RT 4097 SX - Grasmaaier STIHL - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis RT 4097 SX STIHL in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over RT 4097 SX STIHL
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding RT 4097 SX - STIHL en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. RT 4097 SX van het merk STIHL.
GEBRUIKSAANWIJZING RT 4097 SX STIHL
NL Gebruiksaanwijzing
Wij zijn blij dat u hebt gekozen voor STIHL. Wij ontwikkelen en produceren onze producten in topkwaliteit in overeenstemming met de behoeften van onze klanten. Zo ontstaan producten met een hoge betrouwbaarheid, ook bij extreme belasting.
STIHL staat ook voor service met topkwaliteit. Onze dealers staan garant voor deskundig advies en instructie alsmede een uitgebreide technische begeleiding.
Wij danken u voor uw vertrouwen in ons en wensen u veel plezier met uw STIHL product.

Dr. Nikolas Stihl
BELANGRIJK! VOOR GEBRUIK GOED DOORLEZEN EN BEWAREN.
1. Inhoudsopgave
Over deze gebruiksaanwijzing 114
Algemeen 114
Instructie voor het lezen van de gebruiksaanwijzing 114
Beschrijving van het apparaat 116
Voor uw veiligheid 117
Algemeen 117
Training – Gebruik van de machine 118
Transport van de zitmaaier 119
Tanken – omgaan met benzine 119
Kleding en uitrusting 120
Vóór het werken 120
Tijdens het werken 121
Onderhoud en reparaties 123
Opslag bij langdurige
bedrijfsonderbrekingen 125
Afvoer 125
Toelichting van de symbolen 126
Leveringsomvang
Werkzaamheden vóór de eerste ingebruikname
Bedieningselementen
Contactslot 127
Gashendel met chokefunctie (RT 4097 SX) 128
Gashendel (RT 4112 SZ) 128
Chokeknop (RT 4112 SZ) 129
Veiligheidsschakelaar achteruit maaien 129
Keuzehendel rijrichting 130
Stuurwiel 130
Verstellen bestuurdersstoel 130
Aandrijfpedaal 131
Rempedaal 131
Handrem 131
Hendel snijhoogteverstelling 132
Hendel voor vrijloop transmissie 133
Elektronica 133
Zelfdiagnose bij het starten 133
Defect aan de zitmaaier tijdens bedrijf 134
Storing in de elektronica 134
Aanwijzingen voor werken 134
Maaisessie 134
Veiligheidsvoorzieningen 135
Apparaat in gebruik nemen 136
Brandstof bijtanken 136
Verbrandingsmotor starten 137
Verbrandingsmotor uitschakelen 137
Rijden 138
Remmen 138
Snijhoogte instellen 138
Maaien 139
Trekken van lasten 139
Gebruik op hellingen 140
Maaiwerk 140
Maaiwerk demonteren 140
Maaiwerk monteren 142
Onderhoud 144
Onderhoudsschema 144
Apparaat reinigen 145
Motorkap openen 145
Motorkap sluiten 146
Veiligheidsvoorzieningen
controleren 146
Maaimessen onderhouden 147
Inbouwpositie van het maaiwerk
controleren 149
Brandstofkraan 149
Bandenspanning 149
Wielen vervangen 150
Smeren 151
Inhoud van de motorolie controleren 152
Motorolie verversen 152
Motorolie bijvullen 153
Koplamp vervangen 153
Zekeringen 153
Accuvak 154
Accu 155
Opladen van de accu via de oplaadstekker 156
Verbrandingsmotor 157
Transmissie 157
Opslag 157
Stilleggen bij langere onderbrekingen (bijvoorbeeld winterpauze) 157
Na langere bedrijfspauzes (bijv. winterpauze) 158
Transport 158
Standaard reserveonderdelen 158
Accessoires 158
Slijtage minimaliseren en schade voorkomen 159
Conformiteitsverklaring 160
EU-conformiteitsverklaring Zitmaaier STIHL RT 4097.1 SX, RT 4112.1 SZ 160
Onderhoudsschema 165
Leveringsbevestiging 165
Servicebevestiging 165
2. Over deze gebruiksaanwijzing
2.1 Algemeen
Deze gebruiksaanwijzing is een vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing van de fabrikant in het kader van de EG-richtlijn 2006/42/EC.
STIHL werkt voortdurend aan de ontwikkeling van zijn producten; wijzigingen in de levering qua vorm, techniek en uitvoering zijn daarom voorbehouden.
Op basis van gegevens of afbeeldingen uit dit boekje kunnen bijgevolg geen aanspraken worden gemaakt.
Het is mogelijk dat in deze gebruiksaanwijzing modellen worden beschreven die niet in elk land verkrijgbaar zijn.
Deze gebruiksaanwijzing is auteursrechtelijk beschermd. Alle rechten blijven voorbehouden, met name het recht op het kopieren, vertalen en het verwerken met elektronische systemen.
2.2 Instructie voor het lezen van de gebruiksaanwijzing
Afbeeldingen en teksten beschrijven bepaalde bedieningsstappen.
Alle pictogrammen die op het apparaat zijn aangebracht, worden in deze gebruiksaanwijzing toegelicht.
Kijkrichting:
kijkrichting bij gebruik 'links' en 'rechts' in de gebruiksaanwijzing: de gebruiker staat achter het apparaat en kijkt in de rijrichting naar voren.
Hoofdstukverwijzing:
naar de desbetreffende hoofdstukken en paragrafen met nadere uitleg wordt met een pijltje verwezen. Het volgende voorbeeld bevat een verwijzing naar een hoofdstuk: (⇒ 4.)
Markeringen van tekstpassages:
de beschreven aanwijzingen kunnen zoals in de volgende voorbeelden gemarkeerd zijn.
Handelingen waarbij ingrijpen van de gebruiker vereist is:
- Bout (1) met een schroevendraaier losdraaien, hendel (2) activeren ...
Algemene opsommingen:
- productgebruik bij sport- of wedstrijdevenementen
Teksten met aanvullende betekenis:
tekstpassages met aanvullende betekenis zijn met één van de onderstaand beschreven symbolen gemarkeerd om deze in de gebruiksaanwijzing extra te accentueren.

Gevaar!
Gevaar voor ongevallen en ernstig letsel. Bepaalde handelingen zijn noodzakelijk of verboden.

Waarschuwing!
Kans op letsel. Bepaalde handelingen voorkomen mogelijk of waarschijnlijk letsel.

Voorzichtig!
Minder ernstig letsel of materiële schade dat/die door bepaalde handelingen kan worden voorkomen.

Aanwijzing
Informatie voor een beter apparaatgebruik en om een mogelijk oneigenlijk gebruik te vermijden.
Afbeeldingen met tekstpassages:
Bedieningsstappen met directe verwijzing naar de afbeelding vindt u onmiddellijk na de afbeelding met bijbehorende positienummers.
Voorbeeld:

text_image
STOP 2 1Contactsleutel (1) in het contactslot (2) steken.
Teksten met afbeeldingverwijzing:
afbeeldingen die het gebruik van het apparaat toelichten, vindt u geheel aan het begin van de gebruiksaanwijzing.
Het camerasymbool koppelt de afbeeldingen op de pagina's met afbeeldingen met het desbetreffende tekstgedeelte in de gebruiksaanwijzing.

3. Beschrijving van het apparaat

1 Stuurwiel
2 Bestuurdersstoel
3 Achterwiel
4 Hendel snijhoogteverstelling
5 Deflectorklep
6 Maaiwerk
7 Voorwiel
8 Koplamp
9 Bumper (RT 4112 SZ)
10 Motorkap
11 Tankdop
12 Keuzehendel rijrichting (vooruit - achteruit)
13 Contactslot
14 Handremhendel
15 Schakelaar maaiwerk
16 Gashendel met chokefunctie (RT 4097 SX)
17 Gashendel (RT 4112 SZ)
18 Chokeknop (RT 4112 SZ)
19 Drankhouder
20 Opbergvak
21 Veiligheidsschakelaar achteruit maaien
22 Trekhaak
4. Voor uw veiligheid
4.1 Algemeen

Tijdens de werkzaamheden met het apparaat moeten de voorschriften ter preventie van ongevallen beslist in acht
worden genomen.

Lees vóór de eerste inbedrijfstelling de hele gebruiksaanwijzing goed door. Bewaar de gebruiksaanwijzing
voor later gebruik zorgvuldig op een veilige plaats.
Volg de gebruiks- en onderhoudsinstructies in de afzonderlijke gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor.
Deze veiligheidsmaatregelen zijn onontbeerlijk voor uw veiligheid, maar deze opsomming is niet uitputtend. Gebruik het apparaat altijd verstandig en met verantwoordelijkheidsgevoel, en denk erom dat de gebruiker aansprakelijk wordt gesteld voor ongevallen met andere personen of voor schade aan hun eigendommen.

Levensgevaar door verstikking! Verstikkingsgevaar voor kinderen bij het spelen met verpakkingsmateriaal. Houd verpakkingsmateriaal altijd buiten het bereik van kinderen.
Leen het apparaat inclusief accessoires alleen uit aan personen die met dit model en de bediening ervan vertrouwd zijn. De gebruiksaanwijzing is onderdeel van het apparaat en moet altijd worden meegegeven.
Controleer of de gebruiker lichamelijk, zintuigelijk en geestelijk in staat is om het apparaat te bedienen en ermee te werken. Als de gebruiker met lichamelijke, zintuigelijke of geestelijke beperkingen daartoe in staat is, mag de gebruiker er alleen onder toezicht of na instructie door een verantwoordelijke persoon mee werken.
Controleer of de gebruiker meerderjarig is of conform nationale regelgeving onder toezicht voor een beroep wordt opgeleid.
Gebruik het apparaat alleen als u uitgerust bent en een goede lichamelijke en geestelijke conditie hebt. Als u een verminderde gezondheid heeft, dient u uw arts te vragen of u met het apparaat kunt werken. Na het gebruik van alcohol, drugs of medicijnen die de reactiesnelheid nadelig beïnvloeden, mag niet met het apparaat worden gewerkt.
Opgelet – Gevaar voor ongevallen!
De zitmaaier is alleen voor het maaien van gras bestemd. Een andere toepassing is niet toegestaan.
Het apparaat kan met originele accessoires van STIHL worden uitgerust. Hierdoor kan het apparaat ook voor andere toepassingen worden gebruikt. Voor nadere informatie verwijzen wij u naar uw STIHL vakhandelaar.
Om persoonlijk letsel van de gebruiker of andere personen te vermijden, mag het apparaat bijvoorbeeld niet worden gebruikt voor (onvolledige opsomming):
– het snoeien van rankgewas,
- het hakselen en klein hakken van boom- en heggensnoeisel,
- het schoonmaken van voetpaden (opzuigen, wegblazen),
- sneeuwruimen met behulp van het maaiwerk,
– gazononderhoud op dakbeplantingen,
– het egaliseren van bodemoneffenheden, zoals molshopen, - voor het transporteren van maaigoed.
U mag met de machine niet aan het verkeer deelnemen.
Het vervoer van personen (met name van kinderen) en dieren is niet toegestaan.
Voorwerpen mogen niet op het apparaat maar uitsluitend met behulp van een door STIHL goedgekeurde aanhanger (accessoire) worden vervoerd. De laadgrenzen moeten worden aangehouden. (⇒ 12.8)
Bij het gebruik op openbare terreinen, parken, sportvelden, langs wegen en op land- en bosbouwbedrijven moet u bijzonder behoedzaam te werk gaan.
De machine mag niet worden gebruikt bij sport- en wedstrijdevenementen.
Om veiligheidsredenen is het verboden wijzigingen aan het apparaat aan te brengen, behalve vakkundige montage van toebehoren en combi-apparaten die door STIHL zijn goedgekeurd. Bovendien heeft dit tot gevolg, dat uw garantie vervalt. Neem voor informatie over goedgekeurde toebehoren en combi-apparaten contact op met uw STIHL vakhandelaar.
Vooral elke wijziging aan het apparaat waardoor het vermogen, het toerental van de verbrandingsmotor of de rijsnelheid wordt veranderd, is verboden.
Het apparaat is uitgevoerd met elektronica die niet mag worden gewijzigd of verwijderd.
De apparaatsoftware mag om veiligheidsredenen nooit worden gewijzigd of gemanipuleerd.

Opgelet! Gevaar voor de gezondheid door trillingen!
Een overmatige belasting door trillingen kan schade aan de
bloedsomloop en het zenuwstelsel veroorzaken, vooral bij personen met circulatiestoornissen. Raadpleeg een arts wanneer er symptomen optreden die door de trillingen zouden kunnen zijn veroorzaakt.
Dergelijke symptomen treden voornamelijk op in de vingers, handen of polsen en zijn bijvoorbeeld (onvolledige opsomming):
- gevoelloosheid,
- p i j n ,
– slappe spieren,
- huidverkleuringen,
Houd de duwstang tijdens het werken stevig maar niet verkrampt met beide handen op de daarvoor bedoelde plaatsen vast.
Plan de werktijden zodanig dat hoge belasting gedurende langere tijd wordt voorkomen.
4.2 Training – Gebruik van de machine
Maak uzelf vertrouwd met de bedieningselementen en stelelementen en met het gebruik van het apparaat. De gebruiker moet weten hoe het gereedschap en de verbrandingsmotor van het apparaat snel kunnen worden gestopt.
Het apparaat mag alleen worden gebruikt door personen die de gebruiksaanwijzing hebben gelezen en die met de bediening van het apparaat vertrouwd zijn. Elke gebruiker moet vóór de eerste ingebruikname vragen om een deskundige en praktische instructie. De verkoper of een andere deskundige moet aan de gebruiker uitleggen, hoe hij veilig met het apparaat kan werken.
Bij deze instructie moet de gebruiker er vooral op worden gewezen,
- dat deze tijdens het werken met het apparaat uiterst zorgvuldig en geconcentreerd te werk moet gaan.
– dat het gebruik van de rem niet helpt om een zitmaaier die van een helling afglijdt, onder controle te krijgen.
De oorzaken voor het verlies van controle over de zitmaaier kunnen onder andere zijn:
– onvoldoende grip van de wielen,
- te snel rijden,
- onjuist remmen,
- ondeskundig gebruik (o.a. sportevenementen),
- ontoereikende kennis van eventuele gevolgen die met de bodemgesteldheid samenhangen, met name op een helling (zie onder hoofdstuk "Voor uw veiligheid", kopje "Werken op hellingen"),
– onjuist vasthaken van lasten en slechte verdeling van de last.
Ook wanneer u het apparaat volgens de voorschriften bedient, blijven er risico's bestaan.
4.3 Transport van de zitmaaier
De zitmaaier kan door het eigen gewicht zware kneuswonden veroorzaken. Ga bij het laden en lossen van de zitmaaier tijdens het transport in een voertuig of aanhangwagen met grote voorzichtigheid te werk.
Deze zitmaaier mag niet worden gesleept. Gebruik voor het transport op de openbare weg een geschikt voertuig of een geschikte aanhanger.
De zitmaaier moet bij het transport op een laadvlak worden bevestigd, zoals in deze gebruiksaanwijzing beschreven staat. Ook moet de handrem worden aangetrokken. (⇒ 15.)
Voor het transport moet de aandrijving van het maaiimes resp. de combi-apparaten worden losgekoppeld.
Houd u bij het transport van het apparaat aan de plaatselijke voorschriften, met name wat betreft de laadveiligheid en het transport van voorwerpen op laadoppervlakken.
Het apparaat, vooral de verbrandingsmotor en geluiddemper, na het laden en voor verder transport volledig laten afkoelen. Het laadvlak en de omgeving van de geluiddemper en verbrandingsmotor dienen tijdens het transport vrij te worden gehouden van brandbare materialen zoals stro, bladeren of gedroogde grasresten.
4.4 Tanken – omgaan met benzine

Levensgevaarlijk!
Benzine is giftig en in hoge mate ontvlambaar.
Bewaar de brandstof uitsluitend in geschikte en goedgekeurde reservoirs (jerrycans). Schroef de tankdoppen van de jerrycans altijd goed erop en draai de doppen stevig vast. Om veiligheidsredenen moeten defecte afsluitingen worden vervangen.

Houd benzine uit de buurt van vonken, open vlammen, permanent brandend vuur, warmtebronnen en andere
ontstekingsbronnen. Niet roken!
Tank alleen in de buitenlucht en rook niet tijdens het tanken.
Schakel de verbrandingsmotor voor het bijtanken uit en laat deze afkoelen.
De benzine moet vóór het starten van de verbrandingsmotor worden bijgevuld. Bij een draaiende verbrandingsmotor of hete machine mag de tankdop niet worden geopend en mag er geen benzine worden bijgevuld.
Tankdop voorzichtig en langzaam openen. Wacht de drukcompensatie af en verwijder pas daarna de tankdop helemaal.
Gebruik voor het bijtanken een geschikte trechter of een vulpijp, zodat er geen brandstof op de verbrandingsmotor en de behuizing of het gazon kan uitstromen.
Tank de brandstoftank niet te vol!
Vul de brandstoftank nooit tot boven de onderkant van de vulplug, zodat de brandstof ruimte heeft om uit te zetten. Volg ook de aanwijzingen in de gebruiksaanwijzing van de verbrandingsmotor op.
Als er benzine is overgelopen, mag u de verbrandingsmotor pas starten nadat u het met benzine verontreinigde oppervlak


hebt gereinigd. Start de verbrandingsmotor niet voordat de benzinedampen zijn verdampt (droog vegen).
Gemorste brandstof moet meteen worden afgeveegd.
Verwissel van kleding als er benzine op is gemorst.
De tankdop moet elke keer na het tanken goed worden geplaatst en vastgeschroefd. De machine mag niet zonder vastgeschroefde originele tankdop worden gebruikt.
Om veiligheidsredenen moet u de brandstofleiding, brandstoftank, tankdop en aansluitingen regelmatig op beschadigingen, veroudering (scheuren), een stevige bevestiging en lekkages controleren en zo nodig vervangen (neem contact op met een vakhandelaar, STIHL raadt de STIHL vakhandelaar aan).
Als de tank moet worden geleegd, moet dit in de buitenlucht worden uitgevoerd.
Gebruik geen drankflessen of soortgelijke zaken om brandstoffen en smeermiddelen af te voeren of op te slaan, zoals bijv. benzine. Personen, met name kinderen, zouden in de verleiding kunnen komen om eruit te drinken.
Sla het apparaat nooit op in een gebouw met benzine in de tank. Ontstane benzinedampen kunnen met open vuur of vonken in aanraking komen en ontbranden.
Zet de machine en de brandstoftank niet in de buurt van verwarmingen, warmtestralers, lasapparaten en andere warmtebronnen. Explosiegevaar!
4.5 Kleding en uitrusting

Draag tijdens werkzaamheden altijd stevige schoenen met grip. Werk nooit op blote voeten of
bijvoorbeeld op sandalen.
De machine mag alleen met een lange broek en nauwe kleding aan in gebruik worden genomen.
Draag nooit losse kledingstukken die aan draaiende onderdelen (bedieningshendel) kunnen blijven hangen – ook geen sieraden, geen stropdassen en geen sjaals.

Bij onderhouds- en reinigingswerkzaamheden en tijdens het vervoer van de machine ook telkens stevige
handschoenen dragen en lang haar samenbinden en bedekken (hoofddoek, muts enz.).

Bij het slijpen van het maairnes moet altijd een geschikte veiligheidsbril worden gedragen.

Tijdens het werken ontstaat lawaai. Lawaai kan het gehoor beschadigen.
Draag gehoorbescherming.
4.6 Vóór het werken
Het moet duidelijk zijn, dat er alleen personen met het apparaat werken die de gebruiksaanwijzing kennen.
Controleer het brandstofsysteem vóór ingebruikname van het apparaat op lekkage, met name de zichtbare onderdelen, zoals bijv. tank, tankdop, slangverbindingen. Verbrandingsmotor bij
lekkage of schade niet starten – Brandgevaar!
Apparaat vóór ingebruikname door vakhandelaar laten repareren.
Het opstappen en het afstappen van het apparaat moet bij gemonteerd maaiwerk via de linkerzijde gebeuren. Aan de rechterkant bevindt zich de deflectorklep waarop nooit mag worden gestaan.
Neem de gemeentelijk voorgeschreven tijden voor het gebruik van tuinapparatuur met verbrandingsmotor of elektromotor in acht.
Controleer het complete terrein waarop het apparaat wordt gebruikt en verwijder alle stenen, stokken, kabels, speelgoed en andere voorwerpen die door het apparaat omhoog kunnen worden geslingerd. Hindernissen (zoals boomstronken en wortels) kunnen in het hoge gras eenvoudig over het hoofd worden gezien.
Markeer daarom vóór het maaien alle in het gazon verborgen vreemde voorwerpen (hindernissen) die niet verwijderd kunnen worden.
Vóór het gebruik van het apparaat moeten alle defecte, versleten en beschadigde onderdelen worden vervangen. Onleesbare of beschadigde waarschuwingsaanwijzingen op het apparaat moeten worden vervangen. Stickers en alle verdere vervangingsonderdelen zijn verkrijgbaar bij uw STIHL vakhandelaar.

Kans op letsel!
Versleten of beschadigde onderdelen (zoals botte messen) kunnen de veiligheid van het apparaat aantasten en letsel veroorzaken bij de gebruiker.
Gebruik de machine nooit met beschadigde of ontbrekende veiligheidsvoorzieningen.
Veerbelaste mechanismen kunnen opgeslagen energie afgeven. Veerbelaste mechanismen moeten onbeschadigd zijn en werken.
Op het maaiwerk moet steeds de vastgeschroefde uitwerpnippel (uitwerpkanaal op maaiwerk) goed gemonteerd zijn. Deze mag niet beschadigd zijn en zo nodig door een vakman worden vervangen.
Controleer de werking van de rem voor elke inbedrijfstelling. (⇒ 12.5)
Controleer vóór elk gebruik:
- of het snijgereedschap en de complete snijeenheid (maaimes, messenkoppeling, messenrem, bevestigingsbout, maaiwerkbehuizing) in onberispelijke staat verkeren. Er moet vooral worden gecontroleerd op veilige montage, schade en slijtage.
– of de tankdop stevig vastgeschroefd is. - of de tank en de brandstofbevattende delen en de tankdop in onberispelijke staat verkeren.
- of de veiligheidsvoorzieningen in onberispelijke staat verkeren en goed werken.
- of de banden (luchtdruk, beschadigingen, slijtage) en het frame in onberispelijke staat verkeren. De schroefverbindingen moeten op correcte montage worden gecontroleerd. Alle onderhoudswerkzaamheden die in het onderhoudsschema worden vermeld onder de rubriek "Vóór het in bedrijf nemen" moeten in elk geval worden uitgevoerd. (⇒ 14.1)
Neem indien nodig contact op met een vakhandelaar. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
4.7 Tijdens het werken

Werk nooit als er personen (in het bijzonder kinderen) of dieren in de buurt zijn. Let erop, dat gras nooit in de richting van
derden wordt uitgeworpen.
Werk niet met het apparaat bij regen, onweer en met name niet bij blikseminslaggevaar.
Uitlaatgassen:

Levensgevaar door vergiftiging! Stop onmiddellijk met werken bij misselijkheid, hoofdpijn, zichtstoornissen (zoals blikvernauwing), slecht horen, duizeligheid of een verminderd concentratievermogen. Deze symptomen kunnen onder andere door een te hoge concentratie uitlaatgassen worden veroorzaakt.

Het apparaat genereert giftige uitlaatgassen zodra de verbrandingsmotor is ingeschakeld. Deze gassen
bevatten giftig koolmonoxide, een kleuren reukloos gas, en andere schadelijke stoffen. De verbrandingsmotor mag nooit in afgesloten of slecht geventileerde ruimtes in werking worden gezet.
De uitlaatgassen van de verbrandingsmotor worden tussen de beide voorwielen naar voor uitgestoten. Tijdens het werken met het apparaat moet erop worden gelet, dat dit gedeelte steeds schoon blijft en nooit wordt afgedekt, zodat de uitlaatgassen niet opstuwen.
Starten:
De machine mag alleen vanuit de bestuurdersstoel worden gestart.
Start de machine op een vlakke ondergrond, niet op een helling.
De verbrandingsmotor mag alleen in een goed geventileerde werkruimte worden gestart, vooral in garages moet op voldoende beluchting worden gelet.
Voordat u de verbrandingsmotor start, koppelt u het snijgereedschap, de combiapparaten en de aandrijving los en trapt u het rempedaal krachtig in.
Houd bij het starten altijd voldoende afstand tussen uw voeten en het snijgereedschap.
Start de verbrandingsmotor nooit door kortsluiten van de klem van de startmotor. Bij het overbruggen van het normale schakelcircuit van de startmotor kan de zitmaaier plotseling in beweging komen.
Start de verbrandingsmotor nooit wanneer u benzinelucht ruikt – explosiegevaar!
Werken:

Let op – Kans op letsel!
Let op het werkbereik van het maairnes. Houd handen of voeten nooit tegen of onder draaiende onderdelen. Raak het ronddraaiende maaimessen nooit aan. Blijf altijd uit de buurt van de uitwerpopening. Houd altijd voldoende veiligheidsafstand in acht.
Werk alleen bij daglicht of bij goede kunstverlichting.

Bij het rijden buiten het gazon of wanneer er niet wordt gemaid, moeten de maaimessen worden losgekoppeld en moet het maaiwerk in de hoogste snijstand worden gezet.
U moet om in het gras verborgen voorwerpen heenrijden (beregeningsinstallaties, palen, waterkranen, fundamenten, stroomkabels enz.). Rijd nooit over dergelijke voorwerpen heen.
Bij het werken met extra combi-apparaten wordt aanbevolen het maaiwerk te demonteren – zie gebruiksaanwijzing van de combi-apparaten.
Houd het stuurwiel tijdens het rijden altijd met beide handen vast. Voorzichtigheid is met name bij het rijden op gazons en andere oneffen terreinen geboden, omdat het stuurwiel bij het rijden in putten, over heuvels en bij schokken enz. vanzelf kan verdraaien.
Gevaar voor letsel aan handen en vingers!
Wanneer er tijdens het werken een defect aan de tank, de tankdop of aan brandstofvervoerende onderdelen (brandstofleidingen) wordt vastgesteld, moet de verbrandingsmotor meteen worden uitgeschakeld. Neem vervolgens contact op met een vakhandelaar. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
Let op kuilen (gaten) in het terrein en andere onzichtbare gevaarlijke plekken. Hindernissen kunnen in het hoge gras eenvoudig over het hoofd worden gezien.
Rijd steeds met een gepaste snelheid.
Gebruik het apparaat uiterst behoedzaam wanneer u in de buurt van hellingen, vuilnishopen, terreinkanten, sloten en dijken werkt. Houd met name voldoende afstand tot dergelijke gevarenzones.
Ga met name voorzichtig te werk op onoverzichtelijke plekken, bosjes, bomen en andere hindernissen waarachter zich personen, met name kinderen, of dieren kunnen bevinden.
Stop de zitmaaier meteen en schakel de maaimessen uit wanneer er iemand binnen het maaibereik komt.
Houd de zone vóór het voertuig voortdurend in de gaten. Let op hindernissen om deze tijdig te kunnen ontwijken.
Controleer voordat u achteruit rijdt altijd de zone achter de zitmaaier en koppel indien aanwezig het combi-apparaat los. Maai nooit achteruit als dit niet beslist noodzakelijk is. Wees bij het achteruit rijden bijzonder voorzichtig en controleer voorafgaand aan het maaien het gehele gebied achter de zitmaaier grondig.
Laat als u met een groep aan het werk bent, de anderen steeds tijdig weten wat u van plan bent. Neem de veiligheidsafstand in acht!
Verlaag steeds de rijsnelheid voordat u van richting verandert, zodat u altijd de machine onder controle houdt en de zitmaaier ook niet kan kantelen.
Let bij het werken in de buurt van wegen en bij het oversteken van verkeerswegen op andere verkeersdeelnemers.
Wees bijzonder voorzichtig bij het maaien in de buurt van wegen, fietspaden en wandelpaden. Weggeslingerde onderdelen kunnen ernstig letsel en zware schade tot gevolg hebben.
Wanneer de zitmaaier met combi-apparaten wordt gebruikt, moeten steeds de meegeleverde aanwijzingen en veiligheidsvoorschriften worden gevolgd.
Schakel de aandrijving uit, schakel de verbrandingsmotor uit en wacht tot de maaimessen volledig stilstaan, trek de handrem aan en verwijder de contactsleutel:
- voordat u blokkeringen of verstoppingen verwijdert,
- voordat u de zitmaaier gaat controleren, reinigen of eraan gaat werken,
- als een maairnes een vreemd voorwerp heeft geraakt. Zoek naar beschadigingen aan de machine en aan het snijgereedschap en laat de vereiste reparaties uitvoeren voordat u de machine opnieuw start,
- als het apparaat abnormaal hard begint te trillen. Een onmiddellijke controle is noodzakelijk.
- bij het achterlaten of het transport van het apparaat.
Schakel de verbrandingsmotor uit en wacht totdat de maaimessen geheel stil staan:
– vóór het bijvullen van brandstof.
Werken op hellingen:
Op hellingen gebeuren vaak ongevallen doordat men de controle over de machine verliest of doordat deze omvalt. Dit kan leiden tot ernstig of zelfs dodelijk letsel.
Er bestaat geen "veilige" helling. Bij het rijden op met gras begroeide hellingen is bijzondere opmerkzaamheid vereist.
Om veiligheidsredenen mag het apparaat niet op hellingen steiler dan 10° (17,6 %) worden gebruikt. Kans op letsel!
Een stijging van de helling van 10° betekent een verticale stijging van 17,6 cm bij een horizontale lengte van 100 cm.

text_image
max. 10° 100 17,6Voor gegarandeerd voldoende smering van de verbrandingsmotor moeten bij het gebruik van het apparaat op hellingen ook de instructies in de meegeleverde gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor in acht worden genomen.
Wanneer u de helling niet achterwaarts omhoog kunt rijden of als u niet zeker bent, is het aan te raden om de helling niet op te rijden.
Start of stop bij voorkeur niet op hellingen.
Gebruik de machine niet op plekken zoals hellingen of sloten waar deze kan kantelen of wegglijden. De kans op kantelen of wegglijden wordt groter naarmate de ondergrond losser of vochtiger is.
Rijd op hellingen altijd in de lengterichting. Bij het dwars rijden is er meer kans op kantelen.
Wijzig bij ritten op hellingen niet abrupt de snelheid of de richting. Voor het maaien onder zulke omstandigheden dient de zitmaaier voorzichtig, rustig en gelijkmatig te worden bediend.
Verander op hellingen niet van richting. Keer op hellingen alleen wanneer dit onvermijdelijk is; rijd indien mogelijk langzaam en in brede bogen bergafwaarts.
Maai geen nat gras, vooral niet op hellingen, omdat de wielen op nat gras minder grip hebben. De zitmaaier kan dan wegglijden en is niet meer onder controle te houden.
Bij het rijden op hellingen mag de transmissie niet via de vrijloop van de transmissie worden ontgrendeld.
Wees bij het bedienen van combi- machines uiterst voorzichtig (andere gewichtsverdeling op de machine).
Probeer de zitmaaier nooit te stabiliseren door een voet op de grond te zetten.
Wanneer de wielen doorschieten of wanneer het voertuig bij het rijden op een helling bergopwaarts blijft steken, moet de maaimessen of het combi-apparaat worden uitgeschakeld. Verlaat vervolgens de helling door langzaam recht bergafwaarts naar beneden te rijden.
Trekken van lasten:
Wees bij het trekken van lasten bijzonder voorzichtig om het gevaar van ernstig of zelfs dodelijk letsel door het kantelen van de zitmaaier te voorkomen.
Gebruik voor het transporteren van voorwerpen uitsluitend door STIHL goedgekeurde accessoires. Het transport op de zitmaaier is niet toegestaan.
Gebruik voor het trekken van lasten uitsluitend de trekhaak. Lasten mogen nooit op de asbehuizing of op een andere plek boven de trekhaak worden bevestigd.
Zie voor gegevens over de treklast en het draagvermogen het hoofdstuk "Trekken van lasten". (⇒ 12.8)
Overschrijden van de aangegeven last is gevaarlijk en kan schade aan het apparaat (verbrandingsmotor, transmissie enz.) tot gevolg hebben.
De lasten moeten bij het transporteren op hellingen zodanig worden aangepast dat een veilige bediening van de zitmaaier (bijv. remmen, van richting veranderen, wegrijden) nog altijd gegarandeerd is.
Controleer of de lasten deskundig en stevig zijn bevestigd. Voor het bevestigen van lasten moeten transportbanden worden gebruikt.
Verdeel de last gelijkmatig.
De overeenkomstige extra gewichten (accessoire) gebruiken wanneer het in de gebruiksaanwijzing van het toestel wordt beschreven.
Neem geen korte bochten. Wees uitermate voorzichtig bij het achteruitrijden.
Wijzig de snelheid of de richting niet abrupt.
Stoppen en uitschakelen:
De zitmaaier mag uitsluitend op een vlakke ondergrond worden uitgeschakeld.
Controleer of de zitmaaier volledig stil staat voordat u van de zitmaaier af stapt.

Houd rekening met de uitloop van het snijgereedschap. Het duurt enkele seconden voordat het snijgereedschap helemaal tot stilstand is gekomen.
Vóór het verlaten van de bestuurdersstoel de maaimessen of de aandrijving naar de combi-apparaten uitschakelen, het maaiwerk en alle combi-apparaten laten zakken, alle stuurhendels in de neutrale standen zetten, de handrem aantrekken, de verbrandingsmotor uitschakelen en de contactsleutel eruit trekken.
Bewaar de contactsleutel zodanig dat uitsluitend bevoegde personen er toegang toe hebben.
4.8 Onderhoud en reparaties

Zet het apparaat voorafgaand aan reinigings-, instel-, reparatie- en onderhoudswerkzaamheden op
een stevige, vlakke ondergrond, trek de handrem aan, schakel de verbrandingsmotor uit en laat deze afkoelen en trek de contactsleutel eruit.
Bedenk dat het bewegen van snijgereedschap het draaien van de andere snijgereedschap tot gevolg heeft.
Voor werkzaamheden rondom de verbrandingsmotor, het uitlaatspruitstuk en de geluiddemper eerst het apparaat laten afkoelen – ook bij alle onderhoudswerkzaamheden aan het maaiwerk. De temperaturen kunnen tot 80°C en meer oplopen. Kans op brandwonden!
Reiniging:
Na het gebruik moeten de complete zitmaaier en de combi-apparaten worden gereinigd. Verwijder in elk geval alle grasresten omdat het vocht in het gras na verloop van tijd beschadigingen veroorzaakt.
STIHL raadt het gebruik van een hogedrukreiniger af. (⇒ 14.2)
Maaiwerk demonteren bij reinigingswerkzaamheden. Maaiwerk nooit met waterstralen (b. v. tuinslang) of door aankoppelen in waterplassen reinigen.
Rijd voor het reinigen (bijv. van het frame van de zitmaaier) nooit dicht langs een rand of een sloot.
Om brandgevaar te voorkomen, moet u de verbrandingsmotor, de koelvinnen, het accuvak, het gedeelte rondom de tank en de uitlaat vrij houden van gras, bladeren of uitstromende olie (vet).
Onderhoudswerkzaamheden:
Er mogen alleen onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd die in deze gebruiksaanwijzing vermeld staan. Alle andere werkzaamheden dient u door een vakhandelaar te laten uitvoeren. Neem altijd contact op met een vakhandelaar als u niet over de vereiste kennis en gereedschappen beschikt. STIHL raadt aan onderhoudswerkzaamheden en reparaties uitsluitend door de STIHL vakhandelaar te laten uitvoeren. STIHL vakhandelaren volgen regelmatig cursussen en krijgen voortdurend technische informatie ter beschikking gesteld.
Gebruik uitsluitend gereedschappen, accessoires of combi-apparaten die voor dit apparaat door STIHL zijn goedgekeurd of technisch gelijkwaardige onderdelen, om de kans op ongevallen met letsel of schade aan het apparaat te voorkomen. Neem bij vragen contact op met een vakhandelaar.
Originele STIHL gereedschappen, accessoires en vervangingsonderdelen zijn wat betreft hun eigenschappen optimaal op het apparaat en de behoeften van de gebruiker afgestemd. Originele STIHL vervangingsonderdelen zijn herkenbaar aan het STIHL onderdeelnummer, het STIHL logo en eventueel het STIHL symbool op de onderdelen. Op kleine onderdelen kan ook alleen het teken staan.
De zitmaaier en alle combi-machines moeten een keer per jaar door een vakhandelaar worden geïnspecteerd. (⇒ 14.1)
Houd waarschuwings- en instructiestickers altijd leesbaar en schoon. Beschadigde of verloren gegane stickers moeten via uw STIHL vakhandelaar door nieuwe originele stickers worden vervangen. Let er bij het vervangen van een onderdeel door een nieuw onderdeel op dat het nieuwe onderdeel van dezelfde stickers is voorzien.
Om veiligheidsredenen moeten brandstofbevattende onderdelen (brandstofleiding, brandstofkraan, brandstoftank, tankdop, aansluitingen enz.) regelmatig op beschadigingen en lekkages worden geïnspecteerd en indien nodig door een erkende vakman worden vervangen (STIHL raadt de STIHL vakhandelaar aan).
Voorafgaand aan werkzaamheden aan of in de buurt van elektrische componenten moet de minkabel (−) op de accu worden losgekoppeld.
Het apparaat is met talloze veiligheidsvoorzieningen uitgerust. Deze voorzieningen mogen niet worden verwijderd of gemodificeerd (bijv. overbrugd) en moeten regelmatig worden geïnspecteerd. Werkzaamheden aan de veiligheidsvoorzieningen mogen uitsluitend door een erkende monteur worden uitgevoerd. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
Zorg ervoor dat alle moeren, bouten en schroeven, met name de mesbevestigingsbouten, goed zijn vastgedraaid zodat het apparaat veilig functioneert.
Om veiligheidsredenen moeten versleten of beschadigde onderdelen meteen worden vervangen.
Vanwege het gewicht van de zitmaaier is bij werkzaamheden onder de machine grote voorzichtigheid geboden. Neem daarom contact op met uw vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan. Deze beschikt over een werkput of een hydraulische werkbrug.
Controleer of de voor- en achterwielen goed vastzitten.
Houd de zitmaaiers en de combi-apparaten voortdurend in onberispelijke staat, alle veiligheidsvoorzieningen moeten aanwezig en in onberispelijke staat zijn.
Controleer of de banden voldoende spanning hebben. De in de gebruiksaanwijzing vermelde bandenspanning mag niet worden overschreden.
Werk aan de maaimessen uitsluitend met dikke werkhandschoenen en met de uiterste voorzichtigheid.
Controleer de werking van de rem met regelmatige korte tussenpozen en laat eventueel de vereiste instellingen of onderhoudswerkzaamheden door een erkende vakhandelaar uitvoeren. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
Elektrisch systeem en accu:
Ter voorkoming van vonkvorming als gevolg van kortsluiting moet steeds eerst de minkabel (−) op de accu worden losgekoppeld en als laatste weer erop worden aangesloten.

Rook bij ongeacht welke werkzaamheden aan de accu nooit. Houd vonken, open vuur en andere warmtebronnen ver
van de accu.
Bij het gebruik van startkabels is bijzondere voorzichtigheid geboden. Neem de desbetreffende instructies in acht ter voorkoming van schade aan de zitmaaier (in elk geval de starter maximaal 10 seconden ingedrukt houden). (⇒ 12.2)
Voor het opladen van de accu met behulp van een ander laadsysteem moeten de aanwijzingen in het hoofdstuk "Accu laden" worden opgevolgd. (⇒ 14.19)
Open nooit de accu en laat deze niet vallen.
Laad de accu altijd op in een gesloten, goed geventileerde, droge en tegen weersinvloeden beschermde ruimte.
Sluit de aansluitingen van de accu niet kort.
Vervormde of defecte (lekkende) accu's mogen niet meer worden gebruikt en moeten worden vervangen en milieuvriendelijk worden afgevoerd. Neem de nationale voorschriften in acht.
Bij defecte accu's kan vloeistof uitlekken. Voorkom aanrakingen met de huid! Bij onbedoeld contact met water afspoelen. Indien de vloeistof in aanraking komt met de ogen, spoelt u deze eerst met water en consulteert u een arts. Uitstromende accuvloeistof kan huidirritatie, brandwonden en bijtende plekken veroorzaken.
Inspecteer de aansluitkabels op de accu regelmatig visueel op beschadigingen. Laat beschadigde kabels vervangen door een erkende monteur.
De zekeringen mogen nooit worden overbrugd. Plaats nooit een zekering met een andere dan de voorgeschreven capaciteit (ampère).
4.9 Opslag bij langdurige bedrijfsonderbrekingen
Laat de verbrandingsmotor afkoelen voordat u het apparaat in een afgesloten ruimte plaatst.
Bewaar de zitmaaier met een lege tank en de brandstofvoorraad in een afsluitbare en goed geventileerde ruimte.
Bewaar de machine nooit met benzine in de tank in binnenruimtes waar eventuele benzinedampen met open vuur of vonken in aanraking kunnen komen.
Als de tank moet worden afgetapt (b v. stilleggen voor de winterpauze), mag de brandstoftank uitsluitend in de open lucht worden geledigd (tank b v. in de open lucht leegrijden door de verbrandingsmotor te laten draaien).
Sla het apparaat in een veilige staat op.
De contactsleutel moet er altijd worden uitgehaald en op een veilige plek worden bewaard om het onbevoegd of ondeskundig gebruik door kinderen en andere personen te voorkomen.
Reinig de zitmaaier voor het opslaan (bijv. winterpauze) grondig. Droge grasresten en bladeren in de buurt van de geluiddemper kunnen ontbranden.
Gevaar voor ontbranding!
Verricht voor het opslaan alle noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden (o.a. smeren). (⇒ 14.1)
Wanneer de zitmaaier gedurende langere tijd buiten werking wordt gesteld, moeten de accukabels worden losgekoppeld. STIHL raadt aan de accu te demonteren en deze volledig opgeladen in een droge en afgesloten ruimte op te slaan. (⇒ 14.18)
Beveilig accu's tegen gebruik door onbevoegden (bijv. kinderen).
Laat het apparaat volledig afkoelen voor dat u het bedekt.
4.10 Afvoer
Afvalproducten zoals gebruikte olie of brandstof, gebruikte smeermiddelen, filters, accu's en soortgelijke slijtageonderdelen zijn slecht voor mensen en dieren en kunnen het milieu beschadigen. Ze moeten derhalve op de juiste wijze worden afgevoerd.
Neem contact op met het recyclingcenter of uw vakhandelaar voor nadere informatie over het deskundig afvoeren van afvalproducten. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
Voer een apparaat aan het eind van de levensduur ervan op de daarvoor bestemde wijze af. Maak het apparaat onbruikbaar voordat het als afval wordt verwerkt. Verwijder ter voorkoming van ongevallen in het bijzonder de contactsleutel, de accu en de bougiekabel aan de verbrandingsmotor.
Kans op letsel door het maaiimes!
Laat ook een oude zitmaaier aan het eind van de levensduur nooit zonder toezicht staan. Bewaar de machine en in het bijzonder de maaimessen altijd buiten het bereik van kinderen.
De accu moet gescheiden van de machine worden afgevoerd. Zorg dat accu's veilig en milieuvriendelijk worden afgevoerd.
5. Toelichting van de symbolen

Opgelet!
Lees vóór ingebruikname de gebruiksaanwijzing en de veiligheidsinstructies en volg deze op.

Kans op letsel!
Trek vóór alle werkzaamheden aan het snijgereedschap en onderhouds- en reinigingswerkzaamheden de contactsleutel eruit.

Opgelet!
Wees voorzichtig voor rond- vliegende voorwerpen - houd afstand en houd ande- ren uit de buurt.

Opgelet!
Houd bij een draaiende verbrandingsmotor rekening met wegslingerende onderdelen – werk met een deflectorklep.

Kans op letsel!
Rijd of maai niet op hellingen van meer dan 10° (17%).
Kans op kantelen!

Kans op letsel!
Houd andere personen uit de gevarenzone.



Opgelet!
Kom bij een draaiende verbrandingsmotor nooit binnen het werkbereik van de maaimessen.
Kans op letsel!
Maaiwerk niet betreden.

Kans op brandwonden!
Raak hete oppervlakken niet aan en houd afstand. Onderdelen van verbrandingsmotoren, met name geluiddempers, worden extreem heet.

Levensgevaar door vergiftiging!
Stop onmiddellijk met werken bij misselijkheid, hoofdpijn, zichtstoornissen (zoals blikvernauwing), slecht horen, duizeligheid of een verminderd concentratievermogen. Deze symptomen kunnen onder andere door een te hoge concentratie uitlaatgassen worden veroorzaakt.

Levensgevaarlijk!
Benzine is giftig en in hoge mate ontvlambaar. Houd benzine uit de buurt van vonken, open vlammen, permanent brandend vuur, warmtebronnen en andere ontstekingsbronnen. Niet roken!
Schakel de verbrandingsmotor voor het bijtanken uit en laat deze afkoelen.

Gevaar voor letsel!
Tijdens het werken ontstaat lawaai. Lawaai kan het gehoor beschadigen.
Draag gehoorbescherming.
6. Leveringsomvang
Pos. Omschrijving Stk.
A Basistoestel 1
B Contactsleutel 2
-Gebruiksaanwijzing 1
-Gebruiksaanwijzing
verbrandingsmotor
1
7. Werkzaamheden vóór de eerste ingebruikname 8. Bed
- Inhoud van de motorolie controleren.
(⇒ 14.12)
• Brandstof bijtanken. (⇒ 12.1)
• Brandstofkraan openen. (⇒ 14.8) - Bandenspanning optimaliseren. (⇒ 14.9)
ingselementen
8.1 Contactslot

Aanwijzing
De contactsleutel kan alleen worden ingestoken en uitgetrokken in de stand verbrandingsmotor uit (STOP).
Het contactslot mag alleen met de passende contactsleutel worden bediend.
Gebruik nooit een schroevendraaier of een soortgelijk voorwerp.

text_image
STOP 1 2Contactsleutel (1) in het contactslot (2) steken.
Door te draaien aan de contactsleutel kunnen de volgende vier posities worden gekozen:
Verbrandingsmotor uit:
De verbrandingsmotor is uitgeschakeld of wordt stilgelegd. Het licht is uitgeschakeld, de contactsleutel kan worden verwijderd.
Licht aan (bedrijf met licht):
Draaiende verbrandingsmotor: Het licht wordt ingeschakeld, de verbrandingsmotor loopt verder.
Uitgeschakelde verbrandingsmotor: Het licht wordt ingeschakeld.
Ontsteking aan en verbrandingsmotor loopt:
De ontsteking wordt ingeschakeld, het licht is uitgeschakeld. Na het starten springt de contactsleutel automatisch terug in deze positie en draait de verbrandingsmotor.
Verbrandingsmotor starten:
Wanneer aan alle veiligheidstechnische aspecten voor het starten is voldaan en de contactsleutel in deze positie wordt gedraaid, start de verbrandingsmotor. Bij het loslaten van de contactsleutel springt deze weer terug in de positie "Verbrandingsmotor draait".

Aanwijzing
Bij uitgeschakelde verbrandingsmotor wordt in de posities "Licht aan" en "Contact aan" na 20 seconden een signaaltoon geactiveerd. Het geluidssignaal geeft aan dat de accu wordt ontladen. Contactsleutel voor deactiveren van de signaaltoon in positie "Verbrandingsmotor uit" draaien of verbrandingsmotor starten.




8.2 Gashendel met chokefunctie (RT 4097 SX)

Opmerking
Bij het starten van een koude verbrandingsmotor moet de gashendel bij het model RT 4097 SX in de chokestand worden gezet.
Voorkom schade aan het apparaat!
Als de verbrandingsmotor draait, mag de gashendel niet in de chokestand staan. Zet na het starten de gashendel onmiddellijk in de stand MAX.
Chokestand:


Gashendel (1) geheel naar voor in de chokestand schuiven (op klikstand letten).
Toerental van de verbrandingsmotor instellen:


Aanwijzing
Maai uitsluitend bij een maximaal toerental van de verbrandingsmotor. De gashendel moet in de MAX-positie staan.

Wanneer de gashendel (1) naar onder of naar boven wordt geschoven, verandert het verbrandingsmotortoerental en bij een ingeschakeld maaiwerk het toerental van de maaimessen.
Positie MAX:
Wanneer de gashendel (1) naar voor in de richting van de MAX-markering wordt gezet, wordt het verbrandingsmotortoerental verhoogd.
Positie MIN:
Wanneer de gashendel (1) naar achter in de richting van de MIN-markering wordt gezet, wordt het verbrandingsmotortoerental verlaagd.
8.3 Gashendel (RT 4112 SZ)

Aanwijzing
Tijdens het starten met een koude verbrandingsmotor moet de gashendel bij het model RT 4112 SZ in de MAX-stand worden gezet. Daarnaast moet ook de chokeknop worden bediend.
Toerental van de verbrandingsmotor instellen:


Aanwijzing
Maai uitsluitend bij een maximaal toerental van de verbrandingsmotor. De gashendel moet in de stand MAX staan.

Wanneer de gashendel (1) naar onder of naar boven wordt geschoven, verandert het verbrandingsmotortoerental en bij een ingeschakeld maaiwerk het toerental van de maaimessen.
Positie MAX:
Wanneer de gashendel (1) naar voor in de richting van de MAXmarkering wordt gezet, wordt het verbrandingsmotortoerental verhoogd.
Positie MIN:
Wanneer de gashendel (1) naar achter in de richting van de MINmarkering wordt gezet, wordt het verbrandingsmotortoerental verlaagd.
8.4 Chokeknop (RT 4112 SZ)
Voor het starten met een koude verbrandingsmotor heeft het model RT 4112 SZ een extra chokeknop.

Aanwijzing
Bij het starten van de zitmaaier met een warme verbrandingsmotor moet de chokeknop niet worden uitgetrokken.
BELANGRIJK:
Druk zodra de verbrandingsmotor loopt de chokeknop weer terug in de uitgangspositie.
Choke activeren:

Trek vóór het starten de chokeknop (1) tot aan de aanslag uit.
Choke deactiveren:
Druk de chokeknop tot aan de aanslag in.
8.5 Schakelaar maaiwerk
Met de schakelaar maaiwerk kan bij een draaiende verbrandingsmotor het maaiwerk worden ingeschakeld of uitgeschakeld. De maaimessen in het maaiwerk beginnen te draaien of vallen stil.

Aanwijzing
Schakel het maaiwerk niet in hoog gras of in de laagste snijstand in. Maaiwerk enkel bij draaiende verbrandingsmotor aankoppelen en bij maximum toerental van de verbrandingsmotor. Voor de veiligheid kan enkel ingeschakeld worden als de operator op de bestuurdersstoel zit (veiligheidsinrichting)
Maaiwerk inschakelen:

Druk de schakelaar maaiwerk (1) aan de bovenzijde tot aan de aanslag in.
Maaiwerk uitschakelen:

Druk de schakelaar maaiwerk (1) aan de onderzijde tot aan de aanslag in.
8.6 Veiligheidsschakelaar achteruit maaien
Met de veiligheidsschakelaar achteruit maaien wordt het maaiwerk vrijgegeven voor het maaien in de rijrichting achteruit. Indien geen vrijgave volgt, wordt het maaiwerk uit veiligheidsoverwegingen automatisch ontkoppeld.

Voor het achteruit maaien de veiligheidsschakelaar achteruit maaien (1) binnen een vastgelegd tijdsvenster met de linkervoet een keer kort indrukken.
1 Vrijgave bij ontkoppeld maaiwerk:
- Zitmaaier stoppen en de rijrichting achteruit kiezen. (⇒ 8.7)
- Veiligheidsschakelaar achteruit maaien met de linkervoet een keer kort indrukken.
- Maaiwerk inkoppelen en achteruit maaien binnen 5 seconden starten. (⇒ 8.5) Een vrijgave is ook tot 1 seconde na het starten mogelijk.
2 Vrijgave bij ingeschakeld maaiwerk:
- Veiligheidsschakelaar achteruit maaien bij lopend maaiwerk met de linkervoet een keer indrukken.
- Binnen 5 seconden in de rijrichting achteruit omschakelen en verder maaien. (⇒ 8.7) Een vrijgave is ook tot 1 seconde na het wisselen van rijrichting mogelijk.
Als de veiligheidschakelaar achteruit maaien permanent wordt ingedrukt, dan moet de schakelaar binnen een tijdsvenster worden losgelaten en opnieuw worden bediend.
8.7 Keuzehendel rijrichting

Aanwijzing
Voordat u de keuzehendel rijrichting activeert, moet u eerst het aandrijfpedaal loslaten. Bij een ingedrukt aandrijfpedaal is de keuzehendel rijrichting om veiligheidsredenen geblokkeerd en kan deze niet worden bediend. De zitmaaier komt niet in beweging als u alleen de keuzehendel rijrichting bedient.
De keuzehendel rijrichting heeft twee standen. U kunt de rijrichting vooruit of achteruit kiezen.

Rijrichting kiezen:

Rijrichting vooruit:
Zet de keuzehendel rijrichting (1) in de voorste stand.
Rijrichting achteruit:
Zet de keuzehendel rijrichting (1) in de achterste stand.
8.8 Stuurwiel

Waarschuwing!
Houd het stuurwiel tijdens het rijden altijd met beide handen vast.

text_image
L R 1Door het stuurwiel (1) naar links L of naar rechts R te draaien, verandert u de rijrichting van de zitmaaier. Hoe verder het stuurwiel (1) wordt gedraaid, des te kleiner wordt de draaicirkel.
8.9 Verstellen bestuurdersstoel
De stoel kan traploos worden versteld.

• Verbrandingsmotor uitschakelen. (⇒ 12.3)
- Bestuurdersstoel naar voor klappen.

Beide vleugelmoeren (1) losdraaien. Bestuurdersstoel in de gewenste stand zetten. Beide vleugelmoeren (1) vastschroeven.
8.10 Aandrijfpedaal

Aanwijzing
Controleer vóór het induwen van het aandrijfpedaal of de juiste rijrichting op de keuzehendel rijrichting is geselecteerd. Na het aantrekken van de handrem of het induwen van het rempedaal kan uit veiligheidsoverwegingen het aandrijfpedaal niet worden ingeduwd.
Met behulp van het aandrijfpedaal wordt de rijsnelheid van het apparaat traploos geregeld.


Haal uw voet van het aandrijfpedaal (1).
Rijsnelheid verlagen:
Laat het aandrijfpedaal (1) iets opkomen.
Rijsnelheid verhogen:
Duw het aandrijfpedaal (1) in.


8.11 Rempedaal
Met behulp van het rempedaal kan het apparaat tijdens het rijden worden afgeremd of in stilstand worden geblokkeerd.

Aanwijzing!
Als het rempedaal wordt ingetrapt, worden beide achterwielen afgeremd.
De rem werkt alleen op de beide achterwielen.

Trap het rempedaal (1) in. Hoe krachtiger het rempedaal (1) wordt ingetrapt, des te meer worden de achterwielen afgeremd.

Waarschuwing!
Gebruik het apparaat nooit als de rem defect is.
Laat een defecte rem altijd door een vakhandelaar repareren of afstellen.
STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
Probeer nooit zelf de rem te onderhouden.
8.12 Handrem
Door de aangetrokken handrem worden de achterwielen van de machine geblokkeerd. Daardoor wordt voorkomen dat de zitmaaier zichzelf in beweging kan zetten (b.v. op hellingen enz.).

Aanwijzing
Controleer vóór het aantrekken van de handrem elke keer de werking van de rem.
Handrem aantrekken:

Duw het rempedaal (1) met uw voet tot aan de aanslag naar beneden in en houd vast.
Trek de handremhendel (2) naar boven.
- Laat het rempedaal weer los. De handrem is geactiveerd wanneer het rempedaal ingetrapt blijft.
- Laat de handremhendel los. Deze klapt naar onderen. De achterwielen zijn geblokkeerd.
Handrem loszetten:

Duw met uw voet het rempedaal (1) korte tijd in.
- Het rempedaal keert terug naar de oorspronkelijke uitgangspositie (de niet-ingetrapte toestand). De handrem is gedeactiveerd en de achterwielen zijn niet meer geblokkeerd.
8.13 Hendel snijhoogteverstelling
Met de hendel snijhoogteverstelling kunnen 7 snijstanden worden ingesteld.
Hendel snijhoogteverstelling ontgrendelen:
Kans op letsel!
⚠️ Voor het ontgrendelen van de hendel snijhoogteverstelling de hendel aan de greep goed vasthouden. Om veiligheidsredenen de hendel snijhoogteverstelling alleen ontgrendelen terwijl het apparaat stil staat.
Het ontgrendelingsverloop van de hendel voor snijhoogteverstelling is afhankelijk van het feit of het maaiwerk gemonteerd of gedemonteerd is.

Ontgrendelen met gemonteerd maaiwerk: Hendel snijhoogteverstelling (1) naar binnen (naar bestuurdersstoel) trekken en vasthouden.
Ontgrendelen met gedemonteerd maaiwerk: hendel snijhoogteverstelling (1) licht naar onder drukken en vasthouden. Hendel snijhoogteverstelling (1) naar binnen (naar bestuurdersstoel) trekken en vasthouden.
- De hendel snijhoogteverstelling is ontgrendeld en de snijstand kan worden versteld.
Hendel snijhoogteverstelling vergrendelen:

Hendel snijhoogteverstelling (1) langzaam met de hand naar buiten duwen tot de hendel snijhoogteverstelling in een klikstand vastklikt.
8.14 Hendel voor vrijloop transmissie
De transmissie kan met behulp van de hendel voor vrijloop transmissie worden losgekoppeld (bijv. voor het duwen van het apparaat) of worden vastgekoppeld (voor de wielaandrijving).


Waarschuwing! Kans op kneuzingen!
De hendel voor vrijloop transmissie mag uitsluitend op een vlakke ondergrond worden uitgetrokken, omdat het apparaat zichzelf in beweging kan zetten.
Bij het parkeren van het apparaat met een losgekoppelde transmissie moet altijd de handrem worden aangetrokken.

Aanwijzing
De hendel voor vrijloop transmissie bevindt zich achter het rechter achterwiel.
De hendel voor vrijloop transmissie mag uitsluitend worden uitgetrokken wanneer de zitmaaier wordt verplaatst.
Transmissie loskoppelen:

Trek de hendel voor vrijloop transmissie (1) tot de aanslag naar buiten.
Transmissie inschakelen:

Trek de hendel voor vrijloop transmissie (1) tot de aanslag naar binnen.
9. Elektronica
De zitmaaier is uitgevoerd met elektronica die elke keer vóór het starten en tijdens het bedrijf alle veiligheidsvoorzieningen controleert en zo een veilig gebruik waarborgt.
9.1 Zelfdiagnose bij het starten
Voorafgaand aan het starten van de verbrandingsmotor voert de elektronica een zelfdiagnose uit. Hierbij worden schakelaars, kabels enz. gecontroleerd op hun goede werking.
Activeren van de zelfdiagnose:
• Ga op de bestuurdersstoel zitten.
• Zet de handrem los. (→ 8.12)
- Draai de contactsleutel in de positie "Contact aan" (⇒ 8.1) – bedien hierbij geen schakelaar en geen pedaal.
Zelfdiagnose zonder storing:
Een korte pieptoon wordt geactiveerd – de elektronica is geactiveerd en de zitmaaier is startklaar.
- Start de verbrandingsmotor. (⇒ 12.2)
Zelfdiagnose met storing:
Een ononderbroken pieptoon of drie opeenvolgende pieptonen worden geactiveerd.
Een ononderbroken pieptoon duidt op een storing in de elektronica of een verkeerd aangesloten accu.
- Draai de contactsleutel in de stand "Verbrandingsmotor uit". (⇒ 8.1)
- Controleer de polariteit van de accuaansluitingen en sluit de kabel eventueel juist aan. (⇒ 14.18)
- Herhaal de zelfdiagnose. Als de ononderbroken pieptoon ook na de correcte aansluiting van de accu actief blijft, is er een elektronicadefect. Neem contact op met uw vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan.
Drie opeenvolgende pieptonen wijzen op een elektrisch defect (kortsluiting) of defect aan de zitcontactschakelaar. De verbrandingsmotor kan niet worden gestart.
- Draai de contactsleutel in de stand "Verbrandingsmotor uit". (→ 8.1)
- Laat de vakhandelaar een gedetailleerde diagnose uitvoeren. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
9.2 Defect aan de zitmaaier tijdens bedrijf
De elektronica houdt toezicht op een veilige toestand tijdens het werken. Bij een elektrisch defect (kortsluiting, losse stekker, kabelbreuk) worden drie opeenvolgende pieptonen geactiveerd.
De verbrandingsmotor wordt uitgeschakeld.
Werkwijze:
- Draai de contactsleutel in de stand "Verbrandingsmotor uit". (⇒ 8.1)
• Activeer de zelfdiagnose. (⇒ 9.1)
Als het defect niet kan worden verholpen, is een gedetailleerde diagnose vereist. Neem contact op met uw vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan.
9.3 Storing in de elektronica
In zeldzame gevallen kan er tijdens het gebruik een storing in de elektronica zelf optreden. Een ononderbroken pieptoon wordt geactiveerd en de verbrandingsmotor valt stil.
Werkwijze:
- Draai de contactsleutel in de stand "Verbrandingsmotor uit". (⇒ 8.1)
• Activeer de zelfdiagnose. (⇒ 9.1) - Start de verbrandingsmotor opnieuw. (⇒ 12.2)
Als het defect niet kan worden verholpen, is een gedetailleerde diagnose vereist. Neem contact op met uw vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan.
10. Aanwijzingen voor werken
Waarschuwing! Kans op letsel!
Neem vóór elke ingebruikname alle informatie door voor het veilig werken met de machine. Werk op hellingen altijd bijzonder opmerkzaam en voorzichtig.
Aanwijzing Controleer voor het maaien of het maaiwerk goed is ingebouwd. Kies bij de eerste ingebruikname van uw apparaat een vlakke, effen ondergrond en maai als proef rechte en iets overlappende stroken. Gras moet altijd in droge staat worden gemaaid.
10.1 Maaisessie
Algemene aanwijzingen:

Let op - Brandgevaar!
Overbelasting van aandrijving maaiwerk vermijden. Door overbelasting kan de V-riem voortdurend gaan slippen waardoor uiteindelijk brandgevaar als gevolg van oververhitting ontstaat. Vreemde geluiden, bijv. een knarsende V-riem (schurend geluid), zijn tekenen van overbelasting. Daarom in hoog gras nooit met een verstopt uitwerpkanaal maaien; indien nodig een mulch-kit (speciale accessoire) gebruiken. Het maaiwerk moet vooral bij de V-riem steeds worden ontdaan van ontvlambaar materiaal (gras, bladeren, enz.) en regelmatig worden schoongemaakt, om brandgevaar te voorkomen.
Tijdens het maaien wordt het grasafval zijdelings van het maaiwerk over een grote oppervlakte uitgeworpen en blijft nadien op de bodem liggen.
Daar het grasafval over een grote oppervlakte uitgeworpen wordt dient men met volgende punten rekening te houden:
- Let op de rijrichting.
- Maai uitsluitend bij een maximaal toerental van de verbrandingsmotor. (⇒ 8.2), (⇒ 8.3)
- Het gazon dient droog te zijn. Nat grasafval leidt door het hogere gewicht tot zwadvorming.
- De maaimessen moeten in goede staat zijn (scherp, niet beschadigd). (⇒ 14.6)
- Pas de rijsnelheid aan de staat van het gazon aan. (⇒ 8.10)
- De gepaste snijstand kiezen – niet te kort maaien. (⇒ 12.6)
Rijrichting bij het maaien:
Tijdens het maaien moet op de juiste rijrichting gelet worden. De maairichting steeds zo kiezen dat het grasafval altijd op het reeds gemaaide gazondeel uitgeworpen wordt. Hierdoor wordt het grasafval gelijkmatig uitgeworpen en verdeeld. Verder wordt een overbelasting van het apparaat vermeden door te grote hoeveelheden gras.
Voorbeeld:
Maaien in spiraalvorm

Het maaien wordt linksom uitgevoerd, en van buiten naar binnen. Hierdoor wordt het grasafval op het reeds gemaaide gazondeel uitgeworpen.

flowchart
graph TD
A["Start"] --> B["Step 1"]
B --> C["Step 2"]
C --> D["Step 3"]
D --> E["Step 4"]
E --> F["Step 5"]
F --> G["Step 6"]
G --> H["Step 7"]
H --> I["Step 8"]
I --> J["End"]
- Aan de buitenrand van het gazon starten en naar binnen toe werken,
- rijrichting linksom kiezen.
Vermijden van verstoppingen in het maaiwerk / in de uitwerpopening:
Om verstoppingen in de uitwerpopening van het maaiwerk te voorkomen dient deze tijdens het maaien steeds in het oog worden gehouden, en indien nodig gereinigd worden.
Indien de uitwerpopening van het maaiwerk over een korte afstand reeds verstopt geraakt, verminder dan de rijsnelheid of kies een hogere snijstand.
Als het probleem aanhoudt, is de oorzaak waarschijnlijk gelegen in botte messen of beschadigde of versleten vleugels van de maaimessen. Maaiimes slijpen of vervangen.
Bovendien moeten de binnenzijde van maaiwerk, het uitwerpopening en het maaimes na elk gebruik worden gereinigd, zodat er geen grasresten aankoeken.
Bemesten:
Bij het maaien worden er permanent voedingsstoffen aan de bodem onttrokken. Deze kunnen door middel van een hoogwaardige gazonmest weer worden aangevuld. In de regel volstaan drie bemestingssessies per maaiseizoen. Hierbij moet het gazon droog zijn om te voorkomen dat de mest aan de grassprieten blijft kleven, waardoor deze verbranden. Besproei het gazon achteraf met water om de mest in elk geval van de sprieten te spoelen. (Volg de verwerkingsinstructies van de fabrikant op.)
Bodemontziend werken:
De belangrijkste factoren voor bodemontziend werken zijn de gehanteerde techniek en de vochtigheid van de bodem.
Voor een goed maairesultaat moet de rijsnelheid worden aangepast aan de staat van het te maaien gras (lengte en volheid) en aan de vochtigheidsgraad van het gazon.
Bij te kort genomen bochten neemt de belasting op de grasnerf toe. Dit levert met name bij een nat gazon slechte maairesultaten op, omdat de wielen in het zachte gazon wegzakken.
11. Veiligheidsvoorzieningen
Voor een veilige bediening en ter voorkoming van onjuist gebruik is het apparaat van verschillende veiligheidsvoorzieningen voorzien.

Kans op letsel!
Bij een eventueel defect aan een van de veiligheidsvoorzieningen mag het apparaat niet in bedrijf worden genomen. Neem contact op met een vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan.
Voor het starten van de verbrandingsmotor moet in elk geval:
- het maaiwerk moet uitgeschakeld zijn,
— het rempedaal ingeduwd of de handrem aangetrokken zijn.
De verbrandingsmotor wordt uitgeschakeld als de gebruiker:
- de bestuurdersstoel verlaat terwijl het maaiwerk is ingeschakeld,
- de bestuurdersstoel verlaat terwijl de handrem niet is aangetrokken.
Geïntegreerde messen-uitlooprem:
Na het uitschakelen komen de maaimessen pas na 5 seconden tot stilstand.

Opmerking
Na het inschakelen van het maaiwerk draaien de maaimessen en is er een windgeruis te horen. De nalooptijd duurt even lang als het windgeruis na het uitschakelen. Dit kan met een stopwatch worden gemeten.
Meet ter controle van de geïntegreerde messen-uitlooprem met een stopwatch de duur van het windgeruis na het uitschakelen.
Als dit langer duurt dan 5 seconden: neem contact op met een STIHL vakhandelaar.
12. Apparaat in gebruik nemen
- Lees het hoofdstuk "Voor uw veiligheid" zorgvuldig door en volg de instructies op. (⇔ 4.)
-
Maak uzelf vertrouwd met de bedieningselementen van de machine. (⇒ 8.)
-
Neem vóór de ingebruikname het onderhoudsschema door en voer al het noodzakelijk onderhoud uit. (⇔ 14.1)
- Controleer vóór elke inbedrijfstelling of alle veiligheidsvoorzieningen functioneren.
De veiligheidsinrichtingen mogen niet ontbreken of worden beschadigd, overbrugd of gewijzigd. (⇒ 11.)

Kans op letsel!
Om veiligheidsredenen mag de machine niet op hellingen steiler dan 10° (17,6 %) worden gebruikt. 17,6 % helling betekent een verticale stijging van 17,6 cm bij 100 cm horizontale lengte.
12.1 Brandstof bijtanken
Maximale tankinhoud:
9 liter

Advies:
Verse merkbrandstoffen, gegevens over de brandstofkwaliteit (octaangetal) vindt u in de gebruiksaanwijzing van de verbrandingsmotor.
- Schakel de verbrandingsmotor voor het bijtanken uit en laat deze afkoelen (handwarm). (⇒ 12.3)
• Handrem aantrekken. (⇒ 8.12)

Om morsen van brandstof te voorkomen, gebruik voor het vullen van de brandstof een geschikte trechter (wordt niet meegeleverd) gebruiken.
Brandstof langzaam en voorzichtig vullen. Om overlopen te vermijden zal het vullen in meerdere stappen opgedeeld worden. Tussen de verschillende stappen de vultrechter wegnemen en visueel de inhoud van de tank controleren. Hoe meer brandstof reeds werd gevuld, des te kleiner moeten de hoeveelheden per stap worden. Vul de brandstoftank nooit tot boven de onderkant van de vulplug, zodat de brandstof ruimte heeft om uit te zetten.
Tankdop:

text_image
9 L 1Tankdop (1) losdraaien (let op de pijlrichting) en wegnemen.
- De brandstof met behulp van een gepaste vultrechter (niet meegeleverd) bijvullen (zie vulprocedure).

text_image
9 L 1Tankdop (1) bevestigen en indraaien (let op de pijlrichting). Vervolgens de tankdop (1) handvast vastdraaien.
- Veeg gemorste brandstof droog en laat deze even verdampen, voordat de verbrandingsmotor wordt gestart.
12.2 Verbrandingsmotor starten

Kans op letsel!
Lees vóór het starten het hoofdstuk "Voor uw veiligheid" zorgvuldig door en volg de instructies op. (⇔ 4.)
Start het apparaat uitsluitend wanneer de gebruiker op de bestuurdersstoel zit.

Tijdens het werken (bijv. maaien) moet de gashendel altijd in de MAX-stand staan.

Voorkom schade aan het apparaat!
Start de verbrandingsmotor niet, weet dat bij meerdere tevergeefse startpogingen de verbrandingsmotor kan "verzuipen". De contactsleutel mag bij het starten nooit langer dan maximaal 10 seconden in de stand "Verbrandingsmotor starten" worden gehouden.
Neem vóór het starten de volgende punten in acht
- Lees het hoofdstuk "Voor uw veiligheid" zorgvuldig door en volg de instructies op. (⇒ 4.)
• Motoroliepeil controleren. (⇒ 14.12) - Grasresten uit het maaiwerk en de motorruimte verwijderen.
• Brandstofpeil controleren. - Controleer vóór elke ingebruikname of de rem goed werkt. (⇒ 12.5)
- Stel alle specifieke instellingen (van de bestuurdersstoel) op het apparaat in. Niet bij een draaiende verbrandingsmotor!
- Start het apparaat niet als er personen (in het bijzonder kinderen) of dieren in de buurt zijn.
Startvolgorde
Het apparaat moet in de volgende volgorde worden gestart.
- Open de brandstofkraan. (⇒ 14.8)
-
Trap het rempedaal vóór het starten tot aan de aanslag in en houd het ingetrapt of trek de handrem aan. (⇒ 8.11), (⇒ 8.12)
-
Controleer de schakelaar maaiwerk: het maaiwerk moet uitgeschakeld zijn. (⇒ 8.5)
- Steek de sleutel in het contactslot en draai deze in de stand "Contact aan" of "Verbrandingsmotor draait". (⇒ 8.1)
- Bij een koude verbrandingsmotor: RT 4097 SX:
Zet de gashendel in de chokestand. (⇒ 8.2)
RT 4112 SZ:
Zet de gashendel in de MAX-stand en trek aan de chokeknop.
Bij warme verbrandingsmotor:
Zet de gashendel in de MAX-stand. (⇒ 8.3)
- Draai de contactsleutel in de stand "Verbrandingsmotor starten". De verbrandingsmotor start. Laat de contactsleutel los zodra de verbrandingsmotor draait. Deze springt vanzelf terug in de stand "Contact aan" of "Verbrandingsmotor draait".
- RT 4097 SX:
Zet de gashendel bij draaiende verbrandingsmotor in de MAX-stand terug.
Let op de klikstand! (⇒ 8.2) RT 4112 SZ:
Druk de chokeknop in. ( 8.4)
- De verbrandingsmotor draait. De voet kan van het rempedaal worden gehaald.
12.3 Verbrandingsmotor uitschakelen

Vóór het uitschakelen van de verbrandingsmotor het maaiwerk uitschakelen. (⇒ 8.5)

Kans op letsel!
Als de machine na het uitschakelen van de verbrandingsmotor wordt verlaten, moet de contactsleutel om veiligheidsredenen worden verwijderd. Bewaar de contactsleutel op een plek waartoe alleen bevoegde personen toegang hebben, om gebruik door kinderen of andere personen die niet vertrouwd zijn met de machine, te voorkomen.
Bovendien moet voor het verlaten van de machine altijd de handrem worden aangetrokken. (⇒ 8.12)
De verbrandingsmotor moet in de volgende volgorde worden uitgeschakeld:
- Rem het apparaat af totdat het stil staat.
• Maaiwerk uitschakelen. (⇒ 8.5) - Gashendel in de MIN-stand zetten. (⇒ 8.2), (⇒ 8.3)
- Contactsleutel in de stand "verbrandingsmotor uit" draaien. De verbrandingsmotor schakelt uit,
• Handrem aantrekken. (⇒ 8.12) - Eventueel de brandstofkraan sluiten. (⇒ 14.8)
- De contactsleutel eruit trekken en zodanig bewaren dat uitsluitend bevoegde personen toegang ertoe hebben.
12.4 Rijden

Waarschuwing!
Kies op ongebaande paden altijd een lagere rijsnelheid. Elke keer dat u van rijrichting verandert, met name op hellingen, moet de rijsnelheid overeenkomstig worden verminderd.

Om een optimale koeling van de transmissie te verzekeren moet de rijsnelheid uitsluitend via het aandrijfpedaal bij een maximaal toerental van de verbrandingsmotor worden geregeld.
De volgende punten moeten vóór het rijden in acht worden genomen:
- Controleer vóór elke rit of de rem goed werkt. (⇒ 8.11)
- Hendel van de transmissievrijloop inschakelen. ( 8.14)
- Breng het apparaat tot stilstand en schakel daarna pas de keuzehendel voor de rijrichting om.
Vooruit rijden:
• Verbrandingsmotor starten. (⇒ 12.2)
- Keuzehendel rijrichting in de voorste stand (rijrichting vooruit) zetten. (⇒ 8.7)
- Handrem loszetten, indien aangetrokken. (⇒ 8.12)
- Door het induwen van het aandrijfpedaal wordt de rijsnelheid geregeld en zet het apparaat zich voorwaarts in beweging.
Achteruit rijden:
• Verbrandingsmotor starten. (⇒ 12.2)
- Keuzehendel rijrichting in de achterste stand (rijrichting achteruit) zetten. (⇒ 8.7)
- Handrem loszetten, indien aangetrokken. (⇒ 8.12)
- Door het induwen van het aandrijfpedaal wordt de rijsnelheid geregeld en zet het apparaat zich achterwaarts in beweging.
12.5 Remmen

Kans op letsel!
Vóór het remmen de rijsnelheid verlagen door het aandrijfpedaal minder hard in te duwen. Indien mogelijk, niet bij volle snelheid plotseling remmen.
- Rijsnelheid verlagen.
- Rempedaal gelijkmatig induwen totdat het apparaat tot stilstand komt.
12.6 Snijhoogte instellen

Kans op letsel!
Verstel om veiligheidsredenen de snijhoogte alleen als het apparaat stil staat.
- Rem het apparaat af totdat het stil staat. (⇒ 12.5)
- Hendel snijhoogteverstelling ontgrendelen en vasthouden. (⇒ 8.13)
- De snijhoogte kan in 7 standen worden ingesteld door de hendel snijhoogteverstelling omhoog en omlaag te bewegen.
- Hendel snijhoogteverstelling vergrendelen. (→ 8.13)
Snijstand 1:
snijhoogte 35 mm
Snijstand 7:
snijhoogte 90 mm
12.7 Maaien

Wordt het maaiwerk tijdens het rijden ingeschakeld, dan wordt het toerental van de verbrandingsmotor door de extra belasting (aanloop maaimessen) bij het starten van de maaimessen gedurende korte tijd lager.
Vóór het maaien:
- Hoofdstuk "Opmerkingen bij het werken" lezen en opvolgen. (⇒ 10.)
- Stel tijdens het maaien altijd het maximale motortoerental in. De maaimessen zijn voor dit toerental geoptimaliseerd, zo wordt het beste maairesultaat en het beste snijvermogen gegenereerd.
Het maaiwerk in de volgende volgorde koppelen:
• Verbrandingsmotor starten. (⇒ 12.2)
- Gashendel in de MAX-stand zetten. ( 8.2), ( 8.3)
- Zitmaaier op het te maaien gazon rijden.
Schakel het maaiwerk niet in hoog gras of in de laagste snijstand in. Maaiwerk alleen koppelen als het apparaat al op het te bewerken gazon staat.
- Vooruit maaien: rijrichting vooruit ( 8.7) kiezen, aansluitend het maaiwerk door indrukken van de schakelaar maaiwerk koppelen. ( 8.5)
Achteruit maaien:
rijrichting achteruit (⇒ 8.7) kiezen, en veiligheidsschakelaar achteruit maaien (⇒ 8.6) eenmaal kort indrukken, aansluitend het maaiwerk door indrukken van de schakelaar maaiwerk binnen 6 seconden koppelen. (⇒ 8.5)
Tijdens het maaien:
- Gashendel in de MAX-stand zetten. (⇒ 8.2), (⇒ 8.3)
- De rijsnelheid altijd aan de grashoogte of de snijstand aanpassen. Kies bij hoog gras of de laagste snijstand een lage rijsnelheid.
Rijrichting wisselen bij gekoppeld maaiwerk:
- Voor het achteruit maaien de veiligheidsschakelaar achteruit maaien binnen een vastgelegd tijdsvenster (5 seconden vóór of 1 seconde na het omschakelen) een keer kort indrukken. (⇒ 8.6)
- Apparaat op het gazonvlak tot stilstand brengen en de gewenste rijrichting met de hendel keuze rijrichting instellen. (⇔ 8.7)
• Maaien verderzetten.
Het maaiimes in de volgende volgorde uitschakelen:
- rijd naar een reeds gemaaid gazon of selecteer de hoogste snijstand van het maaiwerk. (⇒ 8.13)
- Maaiwerk uitschakelen door opnieuw op de maaiwerkschakelaar te drukken. (⇒ 8.5)

Kans op letsel!
Houd na het uitschakelen van het maaiwerk rekening met de uitloop. Het duurt even (tot. 5 seconden) voordat het maairmes tot stilstand komt. (⇒ 11.)
12.8 Trekken van lasten

Kans op letsel!
Controleer vóór het vasthaken van lasten altijd of de rem goed functioneert. (⇒ 8.11) De rijeigenschappen van het apparaat veranderen tijdens het transport van lasten (langere remweg, minder snel rijden bij het veranderen van richting enz.). Hoe zwaarder de last, hoe meer de rijeigenschap verandert!

Voorkom schade aan het apparaat!
Op hellingen wordt de maximale treklast minder.

text_image
kgMaximaal gewicht aanhanger op vlakke ondergrond = 250 kg
Maximaal gewicht aanhanger bij een maximale stijging van 10° = 100 kg

text_image
max 40 kg max 40 kgMaximale kogeldruk = 40 kg Maximale treklast = 40 kg
Een treklast van 40 kg aan de trekhaak wordt op een vlakke ondergrond bereikt bij het trekken van een aanhanger met een gewicht van 250 kg.
12.9 Gebruik op hellingen
- Controleer vóór elk gebruik op een helling of de rem goed werkt. (⇔ 12.5)
- Op hellingen altijd in de lengterichting rijden. Bij het dwars rijden is er meer kans op kantelen – let op de maximum helling. (⇒ 4.7)
- Op hellingen vermijden om van richting te veranderen, als dat toch noodzakelijk blijkt te zijn moet u hierbij uiterst voorzichtig te werk gaan.
13. Maaiwerk
13.1 Maaiwerk demonteren

Kans op letsel!
Lees voorafgaand aan alle werkzaamheden aan het maaiwerk het hoofdstuk "Voor uw veiligheid" zorgvuldig door en volg de instructies op. (⇔ 4.)
- Plaats het apparaat op een vlakke en stevige ondergrond.
- Verbrandingsmotor uitschakelen. (⇒ 12.3)
- Contactsleutel eruit trekken.
• Handrem aantrekken. (⇒ 8.12)
• Hoogste snijstand kiezen. (⇒ 8.13)
V-riem ontspannen:

Spanveer (2) naar achter trekken, afhaken en afleggen.
Verwijder de afdekking V-riem voor:
- Wielen tot aan de aanslag naar links draaien.

Bout (8) achter het rechter voorwiel (9) losmaken.

Montageplaat (7) naar voor drukken en vasthouden. Afdekking voor V-riem (6) naar omlaag klappen. Riemafdekking ligt op de V-riem.
V-riem losshaken:

text_image
7 10Montageplaat (7) naar voor drukken en vasthouden. V-riem (10) naar voor trekken en weghalen.
Maaiwerk achter loshaken:

Gevaar voor knellen!
Controleer bij het lostrekken van de borgsplitpen of er zich geen lichaamsdelen (hand, vingers, voet, enz.) direct onder het maaiwerk bevinden.

Kans op letsel!
De hendel snijhoogteverstelling bevindt zich na het loshaken van het maaiwerk aan de achterzijde onder spanning. Onmiddellijk na het losmaken de hendel snijhoogteverstelling voorzichtig in de hoogste snijstand zetten.

Aanwijzing
Voor een snellere demontage moet worden gelet op de volgorde en precies worden aangehouden.
• Laagste snijstand kiezen. (⇒ 8.13)

text_image
1 4 5Borgsplitpen (5) uittrekken.
Maaiwerk (1) iets omhoog tillen en vasthouden. Maaiwerk (1) van de maaiwerkophanging achter (4) losmaken.
• Herhaal de procedure aan andere kant.
- Het maaiwerk langzaam en voorzichtig neerleggen.
- Hendel snijhoogteverstelling voorzichtig in de hoogste snijstand zetten.
Voorkant maaiwerk loshaken:

Gevaar voor knellen!
Controleer vóór het loshaken of er zich geen lichaamsdelen (hand, vingers, voet, enz.) direct onder het maaiwerk bevinden.
Na het loshaken van het maaiwerk klapt de voorste maaiwerkophanging automatisch omhoog.

Borgsplitpen (5) uittrekken.
Maaiwerk iets optillen en van de maaiwerkophanging voor (3) losmaken. Het maaiwerk voorzichtig loslaten.
• Herhaal de procedure aan andere kant.
- Het maaiwerk langzaam en voorzichtig neerleggen.
Maaiwerk verwijderen:
• Hoogste snijstand kiezen. (⇒ 8.13)

Maaiwerk (1) met een lichte draaibeweging aan de kant van de deflectorklep (11) uittrekken.
13.2 Maaiwerk monteren

Kans op letsel!
Lees voorafgaand aan alle werkzaamheden aan het maaiwerk het hoofdstuk "Voor uw veiligheid" zorgvuldig door en volg de instructies op. (⇒ 4.)
- Plaats het apparaat op een vlakke en stevige ondergrond.
- Verbrandingsmotor uitschakelen. (⇒ 12.3)
- Contactsleutel eruit trekken.
• Handrem aantrekken. (⇒ 8.12) - Wielen tot aan de aanslag naar links draaien.

Kans op letsel!
De hendel snijhoogteverstelling bevindt zich na het loshaken van het maaiwerk onder spanning. Wees uitermate voorzichtig bij de montage van het maaiwerk.
- Hendel snijhoogteverstelling voorzichtig in de hoogste snijstand zetten. (⇒ 8.13)
Maaiwerk inschuiven:
- Voor het inschuiven de V-riem zo plaatsen dat deze bij opgehangen maaiwerk aan de opening van de V-riemafdekking toegankelijk is.

Het maaiwerk (1) van rechts met de V-riemafdekking (6) vooraan inschuiven. Daarbij het maaiwerk door een lichte draaibeweging centraal onder het apparaat plaatsen.
Maaiwerk voor vasthaken:
• Laagste snijstand kiezen. (⇒ 8.13)

Maaiwerkophanging voor (3) naar beneden trekken en houden. Maaiwerk met een hand licht optillen en daarbij de ophangbouten aan het
maaiwerk in de boring van de maaiwerkophanging voor (3) insteken. Borgsplitpen (5) door de boring van de ophangingsbouten steken.
• Herhaal de procedure aan andere kant.
Maaiwerk achter vasthaken:

Aanwijzing
Vóór het vasthaken controleren of het maaiwerk correct is vastgehaakt aan de voorste maaiwerkophanging.

Kans op letsel!
In de laagste snijstand staat de hendel voor snijhoogteverstelling onder spanning. Tijdens de montage van het maaiwerk de hendel voor snijhoogteverstelling niet aanraken.
- Maaiwerk aan de achterzijde met één hand optillen en vasthouden. De boringen van de maaiwerkophanging achter moeten met de ophangbouten van het maaiwerk op één lijn liggen.

text_image
1 4 5Ophangbouten van het maaiwerk (1) in de boring van de maaiwerkophanging achter (4) steken.
Borgsplitpen (5) door de boring van de ophangingsbouten steken.
• Herhaal de procedure aan andere kant.
V-riem aanbrengen:

V-riem zonder verdraaien aan de V-riempoelie vasthaken.

text_image
7 10 6Montageplaat (7) naar voor drukken en vasthouden. V-riem (10) naar voor trekken en met de V-riemafdekking (6) opheffen. V-riem (10) in de juiste volgorde (zonder verdraaien) in de V-riempoelie inhangen.
Afdekking V-riem voor monteren:

text_image
7 10 6Montageplaat (7) naar voor drukken en vasthouden. Afdekking voor V-riem (6) naar omhoog klappen. Montageplaat (7) naar achter brengen en aan beide lippen van de V-riemafdekking (6) inhaken.

Montageplaat door indraaien van de schroef (8) vastklemmen. Schroef (8) vastschroeven.
V-riem spannen:
• Laagste snijstand kiezen. (⇒ 8.13)

Spanveer (2) naar achter trekken en aan de uitsparing aan het maaiwerk (1) ophangen

Kans op letsel!
Na de montage van het maaiwerk een visuele inspectie uitvoeren en daarbij controleren op correcte montage.
Aansluitend een werkingcontrole uitvoeren.
Erop letten, dat er geen personen (in het bijzonder kinderen) of dieren in de buurt zijn. De functietest alleen uitvoeren wanneer de gebruiker op het apparaat zit.
14. Onderhoud

Kans op letsel!
Lees vóór alle onderhouds- en reparatiewerken eerst het hoofdstuk "Voor uw veiligheid", met name de paragraaf "Onderhoud en reparaties", zorgvuldig door en volg de instructies op. (⇔ 4.)
Trek de contactsleutel uit om een ongewild starten van de verbrandingsmotor te verhinderen.
Werk uitsluitend met handschoenen.
Raak het maairnes nooit aan zolang het niet stilstaat.
Om veiligheidsredenen zijn onderhoudswerkzaamheden aan de rem verboden. Laat afstel- en onderhoudswerkzaamheden door een vakhandelaar uitvoeren. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.


Algemene onderhoudsaanwijzingen:
- Houd het onderhoudsschema en de onderhoudsintervallen nauwkeurig aan.
- Volg de onderhouds- en reparatiewerkzaamheden van de verbrandingsmotor in de gebruiksaanwijzing op.
Voor onderhouds-, reparatie- en reinigingswerkzaamheden:
- Plaats het apparaat op een vlakke en stevige ondergrond.
- Schakel de verbrandingsmotor uit. (⇒ 12.3)
- Trek de handrem aan. (⇒ 8.12)
- Laat de verbrandingsmotor en geluiddemper volledig afkoelen.
Voor de volgende onderhouds- en reparatiewerkzaamheden verwijzen wij u naar de gebruiksaanwijzing voor de verbrandingsmotor:
– Luchtfilter vervangen.
- Gegevens van de motorolie (type, vulhoeveelheid olie enz.).
- Bougie controleren en vervangen.
- Brandstofffilter vervangen.
– Reinigen van de verbrandingsmotor.
14.1 Onderhoudsschema
Alle gegevens in het onderhoudsschema moeten nauwkeurig worden opgevolgd. Bij niet-inachtneming van het onderhoudsschema kan aanzienlijke schade aan de machine worden veroorzaakt.

Aanwijzing
Bij een zware belasting, met name bij professioneel gebruik, kunnen kortere onderhoudsintervallen dan de hier vermelde noodzakelijk zijn. Tevens kunnen extreme omstandigheden zoals een zanderige of steenachtige bodem, stof enz. tot kortere onderhoudsintervallen leiden dan in de gebruiksaanwijzing worden aangegeven. Om de 100 bedrijfsuren of een keer per jaar moet er een inspectie door een dealer worden uitgevoerd. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
Onderhoudswerkzaamheden vóór elk gebruik:
Voor een krachtige en veilige werking en ter voorkoming van storingen is het van belang om van de staat van het apparaat op de hoogte te zijn.
Daarvoor zijn de volgende inspecties vóór elke start nodig (visuele inspectie):
- Bandenspanning. (⇒ 14.9)
- Slijtage van en schade aan banden.
– Lekkage van de brandstofleidingen. - Motoroliepeil (zie gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor).
- Brandstofpeil.
- Algemene visuele controle van het apparaat en het maaiwerk. Vooral de beschermkappen moeten op beschadigingen worden gecontroleerd.
- Goede bevestiging van de schroefverbindingen.
Onderhoudswerkzaamheden na elk gebruik:
- Reinigen van het apparaat (maaiwerk, uitwerpopening van het maaiwerk) en eventuele combi-apparaten.
- Let op de gegevens voor het reinigen van de verbrandingsmotor (zie de gebruiksaanwijzing voor de verbrandingsmotor).
– Reinig de transmissie door grasresten of andere verontreinigingen af te vegen.
Onderhoudswerkzaamheden na de eerste 10 bedrijfsuren (eerste inbedrijfstelling):
- Een inspectie door uw vakhandelaar wordt aanbevolen. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
Onderhoudswerkzaamheden na elke 25 uren gebruikstijd:
- Controle van de messenbevestiging en scherpte van het mes, op slijtagegrens van de maaimessen letten.
Onderhoudswerkzaamheden na elke 50 bedrijfsuren:
– Algemene smering.
- Inbouwpositie van het maaiwerk
controlleren. (⇒ 14.7)
Onderhoudswerkzaamheden na elke 100 bedrijfsuren:
– Vervangen van de maaimessen.
- Een inspectie door een vakhandelaar
laten uitvoeren.
STIHL beveelt hiervoor de
STIHL vakhandelaar aan.

Aanwijzing
Bij de inspectie door de vakhandelaar wordt de werking van de rem gecontroleerd en wordt de rem indien nodig onderhouden. Daarnaast worden alle noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden aan de transmissie uitgevoerd.
14.2 Apparaat reinigen

Voorkom schade aan het
apparaat! Richt waterstralen (hogedrukreinigers) nooit op motoronderdelen, pakkingen, elektrische onderdelen (accu, kabelboom enz.) en lagers. Dit kan leiden tot beschadigingen of dure reparaties.
Gebruik geen agressieve reinigingsmiddelen. Dergelijke reinigingsmiddelen kunnen kunststoffen en metalen zodanig beschadigen dat de veiligheid van uw STIHL apparaat mogelijk in het geding komt. Als u vuil niet met water, met een borstel of met een doek kunt verwijderen, raadt STIHL aan een speciaal reinigingsmiddel te gebruiken (bijvoorbeeld STIHL speciale reiniger).

Demonteer het maaiwerk altijd voor reinigings- en onderhoudswerkzaamheden.
- Schakel de verbrandingsmotor uit. (⇒ 12.3)
- Trek de handrem aan. (⇒ 8.12)
-
Neem de sleutel uit het contactslot en bewaar deze op een veilige plek.
• Demonteer het maaiwerk. (⇒ 13.1) -
Verwijder eerst de aangekoekte grasresten in de maaiwerkbehuizing met een houten staaf.
- Reinig de onderkant van het maaiwerk met een borstel en water.
- Let er bij het reinigen van de bovenzijde van het maaiwerk op dat er geen water op de V-riem terechtkomt en richt nooit waterstralen op de openingen van de afdekkingen.
- Verwijder grasresten uit het maaiwerk, de motorruimte en de transmissie. Reinig koelvinnen van de verbrandingsmotor en transmissie.
- Reinig de maaimessen met een borstel en water; klop voor het losmaken van vervuiling in geen geval op de maaimessen (bijvoorbeeld met een hamer).
14.3 Motorkap openen

Kans op letsel!
Vóór het openen van de motorkap de verbrandingsmotor uitschakelen en enkele minuten laten afkoelen. De verbrandingsmotor moet handwarm zijn.

Motorkap (1) met één hand in de handgreep (2) nemen en met een lichte ruk naar boven openen. Motorkap (1) tot aan de aanslag naar voor klappen.
14.4 Motorkap sluiten

text_image
CLACK 1Motorkap (1) voorzichtig en langzaam dichtklappen en in het slot laten springen.
14.5 Veiligheidsvoorzieningen controleren
Kans op letsel!
De veiligheidsvoorzieningen mogen uitsluitend vanuit de bestuurdersstoel worden gecontroleerd. Hierbij mogen geen personen (in het bijzonder kinderen) of dieren in de buurt zijn. Controleer ten minste eenmaal per maand of alle veiligheidsvoorzieningen goed werken. Controleer na een langere bedrijfspauze, bij weinig gebruikte apparaten of na reparaties vóór het opnieuw in gebruik nemen alle veiligheidsvoorzieningen.
Remcontactschakelaar controleren:
- De gebruiker moet op de bestuurdersstoel zitten.
- Schakel de verbrandingsmotor uit en laat deze tot stilstand komen. (⇒ 12.3)
• Maaiwerk uitschakelen. (⇒ 8.5) - Het rempedaal niet intrappen (indrukken) of de handrem loszetten.
De verbrandingsmotor mag niet worden gestart met een geactiveerde remcontactschakelaar!
Maaiwerkcontactschakelaar controleren:
- De gebruiker moet op de bestuurdersstoel zitten.
- Rempedaal tot aan de aanslag intrappen en vasthouden. (⇒ 8.11)
• Maaiwerk inschakelen. ( 8.5)
De verbrandingsmotor mag niet worden gestart met een geactiveerde maaiwerkcontactschakelaar!
Stoelcontactschakelaar controleren:
- De gebruiker moet op de bestuurdersstoel zitten.
- Verbrandingsmotor starten en op maximaal toerental laten draaien. (⇒ 8.2), (⇒ 8.3)
• Maaiwerk inschakelen. (⇒ 8.5) - Bestuurdersstoel ontlasten van het gewicht door langzaam en voorzichtig op te staan. Niet afstappen!
Bij een geactiveerde stoelcontactschakelaar wordt de verbrandingsmotor uitgeschakeld!
Veiligheidsschakelaar achteruit maaien controleren:
- Op de bestuurdersstoel plaats nemen – veiligheidsschakelaar achteruit maaien niet aanraken.
- Verbrandingsmotor starten (⇒ 12.2) en op maximaal toerental laten draaien. (⇒ 8.2), (⇒ 8.3)
• Maaiwerk inschakelen. (→ 8.5) - Rijrichting achteruit kiezen en vertrekken. (⇒ 8.7)
Bij een werkende veiligheidsschakelaar achteruit maaien wordt het maaiwerk na 1 seconde ontkoppeld.
14.6 Maaimessen onderhouden

Kans op letsel! Werk uitsluitend met handschoenen. Neem altijd contact op met een vakhandelaar (STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan) als u niet over de vereiste kennis of gereedschappen beschikt. STIHL raadt aan originele STIHL reserveonderdelen te gebruiken. Raak het maaiimes nooit aan zolang het niet stilstaat. Plaats het maaiwerk altijd op een slipvaste ondergrond.
Onderhoudsinterval:
Na elke 25 bedrijfsuren
Onderhoudswerkzaamheden:
- Slijtagegrenzen van de maaimessen controleren.
- Zo nodig maaiimes slijpen. Als het maairesultaat na verloop van tijd verslechtert, dient het maaiimes te worden geslepen.
Slijtagegrenzen van het mes controleren:

Kans op letsel! Een versleten maaiimes kan afbreken en ernstig letsel veroorzaken. Volg daarom de onderhoudsinstructies voor het mes. Maaimessen slijten afhankelijk van de toepassing en de gebruiksduur in meer of mindere mate. Als u het apparaat op een zandige ondergrond of in droge omstandigheden gebruikt, slijten de maaimessen door een sterkere belasting sneller dan gemiddeld. Opgelet!
Vemieuw bij het vervangen van het maairnes altijd ook de mesbout en de borgring.

STIHL raadt in verband met het controleren van de slijtagegrenzen aan het maaiwerk te demonteren. Als u over een geschikte hefbrug beschikt, kunt u de slijtagegrenzen aan het maairmes ook controleren zonder het maaiwerk te demonteren.
- Reinig maaiwerk en maaimessen zorgvuldig. (⇒ 14.2)
• Demonteer het maaiwerk. (⇒ 13.1)
Maaiwerk veilig neerzetten voor de controle:

Zet het maaiwerk (1) tegen een muur en voorkom wegglijden met de voet.
Slijtagegrenzen controleren:

text_image
1 B > 49 mm A > 4,5 mmControleer de mesdikte A en mesbreedte B met behulp van een schuifmaat op meerdere plaatsen. Wanneer de slijtagegrenzen zijn bereikt of worden onderschreden, moet het maaiimes (1) worden vervangen.
Maaiimes demonteren:
• Maaiwerk demonteren. (⇒ 13.1)
- Maaiwerk tegen een muur zetten en wegglijden voorkomen.

Mesbout (1) met behulp van een schroevendraaier SW17 (niet meegeleverd) losdraaien en eruit schroeven.
Mesbout (1) samen met de borgring (2) verwijderen. Het maairnes (3) verwijderen.
- Herhaal de procedure aan het tweede maairnes.
Maaimessen slijpen:

Kans op letsel!
Draag tijdens het slijpen altijd een veiligheidsbril en handschoenen.
- Koel het maairnes tijdens het slijpen, b. b.met water. Het mes mag niet blauw worden, omdat anders de snijresultaten minder worden.
- Slijp het maairnes gelijkmatig om vibratie door onbalans te voorkomen.
- Met een snijhoek van 30° slijpen.
- Houd tijdens het slijpen rekening met de slijtagegrenzen.
Balans van maaiimes controleren:

Schroevendraaier (1) door de middelste boring steken.
Als het maairnes (2) uitgelijnd is, moet het in de afgebeelde stand staan.

Kans op letsel!
Bij een eventuele onbalans van het maaimes moet de procedure
"Maaiimes slijpen" worden herhaald totdat het maaiimes uitgebalanceerd is.
Het maairnes mag enkel door het slijpen van de snijkanten worden gebalanceerd.
Maaimessen monteren:

Kans op letsel!
Controleer de maaimessen vóór het inbouwen op beschadigingen (inkepingen of scheuren) en slijtage.
Vervang versleten of beschadigde maaimessen.
Borgring bij elke montage van de messen vervangen.
Mesbout bovendien met Loctite 243 borgen en met het voorgeschreven aandraaimoment vastdraaien, een veilige bevestiging van het snijgereedschap daarvan afhankelijk is.
Voor het plaatsen van de maaimessen moet u op de volgende punten letten:
- Maaiimes met de omhoog gebogen windvleugels naar boven (richting maaiwerk) monteren.

Maaiimes (1) plaatsen en mesbout (2 – Loctite 243 aanbrengen) met borgring (3 – op welving letten) erin draaien en vastdraaien.
Aandraaimoment: 65 - 70 Nm
14.7 Inbouwpositie van het maaiwerk controleren
Onderhoudsinterval:
Het maaiwerk moet worden geïnspecteerd na elke 50 uren gebruikstijd, of zo vaak als nodig (b.v. na krachtige schokken tegen het maaiwerk of bij onzuivere snede).

Een gelijkmatige bandenspanning is belangrijk voor het controleren van een correcte positie.
Voorafgaand aan de controle van de juiste inbouwpositie moet de bandenspanning op alle banden worden gecontroleerd en eventueel worden gecorrigeerd. (⇒ 14.9)
Het maaiwerk is juist gemonteerd als het iets naar voren gekanteld is – het staat aan de voorkant iets lager dan aan de achterkant.
- Apparaat op een vlakke ondergrond zetten.
- Verbrandingsmotor uitschakelen.
(⇒ 12.3)
• Handrem aantrekken. (⇒ 8.12) - Contactsleutel eruit trekken en op een veilige plek bewaren.
• Laagste snijstand kiezen. (⇒ 8.13)

Door de brandstofkraan open en dicht te draaien, wordt de brandstofstroom in de brandstofleiding vrijgegeven of onderbroken.
De brandstofkraan bevindt zich links onder de brandstoftank.
• Verbrandingsmotor uitschakelen. (⇒ 12.3)
• Handrem aantrekken. (⇒ 8.12)

De brandstofkraan (1) wordt geopend of gesloten door aan de verstelventiel (2) te draaien.
14.9 Bandenspanning

De juiste bandenspanning is belangrijk voor het verstellen van het maaiwerk en om een mooi maairesultaat te bereiken. Door een te hoge bandenspanning zou de grasnerf door de bandnoppen worden beschadigd.

Afdekkap van het ventiel (1) schroeven.
- Met behulp van een geschikte luchtpomp met manometer de volgende bandenspanningswaarden instellen.
Voorbanden: 0,8 - 1 bar
Bij beschadigingen (gaten, scheuren, snedes enz.) aan de randen het beschadigde wiel demonteren en hiermee naar uw vakhandelaar gaan.
Apparaat optillen en ondersteunen:
Kans op letsel!
Kijk voor het optillen eerst hoeveel het apparaat weegt (zie hoofdstuk "Technische gegevens"). (⇒ 21.) Breng het apparaat indien nodig met behulp van een tweede persoon of met een krik (niet meegeleverd) omhoog. Apparaat voor het optillen tegen wegrollen beveiligen. De rem werkt alleen op de achterwielen. Apparaat voor het optillen van de achteras tegen wegrollen beveiligen.
! Voorkom schade aan het apparaat
Bij het ondersteunen erop letten, dat het apparaat alleen met de as of met de koppeling voor de aanhangwagen op de ondergrond ligt. Het apparaat alleen aan de hiervoor bedoelde onderdelen (bijv. frame, velgen, as) optillen. Het apparaat nooit aan de kunststof delen optillen of hierop laten rusten.
- Apparaat op een effen en vaste ondergrond zetten en beveiligen tegen wegrollen.
- Verbrandingsmotor uitschakelen.
(⇒ 12.3)
• Handrem aantrekken. (⇒ 8.12) - Contactsleutel eruit trekken en op een veilige plek bewaren.

Borgring (2) wegnemen met behulp van een schroevendraaier.
Grote ring (3) en kleine ring (4) (alleen aan achterwiel gemonteerd) wegnemen.
Wiel (5) van de wielas afnemen.

Controleer bij het demonteren van de achterwielen of de meenemers (pasveren) niet kwijtraken.
Wiel monteren:

Controleer vóór het monteren van de achterwielen of de meenemers (pasveren) aan beide kanten in de groef van de wielas zitten. De wielen zodanig monteren dat het ventiel zich steeds aan de buitenkant bevindt.
Vóór het monteren van de wielen de volgende punten afwerken:
• Vuil van de wielas halen.
- Wielas vóór de montage dun met smeervet insmeren.

De pasveer (6) in de achterste wielas plaatsen. Wiel (5) – ventiel bevindt zich aan de buitenzijde – aan de pasveer doorhalen en tot de aanslag op de wielas schuiven.
Kleine ring (4) en de grote ring (3) op de wielas schuiven.
Voorwielen:
Wiel (5) – ventiel bevindt zich aan de buitenzijde – tot de aanslag op de wielas schuiven.
De grote ring (3) op de wielas schuiven.

Borgring (2) in de inkeping van de wielas laten vallen.
Afdekkap (1) op wielas steken.

Controleer of het wiel goed vastzit.
- Apparaat optillen en de basis wegnemen.
- Apparaat voorzichtig op de bodem zetten.
14.11 Smeren
Beide fusees op de vooras boven beide smeernippels aan de vooras smeren.

Aanwijzing
Vóór het smeren moet de vooras door een juiste ondersteuning worden ontlast. De smeernippel moet elke keer vóór het smeren worden gereinigd om te voorkomen dat er vuil in de fusee komt. Verwijder uitgelopen smeervet altijd na het smeren (afvegen). Gebruik standaard smeervet.
Smering:
- Verbrandingsmotor uitschakelen. (⇒ 12.3)
- Contactsleutel eruit trekken en op een veilige plek bewaren.
• Handrem aantrekken. ( 8.12) - Vooras ontlasten door deze te ondersteunen (optillen). (⇒ 14.10)

Met behulp van een vetspuit (niet meegeleverd) aan beide kanten via de smeernippel (1) smeervet erin spuiten totdat er bij de fusees iets vet uitstroomt.
- Uitgestroomd smeervet verwijderen.
- Ondersteuning van de vooras verwijderen.
14.12 Inhoud van de motorolie controleren
- Plaats het apparaat op een vlakke ondergrond.
- Verbrandingsmotor uitschakelen.
(⇒ 12.3)
• Handrem aantrekken. (⇒ 8.12)
• Verbrandingsmotor laten afkoelen. - Open de motorkap. (⇒ 14.3)
- Inhoud van de motorolie controleren volgens gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor – indien nodig motorolie bijvullen. (⇒ 14.13)
14.13 Motorolie verversen

Kans op letsel!
Vóór het bijvullen of verversen van de motorolie de verbrandingsmotor volledig laten afkoelen.
Gevaar voor verbranding door hete motorolie!
Voor informatie over voorgeschreven motorolie en vulhoeveelheid olie verwijzen wij u naar de gebruiksaanwijzing van de verbrandingsmotor.
Motorolie verversen als de verbrandingsmotor handwarm is. Geschikte olieopvangbak (hou rekening met vulhoeveelheid olie) onder de olieaftapleiding zetten.
Voer gebruikte olie af conform de wettelijke bepalingen.
Verversingsintervallen voor olie:
De aanbevolen intervallen voor het verversen van motorolie vindt u in de gebruiksaanwijzing voor de verbrandingsmotor.
Motorolie aftappen:
• verbrandingsmotor uitschakelen. (⇒ 12.3)
• Handrem aantrekken. (⇒ 8.12)
- Contactsleutel eruit trekken en op een veilige plek bewaren.
- Verbrandingsmotor laten afkoelen (handwarm).
• Motorkap openen. (⇒ 14.3)
- Oliedop eraf schroeven (zie gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor).

De olieaftapleiding (1) bevindt zich aan de rechterkant van de verbrandingsmotor vlakbij de beide pedalen.
- Geschikte opvangbak voor olie eronder zetten.

Olieaftapdop (1) met behulp van twee schroevendraaiers (SW19 / SW 15) eraf schroeven en afnemen. Keerring (2) afvoeren.
- Motorolie volledig aftappen. Daarna nieuwe keerring (2) op de olieaftapdop (1) steken. Olieaftapdop in de olieaftapleiding schroeven en aandraaien. Aandraaimoment: 12 - 14 Nm
14.14 Motorolie bijvullen

Voorkom schade aan het apparaat!
Zorg ervoor dat de motorolie niet beneden of boven het juiste peil komt te staan.
- Open de motorkap. (⇒ 14.3)
- Inhoud van de motorolie controleren. (⇒ 14.12)
- Motorolie volgens gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor vullen – een aangepaste trechter gebruiken.
• Motorkap sluiten. (⇒ 14.4)
14.15 Koplamp vervangen

Gebruik voor het vervangen van defecte verlichting altijd 12V-lampen met een vermogen van 6W. Typeaanduiding lamp: 12V 6W BA9s
- Open de motorkap. (⇒ 14.3)

Fitting (1) ongeveer 90° draaien en eruit trekken.

Lamp (2) in de richting van de fitting (1) drukken en vasthouden. Lamp (2) voorzichtig draaien en verwijderen.
- Plaats de nieuwe lamp door de bovenstaande handelingen in omgekeerde volgorde uit te voeren.

De zekeringen mogen nooit met een draad of folie worden overbrugd. Plaats nooit een zekering met een andere dan de voorgeschreven capaciteit (ampère).

Als er binnen korte tijd weer een zekering doorbrandt, is een defect (bijvoorbeeld kortsluiting) de mogelijke oorzaak. Neem contact op met een vakhandelaar. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
Steekzekering controleren:
• Schakel de verbrandingsmotor uit. (⇒ 12.3)
- Trek de handrem aan. (⇒ 8.12)
- Neem de sleutel uit het contactslot en bewaar deze op een veilige plek.
- Open het accuvak. (⇒ 14.17)

text_image
1 2 3 3 O.K.Verwijder de steekzekeringen (1, 2). Inspecteer visueel of de draad in de kunststof (3) beschadigd (doorgebrand) is. Vervang beschadigde zekeringen.
Oplaadvoorziening (1): 15 A Elektrisch systeem (2): 10 A
- Sluit het accuvak. (⇒ 14.17)
Hoofdzekering controleren:
Nominale stroomsterkte: 150 ampère
• Schakel de verbrandingsmotor uit. (⇒ 12.3)
- Trek de handrem aan. (⇒ 8.12)
- Neem de sleutel uit het contactslot en bewaar deze op een veilige plek.
- Open het accuvak. (⇒ 14.17)

text_image
150A 1 2 3 √o.k.Trek de afdekking (1) los. Inspecteer visueel of de draad (2) beschadigd (doorgebrand) is. Bij een beschadigde draad moet de zekering (3) door een vakhandelaar worden vervangen. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
Breng de afdekking (1) weer aan.
- Sluit het accuvak. (⇒ 14.17)
14.17 Accuvak
- Verbrandingsmotor uitschakelen.
(⇒ 12.3)
• Handrem aantrekken.(⇒ 8.12) - De contactsleutel eruit trekken en op een veilige plek bewaren.
- Bestuurdersstoel naar het midden plaatsen.
Accuvak openen:

Lippen (1) naar de afdekking voor het accuvak (2) drukken en houden. Afdekking voor het accuvak (2) omhoog klappen.
Accuvak sluiten:

text_image
CLACK 2Afdekking voor het accuvak (2) op de zijde van de kabels in de houders hangen.
Afdekking voor het accuvak (2) naar omlaag klappen.
Voorzichtig op de afdekking van het accuvak (2) drukken tot dit vastklikt.
14.18 Accu

Kans op letsel!
Bij het loskoppelen van de accu altijd eerst de zwarte minkabel (−) en pas dan de rode pluskabel (+) loskoppelen!
Bij het aansluiten van de accu altijd eerst de rode pluskabel (+) aansluiten.

De accu is onderhoudsvrij en moet alleen worden vervangen bij een beschadiging of gedemonteerd bij een langere stillegging (b.v. winterpauze).
Verwijder de accu uit de machine voordat u deze afvoert. Bied de accu niet via het huisvuil aan, maar lever deze bij de vakhandelaar of het afvalpunt voor gevaarlijke stoffen in.
- Verbrandingsmotor uitschakelen.
(⇒ 12.3)
• Handrem aantrekken. (⇒ 8.12) - De contactsleutel eruit trekken en op een veilige plek bewaren.
- Accuvak openen. (⇒ 14.17)
Accu bewaren:

Accu (1) voor aankoppelen of loskoppelen dwars op de afdekking plaatsen. Opgelet: Veilige stand testen.
Accu loskoppelen:
• Leg de accu opzij. (⇒ 14.18)

Draai de moer (1) van de zwarte aansluitkabel (2) met behulp van twee moersleutels SW8 los en neem de bout (3), ring (4), veerring (5) en moer (1) weg.
Neem de zwarte aansluitkabel (2) van de minpool (−) van de accu weg.

Trek de afdekkap (5) los. Maak de moer (1) van de rode aansluitkabel (6) met behulp van twee moersleutels SW8 van de pluspool (+) van de accu los en draai deze eruit. Neem de bout (3), ring (4), veerring (7) en moer (1) weg.
Neem de rode aansluitkabel (6) van de pluspool (+) weg.
- Neem zo nodig de accu weg.
- Schroef bouten, ringen en moeren tot nader gebruik weer op de minpool (−) en de pluspool (+) van de accu.
- Sluit eventueel het accuvak. (⇒ 14.17)
Accu aansluiten:

Controleer vóór het monteren de laadtoestand.
Als de minimumspanning niet wordt bereikt, moet de accu nog vóór het inbouwen met een acculader volledig worden opgeladen. Minimumspanning: 11,5 V
- Leg de accu opzij.
- Neem indien nodig bouten, ringen en moeren van de accu weg.

Brandgevaar!
Neem altijd het voorgeschreven aanhaalmoment in acht. Zorg ervoor dat de schroefverbindingen bij de polen altijd goed vastzitten om schade door vonkvorming te voorkomen.

Pluspool (+): Breng de aansluitklem van de rode aansluitkabel (6) met de bout (3), de ring (4), de veerring (7) en de moer (1) op de pluspool van de accu aan. Haal de schroefverbinding met twee moersleutels SW8 aan. Aandraaimoment: 6-8 Nm Stulp de afdekkap (5) volledig over de schroefverbinding heen.

Minpool (−): Breng de aansluitklem van de zwarte aansluitkabel (2) met de bout (3), de ring (4), de veerring (5) en de moer (1) op de minpool van de accu aan. Haal de schroefverbinding met twee moersleutels SW8 aan.
Aandraaimoment: 6-8 Nm
- Plaats de accu.
Accu verwijderen:
• Accu loskoppelen. (⇒ 14.18)
- Accu eruit trekken.
Accu plaatsen:
• Accuvak openen. (⇒ 14.17)
- Accu aansluiten. (⇒ 14.18)

Accu (1) plaatsen. Beide aansluitkabels goed in het accuvak opbergen.
- Accuvak sluiten. (⇒ 14.17)
14.19 Opladen van de accu via de oplaadstekker
Met de oplaadstekker kan de STIHL-druppellader ACB 010 of het STIHL-diagnose-oplaadapparaat ADL 012 (beide niet meegeleverd) worden verbonden.
Met de STIHL-druppellader ACB 010 is alleen een druppellading mogelijk. Met het diagnose-oplaadapparaat ADL 012 is een druppellading en een volledige lading (opladen van een lege accu) mogelijk.
! Voorkom schade aan het apparaat! Laad de accu nooit bij draaiende verbrandingsmotor. Met de oplaadstekker kunnen alleen de STIHL-druppellader ACB 010 of het STIHL-diagnose-oplaadapparaat ADL 012 worden verbonden. Andere oplaadapparaten, zeker die met een hogere laadstroom, kunnen het apparaat beschadigen. Als de accu met behulp van andere oplaadapparaten wordt opgeladen, moet de accu vooraf worden verwijderd.
Vóór het aansluiten:
- Lees de opmerkingen in de gebruiksaanwijzing van de STIHL-oplaadapparaten en volg deze op.
- Opmerkingen in de bijlage van de accu lezen en opvolgen.
Aansluiten:
- Schakel de verbrandingsmotor uit. (⇒ 12.3)
- Trek de handrem aan. (→ 8.12)
- Open de motorkap. (⇒ 14.3)

Sluit op de laadstekker (1) de STIHL-druppellader ACB 010 of het STIHL-diagnose-oplaadapparaat ADL 012 aan.
14.20 Verbrandingsmotor
Neem de gebruiks- en onderhoudsinstructies in de bijgevoegde gebruiksaanwijzing van de verbrandingsmotor in acht. Voor een lange gebruiksduur is het van belang de olie op peil te houden, regelmatig de motorolie te verversen en het luchtfilter te vervangen.
14.21 Transmissie
De transmissie is voor de gebruiker onderhoudsvrij. Bij inspectie van de machine door de vakhandelaar worden noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden aan de transmissie uitgevoerd.
14.22 Opslag
- Apparaat in een droge en stofarme ruimte opslaan, buiten het bereik van kinderen of onbevoegde personen.
- Eventuele storingen aan het apparaat moeten in de regel vóór het opbergen worden verholpen, zodat de machine altijd veilig kan worden gebruikt.
- Brandstofkraan sluiten. (⇒ 14.8)
- Contactsleutel uittrekken en zorgvuldig bewaren zodat onbevoegde personen, met name kinderen, de sleutel niet kunnen bemachtigen.
14.23 Stilleggen bij langere onderbrekingen (bijvoorbeeld winterpauze)
- Reinig zorgvuldig alle buitendelen van de verbrandingsmotor en het apparaat, vooral de koelvinnen.
- Smeer alle bewegende delen goed in met olie of vet.
- Brandstof uit de brandstoftank aftappen en carburator ledigen (bijvoorbeeld door leegrijden).
• Handrem aantrekken. (⇒ 8.12) - Volg de aanwijzingen in de gebruiksaanwijzing van de verbrandingsmotor op.
- Ververs de motorolie (zie gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor). (⇒ 14.13)
• Accu loskoppelen. (⇒ 14.18) - Accu helemaal opgeladen veilig in een koele, droge ruimte opslaan.
14.24 Na langere bedrijfspauzes (bijv. winterpauze)
- Accuspanning controleren. Als de minimumspanning niet wordt bereikt, de accu nog vóór het inbouwen met een acculader volledig opladen. Minimumspanning: 11,5 V
- Accu plaatsen en aansluiten. (⇒ 14.18)
- Controleer de bandenspanning op alle wielen. (⇒ 14.9)
- Controleer het brandstofpeil en tank indien nodig bij.
- Eventueel de motorolie verversen. (⇒ 14.13)
- Controleer de inhoud van de motorolie en vul eventueel motorolie bij. (⇒ 14.12)
15. Transport

Kans op letsel!
Vóór het transport het hoofdstuk "Voor uw veiligheid", met name het kopje "Transport van de zitmaaier" zorgvuldig lezen en de aanwijzingen opvolgen. (⇒ 4.), (⇒ 4.3)
Houd bij het oprijden van de laadhellingen een lage snelheid aan en voorkom dat u met de wielen over de zijkant van de laadhellingen uitsteekt en valt – Valgevaar!
Wijzig de snelheid of de richting niet abrupt.

Bij transport op de openbare weg mag het apparaat uitsluitend met behulp van een geschikt voertuig of een geschikte aanhanger worden getransporteerd! Niet wegslepen!
- Vóór het laden de hoogste snijstand kiezen. (⇒ 12.6)
- Aanhanger aan de voorzijde ondersteunen om te voorkomen dat deze onder het gewicht van het apparaat omhoog klapt.
- Gebruik voor het laden een geschikte hefvoorziening of geschikte en stabiele laadhelling met voldoende breedte.
- Laadhellingen stevig plaatsen en bevestigen – op wielstand en spoorbreedte van de zitmaaier letten. (⇒ 21.)
- Verdeel de last gelijkmatig over de aanhanger.
- Na het laden de laagste snijstand kiezen. (→ 12.6)
- Verbrandingsmotor uitschakelen. (⇒ 12.3)
- Apparaat op het laadoppervlak geheel naar voren schuiven.
• Handrem aantrekken. (⇒ 8.12) - Brandstofkraan sluiten. (⇒ 14.8)
- Span het apparaat met geschikte bevestigingsmiddelen (gordels, kabels enz.) op de vooras of op de bumper naar voren en borg het.
- Plaats vervolgens wiggen (niet meegeleverd) onder de wielen, om onbedoeld wegrollen te voorkomen.
16. Standaard reserveonderdelen
Maaiimes RT 4097 SX: 6165 702 0100
Maaimes RT 4112 SZ: 6165 702 0110
Mesbout: 9010 345 2431
Veerring: 0000 702 6600

De bevestigingselementen van het maaimes (bijvoorbeeld de mesbout) moeten bij het verwisselen of monteren van een mes worden vervangen. Vervangingsonderdelen zijn bij de STIHL vakhandelaar verkrijgbaar.
17. Accessoires
Voor het apparaat zijn nog meer accessoires verkrijgbaar. Voor nadere informatie verwijzen wij u naar uw STIHL vakhandelaar, het internet (www.stihl.com) of de STIHL catalogus.

Om veiligheidsredenen mag u bij dit apparaat uitsluitend door STIHL goedgekeurde accessoires gebruiken.
Grasafval hoort niet bij het huisvuil, maar moet worden gecomposteerd.
Verpakkingen, apparaten en

accessoires zijn gemaakt van recycleerbare materialen en moeten dienovereenkomstig worden verwijderd.
Door materiaalresten afzonderlijk en milieubewust te verwerken, ondersteunt u het hergebruik van waardevolle stoffen. Daarom moet het apparaat na afloop van de gebruikelijke levensduur als bijzonder afval worden verwerkt. Onjuiste verwijdering kan de gezondheid schaden en het milieu belasten.
Voer afvalproducten als afgewerkte olie (motorolie, transmissieolie), brandstof en accu's altijd deskundig af. Neem de plaatselijke voorschriften in acht! Verwijder de accu voordat u het apparaat wegdoet.
Bied de accu niet via het huisvuil aan, maar lever deze bij de vakhandelaar of het afvalpunt voor gevaarlijke stoffen in.
Neem contact op met het recyclingcenter of uw vakhandelaar voor nadere informatie over het deskundig afvoeren van afvalproducten. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
19. Slijtage minimaliseren en schade voorkomen
Belangrijke aanwijzingen voor het onderhoud van de productgroep
Grasmaaier met bestuurdersstoel en verbrandingsmotor (STIHL RT)
De firma STIHL aanvaardt in geen geval aansprakelijkheid voor materiële schade en persoonlijk letsel die het gevolg zijn van het niet in acht nemen van de instructies in de gebruiksaanwijzing, met name betreffende veiligheid, bediening en onderhoud, of die optreden door gebruik van niet toegestane aanbouw- of vervangingsonderdelen.
Neem de volgende belangrijke aanwijzingen in acht om schade of overmatige slijtage aan uw STIHL apparaat te vermijden:
1. Slijtageonderdelen
Sommige onderdelen van het STIHL apparaat zijn ook bij gebruik volgens de voorschriften aan normale slijtage onderhevig en moeten afhankelijk van de gebruikswijze en gebruiksduur tijdig worden vervangen.
Dit omvat o.a.:
- Maaimes
- V - r i e m
- Accu
- Band
- Bougie
2. Inachtneming van de voorschriften in deze gebruiksaanwijzing
Het STIHL apparaat moet zo zorgvuldig mogelijk worden gebruikt, onderhouden en opgeslagen, zoals omschreven in deze gebruiksaanwijzing. Voor alle beschadigingen die door het niet in acht nemen van veiligheids-, bedienings- en onderhoudsaanwijzingen worden veroorzaakt, is de gebruiker zelf verantwoordelijk.
Dit geldt met name voor:
- niet reglementair gebruik van het product.
-
het gebruik van niet door STIHL goedgekeurde hulpstoffen (smeermiddelen, benzine en motorolie, zie gegevens van de motorfabrikant).
-
niet door STIHL goedgekeurde wijzigingen aan het product.
- het gebruik van gereedschappen of accessoires die niet voor het apparaat zijn goedgekeurd, niet geschikt zijn of van een minder goede kwaliteit zijn.
- gebruik van het product bij sport- of wedstrijdevenementen.
- gevolgschade door een product met defecte onderdelen verder te gebruiken.
3. Onderhoudswerkzaamheden
Alle in het hoofdstuk "Onderhoud" vermelde werkzaamheden moeten regelmatig worden uitgevoerd.
Voor zover deze onderhoudswerkzaamheden niet door de gebruiker zelf kunnen worden uitgevoerd, moeten deze aan een vakhandelaar worden overgelaten.
STIHL raadt aan onderhoudswerkzaamheden en reparaties uitsluitend bij de STIHL vakhandelaar te laten uitvoeren.
STIHL vakhandelaren volgen regelmatig cursussen en krijgen voortdurend technische informatie ter beschikking gesteld.
Als deze werkzaamheden niet worden uitgevoerd, kan er schade ontstaan waarvoor de gebruiker verantwoordelijk is.
Hiertoe behoren onder andere:
- corrosie en andere gevolgschade door ondeskundige opslag.
- beschadigingen aan de machine door het gebruik van kwalitatief minderwaardige reserveonderdelen.
- beschadigingen door niet tijdig of ondeskundig uitgevoerd onderhoud resp. beschadigingen door onderhouds- of reparatiewerkzaamheden die niet in werkplaatsen van vakhandelaars zijn uitgevoerd.
20. Conformiteitsverklaring
20.1 EU-conformiteitsverklaring Zitmaaier STIHL RT 4097.1 SX, RT 4112.1 SZ
STIHL Tirol GmbH
verklaart op eigen verantwoordelijkheid dat
- Type: Zitmaaier
- Merk: STIHL
- Type: RT 4097.1 SX, RT 4112.1 SZ
– Snijbreedte RT 4097.1 SX: 95 cm
– Snijbreedte RT 4112.1 SZ: 110 cm - Productiecode: 6165
voldoet aan de betreffende bepalingen van de richtlijnen 2006/42/EC, 2006/42/EC, 2014/30/EU en 2011/65/EU en overeenkomstig de op de productiedatum geldende versies van de volgende normen is ontwikkeld en geproduceerd: EN ISO 5395-1, EN ISO 5395-3 en 2014/30/EU.
Bevoegde instantie:
TÜV Rheinland LGA Products GmbH
Tillystraße 2
90431 Nürnberg, DE
Voor het bepalen van het gemeten en gewaarborgde geluidsniveau is gehandeld volgens richtlijn 2000/14/EC, bijlage VIII.
RT 4097.1 SX
– Gemeten geluidsniveau: 99,2 dB(A)
– Gegarandeerd geluidsniveau: 100 dB(A)
RT 4112.1 SZ
– Gemeten geluidsniveau: 99,7 dB(A)
– Gegarandeerd geluidsniveau: 100 dB(A)
De technische documentatie is bewaard bij STIHL Tirol GmbH.
Het bouwjaar en het machinenummer staan op de zitmaaier vermeld.
Langkampfen, 02/05/2021.
STIHL Tirol GmbH
namens

Matthias Fleischer, Hoofd Onderzoek en Ontwikkeling
namens

Sven Zimmermann, Hoofd Kwaliteit
soort verbrandingsmo- tor
Brandstoftank 9 l
Startsysteem ElektroStart met
contactsleutel
Type accu Lood-gel
Nominale spanning 12 V
Aandraaimoment
mesbout 65 - 70 Nm
Wielandrijving traploos voor-
achterwiel uit/traploos achteruit
Brandstofkraan ja
Snijhoogte 35 -90 mm
Bandenspanning
voorwielen 0,8 - 1 bar
Bandenspanning
achterwielen 0,6 - 0,8 bar
Cilinderinhoud 452 cm ^3
Hoogste
motortoerental 3100 omw./min.
RT 4097.1 SX:
Nominaal vermogen 8,9
bij nominaal toerental kW - omw./min.
Vibraties op de stoel
(lichaamsversnel-
ling) a_w 0,50 m/s ^2
Onzekerheid K_w 0,25 m/s ^2
Meting conform EN ISO 5395-3, EN 20643:
Vibraties op het
stuurwiel a_hw 2,80 m/s ^2
Onzekerheid K_hw 1,40 m/s ^2
Opgegeven trillingskarakteristiek conform EN 12096
Snijbreedte 95 cm
Voorwielen 15x6.00-6
Achterwielen 18x8.50-8
Gewicht met
maaiwerk 197 kg
RT 4112.1 SZ:
Motortype EVC 7000
Cilinderinhoud 635 cm ^4
Hoogste
motortoerental 2800 omw./min.
Nominaal vermogen 12,6 - 2800
bij nominaal toerental kW - omw./min.
Conform richtlijn 2006/42/EC:
Gegarandeerd
geluidsniveau L_WAd 100 dB(A)
Onzekerheid K_WA 0,7 dB(A)
Meting conform EN ISO 5395-1, EN ISO
5395-3, EN 1032:
RT 4112.1 SZ:
Vibraties op de stoel
(lichaamsversnel-
ling) a_w 0,50 m/s ^2
Onzekerheid K_w 0,25 m/s ^2
Meting conform EN ISO 5395-3,
EN 20643:
Vibraties op het
stuurwiel a_hw 2,50 m/s ^2
Onzekerheid K_hw 1,25 m/s ^2
Opgegeven trillingskarakteristiek conform
EN 12096
Snijbreedte 110 cm
Voorwielen 16x7,50-8
Achterwielen 20x10,00-8
Gewicht met
maaiwerk 221 kg
21.1 Afmetingen

REACH duidt op een EG-verordening inzake het registeren, analyseren en toestaan van chemicaliën.
Voor informatie over het voldoen aan de REACH-verordening (EG) nr. 1907/2006 gaat u naar www.stihl.com/reach
22. Defectopsporing
✗ Neem eventueel contact op met een vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan.
Zie gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor.
Storing:
Startmotor draait, verbrandingsmotor slaat niet aan.
Mogelijke oorzaak:
– Gashendel staat in stand MIN.
- Chokestand (gashendel) is niet geactiveerd.
- De chokeknop is niet geactiveerd (RT 4112 SZ).
– Geen brandstof in de tank.
- Brandstofkraan dicht.
– Er wordt te weinig brandstof aangevoerd.
– Bougie vol roet of beschadigd.
- Verkeerde afstand elektroden.
– Bougiestekker is van de bougie losgetrokken.
- Verbrandingsmotor is na meermaals opstarten "verzopen".
- Luchtfilter is verstopt.
- Accu bijna leeg.
Oplossing:
– Gashendel in stand MAX zetten.
– Gashendel in chokestand zetten. ( 8.2)
- Chokeknop bedienen (RT 4112 SZ).
(⇒ 8.4)
- Brandstof bijvullen.
- Brandstofkraan openen. (⇒ 14.8)
- Brandstofffilter controleren. (☐)
– Bougie reinigen of vervangen. (☐)
- Afstand elektroden instellen. (✗)
- Bougiestekker aansluiten; verbinding tussen bougiekabel en stekker controleren. (✗)
- Draai de bougie los en droog deze; zet de gashendel in de stand MIN en start meermaals zonder bougie; schroef de bougie er weer in en steek de bougiestekker vast. (III)
– Luchtfilter reinigen. (☐)
– Laadniveau van de accu controleren en zo nodig de accu opladen. (⇒ 14.19)
Storing:
Startmotor werkt niet.
Mogelijke oorzaak:
- Veiligheidsvoorzieningen blokkeren de startmotor.
- Accu niet of fout aangesloten.
- Accu volledig ontladen of onvoldoende geladen.
– Hoofdzekering (150 A) defect. - Onjuiste massa-aansluiting op verbrandingsmotor of onderstel.
- Startmotor defect.
Oplossing:
– Alle veiligheidsvoorzieningen in acht nemen. (⇒ 11.)
– Aansluitingen accu controleren.
(⇒ 14.18)
- Accu laden. (⇒ 14.19)
- Hoofdzekering vervangen. (✗)
- Aansluitkabels op de accu en het onderstel controleren. (✗)
- Startmotor repareren. (✗)
Storing:
Start slecht of het vermogen van de verbrandingsmotor wordt minder.
Mogelijke oorzaak:
- Water in de brandstoftank en de carburator; carburator is verstopt.
- Brandstoftank is vuil.
– Luchtfilter is vuil.
- Bougie vol roet.
– Maaien van te hoog of te vochtig gras.
Oplossing:
- Brandstoftank ledigen; brandstoftank, brandstofleiding en carburator reinigen. (✗)
- Brandstoftank reinigen. (✗)
– Luchtfilter reinigen/vervangen. (☐)
– Bougie reinigen. (☐) - De snijstand en de rijsnelheid aanpassen aan de te maaien oppervlakte.
Storing:
Verbrandingsmotor wordt zeer heet.
Mogelijke oorzaak:
- Koelvinnen zijn vuil.
- Te laag oliepeil in de motor.
- V-riem versleten.
Oplossing:
- Koelvinnen reinigen. (☐)
- Controleer de inhoud van de motorolie en vul motorolie bij. (⇒ 14.12)
- V-riem vervangen. (✗)
Storing:
Apparaat rijdt niet.
Mogelijke oorzaak:
– Transmissie losgekoppeld.
– V-riem (transmissie) losgeraakt.
– V-riem (transmissie) versleten of beschadigd.
- Ontbrekende pasveer tussen de achteras en achterwielen.
Oplossing:
- Transmissie vastkoppelen (beugel vrijloop van de transmissie). (⇒ 8.14)
– V-riem (transmissie) vasthaken. (✗)
– V-riem (transmissie) vervangen. (✗)
– Pasveer monteren. (⇔ 14.10)
Storing:
Sterke trillingen tijdens gebruik.
Mogelijke oorzaak:
- De maaimessen zijn ongebalanceerd door verkeerd slijpen of beschadigingen.
- De mesbouten zijn niet goed aangetrokken.
- De bevestiging van de verbrandingsmotor is niet goed aangetrokken.
– V-riem beschadigd.
Oplossing:
– Maaimes opnieuw slijpen en balanceren of maaimes vervangen.
(⇒ 14.6)
- Mesbout met aangegeven aanhaalkoppel vastdraaien. (⇒ 14.6)
- Bevestiging van de verbrandingsmotor vastzetten. (✗)
- V-riem vervangen. (✗)
Storing:
Onzuivere snede, gras wordt na het maaien geel.
Mogelijke oorzaak:
– Maaimes bot of versleten.
- Rijsnelheid is te hoog in verhouding tot de maaisituatie (snijstand, kwaliteit van het gazon).
- Maximaal toerental van de verbrandingsmotor niet ingesteld (gashendel niet in stand MAX).
– Maaiwerkinstelling niet in orde.
- Uitwerpopening van het maaiwerk is verstopt.
- Het maaiwerk is verontreinigd met grasresten (verklevingen aan de binnenkant van de maaiwerkbehuizing).
Oplossing:
– Maaiimes slijpen of vervangen (op slijtagegrenzen letten). (⇒ 14.6)
– Rijsnelheid verlagen of hogere snijstand kiezen.
– Gashendel in stand MAX zetten.
(⇒ 8.2)
- Maaiwerkinstelling controleren en indien nodig het maaiwerk juist afstellen. (⇒ 14.7)
- Grasresten uit de uitwerpopening van het maaiwerk verwijderen.
- De binnenkant van het maaiwerk reinigen.
Storing:
Uitwerpopening van het maaiwerk is verstopt.
Mogelijke oorzaak:
– Maaimesvleugel versleten of beschadigd.
- Maaien van te hoog of te vochtig gras.
- De rijsnelheid is te hoog in verhouding tot de ingestelde snijstand.
- Maximaal toerental van de verbrandingsmotor niet ingesteld (gashendel niet in stand MAX).
- Verkeerde rijrichting bij het maaien.
Oplossing:
– Maaimes vervangen. (⇒ 14.6)
– Gazon in twee sessies maaien: 1. Maaisessie met de hoogste snijstand, 2. maaisessie met de gewenste snijstand.
– Rijsnelheid verlagen of hogere snijstand kiezen.
– Gashendel in stand MAX zetten. ( 8.2)( 8.3)
- Juiste rijrichting bij het maaien kiezen.
Storing:
Het apparaat werpt niet gelijkmatig uit.
Mogelijke oorzaak:
- Gras is te vochtig en daardoor te zwaar.
- Rijsnelheid is te hoog in verhouding tot de maaisituatie (snijstand, kwaliteit van het gazon).
- Gras is te hoog.
– Snijstand te laag ingesteld.
– Maaimessen zijn bot of versleten.
– Maaiimesvleugel versleten of beschadigd. - Verkeerde rijrichting bij het maaien.
- Maaiwerk (binnenkant) vuil door verkleefd gras (grasresten van de laatste keer maaien).
Oplossing:
– Wachten totdat het grasoppervlak droog is.
– Rijsnelheid verlagen of hogere snijstand kiezen. (⇒ 12.6)(⇒ 12.4)
– Gazon in twee sessies maaien: 1. maaisessie met de hoogste snijstand, 2. maaisessie met de gewenste snijstand.
- Hogere snijstand kiezen. (⇒ 12.6)
– Maaiimes slijpen of vervangen. (⇒ 14.6)
– Maaimes vervangen.
– Juiste rijrichting bij het maaien kiezen. (⇒ 8.7)
– Binnenkant van het maaiwerk schoonmaken. (⇒ 14.2)
Storing:
Maaimessen worden niet ingeschakeld of draaien niet.
Mogelijke oorzaak:
- De veiligheidsvoorzieningen voorkomen dat het maaiimes wordt ingeschakeld.
– V-riem (maaiwerk) versleten, losgekoppeld of beschadigd.
- Controleren of alle veiligheidsvoorzieningen voor het inschakelen van de maaimessen werken. (⇒ 11.)
- V-riem (maaiwerk) controleren en zo nodig vervangen. (✗)
Oplossing:
Storing:
Verbrandingsmotor slaat af bij het inschakelen van het maaiwerk.
Mogelijke oorzaak:
- Gebruiker zit niet of niet goed op de bestuurdersstoel.
- Stoelcontactschakelaar of de kabels zijn defect.
Oplossing:
- Op de bestuurdersstoel gaan zitten of anders gaan zitten.
- Stoelcontactschakelaar of kabels repareren / vervangen. (✗)
Storing:
Maaiwerk wordt bij het achteruit rijden ontkoppeld.
Mogelijke oorzaak:
- Veiligheidsschakelaar achteruit maaien niet bediend.
Oplossing:
- Maaimes binnen het tijdsvenster vrijgeven (5 seconden voor, tot 1 seconde na het koppelen of wijzigen van de rijrichting). (⇒ 8.6)
Storing:
Verbrandingsmotor slaat af bij het verlaten van de bestuurdersstoel.
Mogelijke oorzaak:
- Handrem niet aangetrokken.
- Maaiwerk ingeschakeld (veiligheidsvoorziening).
Oplossing:
- Handrem voor het verlaten van de bestuurdersstoel aantrekken. (⇔ 8.12)
- Maaiwerk voor het verlaten van de bestuurdersstoel uitschakelen. (⇒ 8.5)
Storing:
Er klinken 3 kort op elkaar volgende akoestische signalen.
Mogelijke oorzaak:
- Defect in de stoelcontactschakelaar of in het elektrisch circuit (kortsluiting).
Oplossing:
- Contactsleutel in de positie "Verbrandingsmotor uit" draaien, zelfdiagnose uitvoeren. (⇒ 9.1)
23. Onderhoudsschema
23.1 Leveringsbevestiging
Model:
Serienummer:

Datum: ____ ____ ____ ____ ____ ____

Volgende onderhoudsbeurt
Datum: ____ ____ ____ ____ ____
23.2 Servicebevestiging

Geef deze gebruiksaanwijzing bij onderhoudswerkzaamheden aan uw STIHL vakhandelaar.
Hij geeft in de voorgedrukte velden aan welke servicewerkzaamheden er zijn uitgevoerd.
Service uitgevoerd op
Datum volgende servicebeurt