MIC 26C Advanced Comfort - Tractor Kärcher - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis MIC 26C Advanced Comfort Kärcher in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over MIC 26C Advanced Comfort Kärcher
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Tractor in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding MIC 26C Advanced Comfort - Kärcher en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. MIC 26C Advanced Comfort van het merk Kärcher.
GEBRUIKSAANWIJZING MIC 26C Advanced Comfort Kärcher
2 Informatie over het voertuig 2
2.1 Reglementair gebruik 2
2.2 Zwaartepunt 2
3 Algemene aanwijzingen 2
3.1 Milieubescherming, REACH en afdank-king van het oude voertuig 2
3.2 Garantie 3
3.3 Toebehoren, reserveonderdelen, aan-bouwsets 3
3.4 Symbolen in de gebruiksaanwijzing 3
3.5 Symbolen op het apparaat 3
4 Veiligheidsinstructies 3
4.1 Algemene veiligheidsinstructies 3
4.2 Werkkleding 3
4.3 Instructies inzake uitladen 4
4.4 Veiligheidsinstrcties voor de bediening 4
4.5 Veiligheidsinstructies voor de rijmodus 4
4.6 Veiligheidsinstrumentes voor de verbrandingsmotor 5
4.7 Veiligheidsinstructies over het transport van het apparatus 5
4.8 Veiligheidsinstructies over verzorging en onderhoud 5
4.9 Veiligheidsinrichtingen 5
5 Bedieningselementen 6
5.1 Apparaat met beschembeugel 6
5.2 Apparaat met bestuurderscabine 6
5.3 Stuurkolom 7
5.4 Multifunctionele hendel voor verlichting, knipperlichten en claxon 7
5.5 Pedalen 8
5.6 Oplooprem (optie) 8
5.7 Aansluitingen 8
5.8 Bedieningspaneel (bij apparaat met be-stuurderscabine) 10
5.9 Werking joystick (bij apparaat met bestuurderscabine) 11
5.10 Bedieningspaneel (bij apparaat met beschermbeugel) 12
5.11 Werking bedieningshendel (bij apparaat met bestuurderscabine) 13
6 Voor de inbedrijfstelling 14
6.1 Voor erste inbedrijfstelling 14
6.2Tanken 14
6.3 Ruitensproei-inrichting vullen 14
6.4 Chauffeursstoel instellen 14
6.5 Stuurwielstand instellen 15
6.6 Voor de start/veiligheidscontrole 15
6.7 Dagelijkse onderhoudswerkzaamheden 15
7 Werking 15
7.1Rijden 15
7.2 Apparaat uitzetten 16
7.3 Vorstbescherming 16
7.4 Transport 16
8 Opbouwsets 17
8.1 Bediening 17
8.2 Maaidek 125 cm 17
8.3 Maaidek 135 cm 17
8.4 Keerrol vooraan 18
8.5 Sneeuwruimschild 18
8.6 Sneeuwfrees 18
8.7 Strooier 19
8.8 Opbouwstrooier 20
8.9 Compenserend gewicht zonder trekhaak 21
8.10 Compenserend gewicht met trekhaak 21
8.11 Trekhaak 22
8.12 Koppeldriehoek 22
8.13 Onkruidborstel 22
9 Opslag 24
10 Onderhoud 25
10.1 Algemene aanwijzingen 25
10.2 Bekledingen 25
10.3 Reiniging 26
10.4 Onderhoudsintervallen 26
10.5 Onderhoudswerkzaamheden 27
10.6 Zekeringen 33
11 Hulp bij storingen 34
11.1 Storingen met weergave 34
11.2 Storingen zonder individatie 34
11.3 Wegslepen 34
Lees vór het eerste gebruik van uw voertuig deze originele gebruiksaanwijzing, ga navenant te werk en bewaar ze voor later gebruik of(AP) nuwe eigenaars.
2 Informatie over het voertuig
Gebruik dit apparaat uitsluitend volgens de gegevens in\ deze gebruiksaanwijzing.
Deze machine (apparatuurdrager) is voor de inzet op oppervlakken, voor het onderhoud van plantsoenen en voor de winterdienst ontwikkeld.
- Het apparaat MIC 26C is er in de uitvoering met bestuurderscabine en in de uitvoering met beschermbeugel. De beschermbeugel kan bijvoorbeeld bij het maaien onder bomenaar achteren worden geklapt. Het apparaat met beschermbeugel mag om veiligheidsredenen (wegslingerende stenen, stof enz. bij het vegen) Niet worden gebruikt voor werkzaamheden met het veegsystem!
-Het apparatus is alleen met de aanbouwset StVZO (op-tioneel vanaf fabriek) voor het gebruik op openbare we-gen te gebruiken.
-Verscheidene hulpstukken (niet bij de levering inbegrepen) können aan de machine zowel van voren als van achteren aangebracht worden. Hulpstukken, die de veiligheid of stabiliteit van de machine in gevaar brengen, mogen Niet gebruikt worden.
BELANGRIJK! Alvorens hulpstukken aan te brengen, die nicht specialaal voor deze machine gemaakt zijn, dient u contact op te nemen met uw bevoegde handelaar, om te controleren hoe deze apparaten aangebracht en gebruikt worden. Dat is belangrijk voor de verilgheid van bestuurder en machine, alsook voor eventuele garantieaanspraken. - Deze machine (apparatuurdrager) is bij levering bedrijfsklaar. Juiste behandeling en juist onderhoud verhogen de bedrijfszekerheid en levensduur van de machine.
- De machine kan ook als trekker gebruikt worden (aanhangwagenkoppeling is optioneel verkrijgbaar).
-Het apparaat mag Niet in gesloten ruimtes gebruikt worden. - Over het algemeen geldt: Licht ontvlambare stoffen uit de buurt van het apparaat honden (explosion-/brandgevaar).
-
Wonneer aan dechterlijke van het apparaat geen werkinstallatie is bevestigd, moet het compenserende gewicht zeker aan dechterlijke aangebracht zich.
-
Er mag alleen gereden worden op de door de ondernemer of diens gemachtigde voor het machinegebruik vrijgegeven oppervlakken.
2.1.1 Voorzienbaar verkeerd gebruik
Elk nicht-reglementair gebruik is verboden. De gebruiker is zich aansprakelijk voor gezaren die ontstaan door nicht-ge- autoriseerd gebruik.
Het gebruik voor andere dan in deze gebruiksaanwijzing beschreiben doeleinden is verboden.
Het vervoeren van Personen op het voertuig, het laadopervlak of de aanbouwapparaten is Niet toegestaan.
Er mogen geen veranderingen van het voertuig uitgevoerd worden.
Het verwlij in de gezavenzone is verboden. Niet gebruiken in ruimtes met ontploffingsgevaar.
2.2 Zwaartepunt

Positie zwaartepunt zonder gemonteerde aanbouwtoestellen.
Opstellingen aan de achterkant van het voertuig en de laadtoestand beinvloeden het zwaartepunt van het voertuig en dus ook het rijgedrag.
Wanner aan dechterzijde van het apparaat geen werkinstallatie is bevestigd, moet het compenserende gewicht zeker aan dechterzijde aangebracht+zijn.
3 Algemene aanwijzingen
Als u bij het uitpakken transportschade constasteert, neem dan contact op met uw distributeur.
- Gebruiksaanwijzing en veiligheidsinstrumenties van de op het apparaat aangebrachten werkinstallations lezen en inRCTn.
- De op het apparaat aangebrachte waarschuwings- en aanwijzingsborden geben aanwijzingen voor gebruik zonder gevaar.
- Naast de aanwijzingen in de gebruiksaanwijzingen要去en de algemene verilgheidsvoorschriften en voorschriften ter vermijding van ongevallen van de wetgeber in acht genomen worden.
- In deze gebruiksaanwijzing hebden begrippen apparaat, apparaathouder, machine of voertuig bezelfde betekenis.
3.1 Milieubescherming, REACH en afdanking van het oude voertuig
3.1.1 Milieubescherming
Het verpakkingsmaterial is herbruikbaar. De-poneer het verpakkingsmaterial Niet bij het huishoudelijk afval, maar bied het aan voor her-gebruik.
Batterijen, olie, brandstof en gelijaardige stoffen mogen Niet in het milieu terechtkomen. Die stoffen要去 via geschikte inzamelsystemen afgevoerd worden.
3.1.2 Stoffen (REACH)
Actuele informatatie over stoffen vindt u onder: www.kaercher.de/REACH
3.1.3 Afdanking van het oude voertuig
Oude voertuigen bevatten waardevolle recyclebare materialen die moeten worden hergebruikt. Wij adviseren om bij de afdanking van uw voertuig samen te werken met een gespecialiseerd afvalverwerkingsbedrijf.
3.2 Garantie
In elk land gelden de door once bevoegde verkoopmaatschappij uitgegeven garantievooraarden. Eventuele storingen aan de accessoires herstellen wij binnen de garantieperiode kostenloos voor zover een materiaal- of productiefout de oorzaak is. Voor garantieaanspraken wendt u zich met uw aankoopbewijs tot uw handelaar of de dichtstbijzijnde, bevoegde klantendienst.
3.3 Toebehoren, reserveonderdelen, aanbouwsets
Er mogen enkel toebehoren, reserveonderdelen en aanbouwsets gebruikt worden die door de fabrikant zich vrijgegeben.
Om risico's te vermijden, mogen reparations en het verran-gen van onderdelen aan het apparaat alleen worden uitgevoerd door een erkende klantendienst.
Verdere informatatie over reserveonderdelen vindt u op www.kaercher.com bij Service.
3.4 Symbolen in de gebruiksaanwijzing
△GEVAAR
Waarschuwt voor een direct dreigend gevaar, dat tot ernstige lichamelijkke letsels of de dood leidt.
WAARSCHUWING
Waarschuwt voor een möglichk gevaarlijke situatie, die tot ernstige lichamelijke letsels of de dood zou konnen leiden.
△VOORZICHTIG
Verwijzingaar een mogelijk gevaarlijke situatie, die tot lichte letsels of materiele schades kan leiden.
LET OP
Verwijzing maar een möglichke gevaarlijke situatie die tot materiele schade kan leiden.
3.5 Symbolen op het apparaat

VOORZICHTIG
Verbrandingsgevaar door hete oppervlakken! Laat de uitlaatinstallatie voldoende afkoelen voordat u aan het apparaat begint te werken.

VOORZICHTIG
Verbrandingsgevaar door eventuelehete hydraulische selnkoppelingen. Om de verbindingen te scheiden,要去 handschoenen gedragen worden.

△GEVAAR
Gevaar voor kneuzing. Erop letten dat er zich tijdens het bedrije fiemand in de buurt van het knikgewricht bevindt.


△WAARSCHUWING
Gevaar voor kneuzing. Handen uit de buurt honden van de gemarkeerde plaats.


VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar. Niet betreten.

△GEVAAR
Gevaar voor kantelen. Enkel terreinen berijden met een max. zijdelingse helling van 10% .

Vul hier koelmiddel.

4 Veiligheidsinstructies
4.1 Algemene veiligheidsinstructies 4.2 Werkkleding
- Het apparaat met de werkinstallations要去 voor gebruik gecontroleerd worden op deugdelijkheid en bedrijfsveiligheid. Indien zich Niet in goede staat verkeren, mag u de apparatuur Niet gebruiken.
-
Bij gebruik van het apparaat in gevaarlijke omgevingen (bijvoorbeeld tankstations)要去en de overeenkomstige verilgheidsvoorschriften in acht genomen worden. Niet gebruiken in ruimtes met ontploffingsgevaar.
-
Werkzaamheden aan het apparaat algijd met geschikte handschoenen uitvoeren.
- Let op nauw aansluitende kledij van het bedieningspersoneel. Draag veiligheidsschoenen en vermijd loshangende kledij.
- Draag geschikte hoofdbedekking zoday staarten of Lange haren nicht kuren worden gegren door roterende onderdelen.
- Draagijdens het werk geen juwelen, ringen e.d.
4.3 Instructies inzake uitladen
△GEVAAR
Verwondingsgevaar, beschadigingsgevaar! Gewicht van het apparaat bij het verladen in ache nemen!
Leeggewicht (zonder aanbouwsets) 870 - 944 kg *
- Indien aanbouwsets gemonteerd zijn, is dat gewicht overeenkomstig hoger.
△GEVAAR
Het voertuig is Niet toegelaten voor kraanbelading. Gebruik geen vorkheftruck, het apparaat zou beschadigd können worden.
4.4 Veiligheidsinstructies voor de bediening
- Degene die het apparaat bedient dient het te gebruiken volgens de voorschriften. Deze dient rekening te houden met deplaatselijke omstandigheden en bij het werk met het apparaat te letten op derden, special op kinderen.
- Het apparaat mag nooit onbeheerd worden achtergelaten zolang de motor nog draait. De bediener mag het apparaat pas verlaten, als de motor is uit gezet, het apparaat gegen onbedoelde bewegingen is afgeschermd, eventueel de handrem is aangetrokken en de contactseuteluit het contact is gehald.
- Het apparaat mag alleen door personen worden gebruikt die voor de omgang ermee zich opgeleid of hun vaardigheden in het bedieren hebben aangetoond en uitdrukkelijk de opdracht hebben gekreten voor het gebruik.
- Kinderen of nicht-geinstrueerd personeel mogen het apparaat Niet gebruiken.
- Het apparaat mag gebruikt worden door Personen met beperkte fysische, zintuigelijkke of mentale capacititen of gebrek aan ervaring en kennis, op voorwaarde dat ze onder toezicht staan of over het veilige gebruik van het apparaat werden ingelicht en de waaruit resulteren de bevaren begrijpen.
- Over kinderen dient toezicht te worden gehonden, om te waarborgen dat ze Niet met het apparaat spelen.
-Kap Niet openen bij een lopende motor.
4.5 Veiligheidsinstructies voor de rijmodus
- De voor motorrijtuigen voorgeschreven maatregelen, regels en verordingen dieren.altijd te worden opgevolgd.
- Het apparaat mag nicht worden gebruikt door kinderen ofjongeren.
- Het meenemen van begeleidende Personen is nicht togeteastan.
- Om onbevoegd gebruik van het apparaat te voorkomen, dient men de contactsleutel te verwijden.
- Ongevalgevaar door verminderd remvermogen. Geen voetmat in de bestuurderscabine leggen. In de bestuurderscabine mogen zich geen losse voorwerpen bevinden die onder het gaspedaal+kunnen schuiven.
GEVAAR
Verwondingsgevaar!
Voor elk gebruik moet de veiligheidscontrole in het hoofdstuk „Inbedrijfstelling“ uitgevoerd worden.
- Alle bedieningshendels en schakelaars要去en voor het starten van de motor in de neutrale stand staan. De bestuurder要去 bij het starten op de bestuurdersstoel zitten. Het rijpedaal magijdens de startprocedure Niet gebruikt worden.
- Draag tijdens ritten en bij het werk een veiligheidsgor del.
- Het voertuig mag enkel vanop de bestuurdersstoel in beweging gezet worden.
Bij transportritten moet het frontrek maximaal omhooggeheven en geblokkeerd worden, waaroor hendel helemaal maar boven trekken. - Bijzondere voorzichtigheid betrachten bij werken aan hellingen en greppels.
△GEVAAR
Kantelgevaar!
Een voertuig met knikbesturing gedraagt zich bij draaibewegingen aanzienlijk anders dan een auto.
Berijd in rijrichting enkel stijgingen en dalingen tot 25% .
Vermijd abrupte draaibewegingen.
In bochten langzaam rijden.
Kantelgevaar bij onstabiele ondergrond.
Kantelgevaar bij de zijwaartse hellingen. Gevaar voor kantelen. Enkel terreinen berijden met een max. zijdelingse helling van 10% .
Vermijd het plots nemen van bochten tijdens het berg-op of bergaf rijden en zijwaarts rijden op hellingen.
Pas de rijnselheid bij voorwaarts rijden en het nemen van bochten aan de omgevingsomstandigheden en de laadtoestand aan.
Let erop dat het remgedragijdens het rijden en transport afwijkend is!
4.5.1 Banden en bandendruk
Vooraleer u de vuldruk van de banden corrigeert,要去 gecontroleerd worden of de drukverlager aan de compressor juist is ingesteld.
- Maximum vuldruk van de banden nicht overschrijden. De toegelaten vuldruk van de banden要去 aan de band en eventueel aan de veld afgelezen worden. Bij verschillende waarden要去 dekleinstwaarde in achegenomen worden.
- Informatie over de banden en de aanbevolen bandendruk vindt u in het hoofdstuk "Technische gegevens | Banden". Bovendien is er een sticker in de bestuurderscabine waarop de aanbevolen bandendruk worden vermeld.
4.6 Veiligheidsinstructies voor de verbrandingsmotor
- Voor de inbedrijfstelling de gebruiksaanwijzing van de motorfabrikant lezen en in het bijzonder de veiligheids-instructies in ache nemen.
GEVAAR
Verwondingsgevaar!
- De uitlaat mag nicht geblokkeerd worden.
- Niet over de uitlaat buigen of deze aanraken (verbrandingsgevaar).
- Raak de verbrandingsmotor Niet aan of neem hem nicht vast (verbrandingsgevaar).
- Verbrandingsgevaar. Vooraleer de bekledingen worden weggenomen, het apparaat lately afkoelen.
- Gevaar voor brandwonden! Nooit het afsluitdeksel van de koeler bij bedrijstemperatuur openen. Het reservoir staat onder druk.
- Uitlaatgassen zijn schadelijk voor de gezondheid,zemogen Niet worden ingeademd.
- De motor heeft ca. 5 seconden naloop nodig na het uitzetten. In dezeijd absolutuit uit de buurt blijven van het aandrijfbereik.
- Verwondingsgevaar door onbeschermd ventilatorwiel
- Gebruik enkel de in de gebruiksaanwijzing vermelde brandstof. Bij gebruik van ongeschichte brandstoffen bestaat explosiegevaar (zie hoofdstuk „Technische gevevens").
- Let er bij het tanken op dat er geen brandstof op hete oppervlakken komt.
- Bij de werkking van het apparaat in ruimten moet gezorgd worden voor voldoende verluchting en afvoer van de uitlaatgassen (vergiftigingsgevaar).
4.7 Veiligheidsinstructies over het transport van het apparatus
Bij vervoer van het apparatusat dient u de motor af te zetten en het apparatusat goed vast te zetten.
Hiervoor worden verwezen maar het hoofdstuk „Transport".
4.8 Veiligheidsinstructies over verzorging en onderhoud
- Voor reinigings- en onderhoudswerkzaamheden van het apparaat, het verrangen van onderdelen of het ombouwen voor een andere functie dient het apparaat te worden uitgeschakeld en eventueel de contactsleutel te worden verwijderd.
- Reparaties mogen uitsluitend door goedgekeurde klantenserviceworkplaatsen of door vaklui voor dit gebied worden uitgevoerd die met de betreffende veiligheidsvoorschriften ver Trouwd�.
- Veiligheidscontrole volgens deplaatselijk geldige voorschriften voor vanplaats veranderlijke, industrieel benutte apparaten opvolgen.
- Knikgewricht, dichtingen, elektrische en elektronische onderdelen mogen nicht met de hogedrukreiniger of waterslang gereinigd worden.
4.9 Veiligheidsinrichtingen
4.9.1 Zitcontactschakelaar
Wanner zich geen bediener op de chauffeursstoel bevindt, zich functies met een verhoogd, potenteel gevaar geblokkeerd.
4.9.2 Startblokkering
Om de motor te starten, moet het rempedaal ingedrukt worden.
5 Bedieningeselementen
5.1 Apparaat met beschembeugel

1 Stuurkolom *
2 Conso l e
3 Stuurwiel
4 Rolbeugel, opklapbaar
5 Zwaailicht (optie)
6 Werklicht
7 Rijverlichting/richtingaanwijzer (optie)
8 Tanksluiting
9 Bevestigingspunt voor aanbouwapparaten
10 Kijkglas hydraulische olie
11Tankweergave
12 Bestuurdersstoel
13 Pedalen *
14 Hydraulische hefinrichting voren
* zie understands ge detailleerd aanzicht
Het apparaat met beschermbeugel mag om veiligheidsreden (wegslingerende stenen, stof enz. bij het vegen) Niet worden gezruikt voor werkzaamheden met het veegsystemeem!
5.2 Apparaat met bestuurderscabine


19
1 Pedalen
2 Ventilatie / airconditioning (optie) *
3 Stuurkolom *
4 Stuurwiel
5 Bestuurdersstoel
6 Plafondconsole *
7 Noodhamer
8 Dimlicht / knipperlicht
9 Ruitenwisser
10 Werklicht
11 Zwaailicht
12 Achteruitkijkspiegel
13 Deurkruk *
$$ F = v o l $$
$$ E = l e e g $$
14 Tanksluiting
15 Oliepeilglas hydraulische olie
16 Achterwagen
17 Achterlichten
18 Compenserend gewicht met trekhaak
19 Hydraulische verbindingen PTO
20 Hydraulische heinrichting voren
21 Aansluitingen AUX
22 Reservoir ruitensproei-inrichting
23Tankweergave
* zie understands gehende aanzicht
5.2.1 Ventilatie / airconditioning (optie)

1 Schakelaar ventilator
2 Temperatuurregelaar verwarming
3 Regelaar koelvermogen (optie)
1 Schakelaar ruitenwisser, 2 trappen
2 Schakelaar zwaailicht
3 Schakelaar werkverlichting
4 Schakelaar voor optie (bv. verwarmbare buitenspiegel)
5 Knop ruitensproei-inrichting
5.2.3 Deurkruk

1 Deurontgrendeling binnen
5.3 Stuurkolom

1 Ventilate
2 Controlelampje knipperlicht
3 Schakelaar noodknipperlichtinstallatie
4 Klemschroef hoogteregeling stuurwiel
5 Bedrijfsurenteller werkhydraulica
6 Controlelampje parkeerrem
7 Weergave lossende stand AUX 1
8 Klemschroef stuurwielstand
9 Weergave lossende stand lift aan voorzijde
10 Multifunctionele hendel voor verlichting, knipperlichten en claxon
5.4 Multifunctionele hendel voor verlichting, knipperlichten en claxon
- Claxonneren: hendel omhoog drukken
- Knipperen: hendel maar rechts of links
- Parkeerlicht en dimlicht: ring draaien (tegen de klok in)
Grootlicht: hendel bij ingeschakeld dimlicht waar voren drukken - Lichtsignaal: hendel maar achefteren trekken
5.5 Pedalen

1 Rempedaal
2 Vergrendeling rempedaal (parkeerrem)
3 Aanslag werksnelheid
4 Rijpedaal vooruit
5 Rijpedaal achteruit
5.5.1 Parkeerrem hanteren
Rempedaal volledig induwen.
Vergrendeling laten vastklikken.
Rempedaal loslaten.
5.5.2 Parkeerrem loslaten
Rempedaal volledig induwen.
Vergrendeling losmaken.
Rempedaal loslaten.
5.6 Oplooprem (optie)
Met de draaiknop voor neerlaatsnelheid kan de neerlaatsnelheid van het frontrek ingesteld worden.

1 Draaiknop oplooprem
A Draairichting „Zaksnelheid verhogen"
B Draairichting „Zaksnelheid verlagen"
Door te draaien in draairichting B tot de eindaanslag blokkeert u de voorste hefinrichting. Tip
Is nodig om bij transportritten op de openbare weg de voorste hefinrichting en dus ook het zakken van de aanbouwapparaten te blokkeren.
5.7 Aansluitingen
Begripsdefinitie AUX: auxiliary = extra bedieningsklep
Begripsdefinitie hydraulische PTO: Power Take Off = hydraulische krachtafgifte
Begripsdefinitie elektrische PTO: Power Take Off = elektrische krachtafgifte
5.7.1 Voren


1 Hydraulische verbindingen AUX2
2 Hydraulische verbindingen AUX1
3 Hydraulische verbindingen 2.PTO
4 Wateraansluiting (bijv. voor borstelaansluiting)
5 Contactdoos E1
6 Hydraulic verbindungen PTO
7 Lekkagekoppeling
5.7.2 Achteren

1 Contactdoos E4-achteraan, 7-polig
2 Contactdoos E3-achteraan, 3-polig
3 Hydraulische verbindingen AUX2
4 Hydraulische verbindingen 2.PTO
5.7.3 Aan de volgwagen

1 Wateraansluiting
2 Contactdoos E3-vooraan
5.8 Bedieningspaneel (bij apparaat met bestuurderscabine)

1 Waarschuwingslampje laadcontrole batterij
2 Waarschuwingslampje temperatuur hydraulische olie
3 Waarschuwingslampje koelwatertemperatuur
4 Waarschuwingslampje oliedruk
Stand 1: Waterkoppeling voren aan
Stand 0: Waterkoppeling voren uit
Stand 2: Watercirculationsysteme uitschakelen (optie)
7 Knop
Stand 1: Hydraulic Main PTO aan
Stand 0: Hydralica Main PTO ui
8 Contactslot
9 Boardcontactdoos 12 V
10 Installing toerental motor
11 Bedrijfsurenteller motor
12 Knop met vergrendeling
Hydraulic Main PTO permanent aan
Functie alleen in verbinding met vergrendelde parkeerrem en knop 7
13 Niet bezet
14 Niet bezet
15 Hoofdschakelaar lossende stand
16 Bedieningshendel voor optioneel vuilreservoir
17 Instelling toerental PTO
18 Bij werkzaamheden met zuigmond (optie)
Stand A - zuigmond nicht vergrendeld
Stand B - zuigmond vergrendeld
19 Bedieningshendel 2.PTO aansluiting Bij optionele zichbezem:

Zijbezem in, vegen

Zijbezem stop

Zijbezem in, verandering draairichting
20 Joystick
5.8.1 Contactslot

A Symbool verwarmingsspiraal: Voorgloeien
C Stand 1: Ontsteking aan
D Stand 2: Motor start
5.9 Werking joystick (bij apparaat met bestuurderscabine)

1 Joystick
2 Toets voor
3 Functietoetsen
A - blauw
B - rood
C - groen
D - grijs
Met de joystick worden bestuurd:
Aansluiting AUX elektrisch 12 V
Bij de selectie van een lossende standlicht een overeenkomstigeindicatie op.
5.9.1 Bediening
| Lift aan voorzijde (met lossende stand) | ||
| Hoofdschakelaar lossende stand console) | Functietoets Joystick | |
| Activeren Grijze toets | (D) in- drukken | --- |
| Lift aan voorzijde (zonder lossende stand) | ||
| Hoofdschakelaar lossende stand console) | Functietoets Joystick | |
| Deactiveren --- maar | voren/acht- | ren bewegen |
| Aansluiting AUX 2 (met lossende stand) | ||
| Hoofdschake- laar lossende stand (console) | Functietoets Joystick | |
| Activeren Groene | toets (C) indrukken | --- |
| Aansluiting AUX 2 (zonder lossende stand) | ||
| Hoofdschakel- laar lossende stand (console) | Functietoets Joystick | |
| Deactiveren --- maar | links/rechts | bewegen |
| Aansluiting AUX 1 | ||
| Toets voor (joy-stick) | Functietoets Joystick | |
| Indrukken en ingedrukt honden | ---aar links/rechtsbewegen | |
| Aansluiting AUX elektrisch 12 V | ||
| Toets voor (joy-stick) | Functietoets Joystick | |
| --- Functietoetsen | blauw of rood (A/B) indrukken | --- |
5.9.2 Weergave lossende stand

1 Weergave lossende stand AUX 1
2 Weergave lossende stand lift aan voorzijde
Bij de selectie van een lossende standlicht een overeenkomstigeindicatie op.
5.10 Bedieningspaneel (bij apparaat met beschembeugel)

A Bedieningshendel, klikt in
Tweede PTO aansluiting: voorwaarts/achterwaarts
B Bedieningshendel
Hydraulische hefinrichting voren omhoog/omlaag
C Bedieningshendel AUX 1 aansluiting
D Bedieningshendel AUX 2 aansluiting
Multifunctionele hendel in verbinding met werktuigdraer voren en onkruidbezem verkrijgbaar (optioneel).
E Bij werken met zuigmond (optioneel)
Stand E2 - Zuigmond vergrendeld
1 Waarschuwingslampje laadcontrole batterij
2 Waarschuwingslampje temperatuur hydraulische olie
3 Waarschuwingslampje koelwatertemperatuur
4 Waarschuwingslampje oliedruk
Stand 1: Waterkoppeling voren aan
Stand 0: Waterkoppeling voren uit
Stand 2: Watercirculationsystem uitschakelen (optie)
7 Knop
Stand 1: Hydraulica Main PTO aan
Stand 0: Hydralica Main PTO uit
8 Contactslot
9 Boardcontactdoos 12 V
10 Instelling toerental motor
11 Bedrijfsurenteller motor
12 Knop met vergrendeling
Hydraulica Main PTO permanent aan
Functie alleen in verbinding met vergrendelde parkeerrem en knop 7
13 Omschakeling AUX 2 voren/achteren
14 Instselling toerental PTO
5.10.1 Contactslot

A Symbool verwarmingsspiraal: Voorgloeien
B Stand STOP: motor uit
C Stand 1: Ontsteking aan
D Stand 2: Motor starten
5.11 Werking bedieningshendel (bij apparaat met bestuurderscabine)

5.11.1 Functie bedieningshendel A
0 Ruststand
1 Aan de tweede PTO aangesloten aanbouwappara- ten voorwaarts, hendel klikt in
2 Aan de tweede PTO aangesloten aanbouwapparaten awhiles, hendel klikt in
3 Rijrichting vooruit

5.11.2 Functie bedieningshendel B
0 Ruststand
1 Hydraulische hefinrichting voren worden neergelaten, hendel klicht nicht in VOORZICTIG Gevaar voor beschadiging! In deze hendelstand kan de aanbouwset (optie) voor oneffenheden in de grond Niet uitwijken.
2 Hydraulische hefinrichting voren is neergelaten en bevindt zich in zwevende positie, werkgereedschap volgt de grond (bijv. bezem), hendel klikt in
3 Hydraulische hefinrichting voren worden opgeheven, hendel klicht nicht in
4 Rijrichting vooruit

5.11.3 Functie bedieningshendel C
0 Russtand
1 Aan AUX 1 aangesloten aanbouwapparaten maar voren, hendel klikt nicht in
2 Aan de AUX 1 aangesloten aanbouwapparaten
naar achefteren, hendel klicht Niet in
3 Rijrichting vooruit

5.11.4 Functie bedieningshendel D
0 Ruststand
1 Aan AUX 2 aangesloten aanbouwapparaten na r voren, hendel klikt nicht in
2 Aan de AUX 2 aangesloten aanbouwapparaten\
haar achefteren, hendel klikt nicht in
3 Rijrichting vooruit
6 Voor de inbedrijfstelling
6.1 Voör erste inbedrijfstelling
Documentatas volgens de bijgevoegde handleiding bevestigen aan de achtermuit.
6.2 Tanken
△Gevaar
Explosiegevaar!
Niet in gesloten ruimtes tanken.
- Roken en open vuur is verboden.
- Let erop dat er geen brandstof op hete oppervlakken komt.
Motor uitzetten.
Tankdop openen.
Diesel tanken.
Uitsluitend de in de gebruiksaanwijzing aangegeven brandstof mag worden gebruikt.
Pistol van brandstofvulslang zo ver möglichk in de vulpijp stoppen. Zodra het volgens voorschrift gebruike pistool van de brandstofvulslang voor de eerste keer af-slaat, dan nicht meer verdter tanken.
Overgelopen brandstof wegvegen en vuldop van brandstoftank sluiten.
6.2.1 Tanken met jerrycan
Hoeveelheid brandstof van te voren schatten, om overlopen te verhinderen.
6.3 Ruitensproei-inrichting vullen
Alleen apparaat met bestuurderscabine

1 Reservoir ruitensproei-inrichting
2 Deksel
Deksel verwijderen.
Vloeistof vullen.
Deksel sluiten.
6.4 Chauffeursstoel instellen
△GEVAAR
Ongevalgevaar. Bestuurdersstoel Niet instellenijdens derit.
6.4.1 Standaardstoel

1 Hefboom stoelverstelling
2 Draaigreep vering
3 Verstelling rugleuning
4 Weergave veerinstelling
5 Instelwiel hoogte armleuning
Op de chauffeursstoel plaatsnemen.
Hendel stoelverstelling waar boven trekken en stoel in de gewenste positie verschuiven.
Hendel stoeverstelling loslaten en stoel inklikken.
Helling van de rugleuning instellen met de draaigreep Helling rugleuning.
Hoogte van de armleuningen instellen aan de instelwielen.
Draaigreep Vering zodanig instellen dat de wijzer van de weergave Vering in het groene veld staat.
6.4.2 Comfortstoel (optioneel)

1 Hefboom stoelverstelling
2 Hoogteverstelling
Om te verlagen: knop uittrekken
Om te verhogen: knop indrukken (bij draaiende motor)
3 Verstelling rugleuning
4 Veiligheidsgordel
De demping van de bestuurderstoel gebeurt automatisch.
6.5 Stuurwielstand instellen 6.6 Vóór de start/veiligheidscontrole
△GEVAAR
Ongevalgevaar. Stuurwielstand Niet instellenijdens de rit.

1 Klemschroef hoogteregeling stuurwiel
2 Klemschroef stuurwielstand
Klemschroef hoogteregeling stuurwiel losdraaien.
Stuurwiel instellen op de gewenste hoogte.
Klemschroef aanspannen.
Klemschroef stuurwielstand losdraaien.
Gewenste helling van de stuurkolom instellen.
Klemschroef aanspannen.
△GEVAAR
Ongevalgevaar, verwondingsgevaar. Zodra een punt van de veiligheidscontrole Niet verruld worden, mag het apparaat Niet in bedrijf genomen en要去 het gerepareerd worden.
Voor ieder gebruik moet de volgende veiligheidscontrole uitgevoerd worden:
6.6.1 Veiligheidscontrole
Veiligheidscontrole bij ingeschakelde ontsteking (stand 1)uitvoeren.
Bij geloste parkeerrem: Gaspedaal losesn, hydraulica Main PTO uitschakelen - de motor mag bij het draaien aan de contactsleutel (stand 2) Niet starten
Bij bedieren van rempedaal: Hydraulica Main PTO inschakelen - de motor mag bij het draaien aan de contactseutel (stand 2) Niet starten
Bij lopende motor: Hydralica Main PTO inschakelen, bestuurdersstoel ontlasten - de hydraulica Main PTO要去 vanzelf uitschakelen
6.7 Dagelijkse
onderhoudswerkzaamheden
Dagelijke onderhoudswerkzaamheden uitvoeren (zie „Onderhoud en instandhouding")
7 Wer k i n g
GEVAAR
Gevaar voor kneuzing. Erop letten dat er zichijdens het bedrijf niemand in de buurt van het knikgewricht bevindt. Verbrandingsgevaar, knelgevaar Apparaat enkel gebruiken wonneer alle delen van de behuizing� aangebracht.
VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar door oververhitting van de krachtoverbrenging en de rem. Rempedaal tijdens de rit enkel gebruiken wonneer het apparaat bij het loslaten van de rempedaal c.q. een korte bediening Niet stopt.
Beschadigingsgevaar door ontbrekende smering. Bij het oplichten van het waarschuwingslampje Oliedrukijdens het bedrijf要去 de motor ommiddelijkuitgeschakeld en de storing opgelost worden.
Beschadigingsgevaar door oververhitte motor of hydraulische olie. Bij het oplichten van het waarschuwingslampje Motortemperatuur of Temperatuur hydraulische olie, mortoerental op nullast zieten (motor Niet uitzetten) en maatregelen uitvoeren zoals in het hoofdstuk „Storingen".
7.1 Rijden
WAARSCHUWING
Het apparatus haeft een centraal scharnier waarmee maxi-male bewegelijkheid worden verzekerd.
Hierdoor konnen beiden voertuighelften dwars t.o.v. de rijrichting onafhankelijk van elkaar bewegen.
Door deze speciale constructie krijt de bestuurdner nicht meteen een reactie van de achefterste voertuighelft.
Daarom要去en de bewegingen van deijkenkant tijdens het rijden met de spiegel in het oog worden gehonden.
Vooral bij het snel nemen van bochten reageren voertui gen met knikbesturing op sneeuw, ijs, natte of lose odergrond en bij draaimanoeuvres op een helling aanzienlijk gevoeliger op draaibewegingen dan auto's.
Hierdoor is het zeer lastig om een voertuig met knikbesturing door tegensturen te stabiliseren!

1 Rempedaal
2 Vergrendeling rempedaal (parkeerrem)
3 Aanslag werkslendheid
4 Rijpedaal vooruit
5 Rijpedaal achteruit
7.1.1 Parkeerrem loslaten
Rempedaal volledig induwen.
Vergrendeling maar achefteren draaien.
Rempedaal loslaten.
7.1.2 Motor starten
Voet van het gaspedaal nemen.
Mortortoerental op stand MIN zetten.
Rempedaal volledig induwen.
Het controelampje Parkeerrem moet branden.
Bij een lage buitentemperatuur de contactsleutel gedurende ca. 3 seconden in de stand Voorgloeien draaien.
Contactsleutel op Motor starten draaien en vasthouden tot de motor gestart is.
Contactsleutel loslaten. De contactsleutel gaat in stand, motor in.
Rempedaal loslaten.
VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar door oververhitting van de krachtoverbrenging en de rem. Apparaat Niet verrijden met een geactiveerde rem.
Na een koude start het apparaat met motortoerental op MIN latentewarmdraaien zodate de hydraulische olie de bedrijfstemperatuur bereikt.
De opwarduur hangt af van de omgevingstemperatuur en kan in het onderstaande diagram afgelezen worden.

7.1.3 Rijden
LET OP
Als het rijpedaal worden losgelaten, vertraagt de snelheid anders dan bij auto's.
In de transportmodus is de remvertraging bij het loslaten van het rijpedaalkleiner dan in de werkmodus.
Apparatuur optillen.
Zuigmond en zijbezems optillen (bij veegmachine).
Motortoerental op ECO zetten.
Langzaam op het gaspedaal drukken.
Rijrichting met het stuurwiel regelen.
7.1.4 Stoppen
Rijpedaal loslaten of kort achechteruit bewegen, het apparaat remt zich en blijft staan.
Rempedaal enkel bedieren wonneer het apparaat on-danks de bovengenoemde maatregelen nicht stopt.
VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar voor het aandrijsystemm. Rem enkel in noodegevallen en als parkeerrem bij een stilstaand apparaat en Niet als bedrijfsrem gebruiken.
7.1.5 Over hindernissen heb rijden
WAARSCHUWING
Beschadigingsgevaar! Zijbezems en zuigmond voor het rijden over hindernissen opheffen.
Hindernissen tot een hoogte van 150 mm:
Langzaam en voorzichtig in een hoek van 45^ voorwaarts over hindernis rijden.
Hindernissen van meer dan 150 mm hoogte:
Er mag alleen over hindernissenBeen gereden worden met een geschikte oprijdrempel.
△Waarschuwing
Gevaar voor beschadiging! Verzeker u ervan, dat het voertuig Niet erop rust.
7.2 Apparaat uitzetten
Werkapparaat optillen.
Apparaat stopzetten.
Schakel de PTOuit.
Motortoerental op stand MIN zetten.
Motor 1 tot 2 minutes in de nullast laten draaien.
Contactsleutel in de stand "STOP" draaien en contact-sleutel verwijderen.
Parkeerrem bedienen.
Bij kans op vorst controlleren of er voldoende antivirusismiddel in het koelwater zit.
7.4 Transport
WAARSCHUWING
Gevaar voor letsels en beschadigingen! Houd bij het transport rekening met het gewicht van het apparaat.
Ongevalgevaar: Het apparaat moet bij transport gegen verschuiven gezekerd zich.
VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar! Het apparaat nooit aan het bezemsystemeien bevestigen ofwegslepen (bij veegmachine).
Apparaat uitzetten en parkeerrem vergrendelen.
Voertuig met spanriemen op de bevestigingsogen links en rechts beveiligien.

Afbeelding symbolisch
8 Opbouwsets
In dit hoofdstuk worden een selectie van de meest gangbare aanbouwsets vermeld en de montage aan het apparaat weergegeven.
Neem voor vragen (waaronder over andere aanbouwsets) contact op met Kärcher.
Lees voor de montage en het gebruik van de aanbouwset alsijd de afzonderlijke handleiding en de verilgheidsinstru-ties van de aanbouwset.
Op dit moment zich de volgende aanbouwsets voor de MIC 26 verkrijngbaar:
Maaidek 125 cm
-
Maaidek 135 cm
-
Frontveegwals
Sneeuwploeg
-
S t r o o i e r
-
Laadbak
-
Veeginrichting met 2 bezems en veeggoedreservoir
-
Veeginrichting met 3 bezems en veeggoedreservoir
-
Onkruidbezem (alleen in verbinding met werktuigdra-ger voren)
-Balanceergewicht aan de achterkant
Aanhangwagenkoppeling
△WAARSCHUWING
Opstellingen aan de achterkant van het voertuig en de laadtoestand beinvloeden het zwaartepunt van het voertuig en dus ook het rijgedrag.
Bij het ombouwen van het voertuig, vooral van winter- maar zomerbedrijf, en bij wijzigende laadtoestanden要去 de bestuurder ermee rekening honden dat het rijgedrag verandert.
In het bijzonder bij transport van vloeistoffen konnen bijkomende golvende bewegingen het voertuig doein schomelen.
8.1 Bediening
Het aanbouwapparaat worden bediend via de joystick,zie hiervoor het hoofdstuk "Werking joystick".
8.2 Maaidek 125 cm
8.2.1 Hydraulische leidingen aansluten

Hydraulische slangen mesaandrijving
2 Contactdoos E1
Het aanbouwapparaat worden bediend via de joystick,zie hiervoor het hoofdstuk "Werking joystick".
8.2.3 Voorwaarden voor het bedrijf
-
Het compenserend gewicht (optie)要去 bij het rijden op de openbare weg achteraan het apparaat aangebrachteন.
-
Hoog motortoerental instellen.
Instructie:
De bodembelasting kan verminderd worden door het gebruik van de aanbouwset Grasbanden (2.851-089.0).
Bij een wegogenen veeggoedreservoir / schoonwater-tank bereikt met een hogere rijstabilititeit en een beter overzicht.
8.2.4 Na het maaien
Apparatuur en zuigmond lately zakken.
Bovenkant van de zuigmond met perslucht reinigen (bij veegmachine).
Radiateur reinigen.
8.3 Maaidek 135 cm
8.3.1 Hydraulische leidingen aansluten


Hydraulische slangen acheteruitworp (gekenmerkt met kabelbinder)
Hydraulische slangen mesaandrijving
8.3.2 Bediening
Het aanbouwapparaat worden bediend via de joystick,zie hiervoor het hoofdstuk "Werking joystick".
8.3.3 Voorwaarden voor het bedrijf
-
Het compenserend gewicht (optie)要去 het rijden op de openbare weg achteraan het apparaat aangebracht zich.
-
Hoog motortoerental instellen.
Instructie:
De bodembelasting kan verminderd worden door het gebruik van de aanbouwset Grasbanden (2.851-089.0).
Bij een weggenomen veeggoedreservoir / schoonwater-tank bereikt met een hogere rijstabilititeit en een beter overzicht.
8.3.4 Na het maaien
Apparatuur en zuigmond lately zakken.
Bovenkant van de zuigmond met perslucht reinigen (bij veegmachine).
Radiateur reinigen.
8.4 Keerrol vooraan
8.4.1 Hydraulische leidingen aansluten


Hydraulische verbindingen draiaaandrijving
Hydraulische verbindingen keerrolaandrijving
3 Hydraulische slangen keerrolaandrijving
4 Hydraulische slangen draiaaandrijving
8.4.2 Bediening
Het aanbouwapparaat wordt bediend via de joystick, zie hiervoor het hoofdstuk "Werking joystick".
8.5 Sneeuwruimschild
8.5.1 Hydraulische leidingen aansluten

Het aanbouwapparaat wordt bediend via de joystick, zie hiervoor het hoofdstuk "Werking joystick".
8.5.3 Begrenzingslampen (optie) aansluten

Kabels leggen zoals hierboven weergegeven.
Stekker achteraan de veegmachine insteken.
8.5.4 Voorwaarden voor het bedrijf
- Indien geen strooier gemonteerd worden,要去 bij een gedemonteerd veeggoedreservoir / waterreservoir het compenserende gewicht (optie) voor het rijden op de openbare weg achteraan het apparaat aangebrachtঃ.
Instructie:
Bij een weggenomen veeggoedreservoir / schoonwater-tank bereikt met een hogere rijstabilititeit en een beter overzicht.
8.6 Sneeuwfrees
8.6.1 Hydraulische leidingen aansluten


Het aanbouwapparaat worden bediend via de joystick,zie hiervoor het hoofdstuk "Werking joystick".
8.6.3 Begrenzingslampen (optie) aansluten

Kabels leggen zoals hierboven weergegeven.
Stekker achteraan de veegmachine insteken.
8.6.4 Voorwaarden voor het bedrijf
- Indien geen strooier gemonteerd worden,要去 bij een gedemonteerd veeggoedreservoir / waterreservoir het compenserende gewicht (optie) voor het rijden op de openbare weg achteraan het apparaat aangebrachtঃ.
Instructie:
Bij een wegogenen veeggoedreservoir / schoonwater-tank bereikt met een hogere rijstabilititeit en een beter overzicht.
8.7 Strooier
8.7.1 Aanbouwbok bevestigen
Motor uitzetten, contactsleutel uittrekken.

1 Borgpen
2 Aanbouwbok
Borgpen door draaien ontgrendelen en eruit trekken.
Aanbouwbok in beiden vierkante buizen achteraan het apparatusaat schuiven.
Borgpen erin schuiven en door draai beveiligigen.

Spatbescherming aanbrengen zodate de koeler beschermd is gegen het strooigoed.
8.7.2 Strooiwals bevestigen

1 Stift
2 Borgpen
3 Klap stekk er
Strooiwals optillen en stiften in de geleidegleuven onderaan het aanbouwbok hangen.
Geleidegleuven dicht bij het voertuig gebruiken.
Strooiwals uitrachten en met de borgpen bevestigen.
Borgpen met klapstekker beeiligen gegen loskomen.
8.7.3 Schotelstrooier bevestigen

1 S t if t
2 Borgpen
3 Klapisstekkern
Aanbouwen zoals de strooiwals maar geleidegleuven verder van het voertuig gebruiken.
8.7.4 Hydraulische leidingen aansluten

Afschemkappen van de hydraulische verbindingen nemen en hydraulische slangen met de overeenkomstigeverbindingen verbinden.
Afschemkappen ter bescherming gegen verontreini-ging met elkaar verbinden.
8.7.5 Achterlichten aansluten

Stekker achteraan de veegmachine insteken.
Indien nodig kabel beveiligigen zodayat hij nicht gegren en ingetrokken kan worden door bewegende onderden.
8.7.6 Bediening
Voor het inschakelen van de strooier, PTO inschakelen
8.7.7 Voorwaarden voor het bedrijf
- Motortoerental instellen op het onderste uiteinde van het bereik „eco".
8.8 Opbouwstrooier

1 Opbouwstroier
2 Werklamp
3 Opname voor steun (4x)
8.8.1 Opbouwstrooier bevestigen
Opbouwstrooier met de steun op de nodige hoogte brengen tot dechteropname van het voertuig eronder past.
Borgboute np de opbouwstrooier voor het plaatsen op het voertuig openen door de hendel op de binnenkant gegen de klok te draaien (links en rechts).


1 Borgpen
2 Hendel
Voeruig positioneren onder de op de steunen staande opbouwstrooier.
Opbouwstrooier in de geleiding van dechteropbouw latent zakken.
Als de opbouwstrooier voor de eerste keer op het voertuig aangebracht worden,要去 de linker en rechtter geleiding (vooraan) ingesteld worden.

1 Schroef (eén zichtaar, twee verborgen)
2 Geleiding
Geleiding instellen: 3 schroeven aan de voorkant ca. 1 omwenteling losdraaien (links en rechts).
Opbouwstroier—helemaalaarvoren schuiven tot deborgbout achteraan vergrendeld kan worden.
De zichtbare schroef aandraaien.
Borgbauten ontgrendelen en opbouwstrooier iets maar achteren schuiven, de resterende schroeven aanspannen.
Opbouwstrooier helemaal maar voren schuiven en met de borgbout achteraan vergrendelen.


Voor het inschakelen van de strooier, PTO inschakelen
8.8.3 Werklamp aansluten
Stekker van de lamp in de contactdoos op dechterwagen steken.
Werklicht met schakelaar inschakelen.
8.9 Compenserend gewicht zonder trekhaak

1 Borgpen
2 Tegengewicht
Borgpen door draaien ontgrendelen en zijdelings eruit trekken.
Tegengewicht in de vierkante buiten van het frame schuiven.
Borgpen maar binnen schuiven en door draaien vergrendelen.
8.10 Compenserend gewicht met trekhaak

1 Borgpen
2 Tegengewicht
3 Trekhaak
Borgpen door draaien ontgrendelen en zijdelings eruit trekken.
Tegengewicht met trekhaak in de vierkante buizen van het frame schuiven.
Borgpenaarbinnen schuivenen doordraien vergrendelen.
8.10.1 Trekhaak
Toegestane draagkracht en belasting vindt u in het hoofdstuk „Technische gegevens".
8.11 Trekhaak

1 Borgpen
2 Trekhaak
Borgpen door draaien ontgrendelen en zijdelings eruit trekken.
Trekhaak in de vierkante buizen van het frame schui-ven.
Borgpenaarbinnen schuiven en door draaien vergrendelen.
Toegestane draagkracht en belasting vindt u in het hoofdstuk „Technische gegevens".
8.12 Koppeldriehoek
De koppeldriehoek maakt de aanbouw van reeds voorhanden aanbouwsets van de gemeenteen möglichk.

Koppeldriehoek op de voorste hefinrichting monteren en met borgbouten beeigilen.
8.12.2 Voorwaarden voor het bedrijf
- In functie van het gewicht van het aangebrachte aanbouwapparaat要去en tegengewichten (optie) op de achterkant van het apparaat aangebracht zich.
Hydraulische aansluitingen in functie van het aanbouwapparaat tot stand brengen. Kijk waaroor in de gebruiksaanwijzing van het aanbouwapparaat.
8.12.3 Bediening
Lift aan voorzijde met joystick bedieren om op te tillen en latent zakken.
8.13 Onkruidborstel
Alleen apparaat met bestuurderscabine

1 O n k r u i d b o r s t e l
2 Watersproeier
3 Spatbescherming
4 Hydraulic verbindungen PTO
8.13.1 Doelmatig gebruik
De aanbouwset onkruidborstel worden op de frontale apparaathouder bevestigd.
Deze worden bijv. gezruikt voor het verwijderen van:
- samengeklonterd vuil
- onkruidussen stenen
-of gelijkaardige reinigingsopdrachten.
De aanbouwset kan samen met het system voor 2 bezems worden gezruikt.
De onkruidborstel is geschikt voor alle oppervlakken.
Op wegverhardingen of gelijkaardige oppervlakken kuren krassporen ontstaan, zelfs wanner de onkruidborstel in de lossende stand worden gebruikt.
8.13.2 Belangrijke instructies
Bij het rijden op de openbare weg要去en de geldende bepalingen worden gespecteerd.
Houd deplaatselijke voorschriften voor ongevallenpreventie en de desbetreffende veiligheidsvoorschriften inacht.
Veiligheidsinstructies en gebruiksaanwijzing van het vrachtvoertuig in ache nemen.
8.13.3 Voorwaarden voor het bedrijf
Lift aan voorzijde moet aan het voertuig zichen gemonteerd.
8.13.4 Onkruidborstel monteren
Complet voorgemonteerde onkruidborstel aan lift aan voorzijde moneren en vastzetten. Tip
Als de onkruidborstel alsaanbouwset is geleverd, moet\ deze volgens de bij de aanbouwset meegeleverde\ montagehandleiding 0.083-359.0 worden opgebouwd.
Hydraulische aansluitingen PTO, AUX 1 en AUX 2 aan het voertuig tot stand brengen.
Wateraansluiting tot stand brengen.
Verwondingsgevaar bij contact met de roterende onkruidborstel. Bij instellenen en werkzaamheden erop letten dat er voldoende veiligheidsafstand t.o.v. Personen worden gezhonden.
Verwondingsgevaar door wegvliegende stenen of vuil. Spuitbescherming correct instellen en voldoende afstand tot Personen honden.
GEVAAR
Ongevalgevaar door verminderd besturingsvermogen. Als de onkruidborstel worden neergedrukt, worden de voorwielen ontlast. Dit kan ertoe leiden dat de besturing worden belemmerd. In dit geval moet de onkruidborstel meteen opnieuw worden opgetild.
De onkruidborstel en de frontale apparaathouder worden met de joystick bediend.

1 Pen transportbeveiliging
2 V e r s t e k k e r
A Bedrijf
B Vervoer
Pen transportbeveiling eruit trekken.
Frontale apparaathouderaarrechtszwenken.
Pen transportbeveiliging in de stand Bedrijf steken en met de veerstekker borgen.
Frontale apparaathouder neerlaten tot de bezem de bodem raakt.
→ Schroef aanspannen.
Contramoer aandraaien.
Motor starten.
Frontale apparaathouder optillen.
Onkruidborstel in de gewenste positie rollen (zijdelings overhellen), knikken (aar voren kantelen) en zwen-ken.
Voor reinigingswerkzaamheden werkhydraulica Main PTO inschakelen, de onkruidborstel worden gedraaid.
Frontale apparaathouder in de lossende stand neerlaten.
Instructie:
Over het algemeen worden de frontale apparaathouder in de lossende stand neergelaten. Als er een hoger reinigingsvermogen worden vereist, kan de onkruidborstel ook kortstandig worden neergedrukt.
Reinigingswerkzaamhedenuitvoeren.

1 Joystick
2 Toets voor
3 Functietoetsen
A - blauw
B - rood
C-groen
D - grijs
Met de joystick worden bestuurd:
Hydraulische hefinrichting voren
Aansluiting AUX 1
Aansluiting AUX 2
Aansluiting AUX elektrisch 12 V
Bij de selectie van een lossende standlichteen overeenkomstigeindicatie op.
8.13.6.1 Bediening
Onkruidborstel
| Lift aan voorzijde (met lossende stand) | ||
| Hoofdschakelaar lossende stand EGA (console) | Functietoets Joystick | |
| Activeren Grijze toets | (D) in- drukken | --- |
| Lift aan voorzijde (zonder lossende stand) | ||
| Hoofdschakelaar lossende stand EGA (console) | Functietoets Joystick | |
| Deactiveren ---的那一 | r voren/achte- | ren bewegen |
| Onkruidborstelarm (met lossende stand) | ||
| Hoofdschake-laar lossende stand (console) | Functietoets Joystick | |
| Activeren Groene | toets (C)indrukken | --- |
| Onkruidborstelarm indrukken/optillen (zonder los-sende stand) | ||
| Hoofdschake-jaar lossendestand (console) | Functietoets Joystick | |
| Deactiveren | Indrukken en in-gedrukt honden | aar links/rechtsbewegen |
| Bezemarm uitzwenken/intrekken | ||
| Toets voor (joy-stick) | Functietoets Joystick | |
| --- --- waar links/rechts | bewegen | |
| Bezemkop knikken (aar voren kantelen) | ||
| Functietoets Blauw | Functietoets Rood | Joystick |
| Indrukken en in-gedrukt honden | ---aar links/rechtsbewegen | bewegen |
| Bezemkop rollen (zijdelings overhellen) | ||
| Functietoets Blauw | Functietoets Rood | Joystick |
| --- Indrukken en in-gedrukt honden | haar links/rechtsbewegen | |
8.13.7 Transport
△WAARSCHUWING
Verhoogd risico op verwonding bij rijden met ontunjstig gespositioneerde onkruidborstel. Om het verwondingsgevaar te minimisieren要去 de borstel voor het rijden zoals hieronder beschreiben worden gespositioneerd.
Frontale apparaathouder optillen.
Bezem maar voren knikken.
Bezem met de klok mee intrekken.
Pen van de transportbeveiliging in de stand Transport plaatsen en met de veerstekker borgen.
Spuitbescherming zodanig monteren dat de borstel is afgedekt.
9 O p s I a g
△WAARSCHUWING
Gevaar voor letsel en beschadiging! Het gewicht van het apparaat bij opbergen inRCTnemen.
Als het voertuig lange tijd Niet worden gebruikt, neem dan volgende punten in acht:
Zet het voertuig op een beschemde, effen en droge plaats weg.
Contactsleutel in de stand "STOP" draaien en contact-sleutel verwijderen.
Beveilig het voertuig gegen wegrollen, zet de parkeerrem vast.
Motorolie en motoroliefilter wisselen.
Bij kans op vorst controeren of er voldoende antivirusismiddel in het koelwater zit.
Accu elke 2 maanden opladen.
Min-pool van de batterij afklemmen als het apparaat langer dan 4 weken nicht gebruikt worden.
10 Onderhoud
10.1 Algemene aanwijzingen
Voor reinigings- en onderhoudswerkzaamheden van het apparaat, het verrangen van onderdelen of het ombouwen voor een andere functie dient het apparaat te worden uitgeschakeld en eventueel de contactsleutel te worden verwijderd.
Voor werkzaamheden aan de elektrische installmentie要去 de batterij afgeklemd worden.
Parkeerrem vastzetten.
Reparations mogen uitsluitend door goedgekeurde klantenservicewerkplaatsen of door vaklui voor dit gebied worden uitgevoerd die met de betreffende verilgheidsvoorschriften vertrouwd+zijn.
10.2 Bekledingen
10.2.1 Motorbekledingen wegemen / aanbrengen
△WAARSCHUWING
Verbrandingsgevaar. Vooraleer de bekledingen worden weggenomen, het apparatusaat lately afkoelen.

1 Motorbekleding zijkant
2 Koelrooster
Voor de uitvoering van verschillende onderhoudswerkzaamheden要去en de motorbekledingen weggenonnen worden.
10.2.2 Zijdelingse motorbekleding wegemen

1 Kapsluiting
Beide kapsluitingen openen.
Bekleding optillen en bovenaan maar buiten zwenken.
Paneel wegemen.
10.2.3 Zijdelingse motorbekleding aanbrengen

1 Bevestigingsgleuf
2 Centreerkegel
Onderste uiteinde van de bekleding anschter het wiel steken.
Bekleding bovenaanaar het apparaat zwenken en de bovenste rand van de bekleding in de bevestigings-gleuf hangen.
Kapsluitingen sluiten.
10.2.4 Koelrooster wegemen

1 Sluiting
Beide sluitingen openen (sluiting eruit trekken, ca. 90^ draaien en loslaten).
Koelrooster bovenaan eruit zwenken, maar boven trekken en wegemen.
10.3 Reiniging
Apparatuur optillen.
Apparaat op een egaal oppervlak neerzetten.
Mortortoerental op stand MIN zetten.
Contactsleutel in de stand "STOP" draaien en contact-sleutel verwijderen.
Parkeerrem vastzetten.
10.3.1 Apparaat reinigen
Apparaat dagelijks reinigen na het werk.
VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar!
Asafdichtingen, elektrische componenten en hydraulische ventielen nicht reinigen met een hogedrukstraal.
Motor nicht met water afspoelen.
Bij het reinigen van het apparaat met een hogedrukreiniger要去en de overeenkomstige veiligheidsvoorschriften nageleefd worden.
Koelerlamellen enkel met perslucht (max. 5 bar), nicht m et water reinigen.
Geen agressieve reinigingsmiddelen gebruiken.
Ter bescherming van de luchtfilter dechterkant van het apparaat enkel wassen bij een uitgeschakelde motor.
Controller het voertuig op olie- en brandstoflekken om brandgevaar uit te sluiten. Laat ondichteden door de klantenservice oplossen.
Controlleren, of de fronthefinrichtinglicht loopt (opheffen en latent zakken).
Ter voorkoming van brandgevaar de motor, de geluid-demper, de batterij en de brandstoftank vrij houden van plantenresten en olie.
Motor controleren op verontreiniging, indien nodig met borstel of perslucht reinigen.
Koeler controlleren op verontreiniging.
Grote voorwerpen met de hand verwijderen.
Verontreinigingen met een zachtbe borstel of perslucht verwijderen.
10.4 Onderhoudsintervallen
OPMERKING
Om uw garantie te behouden, moetenijdens de garantieperiode alle service- en onderhoudswerkzaamheden dooreen de geautoriseerde Karcher-klantenservice conform het onderhoudsboekje uitgevoerd worden.
OPMERKING
De bedrijssurenteller geeft het tijdstip van de onderhouds-intervallen aan.
10.4.1 Dagelijks voor het bedrijfsbegin
Functie van alle bedieningselementen en controle-lampjes controleren.
Brandstoftank vullen.
Motoroliepeil controlleren.
Koelvloeistofstand controleren.
Oliepeil van het hydraulisch systeme controleren.
Brandstofffilter controeren.
Luchtfilter controleren, zo nodig reinigen.
Smeer alle lagers die in „Onderhoudswerkzaamheden/ Voertuig smeren" met, "gekenmerkt zich.
Controlleren of de kranen aan de waterafscheider en de brandstofffilter geopend zijn.
Controlleren dat de waterafscheider geen water bevat.
Radiateur reinigen.
Controlleren of bij het rijden metaanbouwapparatuur achteraan een gewicht vereist en gemonteerd is.
Volledige apparaat op beschadigingen controleren.
10.4.2 Na elke wasbeurt van het voertuig
Smeer alle lagers die in „Onderhoudswerkzaamheden/ Voertuig smeren" met, "gekenmerkt zich.
10.4.3 Wekelijks
Staat en luchtdruk van de banden controlleren. Raadpleeg voor de aanbevolen bandendruk de sticker in de bestuurderscabine of zie hoofdstuk "Technische geevens | Banden".
Ruitensproeierwaterstand controlleren.
10.4.4 Na de eerste 50 bedrijfsuren
Eerste inspectie door de klantendienst latent uitvoeren.
10.4.5 Alle 50 bedrijfsuren
Koelerventilator controleren en reinigen.
Batterij controlleren.
Accupool op oxidatie controleren, indien nodig schoonborstelen en met poolvet invetten. Op stevige zitting van de verbindingskabels letten.
Dynamo reinigen (niet met hogedrukreiniger).
Lager smeren (zie „Apparaat smeren").
10.4.6 Alle 250 bedrijfsuren of halflaarlijk
Lagers van de knikbesturing controlleren. *
Motorolie en motoroliefilter wisselen.
Mengverholding water / antivirusismiddel controlleren.
Waterfilter reinigen of vernieuwen.
Olie in de wielmotoren verrangen.
Hydraulisch systeme controleren op dichtheid, schuurplaatsen en stabiliteit van de aansluitingen.
Luchtfilter wisselen.
Remmen controlleren op functionaliteit en instelling. *
Motortoerental en instelling controleren. *
Slang van de luchtfilter maar de motor controleren.
Slangen en klembeugels controeren.
Koelerlamellen van waterkoeler, oliekoeler en airconditioning met perslucht reinigen.
Functie van verwarming en verwarmingsventilator controeren. *
Luchtfilter van de verwarmingsventilator controleren, indien nodig verrangen.
V-riem op slijtage controleren.
Bowdenkabels en bewegende delen op gangbaarheid controlleren
Ventilatiespleten van de verlichting reinigen.
- Uitvoering door klantendienst.
10.4.7 Alle 500 uren of halfjaarlijkse
Uitvoering van alle werkzaamheden door de klantenservice.
Brandstofffilter verrangen.
→ Hydraulische olie verrangen.
Hydraulische oliefilter verrangen.
Rookgassystem op ondichtheden controleren.
Stroomvoerende ledingen en contacten op beschadiging en oxidatie controleren
V-riem van de hydraulische pomp verrangen en spanrol smeren.
10.4.8 Alle 1000 bedrijfsuren of Jaarliks
Uitvoering van alle werkzaamheden door de klantenservice.
Koelwater verrangen.
Ventielen instellen.
Visuele controle brandstof- en koelwaterslangen, indien nodig verrangen.
10.4.9 Alle 1500 bedrijfsuren
Uitvoering van alle werkzaamheden door de klantenservice.
V-riemervangen.
Verstuivers controleren en reinigen.
10.4.10 Alle 2000 bedrijfsuren
Zittingen van in- en uitlaatventielen leppen (door klantendienst).
10.4.11 Jaarlijkse
Veiligheidscontrole volgens de lokale voorschriften door de klantenservice.
10.5 Onderhoudswerkzaamheden
10.5.1 Algemene veiligheidsinstructies
△GEVAAR
Levensgevaar!
Voor reparatiewerkzaamheden het voertuig uit de geva-renzone van het verkeer duwen, waarschuwingskleding dragen.
GEVAAR
Gevaar voor verwonding door nadieselen van motor! Na het afzetten van de motor 5 seconden wachten. In dezearend absoluut weglijven van het werkgebied.
Verwondingsgevaar door onverwacht startend voertuig! Verwijder voor reinigings- en onderhoudswerkzaamheden aan het voertuig de contactsleutel en klem de batterij af.
Opgelet bij de reiniging met hagedrukreiniger! Richt de hagedrukstraal Niet direct op elektrische componenten, bänden, koellamellen en hydraulische slangen.
Bij het reinigen van het apparaat met een hogedrukreiniger要去en de overeenkomstige veiligheidsvoorschriften nageleefd worden.
Instandhoudingswerkzaamheden aan het hydraulisch systemen mogen enkel uitgevoerd worden door special geschoold personeel.
GEVAAR
Verwondingsgevaar!
Bij alle onderhoudswerkzaamheden aanbouwapparaat latent zakken om het hydraulische systeme drukloos te makek.
Verwondingsgevaar door maar beneden zwenkend veeggoedreservoir. Voor werkzaamheden onder het veeggoedreservoir moet het veeggoedreservoir volledig in de stand Ledigen gedraaid worden (bij veegmachine).
Verwondingsgevaar door ongepland zakkend veeggoedreservoir. Werkzaamheden aan de turbine enkel uitvoeren bij een volledig opgetild veeggoedreservoir (bij veegmachine).
WAARSCHUWING
Voor alle onderhouds- en reparatiewerkzaamheden apparaat voldoende lately afkoelen.
Warme onderden, zoals aandrijfmotor en uitlaat nicht aanraken.
Motorolie, stookolie, diesel en benzine nicht in het milieu terecht lately komen. Gelieve bodem te beschemen en oude olie op een milieuvriendelijkme manier tot afval verwerken.
10.5.2 Voorbereiding
Apparaat op een egaal oppervlak neerzetten.
Werkapparaat latent zakken.
Mortoroental op stand MIN zetten.
Contactsleutel in de stand „STOP“ draaien en contactsleutel verwijderen.
Parkeerrem vastzetten.
10.5.3 Veiligheidsvoorschriften accu's
Let bij de omgang met accu's absolut op de volgende waarschuwingstip:
| i | Neem instructies in de gebruiksaanwij- zing van de batterij en op de batterij en uit deze gebruiks- aanwijzing in acht! | Gevaar van brandwonden! | |
| Veiligheidsbril dra-gen! | Eerste hulp! | ||
| Kinderen uit de buurt houden van zuren en accu's! | Waarschuwings- tekst! | ||
| Explosiegevaar! Vewijdering! | |||
| Vuur, vonden, openlicht en roken verbo- den! | Pb | Accu Niet in vuil- nisbak gooien! |
△GEVAAR
Rekening honden met de voorschriften voor het voorkomen van ongevallenzoals DIN VDE 0510,VDE 0105 T.1.
Ontploffingsgevaar! Geen werktuigen of dergelijk materiaal op de accu, d.w.z. op eindhoven en batterijcelverbinder leggen.
Verwondingsgevaar! Wonden nooit met loed in contact brengen. Na het werknen aan accu's.altijd de handen schoonmaken.
Brand- en explosiegevaar!
- Roken en open vuur is verboden.
- Ruimtes waarin accu's opgeladen worden, dienen goed geventileerd teijken, maar bij het opladen zeer explosief gas ont staat.
Gevaar van brandwonden!
-Zuurspetters in het oog of op de huid met veel schoon water uit- resp. afspoelen.
- Daarna direct een dokter raadplegen.
- Verontreinigde kleding met water uitwassen.
- Andere kledij aantrekken.
10.5.4 Accu in apparaat plaatsen en aansluiten
Accu in de accuklemmen plaatsen.
Poolklem (rode kabel) op de pluspool (+) aansluiten.
Poolklem op minpool (-) aansluiten.
Batterij inschuiven.
Klemmen op de batterijbodem vastschroeven.
OPMERKING
Bij de uitbouw van de batterij moet erop gelet worden dat eerst de leiding van de negatieve pool afgeklemd worden. Controller de batterijpolen en de poolklemmen op voldoende bescherming door poolbeschemingsvet.
10.5.5 Accu laden
△Gevaar
Gevaar voor verwonding! Houd u aan de veiligheidsvoorschriften bij het omgaan met accu's. De gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het laadapparaat opvolgen.
△Gevaar
Accu alleen met het geschikte laadapparaat opladen.
Batterij demonteren.
Negatieve pool van de batterij afklemmen.
Positieve pool van de batterij afklemmen.
Pluspool-leiding van het laadtoestel met de pluspool-aansluiting van de accu verbinden.
Minpool-leiding van het laadtoestel met de minpoolaansluiting van de accu verbinden.
Stekker in het stopcontact steken en laadtoestel inschakelen.
Accu met dekleinst mogelijke laadstroom laden.
OPMERKING
Wanneer de batterij opgeladen is, het oplaadapparaat eerst van het stroomnet en dan van de batterij halen.
Bij reparatiewerken op openbare wegen in de gezavenzone van het langsjerdende verkeer, waarschuwingskleding dragen.
△GEVAAR
Verwondingsgevaar!
Ondergrond controlleren op stabiliteit. Apparaat nog extra vastzetten met een bloc weiter de wielen; dit om wegrolte te vermijden.
Apparaat op een egaal oppervlak neerzetten.
Contactsleutel uitenemen.
Parkeerrem vastzetten.
Krik op het betreffende opnamepunt van de voor- resp.achtenplaatsen.
OPMERKING
Geschikte, in de handel gebruikelijke krik gebruiken.

Opnamepunt voor krik
Wielmoeren/wielbouten met passend gereedschap ca. 1 omwenteling losers.
Apparaat met de krik opheffen.
Wielmoeren/wielboutein losschroeven en eruit nemen.
Wiel wegemen.
DefectWIeI in een vakgarage laten repareren.
Wiel aanbrengen en wielmoeren/wielbouten tot aan-slag erin schroeven en Licht aandraaien.
Apparaat met de krik lately zakken.
Wielmoeren/wielbouten met het vereiste draaimoment aandraaien.
| Aanhaalmoment voorbanden 83 - 85 Nm | |
| Aanhaalmomentchterbanden 83 - 85 Nm |
10.5.7 Motoroliepeil controlleren en olie bijvullen

1 Olievuldeksel (motor)
2 Oliepeilstok
3 Oliefilter
Apparaat op een egaal oppervlak neerzetten.
Oliepeilstok uittrekken.
Oliepeilstok afvegen en inschuiven.
Oliepeilstok uittrekken.

Oliepeil controlleren.
Oliepeilstok weer erin doe.
- Het oliepeil moet zich tussen de "MIN"- en „MAX"-markering bevinden.
- Bevindt zich het oliepeil onder de „MIN"-markering, motorolie bijvullen.
-Motor nicht boven,MAX"-markering bijvullen.
Olievuldeksel aftschroeven.
Motorola erin doen.
Oliesoort: zie hoofdstuk "technische gegevens".
Olievuldeksel afsluiten.
Minstens 5 minuten wachten.
Motoroliepeil controlleren.
VOORZICHTIG
Een te hoog oliepeil leidt tot de beschadiging van de motor door oververhitting. Wanner het oliepeil de „MAX“-markering overschrijdt, moet olie afgelaten worden tot het correcte oliepeil is bereikt.
10.5.8 Motorolie en motoroliefilter wisselen
Instructie: Een warme motor vergemakkelijk het aftappen.
△Gevaar
Verbrandingsgevaar door hete olie en eventueel heteslangeledingen!
Opvangreservoir voor minstens 6 liter olie klaarzetten.
Motor laten afkoelen.

1 Olie-aftapschroef
Olieaftapschroef uitschroeven.
Olievuldeksel aftschroeven.
Olie aftappen.
Oliefilter aftschroeven.
Bevestigingspunt en afldichtvlakken reinigen.
Afdichting van het neue olieffilter voor het inbouwen met oliie insmeren.
Nieuw oliefilter inbouwen en handvast aanhalen.
Olieaftapschroef met een neue dichting vastschroeven (aanhaalmoment 60 Nm).
Motorolie erin doe.
Oliesoort: zie hoofdstuk "technische gegevens".
Olievulopening afsluiten.
Motor ca. 30 seconden laten lopen.
Motoroliepeil controleren.
Afgewerkte olie maar de betreffende inzamelcentra brengen.
10.5.9 Oliepeil hydraulisch systeme controleren en hydraulische oolie bijvullen
△Belangrijk
Om bedrijsstoringen te vermijden is uiterste reinheid bij alle controle- en onderhoudswerken belangrjk.

1 Kijkglas hydraulische olie
2 Brandstofffilter
3 Waterafscheiden
Het oliepeil moet zich binnen het kijkglas bevinden.
→ Hydraulische olie bijvullen.
Oliesoort: zie hoofdstuk "technische gegevens". Tip: Tekort aan hydraulische olie kan alleen door een specaal apart toebehoren (bestelnr.) bijgevuld worden, of door de klantendienst van Kärcher.
Vervanging alleen door de bevoegde klantendienst.
Al de fijnste verontreinigungen in het hydraulisch systeme konnen tot ernstige storingen leiden, waarom is de installation met een olieffilter voor het hydraulisch systeme uitgerust.
10.5.11 Hydraulisch system controlleren
Onderhoud van het hydraulische systeme alleen doore Karcher-klantendienst.
Alle slangen van het hydraulische systemen en aansluitingen op lekkage controleren.
10.5.12 Olie in de wielmotoren verrangen
Vervanging alleen door de bevoegde klantendienst.

1 Olievulschroef
2 Olieaflaatschroef
10.5.13 Koelmiddelpeil controlleren
Motorbekleding rechts wegnemen.

1 Koelmiddel-compensatievat
Het koelwaterpeil要去 gecontroleerd worden bij een koudemotor.
- Het koelwaterpeil moet bij de onderste markingsstaan.
10.5.14 Koelwater navullen
- Om na te vullen, moet een mengsel van water en antivriesmiddel gelebruikt worden.
- Geen verschillende antivirusismiddelen Mengen.
- Enkel onthard water voor het mengsel gebruiken.
Vul koelmiddel enkel na bij een koude motor.
Motorbekleding rechts wegnemen.
Indien het koelwaterexpansievat hebemaal leeg is, moet eerst de koeler magevuld worden:

1 Koelerdeksel
2Aflaatschroef
Koelerdeksen aufschoreen.
Koeler langzaam—helemaal tot boven zonder luchtbel- len vullen.
Koelerdeksen opschroeven.
Koelwaterexpansievat navullen:
Deksel van het expansievat nemen.
Expansievat tot de onderste streep vullen.
Deksel van het expansievat sluiten.
Motor starten en lien warmdraaien.
Controller het vulniveau in het koelmiddel-compensatievat.
Bij een warme motor moet het koelwaterpeil bij de bovenste streep staan.
Bij een te laag koelwaterpeil de motor uitzetten, lately afkoelen en ontbrekende koelvloeistof in het expansievat gieten.
10.5.15 Waterafscheider controlleren

1 Afsuitkraan
2 Wartelmoer
3 Reservoir
4 Draadfilter
5 Vlotter
6 V e e n
Garanderen dat de afsluitkraan open is.
Controlleren of de vlotter zich op de bodem van de waterafscheider befindt.
Indien de vlotter Niet op de bodem ligt, bevindt er zich water in de waterafscheider en moet de waterafscheider gereinigd worden.
10.5.16 Waterafscheider reinigen
Gevaar
Explosiegevaar!
-
Onderhoud nicht in gesloten ruimtes doen.
-
Roken en open vuur is verboden.
Afsluitkraan sluiten.
Opvangbak onder de waterafscheider houden.
Wartelmoer losdraaien.
Reservoir van de waterafscheider nemen.
Veer en vlotter uithet reservoir nemen.
Binnenkant van de bak reinigen.
Draadfilter reinigen.
O-ring tussen reservoir en bovendeel van de wateraf-scheider controeren.
Waterafscheider opniew monteren.
Afsluitkraan openen.
Brandstofsystem onluchten.
10.5.17 Brandstofffilter verwangen

1 Afsluitkraan
2 Wartelmoer
△WAARSCHUWING
Verwondingsgevaar door uitgelopen brandstof! Uitgelopen brandstof onmiddelijk verzamelen en opvegen.
Veiligheidshandschoenen dragen.
Motor uitzetten en lien afkoelen.
Afsluitkraan aan de waterafscheider sluiten.
Opvangbak onder de brandstofffilter houden.
Brandstofffilter losschroeven.
Afdichting van deijke brandstofffilter voorzien van een dun laagie brandstof.
Nieuwe brandstofffilter handvast aanschroeven.
Afsluitkraan aan de waterafscheider openen.
10.5.18 Brandstofsystem ontluchten
Wanneer de tank leeg is of wanneer het brandstofffilter verwangen is,要去 het brandstofsystem omntlucht worden.
Controlleren of het brandstofreservoir bevuld is.
Afsluitkraan aan de waterafscheider openen.
Motor starten.
Afsuitkraan sluiten, wanner systemeontlucht is.
10.5.19 Luchtfilter controlleren

1 Indicatie luchtfiltervervanging
Indien de indicateie van de luchtfiltervervanging rood is, moet het luchtfilterelement verwangen worden.
10.5.20 Luchtfilter reinigen en verrangen

1 Schroef
2 K I e m
3 Luchtfilterbehuzing
→ Schroef uitdraaien.
Luchtfilter maar binnen schuiven enaar beneden weg-nemen.
Klem loszetten.
Luchtfilterbehuiizingopenen.

1 Luchtfilterinzet
2 Voorfilter
3 K I e m
Voorfilter wegnen.
Luchtfilterelement ingebouwd latent zodat het stof bij de reingering van de voorfilter Niet in de motorterechtkomt.
Voorfilter voorzichtig van binnen maar buiten met perslucht (0,3...0,5 MPa)uitblazen.
→ Indien de Voorfilter nicht proper worden of beschadigd is,要去 een neue voorfilter gebruikt worden.
Binnenkant van de luchtfilterbehuizing reinigen.
Luchtfilterelement indien nodig verrangen.
Luchtfilter in omgekeerde volgorde opniew monteren.
Knop van de indicateie voor de luchtfiltervervanging indrukken om de weergave te resetten.
10.5.21 Apparaat smeren

Afbeelding symbolisch
1 V-snaar
VOORZICHTIG
Gevaar voor functionele storingen. V-riem Niet met vet in contact lately komen.
Met pijelen gemickeerde smeernippels met de vetpers smeren.
Met ^* pijlen gemickeerde smeernippels要去en dagelijks voor het bedrijfsbegin gesmeerd worden.
Alle bewegende onderdelen, zoals vergrendelings- of veiligheidshendels, af en toe smeren.
Hoogwaardig vet dat voor meerdere doeleinden geschikt is gebruiken en met de vetspuit invetten.
10.5.22 V-snaar controlleren
V-riem aan de koelerventilator van de motor controleren.
10.5.23 Ruitensproeiers onderhoden
Alleen apparatus met bestuurderscabine

1 Sproeier
2 S c h r o e f
Sproeiers reinigen/installen:
Sproeiopeningen met een draad reinigen.
spreoirichting door het verdraaien van de spreiekop d.m.v. een draad instellen.
Ruitenwisserblad verrangen:
→ Schroef losdraaien.
ruitenwisserblad verrangen.
10.6 Zekeringen
OPMERKING
Gebruik enkel zekeringen met eenzelfde zekeringwaarde.
Defecte zekeringen verrangen.
10.6.1 Zekeringen en zekeringkast van de chauffeurscabine verrangen
Alleen apparatus met bestuurderscabine

1 Deksel
2 Kartelschroef
Kartelschroeven eruit draaien en deksel wegnemen.

| Zekeringen bestuurderscabine | ||
| 1 Vrije | steekplaats in de plafondconsole (tweedeplaats van rechts) | 10 A |
| 2 Aansluiting autoradio 3 A | ||
| 3 Werkverlichting 10 A | ||
| 4 Schakelaar voor optie (bv. verwarmbare buitenspiegel) | 10 A | |
| 5 Ruitenwisser 10 A | ||
| 6 Ruitensproei-inrichting 3 A | ||
| 7 Zwaaalicht 7.5 A | ||
| 8 Cabineverlichting 3 A | ||
| 9 Relais groot Licht | ||
10.6.2 Zekeringen en zekeringkast motorruimte verrangen

1 Deksel
Deksel verwijderen.

Zekeringemotorruimte
| 1 Controleampjes, zoemer koelwatertemperatuur, brandstofpomp, achefteruitrijclaxon, 7-polige contactdoos vooraan, 2-polige contactdoos vooraan, motoruitschakelklep timer, motoruitschakelklep (houdstroom) | 10 A | |
| 2 2-polige contactdoos vooraan, 7-polige contactdoos vooraan, 2-polige contact-doos achteraan, voorlicht | 20 A | |
| 3 Ventiel rijrichting, dynamo, 10 A | ||
| 4 Airconditioning 7.5 A | ||
| 5 boardcontactdoos console, 7-polige contactdoos vooraan | 10 A | |
| 6 Motoruitschakelklep (aantrekstroom) 30 A | ||
| 7 Bedrijfsurenteller vegen, PTO stop, contro-lerampje rem | 10 A | |
| 8 Hoofdzekering 40 A | ||
| 9 Dimlicht 20 A | ||
| 10 Airconditioning | 20 A | |
| 11 Cabine | 30 A | |
| 12 Zwaailicht, claxon, relais Licht, 7-polige contactdoos vooraan (Pin 1) | 10 A | |
| 13 Knipperlicht, waarschuwingsknipperlicht | 10 A | |
| 14 Airconditioning | 10 A | |
| 15 Comfortstoel | 15 A | |
11 Hulp bij storingen
11.1 Storingen met weergave
| Weergave Oorzaak | Oplossing Door wie | ||
| Waarschu-wingslampe mo-tortemperatuur brandt | Motor oververhit Motortoerental op nullast zetten. Bediener | ||
| Peil van de koelvloeistof in de motor controle-ren.Indien het waarschuwingslampe nicht binnen 5minutes dooft, de motor uitzetten en de klan-tendienst raadplegen. | |||
| Waarschu-wingslampe Tem-peratuur hydraulische olie brandt | Hydraulische oolie oververhit Tempersperatuur te hoog: staat de motor stationairdraaien tot het waarschuwingslampe uit is.Hydraulisch system voor werkung uitschake-len. | Bediener | |
| Waarschu-wingslampe Bat-terij brandt | Batterij worden nicht geladen Klantendienst raadplegen. Bediener |
11.2 Storingen zonder individatie
| Storing Oplossing | |
| Apparaat wil nicht starten. | Accu opladen of verrangen |
| Op de rempedaal drukken. | |
| Brandstof tanken, brandstofsysteme ontluchten | |
| Brandstofffilter reinigen of verrangen. | |
| Brandstoffleidingsystem, aansluitingen en verbindingen controleren en zo nodig repareren | |
| Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen | |
| Motor loop onregelmatig | Luchtfilter reinigen of verrangen |
| Brandstoffleidingsysteme, aansluitingen en verbindingen controleren en zo nodig repareren | |
| Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen | |
| Motor loopt, maar het apparaat rijdt slechts langzaam of hebemaal nicht. | Parkeerrem ontgrendelen |
| Vloeistofpeil van het hydraulisch systeme controlleren | |
| Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen | |
| Storing bij hydraulisch bewogen delen | Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen |
11.3 Wegslepen
VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar!
Het voertuig mag nicht worden versleegt. Apparaat al-leen langzaam schuiven of trekken (stabvoets).
△GEVAAR
Het voertuig is Niet toegelaten voor kranbelading.
→ Sleeptouw vastmaken aan het sleepoog van voren of vanachten.
Rijd het voertuig op het transportvoertuig.
| MIC 26 | ||
| Rijnselheid, vooruit km/h 20 | ||
| Rijnselheid, anschteruit km/h 8 | ||
| Werksnelheid km/h 10 | ||
| Klimvermögen (max.) % 25 | ||
| Aangedreven assen 2 | ||
| Duur inzetten bij volle tank h ca. 12 | ||
| Motor | ||
| Fabrikant -- Yanmar | ||
| Type -- | 3TNV76-DU | |
| Slagvolume cm | 3 | 1116 |
| Motorvermögen bij 3000 1/min | kW 18,9 | |
| Koppel bij 2000 1/min | Nm | 66,6 |
| Elektrische installmentie | ||
| Accu V, Ah 12, 40 | ||
| Bedrijfsstoffen | ||
| Soort brandstof | Diesel | |
| Inhoud brandstoffank | I | 37 |
| Type motorolie | SAE 10W-30 | |
| Hoveeelheid motorolie | I | 5,1 |
| Koelmiddel (SAE J814C) | -- Havoline | XLC Antifree-ze |
| Type hydraulische olie | Renol B HV 46 | |
| Hoveeelheid hydraulische olie | I | 20 |
| Olietype wielmotor | GL4/5 75-W90 | |
| Oliehoeveelheid wielmotoren | I | 4 x 0,08...0,09 |
| Smeervetten | ||
| Voor manueel in te vetten smeerplekken | -- | Vet voor meerere doeleinden geschikt |
| Omgevingsvoorwaarden | ||
| Temperatuur | °C | -5 ... +40 |
| Luchtvochtigheid, Niet bedauwend | % 0 - 90 | |
| Maten en gewichten | ||
| Lente x bredte x hoogte | mm | 2626 x 1084 x 1978 |
| Transportgewicht | kg | 870 - 944 |
| Toelaaatbaar totaalgewicht | kg | 1750 |
| Toegelaten asbelasting vooraan | kg | 900 |
| Toegelaten asbelasting achteraan | kg | 1200 |
| Draagkracht trekhaak (optie) | kg | 120 |
| Belasting trekhaak (optie), geremd/ongeremd | kg | 1250/750 |
| Draaicirkel (binnen) | mm | 780 |
| Berekende waarden conform EN 60335-2-72 | ||
| Totale waarde trilling Armen | m/s2 | <2,5 |
| Onzekerheid K | m/s2 | 0,2 |
| Totale waarde trilling zitting | m/s2 | <0,5 |
| Onzekerheid K | m/s2 | 0,2 |
| Berekende waarden conform 2009/76/EU | ||
| Geluidsdrukniveau LpA | dB(A) | 77 |
Alleen door Kärcher goedgekeurde banden gebruiken.
| Bandentype Grootte vande band | AanbevolenbandendrukMPa (bar) | |
| Band voor normalaal gebruik op de openbareweg | 195/55 R10C 0,62 (6,2) | |
| Band voor gebruik opgras | 20x10.00-10 0,28 (2,8) | |
| Standaard band, extra breed | 20x12.00-10 0,14 (1,4) | |
| Tractieband (grof profiel) | 20x 8.00-10 0,45 (4,5) | |

Afbeelding: Sticker in de bestuurderscabine met aanbevolen waarden voor de bandendruk
1 Úndice de Contents
Eikova: Autokolnyt etiketa otny kauiva oynou tic troeivoeves tioeis elaotikwv
