwarmbare buitenspiegels....109
Verwarmbare ruiten....109
Verwarmde stoelen....121
Verwarming
Zie: Klimaatregeling....103
Verzorging van banden....241
Verzorging van de auto....227
VIN
Zie: Chassisnummer....250
Vloermatten....125
Voertuigidentificatieplaatje......249
Voertuigidentificatie....249
Volumeknop....266
Voorkeuzetoetsen......267
Voorruitsproeiers....48
Voorruitwissers....47
Voorzorgsmaatregelen voor koude weersomstandigheden....196
W
Waarschuwing rijden buiten baan gebruiken....174
De gevoeligheid van het systeem instellen....174
Het systeem in- en uitschakelen....174
Systeemwaarschuwingen....174
Trillingsniveau in stuurwiel afstellen......174
Waarschuwing rijden buiten baan......173
Werking....173
Waarschuwings- en
indicatielampen....78
Berichtsymbolen....80
Controlelamp automatische snelheidsregeling....79
Controlelamp Elektronisch Stabiliteits Programma (ESP)......81
Controlelamp Forward Alert....79
Controlelamp voorgloeibougies......80
Herinneringssysteem veiligheidsgordel....81
Indicator dodehoekmonitor....79
Lamp remsysteem....79
Richtingaanwijzers....79
Start/stop-indicatielamp....81
Waarschuwingslamp 'Vorst'......80
Waarschuwingslamp ABS....79
Waarschuwingslamp airbag....79
Waarschuwingslamp laadstroom......80
Waarschuwingslamp laag brandstofniveau....80
Waarschuwingslamp lage bandenspanning......80
Waarschuwingslamp motor....79
Waarschuwingslamp oliedruk....80
Waarschuwing voor verlaten rijstrook (lane departure)....80
Waarschuwingsknipperlichten......57
Waarschuwingssignaal veiligheidsgordel....27
Herinneringssysteem uitschakelen......28
Herinneringssysteem veiligheidsgordel achter....28
Wagen wassen
Zie: Reinigen van buitenzijde auto......227
Wassen
Zie: Reinigen van buitenzijde auto......227
Wat te doen bij pech 197
Werking van de audio-installatie......266
Winterbanden
Zie: Gebruik van winterbanden....242
Index
Z
Zekeringen....198
Zijrichtingaanwijzers....57
L
[NO TEXT]
|