Ka (2010) - Automobiel FORD - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Ka (2010) FORD in PDF-formaat.
| Merk | Ford |
| Model | Ka (2010) |
| Categorie | Auto |
| Type brandstof | Benzine |
| Motorinhoud | 1.2 L (1242 cc) |
| Vermogen | 51 kW (69 pk) bij 6000 tpm |
| Koppel | 102 Nm bij 3000 tpm |
| Transmissie | Handgeschakeld, 5 versnellingen |
| Voorwielaandrijving | Ja |
| Lengte | 3620 mm |
| Breedte | 1658 mm |
| Hoogte | 1445 mm |
| Wielbasis | 2446 mm |
| Leeggewicht | 945 kg |
| Inhoud brandstoftank | 35 L |
| Bandenmaat | 185/55 R15 |
| Remmen voor | Schijfremmen |
| Remmen achter | Trommelremmen |
| Bekleding stoelen | Stof |
| Airbags | Bestuurder en passagier |
| Onderhoudsinterval | Elke 15.000 km of 1 jaar |
| Motorkoeling | Vloeistofkoeling |
Veelgestelde vragen - Ka (2010) FORD
Gebruikersvragen over Ka (2010) FORD
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Ka (2010) - FORD en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Ka (2010) van het merk FORD.
GEBRUIKSAANWIJZING Ka (2010) FORD
De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden
wij ons het rechte voor, specificies, ontwerpen of onderdelen zonder voorafzande kennisgeving af verplichtingen te wijzigen.
Deze fininierse, er den hier af van, Ang het Arwer, geopreduzdera of verstander door, deze kieschering.
Alle rechten voorbehouden.
603.81.831


De aanwezigheid en de opstelling van de bedieningsorganen, de instrumenten en de controle-/waarschuwingslampjes kunnen per uitvoering verschillen.

- Luchtrooster aan zijkant - 2. Linker hendel: bediening buitenverlichting - 3. Instrumentenpaneel en controlelampjes - 4. Rechter hendel: bediening ruitenwissers voor/achter, tripcomputer - 5. Middelste luchtrooster - 6. Opbergvak / autoradio - 7. Airbag passagierszijde - 8. Dashboardkastje - 9. Bediening verwarming/ventilatie/airconditioning - 10. Elektrische uitbediening - 11. Versnellingspook - 12. Schakelaarpaneel - 13. Airbag bestuurderszijde.
De aanwezigheid en de opstelling van de bedieningsorganen, de instrumenten en de controle-/waarschuwingslampjes kunnen per uitvoering verschillen.

- Luchtrooster aan zijkant - 2. Airbag passagierszijde - 3. Middelste luchtrooster - 4. Opbergvak / autoradio - 5. Linker hendel: bediening buitenverlichting - 6. Instrumentenpaneel en controlelampjes - 7. Rechter hendel: bediening ruitenwissers voor/achter, tripcomputer - 8. Airbag bestuurderszijde - 9. Schakelaarpaneel - 10. Elektrische ruitbediening - 11. Versnellingspook - 12. Bediening verwarming/ ventilatie/airconditioning - 13. Dashboardkastje.
603.95.163 PP KA NL led trip 15-10-2010 15:12 Pagina 3
INSTRUMENTENPANEEL

KA00161m
Uitvoeringen met digitaal display

KA00162m
Uitvoeringen met multifunctioneel display
Uitvoeringen met stuur links
A Snelheidsmeter
B Brandstofmeter met waarschuwingslampje brandstofreserve.
C Koelvloeistoftemperatuurmeter met waarschuwingslampje voor te hoge koelvloeistoftemperatuur.
D Toerenteller.
E Digitaal display.
De lampjes 00 en zijn uitsluitend op de dieseluitvoeringen aanwezig.
603.95.163 PP KA NL led trip 15-10-2010 15:12 Pagina 4
QUICK START

Uitvoeringen met digitaal display

Uitvoeringen met multifunctioneel display
Uitvoeringen met stuur rechts
A Toerenteller.
B Brandstofmeter met waarschuwingslampje brandstofreserve.
C Koelvloeistoftemperatuurmeter met waarschuwingslampje voor te hoge koelvloeistoftemperatuur.
D Snelheidsmeter.
E Digitaal display.
De lampjes 00 en zijn uitsluitend op de dieseluitvoeringen aanwezig.
603.95.163 PP KA NL led trip 15-10-2010 15:12 Pagina 5
DIGITAAL DISPLAY
BEGINSCHERM
Op het beginscherm kan het volgende worden weergegeven:
A Stand koplampverstelling (alleen als het dimlicht is ingeschakeld)
B Tijd (altijd weergegeven, ook bij uitgenomen contactsleutel en gesloten voorportieren)
C Gear Shift Indication (schakel-aanduiding)
D Kilometerteller (weergave van het aantal gelopen kilometers/mijlen)
E Functie-indicatie Auto-Start-Stop
Opmerking Als de sleutel is uitgenomen (en ten minste één voorportier wordt geopend), wordt op het display gedurende enige seconden de tijd en het aantal gelopen kilometers of mijlen weergegeven.
BEDIENINGSKNOPPEN
+ Om het scherm en de keuzemogelijkheden naar boven te doorlopen of de weergegeven waarde te verhogen.
MENU Kort indrukken voor toegang ESC naar het menu en/of naar het volgende scherm gaan of de keuze te bevestigen.
Lang indrukken om terug te keren naar het beginscherm.


- Om het scherm en de keuzemogelijkheden naar beneden te doorlopen of de weergegeven waarde te verlagen.
SETUP-MENU
Het menu bestaat uit een aantal functies dat "cyclisch" wordt weergegeven. De functies kunnen met de knoppen + en - worden gekozen, waarna u keuzemogelijkheden kunt selecteren of instellingen (setup) kunt uitvoeren.
Het setup-menu kan worden ingeschakeld door de knop MENU ESC kort in te drukken.
Door de knoppen + en - telkens in te drukken, kunt u de lijst van het setup-menu doorlopen.
De werking is vanaf dit punt afhankelijk van de gekozen menu-optie.
Het menu bestaat uit de volgende functies:
- HOUR
- BUZZ
- SPEED
- UNIT
-P BAG (*)
(*) Deze functie kan alleen door de dealer worden geactiveerd.
603.95.163 PP KA NL led trip 15-10-2010 15:12 Pagina 6

MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY (indien aanwezig)
De auto kan zijn uitgerust met een multifunctioneel display dat tijdens de rit nuttige informatie levert aan de bestuurder op basis van de eerdere instellingen.
BEGINSCHERM
Op het beginscherm kan het volgende worden weergegeven:
A Buitentemperatuur
B Tijd (altijd weergegeven, ook bij uitgenomen contactsleutel en gesloten voorportieren)
C Functie-indicatie Auto-Start-Stop
D Gear Shift Indication (schakel-aanduiding)
E Kilometerteller (weergave van het aantal gelopen kilometers/mijlen)
F Gegevens
G Stand koplampverstelling (alleen als het dimlicht is ingeschakeld)
Opmerking Bij uitgenomen contactsleutel wordt bij het openen van een van de voorportieren het display verlicht en wordt enkele seconden de tijd en het aantal gelopen kilometers/mijlen weergegeven.
BEDIENINGSKNOPPEN
+ Om het scherm en de keuzemogelijkheden naar boven te doorlopen of de weergegeven waarde te verhogen.

MENU Kort indrukken voor toegang naar het menu en/of naar het volgende scherm gaan of de keuze te bevestigen. Lang indrukken om terug te keren naar het beginscherm.
- Om het scherm en de keuzemogelijkheden naar beneden te doorlopen of de weergegeven waarde te verlagen.
SETUP-MENU
Het menu bestaat uit een aantal functies dat "cyclisch" wordt weergegeven. De functies kunnen met de knoppen + en - worden gekozen, waarna u keuzemogelijkheden kunt selecteren of instellingen (setup) kunt uitvoeren. Bij enkele onderdelen (Klokje en Meeteenheid instellen) is er een submenu. Het setup-menu kan worden geactiveerd door de knop MENU ESC kort in te drukken.
Door de knop + of - telkens in te drukken, kunt u de lijst van het setup-menu doorlopen.
De werking is vanaf dit punt afhankelijk van het gekozen menu-item.
Het menu bestaat uit de volgende functies:
- MENU
- ZOEMER SNELHEIDSLIMIET
- GEGEVENS TRIP B
- KLOK INSTELLEN
- DATUM INSTELLEN
- WEERGAVE RADIO
- MEETEENHEDEN
- TAAL
- VOLUME BUZZER
- VOL. TOETSEN
- BAG PASSAGIER (*)
- INSTAPVERLICHTING
- MENU VERLATEN
(*) Deze functie kan alleen door de dealer worden geactiveerd.
603.95.163 PP KA NL led trip 15-10-2010 15:12 Pagina 7


Druk op de ontgrendelingsknop A om de deur te openen.
Druk op de blokkeringsknop B om de centrale vergrendeling te activeren.
Druk top de knop C en druk een tweede keer enkele seconden, om de achterklep te openen.
STUURWIEL
Dit kan verticaal worden versteld (indien van toepassing).
Zet voor het verstellen de hendel omlaag in stand 2, stel daarna het stuurwiel in de gewenste stand en vergrendel het in deze stand door de hendel in stand 1te zetten.
TRIPCOMPUTER
Algemeen
Met de "Trip computer" kan, als de contactsleutel in stand MAR staat, op de display informatie worden weergegeven over de werking van de auto. Deze functie bestaat uit "Trip A" en "Trip B" die onafhankelijk van elkaar werken.
"Trip A" toont:
□ Actieradius
□ Afstand
Gemiddeld verbruik
□ Huidig verbruik
□ Gemiddelde snelheid
□ Reistijd (rijtijd).
"Trip B" toont:
□ Afstand B
□ Gemiddeld verbruik B
□ Gemiddelde snelheid B
□ Reistijd B (rijtijd).
□ Reset trip B

BUITENVERLICHTING
Met de linkerhendel bedient u de buitenverlichting. De buitenverlichting werkt uitsluitend als de contactsleutel in stand MAR staat. Als u de buitenverlichting inschakelt, gaan ook de verlichting van het instrumentenpaneel en de bedieningsknoppen op het dashboard branden.
VERLICHTING UITGESCHAKELD
Draaiknop in stand O.
BUITENVERLICHTING
Draai de draaiknop in stand 📞.
DIMLICHT
Draai de draaiknop in stand Ⓤ.
GROOTLICHT
Druk de hendel naar voren in de richting van het dashboard (vergrendelde stand), als de draaiknop reeds in stand 30 staat.

GROOTLICHTSIGNAAL
Het grootlichtsignaal kan worden gegeven door de hendel naar het stuurwiel te trekken (onvergrendelde stand).
RICHTINGAANWIJZERS
Zet de hendel in de vergrendelde stand: omhoog (stand 1): inschakeling rechter richtingaanwijzer;
omlaag (stand ②): inschakeling linker richtingaanwijzer.
RUITEN REINIGEN
RUITENWISSERS/ -SPROEIERS
De hendel kan in vijf verschillende standen worden gezet
(4 snelheidsniveaus):
A ruitenwissers uitgeschakeld.
B wissen met interval.
C langzaam continu wissen.
D snel continu wissen.
E tussenslag (onvergrendelde stand).
"Intelligente wis-/wasregeling"
Als u de hendel naar het stuur trekt (onvergrendelde stand), schakelen de ruitensproeiers in. De voorruitwisser schakelt automatisch in en stopt 3 slagen nadat het commando is gegeven, waarbij een extra slag wordt geteld om de resterende druppels te verwijderen.
ACHTERRUITWISSER/ -SPROEIER
Als u de draaiknop in stand ☐ zet, schakelt de achterruitwisser in. Als u de hendel naar het dashboard duwt (onvergrendelde stand), schakelt de achterruitsproeier in.
De achterruitwisser schakelt automatisch in en stopt 3 slagen nadat het commando is gegeven, waarbij een extra slag wordt geteld om de resterende druppels te verwijderen. Als u bij ingeschakelde ruitenwissers de achteruit inschakelt, gaat automatisch ook de achterruitwisser werken.
603.95.163 PP KA NL led trip 15-10-2010 15:12 Pagina 9

Afstellen: draai het rooster in de gewenste richting.
Openen: om het luchtrooster te openen duwt u op de punt die door de pijl wordt aangegeven.
HANDBEDIENDE KLIMAATREGELING
A Draaiknop voor luchttemperatuurregeling (rood-warm / blauw-koud)
B Draaiknop voor aanjagersnelheid en in-/uitschakeling airconditioning.
C Knop voor luchtrecirculatie.
D Draaiknop voor luchtverdeling
E Drukknop voor in-/uitschakelen achterruitverwarming.
F Drukknop voor in-/uitschakelen voorruitverwarming.
603.95.163 PP KA NL led trip 15-10-2010 15:12 Pagina 10

Inschakeling automatische werking van de klimaatregeling
Knop A/C - B
In/uitschakelen van de compressor
Knop OFF - C
Systeem uitschakelen
Knop - D
In/uitschakelen luchtrecirculatie
Druktoetsen +, -, E
Instellen gewenste temperatuur
Druktoetsen +, -, F
Instellen aanjagersnelheid
Druktoetsen √ √ - G H I
Handmatige regeling luchtverdeling
Druktoets 📌 - L
Snel ontwasemen/ontdooien voorruit.
Ontwasemen/ontdooien
Druk op knop M om deze functie in te schakelen.
Ontwasemen/ontdooien
voorruitverwarming
Druk op knop N om deze functie in te schakelen

KA00060m
GEBRUIK VAN DE HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK
Om de versnellingen in te schakelen, moet u het koppelingspedaal geheel intrappen en vervolgens de versnellingspook in de gewenste stand plaatsen (het schakelschema staat op de knop van de pook).
Om de achteruit R vanuit de vrijstand in te schakelen, moet de schuifring A onder de knop omhoog worden getrokken en de pook naar rechts en vervolgens naar achteren worden verplaatst.

BEDIENINGSKNOPPEN
MISTLAMPEN VOOR MISTACHTERLICHT (waar voorzien)
Voor het inschakelen van de mistlampen/het mistachterlicht moet knop A op de volgende manier worden gebruikt:
I° Indrukken: mistlampen inschakelen
2° Indrukken: mistachterlicht inschakelen
3° Indrukken: lichten doven.
Als de mistlampen branden, gaat op het instrumentenpaneel het lampje ≠0 branden; als het mistachterlicht is ingeschakeld, gaat op het instrumentenpaneel het lampje ≠ branden.
De mistlampen werken alleen als het dimlicht is ingeschakeld.
AUTO-START-STOP -SYSTEEM
VOORWOORD
Het Auto-Start-Stop-systeem schakelt automatisch de motor uit telkens als de auto tot stilstand wordt gebracht en start de motor weer als de bestuurder de rit voortzet.
Hierdoor verbetert de efficiëntie van de auto door verlaging van het brandstofverbruik, vermindering van de hoeveelheid schadelijke uitlaatgassen en beperking van het geluid.
Het systeem wordt ingeschakeld als de auto wordt gestart.
Nota Als u liever de klimaatregeling gebruikt, kunt u het Auto-Start-Stop-systeem uitschakelen, zodat de klimaatregeling continu kan werken.
WERKING
Stopmodus van de motor
Bij stilstaande auto wordt de motor uitgeschakeld als de versnelling in de vrij staat en het koppelingspedaal niet is ingetrapt.
Opmerking De functie Auto-Start-Stop schakelt automatisch uit als gedurende circa 2 seconden niet harder dan ongeveer 10 km/h wordt gereden, om herhaaldelijk afslaan van de motor tijdens de rit te voorkomen als stapvoets wordt gereden.
Als de motor wordt uitgeschakeld verschijnt het symbool @p het display.
Herstartmodus van de motor
Trap het koppelingspedaal in om de motor opnieuw te starten.
HANDMATIG IN-EN UITSCHAKELEN
Het systeem kan met de knop op het dashboard afgebeeld in worden in- en uitgeschakeld (zie paragraaf "Bedieningsknoppen").
OMSTANDIGHEDEN WAARONDER DE MOTOR NIET WORDT UITGESCHAKELD
Als het systeem is ingeschakeld, wordt onder bepaalde omstandigheden, vanwege het comfort, de uitlaatemissie en de veiligheid, de aandrijfaggregaat niet uitgeschakeld. Tot deze omstandigheden behoren:
□ nog koude motor;
□ storing van de onderdelen of van de sensor van het Auto-Start-Stop-systeem
□ zeer koude buitentemperatuur, speciaal symbool voorzien;
□ verminderde druk in het remsysteem, bijvoorbeeld omdat het rempedaal enkele malen is ingetrapt;
□ onvoldoende geladen accu;
☐ ingeschakelde achterruitverwarming;
☐ ingeschakelde voorruitverwarming;
□ ruitenwissers werken lange tijd op de hoogste snelheid;
□ regeneratie van het roetfilter (alleen bij dieselmotoren);
□ niet gesloten bestuurdersportier;
□ bestuurdersgordel niet vergrendeld;
☐ ingeschakelde achteruit (bijvoorbeeld bij achteruit inparkeren);
□ automatische klimaatregeling, als nog niet de gewenste comfortabele temperatuur is bereikt ofwel activering MAX-DEF;
□ tijdens het eerste gebruik als het systeem moet worden geïntialiseerd.
In voornoemde gevallen wordt op het display een melding gegeven en, indien van toepassing, gaat het symbool knipperen (A).
ZITPLAATSEN
ZITPLAATSEN VOOR
Verstellen in lengterichting
Trek de hendel A omhoog en schuif de stoel naar voren of naar achteren.
Stoelverwarming
Druk op de knop E om de functie in- of uit te schakelen.
Rugleuningverstelling
Draai aan de knop B.
Hoogteverstelling
Verhoog of verlaag m.b.v. hendel C de achterzijde van de zitting, zodat een betere en comfortabeler zitpositie wordt bereikt.
603.95.163 PP KA NL led trip 15-10-2010 15:12 Pagina 13


Bestuurderszijde bij aanwezigheid van positie-geheugen
Schuif de stoel om deze in de oorspronkelijke stand te zetten, naar achteren door op de rugleuning te drukken totdat de stoel vergrendelt (beweging 4); bedien de hendel D (beweging 5) om de rugleuning te ontgrendelen en kantel de rugleuning omhoog (beweging 6) totdat hij hoorbaar vergrendelt.
Rugleuning omklappen
Bedien voor het omklappen van de rugleuning, de hendel D (beweging ①) en kantel de rugleuning naar voren, totdat hij vergrendelt (beweging ②); laat de hendel D los en duw tegen de rugleuning zodat de stoel naar voren schuift (beweging ③, alleen geldt voor stoelen met easy entry).
OPGELET Als hendel D wordt gebruikt voordat de stoel in de beginstand is geblokkeerd, dan is de beginstand van de stoel niet meer bekend; in dat geval moet de stand van de stoel worden versteld m.b.v. de stoelverstelling in lengterichting, zoals beschreven in de paragraaf "Verstellen in lengterichting"
Bestuurders- en passagierszijde indien voorzien van een positiegeheugen
Zet de stoel in de beginstand door de stoel naar achteren te schuiven (druk tegen de rugleuning - beweging ④); bedien hendel D (beweging ⑤) en zet de rugleuning omhoog (beweging ⑥), totdat de rugleuning hoorbaar blokkeert. Stel de lengterichting af zoals beschreven in de paragraaf "Verstellen in lengterichting".

WAARSCHUWING
Alle afstellingen mogen uitsluitend bij een de auto worden uitgevoerd.
603.95.163 PP KA NL led trip 15-10-2010 15:12 Pagina 14
QUICK START

ZITPLAATSEN ACHTER
Rugleuning ontgrendelen
Bij uitvoeringen met ondeelbare achterbank: trek de hendels A en B omhoog en plaats de rugleuning op de zitting.
□ Bij uitvoeringen met deelbare achterbank: trek de hendel A of B omhoog om respectievelijk het linker of het rechter deel van de rugleuning te ontgrendelen en plaats de rugleuning op de zitting.
Breng de zitting in de positie voor normaal gebruik
Ga als volgt te werk:
plaats de veiligheidsgordels opzij en controleer of de gordels niet gespannen zijn of gedraaid zitten;
☐ Plaats de rugleuningen omhoog en druk de leuningen naar achteren, totdat beide borgmechanismen hoorbaar inklikken.

ELEKTRISCHE RUITBEDIENING VOOR (indien aanwezig)
Naast de versnellingspook bevinden zich twee drukschakelaars (één per zijde) waarmee u de zijruiten bedient:
A Openen/sluiten portierruit links.
B Openen/sluiten portierruit rechts.

DOP BRANDSTOFTANK
De tankdop B is voorzien van een koord C dat aan klepje A vastzit, om verlies van de dop te voorkomen.
Draai met de contactsleutel de dop B linksom.
FORD AUDIO
ALGEMENE FUNCTIES
Ontsteking: indrukken ON/OFF-toets
Uitschakelen: lang indrukken ON/OFF-toets
UW MOBILE TELEFOON REGISTEREN
BELANGRIJK: Voer deze handeling alleen uit als de auto stilstaat.
Ga voor het registreren van uw mobiele telefoon als volgt te werk:
☐ Druk op Ⓞ, zeg "Instellingen" en vervolgens, na het door Ford Audio gegeven bericht, "Registreer gebruiker".
☐ Op het multifunctionele display van het instrumentenpaneel verschijnt een PIN-code die gebruikt moet worden voor de registratie. Voor de twee volgende stappen dient u de handleiding van uw mobiele telefoon te raadplegen. Zie de hoofdstukken die betrekking hebben op de registratie en de verbinding via Bluetooth®-technologie.
□ Zoek op uw mobiele telefoon de systemen met Bluetooth®-technologie(de instelling van uw mobiele telefoon kan bijvoorbeeld Vind of Nieuwe systeem heten). In deze lijst is vindt u "Ford Audio" (identificatienaam van het Ford Audio-systeem van uw auto): selecteer deze.
□ Als de mobiele telefoon hierom vraagt, voer dan met het toetsenbord van uw mobiele telefoon de PIN-code in die op het display van het instrumentenpaneel is weergegeven. Als de registratie succesvol is verlopen, zegt het systeem "Bezig met verbinden" en daarna verschijnt het identificatienummer van de geregistreerde mobiele telefoon ter bevestiging op het display.
Het is belangrijk om op dit bevestigingsbericht te wachten; als u op ↗/MAIN of ↗/ESC drukt voordat dit bericht verschijnt, kan het registratieprocedure worden afgebroken. Als de registratie is mislukt, verschijnt er een foutmelding: in dat geval moet de procedure herhaald worden.
Als de registratie van uw mobiele telefoon voltooid is, zegt Ford Audio bij de eerste verbinding "Welkom". Bij de volgende registratieprocedures of verbindingen met dezelfde telefoon wordt dit bericht niet meer uitgesproken.
☐ Ford Audio vraagt of u het telefoonboek van de zojuist geregistreerde mobiele telefoon wilt kopieren naar het Ford Audio-systeem. Wij raden u aan het telefoonboek te kopieren. Als u het telefoonboek wilt kopieren, antwoordt u "Ja", als u het telefoonboek niet wilt kopieren, antwoordt u "Nee".
Bij enkele compatibele mobiele telefoons worden de namen in het telefoonboek niet automatisch gekopieerd, maar moeten door de gebruiker worden gekopieerd met behulp van het toetsenbord van de mobiele telefoon. Voer deze procedure uit als Ford Audio u dat vraagt. Volg hierbij de specifieke instructies van uw mobiele telefoon en druk op ⚡/MAIN zodra u klaar bent.
603.95.163 PP KA NL led trip 15-10-2010 15:12 Pagina 16

Druknummer 603.95.163 - 11/2010 - le editie
001-025 Ford KA NL:001-025 Ford KA NL 20-10-2010 14:07 Pagina 1
Gebruikershandleiding
Bedankt dat u voor Ford heeft gekozen. Wij raden u aan om de tijd te nemen om deze handleiding door te lezen, zodat u uw auto beter leert kennen. Hoe beter u de auto kent, hoe veiliger u zich zult voelen en hoe meer plezier u zult hebben tijdens het rijden.
Opmerking De handleiding beschrijft de kenmerken van het product en de beschikbare opties voor het gehele assortiment, soms zelfs voordat deze daadwerkelijk beschikbaar zijn. Er kunnen opties worden beschreven, die niet op uw auto aanwezig zijn.
Opmerking Gebruik en beheer de altijd altijd in overeenstemming met de geldende verkeersregels en wetten.
Opmerking Draag bij verkoop van de auto deze handleiding over aan de nieuwe eigenaar. De handleiding maakt onlosmakelijk deel uit van de auto.
WEGWIJS IN UW AUTO
DASHBOARD
(STUUR LINKS) 3
DASHBOARD
(STUUR RECHTS) 4
SYMBOLLEN 5
FORD CODE 5
DE SLEUTELS 6
INSTRUMENTENPANEEL 10
DIGITAAL DISPLAY 13
MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY 16
TRIPCOMPUTER 24
ZITPLAATSEN 26
HOOFDSTEUNEN 27
STUURWIEL 28
SPIEGELS 29
KLIMAATREGELING 30
VERWARMING EN VENTILATIE 31
HANDBEDIENDE KLIMAATREGELING 32
AUTOMATISCHE KLIMAATREGELING.... 34
BUITENVERLICHTING 37
RUITEN REINIGEN 38
De aanwezigheid en de opstelling van de bedieningsorganen, de instrumenten en de controle-/waarschuwingslampjes kunnen per uitvoering verschillen.

- Luchtrooster aan zijkant - 2. Linker hendel: bediening buitenverlichting - 3. Instrumentenpaneel en controlelampjes - 4. Rechter hendel: bediening ruitenwissers voor/achter, tripcomputer - 5. Middelste luchtrooster - 6. Opbergvak / autoradio - 7. Airbag passagierszijde - 8. Dashboardkastje - 9. Bediening verwarming/ventilatie/airconditioning - 10. Elektrische ruitbediening - 11. Versnellingspook - 12. Schakelaarpaneel - 13. Airbag bestuurderszijde.
De aanwezigheid en de opstelling van de bedieningsorganen, de instrumenten en de controle-/waarschuwingslampjes kunnen per uitvoering verschillen.

- Luchtrooster aan zijkant - 2. Airbag passagierszijde - 3. Middelste luchtrooster - 4. Opbergvak / autoradio - 5. Linker hendel: bediening buitenverlichting - 6. Instrumentenpaneel en controlelampjes - 7. Rechter hendel: bediening ruitenwissers voor/achter, tripcomputer - 8. Airbag bestuurderszijde - 9. Schakelaarpaneel - 10. Elektrische uitbediening - 11. Versnellingspook - 12. Bediening verwarming/ ventilatie/airconditioning - 13. Dashboardkastje.
SYMBOLLEN
Op of in de nabijheid van enkele onderdelen van uw auto zijn plaatjes met een bepaalde kleur aangebracht, met daarop symbolen die uw aandacht vragen en die voorzorgsmaatregelen aangeven die u in acht moet nemen als u met het betreffende onderdeel te maken krijgt.
FORD CODE-SYSTEEM
Voor een nog betere beveiliging tegen diefstal is de auto uitgerust met een elektronische startblokkering. Het systeem wordt automatisch ingeschakeld als de sleutel uit het contactslot wordt genomen.
Als u bij het starten van de motor de sleutel in stand MAR draait, dan stuurt het Ford CODE-systeem een code naar de regeleenheid van de motor die, als de code wordt herkend, de blokkering van de functies opheft.
Als tijdens het starten de code niet wordt herkend, gaat op het instrumentenpaneel het lampje branden.
Draai in dat geval de contactsleutel in de stand STOP en vervolgens in de stand MAR; Als de blokkering niet wordt opgeheven, moet opnieuw een startpoging worden ondernomen met de andere, bijgeleverde, sleutels. Als de motor nog niet aanslaat, wendt u dan tot het Ford Servicenetwerk.
WAARSCHUWING Elke sleutel heeft een eigen code, die in de regeleenheid van het systeem moet worden opgeslagen. Voor het opslaan van nieuwe sleutels (maximaal acht) moet u zich tot het Ford Servicenetwerk wenden.
Als het lampje 📋 tijdens het rijden gaat branden
Als het lampje gaat branden, betekent dit dat het systeem zichzelf controleert (bijv. bij een verlaging van de spanning).
□ Als de storing aanhoudt, wendt u dan tot het Ford Servicenetwerk.

Bij krachtige stoten kunnen de elektronische componenten in de sleutel beschadigd worden.
DE SLEUTELS
CODE CARD
(optioneel voor bepaalde uitvoeringen/markten) fig. 3
Bij de auto wordt samen met de twee sleutels een CODE-card overhandigd, waarop is aangegeven:
B de mechanische code van de sleutels die aan het Ford Servicenetwerk moet worden doorgegeven als een duplicaatsleutel moet worden besteld.
BELANGRIJK Om schade aan de elektronische schakelingen in de sleutels te voorkomen, mogen de sleutels niet aan direct zonlicht worden blootgesteld.

Als de auto wordt verkocht, moeten alle sleutels en de CODE-card overhandigd worden aan de nieuwe
eigenaar.



De metalen baard A dient voor:
□ het start-/contactslot;
□ de sloten van de portieren en de achterklep (indien aanwezig);
□ het ver-/ontgrendelen van de tankdop.
SLEUTEL MET
AFSTANDSBEDIENING (indien aanwezig) fig. 5
De metalen baard A dient voor:
□ het start-/contactslot;
□ het slot van de portieren;
□ het ver-/ontgrendelen van de tankdop.
Als u op de knop B drukt, wordt de metalen baard in-/uitgeklapt.
Portieren ontgrendelen
Een korte druk op de knop de portieren worden ontgrendeld, de plafondlampjes gaan branden, de richtingaanwijzers knipperen en de instapverlichting (greeting lights) wordt ingeschakeld (voor bepaalde uitvoeringen/markten, waar voorzien).
Als de brandstofnoodschakeling in werking treedt, worden de portieren automatisch ontgrendeld.
Als de portieren met de afstandsbediening worden ontgrendeld, en er binnen 45 seconden geen portier wordt geopend, dan zal het systeem de portieren automatisch opnieuw vergrendelen.
Portieren vergrendelen
Een korte druk op de knop de portieren worden op afstand vergrendeld, de plafondlampjes gaan uit en de richtingaanwijzers knipperen twee keer (waar voorzien).
Als een of meer portieren niet goed gesloten zijn, wordt de vergrendeling niet uitgevoerd. Dit wordt aangegeven door het snel knipperen van de richtingaanwijzers (indien van toepassing). De portieren worden niet vergrendeld als de achterklep geopend is.
Op afstand openen van de achterklep
Druk twee keer op de knop om de achterklep op afstand te ontgrendelen (openen).
Als de achterklep is ontgrendeld, wordt dit aangegeven door het knipperen de richtingaanwijzers.
EXTRA AFSTANDSBEDIENINGEN BESTELLEN
Het systeem kan maximaal 8 afstandsbedieningen herkennen. Als u in de loop der tijd een nieuwe afstandsbediening nodig hebt, kunt u zich tot het Ford Servicenetwerk wenden. Neem dan de CODE-card, een identiteitsbewijs en het kentekenbewijs mee.
BATTERIJ VAN DE SLEUTEL MET AFSTANDSBEDIENING VERVANGEN fig. 6
Ga voor het vervangen van de batterij als volgt te werk:
□ druk op de knop A en klap de metalen baard B uit;
□ draai de schroef C bij los met een kleine schroevendraaier;
□ trek de batterijhouder D naar buiten en vervang de batterij E; let daarbij goed op de polariteit;
☐ plaats de batterijhouder D in de sleutel en draai de schroef C op 🔒.

Lege batterijen zijn schadelijk voor het milieu. Ze moeten in een daarvoor bestemde chemobox of
afvalbak worden gedeponeerd. Ze kunnen ook ingeleverd worden bij het Ford Servicenetwerk, dat vervolgens voor de afvoer zorgt.

STARTSYSTEEM
fig. 7
De sleutel kan in 3 standen worden gedraaid:
☐ STOP: motor uit, sleutel uitneembaar en stuur geblokkeerd. Enkele elektrische installaties werken (bijv. autoradio, elektrische ruitbediening enz.).
☐ MAR: rijstand. Alle elektrische installaties werken
□ AVV: motor starten.
Het contactslot is voorzien van een herstartbeveiliging. Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand STOP en nogmaals starten.
STUURSLOT
Inschakelen
Zet de sleutel in stand STOP, neem de sleutel uit het contactslot en draai het stuur totdat het vergrendelt.
Uitschakelen
Draai het stuur iets heen en weer, terwijl u de sleutel in stand MAR draait.

ATTENTIE!
Verwijder de sleutel nooit uit het contactslot als de auto nog in beweging is. Bij de eerste stuuruitslag blokkeert het stuur automatisch. Dit geldt in alle gevallen, ook als de auto gesleep wordt.
Het is streng verboden om demontage-/montagewerkzaamheden uit te voeren, waarvoor wijzigingen in de stuurinrichting of de stuurkolom vereist zijn (bijv. bij montage van een diefstalbeveiliging), tenzij dit door het Ford Servicenetwerk wordt uitgevoerd en is goedgekeurd. Hierdoor kunnen de prestaties van het systeem, de garantie en de veiligheid in gevaar worden gebracht en voldoet de auto niet meer aan de typegoedkeuring.
INSTRUMENTENPANEEL

fig. 8 – Uitvoering met digitaal display
KA00161m

fig. 9 – Uitvoering met multifunctioneel display
KA00162m
Uitvoering met stuur links
A Snelheidsmeter.
B Brandstofmeter met waarschuwingslampje brandstofreserve.
C Koelvloeistoftemperatuurmeter met waarschuwingslampje voor te hoge koelvloeistoftemperatuur.
D Toerenteller.
E Digitaal display.
De lampjes 00 en zijn uitsluitend op de dieseluitvoeringen aanwezig.

fig. 10 - Uitvoering met digitaal display
KA00163m

fig. 11 - Uitvoering met multifunctioneel display
KA00164m
Uitvoering met stuur rechts
A Toerenteller.
B Brandstofmeter met waarschuwingslampje brandstofreserve.
C Koelvloeistoftemperatuurmeter met waarschuwingslampje voor te hoge koelvloeistoftemperatuur.
D Snelheidsmeter.
E Digitaal display.
De lampjes 70 en zijn uitsluitend op de dieseluitvoeringen aanwezig.
De achtergrondkleur en de vormgeving van de instrumenten kunnen per uitvoering verschillen.
SNELHEIDSMETER
Geeft de snelheid van de auto aan.
TOERENTELLER
Geeft het toerental van de motor aan.
BRANDSTOFMETER
Geeft de hoeveelheid brandstof aan die in de tank zit.
Het branden van het waarschuwingslampje geeft aan dat er nog ongeveer 5 liter brandstof aanwezig is.
Rijd niet met een bijna lege brandstoftank: door een onregelmatige brandstoftoevoer kan de katalysator beschadigd raken.
KOELVLOEISTOFTEMPERATUU RMETER
Geeft de koelvloeistoftemperatuur weer; de aanduiding start als de temperatuur van de vloeistof hoger wordt dan ongeveer 50°C.
Als het waarschuwingslampje gaat branden (bij enkele uitvoeringen verschijnt ook een melding op het multifunctionele display), dan is de koelvloeistoftemperatuur te hoog; zet in dat geval de motor uit en wendt u tot het Ford Servicenetwerk.
DIGITAAL DISPLAY
BEGINSCHERM fig. 12
Op het beginscherm kan het volgende worden weergegeven:
A Stand koplampverstelling (alleen als het dimlicht is ingeschakeld)
B Tijd (altijd weergegeven, ook bij uitgenomen contactsleutel en gesloten voorportieren)
C Gear Shift Indication (schakel-aanduiding)
D Kilometerteller (weergave van het aantal gelopen kilometers/mijlen)
E Functie-indicatie Auto-Start-Stop
Opmerking Als de sleutel is uitgenomen (en ten minste één voorportier wordt geopend), wordt op het display gedurende enige seconden de tijd en het aantal gelopen kilometers of mijlen weergegeven.
Bij auto's met handgeschakelde versnellingsbak verzoekt de indicator van het schakelsysteem op het instrumentenpaneel de bestuurder om te schakelen (opschakelen: "shift-up" of terugschakelen: "shift-down").

fig. 12
Dit schakeladvies wordt gegeven met het oog op het optimaliseren van het brandstofverbruik en de rijstijl.
Opmerking De aanduiding op het instrumentenpaneel blijft branden zolang de bestuurder niet schakelt of zolang de rijomstandigheden niet terugvallen binnen een dusdanig profiel dat schakelen niet nodig is om het verbruik te optimaliseren.
BEDIENINGSKNOPPEN fig. 13
+ Om het scherm en de keuzemogelijkheden naar boven te doorlopen of de weergegeven waarde te verhogen.
MENU Kort indrukken voor toegang om naar het menu en/of naar het volgende scherm te gaan of de keuze te bevestigen. Lang indrukken om terug te keren naar het beginscherm.

fig. 13
- Om het scherm en de keuzemogelijkheden naar beneden te doorlopen of de weergegeven waarde te verlagen.
Opmerking Bij de knoppen + en - hangt de werking van het volgende af:
Setup-menu
- binnen het menu kunt u naar boven of naar beneden scrollen;
- tijdens het instellen kunt u de waarde verhogen of verlagen.
SETUP-MENU
Het menu bestaat uit een aantal functies dat "cyclisch" wordt weergegeven.
De functies kunnen met de knoppen + en - worden gekozen, waarna u keuzemogelijkheden kunt selecteren of instellingen (setup) kunt uitvoeren.
Het setup-menu kan worden ingeschakeld door de knop MENU ESC kort in te drukken.
Door de knoppen + en - telkens in te drukken, kunt u de lijst van het setup-menu doorlopen.
De werking is vanaf dit moment afhankelijk van de geselecteerde menu-optie.
Het menu bestaat uit de volgende functies:
(*) Deze functie kan alleen door de dealer worden geactiveerd.
Een menu-optie selecteren
- als de knop MENU ESC kort wordt ingedrukt, dan kan een onderdeel in het menu worden gekozen dat gewijzigd moet worden;
- met de knop + of - (door de knop telkens in te drukken) kan de nieuwe instelling worden geselecteerd;
- als u de knop MENU ESC kort indrukt, kunt u de instelling opslaan en tegelijkertijd terugkeren naar de daarvoor geselecteerde menu-optie in het menu.
"Instellen tijd" selecteren
- druk kort op de knop MENU ESC om de eerste eenheid (uren) te veranderen;
- met de knop + of - (door de knop telkens in te drukken) kan de nieuwe instelling worden geselecteerd;
- als u de knop MENU ESC kort indrukt, kunt u de instelling opslaan en tegelijkertijd verdergaan naar de volgende in te stellen menu-optie (minuten);
- als deze op dezelfde wijze is ingesteld, wordt teruggekeerd naar dezelfde optie in het hiervoor geselecteerde menu.
Als u de knop MENU ESC lang ingedrukt houdt
- als een menu wordt weergegeven, wordt het setup-menu afgesloten;
- als een instelling moet worden uitgevoerd, wordt dit menu afgesloten;
- worden alleen de reeds opgeslagen instellingen bewaard (reeds bevestigd door het indrukken van de knop MENU ESC).
Het setup-menu heeft een tijdregeling; als het menu na een bepaalde tijd verdwijnt, worden alleen de door u opgeslagen wijzigingen (bevestigd door het kort indrukken van de knop MENU ESC) bewaard.
Klokje instellen (Hour)
Met deze functie kunt u het klokje instellen.
Ga voor het instellen als volgt te werk:
- druk de knop MENU ESC kort in, op het display worden knipperend de "uren" weergegeven;
- druk op de knop + of - om de instelling uit te voeren;
- druk de knop MENU ESC kort in, op het display worden knipperend de "minuten" weergegeven;
- druk op de knop + of - om de instelling uit te voeren;
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Met deze functie kan het volume van het geluidssignaal (buzzer) worden ingesteld, dat klinkt bij de melding van een storing/waarschuwing en bij het indrukken van de knoppen MENU ESC, + en -.
Ga voor het instellen van het gewenste volume als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display verschijnt de melding (bUZZ);
- druk op de knop + of - om het gewenste volume in te stellen (instelling mogelijk op 8 niveaus).
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Instelling snelheidslimiet (Speed)
Met deze functie kan de snelheidslimiet van de auto (km/h of mph) worden ingesteld. Als deze limiet wordt overschreden, wordt de bestuurder gewaarschuwd (zie hoofdstuk "Lampjes en berichten").
Ga voor het instellen van de snelheidslimiet als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC ; op het display verschijnt het opschrift (SPEEd) en de ingestelde meeteenheid (km/h of mph);
- druk op de knop + of - om de snelheidslimiet in te schakelen (On) of uit te schakelen (OFF);
- als de functie geactiveerd is (On), moeten de knoppen + of - ingedrukt worden om de gewenste snelheidslimiet te selecteren en op MENU ESC om de keuze te bevestigen;
Opmerking De instelling is mogelijk tussen 30 en 200 km/h of tussen 20 en 125 mph, afhankelijk van de ingestelde eenheid; zie de paragraaf "Instelling eenheid" hierna. Telkens wanneer u de knop +/- indrukt, wordt de waarde 5 eenheden verhoogd of verlaagd. Als u de knop + of - ingedrukt houdt, lopen de cijfers automatisch snel door of terug. Als u dicht bij de juiste waarde bent, stelt u de exacte waarde in door de knop telkens in te drukken en los te laten.
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of druk lang op de knop om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Ga als volgt te werk als u de instelling wilt annuleren:
- druk de knop MENU ESC kort in, op het display wordt knipperend (On) weergegeven;
- druk op knop - op het display wordt knipperend (Off) weergegeven;
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Meeteenheid (Unit) instellen
Met deze functie kan de meeteenheid worden ingesteld.
Ga voor het instellen als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC ; op het display verschijnt het opschrift (Unit) en de ingestelde meeteenheid (km) of (mijl);
- druk op de knop + of - om de gewenste meeteenheid in te stellen.
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
In-/uitschakelen van de frontairbag en de zij-airbag (sidebag) aan de passagierszijde (waar voorzien) (P BAG) (*)
Met deze functie kan de passagiersairbag worden in-/uitgeschakeld.
Ga als volgt te werk:
□ druk op de knop MENU ESC en druk, nadat op het display het bericht (P BAG OFF) (voor uitschakeling) of het bericht (P BAG On) (voor inschakeling) is verschenen door het indrukken van de knop + of -, opnieuw op de knop MENU ESC;
☐ op het display verschijnt het bericht om de instelling te bevestigen;
□ selecteer door het indrukken van de knop + of – (YES) (voor bevestiging van de inschakeling/uitschakeling) of (no) (om te annuleren);
☐ druk kort op de knop MENU ESC; er verschijnt een bevestiging van de gekozen instelling en er wordt teruggekeerd naar het menuscherm of, wanneer de knop even ingedrukt wordt gehouden, naar het beginscherm zonder op te slaan.
MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY
(indien aanwezig)
De auto kan zijn uitgerust met een multifunctioneel display dat tijdens de rit nuttige informatie levert aan de bestuurder op basis van de eerdere instellingen.
BEGINSCHERM fig. 14
Op het beginscherm kan het volgende worden weergegeven:
A Buitentemperatuur
B Tijd (altijd weergegeven, ook bij uitgenomen contactsleutel en gesloten voorportieren)
C Functie-indicatie Auto-Start-Stop
D Gear Shift Indication (schakel-aanduiding)
E Kilometerteller (weergave van het aantal gelopen kilometers/mijlen)
F Gegevens
G Stand koplampverstelling (alleen als het dimlicht is ingeschakeld)

Bij auto's met handgeschakelde versnellingsbak verzoekt de indicator van het schakelsysteem op het instrumentenpaneel de bestuurder om te schakelen (opschakelen "shift-up" of terugschakelen "shift-down"). Dit schakeladvies wordt gegeven met het oog op het optimaliseren van het brandstofverbruik en de rijstijl.
Opmerking De aanduiding op het instrumentenpaneel blijft branden zolang de bestuurder niet schakelt of zolang de rijomstandigheden niet terugvallen binnen een dusdanig profiel dat schakelen niet nodig is om het verbruik te optimaliseren.
BEDIENINGSKNOPPEN fig. 15
+ Om het scherm en de keuzemogelijkheden naar boven te doorlopen of de weergegeven waarde te verhogen.
MENU Kort indrukken voor toegang ESC om naar het menu en/of naar het volgende scherm te gaan of de keuze te bevestigen.
Lang indrukken om terug te keren naar het beginscherm.
— Om het scherm en de keuzemogelijkheden naar beneden te doorlopen of de weergegeven waarde te verlagen.
Opmerking Bij de knoppen + en - hangt de werking van het volgende af:
Regeling interieurverlichting
- als het beginscherm wordt weergegeven, dan kunt u hiermee de lichtsterkte van het instrumentenpaneel, van de autoradio en van de automatische klimaatregeling regelen.
Setup-menu
- binnen het menu kunt u het menu naar boven of beneden doorlopen; - tijdens het instellen kunt u de waarde verhogen of verlagen.
SETUP-MENU
Het menu bestaat uit een aantal functies dat "cyclisch" wordt weergegeven. De functies kunnen met de knoppen + en - worden gekozen, waarna u keuzemogelijkheden kunt selecteren of instellingen (setup) kunt uitvoeren. Voor sommige functies (Klokje en Meeteenheid instellen) bestaat er een submenu.
Het setup-menu kan worden geactiveerd door de knop MENU ESC kort in te drukken.
Door de knop + of - telkens in te drukken, kunt u de lijst van het setup-menu doorlopen.
De werking is vanaf dit punt afhankelijk van de gekozen menu-optie.
Het menu bestaat uit de volgende functies:
- MENU
(*) Deze functie kan alleen door de dealer worden geactiveerd.
Een menu-optie selecteren in het hoofdmenu zonder submenu:
- als de knop MENU ESC kort wordt ingedrukt, dan kan een onderdeel in het hoofdmenu worden gekozen dat gewijzigd moet worden;
- met de knop + of - (door de knop telkens in te drukken) kan de nieuwe instelling worden geselecteerd;
- als u de knop MENU ESC kort indrukt, kunt u de instelling opslaan en tegelijkertijd terugkeren naar de daarvoor geselecteerde menu-optie in het hoofdmenu.
Een menu-optie selecteren in het hoofdmenu met submenu:
- als de knop MENU ESC kort wordt ingedrukt, dan wordt de eerste optie in het submenu weergegeven;
- met de knop + of - (door de knop telkens in te drukken) kunt u alle menu- opties van het submenu doorlopen;
- als de MENU ESC knop kort wordt ingedrukt, dan wordt de optie van het submenu weergegeven en wordt het bijbehorende instellingenmenu geopend;
- met de knop + of - (door de knop telkens in te drukken) kan de nieuwe instelling van deze menu-optie in het submenu worden geselecteerd;
- als de knop MENU ESC kort wordt ingedrukt, dan wordt de instelling opgeslagen en tegelijkertijd teruggekeerd naar de hiervoor gekozen menu-optie in het submenu.
“Datum” en “Instellen klokje” selecteren:
- als u de knop MENU ESC kort indrukt, kunt u de instelling selecteren die u wilt wijzigen (bijv. uren /minuten of jaar /maand /dag);
- met de knop + of - (door de knop telkens in te drukken) kan de nieuwe instelling worden geselecteerd;
- als u de knop MENU ESC kort indrukt, kunt u de instelling opslaan en tegelijkertijd doorgaan naar de volgende menu-optie. Als deze menu-optie de
laatste is, dan wordt teruggekeerd naar de eerder geselecteerde menu-optie.
Als u de knop MENU ESC even ingedrukt houdt:
- als het hoofdmenu wordt weergegeven, wordt het setup-menu afgesloten;
- als een andere optie wordt weergegeven (een optie in het submenu kan worden gewijzigd, in een submenu of een optie in het hoofdmenu kan worden gewijzigd), wordt teruggekeerd naar het hoofdmenu;
- worden alleen de reeds opgeslagen instellingen bewaard (reeds bevestigd door het indrukken van de knop MENUESC).
Het setup-menu heeft een tijdregeling; als het menu na een bepaalde tijd verdwijnt, worden alleen de door u opgeslagen wijzigingen (bevestigd door het kort indrukken van de knop MENU ESC) bewaard.
Beep Snelheid (Snelheidslimiet)
Met deze functie kan de snelheidslimiet van de auto (km/h of mph) worden ingesteld. Als deze limiet wordt overschreden, wordt de bestuurder gewaarschuwd (zie hoofdstuk "Lampjes en berichten").
Ga voor het instellen van de snelheidslimiet als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC, op het display verschijnt de tekst (Beep Snelh.);
- druk op de knop + of - om de snelheidslimiet in te schakelen (On) of uit te schakelen (Off);
- als de functie al was ingeschakeld (On), kan met de knop + of - de gewenste snelheidslimiet worden ingesteld en worden bevestigd door het indrukken van de knop MENU ESC.
Opmerking Er kan een snelheid tussen 30 en 200 km/h of tussen 20 en 125 mph worden gekozen afhankelijk van de ingestelde eenheid; zie de paragraaf "Eenheid instellen" die hierna wordt beschreven. Telkens wanneer u de knop + / - indrukt, wordt de waarde 5 eenheden verhoogd of verlaagd. Als u de knop + of - ingedrukt houdt, lopen de cijfers automatisch snel door of terug. Als u dicht bij de juiste waarde bent, stelt u de exacte waarde in door de knop telkens in te drukken en los te laten.
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Ga als volgt te werk als u de instelling wilt annuleren:
- druk de knop MENU ESC kort in, op het display wordt knipperend (On) weergegeven;
- druk op knop -, op het display wordt knipperend (Off) weergegeven;
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of druk lang op de knop om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Gegevens Trip B (Inschakeling Trip B)
Met deze functie kan de weergave van Trip B (dagteller) worden ingeschakeld (On) of uitgeschakeld (Off).
Zie voor meer informatie de paragraaf "Tripcomputer".
Ga voor het in-/uitschakelen als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert (On) of (Off), afhankelijk van de instelling;
- druk op de knop + of - om de keuze uit te voeren;
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of druk lang op de knop om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Tijd instellen (Klokje instellen)
Met deze functie kan het klokje worden ingesteld m.b.v. twee submenu's: "Tijd" en "Formaat".
Ga voor het instellen als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display verschijnen de twee submenu's "Tijd" en "Formaat";
- druk op de knop + of - om te kiezen tussen de twee submenu's;
- druk, nadat het te wijzigen submenu is gekozen, kort op de knop MENU ESC;
- als het submenu "Tijd" is gekozen: druk kort op de knop MENU ESC, op het display worden knipperend de "uren" weergegeven;
- druk op de knop + of - om de instelling uit te voeren;
- druk de knop MENU ESC kort in, op het display worden knipperend de "minuten" weergegeven;
- druk op de knop + of - om in te stellen;
- als het submenu "Formaat" is gekozen: druk kort op de knop MENU ESC, het display toont knipperend de manier van weergave;
- druk op de knop + of - om de keuze ("24h" of "12h") uit te voeren.
Druk na het uitvoeren van de instelling kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het scherm van het submenu of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het scherm van het hoofdmenu zonder op te slaan.
- druk nogmaals lang op de knop MENU ESC om terug te keren naar het beginscherm of het hoofdmenu, afhankelijk van waar u zich in het menu bevindt.
Datum instellen
Met deze functie kan de datum (dag – maand – jaar) worden ingesteld.
Ga voor het instellen als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert de "dag" (dd);
- druk op de knop + of - om de instelling uit te voeren;
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert de "maand" (mm);
- druk op de knop + of - om de instelling uit te voeren;
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert het "jaar" (jjjj);
- druk op de knop + of - om de instelling uit te voeren.
Opmerking Telkens als u de knop + of - indrukt, wordt de waarde een eenheid verhoogd of verlaagd. Als de knop ingedrukt wordt gehouden, dan wordt de waarde snel verhoogd/verlaagd. Als u dicht bij de juiste waarde bent, stelt u de exacte waarde in door de knop telkens in te drukken en los te laten.
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of druk lang op de knop om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Weergave radio (Herhaling audio-informatie)
Met deze functie kan de radio-informatie op het display worden weergegeven.
- Radio: frequentie of RDS-bericht van het geselecteerde radiostation, automatisch zoeken of AutoSTore inschakelen;
– audio-CD, MP3-CD: tracknummer; - CD-wisselaar: CD-nummer en tracknummer;
Ga voor het inschakelen (On) of uitschakelen (Off) van de informatie van het audiosysteem op het display als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert (On) of (Off), afhankelijk van de instelling;
- druk op de knop + of - om de keuze uit te voeren;
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Meeteenheid (Meeteenheid instellen)
Met deze functie kunnen de meeteenheden in drie submenu's ingesteld worden: "Afstand", "Verbruik" en "Temperatuur".
Ga voor het instellen van de gewenste eenheid als volgt te werk:
- druk de knop MENU ESC kort in, op het display worden drie submenu's weergegeven;
- druk op de knop + of - om te kiezen tussen de drie submenu's;
- druk, nadat het te wijzigen submenu is gekozen, kort op de knop MENU ESC;
- als het submenu "Afstand" is gekozen: druk kort op de knop MENU ESC, op het display wordt "km" of "mi" aangegeven (afhankelijk van de eerdere instelling);
- druk op de knop + of - om de keuze uit te voeren;
- als het submenu "Verbruik" (indien aanwezig) is gekozen: druk kort op de knop MENU ESC, op het display wordt "km/l", "l/100km" of "mpg" aangegeven (afhankelijk van de eerdere instelling);
Als de meeteenheid afstand is ingesteld op "km", kan de meeteenheid verbruik worden ingesteld op "km/l" of "l/100 km".
Als de meeteenheid afstand is ingesteld op "mijl", geeft het display de hoeveelheid verbruikte brandstof aan in "mpg".
- druk op de knop + of - om de keuze uit te voeren;
- als het submenu "Temperatuur" is gekozen: druk kort op de knop MENU ESC, op het display wordt "°C" of "°F" aangegeven (afhankelijk van de eerdere instelling);
- druk op de knop + of - om de keuze uit te voeren;
Druk na het uitvoeren van de instelling kort op de knop MENUESC om terug te keren naar het scherm van het submenu of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het scherm van het hoofdmenu zonder op te slaan.
- druk nogmaals lang op de knop MENU ESC om terug te keren naar het beginscherm of het hoofdmenu, afhankelijk van waar u zich in het menu bevindt.
Taal (Taal instellen)
U kunt de taal van het display instellen: Italiaans, Duits, Engels, Spaans, Frans, Portugees, Pools en Nederlands.
Ga om de gewenste taal in te stellen als volgt te werk:
- druk de knop MENU ESC kort in, op het display wordt knipperend de hiervoor ingestelde "taal" weergegeven;
- druk op de knop + of - om de keuze uit te voeren;
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Volume waarschuwingen (Instellen volume akoestische waarschuwings-/storingsmeldingen)
Het volume van het geluidssignaal (buzzer) dat klinkt voor het melden van een storing of waarschuwing, kan ingesteld worden op 8 niveaus.
Ga voor het instellen van het gewenste volume als volgt te werk:
- druk de knop MENU ESC kort in, op het display wordt knipperend het hiervoor ingestelde volume weergegeven;
- druk op de knop + of - om de instelling uit te voeren;
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Vol. knoppen (Instelling volume knoppen)
Het geluidssignaal dat klinkt bij het indrukken van de knoppen MENU ESC, + en -, kan worden ingesteld op 8 niveaus.
Ga voor het instellen van het gewenste volume als volgt te werk:
- druk de knop MENU ESC kort in, op het display wordt knipperend het hiervoor ingestelde volume weergegeven;
- druk op de knop + of - om de instelling uit te voeren;
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
In-/uitschakelen van de frontairbag en de zij-airbags (side bag) aan de passagierszijde (waar voorzien) (P BAG) (*)
Met deze functie kan de passagiersairbag worden in-/uitgeschakeld.
Ga als volgt te werk:
- druk op de knop MENU ESC en druk, nadat op de display het bericht (Bag pass Off) (voor uitschakeling) of het bericht (Bag pass On) (voor inschakeling) is verschenen door het indrukken van de knoppen + en -, druk opnieuw op de knop MENU ESC:
- op het display verschijnt een bevestiging;
- selecteer door het indrukken van de knop + of - (Ja) (voor bevestiging van de inschakeling/uitschakeling) of (Nee) (om te annuleren);
- druk kort op de knop MENU ESC, er verschijnt een bevestiging van de keuze en er wordt teruggekeerd naar het menuscherm of druk de knop lang in om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Instapverlichting (Greeting lights)
Met deze functie wordt, als de portieren of de bagageruimte met de afstandsbediening worden geopend, de buitenverlichting en de kentekenverlichting gedurende 25 seconden ingeschakeld; behalve in de volgende situaties:
- onderbreking na 5 sec door portiervergrendeling
- onderbreking na vergrendeling via afstandsbediening
- onderbreking na vergrendeling of commando via afstandsbediening
Ga voor het in-/uitschakelen als volgt te werk:
- druk de knop MENU ESC kort in, op het display wordt knipperend On of Off weergegeven, afhankelijk van de eerder ingevoerde instelling;
- druk op de knop + of - om de keuze uit te voeren;
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Menu verlaten
Laatste functie waarmee de instellingen uit het menuscherm worden afgesloten.
Druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Als u de knop – indrukt, wordt teruggekeerd naar de eerste menu-optie (Beep Snelh.).
TRIPCOMPUTER
Algemeen
Met de "Tripcomputer" kan, als de contactsleutel in stand MAR staat, op het display informatie worden weergegeven over de werking van de auto. Deze functie bestaat uit twee afzonderlijke delen "Trip A" en "Trip B" die de gehele rit van de auto onafhankelijk van elkaar controleren.
Beide functies kunnen op nul worden gezet (reset – begin van een nieuwe rit).
"Trip A" geeft informatie over:
- Actieradius
- Afstand
– Gemiddeld brandstofverbruik - Actueel brandstofverbruik
– Gemiddelde snelheid - Rijtijd.
"Trip B" geeft de volgende gegevens weer:
- Afstand B
– Gemiddeld brandstofverbruik B
– Gemiddelde snelheid B - Rijtijd B
- Reset trip B
Opmerking "Trip B" kan worden uitgeschakeld. De gegevens
"Actieradius" en "Huidig verbruik" kunnen niet op nul worden gezet.
Weergegeven gegevens
Actieradius
Geeft het aantal kilometers aan dat nog gereden kan worden met de brandstof in de brandstoftank, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de rijstijl niet verandert. Op het display wordt “----” weergegeven als de volgende situatie wordt gesignaleerd:
– actieradius kleiner dan 50 km (of 30 mijl);
- indien de auto langere tijd met draaiende motor stilstaat.
WAARSCHUWING De waarde van de actieradius kan door verschillende factoren worden beïnvloed: rijstijl (zie de paragraaf "Rijstijl" in het hoofdstuk "Starten en rijden"), type traject (snelwegen, stad, bergen enz.), gebruiksomstandigheden van de auto (vervoerde lading, bandenspanning enz.). Houd hier bij het plannen van een reis rekening mee.
Afgelegde afstand
Geeft de afstand aan die is afgelegd vanaf het begin van de rit.
Gemiddeld verbruik
Geeft het gemiddelde verbruik vanaf het begin van de rit aan.
Huidig verbruik
Geeft doorlopend de wijziging in het brandstofverbruik aan. Als de auto stilstaat met draaiende motor wordt “----” op het display weergegeven.
Gemiddelde snelheid
Geeft de gemiddelde snelheid van de auto aan op basis van de tijd die verstreken is vanaf het begin van een nieuwe rit.
Rijtijd
Geeft de verstreken tijd aan vanaf het begin van een nieuwe rit.
Bedieningsknop TRIP fig. 16
Met de knop TRIP, op de rechter hendel, krijgt u, als de contactsleutel in stand MAR staat, toegang tot de hiervoor beschreven gegevens en kunnen de gegevens op nul worden gezet om een nieuwe rit te beginnen:
- kort indrukken voor weergave van de verschillende gegevens;
- even ingedrukt houden voor het op nul zetten (reset) en het beginnen van een nieuwe rit.

fig. 16
Nieuwe rit
Begint als een reset is uitgevoerd:
- "handmatig" door de bestuurder, door de betreffende knop kort in te drukken;
- "automatisch" als de "afgelegde afstand" de waarde 9999,9 km bereikt of als de „rijtijd" de waarde 99.59 bereikt (99 uur en 59 minuten);
- iedere keer als de accu losgekoppeld is geweest.
WAARSCHUWING Als u het systeem op nul zet terwijl het scherm van
"Trip A" wordt weergegeven, dan worden alleen de gegevens van "Trip A" op nul gezet.
BELANGRIJK Als u het systeem op nul zet terwijl het scherm van "Trip B" wordt weergegeven, dan worden alleen de gegevens van "Trip B" op nul gezet.
Procedure voor het begin van een rit
Voer, met het contactslot op MAR, een reset uit door langer dan 2 seconden op de knop TRIP te drukken.
Trip verlaten
De functie TRIP wordt automatisch verlaten, nadat alle grootheden zijn weergegeven of als de knop MENU ESC langer dan 1 seconde is ingedrukt.
ZITPLAATSEN
ZITPLAATSEN VOOR

ATTENTIE!
Alle afstellingen mogen uitsluitend bij stilstaande worden uitgevoerd.
Verstellen in lengterichting fig. 17
Trek de hendel A omhoog en schuif de stoel naar voren of naar achteren.

ATTENTIE!
Als u de hendel heeft losgelaten, controleer dan opel goed vergrendeld is dooreren hem naar voren en heteren te schuiven. Als de het goed vergrendeld is, kan verwachts verschuiven, or u de controle over de ont verliezen.
Stoelverwarming fig. 17 (indien aanwezig)
Druk op de knop E om de functie in- of uit te schakelen.
WAARSCHUWING Door inschakeling van deze functie bij uitgeschakelde motor, loopt de accu leeg.

fig. 17

Verstellen van de rugleuning fig. 18
Draai aan de knop B.
Hoogteverstelling (indien aanwezig) fig. 19
Verhoog of verlaag m.b.v. hendel C de achterzijde van de zitting, zodat een betere en comfortabeler zitpositie wordt bereikt.
Rugleuning omklappen fig. 20
Bedien voor het omklappen van de rugleuning, de hendel D (beweging ①) en kantel de rugleuning naar voren, totdat hij vergrendelt (beweging ②); laat de hendel D los en duw tegen de rugleuning zodat de stoel naar voren schuift (beweging ③, geldt alleen voor stoelen met easy entry).
Bestuurderszijde, indien aanwezig, het stoelpositie-geheugen
Schuif de stoel om deze in de oorspronkelijke stand te zetten, naar achteren door op de rugleuning te drukken totdat de stoel vergrendelt (beweging ④); bedien de hendel D (beweging ⑤) om de rugleuning te ontgrendelen en kantel de rugleuning omhoog (beweging ⑥) totdat hij hoorbaar vergrendelt.
ATTENTIE Door het gebruik van hendel D voordat de stoel in de oorspronkelijke stand is vergrendeld, gaat de oorspronkelijke instelling verloren, waardoor de stoel opnieuw m.b.v. de verstelling in lengterichting fig. 17. moet worden afgesteld.
Bestuurders- en passagierszijde indien voorzien van een positiegeheugen
Zet de stoel in de beginstand door de stoel naar achteren te schuiven (druk tegen de rugleuning – beweging ④); bedien hendel D (beweging ⑤) en zet de rugleuning omhoog (beweging ⑥), totdat de rugleuning hoorbaar blokkeert. Stel de stoel in de lengterichting af m.b.v. hendel A-fig. 17.

ATTENTIE!
Alle afstellingen mogen uitsluitend bij stilstaande orden uitgevoerd.

De vergrendelingsmethode is gekozen om de veiligheid van de inzittende te garanderen. Als bij aanwezigheid van een obstakel (bijvoorbeeld een tas), de stoel niet in de oorspronkelijke stand kan worden teruggezet, dan garandeert het mechanisme dat de stoel toch in de geleiders wordt vergrendeld, zodra de rugleuning wordt teruggeklapt.
ZITPLAATSEN ACHTER fig. 21
Rugleuning ontgrendelen
☐ Bij uitvoeringen met ondeelbare achterbank: trek de hendels A en B omhoog en plaats de rugleuning op de zitting.
□ Bij uitvoeringen met deelbare achterbank: trek de hendel A of B omhoog om respectievelijk het linker of het rechter deel van de rugleuning te ontgrendelen en plaats de rugleuning op de zitting.
HOOFDSTEUNEN
VOOR fig. 22
De hoofdsteunen kunnen als volgt in hoogte worden versteld:
☐ Omhoog zetten: trek de hoofdsteun omhoog totdat deze hoorbaar vergrendelt.
☐ Hoofdsteun omlaag: druk op de knop A en zet de hoofdsteun omlaag.

ATTENTIE!
De afstellingen mogen alleen worden uitgevoerd
als de auto stilstaat en de motor is afgezet.
De hoofdsteunen moeten zodanig worden afgesteld dat het hoofd, en niet de nek, op de hoofdsteun leunt. Alleen op die manier bieden ze bescherming.
De bescherming van de hoofdsteun is optimaal als de rugleuning zodanig wordt afgesteld dat het bovenlichaam rechtop staat en het hoofd zich zo dicht mogelijk bij de hoofdsteun bevindt.

ACHTER (waar voorzien) fig. 23
Om de hoofdsteunen achter te verwijderen, moet u gelijktijdig de knoppen B en C aan de kant van de twee steunen indrukken en de hoofdsteunen uittrekken. Voor het verwijderen van de hoofdsteunen achter moet de rugleuning zijn ontgrendeld en naar voren worden gekanteld. Trek de hoofdsteun, als deze moet worden gebruikt, omhoog totdat deze hoorbaar vergrendelt.

Om de hoofdsteun te laten zakken, druk op B. De bijzondere constructie van de hoofdsteun verhindert dat de passagier op de achterbank goed tegen de rugleuning kan leunen; deze constructie is handig omdat het de passagier dwingt om de hoofdsteun voor gebruik omhoog in de juiste stand te trekken.
WAARSCHUWING Als de zitplaatsen achter gebruikt worden, moeten de hoofdsteunen altijd volledig zijn uitgetrokken.
STUURWIEL
Dit kan verticaal worden versteld (indien van toepassing).
Voor het verstellen moet de hendel fig. 24 omlaag geplaatst worden in stand 2; zet het stuur daarna in de gewenste stand en vergrendel deze door de hendel in stand 1te plaatsen.

ATTENTIE!
U mag de hoofdsteunen alleen afstellen als de auto met uitgeschakelde motor.
SPIEGELS
De binnenspiegel is voorzien van een beveiligingsmechanisme, waardoor de spiegel bij een krachtig contact met een inzittende losschiet. Met het hendeltje A kan de spiegel in twee standen worden gezet: normale of anti-verblindingsstand.
BUITENSPIEGELS
Handmatig verstelbaar fig. 26a
Gebruik hendel A in de auto om de spiegel te verstellen.
Elektrische verstelbaar fig. 26b
Ga als volgt te werk:
☐ kies met de schakelaar B welke spiegel u wilt verstellen;
☐ plaats voor het verstellen van de spiegel de joystick A in een van de vier richtingen.

Indien nodig (bijv. bij nauwe doorgangen) kunnen de buitenspiegels worden ingeklapt door ze van stand 1 (open) in stand 2 (gesloten) te zetten.



I staan.
ATTENTIE!
Tijdens het rijden moeten de spiegels altijd in stand

ATTENTIE!
afstandswaarneming iets wordt beïnvloed.
KLIMAATREGELING
LUCHTROOSTERS fig. 28
I. Luchtroosters voor ontdooien of ontwasemen voorruit
2. Verstel- en regelbare luchtroosters in het midden
3. Verstelbare en richtbare luchtroosters aan de zijkant
4. Vaste luchtroosters voor de zijruiten
5. Onderste luchtroosters

A Draaiknop voor luchttemperatuurregeling (rood-warm / blauw-koud)
B Draaiknop voor aanjagersnelheid
C Draaiknop voor luchtrecirculatie
- luchtrecirculatie
- luchttoevoer van buiten
WAARSCHUWING Wij raden u aan de recirculatiefunctie in te schakelen in de file of in tunnels. Hiermee wordt voorkomen dat vervuilde lucht naar binnen stroomt. Het is niet raadzaam dit systeem langdurig te laten werken, omdat anders, vooral als u met meerdere personen in de auto zit, de kans aanzienlijk toeneemt dat de ruiten beslaan.
D Draaiknop voor luchtverdeling
gericht op het lichaam en naar de zijruiten
gericht op het lichaam, naar de zijruiten en de beenruimte
•/j alleen op de beenruimte
gericht naar de beenruimte en de voorruit
alleen gericht naar de voorruit.
E Drukknop voor in-/uitschakelen achterruitverwarming.

fig. 29
KA00208m
Als deze functie wordt ingeschakeld, gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden. De functie is voorzien van een tijdschakeling om de lading van de accu te behouden, daarom wordt de functie na ongeveer 4 minuten uitgeschakeld.
F Drukknop voor in-/uitschakelen voorruitverwarming (alleen met draaiende motor). Als deze functie wordt ingeschakeld, gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden.
De functie is voorzien van een tijdschakeling om de werking van de accu te waarborgen, waardoor de functie na ongeveer 20 minuten automatisch wordt uitgeschakeld.
Snelle ontwaseming/ontdooiing van de ruiten voor
Ga als volgt te werk:
□ draai de knop A naar het rode vlak;
draai de knop C in stand;
□ draai de draaiknop D naar ;
□ draai de knop B in stand 4 (maximale aanjagersnelheid).
HANDMATIGE KLIMAATREGELING (indien aanwezig)
BEDIENINGSKNOPPEN fig. 30
A Draaiknop voor luchttemperatuurregeling (rood-warm / blauw-koud)
B Draaiknop voor aanjagersnelheid en in-/uitschakeling airconditioning. Als u de knop indrukt, wordt de klimaatregeling ingeschakeld en gaat gelijktijdig het lampje op de knop branden; hierdoor wordt het interieur sneller gekoeld.
C Draaiknop voor luchtrecirculatie
- luchtrecirculatie
- luchttoevoer van buiten
WAARSCHUWING Wij raden u aan de recirculatiefunctie in te schakelen in de file of in tunnels. Hiermee wordt voorkomen dat vervuilde lucht naar binnen stroomt. Het is niet raadzaam dit systeem langdurig te laten werken, omdat anders, vooral als u met meerdere personen in de auto zit, de kans aanzienlijk toeneemt dat de ruiten beslaan.

fig. 30
KAD0209m
D Draaiknop voor luchtverdeling
gericht op het lichaam en naar de zijruiten
gericht op het lichaam, naar de zijruiten en de beenruimte
√ alleen op de beenruimte
gericht naar de beenruimte en de voorruit
alleen gericht naar de voorruit.
E Drukknop voor in-/uitschakelen achterruitverwarming. Als deze functie wordt ingeschakeld, gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden
De functie is voorzien van een tijdschakeling om de werking van de accu te waarborgen, waardoor de functie na ongeveer 20 minuten automatisch wordt uitgeschakeld.
F Drukknop voor in-/uitschakelen voorruitverwarming (alleen met draaiende motor). Als deze functie wordt ingeschakeld, gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden. De functie is voorzien van een tijdschakeling om de lading van de accu te behouden, daarom wordt de functie na ongeveer 4 minuten uitgeschakeld.
Snelle ontdooiing/ontwaseming voorruit en zijruiten voor (MAX-DEF)
Ga als volgt te werk:
□ draai de knop A naar het rode vlak;
□ draai de knop C in stand 📄;
□ draai de draaiknop D naar ;
□ draai de knop B in stand 4 (maximale aanjagersnelheid).
WAARSCHUWING de klimaatregeling is bijzonder nuttig voor het ontwasemen, omdat het de lucht ontvochtigt. Stel de bedieningsknoppen in zoals hiervoor beschreven en schakel de klimaatregeling in door de knop B in te drukken; het lampje op de knop gaat branden.
ONDERHOUD VAN HET SYSTEEM
Schakel in de winter de airconditioning 1 keer per maand gedurende 10 minuten in. Laat voor het zomerseizoen de werking van de airconditioning door het Ford Servicenetwerk controleren.
EXTRA VERWARMING (indien aanwezig)
Hiermee kan het interieur veel sneller worden verwarmd als het koud is. De extra verwarming schakelt automatisch uit als de ingestelde temperatuur is bereikt.
Automatische klimaatregeling (indien aanwezig)
De extra verwarming wordt automatisch geactiveerd op basis van de omgevingscondities en wanneer de motor is ingeschakeld.
Handbediende klimaatregeling
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld door knop A in de uiterste stand in het rode gebied te zetten en door de aanjager (knop B) in de I° snelheid te zetten.
WAARSCHUWING De verwarming werkt alleen bij lage buitentemperaturen en een lage koelvloeistoftemperatuur. De verwarming wordt niet ingeschakeld als de accuspanning te laag is.
AUTOMATISCHE KLIMAATREGELING (indien aanwezig)
De automatische klimaatregeling regelt de temperatuur automatisch afhankelijk van de instelling van de gebruiker:
□ de temperatuur van de luchttoevoer naar het interieur;
□ de aanjagersnelheid (traploze regeling);
□ de luchtverdeling in het interieur;
□ de in-/uitschakeling van de
aircocompressor (voor koelen en
drogen van de lucht);
☐ de in-/uitschakeling van de recirculatie.
Deze functies kunnen handmatig worden gewijzigd; d.w.z. dat u het systeem kunt regelen door naar wens één of meer functies te selecteren. Als handmatig een functie wordt ingesteld, blijven de andere functies echter automatisch geregeld, ook al dooft het lampje op de knop AUTO.

Als u de knop AUTO indrukt en u de gewenste temperatuur instelt, regelt het systeem de temperatuur, de luchtopbrengst en de luchtverdeling in het interieur en schakelt zo nodig de aircocompressor in.
Knop A/C - B
In/uitschakelen van de aircocompressor
Als u op deze knop drukt als het lampje op de knop brandt, wordt de aircocompressor uitgeschakeld en dooft het lampje.
Als de compressor is uitgeschakeld:
□ schakelt het systeem de recirculatiefunctie uit om het beslaan van de ruiten te voorkomen;
☐ in het interieur kan geen lagere temperatuur dan de buitentemperatuur worden bereikt (de temperatuuraanduiding op het display knippert als het systeem niet de gewenste temperatuur kan bereiken);
☐ kunt u handmatig de aanjagersnelheid op nul zetten (als de aircocompressor is ingeschakeld, dan kan de aanjagersnelheid niet lager zijn dan één staafje op het display).
Knop OFF - C Uitschakelen van het systeem
Als u op de knop OFF drukt, wordt het systeem uitgeschakeld.
Als het systeem is uitgeschakeld:
□ zijn alle lampjes gedoofd;
☐ is het temperatuurdisplay gedoofd;
☐ is de luchtrecirculatie uitgeschakeld;
☐ is de aircocompressor uitgeschakeld;
☐ is de aanjager uitgeschakeld.
Onder deze omstandigheden kan de recirculatiefunctie worden in- of uitgeschakeld, terwijl het systeem niet is ingeschakeld.
Knop 📄 - D Luchtrecirculatie in-/uitschakelen
Wij raden u aan de recirculatiefunctie in te schakelen in de file of in tunnels. Hiermee wordt voorkomen dat vervuilde lucht naar binnen stroomt.
Lampje op de knop brandt = recirculatie ingeschakeld.
Lampje op de knop uit = recirculatie uitgeschakeld.
Bij lage temperaturen of als de compressor wordt uitgeschakeld, wordt de recirculatie geforceerd uitgeschakeld om het beslaan van de ruiten te voorkomen.
BELANGRIJK Bij lage buitentemperaturen raden wij u aan om de recirculatiefunctie niet te gebruiken omdat hierdoor de ruiten sneller kunnen beslaan.
Druktoetsen +, -, E Instellen gewenste temperatuur
Als de knop + wordt ingedrukt, wordt de gewenste interieurtemperatuur hoger, totdat de waarde HI (maximaal verwarmen) is bereikt.
Als de knop - wordt ingedrukt, wordt de gewenste interieurtemperatuur lager, totdat de waarde LO (maximaal koelen) is bereikt.
BELANGRIJK Als de motorkoelvloeistof niet warm genoeg is, schakelt het systeem niet meteen de maximale aanjagersnelheid in, om de toevoer van onverwarmde lucht in het interieur te beperken.
Druktoetsen +, -, F Instellen aanjagersnelheid
Als u op de knop + of – drukt, wordt de aanjagersnelheid respectievelijk verhoogd of verlaagd; dit wordt weergegeven met verlichte streepjes op het display.
De aanjager kan worden uitgeschakeld, maar alleen als u de aircocompressor hebt uitgeschakeld (knop B).
Om de automatische regeling van de aanjagersnelheid weer in te schakelen, moet u de knop AUTO indrukken.
Knoppen 🚫 ✕ - G H I Handmatige selectie van luchtverdeling
Als u deze knoppen indrukt, dan kunt u één van de vijf mogelijke luchtverdelingen kiezen:
lucht uit de luchtroosters voor ontdooiing/ontwaseming van de voorruit en de zijruiten voor.
lucht uit de luchtroosters in het midden en aan de zijkant van het dashboard voor een koele luchtstroom op het lichaam en het gezicht bij warm weer.
*/- lucht uit de luchtroosters bij de beenruimte voor. Doordat warme lucht opstijgt, kan in een zo kort mogelijke tijd de lucht in het interieur worden verwarmd. Dit geeft snel een behaaglijk gevoel.
√/++/verdeling tussen de luchtroosters bij de beenruimte (warmere lucht) en de luchtroosters in het dashboard (koudere lucht).
1/2 + 1/2 lucht uit de luchtroosters voor de beenruimte en de luchtroosters voor de voorruit en zijruiten voor. Deze luchtverdeling zorgt voor een goede verwarming van het interieur en voorkomt het eventuele beslaan van de ruiten.
De ingestelde luchtverdeling wordt aangegeven door een brandend lampje op de geselecteerde knoppen.
Om de automatische regeling van de luchtverdeling weer in te schakelen, moet u de knop AUTO indrukken.
Knop 📌 - L
Snel ontdooien/ontwasemen van de voorruiten
Als u op de knop drukt, schakelt het systeem automatisch alle functies in die noodzakelijk zijn voor het snel ontdooien/ontwasemen van ruiten, d.w.z. dat het systeem:
□ de aircocompressor inschakelt wanneer de klimatologische omstandigheden dit toestaan;
□ de luchtrecirculatie uitschakelt;
□ de maximale luchttemperatuur instelt (HI);
□ een aanjagersnelheid inschakelt op basis van de koelvloeistoftemperatuur;
□ de luchtstroom naar de voorruit en de zijruiten voor leidt;
□ de achterruitverwarming inschakelt.
□ de voorruitverwarming inschakelt (indien voorzien).
WAARSCHUWING De functie blijft circa 3 minuten ingeschakeld nadat de motorkoelvloeistof de temperatuur heeft bereikt die warm genoeg is.
ONTWASEMING/ONTDOOING ACHTERRUIT
Druk op knop M om deze functie in te schakelen; de inschakeling wordt gesignaleerd door het branden van het lampje op het instrumentenpaneel.
De functie is voorzien van een tijdschakeling, waardoor de functie na ongeveer 20 minuten automatisch wordt uitgeschakeld. U kunt de verwarming eerder uitschakelen door nogmaals de knop M in te drukken.
BELANGRIJK Plak geen stickers of andere plaatjes op de elektrische weerstandsdraden van de achterruitverwarming, om beschadiging te voorkomen.
ONTWASEMING/ONTDOOIING VOORRUIT
Druk op knop N om deze functie in te schakelen (alleen mogelijk met ingeschakelde motor); de inschakeling wordt gesignaleerd door het branden van het lampjeop het instrumentenpaneel.
De functie is voorzien van een tijdschakeling, waardoor de functie na 4 minuten automatisch wordt uitgeschakeld. U kunt de functie eerder uitschakelen door nogmaals de knop N in te drukken.
ONDERHOUD VAN HET SYSTEEM
Schakel in de winter de airconditioning 1 keer per maand gedurende 10 minuten in.
Laat voor het zomerseizoen de werking van het systeem door het Ford Servicenetwerk controleren.

De airconditioning maakt gebruik van het koelmiddel R134a. Bij lekkage is dit middel niet schadelijk voor
het milieu. Maak beslist geen gebruik van R12. Dit is niet geschikt voor de componenten van het systeem.
BUITENVERLICHTING
Met de linkerhendel bedient u de buitenverlichting. De buitenverlichting werkt uitsluitend als de contactsleutel in stand MAR staat. Als u de buitenverlichting inschakelt, gaan ook de verlichting van het instrumentenpaneel en de bedieningsknoppen op het dashboard branden.
Verlichting uitgeschakeld fig. 32
Draaiknop in stand O.
BUITENVERLICHTING fig. 32
Draai de draaiknop in stand ⚙️.
Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 300 branden.
DIMLICHTEN fig. 32
Draai de draaiknop in stand 📊.
Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 300 branden.

Druk de hendel naar voren in de richting van het dashboard (vergrendelde stand), als de draaiknop reeds in stand staat. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje branden. Als vervolgens de hendel naar het stuurwiel wordt getrokken, gaat het grootlicht uit en het dimlicht aan.
GROOTLICHTSIGNAAL fig. 32
Het grootlichtsignaal kan worden gegeven door de hendel naar het stuurwiel te trekken (onvergrendelde stand). Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje ☐ branden.

RICHTINGAANWIJZERS fig. 33
Zet de hendel in de vergrendelde stand: omhoog (stand ①): inschakeling rechter richtingaanwijzer; omlaag (stand ②): inschakeling linker richtingaanwijzer.
Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje ⇒ of ⇔ knipperen. De richtingaanwijzers schakelen automatisch uit als de auto weer rechtuit rijdt.
Van rijstrook wisselen
Als u bij wisseling van rijstrook kort richting wilt aangeven, moet u de linker hendel korter dan een halve seconde in de onvergrendelde stand zetten. De richtingaanwijzer van de gekozen richting zal 3 keer knipperen en vervolgens automatisch worden uitgeschakeld.
"FOLLOW ME HOME"
Met dit systeem kan de ruimte vóór de auto een bepaalde tijd worden verlicht.
Inschakelen
U schakelt deze functie in door de contactsleutel in stand STOP te draaien of uit te nemen en de linker hendel binnen 2 minuten na het uitzetten van de motor naar het stuur te trekken.
Telkens als de hendel wordt bediend wordt de verlichtingsduur met 30 seconden verlengd, tot maximaal 210 seconden; na afloop van deze periode wordt de verlichting automatisch uitgeschakeld.
Elke keer als de hendel wordt bediend gaat het waarschuwingslampje ≥0≤ op het instrumentenpaneel branden en verschijnt op het display de resterende tijd die de functie actief blijft.
Het lampje gaat branden als de hendel voor het eerst bediend wordt en blijft branden totdat de functie automatisch wordt uitgeschakeld. Telkens als de hendel wordt bediend, wordt alleen de inschakeltijd van de verlichting verlengd.
Uitschakelen
Houd de hendel langer dan 2 seconden naar het stuur getrokken.
RUITEN REINIGEN
Met de rechter hendel fig. 34 kunt u de ruitenwissers/-sproeiers en achterruitwisser/-sproeier bedienen.
RUITENWISSERS/ -SPROEIERS
De functie kan alleen werken met het contactslot in de stand MAR.
De hendel kan in vijf verschillende standen worden gezet (4 snelheidsniveaus):
A ruitenwissers uitgeschakeld.
B wissen met interval.
C langzaam continu wissen.
D snel continu wissen.
E tussenslag (onvergrendelde stand).
De functie "tijdelijk snel wissen" blijft ingeschakeld zolang de hendel in deze stand wordt gehouden. Als u de hendel loslaat, springt deze direct weer in stand
A en schakelen de ruitenwissers automatisch uit.
"Intelligente wis-/wasregeling"
Als u de hendel naar het stuur trekt (onvergrendelde stand), schakelen de ruitensproeiers in.
Als u de hendel aangetrokken houdt, dan worden in één beweging de ruitenwissers/-sproeiers ingeschakeld; de ruitenwissers schakelen automatisch in als u de hendel langer dan een halve seconde aangetrokken houdt.

fig. 34
De ruitenwissers blijven nog enkele slagen werken, nadat u de hendel heeft losgelaten; na enkele seconden volgt nog een extra "reinigingsslag".

Gebruik de ruitenwissers niet om opgehoopte sneeuw of ijs van de voorruit te verwijderen. In die
omstandigheden grijpt, als de ruitenwissers te zwaar worden belast, de beveiliging in, die ervoor zorgt dat de ruitenwissers enkele seconden worden uitgeschakeld.
Als hierna de werking niet wordt hervat, wendt u dan tot het Ford Servicenetwerk.
ACHTERRUITWISSER/ -SPROEIER
De functie kan alleen werken met het contactslot in de stand MAR.
Als u de draaiknop in stand ☐ zet, schakelt de achterruitwisser in.
Als u bij ingeschakelde voorruitwissers de draaiknop in stand ☐ zet, gaat de achterruitwisser synchroon wissen (met de helft van de frequentie van de ruitenwissers voor). Als u bij ingeschakelde voorruitwissers de achteruitversnelling inschakelt, gaat automatisch ook de achterruitwisser langzaam continu wissen.
De werking stopt als de achteruitversnelling wordt uitgeschakeld.

Gebruik de achterruitwisser niet om lagen sneeuw of ijs van de achterruit te verwijderen. In die
omstandigheden grijpt, als de achterruitwisser te zwaar wordt belast, de beveiliging in, die ervoor zorgt dat de achterruitwisser enkele seconden wordt uitgeschakeld. Als hierna de werking niet wordt hervat, wendt u dan tot het Ford Servicenetwerk.
"Intelligente wis-/wasregeling"
Als u de hendel naar het dashboard duwt (onvergrendelde stand), schakelt de achterruitsproeier in.
Als u de hendel in deze stand houdt, dan worden in één beweging de achterruitwisser/-sproeier ingeschakeld; de achterruitwisser schakelt automatisch in als u de hendel langer dan een halve seconde in deze stand houdt.
De achterruitwisser blijft nog enkele slagen werken, nadat u de hendel heeft losgelaten; na enige seconden volgt nog een extra "reinigingsslag".
PLAFONDVERLICHTING
Het lampenglas kan in drie standen worden gezet:
□ rechterzijde ingedrukt: verlichting altijd uitgeschakeld;
☐ linkerzijde ingedrukt: verlichting altijd ingeschakeld;
☐ middelste stand (neutraal): de verlichting wordt automatisch in-/uitgeschakeld bij het openen/sluiten van de portieren.
BELANGRIJK Controleer voordat u de auto verlaat of de schakelaar in de middelste stand staat. Op deze manier dooft de interieurverlichting bij het sluiten van de portieren, en voorkomt u dat de accu onlaadt.
Bij enkele uitvoeringen schakelt de verlichting alleen automatisch in of uit als het portier aan bestuurderszijde wordt geopend of gesloten.
Als de portieren met de afstandsbediening worden ontgrendeld, gaat de verlichting ongeveer 10 seconden branden. Als de portieren met de afstandsbediening worden vergrendeld, dooft de plafondverlichting.
Tijdregeling plafondlampje (lampenglas in middelste stand)
Er zijn drie mogelijke regelingen:
☐ iedere keer als een portier wordt geopend, gaat de verlichting drie minuten branden;
□ als de contactsleutel uit het contactslot wordt genomen binnen twee minuten na het uitzetten van de motor, gaat de verlichting ongeveer 10 seconden branden;
□ als de portieren worden ontgrendeld (met de afstandsbediening of met de sleutel in het slot van het bestuurdersportier), gaat de verlichting ongeveer 10 seconden branden.
De verlichting kan op drie manieren worden uitgeschakeld:
□ als alle portieren worden gesloten, wordt de brandduurregeling van drie minuten uitgeschakeld en gaat de verlichting 10 seconden branden. De werking van de brandduurregeling wordt onderbroken als de contactsleutel in stand MAR wordt gedraaid;
□ als de portieren worden vergrendeld (met de afstandsbediening of met de sleutel in het slot van het bestuurdersportier), dooft de verlichting;
□ de interieurverlichting schakelt na 15 minuten automatisch uit om de accu te sparen.
De verlichting (indien aanwezig) schakelt automatisch in of uit als u de achterklep opent of sluit. De bagageruimteverlichting heeft een tijdsregeling van 15 minuten.
BEDIENINGSKNOPPEN
Deze worden ingeschakeld als op de schakelaar A wordt gedrukt, onafhankelijk van de stand van het contactslot.
Als het systeem is ingeschakeld, branden de lampjes ⇔ en ➔ op het instrumentenpaneel.
Druk voor uitschakeling nogmaals op de knop A.
Het gebruik van de alarmknipperlichten is afhankelijk van de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Houdt u aan de voorschriften.
AUTO-START-STOP HANDMATIG IN- EN UITSCHAKELEN
Raadpleeg om het Auto-Start-Stop-systeem B-fig. 35 handmatig in of uit te schakelen het hoofdstuk "Auto-Start-Stop-systeem" van dit instructieboekje.

fig. 35
Noodstop
In geval van een noodstop gaan de alarmknipperlichten en de waarschuwingslampjes op het dashboard ⇔ en ➔ automatisch branden.
De functie wordt automatisch uitgeschakeld wanneer de remwerking niet meer het karakter van een noodstop heeft.
Deze functie voldoet aan de huidige wettelijke voorschriften.
MISTLAMPEN VOOR MISTACHTERLICHT fig. 35 (waar voorzien)
De mistlampen voor/het mistachterlicht kunnen op de volgende wijze met de knop C worden ingeschakeld:
I° Indrukken: mistlampen inschakelen
2° Indrukken: mistachterlicht inschakelen
3° Indrukken: lichten doven.
Als de mistlampen branden, gaat op het instrumentenpaneel het lampje 0 D branden; als het mistachterlicht is ingeschakeld, gaat op het instrumentenpaneel het lampje 0 E branden.
De mistlampen werken alleen als het dimlicht is ingeschakeld.
BRANDSTOFNOODSCHAKELING
Schakelt in bij een botsing, waardoor:
□ de toevoer van brandstof wordt gestopt en de motor afslaat;
□ de portieren automatisch ontgrendelen;
□ de interieurverlichting wordt ingeschakeld.
Als de brandstofnoodschakeling geactiveerd is, verschijnt op het display het bericht "Brandstoftoevoer afgesloten, zie instructieboekje".
Controleer de auto zorgvuldig op brandstoflekkage, bijvoorbeeld in de motorruimte, onder de auto of in de nabijheid van de brandstoftank.
Draai na een ongeval de contactsleutel in stand STOP om te voorkomen dat de accu ontladt.
Om de juiste werking van de auto te herstellen, moeten de volgende handelingen worden uitgevoerd:
□ draai de contactsleutel in stand MAR;
□ schakel de rechter richtingaanwijzer in;
☐ schakel de rechter richtingaanwijzer uit;
□ schakel de linker richtingaanwijzer in;
□ schakel de linker richtingaanwijzer uit;
☐ schakel de rechter richtingaanwijzer in;
□ schakel de rechter richtingaanwijzer uit;
□ schakel de linker richtingaanwijzer in;
□ schakel de linker richtingaanwijzer uit;
□ draai de contactsleutel in stand STOP.
De procedure wordt geleid door de lampjes van de richtingaanwijzers op het dashboard.

ATTENTIE!
Als u na een ongeval een brandstoflucht ruikt of
merkt dat het brandstofsysteem lekt, druk dan de schakelaar niet weer terug, zodat brand wordt voorkomen.
INTERIEURUITRUSTING
SIGARENAANSTEKER
(waar voorzien) fig. 36

ATTENTIE!
De sigarenaansteker wordt erg heet. Ga voorzichtig
om met de aansteker en voorkom dat deze gebruikt wordt door kinderen: gevaar van brand en/of brandwonden. Controleer altijd of de aansteker na het indrukken ook uitschakelt.
ZONNEKLEPPEN
De zonnekleppen zitten aan beide zijden naast de binnenspiegel.
Ze kunnen voor de voorruit of voor de zijruit worden gedraaid.
Aan de achterzijde van de klep aan de bestuurderszijde bevindt zich een spiegeltje.

Open het kastje m.b.v. de ontgrendeling A.

ATTENTIE!
Rijd niet met een geopend dashboardkastje: bij een
ongeval zou de passagier gewond kunnen raken.

OPBERGVAK ONDER DE STOEL (waar voorzien) fig. 38
Op enkele uitvoeringen bevindt zich een opbergvak onder de passagiersstoel voor.
Om het te bereiken, moet u de voorzijde van de zitting 1 omhoogtillen, zodat deze loshaakt; til vervolgens de achterzijde van de zitting 2 (aan de kant van de rugleuning) omhoog.
Het vak kan worden gesloten door de achterzijde van de zitting zonder forceren omlaag te kantelen en onder de rugleuning te steken en vervolgens op de voorzijde van de zitting te drukken, totdat deze geheel is geblokkeerd.

BEKERHOUDERS
Op de tunnelconsole zijn beker-/blikjeshouders voorzien.
STEKKERDOOS
(waar voorzien) fig. 39
De stekkerdoos is in de tunnelconsole geplaatst en wordt gevoed met de contactsleutel in stand MAR.
Om de stekkerdoos te gebruiken, moet u het beschermdekseltje A openen.
De juiste werking is alleen gegarandeerd als de accessoires die erop worden aangesloten, voorzien zijn van goedgekeurde stekkers. Alle accessoires uit het Ford Lineaccessori-programma zijn van deze stekkers voorzien.
WAARSCHUWING Als de motor is uitgeschakeld en de contactsleutel staat in de stand MAR kan, als accessoires die veel stroom opnemen langere tijd (bijvoorbeeld langer dan 1 uur) worden gebruikt, de accu worden ontladen, waardoor de motor mogelijk niet kan worden gestart.

INSTELMODUS STEUNBEUGEL COMMUNICATIECONSOLE fig. 39a (waar voorzien)
Voor de afstelling dient u te werk te gaan volgens de afgebeelde procedure.

Op de stekkerdoos kunnen accessoires worden aangesloten met een vermogen van maximaal
180W (maximale stroomsterkte 15A).
PORTIEREN
VER-/ONTGRENDELING VAN BUITENAF fig. 40
Openen
Draai de sleutel in stand 1en trek aan de handgreep.
Als u de sleutel draait met centrale vergrendeling (indien aanwezig), worden gelijktijdig alle portieren ontgrendeld.
Met afstandsbediening (waar voorzien): druk op knop 🔒 om de portieren te openen.

ATTENTIE!
Controleer, voordat u een portier opent of u dit opige manier kunt doen.
Open de portieren alleen als de auto stilstaat.

Vergrendelen
Draai bij goed gesloten portieren de sleutel in stand 2.
Bij centrale vergrendeling (waar voorzien) moeten alle portieren goed gesloten zijn.
Met afstandsbediening (waar voorzien): druk op knop 🔒; om de portieren te vergrendelen.
Als een portier niet goed gesloten is, werkt de centrale portiervergrendeling niet.
BELANGRIJK De centrale portiervergrendeling werkt niet als een portier niet goed gesloten is of als er een storing in het systeem is. Na 10-11 pogingen achter elkaar wordt het systeem gedurende ca. 30 seconden uitgeschakeld.

VER-/ONTGRENDELING VANUIT HET INTERIEUR fig. 41
Openen
Trek aan de hendel A.
Als u bij uitvoering met centrale vergrendeling de hendel A op het bestuurdersportier bedient, worden alle portieren ontgrendeld.
Bij uitvoeringen zonder centrale vergrendeling moet elk portier afzonderlijk worden ontgrendeld.
Vergrendelen
Bij centrale vergrendeling duw de hendel in de richting van de deur A. Als de deurhendel A aan de bestuurderszijde of passagierszijde wordt bediend, worden de portieren centraal vergrendeld.
Met mechanisch slot, bij uitvoeringen zonder centrale vergrendeling, moeten de hendels van elk portier afzonderlijk bediend worden.
RUITBEDIENING
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING VOOR (indien aanwezig) fig. 42
De elektrische ruitbediening werkt met de contactsleutel in stand MAR en ongeveer 3 minuten nadat de sleutel in stand STOP is gedraaid of is uitgenomen.
Naast de versnellingspook bevinden zich twee drukknoppen (één per zijde) waarmee u de zijruiten bedient:
A Openen/sluiten portierruit links.
Houd de knop van de bestuurderszijde enkele seconden ingedrukt om de zijruit automatisch te openen/sluiten (alleen als de sleutel in MAR staat). Aan de passagierszijde werkt de automatische bediening alleen voor het sluiten van de ruit.

ATTENTIE!
Onzorgvuldig gebruik van de elektrische ruitbediening
kan gevaarlijk zijn. Controleer voor en tijdens het bedienen van de ruit altijd of de passagiers niet gewond kunnen raken door de bewegende ruiten; direct door contact met de ruit of door voorwerpen die door de ruit worden meegesleept of geraakt.

Als de auto wordt verlaten, schakel dan altijd het
contactslot uit, zodat wordt voorkomen dat de ruitbediening per ongeluk wordt bediend. Dit kan gevaar opleveren voor de passagiers die in de auto zijn achtergebleven.
HANDMATIGE RUITBEDIENING
Op enkele uitvoeringen moeten de ruiten handmatig worden bediend.
Open of sluit de ruiten met de daarvoor bestemde slinger.
BAGAGERUIMTE
ACHTERKLEP OPENEN
Ontgrendel het slot met de metalen baard van de contactsleutel A. De achterklep gaat dankzij de gasveren gemakkelijk open.
Als de achterklep geopend wordt, gaat bij bepaalde uitvoeringen de bagageruimteverlichting branden: de verlichting gaat automatisch uit als de achterklep gesloten wordt.
De verlichting blijft bovendien ongeveer 15 minuten branden nadat de contactsleutel in stand STOP is gedraaid: als binnen deze 15 minuten een portier of de achterklep wordt geopend, gaat de tijdsperiode van 15 minuten opnieuw in.
Met de sleutel met afstandsbediening (indien aanwezig)
Druk twee keer op de drukknop
Als de achterklep wordt geopend, knipperen de richtingaanwijzers twee keer.

Elektrische druktoets (soft touch) fig. 43b
(voor bepaalde uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Bij enkele uitvoeringen kan de achterklep (indien ontgrendeld) alleen vanaf de buitenkant worden geopend met de elektrische druktoets B
De achterklep kan bovendien altijd worden geopend als de portieren van de auto ontgrendeld zijn.
Om de achterklep met deze knop te kunnen openen, moet eerst een van de portieren worden geopend of moeten de portieren ontgrendeld zijn met de afstandsbediening of met de mechanische sleutel.
Als de achterklep niet goed gesloten is, brandt het waarschuwingslampje □op het instrumentenpaneel (indien aanwezig).

ACHTERKLEP SLUITEN
Om de achterklep te sluiten, deze laten zakken en ter hoogte van het slot naar beneden duwen, totdat u de vergrendeling hoort.

ATTENTIE!
Het maximum
laadvermogen van de auto mag nooit overschreden worden (zie hoofdstuk "Technische gegevens"). Controleer bovendien of de bagageruimte goed geladen is om te voorkomen dat een voorwerp bij bruusk remmen naar voren schiet en letsel veroorzaakt.
Rijd niet met een geopende achterklep: het uitlaatgas kan in het interieur terechtkomen.

Als in een gebied wordt gereden waar brandstof
moeilijk verkrijgbaar is en u daarom brandstof in een jerrycan wilt vervoeren, dan moet u zich aan de wettelijke voorschriften houden. Gebruik alleen een goedgekeurde en op de juiste wijze bevestigde jerrycan. Ook als u zich aan deze voorschriften houdt, zal bij een ongeval de kans op brand groter zijn. Let er op dat u niet tegen voorwerpen op het imperiaal stoot als u de achterklep opent.
ACHTERKLEP IN GEVAL VAN NOOD OPENEN fig. 44
Om de achterklep vanuit het interieur te openen (bij een lege accu of bij een storing in het elektrische systeem van de achterklep zelf), moet als volgt te werk worden gegaan (zie "Bagageruimte vergroten" in dit hoofdstuk):

□ verwijder de hoofdsteunen achter;
□ klap de rugleuningen naar voren;
☐ voor het mechanisch ontgrendelen van de achterklep, moet u vanuit de bagageruimte het hendeltje A bedienen.
BAGAGERUIMTE VERGROTEN
Gedeeltelijke vergroting (50/50) (indien van toepassing) fig. 45
Het is mogelijk de bagageruimte te vergroten door de deelbare achterbank gedeeltelijk of geheel neer te klappen.
Ga als volgt te werk:
□ verwijder de hoofdsteunen van de achterbank (indien aanwezig); voor het verwijderen van de hoofdsteunen achter moet de rugleuning zijn ontgrendeld en naar voren worden gekanteld;
□ controleer of de gordels niet gespannen zijn of gedraaid zitten;
□ trek de hendels A of B-fig. 45 omhoog om respectievelijk het linker of het rechter deel van de rugleuning te ontgrendelen en plaats de rugleuning op de zitting.
BELANGRIJK Bij het terugplaatsen van de rugleuning raden wij aan vanaf de buitenzijde van de auto (bij geopende portieren) te werk te gaan.
Maximale vergroting
Als de achterbank helemaal wordt neergeklapt, is de bagageruimte maximaal vergroot.
Ga als volgt te werk:
□ verwijder de hoofdsteunen van de achterbank (indien aanwezig);
□ controleer of de gordels niet gespannen zijn of gedraaid zitten;
□ ontgrendel m.b.v. de hendels A en B-fig. 45 de rugleuningen en plaats de rugleuningen op de zitting.
BELANGRIJK Bij het terugplaatsen van de rugleuning raden wij aan vanaf de buitenzijde van de auto (bij geopende portieren) te werk te gaan.
Terugplaatsen van de achterbank
Plaats de rugleuningen omhoog en druk de leuningen naar achteren, totdat beide borgmechanismen hoorbaar vastklikken.
Plaats de sluitingen van de veiligheidsgordels omhoog.
BELANGRIJK Als de rugleuning in de normale gebruiksstand wordt gezet, controleer dan of de rugleuning hoorbaar vergrendelt.
Controleer of de rugleuning aan beide zijden goed vergrendeld is om te voorkomen dat in geval van bruusk remmen, de rugleuning naar voren klapt en de passagiers verwondt.
HOEDENPLANK VERWIJDEREN
Om de hoedenplank te verwijderen, moet de hoedenplank uit de twee pennen aan de zijkant worden losgemaakt.
MOTORKAP
Openen fig. 46-47-48
Ga als volgt te werk:
□ trek de hendel A in de richting van de pijl;
☐ plaats het hendeltje B naar rechts zoals aangegeven in de figuur;
□ til de motorkap op en trek gelijktijdig de steunstang C uit de klem D; steek vervolgens het uiteinde van de stang in de grote opening E in de motorkap en druk de stang in de veiligheidsstand (kleine opening), zoals afgebeeld.

ATTENTIE!
Als de steunstang verkeerd geplaatst wordt, kan de
motorkap onverwacht dichtvallen. Voer deze handelingen alleen uit als de auto stilstaat.


Controleer of de armen van de ruitenwissers tegen manstaan voordat u de op optilt.

ATTENTIE!
Wees voorzichtig als u werkzaamheden in de imte moet verrichten en de og warm is, om bonden te voorkomen. Kom t uw handen in de buurt van nager: deze kan, ook als de niet in het contactslot zit, in treden. Wacht tot de afgekoeld.

kledingstukken omdat ook deze door de bewegende onderdelen kunnen worden gegrepen.
Sluiten fig. 48
Ga als volgt te werk:
☐ Houd de motorkap met een hand omhoog, trek met de andere hand de stang C uit de zitting E en plaats de steunstang terug in de klem D.
☐ Laat de motorkap tot op ongeveer 20 cm van de motorruimte zakken, laat de motorkap vallen en controleer of de motorkap goed is gesloten door deze op te tillen. De motorkap mag niet alleen door de beveiliging vergrendeld zijn. Druk in dit laatste geval de motorkap niet dicht, maar til hem opnieuw op en herhaal de handeling.

ATTENTIE!
Om veiligheidsredenen moet de motorkap tijdens
het rijden altijd goed gesloten zijn. Controleer daarom altijd of de motorkap goed vergrendeld is. Als u tijdens het rijden merkt dat de motorkap niet goed is vergrendeld, stop dan onmiddellijk en sluit de motorkap op de juiste wijze.
KOPLAMPEN
KOPLAMPEN AFSTELLEN
Goed afgestelde koplampen zijn belangrijk voor het comfort en de veiligheid van uzelf en de overige weggebruikers. Bovendien zijn er wettelijke voorschriften met betrekking tot de koplampafstelling.
Voor optimaal zicht en zichtbaarheid moeten de koplampen op de juiste wijze zijn afgesteld.
Wendt u voor controle of afstelling tot het Ford Servicenetwerk.
Controleer de afstelling van de koplampen telkens als het gewicht van de lading wijzigt.

fig. 49
KAC0040m
KOPLAMPVERSTELLING fig. 49
De auto is uitgerust met een elektrische koplampverstelling die alleen functioneert met de contactsleutel in stand MAR en ingeschakeld dimlicht.
Als de auto beladen is, helt hij achterover. Het gevolg is dat de lichtbundel meer naar boven schijnt.
De stand van de koplampen moet nu worden gecorrigeerd d.m.v. de knoppen A en B.
Het display toont de stand gedurende de koplampverstelling.
Correcte standen op basis van de belading
Stand 0 – een of twee personen op de voorstoelen.
Stand 3 – bestuurder + toegestane maximum lading uitsluitend in de bagageruimte.
KOPLAMPAFSTELLING IN HET BUITENLAND
De koplampen zijn afgesteld voor gebruik in het land waarin de auto is verkocht. In die landen waarin aan de andere zijde van de weg wordt gereden, moet om het tegemoetkomende verkeer niet te verblinden, een gedeelte van de koplampen worden afgeplakt overeenkomstig de wetgeving van het land waarin u rijdt.
MISTLAMPEN VOOR AFSTELLEN (indien aanwezig)
Wendt u voor controle of afstelling tot het Ford Servicenetwerk.
ABS
Het ABS dat geïntegreerd is in het remsysteem voorkomt dat tijdens het remmen de wielen blokkeren, ongeacht de conditie van het wegdek en de pedaaldruk, en verhindert daarmee het slippen van een of meerdere wielen. Hierdoor blijft de auto bestuurbaar, zelfs bij noodstops.
Het systeem wordt gecompleteerd met een elektronische remdrukverdeling EBD (Electronic Braking Force Distribution), die de remdruk verdeelt tussen de voor- en achterwielen.
WAARSCHUWING Voor een maximale werking van het remsysteem is een inrijperiode van ongeveer 500 km nodig: tijdens deze periode moet bruusk, herhaaldelijk of langdurig remmen vermeden worden.
ACTIVERING VAN HET SYSTEEM
Als het ABS in werking treedt, merkt de bestuurder dit aan een lichte trilling van het rempedaal, die gepaard gaat met enig geluid: dit geeft aan dat het noodzakelijk is de snelheid aan te passen aan de grip op het wegdek.

ATTENTIE!
Als het ABS in werking treedt, merkt u dat aan
een trilling in het rempedaal. Verlaag de remdruk niet maar houd het rempedaal juist goed ingetrapt; op deze manier hebt u de kortste remweg in relatie tot de conditie van het wegdek.

ATTENTIE!
Het ABS maakt zoveel mogelijk gebruik van de beschikbare grip maar kan deze niet verhogen. Daarom moet op gladde weggedeelten altijd voorzichtig worden gereden en mogen er geen onnodige risico's worden genomen.
STORINGSMELDINGEN
Storing in ABS
Bij een storing brandt het waarschuwingslampje (kns) op het instrumentenpaneel en verschijnt er een melding op het multifunctionele display, zie het hoofdstuk "Lampjes en berichten".
In dat geval blijft het remsysteem normaal werken, maar zonder de mogelijkheden van het ABS-systeem. Rijd voorzichtig naar de dichtstbijzijnde werkplaats van het Ford Servicenetwerk om het systeem te laten controleren.
Storing in EBD
Bij een storing branden de waarschuwingslampjes (∞) en Ⓔ op het instrumentenpaneel en verschijnt er een melding op het multifunctionele display, zie hoofdstuk "Lampjes en berichten".
In dit geval kunnen bij krachtig remmen de achterwielen vroegtijdig blokkeren waardoor de auto kan slippen. Rijd zeer voorzichtig naar het dichtstbijzijnde Ford Servicenetwerk om het systeem te laten controleren.

ATTENTIE!
Als alleen het waarschuwingslampje (!)
op het instrumentenpaneel gaat branden en op het multifunctionele display verschijnt ook een bericht, stop dan onmiddellijk en wendt u tot het dichtstbijzijnde Ford Servicenetwerk. Als er vloeistof lekt uit het hydraulische systeem, wordt de werking van zowel het conventionele remsysteem als het ABS in gevaar gebracht.
ESP-SYSTEEM (Electronic Stability Program) (indien aanwezig)
Dit systeem bewaakt de stabiliteit van de auto als de wielen hun grip verliezen, waardoor de auto beter op koers blijft.
De werking van het ESP is uitermate nuttig als de grip op het wegdek wisselt.
Het ESP-systeem beschikt naast ASR (antislipregeling van de aangedreven wielen die werkt op de remmen en de motor) en HILL HOLDER (automatisch wegrijhulp op hellingen) ook over MSR (regeling van motorremwerking) en HBA (automatische remdrukverhoger bij noodstops).
ACTIVERING VAN HET SYSTEEM
Bij activering gaat het lampje op het instrumentenpaneel knipperen, om de bestuurder er op te wijzen dat de auto de stabiliteit en de grip dreigt te verliezen.
Inschakeling van het systeem
Het ESP-systeem wordt automatisch ingeschakeld als de motor wordt gestart en kan niet worden uitgeschakeld.
Storingsmeldingen
Bij een storing in het ESP wordt het systeem automatisch uitgeschakeld, gaat het lampje op het instrumentenpaneel continu branden, verschijnt er een melding op het multifunctionele display en gaat het lampje op de knop ASR OFF branden (zie het hoofdstuk "Lampjes en berichten"). Wendt u in dat geval zo snel mogelijk tot het Ford Servicenetwerk.

ATTENTIE!
De prestaties van het ESP- systeem mogen er niet toe
leiden dat de bestuurder onnodige en onverantwoorde risico's neemt. De rijstijl moet altijd zijn aangepast aan het wegdek, het zicht en het verkeer. De verantwoordelijkheid voor de verkeersveiligheid ligt altijd en overal bij de bestuurder.
HILL HOLDER SYSTEEM (indien aanwezig)
Dit systeem is geïntegreerd in het ESP- systeem en schakelt automatisch in als:
☐ op een stijgende helling: de auto stilstaat op een helling van meer dan 2% met draaiende motor, ingetrapt rem- en koppelingspedaal en versnellingsbak in vrij, of als een andere versnelling dan de achteruit is ingeschakeld;
☐ op een dalende helling: als de auto stilstaat op een helling van meer dan 2% met draaiende motor, ingetrapt rem- en koppelingspedaal en ingeschakelde achteruit.
Tijdens het wegrijden zorgt de regeleenheid van het ESP-systeem ervoor dat de wielen geremd blijven, totdat het noodzakelijke motorkoppel is bereikt om weg te rijden (of maximaal 2 seconden zodat de rechtervoet van het rempedaal naar het gaspedaal kan worden verplaatst).
Als u na 2 seconden niet bent weggereden, schakelt het systeem automatisch uit en wordt de remdruk geleidelijk verlaagd. Tijdens deze fase kunt u een typisch schurend geluid horen. Dit geluid betekent dat de auto ieder moment in beweging kan komen.
Storingsmeldingen
Bij een eventuele storing gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een bericht op het multifunctionele display (zie het hoofdstuk "Lampjes en berichten").

ATTENTIE!
Het "Hill Holder"-systeem is geen handrem; verlaat
de auto dus nooit zonder de handrem aan te trekken, de motor uit te schakelen en de eerste versnelling in te schakelen.

ATTENTIE!
Als eventueel met het noodreservewiel wordt
gereden, dan blijft het ESP ingeschakeld. Blijf er echter rekening mee houden dat het noodreservewiel kleiner is dan de normale band en dat daarom de grip lager is dan bij de andere banden van de auto.
Voor de juiste werking van het ESP en de ASR moeten de banden van hetzelfde merk en type zijn op alle wielen, moeten de banden in perfecte conditie zijn en bovendien van het voorgeschreven type en merk en de juiste maat.
ASR (Antislip Regulation) (indien aanwezig)
Het ASR-systeem is geïntegreerd in het ESP-systeem en grijpt automatisch in als een of beide aangedreven wielen dreigen te slippen, zodat de bestuurder de controle over de auto kan behouden.
Het ASR-systeem is vooral nuttig onder de volgende omstandigheden:
☐ slippen van het binnenste wiel in bochten, door verandering van de wielbelasting of door te felle acceleratie;
□ te hoog vermogen naar de wielen, ook in samenhang met de condities van het wegdek;
□ acceleratie op gladde wegen en bij sneeuw en ijzel;
□ verlies van grip op natte weggedeelten (aquaplaning).

MSR (regeling van de afremming op de motor)
Dit systeem, dat geïntegreerd is in de ASR, verhoogt bij bruusk terugschakelen het motorkoppel, zodat overmatige vertraging van de aangedreven wielen wordt voorkomen. Dit heeft vooral voordelen op een wegdek met weinig grip, waarop de stabiliteit van de auto snel verloren kan gaan.
In-/uitschakeling van het ASR-systeem fig. 50
De ASR werkt uitsluitend als de contactsleutel in stand MAR staat.
Tijdens het rijden kan het systeem worden uitgeschakeld en vervolgens weer ingeschakeld door de knop C ASR OFF in te drukken.
De activering van het systeem wordt weergegeven met een bericht op het multifunctionele display.
Als het systeem wordt uitgeschakeld, gaat het lampje op de knop ASR OFF branden en verschijnt er een bericht op het multifunctionele display. Als de ASR tijdens het rijden wordt uitgeschakeld, schakelt deze automatisch weer in als de auto opnieuw wordt gestart.
Schakel het ASR-systeem uit als u met sneeuwkettingen rijdt: onder deze omstandigheden levert het slippen van de aangedreven wielen bij het wegrijden juist meer tractie op.
EOBD-SYSTEEM
Met het EOBD-systeem (European On Board Diagnosis) kan een doorlopende diagnose worden uitgevoerd op die componenten op de auto die van invloed zijn op de emissie. Bovendien meldt het systeem, door het branden van het lampje 📄 op het instrumentenpaneel en het verschijnen van een bericht op het multifunctionele display dat de betreffende componenten defect zijn (zie hoofdstuk "Lampjes en berichten").
Het doel van dit systeem is:
□ de werking van het systeem controleren;
☐ signaleren wanneer door een storing de emissies boven de wettelijk vastgestelde drempelwaarde uitkomen;
□ signaleren wanneer het noodzakelijk is defecte componenten te vervangen.
Het systeem beschikt verder nog over een diagnosestekker die, als deze verbonden is met speciale apparatuur, het mogelijk maakt de door de regeleenheid opgeslagen foutcodes en de specifieke parameters voor de diagnose en werking van de motor te lezen.
Deze controle kan ook worden uitgevoerd door de verkeerspolitie.
BELANGRIJK Na het verhelpen van de storing moet het Ford Servicenetwerk voor een complete controle van het systeem, tests uitvoeren op een testbank en, zonodig, een proefrit maken die eventueel een langere afstand kan omvatten.

Als u de contactsleutel in stand MAR draait en het lampje 📄 gaat niet branden of het gaat branden of
knipperen tijdens het rijden (en er verschijnt ook een bericht op het multifunctionele display), wendt u dan zo snel mogelijk tot het Ford Servicenetwerk. De werking van het lampje 📊 kan met speciale apparatuur door de verkeerspolitie gecontroleerd worden. Houd u aan de wetgeving van het land waarin u rijdt.
PARKEERSENSOREN (indien aanwezig)
Deze bevinden zich in de achterbumper van de auto fig. 51 en attenderen de bestuurder via een zich herhalend geluidssignaal op de aanwezigheid van obstakels achter de auto.
ACTIVERING
De sensoren worden automatisch geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Als de afstand tot het obstakel achter de auto kleiner wordt, neemt de frequentie van het geluidssignaal toe.

Als u de achteruit inschakelt en er een obstakel achter de auto aanwezig is, klinkt er een geluidssignaal waarvan de frequentie afhankelijk is van de afstand van het obstakel tot de achterbumper.
De frequentie van het geluidssignaal:
□ neemt toe als de afstand tot het obstakel kleiner wordt;
□ klinkt ononderbroken als de afstand tot het obstakel minder is dan ongeveer 30 cm en stopt onmiddellijk als de afstand tot het obstakel groter wordt;
□ klinkt continu als de gemeten afstand onveranderd blijft, terwijl, als deze situatie zich voordoet bij de sensoren aan de zijkant, het signaal na 3 seconden onderbroken wordt, om geluidssignalering te voorkomen als u bijvoorbeeld langs een muur rijdt.
Als de sensoren meerdere obstakels signaleren, dan reageren zij alleen op die obstakels die zich het dichtst bij de auto bevinden.
STORINGSMELDINGEN
Eventuele storingen in de parkeersensoren worden bij het inschakelen van de achteruit aangegeven door het branden van het lampje op het instrumentenpaneel (op het multifunctionele display verschijnt ook een melding – indien aanwezig) (zie het hoofdstuk "Lampjes en berichten").

Voor een juiste werking van het systeem mag er geen modder, vuil, sneeuw of ijs op de sensoren zitten.
Wees voorzichtig bij het reinigen van de sensoren om krassen of beschadigingen te voorkomen; gebruik geen droge, grove of harde doek. De sensoren moeten met water worden gewassen, eventueel met toevoeging van auto-shampoo. In wasstraten waar gebruik wordt gemaakt van stoom of hogedrukreiniging, moeten de sensoren kort worden gereinigd. Houd hierbij het mondstuk op meer dan 10 cm afstand.
ALGEMENE OPMERKINGEN
□ Controleer tijdens
parkeermanoeuvres of zich geen
obstakels op of onder het
sensorsysteem bevinden.
Obstakels die zich dicht bij de auto bevinden, worden onder bepaalde omstandigheden niet door het systeem gesignaleerd en kunnen dus de auto beschadigen of zelf beschadigd worden.
Hierna staan enkele omstandigheden vermeld die de prestaties van het parkeersysteem kunnen beïnvloeden:
□ Een verminderde gevoeligheid van de sensor en een vermindering van de prestaties van het parkeerhulpsysteem kunnen veroorzaakt worden door de aanwezigheid op de sensor van: ijs, sneeuw, modder, meerdere laklagen
☐ De sensor registreert een niet-
bestaand object ("echostoring"), dit
wordt veroorzaakt door
mechanische storingen, bijvoorbeeld:
reiniging van de auto, regen (met veel
wind), hagelbuien.
☐ De metingen van de sensor kunnen beïnvloed worden door ultrasone systemen (bijv. luchtdrukremmen van vrachtwagens of pneumatische hamers) die zich in de nabijheid bevinden.
☐ De prestaties van het parkeerhulpsysteem kunnen ook beïnvloed worden door de positie van de sensoren. Bijvoorbeeld als de stand van de auto wordt gewijzigd (door slijtage van schokdempers, wielophanging) of door de banden te verwisselen, als de auto te zwaar te beladen is of door speciale aanpassingen waardoor de auto verlaagd wordt.

ATTENTIE!
De verantwoordelijkheid tijdens het parkeren en gevaarlijke handelingen ligt overal bij de bestuurder. Peer, als u de auto parkeert, een personen (vooral) of dieren in de buurt van bevinden. De sensoren moeten als een del voor de bestuurder wdd worden. De bestuurder dens eventuele gevaarlijke manoeuvres altijd zijn ont er volledig bijhouden, ook manoeuvres met lage worden uitgevoerd.

ATTENTIE!
Wendt u voor het overspuiten van de bumpers of het bijwerken van de lak in de buurt van de sensoren uitsluitend tot het Ford Servicenetwerk. Als het bijwerken van de lak niet op de juiste manier wordt uitgevoerd, kan de werking van de parkeersensoren in gevaar worden gebracht.
AUTO-START-STOP -SYSTEEM
VOORWOORD
Het Auto-Start-Stop-systeem schakelt automatisch de motor uit telkens als de auto tot stilstand wordt gebracht en start de motor weer als de bestuurder de rit voortzet.
Hierdoor verbetert de efficiëntie van de auto door verlaging van het brandstofverbruik, vermindering van de hoeveelheid schadelijke uitlaatgassen en beperking van het geluid.
Het systeem wordt ingeschakeld als de auto wordt gestart.
Opmerking Als u liever de klimaatregeling gebruikt, kunt u het Auto-Start-Stop-systeem uitschakelen, zodat de klimaatregeling continu kan werken.
WERKING
Stopmodus van de motor
Bij stilstaande auto wordt de motor uitgeschakeld als de versnelling in de vrij staat en het koppelingspedaal niet is ingetrapt.

fig. 52
KA00168m
Opmerking De functie Auto-Start-Stop schakelt automatisch uit als gedurende circa 2 seconden niet harder dan ongeveer 10 km/h wordt gereden, om herhaaldelijk afslaan van de motor tijdens de rit te voorkomen als stapvoets wordt gereden.
Als de motor wordt uitgeschakeld verschijnt het symbool fig. 52 op het digitale display.
Herstartmodus van de motor
Trap het koppelingspedaal in om de motor opnieuw te starten.

fig. 53
KA00169m
HANDMATIG IN-EN UITSCHAKELEN
Het systeem kan met de knop
A-fig. 53 op het dashboard worden in- en uitgeschakeld. Het systeem is gewoonlijk actief, als op het instrumentenpaneel het lampje fig. 52 gaat branden, wordt hierdoor aangegeven dat het systeem is uitgeschakeld.
Bovendien worden bij specifieke uitvoeringen extra identificatiegegevens op het dashboard gegeven m.n. het bericht voor de in- en uitschakeling van het Auto-Start-Stop-systeem.
OMSTANDIGHEDEN WAARONDER DE MOTOR NIET WORDT UITGESCHAKELD
Als het systeem is ingeschakeld, wordt onder bepaalde omstandigheden, vanwege het comfort, de uitlaatemissie en de veiligheid, de aandrijfaggregaat niet uitgeschakeld. Tot deze omstandigheden behoren:
□ nog koude motor;
□ storing van de onderdelen of van de sensor van het Auto-Start-Stop-systeem;
□ zeer koude buitentemperatuur, speciaal symbool voorzien;
□ verminderde druk in het remsysteem, bijvoorbeeld omdat het rempedaal enkele malen is ingetrapt;
□ onvoldoende geladen accu;
☐ ingeschakelde achterruitverwarming;
☐ ingeschakelde voorruitverwarming;
□ ruitenwissers werken lange tijd op de hoogste snelheid;
□ regeneratie van het roetfilter (alleen bij dieselmotoren);
□ niet gesloten bestuurdersportier;
□ bestuurdersgordel niet vergrendeld;
☐ ingeschakelde achteruit (bijvoorbeeld bij achteruit inparkeren);
□ automatische klimaatregeling, als nog niet de gewenste comfortabele temperatuur is bereikt ofwel activering MAX-DEF;
□ tijdens het eerste gebruik als het systeem moet worden geïntitialiseerd. In voornoemde gevallen wordt op het display een melding gegeven en, indien van toepassing, gaat het symbool fig. 52 knipperen.
OMSTANDIGHEDEN WAARIN OPNIEUW WORDT GESTART
De motor kan zonder tussenkomst van de bestuurder opnieuw worden gestart, vanwege het comfort, de uitstoot van schadelijke stoffen of veiligheidsredenen onder de volgende omstandigheden:
□ nog koude motor;
□ onvoldoende geladen accu;
□ ruitenwissers werken lange tijd op de hoogste snelheid;
□ verminderde druk in het remsysteem, bijvoorbeeld omdat het rempedaal enkele malen is ingetrapt;
□ te lage katalysatortemperatuur;
□ een rijdende auto, bijvoorbeeld omdat de auto op een helling staat;
□ als de motor door het Auto-Start-Stop-systeem langer dan circa drie minuten is uitgeschakeld;
□ automatische klimaatregeling voor het verkrijgen van de gewenste comfortabele temperatuur ofwel activering MAX-DEF.
Als een versnelling is ingeschakeld, kan de motor alleen automatisch opnieuw worden gestart als het koppelingspedaal geheel is ingetrapt. Het systeem verzoekt hierom m.b.v. een bericht op het digitale display en, waar voorzien, door het knipperen van het symbool fig. 52 op het digitale display.
Opmerking Als het koppelingspedaal niet is ingetrapt en er zijn ongeveer drie minuten verstreken sinds het uitschakelen van de motor, kan de motor alleen met de sleutel opnieuw worden gestart.
Opmerking Als het Auto-Start-Stop-systeem is ingeschakeld, kan de motor opnieuw worden gestart door het koppelingspedaal in te drukken of de versnellingsbak in de vrijstand te zetten als de motor per ongeluk is gestopt, bijvoorbeeld omdat het koppelingspedaal te snel is losgelaten met een versnelling ingeschakeld.
VEILIGHEIDSFUNCTIES
Als de motor door het Auto-Start-Stop- systeem wordt uitgeschakeld, de bestuurder de eigen veiligheidsgordel afdoet en het bestuurders- of passagiersportier wordt geopend, kan de motor vervolgens alleen m.b.v. de sleutel opnieuw worden gestart.
Dit wordt aangegeven m.b.v. een zoemer, een bericht op het display en, waar voorzien, door het knipperen van het symbool fig. 52 op het digitale display.
"ENERGY SAVING"
Als na het opnieuw starten van de motor de bestuurder gedurende ongeveer 3 minuten geen actie onderneemt, schakelt het Auto-Start-Stop-systeem de motor uit om ongewenst brandstofverbruik te voorkomen. In dat geval kan de motor vervolgens alleen m.b.v. de sleutel worden gestart.
Opmerking Het Auto-Start-Stop- systeem kan altijd worden uitgeschakeld, als u wilt dat de motor blijft draaien.

fig. 54
KA00170m
ONREGELMATIGE WERKING
Als een storing in het Auto-Start-Stop-systeem aanwezig is, wordt het systeem uitgeschakeld. De bestuurder wordt geinformeerd over de storing door het branden van het algemene waarschuwingslampje A-fig. 54, waar voorzien, een bericht en het waarschuwingslampje B-fig. 54 van het systeem op het instrumentenpaneel.
Wendt u in dat geval tot het Ford Servicenetwerk.

Als de auto wordt gestald, moet vooral aandacht worden geschonken aan het onderbreken van de accuspanning. Maak de stekker A-fig. 55 los (door knop B in te drukken) van de controlesensor C van de acculading die op de minpool D van de accu is geïnstalleerd. Deze sensor mag nooit losgemaakt worden van de pool, behalve als de accu vervangen wordt.

vervangen van de accu tot
het Ford Servicenetwerk. De accu vervangen door een accu van hetzelfde type (HEAVY DUTY) en met dezelfde kenmerken.
NOODSTART fig. 56
Als een noodstart moet worden uitgevoerd met een hulpaccu, sluit dan nooit de minkabel (-) van de hulpaccu aan op de minpool (A-fig. 56) van de accu in de auto, maar uitsluitend op een massa-aansluiting van de motor/versnellingsbak.
WAARSCHUWINGEN

ATTENTIE!
Controleer voordat de motorkap wordt geopend
of de motor is uitgeschakeld en de contactsleutel in de stand STOP (OFF) staat.
Neem de voorschriften op de sticker nabij de fronttraverse in acht, fig.57. Het verdient aanbeveling om de sleutel te verwijderen als andere personen in de auto achterblijven.
Als u uit de auto stapt, moet u altijd de sleutel uit het contact verwijderen of de sleutel in de STOP-stand (OFF) draaien. Tijdens het tanken moet de motor zijn uitgeschakeld door de sleutel in de stand STOP (OFF) te draaien.
AUTORADIO (indien aanwezig)
Raadpleeg voor de werking van de autoradio met MP3/CD-speler (indien aanwezig) het supplement dat bij dit instructieboekje is geleverd.

Als u na aanschaf van de auto een autoradio wilt installeren, wendt u dan eerst tot het Ford
Servicenetwerk, dat u kan informeren over de beste keuze, zodat de levensduur van de accu niet nadelig wordt beïnvloed. Door een overmatig stroomopname als de motor niet draait, kan de accu beschadigd raken en kan de garantie op de accu vervallen.
INBOUWVOORBEREIDING (waar voorzien)
De inbouwvoorbereiding voor de autoradio bestaat uit:
- voedingskabels voor de autoradio;
- voedingskabels voor de luidsprekers voor;
- antennekabel;
- een inbouwplaats voor de autoradio;
- antenne op het dak van de auto.
AUTORADIO (indien aanwezig)
Luidsprekers voor basis-uitvoering
Luidsprekers voor
2 tweeter luidsprekers met diameter van 38 mm;
2 mid-woofer luidsprekers met diameter van 165 mm.
Luidsprekers achter
2 full-range luidsprekers met diameter van 130 mm.
Luidsprekers voor Audio Hi Fi-uitvoering (optioneel)
Luidsprekers voor
2 tweeter luidsprekers met diameter van 38 mm;
2 mid-woofer luidsprekers met diameter van 165 mm.
Luidsprekers achter
2 full-range luidsprekers met diameter van 130 mm;
I versterker;
I bass box.
AUX-IN POORT (indien aanwezig)
DEZE bevindt zich op de middenconsole voor aansluiting op een externe bron (bijv. MP3-speler).
EXTRA ACCESSOIRES
Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die constante voeding nodig hebben (autoradio, antidiefstal satellietbeveiliging, enz.), of accessoires die de elektrische installatie zwaar belasten, wendt u dan tot het Ford Servicenetwerk. Deze kan u de meest geschikte installaties aanraden uit het Ford Lineaccessori-assortiment en controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik of dat het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te installeren.
ELEKTRISCHE/ELEKTRONISCHE SYSTEMEN MONTEREN
De elektrische/elektronische systemen die na aankoop van de auto en binnen de aftersales-service worden gemonteerd, moeten voorzien zijn van het merkteken:


Ford Motor Company geeft toestemming voor de montage van zend-/ontvangstapparatuur op voorwaarde dat de montagewerkzaamheden op de juiste wijze bij een gespecialiseerd bedrijf worden uitgevoerd, waarbij de aanwijzingen van de fabrikant in acht moeten worden genomen.
BELANGRIJK Als door de montage van systemen de kenmerken van de auto worden gewijzigd, kan het kentekenbewijs worden ingenomen door de bevoegde instanties en kan eventueel de garantie komen te vervallen op defecten die veroorzaakt zijn door de bovengenoemde modificatie of op defecten die direct of indirect daarvan het gevolg zijn.
Ford Motor Company wijst elke verantwoordelijkheid af voor schade die veroorzaakt is door de installatie van accessoires die niet geleverd of aanbevolen zijn door Ford Motor Company en niet gemonteerd zijn volgens de bijgeleverde voorschriften.
RADIOZENDAPPARATUUR EN MOBILE TELEFOONS
Radiozendapparatuur (mobiele telefoons, 27 mc en soortgelijke apparatuur) mogen niet in de auto worden gebruikt, tenzij gebruik wordt gemaakt van een aparte antenne aan de buitenkant van de auto.
BELANGRIJK Het gebruik van dergelijke apparaten in de auto (zonder buitenantenne) kan niet alleen schadelijk zijn voor de gezondheid van de inzittenden, maar kan ook storingen in de elektrische systemen van de auto veroorzaken. Hierdoor wordt de veiligheid in gevaar gebracht.
Bovendien wordt de zend- en ontvangstkwaliteit aanzienlijk beperkt door de isolerende eigenschappen van de carrosserie.
Houdt u bij het gebruik van mobiele telefoons (GSM, GPRS, UMTS) met het officiële EU-keurmerk, strikt aan de instructies die door de fabrikant van de mobiele telefoon worden geleverd.
TANKEN
BENZINEMOTOREN
Tank uitsluitend loodvrije benzine met een octaangetal van ten minste 95 RON.
WAARSCHUWING Een beschadigde katalysator laat schadelijke stoffen in het uitlaatgas achter, waardoor het milieu wordt vervuild.
WAARSCHUWING Tank met de auto nooit, ook niet in noodgevallen en ook geen kleine hoeveelheid, loodhoudende benzine. U zou de katalysator onherstelbaar beschadigen.
DIESELMOTOREN
Werking bij lage temperaturen
Bij lage buitentemperaturen kan de vloeibaarheid van de diesel lager worden door de vorming van paraffine; waardoor het brandstofsysteem niet meer goed werkt.
Om dit probleem te voorkomen wordt er, afhankelijk van het seizoen, dieselbrandstof geleverd die speciaal voor de zomer, voor de winter en voor zeer lage temperaturen (bergachtige/koude gebieden) is ontwikkeld.
Als de auto lange tijd wordt gebruikt/stilstaat in bergachtige/koude gebieden, is het raadzaam dieselbrandstof te tanken die ter plaatse beschikbaar is.
In dat geval is het bovendien raadzaam een hoeveelheid brandstof in de tank te houden die groter is dan 50% van de nuttige inhoud.

Tank bij auto's met dieselmotor uitsluitend dieselbrandstof voor motorvoertuigen die voldoet
aan de Europese specificatie EN590. Door het gebruik van andere producten of mengsels kan de motor onherstelbaar worden beschadigd en vervalt mogelijk de garantie. Mocht u onverhoopt een ander type brandstof tanken, dan mag de motor niet worden gestart en moet de brandstoftank worden afgetapt. Ook als de motor slechts kort heeft gedraaid, moet naast de brandstoftank, ook alle brandstof uit de brandstofleidingen worden afgetapt.
TANKINHOUD
Om te zorgen dat de tank volledig gevuld wordt, moet u twee keer bijvullen nadat het vulpistool voor de eerste keer afslaat. Vul niet nog een keer bij om storingen in het brandstofsysteem te voorkomen.

Houd open vuur of brandende sigaretten uit van de vulopening: vaar. Houd ook uw hoofde buurt van de vulopening porkomen dat u giftige inademt.
DOP BRANDSTOFTANK fig. 58
De tankdop B is voorzien van een koord C dat aan klepje A vastzit, om verlies van de dop te voorkomen.
Draai met de contactsleutel de dop B linksom. Door de hermetische afsluiting van de tank kan de druk in de tank iets verhoogd zijn. Het is daarom normaal als u bij het losdraaien van de tankdop een sissend geluid hoort. Plaats tijdens het tanken de dop in de uitsparing op het tankklepje, zoals afgebeeld in de figuur.
BESCHERMING VAN HET MILIEU
De emissiereductiesystemen voor benzinemotoren zijn:
□ driewegkatalysator (katalysator);
□ lambdasonde;
□ benzinedamp-opvangsysteem.
Laat de motor nooit, ook niet tijdens testwerkzaamheden, met een of meer losgekoppelde bougies draaien.
De emissiereductiesystemen voor dieselmotoren zijn:
□ oxidatiekatalysator;
□ uitlaatgasrecirculatie-systeem (E.G.R.);
□ roetfilter (DPF).

ATTENTIE!
Onder normale bedrijfsomstandigheden
bereikt de katalysator hoge temperaturen. Parkeer daarom niet boven brandbare materialen (gras, droge bladeren, dennennaalden enz.).
DPF-ROETFILTER
(DIESEL PARTICULATE FILTER) (voor uitvoeringen 1.3L Duratorq)
Het DPF-roetfilter (Diesel Particulate Filter) is een mechanisch filter in het uitlaatsysteem dat de roetdeeltjes in het uitlaatgas van dieselmotoren opvangt.
Het roetfilter vangt bijna alle roetdeeltjes op, waardoor voldaan wordt aan de huidige/toekomstige wettelijke normen.
Tijdens het normale gebruik van de auto registreert de inspuitregeleenheid een aantal gegevens met betrekking tot het gebruik (gebruiksduur, type traject, bereikte temperatuur enz.) en berekent de hoeveelheid verzameld roet in het filter.
Omdat het filter de roetdeeltjes verzamelt, moet het periodiek worden geregenereerd (schoongemaakt) door de roetdeeltjes te verbranden.
De regeneratie-procedure wordt automatisch door de inspuitregeleenheid geregeld, afhankelijk van de hoeveelheid roet in het filter en de gebruiksomstandigheden van de auto.
Tijdens de regeneratie kunnen een beperkte verhoging van het stationair toerental, inschakeling van de aanjager, een beperkte toename van de uitlaatrook en hoge uitlaattemperaturen worden waargenomen.
Dit zijn geen storingen en deze situatie heeft geen invloed op het milieu of het gedrag van de auto. Als het betreffende bericht op het display verschijnt, raadpleeg dan de paragraaf "Lampjes en berichten".
VEILIGHEID
VEILIGHEIDSGORDELS 70
SBR-SYSTEEM 70
GORDELSPANNERS 71
KINDEREN VEILIG VERVOEREN 73
UNIVERSEEL KINDERZITJE MONTEREN 74
MONTAGEVOORBEREIDING VOOR "ISOFIX"-KINDERZITJE 77
FRONTAIRBAGS 79
ZIJ-AIRBAGS (Sidebag - Headbag) 81
VEILIGHEIDSGORDELS
GEBRUIK VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS fig. I
Ga goed rechtop zitten, steun tegen de rugleuning en doe dan de gordel om.
Trek aan de gordel en maak de gordel vast door de gesp A in de sluiting B te drukken, totdat deze hoorbaar vergrendelt. Als tijdens het uittrekken van de gordel de rolautomaat blokkeert, laat dan de gordel een stukje teruglopen en trek de gordel vervolgens weer geleidelijk uit.
Druk voor het losmaken van de gordel op knop C. Begeleid de gordel tijdens het teruglopen, zodat wordt voorkomen dat de gordelband draait. Via de rolautomaat wordt de lengte van de gordel automatisch aangepast aan het postuur van de drager, waarbij voldoende bewegingsruimte overblijft.

ATTENTIE!
Druk tijdens het rijden niet op de knop C.

Als de auto op een steile helling staat, kan de rolautomaat blokkeren; dit is een normaal verschijnsel. Bovendien blokkeert de rolautomaat als u de gordel snel uittrekt. Hij blokkeert ook bij hard remmen, botsingen en bij hoge snelheden in bochten.
De achterbank is voorzien van driepunts-veiligheidsgordels met rolautomaat.

ATTENTIE!
Bedenk dat achterpassagiers die geen gordel dragen tijdens een ernstig ongeval, niet alleen zelf aan gevaar worden blootgesteld maar ook gevaar opleveren voor de inzittenden voor.
SBR-SYSTEEM
De auto is uitgerust met het SBR-systeem (Seat Belt Reminder), dat de bestuurder op de volgende wijze waarschuwt als de veiligheidsgordel niet is omgelegd:
□ de eerste 6 seconden gaat lampje 4 continu branden en klinkt er een ononderbroken geluidssignaal;
□ de daaropvolgende 90 seconden gaat lampje ♦ knipperen en klinkt er een onderbroken geluidssignaal.
Wendt u voor de in-/uitschakeling van het SBR-systeem tot het Ford Servicenetwerk.
HET SBR-systeem kan ook via het setup-menu van het display weer worden geactiveerd als de auto is voorzien van een digitaal display.
Op het display verschijnt het betreffende bericht.
GORDELSPANNERS
Voor een nog effectievere bescherming zijn de veiligheidsgordels bij de voorstoelen voorzien van gordelspanners. Dit systeem trekt bij een heftige frontale en zijdelingse botsing de gordel enige centimeters aan. Op deze wijze worden de inzittenden veel beter op hun plaats gehouden en wordt de voorwaartse beweging beperkt. Als de veiligheidsgordel blokkeert, geeft dat aan dat de gordelspanner heeft gewerkt; de gordel rolt niet meer op, ook niet als hij wordt begeleid.
Deze auto is bovendien uitgerust met een tweede gordelspanner (ter hoogte van de dorpel). De kortere metalen kabel geeft aan dat het systeem in werking is getreden.
WAARSCHUWING Voor een maximale bescherming door de gordelspanner moet de veiligheidsgordel zo worden omgelegd dat hij goed aansluit op borst en bekken.
Tijdens de werking van de gordelspanner kan er een beetje rook ontsnappen; deze rook is niet schadelijk en duidt niet op brand. De gordelspanner hoeft op geen enkele wijze te worden onderhouden of gesmeerd. Elke verandering van de oorspronkelijke staat zal de efficiëntie verminderen. Als de gordelspanner
door extreme natuurlijke omstandigheden (bijv. overstromingen en vloedgolven) met water en modder in contact is geweest, dan moet de spanner worden vervangen.

ATTENTIE!
De gordelspanner werkt slechts eenmaal. Na
activering van het systeem moet het door het Ford Servicenetwerk worden vervangen.

Omstandigheden waarbij stoten, sterke trillingen of verhitting (maximaal 100°C gedurende ten hoogste
6 uur) optreden, kunnen de gordelspanners beschadigen of activeren: tot deze omstandigheden behoren niet de trillingen die ontstaan door een slecht wegdek of door contact met kleine obstakels zoals trottoirbanden. Wendt u in dat geval tot het Ford Servicenetwerk.
TREKKRACHTBEGRENZERS
Om de veiligheid bij een ongeval te vergroten, zijn de oprolautomaten van de gordels voorzien van trekkrachtbegrenzers die tijdens een frontale aanrijding de piekbelasting op de borst en schouders beperken.
ALGEMENE OPMERKINGEN OVER HET GEBRUIK VAN VEILIGHEIDSGORDELS
De bestuurder is verplicht zich te houden aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot het verplichte gebruik van de veiligheidsgordels (en de inzittenden hierop te attenderen). Doe de veiligheidsgordel altijd om voordat u vertrekt.
Ook zwangere vrouwen moeten een gordel dragen: ook voor hen (zowel voor de aanstaande moeder als het kind) is de kans op letsel bij een ongeval kleiner als ze een gordel dragen. Uiteraard moeten zwangere vrouwen het onderste deel van de gordel lager omleggen, zodat de gordel boven het bekken en onder de buik langs loopt (zoals in fig. 2 is aangegeven).

Voor maximale veiligheid moet u de rugleuning
rechtop zetten, tegen de leuning aan gaan zitten en de gordel goed laten aansluiten op borst en bekken. Draag altijd veiligheidsgordels zowel voor als achter in de auto! Rijden zonder veiligheidsgordels vergroot het risico op ernstig letsel of dodelijke afloop bij een ongeval.
Het is streng verboden onderdelen van de veiligheidsgordels of gordelspanners te demonteren of open te maken. Handelingen aan de veiligheidsgordels en gordelspanners moeten worden uitgevoerd door gekwalificeerd personeel. Wendt u altijd tot het Ford Servicenetwerk.

WAARSCHUWING De gordelband mag nooit gedraaid zijn. Het diagonale gordelgedeelte moet via het midden van de schouder schuin over de borst lopen. Het horizontale gordelgedeelte moet over het bekken (zoals aangegeven in fig. 3) en niet over de buik lopen. Gebruik geen voorwerpen (wasknijpers, klemmen enz.) die een goede aansluiting van de gordel op het lichaam verhinderen.

WAARSCHUWING Elke gordel dient slechts ter bescherming van een enkel persoon: vervoer kinderen nooit op uw schoot, waarbij de gordel beiden zou moeten beschermen fig. 4. In het algemeen mag geen enkel object zich tussen de persoon en de gordel bevinden.

ATTENTIE!
Als de gordel aan een zware belasting wordt steld (bijvoorbeeld tijdens eval), dan moet de gordel met de verankeringen,ingspunten en de banners worden vervangen. de schade niet zichtbaar is, gordel toch verzwakt zijn.
ONDERHOUD VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS
Voor het juiste onderhoud van de veiligheidsgordels moeten de volgende aanwijzingen zorgvuldig worden opgevolgd:
□ zorg dat de gordel goed uitgetrokken en niet gedraaid is; controleer ook of de oprolautomaat zonder haperingen werkt;
□ vervang de gordels na een ongeval, ook al zijn ze ogenschijnlijk niet beschadigd. Vervang de gordels ook als de gordelspanners in werking zijn geweest;
☐ u kunt de gordels met de hand reinigen met water en een neutrale zeep. Spoel ze uit en laat ze in de schaduw drogen. Gebruik geen bijtende, blekende of kleurende reinigingsmiddelen. Vermijd het gebruik van alle chemische producten die het weefsel van de gordel kunnen aantasten;
□ de werking van de oprolautomaten is alleen gegarandeerd, als ze niet nat zijn geweest;
□ vervang de gordels bij tekenen van slijtage of beschadigingen.
KINDEREN VEILIG VERVOEREN
Voor optimale bescherming bij een ongeval moeten alle inzittenden zittend reizen en beschermd worden door middel van goedgekeurde veiligheidssystemen.
Dit geldt met name voor kinderen.
Dit is een wettelijk voorschrift volgens norm ECE- R44 in alle lidstaten van de Europese Unie.
Het hoofd van kleine kinderen is in verhouding met de rest van het lichaam groter en zwaarder dan dat van volwassenen, terwijl spieren en botstructuur nog niet volledig zijn ontwikkeld.
Daarom moeten kleine kinderen door andere systemen beschermd worden dan door de veiligheidsgordels.
De resultaten van het onderzoek over de optimale bescherming van kleine kinderen zijn verwerkt in de Europese normen ECE/R44 die wettelijk verplicht zijn. De systemen zijn onderverdeeld in vijf groepen:
Groep 0 - gewicht tot 10 kg
Groep 0+ - gewicht tot 13 kg
Groep I gewicht van 9 – 18 kg
Groep 2 gewicht van 15 – 25 kg
Groep 3 gewicht van 22 - 36 kg

ATTENTIE!
ZEER GEVAARLIJK:
monteer absoluut geen kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel indien de frontairbag aan de passagierszijde is

ingeschakeld. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben. Wij raden u aan kinderen altijd op de zitplaatsen achterin te vervoeren, omdat die plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden. Kinderzitjes mogen beslist niet op de voorstoel bij een auto met passagiersairbag worden geplaatst. Als de airbag wordt geactiveerd, kan dit verwondingen of de dood tot gevolg hebben, ongeacht de zwaarte van het ongeval waardoor de airbag is geactiveerd. Als het nodig is, kunnen kinderen op de voorstoel worden vervoerd, als de auto is voorzien van een uitschakelbare passagiersairbag. In dit geval moet u er absoluut zeker van zijn dat de airbag is uitgeschakeld door te controleren of het waarschuwingslampje “ op het instrumentenpaneel brandt (zie “Frontairbag aan passagierszijde” in het hoofdstuk “Frontairbags”). Bovendien moet de passagiersstoel zo ver mogelijk naar achteren zijn geplaatst; hierdoor wordt voorkomen dat het kinderzitje het dashboard raakt.
Alle systemen moeten zijn voorzien van de typegoedkeuring en van een goed vastgehecht plaatje met het controlemerk, dat absoluut niet mag worden verwijderd.
Kinderen met een lengte van meer dan 1,50 m moeten, met betrekking tot de veiligheidssystemen, gelijkgesteld worden aan volwassenen en moeten dan ook op normale wijze de veiligheidsgordels dragen. In het Ford Lineaccessori-programma zijn kinderzitjes opgenomen voor elke gewichtsgroep.
Deze zijn speciaal ontworpen en ontwikkeld voor de Ford-modellen.
UNIVERSEEL KINDERZITJE MONTEREN (MET DE VEILIGHEIDSGORDELS)
GROEP 0 en 0+
Kinderen tot 13 kg moeten in babyzitjes worden vervoerd die achterstevoren zijn geplaatst, waardoor het achterhoofd wordt gesteund en bij plotseling remmen de nek niet wordt belast.

Het babyzitje moet op zijn plaats worden gehouden door de veiligheidsgordel, zoals in fig. 5 is aangegeven, en het kind moet op zijn beurt worden beschermd door de gordel van het zitje zelf.

Kinderen met een gewicht tussen 9 en 18 kg moeten worden vervoerd in de rijrichting. Enkele typen kinderzitjes zijn voorzien van een kussen, waarbij de veiligheidsgordel van de auto het kinderzitje en het kind op zijn plaats moet houden fig. 6.

ATTENTIE!
De afbeeldingen dienen alleen ter illustratie van de bevestiging. Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies.
De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren. Er bestaan kinderzitjes die geschikt zijn voor de gewichtsgroepen 0 en 1 die achterin kunnen worden bevestigd. Deze kinderzitjes zijn voorzien van gordels om het kind te beschermen. Vanwege het gewicht kan het gevaarlijk zijn als ze verkeerd worden gemonteerd (bijvoorbeeld als een kussen tussen het kinderzitje en de veiligheidsgordels van de auto wordt geplaatst). Houdt u voor de montage strikt aan de bijgeleverde instructies.

fig. 7

fig. 8
GROEP 2
Kinderen met een gewicht tussen 15 en 25 kg kunnen direct door de veiligheidsgordels van de auto worden beschermd fig. 7.
Kinderen moeten zo in de kinderzitjes worden geplaatst, dat het diagonale gordelgedeelte schuin over de borst en niet langs de nek loopt. Het horizontale gordelgedeelte moet over het bekken en niet over de buik van het kind lopen.
GROEP 3
Bij kinderen met een gewicht tussen 22 en 36 kg is de borstomvang van dien aard dat de kinderen gewoon tegen de rugleuning kunnen steunen en niet meer in een kinderzitje hoeven te worden vervoerd.
In fig. 8 is een voorbeeld gegeven van de juiste manier waarop een kind op een achterbank moet plaatsnemen.
Kinderen die langer zijn dan 1,50 m kunnen de gordels op dezelfde wijze dragen als volwassenen.

ATTENTIE!
De afbeeldingen dienen alleen ter illustratie van de bevestiging. Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren.
GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATSEN VOOR HET GEBRUIK VAN UNIVERSELE KINDERZITJES
De Ford voldoet aan de nieuwe Europese Richtlijn 2003/20/EG voor de montage van kinderzijtes op de verschillende plaatsen in de auto. Zie de volgende tabel:
| Groep Gewichtsklasse voor achter | Passagiersstoel | Passagiersstoel |
| Groep 0, 0+ tot 13 kg U U | ||
| Groep 1 9-18 kg U U | ||
| Groep 2 15-25 kg U U | ||
| Groep 3 22-36 kg U U |
Legenda:
U = geschikt voor "Universele" kinderzitjes conform de Europese normen ECE/R44 voor de aangegeven "groepen".
Hieronder zijn de belangrijkste veiligheidsnormen voor een veilig vervoer van kinderen aangegeven:
□ Wij raden u aan de kinderzitjes altijd op de zitplaatsen achterin te monteren, omdat die plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden.
Als de frontairbag aan passagierszijde buiten werking wordt gesteld, moet altijd gecontroleerd worden of de airbag daadwerkelijk is uitgeschakeld: het betreffende lampje (geel) op het instrumentenpaneel moet continu branden.
☐ Houdt u bij de montage van het kinderzitje strikt aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren. Bewaar de instructies samen met het instructieboekje in de auto. Monteer geen gebruikte kinderzitjes waarvan de gebruiksaanwijzingen ontbreken.
□ Controleer of de gordels goed zijn vastgemaakt door aan de gordelband te trekken.
□ Elk veiligheidssysteem is bedoeld voor slechts een kind: vervoer nooit twee kinderen in een systeem.
Controleer altijd of de gordel niet langs de nek van het kind loopt.
□ Zorg er tijdens de rit voor dat het kind geen afwijkende houding aanneemt of de gordels losmaakt.
□ Vervoer kinderen nooit in uw armen, ook geen pasgeboren kinderen. Niemand is sterk genoeg om ze bij een ongeval vast te houden.
□ Na een ongeval moet het zitje door een nieuw exemplaar worden vervangen.

ATTENTIE!
Als een passagiersairbag aanwezig is mogen geen
kinderzitjes op de voorstoel worden geplaatst; bovendien mogen kinderen nooit op de voorstoelen worden vervoerd.
MONTAGEVOORBEREI DING VOOR ISOFIX-KINDERZITJE
De auto kan voorbereid zijn op de montage van "Isofix Universele"-kinderzitjes; een nieuw gestandaardiseerd Europees systeem voor het vervoeren van kinderen.
Er kan ook een mengvorm worden gekozen, een traditioneel kinderzitje en een Isofix-kinderzitje. In fig. 9 wordt een voorbeeld getoond van het kinderzitje. Het isofix Universeel-kinderzitje is er voor gewichtsgroep: I. Voor de andere groepen is er een specifiek Isofix-kinderzitje dat alleen kan worden gebruikt als het speciaal voor deze auto ontworpen, getest en goedgekeurd is (zie de lijst met auto's die bij het kinderzitje geleverd wordt).
Vanwege het afwijkende bevestigingssysteem, moet het kinderzitje aan de daarvoor bestemde onderste metalen beugels A-fig. 10 worden bevestigd. Deze bevinden zich tussen de rugleuning en zitting van de achterbank. Verwijder daarna de hoedenplank en bevestig de bovenste riem (bij het kinderzitje geleverd) aan de beugel B-fig. 11 tussen de rugleuning van de achterbank en de bekleding van de bagageruimte. Gebruik de beugel B niet voor de bevestiging van andere voorwerpen.

Bedenk dat bij Isofix Universeel-kinderzitjes, alle zitjes gebruikt kunnen worden die goedgekeurd zijn volgens de norm ECE R44/03 voor "Isofix Universeel".
In het Ford Lineaccessori-programma is een Isofix universeel kinderzitje "Duo Plus" verkrijgbaar.
Zie voor meer informatie over de montage en/of het gebruik van het kinderzitje, het "Instructieboekje" dat bij het kinderzitje wordt geleverd.



ATTENTIE!
Monteer het kinderzitje alleen als de auto stilstaat.
Het kinderzitje is op de juiste wijze aan de beugels bevestigd als u deze hoorbaar vergrendelt. Houdt u in ieder geval aan de instructies voor de montage, demontage en plaatsing. De fabrikant van het kinderzitje is verplicht deze instructies bij te leveren.
GESCHIKTHEIDVAN DE ZITPLAATSEN VOOR HET GEBRUIK VAN DE ISOFIX UNIVERSEEL KINDERZITJES
In de volgende tabel worden, conform de Europese wetgeving ECE 16, de mogelijkheden weergegeven van de montage van de Isofix Universeel-kinderzitjes op de zitplaatsen die zijn uitgerust met Isofix-beugels.
Gewichtsgroep Richting Maat-Plaats Isofix kinderzitje klasse Isofix zijkant achter
| Groep 0 tot 10 kg | Tegen de rijrichting in | E | X |
| Groep 0+ tot 13 kg | Tegen de rijrichting in | E | X |
| Tegen de rijrichting in | D | X | |
| Tegen de rijrichting in | C | X | |
| Groep I vanaf 9 kg tot 18 kg | Tegen de rijrichting in | D | X |
| Tegen de rijrichting in | C | X | |
| In de rijrichting | B | IUF | |
| In de rijrichting | BI | IUF | |
| In de rijrichting | A | X |
IUF geschikt voor universele Isofix-kinderzitjes (met een derde bevestigingspunt boven) die in de rijrichting bevestigd moeten worden en goedgekeurd zijn voor het gebruik door die gewichtsgroep.
IL: geschikt voor Isofix-kinderzitjes, die speciaal ontworpen en goedgekeurd zijn voor dit type auto. Het kinderzitje kan worden gemonteerd door de voorstoel naar voren te schuiven.
X: Isofix-plaats niet geschikt voor Isofix-kinderzitjes in deze gewichtsgroep en/of deze gewichtsklasse.
AIRBAG
De auto is uitgerust met frontairbags aan de bestuurderszijde en passagierszijde en zij-airbags (side bag – headbag) (waar voorzien).
FRONTAIRBAGS
De frontairbags (bestuurder en passagier) beschermen de inzittenden bij middelzware en zware frontale botsingen, door het opblazen van een luchtkussen tussen de inzittende en het stuurwiel of het dashboard.
Als de airbags niet worden geactiveerd bij andere soorten botsingen (flank, van achter, over de kop slaan enz), betekent dit niet dat het systeem niet goed functioneert.
Bij een frontale botsing zorgt een regeleenheid ervoor dat het kussen, indien nodig, wordt opgeblazen.
Het kussen blaast onmiddellijk op, waardoor het lichaam van de inzittenden wordt opgevangen en de kans op letsel beperkt wordt. Direct daarna loopt het kussen weer leeg.
De frontairbags (bestuurder en passagier) zijn geen vervanging van de veiligheidsgordels, maar een aanvulling hierop. Draag dus altijd veiligheidsgordels. Bovendien is het dragen van veiligheidsgordels wettelijk verplicht in Europa (en in de meeste andere landen).
Bij een ongeval kan een inzittende die geen veiligheidsgordel draagt, in contact komen met een airbag die nog niet volledig opgeblazen is. Hierdoor wordt de inzittende minder door de airbag beschermd.
Het is mogelijk dat de frontairbags in de volgende gevallen niet worden geactiveerd:
□ bij frontale botsingen, met een ander deel van de auto dan het front, tegen makkelijk vervormbare objecten (bijv. als het voorspatbord tegen de vangrail komt);
□ als de auto onder andere auto's of veiligheidsvoorzieningen schuift (bijvoorbeeld onder vrachtwagens of de vangrail);
omdat geen enkele aanvullende bescherming wordt geboden op de veiligheidsgordels. Als de airbags in deze gevallen niet geactiveerd worden, betekent dit niet dat het systeem niet goed functioneert.

ATTENTIE!
Plaats geen stickers of andere objecten op het stuurwiel, op het dashboard ter hoogte van de airbag aan passagierszijde of op de zijkant van de hemelbekleding en de stoelen. Plaats geen voorwerpen op het dashboard aan de passagierszijde (bijv. een mobiele telefoon), omdat deze het correct openen van de airbag aan de passagierszijde kunnen belemmeren en de inzittenden ernstig kunnen verwonden.
De frontairbags aan bestuurders- en passagierszijde zijn ontworpen voor een optimale bescherming van de inzittenden die veiligheidsgordels dragen.
Als de airbags volledig opgeblazen zijn, vullen zij het grootste deel van de ruimte tussen het stuurwiel en de bestuurder en het dashboard en de voorpassagier.
Bij lichte frontale aanrijdingen (waarbij de werking van de veiligheidsgordel voldoende is) worden de airbags niet geactiveerd.
Daarom moeten de veiligheidsgordels altijd worden gedragen; ook omdat ze bij frontale aanrijdingen er altijd voor zorgen dat de inzittende in de juiste positie wordt gehouden.

Deze bestaat uit een opblaasbaar kussen dat in een daarvoor bestemde ruimte in het midden van het stuur is geplaatst.

FRONTAIRBAG AAN PASSAGIERSZIJDE fig. 13
Deze bestaat uit een opblaasbaar kussen met een groter volume dan dat aan bestuurderszijde. Het kussen is in een daarvoor bestemde ruimte in het dashboard geplaatst.

ATTENTIE!

ZEER GEVAARLIJK: monteer absoluut geen kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel als de frontairbag aan de passagierszijde is
ingeschakeld. Als bij een ongeval de airbag wordt geactiveerd, kan het kind hierdoor dodelijke verwondingen oplopen. Als er geen andere mogelijkheid is, moet altijd de airbag aan passagierszijde worden uitgeschakeld als het kinderzitje op de voorpassagiersstoel wordt geplaatst. Bovendien moet de passagiersstoel zo ver mogelijk naar achteren zijn geplaatst; hierdoor wordt voorkomen dat het kinderzitje het dashboard raakt. Ook als het niet wettelijk verplicht is, raden wij u aan, voor een optimale bescherming van de volwassenen, de airbag onmiddellijk weer in te schakelen zodra geen kinderen meer vervoerd worden.
FRONTAIRBAG EN SIDEBAG (indien aanwezig) AAN PASSAGIERSZIJDE HANDMATIG UITSCHAKELEN
Als het absoluut noodzakelijk is een kind op de voorpassagiersstoel te vervoeren, moeten de frontairbag en de zij-airbag (sidebag) (waar voorzien) aan de passagierszijde worden uitgeschakeld. Deze functie kan alleen worden geactiveerd door de dealer.
Het waarschuwingslampje ⚫ op het dashboard blijft continu branden totdat de frontairbag en de zij-airbag (sidebag) (indien aanwezig) aan passagierszijde opnieuw worden ingeschakeld.
BELANGRIJK Raadpleeg voor het handmatig uitschakelen van de frontairbag en zij-airbag (sidebag) (indien aanwezig) aan passagierszijde, de paragrafen "Digital display" en "Multifunctioneel display" in het hoofdstuk "Wegwijs in uw auto".
ZIJ-AIRBAGS (Sidebag - Headbag) (indien aanwezig)
SIDEBAG fig. 14
De sidebag is een kussen dat zich snel opblaast en bevindt zich in de rugleuning van de voorstoel. De sidebag heeft tot doel het bovenlichaam en het bekken van de inzittenden te beschermen bij middelzware en zware zijdelingse aanrijdingen.


HEADBAG fig. 15
Deze bestaan uit twee "gordijn"-kussens achter de hemelbekleding aan de zijkant en een afwerking; de headbags beschermen het hoofd van de voorpassagiers bij een flankbotsing, dankzij het grote oppervlak van de kussens.
BELANGRIJK De inzittende wordt bij een flankbotsing optimaal door het systeem beschermd als hij/zij in de juiste positie in de stoel zit. Hierdoor kan de headbag op de juiste wijze worden opgeblazen.
BELANGRIJK De frontairbags en/of zij-airbags kunnen worden geactiveerd bij krachtige stoten aan de onderzijde van de carrosserie, bijvoorbeeld bij zware botsingen tegen drempels of stoepranden of obstakels op het wegdek, of als de auto terecht komt in grote gaten of verzakkingen in het wegdek.
BELANGRIJK Als de airbags in werking treden, ontsnapt een beetje rook. Deze rook is niet schadelijk en duidt niet op brand; bovendien kan het oppervlak van het opgeblazen kussen en het interieur van de auto bedekt zijn met een laagje poeder: dit poeder kan de huid en de ogen irriteren. Als u hiermee in aanraking bent gekomen, moet u zich met neutrale zeep en water wassen.
BELANGRIJK Na een ongeval waarbij één of meerdere airbags/gordelspanners zijn geactiveerd, dient u contact op te nemen met het Ford Servicenetwerk om de geactiveerde airbags/gordelspanners te laten vervangen en de werking van het systeem te laten controleren.
Alle controlewerkzaamheden, reparaties en de vervanging van de airbag moeten door het Servicenetwerk worden uitgevoerd. Als de auto wordt verkocht, moet de nieuwe eigenaar op de hoogte worden gesteld van het gebruik en de hiervoor genoemde waarschuwingen; overhandig de nieuwe eigenaar het "Instructieboekje".
BELANGRIJK Het in werking treden van de gordelspanners, de frontairbags en de zij-airbags wordt door de elektronische regeleenheid bepaald, afhankelijk van het type ongeval. Als een van deze onderdelen niet wordt geactiveerd, dan hoeft dit niet op een storing in het systeem te duiden.

ATTENTIE!
Steun niet met het hoofd, de armen of de ellebogen
tegen het portier, de ruiten of in het gebied van de headbag om verwondingen tijdens het opblazen te voorkomen.
Steek nooit het hoofd, de armen of de ellebogen uit het raam.
ALGEMENE OPMERKINGEN

ATTENTIE!
Als u de contactsleutel in stand MAR draait en het
lampje ♂ gaat niet branden of blijft branden tijdens het rijden, dan is er mogelijk een storing in de veiligheidssystemen; in dat geval kunnen de airbags of gordelspanners niet geactiveerd worden bij een ongeval of, in zeer zeldzame gevallen, niet op de juiste wijze geactiveerd worden. Voordat u verder rijdt, dient u contact op te nemen met het Ford Servicenetwerk om het systeem direct te laten controleren.

ATTENTIE!
Bedek de rugleuning van de zitplaatsen voor en achter
niet met hoezen of kleden die niet zijn voorbereid op het gebruik met Side-bags.

ATTENTIE!
Reis niet met voorwerpen op schoot of voor de borst
en houd vooral geen pijp, potlood enz. in de mond. Bij een ongeval waarbij de airbag in werking treedt, kan dit ernstig letsel veroorzaken.

ATTENTIE!
Rijd altijd met beide handen op de
stuurwielrand, zodat bij het in werking treden van de airbag, het systeem niet wordt gehinderd door obstakels. Rijd niet met voorover gebogen lichaam, maar ga goed rechtop zitten en steun tegen de rugleuning.

ATTENTIE!
Laat bij diefstal of een poging tot diefstal, bij
beschadiging of als de auto bij een overstroming onder water is geweest, het airbagsysteem door het Ford Servicenetwerk controleren.

ATTENTIE!
Als de contactsleutel in stand MAR staat, kan, ook
bij uitgezette motor, de airbag inschakelen als de auto stilstaat en de auto wordt aangereden door een andere rijdende auto. Daarom mogen, ook als de auto stilstaat, absoluut geen kinderen op de passagiersstoel voor worden geplaatst. Als de contactsleutel echter in stand STOP staat, wordt bij een ongeval geen enkel beveiligingssysteem (airbag of gordelspanners) geactiveerd; als een systeem niet in werking treedt, betekent dit niet dat het systeem niet goed werkt.

ATTENTIE!
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje enkele seconden branden om aan te geven dat de airbag aan passagierszijde bij een ongeval wordt geactiveerd. Hierna moet het lampje doven.

ATTENTIE!
De stoelen mogen niet met water worden afgenomen of met stoom onder druk worden gereinigd (met de hand of in een automatisch wassysteem).

ATTENTIE!
De frontairbag treedt in werking als de botsing zwaarder is dan een botsing waarbij alleen de gordelspanners worden geactiveerd. Bij aanrijdingen die tussen deze twee drempelwaarden in liggen, treden alleen de gordelspanners in werking.

ATTENTIE!
De airbag is geen vervanging voor de veiligheidsgordels, maar een aanvulling hierop. Omdat de frontairbags niet worden geactiveerd bij frontale botsingen bij lage snelheid, bij zijdelingse aanrijdingen en als de auto van achter wordt aangereden of over de kop slaat, worden in deze gevallen de inzittenden uitsluitend door de veiligheidsgordels beschermd. De gordels moeten dus altijd gedragen worden.
STARTEN EN RIJDEN
MOTOR STARTEN 86
HANDREM 88
GEBRUIK VAN DE HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK 89
BRANDSTOFBESPARING 90
WINTERBANDEN 92
SNEEUWKETTINGEN 93
AUTO LANGERE TIJD STALLEN 93
MOTOR STARTEN
De auto is uitgerust met een elektronische startblokkering: zie bij startproblemen de paragraaf "Ford-CODE" in het hoofdstuk "Wegwijs in uw auto".
Direct na het starten van de motor, vooral als de auto langere tijd niet is gebruikt, kan de motor iets meer geluid produceren. Dit geluid, dat niet schadelijk is voor de werking van de motor, wordt veroorzaakt door de hydraulische klepstoters: het distributiesysteem van de auto dat bijdraagt aan een vermindering van de onderhoudswerkzaamheden.

Het is raadzaam om gedurende de eerste gebruiksperiode geen maximale prestaties van uw
auto te verlangen (bijv. snel accelereren, langdurig rijden met hoge toerentallen en krachtig remmen).

Laat de contactsleutel niet in stand MAR staan als de motor is uitgezet, om te voorkomen dat de accu
ontlaadt.

ATTENTIE!
Het is gevaarlijk om de motor te laten draaien in
een afgesloten ruimte. De motor verbruikt zuurstof en produceert kooldioxide, koolmonoxide en andere giftige gassen.

ATTENTIE!
Houd er rekening mee dat de rem- en de
stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur.
BENZINEMOTOR STARTEN
Ga als volgt te werk:
□ trek de handrem aan;
□ zet de versnellingspook in de vrijstand;
□ trap het koppelingspedaal geheel in, zonder het gaspedaal in te trappen;
□ draai de contactsleutel in stand AVV en laat de sleutel los zodra de motor is aangeslagen.
Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand STOP voordat u opnieuw start.
Als met de contactsleutel in stand MAR het controlelampje samen met het waarschuwingslampje blijft branden, raden wij u aan de sleutel in stand STOP te draaien en vervolgens weer in stand MAR; als het lampje nog steeds blijft branden, probeer het dan met de andere geleverde sleutels.
Als de motor nog niet aanslaat, wendt u tot het Ford Servicenetwerk.
DIESELMOTOR STARTEN
Ga als volgt te werk:
□ trek de handrem aan;
□ zet de versnellingspook in de vrijstand;
draai de contactsleutel in stand MAR: op het instrumentenpaneel gaat het waarschuwingslampje 00 branden;
□ wacht tot het lampjes 70 gedoofd is. Hoe warmer de motor, hoe sneller het lampje dooft;
□ trap het koppelingspedaal geheel in, zonder het gaspedaal in te trappen;
draai de contactsleutel in stand AVV direct nadat het lampje 00 gedoofd is. Als u te lang wacht, zijn de voorgloeibougies weer afgekoeld.
Laat de sleutel los zodra de motor is aangeslagen.
BELANGRIJK Bij een koude motor mag het gaspedaal niet worden ingetrapt als u de contactsleutel in stand AVV draait. Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand STOP voordat u opnieuw start.
Als met de contactsleutel in stand MAR het lampje op het instrumentenpaneel blijft branden, raden wij u aan de sleutel in stand STOP te draaien en vervolgens weer in stand MAR; als het lampje nog steeds blijft branden, probeer het dan met de andere geleverde sleutels.
Als de motor nog niet aanslaat, wendt u dan tot het Ford Servicenetwerk.

Als het lampje 700 gedurende 60 seconden gaat knipperen na het starten of tijdens een langdurige startpoging, dan
duidt dat op een storing in het voorgloeisysteem. Als de motor aanslaat, kunt u de auto op de gewone manier gebruiken, maar wendt u zo snel mogelijk tot het Ford Servicenetwerk.
Ga als volgt te werk:
□ rijd rustig weg, laat de motor niet met hoge toerentallen draaien en trap het gaspedaal niet bruusk in;
verlang de eerste kilometers geen maximale prestaties. Wij raden u aan te wachten tot de wijzernaald van de koelvloeistoftemperatuurmeter begint te bewegen.

Probeer auto's nooit te starten door ze aan te duwen, te slepen of van een helling af te laten rijden.
Op die wijze kan er onverbrande brandstof in de katalysator terechtkomen, waardoor deze onherstelbaar zal beschadigen.
MOTOR UITZETTEN
Draai de contactsleutel in stand STOP terwijl de motor stationair draait.
WAARSCHUWING Laat de motor na een zware rit even "tot rust" komen. Schakel de motor niet onmiddellijk uit, maar laat de motor even stationair draaien. Hierdoor kan de temperatuur in de motorruimte dalen.

Gasgeven voordat u de motor uitzet heeft geen enkel nut, verspilt brandstof en is, vooral voor motoren ocompressor, schadelijk.
HANDREM
De handrem bevindt zich tussen de voorstoelen.
Om de handrem in te schakelen, moet u de hendel omhoog trekken totdat de auto blokkeert.

ATTENTIE!
De auto moet geblokkeerd zijn als de handrem enkele tanden is aangetrokken. Als dit niet het geval is, laat dan het Ford Servicenetwerk de handrem afstellen.
Als de handrem is aangetrokken en de contactsleutel in stand MAR staat, gaat op het instrumentenpaneel het waarschuwingslampje (1) branden.
Handrem uitschakelen:
□ trek de hendel iets omhoog en druk op de ontgrendelknop A-fig. I;
☐ houd de knop A ingedrukt en laat de hendel zakken. Het lampje Ⓔ op het instrumentenpaneel dooft.
Om onverwachtse bewegingen van de auto te voorkomen, moet bij het bedienen van de handrem het rempedaal worden ingetrapt.

PARKEREN
Ga als volgt te werk:
□ zet de motor uit en trek de handrem aan;
☐ schakel een versnelling in (de 1° als de weg omhoog loopt, de achteruit als de weg omlaag loopt) en zet de voorwielen iets uitgestuurd.
Als de auto op een steile helling staat, blokkeer de wielen dan met stenen of wiggen.
Laat de contactsleutel nooit in stand MAR staan omdat hierdoor de accu onlaadt en neem bovendien de sleutel altijd uit het contactslot als u de auto verlaat.
Laat kinderen nooit alleen achter in de auto. Neem de sleutels altijd uit het contactslot als u de auto verlaat en neem de sleutels mee.
GEBRUIK VAN DE HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK
Trap, om een versnelling in te schakelen, het koppelingspedaal in en zet de versnellingspook in de gewenste stand (het schema voor het inschakelen van de versnellingen is op de pook aangegeven fig. 2).
Bij uitvoeringen met een zesversnellingsbak, moet voor het inschakelen van de 6e versnelling de pook naar rechts worden gedrukt om te voorkomen dat per ongeluk de 4e versnelling wordt ingeschakeld. Dit geldt ook voor het schakelen van de 6e naar de 5e versnelling.
BELANGRIJK De achteruit kan alleen bij een stilstaande auto worden ingeschakeld. Wacht bij een draaiende motor en een geheel ingetrapt koppelingspedaal minstens 2 seconden, voordat u de achteruit inschakelt. Hiermee wordt voorkomen dat de tandwielen beschadigen.
Om de achteruit R vanuit de vrijstand in te schakelen, moet de schuifring A onder de knop omhoog worden getrokken en de pook naar rechts en vervolgens naar achteren worden verplaatst.

WAARSCHUWING Gebruik het koppelingspedaal alleen bij het schakelen. Laat tijdens het rijden de voet nooit – zelfs niet licht – op het koppelingspedaal rusten. Bij uitvoeringen / markten waar voorzien, kan de elektronische regeleenheid van het koppelingspedaal de verkeerde rijstijl waarnemen als een defect.

ATTENTIE!
Om op de juiste wijze te schakelen, moet u het koppelingspedaal geheel intrappen. Daarom mag er niets onder het pedaal liggen dat dit kan verhinderen: let er dus op dat eventuele vloermatten niet zijn dubbelgevouwen en zo de slag van de pedalen beperken.

Laat uw hand tijdens het rijden niet op de pookknop rusten omdat door de uitgeoefende druk, ook als
deze licht is, de interne onderdelen van de versnellingsbak na verloop van tijd kunnen slijten.
BRANDSTOF BESPARING
Hierna volgen enkele nuttige tips, waardoor het brandstofverbruik zo laag mogelijk blijft en de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen, zowel CO₂ als andere schadelijke stoffen (stikstofoxiden, onverbrande koolwaterstoffen, fijn stof (PM) enz.) zoveel mogelijk beperkt blijft.
ALGEMENE OPMERKINGEN
Onderhoud van de auto
Zorg voor een goed onderhoud van de auto door de controles en registraties die in het "Geprogrammeerd Onderhoudsschema" staan vermeld, te laten uitvoeren.
Banden
Controleer regelmatig, ten minste eens per maand, de bandenspanning: als de spanning te laag is, wordt de weerstand groter en neemt het verbruik toe.
Overbodige bagage
Rijd niet met een overbeladen bagageruimte. Het gewicht van de auto (vooral in stadsverkeer) en de wieluitlijning hebben grote invloed op het brandstofverbruik en de stabiliteit.
Accessoires gemonteerd op dakrails
Verwijder accessoires zoals: dwarssteunen, skidrager, bagagebox, enz. van het dak als u ze niet meer gebruikt. Deze verminderen de aerodynamica van de auto, waardoor het brandstofverbruik toeneemt. Gebruik voor het vervoer van volumineuze voorwerpen bij voorkeur een aanhanger.
Stroomverbruikers
Gebruik elektrische accessoires alleen als u ze nodig hebt. De achterruitverwarming, de verstralers, de ruitenwissers en de aanjager van het ventilatie-/verwarmingssysteem vragen veel stroom, waardoor het brandstofverbruik toeneemt (tot aan 25% in stadsverkeer).
Airconditioning
De airconditioning gebruikt zeer veel energie waardoor het brandstofverbruik sterk toeneemt (tot gemiddeld 20%): gebruik wanneer de buitentemperatuur het toelaat bij voorkeur de functies van het ventilatiesysteem.
Het gebruik van niet goedgekeurde aërodynamische accessoires kan de aërodynamica negatief beïnvloeden, waardoor het brandstofverbruik zal toenemen.
RIJSTIJL
Starten
Laat de motor als de auto stilstaat, niet warmdraaien met stationair toerental en ook niet met een verhoogd toerental: onder deze omstandigheden warmt de motor veel langzamer op, terwijl het verbruik en de uitlaatgasemissie toenemen. Het is beter om rustig weg te rijden en geen hoge toerentallen te gebruiken. Op deze manier warmt de motor sneller op.
Overbodige handelingen
Trap het gaspedaal niet in als u stilstaat voor een stoplicht of voordat u de motor afzet. Deze handeling heeft evenals het overschakelen met tussengas, geen enkel nut. Het kost brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen.
Keuze van de versnellingen
Gebruik als het verkeer en de weg het toelaten de hoogste versnelling. Het inschakelen van een lage versnelling voor een snelle acceleratie verhoogt het brandstofverbruik.
Als onterecht een hoge versnelling wordt ingeschakeld, nemen het verbruik en de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen toe en slijt de motor sneller.
Topsnelheid
Het brandstofverbruik neemt aanzienlijk toe bij een hogere snelheid. Rijd daarom zoveel mogelijk met een gelijkmatige snelheid, vermijd overbodig remmen en optrekken. Dit kost brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen.
Acceleratie
Met vol gas optrekken kost veel brandstof en verhoogt de uitstoot van uitlaatgassen: het is beter geleidelijk op te trekken.
GEBRUIKSOMSTANDIGHEDEN
Koude start
Bij korte ritten en regelmatig koud starten bereikt de motor niet de optimale bedrijfstemperatuur. Hierdoor neemt niet alleen het brandstofverbruik toe (van 15 tot aan 30% meer in stadsverkeer) maar ook de uitstoot van uitlaatgassen.
Verkeerssituatie en conditie van het wegdek
Op een drukke weg, bijvoorbeeld bij filerijden, waarbij overwegend lage versnellingen worden gebruikt, of in de stad waar veel verkeerslichten zijn, zal het brandstofverbruik aanzienlijk hoger zijn. Bochtige trajecten, bergwegen en een slecht wegdek verhogen eveneens het brandstofverbruik.
Stilstaan in het verkeer
Als de auto langere tijd stilstaat (bijv. spoorwegovergangen), is het raadzaam de motor uit te zetten.
WINTERBANDEN
Gebruik winterbanden die dezelfde maat hebben als de standaard geleverde banden.
Het Ford Servicenetwerk kan u adviseren welke band het meest geschikt is voor het doel waarvoor u deze wilt gebruiken.
Houdt u voor de bandenmaat en de bandenspanning van de winterbanden exact aan de aanwijzingen die staan aangegeven in de paragraaf "Wielen" in het hoofdstuk "Technische gegevens".
De specifieke eigenschappen van winterbanden nemen aanzienlijk af als de profieldiepte minder is dan 4 mm. In dat geval is het veiliger ze te vervangen.
Door de specifieke eigenschappen van winterbanden zijn de prestaties onder niet-winterse omstandigheden of wanneer er lange afstanden op de snelweg worden gereden, minder dan die van de standaard gemonteerde banden. Daarom moeten de banden niet gebruikt worden onder omstandigheden waarvoor ze niet zijn bestemd.
WAARSCHUWING Als u winterbanden gebruikt waarvan de maximum toegestane snelheid lager is dan de topsnelheid van de auto (met een marge van 5%), dan dient u in het interieur van de auto een duidelijk zichtbaar waarschuwingsplaatje te plaatsen met de maximum toegestane snelheid wanneer met die winterbanden wordt gereden (overeenkomstig de EU-normen).
Monteer op alle vier de wielen dezelfde banden (zelfde merk en profieldiepte) voor meer veiligheid tijdens het rijden en remmen en voor een betere bestuurbaarheid.
Keer de looprichting van de banden niet om.

ATTENTIE!
Bij winterbanden met de indicatie "Q" mag niet
sneller worden gereden dan 160 km/h. De wettelijke snelheidsbeperkingen moeten echter altijd worden gerespecteerd.
SNEEUWKETTINGEN

ATTENTIE!
Gebruik het reservewiel niet gelijktijdig met de
sneeuwkettingen.
Het gebruik van sneeuwkettingen is afhankelijk van de voorschriften van het land waar wordt gereden.
De sneeuwkettingen mogen alleen op de voorwielen gemonteerd worden (aangedreven wielen).
Controleer na enkele tientallen meters rijden of de kettingen nog goed gespannen zijn.
BELANGRIJK Op het reservewiel kan geen sneeuwketting worden gemonteerd. Als u een lekke voorband hebt, kunt u het reservewiel op de achteras plaatsen en het achterwiel op de vooras. Zo hebt u op de vooras twee normale wielen waarop u sneeuwkettingen kunt monteren.

Beperk de snelheid als u sneeuwkettingen gebruikt; rijd niet harder dan
50 km/h. Vermijd kuilen,
stoepranden en andere obstakels en rijd, om de auto en het wegdek niet te beschadigen, geen lange stukken op sneeuwvrije wegen.
AUTO LANGERE TIJD STALLEN
Tref de volgende maatregelen als de auto enkele maanden niet wordt gebruikt:
□ zet de auto in een overdekte, droge en goed geventileerde ruimte;
□ schakel een versnelling in;
□ zorg ervoor dat de handrem niet is aangetrokken;
☐ maak de minkabel los van de accu en controleer de acculading (zie de paragraaf "Accu – Acculading en elektrolytniveau controleren" in het hoofdstuk "Voorzorgsmaatregelen en onderhoud");
☐ maak de gespoten plaatdelen schoon en behandel ze met een beschermende was;
085-094 Ford KA NL:085-094 Ford KA NL 20-10-2010 14:26 Pagina 94
□ reinig en conserveer de glimmende metalen delen met daarvoor geschikte middelen;
☐ smeer de wisserrubbers van de ruitenwissers en achterruitwisser in met talkpoeder en laat ze los van de ruit staan;
□ zet de ruiten een klein stukje open;
☐ dek de auto af met een stoffen of een ademende kunststof hoes. Gebruik geen dichte plastic hoes, omdat het in en op de auto aanwezige vocht dan niet kan verdampen;
□ breng de bandenspanning 0,5 bar boven de normaal voorgeschreven spanning en controleer deze regelmatig;
□ tap het koelsysteem van de motor niet af.
Als het lampje gaat branden, verschijnt ook een bericht en/of klinkt een geluidssignaal als het instrumentenpaneel de beschikking heeft over deze mogelijkheden. Deze berichten zijn samenvattend en waarschuwend en moeten niet worden gezien als compleet en/of een alternatief voor de informatie in het Instructieboekje, dat altijd aandachtig gelezen moet worden. Houdt u bij een storing altijd aan de aanwijzingen die in dit hoofdstuk beschreven worden.
WAARSCHUWING De
storingsmeldingen die op het display verschijnen, zijn onderverdeeld in twee categorieën: ernstige storingen en minder ernstige storingen.
De ernstige storingen worden "cyclisch" weergegeven en langdurig herhaald.
De minder ernstige storingen worden gedurende een kortere tijd "cyclisch" herhaald.
U kunt de weergavecyclus van beide categorieën onderbreken door op de knop MENU ESC te drukken. Het lampje op het instrumentenpaneel blijft branden, totdat de oorzaak van de storing is verholpen.

Te laag REMVLOEI-STOFNIVEAU (rood)
AANGETROKKEN HANDREM (rood)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden. Na enkele seconden moet het lampje doven (als de handrem niet is aangetrokken).
Te laag remvloeistofniveau
Het lampje gaat branden als het remvloeistofniveau in het reservoir onder het minimumniveau is gedaald, bijvoorbeeld door lekkage in het remsysteem.
Op enkele uitvoeringen verschijnt het betreffende bericht op het display.

ATTENTIE!
Als bij draaiende motor het lampje Ⓔ gaat branden
(op het display verschijnt ook een bericht), zet dan de motor onmiddellijk uit en wendt u zo snel mogelijk tot het Ford Servicenetwerk.
Aangetrokken handrem
Het lampje gaat branden als de handrem wordt aangetrokken.
Als de auto in beweging is, hoort u bij enkele uitvoeringen ook een geluidssignaal.
BELANGRIJK Als het lampje tijdens het rijden gaat branden, controleer dan of de handrem niet is aangetrokken.

STORING AIRBAG (geel)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden. Direct na het starten van de motor moet het lampje doven.
Als het lampje continu blijft branden, geeft dit een storing in het airbagsysteem aan.
Op enkele uitvoeringen verschijnt het betreffende bericht op het display.

ATTENTIE!
Als u de contactsleutel in stand MAR draait en het lampje gaat niet branden of blijft branden tijdens het rijden, dan is er mogelijk een storing in de veiligheidssystemen; in dat geval kunnen de airbags of gordelspanners niet geactiveerd worden bij een ongeval of, in zeer zeldzame gevallen, niet op de juiste wijze geactiveerd worden. Voordat u verder rijdt, dient u contact op te nemen met het Ford Servicenetwerk om het systeem direct te laten controleren.

ATTENTIE!
Een storing van het lampje wordt weergegeven doordat het lampje voor de uitgeschakelde frontairbag aan de passagierszijde langer dan de normale 4 seconden knippert.

AIRBAG PASSAGIERSZIJDE UITGESCHAKELD (geel)
Het lampje brandt als de frontairbag aan passagierszijde is uitgeschakeld.
Als u bij ingeschakelde frontairbag aan de passagierszijde het contactslot op MAR draait, gaat het lampje enkele seconden continu branden en enkele seconden knipperen, waarna het lampje dooft.

ATTENTIE!
Het lampje geeft bovendien eventuele n van het lampje aan. dt aangegeven doordat het langer dan de normale den knippert. In dit geval lampje geen storingen in g-/gordelspannersystemen n. Voordat u verder rijdt, contact op te nemen met I Servicenetwerk om het direct te laten controleren.

TE HOGE KOELVLOEISTOFTEMP ERATUUR (rood) °C
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden. Direct na het starten van de motor moet het lampje doven.
Het lampje gaat branden als de motor te warm is.
Als het lampje gaat branden, moeten de volgende maatregelen worden genomen:
bij normale rij-omstandigheden: breng de auto tot stilstand, schakel de motor uit en controleer of het koelvloeistofniveau in het reservoir niet onder het MIN-merkteken staat. Als dit wel het geval is, wacht dan enkele minuten zodat de motor kan afkoelen, open vervolgens langzaam en voorzichtig de dop van het reservoir, vul koelvloeistof bij en controleer of de koelvloeistof zich tussen het MIN- en MAX-teken op het reservoir bevindt. Controleer ook of er geen vloeistof weglekt. Als bij het starten van de motor het lampje opnieuw gaat branden, wendt u dan tot het Ford Servicenetwerk.
Als de auto zwaar wordt belast (bijvoorbeeld als de auto volledig geladen is): verlaag de snelheid en, indien het lampje blijft branden, ze de auto stil. Stop 2 of 3 minuten met draaiende motor en geef iets gas voor een snellere circulatie van de koelvloeistof. Zet vervolgens de motor uit. Controleer het vloeistofniveau zoals hiervoor beschreven.
BELANGRIJK Bij zware bedrijfsomstandigheden is het raadzaam de motor enkele minuten te laten draaien met het gaspedaal iets ingetrapt voordat u de motor uitzet.
Op enkele uitvoeringen verschijnt het betreffende bericht op het display.

ACCU WORDT NIET VOLDOENDE OPGELADEN (rood)
Als het contactslot op MAR wordt gedraaid, gaat het lampje branden maar het moet doven zodra de motor aanslaat (als de motor stationair draait, kan het iets langer duren voordat het lampje dooft).
Als het lampje blijft branden, wendt u dan onmiddellijk tot het Ford Servicenetwerk.

STORING ABS (geel)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden. Direct na het starten van de motor moet het lampje doven.
Het lampje gaat branden als het systeem defect of niet beschikbaar is. In dat geval blijft het remsysteem normaal werken, maar zonder de mogelijkheden van het ABS-systeem. Rijd voorzichtig verder en wendt u zo snel mogelijk tot het Ford Servicenetwerk.
Op enkele uitvoeringen verschijnt het betreffende bericht op het display.


STORING EBD (rood) (geel)
Als bij een draaiende motor tegelijkertijd de waarschuwingslampjes (1) en (ABS) gaan branden, dan is er een storing in het EBD-systeem of is het systeem niet beschikbaar; in dat geval kunnen bij hard remmen de achterwielen vroegtijdig blokkeren waardoor de auto kan slippen. Rijd zeer voorzichtig naar het dichtstbijzijnde bedrijf in het Ford Servicenetwerk om het systeem te laten controleren.
Op enkele uitvoeringen verschijnt het betreffende bericht op het display.

TE LAGE MOTOROLIEDRUK (rood)
OLIEKWALITEIT ONVOLDOENDE (Duratorq-uitvoeringen met DPF – rood)
Te lage motoroliedruk
Als de contactsleutel op MAR wordt gezet, gaat het lampje branden; direct na het aanslaan van de motor moet het lampje doven.
Op enkele uitvoeringen verschijnt het betreffende bericht op het display.

ATTENTIE!
Als bij draaiende motor het lampje 📁 gaat branden
(op het display verschijnt bij enkele uitvoeringen ook een bericht), zet dan de motor onmiddellijk uit en wendt u zo snel mogelijk tot het Ford Servicenetwerk.
Oliekwaliteit onvoldoende
Het lampje gaat knipperen en er verschijnt een melding op het display als het systeem motorolie van onvoldoende kwaliteit constateert.
Na de eerste constatering zal iedere keer bij het starten van de motor het lampje telkens 3 minuten knipperen met pauzes van 5 seconden, totdat de olie wordt ververst.

ATTENTIE!
Als het lampje knippert, wendt u dan
onmiddellijk tot het Ford Servicenetwerk voor de verversing van de motorolie en het uitschakelen van het betreffende lampje op het instrumentenpaneel. Als niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, kan de garantie vervallen.

STORING ELEKTRISCHE STUURBEKRACHTIGING (geel)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
Als het lampje blijft branden, werkt de elektrische stuurbekrachtiging niet meer en is meer kracht nodig voor het draaien van het stuur: wendt u tot het Ford Servicenetwerk.
Op enkele uitvoeringen verschijnt het betreffende bericht op het display.

NIET GOED GESLOTEN PORTIEREN (rood)
Het lampje gaat branden als een of meer portieren of de
bagageruimte niet goed zijn gesloten.
Op enkele uitvoeringen verschijnt de betreffende melding op het display.
Als de auto rijdt met een geopend portier, klinkt er een geluidssignaal (alleen bij uitvoeringen met multifunctioneel display).

STORING EOBD-/INSPUITSYSTEEM EOBD (geel)
Als u onder normale omstandigheden de contactsleutel in stand MAR draait, dan gaat het lampje branden. Het lampje moet doven als de motor is aangeslagen.
Als het lampje blijft branden of tijdens het rijden gaat branden, dan werkt het inspuitsysteem niet optimaal; als het lampje constant brandt, dan duidt dit op een storing in het ontstekings-/inspuitsysteem; dit kan tot gevolg hebben dat de schadelijke uitlaatgasemissie toeneemt, de prestaties verminderen, de auto slechter gaat rijden en het brandstofverbruik toeneemt.
Bij sommige uitvoeringen verschijnt het betreffende bericht op het display. Onder deze omstandigheden kan verder worden gereden, maar moeten zware inspanningen van de motor of hoge snelheden worden vermeden. Als de auto langdurig wordt gebruikt terwijl het lampje brandt, kunnen ernstige beschadigingen ontstaan; wendt u zo snel mogelijk tot het Ford Servicenetwerk.
Het lampje dooft als de storing verdwijnt. De storing wordt door het systeem in het geheugen opgeslagen.
Alleen benzinemotoren
Een knipperend lampje duidt op een mogelijke beschadiging van de katalysator.
Als het lampje knippert, moet het gaspedaal worden losgelaten zodat de motor met een laag toerental draait en het lampje niet meer knippert; u kunt met matige snelheid doorrijden waarbij rij-omstandigheden moeten worden vermeden die kunnen leiden tot het opnieuw gaan knipperen van het lampje. Wendt u zo snel mogelijk tot het Ford Servicenetwerk.

Als u de contactsleutel in stand MAR draait en het lampje 📄 gaat niet branden of het gaat
branden of knipperen tijdens het rijden (bij sommige uitvoeringen verschijnt ook een bericht op het display), wendt u dan u zo snel mogelijk tot het Ford Servicenetwerk. De werking van het lampje kan met speciale apparatuur door de verkeerspolitie gecontroleerd worden. Houd u aan de wetgeving van het land waarin u rijdt.

VERSTOPT ROETFILTER
(uitvoering 1.3 Duratorq – geel) (uitvoeringen met multifunctioneel display)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden. Direct na het starten van de motor moet het lampje doven.
Het lampje gaat branden als het roetfilter verstopt is en de rijomstandigheden verhinderen dat de regeneratieprocedure automatisch wordt uitgevoerd.
Voor de regeneratieprocedure en vervolgens het reinigen van het filter raden wij u aan te blijven rijden, totdat het lampje dooft.
Op het display verschijnt de betreffende melding.

RESERVEBRANDSTOF (geel) 📁
Als u de contactsleutel in R draait, gaat het lampje op mentenpaneel branden. Direct ten van de motor moet het ven.
Het lampje gaat branden als er nog ongeveer 5 liter brandstof aanwezig is.
WAARSCHUWING Als het waarschuwingslampje knippert, dan is er een storing in het systeem. Wendt u in dit geval tot het Ford Servicenetwerk om het systeem te laten controleren.

VOORGLOEI SYSTEEM (uitvoeringen1.3 Duratorq - geel)
STORING VOORGLOEISYSTEEM
(uitvoeringen1.3 Duratorq – geel)
Voorgloeien
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het lampje dooft als de voorgloeibougies de vooraf ingestelde temperatuur hebben bereikt. Start de motor zodra het lampje gedoofd is.
BELANGRIJK Bij een hoge buitentemperatuur kan het lampje zeer kort branden.
Storing in voorgloeisysteem
Het lampje gaat knipperen als er een storing aanwezig is in het voorgloeisysteem. Wendt u zo snel mogelijk tot het Ford Servicenetwerk.
Op enkele uitvoeringen verschijnt het betreffende bericht op het display.

WATER IN BRANDSTOFFILTER AANWEZIG
(uitvoeringen 1.3 Duratorq – geel)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden. Direct na het starten van de motor moet het lampje doven.
Het lampje "gaat branden als er water in het brandstofffilter zit.
Op enkele uitvoeringen verschijnt het betreffende bericht op het display.

Water in het brandstofsysteem kan het inspuitsysteem ernstig beschadigen en de motor
kan onregelmatig gaan draaien. Als het lampje ♦ gaat branden (bij bepaalde uitvoeringen gaat het lampje △branden en verschijnt er een melding op het display), wendt u dan zo snel mogelijk tot het Ford Servicenetwerk om het systeem te laten aftappen. Als het lampje direct na het tanken gaat branden, bestaat de mogelijkheid dat er tijdens het tanken water in de brandstoftank is gekomen: wendt u direct tot het Ford Servicenetwerk.

STORING ELEKTRONISCHE STARTBLOKKERING - FORD CODE (rood)
Als het lampje, met de contactsleutel in stand MAR, constant gaat branden, dan duidt dit op een mogelijke storing (zie "Ford CODE" in het hoofdstuk "Wegwijs in uw auto").
Als bij draaiende motor het lampje knippert, geeft dit aan dat de auto niet wordt beschermd door het startblokkeersysteem (zie "Ford Code" in het hoofdstuk "Ken uw auto").
Wendt u tot het Ford Servicenetwerk om alle sleutels in het geheugen te laten opslaan.

Het lampje gaat branden als
het mistachterlicht worden ingeschakeld.

ALGEMENE STORINGSMELDING (geel)
Het lampje gaat in de volgende omstandigheden branden.
Storing motoroliedruksensor
Het lampje gaat branden als een storing in de oliedruksensor wordt gesignaleerd. Wendt u zo snel mogelijk tot het Ford Servicenetwerk om de storing te laten verhelpen.
Inertieschakelaar brandstofnoodschakeling/brandstof noodschakelaar niet beschikbaar
Het lampje gaat branden als de brandstofnoodschakelaar inschakelt of als de brandstofnoodschakelaar niet beschikbaar is.
Op het display verschijnt het betreffende bericht.
Storing parkeersensoren
Het lampje gaat branden en er verschijnt een bericht op het display als er een storing is in de parkeersensoren. Wendt u in dat geval tot het Ford Servicenetwerk.

UITSCHAKELING SYSTEEM AUTO-START-STOP (geel)
Het lampje dooft als de werking van het systeem Auto-Start-Stop uitgeschakeld wordt door op de knop op de console te drukken. Op enkele uitvoeringen verschijnt het bijbehorende bericht op het display.

STORING ESP (geel) STORING HILL HOLDER (geel)
Storing ESP-systeem
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden. Direct na het starten van de motor moet het lampje doven.
Als het lampje niet dooft of tijdens het rijden blijft branden en het lampje op de knop ASR OFF gaat branden, wendt u dan tot het Ford Servicenetwerk.
Op het display verschijnt het betreffende bericht.
Opmerking Als het lampje knippert tijdens het rijden, dan geeft dit aan dat het ESP in werking is getreden.
Storing Hill Holder
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden. Direct na het starten van de motor moet het lampje doven.
Als het lampje gaat branden, is er een storing in het Hill Holder-systeem. Wendt u in dat geval zo snel mogelijk tot het Ford Servicenetwerk.
Op het display verschijnt de bijbehorende melding, indien aanwezig.

Buitenverlichting en dimlicht
Het lampje gaat branden als de buitenverlichting of het dimlicht wordt ingeschakeld.
Follow me home
Het lampje gaat branden als de functie "Follow me home" wordt ingeschakeld (zie "Follow me home" in het hoofdstuk "Wegwijs in uw auto").
Op het display verschijnt het betreffende bericht.

STORING BUITENVERLICHTING (geel)
Het lampje gaat branden als er een storing is geconstateerd in de buitenverlichting.

MISTLAMPEN VOOR (groen)
Het lampje gaat branden als de mistlampen voor worden ingeschakeld.

RICHTINGAANWIJZER LINKS (groen - knipperend)
Het lampje gaat branden als de richtingaanwijzerhendel omlaag wordt gezet of, tegelijkertijd met het lampje van de rechter richtingaanwijzer, als de drukknop voor de alarmknipperlichten wordt ingedrukt.

RICHTINGAANWIJZER RECHTS (groen - knipperend)
Het lampje gaat branden als de richtingaanwijzerhendel omhoog wordt gezet of, tegelijkertijd met het lampje van de linker richtingaanwijzer, als de drukknop voor de alarmknipperlichten wordt ingedrukt.

GROOTLICHT (blauw)
Het lampje gaat branden als het grootlicht wordt ingeschakeld.

KANS OP GLADHEID (geel) (uitvoeringen met multifunctioneel display)
Als de buitentemperatuur 4°C of lager bedraagt, gaat de temperatuuraanduiding knipperen om de kans op gladheid aan te geven.
Op het display verschijnt het betreffende bericht.
Op het display verschijnt een melding als de ingestelde snelheidslimiet wordt overschreden (zie "Multifunctioneel display" in het hoofdstuk "Wegwijs in uw auto").
BEPERKTE ACTIERADIUS (uitvoeringen met multifunctioneel display)
Op het display verschijnt een melding om de gebruiker te waarschuwen als de actieradius van de auto kleiner wordt dan 50 km.
ASR-SYSTEEM (uitvoeringen met multifunctioneel display)
Het ASR-systeem kan worden uitgeschakeld door het indrukken van de knop ASR OFF.
Op het display verschijnt een melding die aangeeft dat het systeem is uitgeschakeld; gelijktijdig gaat het lampje op de knop branden.
Als opnieuw op de knop ASR OFF wordt gedrukt, dooft het lampje op de knop en verschijnt op het display een melding die aangeeft dat het systeem weer is ingeschakeld.

VERSLETEN REMBLOKKEN (geel)
Het lampje op het instrumentenpaneel gaat branden (er verschijnt ook een bericht op het display) als de voorste remblokken zijn versleten; laat deze in dat geval zo snel mogelijk vervangen.

NIET OMGELEGDE VEILIGHEIDSGORDEL (rood)
Het lampje op het instrumentenpaneel gaat continu branden als bij stilstaande auto de veiligheidsgordel aan bestuurderszijde niet is omgelegd. Als bij een rijdende auto de veiligheidsgordels van de voorstoelen niet goed zijn omgelegd, gaat het lampje branden en klinkt er een ononderbroken geluidssignaal (zoemer) gedurende de eerste 6 seconden; de daaropvolgende 90 seconden knippert het lampje en klinkt er een onderbroken geluidssignaal (zoemer). Het SBR-systeem. (Seat Belt Reminder) kan permanent worden uitgeschakeld door het Ford Servicenetwerk. Wendt u tot het Ford Servicenetwerk om het systeem weer in te schakelen. Het systeem kan ook via het setup-menu van het display weer worden geactiveerd als de auto is voorzien van een multifunctioneel display. Op het display verschijnt de betreffende melding.

ACHTERRUITVER- WARMING (geel)
Het lampje brandt als de achterruitverwarming is ingeschakeld.

VOORRUITVER- WARMING (geel)
Het lampje brandt als de voorruitverwarming is ingeschakeld.
105-132 Ford KA NL 20-10-2010 14:30 Pagina 105
NOODGEVALLEN
MOTOR STARTEN 106
WIEL VERWISSELEN 108
SNELLE BANDENREPARATIESET
FIX&GO AUTOMATIC 114
LAMP VERVANGEN 118
LAMP BUITENVERLICHTING VERVANGEN ..... 121
LAMP INTERIEURVERLICHTING VERVANGEN ..... 124
ZEKERINGEN VERVANGEN 126
ACCU OPLADEN 130
OPKRIKKEN VAN DE AUTO 131
SLEPEN VAN DE AUTO 131
105-132 Ford KA NL 20-10-2010 14:30 Pagina 106

MOTOR STARTEN
Als het lampje op het instrumentenpaneel constant blijft branden, wendt u dan onmiddellijk tot het Ford Servicenetwerk.
STARTEN MET EEN HULPACCU
Als de accu leeg is, kan de motor worden gestart met een hulpaccu, die minimaal dezelfde capaciteit moet hebben als de lege accu.

fig. 1b - Duratorq-uitvoeringen
KA00201m

Gebruik voor een noodstart beslist geen accusnellader: de elektronische systemen en de regeleenheden van de
ontsteking en de inspuiting kunnen daardoor beschadigd raken.

ATTENTIE!
Deze startprocedure mag alleen worden uitgevoerd
door daartoe opgeleid personeel, omdat onjuiste handelingen vonken kunnen veroorzaken. Bovendien is de vloeistof in de accu giftig en corrosief. Vermijd het contact met de huid en de ogen. Kom ook niet dicht bij een accu met open vuur of een brandende sigaret en veroorzaak geen vonken.
Ga voor het starten met hulpaccu als volgt te werk:
□ verbind de pluspolen (+ teken nabij de pool) van de beide accu's met een startkabel;
□ sluit een tweede startkabel aan op de minpool – van de hulpaccu en op de massa-aansluiting A op de auto die gestart moet worden (fig. 1a-1b);
□ start de motor;
□ neem, als de motor draait, de kabels in omgekeerde volgorde los.
Als de motor na enkele pogingen niet aanslaat, blijf het dan niet proberen maar wendt u tot het Ford Servicenetwerk.
WAARSCHUWING Verbind de minklemmen van de twee accu's niet rechtstreeks met elkaar: eventuele vonken kunnen het explosieve gas ontsteken dat uit de accu kan ontsnappen. Als de hulpaccu aan boord van een andere auto is geïnstalleerd, mogen tussen deze auto en de auto met de lege accu niet per ongeluk metalen delen met elkaar in verbinding staan.
ROLLEND STARTEN
Probeer auto's nooit te starten door ze aan te duwen, te slepen of van een helling af te laten rijden.
Op die wijze kan er onverbrande brandstof in de katalysator terechtkomen en deze onherstelbaar beschadigen.
WAARSCHUWING Houd er rekening mee dat de rem- en stuurbekrachtiging (indien aanwezig) niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur.
WIEL VERWISSELEN
ALGEMENE AANWIJZINGEN
De auto kan zijn uitgerust (optional) met een normaal reservewiel of een klein noodreservewiel.
Bovendien is bij sommige uitvoeringen/uitrustingsniveaus de auto voorzien van 4 antidiefstalbouten (één per wiel).
Voor het los-/vastschroeven van de bouten is een speciale adapter A-fig. 2 nodig die wordt bijgeleverd, en die tussen de bevestigingsbout en de bijgeleverde sleutel moet worden aangesloten, zoals wordt getoond in fig. 2.
Opmerking Bij het Ford
Servicenetwerk kan een duplicaat van de bouten en van de speciale adapter worden aangevraagd, door de numerieke referentiecode te geven die bij de kit hoort.
Voor het verwisselen van het wiel en voor het juiste gebruik van de krik en het noodreservewiel moeten de onderstaande voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen.


ATTENTIE!
Het noodreservewiel (indien aanwezig) hoort bij
de auto waarbij het geleverd is. Gebruik het reservewiel niet bij andere auto's en monteer geen reservewielen van andere auto's. Het noodreservewiel mag alleen in noodgevallen worden gebruikt. Het noodreservewiel moet zo kort mogelijk gebruikt worden en er mag niet sneller dan 80 km/h mee worden gereden.
Op het noodreservewiel is een oranje sticker aangebracht waarop de belangrijkste aanwijzingen en de beperkingen staan vermeld met betrekking tot het gebruik van het noodreservewiel.
Deze sticker mag absoluut niet worden verwijderd of afgedekt. Op het noodreservewiel mag nooit een wieldeksel worden gemonteerd. Op de sticker staan de volgende aanwijzingen in vier talen vermeld: attentie! alleen voor tijdelijk gebruik! max. 80 km/h! vervang zo snel mogelijk door een normaal wiel. Bedek deze aanwijzingen niet.

ATTENTIE!
Attendeer het overige wegverkeer op de
stilstaande auto m.b.v.: de alarmknipperlichten, de wettelijk verplichte gevarendriehoek enz. Tijdens het verwisselen van een wiel moeten alle inzittenden de auto hebben verlaten, vooral als de auto zwaar beladen is, en op een veilige afstand van het verkeer wachten. Blokkeer de wielen met stenen of andere voorwerpen als de auto schuin op een helling of op een slecht wegdek staat.
Bij een gemonteerd noodreservewiel veranderen de rij- eigenschappen van de auto. Vermijd met vol gas optrekken, bruusk remmen en hoge snelheden in de bochten. Het noodreservewiel heeft een levensduur van ongeveer 3000 km. Na deze afstand moet de band van het noodreservewiel vervangen worden door een nieuwe band van hetzelfde type. Monteer nooit een normale band op de velg van het noodreservewiel. Laat het verwisselde wiel zo snel mogelijk repareren en monteren. Gebruik nooit twee of meer noodreservewielen. Smeer voor montage de schroefdraad van de wielbouten niet met vet:in dat geval kunnen ze loslopen.

ATTENTIE!
De krik dient uitsluitend voor het verwisselen van
een wiel van de auto waar de krik bijgeleverd is of voor auto's van hetzelfde model. Gebruik de krik niet voor het opkrikken van andere auto's. En beslist nooit voor het uitvoeren van werkzaamheden onder de auto. Als de krik niet juist geplaatst wordt, kan de opgekrikte auto van de krik vallen. Op een sticker op de krik is het maximum hefvermogen aangegeven; de krik mag nooit voor een zwaardere last worden gebruikt. Het noodreservewiel is niet geschikt voor de montage van sneeuwkettingen. Als u een lekke voorband (aangedreven wiel) hebt en er zijn sneeuwkettingen nodig, dan moet u een wiel van de achteras afhalen en daarvoor in de plaats het noodreservewiel monteren. Zo hebt u op de vooras twee normale wielen waarop u sneeuwkettingen kunt monteren.
De krik die bij de auto wordt geleverd, mag alleen worden gebruikt voor het vervangen van het reservewiel in noodgevallen.

ATTENTIE!
Door een verkeerde montage kan het
wieldeksel tijdens het rijden loslaten. Maak het ventiel absoluut niet open.
Plaats geen enkel stuk gereedschap tussen velg en band. Controleer regelmatig de spanning van de banden en van het noodreservewiel en houdt u daarbij aan de waarden die beschreven staan in het hoofdstuk "Technische gegevens".
KRIK
Het is nodig te weten dat:
□ de krik 1,76 kg weegt;
□ de krik geen afstellingen vereist;
□ de krik bij beschadiging vervangen moet worden door een krik van hetzelfde type;
□ buiten de slinger geen enkel ander gereedschap op de krik gemonteerd mag worden.

Ga voor het verwisselen van een wiel als volgt te werk:
zet de auto stil op een plaats waar het verkeer niet in gevaar wordt gebracht en waar in alle veiligheid het wiel kan worden verwisseld. Zet de auto zo mogelijk op een vlakke en stevige ondergrond;
□ zet de motor uit en trek de handrem aan;
□ schakel de eerste versnelling of de achteruit in;
□ til de bekleding op de vloer van de bagageruimte A-fig. 3 op;

fig. 4
□ draai de blokkeermechanisme los B-fig. 4;
□ neem de gereedschaphouder C uit en zet de houder dicht bij het te verwisselen wiel;
□ neem het noodreservewiel D uit;
□ verwijder met de bijgeleverde schroevendraaier het geklemde wieldeksel bij de inkeping op de rand van het deksel;

□ verwijder bij auto's die zijn uitgerust met lichtmetalen velgen, het geklemde wieldeksel met behulp van de bijgeleverde schroevendraaier;
draai met de bijgeleverde sleutel E-fig. 5 de wielbouten van het te verwisselen wiel ongeveer een slag los;
□ draai de slinger van de krik zodanig dat de krik iets omhoog komt;

KA00065m
fig. 6
☐ plaats de krik dichtbij het te verwisselen wiel op een afstand van circa 250 mm (9,8 inch) vanaf de wielkuiprand voor als een voorwiel wordt verwisseld; of op een afstand van circa 170 mm (6,7 inch) vanaf de wielkuiprand achter als een achterwiel wordt verwisseld (zoals in de afbeelding wordt getoond);
□ controleer of de groef F-fig. 6 van de krik goed om de rand G van de chassisbalk valt;
□ waarschuw eventuele omstanders dat de auto wordt opgekrikt; zorg ervoor dat ze zich niet in de nabijheid van de auto bevinden en de auto vooral niet aanraken totdat deze weer geheel op de grond staat;
☐ plaats de slinger H in de krik I en zet de auto omhoog, totdat het wiel enkele centimeters loskomt van de grond.
Als u de slinger draait, moet u zorgen voor voldoende werkruimte, zodat u geen schaafwonden aan uw hand oploopt door contact met de grond.
Ook de bewegende delen van de krik (schroefdraad en scharnieren)
kunnen letsel veroorzaken: Reinig uw handen zorgvuldig als deze met vet in contact zijn geweest;
□ zorg ervoor dat de boutgaten en alle contactvlakken van het noodreservewiel schoon zijn en geen onzuiverheden bevatten, omdat hierdoor na verloop van tijd de wielbouten kunnen loslopen;
105-132 Ford KA NL 20-10-2010 14:30 Pagina 112


□ monteer het noodreservewiel, waarbij de centreerpen N-fig. 7 in een van de gaten O in het wiel moet vallen;
draai de 4 wielbouten handvast;
draai de slinger van de krik zodat de auto weer op de grond staat, en verwijder de krik;
draai de wielbouten kruiselings vast, in de volgorde die in fig. 8 is aangegeven.

NORMAAL WIEL MONTEREN
Volg de hiervoor beschreven procedure, krik de auto op en demonteer het noodreservewiel.
Uitvoeringen met stalen velgen
Ga als volgt te werk:
□ zorg ervoor dat de boutgaten en alle contactvlakken van het normale wiel schoon zijn en geen onzuiverheden bevatten, omdat hierdoor na verloop van tijd de wielbouten kunnen loslopen;
□ monteer het normale wiel door de 4 wielbouten in de boutgaten te plaatsen;
□ draai met de bijgeleverde sleutel de wielbouten handvast;
□ monteer het geklemde wieldeksel, waarbij de inkeping (op het wieldeksel) moet samenvallen met het ventiel;
☐ laat de auto zakken en verwijder de krik;
□ draai met de bijgeleverde sleutel de wielbouten kruiselings vast, in de volgorde die eerder is afgebeeld.
Uitvoeringen met lichtmetalen velgen
☐ plaats het wiel op de naaf en draai met de bijgeleverde sleutel de bouten vast;
☐ laat de auto zakken en verwijder de krik;
□ draai met de bijgeleverde sleutel de wielbouten vast in de volgorde die is aangegeven in fig. 8;
□ monteer het geklemde wieldeksel en zorg ervoor dat het referentiegat op het wiel samenvalt met de referentiepen op het wieldeksel.
WAARSCHUWING Door een verkeerde montage kan het wieldeksel tijdens het rijden loslaten.
Ter afsluiting
☐ plaats het noodreservewiel D-fig. 3 op de daarvoor bestemde plek in de bagageruimte;
□ druk de half geopende krik stevig in de houder C om trillingen tijdens het rijden te voorkomen;
□ berg het gebruikte gereedschap op in de gereedschaphouder;
☐ plaats de gereedschaphouder in het reservewiel en draai het blokkeermechanisme B vast;
□ breng de bekleding op de juiste wijze opnieuw aan op de vloer van de bagageruimte.
WAARSCHWUING In tubeless banden mogen geen binnenbanden gebruikt worden. Controleer regelmatig de spanning van de banden en van het noodreservewiel.
WAARSCHUWING Als u het gemonteerde velgtype wilt vervangen (lichtmetalen in plaats van stalen of omgekeerd), moeten tevens alle wielbouten worden vervangen door bouten met een lengte die aangepast is aan het velgtype. Ook het noodreservewiel is specifiek en dient door een identiek exemplaar te worden vervangen.
Het is raadzaam de vervangen wielbouten en het vervangen reservewiel te bewaren voor als u in de toekomst het originele velgtype weer wilt monteren.
BANDENREPARATIESET
Het kan zijn dat de auto geen reservewiel heeft. In dat geval kan, om de band zonder krik te repareren, de noodreparatieset worden gebruikt. De reparatieset bevindt zich in de ruimte voor het reservewiel.
ALGEMENE INFORMATIE

ATTENTIE!
Afhankelijk van de omvang en van het type gat, kan
het zijn dat bepaalde banden niet of slechts deels gerepareerd kunnen worden. Een afname van de bandenspanning kan de beweging van de auto negatief beïnvloeden, waardoor u de controle over de auto kunt verliezen.

ATTENTIE!
Gebruik de reparatieset niet als de band al
beschadigd is door het rijden met de lekke band.

ATTENTIE!
Probeer geen gat te repareren dat zich buiten
het zichtbare gedeelte van het loopvlak bevindt.

ATTENTIE!
Probeer geen gat te repareren op de schouder
van de band.
Met de reparatieset kan het merendeel van de gaten (met een maximale diameter van 6 millimeter (1/4 inch) worden afgedicht, zodat u tijdelijk weer kunt rijden.
Neem tijdens het gebruik van de set de volgende regels in acht:
☐ Rijd voorzichtig en vermijd snelle stuurbewegingen of plotselinge manoeuvres, met name als het voertuig zwaar beladen is of een aanhanger trekt.
☐ De set zorgt voor een tijdelijke noodreparatie en biedt de mogelijkheid om uw reis te vervolgen tot aan de dichtstbijzijnde garage of bandenspecialist, of om een maximale afstand van 200 kilometer (125 mijl) af te leggen.
☐ Rijd niet harder dan maximaal 80 km/h (50 mijl/uur).
□ Bewaar de set buiten het bereik van kinderen.
☐ Gebruik de set alleen bij een omgevingstemperatuur tussen -30°C (22°F) en +70°C (+158°F).
DE BANDENREPARATIESET GEBRUIKEN

ATTENTIE!
De fles met perslucht kan zich als explosieve stof of drijfgas gedragen.

achter.
ATTENTIE!
Laat de set tijdens het gebruik nooit onbewaakt

bedrijf.
ATTENTIE!
Houd de compressor niet langer dan 10 minuten in
Opmerking Gebruik de reparatieset alleen voor het voertuig waar hij bijgeleverd is.
□ Parkeer de auto aan de kant van de weg, zodat het verkeer niet wordt gehinderd en u de set kunt gebruiken zonder dat dit gevaar oplevert.
Om de stabiliteit van het voertuig te garanderen moet de handrem worden aangetrokken, ook als de auto niet op een helling is geparkeerd.
☐ Probeer de voorwerpen die de band zijn binnengedrongen, zoals spijkers of schroeven, niet te verwijderen.
☐ Laat de motor alleen draaien als de auto zich niet in een afgesloten of slecht geventileerde ruimte bevindt (bijvoorbeeld, in een gebouw) terwijl u de set gebruikt. In dat geval moet de aircocompressor worden ingeschakeld terwijl de motor uit is.
□ Vervang de flacon met afdichtingsmiddel door een nieuwe voordat de vervaldatum is verstreken (zie de dop van de flacon).
□ Breng alle andere gebruikers van de auto op de hoogte dat de band tijdelijk gerepareerd is met de speciale reparatieset en dat rekening moet worden gehouden met een afwijkend rijgedrag van de auto.
DE BAND OPPOMPEN

ATTENTIE!
Voordat de band wordt opgepompt, moet de
schouder worden gecontroleerd. Pomp de band niet op als deze scheuren, bobbels of soortgelijke schade vertoont.

ATTENTIE!
Sta niet voor de band als de compressor in werking is.

ATTENTIE!
Controleer de schouder van de band. Indien er
sprake is van scheuren, bobbels of soortgelijke schade in de band, schakel de compressor dan uit en laat de lucht ontsnappen via het veiligheidsventiel. Blijf niet met de band rijden.

ATTENTIE!
Het afdichtingsmiddel bevat natuurlijk rubber.
Vermijd contact met de huid en met kleding. Indien dit toch gebeurt, spoel de betreffende delen onmiddellijk met overvloedig water en neem contact op met uw arts.

ATTENTIE!
Als de bandenspanning niet binnen 10 minuten hoger is
dan 1.8 bar (26 psi), kan dit erop duiden dat de band zodanig is beschadigd dat hij niet tijdelijk gerepareerd kan worden. Rijd in dat geval niet door met een dergelijke band.

De set van fig. 9 bevat:
A Etiket
B Flacon afdichtingsmiddel
C Slangetje van de afdichtingsflacon
D Flaconsteun
E Manometer
F Voedingsstekker met kabel
G Compressorschakelaar
H Slangetje van de reparatieset
I Veiligheidsventiel
I. Haal de bandenreparatieset uit de verpakking.
2. Maak het etiket A los van de flacon met afdichtingsmiddel, waarop de maximale snelheid is aangegeven van 80 km/h (50 mil/juur), en bevestig het op het dashboard in het zicht van de bestuurder. Zorg ervoor dat het etiket geen belangrijke informatie bedekt.
3. Neem het slangetje H uit de set met het veiligheidsventiel I en de voedingsstekker met kabel F.
4. Sluit het slangetje H met het veiligheidsventiel I aan op de flacon met afdichtingsmiddel B.
- Bevestig de flacon met afdichtingsmiddel B op de bijbehorende steun D.
- Verwijder het dopje van het ventiel van de beschadigde band.
- Schroef het slangetje van de flacon met afdichtingsmiddel C stevig op het ventiel van de beschadigde band.
- Zorg ervoor dat de schakelaar van de compressor G in de stand 0 staat.
- Steek de voedingsstekker F in het aanstekercontact of in een extra voedingscontact.
- Start de motor
II. Zet de schakelaar van de compressor G in stand I. - Pomp de band niet langer dan 10 minuten op tot een bandenspanning van minimaal 1,8 bar (26 psi) en maximaal 3,5 bar (51 psi). Zet de schakelaar van de compressor G in stand 0 en controleer de bandenspanning met de manometer E.
Opmerking Indien er geen druk van 1.8 bar (26 psi) wordt bereikt, stop dan met het oppompen van de band.
Opmerking Als u het afdichtingsmiddel via het ventiel in de band pompt, kan de druk stijgen tot 6 bar (87 psi), maar na 30 seconden weer dalen.
- Verwijder de voedingsstekker F van het aanstekercontact of van het extra voedingscontact.
- Draai snel het slangetje C los van het bandventiel. Plaats de dop van het ventiel terug.
- Laat de flacon met afdichtingsmiddel B op de betreffende steun D zitten.
- Zorg ervoor dat de set op een veilige plaats wordt bewaard die makkelijk bereikbaar is. U heeft de set opnieuw nodig als u de bandenspanning gaat controleren.
- Rijd onmiddellijk ongeveer drie kilometer (twee mijl) met de auto, zodat het afdichtingsmiddel het beschadigde gebied goed kan afsluiten.

ATTENTIE!
Als u tijdens het rijden sterke trillingen, een
onregelmatig stuurgedrag of lawaai waarneemt, verlaag dan de snelheid en rijd voorzichtig naar een veilige plaats waar de auto kan worden stilgezet. Controleer de band en de bandenspanning opnieuw. Als de bandenspanning lager is dan 1 bar (14.7 psi) of als er sprake is van scheuren, bobbels of zichtbare soortgelijke schade, rijd dan niet verder met de band.
- Zet de auto stil nadat u ongeveer drie kilometer (twee mijl) heeft gereden. Controleer de band en stel, indien nodig, de spanning van de beschadigde band af.
- Sluit de set aan en lees de bandenspanning af van de manometer E.
- Breng de spanning op de aangegeven waarde (zie paragraaf "Bandenspanning" in het hoofdstuk "Technische gegevens").
- Nadat de band tot de juiste spanning is opgepompt, moet de schakelaar van de compressor G in stand 0 worden gezet, moet de voedingsstekker F uit het contact worden genomen, het slangetje C worden losgedraaid en de dop van het ventiel worden vastgedraaid.
- Laat de slangetjes C en H aangesloten zitten op de flacon met afdichtingsmiddel B en berg de set op een veilige plaats op.
- Wendt u tot de dichtstbijzijnde bandenspecialist om de beschadigde band te vervangen. Voordat de band van de velg wordt gehaald, moet u de bandenspecialist vertellen dat de band afdichtingsmiddel bevat. Vervang na gebruik de afdichtingsflacon B en het slangetje C zo snel mogelijk.
Opmerking Vergeet niet dat de noodreparatieset alleen een tijdelijke oplossing biedt. De voorschriften met betrekking tot de bandenreparatie met behulp van de bandenreparatieset, kunnen van land tot land verschillen. Het is raadzaam om voor deze informatie een bandenspecialist te raadplegen.

ATTENTIE!
ZA Controleer voordat u gaat rijden of de band is opgepompt tot de aanbevolen bandenspanning. Zie hiervoor de technische specificaties. Blijf de bandenspanning controleren totdat de gerepareerde band is vervangen.
De lege afdichtingsflacons kunnen samen met het normale huisvuil worden afgevoerd.
Lever het resterende afdichtingsmiddel in bij de bandenspecialist of voer het af volgens de toepasselijke lokale wetgeving.
EEN LAMP VERVANGEN
ALGEMENE AANWIJZINGEN
□ Controleer voordat u een lamp vervangt of de contacten niet zijn geoxideerd;
□ vervang een defecte lamp door een exemplaar van hetzelfde type en vermogen;
□ als u een gloeilamp in de koplamp hebt vervangen, controleer dan om veiligheidsredenen altijd of de afstelling nog goed is;
als een lamp niet brandt, controleer dan eerst of de zekering niet doorgebrand is: zie voor de plaats van de zekeringen de paragraaf "Zekeringen vervangen" in dit hoofdstuk.

ATTENTIE!
Modificaties of reparaties aan de elektrische installatie die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brand veroorzaken.

ATTENTIE!
Halogeenlampen bevatten gas onder druk. Bij breuk kunnen er glassplinters wegschieten.

Halogeenlampen mag u uitsluitend aanraken op het metalen gedeelte. Als u de bol met uw vingers
aanraakt, zal de lichtopbrengst van de lamp teruglopen en kan ook de levensduur beperkt worden. Als u de bol per ongeluk hebt aangeraakt, maak de bol dan schoon met een in alcohol gedrenkte doek en laat hem drogen.

Het verdient aanbeveling om, indien mogelijk, de lampen door het Ford Servicenetwerk te laten
vervangen. De juiste werking en afstelling van de buitenverlichting is van essentieel belang voor de rijveiligheid en is bovendien wettelijk verplicht.
WAARSCHUWING De binnenzijde van de koplamp kan enigszins beslagen zijn: dit duidt niet op een defect, maar is een natuurlijk verschijnsel dat veroorzaakt wordt door een lage temperatuur en de luchtvochtigheidsgraad; en verdwijnt snel als de koplampen worden ingeschakeld.
De aanwezigheid van druppels aan de binnenzijde van de koplamp duidt daarentegen op het binnendringen van water: wendt u tot het Ford Servicenetwerk.

fig. 10
KA00110m
TYPEN LAMPEN fig. 10
Op de auto zijn verschillende typen lampen gemonteerd:
A Glasfittinglampen: met klemfitting. Om ze te verwijderen moet u ze eruit trekken.
B Lampen met bajonetfitting: om de lamp uit te houder te verwijderen hem iets indrukken en linksom draaien.
C Buislampen: om ze te verwijderen, losmaken uit de contacten.
D Halogeenlampen: om de lamp te verwijderen de borgveer uit de zitting losmaken.
E Halogeenlampen: om de lamp te verwijderen de borgveer uit de zitting losmaken.
A Glasfittinglampen: met
klemfitting. Om ze te verwijderen
moet u ze eruit trekken.
B Lampen met bajonetfitting: om de lamp uit te houder te verwijderen hem iets indrukken en linksom draaien.
C Buislampen: om ze te verwijderen, losmaken uit de contacten.
D Halogeenlampen: om de lamp te verwijderen de borgveer uit de zitting losmaken.
E Halogeenlampen: om de lamp te verwijderen de borgveer uit de zitting losmaken.
Lamp Type Wattage Figuur
| Grootlicht | H4 | 55W | D |
| Dimlicht | H4 | 55W | D |
| Buitenverlichting voor/dagverlichting | W5W | 5W | A |
| Richtingaanwijzers voor | PY21W | 21W | B |
| Richtingaanwijzers op flanken | W5W | 5W | A |
| Richtingaanwijzers achter | PY21W | 21W | B |
| Achterlichten | P21/5 | 21/5W | B |
| Remlichten | P21/5 | 21/5W | B |
| Achteruitrijlichten | P21W | 21W | B |
| Mistachterlicht | P21W | 21W | B |
| Plafondverlichting | C10W | 10W | C |
| Bagageruimteverlichting | W5W | 5W | A |
| Kentekenplaatverlichting | C5W | 5W | A |
| Mistlampen voor | HI | 55W | E |
| Derde remlicht | W5W | 5W | A |
LAMP BUITENVERLICHTING VERVANGEN
Zie voor het type lamp en het bijbehorende wattage de paragraaf "Lamp vervangen".
KOPLAMPUNITS
In de koplampunits zijn de lampen voor de buitenverlichting, het dimlicht, het grootlicht en de richtingaanwijzers opgenomen.
De lampen zijn op de volgende wijze in de lichtunit geplaatst fig. 11:
A buitenverlichting
B dimlicht/grootlicht (duplolamp)
C richtingaanwijzers
Verwijder vanuit de motorruimte de rubber dop D-fig. 12 om toegang te krijgen tot de lampen van de buitenverlichting; verwijder de rubber dop E-fig. 12 om toegang te krijgen tot de lampen van de dimlichten / grootlicht; draai de lamphouder linksom F-fig. 12 om toegang te krijgen tot de lampen van de richtingaanwijzers.


Bij sommige uitvoeringen is het, voor het vervangen van de lampen van de koplampunits nodig om de gehele koplamp te verwijderen.
Ga voor het verwijderen van de koplamp als volgt te werk:
□ stuur de wielen helemaal in zodat u het beschermdeksel kunt vinden G-fig. 13, open het beschermdeksel en draai het betreffende bevestigingssysteem los;

□ schroef, nadat u de motorkap heeft opgetild, de bevestigingsbouten H en I los die zijn aangegeven in fig. 14;
□ verwijder de koplamp.

RICHTINGAANWIJZERS
Voor
Om de lamp te vervangen, gaat u als volgt te werk:
draai de lamphouder A-fig. 15 linksom en verwijder de lamphouder;
□ verwijder de lamp B (met bajonetfitting) door hem iets in te drukken en linksom te draaien en vervang de lamp;
□ monteer de lamphouder A, draai de lamphouder rechtsom en controleer of de houder goed vastzit.
Flankrichtingaanwijzers
LET OP Neem alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen om ervoor te zorgen dat er geen schade aan de carrosserie ontstaat (we raden u aan een kunststof kaartje te gebruiken dat stijf en dik genoeg is).


Om de lamp te vervangen, gaat u als volgt te werk:
□ druk op het lampenglas door eerst het voorste deel naar het achterste deel te bewegen (1-fig. 16a);
□ druk daarna in de andere richting vanaf het achterste deel (2-fig. 16b) en verwijder de unit B;
□ draai de lamphouder linksom, verwijder de geklemde lamp en vervang hem;

□ monteer de lamphouder in het lampenglas en plaats de unit B; controleer of de bevestigingsveer goed vastzit.
DIMLICHT/GROOTLICHT
Om de lamp te vervangen, gaat u als volgt te werk:
□ verwijder de rubber dop, zoals hiervoor is beschreven;
□ druk op de middelste stekker A-fig. 17 en verwijder de gehele unit;
□ verwijder en vervang de lamp B;
□ monteer de nieuwe lamp, waarbij de nokken van het metalen deel in de uitsparingen in de reflector moeten vallen;
☐ haak de borgveren van de lamp vast en sluit vervolgens de stekker aan;
□ monteer de dop A en controleer of de dop goed vastzit.
105-132 Ford KA NL 20-10-2010 14:30 Pagina 123


fig. 21 (uitvoeringen met stuur links)
KA00106m
BUITENVERLICHTING
Om de lamp te vervangen, gaat u als volgt te werk:
□ verwijder de rubber dop, zoals hiervoor beschreven is;
□ draai de lamphouder A-fig. 18 linksom en verwijder de lamphouder;
□ verwijder de geklemde lamp en vervang hem;
□ monteer de lamphouder A, draai de lamphouder rechtsom en controleer of de houder goed vastzit;
□ bevestig de rubber dop.

BELANGRIJK Wendt u voor het vervangen van een defecte mistlamp tot het Ford Servicenetwerk.
ACHTERLICHTUNITS
Lamp vervangen:
□ open de achterklep;
draai de twee bevestigingsbouten A-fig. 19 los en trek de lichtunit recht naar achteren zonder deze te kantelen;
haal de lamphouder uit de zitting nadat de vier borgbouten zijn losgedraaid B-fig. 20;
□ verwijder de lampen door ze iets in te drukken en linksom te draaien.
De opstelling van de lampen is als volgt fig. 21:
C – Buitenverlichting / remlichten (bovenboog)
D – Richtingaanwijzers
E – Buitenverlichting (onderboog)
F – Achteruitrijlichten (rechterzijde) / mistachterlicht (linkerzijde).
- Achteruitrijlicht (linkerzijde) / mistachterlicht (rechterzijde).
105-132 Ford KA NL 20-10-2010 14:30 Pagina 124


□ draai de twee bevestigingsbouten A los;
□ verwijder de verlichtingsunit;
□ maak de stekker B los;
□ open de lamphouder nadat de twee bevestigingsbouten zijn losgeschroefd;
□ verwijder de geklemde lamp en vervang hem;
☐ sluit de lamphouder weer en schroef de twee bevestigingsbouten opnieuw vast;
draai de twee bevestigingsbouten A vast.


KENTEKENPLAATVERLICHTING fig. 24
Lampen vervangen:
□ verwijder het lampenglas A op het door de pijl aangegeven punt;
□ verwijder de geklemde lamp en vervang hem;
□ monteer het lampenglas.
LAMP INTERIEUR- VERLICHTING VERVANGEN
Zie voor het type lamp en het bijbehorende wattage de paragraaf "Lamp vervangen".
Om de lamp te vervangen, gaat u als volgt te werk:
□ maak m.b.v. de bijgeleverde schroevendraaier op de met de pijlen aangegeven punten het plafondlampje A-fig. 25 los en verwijder het;
105-132 Ford KA NL 20-10-2010 14:30 Pagina 125


□ open de bescherming B-fig. 29 en vervang de geklemde lamp C;
□ sluit de bescherming B op het lampenglas;
□ monteer de verlichtingsunit door deze eerst aan een zijde in de juiste stand te plaatsen en vervolgens de andere zijde aan te drukken, totdat de borging vastklikt.
□ open het dekseltje B-fig. 26 zoals aangegeven;
☐ maak de lamp C-fig. 27 los uit de veercontacten aan de zijkant en vervang hem; plaats de nieuwe lamp en controleer of de nieuwe lamp goed vastzit in de veercontacten;
□ sluit het dekseltje en monteer het lampenglas.
BAGAGERUIMTEVERLICHTING (indien aanwezig)
Lamp vervangen:
□ open de achterklep;
☐ maak m.b.v. de bijgeleverde schroevendraaier op het aangegeven punt het plafondlampje A-fig. 28 los en verwijder het.
ZEKERINGEN VERVANGEN
ALGEMEEN fig. 30
Het elektrische systeem wordt door zekeringen beveiligd: de zekering brandt door bij een storing of bij oneigenlijk gebruik van het systeem.
Als een elektrisch systeem niet werkt, controleer dan eerst of de zekering niet is doorgebrand: de verbindingsstrip A mag niet onderbroken zijn. Is dit wel het geval, dan moet u de zekering vervangen door een exemplaar met dezelfde stroomsterkte (zelfde kleur).
B zekering in goede staat.
C zekering met doorgebrande strip.
Gebruik het tangetje D voor het vervangen van de zekeringen. Dit tangetje is vastgehaakt aan de binnenzijde van het dekseltje van het zekeringenkastje links van het dashboard.
De componenten die door de zekeringen worden beveiligd, staan in de tabellen op de volgende pagina's aangegeven.

fig. 30

ATTENTIE!
Als de zekering opnieuw doorbrandt, wendt u dan Ford Servicenetwerk.

Vervang een doorgebrande zekering nooit door metalen draden of ander materiaal.

ATTENTIE!
Vervang de zekering nooit door een zekering met een hogere stroomsterkte (ampère); BRANDGEVAAR.

ATTENTIE!
Als een hoofdzekering (MEGA-FUSE, MIDI-FUSE, MAXI-FUSE) doorbrandt, wendt u dan tot het Ford Servicenetwerk.

ATTENTIE!
Controleer voordat de zekering wordt vervangen of de contactsleutel niet in het contactslot zit en of alle verbruikers zijn gedoofd en/of uitgeschakeld.

ATTENTIE!
Als een hoofdzekering van de veiligheidssystemen (airbagsysteem, remsysteem), krachtbron (motor, versnellingsbak) of stuursysteem doorbrandt, wendt u dan tot het Ford Servicenetwerk
105-132 Ford KA NL 20-10-2010 14:30 Pagina 127

Zekeringen op het dashboard
Uitvoeringen met stuur links
De zekeringen zijn bereikbaar nadat de geklemde kap E is verwijderd.
De 5A-zekering voor de verwarming van de buitenspiegels bevindt zich bij de diagnosestekker, zoals afgebeeld in fig. 31.
Aan de onderzijde naast de pedalen bevindt zich de zekeringenkast die is afgebeeld in fig. 32.
Uitvoering met stuur rechts
Om toegang te krijgen tot de zekeringen in de zekeringenkast die wordt getoond in fig. 32, moet u het klepje F openen dat zich in het dashboardkastje fig. 33 bevindt.

Zekeringenkast in de motorruimte fig. 34 en 35
Een tweede zekeringenkast bevindt zich rechts in de motorruimte, naast de accu. Om deze te bereiken, moet u op de borging I drukken, de lippen M losmaken en het deksel L verwijderen.
De nummers die de elektrische systemen per zekering aangeven zijn zichtbaar op de achterzijde van het deksel.

Als de motorruimte moet worden uitgespoten, zorg dan dat de waterstraal niet direct op de zekeringenkast
in de motorruimte wordt gericht.
ZEKERINGENTABEL
Zekeringen- en relaiskast dashboard – fig. 32 ZEKERING AMPÈRE
| Voeding dimlicht rechts | F12 | 7,5 |
| Voeding dimlicht links en regeleenheid koplampverstelling | F13 | 7,5 |
| Voeding relaisspoelen in zekeringenkast in motorruimte (INT/A) | F31 | 5 |
| Plafond- en kofferbakverlichting | F32 | 7,5 |
| Diagnosestekker, autoradio, airconditioning, EOBD | F36 | 10 |
| Remlichtschakelaar, knooppunt instrumentenpaneel | F37 | 5 |
| Centrale portiervergrendeling | F38 | 20 |
| Ruitensproeierpomp voor/achter | F43 | 15 |
| Ruitbediening bestuurderszijde | F47 | 20 |
| Ruitbediening passagierszijde | F48 | 20 |
| Parkeersensor, toetsverlichting, elektrische spiegels | F49 | 5 |
| Airbagregeleenheid | F50 | 7,5 |
| Inbouwvoorbereiding autoradio, Ford audiosysteem, airconditioning, remlichtschakelaar, koppelingsschakelaar | F51 | 7,5 |
| Knooppunt instrumentenpaneel | F53 | 5 |
Zekeringen- en relaiskast in motorruimte fig. 35 ZEKERING AMPÈRE
| Aanjager | F08 | 30 |
| Aanhanger | F09 | 15 |
| Claxons | F10 | 15 |
| Koplampunits grootlicht | F14 | 15 |
| Motor elektrische dakbediening | F15 | 20 |
| Achterruitverwarming, buitenspiegelverwarming | F20 | 30 |
| Mistlampen | F30 | 15 |
| Stekkerdoos voor (met of zonder sigarenaansteker) | F85 | 15 |
ACCU OPLADEN
BELANGRIJK De beschrijving voor het opladen van de accu dient slechts ter informatie. Wendt u bij voorkeur tot het Ford Servicenetwerk om deze werkzaamheden uit te laten voeren.
We raden u aan de accu langzaam en met een lage stroomsterkte (ampèrage) gedurende ongeveer 24 uur op te laden. Als u de accu langer oplaadt, kan de accu worden beschadigd.
Ga voor het opladen als volgt te werk:
☐ maak de stekker A los (door bediening van de knop B) van de controlesensor C van de acculading op de minpool D van de accu;
□ sluit de positieve kabel van de acculader op de pluspool E en de minkabel op de klem van de sensor D, zoals wordt getoond in figuur;
☐ schakel de acculader in; Schakel na het opladen de acculader uit;
□ nadat de acculader is afgekoppeld, moet de stekker A weer aan de sensor C worden gekoppeld, zoals wordt getoond in figuur.

De vloeistof in de accu is giftig en corrosief. Vermijd
het contact met de huid en de ogen. Het opladen van de accu moet worden uitgevoerd in een goed geventileerde ruimte, ver verwijderd van open vuur en vonkvormende apparaten: brand- en ontploffingsgevaar.

ATTENTIE!
Probeer een bevroren accu niet op te laden: eerst moet de accu ontdooid worden, anders loopt u het risico dat de accu ontploft. Als de accu bevroren is geweest, moet door deskundig personeel worden gecontroleerd of de cellen niet beschadigd zijn en of de bak geen scheuren vertoont, waardoor de giftige en corrosieve vloeistof kan weglekken..
105-132 Ford KA NL 20-10-2010 14:30 Pagina 131

OPKRIKKEN VAN DE AUTO
Als de auto omhoog gezet moet worden, wendt u dan tot een werkplaats van het Ford Servicenetwerk; deze beschikt over een garagekrik of hefbrug.
SLEPEN VAN DE AUTO
Bij de auto is een sleepoog geleverd. Het sleepoog bevindt zich in de gereedschaphouder onder de bekleding in de bagageruimte.
SLEEPOOG BEVESTIGEN
fig. 37
Ga als volgt te werk:
□ verwijder de dop A;
□ neem het sleepoog B uit de zitting in de gereedschaphouder;
□ draai het sleepoog geheel op de schroefdraadpen voor.


ATTENTIE!
Draai voor het slepen de sleutel in stand MAR en
vervolgens in STOP zonder de contactsleutel uit het slot te verwijderen. Als de contactsleutel uit het contactslot wordt genomen, schakelt automatisch het stuurslot in waardoor het onmogelijk wordt de auto te besturen.
105-132 Ford KA NL 20-10-2010 14:30 Pagina 132

ATTENTIE!
Houd er rekening mee dat de rembekrachtiging en de elektrische stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur.
Gebruik voor het slepen geen elastische kabels en rijd zo gelijkmatig mogelijk. Controleer tijdens het slepen of de sleepkabel geen carrosseriedelen kan beschadigen.
Houdt u bij het slepen van een auto aan de wettelijke voorschriften. Dit geldt zowel voor het slepen zelf als voor het gedrag naar andere weggebruikers.
Start de motor niet als de auto wordt gesleept.
133-146 Ford KA NL:133-146 Ford KA NL 20-10-2010 15:03 Pagina 133
ONDERHOUD EN ZORG
fig. I - Uitvoering 1.3L Duratorq
KA00197m

fig. 2 - Uitvoering 1.2L Duratec
KA00198m
NIVEAUS CONTROLLEREN
Uitvoeringen met stuur links
A. Motorlievulopening
B. Motoroliepeilstok
C. Motorkoelvloeistof
D. Ruitensproeiervloeistof
E. Remvloeistof + koppelingsvloeistof (alleen voor benzineuitvoeringen met stuur rechts)
F. Accu

ATTENTIE!
Rook nooit tijdens werkzaamheden in de
motorruimte: er kunnen ontvlambare dampen of gas aanwezig zijn waardoor er brandgevaar bestaat.

Let op, tijdens het bijvullen mogen de vloeistoffen met verschillende specificaties niet gemengd worden: als
de specificaties van de vloeistoffen verschillen, kan de auto ernstig beschadigd worden.
MOTOROLIE fig. I-2
Controleer het oliepeil als de auto op een vlakke ondergrond staat en enige minuten (circa 5) na het uitzetten van de motor.
Het oliepeil moet altijd tussen het MIN-en MAX-merkteken op de oliepeilstok B staan.
Het verschil tussen het MIN- en MAX-merkteken komt overeen met ongeveer I liter olie.
Als het oliepeil dicht bij of onder het MIN-merkteken staat, moet via de olievulopening A motorolie tot aan het MAX-merkteken worden bijgevuld.
Het olieniveau mag nooit het MAX-merkteken overschrijden.
Motorolieverbruik
Als richtlijn geldt een maximaal motorolieverbruik van ongeveer 400 gram per 1000 km.
De motor van een nieuwe auto moet nog worden ingerden. Dit betekent dat het motorolieverbruik pas na de eerste 5000 ÷ 6000 km stabiliseert.
WAARSCHUWING Het motorolieverbruik hangt af van de rijstijl en de gebruiksomstandigheden van de auto.
WAARSCHUWING Na het bijvullen of het verversen van de olie, moet u de motor enige seconden laten draaien, vervolgens de motor uitzetten en na enkele minuten het oliepeil controleren.

ATTENTIE!
Wees bij het uitvoeren van werkzaamheden in de
motorruimte extra voorzichtig als de motor nog warm is: gevaar voor verbranding. Bij een warme motor kan de elektroventilateur onverwacht inschakelen: kans op verwonding. Pas op als u sjaals, dassen of loszittende kledingstukken draagt: deze kunnen door de bewegende onderdelen worden gegrepen.

Vul nooit olie bij met andere specificaties dan de olie waarmee de motor is gevuld.

Afgewerkte motorolie en het vervangen motoroliefilter bevatten stoffen die schadelijk zijn
voor het milieu. Het is raadzaam om het verversen van de olie en het vervangen van de filters door het Ford Servicenetwerk te laten uitvoeren. Dit netwerk beschikt over de uitrusting voor het op milieuvriendelijke wijze en conform de wettelijke bepalingen verwerken van afgewerkte olie en oliefilters.
MOTORKOELVLOEISTOF
fig. I-2
Het niveau van de koelvloeistof moet gecontroleerd worden bij een koude motor en moet tussen het MIN- en MAX-merkteken op het expansiereservoir staan.
Als het niveau te laag is, kunt langzaam via de vulopening C van het expansiereservoir een mengsel van 50% gedemineraliseerd water en koelvloeistof ARTECO Havoline XLC gieten, totdat het niveau dicht bij het MAX-teken staat.
Het mengsel van koelvloeistof ARTECO Havoline XLC en gedemineraliseerd water in een mengverhouding van 50% beschermt tot een temperatuur van -35°C.
Onder extreem koude klimatologische omstandigheden raden wij een mengsel aan van 60% ARTECO Havoline XLC koelvloeistof en 40% gedemineraliseerd water.

ATTENTIE!
Zorg bij het bijvullen dat er geen vloeistof wordt
gemorst op de warme motoronderdelen.

Het motorkoelsysteem maakt gebruik van een antivriesmiddel. Gebruik voor het eventueel bijvullen
vloeistof met dezelfde specificaties als waarmee het motorkoelsysteem is gevuld.
De koelvloeistof ARTECO Havoline XLC kan niet worden gemengd met welke andere vloeistof dan ook. Als dit toch gebeurt, mag de motor absoluut niet worden gestart en moet u zich tot het Ford Servicenetwerk wenden.

ATTENTIE!
Het koelsysteem staat onder druk. Vervang de
dop zonodig alleen door een exemplaar van hetzelfde type, anders kan de werking van het systeem in gevaar worden gebracht. Draai bij een warme motor de dop van het reservoir nooit los: gevaar voor verbranding.

ATTENTIE!
Wees bij het uitvoeren van werkzaamheden in de
motorruimte extra voorzichtig als de motor nog warm is: gevaar voor verbranding.
Verwijder voor het bijvullen de dop D m.b.v. het lipje.
Controleer visueel het niveau van de vloeistof in het reservoir.
Sluit de dop D door hem in het midden in te drukken.

ATTENTIE!
Rijd niet met een leeg ruitensproeierreservoir: de ruitensproeiers zijn van fundamenteel belang voor een optimaal zicht.
Enkele in de handel verkrijgbare ruitensproeiervloeistoffen zijn ontvlambaar. In de motorruimte bevinden zich warme onderdelen die bij contact de vloeistof kunnen doen ontbranden.
REMVLOEISTOF fig. 1-2
Draai de dop E los: controleer of het remvloeistofniveau nog op het maximumniveau staat.
Het niveau mag nooit het MAX-merkteken overschrijden.
Als vloeistof moet worden bijgevuld, dan raden wij u aan de remvloeistof te gebruiken die staat vermeld in de tabel "Vloeistoffen en smeermiddelen" (zie het hoofdstuk "Technische gegevens").
Opmerking Maak de dop van het reservoir E en het omringende oppervlak zorgvuldig schoon.
Wees bij het openen van de dop bijzonder voorzichtig zodat er geen vuil in het reservoir komt.
Gebruik voor het bijvullen altijd een trechter met een ingebouwde filterzeef van maximaal 0,12 mm.
WAARSCHUWING De remvloeistof is hygroscopisch (trekt water aan). Daarom verdient het aanbeveling, als de auto overwegend wordt gebruikt in gebieden met een hoge luchtvochtigheid, de vloeistof vaker te vervangen dan in het "Geprogrammeerd onderhoudsschema" staat aangegeven.

Voorkom contact tussen de zeer corrosieve remvloeistof en de lak. Als remvloeistof wordt gemorst, moet de lak
onmiddellijk met water worden afgespoeld.

ATTENTIE!
De rem- en koppelingsvloeistof is giftig
en zeer corrosief. Als per ongeluk remvloeistof wordt gemorst, moeten de betreffende delen onmiddellijk worden gereinigd met water en neutrale zeep en daarna met veel water worden afgespoeld. Bij inslikken dient onmiddellijk een arts te worden geraadpleegd.

ATTENTIE!
Het symbool op het reservoir geeft aan dat synthetische remvloeistof en geen minerale vloeistof moet worden gebruikt. Het gebruik van minerale vloeistoffen moet absoluut worden vermeden, omdat de rubbers in het remsysteem door deze vloeistoffen worden beschadigd.
LUCHTFILTER/POLLENFILTER
Laat het luchtfilter of het pollenfilter vervangen door het Ford Servicenetwerk.
DIESELFILTER
CONDENS AFTAPPEN (Duratorq-uitvoeringen)

Door water in het brandstofcircuit kan het inspuitsysteem ernstig worden beschadigd en de motor onregelmatig gaan draaien. Als het lampje op het instrumentenpaneel gaat branden, wendt u dan zo snel mogelijk tot het Ford Servicenetwerk om het systeem te laten aftappen. Als het lampje direct na het tanken gaat branden, bestaat de mogelijkheid dat er tijdens het tanken water in de brandstoftank is gekomen: wendt u direct tot het Ford Servicenetwerk.
ACCU
De accu van de auto is "onderhoudsvrij": onder normale gebruiksomstandigheden is het niet nodig gedestilleerd water bij te vullen.
ACCULADING EN ELEKTROLYTNIVEAU CONTROLLEREN
De controlewerkzaamheden mogen uitsluitend door gekwalificeerd personeel worden uitgevoerd bij de kilometerstanden en op de wijze die beschreven staan in dit instructieboekje. Het eventueel bijvullen mag uitsluitend worden uitgevoerd door gespecialiseerd personeel van het Ford Servicenetwerk.

ATTENTIE!
De vloeistof in de accu is giftig en corrosief.
Voorkom contact met de huid en de ogen. Houd open vuur en vonkvormende apparaten verwijderd van de accu: brand- en ontploffingsgevaar.

ATTENTIE!
Als de accu werkt met een zeer laag vloeistofniveau, ontstaat onherstelbare schade aan de accu en kan de accu openbarsten.
ACCU VERVANGEN
Als de accu vervangen wordt, moet een originele accu met dezelfde specificaties worden geïnstalleerd.
Als de accu vervangen wordt door een accu met andere specificaties, vervallen de onderhoudsintervallen die in het "Geprogrammeerd Onderhoudsschema" staan aangegeven.
Voor het onderhoud van de accu dient u zich strikt te houden aan de aanwijzingen van de fabrikant van de accu.

Verkeerde montage van elektrische en elektronische apparatuur kan ernstige schade toebrengen aan de
auto. Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die constante voeding nodig hebben (diefstalalarm, mobiele telefoon enz.), raden wij u aan contact op te nemen met de specialisten van het Ford Servicenetwerk. Deze kunnen u de meest geschikte installaties aanraden en controleren of het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren.

Accu's bevatten zeer schadelijke stoffen voor het milieu. Het verdient aanbeveling een defecte
accu door het Ford Servicenetwerk te laten vervangen, omdat het beschikt over de uitrusting voor het op milieuvriendelijke wijze en conform de wettelijke bepalingen, verwerken van defecte accu's.

ATTENTIE!
Als u de auto langere tijd stalt in extreem koude
omstandigheden moet, om bevriezing te voorkomen, de accu worden verwijderd en op een verwarmde plaats worden bewaard.

ATTENTIE!
Bij werkzaamheden aan de accu of in de buurt van de accu, moet u uw ogen altijd beschermen met een speciale veiligheidsbril.
Om het snel ontladen van de accu te voorkomen en de levensduur te verlengen, dient u de volgende aanwijzingen nauwkeurig op te volgen:
□ wanneer u de auto parkeert, controleer dan of de portieren, de motorkap en de achterklep goed gesloten zijn. Hiermee wordt voorkomen dat de interieurverlichting blijft branden;
☐ schakel de interieurverlichting uit: de auto is in ieder geval uitgerust met een systeem voor automatische uitschakeling van de interieurverlichting;
☐ voorkom zoveel mogelijk het gebruik van stroomverbruikers als de motor uitstaat (autoradio, alarmknipperlichten enz.);
☐ maak voordat werkzaamheden aan de elektrische installatie van de auto worden uitgevoerd, eerst de klem van de minpool van de accu los;
□ de klemmen moeten altijd goed zijn bevestigd.
WAARSCHUWING Een accu die gedurende langere tijd minder dan 50% geladen is, raakt door sulfatering beschadigd. Hierdoor loopt de capaciteit en het startvermogen terug.
Ook is de accu dan gevoeliger voor bevriezing (reeds bij temperaturen van -10°C). Als u de auto langere tijd niet gebruikt, zie dan "Auto langere tijd stallen" in het hoofdstuk "Starten en rijden".
Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die constante voeding nodig hebben (diefstalalarm enz.), of accessoires die de elektrische installatie zwaar belasten, raden wij u aan contact op te nemen met het Ford Servicenetwerk, dat kan u de meest geschikte installaties uit het Ford Lineaccessori-programma aanraden en controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik of dat het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren.
Enkele van deze stroomverbruikers blijven continu stroom verbruiken ook bij een uitgezette motor, waardoor de accu geleidelijk onlaadt.
WIELEN EN BANDEN
De spanning van de banden, inclusief het noodreservewiel, moet regelmatig, om de twee weken en voor een lange rit, worden gecontroleerd: de bandenspanning moet bij koude banden worden gecontroleerd.
Tijdens het rijden neemt de bandenspanning toe; zie voor de juiste waarde van de bandenspanning de paragraaf "Wielen" in het hoofdstuk "Technische gegevens".
Een onjuiste bandenspanning veroorzaakt een onregelmatige slijtage van de banden fig. 5:
A juiste spanning: gelijkmatige slijtage van het loopvlak.
B te lage spanning: te grote slijtage aan de zijkanten van het loopvlak.
C te hoge spanning: te grote slijtage in het midden van het loopvlak.
Banden moeten worden vervangen als de profieldiepte van het loopvlak minder is dan 1,6 mm. Houdt u echter altijd aan de bepalingen van het land waarin u rijdt.

fig. 5
KAD0081m
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
□ Voorkom bruusk remmen, met spinnende wielen optrekken, harde contacten tussen banden en stoepranden, kuilen en andere obstakels. Het langdurig rijden op een slecht wegdek kan de banden beschadigen;
□ controleer de banden regelmatig op scheuren in de wangen en bulten of slijtplekken op het loopvlak. Als u deze gebreken constateert, wendt u dan tot het Ford Servicenetwerk;
□ rijd nooit met een te zwaar beladen auto: hierdoor kunnen de banden en de velgen ernstig beschadigd raken;
□ stop zo snel mogelijk bij een lekke band en verwissel het wiel om beschadiging van de band, de velg, de wielophanging en de stuurinrichting te voorkomen;
□ banden verouderen, ook als zij weinig of nooit gebruikt zijn. Scheurtjes in het loopvlak en op de wangen geven aan dat de band verouderd is. Banden die langer dan zes jaar onder een auto gemonteerd zijn, moeten dan ook door een specialist worden gecontroleerd. Dit geldt in het bijzonder voor het noodreservewiel;
□ monteer nooit gebruikte banden of banden, waarvan de herkomst onbekend is;
□ bij de montage van een nieuwe band moet ook het ventiel vernieuwd worden;
om een gelijke slijtage van de banden op de vooras en de achteras te verkrijgen, is het raadzaam de banden om de 10.000/15.000 km van as te verwisselen. Hierbij moeten de banden aan dezelfde zijde van de auto gemonteerd blijven, zodat een omkering van de draairichting wordt voorkomen.

ATTENTIE!
Bedenk dat ook de wegligging afhankelijk is juiste bandenspanning.

ATTENTIE!
Door een te lage bandenspanning wordt de sheet, waardoor er elbare inwendige schade band kan ontstaan.

ATTENTIE!
Verwissel de banden nooit kruiselings, waarbij de
banden van de rechterzijde aan de linkerzijde en omgekeerd worden gemonteerd.

ATTENTIE!
Voer bij lichtmetalen velgen geen rkzaamheden uit die een tuur vereisen boven 150°C hanische eigenschappen vielen kunnen hierdoor in worden gebracht.
RUBBER SLANGEN
Houd voor de rubber slangen van het rem- en brandstofsysteem zeer nauwkeurig de voorschriften van het "Geprogrammeerd onderhoudsschema" in dit hoofdstuk aan.
Ozon, hoge temperaturen en het gedurende langere tijd ontbreken van vloeistof in een systeem zorgen ervoor dat de slangen uitdrogen en scheuren, waardoor het betreffende systeem kan gaan lekken. Daarom is zorgvuldige controle noodzakelijk.
RUITENWISSERS VOOR/ACHTER
WISSERBLADEN
Reinig regelmatig de rubber delen m.b.v. geschikte producten.
Vervang de wisserbladen als het rubber vervormd of versleten is. Het verdient aanbeveling ten minste één maal per jaar de wisserbladen te vervangen.
Met enkele simpele voorzorgsmaatregelen is het mogelijk beschadigingen van het rubber te voorkomen:
□ wanneer de temperatuur onder 0°C is gedaald, moet gecontroleerd worden of er geen ijs tussen wisserblad en ruit zit. Maak de wissers zo nodig vrij met een antivriesmiddel;
□ verwijder eventueel opgehoopte sneeuw van de ruit: om de wisserbladen te beschermen en oververhitting van de ruitenwissermotor te voorkomen;
□ schakel de ruitenwissers/achterruitwisser niet op een droge uit in.

ATTENTIE!
Rijden met versleten ruitenwisserbladen is zeer gevaarlijk, omdat dit het zicht onder slechte weersomstandigheden aanzienlijk beperkt.

fig. 6
Wisserbladen voorruit vervangen fig. 6
Ga als volgt te werk:
□ til de wisserarm B van de voorruit en plaats het wisserblad C onder een hoek van 90° ten opzichte van de arm;
□ druk op de knop A en verwijder het wisserblad C uit de arm B;
□ monteer het nieuwe wisserblad en controleer of het geborgd is.

Ga als volgt te werk:
□ kantel het dopje A omhoog, draai de moer B los waarmee de wisserarm aan de as is bevestigd;
☐ plaats de nieuwe wisserarm in de juiste stand en draai de moer zorgvuldig vast;
□ kantel het dopje naar beneden.
RUITENSPROEIERS
Voorruit (ruitensproeiers) fig. 8
Als de ruitensproeiers niet werken, controleer dan eerst het niveau in het ruitensproeierreservoir (zie de paragraaf "Niveaus controleren" in dit hoofdstuk).
Controleer vervolgens of de ruitensproeiermonden niet verstopt zijn. Deze kunnen zo nodig met een speld worden doorgeprikt.
De stralen van de ruitensproeiers kunt u richten door de sproeiermonden af te stellen.
De stralen moeten op ongeveer 1/3 van de bovenkant van de ruit worden gericht.
BELANGRIJK Zorg bij de uitvoeringen met open dak, dat het dak gesloten is voordat u de voorruitsproeiers inschakelt.
Achterruit (achterruitsproeier) fig. 9
De sproeiermonden van de achterruitsproeier kunnen niet worden afgesteld.
De sproeier is ingebouwd boven de achterruit.
CARROSSERIE
De belangrijkste oorzaken van roest zijn:
□ luchtverontreiniging;
□ zoutgehalte in de lucht en luchtvochtigheid (zeegebieden, warm en vochtig klimaat);
□ omgevings-/seizoensinvloeden.
Ook de invloed van schurende elementen, zoals stoffige omgeving, opwaaiend zand, modder en steenslag op de lak en de onderzijde moet niet worden onderschat.
Ford heeft voor uw auto de beste technologische oplossingen toegepast om de carrosserie efficiënt tegen roest te beschermen.
De belangrijkste zijn:
□ de toepassing van aangepaste spuittechnieken en lakproducten die de auto de benodigde weerstand tegen roest en schurende elementen verlenen;
□ het gebruik van verzinkte (of voorbehandelde) plaatdelen met een hoge corrosiebestendigheid;
☐ het aanbrengen van een gespoten beschermende waslaag op de onderzijde, in de wielkuipen, in de motorruimte en verschillende holle ruimtes, met een hoog beschermend vermogen;
☐ het aanbrengen van een beschermende kunststof laag op kwetsbare onderdelen: onderzijde van de portieren, binnenzijde van de spatborden, randen, enz.;
toepassing van "open" holle ruimtes om condensvorming te voorkomen en binnendringend water af te voeren, waardoor roest van binnenuit wordt voorkomen.
CARROSSERIEGARANTIE
Bij de auto is de carrosserie tegen doorroesten van alle originele componenten van de carrosserie en van alle dragende delen gegarandeerd.
Voor de specifieke voorwaarden van deze garantie wordt verwezen naar de Service- en garantiehandleiding.
TIPS VOOR HET BEHOUD VAN DE CARROSSERIE
Lak
De lak heeft behalve een esthetische functie ook een beschermende functie.
Daarom moeten beschadigingen van de laklaag, zoals krassen, onmiddellijk worden bijgewerkt om roestvorming te voorkomen. Het bijwerken dient met de originele lak te worden uitgevoerd (zie "Plaatje met informatie over de carrosserielak" in het hoofdstuk "Technische gegevens").
Het normale onderhoud van de auto beperkt zich tot wassen, waarbij de frequentie afhankelijk is van het gebruik van de auto en van de omgeving. In bijvoorbeeld een omgeving met een vervuilde atmosfeer of als op straten met strooizout wordt gereden, moet de auto vaker worden gewassen.
Ga voor een juiste reiniging als volgt te werk:
□ verwijder de antenne van het dak als u de auto in een wastunnel wast, om te voorkomen dat deze beschadigt;
□ als voor het reinigen van de auto een stoomcleaner of een hogedrukreiniger wordt gebruikt, houd dan de spuitlans op een afstand van ten minste 40 cm van de carrosserie om beschadigingen of vervormingen te voorkomen. Waterresten die op de auto achterblijven kunnen na verloop van tijd de carrosserie beschadigen;
□ spoel de auto eerst met een waterstraal onder lage druk af;
□ was de auto met een zachte spons met een oplossing van neutrale zeep; spoel daarbij de spons regelmatig uit;
□ spoel de auto af met schoon water en droog de auto met warme lucht of een schone, zachte zeem.
De minder zichtbare delen zoals de randen van de portieren, achterklep, motorkap en de koplampranden moeten tijdens het drogen niet vergeten worden, omdat daar water kan blijven staan.
Het verdient aanbeveling de auto na het wassen niet onmiddellijk binnen te zetten, maar de auto nog even buiten te laten staan, zodat waterresten buiten kunnen verdampen.
Was de auto nooit als hij lang in de zon heeft gestaan of als de motorkap nog warm is: de glans van de lak kan afnemen.
De kunststof carrosseriedelen kunnen op dezelfde wijze worden gewassen als de gespoten carrosseriedelen.
Parkeer de auto niet onder bomen, aangezien harsdruppels bij langere inwerking de lak kunnen beschadigen, waardoor de kans op roestvorming wordt vergroot.
WAARSCHUWING Vogeluitwerpselen dienen zo snel en zo goed mogelijk van de lak verwijderd te worden, omdat door de agressieve bestanddelen de lak kan beschadigen.

Schoonmaakmiddelen verontreinigen het water. Daarom moet de auto bij voorkeur worden gewassen
op een plaats waar het afvalwater direct wordt opgevangen en gezuiverd.
Ruiten
Gebruik voor het schoonmaken van de ruiten een daarvoor geschikt schoonmaakmiddel.
Gebruik een schone, zachte doek om krassen en beschadigingen te voorkomen.
WAARSCHUWING Let er bij het schoonmaken van de binnenzijde van de achterruit op dat de elektrische weerstandsdraden van de achterruitverwarming niet worden beschadigd. Veeg voorzichtig in de richting van de draden.
Motorruimte
Laat de motorruimte na het winterseizoen zorgvuldig uitspuiten. Hierbij mag de waterstraal niet direct op de elektronische regeleenheden en de relais en zekeringen links in de motorruimte (in rijrichting) worden gericht. Laat deze werkzaamheden uitvoeren door een gespecialiseerd bedrijf.
WAARSCHUWING Voor het uitspuiten van de motorruimte moet de contactsleutel in stand STOP staan en de motor koud zijn.
Controleer na het reinigen of de verschillende beschermingen (rubber kappen, deksels enz.) nog op hun plaats zitten en niet beschadigd zijn.
Koplampen
WAARSCHUWING Gebruik voor het reinigen van het kunststof lampenglas van de koplampen geen aromatische producten (bijv. benzine) of ketonen (bijv. aceton).
INTERIEUR
Controleer af en toe of er onder de vloerbedekking geen water is blijven staan (dooiwater van sneeuwresten aan schoenen, lekkende paraplu's enz.), waardoor roestvorming op de bodem veroorzaakt zou kunnen worden.

ATTENTIE!
Gebruik nooit ontvlambare producten zoals petroleum
of wasbenzine voor het reinigen van de interieurdelen van de auto. De elektrostatische lading die tijdens het reinigen door het wrijven ontstaat, kan brand veroorzaken.

ATTENTIE!
Bewaar nooit spuitbussen in de auto:
ontploffingsgevaar. Spuitbussen mogen niet worden blootgesteld aan temperaturen boven 50°C. In de zomer kan de temperatuur in het interieur ver boven deze waarde oplopen.
STOELEN EN STOFFEN BEKLEDING
Verwijder stof met een zachte borstel of een stofzuiger.
Reinig de zittingen met een vochtige spons en een oplossing van water en neutrale zeep.
KUNSTSTOF INTERIEURDELEN
Wij raden u aan om de kunststof interieurdelen op de normale manier te reinigen met een doek bevochtigd met water en een neutrale zeep zonder schuurmiddel.
Voor het verwijderen van vet- of hardnekkige vlekken moeten speciale schoonmaakmiddelen zonder oplosmiddelen worden gebruikt, die geschikt zijn voor het reinigen van kunststof en die het visuele effect en de kleur van de componenten niet beïnvloeden.
WAARSCHUWING Gebruik nooit alcohol of benzine om het glas van het instrumentenpaneel schoon te maken.
TECHNISCHE GEGEVENS
IDENTIFICATIEGEGEVENS 148
MOTORCODES -
CARROSSERIE-UITVOERINGEN 150
MOTOR 151
BRANDSTOFSYSTEEM 152
TRANSMISSIE 152
REMMEN 153
WIELOPHANGING 153
STUURINRICHTING 153
WIELEN 154
AFMETINGEN 157
PRESTATIES 158
GEWICHTEN 159
VULLINGSTABEL 160
VLOEISTOFFEN EN SMEERMIDDELEN 161
BRANDSTOFVERBRUIK 163
CO 2 -EMISSIE 164
IDENTIFICATIEGEGEVENS
Wij raden u aan om kennis te nemen van de identificatiegegevens.
De identificatiegegevens zijn op de volgende typeplaatjes ingeslagen fig. I:
1 Bandenspanningsplaatje
2 Plaatje met voertuiggegevens.
3 Chassisnummer (VIN).
4 Typeplaatje van de auto (VIN).

C2 Bruto massa met aanhanger
C3 Toegestane maximum massa voor de vooras
C4 Toegestane maximum massa voor de achteras
M Emissiewaarde (alleen diesel)
D Modelcode en carrosserie-
uitvoering
L Code van het uitlaatemissieniveau
K Kleurcode carrosserie
J Codes interieurbekleding
H Codes brugverhouding versnellingsbak
G Codes versnellingsbak
F Motorcodes
E Rijzijde
TYPEPLAATJE MET IDENTIFICATIEGEGEVENS fig. 2
Het plaatje is op de stijl van het rechter voorportier aangebracht en bevat de volgende informatie:
A Typegoedkeuring of rijklare auto
B VIN-plaatje
CI Bruto voertuigmassa
147-164 Ford KA NL:147-164 Ford KA NL 20-10-2010 14:35 Pagina 149

fig. 3
MOTORCODE
De motorcode is in het cilinderblok geslagen en bestaat uit het motortype en een oplopend productienummer.
CHASSISNUMMER fig. 3
Het bevat de volgende informatie:
Fabrikantcodering
Carrosserie-uitvoering
□ Productielocatie
Model
□ Productiedatum: jaar/maand
□ Volgnummer auto;
MOTORCODES - CARROSSERIE-UITVOERINGEN
Uitvoeringen Typecode motor Code carrosserie-uitvoering.
I.2L Duratec 169A4000 RU8ABAAIU
I.3L Duratorq 169A5000 RU8BBABIU
UW AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN RUJDEN
| ALGEMENE INFORMATIE | 1.2L Duratec | 1.3L Duratorq | |
| Typecode | 169A4000 | 169A5000 | |
| Cyclus | Acht | Diesel | |
| Aantal en opstelling cilinders | 4 in lijn | 4 in lijn | |
| Boring en slag van de zuigers mm | 70,8 x 78,86 | 69,6 x 82 | |
| Cilinderinhoud | cm3 | 1242 | 1248 |
| Compressieverhouding | 11,1 ± 0,2 | 16,8:1 | |
| Maximum vermogen (EU) kW | 51 | 55 | |
| pk | 69 | 75 | |
| bijbehorend toerental t/min | 5500 | 4000 | |
| Maximum koppel (EU) Nm | 102 | 145 | |
| kgm | 10,4 | 14,8 | |
| bijbehorend toerental t/min | 3000 | 1500 | |
| Bougies | NGK ZKR7A-10 | - | |
| Brandstof | Loodvrije benzine 95 R.O.N. | Diesel voor motorvoertuigen (specificatie EN 590) | |
BRANDSTOFSYSTEEM
1.2L Duratec 1.3L Duratorq
| Brandstofsysteem Elektronische Multipoint inspuiting Directe Common Rail-inspuiting sequentieel gefaseerd, Returnless-systeem | elektronisch geregeld met turbocompressor en intercooler |

ATTENTIE!
Wijzigingen of reparaties aan het brandstofsysteem die niet juist worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en mogelijk brand veroorzaken.
TRANSMISSIE
1.2L Duratec - 1.3L Duratorq
| Versnellingsbak | Met vijf gesynchroniseerde versnellingen vooruit en de achteruit |
| Koppeling | Zelfstellend met koppelingspedaal zonder vrije slag |
| Aandrijving | Voor |
REMMEN
| 1.2L Duratec – 1.3L Duratorq | |
| Voetrem: | |
| - voor | schijfremmen |
| - achter | trommelremmen met zelfcentrerende remschoenen en één wielremcilinder per wiel |
| Handrem | bediend met remhendel, die op de achterwielen werkt |
WAARSCHUWING Water, ijs en strooizout op het wegdek kan zich op de remschijven afzetten, waardoor de gewenste remvertraging bij de eerste keer remmen iets later wordt bereikt.
WIELOPHANGING
| 1.2L Duratec – 1.3L Duratorq | |
| Voor | onafhankelijke wielophanging, type McPherson; bestaande uit een mechanische traverse, schokdempers, schroefveren en bij de uitvoeringen met elektrische stuurbekrachtiging met een stabilisatorstang |
| Achter | met via torsieas gekoppelde wielen; bestaande uit torsieas en twee buisvormige armen met schokdempers en schroefveren. |
STUURINRICHTING
| 1.2L Duratec – 1.3L Duratorq | |
| Type | tandheugelstuurhuis met elektrische stuurbekrachtiging (indien aanwezig) |
| Draaicirkeltussen stoepranden m | 9,3 |
WIELEN
VELGEN EN BANDEN
Geperst stalen of lichtmetalen velgen. Tubeless radiaalbanden. Op de typegoedkeuring zijn bovendien alle goedgekeurde banden aangegeven.
WAARSCHUWING Als de gegevens in het instructieboekje afwijken van die van de typegoedkeuring, dient u zich altijd aan de gegevens van de typegoedkeuring te houden.
Voor de rijveiligheid is het noodzakelijk dat alle wielen zijn voorzien van banden van hetzelfde merk en hetzelfde type.
WAARSCHUWING In tubeless banden mogen geen binnenbanden gebruikt worden.
RESERVEWIEL
Geperst stalen velg. Tubeless band.
WIELUITLIJNING
Toespoor van de voorwielen gemeten tussen de velgen: 1,8 ± 1 mm
De waarden zijn van toepassing op een onbelaste auto in rijklare staat.

VERKLARING VAN DE CODERING OP DE BANDEN fig. 4
Voorbeeld: 175/65 R 14 82T
175 = Nominale breedte (S, afstand in mm tussen de flanken).
65 = Hoogte/breedte-verhouding (H/S) (percentage).
R = Radiaalband.
14 = Diameter van de velg (in inch) (∅).
82 = Beladingsindex (draagvermogen).
T = Snelheidsindex.
Snelheidsindex
Q = max. 160 km/h.
R = max. 170 km/h.
S = max. 180 km/h.
T = max. 190 km/h.
U = max. 200 km/h.
H = max. 210 km/h.
V = tot240km / h
Snelheidsindex voor winterbanden
QM + S = tot 160 km/h.
TM + S = tot 190 km/h.
HM + S = tot 210 km/h.
Beladingsindex (draagvermogen)
| 70 = 335 kg | 81 = 462 kg |
| 71 = 345 kg | 82 = 475 kg |
| 72 = 355 kg | 83 = 487 kg |
| 73 = 365 kg | 84 = 500 kg |
| 74 = 375 kg | 85 = 515 kg |
| 75 = 387 kg | 86 = 530 kg |
| 76 = 400 kg | 87 = 545 kg |
| 77 = 412 kg | 88 = 560 kg |
| 78 = 425 kg | 89 = 580 kg |
| 79 = 437 kg | 90 = 600 kg |
| 80 = 450 kg | 91 = 615 kg |
VERKLARING VAN DE
Voorbeeld: 6J x 15H2
6 = breedte van de velg in inch 1.
J = velgbedprofiel (deel aan de zijkanten waarop de band steunt) 2.
15 = montagediameter in inch (komt overeen met die van de band die gemonteerd moet worden) 3 = ∅.
H2 = vorm en aantal "humps" (vorm van de velgrand die de wang van de tubeless band op zijn plaats houdt).

fig. 4a
RIM PROTECTOR
BANDEN fig. 4a

ATTENTIE!
Als integrale wieldeksels die (met een veer) op de plaatstalen velg zijn bevestigd en als niet-af-fabriek of aftersales banden die voorzien zijn van een "Rim Protector" (fig. 4a) worden gebruikt, mogen de wieldeksels NIET gemonteerd worden. Het gebruik van ongeschikte banden en wieldeksels kan leiden tot een plotselinge afname van de bandenspanning.
| Uitvoeringen | Velgen | Banden standaard | Banden winterbanden | Reservewiel (indien aanwezig) | |
| Velgmaat | Bandenmaat | ||||
| 1.2L Duratec | 5.5jx14 H2 ET 35 | 165/65 R14 79T | 165/65 R14 79Q | 5Bx14 H ET 31.5 | 165/65 R14 79T |
| 5.5jx14 H2 ET 35 | 175/65 R14 82T | 175/65 R14 82Q | |||
| 6jx15 H2 ET 40 | 195/50 R15 82T | 195/50 R15 82Q | |||
| 6.5jx16 H2 ET 40 | 195/45 R16 84T | 195/45 R16 84Q | |||
| 1.3L Duratorq | 5.5jx14 H2 ET 35 | 165/65 R14 79T | 165/65 R14 79Q | 5Bx14 H ET 31.5 | 165/65 R14 79T |
| 5.5jx14 H2 ET 35 | 175/65 R14 82 T | 175/65 R14 82Q | |||
| 6jx15 H2 ET 40 | 195/50 R15 82T | 195/50 R15 82Q | |||
| 6.5jx16 H2 ET 40 | 195/45 R16 84T | 195/45R16 84Q | |||
BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar)
Bij warme banden moet de bandenspanning 0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde.
Controleer de bandenspanning nogmaals als de banden koud zijn.
Banden Uitvoeringen Bij gemiddelde belading Bij volle belading Reservewiel
| Voor Achter Voor Achter | (indien aanwezig) | |||
| 165/65 R14 79T | 1.2L Duratec 2,0 2,0 2,3 2,5 | 3,0 | ||
| 1.3L Duratorq 2,2 2,0 2,3 2,5 | ||||
| 175/65 R14 82T | 1.2L Duratec 2,0 2,0 2,3 2,5 | |||
| 1.3L Duratorq 2,2 2,0 2,3 2,5 | ||||
| 195/50 R15 82T | 1.2L Duratec 2,0 2,0 2,3 2,5 | |||
| 1.3L Duratorq 2,2 2,0 2,3 2,5 | ||||
| 195/45 R16 84T | 1.2L Duratec 2,0 2,0 2,3 2,5 | |||
| 1.3L Duratorq 2,2 2,0 2,3 2,5 | ||||

De afmetingen zijn aangegeven in mm en hebben betrekking op een auto die is uitgerust met standaard banden.
De hoogte heeft betrekking op een onbelaste auto
Uitvoeringen A B C D E F G I
| 1.2L Duratec | 3620 | 758 | 2300 | 562 | 1506(*) | 1399÷1409 (*) | 1658 | 1387÷1397(*) |
| 1.3L Duratorq | 3620 | 758 | 2300 | 562 | 1506(*) | 1399÷1409 (*) | 1658 | 1387÷1397(*) |
(*) Afhankelijk van de velgmaat kunnen er kleine verschillen zijn in de maten.
147-164 Ford KA NL:147-164 Ford KA NL 20-10-2010 14:35 Pagina 158

Maximale snelheid na de inrijperiode in km/h.
| 1.2L Duratec 159 | |
| 1.3L Duratorq 160 |
GEWICHTEN
| Gewichten (kg) | 1.2L Duratec | 1.3L Duratorq |
| Leeggewicht (met alle vloeistoffen, 90% gevulde brandstoftank en geen optionals) | 865 | 980 |
| Nuttig laadvermogen (*) inclusief de bestuurder: | 455 | 435 |
| Max. toelaatbaar gewicht (**) | ||
| - vooras: | 770 | 830 |
| - achteras: | 640 | 640 |
| - totaal: | 1320 | 1415 |
| Max. dakbelasting: | 50 | 50 |
(*) Als er speciale accessoires zijn gemonteerd (zoals een trekhaak), stijgt het leeggewicht, waardoor het totale laadvermogen met hetzelfde gewicht daalt.
(**) Maximumwaarden die niet overschreden mogen worden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat de auto zodanig wordt beladen dat deze limieten niet worden overschreden.
VULLINGSTABEL
| 1.2L Duratec | 1.3L Duratorq | Voorgeschreven brandstof en originele smeermiddelen | ||
| Brandstoftank: inclusief een reserve van: liter | liter | 35 | 35 (▲) | Loodvrije benzine met octaangetal van ten minste 95 R.O.N(▲) Diesel voor motorvoertuigen (specificatie EN590) |
| 5 | 5 (▲) | |||
| Motorkoelsysteem: | liter | 4,85 | 6,3 | ARTECO Havoline XLC koelvloeistof |
| Motorcarter: liter | 2,5 | 2,8 | - | |
| Carter en oliefilter: liter | 2,8 | 3,0 | ||
| Versnellingsbak en differentieel: | liter | 1,65 | 1,65 | TUTELA CAR TECHNYX |
| Hydraul. remcircuit: | kg | 0,55 | 0,55 | SUPER DOT 4 |
| Vloeistofreservoir ruitensproeiers en achterruitsproeier: liter | 2,5 | 2,5 | - | |
VLOEISTOFFEN EN SMEERMIDDELEN
Toepassing Specificaties van de vloeistoffen en smeermiddelen Vervangings- voor een correct functioneren van de auto interval
| Smeermiddelen voor benzine-en dieselmotoren | SAE 5W-40 motorolie (WSS-M2C917-A) | Volgens het Geprogrammeerde Onderhoudsschema |
Als bij dieselmotoren in geval van nood geen originele producten beschikbaar zijn, moeten de smeermiddelen minimaal voldoen aan de specificaties ACEA C3; in dit geval zijn de optimale prestaties van de motor niet gegarandeerd en is het raadzaam de olie zo snel mogelijk bij het Ford Servicenetwerk te laten vervangen door het voorgeschreven smeermiddel.
Het gebruik van producten met lagere specificaties dan ACEA C3 kan ernstige schade aan de motor veroorzaken die niet door de garantie wordt gedekt.
| Gebruik Specificaties van de vloeistoffen Vloeistoffen Toepassing en smeermiddelen voor een correct en smeermiddelen functioneren van de auto vloeistoffen | |||
| Smeermiddelen en vetten voor krachtoverbrengingen | Synthetisch smeermiddel SAE 75W-85 | TUTELA CAR TECHNYX | Handgeschakelde versnellingsbakken en differentieel |
| Remvloeistof | ESD-M6C57-A Super DOT 4 (BASF Hydraulan 407-1) | SUPER DOT 4 | Hydraulisch remsysteem en koppelingbediening |
| Bescherming voor radiateurs | Beschermingsmiddel met antivries | ARTECO Havoline XLC koelvloeistof (WSS-M97B44-D) | Motorkoelsysteem |
BRANDSTOF VERBRUIK
Het brandstofverbruik dat in de volgende tabellen is opgenomen, is gemeten volgens een vastgestelde testmethode die in EU-normen is vastgelegd.
Voor het meten van het brandstofverbruik wordt de volgende procedure uitgevoerd:
☐ in de stad: koude start gevolgd door gesimuleerd gebruik in stadsverkeer;
☐ op buitenwegen: omvat een testrit, waarbij frequent geaccelereerd wordt in alle versnellingen om normaal gebruik op de buitenweg te simuleren; de snelheid varieert tussen 0 en 120 km/h;
□ gecombineerd verbruik: hierbij telt de waarde van de stadsrit mee voor 37% en de waarde van de testrit op buitenwegen 63%.
WAARSCHUWING Het soort wegdek, verkeerssituatie, atmosferische omstandigheden, rijstijl, algemene conditie van de auto, uitrustingsniveau, gebruik van de airconditioning, lading van de auto, imperiaal op het dak en andere situaties die de aerodynamica kunnen beïnvloeden, leveren een ander brandstofverbruik op dan hier vermeld.
Brandstofverbruik volgens de geldende richtlijn (liter/100 km) Uitvoeringen Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd
De CO 2 -emissie, vermeld in de volgende tabel, is gemeten op een gecombineerd traject.
Uitvoeringen CO
2-emissie volgens de geldende richtlijn (g/km)
I.2L Duratec 115
I.3L Duratorq 109
-accu laden 130
- acculading controlleren .... 138
- nuttige tips 139
- starten met een hulpaccu .... 106
- verwisselen 138
Achterklep.... 47
Achterruitsproeier 39
- bediening 39
- vloeistofniveau 136
Achterruitwisser 39
- bediening 39
-sproeiers 143 - wisserbladen 142
Achteruitrijlicht 123
Afmetingen 157
Afstandsbediening met
radiofrequentie 6
- batterij vervangen 8
– extra afstandsbedieningen
bestellen 8
Airbag 79
- frontairbag bestuurderszijde ..... 80
– frontairbag passagierszijde ..... 80 - Sidebags - headbag 81-82
Alarmknipperlichten 41
ASR 56
Auto langere tijd stallen 93
Auto stallen 93
Automatische klimaatregeling .... 34
Autoradio 64
Auto-Start-Stop-systeem 60
Bagageruimte vergroten 48
Bagageruimte 47
-openen 47
— sluiten 47
- vergroten 48
Bagageruimteverlichting 40
-lamp vervangen 125
Banden 154
-bandenspanning 156
- onderhoud 140
– Rim Protector ...... 155
- standaard 156
- verklaring van de codering
op de banden 155
- verwisselen 108
- winterbanden 156
Bandenspanning 156
Bediening 41
Bedieningsknoppen 41
Bekerhouders 44
Bescherming van het milieu ...... 67
Bougies 151
Brandstof 160
- brandstofmeter 12
- brandstofnoodschakeling ...... 42
- brandstofverbruik 163
-inhoud brandstoftank 160 - tanken 160
Brandstofbesparing 90
Brandstofmeter 12
Brandstofnoodschakeling 42
Brandstofverbruik 163
Buitenverlichting 37
Buitenverlichting 37
-lamp vervangen 123
Carrosserie.... 150
– codes uitvoeringen ...... 150
-garantie 144
- onderhoud 144
Centrale vergrendeling 45
Chassisnummer 149
Code Card 6
Dashboard 3-4
Dashboardkastje 43
Derde remlicht 124
Digitaal display 13
Dimlichten 37
- bediening 37
-lamp vervangen 122
Dop van brandstoftank 67
EBD (storing) 54
EOBD-systeem 57
ESP-systeem 54
Extra accessoires 65
Fix&Go
(snelle bandenreparatieset) ..... 114
Follow me home (systeem) 38
Ford CODE-systeem 5
Gebruik van de handgeschakelde versnellingsbak 89
Gewichten 159
Gordelspanners 71
Grootlicht 37
- bediening 37
-grootlichtsignaal 37
-lamp vervangen 122
Inbouwvoorbereiding voor de montage van een "Isofix"-kinderzitje 74
Instrumenten 10
Instrumentenpaneel 10
Intelligente wis-/wasregeling 38
Interieur 146
Kentekenverlichting 124
Kinderen veilig vervoeren 73
Kinderzitjes (geschiktheid voor gebruik) ...... 76
Koelvloeistofmeter
Koplampen 51
- koplampafstelling in het buitenland 52
- koplampen afstellen 51
- koplampverstelling 52
- mistlampen afstellen 52
Koppeling 152
Lak 144
Lamp (vervangen) 118
-algemene aanwijzingen 118
- typen lampen 119
Lampjes en berichten 95
Luchtfilter 138
Luchtroosters 30
Maximumsnelheid 158
– motor opwarmen na het starten .... 87
– motor uitzetten 88
- rollend starten 107
-start-/contactslot 9
- starten met een hulpaccu ...... 106
Motor 151
- chassisnummer 149
- identificatiecode .... 150
-technische specificaties .... 151
Motorkap 49
Motorolie
- peil controleren .... 135
-technische specificaties 160
- verbruik 135
Motorolieniveau 135
Motorruimte (reinigen) 146
MSR-systeem 56
Multifunctioneel display 16
Niveau motorkoelvloeistof .... 136
Niveau ruitensproeiervloeistof ..... 136
Niveaus 134
Niveaus controleren 134
Onderhoud en zorg 133
- klimaatregeling 32-34
Opbergvak onder de stoel 43
Opkrikken van de auto 131
Parkeersensoren 58
Parkeren 88
Plafondlampjes 40
— bagageruimte 40
- voor 40
Plafondverlichting 40
— bediening 40
– lampen vervangen .... 124
Pollenfilter 138
Portieren 45
Portiervergrendeling 45
Prestaties 158
Radiozendapparatuur en
mobiele telefoons 65
Remmen 153
– specificaties ...... 153
– vloeistofniveau ...... 137
Remvloeistofniveau 137
Richtingaanwijzers 37
- achterlamp vervangen 123
— bediening 37
- koplamp vervangen 122
-lamp op flank vervangen 122
Rim Protector 155
Rubber slangen 141
Ruitbediening 46
Ruiten reinigen 143
Ruitensproeiers voor...... 38
— bediening 38
– vloeistofniveau ...... 136
Ruitenwissers voor 38
— bediening 38
-sproeiers 143
- wisserbladen .... 142
Slepen van de auto 131
Sleutel met afstandsbediening ..... 6
- batterij vervangen 8
- extra afstandsbedieningen bestellen 8
Sneeuwkettingen 93
Snelheidsmeter 12
Spiegels 29
- binnenspiegels 29
- buitenspiegels 29
– elektrische spiegels ...... 29
Start-/contactslot 9
Starten en rijden 85
Stoelverstelling 26
Stuurinrichting 153
Stuurslot 9
Stuurwielverstelling 28
Symbolen 5
Tankklepje 67
Uitstoot van CO₂ 164
Veiligheid 69
Veiligheidsgordels 70
-algemene opmerkingen 71
- gebruik 70
-gordelspanners 71
- onderhoud 73
- trekkrachtbegrenzers .... 71
Velgen 154
- verklaring van de codering op de velgen 154
Ventilatie 31
Versnellingsbak 89
- gebruik van de handgeschakelde versnellingsbak 89
-technische specificaties 152
Verwarming en ventilatie 31
Vloeistoffen en smeermiddelen ..... 161
Voeding 152
Vullingstabel 160
Wiel verwisselen 108
– schade aan de achterband ..... 113
Wiel.... 154
- reservewiel 154
- verwisselen 108
Wielophanging 153
Wieluitlijning 154
Wisserbladen voor en achter ..... 142
Zekeringen (vervangen) 126
Zitplaatsen 26
- reinigen 146
Zonnekleppen 43
165-172 Ford KA NL:165-172 Ford KA NL 20-10-2010 14:41 Pagina 169
OPMERKING
165-172 Ford KA NL:165-172 Ford KA NL 20-10-2010 14:41 Pagina 170
Bij warme banden moet de bandenspanning 0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde.
Controleer de bandenspanning nogmaals als de banden koud zijn.
Banden Uitvoeringen Bij gemiddelde belading Bij volle belading Reservewiel
| Voor Achter Voor Achter (indien aanwezig) | ||||||
| 165/65 R14 79T | 1.2L Duratec | 2,0 | 2,0 | 2,3 | 2,5 | 3,0 |
| 1.3L Duratorq | 2,2 | 2,0 | 2,3 | 2,5 | ||
| 175/65 R14 82T | 1.2L Duratec | 2,0 | 2,0 | 2,3 | 2,5 | |
| 1.3L Duratorq | 2,2 | 2,0 | 2,3 | 2,5 | ||
| 195/50 R15 82T | 1.2L Duratec | 2,0 | 2,0 | 2,3 | 2,5 | |
| 1.3L Duratorq | 2,2 | 2,0 | 2,3 | 2,5 | ||
| 195/45 R16 84T | 1.2L Duratec | 2,0 | 2,0 | 2,3 | 2,5 | |
| 1.3L Duratorq | 2,2 | 2,0 | 2,3 | 2,5 | ||
MOTOROLIE VERVERSEN (liter)
| 1.2L Duratec 1.3L Duratorq | |
| Carter 2,5 2,8 | |
| Motorcarter en filter 2,8 3,0 |
BRANDSTOFTANK (liters)
| I.2L Duratec I.3L Duratorq | ||
| Tankinhoud | 35 | 35 |
| Reserve 5 5 | ||
De benzinemotoren zijn uitsluitend geschikt voor loodvrije benzine met een octaangetal van ten minste 95 RON (specificatie EN 228). De dieselmotoren zijn uitsluitend geschikt voor dieselbrandstof voor motorvoertuigen (specificatie EN 590)