PI1706 - Sensor IFM - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis PI1706 IFM in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over PI1706 IFM
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Sensor in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding PI1706 - IFM en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. PI1706 van het merk IFM.
GEBRUIKSAANWIJZING PI1706 IFM
Gebruiksaanwijzing Elektronische druksensor
PI17xx
Inhoudsopgave
1 Inleiding 4
1.1 Gebruikte symbolen 4
1.2 Waarschuwingen 4
2 Veiligheidsaanwijzingen 5
2.1 Cybersecurity 6
3 Gebruik volgens de voorschriften 7
3.1 Toepassing 7
4 Functie 8
4.1 IO-Link 8
4.2 IO-Link-eigenschappen van de sensor 9
4.2.1 Beschrijving IO-Link-interface 9
4.2.2 Interne apparaattemperatuur.... 9
4.2.3 Teller registratie overdrukmomenten.... 9
4.2.4 Optische lokalisatie 9
4.2.5 Event-logging 9
4.2.6 Bedrijfsurenteller 9
4.2.7 Teller voor schakelcycli.... 10
4.3 Analyse van de meetcel 10
4.4 Gedefinieerde toestand bij een storing 10
4.5 Nulpuntgedrag bij de apparaatweergave en de uitgangen 11
4.6 Bedrijfsmodi 11
4.6.1 2-draadsaansluiting.... 12
4.6.2 3-draadsaansluiting....12
4.7 Schakelfunctie (alleen in 3-draads-bedrijf) 12
4.8 Analoge uitgang 12
4.9 Kalibratie door de klant 13
5 Montage Aseptoflex-Vario 15
5.1 Toepasbaar in hygiënische omgeving volgens 3-A 16
5.2 Toepassing in het hygiënische bereik volgens EHEDG.... 16
5.3 Ontluchtingsmembraan.... 17
5.3.1 Functie ontluchtingsmembraan 17
5.3.2 ▶ Uitlijning filterafdekking 17
5.3.3 Filterafdekking vervangen.... 17
6 Elektrische aansluiting 19
7 Bedienings- en weergave-elementen 20
8 Menu....21
8.1 Menustructuur: Hoofdmenu.... 21
8.2 Toelichting bij het hoofdmenu 21
8.3 Menustructuur: Niveau 2 (uitgebreide functies) 22
8.4 Toelichting bij het menuniveau 2.... 22
8.5 Menustructuur: Niveau 3 (simulatie) 23
8.6 Toelichting bij het menuniveau 3....23
9 Parametrering 24
9.1 Parametrering algemeen.... 24
9.2 Parametrering via IO-Link 28
9.3 Indicatie configureren (optioneel) 28
9.4 Uitgangssignalen vastleggen 29
9.4.1 Uitgangsfunctie vastleggen 29
9.4.2 Schakelgrenzen vastleggen 29
9.4.3 Schakelgrenzen vastleggen bij vensterfunctie.... 29
9.4.4 Analoge waarde voor OUT2 schalen.... 29
9.5 Gebruikersinstellingen (optioneel).... 30
9.5.1 Nulpuntkalibratie en aanpassing eindwaarde meetbereik 30
9.5.2 Onjuist gedrag van de uitgangen vastleggen 30
9.5.3 Vertragingstijd voor de schakeluitgangen vastleggen 30
9.5.4 Schakellogica voor de schakeluitgangen vastleggen.... 30
9.5.5 Demping voor het schakelsignaal vastleggen 30
9.5.6 Demping voor het analoge signaal vastleggen 31
9.6 Servicefuncties 31
9.6.1 Aflezen van de min-/max-waarden voor systeemdruk 31
9.6.2 Sensor/parameter resetten 31
9.7 Simulatiefunctie.... 32
9.7.1 Menuniveau 3 (simulatie) openen 32
9.8 Simulatie.... 32
9.8.1 Simulatiewaarde instellen 32
9.8.2 Simulatiewaarde instellen 32
9.8.3 Simulatie in-/uitschakelen 32
9.8.4 Aflezen van de overbelastingsmomenten 32
10 Bedrijf 34
10.1 Instelling van de parameters aflezen.... 34
10.2 Overschakelen van de weergave naar de Run-modus 34
11 Storing verhelpen 35
11.1 Storing verhelpen 35
12 Afvoer, reparatie en retourzending 36
13 Fabrieksinstelling 37
1 Inleiding
Handleiding, technische gegevens, certificeringen en overige informatie via de QR-code op het apparaat/op de verpakking of op documentation.ifm.com.
1.1 Gebruikte symbolen
√ Voorwaarde
▶ Instructie voor het uitvoeren van een handeling
▷ Reactie, resultaat
[...] Aanduiding van toetsen, knoppen of indicaties
→ Verwijzing

Belangrijke aanwijzing
Bij niet-naleving van de voorschriften kunnen storingen ontstaan

Informatie
Aanvullende aanwijzing
1.2 Waarschuwingen
Waarschuwingen waarschuwen voor mogelijk persoonlijk letsel en materiële schade. Daardoor is het mogelijk veilig met het product om te gaan. Waarschuwingen worden als volgt beoordeeld:

WAARSCHUWING
Waarschuwing voor ernstig lichamelijk letsel
▷ Dodelijk en zwaar letsel is mogelijk als de waarschuwing wordt genegeerd.

VOORZICHTIG
Waarschuwing voor licht en middelzwaar persoonlijk letsel
▷ Licht tot middelzwaar letsel is mogelijk als de waarschuwing wordt genegeerd.
ATTENTIE
Waarschuwing voor materiële schade
▷ Materiële schade is mogelijk als de waarschuwing wordt genegeerd.
2 Veiligheidsaanwijzingen
- Het beschreven apparaat wordt als deelcomponent in een systeem ingebouwd.
- De veiligheid van het systeem is de verantwoordelijkheid van de bouwer.
-
De systeembouwer is verplicht een risicobeoordeling uit te voeren en van daaruit documentatie op te stellen en mee te leveren volgens de wettelijke gestandaardiseerde eisen voor de exploitant en de gebruiker van het systeem. Deze moet alle noodzakelijke informatie en veiligheidsaanwijzingen bevatten voor de exploitant, gebruiker en eventueel het door de systeembouwer geautoriseerde servicepersoneel.
-
Dit document voor inbedrijfstelling van het product lezen en tijdens de gebruiksduur opbergen.
- Het product moet onbeperkt geschikt zijn voor de betreffende applicaties en omgevingscondities.
- Het product alleen volgens de voorschriften gebruiken (→ Gebruik volgens de voorschriften).
- Het product alleen voor de goedgekeurde media gebruiken (→ Technische gegevens).
- Het niet naleven van de gebruiksaanwijzingen of de technische gegevens kan tot materiële schade en/of persoonlijke ongevallen leiden.
- Voor gevolgen door wijzigingen in het product of verkeerd gebruik door de exploitant is de fabrikant niet aansprakelijk en biedt hij geen garantie.
- De montage, elektrische aansluiting, inbedrijfstelling, bediening en onderhoud van het product mogen alleen door opgeleid vakkundig personeel worden uitgevoerd dat door de exploitant is geautoriseerd.
- Apparaten en kabels op een doeltreffende manier tegen beschadiging beschermen.
- Bewaar het apparaat op in de originele verpakking.

VOORZICHTIG
Bij hoge mediatemperaturen kunnen delen van het apparaat heet worden.
▷ Risico op brandwonden
▶ Raak het apparaat niet aan.
▶ Behuizing afschermen om niet in contact te komen met ontvlambare stoffen en tegen onopzettelijk aanraken.
ATTENTIE
Stoomapplicaties
▷ Gevaar op mechanische beschadiging van de sensor of het leidingwerk door stoomslag.
▶ Bescherm de sensor tegen overmatige blootstelling aan cavitatie en stoomstoten.
▶ Ontwerp het leidingwerk volgens de laatste stand van de techniek.
▶ Installeer de sensor niet in de directe omgeving van kleppen, bochten en dergelijke in leidingen om onnodige stoomstoompieken tegen te gaan.
▶ Verwarm de installatie voor voordat de stoom binnendringt en verwijder vloeistofresten uit de leiding, door bijvoorbeeld deze uit te blazen of andere geschikte maatregelen te nemen.
▷ De toegestane temperaturen van de sensor mogen daarbij niet worden overschreden → datablad.
2.1 Cybersecurity
Installatie
Het apparaat is geschikt voor gebruik in een veilige omgeving conform IEC 62443-1-1.
Het apparaat is ontworpen voor gebruik achter een firewall.
▶ Voer een risicobeoordeling van de installatie uit conform IEC 62443-1-1.
▶ Neem maatregelen om de fysieke veiligheid te waarborgen
Bedrijf
▶ Neem de beveiligingsfuncties in acht die in de documentatie van het apparaat staat vermeld en neem de aanbevelingen voor het gebruik in acht.
Onderhoud
▶ Beveilig de systeemconfiguratie en systeemgegevens conform de change-management-processen van de onderneming.
Ontmantelen
▶ Zorg ervoor dat er geen gevoelige informatie in onbevoegde handen valt.
▶ Voordat u het apparaat buiten gebruik stelt, moet u altijd de systeeminstellingen terugzetten naar de fabrieksinstellingen.
3 Gebruik volgens de voorschriften
Het apparaat meet en bewaakt de systeemdruk, resp. het hydrostatische niveau en de temperatuur in installaties.
3.1 Toepassing
Druktype: relatieve druk

Gegevens over drukvastheid en barstdruk → Datablad

Statische en dynamische overdrukken die de opgegeven drukvastheid overschrijden, moet door geschikte maatregelen worden tegengegaan. De opgegeven barstdruk mag niet worden overschreden. Al bij een kortstondige overschrijding van de barstdruk kan het apparaat worden beschadigd. ATTENTIE: verwondingsgevaar!

Niet geschikt voor gebruik in systemen die moeten voldoen aan de criteria voor punt E9.2 / 63-04 van de norm 3-A.

Het apparaat is bestand tegen vacuum. Let op de informatie in het datablad!
4 Functie
Meetcel:
- De systeemdruk wordt door een keramisch capacitief meetmembraan gemeten.
- De afdichting van de keramische meetcel is vrij van elastomeren en zodoende onderhoudsvrij.
- De mediumtemperatuur wordt aan de achterzijde van de keramische meetcel gemeten: Berekeningsformule voor de nauwkeurigheid → Datablad
Signaaloverdracht:
- Het apparaat kan in de SIO-modus (Standard Input Output) en in de IO-Link-modus worden gebruikt. De basisbedrijfsmodus is SIO. Bij aansluiting op een IO-Link-master schakelt het apparaat automatisch over naar de IO-Link-modus. Een handmatig omschakelen is daarom niet noodzakelijk.
SIO-modus:
- Analoog signaal drukmeetwaarde 4-20 mA (pin 2).
• Schakelinformatie (pin 4).
IO-Link-modus:
- Drukmeetwaarde
• Temperatuurmeetwaarde
• Over- en onderschrijding van de grenzen van het meetbereik - Apparaatstatus
• Schakelinformatie
• Parameterinstelling
• Apparaatdiagnose (events)
4.1 IO-Link
IO-Link is een communicatieinterface voor het aansluiten van intelligente sensoren en actuatoren op automatiseringssystemen. IO-Link is gestandaardiseerd in de norm IEC 61131-9.

Algemene informatie over IO-Link op io-link.ifm

Input Output Device Description (IODD) met alle parameters, procesgegevens en gedetailleerde beschrijvingen van het apparaat op documentation.ifm.com
IO-Link biedt de volgende voordelen:
- Storingsvrije overdracht van alle gegevens en proceswaarden
- Parametrering tijdens het lopende proces of vooraf ingesteld buiten de applicatie
- Parameters voor de identificatie van de aangesloten apparaten in de installatie
• Aanvullende parameters en diagnosefuncties - Automatische back-up en herstel van parametersets als een apparaat wordt vervangen (gegevensopslag)
• Vastleggen van parametersets, proceswaarden en gebeurtenissen (events) - Bestand met apparaatbeschrijving (IODD - Input Output Device Description) voor eenvoudige projectplanning
• Gestandaardiseerde elektrische aansluiting
• Onderhoud op afstand
4.2 IO-Link-eigenschappen van de sensor
4.2.1 Beschrijving IO-Link-interface
Een beschrijving van de IO-Link-interface vindt u op www.io-link.ifm
De sensor stelt de interne apparaattemperatuur als uitleesbare parameter beschikbaar voor diagnosedoeleinden.
4.2.2 Interne apparaattemperatuur
De interne apparaattemperatuur van de sensor kan via het IO-Link-kanaal worden uitgelezen. Meetbereik: -25...155 °C (-13...311 °F), resolutie 1 °C (1,8 °F), nauwkeurigheid +/- 5 °C (9 °F). Gegevens over het meetbereik en de nauwkeurigheid → Datablad.
4.2.3 Teller registratie overdrukmomenten
Het apparaat beschikt over een teller voor registratie van de overdrukmomenten. De waarde waarboven een druk als overdruk wordt beschouwd, kan worden ingesteld.
• HPIC = teller registratie overdrukmomenten
HIPC telt hoe vaak de drempel HIPS werd overschreden.
De overschrijding moet min. 0,5 ms duren.
• HIPS = drempel overdruk.
De [HIPC] kan worden gereset met het reset-commando [Reset_HIPC] en met de [Back-to-Box]. Zie: Sensor/parameter resetten (→ 31)

Bij een onderbreking van de voedingsspanning kunnen maximaal de momenten van de afgelopen 10 minuten verloren gaan, omdat deze in de achtergrond worden opgeteld en nog niet vast in het geheugen zijn overgezet.
4.2.4 Optische lokalisatie
De sensor kan via de commando's [Knipperen_aan]/[Knipperen_uit] in de installatie worden gelokaliseerd. Bij gebruik van het commando knipperen de LED's van de schakeltoestand en het apparaatdisplay toont [IO-L].
4.2.5 Event-logging
Met IO-Link beschikt de sensor over twee logging-mechanismen:
• Event History (parameter [Event_History])
• Event Counter (parameter [Event_Counter])
In de Event History worden de laatste 20 opgetreden events vastgelegd. Zolang er geen event is opgetreden, verschijnt in deze lijst de waarde [NoEvent] of [0].
Aan de hand van de Event Counters (begrensd tot 2 32 gebeurtenissen) kan worden uitgelezen hoe vaak een specifiek event bij de sensor is opgetreden.
De Event Counter en de Event History kunnen worden gereset met behulp van de IO-Link-opdrachten [RESET_EVENT_HISTROY], [RESET_EVENT_COUTER] en [Back-to-Box].
Zie: Sensor/parameter resetten ( → ☐ 31)
4.2.6 Bedrijfsurenteller
In de parameter [operating_hours] worden de uren geteld waarin de sensor actief was (kan niet worden gereset).
4.2.7 Teller voor schakelcycli
De sensor telt de schakelcycli bij uitgang 1 en uitgang 2 in de parameter [OUT_Counter] en slaat deze waarden elke volle 60 minuten op.
Deze parameter kan worden gereset met [Reset_to_zero] of met [Back to Box].
Zie: Sensor/parameter resetten (→ 31)
4.3 Analyse van de meetcel
De keramisch-capacitieve meetcel is een betrouwbaar en overbelastbaar meetsysteem waarbij geen afvulvloeistof nodig is.
Het apparaat bewaakt voortdurend de status ervan en die van de meetcel.
Ontstaat er toch een beschadiging aan de meetcel, gaat de analoge uitgang naar een gedefinieerde toestand, instelbaar via [FOU2], bovendien wordt dit gemeld via het display op het apparaat en de IO-Link-interface.
Afhankelijk van de beschadiging en het medium zal de sensor verschillende meldingen versturen:
- Bij geleidbare media als water verstuurt de sensor [CELL Err] of een andere foutmelding.
- In niet-geleidende media zoals lucht of olie verstuurt de sensor [CELL Err].
Medium dat zeer snel binnendringt, kan bovendien tot uitval van de elektronica leiden en zodoende een diagnose voorkomen.
De functionaliteit van de meetceldiagnose [CELL Err] is vanuit de fabriek uitgeschakeld.

Afb. 1: Voorbeeld apparaatstatus

De parameter [cELd] kan alleen via de IO-Link-communicatie worden geselecteerd en is beschikbaar vanaf de apparaatstatus AB.
▶ De apparaatstatus staat vermeld in de opdruk op het apparaat. De positie van het label varieert afhankelijk van het apparaat.
Signalering op de sensor:
• [Cell] en [Err] worden afwisselend in het display weergegeven.
Uitgang naar de besturing:
- Het event [0x8CDF] wordt verzonden. IO-Link (→ 8)

IO-Link-masters onderbreken de communicatie met het apparaat na een defect aan het apparaat.
▶ Van event-meldingen moet daarom een back-up worden gemaakt.
4.4 Gedefinieerde toestand bij een storing
Wordt een apparaatfout gedetecteerd, gaat de analoge uitgang naar een gedefinieerde toestand.

Bij foutsignalering (On = 21,5 mA, Off = 3,5 mA)
▶ Parameters via IO-Link uitlezen of contact opnemen met de fabrikant.
4.5 Nulpuntgedrag bij de apparaatweergave en de uitgangen

Vanwege de toegestane apparaattoleranties en temperatuurveranderingen kan de sensor in drukloze toestand van de installatie een afwijking van het nulpunt weergeven. Om dat tegen te gaan, is het apparaat uitgerust met functies die het meetsignaal stabieler houden op de proceswaarde 0.
Nulpuntgedrag apparaatweergave en schakeluitgang:

Afb. 2: Apparaatweergave en schakeluitgang
1: Proceswaarde
2: Uitgangssignaal sensor met hysterese (groen)
3: Ideaal meetsignaal (rood)
4: Installatiedruk
5: Nulpuntstabilisatie → datablad
De eerste proceswaarde die op het display van het apparaat wordt getoond en via de schakeluitgang kan worden verwerkt, is bepaald door de nulpuntstabilisatie.
Binnen de nulpuntstabilisatie kan de schakeluitgang niet worden geparametreerd.

De nulpuntstabilisatie wordt weergegeven in % van het bereik → datablad.
Nulpuntgedrag analoge uitgang en IO-Link-communicatie:

Afb. 3: Analoge uitgang en IO-Link-communicatie
1: Proceswaarde
2: Uitgangssignaal sensor (groen)
3: Ideaal meetsignaal (rood)
4: Installatiedruk
5: Nulpuntstabilisatie → datablad
6: 0,5 x nulpuntstabilisatie → datablad
De eerste proceswaarde die via de analoge uitgang en de IO-Link-communicatie kan worden verwerkt, wordt vastgelegd door de helft van de nulpuntstabilisatie (6).
In het verdere gedeelte van de nulpuntstabilisatie (5) verloopt het uitgangssignaal van de sensor onder een grotere hellingshoek.

De nulpuntstabilisatie wordt aangegeven als een % van het bereik → datablad.
4.6 Bedrijfsmodi
De bedrijfsmodus wordt bepaald door de bekabeling (→ Elektrische aansluiting) en automatisch herkend door het apparaat.
4.6.1 2-draadsaansluiting
| OUT2 (pen 2) | Drukproportioneel analoog signaal 4...20 mA of 20...4 mA. |
4.6.2 3-draadsaansluiting
| OUT1 (pen 4) | 2 mogelijkheden (automatische omzetting)Schakelsignaal voor drukgrenswaarde Communicatie via IO-Link |
| OUT2 (pen 2) | 3 mogelijkheden (handmatige omzetting in het menu)Schakelsignaal voor drukgrenswaarde Drukproportioneel analoog signaal 4...20 mADrukproportioneel analoog signaal 20...4 mA |
4.7 Schakelfunctie (alleen in 3-draads-bedrijf)
OUTx wijzigt zijn schakeltoestand bij het over- of onderschrijden van de ingestelde schakelgrenzen (SPx, rPx). Hierbij kunnen volgende schakelfuncties worden gekozen:
- Hysteresefunctie / maakcontact: [OUx] = [Hno] (→ Afbeelding hysteresefunctie).
- Hysteresefunctie / verbreekcontact: [OUx] = [Hnc] (→ Afbeelding hysteresefunctie).
Eerst wordt het schakelpunt (SPx) vastgelegd, dan op de gewenste afstand het terugschakelpunt (rPX).
- Vensterfunctie / maakcontact: [OUx] = [Fno] (→ Afbeelding vensterfunctie).
- Vensterfunctie / verbreekcontact: [OUx] = [Fnc] (→ Afbeelding vensterfunctie)
- De breedte van het venster is instelbaar door de afstand van SPx naar rPx. SPx = bovenste waarde, rPx = onderste waarde.

Afb. 4: Hysteresefunctie

Afb. 5: Vensterfunctie
| P = | Systeemdruk |
| HY = | Hysterese |
| FE = | Venster |
4.8 Analoge uitgang
Het apparaat geeft een analoog signaal af, dat proportioneel is aan de druk. Binnen het meetbereik ligt het analoge signaal bij 4...20 mA. Het meetbereik is schaalbaar:
• [ASP2] bepaalt bij welke meetwaarde het uitgangssignaal 4 mA bedraagt.
• [AEP2] bepaalt bij welke meetwaarde het uitgangssignaal 20 mA bedraagt.

Minimumafstand tussen [ ASP2 ] en [ AEP2 ] = 20% van de eindwaarde meetbereik.
Ligt de meetwaarde buiten het meetbereik of is er een interne fout, dan wordt het stroomsignaal verzonden dat in de volgende afbeelding staat aangegeven. Het analoge signaal voor de storing is instelbaar:
- [FOU] = On bepaalt dat het analoge signaal bij een storing naar de maximale waarde gaat (21,5 mA).
- [FOU] = Off geeft aan dat het analoge signaal bij een fout naar de minimum waarde gaat (3,5 mA).

Afb. 6: Uitgangskarakteristiek analoge uitgang volgens Namur
| 1: | Analoog signaal |
| 2: | Meetwaarde (in geconfigureerde eenheid) |
| 3: | Meetbereik (uitleveringstoestand) |
| 4: | Schaalbaar meetbereik |
| 5: | FOU = Off = 3,5 mA |
| 6: | FOU = On = 21,5 mA |
| P: | Druk |
| MAW: | Beginwaarde meetbereik bij niet-schaalbaar meetbereik. |
| MEW: | Eindwaarde meetbereik bij niet- schaalbaar meetbereik |
| ASP: | Analoog startpunt bij geschaald meetbereik |
| AEP: | Analoog eindpunt bij geschaald meetbereik |
| UL: | Weergavebereik onderschreden |
| OL: | Weergavebereik overschreden |
| FOU: | Uitgangsgedrag bij een storing |
4.9 Kalibratie door de klant
De kalibratie door de klant verandert de meetwaardecurve ten opzichte van de werkelijke meetwaarden (nulpunkalibratie en stijgingscorrectie). Daarbij de volgende volgorde in acht nemen:
▶ Nulpuntkalibratie [coF] in het bereik -5%....+5% van de eindwaarde meetbereik (MEW) uitvoeren.
▶ Kalibratiefactor [CGA] in het bereik -5%....+5% van de eindwaarde meetbereik (MEW) uitvoeren. De vorige nulpuntkalibratie blijft bestaan.
Voorbeeld: Verandering nulpunt [coF]

A: Uitgangssignaal
D: Druk
MEW: Eindwaarde meetbereik
V0: Meetwaardecurve bij fabrieksinstelling
V1, Gewijzigde meetwaardecurve
V2:
Voorbeeld: Verandering stijging [CGA]

A: Uitgangssignaal
D: Druk
MEW: Eindwaarde meetbereik
V0: Meetwaardecurve bij fabrieksinstelling
V1, Gewijzigde meetwaardecurve
V2:
De verandering in stijging wordt aangegeven in procenten.
▶ Analoge start [ASP] en [AEP] handmatig of via teach-functie invoeren.
Worden de stijging [CGA] en de offset [coF] gewijzigd, dan worden daardoor de [ASP] en de [AEP] beïnvloed.
5 Montage Aseptoflex-Vario

VOORZICHTIG
Bij mediatemperaturen van meer dan 50 °C (122 °F) kunnen sommige gedeelten van de behuizing warmer worden dan 65 °C (149 °F).
▷ Verbrandingsgevaar.
▶ Behuizing afschermen om niet in contact te komen met ontvlambare stoffen en tegen onopzettelijk aanraken.
Voordat het apparaat wordt gemonteerd en gedemonteerd: Zorg er voor dat de installatie drukloos is en er zich geen medium in de leiding of tank bevindt.
▶ Houd rekening met gevaren die verbonden kunnen zijn met installatie- en mediatemperaturen.
Informatie over beschikbare adapters op: www.ifm.com
▶ Handleiding van de adapter in acht nemen.
- ▶ Gebruik een goedgekeurde smeerpasta die geschikt is voor de toepassing.
▶ Sensor met de procesadapter in de procesaansluiting aanbrengen.
▶ Met een steeksleutel aandraaien: aandraaimoment 35 Nm.
Verder draaien kan van invloed zijn op de afdichting.
De procesadapter kan worden aangepast aan verschillende procesaansluitingen.
De volgende mogelijkheden zijn mogelijk:
1: Montage met procesadapter met afdichtring (hygiënisch conform 3-A en EHEDG)
Bestelnr. E332xx / E333xx.
▶ Voor het naleven van de hygiène-eisen een procesadapter met lekkageboorgat gebruiken.
De adapters worden geleverd met een EPDM-O-ring (bestelnr. E30054). Overige afdichtringen zijn als toebehoren leverbaar:
• FKM-O-ring (bestelnr. E30123)
- PEEK-afdichtring (bestelnr. E30124). De PEEK-afdichtring is stabiel gedurende een lange periode en onderhoudsvrij.
▶ Bij verwisselen van de PEEK-afdichtring of bij vervanging van de PEEK-afdichtring door een O-ring moet ook de procesadapter worden vervangen door een nieuw, gelijkwaardig type.
2: Montage met procesadapter met afdichtring (hygiënisch conform 3-A en EHEDG)
▶ Voor het naleven van de hygiène-eisen een procesadapter met lekkageboorgat gebruiken.
▶ Let erop dat de procesadapter bij het inlassen niet vervormd. Blindstop E30452 gebruiken.
▶ De afdichtkant mag ook bij oppervlaktebehandeling achteraf op geen enkele wijze worden beïnvloed. (→ Gebruiksaanwijzing adapter).
De adapter wordt geleverd met een EPDM-O-ring (bestelnr. E30054). Een verdere afdichtring is als toebehoren leverbaar:
• FKM-O-ring (bestelnr. E30123).
3: Montage door procesadapter met hygiënische metaal-op-metaal-afdichting
Bestelnr. E337xx / E338xx
Een langdurig stabiele, onderhoudsvrije en naadloze afdichting bij metaal-op-metaal-afdichting is alleen mogelijk bij eenmalige montage.
▶ Moet de afdichtlocatie meerdere malen worden gemonteerd, moet een nieuwe adapter worden gebruikt.
4: Montage aan G 1-flens / G 1-mof
De sensor wordt door de aan de achterzijde geplaatste afdichtring bij de procesaansluiting afgedicht.
▶ Het afdichtvlak bij de flens/mof moet vlak zijn ten opzichte van het boorgat en een oppervlaktekwaliteit van minimaal Rz = 6,3 hebben (DIN EN ISO 1179-1 in acht nemen).
5.1 Toepasbaar in hygiënische omgeving volgens 3-A

Voor apparaten met 3-A goedkeuring:
- ▶ Gebruik voor de procesaansluiting uitsluitend adapters met 3-A goedkeuring.
▶ Het apparaat mag niet op het laagste punt van de pijpleiding of de tank (positie 5) worden ingebouwd, zodat het medium uit het gedeelte van het meetelement kan wegstromen.
5.2 Toepassing in het hygiënische bereik volgens EHEDG
Indien lasadapters worden gebruikt, moet het voedselcontactoppervlak glad zijn (oppervlakteruwheid Ra < 0,8 μm) en moet het lassen plaatsvinden volgens EHEDG-richtlijn 9 en 35.
Het apparaat moet bij overeenkomstige installatie geschikt zijn voor CIP (cleaning in place).
▶ Toepassingsgrenzen (temperatuur- en materiaalbestendigheid) volgens datablad in acht nemen.
▶ Let op de EHEDG-conforme inbouw van het apparaat in de installatie.
▶ Zelflegende installatie gebruiken.
▶ Alleen EHEDG-goedgekeurde procesadapters met noodzakelijke, speciale afdichtingen gebruiken volgens EHEDG-document.
De afdichting van het systeem mag geen contact maken met de afdichting van de sensor.
▶ Bij tankinbouw moet de inbouw vlakverzonken zijn, of moet de reiniging door rechtstreeks inspuiten verzekerd zijn. Dode ruimtes moeten bereikbaar zijn.
▶ Lekkageboorgaten goed zichtbaar en bij verticale leidingen naar beneden gericht installeren.

▶ Ter vermijding van de dode ruimtes de afmetingen in acht nemen: L < D
1: Lekkageboorgat
5.3 Ontluchtingsmembraan
5.3.1 Functie ontluchtingsmembraan
▶ Het ontluchtingsmembraan borgt de relatieve drukmeting doordat barometrische en temperatuurgerelateerde drukveranderingen in de meetcel ten opzichte van de omgeving worden gecompenseerd.
▷ Het ontluchtingsmembraan wordt door een geschroefde filterafdekking met omlopende boorgaten beschermd tegen beschadigingen.
Voor een probleemloze werking van het ontluchtingsmembraan het volgende in acht nemen:
▶ vervuilingen en reinigingsmiddelen onmiddellijk met veel kalkarm spoelwater afspoelen.
Bevindt de sensor zich vanwege het proces in een afkoelfase:
Het ontluchtingsmembraan niet met vloeistof belasten om een onderdruk in het meetsysteem (met een dan licht vervalste meetwaarde) en een extra belasting van het ontluchtingsmembraan te vermijden.
5.3.2 Uitlijning filterafdekking
Inbouwsituatie zo kiezen dat de filterafdekking horizontaal staat en het condensaat door de zwaartekracht kan wegvloeien.

▶ Ideale uitlijning (1):
De filterafdekking bevindt zich in een horizontale positie.
▷ Het ontluchtingsmembraan (2) in de filterafdekking staat loodrecht.
▶ Maximale schuinstand van de filterafdekking: 30° (3)
5.3.3 Filterafdekking vervangen
| (1) Vervanging van de filterafdekking incl. ontluchtingsmembraan (E30483). |
| Bij lastige omgevingscondities of een inbouwsituatie die niet voldoet aan de ideale uitlijning (1), kan het volgende toebehoren worden gebruikt ter bescherming van het ontluchtingsmembraan: |
| (2) Vervanging van de filterafdekking door een gesloten variant (E30148)*. |
| (3) Vervanging van de filterafdekking door een variant met slangnippel en ontluchtingsslang die in een beschermde en droge ruimte eindigt (E30139). |
| (4) Toebehorenset (E30467) met geïntegreerd vervangingsmembraan (ontluchtingsmembraan). Aanbevolen bij chemisch veeleisende toepassingen in de buitenreiniging. Functie: (→ Montagehandleiding E30467). |


▶ Vervuiling en vocht tijdens de vervanging vermijden.
▶ Schroefdraad voorzichtig en volledig reinigen.
▶ Lijmvlak voor het membraan bij de sensor niet beschadigen.
▶ Uitlijning filterafdekking in acht nemen (→ Montagehandleidingen E30139 / E30467).

*Bij gebruik van de gesloten filterafdekking kan de druk van de meetcel niet meer worden gecompenseerd. Daarom meetafwijkingen mogelijk door:
• Schommelingen van de atmosferische druk.
- Schommelingen van de interne apparaatdruk bij temperatuurveranderingen.
6 Elektrische aansluiting

Het apparaat mag uitsluitend door een elektromonteur worden geïnstalleerd.
Nationale en internationale voorschriften voor de aanleg van elektrotechnische installaties dienen te worden opgevolgd.
Voeding conform SELV, PELV.
▶ Installatie spanningsvrij schakelen.
▶ Apparaat op de onderstaande wijze aansluiten:
Connector: 1 x M12; Codering: A


Afb. 7: Bedradingsschema: MP: Multifunctioneel (OUT, data)
2-draads
| Pen | bezetting |
| 1 | L+ |
| 2 | OUT2: AO |
3-draads
| Pen | bezetting |
| 1 | L+ |
| 2 | OUT2: DO2 (NO/NC), AO |
| 3 | L- |
| 4 | MP1: DO1 (NO/NC), IO-Link |
Parametrering
| Pen | bezetting |
| 1 | L+ |
| 3 | L- |
| 4 | MP1: IO-Link |
7 Bedienings- en weergave-elementen

| 1 tot 8: Indicator-LED's | |
| LED 1– 6 | Maateenheid van de proceswaarde druk (pin bezetting is apparaatspecifiek). |
| led 7 | Schakeltoestand OUT2 (brandt wanneer uitgang 2 doorgeschakeld is). |
| led 8 | Schakeltoestand OUT1 (brandt wanneer uitgang 1 doorgeschakeld is). |
| 9: Knop (Enter) | |
| Selectie van de parameters en bevestiging van de parameterwaarden | |
| 10 tot 11: Pijltoetsen omhoog [▲] en omlaag [▼] | |
| Instellen van de parameterwaarden (continu door permanent indrukken; stapsgewijs door één keer indrukken). Beëindiging van de invoer of terugspringen in het menu: ▶ [▲] + [▼] tegelijkertijd indrukken. | |
| 12: Alfanumerieke indicatie, 4 tekens | |
| Weergave: Actueel gemeten systeemdruk Weergave: Parameters en parameterwaarden | |
8 Menu
8.1 Menustructuur: Hoofdmenu

1: Overgang naar menuniveau 2 (uitgebreide functies).

Grijs gekleurde menupunten zijn actief afhankelijk van de configuratie van de uitgang.
8.2 Toelichting bij het hoofdmenu
| SPx / rPx* | Hysteresefunctie: Bovenste/onderste grenswaarde voor systeemdruk, waarbij OUTx schakelt. Voorwaarde: Instelling OUTx is [Hno] of [Hnc]. |
| FHx / FLx* | Vensterfunctie: Bovenste/onderste grenswaarde voor systeemdruk, waarbij OUTx schakelt. Voorwaarde: Instelling OUTx is [Fno] of [Fnc]. |
| ASP2 | Analoog startpunt voor systeemdruk: Meetwaarde, waarbij 4 mA (20 mA) wordt uitgegeven. Voorwaarde: Instelling OUT2 is [I] of ([InEG]). |
| AEP2 | Analoog eindpunt voor systeemdruk: Meetwaarde, waarbij 20 mA (4 mA) wordt uitgegeven. Voorwaarde: Instelling OUT2 is [I] of ([InEG]). |
| tcoF | Nulpunkalibratie teaches. |
| tASP | Analoog startpunt voor systeemdruk teaches: Meetwaarde vastleggen waarbij 4 mA uitgevoerd wordt (20 mA bij [OU2] = [InEG]). |
| tAEP | Analoog eindpunt voor systeemdruk teaches: Meetwaarde vastleggen waarbij 20 mA uitgevoerd wordt (4 mA bij [OU2] = [InEG]). |
| EF | Uitgebreide functies / openen van het menuniveau 2. |
* Menupunten in het 2-draads-bedrijf niet actief
8.3 Menustructuur: Niveau 2 (uitgebreide functies)

1: Overgang naar het hoofdmenu; 2: Overgang naar menuniveau 3 (simulatie).

Grijs gekleurde menupunten zijn in het 2-draadsaansluiting niet actief.
8.4 Toelichting bij het menuniveau 2
| rES | Fabrieksinstelling terugzetten. [APPL] = reset van de applicatie[btb] = Back to BoxZie: Sensor/parameter resetten (→ 31) |
| ou1* | Uitgangsfunctie voor OUT1:Schakelsignaal voor de drukgrenswaarden: Hysteresefunctie [H ..] of vensterfunctie [F ..], elk maakcontact [. no] of verbreekcontact [. nc], uitgang uit [Off]. |
| ou2 | Uitgangsfunctie voor OUT2:Schakelsignaal voor de drukgrenswaarden: Hysteresefunctie [H ..] of vensterfunctie [F ..], elk maakcontact [. no] of verbreekcontact [. nc], uitgang uit [Off]. Analoog signaal voor de actuele systeemdruk: 4...20 mA [I]. |
| dS1 / dS2* | Schakelvertraging voor OUT1 / OUT2. |
| dr1 / dr2* | Terugschakelvertraging voor OUT1 / OUT2. |
| uni. P | Standaardmaateenheid voor systeemdruk (weergave):[bAr] / [mbar] / [MPA] / [kPA] / [PSI] / [inHG] / [iH2O] / [mmWS]. |
| P-n* | Schakellogica van de uitgangen: pnp / npn. |
| Hi. P | Maximumwaardegeheugen voor systeemdruk. |
| Lo. P | Minimumwaardegeheugen voor systeemdruk. |
| FOU1* | Gedrag van uitgang 1 in het geval van een interne fout. |
| FOU2 | Gedrag van uitgang 2 in het geval van een interne fout. |
| dAP | Demping van het schakelpunt/procesdatastroom (IO-Link-communicatie) en de weergave (T63**). |
| dAA | Demping van de analoge uitgang. Voorwaarde: Instelling OUT2 is [I] (T63**). |
| coF | Nulpunkalibratie tussen: -5%...+5% van de MEW. |
| CGA | Aanpassing eindwaarde meetbereik tussen: -5%...+5% van de MEW. |
| diS | Vernieuwingssnelheid en oriëntatie van de indicatie |
| SIM | Openen van het submenu SIM (simulatie) |
* Menupunten in het 2-draads-bedrijf niet actief
** Tijdconstante tau
8.5 Menustructuur: Niveau 3 (simulatie)

2: Overgang naar menuniveau 2 (uitgebreide functies).
8.6 Toelichting bij het menuniveau 3
| S. PRS | Simulatie van een druk/fouttoestand |
| S. Tim | Simulatieduur 1...60 min |
| S. On | Simulatie start/stop |

De simulatie wordt onderbroken door het indrukken van de knop [Enter].
9 Parametrering
De parametrering kan worden uitgevoerd via de IO-Link-interface of via de bedieningselementen op het apparaat.
Parameters kunnen voor inbouw en inbedrijfstelling van het apparaat of tijdens het actieve bedrijf worden ingesteld.

Wijzigt u de parameters tijdens het bedrijf, dan wordt de werking van de installatie beïnvloed.
▶ Controleren of er geen storingen ontstaan in de installatie.
Tijdens het parametreren blijft het apparaat in de bedrijfsmodus. Het voert zijn bewakingsfuncties met de bestaande parameters verder uit tot de parametrering is voltooid.

Afhankelijk van de parameterinstelling kunnen de parameters veranderen die beschikbaar zijn in het menu.
9.1 Parametrering algemeen

VOORZICHTIG
Bij hogere media- en omgevingstemperatuur kunnen sommige gedeelten van de behuizing erg heet worden.
▷ Risico op brandwonden
▶ Apparaat niet met de hand aanraken.
- ▶ Gebruik indien nodig een stomp voorwerp om aanpassingen aan het apparaat aan te brengen.
▶ Elke parameterinstelling vereistt 3 stappen nodig.
1: Parameter selecteren

▶ [Enter] indrukken, om in het menu te komen.
▶ [▲] of [▼] indrukken tot de gewenste parameter wordt weergegeven.
2: Parameterwaarde instellen

▶ [Enter] indrukken, om de geselecteerde parameter te bewerken.
▶ [▲] of [▼] minimaal 1 s indrukken.
▷ Na 1 s: Instelwaarde wordt veranderd:
Stapsgewijs door afzonderlijk indrukken of continu door permanent indrukken.
Getalwaarden worden continu verhoogd met [▲] of verlaagd met [▼].
3: Parameterwaarde bevestigen

▶ Kort op [Enter] drukken.
▷ De parameter wordt opnieuw weergegeven. De nieuwe instelwaarde is opgeslagen.
Bijkomende parameters instellen
▶ [▲] of [▼] indrukken tot de gewenste parameter wordt weergegeven.
Parametrering beëindigen
▶ Zo vaak op [▲] of [▼] drukken tot de actuele meetwaarde wordt weergegeven of 30 s wachten.
▷ De sensor keert terug in de weergave van de proceswaarden.
Wordt [C. Loc] weergeven bij een poging een parameterwaarde te veranderen, dan is een parametreer proces via de IO-Link-communicatie actief (tijdelijke blokkering).
Word [S. Loc] weergegeven, is de sensor via de software permanent vergrendeld. Deze vergrendeling kan alleen met een parametringssoftware worden opgeheven.
Omschakelen van menuniveau 1 naar menuniveau 2

▶ [Enter] indrukken, om in het menu te komen.
▶ [▲] of [▼] indrukken tot [EF] wordt weergegeven.

▶ [Enter] indrukken.
▷ De eerste parameter van het submenu wordt weergegeven (hier [rES]).
▷ Verder gaan met [▼].
Vergrendelen/ontgrendelen
Het apparaat kan elektronisch worden vergrendeld, om te voorkomen dat er onbedoeld onjuiste waarden worden ingevoerd.
Vergrendelen

▶ Controleren of het apparaat in de normale bedrijfsmodus is.
▶ [▲] + [▼] tegelijkertijd 10 s indrukken.
▷ [Loc] wordt weergegeven.
[Loc] wordt kort weergegeven als geprobeerd wordt om parameterwaarden te wijzigen.
Ontgrendelen

▶ [▲] + [▼] tegelijkertijd 10 s indrukken.
▷ [uLoc] wordt weergegeven.
Timeout
Wordt tijdens de instelling van een parameter 30 s lang op geen enkele toets gedrukt, dan gaat het apparaat met onveranderde waarde weer terug naar de bedrijfsmodus.
Parameters verlaten, zonder de instellingen over te nemen

▶ [▲] + [▼] tegelijkertijd indrukken.
▷ Terugkeer naar het menuniveau.
Menu-niveau verlaten

▶ [▲] + [▼] tegelijkertijd indrukken.
▷ Menu-niveau 2 schakelt over naar niveau 1 of
Niveau 1 schakelt over naar het display.

In het 2-draadsaansluiting zijn de betreffende menupunten niet actief die betrekking hebben op schakelfuncties (→ Menustructuur), bovendien kunnen bij een aantal menupunten de betreffende parameterwaarden niet worden geselecteerd, omdat ze betrekking hebben op schakelfuncties.
9.2 Parametrering via IO-Link
Het apparaat kan op de volgende wijze via de IO-Link-interface worden geparametreerd:
- Parametrering met geschikte parametreersoftware, bijv. ifm moneo|configure
• Parametrering via een PLC
• Parametrering via een IIoT-applicatie
Voorwaarden voor de parametrering via de IO-Link-interface:
√ De Input Output Device Description (IODD) voor het apparaat, indien geparametreerd via een parametreersoftware, zie documentation.ifm.com
√ De beschrijving van de IO-Link-interface (PDF) voor het apparaat bij parametrering via een PLC of een IIoT-applicatie, zie documentation.ifm.com
√ Een IO-Link-master
▶ Verbind de IO-Link-master met de parametreersoftware, de PLC of de IIoT-applicatie.
▶ Sluit het apparaat aan op een geschikte vrije poort van de IO-Link-master.
▶ Stel de poort van de IO-Link-master in op de IO-Link-modus.
▷ Het apparaat schakelt over naar de IO-Link-modus.
▶ Parameterinstellingen in de software wijzigen.
▶ Parameterinstellingen naar het apparaat schrijven.

Hulp bij systeemintegratie en voor de parametrering via IO-Link:
→ Handleiding van de parametreersoftware (bijv. moneo)
→ Toelichtingen en "startpakketten" op ifm.com/cnt/io-link-system-integration.
9.3 Indicatie configureren (optioneel)

Moet de maateenheid [uni. P] gewijzigd worden, dan moet dat voor de instelling van de andere parameters worden gedaan, om interne afrondingsafwijkingen door het omzetten van eenheden te vermijden.
| ▶ [uni. P] kiezen en maateenheid vastleggen:• [bAr], [mbAr], [MPA], [kPA].• [psi] (afhankelijk van het apparaat).• [InHO] (afhankelijk van het apparaat).• [mWS] (afhankelijk van het apparaat).• [mmWS] (afhankelijk van het apparaat). | [uni. P] |

Selecteerbare maateenheden → datablad.
Uni. P is alleen van invloed op het sensordisplay. De IO-Link-proceswaarde blijft onaangetast.
| ▶ [diS] kiezen en de vernieuwingssnelheid en oriëntatie van de weergave vastleggen:• [d1]: actualisering meetwaarde om de 50 ms.• [d2]: actualisering meetwaarde om de 200 ms.• [d3]: actualisering meetwaarde om de 600 ms.• [rd1], [rd2], [rd3]: indicatie zoals d1, d2, d3; 180 gedraaid.• OFF = de meetwaardeweergave is in de RUN-modus uitgeschakeld. Door op een van de toetsen te drukken, wordt 30 s lang de actuele meetwaarde weergegeven. Nog-maals indrukken van [Enter] opent de displaymodus. De leds blijven ook bij uitgeschakelde weergave actief. Foutmeldingen worden ook bij uitgeschakeld display getoond. | [diS] |
9.4 Uitgangssignalen vastleggen
9.4.1 Uitgangsfunctie vastleggen
| ▶ [OU1] kiezen en schakelfunctie instellen:• [Hno] = hysteresefunctie/maakcontact.• [Hnc] = hysteresefunctie/verbreekcontact.• [Fno] = vensterfunctie/maakcontact.• [Fnc] = vensterfunctie/verbreekcontact.• [Off] = uitgang uit. | [OU1] |
| ▶ [OU2] kiezen en de functie instellen:\• [Hno] = hysteresefunctie/maakcontact.• [Hnc] = hysteresefunctie/verbreekcontact.• [Fno] = vensterfunctie/maakcontact.• [Fnc] = vensterfunctie/verbreekcontact.• [I] = drukproportioneel stroomsignaal 4...20 mA.• [InEG] = drukproportioneel stroomsignaal 20...4 mA.• [Off] = uitgang uit. | [OU2] |
9.4.2 Schakelgrenzen vastleggen
| ▶ [SP1] / [SP2] kiezen en waarde instellen waarbij de uitgang schakelt. | [SP1][SP2] |
| ▶ [rP1] / [rP2] kiezen en waarde instellen waarbij de uitgang schakelt.rPx is altijd kleiner dan SPx. Er kunnen alleen waarden worden ingevoerd die onder de waarde voor SPx liggen. | [rP1][rP2] |
9.4.3 Schakelgrenzen vastleggen bij vensterfunctie
| ▶ [ou1] / [ou2] moet als [Fno] of [Fnc] ingesteld zijn. ▶ [FHx] kiezen en bovenste grenswaarde instellen. | [FH1] [FH2] |
| ▶ [FLx] kiezen en de onderste grenswaarde instellen. FLx is altijd kleiner dan FHx. Er kunnen alleen waarden worden ingevoerd die onder de waarde voor FHx liggen. | [FL1] [FL2] |
9.4.4 Analoge waarde voor OUT2 schalen
| ► ▶ De gewenste minimale systeemdruk in de installatie instellen en constant houden.► ▶ [tASP] met [Enter] selecteren.► ▶ [▲] of [▼] indrukken tot [----] wordt weergegeven.► ▶ [----] met [Enter] bevestigen. ▷ De actuele druk is als startwaarde voor het analoge signaal vastgelegd. | [tASP] |
| ► ▶ De gewenste maximale systeemdruk in de installatie instellen en constant houden.► ▶ [tAEP] met [Enter] selecteren.► ▶ [▲] of [▼] indrukken tot [----] wordt weergegeven.► ▶ [----] met [Enter] bevestigen. ▷ De actuele systeemdruk is als eindwaarde voor het analoge signaal vastgelegd. | [tAEP] |
ASP/AEP kan alleen binnen vastgelegde grenzen worden geteacht (→ Instelbereiken). Wordt bij een ongeldige drukwaarde geteacht, wordt afwisselend [Fail] en [UL] gedurende 30 s aangegeven. De tijd kan tijdens het indrukken van een toets worden afgebroken, de ASP-waarde/AEP-waarde wordt in dat geval niet veranderd.
| Alternatief:► ▶ [ASP] kiezen en meetwaarde instellen waarbij 4 mA wordt weergegeven (20 mA bij [OU2] = [InEG]).► ▶ [AEP] kiezen en meetwaarde instellen waarbij 20 mA wordt weergegeven (4 mA bij [OU2] = [InEG]). Minimumafstand tussen ASP en AEP = 20% van de meetbereikeindwaarde (Turn-Down 1:5). | [ASP][AEP] |
9.5 Gebruikersinstellingen (optioneel)
9.5.1 Nulpuntkalibratie en aanpassing eindwaarde meetbereik
| ▶ [coF] kiezen en nulpunt tussen -5%... +5% instellen. De interne meetwaarde "0" wordt met deze waarde verschoven. | [coF] |
| Alternatief: Automatische aanpassing van de offset in het bereik 0 bar ± 5% . ▶ controlleren of de installatie drukvrij is. ▶ Op [Enter] drukken tot [tCOF] verschijnt. ▶ [▲] of [▼] indrukken en ingedrukt houden. ▷ De actuele offsetwaarde (in %) wordt kortstondig knipperend weergegeven. ▷ De actuele systeemdruk wordt weergegeven. ▶ [▲] of [▼] loslaten. ▶ Kort op [Enter] drukken (= bevestiging van de nieuwe offsetwaarde). | [tcoF] |
| ▶ [CGA] kiezen en eindwaarde meetbereik tussen -5 %...+5% instellen. De interne eindwaarde meetbereik "MEW" wordt met deze waarde verschoven. | [CGA] |
9.5.2 Onjuist gedrag van de uitgangen vastleggen
| ▶ [FOU1] kiezen en waarde vastleggen:• [On]= uitgang 1 schakelt in geval van storing IN.• [OFF] = uitgang 1 schakelt in geval van storing UIT. ▶ [FOU2] kiezen en waarde vastleggen:• [On] = uitgang 2 schakelt in geval van storing IN, het analoge signaal gaat naar de bovenste aanslagwaarde.• [OFF] = uitgang 2 schakelt in geval van storing UIT, het analoge signaal gaat naar de onderste aanslagwaarde. | [FOU1][FOU2] |
9.5.3 Vertragingstijd voor de schakeluitgangen vastleggen
| dS1] / [dS2] = inschakelvertraging voor OUT1 / OUT2. | [dS1] |
| [dr1] / [dr2] = uitschakelvertraging voor OUT1 / OUT2. | [dr1] |
| ▶ [dS1], [dS2], [dr1] of [dr2] kiezen en waarde tussen 0,1 en 50 s instellen (bij 0,0 is de vertragingstijd niet actief). | [dS2] |
| [dr2] |
9.5.4 Schakellogica voor de schakeluitgangen vastleggen
| ▶ [P-n] kiezen en [PnP] of [nPn] instellen. | [P-n] |
9.5.5 Demping voor het schakelsignaal vastleggen
| ▶ [dAP] kiezen en waarde tussen 0,00...99,99 s instellen; (bij 0,00 is [dAP] niet actief).dAP-waarde = reactietijd tussen drukwijziging en wijziging van de schakeltoegang in seconden. [dAP] beïnvloedt de schakelfrequentie: fmax = 1 ÷ 2dAP . [dAP] werkt ook op de indicatie (T63*). | [dAP] |
* Tijdconstante tau
9.5.6 Demping voor het analoge signaal vastleggen
| ▶ [dAA] kiezen en waarde tussen 0,01...99,99 s instellen; (bij 0,00 is [dAA] niet actief). dAA-waarde = reactietijd tussen drukwijziging en wijziging van het analoge signaal in seconden (T63*). | [dAA] |
* Tijdconstante tau
9.6 Servicefuncties
9.6.1 Aflezen van de min-/max-waarden voor systeemdruk
| ▶ [Hi. P] of [Lo. P] selecteren en kort op [▲] of [▼] drukken. | [Hi. P] |
| [Hi. P] = maximale waarde, [Lo. P] = minimale waarde. | [Lo. P] |
| Geheugen wissen: | |
| ▶ [Hi. P] of [Lo. P] selecteren. | |
| ▶ [▲] of [▼] indrukken en ingedrukt houden, tot [----] wordt weergegeven. | |
| ▶ Kort op [Enter] drukken. |
9.6.2 Sensor/parameter resetten
Gebruik een van de volgende mogelijkheden wanneer [rES] zonder uitvoering moet worden verlaten:
▶ 30 seconden wachten.
▶ [▲] en [▼] tegelijkertijd indrukken.
▶ Voeding onderbreken
| ► ▶ Voor uitvoering van [rES] de sensorinstellingen noteren.► ▶ [rES] selecteren en ▶ [Enter] indrukken.► ▶ [▲] of [▼] indrukken.► ▶ Vertragingsfunctie = weergave knippert.► ▶ Na de vertragingsfunctie met [▲] of [▼] tussen [APPL] en [btb] selecteren.· [APPL] = reset van de applicatie· [btb] = Back to Box► ▶ [Enter] indrukken. ▷ [----] de reset wordt uitgevoerd. | [rES] |
| Reset van de applicatie [APPL]:· De reset van de applicatie zet alle sensor- en uitgangsgerelateerde parameters terug. | [APPL] |
Bij geactiveerde IO-Link-dataopslag wist dit meteen een parameterupdate in de master.
| Back to Box [btb]:• Met Back to Box-reset worden tevens alle schrijfbare apparaatidentificatieparameters gereset zoals de Applikation SpecificTag. | [btb] |
Na de reset schakelt de sensor de communicatie en de meetfunctie uit tot de spanningsonderbreking. De IO-Link-dataopslag wordt niet geactiveerd.
9.7 Simulatiefunctie
9.7.1 Menuniveau 3 (simulatie) openen
| ► ▶ In het menuniveau 2 (uitgebreide functies) met [▲] of [▼] de parameter [SIM] selecteren.► ▶ [Enter] indrukken (= menuniveau 3 openen). ▷ Simulatieparameters zijn selecteerbaar. | [SIM] |
9.8 Simulatie
9.8.1 Simulatiewaarde instellen
| ► [S. PRS] selecteren.► ▶ De te simuleren proceswaarde instellen. [Getalswaarde] = druk (afhankelijk van de basisinstelling). [OL] = Detectiebereik overschreden. [UL] = Detectiebereik onderschreden. [Err] = Elektronicafout herkend. [CELL] = meetceldiagnose-event► ▶ [Enter] indrukken. | [S. PRS] |
9.8.2 Simulatiewaarde instellen
| ► [S. Tim] selecteren.► ▶ Tijdvak voor simulatie instellen.► ▶ [Enter] indrukken. Instelbereik: 1, 2, 3, 4, 5, 10, 15, 20, 30, 45, 60 min. Fabrieksinstelling: 3 min. | [S. Tim] |
9.8.3 Simulatie in-/uitschakelen
| ► ▶ [S. On] selecteren en instellen:[OFF] = Simulatie uit[On] = Simulatie aan► ▶ [Enter] indrukken om de simulatie te starten | [S. On] |

De simulatie loopt tot opnieuw op [Enter] wordt gedrukt of de tijd afloopt die via [STim] is ingesteld. Tijdens de simulatie wordt [SIM] elke 3 s weergegeven.
Na einde van de simulatie schakelt het apparaat weer over naar de parameter [S. On] en intern gaat het apparaat weer in de bedrijfsmodus (en de overdracht van proceswaarden). Na nog eens 30 s schakelt het display weer over naar de weergave van de proceswaarde.

Wordt de simulatie via IO-Link gestart, kan deze alleen via IO-Link weer worden beëindigd. Tijdens een poging om de simulatie via de bedieningstoetsen te beëindigen, wordt C. Loc weergegeven.
9.8.4 Aflezen van de overbelastingsmomenten
| HIPC: Aantal momenten van overbelasting. HIPC telt hoe vaak de drempel HIPS is overschreden. De overschrijding moet min. 0,5 ms duren. HIPS: Instelling van de drempel voor de overbelastingteller. | [HIPC][HIPS] |

De parameters HIPC en HIPS zijn beschikbaar via de IO-Link-communicatie.

Bij een onderbreking van de voedingsspanning kunnen maximaal de gebeurtenissen van de afgelopen 10 minuten verloren gaan, omdat deze in de achtergrond worden opgeteld en nog niet vast in het geheugen zijn overgezet.
10 Bedrijf
Na inschakelen van de voedingsspanning en beëindiging van de inschakelvertragingstijd van ca. 0,5 s bevindt het apparaat zich in de RUN-modus (= normale bedrijfsmodus). Het voert meet- en analysefuncties uit en geeft uitgangssignalen overeenkomstig de ingestelde parameters.
10.1 Instelling van de parameters aflezen
▶ [Enter] indrukken.
▶ [▲] of [▼] indrukken tot de gewenste parameter wordt weergegeven.
▶ Kort op [Enter] drukken.
▷ Het apparaat toont gedurende ca. 30 s de bijbehorende parameterwaarde, schakelt vervolgens over naar de weergave van de proceswaarde.

Alternatief voor 30 s wachttijd:
▶ Beëindiging weergave: [▲] + [▼] tegelijkertijd indrukken.
▷ De wachttijd van 30 s vervalt.
10.2 Overschakelen van de weergave naar de Run-modus
Activering van het display bij weergave in de OFF-modus:
▶ Kort op [Enter] drukken.
▷ Het apparaat toont gedurende ca. 30 s de actuele meetwaarde in de gekozen weergavemodus:
11 Storing verhelpen
11.1 Storing verhelpen
Het apparaat beschikt over omvangrijke mogelijkheden voor zelfdiagnose.
- Het apparaat bewaakt zichzelf zelfstandig tijdens het bedrijf.
- Het toont waarschuwingen en fouttoestanden via IO-Link en via display (ook bij uitgeschakeld display).
- Als er een fout wordt vastgesteld, worden de uitgangen overeenkomstig de instelling van de parameters [FOU1] en [FOU2] ingesteld.
| Indicatie | Waar-schuwing | Fout | Status-LED | Fouttype resp. gebeurtenis | Hulp |
| Err | X | Apparaat defect | ► Apparaat vervangen. | ||
| CELL + Err (afwisse-lend) | X | Meetcel defect | ► Apparaat vervangen. | ||
| SIM + PW (afwisse-lend) | X | Simulatiefunctie actief | |||
| IO-L | X | Functie voor optische identi-ficatie actief | |||
| OFF | X | Voedingsspanning te laag. | ► Hoogte van de voedingsspanning controleren/corrigeren.► ▶ In het 2-draads-bedrijf: hoogte van de aangesloten belasting controleren/ corrigeren. | ||
| SC1 | X | OUT1 knip-pert | Kortsluiting schakeluitgang 1. | ► Schakeluitgang 1 controleren op kortsluiting, fout verhelpen. | |
| SC2 | X | OUT2 knip-pert | Kortsluiting schakeluitgang 2. | ► Schakeluitgang 2 controleren op kortsluiting, fout verhelpen. | |
| SC | X | OUT1 en OUT2 knippert | Kortsluiting schakeluitgang 1 en schakeluitgang 2. | ► Schakeluitgangen 1 en 2 controleren op kortsluiting; Fout verhelpen. | |
| PArA | X | Parametrering buiten het toegestane bereik. | ► Parametrering herhalen.► Parametrering wijzigen► ▶ Reset met [APPL] of [btb] uitvoeren. Zie: Sensor/parameter resetten (→ ☐ 31) | ||
| OL | X | Detectiebereik overschre-den: Meetwaarde groter +5% MEW | ► Druk controleren/verlagen. | ||
| UL | X | Detectiebereik onderschre-den | ► Druk controleren/verhogen. | ||
| Loc | X | Insteltoetsen bij het apparaat vergrendeld, parameterwijzi-ging geweigerd. | ► Ontgrendeling uitvoeren. | ||
| C. Loc | X | Parametrering via de toets geblokkeerd, parametrering via IO-Link-communicatie is actief. | ► Voor parametrering bij de sensor de IO-Link-communicatie beëindigen. | ||
| S. Loc | X | Insteltoetsen via parametre-ringsssoftware vergrendeld, parameterwijziging gewei-gerd. | ► Ontgrendeling van de sensor via de parametringssoftware. |
12 Afvoer, reparatie en retourzending
▶ Apparaat na gebruik milieuvriendelijk afvoeren conform de geldende nationale voorschriften.
▶ Bij retourzendingen ervoor zorgen dat het apparaat vrij is van verontreinigingen, met name van gevaarlijke en giftige stoffen.
▶ Het apparaat kan niet worden gerepareerd.
13 Fabrieksinstelling
| Fabrieksinstelling | Gebruikersinstelling | |
| cELd | off | |
| SP1 | 25% MEW* | |
| rP1 | 23% MEW* | |
| OU1 | Hno | |
| OU2 | I | |
| SP2 | 75% MEW* | |
| rP2 | 73% MEW* | |
| coF / tcoF | 0,0 | |
| ASP / tASP | 0% MEW*PI1x09: -1 bar | |
| AEP / tAEP | 100% MEW* | |
| dS1 | 0,0 | |
| dr1 | 0,0 | |
| dS2 | 0,0 | |
| dr2 | 0,0 | |
| Uni | bAr / mbAr | |
| FOU1 | on | |
| FOU2 | on | |
| P-n | pnp | |
| dAP | 0,06 / 2,00** | |
| dAA | 0,06 / 2,00** | |
| dis | d2 |
* = ingesteld is de aangegeven procentwaarde van de eindwaarde meetbereik (MEW) van de betreffende sensor (bij PI1709 het percentage van het meetbereik).
** = apparaten tot 4 bar nominale druk dAP = 2 / apparaten hoger dan 4 bar nominale druk dAP = 0,06.