FXSQ63A2VEB - Airconditioner DAIKIN - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis FXSQ63A2VEB DAIKIN in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over FXSQ63A2VEB DAIKIN
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Airconditioner in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding FXSQ63A2VEB - DAIKIN en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. FXSQ63A2VEB van het merk DAIKIN.
GEBRUIKSAANWIJZING FXSQ63A2VEB DAIKIN
Installatiehandleiding en gebruiksaanwijzing VRV-airconditioningsysteem
Belangrijke informatie over het gebruikte koelmiddel 2
Installatieplaats selecteren 3
De installatie voorbereiden.... 3
Installatie binnenunit.... 4
De leiding monteren .... 4
De koelleidingen aansluiten.... 5
Het aanleggen van de afvoerleidingen 6
Elektrische bedrading aanleggen 7
Voorbeeld bedrading en het instellen van de afstandsbediening ..... 8
Voorbeeld bedrading 9
Lokale instelling....9
Het sierpaneel monteren 11
Proefdraaien.... 12
Onderhoud....12
Vereisten voor verwijdering 13
Bedradingsschema.... 14

LEES DEZE INSTRUCTIES ZORGVULDIG VOOR DE INSTALLATIE. BEWAAR DEZE HANDLEIDING OP EEN PLAATS WAAR U ZE KUNT TERUGVINDEN VOOR LATERE NASLAG.
EEN VERKEERDE INSTALLATIE OF BEVESTIGING VAN APPARATUUR OF TOEBEHOREN KAN EEN ELEKTRISCHE SCHOK, KORTSLUITING, LEKKEN, BRAND OF ANDERE SCHADE AAN DE APPARATUUR VEROORZAKEN. LAAT DAAROM UITSLUITEND DAIKIN-TOEBEHOREN DIE SPECIAAL ONTWORPEN ZIJN VOOR GEBRUIK MET DE APPARATUUR MONTEREN DOOR EEN VAKMAN.
RAADPLEEG BIJ TWIJFEL OVER DE INSTALLATIE- PROCEDURES OF HET GEBRUIK ALTIJD UW DAIKIN- VERDELER VOOR ADVIES EN INFORMATIE.
De Engelse tekst is de oorspronkelijke versie. Andere talen zijn vertalingen van de oorspronkelijke instructies.

De montage moet door een erkende technicus uitgevoerd worden.
Gebruik de juiste materialen en voer de installatie uit overeenkomstig de geldende landelijke en internationale voorschriften.
Vooraleer te monteren
Laat de unit in zijn verpakking tot u de installatieplaats hebt bereikt. Als uitpakken onvermijdelijk is, gebruik dan een stuk zacht materiaal of beschermende platen in combinatie met een touw bij het opheffen om beschadiging van of krassen op de unit te voorkomen.
Bij het uitpakken van de unit of bij het verplaatsen van de unit na het uitpakken, moet u de unit opheffen aan de ophangbeugel zonder druk uit te oefenen op andere delen, met name niet op de koelmiddelleidingen, afvoerleidingen en andere harsonderdelen.
■ Zie de installatiehandleiding van de buitenunit voor items die niet in deze handleiding beschreven worden.
■ Voorzichtig met koelmiddel van reeks R410A:
De aansluitbare buitenunits moeten uitsluitend voor R410A zijn ontworpen.
Plaats geen voorwerpen in de directe nabijheid van de buitenunit en zorg er voor dat bladeren of andere overblijfselen zich niet rondom het apparaat ophopen.
Bladeren trekken kleine dieren aan die in de unit kunnen binnendringen. In de unit kunnen dergelijke dieren storingen, rook of brand veroorzaken wanneer ze in contact komen met elektrische onderdelen.
Voorzorgsmaatregelen
■ Installeer en gebruik de unit niet in ruimten die in het onderstaande worden beschreven.
- Plaatsen waar minerale olie, oliedamp of een olienevel aanwezig is, zoals in keukens. (Daardoor kunnen kunststof onderdelen aangetast worden.)
- Waar agressieve gassen, zoals zwaveldamp, aanwezig zijn. (Daardoor kunnen koperen leidingen en soldeerverbindingen corroderen.)
- Ruimten waarin ontbrandbare gassen worden gebruikt, zoals verfverdunner en benzine.
- Waar machines staan die elektromagnetische golven genereren. (Het besturingssysteem kan verstoord worden.)
- Wanneer de lucht een hoog zoutgehalte heeft, bijvoorbeeld vlakbij zee, en wanneer er grote spanningswisselingen zijn, zoals in een fabriek. Hetzelfde geldt voor voertuigen en schepen.
■ Installeer accessoires niet rechtstreeks op de behuizing. Boorgaten in de behuizing kunnen elektrische draden beschadigen en dientengevolge brand veroorzaken.
Dit toestel is niet bedoeld voor gebruik door personen, inclusief kinderen, met verminderde fysieke, zintuiglijke of mentale mogelijkheden, of met een gebrek aan ervaring en kennis, tenzij zij onderricht zijn in het gebruik van het toestel door een persoon die verantwoordelijk is voor hun veiligheid.
Zie erop toe dat kinderen niet met het apparaat spelen.
■ Dit apparaat is bedoeld om in werkplaatsen, in de lichte industrie en in boerderijen door deskundige of geschoolde gebruikers gebruikt te worden of, in de handel, door niet gespecialiseerde personen.
■ Het geluidsdrukniveau is minder dan 70 dB(A).
Accessoires
Controleer of de volgende accessoires bij uw unit zijn inbegrepen.
Metalen klem1 stuk | Afvoerslang1 stuk | Pakkingring voor ophangbeugel8 stuks | Afsluitplaat middelgroot2 stuks |
Grote afsluitplaat1 stuk | Fittingisolatie voor waterleidingen1 stuk[IMAGE]voor gasleidingen1 stuk | Lange afdichting2 stuks![]() | Installatie-handleiding en gebruiksaanwijzing |
Schroeven voor leidingflenzen1 setje40 stuks. | 4 draadbinders | ||
Schroeven voor het vastzetten van panelen zijn bevestigd aan het luchtinlaatpaneel.
Optionele accessoires
Er zijn twee soorten afstandsbedieningen: met draad en draadloos. Selecteer een afstandsbediening na overleg met de klant en installeer de afstandsbediening op een geschikte plaats.
Raadpleeg catalogi en technische documentatie om een geschikte afstandsbediening te selecteren.
■ Wanneer u de onderaanzuiging installeert: luchtinlaatpaneel en doekaansluiting voor het luchtinlaatpaneel.
Besteed tijdens installatie extra aandacht aan de volgende punten en inspecteer na het voltooien van de installatie
| Vink √ aan na controle | |
| Is de binnenunit stevig gemonteerd?Als de apparaten loskomen, kunnen ze trillingen of lawaai veroorzaken. | |
| Is de gaslektest goed uitgevoerd?Er kan onvoldoende gekoeld of verwarmd worden. | |
| Is de unit volledig geïsoleerd en gecontroleerd op luchtlekken?Er kan condenswater gaan druppen. | |
| Stroomt de afvoer goed door?Er kan condenswater gaan druppen. | |
| Komt de voedingsspanning overeen met de spanning die op de kenplaat staat?Er kunnen storingen optreden of componenten kunnen doorbranden. | |
| Zijn de bedrading en de buizen goed aangelegd?Er kunnen storingen optreden of componenten kunnen doorbranden. | |
| Is de unit goed geaard?Gevaar op elektrische schrokken. | |
| Voldoet de bedrading aan de specificaties?Er kunnen storingen optreden of componenten kunnen doorbranden. | |
| Worden de luchtinlaat of de luchtuitlaat van de binnen- of buitenunit niet geblokkeerd?Er kan onvoldoende gekoeld of verwarmd worden. | |
| Is de lengte van de koelleidingen en de lading van het aanvullende koelmiddel genoteerd?De lading van het koelmiddel in het systeem kan mogelijk niet goed worden bepaald. | |
| Zijn de luchtfilters goed bevestigd (bij installatie met leiding achteraan)?Onderhoud van de luchtfilters kan onmogelijk zijn. | |
| Is de externe statische druk ingesteld?Er kan onvoldoende gekoeld of verwarmd worden. |
Opmerkingen voor de installateur
Lees deze handleiding zorgvuldig door om een correcte installatie te waarborgen. Vergeet niet de klant te tonen hoe hij of zij het systeem op de juiste manier kan bedienen door hem of haar de meegeleverde gebruiksaanwijzing van de binnenunit te tonen.
Leg de klant uit welk systeem op locatie is geïnstalleerd. Zorg ervoor de juiste installatiespecificaties in te vullen in het hoofdstuk "Wat te doen voor het gebruik" in de gebruiksaanwijzing van de buitenunit.
Belangrijke informatie over het gebruikte koelmiddel
Dit product bevat fluorhoudende broeikasgassen die onder het Kyoto-protocol vallen.
Koelmiddeltype: R410A
GWP ^(1) -waarde: 1975
(1) GWP = Global Warming Potential (globaal opwarmingspotentieel)
Afhankelijk van de Europese of lokale wetgeving kunnen periodieke inspecties voor koelmiddellekken zijn vereist. Neem voor meer informatie contact op met uw lokale leverancier.
Installatieplaats selecteren
(Zie afbeelding 1 en afbeelding 2)
1 Selecteer een plaats voor de montage die aan de volgende voorwaarden voldoet en die tevens de goedkeuring van uw klant draagt.
- Waar de lucht optimaal kan circuleren.
- Waar doorgang van de lucht niet geblokkeerd wordt.
- Waar condensatiewater gemakkelijk kan worden afgevoerd.
- Waar het systeemplafond geen merkbare helling heeft.
- Waar voldoende ruimte voor onderhoud en service kan worden gewaarborgd.
- Waar geen gevaar voor lekkage van ontvlambare gassen bestaat.
- De apparatuur is niet bedoeld voor gebruik in een omgeving waar ontploffingsgevaar is.
- Waar het buizenwerk tussen de binnen- en buitenunits binnen de voorgeschreven limiet blijft. (Raadpleeg de montagehandleiding van de buitenunit.)
- Houd de binnenunit, buitenunit, voedingskabels en de besturingsbedrading op tenminste 1 meter afstand van televisietoestellen en radio's. Dit is om beeldstoring en bijgeluiden in deze elektrische apparaten te voorkomen. (Een afstand van 1 meter kan afhankelijk van de omstandigheden waarbij de elektrische golf wordt geproduceerd, onvoldoende zijn om storing te voorkomen.)
- Wanneer de draadloze afstandsbedieningskit wordt geïnstalleerd, kan de afstand tussen de draadloze afstandsbediening en de binnenunit minder zijn als er TL-lampen zijn die in de kamer elektrisch worden gestart. De binnenunit moet zo ver mogelijk uit de buurt van TL-lampen worden geïnstalleerd.
- Plaats geen voorwerpen die gevoelig zijn voor vocht, direct onder de binnen- of buitenunits. Onder bepaalde omstandigheden kan condensvorming op de hoofdunit of de koelmiddelleidingen, vuil in het luchtfilter of een verstopte afvoer waterlekkage veroorzaken, waardoor het betreffende voorwerp vervuild of defect kan raken.
2 Monteer een beveiligingsrooster voor de luchtaanzuiging en de luchtuitlaat om te voorkomen dat iemand de ventilatorschoepen of de warmtewisselaar zou aanraken.
De bescherming moet voldoen aan de Europese en nationale voorschriften ter zake.
3 Gebruik ophangbouten voor de montage. Controleer of het plafond sterk genoeg is om het gewicht van de binnenunit te kunnen dragen. Als er een risico is, verstevig dan het plafond alvorens de unit te monteren.
1 Ruimte voor onderhoud
2 Afvoerleiding
3 Opening bedrading elektrische voeding
4 Opening transmissiebedrading
5 Onderhoudsaflaatuitlaat
6 Gasleiding
7 Vloeistofleiding
De installatie voorbereiden
1 Verband tussen de plafondopening en de unit en de plaats van de ophangbout. (Zie afbeelding 5)
| Model A (mm) B (mm) |
| 15~32 550 588 |
| 40~50 700 738 |
| 63~80 1000 1038 |
| 100~125 1400 1438 |
1 Binnenunit
2 Leiding
3 Afmetingen plaats ophangbout (x4)
4 Afstand plaats ophangbout
Kies voor de installatie een van de onderstaande mogelijkheden.
Standaard achteraanzuiging (Zie afbeelding 6a)
1 Plafondoppervlak
2 Plafondopening
3 Onderhoudstoegangspaneel (optioneel accessoire)
4 Luchtfilter
5 Luchtinlaatleiding
6 Opening leidingonderhoud
7 Verwisselbare plaat
Installatie met leiding achter en leidingonderhoudsopening (Zie afbeelding 6b)
Installatie met leiding achter zonder leidingonderhoudsopening (Zie afbeelding 6c)
OPMERKING

Voor de installatie van de unit (in geval van installatie met leiding, maar zonder leidingonderhoudsopening): wijzig de positie van de luchtfilters.
1 Verwijder de luchtfilter(s) aan de buitenzijde van de unit
2 Verwijder de verwisselbare
plaat
3 Installeer de luchtfilter(s) aan de binnenzijde van de unit
4 Plaats de verwisselbare
plaat terug

text_image
1 2 3 4OPMERKING

Selecteer bevestigingsschroeven die maximaal 5 mm uitsteken aan de binnenkant van de flens wanneer u een luchtlinlaatleiding installeert, om schade aan de luchtfilter tijdens onderhoud te voorkomen.
1 Luchtinlaatleiding
2 Binnenzijde van de flens
3 Bevestigingsschroef

Het luchtinlaatpaneel monteren met een stoffen aansluiting (Zie afbeelding 7a)
Het luchtinlaatpaneel rechtstreeks monteren (Zie afbeelding 7b)
1 Plafondoppervlak
2 Plafondopening
3 Luchtinlaatpaneel (optioneel accessoire)
4 Binnenunit (achterzijde)
5 Stoffen aansluiting voor luchtinlaatpaneel (optioneel accessoire)
Model A (mm)
| 15~32 610 |
| 40~50 | 760 |
| 63~80 | 1060 |
| 100~125 1460 |
Bodemaanzuiging (Zie afbeelding 7c)
OPMERKING

De unit kan worden gebruikt met bodemaanzuiging door de verwisselbare plaat te vervangen door de luchtfilterhouderplaat.
1 Luchtfilterhouderplaat met luchtfilter(s)
2 Verwisselbare plaat
OPMERKING

Voor een andere installatie dan de standaardinstallatie, neemt u contact op met uw Daikin-dealer voor bijzonderheden.
2 De
ventilatorsnelheid
voor
deze
binnenunit
is
voorgeprogrammeerd om standaard externe statische druk te leveren.
3 Monteer de ophangbouten.
(Gebruik een maat bout van M10 voor de ophangbout.) Gebruik verankeringen voor bestaande plafonds en een verzonken inzetstuk, verzonken verankeringen of andere niet meegeleverde onderdelen voor nieuwe plafonds ter versteviging van het plafond om het gewicht van de unit te kunnen dragen.
Installatievoorbeeld
(Zie afbeelding 3)
1 Verankering
2 Plafondtegel
3 Lange moer of wartel
4 Ophangbout
5 Binnenunit
OPMERKING

■ Alle bovenvermelde onderdelen worden niet meegeleverd.
■ Voor een andere installatie dan de standaardinstallatie, neemt u contact op met uw dealer voor bijzonderheden.
Installatie binnenunit
Wanneer optionele accessoires worden geïnstalleerd (behalve het luchtinlaatpaneel), lees dan ook de montagehandleiding van de optionele accessoires. Naargelang de omstandigheden ter plaatse, kan het eenvoudiger zijn om de optionele accessoires te installeren voordat de binnenunit zelf wordt geïnstalleerd.
1 Monteer de binnenunit voorlopig.
- Bevestig de ophangbeugel aan de ophangbout. Zorg dat deze stevig wordt vastgehecht door middel van een moer en pakkingring aan de boven- en onderzijde van de ophangbeugel. (Zie afbeelding 4)
1 Moer (niet meegeleverd)
2 Sluitring voor ophangbeugel (meegeleverd met de unit)
3 Draai vast (dubbele moer)
2 Controleer of de unit horizontaal waterpas staat.
- Installeer de unit niet gekanteld. De binnenunit is uitgerust met een ingebouwde afvoerpomp en vlotterschakelaar. (Als de unit tegen de richting van de condenswaterstroom in gekanteld staat, kan de werking van de vlotterschakelaar verstoord raken en er water beginnen te lekken.)
- Controleer of de unit waterpas staat aan alle vier hoeken met een waterpas of een vinylbuis gevuld met water, zoals op afbeelding 9 wordt getoond.
1 Waterpas
2 Vinylbuis
3 Draai de bovenste moer vast.
De leiding monteren
Sluit de meegeleverde leiding aan.
Luchtinlaatzijde
- Bevestig de leiding en de flens aan inlaatzijde (ter plaatse te voorzien).
- Sluit de flens aan op de hoofdunit met de accessoireschroeven (7).
- Wikkel de flens aan inlaatzijde en het leidingaansluitingsgedeelte in met aluminiumtape of iets dergelijks om te voorkomen dat er lucht ontsnapt.

Wanneer u een leiding bevestigt aan de inlaatzijde, moet u een luchtfilter plaatsen in de luchtdoorgang aan de inlaatzijde. (Gebruik een luchtfilter met een stofopvangefficiëntie van minstens 50% in een gravimetrische techniek.)
De aanwezige filter wordt niet gebruikt wanneer de inlaatleiding bevestigd is.

text_image
Flens (Lokale levering) Verbindingsschroef (7) (accessoire) Aluminiumtape (Lokale levering) Hoofdunit Flens Isolatiemateriaal (Lokale levering) Aluminiumtape (Lokale levering) Luchtinlaatzijde LuchtuitlaatzijdeLuchtuitlaatzijde
- Sluit de leiding aan in overeenstemming met de lucht in de flens aan uitlaatzijde.
- Wikkel de flens aan uitlaatzijde en het leidingaansluitingsgedeelte in met aluminiumtape of iets dergelijks om te voorkomen dat er lucht ontsnapt.

- Isoleer de leiding om condensatievorming te voorkomen. (Materiaal: glaswol of polyethyleenschuim, 25 mm dik)
- Gebruik elektrische isolatie tussen de leiding en de muur wanneer u metalen leidingen gebruikt om metalen latten van het net of hek of metalen platen in houten gebouwen door te steken.
- Leg zeker aan uw klant uit hoe hij het ter plaatse voorziene materiaal (luchtfilter, rooster (zowel het luchtuitlaat- als het aanzuigrooster) enz.) moet onderhouden.
De koelleidingen aansluiten
Voor het koelmiddelleidingwerk van de buitenunit dient u de montagehandleiding te raadplegen die bij de buitenunit is geleverd.
Controleer, voordat de leidingen worden aangelegd, welk type koelmiddel wordt gebruikt.

De montage moet door een erkende koelmiddelinstallateur uitgevoerd worden; de keuze van het materiaal en de montage dienen te voldoen aan de toepasselijke nationale en internationale voorschriften. In Europa dient norm EN378 gehanteerd te worden.
■ Gebruik een pijpsnijder en tromp die geschikt is voor het gebruikte koelmiddel.
■ Knijp de leiding dicht of plak deze af met tape om te voorkomen dat vuil, vloeistof of andere vreemde stoffen de leiding kunnen binnendringen.
■ Gebruik alleen naadloze leidingen van koperlegering (ISO 1337).
■ De buitenunit is gevuld met koelmiddel.
■ Breng aan beide zijden van zowel de gas- als de vloeistofleidingen het thermische isolatiemateriaal aan om waterlekkage te voorkomen. Gebruik isolatiemateriaal dat voldoende warmtebestendig is, omdat bij gebruik van een warmtepomp de temperatuur van de gasleiding kan oplopen tot ongeveer 120°C.
■ Gebruik bij het aansluiten of losmaken van de leidingen aan/van het toestel altijd een moersleutel en een momentsleutel.
1 Momentsleutel
2 Moersleutel
3 Verbinding van de leidingen
4 Voor verbrede uiteinden bedoelde moer

■ Meng alleen het vermelde koelmiddel in het koelmiddelcircuit en niets anders, dus geen lucht enz.
■ Gebruik alleen uitgegloeid materiaal voor trompverbindingen.
■ Raadpleeg Tabel 1 voor de afmetingen van de optrompbout en het geschikte draaimoment. (Overmatig aanspannen kan de wartel beschadigen en lekken veroorzaken.)
Tabel 1
| Leiding-diameter(mm) | Aanhaalmoment(N•m) | Flare-afmetingA (mm) | Flarevorm |
| ∅6,4 15~ | 17 8,7~9,1 | ![]() | |
| ∅9,5 33~ | 39 12,8~13,2 | ||
| ∅12,7 50~ | 60 16,2~16,6 | ||
| ∅15,9 63~ | 75 19,3~19,7 |
■ Wanneer u de flaremoer bevestigt, smeert u eerst de binnenkant van de flare in met ether- of esterolie en draait u ze vervolgens met de hand 3 of 4 slagen vast, voordat u ze stevig vastschroeft.

■ Ventileer de omgeving als er koelgas lekt tijdens het werk. Als koelgas aan vuur wordt blootgesteld, ontstaat er een giftig gas.
Zorg ervoor dat er geen koelgas lekt. Er kan giftig gas vrijkomen doordat het koelgas binnenshuis lekt en aan de vlammen van een kamerverwarming, fornuis enz. wordt blootgesteld.
■ Isoleer ten slotte zoals getoond in de onderstaande afbeeldingen.
Procedure voor het isoleren van leidingen
Gasleiding Vloeistoflei

text_image
1 2 3 A C B 7 D
text_image
A 3 8 2 4 6 6 A C B 7 D1 Isolatiemateriaal leidingwerk (niet meegeleverd)
2 Flensmoerverbinding
3 Isolatie voor fitting (meegeleverd met de unit)
4 Isolatiemateriaal leidingwerk (hoofdunit)
5 Hoofdunit
6 Klem (levering door opdrachtgever)
7 Midden 1 afsluitplaten voor gasleidingwerk (met de unit meegeleverd)
Midden 2 afsluitplaten voor vloeistofleidingwerk (met de unit meegeleverd)
A Draai naden omhoog
B Bevestig aan de ondergrond
C Haal het onderdeel aan, behalve het isolatiemateriaal van het leidingwerk
D Sla om vanaf de ondergrond van de unit naar de bovenkant van de flensmoerverbinding

Isoleer ter plaatse de gemonteerde leidingen helemaal tot aan de leidingkoppelingen binnenin de unit.
Blootliggend leidingwerk kan condensatie of brandwonden veroorzaken, wanneer het wordt aangeraakt.
Waarschuwingen bij solderen
■ Zorg ervoor dat u bij het solderen met stikstof blaast.
Solderen zonder gebruik van stikstof of stikstof in het leidingwerk vrijgeven veroorzaakt aan de binnenzijde van de leidingen grote hoeveelheden geoxideerde film die de kleppen en compressoren in het koelsysteem negatief beïnvloeden en een normale werking belemmeren.
Bij het solderen, terwijl stikstof in het leidingwerk wordt vrijgegeven, moet de stikstof op 0,02 MPa worden ingesteld via een drukreduceerafsluiter (= net voldoende zodat het op de huid kan worden gevoeld).

text_image
1 2 3 4 5 6 61 Koelmiddelleidingen
2 Te solderen deel
3 Kleefband
4 Handbediend ventiel
5 Drukregelaar
6 Stikstof
Het aanleggen van de afvoerleidingen
Installatie afvoerleidingen
Monteer het afvoerleidingwerk zoals op de afbeelding wordt getoond en neem maatregelen tegen condensatie. Verkeerd aangelegd leidingwerk kan leiden tot lekkage en eventueel natte meubels en eigendommen.

1 Ophangstaaf

■ Installeer de afvoerleidingen.
- Houd de leidingen zo kort mogelijk en laat ze naar beneden aflopen met een helling van minstens 1/100 zodat er geen lucht in de leidingen kan blijven vastzitten.
- Houd het leidingformaat gelijk aan of groter dan de verbindingsleiding (vinylbuis met een nominale diameter van 25 mm en buitendiameter van 32 mm).
- Duw de meegeleverde afvoerslang zo ver mogelijk over de afvoermof.

text_image
1 21 Afvoermof (bevestigd aan de unit)
2 Afvoerslang (meegeleverd met de unit)
- Span de metalen klem aan tot de schroefkop minder dan 4 mm van het metalen klemonderdeel is verwijderd, zoals getoond in de afbeelding.

text_image
3 4 A-A' ≤4 mm 3 4 1 2 A A' 1 2 51 Afvoermof (bevestigd aan de unit)
2 Afvoerslang (meegeleverd met de unit)
3 Metalen klem (meegeleverd met de unit)
4 Grote afsluitplaat (meegeleverd met de unit)
5 Afvoerleidingen (niet meegeleverd)
- Wikkel de meegeleverde, grote afsluitplaat om de metalen klem en afvoerslang om deze te isoleren en bevestig deze met klemmen.
- Isoleer het volledige afvoerleidingwerk in het gebouw (niet meegeleverd).
- Als de afvoerslang niet voldoende kan afhellen, bevestig dan een verhogende afvoerleiding op de slang (niet meegeleverd).
■ Hoe afvoerleidingwerk installeren
(Zie afbeelding 10)
4 Verhogende afvoerleiding
5 Afvoerslang (meegeleverd met de unit)
6 Metalen klem (meegeleverd met de unit)
1 Sluit de afvoerslang aan op de verhogende afvoerleidingen en isoleer deze.
2 Sluit de afvoerslang aan op de afvoeruitgang op de binnenunit en bevestig deze met de klem.
| Installatie A (mm) | |
| Installatie achteraanzuiging 231 | |
| Wanneer stoffen leiding is geïnstalleerd 350-530 | |
| Wanneer luchtinlaatpaneel rechtstreeks is geïnstalleerd | 231 |
■ Voorzorgsmaatregelen
- Installeer de verhogende afvoerleidingen op een hoogte van minder dan 625 mm.
- Installeer de verhogende afvoerleidingen in een rechte hoek ten opzichte van de binnenunit en op niet meer dan 300 mm van de unit vandaan.
- Installeer de afvoerslang waterpas of licht omhoog gekanteld (≤75 mm) om luchtbellen te voorkomen.
- De afvoerpomp die in deze unit is gemonteerd, heeft een hoge opvoerhoogte. Het kenmerk van deze pomp is dat hoe hoger de pomp is, des te lager het afvoergeluid wordt. Om die reden wordt een afvoerpomphoogte van 300 mm geadviseerd.
OPMERKING

De helling van de bevestigde afvoerslang dient 75 mm of minder te zijn, zodat de afvoermof geen extra kracht dient te weerstaan.
Monteer ophangbeugels elke 1 tot 1,5 m om een afwaartse helling van 1:100 te verzekeren.
Bij het bundelen van meerdere afvoerleidingen moeten de leidingen worden geïnstalleerd, zoals afgebeeld in afbeelding 11. Selecteer samenlopende afvoerleidingen waarvan het kaliber geschikt is voor de bedrijfscapaciteit van de unit.
1 Samenlopende afvoerleidingen met T-verbinding
Afvoerleidingen testen
Controleer nadat het leidingwerk is voltooid, of het afvoeren vlot verloopt.
■ Voeg langzaam ongeveer 1 l water toe via de uitblaasopening. Controleer op waterlekkages.
Methode om water toe te voegen. Zie afbeelding 8.
1 Waterinlaat
2 Draagbare pomp
3 Afdekking van waterinlaat
4 Emmer (water toevoegen via waterinlaat)
5 Aflaatuitlaat voor onderhoud (met rubber aflaatplug)
6 Koelmiddelbuizen

Waarschuwing voor afvoermof
Verwijder de aflaatleidingplug niet. Er kan water lekken.
De aflaatuitlaat wordt alleen gebruik om water af te voeren als de afvoerpomp niet wordt gebruikt of vóór onderhoud. Plaats en verwijderd de aflaatplug voorzichtig. Te veel kracht kan de afvoermof van de lekbak vervormen.
■ De plug uittrekken

1 Aflaatplug
Beweeg de plug niet op en neer
■ De plug induwen

text_image
1 Aflaatplug 2 KruisschroevendraaierPlaats de plug en duw ze met behulp van een kruisschroevendraaier
Voer eerst het elektrische bedradingswerk uit zoals voorgeschreven in "Elektrische bedrading aanleggen" op pagina 7 en de instelling van de afstandsbediening zoals uitgelegd in "Voorbeeld bedrading en het instellen van de afstandsbediening" op pagina 8.
Indien het elektrisch bedradingswerk is voltooid
Controleer afvoerstroom tijdens het KOELEN, uitgelegd in "Proefdraaien" op pagina 12.
Indien het elektrisch bedradingswerk niet is voltooid
Verwijder de het deksel van de schakelkast en sluit de enkelfasige voeding en de afstandsbediening aan op de klemmen. (Raadpleeg "Elektrische bedrading aanleggen" op pagina 7 voor het bevestigen/losmaken van de schakelkast.) (Zie afbeelding 12 en afbeelding 14)
1 Deksel van schakelkast
2 Opening transmissiebedrading
3 Opening bedrading elektrische voeding
4 Bedradingsschema
5 Schakelkast
6 Plastic klem
7 Bedrading voor afstandsbediening
8 Aansluitingenbord voor transmissiebedrading van de unit
9 Bedrading voeding
10 Printplaat 1 binnen
11 Aansluitingenbord elektrische voeding
12 Transmissiebedrading tussen units
13 Printplaat 2 binnen
14 Lange afdichting
15 Bedrading
Druk vervolgens op de toets inspectie/testbedrijf testop de afstandsbediening. De unit zal de testfunctie starten. Druk op de toets selectie bedrijfsmodus en selecteer de stand fan (ventilator).
Druk daarna op de aan/uit-toets (de ventilator van de binnenunit en de afvoerpomp zullen worden opgestart. Controleer of het water uit de unit is afgevoerd. Druk op om terug naar de eerste modus te gaan.
Elektrische bedrading aanleggen
Algemene informatie
De bedrading ter plaatse en de montage van de componenten moeten worden uitgevoerd door een erkend elektricien en in overeenstemming zijn met de geldende Europese en nationale reglementeringen.
■ Gebruik alleen koperdraad.
Volg het "Bedradingsschema" dat aan de unit is bevestigd om de buitenunit, binnenunits en de afstandsbediening te bedraden. Raadpleeg de "Montagehandleiding van de afstandsbediening" voor bijzonderheden over het koppelen van de afstandsbediening.
■ Laat de aanleg van de elektrische bedrading uitsluitend door erkende elektriciens uitvoeren.
Plaats de aardlekschakelaar en de zekering op de voedingslijn.
■ Een hoofdschakelaar of een andere manier om te onderbreken, met een contactscheiding in alle polen, moet voorzien zijn in de vaste bedrading in overeenstemming met de toepasselijke lokale en nationale wetgeving.
Let erop dat de werking automatisch opnieuw start, als de hoofdvoeding wordt uitgeschakeld en daarna weer wordt ingeschakeld.
■ Raadpleeg de installatiehandleiding van de buitenunit voor informatie over de draaddikte van de stroomkabel naar de buitenunit, de capaciteit van de aardlekschakelaar en de zekering, en instructies voor het aanleggen van de bedrading.
■ Vergeet niet om de airconditioner te aarden.
■ Sluit de aardleiding niet aan op:
- gasleidingen: dit leidt mogelijk tot ontploffingen of brand als er gas lekt.
- aardingsleidingen van telefoons of bliksemafleiders: dit kan een abnormaal hoog elektrisch potentieel in de aarding veroorzaken tijdens onweer.
- waterleidingen: geen aardingseffect als harde vinylleidingen worden gebruikt.
■ Zorg dat de aardkabel tussen de trekontspanning en de klem langer is dan de andere draden.
Zorg ervoor dat de vorm van de stroomkabel en elke andere kabel eruit ziet zoals op deze afbeelding wordt getoond, voordat deze in de unit worden binnengegaan.
Alle kabels die de unit binnenkomen moeten worden vastgemaakt met draadbinders (accessoire).
- Gebruike lange afdichting (accessoire) om de ingang van de schakelkast te blokkeren zoals getoond in afbeelding 12.

Elektrische eigenschappen
| Model Hz Volt | Spannings-bereik | Elektrische voedingMCA MFA | |||
| 15 | 50/60 | 220-240/220 ±10% | 0,4 | 16 A | |
| 20 0,4 | |||||
| 25 0,4 | |||||
| 32 0,4 | |||||
| 40 0,8 | |||||
| 50 0,8 | |||||
| 63 0,9 | |||||
| 80 1,0 | |||||
| 100 1,5 | |||||
| 125 2,0 | |||||
MCA: min. circuit amp (A)
MFA: max. zekering amp (A)
OPMERKING

Raadpleeg voor meer informatie het hoofdstuk "Elektrische gegevens" in de technische specificaties.
Specificaties voor op locatie aanwezige zekeringen en draden
| Bedrading voeding | |||
| Model | Lokale zekeringen | Draad Maat | |
| 15~125 | 16 A | H05VV-U3G Løkale voorschriften | |
| Model | Draad | Maat |
| 15~125 | Ommantelde draad (2) | 0,75–1,25 mm ^2 |
OPMERKING

Voor informatie, zie "Voorbeeld bedrading" op pagina 9.
Toegelaten lengte transmissiebedrading tussen binnen- en buitenunits en tussen de binnenunit en de afstandsbediening is als volgt:
- Buitenunit - binnenunit: max. 1000 m (lengte complete bedrading: 2000 m)
- Binnenunit - afstandsbediening: max. 500 m
Voorbeeld bedrading en het instellen van de afstandsbediening
De bedrading aansluiten
Verwijder het deksel van de schakelkast zoals getoond in afbeelding 12 en maak de aansluitingen.
1 Deksel van schakelkast
2 Bedrading voor lage spanningen in de schakelkast
3 Bedrading voor hoge spanningen in de schakelkast
4 Bedradingsschema
5 Schakelkast
Voorzorgsmaatregelen
- Houd onderstaande richtlijnen aan bij het aansluiten van bedrading aan het aansluitingenbord van de elektrische voeding.
- Gebruik een krimpachtige aansluitklem om de mof te isoleren voor aansluiting op de klemmenstrook voor het bedraden van de units. Volg onderstaande instructies, wanneer er geen beschikbaar zijn.

1 Ronde spanklem
2 Bevestig de isolatiemof
3 Bedrading
- Sluit geen draden met een verschillende dikte aan op dezelfde voedingsklem. (Loszittende aansluitingen kunnen oververhitting veroorzaken.)
- Sluit draden met dezelfde dikte aan volgens de afbeelding.



Gebruik de voorgeschreven draad. Sluit de draad veilig aan op de terminal. Schroef de draad vast zonder overdreven kracht uit te oefenen op de terminal. Gebruik aanhaalmomenten volgens onderstaande tabel.
| Aanhaalmoment (N•m) | |
| Klemmenstrook voor afstandsbediening | 0,79~0,97 |
| Klemmenstrook voor voeding | 1,18~1,44 |
- Zorg dat u geen draden beknelt bij het bevestigen van het deksel van de stuurkast.
-
Als alle bedrading is aangesloten, vul dan de gaten in de bedradingsopeningen van de behuizing op met stopverf of isolatiemateriaal (meegeleverd met de unit) om te voorkomen dat klein ongedierte of vuil van buitenaf in de unit terechtkomt en kortsluitingen in de stuurkast veroorzaakt.
-
Sluit geen draden met een verschillende dikte aan op dezelfde aardingsklem. Een losse aansluiting kan de bescherming verzwakken.
- Afstandsbedieningskabels en verbindingsbekabeling tussen de units moeten op een afstand van tenminste 50 mm van de bedrading elektrische voeding geplaatst worden. Wanneer deze richtlijn niet wordt opgevolgd, kan dit defecten veroorzaken als gevolg van elektrische storing.
- Voor de bedrading van de afstandsbediening, raadpleeg de "Installatiehandleiding van de afstandsbediening" die is meegeleverd met de afstandsbediening.
OPMERKING

De klant kan de thermistor van de afstandsbediening selecteren.
- Sluit de voedingsbedrading nooit eerder op het aansluitingenbord aan dan de transmissiebedrading. Door deze fout kan het complete systeem beschadigd raken.
- Gebruik alleen gespecificeerde draden en bevestig de draden stevig aan de aansluitklemmen. Wees daarbij voorzichtig dat de draden geen extra kracht op de aansluitklemmen uitoefenen. Leid de draden netjes en voorkom dat de draden in de weg zitten van andere apparatuur, bijvoorbeeld dat het deksel van de schakelkast niet meer kan worden geopend. Zorg dat het deksel stevig sluit. Slechte aansluitingen kunnen oververhitting veroorzaken en, in het ergste geval, elektrische schok of brand.
Houd de totale stroom van kruisende bedrading tussen de binnenunits op minder dan 12 A. Tak de leiding buiten de klemmenstrook van de unit af in overeenstemming met de normen voor elektrische apparatuur, wanneer u twee stroomdraden gebruikt met een kaliber groter dan 2 mm ^2 (∅1,6).
De aansluiting moet worden beschermd om een gelijke of hogere mate van isolatie te creëren als/dan de voedingsbedrading zelf.
Voorbeeld bedrading
Bevestig de voedingsbedrading van elke unit met een schakelaar en zekering, zoals op afbeelding 16 wordt getoond.
1 Elektrische voeding
2 Hoofdschakelaar
3 Bedrading voeding
4 Transmissiebedrading
5 Schakelaar
6 Zekering
7 BS unit alleen REYQ
8 Binnenunit
9 Afstandsbediening
Voorbeeld compleet systeem (3 systemen)
Bij gebruik van 1 afstandsbediening voor 1 binnenunit (Normaal bedrijf) (Zie afbeelding 15)
Voor groepsbediening of gebruik met 2 afstandsbedieningen (Zie afbeelding 17)
Bij het integreren van een BS-unit (Zie afbeelding 13)
1 Buitenunit
2 Binnenunit
3 Afstandsbediening (optionele accessoires)
4 Meest stroomafwaartse binnenunit
5 Voor gebruik met 2 afstandsbedieningen
6 BS-unit
OPMERKING

Het is niet nodig om een binnenunitadres toe te wijzen bij gebruik van de groepsbediening. Het adres wordt automatisch ingesteld wanneer de stroom wordt aangezet.
Voorzorgsmaatregelen
- Er kan een enkele schakelaar worden gebruikt voor het voeden van de units op hetzelfde systeem. Schakelaars en stroomverbrekers voor aftakkingen moeten echter zorgvuldig worden geselecteerd.
- Gebruik bij een groepsbediening de afstandsbediening voor de binnenunit met de meeste mogelijkheden.
- Alle transmissieleidingen met uitzondering van die van de afstandsbediening zijn gepolariseerd en moeten overeenkomen met het symbool op het klemmenbord.
- Sluit in het geval van groepsbediening de bedrading van de afstandsbediening aan op de hoofdunit wanneer de verschillende apparaten in de groep gelijktijdig moeten werken (bedrading van de hulpunit is niet noodzakelijk).
- Sluit bij de bediening van het simultaan werkend systeem met 2 afstandsbedieningen, de bedrading aan op de hoofdunit (bedrading van de hulpunit is niet noodzakelijk).
- Zorg ervoor dat u de bedrading aansluit op de hoofdunit bij combinatie met een simultaan werkend multimodel met groepsbediening.
- Sluit de aardingsdraad niet aan op gas- of waterleidingen, bliksemafleiders of de aardedraad van een telefooninstallatie. Verkeerde aarding kan een elektrische schok tot gevolg hebben.
Lokale instelling
De veldinstelling moet op afstandsbediening worden gedaan in functie van de installatieomstandigheden.
■ Instellingen kunnen worden uitgevoerd door "Modusnr.", "Eerste codenr." en "Tweede codenr." te wijzigen.
■ Zie "Veldinstellingen" in de montagehandleiding van de afstandsbediening voor details over de instelling en werking.
Samenvatting veldinstellingen Instellingen externe statische druk
| Modus-nr. (opmer-king 1) | Eerste code-nr. | Beschrijving van instelling | Tweede codenr. (opmerking 2) | ||||||
| 01 02 03 04 | |||||||||
| 10(20) | 0 | Filtervervuiling - om-stiglicht = instelling om de tijd te definië-ren tussen 2 dis-playaanduidingen voor filterreiniging.(Wanneer de vervu-ling ernstig is, kan de instelling naar de helft van de tijd wor-den gewijzigd tus-sen de 2 displayaanduidin-gen voor filter-reiniging.) | Filter met extra lange levens-duur | Liht | ±10000 uren | Zaar | ±5000 uren | — | — |
| Filter met lange levens-duur | ±2500 uren | ±500 uren | |||||||
| Stan-daard filler | ±200 uren ± | ±200 uren | |||||||
| 2 | Selectie thermostaatsensor | Gebruik zowel de unitsensor(of de externe sensor, indien gemonteerd)ALS de sensor van de afstands-bedlening. (Zie opmerkingen 5+6) | Gebruik alleen de unitsensor(of externe sen-sor, indien gemonteerd).(Zie opmerkin-gen 5+6) | Gebruik alleen de sensor van de afstandsbo-diening.(Zie opmerkin-gen 5+6) | — | ||||
| 3 | Instelling om de tijd weer te geven tussen 2 displayaandui-dingen voor filterreiniging | Scherm Niet weergeven — — | |||||||
| 6 | Thermostaatsensor in de groepsbediening | Gebruik alleen de unitsensor(of externe sensor, indien gemon-teerd). (Zie opmerking 6) | Gebruik zowel de unitsensor(of de externe sen-sor, indien gemonteerd)ALS de sensor van de afstands-bediening. (Zie opmerkingen 4+5+6) | — | — | ||||
| 12(22) | 0 | Uitgangssignaal X1-X2 van de optionele KRP1B printplaatkit | Thermostaat-aan + compres-sor werkt | — Bodinging Storing | |||||
| 1 | AAN/UIT-invoer vanaf buiten (T1/T2-input) = Instelling wan- neer gedwongen AAN/UIT vanaf buiten wordt gebruikt. | Gedwongen UIT | AAN/UIT bediening | — | — | ||||
| 3 | Ventilatorinstelling tijdens Ther-mostaat UIT bij verwarmings-bedrijf | LL | Ingesteide snel-heid | UIT(Zie opmerking 3) | — | ||||
| 4 | Differentiaal automatische omschakeling | 0°C 1°C 2°C | 3°C(Zie opmer-king 7) | ||||||
| 5 | Automatisch opnieuw opstarten na stroomstoring | Uitgeschakeld | Ingeschakeld | — — | |||||
| 9 | Vaste master koelen/ verwarmen | Uitgeschakeld Ingeschakeld | — — | ||||||
| 15(25) | 3 | Werking van afvoerpomp + bevochtigervergrendeling | Uitgerust | Niet uitgerust | — — | ||||
Opmerking 1 : Instelling wordt uitgevoerd in de groepsmodus. Als het modusnummer tussen de haakjes wordt geselecteerd, kunnen binnenunits ook individueel worden ingesteld.
Opmerking 2 : Fabrieksinstellingen van de Tweede codenr. hebben een grijze achtergrond.
Opmerking 3 : Gebruik deze alleen in combinatie met een optionele, externe sensor, of wanneer instelling 10-2-03 wordt gebruikt.
Opmerking 4 : Als de groepsbediening is geselecteerd en de sensor in de afstandsbediening dient te worden gebruikt, stel dan 10-6-02 & 10-2-03 in.
Opmerking 5 : Als instelling 10-6-02 + 10-2-01 of 10-2-02 of 10-2-03 tegelijkertijd worden ingesteld, heeft instelling 10-2-01, 10-2-02 of 10-2-03 voorrang.
Opmerking 6 : Als instelling 10-6-01 + 10-2-01 of 10-2-02 of 10-2-03 tegelijkertijd worden ingesteld, dan heeft de instelling voor de groepsverbinding, 10-6-01, voorrang en voor individuele aansluiting heeft 10-2-01, 10-2-02 of 10-2-03 voorrang.
Opmerking 7 : Meer instellingen voor Differentiaal automatische omschakeling van temperaturen zijn:
| Tweede codenr. | 05 | 4°C |
| 06 | 5°C | |
| 07 | 6°C | |
| 08 | 7°C |
De instelling voor externe statische druk kan op 2 manieren gebeuren:
Met behulp van de automatische luchtstroomaanpassingsfunctie
De automatische luchtstroomaanpassing betreft het volume van uitblaaslucht dat automatisch is aangepast op de nominale hoeveelheid.
1 Zorg dat het proefdraaien gebeurt met een droge spoel.
Als de spoel niet droog is, laat de unit dan 2 uur alleen met de ventilator draaien om de spoel te drogen.
2 Controleer of de voedingsbedrading naar de airconditioner en de installatie van de leiding is voltooid.
Als een sluitdemper op de airconditioner is geïnstalleerd, zorg dan dat deze open staat.
Controleer ook of de luchtfilter goed is bevestigd in de luchtdoorgang aan de luchtaanzuigzijde van de airconditioner.
3 Als er meer dan een luchtinlaat en -uitlaat is, pas de dempers dan zo aan dat het luchtdebiet van elke luchtinlaat en -uitlaat overeenstemt met het nominale luchtdebiet.
Zorg dat de airconditioner in ventilatormodus staat. Druk op knop voor aanpassing van de luchtstroom op de afstandsbediening om het luchtdebiet te veranderen naar H of L.
4 De automatische luchtstroomaanpassing instellen.
Wanneer de airconditioner draait in ventilatormodus, voert u de volgende stappen uit:
- stop de airconditioner,
- ga naar de lokale instellingsmodus,
- selecteer modusnr. 21 (of 11 in geval van groepsinstelling),
- stel het eerste codenr. in op "7",
- stel het tweede codenr. in op "03".
Ga terug naar de normale bedieningsmodus na deze instellingen en druk op de AAN/UIT-knop. Het bedrijfslampje gaat branden en de airconditioner start de ventilatormodus voor automatische luchtstroomaanpassing.

Pas de dempers niet aan terwijl de ventilator in bedrijf is voor automatische luchtstroomaanpassing.
Na 1 tot 8 minuten stopt de airconditioner automatisch wanneer de ventilatormodus voor automatische luchtstroomaanpassing is uitgevoerd en het bedrijfslampje gaat uit.
| Modusnr. | Eerste codenr. | Tweede codenr. | Inhoud van de instellingen |
| 11 (21) 7 | 01 | Luchtstroomaanpassing is UIT | |
| 02 | Voltooiing van luchtstroomaanpassing | ||
| 03 | Start van luchtstroomaanpassing |
5 Wanneer de airconditioner is gestopt, controleer dan op een binnenunit of het tweede codenr. van modusnr. 21 is ingesteld op "02".
Als de airconditioner niet stopt met werken of het tweede codenr. is niet "02", herhaal stap 4.
Als de buitenunit niet is ingeschakeld, geeft het display op de afstandsbediening "UH" of "UH" weer (zie "Proefdraaien" op pagina 12). U kunt deze functie echter blijven instellen omdat deze berichten alleen van toepassing zijn op buitenunits.
Na het instellen van deze functie mag u niet vergeten de buitenunit in te schakelen voordat u de buitenunit laat proefdraaien.
Als er een andere foutmelding op het display van de afstandsbediening verschijnt, raadpleeg dan "Proefdraaien" op pagina 12 en de bedieningshandleiding van de buitenunit. Controleer het defecte punt.

Als de externe statische druk hoger is dan 100 Pa, dan mag de functie automatische luchtstroomaan-passing niet worden gebruikt.
Als er niets verandert na luchtstroomaanpassing in de ventilatiebanen, moet u de instelling van de automatische luchtstroomaanpassing opnieuw uitvoeren.
■ Neem contact op met uw dealer als er niets verandert na het uitvoeren van de luchtstroomaanpassing in de ventilatiebanen, na het proefdraaien van de buitenunit of wanneer de airconditioner naar een andere locatie wordt verplaatst.
Als er boosterventilatoren, een buitenluchtverwerkingsunit of HRV via leiding worden gebruikt, mag de automatische luchtstroomaanpassing niet worden bediend met een afstandsbediening.
Als de ventilatiebanen gewijzigd zijn, voer dan de instelling van de automatische luchtstroomaanpassing opnieuw uit zoals hierboven beschreven vanaf stap 3.
De afstandsbediening gebruiken
Controleer op een binnenunit of de tweede code van modusnr. 21 is ingesteld op "01" (= fabrieksinstelling). Wijzig de tweede code volgens de externe statische druk van de leiding die moet worden aangesloten zoals getoond in tabel 2.
OPMERKING Het tweede codenr. is standaard ingesteld op "01".

Tabel 2
| Modusnr. | 1ecodenr. | 2ecodenr. | Externe statische druk (Pa) | |||||||||
| FXSQ | ||||||||||||
| 15 | 20 | 25 | 32 | 40 | 50 | 63 | 80 | 100 | 125 | |||
| 13(23) | 6 | 01 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 40 | 40 | 50 | |
| 02 | - | - | - | - | - | - | - | - | - | - | ||
| 03 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | --- | |||||
| 04 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | - | |||
| 05 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | |||
| 06 | 60 | 60 | 60 | 60 | 60 | 60 | 60 | 60 | 60 | |||
| 07 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | |||
| 08 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | |||
| 09 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | |||
| 10 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | ||
| 11 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | ||
| 12 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | ||
| 13 | 130 | 130 | 130 | 130 | 130 | 130 | 130 | 130 | 130 | 130 | ||
| 14 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | ||
| 15 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | ||
Besturing met 2 afstandsbedieningen (besturing van 1 binnenunit met 2 afstandsbedieningen)
Bij gebruik van 2 afstandsbedieningen dient één afstandsbediening te worden ingesteld op "HOOFD" en de andere op "HULP".
HOOFD/HULP-OMSCHAKELING
■ Steek een puntige schroevendraaier op 2 plaatsen in de sleuf tussen het onderste en het bovenste deel van de afstandsbediening en haal zo het bovenste deel van de afstandsbediening los. (Zie afbeelding 18)
(De printplaat is in het bovenste gedeelte van de afstandsbediening bevestigd.)
Zet de hoofd-/hulpomschakelaar op de computerprintplaten van één van de afstandsbedieningen op "S". (Zie afbeelding 19) (Laat de schakelaar van de andere afstandsbediening op "M" staan.)
1 Computerprintplaat afstandsbediening
2 Fabrieksinstelling
3 Slechts één afstandsbediening moet worden gewijzigd
Computergestuurde regeling (gedwongen UIT en AAN/UIT-bediening)
1 Bedradingsspecificaties en het aanleggen van de bedrading
- Sluit de ingang van buitenaf aan op aansluitklemmen T1 en T2 van het aansluitbord (afstandsbediening naar transmissiebedrading).
| Bedradingsspecificatie | Ommantelde vinyldraad of kabel (2-draads) |
| Dikte | 0,75–1,25 mm ^2 |
| Lengte | Max. 100 m |
| Externe terminal | Contact dat de minimale toepasselijke belasting van 15 V DC, 10 mA kan garanderen |

2 Besturing
- De volgende tabel toont "Gedwongen uit" en "Aan/uit-werkingen" in reactie op invoer A.
| Gedwongen uit | Aan/uit-werking |
| Invoer "aan" stopt de werking | Invoer uit → aan: schakelt de unit in (onmogelijk met afstandsbedieningen) |
| Invoer "uit" activeert bediening | Invoer aan → uit: schakelt de unit uit (via afstandsbediening) |
3 Het selecteren van Gedwongen uit en Aan/uit-werking
- Zet de stroom aan en selecteer vervolgens de bedrijfsmodus met de afstandsbediening.
- Stel de afstandsbediening in op de veldinstelling-modus. Zie voor bijzonderheden het hoofdstuk "Instellen in het veld" in de handleiding van de afstandsbediening.
- Wanneer u in de veldinstellingsmodus bent, selecteer dan modusnr. 12. Stel vervolgens het eerste codenr. in op "1". Stel daarna het tweede codenr. (positie) in op "01" voor gedwongen uitschakelen en op "02" voor aan/uit-werking. (gedwongen uit bij fabrieksinstelling.) (Zie afbeelding 20)
1 Tweede codenr.
2 Modusnr.
3 Eerste codenr.
4 Lokale instelstand
Gecentraliseerde regeling
Het is voor gecentraliseerde regeling nodig om het groepsnr. toe te wijzen. Zie voor bijzonderheden de handleiding voor elke optionele regelaar voor gecentraliseerde regeling.
Het sierpaneel monteren
Raadpleeg de montagehandleiding op het sierpaneel.
Zorg er na montage van het sierpaneel voor dat er geen ruimte zit tussen het unitlichaam en het sierpaneel.
Proefdraaien
Raadpleeg de montagehandleiding van de buitenunit.
De werkingsindicator op de afstandsbediening knippert, wanneer er een fout optreedt. Controleer de foutcode op het LCD om het probleem op te sporen.
| Storingscode | Betekenis |
| RBStoring | in stroomtoevoer naar binnenunit |
| C1 | Transmissiefout tussen printplaat aansturing ventilator en printplaat bediening binnenunit |
| C6 | Onjuiste combinatie printplaat aansturing ventilator van de binnenunit of instellingsfout in type printplaat bediening |
| U3Testbedrijf van de binnenunit is niet voltooid | |
Als een van de items in de volgende tabel op de afstandsbediening verschijnt, is er mogelijk een probleem met de bedrading of stroomtoevoer. Controleer in dat geval opnieuw de bedrading.
| Storingscode | Betekenis |
| Er is een kortsluiting bij de klemmen voor gedwongen uitschakeling (T1, T2) | |
| U4 of UH | - De stroom op de buitenunit staat uit- De buitenunit werd niet bedraad voor stroomtoevoer- Foutieve transmissiebedrading of bedrading gedwongen uitschakeling |
| geen aanduiding | - De stroom op de binnenunit staat uit- De binnenunit werd niet bedraad voor stroomtoevoer- Foutieve transmissiebedrading, bedrading gedwongen uitschakeling of bedrading van de afstandsbediening |
Onderhoud

Voorzichtig
■ Het onderhoud mag alleen worden uitgevoerd door bevoegd servicepersoneel.
■ Alle voedingscircuits moeten zijn onderbroken voordat u aan de klemmen begint te werken.
- Gebruik geen water of lucht van 50°C of meer om de luchtfilters en buitenpanelen schoon te maken.
■ Vergeet voor het schoonmaken van de warmtewisselaar niet om de schakelkast, ventilatormotor, elektrische back-upverwarming en afvoerpomp te verwijderen. De isolatie van de elektronische componenten kan door water of schoonmaakmiddel worden aangetast, waardoor deze componenten kunnen doorbranden.
Als de hoofdvoeding tijdens de werking wordt uitgeschakeld zal de unit automatisch herstarten nadat de voeding terug is ingeschakeld.
Schoonmaken van het luchtfilter
Reinig de luchtfilter als " (TIJD OM de luchtfilter TE REINIGEN) op het scherm verschijnt.
Reinig de luchtfilter vaker als de unit is gemonteerd in een ruimte waar de lucht sterk vervuild is.
Indien het vuil niet meer gereinigd kan worden, moet het luchtfilter worden vervangen. (Vervangfilters zijn als optie verkrijgbaar).
1 Open het aanzuigrooster. (Alleen voor bodemaanzuiging).
Schuif beide knoppen gelijktijdig zoals weergegeven en trek ze vervolgens naar beneden.

Als er kettingen zijn, haak deze dan los.

2 Verwijder de luchtfilters.
Verwijder de luchtfilters door hun doek omhoog (achteraanzuiging) of naar achter (bodemaanzuiging) te trekken.

text_image
achteraanzuiging bodemaanzuiging3 Maak de luchtfilter schoon.
Gebruik een stofzuiger (A) of was het luchtfilter met water (B).
(A) Reinigen met een stofzuiger
(B) Wassen met water


Gebruik een zachte borstel en een neutraal schoonmaakmiddel als de luchtfilter sterk verontreinigd is. Schud het water af en laat het rooster drogen in de schaduw.
4 De luchtfilter vastmaken.

text_image
achteraanzuiging bodemaanzuigingLijn de twee ophangbeugels uit en duw de twee klemmen op hun plaats (trek aan het doek indien nodig). Controleer of de vier hangers vastzitten.
5 Sluit het luchtinlaatrooster. (Alleen voor bodemaanzuiging).
Zie punt 1.
6 Druk na het inschakelen van de voeding de TERUGSTELTOETS VOOR FILTERREINIGING in. Het display "TIJD OM LUCHTFILTER TE REINIGEN" verdwijnt.
Schoonmaken van de luchtuitblaas en de buitenpanelen
■ Reinig ze met een zachte doek.
Als sommige vlekken moeilijk te verwijderen zijn, gebruik dan water of een neutraal schoonmaakmiddel.
■ Reinig het luchtinlaatrooster wanneer het gesloten is.
OPMERKING

Gebruik geen benzine, benzeen, verdunner, schuurpoeder of vloeibaar insecticide. Deze producten kunnen de onderdelen verkleuren of vervormen.
Zorg ervoor dat de binnenunit niet nat raakt. Zo niet kan dit een elektrische schok of een brand veroorzaken.
Opstarten na een lange periode van inactiviteit
Controleer de volgende punten:
■ Controleer of de luchtinlaat en -uitlaat niet zijn geblokkeerd. Verwijder eventuele belemmeringen.
■ Controleer of de aarde is aangesloten.
Reinig het luchtfilter en de buitenpanelen.
■ Vergeet niet het luchtfilter na het reinigen te bevestigen.
Zet de hoofdschakelaar aan.
■ Het scherm op de afstandsbediening wordt getoond wanneer de stroom wordt aangezet.
■ Ter bescherming van de unit moet de hoofdschakelaar ten minste 6 uur voordat het systeem in gebruik wordt genomen worden aangezet.
Wat te doen als het systeem voor lange tijd stopt
Zet VENTILATOR een halve dag aan en laat de unit drogen.
■ Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van de buitenunit.
Zet de stroom uit.
■ Wanneer de hoofdschakelaar wordt aangezet, wordt er een kleine hoeveelheid elektriciteit gebruikt, ook al is het systeem niet in bedrijf.
■ Het display op de afstandsbediening wordt uitgeschakeld wanneer de hoofdvoedingsschakelaar wordt uitgeschakeld.
Vereisten voor verwijdering
Het ontmantelen van de unit, behandelen van het koelmiddel, olie en andere onderdelen moet gebeuren in overeenstemming met de relevante lokale en nationale wetgeving.
Bedradingsschema

: TER PLAATSE TE VOORZIENE BEDRADING BLK : ZWART PNK : ROZE
00
: CONNECTOR BLU : BLAUW RED : ROOD
□□□
: SCHROEF KLEM BRN : BRUIN WHT : WIT
| WIRED REMOTE CONTROLLER | : | Bedrade afstandsbediening |
| (OPTIONAL ACCESSORY) | : | (Optional accessoire) |
| SWITCH BOX (INDOOR) | : | Schakelkast (binnen) |
| TRANSMISSION WIRING | : | Transmissiebedrading |
| CENTRAL REMOTE CONTROLLER | : | Centrale afstandsbediening |
| INPUT FROM OUTSIDE | : | Invoer van buitenaf |
| COMMON POWER SUPPLY | : | Gemeenschappelijke voeding |
OPMERKING

- GEBRUIK ALLEEN KOPEREN GELEIDERS.
- BIJ GEBRUIK VAN DE CENTRALE AFSTANDSBEDIENING, ZIE HANDLEIDING VOOR AANSLUITING OP DE UNIT.
- WANNEER U DE INVOERDRADEN VAN BUITENAF AANSLUIT, KAN DE WERKING GEDWONGEN "UIT" OF "AAN/UIT"-REGELING-BEDIENING VIA DE AFSTANDSBEDIENING WORDEN GESELECTEERD. ZIE DE MONTAGEHANDLEIDING VOOR MEER INFORMATIE.
- ZIE DE MONTAGEHANDLEIDING.
Metalen klem1 stuk
Afvoerslang1 stuk
Pakkingring voor ophangbeugel8 stuks
Afsluitplaat middelgroot2 stuks
Grote afsluitplaat1 stuk
voor waterleidingen1 stuk[IMAGE]voor gasleidingen1 stuk
Installatie-handleiding en gebruiksaanwijzing
Schroeven voor leidingflenzen1 setje40 stuks.
4 draadbinders