Alpha 2 - Airconditioner Möhlenhoff - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Alpha 2 Möhlenhoff in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over Alpha 2 Möhlenhoff
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Airconditioner in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Alpha 2 - Möhlenhoff en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Alpha 2 van het merk Möhlenhoff.
GEBRUIKSAANWIJZING Alpha 2 Möhlenhoff
1.1 Gebruikte signaalwoorden en waarschuwingsaanwijzingen 63
1.2 Doelgericht gebruik....63
1.3 Algemene veiligheidsaanwijzingen 63
1.4 Persoonlijke voorwaarden 64
1.5 Beperkingen voor de bediening....64
1.6 Conformiteit 64
2 Uitvoeringen....65
2.1 Leveringsomvang 65
2.2 Aanduidingen en bedieningselementen....65
2.3 Aansluitingen 66
2.4 Technische gegevens....67
3 Installatie....68
3.1 Montage....68
3.2 Elektrische aansluiting....68
3.2.1 Extern Change Over-signaal....69
3.2.3 Pomp/ketel 24 V....69
3.2.2 Pomp/ketel 230 V....69
3.2.4 Optionele vochtigheidssensoren 69
3.2.5 Pilot-functie voor Change Over verwarmen/koelen 70
3.2.7 Systeem BUS 70
3.2.6 Aansluiting externe schakelklok....70
3.2.8 Gebruik van een veiligheidstemperatuurbegrenzer....71
3.2.9 Aansluiting Ethernetvarianten....71
4 Inbedrijfstelling....72
4.1 Eerste inbedrijfstelling 72
4.2 Basisstations met elkaar verbinden (Pairing) / van elkaar scheiden 72
4.2 Basisstations met elkaar verbinden (Pairing) / van elkaar scheiden (verv.) .....73
4.3 Kamerbedieningstoestel aan een verwarmingszone toevoegen (pairing)....73
4.4 Radiotest uitvoeren 73
4.5 Systeemconfiguratie....74
4.5.1 Systeemconfiguratie met microSD kaart 74
4.5.2 Configuratie met kamerbedieningstoestel Funk Display ....74
4.6 Werkingsinstellingen opnieuw instellen 76
5 Beveiligingsfuncties en noodbedrijf 77
5.1 Beveiligingsfuncties....77
5.1.1 Pompenbeveiligingsfunctie....77
5.1.2 Ventielbeveiligingsfunctie 77
5.1.3 Vorstbeschermingsfunctie 77
5.1.4 Dauwpuntbewaking....77
5.1.5 Veiligheidstemperatuurbegrenzer 77
5.2 Noodbedrijf....77
6 Probleemverhelping en reiniging 78
6.1 Foutaanduidingen en -verhelping....78
6.2 Zekering vervangen....79
6.3 Reiniging....79
7 Buitenbedrijfstelling 80
7.1 Buitenbedrijfstelling 80
7.2 Afvalverwerking 80
1 Veiligheid
1.1 Gebruikte signaalwoorden en waarschuwingsaanwijzingen
Volgende symbolen tonen u, dat
een handeling dient te gebeuren
√ een voorwaarde vervuld dient te zijn.

Waarschuwing
Levensgevaar door elektrische spanning.
Voor elektrische spanning wordt door het hiernaast staande symbool gewaarschuwd.
Waarschuwingsaanwijzingen zijn afgelijnd door horizontale lijnen.
1.2 Doelgericht gebruik
De basisstations Funk 24 V en 230 V van het type BSF x0xx2-xx dienen voor
√ de opbouw van een ruimteregeling (naregeling) met tot 12 zones (afhankelijk van het gebruikte type) voor verwarmings- en koelsystemen,
√ de aansluiting van tot 18 stelaandrijvingen en 12 kamerbedieningstoestellen (afhankelijk van het gebruikte type, een pomp) een CO-signaalgever, een vochtigheidssensor met potentiaalvrij contact alsook een externe schakelklok.
√ de plaatselijke vaste installatie.
Elk ander gebruik geldt als niet doelgericht, waarvoor de fabrikant geen aansprakelijkheid aanvaardt.
Wijzigingen en ombouw zijn uitdrukkelijk verboden en leiden tot gevaren, waarvoor de fabrikant geen aansprakelijkheid aanvaardt.
1.3 Algemene veiligheidsaanwijzingen

Waarschuwing
Levensgevaar door elektrische spanning
Basisstation staat onder spanning.
Voor het openen steeds van het stroomnet scheiden en beveiligen tegen onvoorzien opnieuw inschakelen.
Aan pomp- en ketelcontact aanwezige externe spanningen uitschakelen en beveiligen tegen per ongeluk opnieuw inschakelen.
Noodgeval
In noodgeval spanningsvrij schakelen.

Bewaar de handleiding en geef ze verder aan de volgende gebruiker.
1.4 Persoonlijke voorwaarden
Gemachtigde vaklui
De elektrische installaties dienen uitgevoerd te worden volgens de huidige VDE voorschriften alsook de voorschriften van uw plaatselijke EVU. Deze handleiding veronderstelt vakkennis, die overeenstemt met het door de overheid erkende afsluiting van een opleiding in één van de volgende beroepen:
√ monteur van elektrische installaties of elektricien
overeenstemmend met de in de Bondsrepubliek Duitsland officieel vermelde beroepsomschrijvingen alsook de vergelijkbare beroepsopleidingen in de Europese Gemeenschap.
1.5 Beperkingen voor de bediening
Dit toestel is niet bestemd om gebruikt te worden door personen (inclusief kinderen) met beperkte fysische, sensorische of geestelijke vaardigheden of gebrekkige ervaring en/of gebrekkige kennis, tenzij hierop wordt toegezien door een voor hun veiligheid verantwoordelijke persoon of na het verkrijgen van aanwijzingen over hoe het toestel te gebruiken.
Op kinderen dient toegezien te worden, om zich ervan te verzekeren, dat zij niet met het toestel spelen.
1.6 Conformiteit
Dit product is gekenmerkt met het EG-kenmerk en stemt hierdoor overeen met vereisten uit de richtlijnen:
√ 2004/108/EG met wijzigingen „Richtlijn van de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake elektromagnetische compatibiliteit“
2006/95/EG met wijzigingen „Richtlijn van de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der lidstaten inzake elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen“
√ „Wet inzake radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur (FTEG) en Richtlijn 1999/5/EG (R&TTE)“
Voor de volledige installatie kunnen verder reikende beschermingsvereisten bestaan, voor het naleven hiervan is de installateur verantwoordelijk.
2 Uitvoeringen
2.1 Leveringsomvang

text_image
1 x (enkel BSF 40x12-xx) 1 x* msg
text_image
1 x 1 x** optioneel
2.2 Aanduidingen en bedieningselementen

text_image
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 FusePumpBoiler SyBUS Pairing Error rmBUS Power Cool MasterNO 1234 12 11| Nr. | Name | LED | Functie |
| 1 Fuse | Rood Licht op bij defect van de zekering | ||
| 2 | syBUS | Geel | Toont activiteit van de syBUS, begint bij schrijven op microSD-card te knipperen |
| 3 | Error | Rood | Licht op: Veiligheidstemperatuurbegrenzer actief |
| 4 | Power | Groen | Licht op: Basisstation is werkensklaar |
| 5 Pump | Groen Licht op: Pompensturing actief | ||
| 6 | Boiler | Groen | Licht op bij actieve ketelaansturing bij gebruik van het boilerrelais voor de ketelsturing. |
| 7 Cool H% Blauw | Licht op: Koelbedrijf actiefKnippert: Condensatie vastgesteld | ||
| 8 Master | Geel Licht op: Basisstation is als Master geconfigureerdKnippert: Basisstation is als Slave geconfigureerd | ||
| 9 NO | Geel Licht op: Installatie is voor NO-aandrijving (stroomloos-open) geparametreerd. | ||
| 10 Verwarmings-zones 1 – x | Groen | Toont overeenkomstige activiteit van de verwarmings-/koelzones | |
| 11 rmBUS toets - | Bedieningstoets voor rmBUS-functionaliteit | ||
| 12 syBUS toets - | Bedieningstoets voor syBUS-functionaliteit | ||
2.3 Aansluitingen

text_image
24 V 230 V T2A L1 L2 L1' L2' TB 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 pump boiler ECO CO H % System BUS HZ 1 HZ 2 HZ 3 HZ 4 1 2 1 2 1 2 1 2 13 14 15 16 17| No. | Aansluiting Functie | |
| 1 | Nettrafo Enkel 24-V-versie: Aansluiting voor systeemtrafo | |
| 2 | Uitgang 24 V | Enkel 24-V-versie: Uitgang voor de voeding van bv. een veilig-heidstemperatuurbegrenzer (externe toelevering) |
| 3/7 | Temperatuurbegrenzer | Aansluiting voor externe toegeleverde temperatuurbegrenzer terbeveiliging van gevoelige oppervlakken (optioneel) |
| 4 | Beschermingsleiders 1 en 2 | Enkel 230-V-versie: Aansluitingen voor de aarding |
| 5 | Stroomnetaansluiting N/L | Enkel 230-V-versie: Aansluiting voor de netstroom |
| 6 | Uitgang 230 V | Enkel 230-V-versie: Optionele voorziening voor directe elektrischevoeding van de pomp |
| 8 | Pomp Aansluiting voor aansturing van de pomp | |
| 9 | Ketel Aansluiting voor aansturing van de ketel resp. uitgang voor CO Pilot-functie | |
| 10 | ECO Potentiaalvrije ingang voor aansluiting van een externe schakelklok | |
| 11 | Change Over Potentiaalvrije ingang (volgens SELV) voor extern Change Over-signaal | |
| 12 | Dauwpuntsensor Potentiaalvrije ingang (volgens SELV) voor dauwpuntsensor | |
| 13 | syBUS Verbindt meerdere basisstations voor onderlinge uitwisseling vanglobale systeemparameters. | |
| 14 | Stelaandrijvingen 6 tot 18 Aansluitingen voor thermische stelaandrijvingen | |
| 15 | RJ45-aansluiting (optioneel) Ethernet-interface naar integratie van het basisstation in het thuis-netwerk | |
| 16 | RJ12-aansluiting Aansluiting voor actieve antenne | |
| 17 | microSD-kaartenslot Maakt het inlezen van firmware-updates en individuele systeemin-stellingen mogelijk. | |
| BSF20102-04 | BSF20202-04 | BSF20102-08 | BSF20202-08 | BSF20102-12 | BSF20202-12 | BSF40112-04 | BSF40212-04 | BSF40112-08 | BSF40212-08 | BSF40112-12 | BSF40212-12 | |
| Ethernet | -x-x-x-x-x-x | |||||||||||
| Aantal verwarmingszones | 48124812 | |||||||||||
| Aantal aandrijvingen | 2x2+2x14x2+4x1 | 6x2+6x12x2+2x1 | 4x2+4x16x2+6x1 | |||||||||
| Max. nominale belasting van alle aandrijvingen | 24 W | |||||||||||
| Schakelverm. per verw. zone | max. 1 A | |||||||||||
| Bedrijfsspanning | 230 V/±15%/50 Hz 24 V/±20%/50 Hz | |||||||||||
| Stroomnetaansluiting | Klemmen NYM-aansluiting 3 x 1,5 mm2 Systeemtrafo met stroomnetstekker | |||||||||||
| Vermogensopn.(zonder pomp) | 50 W 50 W (door systeemtrafo begrensd) | |||||||||||
| Vermogensopn. in vrijloop/met trafo | 1,5 W 2,4 | W 1,5 W | 2,4 W 1,5 | W 2,4 W | 0,3 W/0,6 W | 1,1 W/1,4 W | 0,3 W/0,6 W | 1,1 W/1,4 W | 0,3 W/0,6 W | 1,1 W/1,4 W | ||
| Beschermingsklasse | II | |||||||||||
| Beschermingsgraad/Overspanningscat. | IP20 / III | |||||||||||
| Zekering | 5 x 20 mm, T4AH 5 x 20 mm, T2A | |||||||||||
| Omgevingstemp. | 0°C - 60°C | |||||||||||
| Opslagtemperatuur | -25°C tot +70°C | |||||||||||
| Luchtvochtigheid | 5 - 80% niet condenserend | |||||||||||
| Afmetingen | 225 x 52 x 75 mm 290 x 52 x 75 mm 355x 52 x 75 mm 305 x 52 x 75 mm 370 x 52 x 75 mm 435 x 52 x 75 mm | |||||||||||
| Materiaal | PC+ABS | |||||||||||
| Regelnauwkeurigheid tov wenswaarde: | ±1 K | |||||||||||
| Regelschomme-lingen | ±0,2 K | |||||||||||
| Modulatie FSK | ||||||||||||
| Zendfrequentie | 868 MHz, bidirectioneel | |||||||||||
| Reikwijdte 25 m binnenin gebouwen / 250 m buiten | ||||||||||||
| Zendvermogen | max. 10 mW | |||||||||||
3 Installatie
3.1 Montage

Waarschuwing
Levensgevaar door elektrische spanning
Alle installatiewerkzaamheden dienen uitgevoerd te worden in spanningsvrije toestand.

3.2 Elektrische aansluiting

Waarschuwing
Levensgevaar door elektrische spanning
Alle installatiewerkzaamheden dienen uitgevoerd te worden in spanningsvrije toestand.
De bedrading van een regeling voor naregelingen hangt af van individuele factoren en dient zorgvuldig gepland en gerealiseerd te worden door de installateur. Voor de stekker-/klemaansluitingen zijn volgende doorsneden bruikbaar:
√ massieve leiding: 0,5 - 1,5 mm²
√ flexibele leiding: 1,0 – 1,5 mm²
√ Leidingsuiteinden 8 - 9 mm isolatie strippen
√ Leidingen van de aandrijvingen kunnen met de in de fabriek gemonteerde isolatie kabelschoenen gebruikt worden.
Aanwijzing: Bij de 230 V-variante kan de stroomvoorziening via één van de beide N- en L-klemmenparen gebeuren.

text_image
230 V N L NB pump boiler ECO CO H % 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2
Bij gebruik van een extern Change Over signaal schakelt de volledige installatie overeenkomstig dit signaal om tussen verwarmen en koelen.
3.2.3 Pomp/ketel 24 V

text_image
TZA 24 V L1 L2 L1' L2 TB pump boiler ECO CO H % 1 2 1 2 1 2 1 2 L N Verwar- mingsv.De aansluiting boiler (ketel) maakt de sturing van een verwarmingstoestel mogelijk. Bijkomend kan een pomp direct gestuurd worden.
3.2.2 Pomp/ketel 230 V3.2.1 Extern Chang

text_image
T44H 230 V N L PB pump boiler ECO CO H % Verw.- toestelDe aansluiting boiler (ketel) maakt de sturing van een verwarmingstoestel mogelijk. Bijkomend kan een pomp direct gevoed en gestuurd worden.
3.2.4 Optionele vochtigheidssensoren

text_image
T4AH N L N L TB pump boiler ECO CO H % 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2Vochtigheidssensoren (externe toelevering) dienen als beveiliging tegen dauwvorming in modus koelen.
3.2.5 Pilot-functie voor Change Over verwarmen/koelen

Staat geen extern Change Over-signaal ter beschikking, kan de interne Pilot-functie van het basisstation voor de omschakeling van de volledige installatie tussen de bedrijfsmodi verwarmen en koelen gebruikt worden. Hierbij wordt een door het basisstation voor de omschakeling toegepast relais gebruikt.
3.2.6 Aansluiting externe schakel-klok

text_image
230 V T1AH N L N L TB pump boiler ECO CO H % 1 2 1 2 1 2 1 2 N LHet basisstation beschikt over een ECO-ingang voor de aansluiting van een externe schakelklok, wanneer de interne klok van het kamerbedieningstoestel Funk Display niet dient gebruikt te worden. Bij active-ring van de ingang door de schakelklok worden de verwarmingszones in nachtmodus geschakeld.
3.2.7 Systeem BUS

text_image
pump boiler ECO CO H % System BUS HZ 1 HZ 2 HZ 3 HZ 4 N L N L TB 24V A B GND SYBUS System BUS syBUS 24V A B GND System BUS syBUS 1 7Voor de uitwisseling van de globale systeemparameters kunnen max. zeven basisstations via het systeem BUS (syBUS) met elkaar verbonden worden. Nadat de bekabeling ge- maakt is, dienen de basisstations met elkaar gepaird worden - zie hoofdstuk 4.2. Bij een kabeldiameter <6 mm dient de trekontlasting door de opdrachtgever voorzien te worden.
Aanwijzing! De basisstations kunnen ook draadloos met elkaar verbonden worden, zie hoofdstuk 4.2. Een mengen van beide varianten is mogelijk.
3.2.8 Gebruik van een veiligheidstemperatuurbegrenzer

text_image
T4AH 230 V N L TB pump 1 | 2 boiler 1 | 2 ECO 1 | 2 CO 1 | 2 H % N L 1
Aansluiting van een veiligheidstemperatuurbegrenzer (1), externe toelevering. Deze schakelt de pomp uit en schakelt de ingang TB in, wanneer te hoge voorlooptemperaturen van de vloerverwarming herkend worden. Wordt de TB-ingang ingeschakeld, dan laat het basisstation alle aandrijvingen automatisch dichtlopen.
3.2.9 Aansluiting Ethernetvarianten
De basisstations BSF xx2xx-xx beschikken over een RJ45 interface en een geïntegreerde Webserver voor de sturing en configuratie van het systeem met PC/laptop en via het Internet.
Basisstation met netwerkkabel in het home netwerk integreren of direct met de PC/laptop verbinden.
Instelling in het home netwerk:
Menu van de router (zie handboek van het overeenkomstige toestel) via de adresregel in de Webbrowser (Internet Explorer, Firefox, ...) oproepen.
➢ Overzicht van alle zich in het netwerk bevindende toestellen laten aangeven.
Een aanpassing van het MAC-adres (zie typeplaatje) uitvoeren om het aan het basisstation eigen IP-adres te achterhalen.
IP-adres van het basisstation noteren en in de adresregel van de Webbrowser invoeren om de Webinterface te openen.
Directe aansluiting aan PC/laptop:
Netwerkinstellingen in de PC/laptop oproepen en manueel het IP-adres 192.168.100.1 alsook het subnetmasker 255.255.0.0 toewijzen aan de PC.
➢ Door invoeren van het IP-adres 192.168.100.100 in de adresregel van de webbrowser is ingrijpen op de webinterface mogelijk.
Verdere informatie voor de instelling alsook de wereldwijde toegang tot het Internet vindt u onder www.ezr-home.de.
4 Inbedrijfstelling
4.1 Eerste inbedrijfstelling
In de eerste 30 minuten na het inschakelen van de netspanning bevindt het basisstation zich in de installatiemodus. In deze modus worden de streef- en reële temperaturen vergeleken, alle verdere functies zijn gedesactiveerd. Ligt de reële temperatuur onder de streeftemperatuur, wordt de aan het overeenkomstige kamerbedieningstoestel aangesloten uitgang aan het basisstation aangestuurd. Daardoor gebeurt de signalisatie aan het basisstation zonder vertraging, waardoor de verbinding tussen het kamerbedieningstoestel en de uitgang van het basisstation gecontroleerd kan worden.
Stroomnetspanning inschakelen
√ Het basisstation initialiseert gedurende 30 minuten de installatiemodus.
√ Is het basisstation voor NC-aandrijvingen geparametreerd, worden alle verwarmingszones gedurende 10 minuten aangestuurd, om de First-Open functie van NC-aandrijvingen te ontgrendelen.
√ De LED „Power“ (bedrijfsaanduiding) licht continue op.
4.2 Basisstations met elkaar verbinden (Pairing) / van elkaar scheiden
Bij het gebruik van meerdere basisstations in één verwarmings- systeem kunnen tot zeven toestellen voor de uitwisseling van de globale systeemparameters draadloos of via systeembus (syBUS) met elkaar verbonden (Pairing) worden. Bij de draadloze verbi- ding dient op de draadloze reikwijdte van het basisstation gelet te worden. Zou de draadloze reikwijdte niet voldoende zijn, dient de verbinding met de syBUS te gebeuren. De communicatie gebeurt volgens het Master-/ Slave-principe. Aanvragen en statusmeldin- gen worden tussen de eenheden uitgewisseld. De mastereenheid stuart centraal de direct verbonden functies/componenten:
• CO in-/uitgang (bij geactiveerde Pilot-functie)
- Keteluitgang
- Pompenuitgang
Aanwijzing: Het basisstation, waaraan de componenten aange-

flowchart
graph TD
A["Master"] --> B["Slave"]
B --> C["SyBUS"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
subgraph Layer 1
D["1"] --> E["Slave"]
F["2"] --> G["Slave"]
H["3"] --> I["Slave"]
J["4"] --> K["Slave"]
L["5"] --> M["Slave"]
N["6"] --> O["Slave"]
end
subgraph Layer 2
P["7"] --> Q["Master"]
R["8"] --> Q
S["9"] --> Q
T["10"] --> Q
end
subgraph Layer 3
U["11"] --> V["Slave"]
W["12"] --> X["Slave"]
Y["13"] --> Z["Slave"]
end
sloten zijn, dient als Master geconfigureerd te worden. Verdere basisstations kunnen enkel met de Master gepaird worden.
De pairing van de basisstations wordt als volgt uitgevoerd:
syBUS-toets van het basisstation, dat als Master geconfigureerd dient te worden gedurende 3 sec. indrukken, om de pairing-modus te starten.
√ De LED „syBUS“ knippert.
√ Pairing-modus is gedurende 3 minuten klaar, het pairing-signaal van een ander basisstation te ontvangen.
De syBUS-toets aan het basisstation dat als Slave geconfigureerd dient te worden, tweemaal na elkaar gedurende 1 sec indrukken, om deze met de Master te pairen.
√ Pairing-modus wordt zelfstandig verlaten zodra de handeling afgesloten is.
√ De LED „Master“ licht continue op aan het Master-basisstation.
√ De LED „Master“ knippert wanneer het basisstation als Slave geconfigureerd werd.
Voor het pairen van een extra basisstation de handeling herhalen.
4.2 Basisstations met elkaar verbinden (Pairing) / van elkaar scheiden (verv.)
Het scheiden van gepairde basisstations is als volgt mogelijk
syBUS-toets van het basisstation, waarbij de pairing opgeheven dient te worden, gedurende 3 sec. indrukken, om de pairing-modus te starten.
√ De LED „syBUS“ knippert.
syBUS-toets opnieuw indrukken en gedurende ca. 10 seconden ingedrukt houden.
√ Het basisstation start opnieuw en de LED „Master“ gaat uit.
4.3 Kamerbedieningstoestel aan een verwarmingszone toevoegen (pairing)
rmBUS-toets van het basisstation gedurende 3 sec. indrukken, om de pairing-modus te starten.
√ De LED „Verwarmingszone 1“ knippert.
➢ Door opnieuw, kortstondig indrukken de gewenste verwarmingszone selecteren.
√ Geselecteerde verwarmingszone is gedurende 3 minuten klaar, het pairing-signaal van een kamerbedieningstoestel te ontvangen.
- Pairing-functie aan het kamerbedieningstoestel activeren (zie handboek kamerbedieningstoestel).
√ Pairing-modus wordt verlaten, zodra een succesvolle toevoeging gebeurt.
√ De LED van de voordien geselecteerde verwarmingszone licht gedurende 1 min. op.
Voor de toevoeging van verdere kamerbedieningstoestellen handeling herhalen.
Tip Een kamerbedieningstoestel kan aan meerdere verwarmingszones toegevoegd worden. De toevoeging van meerdere kamerbedieningstoestellen aan één zone is niet mogelijk.
4.4 Radiotest uitvoeren
Met de radiotest kan de communicatie tussen het basisstation en het kamerbedieningstoestel getest worden. De radiotest dient vanaf de geplande montageplaats van het kamerbedieningstoestel uitgevoerd te worden.
√ Het basisstation mag zich niet in de pairing-modus bevinden.
De radiotest aan het kamerbedieningstoestel starten (zie handboek kamerbedieningstoestel).
√ De aan het kamerbedieningstoestel verbonden verwarmingszone wordt gedurende 1 minuut aangestuurd en hierdoor al naargelang de bedrijfstoestand in- of uitgeschakeld.
√ Gebeurt geen aansturing, zijn de ontvangstomstandigheden ongunstig. Ga als volgt te werk:
Wijzig, rekening houdend met de montagebepalingen van het kamerbedieningstoestel, de montagepositie, tot u een ontvangstsignaal krijgt of
gebruik het optionele accessoire „Actieve antenne“ of „Repeater“ voor de versterking van het radiosignaal. Voor de installatie zie het betreffende handboek.
4.5 Systeemconfiguratie
De configuratie van het basisstation gebeurt naar keuze via MicroSD kaart, de software-oppervlakken van de Ethernet-variante of de serviceniveaus van het kamerbedieningstoestel Funk Display.
4.5.1 Systeemconfiguratie met microSD kaart
Via de EZR Manager SD card onder www.ezr-home.de kunnen individuele instellingen gebeuren en per microSD-kaart in het basisstation overgedragen worden. Vanaf de softwareversie 01.70 herkent het basisstation microSD-kaarten >2 GB met de formaten FAT16 of FAT32.
Open www.ezr-home.de via de webbrowser van uw PC, selecteer EZR Manager SD Card en volg de aanwijzingen online.
De microSD-kaart met de geactualiseerde gegevens in het basisstation steken.
De overdrachthandeling start automatisch en kopieert de geactualiseerde gegevens in het basisstation.
Gedurende de overdrachthandeling knippert de LED „syBUS“.
Bij succesvolle gegevensoverdracht gaat de LED „syBUS“ uit.
4.5.2 Configuratie met kamerbedieningstoestel Funk Display
Het serviceniveau van het kamerbedieningstoestel Funk Display is beveiligd door een PIN-code en mag uitsluitend door gemachtigde vaklui gebruikt worden.
Opgelet! Foute configuraties leiden tot fouten en schade aan de installatie.
Draaiknop indrukken.
Menu „Serviceniveau“ selecteren en door indrukken activeren.
4-cijferige PIN (standaard: 1234) door draaien en indrukken invoeren.
Parameters (PAr) door opnieuw indrukken selecteren en nummercode van de gewenste parameter (zie volgende tabel) invoeren.
➢ Parameter volgens behoefte wijzigen en door indrukken bevestigen.
| Nr. | Parameter Beschrijving Eenheid | ||
| 010 | Gebruikte verwarmingssysteem per | verwarmingszone instelbaar: vloerverwarming (FBH)standaard / FBH lage energie / radiator / convector passief / convector actief | FBH st.=0FBH NE=1RAD=2KON pas.=3KON act.=4 |
| 020 | Verwarmings-/koelingsblokkeringen | Blokkeren van de schakeluitgangen afhankelijk van de geactiveerde bedrijfsmodus (verwarmen/koelen) | normaal=0Verwarmen blokkering=1Koelen blokke-ring=2 |
| 030 | Bedieningsblokkering (kinderbeveiliging) | Opheffen van de bedieningsblokkering paswoordbeveiligd uitvoeren | Gedesactiveerd=0Geactiveerd=1 |
4.5.2 Configuratie met kamerbedieningstoestel Funk Display (verv.)
| Nr. | Parameter Beschrijving Eenheid | ||
| 031 | Paswoord bedieningsblokkering PIN | vastleggen, wanneer par. 30 op geactiveerd geplaatst | 0000..9999 |
| 040 | Externe sensor aan het RBG aangesloten | Aanmelden van een bijk. sensor voor het opstelen van de vloertemperatuur (FBH), de kamertemperatuur of het dauwpunt | Geen sensor=0Dauwpuntsen.=1Temp FBH=2Temp kamer=3 |
| 060 | Correctie reële waardemeting Opstei | len van de reële temperatuur met een correc-tiefactor voorzien | -2,0...+2,0 Kin 0,1-stappen |
| 110 | Werkrichting schakeluitgang Omschakeling | NC en NO aandrijvingen (enkel globaal) | NC=0 / NO=1 |
| 115 | Gebruik verlaging ingang Omschakeling | tussen gebruik van ECO-ingang voor verlaging of de vakantiefunctie van het KBT.Via het kamerbedieningstoestel kan de vakantie-functie niet meer geactiveerd worden, wanneer deze parameter op 1 geplaatst werd. | ECO=0Vakantie=1 |
| 120 | Eenheid temperatuuraanduiding Omstelling van de aanduiding tussen graden Celsius en graden Fahrenheit | °C=0°F=1 | |
| Configuratie pomp | |||
| 130 | Pompenuitgang | Sturing van een lokale (op verdeler) of globale (verwar-mingsinstallatie) circulatiepomp gebruiken. | lokaal=0globaal=1 |
| 131 | Pompensoort Selectie van de gebruikte pomp: | Conventionele Pomp (KP)/ Hoogefficiënte-Pomp (HP) | K=0HP=1 |
| 132 | Voorlooptijd van de pomp Tijdsduur die verloopt vanaf het tijdstip van een aanvraag van één van de schakeluitgangen tot het inschakelen van de pomp. | [min] | |
| 133 | Nalooptijd van de pomp Tijdsduur de verloopt vanaf het tijdstip van het uitschakelen van de schakeluitgangen tot het uitscha-kelen van de pomp. | [min] | |
| 134 | Werkrichting schakeluitgang Bij gebruik van het pompenrelais als stuuruitgang kan de werkrichting omgekeerd worden | normaal=0omgekeerd=1 | |
| 135 | Minimum looptijd De minimum looptijd geeft aan hoe lang de HP dient te lopen tot zij weer uitgeschakeld mag worden | [min] | |
| 136 | Minimum stilstandtijd Hoogefficiënte pomp: De pomp mag enkel afge-schakeld worden wanneer een minimum stilstandtijd gewaarborgd kan worden. | [min] | |
| Configuratie Change Over functionaliteit / ketelrelais | |||
| 140 | Functie relais ketel / CO-uitgang Selectie of de schakeluitgang voor de aansturing van een pompenrelais of als CO-pilot moet dienen | Boiler=0CO-pilot=1 | |
| 141 | Voorlooptijd Voorlooptijd ketelrelais bij conv. pomp [min] | ||
| 142 | Nalooptijd Nalooptijd ketelrelais bij conv. pomp [min] | ||
| 143 | Werkrichting schakeluitgang Bij gebruik als stuuruitgang kan de relaisfunctie omgekeerd worden. | normaal=0omgekeerd=1 | |
4.5.2 Configuratie met kamerbedieningstoestel Funk Display (verv.)
| Nr. | Parameter Beschrijving Eenheid | ||
| 160 | Vorstbeschermingsfunctie Aansturing van de schakeluitgangen bij T_ist < x^ Gedesactiveerd=0Geactiveerd=1 | ||
| 161 | Vorstbeschermingstemperatuur Grenswaarde voor de vorstbeschermingsfunctie [°C] | ||
| 170 | Smart start Aanleren van het temperatuurverloop van de afzonderlijke verwarmingszones | Gedesactiveerd=0Geactiveerd=1 | |
| Noodbedrijf | |||
| 180 | Duur tot activering Duur tot activering van de noodbedrijfroutine [min] | ||
| 181 | PDM cyclusduur in noodbedrijf | Duur van een PDM-cyclus in noodbedrijf | [min] |
| 182 | Cyclusduur PDM verwarmen | Aansturingsduur in verwarmingsbedrijf | [%] |
| 183 | Cyclusduur PDM koelen | Aansturingsduur in koelingsbedrijf | [%] |
| Ventielbeveiligingsfunctie | |||
| 190 | Duur tot activering Starttijd na de laatste aansturing [d] | ||
| 191 | Duur ventielaansturing | Ventielaansturingsduur (0= functie gedesactiveerd) | [min] |
| Pompbeveiligingsfunctie | |||
| 200 | Duur tot activering Starttijd na de laatste aansturing [d] | ||
| 201 | Aansturingsduur | Aansturingsduur (0= functie gedesactiveerd) | [min] |
| 210 | First-Open-functie (FO) | Aansturing alle schakeluitgangen bij inschakelen van de voedingsspanning | [min]Uit=0 |
| 220 | Automatische zomer-/wintertijdomstelling | Bij geactiveerde omschakeling gebeurt de tijdsaan-passing automatisch volgens MEZ-richtlijnen | Gedesactiveerd=0Geactiveerd=1 |
| 230 | Verlaging verschiltemperatuur | Bij activering van de verlaging via de externe ingang [K] | |
4.6 Werkingsinstellingen opnieuw instellen
Opgelet! Alle gebruikersinstellingen gaan verloren.
Indien voorhanden, de microSD-kaart uit het basisstation nemen en het parameterbestand „params_usr.bin“ aan de PC wissen.
rmBUS-toets van het basisstation Funk gedurende 3 sec. ingedrukt houden, om de pairing-modus te starten.
√ De LED „Verwarmingszone 1“ knippert.
rmBUS-toets opnieuw indrukken en gedurende 10 seconden ingedrukt houden.
√ Alle verwarmingszone-LED's knipperen gelijktijdig, beginnen na nogmaals 5 seconden ingedrukt te houden, gelijktijdig op te lichten en gaan vervolgens uit.
√ Het basisstation is op werkingsinstelling teruggezet en gedraagt zich zoals bij de eerste inbedrijfstelling (zie hoofdstuk 4).
Aanwijzing: Voordien aangesloten kamerbedieningstoestellen dienen opnieuw gepaird te worden, zie hoofdstuk 4.3.
5 Beveiligingsfuncties en noodbedrijf
5.1 Beveiligingsfuncties
Het basisstation beschikt over talrijke beveiligingsmaatregelen ter vermijding van schade aan het totale systeem.
5.1.1 Pompenbeveiligingsfunctie
Ter vermijding van schade door langere stilstand wordt de pomp binnen voorgefinieerde tijdsruimten aangestuurd. Gedurende deze tijdsruimten licht de LED „Pomp“ op.
5.1.2 Ventielbeveiligingsfunctie
In tijdsruimten zonder ventielaansturing (bijvoorbeeld buiten de verwarmingsperiode), worden alle verwarmingszones met aangemeld kamerbedieningstoestel cyclisch aange-stuurd, om het vastzetten van het ventiel te verhinderen.
5.1.3 Vorstbeschermingsfunctie
Onafhankelijk van de bedrijfsmodus, beschikt elke schakeluitgang over een vorstbeveiligingsfunctie. Zodra een voordien ingestelde vorstbeveiligingstemperatuur (5...10 °C) onderschreden wordt, worden de ventielen van de aangesloten verwarmingszone zolang aangestuurd, tot deze bereikt wordt. De vorstbeveiligingstemperatuur is via microSD-kaart, de softwareoppervakke van de Ethernet-variante of de serviceniveaus van het KBT display (parameter 161) instelbaar.
5.1.4 Dauwpuntbewaking
Is de installatie met een dauwpuntsensor (externe toelevering) uitgerust, gaan bij vaststelling van dauwvorming de ventielen van alle verwarmingszones dicht, om schade door vochtigheid te vermijden. De analyse van de ingang van de dauwpuntsensor gebeurt enkel in koelingsbedrijf.
5.1.5 Veiligheidstemperatuurbegrenzer
Bij gebruik van een optionele veiligheidstemperatuurbegrenzer, gaan bij het overschrijden van een kritische temperatuur alle ventielen dicht, om schade aan gevoelige vloerbedekkingen te vermijden.
5.2 Noodbedrijf
Kan het basisstation na afloop van een vooraf ingestelde tijdspanne geen verbinding maken met het aan de verwarmingszone toegevoegde kamerbedieningstoestel, wordt automatisch het noodbedrijf geactiveerd. In het noodbedrijf worden de schakeluitgangen aan de basisstation onafhankelijk van het verwarmingssysteem met een gewijzigde PDM-cyclusduur (parameter 181) aangestuurd om het koelen van de ruimten (in modus verwarmen) resp. een condensatie (in modus koelen) te vermijden.
6 Probleemverhelping en reiniging
6.1 Foutaanduidingen en -verhelping

text_image
SyBUS Error mBUS FusePumpBoiler Pairing Power Cool H% MasterNO 1234| Signalisatie van de LED's Betekenis Verhelping | ||
FuseDuur in sec.Fuse ![]() | Zekering defect | ➢ Zekering vervangen (zie hoofdstuk 6.2) |
Error / PumpDuur in sec.01234Pump Error ![]() | Veiligheidstemperatuurbegrenzer actief, ventielen gaan dicht | √ Normaal regelbedrijf wordt automatisch na het onder-schrijden van de kritische temperatuur geactiveerd |
„Cool H%” (elkel koelmodus)Duur in sec.Cool ![]() | Dauwvorming vast-gesteld, ventielen gaan dicht | √ Normaal regelbedrijf wordt automatisch geactiveerd, wanneer geen dauwvorming meer vastgesteld wordt. |
VerwarmingszoneDuur in sec.01234VZ uit ![]() | Draadloze verbin-ding naar kamer-bedieningstoestel gestoord | ➢ Positie van het kamerbedie ningstoestel wijzigen, resp. repeater of actieve antenne plaatsen. |
VerwarmingszoneDuur in sec.01234VZ uit ![]() | Lage accucapaciteit aan het kamerbedie-ningstoestel | ➢ Accu’s aan het kamerbedie ningstoestel vervangen |
VerwarmingszoneDuur in sec.VZ ![]() | Noodbedrijf actief | ➢ Accu’s aan het kamerbedie ningstoestel vervangen➢ Radiotest uitvoeren.➢ Kamerbedieningstoestel, indien nodig, opnieuw posi-tioneren.➢ Defect kamerbedieningsto- stel vervangen. |

LED aan
LED uit
6.2 Zekering vervangen
Waarschuwing
Levensgevaar door elektrische spanning Basisstation staat onder spanning.
Voor het openen van het basisstation steeds van het stroomnet scheiden en beveiligen tegen toevallig opnieuw inschakelen.

Voor het reinigen enkel een droog, oplosmiddelvrij, zacht doek gebruiken.
7 Buitenbedrijfstelling
7.1 Buitenbedrijfstelling

Waarschuwing
Levensgevaar door elektrische spanning
Basisstation staat onder spanning.
Voor het openen van het basisstation steeds van het stroomnet scheiden en beveiligen tegen toevallig opnieuw inschakelen.
Aan pomp- en ketelcontact aanwezige externe spanningen uitschakelen en beveiligen tegen per ongeluk opnieuw inschakelen.
Stroomnetstekker uittrekken en volledige installatie spanningsvrij schakelen.
Bekabeling naar alle extern verbonden componenten zoals pomp, ketel en aandrijvingen losmaken.
Toestel demonteren en reglementair als afval verwerken.
7.2 Afvalverwerking

De basisstations mogen niet met het huisvuil als afval worden verwerkt. De exploitant is ertoe verplicht, de toestellen af te geven op overeenkomstige terugnameplaatsen. De gescheiden inzameling en reglementaire afvalverwerking van de materialen draagt bij tot het behoud van de natuurlijke bronnen en garandeert een opnieuw gebruiken ervan, wat de gezondheid van de mens beschermt en het milieu ontziet. Informatie, hoe u terugnameplaatsen voor uw toestellen kan vinden, kan u krijgen bij uw gemeentelijke overheid of bij de plaatseijke afvalverwerkingsbedrijven.
Made in Germany


Dit handboek is auteursrechterlijk beschermd. Alle rechten voorbehouden. Het mag noch volledig noch gedeeltelijk gekopieerd, gereproduceerd, in ingekorte of eender welke vorm verdergegeven worden zonder voorafgaandelijk akkoord van de fabrikant, noch op mechanische noch op elektronische wijze. © 2014
BSF 20x02-xx - 230 V
BSF 40x12-xx - 24 V






