Viscount Unico 500 - Orgel

Unico 500 - Orgel Viscount - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis Unico 500 Viscount in PDF-formaat.

📄 70 pagina's Nederlands NL Downloaden 💬 AI-vraag 10 vragen ⚙️ Specs
Notice Viscount Unico 500 - page 38
Bekijk de handleiding : Deutsch DE Nederlands NL
Kies uw taal en geef uw e-mailadres: we sturen u een specifiek vertaalde versie.
Producttype Orgel
Merk Viscount
Model Unico 500
Toetsenborden 3 Manualen (I, II, III) en pedaalklavier
Geluidssynthese Physis-technologie (fysische modellering van pijporgels)
Display LCD met menubesturing en cursornavigatie
Sequencer Interne MIDI-sequencer voor opname en weergave
Geheugen Intern geheugen en USB-stick (FAT/FAT32)
Aansluitingen MIDI In/Out/Thru, USB (2x), hoofdtelefoon, line-ingangen, microfoon, programmeerbare uitgangen (PROG. OUT)
Voeding Netspanning (zie typeplaatje), geaard stopcontact
Stroomverbruik ca. 50 W
Afmetingen (ca.) Breedte: 140 cm, Diepte: 80 cm, Hoogte: 120 cm
Gewicht (ca.) 80 kg
Reiniging Met zachte kwast of perslucht; geen reinigingsmiddelen of alcohol
Veiligheidsinstructies Apparaat niet openen, stekker bij onweer uittrekken, niet in de buurt van water gebruiken
Accessoires Zwelkastpedalen (2x), crescendopedaal, lessenaarverlichting, MIDI-kabel
Bijzondere kenmerken 8 orgelstijlen (4 preset, 4 user), historische stemmingen, instelbare winddruk- en ensembleparameters

Veelgestelde vragen - Unico 500 Viscount

Hoe zet ik het orgel aan en uit?
Druk op de netschakelaar [POWER] op het bedieningspaneel. Druk nogmaals om uit te schakelen. Na het inschakelen duurt het enkele seconden voordat het hoofdscherm verschijnt.
Hoe stel ik het totale volume in?
Draai aan de potentiometer [MASTER VOLUME] onder de manualen of gebruik in het menu VOLUMES de optie 'MST'.
Hoe kies ik een orgelstijl?
Selecteer in het hoofdscherm het veld STYLES. Er zijn 8 stijlen beschikbaar: de eerste 4 zijn vooringesteld (preset), de laatste 4 (User 1-4) kunt u personaliseren.
Hoe neem ik een muziekstuk op?
Druk op [SEQUENC.] en kies RECORD. Kies [NEW SONG] en start de opname met [ENTER]. Beëindig met [EXIT] en sla het bestand op als MIDI.
Hoe kan ik een alternatieve stem voor een register kiezen?
Roep het menu VOICES op en kies ALTERNATIVE VOICES. Kies het bereik (bijv. Pedaal) en dan het register. Houd de registertrekker ingedrukt om de lijst te zien en kies met [ENTER] de gewenste stem.
Hoe stel ik de historische stemming in?
Ga in het hoofdscherm naar TUNING. In het tweede veld kunt u verschillende stemmingen zoals 'Equal' of historische stemmingen selecteren. Stel ook de grondtoon (BASE KEY) en de fijnstemming (PITCH (A)) in.
Hoe kan ik de MIDI-functies gebruiken?
Sluit een extern apparaat aan op de MIDI [IN/OUT/THRU]-aansluitingen. In het menu UTIL. & MIDI kunt u zend- en ontvangstkanalen (Tx AND Rx CHANNEL) en filters configureren.
Hoe reinig ik het orgel correct?
Gebruik een zachte kwast of perslucht om stof te verwijderen. Gebruik geen reinigingsmiddelen, oplosmiddelen of alcohol. Vermijd vocht.
Hoe zet ik het orgel terug naar fabrieksinstellingen?
Kies in het menu UTIL. & MIDI de optie RESTORE FACT. SET. U kunt kiezen of het hele orgel, alleen de instellingen, de user-stijlen of de combinaties worden teruggezet.
Welke veiligheidsinstructies moet ik in acht nemen?
Lees de gebruiksaanwijzing volledig. Open het apparaat niet – neem bij service contact op met een vakman. Trek bij onweer of langdurig niet-gebruik de stekker uit het stopcontact. Plaats het orgel niet in de buurt van water of warmtebronnen.

Gebruikersvragen over Unico 500 Viscount

0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.

Stel een nieuwe vraag over dit apparaat

De e-mail blijft privé: deze wordt alleen gebruikt om u te waarschuwen als iemand op uw vraag reageert.

Nog geen vragen. Stel de eerste vraag.

Download de handleiding voor uw Orgel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Unico 500 - Viscount en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Unico 500 van het merk Viscount.

GEBRUIKSAANWIJZING Unico 500 Viscount

Waarschuwing: lees dit eerst!

WARNING RISK OF ELECTRIC SHOCK DO NOT OPEN AVIS RISQUE DE CHOC ÉLECTRIQUE NE PAS OUVRIR

Viscount Unico 500 - Waarschuwing: lees dit eerst! - 2

Dit symbool is bedoeld om de gebruiker te waarschuwen voor niet geïsoleerd "gevaarlijk voltage" binnen in het product, welke voldoende omvang kan hebben om een risico van elektrische schok voor personen te vormen.

Viscount Unico 500 - Waarschuwing: lees dit eerst! - 3

Dit symbool is bedoeld om de gebruiker er op te wijzen dat er belangrijke instructies voor het in werking stellen en onderhouden (service) aanwezig zijn in de bijgevoegde literatuur.

Waarschuwing:

Om het risico van brand of elektrisch schok te verminderen: Het apparaat niet blootstellen aan regen of vocht Verwijder niet het orgeldeksel of de achterkant Er bevinden zich geen gebruikernuttige onderdelen in het apparaat Laat onderhoud over aan gekwalificeerd onderhoudspersoneel

Instructies betreffende een risico van brand, elektrische schok of verwonding aan personen Belangrijke veiligheidsinstructies

Waarschuwing:

1) Lees deze instructies
2) Bewaar deze instructies
3) Besteed aandacht aan alle waarschuwingen
4) Volg alle instructies op
5) Gebruik dit apparaat niet in de buurt van water
6) Maak slechts met droge doek schoon
7) Blokkeer geen enkele ventilatieopening. Installeer overeenkomstig de instructies van de fabrikant
8) Niet installeren in de buurt van warmtebronnen zoals radiatoren, hitte registers, fornuizen of andere apparaten (incl. versterkers) die warmte produceren
9) Ondervang het veiligheidsdoel van de gepolariseerde of geaarde stekker. Een gepolariseerde stekker heeft twee bladen met een wijder en een minder wijd blad. Een geaarde stekker heeft twee bladen en een derde geaarde spriet. Het wijdere blad en de derde spriet worden verstrekt voor uw veiligheid. Indien de verstrekte stekker niet in het stopcontact past, raadpleeg een elektricien voor het vervangen van deze stekker.

10)De contactdoos moet dichtbij het apparaat geplaatst worden en moet makkelijk toegangelijk zijn

11) Zorg er voor dat er niet over het snoer en stekker gelopen wordt en bescherm het snoer op de plaats waar het het apparaat verlaat

12)Gebruik alleen accessoires gespecificeerd door de fabrikant

13)Gebruik alleen de kar, tribune, driepoot, steunen of tafels gespecificeerd door de fabrikant of verkocht met het apparaat. Indien er gebruik gemaakt wordt van een kar bij het verplaatsen van een apparaat, waak er dan voor dat de kar en apparaat niet kantelen waardoor er verwondingen en/of beschadigingen ontstaan

14) Haal de stekker uit het stopcontact wanneer er onweer is of wanneer het apparaat langdurig niet gebruikt wordt.

15)Laat al het onderhoud aan het apparaat over aan gekwalificeerd onderhoudspersoneel. Onderhoud is nodig wanneer het apparaat beschadigd is.

Viscount Unico 500 - Waarschuwing: - 1

INHOUDSOPGAVE

  1. Belangrijke opmerkingen vooraf ....36

1.1 Zorg voor het product 36
1.2 Opmerkingen over de handleiding....36

  1. Einleitung ....38
  2. Algemene beschrijving ....39
  3. Inschakeling en hoofdpagina 46
  4. Regeling van de volumes (menu Volumes) 47
  5. Intonatie van het instrument (menu Tuning) 48
  6. De organstijlen (menu Styles) 49
  7. Selectie en regeling van de stemmen (menu Voices) ....50

8.1 Regegling van het volume (functie Volume Level) 50
8.2 Editen van de geluidsparameters (functie Edit Parameters) 51
8.3 Selectie van de alternatieve stemmen (Alternative Voice function) 52

  1. Algemene instellingen van het instrument (menu Set-Up)....54

9.1 Kanalisatie van de stemmen over de achterste geluidsuitgangen (functie Ext. Out Router function) ..... 54
9.2 Setting the Prog, Out outputs as Antiphonal outputs (Antiphonal Outs function)....56

  1. Utiliteits-en Midi-functies (menu Util. & MIDI) 57
  2. Functies voor het beheer van de bestanden (menu File Manag.) 58
  3. Registratie en weergave van muzieknummers (Sequencer) 59

12.1 Weergave van een nummer (werkwijze Play) 59
12.2 Registratie van een nummer (werkwijze Record) 60
12.3 Weergaveopties van de sequencer (menu Play Options) 63
12.4 Songlists (functic Songlist function) 63

  1. Bijlage 65

13.1 Local Off van de registers....65
13.2 Factory Settings....65
13.3 Updaten van het besturingssysteem 66

1. BELANGRIJKE OPMERKINGEN VOORAF

1.1 ZORG VOOR HET PRODUCT

  • Zorg ervoor dat het instrument niet te lijden heeft van overmatige trillingen of harde stoten (knoppen, druktoetsen, registers, enz.).
  • Plaats het instrument niet in de buurt van apparaten, waarvan mag worden verwacht dat ze storende elektrische en magnetische velden opwekken, zoals radio's, TV's, monitoren, enz
  • Vermijd het blootstellen van het orgel aan hittebronnen. Laat het instrument niet staan in een erg vochtige of stoffige omgeving of in de buurt van sterke magnetische velden.

- Vermijd het blootstellen van het orgel aan direct zonlicht.

  • Plaats nooit voorwerpen in het instrument en giet er nooit vloeistoffen, van welke aard ook, in.
  • Gebruik voor het regelmatig reinigen alleen maar een zachte borstel/doek of perslucht. Gebruik voor het reinigen nooit chemicaliën zoals benzine, verdunners, alcohol, enz.
  • Gebruik altijd afgeschermde kabels van goede kwaliteit voor de verbindingen met versterkers en andere apparaten voor geluidsdistributie.
    Trek bij het losnemen van de verbinding nooit aan de kabel zelf maar altijd aan de aansluitsteker. Vlecht kabels niet in elkaar bij het oprollen.
  • Verzeker u ervan alvorens een verbinding te maken, dat de aan te sluiten systemen (in het bijzonder de versterkers) zijn uitgeschakeld. Hierdoor wordt ongewenst geruis en mogelijk zelfs het optreden van gevaarlijke signaalpieken voorkomen.
  • Vergeet niet om de stekker van het orgel los te nemen als het instrument langere tijd niet wordt gebruikt.

1.2 OPMERKINGEN OVER DE HANDLEIDING

•Ga zorgvuldig met de handleiding om.

- De handleiding vormt met het instrument één geheel. De beschrijvingen en illustraties hierin zijn niet bindend.

- Hoewel de essentiële kenmerken van het instrument niet zullen veranderen, houdt de fabrikant zich te allen tijde het recht voor om wijzigingen aan te brengen in onderdelen, details, of accessoires die nodig worden geacht om het product te verbeteren dan wel vanwege constructieve eisen of om commerciële redenen, zonder de verplichting om deze publicatie direct aan te passen.

- "All rights reserved": de reproductie van enig deel van deze handleiding, in welke vorm dan ook, is zonder schriftelijke toestemming van de fabrikant is verboden.

- Alle handelsmerken die in deze handleiding worden genoemd, zijn eigendom van de betreffende fabrikanten.

  • Aangeraden wordt om deze handleiding zorgvuldig door te nemen. Dan gaat niet onnodig tijd verloren om met het instrument te kunnen omgaan en verkrijgt u betere resultaten met het instrument.
  • Met tekens of cijfers tussen vierkante haken ([..]) worden de namen van de druktoetsen, regelschuiven, instelknoppen en aansluitingen aangeduid. Bij voorbeeld: [ENTER] verwijst naar de ENTER druktoets.
  • De illustraties en afbeeldingen van de display zijn alleen als richtlijn bedoeld en kunnen verschillen van war werkelijk op de display wordt getoond.

2. EINLEITUNG

Geachte gebruiker,

Hartelijk dank voor het kiezen van de Viscount Unico orgel.

U schafte van ons bedrijf, mondiaal marktleider op het gebied van prestigieuze klassieke orgels een uitbreiding van uw bestaande orgel aan. De nieuwste en meest geavanceerde technologie is toegepast, die het mogelijk maakt om met een grote natuurgetrouwheid de klank van een pijporgel te reproduceren, in het gebruik een indrukwekkende flexibiliteit garandeert en een geheel nieuwe klasse van klankkwaliteit markeert. Na jaren van onderzoek om nieuwe methoden van klankopwekking te ontdekken en te ontwikkelen is het Viscount Research & Development centrum erin geslaagd om wereldwijd als eerste de klank van de originele orgelpijp te reproduceren met behulp van 'Physical Modelling Techniek' als basis voor de innovatieve Physis technologie.

Viscount Unico 500 - Geachte gebruiker, - 1

Deze revolutionaire wijze van klankopwekking maakt niet, zoals tot nu toe algemeen toegepast,

gebruik van 'samples' van pijporgels, maar berekent 'real-time' de gevraagde golfvorm, die het klankkarakter bepaalt, uit een nauwkeurig fysisch rekenmodel, dat gebaseerd is op de studie naar de fysische werking van geluidsopwekking in de orgelpijp en waarin rekening wordt gehouden met de belangrijkste fysische parameters zoals de vorm (mensuur), de materiaalkeuze, de winddruk, enz.

Nu eenmaal het niveau van het louter reproduceren van de opgenomen pijpkank is gepasseerd, wordt het mogelijk om een tot dusverre ondenkbare mate van realisme vorm te geven, die ook de fijnste details van het oorspronkelijke muzickinstrument vertolkt.

Om een voorbeeld te geven: het toegepaste mathematische model maakt het mogelijk dat een register voor iedere toets een eigen klankkleur krijgt. Net als bij het originele pijporgel hoort bij iedere toets een aantal eigen pijpen, die ieder een unieke klank voortbrengen. Daarboven is de klank ook afhankelijk van verandering in de winddruk, die bepalend is voor de trillingscondities van de lucht in het pijpcorpus, net als bij het originele muzickinstrument

Bovendien is een "fysische" bewerking van de klanken mogelijk, bijna op dezelfde manier als de orgelbouwer zijn pijpen maakt, door de belangrijkste elementen die we hebben genoemd te bewerken. Maar als u dit liever niet zelf doet, kunt u desgewenst een keuze maken uit een uitgebreid assortiment voorgeprogrammeerde orgelpijpklanken die al in het interne geheugen van instrument zijn opgeslagen.

Tot slot nodigen wij uit om de websites www.viscount-organs.com en www.physisorgans.com te bezoeken waar u aanvullende informatie, updates, informatie en actueel nieuws over dit instrument en alle overige instrumenten uit onze productie kunt vinden.

3. ALGEMENE BESCHRIJVING

UNICO 500
Viscount Unico 500 - ALGEMENE BESCHRIJVING - 1

Hier zijn de registers van het pedaal en de koppelingen van de manualen met het pedaal ondergebracht.

2. Sectie MAN.II.

Hier zijn de registers, de koppelingen van de manualen (Unico 500 en 400) en het tremulant-effect van Manuaal II ondergebracht.

3. Sectie MAN.III.

Registers en tremulant-effect van Manuaal III.

4. Sectie MAN.I.

Registers, koppeling van de manualen en tremulant-effect van Manuaal I.

5. Verlichtingsknop.

Drukknop voor het inschakelen van de lichten van de lessenaar en de manualen.

6. Schakelaar [POWER].

Schakelaar voor in- en uitschakelen van het instrument.

7. Sectie AMPLIFICATION.

Regelingen van de versterkingen van het orgel.

- [CONSOLE ON] activeert de interne versterking van het instrument.

- [EXT. SPEAKER ON] activeert de externe uitgangen PROG. OUT op het achterpaneel (punt 26).

8. Sectie CANCEL.

Deze wisknoppen zorgen voor uitsluiting van de uitvoering van alle stemmen die deel uitmaken van de Tongwerken (wipregister [REEDS]) en de Mixturen (wipregister [MIXTURE]).

9. Sectie MIDI.

Deze besturingen voor elk manuaal en het pedaal zorgen voor het wel of niet activeren van de verzending naar de MIDI [OUT] poort van de MIDI nootcodes. Alle overige MIDI meldingen die door het instrument worden voorzien, worden ook bij uitgeschakelde MIDI besturing verzonden.

10. Sectie voor regeling en programmering.

Hier zijn de toetsen en het display voor de weergave en programmering van alle configuratiefuncties en de sequencer van het instrument aanwezig.

11. Sectie ORCHESTRA.

Hier zijn de Orchestra-registers van het orgel ondergebracht.

12. Aanvullende displays.

  • [CRESCENDO]: geeft de momenteel door het pedaal bereikte stap aan (punt 23)
  • [M. BANK]: geeft de geheugenbank weer van de (algemene en speciale) combinaties geselecteerd met behulp van de duimpistons [MEM. BANK +] en [MEM. BANK -] (punt 19).

13. Algemene combinaties.

Deze duim- en voetpistons zorgen voor het oproepen van de algemene combinaties van de geheugenbank geselecteerd via [MEM. BANK +] en [MEM. BANK -] (punt 19). Deze combinaties kunnen aangepast worden, de opslagprocedure is beschreven onder punt 18.

[HR] Hand registratie.

Bovendien zijn de sequencers van algemene combinaties aanwezig, [PREV.] is in aflopende volgorde, [NEXT] in oplopende volgorde.

14. Pedaalcombinaties en commando's .

Hier treft u de zes speciale pedaalcombinaties aan en de [HR] Hand registratie.

Deze combinaties kunnen aangepast worden, de opslagprocedure is beschreven onder punt 18.

15. Combinaties en commando's van Manuaal III.

Duimpistons van de speciale combinaties van Man.III, [HR] Hand registratie.

Deze combinaties kunnen aangepast worden, de opslagprocedure is beschreven onder punt 18.

Bij de modellen Unico 500 en 400 is bovendien de duimpiston [M.SOLO] (MIDI Solo) aanwezig die voor monofonische overdracht naar MIDI [OUT] van de op dit manuaal gespeelde noten zorgt, met prioriteit op de hoogste toon.

16. Combinaties en commando's van Manuaal II.

Duimpistons van de speciale combinaties van Man.II. [HR] Hand registratie. Koppelingen [II/P], [III/II] en [I/II] (alleen Unico 500 en 400). De combinaties kunnen aangepast worden, de opslagprocedure is beschreven onder punt 18.

Bij de modellen Unico 500 en 400 zijn bovendien de duimpistons [O.SOLO] (Organ Solo) aanwezig, waarmee de stemmen van Man.III monofonisch gespeeld kan worden, met prioriteit op de hoogste noot, wanneer de koppeling [III/II] geactiveerd blijkt, [M.SOLO] (MIDI Solo) die voor monofonische overdracht van de op dit manuaal gespeelde noten naar MIDI [OUT] zorgt, met prioriteit op de hoogste noot.

17. Combinatie en commando's van Manuaal I.

Duimpistons van de speciale combinaties van Man.I. [HR] Hand registratie. Koppelingen [I/P] en [III/ I] (bij de modellen Unico 500 en 400) of II/I (bij het model Unico 300).

De combinaties kunnen aangepast worden, de opslagprocedure is beschreven onder punt 18.

Bij de modellen Unico 500 en 400 is bovendien de duimpiston [M.SOLO] (MIDI Solo) aanwezig die voor monofonische overdracht naar MIDI [OUT] van de op dit manuaal gespeelde noten zorgt, met prioriteit op de hoogste toon.

18. Duimpiston [S].

Piston voor de opslag van de algemene en speciale combinaties, het Tutti en de stappen van het Crescendo. Druk, om een combinatie of het Tutti op te slaan, na de gewenste toestand van de stemmen te hebben ingesteld, op [S] en druk, terwijl [S] ingedrukt wordt gehouden, op de duimpiston of de voetpiston van de combinatie die men wil opslaan.

Selecteer, om een stap van het Crescendo op slaan, deze met het gelijknamige pedaal, druk op [S] en druk, terwijl [S] ingedrukt wordt gehouden, op [HR] van de algemene geheugens. Om de inhoud van een stap in een andere te kopieren: selecteer de stap die men wenst te kopieren, druk op de duimpiston [S] en houd deze ingedrukt, selecteer de stap waarin men de inhoud wil kopieren, en druk vervolgens op [HR] van de algemene geheugens.

N.B.

Wanneer de Led van de duimpiston [S] uit blijkt te zijn, betekent dit dat de programmering van het orgel geblokkeerd is, en derhalve zal het niet mogelijk zijn om combinaties op te slaan en/of de interne programmeerfuncties weer te geven (Lock Organ functie, hoofdstuk 10).

19. Algemene commando's van het orgel.

Het gaat om commando's die niet voor de afzonderlijke secties zijn bestemd, maar waarvan de activering het gehele instrument beïnvloedt.

- [MEM. BANK +] en [MEM BANK -]: selecteren de geheugenbank weergegeven op het aanvullende display [MEM. BANK] (punt 12).

- [ENC]: activeert de functie Enclosed waarmee het algemene volume van het orgel geregeld kan worden door bediening van het zwelpedaal [MAN.III] bij de modellen Unico 500 en 400 of [MAN.II]

bij het model Unico 300.

  • [A.P.]: activeert Automatic Pedal waarmee de stemmen van het pedaal op Man.II bij de modellen Unico 500 en 400 of Man.I bij het model Unico 300 gespeeld kunnen worden. In dit geval wordt het pedaal van het orgel uitgeschakeld en worden de stemmen monofonisch, met prioriteit op de laagste noot
  • [T]: duimpiston en voetpiston voor het oproepen van het Tutti. Het Tutti kan aangepast worden, de opslagprocedure is beschreven onder punt 18.
  • C: duimpiston voor het annuleren

N.B.

Bij inschakeling wordt altijd de geheugenbank nr. 1 geselecteerd.

20. Paneel van de voorste aansluitingen.

Op dit paneel links onder de manualen bevinden zich de connectors en de regelingen die het meest gebruikt worden en dus makkelijk toegankelijk moeten zijn.

  • [MASTER VOLUME]: regelt het algemene volume van het orgel.
  • [REVERB VOLUME]: regelt het niveau van het nagalmeffect.
  • MIDI [IN]: dit is de MIDI ingangsconnector waarover het orgel de gegevens ontvangt die door een externe MIDI-unit worden verzonden.

- MIDI [OUT]: dit is de MIDI-connector die de door het orgel gegenereerde MIDI-gegevens verzendt.

- MIDI [THRU]: herzendt de gegevens ontvangen van de poort [IN] voor de seriële verbinding van meerdere MIDI-apparaten.

- [USB]: dit zijn twee USB-connectors. De linkse wordt gebruikt voor de verbinding met de computer om het configuratieprogramma van het instrument te kunnen gebruiken. De rechtse is bestemd voor toepassing van een usb-stick (niet bij het instrument geleverd) die als massageheugen van het orgel ter vervanging van het interne geheugen gebruikt kan worden. Zie voor meer informatie hoofdstuk 11.

- [PHONES]: dit is de aansluiting voor een koptelefoon.

21. Dekselslot.

22. Voetpistons van de koppelingen.

Deze pistons repliceren de functie van de koppelingen met duimpiston, trek- of wipregister.

23. Pedaal [CRESCENDO].

Met dit pedaal kunt u de stappen van het Crescendo selecteren waarmee een vooraf vastgestelde serie registers geactiveerd wordt. De momenteel geselecteerde stap wordt op het aanvullende display getoond [CRESCENDO] (zie punt 12).

Elke stap van het Crescendo is programmeerbaar. De opslagprocedure is beschreven onder punt 18.

24. Zwelpedalen.

De modellen Unico 500 en 400 zijn voorzien van twee zwelpedalen voor de continuregeling van het volume van Manuaal I en Manuaal III.

Het model Unico 300 is daarentegen uitsluitend met de continuregeling van het volume van Manuaal II uitgerust.

In het rechter pedaal is bovendien een speciaal hendelsysteem ingebouwd waarmee het Sustain-effect voor de Orchestra-stemmen gecontroleerd kan worden.

25. Reversible pistons.

Deze pistons zorgen ervoor dat wanneer ze geactiveerd zijn, de hiermee gekoppelde besturingen uitgeschakeld kunnen worden. Door ze te deactiveren, worden de besturingen weer ingeschakeld.

  • [MIDI REVERS.]: schakelt de MIDI-besturingen uit. Met MIDI Reversibile geactiveerd, is het in elk geval mogelijk om de gewenste configuratie van MIDI-besturingen in te stellen.
  • [32' FLUTE REVERS.]: schakelt de Fluiten van 32' uit
  • [32' REED REVERS.]: schakelt de Tongwerken van 32' uit

26. Achterste aansluitingen

Binnen het orgel zijn diverse aansluitingen voor de audioverbinding met externe weergavesystemen, de lijn- en microfooningangen voor het gebruik van de interne versterker van het orgel.

  • Aansluitingen [EXT. +12V DC]: vanaf deze connectors kan de +12 Volt spanning worden opgenomen voor de voeding van de VISCOUNT luidsprekers die eventueel zijn aangesloten op de PROG. OUT uitgangen.
  • OUT [GEN. SUB] (General Sub-Woofer): uitgang bestemd voor aansluiting van luidsprekers voor lage frequenties (sub-woofer).
  • PROG. OUT (Programmable Outputs): algemene lijnuitgangen van het instrument waarmee de windladen van pijporgels gesimuleerd kunnen worden. De signalen zijn namelijk over de uitgangen verdeeld op basis van de instellingen van de displayfuncties die voor elk register de instelling van het type windlade, zijn grootte en positie in de ruimte van de gebruikte luidsprekers toestaan. Elke uitgang beschikt bovendien over speciale niveau- en equalizerregelingen.
  • INPUT [L(+R)] / [R]: lijningangen waarmee andere instrumenten bespeeld kunnen worden met de interne versterking van het orgel. Gebruik in geval van een monofonische bron uitsluitend de aansluiting [L(+R)].
  • INPUT [MIC]: ingang voor microfoon waarmee het signaal afkomstig van een microfoon versterkt wordt.
  • [GAIN]: potentiometer voor de versterkingsregeling van het ingangssignaal op de aansluiting [MIC].

ATTENTIE!

Deze groep achterste aansluitingen is niet van buitenaf zichtbaar en voor de toegang tot deze groep moet het houten achterschot van het orgel verwijderd worden. Wendt u zich tot vakkundig personeel om deze handeling te verrichten.

4. INSCHAKELING en HOOFDPAGINA

Na het instrument te hebben ingeschakeld met de schakelaar [POWER], doet het systeem er enkele seconden over om werkzaam te worden. In deze fase gaan de leds op de afzonderlijke panelen van de manualen achter elkaar branden en geeft het display de presentatiepagina weer. Bij de weergave van de hoofdpagina, is het instrument klaar om gebruikt te worden:

TUNINGSET-UP
VOICESUTIL. & MIDI
STYLESFILE MANAG.
EQUALUSER 2
ENSEMBLE 2P.COMB NO
AIRPRESS --K.INV NO
A: 440.00 HZTRANSP --

Deze pagina bevat in het bovenste gedeelte de selectievelden van de verschillende configuratiemenu's van het orgel:

oTUNING: parameters voor de intonatie van het instrument.

o VOICES: functies met betrekking tot alle stemmen van het orgel.

oSTYLE: selectie van de stijl.

oSET-UP: algemene configuratiefuncties van het orgel.

o UTIL. & MIDI (Utility & MIDI): utiliteits- en MIDI-functies.

- FILE MANAG. (File Manager): beheer van de bestanden opgeslagen in het interne geheugen of in een USB-apparaat.

Plaats, om de inhoud van een menu weer te geven, de cursor (aangegeven door het veld in negatief) op het gewenste veld m.b.v. de knoppen [FIELD ▲] en[FIELD ▼] en druk op [ENTER].

[EXIT] sluit het menu af en keert terug naar de hoofdpagina.

In het onderste gedeelte van deze pagina worden de parameters van het instrument weergegeven waarvan het nuttig is om altijd de betreffende toestand te kennen:

o [eerste hokje linksboven]: (Equal op de afgebeelde pagina) informeert welk temperament momenteel gebruikt en geselecteerd is in het menu TUNING.
o ENSEMBLE: de waarde van ENSEMBLE (zweving) ingesteld in het menu TUNING.
o AIR PRESS: de waarde van de parameter AIR PRESSURE in het menu TUNING.
o A: de fijnregelaar (toonhoogte), ingesteld in het menu TUNING.
o [eerste hokje rechtsboven]: (User2 op de afgebeelde pagina) geeft de stijl aan die geselecteerd is in het menu STYLE.
o P. COMB: de status van de functie PISTON COMBINE zoals ingesteld in het menu UTILITY & MIDI.
o K. INV: de status van de functie KEYBOARD INVERSION zoals ingesteld in het menu UTILITY & MIDI.
oTRANSP: de transpositie ingesteld in TUNING.

Deze velden zijn uitsluitend voor informatie bestemd en zijn niet selecteerbaar. Om de geassocieerde functie te regelen, moeten de hierboven beschreven menu's geopend worden.

Rondom het display zijn toetsen aanwezig voor de weergave van en de navigatie door alle displaypagina's:

- [SEQUENC]: schermpagina's voor het gebruik van de interne sequencer van het instrument.

- [VOLUMES]: schermpagina waarop alle volumes van het instrument zijn vermeld.

  • [FIELD ▲] en [FIELD ▼]: met deze drukknoppen is het mogelijk de cursor te bewegen die door het veld met negatieve weergave is aangegeven. [FIELD ▲] plaats de cursor in het hogere of vorige veld, [FIELD ▼] in het lagere of volgende veld.
  • [VALUE +] en [VALUE -]: deze toetsen regelen de waarden van de parameters, of het nu om numerieke of alfanumerieke waarden gaat. [VALUE +] verhoogt, [VALUE -] verlaagt.
  • [EXIT] en [ENTER]: zijn toetsen voor het openen of afsluiten van de menu's en de displaypagina's of om de door het systeem verrichte verzoeken te bevestigen of te annuleren. [ENTER] opent de menu's / schermpagina's en bevestigt, [EXIT] sluit de menu's / schermpagina's af en annuleert.

5. REGELING VAN DE VOLUMES (menu VOLUMES)

Bij bediening van de toets [VOLUMES] wordt de schermpagina met alle volumeregelingen van het orgel weergegeven:

Unico 500 en 400
Viscount Unico 500 - REGELING VAN DE VOLUMES (menu VOLUMES) - 1

o MST (Master): algemeen volume van het orgel, ook regelbaar met de potentiometer [MASTER VOLUME] onder de manualen.
- REV (Reverb): nagalmeffect, ook regelbaar met de potentiometer [REVERB VOLUME] onder de manualen.
o PHO (Phones): niveau van het signaal dat uit de aansluiting van de koptelefoon [PHONES] onder de manualen komt.
o EXT (External outputs): algemeen volume van de PROG. OUT aansluitingen op het achterpaneel.
o PED (Pedal): divisioneel pedaalvolume.
o II (Manual II): divisioneel volume van het tweede manuaal.
o III (Manual III): divisioneel volume van het derde manueel.
o I (Manual I): divisioneel volume van het eerste manueel.
o ORC (Orchestra): volume van de Orchestra-sectie.

Om de schermpagina af te sluiten en terug te keren naar de vorige pagina, drukt u op [EXIT] of wacht u circa 4 seconden. (gaat dan vanzelf uit)

6. INTONATIE VAN HET INSTRUMENT (menu TUNING)

Selecteer het veld TUNING op de hoofdpagina voor toegang tot alle intonatieparameters van het instrument.

TUNING TRANSPOSER: -- EQUAL BASE KEY: C ENSEMBLE: 2 AIR PRESSURE: --

TUNING PITCH (A): 440.00 Hz

o TRANSPOSER: De transposer met een bereik van -6a +5 halve tonen.
Bij inschakeling heeft het orgel geen transpositie.
o [tweede veld op display]: (Equal op de afgebeelde pagina) Kiezer van historische stemmingen of "temperaturen" uit verschillende landen en cultuurperioden.
o BASE KEY: de noot waarmee de keten van de 12 kwinten waaruit de temperatuur bestaat begint.
○ ENSEMBLE: niveau van natuurlijke micro-ontstemming tussen de verschillende pijpen, zodat de onnauwkeurigheden van de stemming die met de tijd en de temperatuursveranderingen optreden worden gesimuleerd.

De waarden kunnen variëren van – (pijpen perfect gestemd) tot 8 (maximale stemmingsinstabiliteit).

○ AIR PRESSURE: simuleert de drukval van de lucht wanneer er herhaaldelijk een grote hoeveelheid lucht is vereist (bijvoorbeeld in het geval van uitvoering van krachtige akkoorden met het Tutti). Dit laat zich vertalen in een tijdelijke en progressieve verlaging van de intonatie, die duidelijker is voor pijpen met grotere voetmaat en breedte (Fluiten, Bourdons, Principalen).
o PITCH (A): fijnregelaar van de aangegeven intonatie als frequentie van LA4 (van een 8' pijp).

Druk op [EXIT] om de schermpagina af te sluiten.

N.B.:

De transpositie heeft geen effect voor de weergave (in tegenstelling tot de registratie waar de noten wél getransponeerd worden ontvangen) van de nummers met de interne sequencer. Met het oog hierop is een speciale transposer aanwezig (zie par. 12.3).

7. DE ORGELSTIJLEN (menu STYLES)

De Style identificeert de configuratie van de orgelregisters in de zin van de stem en de betreffende parameters van elk afzonderlijk register, zodat op deze manier de geschikte foniek voor de literatuur die men wenst uit te voeren gebruikt kan worden.

Het orgel beschikt over acht Styles, en dit betekent dat men op dezelfde console over acht geluidsconfiguraties beschikt. De eerste vier Styles, die we in het vervolg Preset Styles zullen noemen, zijn door onze laboratoria geprogrammeerd door de opportune orgelscholen te volgen en kunnen niet door de gebruiker gewijzigd worden. De resterende vier Styles, die we User Styles noemen, kunnen gewijzigd en naar believen aangepast worden, en op die manier blijkt het orgel een uitzonderlijke flexibiliteit te bezitten.

Kies voor de keuze van de stijl het veld STYLE op de hoofdpagina:

USER 2 USER 1 USER 2 USER 3 USER 4 CURRENT STYLE

Zoals al eerder verklaard, kunnen de eerste 4 "stijlen" niet gewijzigd worden, dus wanneer men toegang tot de stemmen-funktie zoekt, laat de display de volgende waarschuwing zien:

TUNING SET-UP ! ACCESS DENIED ! AVAILABLE IN THE USER STYLES ONLY R: 440.00 HZ TRANSP --

Het is echter mogelijk om de "settings" van deze stijlen te laten zien en kontroleren; Om door te gaan: druk op een willekeurige knop of wacht ongeveer 3 seconden.

8. SELECTIE EN REGELING VAN DE STEMMEN (menu VOICES)

Een van de belangrijkste kenmerken van de nieuwe synthesetechnologie Physis die de Unico orgels voor de geluidsopwekking gebruiken is, dat aan de gebruiker talrijke aanpassingsmogelijkheden worden geboden doordat een zeer groot aantal orgelklankkleuren beschikbaar is en diverse parameters ter beschikking staan waarmee de configuratiemogelijkheden extra worden uitgebreid. Het menu VOICES verzamelt al deze functies voor selectie en afstelling van de geluidsparameters van de stemmen.

N.B.

  • De hierna beschreven functies niet worden gewijzigd wanneer een Preset Style is gekozen. Selecteer een User Style om deze parameters af te stellen.
  • De geselecteerde stemmen voor elk wip- of trekregister worden, evenals het volume en de parameters voor geluidsopwekking, automatisch in de huidige Style opgeslagen. Dit betekent dat als een andere stijl wordt opgeroepen, de stemmen opnieuw worden ingesteld met nieuwe parameters die door de laatst opgeroepen stijl worden beschreven. De eerder aangebrachte wijzigingen gaan echter niet verloren en worden weer beschikbaar gesteld wanneer de stijl waarin ze werden uitgevoerd opnieuw wordt geselecteerd.

De eerste weergegeven schermpagina staat selectie van de gewenste functie toe:

VOICES VOLUME LEVEL EDIT PARAMETERS ALTERNATIVE VOICES

o VOLUME LEVEL: regeling van het volume van elke afzonderlijke stem.
o EDIT PARAMETERS: bewerking van de parameters voor geluidsopwecking van elke afzonderlijke stem.
o ALTERNATIVE VOICES: selectie van de alternatieve stemmen.

8.1 REGELING VAN HET VOLUME (functie VOLUME LEVEL)

Na selectie van het veld VOLUME LEVEL in het menu VOICES, geeft het display de secties van het orgel weer; selecteer de sectie waarin zich de stem bevindt waarvan men het volume wil regelen:

Viscount Unico 500 - REGELING VAN HET VOLUME (functie VOLUME LEVEL) - 1

Gebruik zoals gewoonlijk de toetsen [FIELD ▲] en[FIELD ▼] en [ENTER] om het veld op het display te kiezen. Een alternatieve methode, om onmiddellijk het volume weer te geven en te regelen, is om het trekregister even uitgetrokken of het wipregister even ingedrukt in de positie van ingeschakelde stem te houden wanneer de cursor geplaatst is op het veld VOLUME LEVEL in het menu VOICES of binnen de functie zelf.

PEDAL VOICES VOL. ↓
Subbas 3/20 dB
Bourdon 16 A0 dB
Prestant 16A0 dB
Gedekt 80 dB
Octaaf 80 dB

De led van het register waarvan men het volume regelt, knippert om verkeerde wijzigingen te voorkomen; het register zal ingeschakeld en bespeelbaar zijn om een betere en snellere regeling toe te staan. Het is ook mogelijk andere registers in te schakelen om de wijzigingen in hun totaal te beoordelen.

Druk op [EXIT] om de functie af te sluiten en de waarden op te slaan.

8.2 EDITEN VAN DE GELUIDSPARAMETERS (functie EDIT PARAMETERS)

Selecteer, om de schermpagina's met de parameters voor geluidsopwekking van de afzonderlijke stemmen weer te geven, het veld EDIT PARAMETERS in het menu VOICES:

Viscount Unico 500 - EDITEN VAN DE GELUIDSPARAMETERS (functie EDIT PARAMETERS) - 1

Ook voor deze functie zal het display aanvankelijk de secties van het orgel weergeven, zodat de sectie gekozen kan worden waarin de stem aanwezig is die men wenst te editen:

PEDAL EDIT PAR. ↓ Subbas 32 Bourdon 16 A Prestant 16A Gedekt 8 Octaaf 8

selecteer vervolgens de stem waarvan men de parameters wil weergeven.

Het is ook mogelijk om rechtstreeks de edit-pagina weer te geven door het trekregister even uitgetrokken of het wipregister even ingedrukt in de positie van ingeschakelde stem te houden wanneer de cursor geplaatst is op het veld EDIT PARAMETERS in het menu VOICES of binnen de functie zelf.

Subbas 32 CHARACTER 0 AIR NOISE 0 ATTACK 0 RELEASE DET. 0 KEYB. LO LEV. 0 dB

De led van het register dat men edit, knippert om verkeerde wijzigingen te voorkomen; het register zal ingeschakeld en bespeelbaar zijn om een betere en snellere afstelling toe te staan. Het is ook mogelijk andere registers in te schakelen om de wijzigingen in hun totaal te beoordelen.

De weergegeven parameters zijn niet gelijk voor alle stemmen, omdat voor sommige families speciale wijzigingsparameters beschikbaar worden gesteld die voor andere soorten stemmen niet noodzakelijk zijn.

De bewerkingen die men kan maken zijn:

oCHARACTER: harmonische rijkdom.

o AIR NOISE: geluid van de lucht die door de pijp wordt geblazen.
o REED NOISE: imperfectie van de periode van de trilling van het tongwerk.
o ATTACK: aanspraaktijd waarbinnen het geluid het maximum volume bereikt.
o REL. DETUNE: (Release Detune) mate van ontstemming in de loslaatfase.

o FREQ. SKEW: progressieve toonhoogteverandering van de lucht tijdens de aanspraak- en de loslaatfase.

o DETUNE: ontstemming om het zwevingseffect van ontstemde stemmen te produceren.

o KEYB. LO LEV.: (Keyboard Low Level) versterking (positieve waarden) of verzwakking (negatieve waarden) van het volume van de stem in het onderste gedeelte van het manuaal.

o KEYB. HI LEV.: (Keyboard High Level) versterking (positieve waarden) of verzwakking (negatieve waarden) van het volume van de stem in het bovenste gedeelte van het manuaal.

Druk op [EXIT] om de functie af te sluiten en de waarden op te slaan.

8.3 SELECTIE VAN DE ALTERNATIEVE STEMMEN (functie ALTERNATIVE VOICE)

Elk register op het paneel beschikt over een serie stemmen: de standaardstem ingesteld door de huidige stijl en de alternatieve stemmen, ofwel de varianten van het origineel. Om een alternatieve stem te selecteren, moet de functie ALTERNATIVE VOICES opgeroepen worden:

Unico 500 en 400 ALTERNATIVE VOICES PEDAL MANUAL II MANUAL III MANUAL I

Unico 300 ALTERNATIVE VOICES PEDAL MANUAL I MANUAL II

Zoals bij de andere functies van het menu VOICES, moet nu de sectie van het orgel geselecteerd worden waarin de te vervangen stem aanwezig is; vervolgens wordt de lijst van de in de geselecteerde sectie aanwezige stemmen weergegeven.

PEDAL ALT.VOICES ↓ Ct.Bourdon 32 Bordone 16 DbDiaPasn16A Flûte 16 Bordone 8

Ook voor deze functie kunt u rechtstreecks de pagina van de alternatieve stemmen weergeven door het trekregister even uitgetrokken of het wipregister even ingedrukt in de positie van ingeschakelde stem te houden wanneer de cursor geplaatst is op het veld ALTERNATIVE VOICES in het menu VOICES of binnen de functie zelf.

De led van het register dat men vervangt, knippert om verkeerde wijzigingen te voorkomen; het register zal ingeschakeld en bespeelbaar zijn om een betere en snellere afstelling toe te staan.

Nu geeft het display de lijst van alternatieve stemmen weer:

Woudfluit 2 Woudfluit 2 BlockFlute 2 Fifteenth 2C Octaaf 2 CURRENT VOICE

de momenteel gebruikte stem wordt aangegeven als "CURRENT VOICE" in het onderste gedeelte van de schermpagina. Het is verder nuttig om erop te wijzen dat de bovenste sectie van de schermpagina altijd de naam die gezeefdrukt is op het trek- of het wipregister vermeldt, zodat op elk moment duidelijk is van welk register men de stem verandert.

Als andere stemmen met de toetsen [FIELD ▲] en[FIELD ▼] worden gekozen, verandert het opschrift in "ENTER TO REPLACE":

Woudfluit 2 Woudfluit 2 BlockFlute 2 Fifteenth 20 Octaaf 2 ENTER TO REPLACE

wat aangeeft dat om de nieuwe stem te bevestigen en bruikbaar te maken, op de toets [ENTER] moet worden gedrukt. De door de cursor aangewezen stem wordt ook voordat op [ENTER] wordt gedrukt, beschikbaar en bespeelbaar gemaakt, om zo onmiddellijk de benodigde wijziging te kunnen beoordelen. Het is ook mogelijk andere registers in te schakelen om de wijzigingen in hun totaal te beoordelen.

Druk op [EXIT] om andere stemmen te vervangen of de functie af te sluiten.

N.B.

Wanneer een alternatieve stem wordt geselecteerd, worden de parameters voor geluidsopwekking in de functie EDIT PARAMETERS automatisch opnieuw ingesteld met de standaardwaarden van de nieuwe stem. De waarde van het volume (in de functie VOLUME LEVEL) blijft echter ongewijzigd.

9. ALGEMENE INSTELLINGEN VAN HET INSTRUMENT (menu SET-UP)

Het menu SET-UP bevat alle algemene instellingen van het instrument, met uitzondering van de configuratie van de MIDI-interface en de bijkomende en utiliteitsfuncties. Selecteer, om het menu in kwestie op te roepen, het veld SET-UP op de hoofdpagina:

SET-UP TREMULANT REVERBERATION INT.AMPL. EQUALIZER INT.AMPL. PANNING PROG. FUNCTIONS

SET-UP EXT.OUT EQUALIZER EXT.OUT ROUTER EXT.OUT VOLUME ANTIPHONAL OUTS

De oproepbare functies zijn:

o TREMULANT: regeling per afzonderlijk manuaal van de snelheid en diepte van het tremulant-effect.
o REVERBERATION: selectie van het type omgeving voor het nagalmeffect.
- INT. AMPL. EQUALIZER (Internal amplification equalizer): regeling van de 5-bands equalizer van de interne versterker.
- INT. AMPL. PANNING (Internal amplification panning): regeling van de stereofonische verdeling van de registers over de interne geluidsweergavesystemen om verschillende soorten windladen voor de diverse registers te simuleren.
o PROG. FUNCTION (Programmable functions): instellingen met betrekking tot de werking van de combinaties, de duimpistons, het Crescendo en de potentiometers onder de manualen.
o EXT. OUT EQUALIZER (External outputs equalizer): regeling van de equalizers van de achterste PROG. OUT uitgangen.
o EXT. OUT ROUTER (External outputs router): configuratie van de kanalisatie van de registers over de achterste PROG. OUT uitgangen om de positie van de windladen en de plaatsing van de pijpen hierin te simuleren.
o EXT. OUT VOLUME: regeling van de volumes van de achterste PROG. OUT uitgangen.
o ANTIPHONAL OUTS (functie niet aanwezig bij Unico 300): configuratie van de achterste PROG. OUT uitgangen [9] – [12]
(of [17] - [20] als de optionele uitbreiding van 20 uitgangen is geïnstalleerd) als Antiphonal Outputs.

9.1 KANALISATIE VAN DE STEMMEN OVER DE ACHTERSTE GELUIDSUITGANGEN (functie EXT. OUT ROUTER)

Een belangrijk kenmerk van de orgels van de serie Unico is de mogelijkheid om voor elk register de windladen en de plaatsing van de pijpen hierin te simuleren. Dit is mogelijk dankzij de kanalisatie van de geluidssignalen, ofwel hoe deze over de achterste uitgangen verdeeld worden. Het systeem is in staat om voor elk register een uitgangsconfiguratie te gebruiken die de plaatsing van de pijpen in de echte windladen weerspiegelt, oftewel:

  • met enkele of dubbele wig
  • met dubbele vleugel
  • met enkele vleugel links of rechts
  • mono
  • alternerend

Bovendien kan elk van deze indelingen verder worden gespecificeerd voor wat betreft de breedte van de windlade en zijn plaats in de ruimte in relatie tot het aantal gebruikte uitgangen.

Selecteer, voor toegang tot de configuratiepagina's van de achterste geluidsuitgangen, het veld EXT. OUT ROUTER in het SET-UP menu:

Unico 500 en 400

Viscount Unico 500 - KANALISATIE VAN DE STEMMEN OVER DE ACHTERSTE GELUIDSUITGANGEN (functie EXT. OUT ROUTER) - 1

de selectiepagina wordt weergegeven van de sectie waarin het te configureren register aanwezig is, dat gekozen is uit de lijst van de registers in die sectie:

PEDAL EXT.ROUT ↓ Subbas 32 Bourdon 16 Prestant 16 Gedekt 8 Octaaf 8

Ook voor deze functie kunt u rechtstreeks de configuratiepagina weergeven door het trekregister even uitgetrokken of het wipregister even ingedrukt in de positie van ingeschakelde stem te houden wanneer de cursor geplaatst is op het veld EXT. OUT ROUTER in het SET-UP menu of binnen de functie zelf. De led van het register dat men configureert, knippert om verkeerde wijzigingen te voorkomen; het register zal ingeschakeld en bespeelbaar zijn om een betere en snellere afstelling toe te staan. Het is ook mogelijk andere registers in te schakelen om de wijzigingen in hun totaal te beoordelen.

Subbas 32 MODE: CUSP FROM: 10 TO: 44 1 2 3 4 5

De pagina bestaat uit vier delen:

oMODE: selecteert het type windlade uit:

  • C - C# : alternerend
  • MONO: mono
  • DOUBLE CUSP: dubbele wig
  • CUSP: wig
  • DOUBLE WING: dubbele vleugel
  • WING: enkele vleugel

  • FROM en TO: selecteren de uiterste posities van de uitgangen waarbinnen de winladen gepositionceerd moeten worden. De waarde wordt aangegeven als [uitgangsnummer–tussenpositie tussen twee uitgangen], rekening houdend met het feit dat er vier (2-4-6-8 op display) tussenposities tussen de ene en de andere uitgang zijn. Een waarde van 40 betekent dat het uiteinde (FROM of TO) geplaatst is op de uitgang [4]; een waarde van 82 geeft aan dat het punt FROM of TO zich tussen de uitgang [8] en [9] bevindt, in de buurt van [8] aangezien het zich op de eerste vijfde ruimte tussen [8] en [9] bevindt. De configuratie van de hierboven afgebeelde pagina geeft een windlade met wig aan die geplaatst is tussen de uitgang [1] en een tussenpositie tussen [4] en [5].
    o [positie-indicator]: wordt voorgesteld door kleine rechthoekjes boven de tekening van de windlade en geeft aan welke zone het onderliggende gedeelte t.o.v. het totale aantal uitgangen weergeeft.
    o [windlade op de uitgangen]: in het onderste gedeelte van de pagina, toont op grafische wijze de windlade met de referenties van de uitgangen die gebruikt worden, zodat een momentopname wordt geboden van zijn positie en de uitgangen waarop de noten aanwezig zullen zijn op basis van de configuratie van de windlade.

Om de configuratie van een ander register weer te geven, volstaat het om het trek- of wipregister te bedienen of op [EXIT] te drukken om de functie af te sluiten. In beide gevallen wordt de zojuist ingestelde configuratie automatisch opgeslagen.

9.2 INSTELLING VAN DE PROG. OUT UITGANGEN ALS ANTIPHONAL OUT (functie ANTIPHONAL OUTS)

Bij de modellen Unico 500 en 400 is het mogelijk om de laatste vier geluidsuitgangen PROGRAMMABLE OUTPUTS als Antiphonal in te stellen, met het kenmerk dat de activering ervan afzonderlijk van de eerste acht (zestien als de optionele uitbreiding van 20 uitgangen is geïnstalleerd) uitgangen geregeld kan worden d.m.v. de AMPLIFICATION regelingen, indien men speciale geluidsbewegingen tijdens de uitvoering van de nummers wenst te gebruiken.

Bij selectie van het veld ANTIPHONAL OUTS in het menu SET-UP, geeft het display de configuratiepagina weer:

Viscount Unico 500 - INSTELLING VAN DE PROG. OUT UITGANGEN ALS ANTIPHONAL OUT (functie ANTIPHONAL OUTS) - 1

Door de cursor op “OUTS 1-12=MAIN” (“OUTS 1-20=MAIN” als de optionele uitbreiding van 20 uitgangen is geïnstalleerd) te plaatsen, kunnen alle PROGRAMMABLE OUTPUTS geregeld worden met het wipregister AMPLICATION [EXT. SPEAKER ON.].

Door hem met de toets [FIELD ▼] in het veld “OUTS 1-8=MAIN / OUTS 9-12=ANTIPH (“OUTS 1-16=MAIN / OUTS 17-20=ANTIPH” als de optionele uitbreiding van 20 uitgangen is geïnstalleerd) te plaatsen, worden de laatste vier PROGRAMMABLE OUTPUTS Antiphonal.

De regeling [CONSOLE ON] nu als schakelaar voor de uitgangen MAIN [1]-[8] ([1]-[16] als de optionele uitbreiding van 20 uitgangen is geïnstalleerd), terwijl [EXT. SPEAKER ON] de activering van de uitgangen [9]-[12] ([17]-[20] als de optionele uitbreiding van 20 uitgangen is geïnstalleerd) regelt.

Druk vervolgens op [EXIT] om terug te keren naar het SET-UP menu en de huidige instelling op te slaan.

10. UTILITEITS- EN MIDI-FUNCTIES (menu UTIL. & MIDI)

Het menu UTILITY & MIDI, oproepbaar door het gelijknamige veld op het display van de hoofdpagina te selecteren, verzamelt alle bijkomende functies en de instellingen met betrekking tot de MIDI-interface van het orgel.

Het menu wordt op drie pagina's weergegeven:

UTILITY AND MIDI ↓ PIST. COMBINE: NO I/II KEYB. INV.: NO TRACKER TOUCH: NO 1st SHORT OCT.: NO AUTO MAINPAGE: NO

UTILITY AND MIDI * LCD CONTRAST: 6 SET DATE & TIME LOCK ORGAN RESTORE FACT. SET

UTILITY AND MIDI ↑ Tx AND Rx CHANNEL Tx AND Rx FILTER PROG. CHANGE SEND PEDAL/KEYB TOUCH COUPLED NOTES: YES

Het eerste gedeelte bevat de bijkomende en utiliteitsfuncties:

o PIST. COMBINE (Piston Combine): synchronisatie van de speciale combinatie van manuaal II (Unico 500 en 400) of I (Unico 300) met die van het pedalenbord.

o I/II KEYB. INV (I/II Keyboard Inversion): omkering van de manualen zodat de registers van Man.I met het tweede manuaal en omgekeerd spelen.

oTRACKER TOUCH: momenteel niet beschikbaar.

- 1st SHORT OCT. (First short octave): activating van het korte octaaf op het eerste octaaf van de manualen en het pedalenbord.

○ AUTO MAINPAGE: automatisch terugkeren naar de hoofdpagina na 10 seconden inactiviteit op het display.

o LCD CONTRAST: regeling van het contrast van het display.

o SET DATE & TIME: de datum en tijd instellen.

- LOCK ORGAN: instelling van de blokkeringscode van het orgel om toegang tot de configuratiepagina's van het instrument en de opslag van de combinaties, het Tutti en het Crescendo te ontzeggen.

o RESTORE FACT. SET (Restore factory settings): herstelt de fabrieksinstellingen.

Het tweede gedeelte van het menu betreft de configuraties van de MIDI-interface:

o Tx AND Rx CHANNEL: configuratie van de MIDI zend- en ontvangstkanalen.

o Tx AND Rx FILTER: configuratie van de MIDI zend- en ontvangstfilters.

o PROG. CHANGE SEND (Program Change send): opslag van de combinaties en verzending van de MIDI-meldingen Program Change en Bank Select.

o PEDAL/KEYB TOUCH (Pedal / Keyboard touch): selectie van de dynamiekcurven van de manualen voor het gebruik van de Orchestra-stemmen en de verzending van de MIDI-noten.

o COUPLED NOTES: activeert wel (YES) of niet (NO) de verzending naar de MIDI-poort [OUT] van de door de koppelingen gegenereerde noten. Als NEE wordt geselecteerd en bijvoorbeeld op pedalenbord met l actieve koppeling II/P wordt gespeeld, worden naar de MIDI-poort [OUT] de noten op het met pedalenbord geassocieerde kanaal verzonden, maar niet die op het kanaal van het Man.II.

11. FUNCTIES VOOR HET BEHEER VAN DE BESTANDEN (menu FILE MANAG.)

De orgelserie Unico kan gebruik maken van twee verschillende soorten massageheugen: het interne geheugen en een opslagapparaat dat in de [USB} connector onder de manualen gestoken kan worden (USB-stick).

Deze geheugencenheden worden gebruikt voor de opslag van de configuratie van het orgel, delen ervan, muzieknummers en lijsten van nummers.

Als de USB-stick is ingebracht, gebruikt het systeem deze als massageheugen. Het blijft mogelijk om het interne geheugen voor het kopiëren van de bestanden (vanaf en naar de USB-stick) te gebruiken, maar het is niet mogelijk om de intern opgeslagen bestanden te laden, te wissen of te hernoemen: daarvoor moet eerst de USB-stick verwijderd worden.

Bij selectie van het veld FILE MANAGEMENT op de hoofdpagina, wordt het betreffende menu met alle becheersfuncties van de bestanden getoond. Er is tevens een informatiepagina aanwezig over de in het orgel geïnstalleerde firmwareversies.

FILE MANAGER
DIRRENAME
LOADDELETE
SAVESONGLIST
COPYO.S. INFO
INTERNAL MEMORY

Zoals opgemerkt kan worden, geeft het onderste gedeelte van de pagina de momenteel gebruikte geheugeneenheid aan:

  • INTERAL MEMORY: intern geheugen
  • USB PEN DRIVE: USB-stick

De oproepbare functies zijn:

oDIR: weergave van de inhoud van het massageheugen
oLOAD: laden van de bestanden.
o SAVE: opslag in het massageheugen van de configuratie van het orgel of delen ervan.
o COPY: kopieren van de bestanden van de ene (bijv. interne) naar de andere geheugeneenheid.
oRENAME: herbenoemen van de bestanden.
oDELETE: wissen van de bestanden.
oSONGLIST: programmering van lijsten van nummers.
o O.S. INFO: weergave van de in het systeem geïnstalleerde firmwareversies.

N.B.:

  • Wanner u de USB stick hebt ingestoken, moet u een paar seconden wachten voordat u de FILE MANAGEMENT selecteert.
  • Als men de op de USB-stick opgeslagen bestanden via een computer wil hernoemen, houd er dan rekening mee dat de namen alleen nummers en kleine letters mogen bevatten.
  • Gebruik altijd USB-sticks geformatteerd met FAT of FAT32 file system (geen NTFS).

12. REGISTRATIE EN WEERGAVE VAN MUZIEKNUMMERS (SEQUENCER)

Het orgel Unico is uitgerust met een interne sequencer (digitaal registratieapparaat) dat in staat is om de uitvoeringen, de commando's en de regelingen die op het instrument zijn uitgevoerd te registreren. De registraties kunnen vervolgens als MIDI-bestand op de USB-stick of in het interne geheugen opgeslagen worden en op elk moment beluisterd worden.

Druk, om de sequencer op te roepen, op de drukknop [SEQUENC.] naast het display; de selectiepagina van de drie werkwijzen van het systeem wordt weergegeven:

SEQUENCER PLAY PLAY OPTIONS RECORD INTERNAL MEMORY

o PLAY: weergave van de muzieknummers opgeslagen in het interne geheugen of op de USB-stick.

oPLAY OPTIONS: weergaveopties

oRECORD: registratie van muzieknummers

In de onderste zone van de pagina wordt de momenteel gebruikte geheugeneenheid vermeldt. Denk eraan dat de USB-stick voorrang heeft t.o.v. het interne geheugen. Als men dus het interne geheugen wil gebruiken, moet de USB-stick verwijderd worden.

N.B.:

  • Wanner u de USB stick hebt ingestoken, moet u een paar seconden wachten voordat u om de sequencer op te roepen
  • De transpositie die regelbaar is in het menu TUNING, heeft geen effect voor de weergave (in tegenstelling tot de registratie waar de noten wél getransponeerd worden ontvangen) van de nummers. Gebruik hiervoor de transpositiefunctie beschreven in par. 12.3.

12.1 WEERGAVE VAN EEN NUMMER (werkwijze PLAY)

Selecteer op de eerder beschreven pagina voor selectie van de werkwijze van de sequencer, het veld PLAY; het display geeft de MID-bestanden weer die opgeslagen zijn in de momenteel gebruikte geheugencenheid:

1 [15] PLAY ↓ 001_BACH.MID 002_INDUL.MID 003_NUNLOB.MID 004_NUNFREUT.MID USB PEN DRIVE

Selecteer nu het MIDI-bestand dat weergegeven moet worden:

Viscount Unico 500 - WEERGAVE VAN EEN NUMMER (werkwijze PLAY) - 2

De nieuwe pagina geeft informatie over alle commando's die noodzakelijk zijn voor het gebruik van de sequencer:

  • [ENTER]: start de weergave van het nummer.
  • [EXIT]: sluit de sequencer af.
  • [FIELD ▲]: selectie van het vorige nummer opgeslagen in het geheugen of ingesteld in een Songlist (zie par. 12.4).
  • [FIELD ▼]: selectie van het volgende nummer opgeslagen in het geheugen of ingesteld in een Songlist (zie par. 12.4).
  • [VALUE -]: snel opspoelen, of achteruit (Rewind).
  • [VALUE +]: snel vooruit (Fast Forward).

Zodra de weergave van een nummer start, verandert het display in:

Viscount Unico 500 - WEERGAVE VAN EEN NUMMER (werkwijze PLAY) - 3

en zoals men kan zien, zijn ook de functies van de toetsen [ENTER] en [EXIT] veranderd in:

- [ENTER]: pauze / opnicuw starten van de weergave van het nummer.

- [EXIT]: stoppen van de weergave van het nummer.

[FIELD ▲], [FIELD ▼], [VALUE -], [VALUE +] behouden de eerder beschreven functies.

12.2 REGISTRATIE VAN EEN NUMMER (werkwijze RECORD)

Selecteer het veld RECORD op de pagina met de werkwijzen van de sequencer: het display geeft weer:

[13] RECORD [ NEW SONG ] 001_BACH.MID 002_INDUL.MID 003_HUNLOB.MID USB PEN DRIVE

bij selectie van [NEW SONG] start een nieuwe registratie, terwijl als een MIDI-bestand wordt geladen, het mogelijk is om het overdubben uit te voeren, ofwel een nieuwe registratie die aan de eerder geregistreerde uitvoering wordt toegevoegd.

RECORD [ NEW SONG ] 00:00 ENTER = START EXIT = BACK

Zoals bij de werkwijze Play, geeft de pagina ook bij Record informatie over de functies van de toetsen:

  • [ENTER]: start de registratie.
  • [EXIT]: sluit de sequencer af.

Zodra de registratie is gestart, veranderen de functies in:

Viscount Unico 500 - REGISTRATIE VAN EEN NUMMER (werkwijze RECORD) - 3

  • [ENTER]: pauze / opnieuw starten van de registratie.
  • [EXIT]: stoppen van de registratie.

Door op [EXIT] te drukken om de sessie te beëindigen, geeft het display de pagina voor de opslag van de zojuist uitgevoerde registratie weer:

SONG RECORDED SAVE PLAY OVERDUB DISCARD AND EXIT USB PEN DRIVE

De weergegeven functies zijn:

oSAVE: opslag van de registratie als MIDI-bestand.

o PLAY: opnieuw de registratie beluisteren alvorens deze op te slaan.
o OVERDUB: een nieuwe registratie in aanvulling op de zojuist geregistreerde sequentie uitvoeren.
o DISCARD AND EXIT: de registratie wissen en de werkwijze Record van de sequencer afsluiten.

Bij selectie van het veld SAVE, vraagt het systeem om een naam toe te wijzen aan de MIDI-sequentie die men wil opslaan:

SAVE [ NEW SONG ] AS 000_■ .MID USB PEN DRIVE

Gebruik voor de samenstelling van de naam, de toetsen [FIELD ▲] en[FIELD ▼] om de cursor te bewegen en [VALUE +] en [VALUE -] om het teken te selecteren. De eerste drie tekens kunnen alleen nummers zijn, aangezien deze nodig zijn voor toekomstige uitbreidingen van het instrument.

Druk op de drukknop [ENTER] om de naam te bevestigen en op te slaan; als echter [EXIT] wordt bediend, keert men terug naar de vorige pagina en wordt de opslag geannuleerd.

De opslag van het bestand wordt bevestigd door de melding:

SEQUENCER SONG SAVED USB PEN DRIVE

Door echter op [EXIT] vanuit de opslagpagina te drukken (dus bij opgenomen maar nog niet opgeslagen registratie), waarschuwt het systeem dat de registratie op deze wijze verloren kan gaan:

!! WARNING!! DISCARD SEQUENCE TAKE ? ENTER TO CONFIRM EXIT TO GO BACK

en dat op [ENTER] moet worden gedrukt om de afsluiting te bevestigen en de geregistreerde gegevens te wissen of op [EXIT] om naar de opslagpagina terug te keren.

N.B.:

Als men de op de USB-stick opgeslagen bestanden via een computer wil herbenoemen, houd er dan rekening mee dat de namen alleen nummers en kleine letters mogen bevatten.

12.3 WEERGAVEOPTIES VAN DE SEQUENCER (menu PLAY OPTIONS)

Bij selectie van het veld PLAY OPTIONS op de selectiepagina van de werkwijze van de sequencer, heeft men toegang tot enkele opties met betrekking tot de weergave van de nummers:

PLAY OPTIONS TRANSPOSER: -- SONG LOOP: OFF LIST AUTOPLAY: OFF LIST LOOP: OFF

deze betreffen:

o TRANSPOSER: stelt een transpositie in halve tonen van de door de sequencer weergegeven nummers in.
o SONG LOOP: indien ingesteld op "YES", wordt het nummer aan het einde ervan opnieuw weergegeven.
o LIST AUTOPLAY: indien ingesteld op "YES", wordt na afloop van een nummer, tijdens het gebruik van de Songlist, automatisch het volgende nummer weergegeven, zonder op de toets [FIELD ▼] te hoeven drukken.
o LIST LOOP: indien ingesteld op "YES", wordt na afloop van het laatste nummer van een Songlist automatisch het eerste nummer weergegeven.

12.4 SONGLISTS (functie SONGLIST)

Met de term Songlist wordt de functie van het orgel bedoeld waarmee lijsten van muzieknummers (MIDIbestanden) gecreëerd en weergegeven kunnen worden.

Roep, om een lijst van nummers te programmeren, het menu FILE MANAGEMENT op en selecteer de functie SONGLIST; het systeem vraagt of men een nieuwe lijst wil aanmaken of een reeds bestaande lijst wil wijzigen:

[6] SONG LIST [ NEW LIST ] 000_LIST1.LST 001_LIST2.LST 002_LIST3.LST USB PEN DRIVE

Door het veld [NEW LIST] te selecteren, wordt een nieuwe lijst gecreëerd, door een LST bestand te selecteren, wordt de lijst in dat bestand gewijzigd.

In beide gevallen moeten eerst de nummers geselecteerd worden die in de lijst opgenomen moeten worden:

1 [12] SONG LIST ↓ 000_BACH 02 001_INDUL 002_NUNLOB 01 003_NUNFREU PRESS +/- TO SELECT

Gebruik de toetsen [FIELD ▲] en[FIELD ▼] om het MIDI-bestand te selecteren, [VALUE +] om het in de lijst op te nemen en [VALUE -] om het uit de lijst te verwijderen. Naast de naam van het bestand wordt zijn positie in de lijst weergegeven.

Druk nu op [ENTER] om de programmering voort te zetten of op [EXIT] om deze te verlaten.

!! WARNING!! DISCARD SONG LIST ? ENTER TO CONFIRM EXIT TO GO BACK

De tweede handeling is de plaatsing van de nummers binnen de lijst (of de bevestiging van de eerder gemaakte programmering):

1 [4] LIST ORDER 002_NUNLOB 01 000_BACH 02 001_INDUL 03 003_NUNFREU 04 PRESS +/- TO MOVE

Wanneer een nummer in een ander positie moet worden verplaatst, plaats dan de cursor op het betreffende veld van het bestand met de toetsen [FIELD ▲] en[FIELD ▼], [VALUE +] om een positie vooruit te gaan of [VALUE -] om een eerdere positie in te stellen.

Druk tenslotte op [ENTER] om de lijst op te slaan of op [EXIT] om naar de vorige pagina terug te keren.

SAVE [ NEW LIST ] AS 005_■ .LST USB PEN DRIVE

Zoals bij de MIDI-bestanden, mogen de eerste drie tekens uitsluitend nummers zijn.

Gebruik voor de samenstelling van de naam, de toetsen [FIELD ▲] en[FIELD ▼] om de cursor te bewegen en [VALUE +] en [VALUE -] om het teken te selecteren.

Druk op de drukknop [ENTER] om de naam te bevestigen en op te slaan; als echter [EXIT] wordt bediend, keert men terug naar de vorige pagina.

N.B.:

Als men de op de USB-stick opgeslagen bestanden via een computer wil herbenoemen, houd er dan rekening mee dat de namen alleen nummers en kleine letters mogen bevatten.

13. BIJLAGE

Een register in Local Off instellen betekent, ervoor zorgen dat dit niet via de interne opwekking van het orgel speelt, maar dat sowieso de betreffende MIDI-melding (Exclusief System code) wordt verzonden zodat het op een aangesloten instrument ingeschakeld en bespeeld kan worden.

Druk, om de Local Off van de stemmen in te stellen, op de duimpiston [S] (Sct) en, terwijl deze ingedrukt wordt gehouden, op C (Cancel). De leds van alle registers gaan branden en het display geeft de volgende pagina weer:

Viscount Unico 500 - BIJLAGE - 1

Bedien, om een stem in Local Off te plaatsen, het trek- of het wipregister zodat het betreffende lichtje dooft. Druk na instelling van de gewenste configuratie gelijktijdig op [S] en C om deze op te slaan.

Een volgende toegang tot de instelling van Local Off zal de status van de registers weergeven volgens de regel:

  • Licht aan: register in Local On (speelt met de interne geluidsopwecking)
  • Licht uit: register in Local Off

Als bij de normale werking een register in Local Off wordt ingeschakeld, zal de betreffende led twee maar knipperen en vervolgens vast gaan branden.

13.2 FACTORY SETTINGS

Met de procedure Factory Setting kunnen de fabrieksinstellingen van alle interne functies van het instrument worden hersteld, zodat de door de gebruiker aangebrachte wijzigingen geannuleerd worden.

Het orgel Unico biedt bovendien de mogelijkheid om te kiezen wat men in de standaardwaarden opnieuw wil instellen.

Selecteer, om de betreffende functie op te roepen, het displayveld RESTORE FACT. SET op de tweede pagina van het menu UTILITY & MIDI:

RESTORE FACTORY SETTINGS ENTIRE ORGAN SETTING PARAMETERS USER STYLES COMB. MEMORIES

Het volgende kan geïntialiseerd worden:

  • ENTIRE ORGAN: alle instellingen en functies van het orgel (menu TUNING, SET-UP en UILITY & MIDI, de vier User Styles, alle algemene en divisionele combinaties, Tutti en Crescendo en de Local Off status van de registers).
    o SETTING PARAMETERS: instellingen van de menu's TUNING, SET-UP en UTILITY & MIDI.
    oUSER STYLE: de 4 User Styles
    o COMB. MEMORIES: alle algemene en divisionele combinaties, Tutti en Crescendo.

Selecteer de gewenste Factory Setting en druk op [ENTER]: het display zal een waarschuwingspagina weergeven die aangeeft wat men opnieuw met de standaardwaarden instelt:

ALL ORGAN RESTORE SETTING, STYLES, COMB. MEMORIES AND LOCAL ON/OFF WILL BE RESTORED ENTER to confirm

Druk opnieuw op [ENTER]: de procedure wordt gestart, gedurende welke de volgende melding wordt getoond: "PERFORMING", waarna de melding "ACCOMPLISHED" verschijnt. Druk op [EXIT] om de actie te annuleren.

13.3 UPDATEN VAN HET BESTURINGSSYSTEEM

Af en toe geeft Viscount een updatepakket van het besturingssysteem van het orgel uit. Dit moet om geïnstalleerd te kunnen worden, in de hoofddirectory van een USB-stick gekopieerd worden.

Steek, bij uitgeschakeld orgel, de USB-stick in de speciale USB-connector onder de manualen en schakel het instrument in. Het systeem controleert automatisch het updatepakket en installeert het.

Na de procedure toont het display de melding: "O.S. UPDATED".

viscount

Inhoudsopgave Klik op een titel om deze te openen
Handleidingassistent
Aangedreven door Anthropic
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : Viscount

Model : Unico 500

Categorie : Orgel