SHP M PRO - Warmtepomp SIME - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis SHP M PRO SIME in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over SHP M PRO SIME
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Warmtepomp in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding SHP M PRO - SIME en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. SHP M PRO van het merk SIME.
GEBRUIKSAANWIJZING SHP M PRO SIME
• 3.1 Accessoires die worden meegeleverd met het apparaat....06
• 3.2 Beschikbare accessoires bij de leverancier 06
4 VOOR DE INSTALLATIE 07
5 BELANGRIJKE INFORMATIE OVER HET KOELMIDDEL .....07
6 INSTALLATIEPLAATS....08
- 6.1 Kiezen van een locatie in koude klimaten....09
• 6.2 Kiezen van een locatie in koude klimaten....09
7 INSTALLATIEVOORZORGSMAATREGELEN 10
• 7.1 Afmetingen....10
• 7.2 Installatievoorschriften ....10
• 7.3 Positie van de afvoeropening....11
• 7.4 Ruimtevereisten voor onderhoud ....11
8 TYPISCHE TOEPASSINGEN 13
- 8.1 Toepassing 1....13
• 8.2 Toepassing 2....15
• 8.3 Cascadesysteem....18
• 8.4 Volumevereisten van de buffertank....20
9 OVERZICHT VAN HET APPARAAT....20
• 9.1 Belangrijkste componenten....20
• 9.2 Bedieningspaneel....21
• 9.3 Aanleg van waterleidingen....26
• 9.4 Met water vullen....29
• 9.5 Isolatie van waterleidingen....30
• 9.6 Veldinstellingen....30
10 INBEDRIJFSTELLING EN CONFIGURATIE ....43
• 10.1 Eerste inbedrijfstelling bij lage buitentemperatuur ....43
• 10.2 Controles voor de inbedrijfstelling....43
• 10.3 Storingsdiagnose bij eerste installatie ....43
• 10.4 Installatievoorschriften ....43
• 10.5 Veldinstellingen....45
11 MENUSTRUCTUUR: OVERZICHT....46
• 11.1 Bedrijfsparameters....48
12 EINDCONTROLES EN TEST WERKING ....52
• 12.1 Eindcontroles ....52
• 12.2 Werking testloop (handmatig) ....52
13 ONDERHOUD....53
14 PROBLEMEN OPLOSSEN....54
• 14.1 Algemene richtlijnen....54
• 14.2 Algemene symptomen ....55
• 14.3 Storingscodes ....57
15 TECHNISCHE SPECIFICATIES....59
• 15.1 Algemeen....59
• 15.2 Elektrische specificaties .....59
16 ONDERHOUDSINFORMATIE 60

Verwijder de holle plaat na installatie.

- De afbeelding in deze handleiding is slechts ter referentie, raadpleeg het eigenlijke product.
- De back-upverwarming kan buiten het apparaat worden aangepast aan de behoeften, die 3 kW (1-fase),
4,5 kW (1-fase), 4,5 kW (3-fase), 6 kW (3-fase) en 10kW (3-fase) omvat (Raadpleeg de INSTALLATIEHANDLEIDING van de fabrikant van de back-upverwarming voor details). - De back-upverwarming (optioneel) en de warmtepomp worden onafhankelijk van elkaar gevoed.
1 VEILIGHEIDSMAATREGELEN
De hier vermelde voorzorgsmaatregelen zijn onderverdeeld in de onderstaande typen. Ze zijn zeer belangrijk, dus zorg ervoor dat u ze nauwgezet volgt.
Betekenissen van symbolen voor GEVAAR, WAARSCHUWING, LET OP en OPMERKING.
i INFORMATIE
- Lees deze instructies voor de installatie zorgvuldig door. Bewaar deze handleiding op een handige plek voor toekomstige raadpleging.
- Onjuiste installatie van apparatuur of accessoires kan leiden tot elektrische schokken, kortsluiting, lekkage, brand of andere schade aan de apparatuur. Zorg ervoor dat u alleen gebruik maakt van accessoires die zijn gemaakt door de leverancier en speciaal zijn ontworpen voor de apparatuur. Laat de installatie altijd over aan een professional.
- Alle in deze handleiding beschreven activiteiten moeten worden uitgevoerd door een erkende monteur. Zorg tijdens de installatie en onderhoud van het apparaat ervoor dat u passende persoonlijke beschermingsmiddelen draagt, zoals handschoenen en een veiligheidsbril.
- Neem contact op met uw dealer voor verdere ondersteuning.

Onderhoud mag alleen worden uitgevoerd volgens de aanbevelingen van de fabrikant van de apparatuur. Onderhouds- en reparatiewerkzaamheden waarbij de hulp van andere deskundig personeel nodig is moeten worden uitgevoerd onder toezicht van de persoon die bevoegd is voor het gebruik van brandbare koelmiddelen.
GEVAAR
Geeft een levensgevaarlijke situatie aan die, indien deze niet vermeden wordt, kan leiden tot dood of ernstig letsel.
⚠ WAARSCHUWING
Geeft een mogelijke gevaarlijke situatie aan die, indien deze niet vermeden wordt, kan leiden tot dood of ernstig letsel.
LET OP
Geeft een mogelijke gevaarlijke situatie aan die, indien deze niet vermeden wordt, kan leiden tot licht of middelzwaar letsel. Het wordt ook gebruikt om te waarschuwen tegen onveilige praktijken.
OPMERKING
Geeft een situatie aan die kan leiden tot accidentele schade aan apparatuur of eigendommen.
Verklaring van de symbolen op het apparaat
![]() | WAARSCHUWING | Dit symbool geeft aan dat dit apparaat gebruik maakt van een brandbaar koelmiddel. Er bestaat brandgevaar als gelekt koelmiddel wordt blootgesteld aan een externe ontstekingsbron. |
![]() | LET OP | Dit symbool geeft aan dat de handleiding zorgvuldig moet worden gelezen. |
![]() | LET OP | Dit symbool geeft aan dat onderhoudspersoneel moet omgaan met deze apparatuur aan de hand van de installatiehandleiding. |
![]() | LET OP | Dit symbool geeft aan dat informatie beschikbaar is, zoals de gebruikers- of installatiehandleiding. |
GEVAAR
- Schakel de stroomschakelaar uit voordat u elektrische klemonderdelen aanraakt.
- Wanneer de servicepanelen worden verwijderd, kunt u gemakkelijk onopzettelijk onderdelen onder spanning aanraken.
- Laat het apparaat nooit onbeheerd achter zonder onderhoudspaneel tijdens de installatie of onderhoud.
- Raak de waterleidingen niet aan tijdens en direct na gebruik, omdat ze heet kunnen zijn en uw handen kunnen verbranden. Om letsel te voorkomen moet u wachten met het aanraken van de leidingen tot ze een normale temperatuur bereiken of u moet veiligheidshandschoenen dragen.
- Raak geen enkele schakelaar met natte vingers aan. Het aanraken van een schakelaar met natte vingers kan een elektrische schok veroorzaken.
- Voordat u elektrische onderdelen aanraakt, moet u alle toepasselijke stroomtoevoer naar het apparaat uitschakelen.
⚠ WAARSCHUWING
- Scheur de plastic verpakkingen los en gooi ze weg, zodat kinderen er niet mee kunnen spelen. Kinderen die met plastic zakken spelen lopen levensgevaar door verstikking.
- Verwijder verpakkingsmateriaal, zoals spijkers en andere metalen of houten onderdelen, op een veilige manier om letsel te voorkomen.
- Vraag uw dealer of gekwalificeerd personeel om de installatie uit te voeren in overeenstemming met deze handleiding. Installeer het apparaat niet zelf. Onjuiste installatie kan leiden tot waterlekkage, elektrische schokken of brand
- Zorg ervoor dat u alleen gespecificeerde accessoires en onderdelen gebruikt voor de installatie. Het gebruik van niet voorgeschreven onderdelen kan leiden tot waterlekkage, elektrische schokken, brand of losraken/vallen van het apparaat.
- Installeer het apparaat op een fundering die zijn gewicht kan dragen. Onvoldoende fysieke kracht kan ervoor zorgen dat de apparatuur valt, met mogelijk letsel als gevolg.
- Voer gespecificeerde installatiewerkzaamheden uit met volledige inachtneming van sterke wind, orkanen of aardbevingen. Onjuist installatiewerk kan leiden tot ongevallen door vallend gereedschap of apparatuur.
- Zorg ervoor dat alle elektrische werkzaamheden worden uitgevoerd door vakmensen volgens de lokale wet- en regelgeving en deze handleiding met behulp van een apart circuit. Onvoldoende capaciteit van het voedingscircuit of onjuiste elektrische aanleg kunnen leiden tot elektrische schokken of brand.
- Zorg ervoor dat u een aardlekschakelaar installeert volgens de plaatselijke wet- en regelgeving. Als u geen aardlekschakelaar installeert, kan dit leiden tot elektrische schokken en brand.
- Zorg ervoor dat alle kabels goed vastzitten. Gebruik de voorgeschreven draden en controleer of de aansluitklemmen of draden/kabels beschermd zijn tegen water en andere nadelige externe krachten. Onvolledig aansluiten of aanbrengen kan brand veroorzaken.
- Vorm bij het bekabelen van de stroomtoevoer de draden zodanig, dat het voorpaneel stevig kan worden bevestigd. Als het voorpaneel niet op zijn plaats zit kunnen de aansluitklemmen oververhit raken of leiden tot elektrische schokken of brand.
- Controleer na het voltooien van de installatiewerkzaamheden of er geen koelmiddellekkage is.
- Raak gelekt koelmiddel nooit direct aan, aangezien dit kan leiden tot ernstige bevriezing. Raak de koelleidingen tijdens en onmiddellijk na gebruik nooit aan, aangezien de koelleidingen heet of koud kunnen zijn afhankelijk van de toestand van het koelmiddel dat door de koelleidingen, compressor en andere koelonderdelen stroomt. Brandwonden of bevriezing zijn mogelijk als u de koelleidingen aanraakt. Om letsel te voorkomen, moet u de leidingen de tijd geven om weer op normale temperatuur te komen of, als u ze toch moet aanraken, beschermende handschoenen dragen.
- Raak de interne onderdelen (pomp, back-upverwarming, enz.) niet aan tijdens en onmiddellijk na het gebruik. Het aanraken van de interne onderdelen kan brandwonden veroorzaken. Om letsel te voorkomen moet u wachten met het aanraken van de interne onderdelen tot ze een normale temperatuur bereiken of u moet veiligheidshandschoenen dragen.
LET OP
• Aard het apparaat.
- De aardingsweerstand moet voldoen aan de lokale wet- en regelgeving.
- Sluit de aardingsdraad niet aan op gas- of waterleidingen, bliksemafleiders of telefoon-aardingsdraden.
- Onvolledige aarding kan elektrische schokken veroorzaken.
- Gasleidingen: Een gaslek kan leiden tot brand of een explosie.
- Waterleidingen: Harde pvc-buizen bieden geen effectieve aarding.
- Bliksemafleiders of telefoonaarddraden: De elektrische drempel kan abnormaal toenemen bij een blikseminslag.
- Installeer de voedingskabel op minstens 1 meter (3 ft) afstand van televisies of radio's om interferentie of ruis te voorkomen (afhankelijk van de radiogolven, is een afstand van 1 meter (3 ft) mogelijk niet voldoende om ruis op te heffen).
- Was het apparaat nooit met water. Dit kan elektrische schokken of brand veroorzaken. Het apparaat moet worden geïnstalleerd volgens de nationale bedradingsvoorschriften. Indien de voedingskabel beschadigd is, moet deze worden vervangen door de fabrikant, zijn onderhoudsmonteur of gelijkwaardig gekwalificeerd personeel om gevaar te voorkomen.
- Installeer het apparaat niet op de volgende plaatsen:
- Waar een nevel van (minerale) olie of oliedampen aanwezig zijn. Kunststofonderdelen kunnen worden aangetast en hierdoor losraken of gaan lekken.
- Waar corrosieve (bijtende) gassen (zoals zwavelzuurgas) worden geproduceerd. Waar corrosie van koperleidingen of gesoldeerde onderdelen kan leiden tot koelmiddellekkage.
- Waar machines zijn die elektromagnetische golven uitzenden. Elektromagnetische golven kunnen het regelsysteem ontregelen en storing van de apparatuur veroorzaken.
- Waar brandbare gassen kunnen lekken, waar koolstofvezels of ontbrandbare stof in de lucht rondzweven of waar gewerkt wordt met vluchtige brandbare stoffen zoals thinner of benzine. Deze typen gas kunnen brand veroorzaken.
- Waar de lucht een hoog zoutgehalte heeft, zoals in de buurt van de zee.
- Waar de spanning regelmatig fluctueert, zoals in fabrieken.
- In voertuigen of vaartuigen.
- Waar zuur- of alkalische dampen aanwezig zijn.
- Dit apparaat mag door kinderen van 8 jaar of ouder gebruikt worden en door personen met lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke beperkingen of met onvoldoende ervaring of kennis, mits onder toezicht of voorzien van instructies over het veilig gebruik van het apparaat en zij de hieraan verbonden risico's hebben begrepen. Kinderen mogen niet spelen met het apparaat. Reinigings- en gebruikersonderhoud mag niet zonder toezicht door kinderen worden uitgevoerd.
- Kinderen moeten onder toezicht staan zodat ze niet met het apparaat gaan spelen.
- Als het netsnoer beschadigd is, moet het worden vervangen door de fabrikant of de dealer of een gekwalificeerd vakman.
- VERWIJDERING: Gooi dit product niet weg als ongesorteerd gemeentelijk afval. Dergelijk afval moet afzonderlijk worden verzameld om speciaal te worden verwerkt. Gooi elektrische apparaten niet weg als ongesorteerd huishoudelijk afval, maar gebruik gescheiden inzamelingsvoorzieningen. Neem contact op met uw lokale overheid voor informatie over de beschikbare inzamelingssystemen. Als elektrische apparaten op vuilnisbelten of afvalstortplaatsen worden weggegooid, bestaat de kans dat er gevaarlijke stoffen in het grondwater lekken en zo in de voedselketen terechtkomen, wat gevaarlijk is voor uw gezondheid en welzijn.
- De bedrading moet worden uitgevoerd door vakmensen in overeenstemming met de nationale regelgeving voor bedrading en dit schakelschema. De vaste bedrading moet volgens de nationale regelgeving zijn voorzien van een all-polige onderbrekingsinrichting met een scheidingsafstand van minimaal 3 mm in alle polen en een aardlekschakelaar (RCD) van minder dan 30 mA.
- Controleer het installatiegebied (muren, vloeren enz.) op verborgen gevaren, zoals water, elektriciteit en gas, voordat u begint aan de bekabeling of het aanleggen van leidingen.
- Controleer voor de installatie of de voeding van gebruiker voldoet aan de voorschriften voor de elektrische installatie van het apparaat (waaronder betrouwbare aarding, lekkage en draaddiameter elektrische belasting enz.). Het product mag pas worden geïnstalleerd als er wordt voldaan aan de voorschriften voor de elektrische installatie van het product.
- Bij het installeren van meerdere airconditioners op een gecentraliseerde manier, moet u de belastingbalans van de 3-fasige voeding controleren en voorkomen dat meerdere apparaten op dezelfde fase van de 3-fasige voeding worden samengevoegd.
- De installatie van het product moet stevig worden bevestigd. Neem, indien nodig, zware maatregelen.

OPMERKING
• Over gefluoreerde gassen
- Deze airconditioner bevat gefluoreerde gassen. Zie het desbetreffende label op het apparaat voor specifieke informatie over het type gas en de hoeveelheid. Nationale gasvoorschriften moeten worden nageleefd.
- Installatie, onderhoud en reparatie van het apparaat moeten worden uitgevoerd door een erkende monteur.
- Deïnstallatie en recycling van het product moeten worden uitgevoerd door een erkende monteur.
- Als het systeem is voorzien van een lekdetectiesysteem, moet dit minstens elke 12 maanden worden gecontroleerd op lekken. Wanneer het apparaat wordt gecontroleerd op lekken, is het zeer raadzaam om alle controles te registreren.
2 ALGEMENE INLEIDING
- Deze units worden gebruikt voor zowel warmte- en koeltoepassingen als voor warmwatertanks voor huishoudelijk gebruik. Zij kunnen worden gecombineerd met ventilatorconvectoren, vloerverwarmingstoepassingen, lage temperatuur-radiatoren met hoog rendement, warmwatertanks voor huishoudelijk gebruik en zonnesets, die alle ter plaatse worden geleverd.
- Een bedrade controller wordt met het apparaat meegeleverd.
- De back-upverwarming (optioneel) kan de verwarmingscapaciteit verhogen bij vrij lage buitentemperaturen. Hij dient ook als back-up in geval van storing van de warmtepomp of om bevriezing van de waterleidingen buiten te voorkomen.
OPMERKING
- De maximale lengte van de communicatiebedrading tussen het apparaat en de controller bedraagt 50 m.
- Netsnoeren en communicatiebedrading moeten afzonderlijk worden aangelegd, zijn kunnen niet in dezelfde kabelgoot worden geplaatst. Anders kan dit leiden tot elektromagnetische interferentie. Netsnoeren en communicatiebedrading mogen niet in contact komen met de koelmiddelleiding om te voorkomen dat de hogetemperatuurleiding de bedrading beschadigt.
- Voor communicatiebedrading moeten afgeschermde leidingen worden gebruikt. Inclusief binnen-unit naar buiten-unit PQE-lijnen, binnen-unit naar controller HA HB-lijnen.
Het verband tussen capaciteit (belasting) en omgevingstemperatuur

line
| Region | Capacitelt/belasting | |---|---| | ① | High value | | ② | Low value | | ③ | Low value |Tbivalent Omgevingstemperatuur
① Capaciteit van de warmtepomp.
② Benodigde verwarmingscapaciteit (locatie-afhankelijk).
③ Extra verwarmingscapaciteit geleverd door de back-upverwarming.
Warmwatertank (niet meegeleverd)
Een warmwatertank (met of zonder boosterverwarming) kan op het apparaat worden aangesloten.
De tankvereiste is verschillend per apparaat en (materiaal van de) warmtewisselaar.

text_image
Uitlaat Tank Temperatuur sonde (T5) Spoel Tankboosterverwa ming (TBH) InlaatDe boosterverwarming moet onder de temperatuursonde worden geïnstalleerd (T5).
De warmtewisselaar (spoel) moet onder de temperatuursonde worden geïnstalleerd.
De leiding tussen de buitenunit en tank moet korter zijn dan 5 meter.
| Model | 6 kW 7 | ~10kW | 12~16 kW | |
| Tankvolume/l | Aanbevolen | 100~250 | 150~300 | 200~500 |
| Warmtewisselings-gebied/ m^2 (roestvrij stalen spoel) | Minimum | 1,4 | 1,4 | 1,6 |
| Warmtewisselings-gebied/ m^2 (geëmailleerde spoel) | Minimum | 2,0 | 2,0 | 2,5 |
Kamerthermostaat (niet meegeleverd)
De kamerthermostaat kan worden aangesloten op het apparaat (kamerthermostaat moet bij de keuze van een installatieplaats uit de buurt worden gehouden van de warmtebron).
Zonne-energieset voor warmwatertank (niet meegeleverd).
Een optionele zonne-energieset kan worden aangesloten op het apparaat.
Werkingsgebied
| Uitlaatwater (verwarmingsmodus) | +15~+65 °C | |
| Uitlaatwater (koelmodus) | +5~+25 °C | |
| Huishoudelijk warmwater | +15~+60 °C | |
| Omgevingstemperatuur | -25~+43 °C | |
| Waterdruk | 0,1~0,3 MPa | |
| Waterstroom | 6 kW | 0,40~1,25 m3/h |
| 8 kW | 0,40~1,65 m3/h | |
| 10kW | 0,40~2,10 m3/h | |
| 12 kW | 0,70~2,50 m3/h | |
| 14 kW 0,70 | -2,75 m3/h | |
| 16 kW 0,70 | -3,00 m3/h | |
In koelmodus is het bereik van de wateraanvoertemperatuur (TW_out) bij verschillende buitentemperaturen (T4) hieronder vermeld:

Bedrijfsbereik door de warmtepomp met mogelijke beperking en beveiliging.
In de warmtemodus wordt het bereik van de watertemperatuur (T1) bij verschillende buitentemperaturen (T4) hieronder weergegeven:

Als de instelling IBH/AHS geldig is, wordt alleen IBH/AHS ingeschakeld; Als de instelling IBH/AHS ongeldig is, wordt alleen de warmtepomp ingeschakeld; tijdens de werking van de warmtepomp kunnen beperkingen en beveiligingen optreden.
Bedrijfsbereik door de warmtepomp met mogelijke beperking en beveiliging.
Warmtepomp gaat uit, alleen IBH/AHS gaat aan. (IBH kan de watertemperatuur verwarmen tot 65 °C, AHS kan de watertemperatuur verwarmen tot 70 °C)
— — Maximale inlaatwatertemperatuurleiding voor de warmtepomp.
In DHW-mode, is het temperatuurbereik van de waterstroom (T1) in verschillende buitentemperaturen (T4) als volgt:

Als de instelling IBH/AHS geldig is, wordt alleen IBH/AHS ingeschakeld; Als de instelling IBH/AHS ongeldig is, wordt alleen de warmtepomp ingeschakeld; tijdens de werking van de warmtepomp kunnen beperkingen en beveiliggingen optreden.
Bedrijfsbereik door de warmtepomp met mogelijke beperking en beveiliging.
Warmtepomp gaat uit, alleen IBH/AHS gaat aan. IBH kan de watertemperatuur verwarmen tot 65 °C, AHS kan de watertemperatuur verwarmen tot 70 °C
— — Maximale inlaatwatertemperatuurleiding voor de warmtepomp.
3 ACCESSOIRES
3.1 Accessoires die worden meegeleverd met het apparaat
| Installatiemateriaal | ||
| Naam | Vorm | Hoeveelheid |
| Installatie- en gebruikershandleiding (dit boekje) | ![]() | 1 |
| Technische gegevenshandleiding | ![]() | 1 |
| Y-filter | ![]() | 1 |
| Bedrade controller | [5CXX] | 1 |
| Thermistor (10m) voor Tbt (of Tw2 of Tsolar of T5) | ![]() | 1 |
| Afvoerslang | ![]() | 1 |
| Energielabel 1 | [DBWT] | |
| Netwerk bijbehorende draden | ![]() | 1 |
| Hoek beschermen | ![]() | 1 |
3.2 Beschikbare accessoires bij de leverancier
| Thermistor voor buffertanktemp.(Tbt) | |
| Aansluitbedrading van de Tbt sensor | |
| Thermistor voor Zone 2waterstroomtemp. (Tw2) | |
| Thermistor voor zonnetemp. (Tsolar) | |
| Thermistor voor warmwatertanktemp. (T5) |
Thermistor voor Tbt,Tw2,Tsolar en T5 kunnen worden gedeeld. Indien nodig kunt u andere thermistors en aansluitbedrading kopen bij de leverancier.
4 VOOR DE INSTALLATIE
• Voorbereidingen voor installatie
Zorg ervoor dat u de modelnaam en het serienummer van het apparaat bevestigt.
- Transport
Vanwege de relatief grote afmetingen en het zware gewicht mag het apparaat alleen worden opgehesen met hijswerktuigen met tilbanden, zie de volgende afbeelding.

text_image
Schuimen Hoek beschermen De haak en het zwaartepunt van het apparaat moeten zodanig uitgelijnd worden dat een ongewenste helling wordt voorkomen Hoek beschermenLET OP
- Om letsel te voorkomen moet u niet de luchtinlaat of de aluminium vinnen van het apparaat aanraken.
- Gebruik om schade te voorkomen niet de grepen in de ventilatorroosters.
- Het apparaat is topzwaar! Voorkom dat het apparaat valt door verkeerde hellen tijdens de omgang ermee.
(eenheid: mm)
| Model A | B | C | |
| 1-fasig 5/7/10kW | 350 355 | 285 | |
| 1-fasig 12/14/16 kW | 540 390 | 255 | |
| 3-fasig 12/14/16 kW | 500 400 | 275 |
De positie van het zwaartepunt voor andere apparaten wordt in de onderstaand afbeelding weergegeven.

text_image
A C
Dit product bevat gefluoreerd gas dat niet naar de lucht mag worden afgevoerd.
Type koelmiddel: R32; Volume van GWP: 675.
GWP=Aardopwarmingsvermogen
| Model | Hoeveelheid door de fabriek voorgevuld koelmiddel in het apparaat | |
| Koelmiddel/kg | Ton CO2 equivalent | |
| 6 kW | 1,25 0,85 | |
| 8 kW | 1,25 0,85 | |
| 10kW | 1,25 | 0,85 |
| 12 kW | 1,80 | 1,22 |
| 14 kW | 1,80 | 1,22 |
| 16 kW | 1,80 | 1,22 |
LET OP
- Frequentie van controles op koelmiddellekkage
- Voor apparaten die gefluoreerde broeikasgassen van 5 ton CO 2 of hoger bevatten, maar minder dan 50 ton Co 2 -equivalent, moeten minstens elke 12 maanden worden gecontroleerd. Bij gebruik van een lekdetectiesysteem moet dit minstens elke 24 maanden gebeuren.
- Apparaten die gefluoreerde broeikasgassen van 50 ton CO 2 of hoger bevatten, maar minder dan 500 ton Co 2 -equivalent, moeten minstens elke 6 maanden worden gecontroleerd. Bij gebruik van een lekdetectiesysteem moet dit minstens elke 12 maanden gebeuren.
- Apparaten die gefluoreerde broeikasgassen bevatten in hoeveelheden van 500 ton CO _2 of meer, ten minste om de drie maanden, of wanneer een lekdetectiesysteem is geïnstalleerd, ten minste om de zes maanden.
- Deze airconditioner is een hermetisch afgesloten apparaat dat gefluoreerde gassen bevat.
- Alleen gecertificeerd personeel is bevoegd voor de installatie, bediening en onderhoud van dit apparaat.
6 INSTALLATIEPLAATS
⚠ WAARSCHUWING
- Het apparaat bevat brandbaar koelmiddel en moet worden geïnstalleerd in een goed geventileerde ruimte. Als het apparaat binnen wordt geïnstalleerd, moet volgens de EN378-norm een extra koelmiddeldetector en ventilatie-apparatuur worden geïnstalleerd. Zorg voor passende maatregelen om te voorkomen dat het apparaat wordt gebruikt als schuilplaats door kleine dieren.
- Kleine dieren die in contact komen met elektrische onderdelen kunnen storingen, rook of brand veroorzaken. Geef de klant de nodige aanwijzingen om het gebied rondom het apparaat schoon te houden.
- Kies een installatieplaats die voldoet aan de volgende condities en waarmee uw klant akkoord gaat.
- Plaatsen die goed geventileerd zijn.
- Plaatsen waar het apparaat buren niet stoort.
- Veilige plaatsen die berekend zijn op het gewicht en trilling van het apparaat en waar het apparaat waterpas staat.
- Plaatsen waar er geen mogelijkheid is van lekken van brandbaar gas of producten.
- De apparatuur is niet bedoeld voor gebruik in een mogelijk explosieve omgevingslucht.
- Plaatsen waar genoeg ruimte is voor onderhoud.
- waar de lengten van leidingen en bedrading binnen de toelaatbare bereiken vallen.
- Plaatsen waar water dat uit het apparaat lekt geen schade kan veroorzaken aan de locatie (bijvoorbeeld in het geval van een geblokkeerde afvoerleiding).
- Plaatsen waar regen zoveel mogelijk kan worden vermeden.
- het apparaat niet installeren op plaatsen die vaak worden gebruikt als werkruimte. Bij bouwwerkzaamheden (bijvoorbeeld slijpen enz.) waar veel stof wordt gemaakt, moet het apparaat worden afgedekt.
- Plaats geen voorwerpen of apparatuur bovenop het apparaat (bovenop plaat).
- Klim, zit en sta niet op het apparaat.
- Zorg ervoor dat voldoende voorzorgsmaatregelen worden genomen in geval van lekkage van koelmiddel volgens de relevante lokale wet- en regelgeving.
- Installeer het apparaat niet in de buurt van de zee of op plaatsen waar corrosiegas aanwezig is.
- Bij het installeren van het apparaat op een plaats die is blootgesteld aan sterke wind, moet speciale aandacht worden besteed aan het volgende.
- Sterke wind van 5 m/sec of meer die tegen de luchtuitlaat van het apparaat blazen leidt tot kortsluiting (aanzuig- of afvoerlucht) en kan de volgende gevolgen hebben:
- Afname van de operationele capaciteit.
- Regelmatige snelle vorstvorming tijden het verwarmen.
- Verstoring van de werking door een hogere druk.
- Wanneer een sterke wind voortdurend tegen de voorkant van het apparaat blaast, kan de ventilator zeer snel gaan draaien tot het breekt.
Onder normale omstandigheden, zie de onderstaande afbeeldingen voor de installatie van het apparaat:

Bij sterke wind waarbij de windrichting voorzienbaar is, moet u de onderstaande afbeeldingen raadplegen voor de installatie van het apparaat (ze zijn allemaal toepasbaar):
Draai de zijde van de luchtuitlaat in de richting van de muur, omheining of vliegengaas van het gebouw.

Zorg ervoor dat er voldoende ruimte is om het apparaat te installeren.
Plaats de uitlaatzijde in een rechte hoek ten opzichte van de windrichting.

- Leg een waterafvoerkanaal rondom de fundering aan om afvalwater rondom het apparaat af te voeren.
- Als het afvoeren van het water uit het apparaat niet gemakkelijk gaat, monteer het apparaat dan op een fundering van betonblokken enz. (de hoogte van de fundering moet ongeveer 100 mm (3,93 inch) bedragen.
- Als u het apparaat op een frame installeert, moet u aan de onderzijde van het apparaat een waterdichte plaat (ongeveer 100 mm) installeren om inkomend water vanaf de onderzijde te voorkomen.
- Bij het installeren van het apparaat op een plaats die regelmatig blootgesteld staat aan sneeuw, moet u er specifiek voor zorgen dat de fundering zo hoog mogelijk wordt verheven.
- Als u het apparaat op een bouwframe installeert, installeer dan een waterdichte bak (levering op locatie) (ongeveer 100 mm, aan de onderzijde van het apparaat) om te voorkomen dat het afvoerwater druppelt. (zie de rechterafbeelding).

6.1 Kiezen van een locatie in koude klimaten
Zie "Transport" in sectie "4 VOOR DE INSTALLATIE".
OPMERKING
Zorg bij het gebruik van het apparaat in koude klimaten ervoor dat de onderstaande instructies worden gevolgd.
- Installeer het apparaat met de zuigzijde naar de muur gericht om blootstelling aan wind te voorkomen.
- Installeer het apparaat nooit op een plaats waar de zuigzijde rechtstreeks aan wind kan blootstaan.
- Installeer een horizontale keerplaat aan de luchtafvoerzijde van het apparaat om blootstelling aan wind te voorkomen.
- In gebieden met zware sneeuwval is het erg belangrijk om een installatieplaats te kiezen waar de sneeuw het toestel niet aantast. Als zijwaartse sneeuwval mogelijk is, moet u ervoor zorgen dat de warmtewisselaarspoel niet wordt blootgesteld aan sneeuw (bouw eventueel een zijdelingse overkapping).

① Bouw een grote luifel of overkapping.
② Bouw een voetstuk. Installeer het apparaat hoog genoeg van de grond om te voorkomen dat hij wordt ondergesneeuwd. (De hoogte van de voet moet groter zijn dan de grootste dikte van de sneeuw in de plaatselijke geschiedenis plus 10 cm of meer)
6.2 Een locatie kiezen in direct zonlicht
Aangezien de buitentemperatuur wordt gemeten via de omgevingstemperatuursensor van het apparaat, dient u het in de schaduw of onder een afdak te worden geïnstalleerd om direct zonlicht te vermijden, zodat het niet wordt beïnvloed door de zonnewarmte.
7 INSTALLATIEVOORZORGSMAATREGELEN
7.1 Afmetingen

(eenheid: mm)
| Model A B C D E F G | H I J | K | |||||||||
| 6-16 kW | 1040 | 410 458 | 523 191 | 656 64 865 | 165 279 | 89 | |||||
7.2 Installatievoorschriften
- Controleer de sterkte en zorg dat de installatieondergrond waterpas is zodat het apparaat niet trilt of lawaai maakt tijdens het gebruik.
- Het apparaat moet goed worden vastgezet met funderingsbouten volgens de tekening in de onderstaande afbeelding. (gebruik vier gemakkelijk verkrijgbare sets met elk 10 expansiebouten, moeren en sluitringen).
- Schroef de funderingsbouten tot 20 mm van het funderingsoppervlak in.

text_image
(eenheid: mm) Φ10 Keilbout Rubberen schokbeste ndige mat Vaste grond of dakbedekking ≥80 ≥100 Betonnen kelder h≥100 mm
7.3 Positie van de afvoeropening

text_image
Afvoeropening
De afvoeropening is afgedicht met een rubberen stop. Als de kleine afvoeropening niet voldoet aan de afvoervereisten, mag de grote afvoeropening tegelijkertijd worden gebruikt.

OPMERKING
Er moet een elektrische warmteband worden geïnstalleerd als het water bij koud weer niet kan worden afgevoerd, zelfs niet als de grote afvoeropening open staat.
7.4 Ruimtevereisten voor onderhoud
7.4.1 In geval van een gestapelde installatie
1) Als er obstakels aanwezig zijn voor de luchtuitlaat. 2) Als er obstakels aanwezig zijn voor de luchtinlaatzijde.

text_image
≥500 mm ≥400 mm A ≥500 mm ≥400 mm ≥300 mm7.4.2 Bij een installatie van meerdere rijen (voor gebruik op dak enz.)
Bij het installeren van meerdere dwarsverbonden apparaten per rij.

text_image
≥500 mm ≥500 mm B2 A C B1| Unit | A (mm) B1 (mm) B2 (mm) C (mm) | |||
| 5~10kW | ≥2500 | ≥1000 | ≥300 | ≥600 |
| 12~16 kW | ≥3000 | ≥1500 | ||
8 TYPISCHE TOEPASSINGEN
De onderstaande toepassing zijn uitsluitend ter illustratie.
LET OP: De aansluitingen moeten worden uitgevoerd volgens de labels op de buitenunit, ten opzichte van de waterinlaat en -uitlaat.
8.1 Toepassing 1

flowchart
graph TD
A["1"] --> B["Modbus"]
B --> C["AHS"]
C --> D["FHL1 FHL2 FHLn"]
D --> E["19"]
E --> F["20"]
F --> G["6.2"]
G --> H["6.1"]
H --> I["Binnen"]
I --> J["2"]
J --> K["AHS"]
K --> L["4.3"]
L --> M["5"]
M --> N["4.2"]
N --> O["4.1"]
O --> P["3"]
P --> Q["9"]
Q --> R["13"]
R --> S["14"]
S --> T["12"]
T --> U["14"]
U --> V["16"]
V --> W["15"]
W --> X["16"]
X --> Y["15"]
Y --> Z["14"]
Z --> AA["12"]
AA --> AB["14"]
AB --> AC["16"]
AC --> AD["15"]
AD --> AE["14"]
AE --> AF["12"]
AF --> AG["14"]
AG --> AH["16"]
AH --> AI["15"]
AI --> AJ["14"]
AJ --> AK["12"]
AK --> AL["14"]
AL --> AM["16"]
AM --> AN["15"]
AN --> AO["14"]
AO --> AP["12"]
AP --> AQ["14"]
AQ --> AR["16"]
AR --> AS["15"]
AS --> AT["14"]
AT --> AU["12"]
AU --> AV["14"]
AV --> AW["16"]
AW --> AX["15"]
AX --> AY["14"]
AY --> AZ["12"]
AZ --> BA["14"]
BA --> BB["16"]
BB --> BC["15"]
BC --> BD["14"]
BD --> BE["12"]
BE --> BF["14"]
BF --> BG["16"]
BG --> BH["15"]
BH --> BI["14"]
BI --> BJ["12"]
BJ --> BK["14"]
BK --> BL["16"]
BL --> BM["15"]
BM --> BN["14"]
BN --> BO["12"]
BO --> BP["14"]
BP --> BQ["16"]
BQ --> BR["15"]
BR --> BS["14"]
BS --> BT["12"]
BT --> BU["14"]
BU --> BV["16"]
BV --> BW["15"]
BW --> BX["14"]
BX --> BY["12"]
BY --> BZ["14"]
| Code | Assemblage-unit | Code Assemblage-unit | |
| 1 | Hoofd-unit | 11 | Warmwatertank (niet meegeleverd) |
| 2 | Bedieningspaneel | 11.1 | TBH: Boosterverwarming voor warmwatertank (niet meegeleverd) |
| 3 | SV1: 3-wegklep (niet meegeleverd) | 11.2 | Spoel 1, warmtewisselaar voor warmtepomp |
| 4 | Buffertank (niet meegeleverd) | 11.3 | Spoel 2, warmtewisselaar voor zonne-energie |
| 4.1 | Automatische ontluchtingsventiel | 12 | Filter (accessoire) |
| 4.2 | Afvoerklep | 13 | Regelklep (niet meegeleverd) |
| 4.3 | Tbt: Bovenste temperatuursensor buffertank (optioneel) | 14 | Afsluitklep (niet meegeleverd) |
| 5 | P_o: Buitencirculatiepomp (niet meegeleverd) | 15 | Vulklep (niet meegeleverd) |
| 6 | P_s: Zonnepomp (niet meegeleverd) | 16 | Afvoerklep (niet meegeleverd) |
| 6.1 | Tsolar: Zonnetemperatuursensor (optioneel) | 17 | Leidingwaterinlaatleiding (niet meegeleverd) |
| 6.2 | Zonnepaneel (niet meegeleverd) | 18 | Warmwaterkraan (niet meegeleverd) |
| 7 | P_d: DHW-leidingpomp (niet meegeleverd) | 19 | Collector/distributeur (niet meegeleverd) |
| 8 | T5: Temperatuursensor van de warmwatertank (accessoire) | 20 | Omloopklep (niet meegeleverd) |
| FHL1...n | Vloerwarmtecircuit (niet meegeleverd) | ||
| 9 | T1: Temperatuursensor van totale waterstroom (optioneel) | ||
| AHS | Extra warmtebron (niet meegeleverd) | ||
| 10 | Expansievat (niet meegeleverd) | ||
- Ruimteverwarming
Het IN-/UITSCHAKELEN-signaal en bedrijfsmodus en temperatuurinstelling worden ingesteld op de gebruikersinterface.
P_o blijft draaien zolang het apparaat AAN is voor ruimteverwarming, SV1 blijft UIT.
• Verwarming van leidingwater
Het AAN/UIT-signaal en doeltankwatertemperatuur (T5S) worden ingesteld op het bedieningspaneel. P_o stopt zolang het apparaat AAN is voor sanitair waterverwarming, SV1 blijft AAN.
• AHS (hulpwarmtebron) regeling
De AHS-functie wordt ingesteld op de gebruikersinterface. (AHS-functie kan geldig of ongeldig worden ingesteld in "OVERIGE WARMTEBRON" van "VOOR ONDERHOUDSMONTEUR").
1) Wanneer de AHS is ingesteld om alleen voor de warmtemodus geldig te zijn, kan de AHS als volgt worden ingeschakeld: a. Schakel de AHS in met de functie BACKHEATER in het bedieningspaneel;
b. AHS schakelt automatisch in als de aanvankelijke watertemperatuur te laag of de doelwatertemperatuur te hoog is bij een lage omgevingstemperatuur.
P_o blijft draaien zolang AHS AAN is, SV1 blijft UIT.
2) Wanneer AHS is ingesteld om geldig te zijn voor warmte- en DWH-modus. In warmtemodus, is de AHS-controle hetzelfde als deel 1); In DHW-modus, wordt AHS automatisch ingeschakeld wanneer de aanvankelijke leidingwatertemperatuur T5 te laag of de doelleidingwatertemperatuur te hoog is bij een lage omgevingstemperatuur. P_o stopt met draaien, SV1 blijft AAN.
3) Wanneer AHS is ingesteld als geldig, kan M1M2 worden ingesteld als geldig op de gebruikersinterface. In warmtemodus, wordt AHS ingeschakeld als M1M2 droog contact sluit. Deze functie is niet geldig in de DHW-modus.
• TBH (tankboosterverwarming) regeling
De TBH-functie wordt ingesteld in het bedieningspaneel. (TBH-functie kan geldig of ongeldig worden ingesteld in "OVERIGE WARMTEBRON" van "VOOR ONDERHOUDSMONTEUR").
1) Wanneer de TBH wordt ingesteld als geldig, kan de TBH worden ingeschakeld met de functie TANKVERWARMING in de gebruikersinterface, TBH zal automatisch inschakelen wanneer de aanvankelijke leidingwatertemperatuur T5 te laag of de doelleidingwatertemperatuur te hoog is bij een lage omgevingstemperatuur.
2) Wanneer de TBH is ingesteld om geldig te zijn, kan M1M2 ingesteld worden om geldig te zijn in de gebruikersinterface. TBH wordt ingeschakeld als M1M2 droog contact sluit.
• Zonne-energieregeling
De hydraulische module herkent het zonne-energiesignaal door Tsolar te beoordelen of het SL1SL2-signaal te ontvangen van het bedieningspaneel. De herkenningsmethode kan worden ingesteld via SOLAR INPUT in het bedieningspaneel.
1) Wanneer Tsolar wordt ingesteld op geldig, gaat de zonne-energie aan wanneer Tsolar hoog genoeg is, begint P_s te lopen; de zonne-energie gaat UIT wanneer Tsolar laag is, stopt P_s met lopen.
2) Wanneer SL1SL2-regeling ingesteld is op geldig, gaat zonne-energie AAN nadat een zonnekitsignaal van de gebruikersinterface is ontvangen, P_s wordt actief; zonder zonnekitsignaal. Zonne-energie gaat UIT, P_s stopt met draaien.
LET OP
De wateruitlaattemperatuur kan 70 °C bereiken. Pas op dat u zich niet brandt.
OPMERKING
Zorg ervoor dat u de (SV1) 3-wegklep correct installeert. Zie "9.6.6 Aansluiting van andere componenten" voor meer informatie.
Bij een extreem lage omgevingstemperatuur wordt het warme leidingwater exclusief verwarmd door de TBH, zodat de warmtepomp op zijn maximale capaciteit kan worden gebruikt voor ruimteverwarming.
Details over de warmwatertankconfiguratie voor lage buitentemperaturen (T4DHWMIN) vindt u in "WARMWATERINSTELLING" van "VOOR ONDERHOUDSMONTEUR".
8.2 Toepassing 2
KAMERTHERMOSTAAT-regeling voor ruimteverwarming of -koeling moet worden ingesteld in de gebruikersinterface. Deze kan op drie manieren worden ingesteld: MODUS IN./EEN ZONE/DUBBEL ZONE. Het apparaat kan worden aangesloten op een laagspanningskamerthermostaat.
8.2.1 Eén-zoneregeling

flowchart
graph TD
A["Buiten"] --> B["Modbus"]
B --> C["RT"]
C --> D["10"]
D --> E["4.1"]
E --> F["4"]
F --> G["4.2"]
G --> H["5"]
H --> I["19"]
I --> J["FHL1"]
I --> K["FHL2"]
I --> L["FHLn"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#cff,stroke:#333
style F fill:#ffc,stroke:#333
style G fill:#cfc,stroke:#333
style H fill:#fcc,stroke:#333
style I fill:#cfc,stroke:#333
style J fill:#fcc,stroke:#333
style K fill:#cfc,stroke:#333
style L fill:#fcc,stroke:#333
| Code | Assemblage-unit | Code | Assemblage-unit |
| 1 | Hoofd-unit | 12 | Filter (accessoire) |
| 2 | Bedieningspaneel | 14 | Afsluitklep (niet meegeleverd) |
| 4 | Buffertank (niet meegeleverd) | 15 | Vulklep (niet meegeleverd) |
| 4.1 | Automatische ontluchtingsventiel | 16 | Afvoerklep (niet meegeleverd) |
| 4.2 | Afvoerklep | 19 | Collector/distributeur (niet meegeleverd) |
| 5 | P_o: Buitencirculatiepomp (niet meegeleverd) | RT | Lage spanning kamerthermostaat (niet meegeleverd) |
| 10 | Expansievat (niet meegeleverd) | FHL 1...n | Vloerwarmtecircuit (niet meegeleverd) |
- Ruimteverwarming
Eén-zoneregeling: de AAN/UIT van het apparaat wordt geregeld door de kamerthermostaat, de werking en uitlaatwatertemperatuur worden ingesteld op de gebruikersinterface. Het systeem is AAN als "H,T" van de thermostaat gedurende 15s gesloten blijft. Als "H,T" gedurende 15s open blijft, schakelt het systeem UIT.
• Circulatiepompbedrijf
Als het systeem AAN staat, wat betekent dat "H,T" van de thermostaat dicht is, begint P_o te lopen; Als het systeem UIT staat, wat betekent dat "H,T" open is, stopt P_o met lopen.
| Code | Assemblage-unit | Code | Assemblage-unit |
| 1 | Hoofd-unit | 15 | Vulklep (niet meegeleverd) |
| 2 | Bedieningspaneel | 16 | Afvoerklep (niet meegeleverd) |
| 4 | Buffertank (niet meegeleverd) | 19 | Collector/distributeur |
| 4.1 | Automatische ontluchtingsventiel | 20 | Omloopklep (niet meegeleverd) |
| 4.2 | Afvoerklep | 22 | SV2: 3-wegklep (niet meegeleverd) |
| 5 | P_o: Buitencirculatiepomp (niet meegeleverd) | RT | Kamerthermostaat laagspanning |
| 10 Expansievat (niet meegeleverd) FHL 1...n | Vloerwarmtecircuit (niet meegeleverd) | ||
| 12 Filter (accessoire) FCU 1...n | Ventilatorconvector (niet meegeleverd) | ||
| 14 | Afsluitklep (niet meegeleverd) | ||
- Ruimteverwarming
Werking en AAN/UIT van het apparaat worden ingesteld via de kamerthermostaat., de watertemperatuur wordt ingesteld of de gebruikersinterface.
1) Wanneer "CL" van de thermostaat gedurende 15s gesloten blijft, zal het systeem werken volgens de prioriteitsmodus ingesteld op de gebruikersinterface.
2) Wanneer "CL" van de thermostaat gedurende 15s open blijft en "HT" sluit, zal het systeem werken volgens de niet-prioritaire modus ingesteld op de gebruikersinterface.
3) Wanneer "HT" van de thermostaat gedurende 15s open blijft en "CL" open, zal het systeem uitschakelen.
4) Wanneer "CL" van de thermostaat gedurende 15s open blijft en "HT" open, zal het systeem uitschakelen.
- De werking van de circulatiepomp en de klep
1) Als het systeem in de koelmodus staat, blijft SV2 UIT, P_o begint te lopen.
2) Als het systeem in de warmtemodus staat, blijft SV2 AAN, P_o begint te lopen.
8.2.3 Dubbele zoneregeling

flowchart
graph TD
A["1"] --> B["Modbus"]
B --> C["2"]
C --> D["RT"]
D --> E["4.1"]
E --> F["5"]
F --> G["10"]
G --> H["23"]
H --> I["Tw2"]
I --> J["19"]
J --> K["ZONE2"]
K --> L["FHL1 FHL2 FHLn"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#cff,stroke:#333
style F fill:#ffc,stroke:#333
style G fill:#cfc,stroke:#333
style H fill:#fcc,stroke:#333
style I fill:#ffc,stroke:#333
style J fill:#cfc,stroke:#333
style K fill:#fcc,stroke:#333
style L fill:#cfc,stroke:#333
| Code | Assemblage-unit | Code | Assemblage-unit |
| 1 | Hoofd-unit | 16 | Afvoerklep (niet meegeleverd) |
| 2 | Bedieningspaneel | 19 | Collector/distributeur (niet meegeleverd) |
| 4 | Buffertank (niet meegeleverd) | 23 | Mengstation (niet meegeleverd) |
| 4.1 | Automatische ontluchtingsventiel | 23.1 | SV3: Mengklep (niet meegeleverd) |
| 4.2 | Afvoerklep | 23.2 | P_c: Zone 2 circulatiepomp (niet meegeleverd) |
| 5 | P_o: Zone 1 circulatiepomp (niet meegeleverd) | RT | Lage spanning kamerthermostaat (niet meegeleverd) |
| 10 | Expansievat (niet meegeleverd) | Tw2 | Zone 2 temperatuursensor van de waterstroom (optioneel) |
| 12 | Filter (accessoire) | FHL 1...n | Vloerwarmtecircuit (niet meegeleverd) |
| 14 | Afsluitklep (niet meegeleverd) | RAD. 1...n | Radiator (niet meegeleverd) |
| 15 | Vulklep (niet meegeleverd) |
• Ruimteverwarming
Zone1 kan werken in koel- of warmtemodus, terwijl zone2 alleen in warmtemodus kan werken; de bedrijfsmodus en watertemperatuur worden ingesteld op de gebruikersinterface, het apparaat AAN/UIT wordt geregeld door de kamerthermostaat. Bij de installatie van het systeem moeten alleen de "HT" aansluitingen worden aangesloten voor de thermostaat in zone1 en alleen de "CL" aansluitingen voor de thermostaat in zone2.
1) Als "HT" gedurende 15s gesloten blijft, gaat zone1 AAN. Als "HT" gedurende 15s open blijft, gaat zone1 UIT.
2) Als "CL" gedurende 15s gesloten blijft, gaat zone2 AAN. Als "CL" gedurende 15s open blijft, gaat zone2 UIT.
- De werking van de circulatiepomp en de klep
Wanneer Zone1 AAN is, wordt P_o actief; Wanneer Zone 1 UIT is, stopt P_o; Als zone 2 AAN is, schakelt SV3 tussen AAN en UIT volgens de ingestelde TW2, P_C blijft AAN; Als zone 2 UIT is, SV3 is UIT, P_c stopt met draaien. De vloerverwarmingscircuits hebben een lagere watertemperatuur nodig in de warmtemodus in vergelijking met de radiatoren of ventilatorconvector. Om deze 2 instelpunten tot stand te brengen moet een mengstation worden gebruikt om de watertemperatuur aan te passen aan de vereisten van de vloerverwarmingscircuits. De radiatoren zijn direct aangesloten op het watercircuit van het apparaat en de vloerverwarmingscircuits bevinden zich na het mengstation. Het mengstation wordt door het apparaat aangestuurd.
LET OP
1) Zorg ervoor dat u de 3-weg klep SV2/SV3 juist hebt geinstalleerd. Zie 9.6.6 "Aansluiting van andere componenten".
2) Controleer of de bedrading van de kamerthermostaat juist is. Zie 9.6.6 "Aansluiting van andere componenten".
De afvoerklep moet op de laagste positie van het leidingsysteem worden geïnstalleerd.
8.3 Cascadesysteem

flowchart
graph TD
A["1. n"] --> B["1.2"]
B --> C["1.1"]
C --> D["4.29"]
D --> E["3"]
E --> F["10"]
F --> G["13"]
G --> H["12"]
H --> I["14"]
I --> J["6.2"]
J --> K["6.1"]
K --> L["2"]
L --> M["5"]
M --> N["19"]
N --> O["20"]
O --> P["FCU1 FCU2 FCUn"]
P --> Q["..."]
Q --> R["19"]
R --> S["10"]
S --> T["FHL1 FHL2 FHLn"]
T --> U["3"]
U --> V["23"]
V --> W["14"]
W --> X["25"]
X --> Y["4.5"]
Y --> Z["4"]
Z --> AA["4.29"]
AA --> AB["3"]
AB --> AC["13"]
AC --> AD["10"]
AD --> AE["14"]
AE --> AF["12"]
AF --> AG["14"]
AG --> AH["12"]
AH --> AI["14"]
AI --> AJ["12"]
AJ --> AK["14"]
AK --> AL["12"]
AL --> AM["14"]
AM --> AN["12"]
AN --> AO["14"]
AO --> AP["12"]
AP --> AQ["14"]
AQ --> AR["12"]
AR --> AS["14"]
AS --> AT["12"]
AT --> AU["14"]
AU --> AV["12"]
AV --> AW["14"]
AW --> AX["12"]
AX --> AY["14"]
| Code | Assemblage-unit | Code | Assemblage-unit | Code | Assemblage-unit |
| 1.1 | Master-unit | 5 | P_O: Buitencirculatiepomp (niet meegeleverd) | 11.1 | TBH: Boosterverwarming voor warmwatertank |
| 1.2...n | Slave-unit | 6 | P_s: Zonnepomp (niet meegeleverd) | 11.2 | Spoel 1 warmtewisselaar voor warmtepomp |
| 2 | Bedieningspaneel | 6.1 | Tsolar: Zonnetemperatuursensor (optioneel) | 11.3 | Spoel 2 warmtewisselaar voor zonne-energie |
| 3 | SV1: 3-wegklep (niet meegeleverd) | 6.2 | Zonnepaneel (niet meegeleverd) | 12 | Filter (accessoire) |
| 4 | Buffertank (niet meegeleverd) | 7 | P_D: DHW-leidingpomp (niet meegeleverd) | 13 | Regelklep (niet meegeleverd) |
| 4.1 | Automatische ontluchtingsventiel | 8 | T5: Temperatuursensor van de warmwatertank (accessoire) | 14 | Afsluitklep (niet meegeleverd) |
| 4.2 | Afvoerklep | 9 | Expansievat (niet meegeleverd) | 17 | Leidingwaterinlaatleiding (niet meegeleverd) |
| 4.3 | Tbt: Bovenste temperatuur-sensor buffertank (optioneel) | 10 | T1: Temperatuursensor van de totale waterstroom (optioneel) | 18 | Warmwaterkraan (niet meegeleverd) |
| 4.5 | Vulklep | 11 | Warmwatertank (niet meegeleverd) | 19 | Collectordistributeur (niet meegeleverd) |
| 20 | Omloopklep (niet meegeleverd) | 25 | Watermanometer(niet meegeleverd) | ZONE1 | De ruimte werkt in koel-/warmtemodus |
| 23 | Mengstation (niet meegeleverd) | TW2 | Zone2 Temperatuursensor van de waterstroom (optioneel) | ZONE2 | Alleen de ruimte werkt in warmtemodus |
| 23.1 | sV3: Mengklep(niet meegeleverd) | FCU 1...n | Ventilatorconvector(niet meegeleverd) | AHS | Extra verwarmingsbron(niet meegeleverd) |
| 23.2 | P_C: Zone2 Circulatiepomp(niet meegeleverd) | FHL 1...n | Vloerwarmtecircuit(niet meegeleverd) | ||
| 24 | Automatisch ontluchtingsventiel(niet meegeleverd) | K | Contactor (niet meegeleverd) |
• Verwarming van leidingwater
Alleen de master-unit kan in DHW-modus werken. T5S wordt ingesteld op de gebruikersinterface. In DHW-modus, blijft SV1. AAN: Wanneer master-unit in DHW-modus werkt, kunnen slave-units in ruimtekoel-/warmtemodus werken.
- Slave-verwarming
Alle slave-units kunnen in ruimtewarmtemodus werken. De bedrijfsmodus en de insteltemperatuur worden ingesteld op de gebruikersinterface. Als gevolg van veranderingen van de buitentemperatuur en de vereiste belasting binnen, kunnen meerdere buiten-units op verschillende tijden werken.
In de koelmodus SV3 blijven UIT en P_C UIT, P_O blijft AAN;
In de warmtemodus, wanneer zowel ZONE1 als ZONE 2 werken, blijven P_C en P_O AAN, schakelt SV3 tussen AAN en UIT conform de ingestelde TW2;
In de warmtemodus, wanneer alleen ZONE 1 werkt, blijft P_O AAN, blijven SV3 en P_C UIT.
In de warmtemodus, wanneer alleen ZONE 2 werkt, blijft P_O UIT, blijft P_C AAN, schakelt SV3 tussen AAN en UIT conform de ingestelde TW2;
• AHS (hulpwarmtebron) regeling
De AHS-functie wordt ingesteld in de gebruikersinterface. (AHS-functie kan geldig of ongeldig worden ingesteld in "OVERIGE WARMTEBRON" van "VOOR ONDERHOUDSMONTEUR".); AHS wordt alleen door de master-unit geregeld. Wanneer de master-unit in de warmwatermodus werkt, kan AHS alleen worden gebruikt voor de productie van warm water voor huishoudelijk gebruik; wanneer de master-unit in de warmtemodus werkt, kan AHS worden gebruikt voor warmtemodus.
1) Als AHS alleen in warmtemodus is ingeschakeld, wordt het ingeschakeld onder de volgende omstandigheden:
a. Zet de BACK-UPVERWARMING-functie aan op de gebruikersinterface;
b. Master-unit werkt in warmtemodus. Wanneer de temperatuur van het inlaatwater te laag is of de omgevingstemperatuur te laag is, en de beoogde temperatuur van het uitgaande water te hoog, zal AHS automatisch worden ingeschakeld.
2) Als AHS in warmtemodus en DHW-modus is ingeschakeld, wordt het ingeschakeld onder de volgende omstandigheden:
Als de master-unit in warmtemodus werkt, zijn de voorwaarden voor het inschakelen van AHS dezelfde als bij 1); Als de master-unit in DHW-modus werkt en T5 te laag is of als de omgevingstemperatuur te laag is en de gewenste T5-temperatuur te hoog, wordt AHS automatisch ingeschakeld.
3) Wanneer AHS geldig is, wordt de werking van AHS geregeld door M1M2. Als M1M2 sluit, wordt AHS ingeschakeld. Als de master-unit in de DHW-modus werkt, kan AHS niet worden ingeschakeld door M1M2 te sluiten.
• TBH (tankboosterverwarming) regeling
De TBH-functie wordt ingesteld in de gebruikersinterface. (TBHI-functie kan geldig of ongeldig worden ingesteld in "OVERIGE WARMTEBRON" van "VOOR ONDERHOUDSMONTEUR"). TBH wordt alleen geregeld door de master-unit. Raadpleeg 8.1 Toepassing 1 voor TBH-regeling.
• Zonne-energieregeling
Zonne-energie wordt alleen geregeld door master-unit. Zie 8.1 Toepassing 1 voor zonne-energieregeling.
OPMERKING
-
Maximaal 6 units kunnen in een systeem in cascade worden weergegeven. Eén ervan is master-unit, de anderen zijn slave-units; master-unit en slave-units worden onderscheiden doordat ze al dan niet verbonden zijn met een bekabelde regelaar wanneer ze worden ingeschakeld. Het apparaat met bekabelde regelaar is het master-unit, units zonder bekabelde regelaar zijn de slave-units; Enkel de master-unit kan in de warmwaterfunctie werken. Controleer tijdens de installatie het cascadesysteemdiagram en bepaal de master-unit. Verwijder alle bedrade regelaars van de slave-units voordat u de stroom inschakelt.
-
SV1,SV2,SV3,P_O,P_C,P_S,T1,T5,TW2,Tbt,Tsolar,SL1SL2,AHS,TBH interface zijn alleen verbonden met overeenkomstige aansluitingen op de hoofdpaneel van de master-unit.
-
De adrescode van de slave-unit moet ingesteld worden op de printplaat van de hydraulische module DIP-switch (zie elektrisch gestuurd bedradingsschema op de unit).
-
Het wordt aanbevolen om het omgekeerde retourwatersysteem te gebruiken om hydraulische onbalans tussen elke unit in een cascadesysteem te voorkomen.
LET OP
- In een cascadesysteem moet de Tbt-sensor aangesloten zijn op de master-unit en moet de Tbt-waarde ingesteld zijn op de gebruikersinterface, anders zullen alle slave-units niet werken.
- Indien een externe circulatiepomp in serie moet worden aangesloten in het systeem wanneer de opvoerhoogte van de interne waterpomp niet voldoende is, wordt voorgesteld om een externe circulatiepomp te installeren na de balanstank.
- Zorg ervoor dat het maximale interval van de inschakeltijd van alle eenheden niet meer dan 2 min bedraagt, wat ertoe kan leiden dat de slaves niet normaal communiceren.
- Maximaal 6 units kunnen in een systeem in cascade worden weergegeven. Alle adrescodes van de slave-unit kunnen niet hetzelfde zijn en kunnen niet 0# zijn
- De uitlaatleiding van elke unit moet worden geïnstalleerd met een terugslagklep.
8.4 Volumevereisten van de buffertank
| modelNR. | Buffertank (L) | |
| 1 | 5~10kW | ≥ 25 |
| 2 | 12~16 kW | ≥ 40 |
| 3 | Cascadesysteem | ≥ 40*n |
| n:De nummers van de buiten-unit | ||
9 OVERZICHT VAN HET APPARAAT
9.1. Belangrijkste componenten
| Code | Assemblage-unit | Toelichting |
| 1 | Stroomschakelaar | Detecteert het waterdebiet om de compressor en waterpomp te beschermen bij onvoldoende waterloop. |
| 2 | Automatische ontluchtingsventiel | Resterende lucht in het watercircuit wordt automatisch uit het watercircuit verwijderd. |
| 3 | Expansievat | Houdt de watersysteemdruk in evenwicht |
| 4 | Overdrukklep | Voorkomt overmatige waterdruk door bij 3 bar te openen en het water af te voeren uit het watercircuit. |
| 5 | Temperatuursensor | Vier temperatuursensoren bepalen de water- en koelmiddeltemperatuur op verschillende punten in het watercircuit. 5.1 -TW-uit; 5.2 -Tw-in; 5.3 -T2; 5.4 -T2B |
| 6 | Platenwarmtewisselaar | Voer warmte van het koelmiddel af naar het water. |
| 7 | Pomp | Circuleert water door het watercircuit. |
| 8 | Waterinlaattemperatuur | / |
| 9 | Wateruitlaat | / |
9.2 Bedieningspaneel
9.2.1 Hydraulisch modulepaneel

text_image
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 CN5 CN28 CN21 CN32 CN29 CN42 CN22 29 28 27 26 CN11 CN25 S1 S2 CN33 CN4 SW9 CN17 CN30 CN31 CN35 CN36 CN37 CN38 CN64 CN66 CN13 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 18 20 15 17 19 16 21 23 24| Order | Poort | Code | Assemblage-unit | Order | Poort | Code | Assemblage-unit |
| 1 | CN21 | VOEDING | Poort voor stroomvoorziening | 18 | CN27 | HA/HB | Poort voor communicatie met de bedrade HOME BUS controller (Gereserveerd) |
| 2 | CN5 | GND | Poort voor aarde | 19 | CN31 | 10V GND | Uitgangspoort voor 0-10V |
| 3 | CN28 POMP | Poort voor variabele snelheid van pompvermogensinvoer | HT | Regelpoort voor kamerthermostaat | |||
| 4 | CN25 | DEBUG | Poort voor IC-programmering | COM | Vermogenspoort voor kamerthermostaat | ||
| CL | Regelpoort voor kamerthermostaat | ||||||
| 5 | S1,S2,S3,SW9 | / | DIP-schakelaar | 20 | CN35 | SG | Poort voor smart grid (gridsignaal) |
| EVU | Poort voor smart grid (fotovoltaïsch signaal) | ||||||
| 6 | CN4 | USB | Poort voor USB-programmering | 21 | CN36 | M1 M2 | Poort voor afstandsschakelaar |
| 7 | CN33 | / | Poort voor licht ademen | T1 T2 | Poort voor thermostaatoverdrachtpaneel | ||
| 8 | CN8 | FS | Poort voor stroomschakelaar | 22 | CN17 | POMP_BP | Poort voor variabele snelheid van pompcommunicatie |
| 9 | CN6 | T2 | Poort voor koelvloeistofzijde temperatuur (warmtemodus) | 23 | CN19 | P Q | Communicatiepoort tussen de binnen- en buiten-unit |
| T2B | Poort voor temperatuursensoren van temperatuur koelgaszijde | 24 | CN30 | 3 4 | Poort voor communicatie met de bedrade controller | ||
| TW_in | Poort voor temperatuursensoren van de inlaatwater-temperatuur van de platenwarmtewisselaar | 6 7 | Communicatiepoort tussen hydraulische modulepaneel en hoofdbedieningspaneel | ||||
| TW_out | Poort voor temperatuursensoren van de uitlaatwa-tertemperatuur van de platenwarmtewisselaar | 25 | CN11 | 9 10 | Poort voor interne machinecascade | ||
| T1 | Poort voor temperatuursensoren van de watertemperatuur einduitlaat | 1 2 | Poort voor extra warmtebron | ||||
| 10 | CN24 Tbt | Poort voor de temperatuursensor van de balanstank | 3 4 17 | Poort voor SV1 (3-wegklep) | |||
| 5 6 18 | Poort voor SV2 (3-wegklep) | ||||||
| 11 | CN23 | RH | Poort voor vochtigheidssensor(gereserveerd) | 7 8 19 | Poort voor SV3 (3-wegklep) | ||
| 12 | CN13 T5 | Poort voor de temperatuursensor van de warmwatertank | 9 20 | Poort voor Zone 2 pomp | |||
| 13 | CN37 | Pw | Poort voor de temperatuursensor van waterdruk (gereserveerd) | 10 21 | Poort voor buitencirculatiepomp | ||
| 14 | CN15 | Tw2 | Poort voor de Zone 2-temperatuursensor van het uitlaatwater | 11 22 | Poort voor zonne-energiepomp | ||
| 12 23 | Poort voor DHW leidingpomp | ||||||
| 15 | CN38 T52 | Poort voor de temperatuursensor (gereserveerd) | 26 | CN22 | 13 16 | Regelpoort voor hulpverwarmingstank | |
| 16 | CN18 Tsolar | Poort voor de temperatuursensor van het zonnepaneel | 14 16 | Regelpoort voor interne back-upverwarming 1 | |||
| 17 | CN66 | K1 K2 | Ingangspoort (gereserveerd) | 27 | CN42 | HEAT6 | Poort voor antivries elektrisch verwarmingstape (intern) |
| S1 S2 | Ingangspoort voor zonne-energie | 28 | CN29 | HEAT5 | Poort voor antivries elektrisch verwarmingstape (intern) | ||
| 29 | CN32 | AC UIT | Poort voor back-upverwarming | ||||
9.2.2 Hoofdbedieningspaneel

text_image
1 2 3 4 5 6 CN1 AC IN COMM CN13 CN18 CN17 CN3 IN-SEN CN3_Tn CN43 IN-PRO IN-PRO IN-SEN CNM 22 CN39 VDDNCHHEAT3 DSP1 23 24 26 27 CN35 CN36 ST1 SN1 SW1 SW2 CN37 SV2 CN38 HEAT3 25 CN40 QUT1 CN42 CN39 HEAT1 CN41 HEAT2 CN19 CN45 CN11 CN20 CN22 X Y E P E Q P EQ H1 H2 E O A 15 14 13 12 11 10| Code | Assemblage-unit Assemblage-unit | Code | |
| 1 | Voedingspoort voor hoofdbedieningspaneel (CN1) 15 | Gereserveerd (CN42) | |
| 2 | Poort voor communicatie met omvormermodule (CN43) | 16 | Gereserveerd (CN41) |
| 3 | Poort voor hoge drukschakelaar (CN18) | 17 | OUT1 (CN40) |
| 4 | Poort voor lagedrukschakelaar (CN17) | 18 | Poort voor carter verwarmingstape (CN38) |
| 5 | Poort voor hoge druksensor (CN3) | 19 | SV2 (CN37) (gereserveerd) |
| 6 | Poort voor TH-temp.sensor (CN5) | 20 | Poort voor de 4-wegklep (CN36) |
| 7 | Poort voor TP-temp.sensor (CN4) | 21 | Poort voor verwarmingstape van afvoeropening (CN35) |
| 8 | Poort voor T3, T4 temp.sensor (CN6) | 22 | Voedingsuitgangspoort naar hydraulische modulepaneel (CN39) |
| 9 | Poort voor de elektrische expansieklep 1 (CN33) | 23 | Digitaal display (DSP1) |
| 10 | Poort voor communicatie met ampèremeter (CN22) | 24 | DIP-schakelaar S6 |
| 11 | Poort voor communicatie met buiten-unit (CN20) (gereserveerd) | 25 | DIP-schakelaar S1 |
| 12 | Poort voor communicatie met hydro-box-bedieningspaneel (CN11) | 26 | Poort voor geforceerde koeling (SW1) |
| 13 | Zelfde als ITEM 12(CN45 PQE) | 27 | Poort voor point check (SW2) |
| 14 | Poort voor communicatie met binnenmonitor (CN19 XYE) | 28 | DIP-schakelaar S7 (Gereserveerd) |
9.2.3 1-fasig 6-16 kW-units
1) 5/7/10kW,
omvormermodule

text_image
N, module 1 2 3 U V W CN32 4 CN2 CN1 CN13 CN12 57 689| Assemblage-unit Assemblage-unitCode | Code | ||
| 1 | Compressor-aansluitpoort U | 6 | Poort voor hoge drukschakelaar (CN12)(Gereserveerd) |
| 2 | Compressor-aansluitpoort V | 7 | Voedingspoort (CN13) |
| 3 | Compressor-aansluitpoort W | 8 | Ingangspoort L voor gelijkrichterbrug (CN501) |
| 4 | Poort voor ventilator (CN32) | 9 | Ingangspoort N voor gelijkrichterbrug (CN502) |
| 5 | Poort voor communicatie met hoofdbesturingspaneel (CN10) |
2) 12/14/16 kW, omvormermodule

text_image
V, omvormermodule 1 2 3 U V W CN32 4 CN2 CN1 CN22 CN13 CN12 CN10 10 56789| Assemblage-unit Assemblage-unitCode | Code | ||
| 1 | Compressor-aansluitpoort U | 6 | Poort voor hoge drukschakelaar (CN12) |
| 2 | Compressor-aansluitpoort V | 7 | PED-paneel (CN22) |
| 3 | Compressor-aansluitpoort W | 8 | Voedingspoort (CN13) |
| 4 | Poort voor ventilator (CN32) | 9 | Ingangspoort L voor gelijkrichterbrug (CN501) |
| 5 | Poort voor communicatie met hoofdbesturingspaneel (CN10) | 10 | Ingangspoort N voor gelijkrichterbrug (CN502) |
9.2.4 3-fase 12/14/16 kW-apparaten
1) Omvormermodule

text_image
9 CN1 CN16 CN1 CN12 8 7 CN5 CN3 13 12 6 CN7 CN22 11 5 CN15 CN39 4 CN17 2 CN18 1 CN19 CN10 10| Assemblage-unit Assemblage-unitCode | Code | ||
| 1 | Compressor-aansluitpoort W (CN19) | 8 | Voedingsingang poort L1 (CN16) |
| 2 | Compressor-aansluitpoort V (CN18) | 9 | Ingangspoort P_in voor IPM-module (CN1) |
| 3 | Compressor-aansluitpoort U (CN17) | 10 | Poort voor communicatie met hoofdbesturingspaneel (CN43) |
| 4 | Poort voor spanningsdetectie (CN39) | 11 | PED-paneel (CN22) |
| 5 | Voedingsingang poort L3 (CN15) | 12 | Poort voor communicatie met DC FAN (CN3) |
| 6 | Voedingsingang poort L2 (CN7) | 13 | Poort voor hoge drukschakelaar (CN12) |
| 7 | Ingangspoort P_out voor IPM-module (CN5) |
2) Filterpaneel

text_image
6 7 8 CN204 CN205 CN206 L3' L2' L1' 9 5 CN214 CN30 PE1 10 1 N L3 L2 CN202 CN201CN200CN203 L1 4 3 2PCB C 3-fasig 12/14/16 kW
| Code Code | Assemblage-unit Assemblage-unit | ||
| 1 | Voeding L1(CN202) | 6 | Voedingsfiltering uitgang L3 ' (CN204) |
| 2 | Voeding L2(CN201) | 7 | Voedingsfiltering L2 (CN205) |
| 3 | Voeding L3(CN200) | 8 | Voedingsfiltering L1 (CN206) |
| 4 | Voeding N (CN203) | 9 | Poort voor spanningsdetectie (CN30) |
| 5 | 10 Poort voor aardedraad (PE1)Voedingspoort voor hoofdbedieningspanne | ||
9.3 Aanleg van waterleidingen
Er is rekening gehouden met alle leidinglengten en -afstanden.
Vereisten
De maximaal toegestane thermistorkabellengte is 20 meter. Dit is de maximaal toegestane afstand tussen de warmwatertank en het apparaat (alleen voor installaties met een warmwatertank). De thermistorkabel die bij de warmwatertank wordt meegeleverd is 10 meter lang. Ten behoeve van de efficiëntie raden we u aan de 3-wegklep en de warmwatertank zo dicht mogelijk bij het apparaat te installeren.
OPMERKING
Als de installatie is voorzien van een warmwatertank (niet meegeleverd), raadpleeg dan de installatie- en gebruikershandleiding van die tank. Als geen glycol (antivriesmiddel) in het systeem zit of er is een stroomstoring, moet het systeem worden geleegd (zie de onderstaande afbeelding).

Als bij vorst het water niet uit het systeem wordt verwijderd, wanneer het toestel niet wordt gebruikt, kan het bevroren water de onderdelen van de watercircuit beschadigen.
9.3.1 Watercircuit controlleren
Het apparaat is uitgerust met een waterinlaat en een wateruitlaat voor aansluiting op een watercircuit. Alle veldbedrading en componenten moeten worden geïnstalleerd door een erkende elektricien en voldoen aan de lokale wet- en regelgeving. Het apparaat mag alleen worden gebruiken in een gesloten watersysteem. Toepassing in een open watercircuit kan leiden tot overmatige corrosie van de waterleidingen.
Voorbeeld:

flowchart
graph TD
A["Booster 1"] --> B["Modbus"]
B --> C["14 Valve"]
B --> D["12 Valve"]
B --> E["16 Valve"]
B --> F["15 Valve"]
B --> G["14 Valve"]
B --> H["10 Valve"]
H --> I["4.1 Valve"]
H --> J["4.2 Valve"]
I --> K["5 Valve"]
J --> L["4.1 Valve"]
K --> M["Binnen"]
L --> N["19 Valve"]
N --> O["20 Valve"]
O --> P["FHL1"]
O --> Q["FHL2"]
O --> R["FHLn"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#cff,stroke:#333
style F fill:#ffc,stroke:#333
style G fill:#fcc,stroke:#333
style H fill:#cff,stroke:#333
style I fill:#ffc,stroke:#333
style J fill:#fcc,stroke:#333
style K fill:#cfc,stroke:#333
style L fill:#fcc,stroke:#333
style M fill:#cfc,stroke:#333
style N fill:#cfc,stroke:#333
style O fill:#cfc,stroke:#333
style P fill:#fcc,stroke:#333
style Q fill:#fcc,stroke:#333
style R fill:#fcc,stroke:#333
| Code | Assemblage-unit | Code | Assemblage-unit |
| 1 | Hoofd-unit | 12 | Filter (accessoire) |
| 2 | 14 | Afsluitklep (niet meegeleverd)Bedieningspaneel (accessoire) | |
| 4 | Buffertank (niet meegeleverd) | 15 | Vulklep (niet meegeleverd) |
| 4.1 | Automatische ontluchtingsventiel | 16 | Afvoerklep (niet meegeleverd) |
| 4.2 | 19 | Collector/distributeur (niet meegeleverd)Afvoerklep | |
| 5 | P_o: Buitencirculatiepomp (niet meegeleverd) | 20 | Omloopklep (niet meegeleverd) |
| 10 | Expansievat (niet meegeleverd) | FHL1...n | Vloerwarmtecircuit (niet meegeleverd) |
Controleer het volgende voordat u verder gaat met de installatie van het apparaat:
- De maximale waterdruk ≤ 3 bar.
- De maximale watertemperatuur ≤ 70 °C volgens de instelling van de veiligheidsinrichting.
- Gebruik altijd materialen die compatibel zijn met de gebruikte materialen in het systeem en het apparaat.
- Zorg ervoor dat de in de veldleiding geïnstalleerde componenten bestand zijn tegen de waterdruk en -temperatuur.
- Op alle lage punten van het systeem moeten afvoerkanen worden aangebracht om het circuit tijdens het onderhoud volledig te kunnen afvoeren.
- Op alle hoge punten van het systeem moeten ontluchtingsopeningen aanwezig zijn. De openingen moeten zodanig worden geplaatst dat ze goed toegankelijk zijn voor onderhoud. In het apparaat is een automatische ontluchtingsklep aangebracht. Controleer of dit ontluchtingsventiel niet is vastgedraaid en de ontluchting van het watercircuit daardoor mogelijk is.
9.3.2 Watervolume en dimensioneringsexpansievaten
De apparaten zijn uitgerust met een expansievat van 5 L met een standaard voordruk van 1,5 bar. Om de goede werking van het apparaat te verzekeren, moet de voordruk van het expansievat mogelijk worden aangepast.
1) Controleer of de totale watervolume in de installatie, exclusief het interne watervolume van het apparaat, minimaal 40 L is.
OPMERKING
- Voor de meeste toepassingen is dit minimale watervolume genoeg.
- Voor kritische processen of in ruimten met een hoge warmtebelasting is er misschien extra water nodig.
- Wanneer de circulatie in elke ruimtewarmtekringloop door extern bediende kleppen wordt geregeld, moet dit minimale watervolume behouden blijven, zelfs als alle kleppen gesloten zijn.
2) Het volume van het expansievat moet overeenkomen met het totale volume van het watersysteem.
3) Om de expansie voor het warmte- en koelcircuit te dimensioneren.
Het volume van het expansievat kan volgens onderstaande figuur worden weergegeven:

line
| Watervolume van het systeem (L) | Expansievat (L) | | ------------------------------- | --------------- | | 150 | 3 | | 400 | 21 |9.3.3 Aansluiting van het watercircuit
De aansluitingen moeten worden uitgevoerd volgens de labels op de buitenunit, ten opzichte van de waterinlaat en -uitlaat.
LET OP
Voorkom vervorming van leidingen van het apparaat door overmatige kracht bij het aansluiten van de leidingen. Vervorming van de leidingen kan storing van het apparaat veroorzaken.
Er kunnen problemen optreden wanneer lucht, vocht of stof in het watercircuit komt. Houd daarom altijd rekening met het volgende bij het aansluiten van het watercircuit:
- Gebruik alleen schone leidingen.
- houd bij het verwijderen van bramen het leidingeinde naar beneden.
- Bedek de leiding bij het insteken door een muur om binnendringend stof en vuil te voorkomen.
- Gebruik een goede schroefdraadafdichting voor het afdichten van de aansluitingen. De afdichting moet in staat zijn om de druk en temperatuur van het systeem te weerstaan.
- Bij gebruik van niet koperen metalen leidingen moet u twee soorten materialen van elkaar isoleren om galvanische corrosie te voorkomen.
- Aangezien koper een zacht materiaal is, moet geschikt gereedschap worden gebruikt voor de aansluiting van het watercircuit. Het gebruik van ongeschikt gereedschap leidt tot schade aan de leidingen.

OPMERKING
Het apparaat mag alleen worden gebruiken in een gesloten watersysteem. Toepassing in een open watercircuit kan leiden tot overmatige corrosie van de waterleidingen:
- Gebruik nooit Zn-gecoate onderdelen in het watercircuit. Er kan overmatige corrosie van deze onderdelen optreden als koperen leidingen in het interne watercircuit van het apparaat worden gebruikt.
- Bij gebruik van een 3-wegklep in het watercircuit. Kies bij voorkeur een 3-wegklep type kogel voor een volledige scheiding tussen het watercircuit voor warmleidingwater en die van de vloerverwarming.
- Bij gebruik van een 3-wegklep of een 2-wegklep in het watercircuit. De aanbevolen maximale omschakeltijd van de klep moet minder zijn dan 60 seconden.
9.3.4 Antivriesbescherming van het watercircuit
Alle interne hydraulische onderdelen zijn geïsoleerd om warmteverlies te beperken. Ook de veldleidingen moeten worden geïsoleerd.
Bovenstaande functies beschermen het apparaat niet tegen bevriezing in geval van een stroomstoring.
De software bevat speciale functies voor het gebruik van de warmtepomp en de back-upverwarming (indien deze optioneel en beschikbaar is) om het hele systeem te beschermen tegen bevriezing. Wanneer de temperatuur van waterloop in het systeem daalt tot een bepaalde waarde, zal het apparaat het water verwarmen met behulp van de warmtepomp, elektrische warmtekraan of de back-upverwarming. De antivriesbescherming schakelt alleen uit wanneer de temperatuur toeneemt tot een bepaalde waarde.
Er kan water in de stroomschakelaar komen dat niet kan worden afgevoerd en kan bevriezen wanneer de temperatuur laag genoeg is. De stroomschakelaar moet verwijderen en gedroogd worden voordat het in het apparaat kan worden geïnstalleerd.

Draai de stromingsschakelaar naar links om hem te verwijderen.
Droog de stroomschakelaar volledig af.
LET OP
Wanneer het apparaat lange tijd niet gebruikt wordt, zorg er dan voor dat het apparaat steeds onder spanning staat. Als u de stroom wilt uitschakelen, moet het water in het systeem schoon worden afgevoerd om te voorkomen dat het apparaat en het leidingsysteem worden beschadigd door bevriezing. Ook moet de stroom van het apparaat worden afgesloten nadat het water in het systeem is afgetapt.
⚠ WAARSCHUWING
Ethyleenglycol en propyleenglycol zijn GIFTIG.
9.4 Water vullen
- Sluit de watertoevoer aan op de vulklep en open het klep.
- Zorg ervoor dat de automatische ontluchtingsklep open staat.
- Vul met een waterdruk van ongeveer 2,0 bar. Verwijder lucht in het circuit zoveel mogelijk met de ontluchtingsafsluiters. Lucht in het watercircuit kan leiden tot storing van de elektrische back-upverwarming.
Zet de zwarte plastic bedekking/kap niet vast op het ontluchtingsventiel bovenaan het apparaat wanneer het systeem actief is. Open het ontluchtingsventiel, draai 2 volledige slagen linksom om het lucht uit het systeem te laten ontsnappen.

Het is mogelijk dat tijdens het vullen niet alle lucht uit het systeem verwijderd wordt. Achtergebleven lucht wordt tijdens de eerste bedrijfsuren van het systeem door automatische ontluchtingsventielen verwijderd. Het achteraf bijvullen van het water kan nodig zijn.
- De waterdruk is afhankelijk van de watertemperatuur (hogere druk bij hogere watertemperatuur). De waterdruk moet echter altijd boven de 0,3 bar blijven om het circuit luchtvrij te houden.
- Het is mogelijk dat het apparaat te veel water afvoert via de overdrukklep.
- De waterkwaliteit moet voldoen aan de EN 98/83 EG richtlijnen.
- De gedetailleerde waterkwaliteit kan worden gevonden in EN 98/83 EG richtlijnen.
9.5 Isolatie van waterleidingen
Alle (water)leidingen in het totale watercircuit moeten geïsoleerd worden om condensatie te voorkomen tijdens het koelen en vermindering van de warmte-/koelcapaciteit, evenals ter preventie van bevriezing van de buitenwaterleidingen tijdens de winter. Het isolatiemateriaal moet minimaal een brandwerendheid van B1 hebben en voldoen aan alle toepasselijke wetgeving. De dikte van de afdichtingsmaterialen moeten minimaal 13 mm zijn met een thermische geleiding van 0,039 W/mK om bevriezing van de buitenwaterleidingen te voorkomen.
Als de buitentemperatuur hoger is dan 30 °C en de vochtigheid hoger is dan RH 80%, moet de dikte van de afdichtmaterialen minstens 20 mm zijn om condensatie op het afdichtingsoppervlak te voorkomen.
9.6 Veldinstellingen
⚠ WAARSCHUWING
De vast bedrading moet worden voorzien van een hoofdschakelaar of andere vorm van onderbreking, met een contactscheiding in alle polen, volgens de relevante lokale wet- en regelgeving. Schakel de voeding uit voordat u aansluitingen maakt. Gebruik alleen koperdraden. Knijp nooit gebundelde kabels en zorg ervoor dat ze niet in contact komen met de leidingen en scherpe randen. Zorg ervoor dat er geen externe druk wordt uitgeoefend op de aansluitklemconnectors. Alle veldbedrading en componenten moeten worden geïnstalleerd door een erkende elektricien en voldoen aan de relevante lokale wet- en regelgeving.
De veldbedrading moeten worden uitgevoerd volgens het met het apparaat meegeleverde aansluitschema en de onderstaande instructies.
Zorg ervoor dat u een aparte voeding gebruikt. Gebruik nooit een voeding die gedeeld wordt met een ander apparaat.
Zorg voor aarding. Aard het apparaat niet aan een gas- of waterpijp, overspanningsafleider of telefoonaardedraad. Onvolledige aarding kan elektrische schokken veroorzaken.
Zorg ervoor dat u een aardlekschakelaar (30 mA) installeert. Als dit wordt nagelaten is er kans op een elektrische schok.
Zorg ervoor dat u de benodigde zekeringen of stroomonderbrekers installeert.
9.6.1 Voorzorgsmaatregelen voor elektrische bedrading
- Bevestig de kabels zo, dat ze niet in contact komen met de leidingen (vooral aan de hogedrukzijde).
- Zet de elektrische kabels vast met kabelbinders zoals aangegeven op de afbeelding, zodat deze niet in contact komen met de leidingen, met name aan de hogedrukzijde.
- Zorg ervoor dat er geen externe druk wordt uitgeoefend op de klemverbindingen.
- Let er bij de installatie van de aardlekschakelaar op dat deze compatibel is met de omvormer (bestand tegen hoogfrequente elektrische ruis) om te voorkomen dat de aardlekschakelaar onnodig wordt geopend.
OPMERKING
De aardlekschakelaar moet een hoge snelheid type stroomonderbreker van 30 mA (<0,1 s) zijn.
- Deze unit is uitgerust met een omvormer. Het installeren van een faseverschuivingscondensator reduceert niet alleen het verbeteringseffect van de voedingsfactor, maar kan ook een abnormale verhitting van de condensator veroorzaken door hoogfrequente golven. Installeer nooit een faseverschuivingscondensator, aangezien dit kan leiden tot ongevallen.
9.6.2 Bedradingsoverzicht
De onderstaande afbeelding laat een overzicht zien van de benodigde veldbedrading tussen de verschillende onderdelen van de installatie.

flowchart
graph TD
A["Air Heater"] --> B["Controller Unit"]
B --> C["Control Panel"]
C --> D["CN11"]
C --> E["CN30"]
C --> F["CN66"]
C --> G["CN31"]
B --> H["Water Heater"]
H --> I["RT D"]
I --> J["Valve 4"]
J --> K["Valve 7"]
K --> L["Valve 9"]
L --> M["Valve 10"]
M --> N["Valve 11"]
N --> O["Valve 12"]
O --> P["Valve 13"]
P --> Q["Valve 14"]
Q --> R["Valve 15"]
R --> S["Valve 16"]
S --> T["Valve 17"]
T --> U["Valve 18"]
U --> V["Valve 19"]
V --> W["Valve 20"]
W --> X["Valve 21"]
X --> Y["Valve 22"]
Y --> Z["Valve 23"]
Z --> AA["Valve 24"]
AA --> AB["Valve 25"]
AB --> AC["Valve 26"]
AC --> AD["Valve 27"]
AD --> AE["Valve 28"]
AE --> AF["Valve 29"]
AF --> AG["Valve 30"]
AG --> AH["Valve 31"]
AH --> AI["Valve 32"]
AI --> AJ["Valve 33"]
AJ --> AK["Valve 34"]
AK --> AL["Valve 35"]
AL --> AM["Valve 36"]
AM --> AN["Valve 37"]
AN --> AO["Valve 38"]
AO --> AP["Valve 39"]
AP --> AQ["Valve 40"]
AQ --> AR["Valve 41"]
AR --> AS["Valve 42"]
AS --> AT["Valve 43"]
AT --> AU["Valve 44"]
AU --> AV["Valve 45"]
AV --> AW["Valve 46"]
AW --> AX["Valve 47"]
AX --> AY["Valve 48"]
AY --> AZ["Valve 49"]
AZ --> BA["Valve 50"]
BA --> BB["Valve 51"]
BB --> BC["Valve 52"]
BC --> BD["Valve 53"]
BD --> BE["Valve 54"]
BE --> BF["Valve 55"]
BF --> BG["Valve 56"]
BG --> BH["Valve 57"]
BH --> BI["Valve 58"]
BI --> BJ["Valve 59"]
BJ --> BK["Valve 60"]
BK --> BL["Valve 61"]
BL --> BM["Valve 62"]
BM --> BN["Valve 63"]
BN --> BO["Valve 64"]
BO --> BP["Valve 65"]
BP --> BQ["Valve 66"]
| Assemblage-unitCodeAssemblage-unitCode | |||
| P_d: DHW-pomp (niet meegeleverd)GHoofd-unitA | |||
| SV2: 3-wegklep (niet meegeleverd)HZonne-energieset (niet meegeleverd) | |||
| IBed | Svingsparegklop voor de warmwatertank (niet meegeleverd) | ||
| D | Lage spanning kamerthermostaat (niet meegeleverd) | J | Boosterverwarming |
| E | P_s: Zonnepomp (niet meegeleverd) | K | Contactor |
| F | P_o: Buitencirculatiepomp (niet meegeleverd) | L | Voeding |
| Item | Omschrijving AC/DC Aantal benodigde geleiders Maximale bedrijfsstroom | |||
| 1 | Zonne-energieset-signaalkabel AC | 2 | 200 mA | |
| 2 | Bedieningspaneelkabel | AC | 5 | 200 mA |
| 3 | Kamerthermostaatkabel | AC | 2 | 200 mA(a) |
| 4 | Zonnepomp besturingskabel | AC | 2 | 200 mA(a) |
| 5 | Buitencirculatiepomp besturingskabel | AC | 2 | 200 mA(a) |
| 6 | Besturingskabel van DHW-pomp | AC | 2 | 200 mA(a) |
| 7 | SV2: Besturingskabel van 3-wegklep | AC 200 mA(a) | 3 | |
| 8 | SV1: Besturingskabel van 3-wegklep | AC | 3 | 200 mA(a) |
| 9 | Besturingskabel voor boosterverwarming | AC | 2 | 200 mA(a) |
(a) Minimale kabeldoorsnede AWG18 (0,75 mm²).
(b) De thermistorkabels worden met het apparaat geleverd: een AC-contactor is nodig als de laadstroom hoog is.
OPMERKING
Gebruik H07RN-F voor de voedingskabel; alle kabels zijn aangesloten op hoogspanning, behalve de thermistor- en bedieningspaneelkabel.
- Apparatuur moet geaard worden.
- Alle externe hoogspanningslaadstroom, als het metaal of een geaarde poort is, moet geaard worden.
- Alle externe laadstroom moet minder dan 0,2A zijn, als de enige stroombelasting groter is dan 0,2A, moet de last door AC-schakelaar worden gecontroleerd.
- "AHS1" "AHS2" bedradingsklempoorten leveren alleen het schakelsignaal.
- Expansieklep E-warmtetape, platenwarmtewisselaar E-warmtetape en stroomschakelaar E-warmtetape delen een regelpoort.
Richtlijnen voor veldbedrading
- De meeste veldbekabelingen op het apparaat moeten worden gemaakt op het klemmenblok in de schakelkast. Om toegang verkrijgen tot het klemmenblok, moet u het onderhoudspaneel (deur 2) van de schakelkast verwijderen.
⚠ WAARSCHUWING
Schakel alle stroom uit, inclusief de voeding van het apparaat, back-upverwarming en de voeding van de warmwatertank (indien van toepassing), voordat u het onderhoudspaneel van de schakelkast verwijdert.
- Bevestig alle kabels met behulp van kabelbinders.
- Voor de back-upverwarming is een speciaal voedingscircuit nodig.
- Installaties die zijn uitgerust met een warmwatertank (niet meegeleverd) hebben een speciaal stroomcircuit voor de hulpverwarming nodig. Zie de installatie- en gebruikershandleiding van de warmwatertank. Zet de bedrading in de hieronder aangegeven volgorde vast.
- Leg de elektrische bedrading zo aan dat de voorkap niet omhoog komt bij het uitvoeren van de bedradingswerkzaamheden en maak de voorkap goed vast.
- Volg het elektrische bedradingsschema voor elektrische bedradingswerkzaamheden (de elektrische bedradingsschema's bevinden zich aan de achterzijde van deur 2.
- Installeer de draden en bevestig de afdekkap stevig, zodat deze er goed in past.
9.6.3 Voorzorgsmaatregelen bij de bedrading van de voeding
- Gebruik een ronde krimpklem voor aansluiting op het klemmenbord van de voeding. Als deze door onvermijdelijke redenen niet kan worden gebruikt, moet u de volgende instructies in acht nemen.
- Sluit geen verschillende meterdraden aan op dezelfde voedingsaansluiting (losse aansluitingen kunnen leiden tot oververhitting).
- Zie de onderstaande afbeelding voor het correct aansluiten van draden op dezelfde meter.

- Gebruik de juiste schroevendraaier om de klemmen vast te draaien. Kleine schroevendraaiers kunnen de schroefkop beschadigden en ervoor zorgen dat de schroef niet goed wordt vastgedraaid.
- Het te vast aandraaien van de klemschroeven kan de schroeven beschadigen.
- Breng een aardlekschakelaar en een zekering aan op de elektrische leiding.
- Let er voor de bekabeling op dat de voorgeschreven draden worden gebruikt, maak de volledige verbindingen en bevestig de draden zodat er geen kracht van buitenaf op de klemmen kan worden uitgeoefend.
9.6.4 Vereisten van veiligheidsvoorzieningen
- Selecteer de draaddiameters (minimum waarde) afzonderlijk voor elke unit op basis van tabel 9-1 en tabel 9-2, waar de nominale stroom in tabel 9-1, MCA in tabel 9-2 betekent. In het geval dat de MCA hoger is dan 63A, moeten de draaddiameters worden geselecteerd volgens de nationale bedradingsregelgeving.
- Maximum toegestane spanningsbereik tussen fasen is 2%.
- Selecteer een stroomonderbreker met een contactscheiding in alle polen van minimaal 3 mm voor volledige scheiding, waarbij de MFA wordt gebruikt om de stroomonderbrekers en de aardlekschakelaars te selecteren.
Tabel 9-1
| Nominale stroom van apparaat: (A) | Nominaal dwarsdoorsnedeoppervlak (mm2) | |||||||
| Flexibele snoeren | Kabel voor vaste bedrading | |||||||
| ≤3 | 0,5 | en | 0,75 | 1 | en | 2,5 | ||
| >3 | en | ≤6 | 0,75 | en | 1 | 1 | en | 2,5 |
| >6 | en | ≤10 | 1 | en | 1,5 | 1 | en | 2,5 |
| >10 | en | ≤16 | 1,5 | en | 2,5 | 1,5 | en | 4 |
| >16 | en | ≤25 | 2,5 | en | 4 | 2,5 | en | 6 |
| >25 | en | ≤32 | 4 | en | 6 | 4 | en | 10 |
| >32 | en | ≤50 | 6 | en | 10 | 6 | en | 16 |
| >50 | en | ≤63 | 10 | en | 16 | 10 | en | 25 |
Tabel 9-2
1-fasig 6-16 kW standaard en 3-fasig 12-16 kW standaard
| Systeem | Buitenunit Voedingspanning Compressor OFM | ||||||||||
| Spanning (V) | Hz Min. (V) | Max. (V) | MCA (A) | TOCA (A) | MFA (A) | MSC (A) | RLA (A) | KW FLA | (A) | ||
| 6 kW | 198 | 264 18 | 13 25 | - | 10,50 | 0,17 | 1,50220 | ||||
| 8 kW | 264 | 2520,340 | 50 198 | - | 10,50 | 0,17 | 1,50 | ||||
| 10kW | 18264 | 25220-240 | 50-198 | 10,50 | 0,17 | 1,5016 | |||||
| 12 kW 1-PH | 220-240 | 50 | 198 | 264 | 25 30 | 40 | - | 17,00 | 0,17 | 1,50 | |
| 14 kW 1-PH | 220-240 | 50 | 198 | 264 | 26,5 30 | 40 | - | 17,00 | 0,17 | 1,50 | |
| 16 kW 1-PH | 220-240 | 50 | 198 | 264 | 28 30 | 40 | - | 17,00 | 0,17 | 1,50 | |
| 12 kW 3-PH | 380-415 | 50 | 342 | 456 | 9,5 | 14 | 16 | - | 16,00 | 0,17 | 0,70 |
| 14 kW 3-PH | 380-415 | 50 | 342 | 456 | 10,5 14 | 16 | - | 16,00 | 0,17 | 0,70 | |
| 16 kW 3-PH | 380-415 | 50 | 342 | 456 | 11,5 14 | 16 | - | 16,00 | 0,17 | 0,70 | |

OPMERKING
TOCA: Totaal overstroom Amp. (A)
RLA: De ingangsstroom van de compressor bij werking op de maximale frequentie onder nominale koel- of warmte-omstandigheden. Hz kan nominale belastingsstroom bedienen. (A)
KW: Nominaal motorvermogen
FLA: Stroomsterkte bij vollast. (A)
9.6.5 Verwijder kap van de schakelkast
1-fasig 6-16 kW standaard en 3-fasig 12-16 kW standaard
| Unit | 6 kW 8 kW 10kW | 12 kW 14 kW 16 kW 12 kW 3-PH 14 kW 3-PH 16 kW 3-PH | |||||||
| Maximale overbelastingbevei liging (MOP)(A) | 18 18 13 | 30 30 30 | 14 14 14 | ||||||
| Bedradingsgrootte ( mm^2 ) | 4,0 4,0 | 4,0 6,0 6,0 | 6,0 2,5 2,5 | 2,5 | |||||

De aardlekschakelaar moet een hoge snelheid type stroomonderbreker van 30mA (<0,1s) zijn. Gebruik 3-aderige afgeschermde draad.
Opgegeven waarden zijn maximumwaarden (zie elektrische gegevens voor exacte waarden).
De lekbeschermingsschakelaar moet op de voeding van het apparaat worden geïnstalleerd.

flowchart
graph TD
A["Sw9"] --> B["Master-unit"]
B --> C["CN30"]
C --> D["Verdeelkast Verdeelkast Verdeelkast Verdeelkast"]
D --> E["Slave-unit 1"]
D --> F["Slave-unit 2"]
D --> G["Slave-unit x"]
E --> H["Externe weerstand"]
F --> I["Externe weerstand"]
G --> J["Externe weerstand"]
K["Aan/uit-schakelaar (On/Off)"] --> L["Zekering"]
M["Voeding binnen"] --> N["Verdeelkast Verdeelkast Verdeelkast Verdeelkast"]
O["Gebruik afgeschemde draad en de beschermende laag moet geaard zijn."] --> P["Master-unit"]
Q["Alleen de laatste binnen-unit vereist het toevogen van een externe weerstand bij H1 on H2"] --> R["Slave-unit x"]
S["Deutschminder van het cascadesysteem (1N~)"]

flowchart
graph TD
A["Sw9"] --> B["Master-unit"]
B --> C["CN30"]
C --> D["Slave-unit 1"]
C --> E["Slave-unit 2"]
C --> F["Slave-unit x"]
D --> G["Zekering"]
D --> H["Zekering"]
E --> I["Zekering"]
E --> J["Zekering"]
F --> K["Externe weerstand"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#cff,stroke:#333
style F fill:#ffc,stroke:#333
LET OP
- De cascadefunctie van het systeem biedt alleen ondersteuning voor max. 6 machines.
- Om ervoor te zorgen voor een geslaagd automatische adressering, moeten alle machines op dezelfde voeding worden aangesloten en tegelijkertijd worden ingeschakeld.
- Alleen de master-unit kan de controller aansluiten en u moet SW9 op van de master-unit op "ON" zetten, de slave-unit kan de controller niet aansluiten.
- Gebruik afgeschermde draad en de beschermende laag moet geaard zijn.
Gebruik bij het aansluiten op de voedingsklem de ronde bedradingsklem met de isolatiebehuizing (zie figuur 9.1).
Gebruik een netsnoer dat voldoet aan de specificaties en sluit het netsnoer stevig aan. Om te voorkomen dat het snoer door externe krachten wordt uitgetrokken, moet u ervoor zorgen dat het goed is bevestigd.
Als de ronde bedradingsklem met de isolatiebehuizing niet kan worden gebruikt, zorg er dan voor dat:
- u geen twee netsnoeren met verschillende diameters aansluit op dezelfde voedingsaansluiting (kan oververhitting van de draden veroorzaken als gevolg van losse bedrading) (Zie Figuur 9.2).

text_image
Draadklem Isolatiebuis NetsnoerFiguur 9.1

text_image
Koperdraad Juiste aansluitingen van de voedingsbedrading:Figuur 9.2
Aansluiting netsnoer van cascadesysteem
- Gebruik een speciale stroomvoorziening voor de binnen-unit die verschillend is van de stroomvoorziening voor de buiten-unit.
- Gebruik dezelfde stroomvoorziening, stroomonderbreker en lekbeveiligingsapparaat voor de binnen-units die op dezelfde buiten-unit zijn aangesloten.

text_image
Voeding Spanningsonderbreker Handmatige schakelaar DraadverdeelkastFiguur 9.3
9.6.6 Aansluiting van andere componenten
Unit 6-16 kW
Zie 9.2.1 voor gedetailleerde poortbeschrijving.
Poort levert het besturingssignaal naar de belasting. Twee typen besturingssignaalpoorten:
Type 1: Droge connector zonder spanning.
Type 2: Poort levert het signaal met 220 V spanning. Als de huidige stroombelasting < 0,2 A is, kan er direct op de poort worden aangesloten.
Als de stroombelasting >= 0,2 A is, is er een AC-contactor nodig voor de aansluiting.

Besturingssignaalpoort van hydraulische module: De CN11 bevat klemmen voor 3-wegklep, pomp, boosterverwarming, etc. De bedrading van de onderdelen is hieronder afgebeeld:
1) Voor extra warmtebronbeheersing (AHS):

text_image
ZEKERING L Voeding KM1 A1 N Extra warmtebron CN11| Spanning | 220-240VAC |
| Maximale bedrijfsstroom (A) | 0,2 |
| Bedradingsgrootte (mm ^2 ) | 0,75 |
| Signaaltype regelpoort | Type 2 |

text_image
Belasting ZEKERING L N CN11 1 2 A1/B1 A1/B2| Spanning | 220-240VAC |
| Maximale bedrijfsstroom (A) | 0,2 |
| Bedradingsgrootte (mm ^2 ) | 0,75 |
| Signaaltype regelpoort | Type 1 |
⚠ WAARSCHUWING
Dit gedeelte is alleen van toepassing op de basisversie. Voor de aangepaste versie, aangezien er een interval back-upverwarming in het apparaat zit, mag de hydraulische module niet worden aangesloten op een extra warmtebron.
2) Voor 3-wegklep SV1, SV2 en SV3:

flowchart
graph TD
A["CN11"] --> B["3 17 4"]
B --> C["SV1"]
C --> D["5 6 18 19"]
D --> E["5 18 6"]
E --> F["SV2"]
F --> G["7 8 19 19"]
G --> H["7 19 8"]
H --> I["SV3"]
| Spanning | 220-240VAC |
| Maximale bedrijfsstroom (A) | 0,2 |
| Bedradingsgrootte (mm2) | 0,75 |
| Signaaltype regelpoort | Type 2 |
a) Procedure
- Sluit de kabel aan op de overeenkomstige aansluitklemmen (zie afbeelding).
• Zorg ervoor dat de kabel goed vastzit.
3) Voor buitenpomp:

text_image
CN11 9 P 20 C1 Voeding KM2 7 5 3 A1 8 6 4 2 A2Zone2 pomp P_c

text_image
CN11 10 21 C1 Voeding KM3 7 5 3 1 A1 8 6 4 2 A2Buitencirculatiepomp P_o

text_image
CN11 Voeding KM4 A1 A2 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13Buitenzonne-energiepomp P_s

text_image
CN11 Voeding KM5 A1 A2 7 5 3 1 8 6 4 2DHW-buispomp P_d
| Spanning | 220-240VAC |
| Maximale bedrijfsstroom (A) | 0,2 |
| Bedradingsgrootte ( mm^2 ) | 0,75 |
| Signaaltype regelpoort | Type 2 |
a) Procedure
- Sluit de kabel aan op de overeenkomstige aansluitklemmen (zie afbeelding).
- Zorg ervoor dat de kabel goed vastzit.
4) Voor alarm of Ontdooien uitvoeren (P_x):

text_image
CN11 23 24 P A31 Voeding KM6 A1 A2 8 6 4 2 Alarm of Ontdooien| Spanning | 220-240VAC |
| Maximale bedrijfsstroom(A) | 0,2 |
| Bedradingsgrootte (mm ^2 ) | 0,75 |
| Signaaltype regelpoort | Type 2 |
a) Procedure
- Sluit de kabel aan op de overeenkomstige aansluitklemmen (zie afbeelding).
- Zorg ervoor dat de kabel goed vastzit.
5) Voor tankboosterverwarming (TBH):

flowchart
graph TD
A["13 Pin"] --> B["CN1"]
B --> C["Voeding"]
C --> D["KM7"]
D --> E["TCO"]
E --> F["TBH"]
G["A1"] --> C
H["A2"] --> C
I["Ground"] --> J["Ground"]
6) Voor interne back-upverwarming (IBH)

flowchart
graph TD
A["CN11"] --> B["Voeding"]
B --> C["KM8"]
C --> D["TCO"]
D --> E["IBH1"]
F["IBH2"] --> G["KM9"]
G --> H["TCO"]
H --> I["IBH1"]
J["IBH2"] --> K["KM10"]
K --> L["TCO"]
L --> M["IBH2"]
N["ICDC"] --> O["TCO"]
P["ICDC"] --> Q["TCO"]
R["ICDC"] --> S["TCO"]
T["ICDC"] --> U["TCO"]
V["A1"] --> W["IBH1"]
X["A2"] --> Y["IBH2"]
Z["A3"] --> AA["IBH1"]
AB["A4"] --> AC["IBH2"]
| Spanning | 220-240VAC |
| Maximale bedrijfsstroom (A) | 0,2 |
| Bedradingsgrootte (mm2) | 0,75 |
| Signaaltype regelpoort | Type 2 |
OPMERKING
- Het apparaat zendt alleen een ON/OFF-signaal naar de verwarming.
• IBH2 kan niet onafhankelijk worden bedraad.
7) Voor kamerthermostaat:
Kamerthermostaat (laagspanning): "POWER IN" levert de spanning voor de RT.
OPMERKING
De kamerthermostaat moet laagspanning zijn.
Kamerthermostaat (laagspanning):

text_image
CN5 CN28 CN8 CN6 CN24 CN23 CN21 CN32 CN25 S1 S2 CN33 CN13 CN37 CN15 CN36 CN18 CN64 CN27 CN29 CN42 S3 CN4 CN22 SW9 CN31 CN35 CN36 CN17 CN19 CN11 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 CN30 HT COM CL RT1 VOEDI NG IN Methode A (Modus in. regeling)
text_image
CN5 CN28 CN8 CN6 CN24 CN23 CN21 CN13 CN37 CN32 CN25 S1 S2 CN33 CN15 CN38 CN18 CN64 CN27 CN29 CN42 S3 CN4 CN22 SW9 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 3 18 20 4 5 7 9 10 11 CN11 CN30 HN17 CT 5 6.8 10 HT COM RT1 VOEDI NG IN
text_image
CN5 CN28 CN8 CN6 CN24 CN23 CN21 CN32 CN25 S1 S2 CN33 CN13 CN37 CN15 CN38 CN18 CN64 CN27 CN29 CN42 S3 CN4 CN22 CN11 SW9 CN31 CN35 CN36 CN17 CN30 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 3 6 7 8 9 10 11 12 20 4 5 6 7 8 9 10 11 12 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 8 9 10 HT COM CL MTHODE C (Dubbele zoneregeling) RT1 VOEDING IN zone1 zone2 RT2 VOEDING INEr zijn afhankelijk van de toepassing 3 methoden om de thermostaatkabel aan te sluiten (zoals beschreven in de bovenstaande afbeelding).
RT kan de verwarming en koeling afzonderlijk aansturen, zoals de controller voor 4-pijps-FCU. De hydraulische module is verbonden met de externe temperatuurcontroller, terwijl de gebruikersinterface VOOR ONDERHOUDSMONTEUR DE KAMERTHERMOSTA. op MODUS IN.:
A.1 Wanneer "CL" van de thermostaat gedurende 15s gesloten blijft, zal het systeem werken volgens de prioriteitsmodus ingesteld op de gebruikersinterface.
A.2 Wanneer "CL" van de thermostaat gedurende 15s open blijft en "HT" sluit, zal het systeem werken volgens de niet-prioritaire modus ingesteld op de gebruikersinterface.
A.3 Wanneer "HT" van de thermostaat gedurende 15s open blijft en "CL" open, zal het systeem uitschakelen.
A.4 Wanneer "CL" van de thermostaat gedurende 15s open blijft en "HT" open, zal het systeem uitschakelen.
COM is een gemeenschappelijke poort. De poortsluitspanning is 12VDC, de poortontkoppelingsspanning is 0VDC.
• Methode B (Eén-zoneregeling)
RT geven het schakelsignaal door aan het apparaat. Bedieningspaneel VOOR ONDERHOUDSMONTEUR stelt KAMERTHERMOSTA. in op EEN ZONE:
B.1 Het apparaat schakelt zich in wanneer het apparaat een spanning detecteert van 12 VDC tussen HT en COM.
B.2 Het apparaat schakelt zich uit wanneer het apparaat een spanning detecteert van 0 VDC tussen HT en COM.
• Methode C (Dubbele zoneregeling)
De hydraulische module is verbonden met twee kamerthermostaten, terwijl de gebruikersinterface VOOR ONDERHOUDSMONTEUR DE KAMERTHERMOSTA. op DUBBEL ZONE instelt:
C.1 Zone 1 schakelt in wanneer het apparaat een spanning detecteert van 12 VDC tussen HT en COM en schakelt uit bij een gedetecteerde spanning van 0 VDC tussen HT en COM.
C.2 Zone 2 schakelt zich in volgens de klimaattemperatuurcurve wanneer het apparaat een spanning detecteert van 12 VDC tussen CL en COM. Zone 2 schakelt zich uit wanneer het apparaat een spanning detecteert van 0 V tussen CL en COM.
C.3 Het apparaat schakelt zich in wanneer het apparaat HT-COM en CL-COM detecteert als 0 VDC.
C.4 Zone 1 en Zone 2 schakelen zich beide in wanneer het apparaat HT-COM en CL-COM detecteert als 12 VDC.
OPMERKING
- De bedrading van de thermostaat moet overeenkomen met de instellingen van de gebruikersinterface.
- De voeding van de machine- en kamerthermostaat moet op dezelfde nuldraad worden aangesloten.
- Wanneer KAMERTHERMOSTA. niet op NEE staat, kan de binnentemperatuursensor Ta niet op werkend worden ingesteld.
- Zone 2 kan alleen werken in de warmtemodus. Wanneer de koelmodus is ingesteld op de gebruikersinterface en Zone 1 is OFF (UIT), zal "CL" in Zone 2 sluiten en het systeem blijft "OFF" (UIT). Tijdens de installatie moet de thermostaatbedrading van Zone 1 en Zone 2 correct worden uitgevoerd.
a) Procedure
- Sluit de kabel aan op de overeenkomstige aansluitklemmen (zie afbeelding).
- Bevestig de kabel met kabelbinders op de kabelbinderbevestigingen om spanningsontlasting te garanderen.
8) Voor ingangssignaal zonne-energie (laagspanning):

text_image
CN5 CN28 CN8 CN6 CN24 CN23 CN21 CN25 S1 S2 CN33 CN13 CN37 CN15 CN38 CN18 CN64 CN27 S2 S1 CN32 CN29 CN42 S3 CN4 CN22 SW9 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 CN11 CN30 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 CN17 CN35 CN36 CN19 6.9 8.7 0 SLUITEN: UITSCHAKELEN9) Voor uitschakelen op afstand:

text_image
CN5 CN28 CN8 CN6 CN24 CN23 CN21 CN32 CN25 S1 S2 CN33 CN13 CN37 CN15 CN38 CN18 CN27 CN64 CN29 CN42 S3 CN4 SW9 CN35 CN31 CN36 CN19 CN11 CN30 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 13 18 20 21 22 23 24 SLUITEN: UITSCHAKELLEN10) Voor smart grid:
Het apparaat heeft een smart grid-functie; er zijn er twee poorten op PCB om het SG- en EVU-signaal als volgt aan te sluiten:

text_image
CN5 CN28 CN8 CN6 CN24 CN23 CN21 CN32 CN25 S1 S2 CN33 CN13 CN37 CN15 CN38 CN18 CN64 CN27 CN29 CN42 S3 CN4 CN22 CN11 CN30 SW9 CN17 CN19 CN31 CN35 CN30 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 SMART GRID1) SG=AAN, EVU=AAN.
Als DHW-modus is ingesteld op beschikbaar:
- De warmtepomp werkt eerst in DHW-modus.
- TBH is ingesteld op beschikbaar, als T5<69 °C, TBH wordt geforceerd ingeschakeld (De warmtepomp en TBH kunnen tegelijk werken); als T5≥70 °C, wordt TBH uitgeschakeld. (DHW=Warm Leidingwater, T5S is de ingestelde watertanktemperatuur.)
- TBH is ingesteld op niet beschikbaar en IBH is ingesteld op beschikbaar voor DHW-modus, als T5<59 °C,TBH geforceerd wordt ingeschakeld (De warmtepomp en TBH kunnen tegelijk werken); als T5≥60 °C, wordt IBH uitgeschakeld.
2) SG=UIT, EVU=AAN.
Als DHW-modus is ingesteld op beschikbaar en DHW-modus in ingeschakeld:
- De warmtepomp werkt eerst in DHW-modus.
- Als TBH is ingesteld op beschikbaar en DHW-modus is ingeschakeld, als T5< T5S-2, wordt THB ingeschakeld (De warmtepomp en IBH kunnen tegelijk werken); als T5≥ T5S+3, wordt TBH uitgeschakeld.
- Als TBH is ingesteld op niet beschikbaar en IBH is ingesteld op beschikbaar voor DHW-modus, als T5<T5S-dT5_ON,wordt IBH ingeschakeld (De warmtepomp en IBH kunnen tegelijk werken); als T5≥ Min: (T5S+3,60) wordt IBH uitgeschakeld.
3) SG=UIT, EVU=UIT.
Het apparaat werkt normaal
4) SG=AAN, EVU=UIT.
Warmtepomp,IBH, TBH wordt onmiddellijk uitgeschakeld.
10 INBEDRIJFSTELLING EN CONFIGURATIE
Het apparaat moet door de installateur worden geconfigureerd zodat deze overeenkomt met de installatieomgeving (buitenklimaat, geïnstalleerde opties enz.) en voldoet aan de gebruikersbehoefte.
LET OP
Het is belangrijk dat alle informatie in dit hoofdstuk opeenvolgend van begin tot eind wordt gelezen door de installateur en dat het systeem op passende wijze wordt geconfigureerd.
10.1 Eerste inbedrijfstelling bij een lage buitentemperatuur
Tijdens de eerste inbedrijfstelling en wanneer de watertemperatuur laag is, is het belangrijk dat het water geleidelijk wordt verwarmd. Als u dit niet doet, kunnen betonnen vloeren barsten door de snelle temperatuursverandering. Neem contact op met de verantwoordelijke bouwaannemer voor de betonnen vloer voor meer informatie.
Hiervoor kan de voorverwarmingsfunctie voor de vloer worden gebruikt (zie "SPECIALE FUNCTIE" in "VOOR ONDERHOUDSMONTEUR").
10.2 Controles voor de inbedrijfstelling
Controles vóór de eerste inbedrijfstelling.
GEVAAR
Schakel de voeding uit voordat u aansluitingen maakt.
Controleer het volgende na de installatie van het apparaat en voordat u de stroomonderbreker inschakelt:
- Veldbedrading: Zorg ervoor dat de veldbedrading tussen het lokale voedingspaneel en apparaat en kleppen/ventielen (indien van toepassing), het apparaat en kamerthermostaat (indien van toepassing), het apparaat en de warmwatertank en het apparaat en de back-upverwarmingset zijn aangesloten volgens de instructies beschreven in "9.6 Veldinstellingen", het aansluitschema's en de lokale wet- en regelgeving.
- Zekeringen, stroomonderbrekers of beveiligingen Controleer of de zekeringen of de lokaal geïnstalleerde beveiligingen van het formaat en het type zijn die in 15 "TECHNISCHE SPECIFICATIES" staan vermeld. Zorg ervoor dat zekeringen of veiligheidsvoorzieningen niet worden omzeild.
- Stroomonderbreker van back-upverwarming: Vergeet niet de schakelaar van de back-upverwarming in de schakelkast in te schakelen (dit is afhankelijk van het type back-upverwarming). Zie het aansluitschema.
- Stroomonderbreker van de boosterverwarming: Vergeet niet de stroomonderbreker van de boosterverwarming in te schakelen (alleen van toepassing voor modellen met een optionele warmwatertank).
- Aardbedrading: Zorg ervoor dat de aardedraden goed zijn aangesloten en dat de aardklemmen goed vastzitten.
- Interne bedrading: Controleer de schakelkast visueel op losse aansluitingen of beschadigde elektrische componenten.
- Montage: Controleer of het apparaat goed is gemonteerd om abnormale geluiden en trillingen te voorkomen bij het opstarten van het apparaat.
- Beschadigde apparatuur: Controleer de binnenkant van het apparaat op beschadigde componenten of platgedrukte leidingen.
- Koelmiddellekkage: Controleer de binnenkant van het apparaat op koelmiddellekkage. Neem contact op met uw lokale dealer bij koelmiddellekkage.
- Voedingsspanning: Controleer de voedingsspanning op het lokale voedingspaneel. De spanning moet overeenkomen met die op het identificatielabel van het apparaat.
- Ontluchtingsventiel: Zorg ervoor dat het ontluchtingsventiel geopend is (minstens 2 slagen).
- Afsluitkleppen: Zorg ervoor dat de afsluitkleppen volledig open staan.
10.3 Storingsdiagnose bij eerste installatie
- Als er niets wordt weergegeven op de gebruikersinterface, moet op een van de volgende afwijkingen worden gecontroleerd voordat de diagnose van mogelijke storingscodes wordt gesteld.
- Onderbrekings- of bedradingsfout (tussen de voeding en het apparaat en tussen het apparaat en de gebruikersinterface).
-De zekering op de PCB kan kapot zijn.
- Als de gebruikersinterface "E8" of "E0" als storingscode aangeeft, is het mogelijk dat er lucht in het systeem aanwezig is of dat het waterniveau in het systeem lager is dan het vereiste minimum.
- Als de storingscode E2 wordt weergegeven op de gebruikersinterface, controleer dan de bedrading tussen de gebruikersinterface en het apparaat.
Meer storingscodes en -oorzaken staan vermeld in "14.3 Storingscodes".
10.4 Installatiehandleiding
10.4.1 Veiligheidsmaatregelen
- Lees de veiligheidsmaatregelen aandachtig door voordat u het apparaat installeert.
- Hieronder worden belangrijke veiligheidskwesties vermeld waaraan moet worden voldaan.
- Als er na voltooiing geen abnormale verschijnselen zijn tijdens het testen, overhandig dan de handleiding aan de gebruiker.
- Betekenis van symbolen:
WAARSCHUWING
Betekent onjuiste behandeling kan leiden tot fataal ongeluk of ernstig letsel.
LET OP
Betekent onjuiste behandeling kan leiden tot persoonlijk letsel of materiele schade.
WAARSCHUWING
Laat het apparaat door de distributeur of technici installeren.
Ondeskundige installatie kan leiden tot storingen, elektrische schokken of brand.
Volg de aanwijzingen in deze handleiding strikt op.
Onjuiste installatie kan elektrische schokken of brand veroorzaken.
Herinstallatie moet worden uitgevoerd door bekwame technici.
Onjuiste installatie kan elektrische schokken of brand veroorzaken.
Demonteer uw airconditioner niet zonder technische kennis.
Ondeskundige demontage kan een storingen en zelfs brand veroorzaken.
LET OP
De bedrade controller moet binnenshuis worden geïnstalleerd en mag niet rechtstreeks aan zonlicht worden blootgesteld.
Installeer het apparaat niet op een plaats die mogelijk blootstaat aan ontvlambare gassen.
Als brandbare gassen ontsnappen en in contact komen met de bedrade controller, kan er brand ontstaan.
De bedrading moet geschikt zijn voor de spanning van de de bedrade controller.
Anders kan er elektrische lekkage of oververhitting optreden en dit kan brand veroorzaken.
De gespecificeerde kabels moeten op de bedrading worden aangesloten. Er mag geen externe druk op de terminal worden uitgeoefend.
Anders kan bedrading worden beschadigd en kan er oververhitting en brandgevaar ontstaan .
LET OP
Plaats de bedrade afstandsbediening niet in de buurt van de lampen om te voorkomen dat het externe signaal van de afstandsbediening wordt gestoord. (zie afbeelding rechts)

10.4.2 Andere voorzorgsmaatregelen
10.4.2.1. Installatielocatie
Installeer het apparaat niet op een plaats met veel olie, stoom of sulfidegas.
Het apparaat kan vervormen en defect raken.
10.4.2.2 Voorbereiding voor installatie
1) Controleer of het volgende compleet is.
| Nr. | Naam | Aantal | Opmerkingen |
| 1 | Bedrade controller | 1 | —— |
| 2 | Ronde houtschroef met ronde kop | 3 | Voor wandmontage |
| 3 | Montageschroef met ronde kop | 2 | Voor montage op de schakelkast |
| 4 | Installatie- en gebruikershandleiding | 1 | —— |
| 5 | Kunststof bout | 2 | Dit accessoire wordt gebruikt wanneer de gecentraliseerde besturing in de elektrische kast wordt geïnstalleerd |
| 6 | Kunststof expansieleiding | 3 | Voor wandmontage |
10.4.2.3 Opmerking voor installatie van bedrade controller:
1) Deze installatiehandleiding bevat informatie over de installatieprocedure van de bedrade afstandsbediening. Raadpleeg de installatiehandleiding van de binnenunit voor de verbinding tussen de bedrade afstandsbediening en de binnenunit.
2) Het circuit van bedrade afstandsbediening is laagspanningscircuit. Sluit het nooit aan op een standaard 220V / 380V-circuit en plaats het niet in dezelfde bedradingsbuis met het circuit.
3) De afgeschermde kabel moet stabiel geaard worden om goed verbinding te verzekeren.
4) Probeer de afgeschermde kabel niet te verlengen door deze af te knippen. Gebruik indien nodig een verbindingsaansluitblok.
5) After finishing connection, do not use Megger to have the insulation check for the signal wire.
6) De voeding afsluiten bij de installatie van de bedrade controller.
10.4.3 Installatieprocedure en bijpassende instelling van bedrade controller
10.4.3.1 Afmetingen apparaat

text_image
120 mm 20 mm 120 mm Figuur A 19 mm84 mm 44 mm 46 mm 60 mm10.4.3.2 Bedrading

text_image
D1 D2 E X1/HB X2/HA L1 A B X HA Y H8 E P Q E1 H1 H2 Hydraulische module H1 H2 Bedrade controller EA+ B- Modbus| 18V DCIngangsspanning (HA / HB) | |
| Bedradingsgrootte | 0,75 mm2 |
| Draadtype | 2-kern beschermd getwist aderpaarkabel |
| Lengte bedrading | L1<50m |
De roterende gecodeerde schakelaar S3 (0-F) op het hoofdbedieningspaneel van de hydraulische module wordt gebruikt voor het instellen van het modbus-adres.
Standaard hebben de apparaten deze gecodeerde schakelaar gepositioneerd op = 0, maar dit komt overeen met het modbus-adres 16, terwijl de andere posities overeenkomen met een nummer, bijv. pos = 2 is adres 2, pos = 5 is adres 5.

10.4.3.3 Installatie achterkap

text_image
Klempositie Achterwand Voorkant Platte schroevendraaier Schroefgat geïnstalleerd op de drie M4X20
text_image
Schroefgat geïnstalleerd op de drie M4X20 Schroefgat geïnstalleerd op 86 elektriciteitskast, gebruik twee M4X25 Achterwand Signaal schakeld raden1) Gebruik een platte schroevendraaier om in de opening in de onderkant van de bedrade controller te steken en verdraai de schroevendraaier om de achterwand te verwijderen. (Let op de draairichting, anders raakt de achterklep beschadigd!)
2) Gebruik drie M4X20-schroeven om de achterwand direct op de muur te installeren.
3) Gebruik twee M4X25-schroeven om de achterwand op de 86 stroomkast te installeren en gebruik M4X20-schroeven voor bevestiging aan de muur.
4) Pas de lengte van twee plastic schroefstaven in het accessoire aan op de standaardlengte vanaf de schroefstang van de stroomkast tot aan de muur. Zorg ervoor dat u tijdens het installeren van de schroefstang plat regen de muur wordt gemonteerd.
5) Gebruik kruiskopschroeven om de onderste kap van de bedrade controller in de muur te bevestigen door de schroefstang. Zorg ervoor dat de onderkant van de bedrade controller zich op hetzelfde niveau bevindt na de installatie en installeer vervolgens de bedrade controller aan de onderkant.
6) Overmatig vastdraaien van de schroef kan vervorming van de achterwand tot gevolg hebben.

text_image
A Draaduitgangzijde links onder Afgesneden plaats van de draaduitgang linksonder
text_image
B 44 mm 60 mm Elektrictelsbox Bedradingsgat C Wandgat en bedradingsgat Diameter: Φ8--Φ10
text_image
Stopverf Trap 43 Stopverf Trap TrapVoorkom dat er water in de bedrade afstandsbediening komt, gebruik een trap en stopverf om de connectoren van draden af te dichten tijdens de installatie van de bedrading.
10.4.4 Installatie voorkap
Monteer de voorwand en zet deze vast. Vermijd dat de communicatiedraad tijdens de installatie beklemd raakt.

text_image
Sensor mag niet met vocht in aanraking komen.Installeer de achterwand op de juiste manier en zet de voorwand en de achterwand stevig vast, anders kan de wand loskomen.

Het apparaat moet worden geconfigureerd zodat hij voldoet aan de installatieomgeving (buitenklimaat, geïnstalleerde opties, enz.) en de vraag van de gebruiker. Een aantal veldinstellingen zijn beschikbaar. Deze instellingen zijn toegankelijk en programmeerbaar via "VOOR ONDERHOUDSMONTEUR" in het bedieningspaneel.
Inschakelen van het apparaat
Bij het inschakelen van de voeding, wordt "1%\~99%" weergegeven in de gebruikersinterface. Tijdens dit proces kan de gebruikersinterface niet worden gebruikt.
Procedure
Om één of meer veldinstellingen te wijzigen, zie "VOOR ONDERHOUDSMONTEUR" voor details.
OPMERKING
De temperatuurwaarden op de bedrade controller (bedieningspaneel) zijn in °C.
11 MENUSTRUCTUUR: OVERZICHT

flowchart
graph TD
A["MENU"] --> B["BEDRIJFSMODUS"]
A --> C["PRESET TEMPERATUUR"]
A --> D["WARMWATER"]
A --> E["SCHEMA"]
A --> F["OPTIES"]
A --> G["KINDERSLOT"]
A --> H["SERVICE INFORMATIE"]
A --> I["BEDRIJFSPARAMETER"]
A --> J["VOOR ONDERHOUDSMONTEUR"]
A --> K["WLAN-INSTALLING"]
A --> L["SN DSPL"]
B --> M["BEDRIJFSMODUS"]
B --> N["WARMTE"]
B --> O["KOUD"]
B --> P["AUTO"]
C --> Q["PRESET TEMPERATUUR"]
C --> R["PRESET TEMP."]
C --> S["WEER TEMP. INSTEL."]
C --> T["ECO MODUS"]
D --> U["WARMWATER"]
D --> V["DISINFECT"]
D --> W["SNEL DHW"]
D --> X["TANK WARMER"]
D --> Y["DHW POMP"]
U --> Z["DISINFECT"]
U --> AA["HUIDIGE STATUS"]
U --> AB["WERKINGSDAG START"]
C --> AC["SCHEMA"]
C --> AD["TIMER"]
C --> AE["WEKS SCHEMA"]
C --> AF["SCHEMA CONTROLE"]
C --> AG["CANCEL TIMER"]
D --> AH["OPTIES"]
D --> AI["STIL MODUS"]
D --> AJ["VAKANTI WEG"]
D --> AK["VAKANTI HUIS"]
D --> AL["BACKUP WARMER"]
E --> AM["KINDERSLOT"]
E --> AN["KOUD/WARM TEMP. AANPASSEN"]
E --> AO["KOELEN/WARMEN AAN/UIT"]
E --> AP["DHW TEMP. AANPASSEN"]
E --> AQ["WARMWA. AAN/UIT"]
F --> AR["SERVICE INFORMATIE"]
F --> AS["SERVICE OPROEP"]
F --> AT["FOUT CODE"]
F --> AU["PARAMETER"]
F --> AV["DISPLAY"]
G --> AW["BEDRIJFSPARAMETER"]
H --> AX["VOOR ONDERHOUDSMONTEUR"]
H --> AY["WARMWATERINSTELLING"]
H --> AZ["KOELMODUS INSTELLING"]
H --> BA["WARMTEMODUS INSTELLING"]
H --> BB["AUTOMODUS INSTELLING"]
H --> BC["TEMP. TYPE INSTELLING"]
H --> BD["KAMERTHERMOSTA. OVERIGE WARMTEBRON"]
H --> BE["VAKANTIE WEG INSTELLING SERVICE OPROEP HERSTEL FABRIEKSINSTELL. TEST WERKING SPECIALE FUNCTIE AUTO HERSTART BEGRENZING VERMOGENINVOER DEFINEEN INVOER CASCADE SET HMI ADDRESS SET NORMALE IN."]
I --> BF["DISINFECT"]
I --> BG["HUIDIGE STATUS"]
I --> BH["STILLE NIVEAU TIMER1 START TIMER1 STOP TIMER1 TIMER2 START TIMER2 STOP TIMER2"]
J --> BH
K --> BH
L --> BH
AM --> BH
AN --> BH
AO --> BH
AP --> BH
AQ --> BH
AR --> BH
AS --> BI["VAKANTI WEG HUIDIGE STATUS DHW MODUS DISINFECT WARMTEMODUS VAN TOT"]
AR --> BI
AS --> BI
AT --> BI
AU --> BI
AV --> BI
AW --> BI
AX --> BI
AZ --> BI
BA --> BI
BB --> BI
BE --> BI
BF --> BI
BG --> BI
BH --> BI
VOOR ONDERHOUDSMONTEUR
1 WARMWATERINSTELLING
2 KOELMODUS INSTELLING
3 WARMTEMODUS INSTELLING
4 AUTOMODUS INSTELLING
5 TEMP. TYPE INSTELLING
6 KAMERTHERMOSTA.
7 OVERIGE VERWARMENDE BRONNEN
8 VAKANTIE WEG INSTELLING
9 SERVICE OPROEP
10 HERSTEL FABRIEKSINSTELL.
11 TESTEN
12 SPECIALE FUNCTIE
13 AUTO HERSTART
14 BEGRENZING VERMOGENINVOER
15 DEFINEEN INVOER
16 CASCADE SET
17 HMI ADDRESS SET
18 NORMALE IN.
1 WARMWATERINSTELLING
1.1 DHW MODUS
1.2 DISINFECT
1.3 DHW PRIORITEIT
1.4 DHW POMP
1.5 WARMWATER TIJDINSTEL.
1.6 dT5 ON
1.7dT1S5
1.8 T4DHWMAX
1.9 T4DHWMIN
1.10 t_INTERVAL_DHW
1.11 T5S_DISINFECT
1.12 t_DI_HIGHTEMP
1.13 t DI MAX
11.1 Bedrijfsparameters
De parameters voor dit hoofdstuk staan in de onderstaande tabel.
| Opdracht-nummer | Code Staat Star | daard | Unit | |
| 1.1 DHW | MODUS In-/uitschakelen | van de DHW-modus: 0=NEE, 1=JA 1 | / | |
| 1.2 DISINFECT | INFECT In-/uitschakelen van de desinfecteermodus: 0=NEE, 1=JA 1 | / | ||
| 1.3 DHW | PRIORITEIT | In-/uitschakelen van de DHW-prioriteitsmodus: 0=NEE, 1=JA | 1 | / |
| 1.4 POMP_d | P_d In-/uitschakelen van de DHW-pompmodus: 0=NEE, 1=JA 0 | / | ||
| 1.5 | WARMWATER TIJDINSTEL | In-/uitschakelen van de DHW-prioriteitstijdinstelling: 0=NEE, 1=JA | 0 | / |
| 1.6 dT5_ON | Het temperatuurverschil voor het opstarten van de warmtepomp | 10 | °C | |
| 1.7 dT1S5 | De verschilwaarde tussen Twout en T5 in de DHW-modus | 10 | °C | |
| 1.8 T4DHWMAX | De maximale omgevingstemperatuur waarin de warmtepomp leidingwater kan verwarmen | 43 | °C | |
| 1.9 T4DHWMIN | De minimale omgevingstemperatuur waarin de warmtepomp leidingwater kan verwarmen | -10 | °C | |
| 1.10 t_INTERVAL_DHW | De tijdsinterval van het opstarten van de compressor in DHW-modus. | 5 | MIN | |
| 1.11 T5S_DISINFECT 65 | De beoogde watertemperatuur in de warmwatertank in de desinfecteerfunctie. | °C | ||
| 1.12 t_DI_HIGHTEMP 15 | De tijd dat de hoogste watertemperatuur aanhoudt in de warmwatertank in de desinfecteerfunctie. | °C | ||
| 1.13 t_DI_MAX 210 | De maximale tijd dat het desinfecteren duurt. | MIN | ||
| 1.14 t_DHWHP_RESTRICT | De werkingstijd voor het verwarmen/koelen van de ruimte. | 30 | °C | |
| 1.15 t_DHWHP_MAX | De maximale looptijd van de warmtepomp in de modus DHW PRIORITEIT. | 90 | MIN | |
| 1.16 DHWPOMP LOOPTIJD | In-/uitschakelen van de DHW-pomp zoals getimed en blijft actief voor LOOPTIJD POMP: 0=NEE, 1=JA | 1 | / | |
| 1.17 | LOOPTIJD POMP_D | De bepaalde tijd dat de DHW-pomp blijft lopen. | 5 | MIN |
| 1.18 POMP_D DISINFECT | In-/uitschakelen van werking van de DHW-pomp wanneer het apparaat in de desinfecteermodus staat en T5≥T5S_DI -2:0=NEE,1=JA | 1 | / | |
| 1.19 ACS FUNCTION | In- of uitschakelen van de tweede watertankregeling T5_2: 0=NEE, 1=JA | 0 | / | |
| 2.1 KOE_MODUS In-/uitschakelen van de koelmodus: 0=NEE, 1=JA 1 | / | |||
| 2.2 t_T4_FRESH_C | De vernieuwingsinterval van klimaat-gerelateerde curves voor de koelmodus | 0,5 | uur | |
| 2.3 T4CMAX | De hoogste bedrijfsomgevingstemperatuur voor de koelmodus | 52 | °C | |
| 2.4 T4CMIN | De laagste omgevingstemperatuur voor de koelmodus | 10 | °C | |
| 2.5 dT1SC | Het temperatuurverschil tussen T1 en T1S (de ingestelde watertemperatuur) voor het starten van de warmtepomp | 5 | °C | |
| 2.6 | dTSC | Het temperatuurverschil tussen de actuele kamertemperatuur Ta en de ingestelde kamertemperatuur Tas voor het starten van de warmtepomp. | 2 | °C |
| 2.7 t_INTERVAL_C | De tijdsinterval van het opstarten van de compressor in koelmodus | 5 | min | |
| 2.8 T1SetC1 | De temperatuurinstelling 1 van klimaat-gerelateerde curves voor de koelmodus. | 10 | °C | |
| 2.9 T1SetC2 | De temperatuurinstelling 2 van klimaat-gerelateerde curves voor de koelmodus. | 16 | °C | |
| 2.10 T4C1 | De omgevingstemperatuur 1 van klimaat-gerelateerde curves voor de koelmodus. | 35 | °C | |
| 2.11 T4C2 | De omgevingstemperatuur 2 van klimaat-gerelateerde curves voor de koelmodus. | 25 | °C | |
| 2.12 ZONE1 C-EMISSIE | Het aansluitingstype of zone 1 voor koelmodus: 0=FCU (ventilatorconvector), 1=RAD.(radiator), 2=FHL (vloerverwarmingscircuit) | 0 | / | |
| 2.13 ZONE2 C-EMISSIE | Het aansluitingstype of zone 2 voor koelmodus: 0=FCU (ventilatorconvector), 1=RAD.(radiator), 2=FHL (vloerverwarmingscircuit) | 0 | / | |
| 3.1 WAR MTEMODUS In-/uitschakelen van warmtemodus | 1 | / | ||
| 3.2 | t_T4_FRESH_H | De vernieuwingsinterval van klimaat-gerelateerde curves voor de warmtemodus | 0,5 | uur |
| Opdracht-nummer | Code Staat Standaard | Unit | |
| 3.3 | T4HMAX | De maximale bedrijfsomgevingstemperatuur voor de warmtemodus | 25 |
| 3.4 | T4HMIN | De minimale bedrijfsomgevingstemperatuur voor de warmtemodus | -15 |
| 3.5 | dT1SH | Het temperatuurverschil tussen T1 en T1S (de ingestelde watertemperatuur) voor het starten van de warmtepomp | 5 |
| 3.6 | dTSH | Het temperatuurverschil tussen de werkelijke kamertemperatuur Ta en de ingestelde kamertemperatuur Tas voor het starten van de warmtepomp | 2 |
| 3.7 | t_INTERVAL_H | De tijdsinterval van het opstarten van de compressor in warmtemodus | 5 |
| 3.8 | T1SetH1 | De temperatuurinstelling 1 van klimaat-gerelateerde curves voor de warmtemodus | 35 |
| 3.9 | T1SetH2 | De temperatuurinstelling 2 van klimaat-gerelateerde curves voor de warmtemodus | 28 |
| 3.10 | T4H1 | De omgevingstemperatuur 1 van klimaat-gerelateerde curves voor de warmtemodus | -5 |
| 3.11 | T4H2 | De omgevingstemperatuur 2 van klimaat-gerelateerde curves voor de warmtemodus | 7 |
| 3.12 | ZONE1 H-EMISSIE | Het aansluitingtype of zone 1 voor warmtemodus: 0=FCU (ventilatorconvector), 1=RAD.(radiator), 2=FHL (vloerverwarmingscircuit) | 1 |
| 3.13 | ZONE2 H-EMISSIE | Het aansluitingtype of zone2 voor warmtemodus: 0=FCU (ventilatorconvector), 1=RAD.(radiator), 2=FHL (vloerverwarmingscircuit) | 2 |
| 3.14 | GEFORCEERD ONTDOOIEN | In-/uitschakelen van GEFORCEERD ONTDOOIEN 0=NEE, 1=JA | 0 |
| 4.1 | T4AUTOCMIN | De minimale bedrijfsomgevingstemperatuur voor koelen in de auto-modus | 25 |
| 4.2 | T4AUTOHMAX | De maximale bedrijfsomgevingstemperatuur voor verwarming in de auto-modus | 17 |
| 5.1 | WATERLOOP TEMP. | In-/uitschakelen van WATERLOOP TEMP.: 0=NEE, 1=JA 1 | |
| 5.2 | KAMERTEMP. | In-/uitschakelen van de KAMERTEMP.: 0=NEE, 1=JA | 0 |
| 5.3 | DUBBEL ZONE | In-/uitschakelen van de KAMERTHERMOSTA. DUBBEL Zone:0=NEE, 1=JA | 0 |
| 6.1 | KAMERTHERMOSTA. | Kamerthermostaattype: 0=NEE, 1=MODUS IN., 2=EEN ZONE, 3=DUBBEL ZONE | 0 |
| 6.2 | MODE IN. PRIORITEIT | Selecteer de priorileitsstand in KAMERTHERMOSTA.: 0=WARM, 1=KOUD | 0 |
| 7.1 | IBH-FUNCTIE | Selecteer de modus waarop IBH (BACK-UPVER-WARMING) kan lopen: 0=WARM+DHW, 1=WARM | 0 (DHW=geldig) 1(DHW=ongeldig) |
| 7.2 | IBH-LOCATE | De installatielocatie IBH(PIJPLUS=0) | 0 |
| 7.3 | dT1_IBH_ON | Het temperatuurverschil tussen T1S en T1 voor het starten van de back-upverwarming. | 5 |
| 7.4 | t_IBH_DELAY | De tijd dat de compressor heeft gelopen vóór het starten van de eerste stap back-upverwarming. | 30 |
| 7.5 | T4_IBH_ON | De omgevingstemperatuur voor het starten van de back-upverwarming. | -5 |
| 7.6 | P_IBH1 Voedingsingang | IBH1 | 0 |
| 7.7 | P_IBH2 Voedingsingang | IBH2 | 0 |
| 7.8 | AHS-FUNCTIE | In-/uitschakelen van de AHS-functie (EXTRA VERWARM-INGSBRON) 0=NEE, 1=WARM, 2=WARM+DHW | 0 |
| 7.9 | AHS_PUMPI CONTROL | Selecteer de bedrijfsstatus van de pomp wanneer alleen AHS draait: 0=RUN, 1=NOT RUN | 0 |
| 7.10 | dT1_AHS_ON | Het temperatuurverschil tussen T1S en T1B voor het inschakelen van de extra verwarmingsbron | 5 |
| 7.11 | t_AHS_DELAY | De tijd dat de compressor actief is geweest voor het starten van de extra verwarmingsbron | 30 |
| 7.12 | T4_AHS_ON | De omgevingstemperatuur voor het starten van de extra warmtebron | -5 |
| 7.13 | EnSWITCHPDC | In- of uitschakelen van de functie dat warmtepomp en hulpwarmtebron automatisch schakelen op basis van bedrijfskosten: 0=NEE, 1=JA | 0 |
| Opdracht-nummer | CodeStaatStandaard | Unit | ||
| 7.14 GAS_COST Gasprijs 0,85 | €/m3 | |||
| 7.15 ELE_COST | Elektriciteitsprijs | 0,20 | €/kWh | |
| 7.16 MAX_SETHEATER | Maximum insteltemperatuur van extra warmtebron | 80 | °C | |
| 7.17 MIN_SETHEATER | Minimum insteltemperatuur van extra warmtebron | 30 | °C | |
| 7.18 MAX_SIGHEATER | De spanning die overeenkomt met de maximale insteltemperatuur van de extra verwarmingsbron | 10 | V | |
| 7.19 | MIN_SIGHEATER | De spanning die overeenkomt met de minimale insteltemperatuur van de extra verwarmingsbron | 3 | V |
| 7.20 TBH FUNCTION | In-/uitschakelen van de TBH-functie (TANKBOOSTERVERWARMING) 0=NEE, 1=JA | 1 | / | |
| 7.21 dT5_TBH_OFF | Het temperatuurverschil tussen T5 en T5S (de ingestelde watertanktemperatuur) die de boosterverwarming uitschakelt. | 5 | °C | |
| 7.22 t_TBH_DELAY | De tijd dat de compressor heeft gelopen vóór het starten van de boosterverwarmer. | 30 | min | |
| 7.23 T4_TBH_ON | De omgevingstemperatuur voor het starten van de tankboosterverwarming | 5 | °C | |
| 7.24 P_TBH Voedingsingang TBH 2 | kW | |||
| 7.25 SOLAR FUNCTION | In-/uitschakelen van SOLAR-functie 0=NEE, 1=ONLY SOLAR, 2=SOLAR+HP (WARMTEPOMP) | 0 | / | |
| 7.26 SOLAR CONTROL | De regelmethode van de zonnepomp (pomp_s): 0=Tsolar, 1=SL1SL2 | 0 | / | |
| 7.27 DELTASOL 10 | De afwijkende temperatuur die de SOLAR inschakelt | °C | ||
| 8.1 T1S_H.A_H | De beoogde uitlaatwatertemperatuur voor ruimteverwarming in de vakantie weg-modus | 25 | °C | |
| 8.2 T5S_H.A_DHW | De beoogde tanktemperatuur voor het verwarmen van leidingwater in de vakantie weg-modus | 25 | °C | |
| 12.1 | VLOERVOORVER WARMING-T1S | De temperatuurinstelling van het uitlaatwater tijdens de eerste vloervoorverwarming | 25 | °C |
| t_FIRSTFH Looptijd voor de eerste voorverwarming van de vloer 72 | UUR | |||
| 12.2 | VLOER DROGEN HOGER | De functie vloer drogen | / | / |
| t_DRYUP | Temp-up-dagen voor het opdrogen van de vloer | 8 | DAG | |
| t_HIGHPEAK | Dagen voor het opdrogen van de vloer | 5 | DAG | |
| t_DRYD | Temp-down-dagen voor het opdrogen van de vloer | 5 | DAG | |
| t_DRYPEAK | Uitgangstemperatuur voor het opdrogen van de vloer | 45 | °C | |
| START TIJD De starttijd voor het opdrogen van de vloer | Tijd: de huidige tijd (niet op het uur +1, op het uur +2) Minuut:00 | u/min | ||
| START DATUM De starttdatum van het drogen van de vloer | De huidige datum | d/m/j | ||
| 13.1 | AUTO HERSTART KOEL/WARM MODUS | In-/uitschakelen van het automatisch opnieuw starten van de koel-/warmtemodus. 0=NEE, 1=JA | 1 | / |
| 13.2 | AUTO HERSTART DHW MODUS | In-/uitschakelen van het automatisch opnieuw starten van de Warmwatermodus (DHW). 0=NEE, 1=JA | 1 | / |
| 14.1 | BEGRENZING VERMOGENINVOER | Het type stroomingangsbeperking | 0 | / |
| Opdracht-nummer | Code Staat Standaard | Unit | |
| 15.1 M1M2 0 / | Definieer de functie van de M1M2-schakelaar:0=REMOTE AAN/UIT, 1=TBH AAN/UIT, 2=AHS AAN/UIT | ||
| 15.2 SMART GRID 0 | In-/uitschakelen van de SMART GRID: 0=NEE, 1=JA | / | |
| 15.3 T1T2 0 / | Bedieningsopties van Poort T1T2: 0=NEE, 1= RT/Ta_PCB | ||
| 15.4 Tbt | In-/uitschakelen van de Tbt: 0=NEE, 1=JA | 0 | |
| 15.5 | P_X PORT | Selecteer de functie van P_X PORT: 0=ONTDOOIEN,1=ALARM | 0 |
| 16.1 | PER_START Opstartpercentage van meerdere apparaten | 10 | % |
| 16.2 TIME_ADJUST | Aanpassingstijd van plaatsen en uitnemen van apparaten 5 | min | |
| 16.3 | ADRES RESET Reset de adrescode van het apparaat FF | / | |
| 17.1 | HMI SET 0 | Kies de HMI: 0= MASTER | |
| 17.2 | HMI ADDRESS FOR BMS | Stel het HMI-adres in voor BMS 1 | |
| 17.3 | STOP BIT | Bovenste computerstopbit: 1=STOP BIT1, 2=STOP BIT2 | 1 |
| 18.1 | t_DELAY POMP | De tijd dat de compressor actief is geweest vóór het starten van de pomp. | 2 |
| 18.2 | t1_ANTILOCK POMP | Intervaltijd anti-blokkeerpomp | 24 |
| 18.3 | t2_ANTILOCK POMPRUN | Looptijd anti-blokkeerpomp. | 60 |
| 18.4 | t1_ANTIBLOKKEER SV | Intervaltijd anti-blokkeerklep. | 24 |
| 18.5 | t2_ANTILOCK SV RUN | Looptijd anti-blokkeerklep. | 30 |
| 18.6 | Ta_adj. | De gecorrigeerde waarde van Ta op de bedrade controller. | -2 |
| 18.7 | F-PIJPLENGTE | Selecteer de totale lengte van de vloeistofleiding(F-PIJPLENGTE): 0=F-PIJPLENGTE<10m,1=F-PIJPLENGTE>= 10m | 0 |
| 18.8 | PUMP_I SILENT OUTPUT | De maximale uitgangslimiet van pomp_I. | 100 |
Het instellingsbereik van bovenstaande parameters kan worden opgevraagd door onderstaande QR-code te scannen. De QR-code bevat ook:
1) VOOR ONDERHOUDSMONTEUR (Het wachtwoord om VOOR ONDERHOUDSMONTEUR in te voeren is 234)
2) MODBUS TOEWIJZINGSTABEL
3) WIJZIG RECORD VAN QR CODE

12 EINDCONTROLES EN TEST WERKING
De installateur is verplicht om de juiste werking van het apparaat te controleren na de installatie.
12.1 Eindcontroles
Lees de volgende aanbevelingen vóór het inschakelen van het apparaat:
- Wanneer de installatie en de parameterinstelling voltooid zijn, moet al het plaatwerk van het apparaat goed worden afgedekt.
- Het apparaat moet door vakmensen worden onderhouden.
12.2 Testloop (handmatig)
TEST WERKING wordt gebruikt om de juiste werking van de kleppen, ventielen, ontluchting, circulatiepompwerking, koeling, verwarming en verwarming van leidingwater te controleren. Ga naar □ > VOOR ONDERHOUDSMONTEUR > 11. TEST WERKING. Druk op ←! Het wachtwoord is 234. De volgende pagina wordt weergegeven:

text_image
11 TEST WERKING ACTIVEER DE INSTELLINGEN EN ACTIVEER "TEST WERKING"? NEE BEVESTIGENAls JA wordt geselecteerd, worden de volgende pagina's weergegeven:

Als POINT CHECK wordt geselecteerd en u drukt op OK, worden de volgende pagina's weergegeven:

text_image
11 TEST WERKING 1/3 SV2 UIT SV3 UIT PUMPI UIT PUMPO UIT PUMPC UIT AAN/UIT
text_image
11 TEST WERKING 2/3 IBH UIT AHS UIT SV1 UIT PUMPD UIT PUMPS UIT AAN/UIT
Druk op ▼ ▲ om naar de componenten te bladeren die u wilt controleren en druk op ⏻.
LET OP
Voordat u POINT CHECK gebruikt, moet u ervoor zorgen dat het watersysteem en de tank gevuld zijn met water en dat de lucht eruit is, anders kan de pomp of het reserveverwarm- ingselement (optioneel) defect raken.
Als u ONTLUCHTEN selecteert, wordt de volgende pagina weergegeven:

text_image
11 TEST WERKING (POINT CHECK) ONTLUCHTEN POMPI UITVOER 70% ONTLUCHTEN LOOPTIJD 20 min OPENEN STOP BEVESTIGENPOMPI loopt volgens de uitgang en de looptijd die is ingesteld.
Als CIRCULATIEPOMP LOOPT wordt geselecteerd, wordt de volgende pagina weergegeven:

text_image
11 TEST WERKING Test run is ingeschakeld. CIRCULATIEPOMP IS INGESCHAKELD. BEVESTIGENWanneer circulatiepomp loopt wordt ingeschakeld, stoppen alle actieve componenten. 60 seconden later, de SV1 is dan uit, de SV2 is aan, 60 seconden later werkt POMPI. 30 seconden later, als de stroomschakelaar een normale stroom detecteert, wordt POMPI 3 minuten actief, waarna SV1 sluit en de SV2 wordt uitgeschakeld. 60 seconden later worden POMPI en POMPO actief en zal na 2 minuten de stroomschakelaar de waterloop controleren. Als de stroomschakelaar voor 15 seconden sluit, worden POMPI en POMPO actief tot de volgende opdracht wordt ontvangen.
Als KOELMODUS LOOPT wordt geselecteerd, wordt de volgende pagina weergegeven:

text_image
11 TEST WERKING Test run is ingeschakeld. Koelmodus is ingeschakeld. TEMPERATUUR UITGAANDE WATER IS 15 °C. BEVESTIGENTijdens het proefdraaien in de KOELMODUS is de beoogde standaard wateruitlaattemperatuur 7 °C. Het apparaat zal actief zijn tot de watertemperatuur tot een bepaalde waarde is gedaald of tot de volgende opdracht wordt ontvangen.
Als WARMTEMODUS LOOPT wordt geselecteerd, wordt de volgende pagina weergegeven:

text_image
11 TEST WERKING Test run is ingeschakeld. Warmtemodus is ingeschakeld. TEMPERATUUR UITGAANDE WATER IS 15 °C. BEVESTIGENTijdens het proefdraaien in de WARMTEMODUS is de beoogde standaard wateruitlaattemperatuur 35 °C. Wanneer de compressor voor 10 minuten loopt, schakelt de IBH (back-upverwarming) zich in voor 3 minuten en zal de warmtepomp lopen zijn tot de watertemperatuur tot een bepaalde waarde is gestegen of tot de volgende opdracht wordt ontvangen.
Als DHW MODUS LOOPT wordt geselecteerd, wordt de volgende pagina weergegeven:

text_image
11 TEST WERKING Test run is ingeschakeld. DHW modus is ingeschakeld. TEMPERATUUR UITGAANDE WATER IS 15 °C Temperatuur watertank is 13 °C BEVESTIGENTijdens het proefdraaien in de DHW MODUS is de beoogde standaardtemperatuur van het leidingwater 55 °C. De TBH (boosterverwarming van de tank) schakelt zich in nadat de compressor 10 minuten heeft gelopen. De TBH schakelt zich 3 minuten later weer uit en de warmtepomp zal actief zijn tot de watertemperatuur tot een bepaalde waarde is gestegen of tot de volgende opdracht wordt ontvangen.
Tijdens de testloop zijn alle knoppen, behalve ←↓, gedeactiveerd. Druk op ←↓ als u de testloop wilt uitschakelen. Bijvoorbeeld: wanneer het apparaat in de ontluchtingsmodus staat, wordt de volgende pagina weergegeven nadat u op ←↓ drukt:

text_image
WILT U DE FUNCTIE TEST WERKING (ONTLUCHTEN) UITSCHAKELEN?Druk op ◀▶ om naar JA te bladeren en druk op ←↓. Testloop wordt uitgeschakeld.

text_image
11 TEST WERKING (ONTLUCHTEN) ONTLUCHTEN POMPI UITVOER 70% ONTLUCHTEN LOOPTIJD 20 min OPENEN STOP BEVESTIGENDruk op ▼▲◀▶ om de parameters aan te passen, klik op "OPENEN" om de instelling parameters te verzenden, de volgende pagina's worden weergegeven:

text_image
11 TEST WERKING (ONTLUCHTEN) ONTLUCHTEN POMPI UITVOER 70% ONTLUCHTEN LOOPTIJD 20 min ONTLUCHTING WATERSTROOM 1,7 m³/h ONTLUCHTEN WATERDRUK --hendel TERUG BEVESTIGENDruk op "TERUG" om terug te keren naar het instelscherm voor de ONTLUCHTING parameter.
13 ONDERHOUD
Om een optimale beschikbaarheid van het apparaat te garanderen, moet op een regelmatige basis een aantal controles en inspecties worden uitgevoerd op het apparaat en de veldbedrading.
Dit onderhoud moet worden uitgevoerd door uw lokale monteur.
GEVAAR
ELEKTRISCHE SCHOK
- Voordat u onderhoud of reparaties uitvoert, moet u de stroomvoorziening op het voedingspaneel uitschakelen.
- Raak de eerste 10 minuten nadat de voeding is uitgeschakeld, geen enkel onderdeel onder spanning aan.
- De krukasverwarming van de compressor kan zelfs in stand-by werken.
- Houd er rekening mee dat sommige delen van de elektrische componentenkast heet zijn.
- Raak geleidende onderdelen nooit aan.
- Spoel het apparaat nooit met water. Dit kan een elektrische schok of brand veroorzaken.
Laat het apparaat nooit onbeheerd achter met het onderhoudspaneel verwijderd.
De volgende controles moeten minstens eenmaal per jaar worden uitgevoerd door een gekwalificeerd persoon.
- Waterdruk
- Controleer de waterdruk. Vul het systeem aan met water als de druk lager is dan 1 bar.
- Waterfilter
- Maak het waterfilter schoon.
• Wateroverdrukklep
- Controleer de juiste werking van de overdrukklep door de zwarte knop op de klep linksom te draaien:
Neem contact op met uw lokale dealer als u geen klakkend geluid hoort.
Als het water uit het apparaat blijft stromen, sluit dan eerst de afsluitkleppen van de waterinlaat en -uitlaat en neem vervolgens contact op met uw lokale dealer.
• Overdrukklepslang
- Controleer of de overdrukklepslang goed is gepositioneerd om het water af te voeren.
- Isolerende afdekking van het back-upwarmtekap
- Controleer of de isolatieafdekking stevig rondom het back-upverwarmingsvat is bevestigd.
• Overdrukklep van de warmwatertank (niet meegeleverd)
- Geldt alleen voor installaties met een warmwatertank voor huishoudelijk gebruik, controleer of de overdrukklep op de warmwatertank voor huishoudelijk gebruik correct werkt.
- Boosterverwarming voor warmwatertank
- Geldt alleen voor installaties met een warmwatertank voor huishoudelijk gebruik. Het is raadzaam om kalkaanslag op de boosterverwarming te verwijderen om de levensduur ervan te verlengen, met name in gebieden met hard water. Om dit te doen moet u de warmwatertank legen, de boosterverwarming uit de tank verwijderen en gedurende 24 uur onderdompelen in een emmer (of vergelijkbaar) met een kalkoplossing.
• Schakelkast van het apparaat
- Voer een grondige visuele inspectie uit van de schakelkast en zoek naar zichtbare gebreken zoals losse verbindingen of defecte bedrading.
- Controleer met een ohmmeter de juiste werking van de contactors. Alle contacten van deze contactors moeten geopend zijn.
- Gebruik van glycol (zie 9.3.4 "Antivriesbescherming van het watercircuit").
Documenteer de glycolconcentratie en de pH-waarde in het systeem ten minste eenmaal per jaar.
- Een pH-waarde lager dan 8,0 geeft aan dat een aanzienlijk deel van de corrosieremmer op is en moet worden aangevuld.
- Een pH-waarde lager dan 7,0 geeft aan dat er oxidatie van glycol is opgetreden en dat het systeem geleegd en grondig doorgespoeld moet worden om ernstige schade te voorkomen.
- Zorg ervoor dat de glycoloplossing afgevoerd wordt volgens de toepasselijke lokale wet- en regelgeving.
14 PROBLEMEN OPLOSSEN
De hoofdstuk bevat nuttige informatie voor het vaststellen en oplossen van bepaalde problemen die kunnen optreden in het apparaat.
Deze probleemoplossing en daarmee samenhangende corrigerende maatregelen mogen alleen worden uitgevoerd door uw lokale monteur.
14.1 Algemene richtlijnen
Voer voor de probleemoplossingsprocedures een grondige visuele inspectie uit van het apparaat en zoek naar zichtbare gebreken zoals losse aansluitingen of defecte bedrading.
WAARSCHUWING
Zorg tijdens het inspecteren van de schakelkast van het apparaat er altijd voor dat de hoofdschakelaar van het apparaat is uitgeschakeld.
Als een veiligheidsvoorziening werd geactiveerd, moet u het apparaat stoppen en achterhalen waarom deze werd geactiveerd alvorens hem te resetten. In geen geval kunnen de veiligheidsvoorzieningen worden overbrugd of hun fabrieksinstelling worden gewijzigd. Neem contact op met uw lokale dealer als u de oorzaak van het probleem niet kunt vinden.
Als de overdrukklep niet goed werkt en moet worden vervangen, sluit dan de flexibele slang altijd weer aan op de overdrukklep om te voorkomen dat er water uit het apparaat druipt!
OPMERKING
Voor problemen met betrekking tot de optionele zonne-energieset voor de verwarming van leidingwater, verwijzen we u naar de probleemoplossing in de installatie- en gebruikershandleiding van die set.
14.2 Algemene symptomen
Symptoom 1: het apparaat is ingeschakeld, maar verwarmt of koelt niet zoals verwacht
| MOGELIJKE OORZAKEN | CORRIGERENDE MAATREGEL |
| De temperatuurinstelling is onjuist. | Controleer de parameters (T4HMAX, T4HMIN in warmtemodus; T4CMAX, T4CMIN in koelmodus; T4DHWMAX, T4DHWMIN in warmwatermodus). Voor het instelbereik van de parameters, zie 11.1 Bedrijfsparameters. |
| De waterstroom is te laag. | Controleer of alle afsluitkleppen van het watercircuit in de juiste stand staan.Controleer of het waterfilter is aangesloten.Let op dat er geen lucht in het watersysteem zit.Controleer de waterdrukDe waterdruk moet ≥ 1,5 bar zijn.Zorg ervoor dat het expansievat niet kapot is. |
| Het watervolume in de installatie is te laag. | Zorg ervoor dat het watervolume in de installatie boven de vereiste minimumwaarde ligt. Raadpleeg 9.3.2 Watervolume en dimensioneringsexpansievaten. |
Symptoom 2: het apparaat is ingeschakeld, maar de compressor start niet
| MOGELIJKE OORZAKEN CORRIG | ERENDE MAATREGEL |
| Het apparaat werkt misschien buiten het werkingsbereik (de watertemperatuur is te laag). | Bij een lage watertemperatuur gebruikt het systeem de back-upverwarming om eerst de minimale watertemperatuur ( 12 ^ ) te bereiken.Controleer of de voeding van de back-upverwarming goed werkt.Controleer of de thermische zekering van de back-upverwarming gesloten is.Controleer of de thermische beveiliging van de back-upverwarming niet geactiveerd is.Controleer of de contactors van de back-upverwarming niet kapot zijn. |
Symptoom 3: De pomp maakt lawaai (cavitatie)
| MOGELIJKE OORZAKEN CORRIGERENDE MAATREGEL | |
| Er zit lucht in het systeem. Ontlucht het systeem. | |
| Waterdruk bij de pompinlaat is te laag. | Controleer de waterdrukDe waterdruk moet ≥ 1,5 bar zijn.Controleer of het expansievat niet kapot is.Controleer of de instelling van de voordruk van het expansievat juist is. |
Symptoom 4: De wateroverdrukklep gaat open
| MOGELIJKE OORZAKEN CORRIGERENDE MAATREGEL | |
| Het expansievat is kapot. Vervang het expansievat. | |
| De vuldruk van het water in de installatie is hoger dan 0,3 MPa. | Zorg ervoor dat de druk van het vulwater in de installatie ongeveer 0,10~0,20MPa bedraagt. |
Symptoom 5: De wateroverdrukklep lekt
| MOGELIJKE OORZAKEN CORRIGERENDE MAATREGEL | |
| De uitgang van de wateroverdrukklep is met vuil verstopt. | Controleer de juiste werking van de overdrukklep door de zwarte knop op de klep linksom te draaien:Neem contact op met uw lokale dealer als u geen klakkend geluid hoort.Als het water uit het apparaat blijft stromen, sluit dan eerst de afsluitkleppen van de waterinlaat en -uitlaat en neem vervolgens contact op met uw lokale dealer. |
Symptoom 6: Tekort van ruimteverwarmingscapaciteit bij lage buitentemperaturen
| MOGELIJKE OORZAKEN CORRIGERENDE MAATREGEL | |
| Back-upverwarming is niet actief. | Controleer of de "OVERIGE WARMTEBRON/IBH-FUNCTIE" is ingeschakeld.Controleer of de thermische beveiliging van de back-upverwarming al dan niet geactiveerd is.Controleer of de boosterverwarming actief is, de back-up- en boosterverwarming kunnen niet gelijktijdig actief zijn. |
| Er wordt te veel warmtepompcapaciteit gebruikt voor de verwarming van warmleidingwater (geldt alleen voor installaties met een warmwatertank). | Controleer of de "t_DHWHP_MAX" en "t_DHWHP_RESTRICT" correct geconfigureerd zijn:Zorg ervoor dat "DHW PRIORITEIT" is uitgeschakeld in de gebruikersinterface.Schakel "T4_TBH_ON" in de gebruikersinterface / VOOR ONDERHOUDSMONTEUR in om de boosterverwarming voor verwarming van huishoudelijk water in te schakelen. |
Symptoom 7: Warmtemodus kan niet meteen veranderen naar DHW-modus
| MOGELIJKE OORZAKEN CORRIGERENDE MAATREGEL | |
| Tankvolume is te kleinen de locatie van dewatertemperatuursondeis te laag | Stel "dT1S5" in op de maximale waarde en stel "t_DHWHP_RESTRICT"in op de minimale waarde.Stel dT1SH in op 2 °C.Schakel TBH in, welke zou moeten worden aangestuurd door de buiten-unit.Als AHS beschikbaar is, zet dan eerst aan, als aan de eis voor hetinschakelen van de warmtepomp is voldaan, zal de warmtepompinschakelen.Als zowel TBH als AHS niet beschikbaar zijn, probeer dan de positie vande T5-sonde te wijzigen (zie 2 "ALGEMENE INLEIDING"). |
Symptoom 8: DHW-modus kan niet meteen veranderen naar de warmtemodus
| MOGELIJKE OORZAKEN CORRIGERENDE MAATREGEL | |
| Warmtewisselaar voor ruimteverwarming is te klein | Stel “t_DHWHP_MAX” in op de minimale waarde; de aanbevolen waarde is 60 minuten.Als de circulatiepomp buiten het apparaat niet wordt aangestuurd door het apparaat, probeer de pomp dan aan te sluiten op het apparaat.Installeer een extra 3-wegklep bij de inlaat of ventilatorspoel voor voldoende waterstroom. |
| Ruimtewarmtebelasting is laag | Normaal, verwarming niet nodig |
| Desinfecteerfunctie is ingeschakeld zonder boosterverwarming (TBH) | Schakel de desinfecteerfunctie uitVoeg TBH of AHS toe voor DHW-modus |
| Handmatig inschakelen van de SNEL WATER-functie, nadat het warme water aan de eisen voldoet, schakelt de warmtepomp niet tijdig naar de airconditioningmodus wanneer de airconditioning in bedrijf is. | Schakel handmatig de functie FAST (“SNEL”) WATER uit |
| Als de omgevingstemperatuur laag is, is er geen genoeg warme water en wordt de AHS niet of laat in werking gesteld. | Stel "T4DHWMIN" in, de aanbevolen waarde is -5^ Stel "T4_TBH_ON" in, de aanbevolen waarde is 5^ |
| Prioriteit DHW-modus | Als er AHS of IBH op het apparaat is aangesloten, moet, wanneer de buiten-unit is uitgevallen, het hydraulische modulepaneel in de DHW-modus draaien tot de watertemperatuur de ingestelde temperatuur bereikt heeft, voordat er wordt overgeschakeld naar de warmtemodus. |
Symptoom 9: DHW-modus van de warmtepomp is gestopt voordat het instelpunt kon worden bereikt, ruimteverwarming heeft warmte nodig, maar het apparaat blijft in de DHW-modus
| MOGELIJKE OORZAKEN CORRIGERENDE MAATREGEL | |
| Oppervlak van de spoel in de tank is te klein | Dezelfde oplossing als voor Symptoom 7 |
| TBH of AHS is niet beschikbaar | Controleer of IBH (AHS of TBH) geldig is ingesteld in "VOOR ONDERHOUDSMONTEUR" of dat IBH geldig is ingesteld met de DIP-schakelaar op het hoofdbedieningspaneel van de hydraulische module.Controleer of IBH (AHS of TBH) beschadigd is. |
14.3 Storingscodes
Een serie foutcodes en betekenis kunt u in onderstaande tabel vinden.
Reset het apparaat door het apparaat UIT en IN te schakelen.
Als het resetten van het apparaat niet lukt, neem dan contact op met uw lokale dealer.
| BOVENSTE UNIT DISPLAY Nr. | FOUT CODE | STORING OF BEVEILIGING |
| 1 | E0 | Storing van waterstroom (na 3 keer E8) |
| 3 | E2 | Communicatiestoring tussen de controller en de hydraulische module |
| 4 | E3 | Storing totale uitlaat watertemp.sensor (T1) |
| 5 | E4 | Storing van watertanktemperatuursensor (T5) |
| 8 | E7 | Storing in de bovenste temperatuursensor (Tbt) van de buffertank |
| 9 | E8 | Storing waterstroom |
| 12 | Eb | Storing in zonnetemperatuursensor (Tsolar) |
| 14 | Ed | Storing inlaatwatertemp.sensor (Tw_in) |
| 15 | EE | Storing hydraulische module EEprom |
| 39 | HO | Communicatiestoring tussen de hoofdbedieningspaneel en het hydraulische modulepaneel |
| 41 | H2 | Storing in de temp.sensor van het vloeibare koelmiddel (T2) |
| 42 | H3 | Storing in de temp.sensor van het gaskoelmiddel (T2B) |
| 44 | H5 | Storing van kamertemp.sensor (Ta) |
| 48 | H9 | Storing van uitlaatwater voor Zone 2 temp.sensor (Tw2) |
| 49 | HA | Storing van uitlaatwatertemperatuursensor (Tw_out) |
| 50 | Hb | 3x PP-bescherming en Tw_out onder 7 °C |
| 52 | Hd | Communicatiefout tussen master-unit en slave-unit |
| 25 | P5 | |Tw_out - Tw_in| waarde te grote bescherming |
| 31 | Pb | Antivriesmodus |
| BOVENSTE UNIT DISPLAY Nr. | FOUT CODE | STORING OF BEVEILIGING |
| 38 | PP | | Tw_out-Tw_in | abnormale beveiliging |
| 2 | EI | Fase-uitval of de volgorde van de nul- en fasedraad zijn omgekeerd aangesloten |
| 6 | ES | Luchtzijde storing temperatuursensor warmtewisselaar(T3) |
| 7 | ES | Storing omgevingstemperatu- ursensor (T4) |
| 10 | ES | Storing van aanzuigtemperat- uursensor (Th) |
| 11 | ER | Storing afvoertemperatuur- sensor (Tp) |
| 40 | HI | Communicatiestoring tussen de hoofdbedieningspaneel en de omvormer |
| 43 | HY | 3x L0-bescherming |
| 45 | HS | Storing van DC-ventilator |
| 46 | H7 | Spanningsbeveiliging |
| 47 | H8 | Druksensorstoring |
| 54 | HF | EE PROM-storing van omvormermodulepaneel |
| 55 | HH | 10 keer H6 in 2 uur |
| 57 | HP | Lagedrukbeveiliging in koelmodus |
| 20 | PO | Lagedrukschakelaarbeveiliging |
| 21 | PI | Hogedrukschakelaarbeveiliging |
| 23 | P3 | Overbelastingsbeveiliging van de compressor. |
| 24 | PY | Compressor ontladingstem- peratuur te hoge beveiliging. |
| 33 | Pd | Hoge temperatuurbeveiliging van de luchtzijde warmtewisse-laarstemperatuur (T3). |
| 65 | C7 | Bescherming tegen hoge temperatuur van omvormer-module |
| 116 | F1 | DC-bus laagspanningsbeveiliging |
| 134 | L0 | Omvormer- of compressorbeveiliging |
| 135 | L1 | DC-bus laagspanningsbeveiliging. |
| 136 | L2 | DC-bus hoogspannings-beveiliging |
| 137 | L3 | Stroombemonsteringsfout van PFC-circuit |
| 138 | L4 | Rotatieblokkadebeveiliging |
| 139 | L5 | Nulsnelheidbeveiliging |
| 141 | L7 | Faseverliesbeveiliging van compressor |
| 121 | F6 | EXV1-storing |
| 106 | bR | T4 sensor werkt niet. |
LET OP
In de winter, als het apparaat een E0- en Hb-storing geeft en niet op tijd wordt gerepareerd, kunnen de waterpomp en het leidingsysteem beschadigd raken door bevriezing, dus E0- en Hb-storing moet op tijd worden gerepareerd.
15 TECHNISCHE SPECIFICATIES
15.1 Algemeen
| Model | 1-fasig | 1-fasig | 3-fasig |
| 5/7/10kW | 12/14/16 kW | 12/14/16 kW | |
| Nominale capaciteit | Zie de technische gegevens | ||
| Afmetingen H×B×D | 865×1040×410 mm | 865×1040×410 mm | 865×1040×410 mm |
| Verpakkingsafmetingen H×B×D | 970×1190×560 mm | 970×1190×560 mm 970×1 | 90×560 mm |
| Gewicht | |||
| Nettogewicht | 87 kg | 106 kg | 120 kg |
| Brutogewicht | 103 kg | 122 kg | 136 kg |
| Aansluitingen | |||
| Waterinlaat/-uitlaat | G1"BSP | G5/4"BSP | G5/4"BSP |
| Waterafvoer | Slangnippel | ||
| Expansievat | |||
| Volume | 5L | ||
| Maximale bedrijfsdruk (MWP) | 8 bar | ||
| Pomp | |||
| Type | Watergekoeld | Watergekoeld | Watergekoeld |
| Aantal snelheden | Variabele snelheid | Variabele snelheid | Variabele snelheid |
| Overdrukklep watercircuit | 3 bar | ||
| Bedrijfsbereik - waterzijde | |||
| Verwarming | +15~+65 °C | ||
| Koeling | +5~+25 °C | ||
| Warmleidingwater door warmtepomp | +15~+60 °C | ||
| Bedrijfsbereik - luchtzijde | |||
| Verwarming | -25~+35 °C | ||
| Koeling | -5~+43 °C | ||
| Warmleidingwater door warmtepomp | -25~+43 °C | ||
15.2 Elektrische specificaties
| Model | 1-fasig 5/7/9/12/14/16 kW | 3-fasig 12/14/16 kW | |
| Standaard unit | Voeding | 220-240 V~ 50 Hz 380-415 V | 3N~ 50 Hz |
| Nominale bedrijfsstroom | Zie 9.6.4 “Vereisten van veiligheidsvoorzieningen” | ||
16 ONDERHOUDSINFORMATIE
1) Controle van het gebied
Voordat er wordt begonnen aan de werkzaamheden op systemen die brandbare koelmiddelen bevatten, moeten veiligheidscontroles worden uitgevoerd om het risico op ontsteking tot een minimum te beperken. Voor reparaties aan het koelmiddelsysteem moeten de volgende voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen voordat er wordt begonnen aan de werkzaamheden aan het systeem.
2) Werkprocedure
Werkzaamheden moeten middels een gecontroleerde procedure worden uitgevoerd om het risico op de aanwezigheid van brandbaar gas/damp tijdens het werk tot een minimum te beperken.
3 Algemeen werkgebied
Alle onderhouds- en ander personeel dat werkzaam is in de omgeving moeten instructies ontvangen over de aard van het werk dat zal worden uitgevoerd. Werkzaamheden in besloten ruimten moet worden vermeden. Het gebied rond het werkgebied moet worden afgezet. Zorg ervoor dat de omstandigheden in het gebied veilig zijn gemaakt door middel van controle op de aanwezigheid van brandbare materialen.
4) Controleren op aanwezigheid van koelmiddel
Het werkgebied moet voor en tijdens het werk worden gecontroleerd met een geschikte koelmiddeldetector, zodat de monteur zich bewust is van een mogelijk brandbare omgevingslucht. Zorg ervoor dat de gebruikte lekdetectieapparatuur geschikt is voor gebruik met brandbare koelmiddelen, dus vonkvrij, goed afgesloten of intrinsiek veilig.
5) Aanwezigheid van brandblusapparaat
Als heet werk wordt uitgevoerd op koelapparatuur of bijbehorende onderdelen, moet passende brandblusapparatuur voorhanden zijn. Houd een poederblusser of CO₂-brandblusser in de buurt van het vulgebied.
6) Geen ontstekingsbronnen
Personen die werkzaamheden uitvoeren op een koelmiddelsysteem waarbij leidingen met brandbaar koelmiddel (of waar koelmiddel in heeft gezeten) worden blootgelegd, mogen nooit op zodanige wijze ontstekingsbronnen gebruiken dat dit kan leiden tot brand- of explosiegevaar. Alle mogelijke ontstekingsbronnen, waaronder het roken van sigaretten, moeten zo ver mogelijk uit de buurt worden gehouden van de locatie waar installatie-, reparatie-, verwijderings- en afvoerwerkzaamheden plaatsvinden, waarbij brandbaar koelmiddel mogelijk vrijkomt in het omliggend gebied. Voorafgaand aan de werkzaamheden, moet het gebied rondom de apparatuur worden geïnspecteerd om brand- of ontstekingsgevaren uit te sluiten. VERBODEN TE ROKEN-borden moeten zichtbaar worden aangebracht.
7) Geventileerd gebied
Zorg ervoor dat het gebied in de open lucht is of goed geventileerd is voordat u in het systeem breekt of hete werkzaamheden verricht. Een zekere mate van ventilatie moeten worden aangehouden tijdens de werkzaamheden. De ventilatie moet al het vrijgekomen koelmiddel veilig verspreiden en bij voorkeur naar de buitenlucht afvoeren.
8) Controle van koelapparatuur
Vervangende elektrische componenten moeten geschikt zijn voor hun beoogde doel en de juiste specificatie hebben. De onderhoudsrichtlijnen van de fabrikant moeten altijd worden nageleefd. Neem bij twijfel contact op met de technische ondersteuning van de fabrikant. De volgende controles moeten worden toegepast op installaties die brandbare koelmiddelen gebruiken.
- Laadhoeveelheid is conform de grootte van de ruimte waarin de koelmiddelhoudende onderdelen zijn geïnstalleerd.
- De ventilatiemachines en -uitlaten werken naar behoren en vormen geen belemmering.
- Als een indirect koelcircuit wordt gebruikt, moeten de secundaire circuits worden gecontroleerd op de aanwezigheid van koelmiddel; de markering van de apparatuur blijft zichtbaar en leesbaar.
- Markeringen en borden die onleesbaar zijn moeten worden vervangen.
- Koelpijp of -componenten moeten worden geïnstalleerd op een plaats waar het onwaarschijnlijk is dat ze worden blootgesteld aan een substantie die componenten met koelmiddel kan aantasten, tenzij de componenten zijn gemaakt van materialen die inherent bestand zijn tegen corrosie of voldoende beschermd zijn tegen corrosie.
9) Controle van elektrische apparaten
Voorafgaand aan de reparatie en onderhoud aan elektrische componenten moeten veiligheidscontroles en componenteninspectieprocedures worden uitgevoerd. Bij een storing die de veiligheid in gevaar kan brengen, mag er geen elektrische voeding op het circuit worden aangesloten tot de storing naar tevredenheid is verhopen. Als de storing niet meteen kan worden verholpen maar een verdere werking noodzakelijk is, moet een passende tijdelijke oplossing worden gebruikt. Dit zal worden gemeld aan de eigenaar van de apparatuur zodat alle partijen op de hoogte zijn.
Deze voorafgaande veiligheidscontroles omvatten:
- condensatoren moeten worden ontladen: dit moet op een veilige manier gebeuren om vonkvorming te voorkomen.
- U moet ervoor zorgen dat er geen onder spanning staande componenten en bedrading bloot komen te liggen tijdens het vullen, afpompen, doorspoelen of ontluchten van het systeem.
- Dat er een continuïteit van aarding is.
10) Reparatie van afgedichte componenten
a) Bij het repareren van afgedichte componenten moet voor het verwijderen van deksels enz. alle elektrische voeding zijn losgekoppeld van de apparatuur waaraan zal worden gewerkt. Als elektrische voeding absoluut noodzakelijk is tijdens het onderhoud van de apparatuur, moet een permanente vorm van lekdetectie worden geplaatst bij het meest kritieke punt om te waarschuwen voor een mogelijk gevaarlijke situatie.
b) Er moet bijzondere aandacht worden besteed aan de onderstaande punten om ervoor te zorgen dat de behuizing tijdens de werkzaamheden aan elektrische componenten niet dusdanig wordt gewijzigd dat het beschermingsniveau negatief wordt beïnvloed. Dit omvat schade aan kabels, een buitensporig aantal aansluitingen, aansluitklemmen die niet volgens de originele specificaties zijn gemaakt, schade aan verzegelingen, onjuiste montage van kabeldoorvoeren enz.
- Zorg ervoor dat de apparatuur stevig is gemonteerd.
- Zorg ervoor dat afdichtingen of afdichtingsmaterialen niet dusdanig aangetast of beschadigd zijn dat ze het binnendringen van brandbare omgevingslucht niet meer voorkomen. Vervangende onderdelen moeten voldoen aan de specificaties van de fabrikant.
OPMERKING
Het gebruik van siliconenkit kan de effectiviteit van sommige lekdetectieapparatuur negatief beïnvloeden. Intrinsiek veilige componenten hoeven niet te worden geïsoleerd voordat u eraan werkt.
11) Reparatie van intrinsiek veilige componenten
Zorg ervoor dat de permanente inductieve of capacitieve belasting op het circuit niet hoger is dan de toelaatbare spanning en stroomsterkte voor de gebruikte apparatuur. Intrinsiek veilige componenten zijn de enige typen waaraan gewerkt kan worden in de aanwezigheid van een brandbare omgevingslucht. De testapparatuur moet de juist spanning hebben. Vervang componenten alleen met componenten die door de fabrikant zijn voorgeschreven. Andere onderdelen kunnen gelekt koelmiddel ontsteken dat zich in de omgevingslucht bevindt.
12) Bedrading
Controleer of de bedrading niet onderhevig is aan slijtage, corrosie, overmatige druk, trillingen, scherpe randen of andere nadelige milieueffecten. Bij de controle moet ook rekening worden gehouden met de gevolgen van veroudering of continue trillingen van bronnen zoals compressoren of ventilatoren.
13) Detectie van brandbare koelmiddelen
In geen geval mogen potentiële ontstekingsbronnen worden gebruikt bij het zoeken naar of detectie van koelmiddellekken. Een halide-lekzoeklamp (of andere detectoren met een niet-afgeschermde vlam) mogen niet worden gebruikt.
14) Lekdetectiemethoden
De volgende lekdetectiemethoden zijn aanvaardbaar voor systemen die brandbare koelmiddelen bevatten. Elektronische lekdetectoren moeten worden gebruikt om brandbare koelmiddelen te detecteren, maar de gevoeligheid is mogelijk niet afdoende of moet opnieuw worden gekalibreerd (detectieapparatuur moet worden gekalibreerd in een koelmiddelvrij gebied). Zorg ervoor dat de detector geen potentiële ontstekingsbron is en geschikt is voor het koelmiddel. Lekdetectieapparatuur moet op een LFL-percentage van het koelmiddel worden ingesteld en worden gekalibreerd aan de hand van het gebruikte koelmiddel en het passend gaspercentage (maximaal 25%) wordt bevestigd. Lekdetectievloeistoffen zijn geschikt voor gebruik met de meeste koelmiddelen, maar het gebruik van schoonmaakmiddelen met chloor moet worden vermeden omdat de reactie van chloor met het koelmiddel de koperen leidingen kan corroderen. Als een lek vermoed wordt, moeten alle niet-afgeschermde vlammen verwijderd of gedoofd worden. Wanneer een koelmiddellek vastgesteld wordt dat hard moet worden gesoldeerd, moet alle koelmiddel uit het systeem worden afgepompt, of worden geïsoleerd (met behulp van afsluitkleppen) in een deel van het systeem dat ver verwijderd is van het lek. Het systeem moet zowel voor als tijdens het hard solderen worden doorgespoeld met zuurstofvrije stikstof (OFN).
15) Verwijdering en evacuatie
Conventionele procedures moeten worden toegepast bij het onderbreken van het koelcircuit voor reparatie- of andere doeleinden. Met oog op brandgevaar is het is echter belangrijk om de beste praktijken te volgen. De volgende procedures moeten worden nageleefd:
• Verwijder het koelmiddel (afpompen);
- Spoel het systeem door met inert gas;
- Evacueer;
- Spoel opnieuw door met inert gas;
- Open het circuit door snijden of solderen.
Het koelmiddel moet worden afgepompt naar de daarvoor bestemde opvangcilinders. Het systeem moet worden gespoeld met OFN om het apparaat veilig te stellen. Dit proces moet mogelijk meerdere keren herhaald worden.
Perslucht of zuurstof mogen niet worden gebruikt voor deze taak.
Het doorspoelen wordt gedaan door het vacuum in het systeem te breken met OFN en door te gaan met vullen tot de bedrijfsdruk is bereikt, om vervolgens naar de omgevingslucht te ventileren en tot slot een vacuum te trekken. Dit proces moet worden herhaald tot er geen koelmiddel meer in het systeem zit.
Wanneer de laatste vulling van OFN wordt toegepast, zal het systeem zich ontluchten tot aan de atmosferische druk om de werkzaamheden mogelijk te maken.
Dit proces is absoluut noodzakelijk wanneer er hard-soldeerwerkzaamheden moeten worden verricht op de leidingen.
Zorg ervoor dat de uitlaat van de vacuümpomp zich niet in de buurt van ontstekingsbronnen bevindt en dat er genoeg ventilatie is.
16) Vulprocedures
Naast de conventionele vulprocedures moeten de volgende voorschriften worden nageleefd:
- Vermijd kruisverontreiniging van verschillende koelmiddelen tijdens het vullen van de apparatuur. Om de hoeveelheid koelmiddel in slangen of leidingen tot een minimum te beperken, moet u ervoor zorgen dat ze zo kort mogelijk worden gehouden.
• Cilinders moeten rechtop staan. - Zorg ervoor dat het koelmiddelsysteem geaard is voordat u het systeem vult met koelmiddel.
- Label het systeem wanneer het is opgeladen (indien dit nog niet is gebeurd).
- U moet er nadrukkelijk voor zorgen dat het koelsysteem niet overmatig wordt gevuld.
- De druk van het systeem moet eerst worden getest met OFN voordat het wordt gevuld. Het systeem moet na het vullen en voor inbedrijfstelling worden getest op lekken. Een aanvullende lektest moet worden uitgevoerd voordat de locatie wordt verlaten.
17) Buitenbedrijfstelling
Voordat deze procedure wordt uitgevoerd, is het noodzakelijk dat de monteur volledig en op gedetailleerde wijze vertrouwd is met de apparatuur. De aanbevolen beste praktijk is dat alle koelmiddel veilig wordt afgepompt. Voordat de taak wordt uitgevoerd moet een monster worden genomen van de olie en het koelmiddel.
Voor het geval dat analyse vereist is voorafgaand aan het hergebruik van het afgepompte koelmiddel. De beschikbaarheid van elektrische voeding is noodzakelijk voordat aan de taak wordt begonnen.
a) Raak vertrouwd met de apparatuur en zijn werking.
b) Isoleer het systeem elektrisch.
c) Zorg voor het uitvoeren van de procedure ervoor dat:
- Mechanische afhandelingsapparatuur, indien nodig, beschikbaar is voor de afhandeling van koelmiddelcilinders.
- Alle persoonlijke beschermingsmiddelen beschikbaar zijn en correct worden gebruikt.
- Het afpompproces moet altijd onder toezicht staat van een deskundige.
- De afpomp-units en -cilinders voldoen aan de passende normen.
d) Zuig het koelmiddelsysteem af, indien mogelijk.
e) Als een vacuum niet mogelijk is, maak dan een spruitstuk zodat het koelmiddel uit de verschillende delen van het systeem kan worden verwijderd.
f) Zorg ervoor dat de cilinder op de weegschaal staat voor het afpompen.
g) Start de afpompunit en gebruik deze volgens de instructies van de fabrikant.
h) Vul de cilinders niet overmatig. (niet meer dan 80% van het totale vloeistofvolume).
i) Overschrijd niet de maximale bedrijfsdruk van de cilinder, zelfs niet tijdelijk.
j) Wanneer de cilinders correct zijn gevuld en het proces is voltooid, moet u ervoor zorgen dat de cilinders en de apparatuur snel van de locatie worden verwijderd en alle afsluitkleppen op de apparatuur zijn gesloten.
k) Het afgepompte koelmiddel mag niet worden gebruikt in een ander koelmiddelsysteem, tenzij het wordt gezuiverd en gecontroleerd.
18) Labeling
De apparatuur moet worden voorzien van een label dat aangeeft dat deze geen koelmiddel meer bevat en buiten bedrijf is gesteld. Het label moet gedateerd en getekend worden. Zorg ervoor dat apparatuur is voorzien van labels die aangeven dat de apparatuur brandbaar koelmiddel bevat.
19) Afpompen
Bij het verwijderen van koelmiddel uit een systeem, voor onderhoud of buitenbedrijfstelling, is het een aanbevolen goede praktijk om alle koelmiddelen veilig te verwijderen.
Zorg bij het overbrengen van koelmiddel naar cilinders ervoor dat alleen geschikte koelmiddelcilinders worden gebruikt. Zorg ervoor dat er voldoende cilinders beschikbaar zijn voor de totale hoeveelheid koelmiddel in het systeem. Alle gebruikte cilinders zijn speciaal bedoeld en moeten gelabeld worden voor het afgepompte koelmiddel (oftewel, speciale cilinders voor het afpompen van koelmiddel). Cilinders moeten worden voorzien van een overdrukklep en bijbehorende afsluitkleppen die goed werken.
Lege koelmiddelcilinders moeten worden afgevoerd en, indien mogelijk, worden gekoeld voor vóór het afpompen.
De afpompapparatuur moet in goed staat verkeren, met een set van gebruiksinstructies voorhanden, en geschikt zijn voor het afpompen van brandbare koelmiddelen. Bovendien moet een set van goed werkende, gekalibreerde weegschalen beschikbaar zijn. Slangen moeten voorzien worden van goed werkende, lekvrije sluitkoppelingen. Controleer voordat u de afpompunit gebruikt of deze goed werkt, goed is onderhouden en dat bijbehorende elektrische componenten afgedicht zijn om ontsteking van eventueel vrijgekomen koelmiddel te voorkomen. Raadpleeg de fabrikant bij twijfel.
Het afgepompte koelmiddel moet worden teruggebracht naar de leverancier in de juiste cilinder en met een WTN-document ("Waste Transfer Note") dat alle relevante gegevens van de overdracht bevat. Vermeng geen koelmiddelen in de afpompunits en vooral niet in de cilinders.
Zorg bij het verwijderen van de compressor of compressorolie ervoor dat ze zijn afgevoerd tot een acceptabel niveau zodat er geen brandbaar koelmiddel in de smeerolie overblijft. Het afvoerproces moeten worden uitgevoerd voordat de compressor naar de leveranciers wordt teruggebracht. Alleen de elektrische verwarming naar de compressorbehuizing mag worden gebruikt om dit proces te versnellen. Olie moet op een veilige manier uit een systeem worden afgevoerd.
20) Vervoer, markering en opslag voor apparaten
Vervoer van apparatuur met brandbare koelmiddelen volgens de vervoersvoorschriften.
De markering van apparatuur met borden volgens de lokale voorschriften.
De verwijdering van apparatuur met brandbare koelmiddelen volgens de nationale voorschriften.
Opslag van apparatuur/toestellen.
De opslag van de apparatuur moet gebeuren volgens de instructies van de fabrikant.
Opslag van verpakte (onverkochte) apparatuur.
Bescherming opslagverpakking moet op een dusdanige manier worden toegepast dat mechanische schade aan de apparatuur in de verpakking niet leidt tot koelmiddellekkage.
Het maximumaantal onderdelen dat gezamenlijk mag worden opgeslagen wordt bepaald door de lokale voorschriften.
BIJLAGE A: Koelmiddelcyclus

flowchart
graph TD
A["Wateruitlaat"] --> B["15"]
B --> C["14"]
C --> D["20"]
D --> E["21"]
E --> F["22"]
F --> G["23"]
G --> H["24"]
H --> I["25"]
I --> J["F"]
J --> K["Waterinlaattemperatuur"]
L["①"] --> M["②"]
M --> N["③"]
N --> O["④"]
O --> P["⑤"]
P --> Q["⑥"]
Q --> R["⑦"]
R --> S["⑧"]
S --> T["⑨"]
T --> U["⑩"]
U --> V["⑪"]
V --> W["⑫"]
W --> X["⑬"]
X --> Y["⑭"]
Y --> Z["⑮"]
Z --> AA["⑯"]
AA --> AB["⑰"]
AB --> AC["⑱"]
AC --> AD["⑲"]
AD --> AE["⑳"]
AE --> AF["㉑"]
AF --> AG["㉒"]
AG --> AH["㉓"]
AH --> AI["㉔"]
AI --> AJ["㉕"]
AJ --> AK["㉖"]
| Item | Omschrijving | Item | Omschrijving |
| 1 | Compressor | 14 | Platenwarmtewisselaar |
| 2 | Afvoertemperatuursensor | 15 | Temperatuursensor koelgas |
| 3 | Hogedrukschakelaar | 16 Druksensor | |
| 4 | 4-wegklep | 17 | Aanzuigtemperatuursensor |
| 5 | Sensor omgevingstemperatuur | 18 | Lagedrukschakelaar |
| 6 | Luchtzijde van de warmtewisselaar | 19 | Uitlaat watertemperatuursensor |
| 7 | DC_FAN | 20 | Inlaat watertemperatuursensor |
| 8 | Luchtzijde temperatuursensor warmtewisselaar | 21 Expansievat | |
| Zeef9 22 | Waterpomp | ||
| 10 | Capillair | 23 Overdrukklep | |
| 11 | Elektronische expansieklep | 24 | Automatische ontluchtingsventiel |
| 12 Temperatuursensor koelvloeistof 25 Waterstroomschakelaar | |||
| 13 | Accu cilinder | ||
BIJLAGE B: Breng de E-verwarmingstape aan bij de afvoeropening (door de klant)
Verbind de warmtetape aan de afvoeropening naar de XT3-draadkoppeling.

text_image
Naar de warmtetape van afvoeropening XT3De afbeelding is alleen ter referentie, raadpleeg het werkelijke product. De spanning van de E-verwarmingstape mag niet hoger zijn dan 40 W/200 mA, voedingsspanning 230 VAC.
sime®
Fonderie Sime S.p.A - Via Garbo, 27 - 37045 Legnago (Vr)
Tel. +39 0442 631111 - Fax +39 0442 631292 - www.sime.it
sime®
Monoblock-Wärmepumpe










