METEX MS-9160 - Multimeter

MS-9160 - Multimeter METEX - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis MS-9160 METEX in PDF-formaat.

📄 94 pagina's Nederlands NL Downloaden 💬 AI-vraag 10 vragen ⚙️ Specs
Notice METEX MS-9160 - page 71
Bekijk de handleiding : Français FR Deutsch DE English EN Nederlands NL
Kies uw taal en geef uw e-mailadres: we sturen u een specifiek vertaalde versie.
Producttype Multimeter, functiegenerator, frequentieteller, DC-voeding
Merk METEX
Model MS-9160
Afmetingen (B x H x D) 380 x 185 x 370 mm (zonder kabels en voeten)
Gewicht 12,5 kg
Voeding 100/120/220/240 VAC, 50/60 Hz, netzekering T1A/250V
Hoofdfuncties Digitale multimeter (DC/AC-spanningen tot 1000V/750V, stroom 20A, weerstand 40 MΩ, capaciteit 400 μF, inductie 400 mH, logica test, continuïteitstest) ; Frequentieteller 5 Hz - 1300 MHz ; Functiegenerator (sinus, driehoek, vierkant, puls, zaagtand) 0,2 Hz - 10 MHz ; DC-voeding 5V/2A, 15V/1A, 0-30V/3A
Display Lcd digitaal 3 3/4 cijfers (3999 punten) + analoge balkgrafiek met 43 segmenten
Interfaces RS-232 (null-modemkabel)
Geavanceerde functies Data Hold, MIN/MAX, REL, MEM (5 registraties), R-H (bereikbehoud), CMP (vergelijking), dual display
Beveiliging Zekeringen: multimeter F0,8A/250V en F20A/250V; net T1A/250V
Veiligheid Veiligheidsklasse 1, VDE-veiligheidscontacten, niet gebruiken in explosieve of vochtige atmosfeer
Onderhoud Reinigen met droge antistatische doek, geen producten die koolstof of alcohol bevatten
Repareerbaarheid Vervangen van zekeringen en 9V-batterij (NEDA 1604) toegankelijk via achterklep

Veelgestelde vragen - MS-9160 METEX

Hoe meet ik een gelijkspanning met de MS-9160?
Draai de draaischakelaar naar de stand V of mV afhankelijk van het bereik. Sluit de rode kabel aan op de V/Ω (+) ingang en de zwarte op COM (-). Druk op de DC/AC toets om DC te selecteren (het symbool verdwijnt). Breng de meetsnoeren aan op het circuit. Lees de waarde af op het hoofdscherm. Houd rekening met de maximale spanningen: 1000 VDC.
Hoe vervang ik de zekering van de multimeter?
Koppel het apparaat los van elke spanningsbron. Verwijder het deksel van het zekeringvak aan de achterzijde (kruiskopschroevendraaier). Vervang de defecte zekering(en) door identieke zekeringen: F0,8A/250V snel voor het mA-bereik en F20A/250V snel voor het 20A-bereik. Sluit het vak.
Hoe gebruik ik de continuïteitstestfunctie?
Draai de draaischakelaar naar de stand (•)). Sluit de snoeren aan: rood op V/Ω (+), zwart op COM (-). Plaats de meetpunten tussen twee punten van het circuit. Als de weerstand lager is dan ongeveer 30 Ω, klinkt er een geluidssignaal en toont het scherm de waarde. Zorg ervoor dat het circuit spanningsloos is.
Wat is de uitgangsspanning van de instelbare DC-voeding?
De geïntegreerde DC-voeding biedt een instelbare uitgang van 0 tot 30 V met een maximale stroom van 3 A. Gebruik de spanningsregelaar (voltage) om de waarde aan te passen. De uitgang is beveiligd met een instelbare stroombegrenzing.
Hoe meet ik een frequentie met de frequentieteller?
Sluit de teller aan via de POWER-schakelaar aan de achterzijde. Selecteer kanaal A (5 Hz – 100 MHz) of B/C afhankelijk van de frequentie. Stel de poorttijd (GATE) in voor de gewenste resolutie. Verbind het signaal met de juiste BNC-ingang. Lees de frequentie af op de 8-cijferige LED-display. Gebruik de HOLD-toets om de waarde vast te houden.
Hoe genereer ik een sinusgolf met de functiegenerator?
Selecteer de sinusgolfvorm met de FUNCTION-schakelaar (druk op SINUS). Stel de frequentie in met de FREQUENCY-schakelaars (kies het bereik) en de schaalregelaar. Gebruik de AMP-regelaar om de amplitude in te stellen (tot 20 Vss onbelast). U kunt de offset aanpassen met de OFFSET-regelaar. De uitgang bevindt zich op de BNC FG OUT.
Hoe vervang ik de batterij van de multimeter?
Koppel het apparaat los en verwijder alle snoeren. Draai de twee schroeven aan de achterzijde van de multimeter los (onder het deksel). Verwijder de oude 9V-batterij (type NEDA 1604) door de connector los te klikken. Sluit de nieuwe batterij aan met de juiste polariteit, plaats het deksel terug en draai de schroeven vast.
Wat is de functie van de FUNCTION-toets en hoe kom ik bij de subfuncties?
De FUNCTION-toets dient om te navigeren tussen de subfuncties van de multimeter: D-H (Data Hold), MIN, MAX, REL, CMP, R-H, EXT, MEM, RCL. Druk meerdere keren om door de opties te bladeren. Zodra het gewenste symbool wordt weergegeven, drukt u op SET/RESET om de functie te activeren. Om te verlaten drukt u tweemaal op SET/RESET.
Hoe meet ik een inductie of capaciteit?
Voor een inductie draait u de schakelaar naar 400 mH. Voor een capaciteit naar CAP. De metingen worden alleen gedaan via de speciale aansluitingen (klemmen). Zorg ervoor dat het onderdeel ontladen is (condensator) of spanningsloos (spoel). Het apparaat voert de meting automatisch uit (Auto-Range). De functie R-H biedt handmatige aanpassing.
Wat zijn de essentiële veiligheidsmaatregelen?
Overschrijd nooit de maximale spanningen: 1000 VDC/750 VAC. Gebruik altijd snoeren in goede staat. Schakel de voeding uit en verwijder de punten voordat u van functie wisselt. Open het apparaat niet zonder het los te koppelen. Vermijd vocht, brandbare gassen en sterke elektrostatische velden. De behuizing moet via de netsnoer worden geaard.

Gebruikersvragen over MS-9160 METEX

0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.

Stel een nieuwe vraag over dit apparaat

De e-mail blijft privé: deze wordt alleen gebruikt om u te waarschuwen als iemand op uw vraag reageert.

Nog geen vragen. Stel de eerste vraag.

Download de handleiding voor uw Multimeter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding MS-9160 - METEX en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. MS-9160 van het merk METEX.

GEBRUIKSAANWIJZING MS-9160 METEX

Deze gebruiksaanwijzing is een publikatie van Conrad Electronic Ned BV.

Alle rechten, inclusief de vertaling, voorbehonden. Reprodukties van welke aard dan ook, fotokopie, microfilm of opgeslagen in een geautomatiserd gegevensbestand, alleen met schriftelijke toestemming van de uitgever.

100% Recycl-ling-papier. Chloorvrij gebleekt.

Nadruk, ook in uittreksel, verboden.

Deze gelebruksaanwijzing voldoet aan de technische eisen bij het ter perse gaan. Wijzigingen in techniek en uitrusting voorbehonden.

NL GEBRUIKSAANWIJZING

Universeel Meetsystem MS-9160

Best.-Nr.: 10 97 70

Pagina 141 - 186

METEX MS-9160 - Universeel Meetsystem MS-9160 - 1

CE

Lees deze gebruiksaanwijzing zorgvuldig door. Bij schades die ontstaan door het net opvolgen van de gebruiksaanwijzing vervalt hetrecht op garantie, bovendien bestaat er bij het net opvolgen ervan levensgevaar! Wij zijn net verantwoordelijk voor schades die waaruit resulteren. Bewaar deze gebruiksaanwijzing zorgvuldig.

Inhoudsopgave

pagina

  1. Gebruik waarvoord meter bedoeld is 141
  2. Het universele meetsystem MS 9160, voorstelling 142
  3. Aanwijzingen betreffende de veiligheid 143
  4. Ingebruikneming 149
  5. Werken met de MS 9160 150
    5.1 Werken met de frequentieteller 151
    5.2 Werken met de functiegenerator 157
    5.3 Werken met de netvoeding (DC) 162
    5.4 Werken met de digitale multimeter 164
    5.5 Onderhoud en kalibrering 180
  6. Technische gegevens, tolerancies, verrangen van de batterij bij de DMM. 181

1. Gebruik waarvoor het multifunctionele meetsystem bedoeld is

  • Meten en weergeven van frequencies tot max. 1300 MHz door de ingebouwde freiuentieteller
  • Produceren van sinus-, rechtshoek-, driehoek- en/of TTL-signalen door de ingebouwde signaalfunctiegenerator tot max. 10 MHz
  • Omvormen van een 230-V-wisselspanning in de gelijkspanningen 5V/2A, 15V/1A en 0 tot 30V/0 tot 3A door de ingebouwde netvoeding

  • Met de digitale multimeter meten van gelijkspanningen tot maximaal 1000 VDC, TRUE RMS (echte effectieve waarde) - meten van wisselspanningen tot max. 750 VACrms, meten van gelijk- en wisselstromen (True rms) tot max. 20 A, max. 30 s lang (gezekerd), meten van werkstanden tot max. 40 Ohm, meten van capaciteiten tot max. 400 uF, meten van inductiviteiten tot max. 400 mH, doorgangstest en logictest.

  • Het meten onder ongunstige omgevingscondities is nicht toegestaan. Ongunstige omgevingscondities zijn:
  • natheid of te hoge luchtvochtigheid
  • stof en brandbare gassen, dampen of oplosmiddelen
  • onweer resp. onweerachtige omstandigheden zoals sterke elektrostatische velden, enz.

Een andere toepassing dan hierboven beschreiben leidt tot beschadiging van dit produit, bovendien gaat dit gepaard met gezaren, zoals b.v. kortsluiting, brand, elektrische schok enz. het totale produit mag nicht veranderd resp. omgebouwd worden. U dient zich besl ist houden aan de aanwijzingen betreffende de veiligheid!

2. Het MS-9160 Universele System

Het MS-91260 Universele Meetsystem is een compact, krachtig meetsystem voor verschillende toepassingsgebieden, zoals laboratoria, serviceworkplaatsen, scholen, hobby, enz. Dit „All-in-One“-instrument (Alles in een) bevat een functiegenerator, een freiquentieteller, een gelijkspanningsnetvoeding met twee vaste en een variabele uitgangsspanning en een volwaardige multimeter (galvanisch gescheiden).

De apparaten elk apart:

  1. De functiegenerator levert 7 (zeven) verschillende curvevormen: sinus, driehoek, rechtsiek, gebogen sinus (met de wijzers van de klok mee, gegen de wijzers van de klok in), puls en TTL-niveau (rechtsiek). De functiegenerator realiseert deze vormen in zeven trappen van 0,2 Hz tot 10 MHz.
  2. De frequentieteller is in staat freiements van 5Hz tot 1300 MHz te meten en wee ter geven op het 8-cijferige LED-display.
  3. De gelijkspanningsnetvoeding levert twee gestabiliseerde vaste spanningen, eenmaal 5 V/2 A en eenmaal 15 V/1 A. Verder staat er een

gestabiliseerde regelbare gelijkspanning van 0 tot 30V bij een stroom van 0 tot 30A tot uw beschikking. Via een brug kan de regelbare netvoedingsuitgaang „geaard" worden.

  1. De digitale multimeter meet spanningsen tot 1000 VDC en 750 VAC, verder stromen tot 20 A DC/AC, verbessarden tot 40 Ohm, capaciteiten tot 400 uF en inductiviteiten tot max. 400 mH. Hij heeft een ingebouwde logic-tester en bezit speciale functies Zoals een RS-232-interface voor aansluiting op een PC, Data-Hold en MIN/MAX-waarde-aanduiding, REL = relatief (=referentiewaardemeting), 5-voudig-meetwaardegeheugen (=MEM=memory), R-H voor handmatige bereikskeuze, dubbel display (=EXT) en CMP = Comparison (= vergelijkingsmeting).

3. Aanwijzingen betreffende de verilgheid

3.1 CE-aanduiding; het multimeetstation MA-9160 is EMV-getest en voldoet aan de richtlijk 89/336/EWG; bovendien is het getest op veilighheid en voldoet aan de laagspanningsrichtelijk 73/23/EWG.
3.2 Het universe meetsystem is opgebouwd en getest in beschermingsklasse 1 volgens VDE 0411 resp. VDE 0550 en heeft de fabriek in veiligheidstechnisch perfecte staat verlaten. Om dit zo te houden dient u zich beslist houden aan de aanwijzingen betreffende de veiligheid en aan de waarschuwingen die in deze gebruiksaanwijzing staan. Het station is voorzien van een VDE-getest netsnoer met aarding en mag waarom alleen gebruikt worden via 230-V-wisselspanning met aarding resp. waarop aangesloten worden.
3.3 Stroommetingen met de ingebouwde multimeter mogen alleen uitgevoerd worden in stroomcircuits die zelf met 16 A afgezekerd zijn resp. waarin geen spanningen >250 VDC/VACrms resp. vermogens >4000 VA hunnen voorkomen. De meter mag nicht gebruikt worden in installatiesuit de overspanningscategorie III volgens IEC 664. De meter en de meetsnoeren zichniet beschermd gegen lichtboogexplosies (IEC 1010-2-031, hfst. 13.101).
3.4 U dient er op te letten dat de aardleiding (geel/groen) noch in het netsnoer noch in het apparaat resp. in het stroomnet onderbroken worden, aangezien er bij een onderbroken aardleiding levensgevaar bestaat. U dient er verdier op te letten dat de isolatie noch beschadigd nog vernield worden.

3.5 Meetsystemen en bijbehorende accessoires horen nicht thus in kinderhanden!
3.6 In commerciele instellungen dient u zich te houden aan de ARBO-voorschriften.
3.7 In scholen, opleidingsinstituten, hobby- en doe-het-zelf-werkplaatsen dient het gebruik van meetsystemen en accessoires te geschieden onder toezicht van geschoold personeel.
3.8 Bij het openen van deksels of het verwijderen van onderdelen, behalve als dat met de hand möglich is,+kunnen spanningvoeren de onderdelen blootgelegd worden. Ook aansluitingen kuren spanningvoerend zichn. Voor een afregeling, onderhoud, inbouwen of verrangen van onderdelen of modules, moet het apparaat van alle spanningsbronnen losgemaakt zichn, als het openen van het apparaatoodzakelijk is. Als daarna een afregeling, onderhoud of reparatie van het apparaat in geopende toestand onder spanningoodzakelijk is, mag dit alleen door een vakman gebeuren, die met de.daaraan verbonden gezaren resp.de betreffende voorschriften vertrouwd is (VDE-0100,VDE-0701,VDE-0683).
3.9 Condensatoren in het apparaat hunnen nog geladen zijn, zichs als het apparaat van alle spanningsbronnen en meetecircuits losgemakt is.
3.10 U dient zich er van te overtuigen dat er ter verranging alleen zekeringen van het aangegeven type en de aangegeven nominale stroomsterkte gebruikt worden. Het gebruik van gerepareerde zekeringen of het overbruggen van de zekeringhouser is Niet toe-gestaan. Voor het verrangen van de zekeringen maakt u de meter los van het meetcircuit en schakelt u hem uit resp. maakt u het complete system los van het net (stekker er uittrekken). Verwijder alle aangesloten snoeren en testpunten. Voor het verrangen van de zekeringen voor de DMM verwijdert u het 2e deksel van boven voorzichtig (met een middelgrote schroevedraaier). Verwijder de defecte zekering (en) door de zekeringhouserkap gegen de wijzers van de klok in er uit te draaien en verrang de zekering door een zekering van het zelfde type endezelfde nominale stroomsterkte: 0,8 A flink, 250 V; gezruikelijke aanduiding: F0,8/250V resp. 20 A flink, 250 V, gezruikelijke aanduiding F20A/250V (types BUS-

SMANN). Nadat u de zekeringen verrangen hebt, draait u de zekeringhouserkap met de neue zekering(en) met de wijzers van de klok meeoor voorzichtig in de zekeringhouser. Aansluitend sluit u het „zekeringvak" waar zorgvuldig. Voor het verrangen van een zekering voor het meetsystem maakt u met een passende schroevedraaier het deksel voor de omschakeling van de voedingsspanning met de ingelegde zekering voorzichtig los (let op de inkeping), verwijdert u de defecte zekering en verrangt u deze door een zekering van het zichfde type en de zichfde nominale stroomsterkte. Voor het voedingsspanningsbereik van 220 tot 240 Volt geldt: 1A traag/250 V, gebruikelijke aanduiding: T1A/250V. Nadat de zekering verrangen is, klikt u het deksel eer in de zekeringhouser. De actuele voedingsspanning moet overeenkomen met de pijlmarkering.

Let op!

Neem de meter/het meetsystem pas wee in gebruik, als de behuizing veilig gesloten en dichtgeschroefd is.

3.11 Werk met deze meter nicht in ruimtes of bij ongunstige omgeving-scondities, waarin/-bij brandbare gassen, dampen of stof aanwezig (kunnen) zijn. Vermijd voor uw eigeneiligheid besl ist het vochtig of nat worden van het meetsysteme/van de meter resp. van de aansluit-/meetsnoeren.
3.12 Wees bijzonder voorzichtig bij het omgaan met spanningen >25V wissel- (= AC) resp. >35V gelijkspanning (= DC) . Reeds bij deze spanningen kunt u bij het aanraken van elektrische leidingen een levensgevaarlijke schok krijgen! Schakel eerst de spanningsbron stroomloos, verbind de meter met de aansluitingen van de te meten spanningsbron, stel de meter in op het benodigde spanningsmeetbereik en schakel daarna de spanningsbron in. Na beeindiging van de meting schakelt u de spanningsbron stroomloos en verwijdert u de meetsnoeren van de aansluitingen van de spanningsbron.
3.13 Zorg er voor ieder spanningsmeting voor dat de meter zich Niet in het stroommeetbereik bevindt.
3.14 Voor iedere omschakeling van het meetbereik moet u de testpunten van het meetobject verwijderen.

3.15 Controller voorijdere meting uw meter resp. de meetsnoeren op beschadiging(en).
3.16 Gebruik voor het meten alleen de meetsnoren die met het apparat meegeleverd zijn. Alleen deze snoeren zich toegestaan.
3.17 Om een elektrische schok te voorkomen, moet u er op letten dat u de testpunten en de te meten aansluitingen (meetpunten)ijdens de meting Niet, ook nicht indirect, aanraakt.
3.18 De spanning:tussen een willekeurige bus van de digitale multimeter en aarde mag Niet groter zichn dan 500 VDC of VACrms. De spanning aan een willekeurige bus van de frequentieteller mag Niet groter zichn dan 35 VDC resp. VACrms gegen aarde.
3.19 Schakel uw meetsystem nooit gelijk in, als het van een koude maar een warme ruimte gebracht worden. Het waar bij ontstane kondenswater kan onder ongunstige omstandigheden uw system vermienlen. Laat het systeem oningeschakeld op kamertemperaturen komen
3.20 Bij het werken met netvoedingen is het dragen van metalen of geleidende sieraden zoals kettingen, armbanden, ringen e.d. verboden.
3.21 Netvoedingen zijn nicht toegestaan voor het gebruik op mensen of dieren.
3.22 Bij de serieschakeling van de uitgangen van een of meerde netvoedingen worden levensgevaarlijke spanningen ( >35 VDC) gegenereerd. Wees bijzonder voorzichtig bij het omgaan met spanningen >25 V wissel- ( = AC) resp. >35 V gelijkspanning ( = DC). Reeds bij deze spanningen kutu bij het aanraken van elektrische leidingen een levensgevaarlijke schok krijgen!
3.23 Luchtspleten van netvoedingen mogen nicht afgedekt worden! U dient de apparaten op een harde, moeilijk ontvlambare ondergrond te zetten, zodat de lucht ongehinderd de apparaten binnen kan komen. De koeling van het apparaat geschiedt door een ventilator aan de rechter kant van het apparaat en door convectie (warmtestroming).

3.24 U mag netvoedingen en de waar op aangesloten verbruikers nicht gebruiken zonder toezicht. U dient maatregelen te treffen ter bescherming en beveiliging van de aangesloten verbruikers ten opzichte van werkingen van de netvoedingen (b.v. overspanning, uittval van de netvoeding) en van de van de gebruikers zich uitgaande werkingen en gezaren (b.v. ontoelaatbaar hoog stroomverbruik).
3.25 In het geval van een fout+kunnen netvoedingen spanningen boven 50V gelijkspanning afgeven, waar gevaar van uitgaat, ook als de afgegeven uitgangsspanningen van de apparaten lager liggen.
3.26 Bij het werkken onder spanning mag alleen nadrukkelijk waarvoorntoegestaan gereedschap gezruikt worden.
3.27 De uitgangen van de netvoedingen (uitgangsbussen/-klemmen) en waar op aangesloten snoeren要去en beschermd worden tegen directe aanraking. Daartoe要去en de gebruekte snoeren voldoen- de isolatie bezitten, b.v. dielektrische sterkte en de contactplaatsen要去en beveiligd�negen aanraken (veiligheidsbussen).
3.28 Het gebruik van blanke metalen leidingen en contacten dient vermeden te worden. Al dezeplaatsen要去en door geschikte, moeilijk ontvlambare isolatie of andere maatregelen afgedekt te worden en daardoor beschermd te worden gegen directe aanraking. Ook de elektriciteit geleidende delen van de aangesloten verbruikers要去en door soortelijke maatregelen gegen directe aanraking beschermd worden.
3.29 Als er aangenomen kan worden dat werkung zonder gevaar nicht更是很有可能 is, dient het apparaat buiten werkung gesteld te worden en beschermd te worden gegen het per ongeluk in werk-king stellen door derden. U kunt er van uitgaan dat gebruik zonder gevaar Niet更是很有可能 is als:

  • het apparaat zichtaar beschadigd is
  • het apparaat Niet meer werkt en
  • het apparaat langere tijd onder ongunstige omstandigheden opgeslagen is of
  • na transport onder moeilijke omstandigheden.

3.30 Om het gevaar van een eventuele elektrische schok te verminderen resp. om het optimaal functioneren van het meetsysteme te garanderen,要去 de behuizing resp. het chassis elektrisch geaard worden (geaarde wandkontaktdoos). De centrale aard-(randaarde-) aansluiting bevindt zich aan dechterzijde van de behuizing, in de „koude stekker“-bus. De meegeleverde voedingskabel, voorzien van een geoarde stekker,要去 met een VDE-goedgekeurde wandkontaktdoos verbonden worden.
3.31 De BNC-bussen op de freiquentieteller en opde functiegenerator zichn spanningsvrij, d.w.z. ze zichn Niet met de aardleiding verbonden.

Let op!

Alleen voor gebruik binnenshuis!

Bij het openen of sluiten van de behuizing moet het apparaat van alle spanningsbronnen losgemaakt zijn. Om het risico van extra bronnen van gevaar uit te sluiten,要去 u nooit zichonderdelen of modules verrangen resp. geen zogenaamde verbeteringen aan dit universe meet-systemeuiitvoeren. Hierdoor kan het apparaat beschadigd worden en verwalt iederrecht op garantie.

Waarschuwingen en bijbehorende symbolen!

In deze gebruiksaanwijzing zult u de volgende veiligheidssymbolen aantreffen:

= Met dit symbol worden de gebruiker aangespoord de gebruik-saanwijzing zorgvuldig door te lezen, om beschadiging van het apparaat uit te sluiten
4 = De bliksemflits symboliseert een gevaarlijke spanning!
1= = Het aardingsteken geeft een aardingspunt aan.

CAT II = overspanningscategorie II

U dient zich besl ist te houden aan de opmerkingen waarin deze tekens voorkomen resp. aan teksten die aangeduid worden met „Let op!“ of „Aanwijzing!".

4. INGEBRUIKNEMING

4.1 Uitpakken van het apparaat en contrôle

Nadat u het apparaat uitgepakt hebt, dient u te controlleren of alle accessoires er zich en of het apparaat onbeschadigd is.

4.2 Voedingsspanningsingang

De EURO-gegoten stekker-bus, de netzekering alsmede de omschakeling van de voedingsspanning bevinden zich aan dechterzijde van de behuizing. Verbind het meegeleverde gegoten stekkersnoor met het meetstation en de geaarde stekker met een geaarde wandkontaktdoos. Let er steeds op dat het snoer goed contact maakt, zowel met het meetstation als met de kontaktdoos.

4.3 Hoogte en soort netvoeding

Het apparaat werkt in een voedingsspanningsbereik van 220 tot 240 V wisselspanning bij een toelaatbare tolerantie van +10% , bij een freundie van 50~Hz of 60~Hz

4.4 Omschakelen van de voedingsspanning

Let op!

Maak het apparaat voor het omschakelen beslist los van alle meetcircuits en in de eerste plaats van het net. Haal de stekker uit de wandkontaktdoos, verwijder de voedingskabel uit het apparaat en overtuig u ervan, dat het universele meetsystem absoluut spanningloos is en zich in geen enkel meetcircuit (schakeling)meer bevindt.

Nu haalt u de zekeringhouser uit (met een passende schroevedraaier er uit wippen). Let op de pijlmarkering en steek de houser rechthoekig gedraaid, de gewenste voedingsspanning wijzend op de pijlmarkering, terug in de houser. Verbind aansluitend de meter opniew met het net (zie ook netvoedingsingang).

4.5 Voorgeschreven netzekering

De stroomsterkte van de netzekering bedraagt bij een voedingsspanning van 220 tot 240 VAC 1 A, bij een dielektrische sterkte van

250 V. De�始iationakarakteristiek van de zekering is "traag" (gebruikelijke aanduiding: T1/250 V of 1 AT/250 V).

4.6 Zekeringen van de digitale multimeter

Voor het 400 mA-bereik (en waaronder) heeft de voorgeschreven zekering de volgende aanduiding: F 0,8A/250 V of 800mAF/25V. Voor het 20-A-meetbereik geldt; F 20A/250V of 20AF/250V. De zekeringen bevinden zich in de weiterzijde van de behuizing, boven de netsteker onder het deksel dat los- c.q. vastgeklikt kan worden.

4.7 Opstelling van het apparaat

Om het display (weergave) van de DMM en de bedieningselementen op de frontplaat optimaal in beeld te krijgen, resp. om afleesbouten te vermijden, worden er aanbevolen de beiden uitklapbare stelvoetjes onder de frontplaat uit te klappen en het apparaat minstens 30~cm van de muur verwijderd op te stellen (de vrije marge van 30~cm geldt ook bij andere manieren van opstellen).

5. Werken met de MS 9160

METEX MS-9160 - Werken met de MS 9160 - 1

Totaalaanzlicht van de frontplaat van de MS 9160 met de bedieningselementen

METEX MS-9160 - Werken met de MS 9160 - 2

Achteraanzicht van de MS 9160

Voorwoord

Voordat u met het meten begint, dient u de gebruiksaanwijzing zorgvuldig door te lezen. Overtuig u ervan, dat het apparaat volgens punt 4 op- en ingesteld resp. aangesloten is.

De nu volgende handleiding is onderverdeeld in vier hoofdgroepen:

5.1 De frequenieteller

5.2 De frequenctiegenerator

5.2 De gewijksspanningsvoeding

5.4 De digitale multimeter

5.1 Werken met de frequentieteller

Bedieningselementen van de frequentieteller*

  1. LED-aanduiding (display)
  2. Ingangsbus A voor 5 Hz tot 100 MHz aan 1 Ohm
  3. Ingangsbus B voor 0,2 Hz tot 100 MHz aan 50 Ohm
  4. Ingangsbus C voor 100 MHz tot 1300 MHz aan 50 Ohm
  5. Functietoetsenblok I: ATTEN = afzakker voor inkomend signala

CHAN = kanaalkeuzeussen A, B en C

GATE = instelling van de poortijdCUSSEN 0,1s,1s en 10s

HOLD = vasthouden van een freiendiewaar de

  1. Functietoetsenblok II FREQ = aanduiding van de metwaarde in Hz, KHz of MHz

PERI = aanduiding van de periodeduur in us

A/B = Verholding A/B

A = > B = Tijdintervalmeting

A-B = Verschil tessen kanaal A en kanaal B

A + B = Som van de kanalen A en (plus) B

TOT = totaal = impulsteller

  • De voedingssschakelaar voor de freiquentieteller bevindt zich aan dechterzijde van de behuizing van de MS 9160.

Let op!

Controler de juiste positie van de voedingsspanningschakelaar in de voedingsingangsmodule aan de awhilekant van de behuizing. Controller of er zich een voorgeschreven zekering in de zekering bevindt, beiden onder inachtneming van de aanwijzingen betreffende de veriligheid (voedingsstekker eruit trekken!).

Overtuig u er van, dat u de juiste voedingsspanningsschakelaar gebruikt. Het apparaat heeft voor het feilloos functioneren een opwarmfase (Warm up) van ca. 20 min. nodig.

Voorbereidingen

a) Basispositie voor inschakelen

  • Controller de BNC-bus op beschadiging of kortsluiting (door te kijken).
  • Zet de displaykeuzeschakelaar in de positie FC (zonder.Deze in te drukken).

Deze schakelaar bevindt zich op het bedieningsveld van de functie-generator—helemaal rechts onder (onder het Ronde venster).

  • Schakel de frequentieteller in. De schakelaar bevindt zich aan de achterzijde van het meetstation. Direct na het inschaken volgt de navolgende zelftest in een relatief korteijd:

Eerst verschijnen alle LED's en segmenten resp. de decimale punten, aansluitend dient er „PASS_ALL“ en daarna „UC 1300“ op het LED display (= aanduiding van de Lichtsegmenten) leesbaar teijken.

  • Stel de Gate-tijd (poorttijd) in op 1 seconde (s), druk waaroor op de toets GATE, tot het LED hinter „1" oplicht.

  • Druk op de toets CHAN voor Channel = kanaal, tot het LED blijter „A" oplicht.

  • Nu leest u op het display „0.0000000“; rechts darnaat leest u de maateenheid MHz.

b) Metingen

  • Afhankelijk van in welk freiquentiebereik u de meter wilt UITvoeren, kiest u of kanaal A, B of C door het indrukken van de toets CHAN. In positie CHAN A worden freiquenties vanaf 10 Hz tot 100 MHz gemeten, net als bij kanaal B. Kanaal C geldt voor freiquenties van 100 MHz tot 1300 MHz.
  • Instellen van de Gate-tijd. Om een zo hoog möglichke resolutie te bereiken, kiest u een passende Gate-tijd.
    -HOLD-Functie

Als de toets „HOLD“ ingedrukt worden, worden de LAST afgelezen frei-quentie „ingevroren“, d.w.z. vastgehouden (Hold). Ook nog, als het BNC-snoor van het meetobject losgemaakt worden.

-Afzwakker (voorverdeler 1/20) = ATTEN = Attenuator.

Als het inkomende signaalniveau groter is dan 300mV , moet u deze toets in drukken. Bij niveaus kleiner dan 300mV moet u deze toets nicht indrukken.

  • Resolutie

De resolutie = aantal posities na de komma, is afhankelijk van de poorttijd (GATE) en de frequentie: poorttijd 0,1 s tot 5 cijfers na de 'komma', poorttijd 1 s tot 6 cijfers na de 'komma', poorttijd 10 s max. 7 cijfers na de 'komma'.

  • PERI = periodeduurmeting

na het indrukken van de toets PERI worden nicht de frequentie in KHz aangeduid, maar de periodededur (=ijd voor een trilling) in us (= microseconde = exp. -6).

  • A/B = verhodiumsmeting

Na het indrukken van de toets A/B worden de verhouding van kanaal A gedeel door kanaal B getoond. B.v.: op kanaal A „staat“ 100 kHz (uit de functiegenerator). Op kanaal B staat dezflede frequentie; dan wordt er, voor zo er beiden frequenties absolut uget gelijk zichn, op het dis- aplay"1.000000" getoond.

-A-B=verschilmeting

Na het indrukken van de toets A - B wordt het verschil UIT A min B geteld.

  • A + B = optellen van A en B

Na het indrukken van deze toets worden het totaal van A + B geteld.

-Tijdsintervalmeting A = >B

Na het indrukken van de toets A = > B worden hetijdintervalussen A en B in us (microsecondes) getoond.

  • TOT = „Totaalmeting" = impulsstellerwerking

Als u tijdimpulsen van elektrische schakelingen wilt tellen, kiest u deze werkingssoort, die via de toets TOT (= totaal) geactiveerd worden. TOTAAL betekent, dat de pulsen opgeteld worden.

c) Tonen van uitgangsfrequenties van de signaalgenerator op het LEDdisplay

  • Om de frequenties van de signalalgenerator op het LED-Display af te kuren lezen,要去 op de omschakelaar rechts onder op de signalalgenerator drukken.

  • Omdat de signalalgenerator max. 10 MHz kan genereren = opwekken,要去 kanaal A kiezen, dat tot 100 MHz kan tellen.

  • Terwijl u de generatorfrequentie van de ingebouwde signalgenerator meet, is de BNC-bus van kanaal A „niet gezet“, d.w.z. ook als u een externe (= van buiten)_freqentie in kanaal A invoert, meet u steeds alleen de freqentie van de ingebouwde generator, zo lang de omschakelaar F/C - F/G ingedrukt is („op F/G staat“).

  • Schakel de frequentiegenerator in, let waar bij beslist op punt 5.2.

d) meten van externe frequencies

  1. Schakel het meetstation en de teller in.

  2. Kies het kanaal door het indrukken van de toets CHAN.

  3. Stel de passende Gate-tijd (poorttijd) in.

  4. Verbind een afgeschermde signaalleiding met intacte BNC-stekker(s) met de ingangsbus van het ingestelde kanaal.

  5. Kies de juiste instelling van de voorverdeler (ATTEN). Bij signalen met een amplitude >300mV moet de demper resp. de voorverdeler geactiveerd zijn. In dit geval worden het ingangssignaal door 20 gedeel, om de meetfait verkleinen.

  6. Lees de gemeten freiagentie met de bijbehorende maateenheid af op het LED-display.

e) Meten van de periodeduur

  1. Schakel het meetstation en de teller in.
  2. Kies kanaal A, B of C door op toets CHAN te drukken.
  3. Druk eenmaal op de toets PERI.
  4. Verbind een afgeschermde signaalleiding met intacte BNC-stekker(s) met de ingangsbus van het ingestelde kanaal.
  5. Lees de periodeduur T van het signal in de maateenheid us (= microseconde) af op het display. Ter herinnering: f = 1 / T resp. T = 1 / f .

f) Weergave van de verhouding van kanaal A gedeel door kanaal B = A/B

  1. Schakel het meetstation en de frequentieteller in.
  2. Druk op de toets A/B.
  3. Verbind twee afgeschermde signaalleidingen, ieder met intacte BNC- stekker(s) met de BNC-bussen van de kanalen A en B.
  4. Lees het resultaat op het display.

g) Meting van hetijdinterval van A B

Een meting worden gestart door het invoeren van een signal in kanaal A en gestopt door het invoeren van een signal in kanaal B. Het verschil in looptijd worden aangegeven in us. Als men b.v. in kanaal A 100 KHz van de ingebouwde signalgenerator invoert en in kanaal B 10 KHz, ontstaat er een interval van 100 us.

  1. Schakel het meetstation en de frequentieteller in.
  2. Druk op de toets A = > B.
  3. Verbind twee aufgeschermde signaalleidingen, ieder met intacte BNC-stekker(s) met de BNC-bussen van de kanalen A en B.
  4. Lees de meetwaarde af op het LED-segmentdisplay.

h) Meting van het verschil van kanaal A min kanaal B

  1. Schakel het meetstation en de frequentieteller in.
  2. Druk op de toets A - B.

  3. Verbind twee afgeschermde signaalleidingen, ieder met intacte BNC- stekker(s) met de BNC-bussen van de kanalen A en B.

  4. Lees het resultaat uit A - B af op het display.

i) Weergave van de optelling van kanaal A + kanaal B (A en B)

  1. Schakel het meetstation en de teller in.
  2. Druk op de toets A + B.
  3. Verbind twee afgeschermde signaalleidingen, ieder met intacte BNC- stekker(s) met de BNC-bussen van de kanalen A en B.
  4. Lees het resultaat van het totaal uit kanaal A + kanaal B af op het display.

k) Werking als impulsteller = optelling vanAPE impulsen (TTL) of rechthoeksignalen

  1. Schakel het meetsystem MS-9160 en de frequentieteller in.
  2. Druk eenmaal op de toets TOT, om ten eerste de werkingssoort "impulsteller" te activeren en ten tweede de tellerstand te initialisieren = terugzetten = Reset.
  3. Verbind een afgeschermde signaalleiding met intacte BNC-stekker(s) met de ingangsbus van kanaal A of kanaal B.
  4. Als het ingangsniveau boven de waarde van 300mVrms komt, drukt u op de toets ATTEN, om het signalaal eerst met een factor 20 te verkleinen en ten tweede om de meetfout zo veel möglich te verkleinen.
  5. Als de impulstelling beeindigd is resp. als u de tellerstand wilt aflezen, drukt u op de toets HOLD om het display „ in te vriezen".

I) Signaalontvangstgevoeligheid van de frequentieteller Kanaal A en B:

100 Hztot60 MHz<20 mVeff
60 MHztot70 MHz30 mVeff
70 MHztot80 MHz50 mVeff
80 MHztot100 MHz70 mVeff

Kanaal C:

100 MHz tot 1,3 GHz < 25 mVeff

5.2 De functiegenerator

METEX MS-9160 - De functiegenerator - 1

Werking van de functiegenerator (FG)

  1. VCF ingangsbus
  2. Omschakelaar voor freiorentiebereiken
  3. FG-uitgangsbus
  4. Steller voor SWEEP-(band)-breedte
  5. TTL-niveau-uitgang
  6. Steller voor SWEEP-(band)-snelheid
  7. Amplitude-stelknop
  8. Omschakelaar voor amplitude-impe-dantie
  9. Schakelaar voor curve
  10. Frequentie-instelling met schaalverdeeling vormen
  11. OFF-Set-stelknop
    13 Display-omschakelaar teller/generator
  12. Symmetrie-stelknop

Let op!

Controleer voor het inschakelen van het apparaat de juiste positie van de voedingsspanningssschakelaar en of de juiste zekering geplaatst is. Overtuig u ervan, dat u de juiste voedingssschakelaar gebruikt aan dechterzijde van de behuizing voor het inschakelen van de functiegenerator.

Voor het juist functioneren van de generator is een opwarmperiode (Warm up Time) van ca. 30 min.oodzakelijk.

Voorbereiding

a) Basisinstelling

  • Controller de contacten van de BNC-bussen op beschadiging resp. op kortsluiting
  • Zet de displayschakelaar op de positie F/G. De schakelaar bevindt zich rechts onder op de functiegenerator.
  • Zet de functieschakelaar (Function) op sinusfunctie
  • Zet de frequentiekeuzeschakelaar „FREQUENCY" op 1 kHz
  • Zet de frequentie-instelknop (schaalverdeling) op de positie 1.0
  • Druk op alle stelknoppen als AMP, OFFSET, SYM, SWEEP (WIDTH en RATE), tot ze allemaal 'ingeklikt'়.
  • Zet de uitgangsimpedantie op de gewenste waarde (50 of 600 Ohm)
  • Als u frequente wilt meten,要去 letten op punt c) van de functie-generatorhandleiding.

b) Vormen van de uitgangscurven

De generator is in staat drie standard-basiscurvevormen SINUS, RECHTHOEK en DRIEHOEK te leveren. Druk hiertoe op een van de schakelaars onder FUNCTION:

: sinuscurve

:rechthoek

: driehoek

c) Frequentiebereik

Druk op een van de zeven toetsen onder FREQUENCY, om het gezvaagde freiertiebereik in te stellen. De te kiezen bereiken kunt uuit onderstaande tabe halen:

Schakelaarpositie Frequentiebereik

x 10 ca. 1Hz tot 10Hz

x 100 ca. 10Hz (2 Hz) tot 100 Hz

x 1k ca. 100Hz (10 Hz) tot 1 kHz

x 10k ca. 1 kHz (100 Hz) tot 10 kHz

x 100k

ca. 10kHz (10 kHz) tot 100 kHz

x1M

ca. 100 kHz (10 kHz) tot 1 MHz

x 10M

ca. 1 MHz (110 kHz) tot 10 MHz

Aanwijzinq!

De waarden:tussen haakjes worden bereikt als de frequenteistelknop practisch gegen de linker aanslag staat. Ze zijn afhankelijk van de uitgangsamplitude en van de aangesloten belasting aan de generatoruitgang.

  • Stel op de frequenieteller de schakelaar Hi/Lo op Lo en de Gatetijd op 1 s (onderste LED-regel, middelste LED).
  • Schakel de displayschakelaar (rechts onder op de FG) in de positie F/G, als dat nog nicht gebeurd is.
  • Op het LED-display=kunt u nu de frequentie van de generator aflezen.

d) Voltage controlled Frequency VCF = spanningsgestuurdre frequeniebeinvloeding

  • De uitgangsfrequentie van de generator kan veranderd worden door het aanwezig়n van een externe spanning aan de VDF-ingang (BNC).
  • Bij een ingangsspanningCUSen0 en 10 VDC kan de uitgangsfrequentie tot 1:20 veranderd worden, afhankelijk van de positie van de Frequentiebereikstoets.
  • Om met de VCF-functie te konnen werken, is hetoodzakelijk de frei-quentiestelknop (schaalverdeling) gegen de linker aanslag (twee deelstreepjes rechts naast 0,1 " te zetten en de externe gelijkspanning met de VCF-bus (BNC) te verbinden (let op de polariteit ^ + ^ binnen).

e) Instelling van de uitgangsamplitude (hoogte van de uitgangsspanning)

  • De hoogte van de uitgangsspanning bij open uitgang bedraagt 20 Vss Aan 50 Ohm resp. aan 600 Ohm kan de uitgangsspanning tot ca. de helft, dus 10 Vss gehalveerd worden.
  • De amplitude van de uitgangs spanning worden ingesteld met de snel-knop AMP.

  • Door aan deze knop te trekken worden deze amplitude vastgezet op - 20 dB.

  • Om een perfecte curvevorm te garanderen in het bereik van1 MHz tot 2 MHz, stelt u de regelaar „AMP“ in opkleiner dan 5 Vss.

f) OFFSET-installing

  • Het gelijkspanningsniveau van het uitgangssignaal kan met de stel-knop OFFSET in het bereik van ± 10 V veranderd worden.
  • Om het gelijkspanningsniveau in te stellen, trekt u aan deze stelknop. Naarchts draaien betekent positieve spanning, maar links draaien betekent negatieve spanning.
  • Als de stelknop ingedrukt is, heeft de uitgangsspanning geen gelifikspanningsgedeelte.

g) Symmetrie-installing

  • De symmetrie van de uitgangsspanning kan in het bereik 1 : 10 resp. 10 : 1 veranderd worden. De stelknop heeft als aanduiding SYM.
  • Om de symmetrie van de curvevormen te veranderen, trekt u de stelknop SYM uit en draait u hem langzaamaar links (tegen de wijzers van de klok in = CCW) of aan rechts (met de wijzers van de klok mee = CW). De curvevormen die hieruit ontstaan haalt u uit de tabel.
BASIC WAVEFORMSCLOCK WISE (CW)COUNTER CLOCKWISE (CCW)
SINESKEWED SINESKEWED SINE
SQUAREPULSEPULSE
TRIANGLESAWTOOTHSAWTOOTH

AANWIZING!

Denk er aan dat door deze verandering van de symmetrie de frequentie verandert en waarom bijgesteld moet worden.

h) SWEEP-installling (Wobbler)

  • Om de ingebouwde frequentiewobbler (Sweep) te activeren, trekt u de stelknop SWEEP WIDTH uit en u=kunt de breedte van het wobble-signal in het bereik 100:1 met deze stelknop veranderen.
  • Om het maximum van de breedte te bereiken, draait u de freiendiestelknop (met schaalverdeling) tot aan de linker aanslag en de bredeteregelaar tot aan de rechtter aanslag.
  • Om de能力和 het wobblesignaal te veranderen, draait u de SWEEP RATE stelknop langzaam maar links resp.�chts. U krijgt een lineair wobblesignaal.
  • Een logaritmisch wobblesignaal worden möglichk gemaakt door de SWEEP RATE stelknop uit te trekken.

i) TTL-uitgang

  • Het TTL-niveau staat ter beschikking aan de TTL-OUT-bus (BNC). Een TTL-niveau is een „onsymmetrisch rechthoeksgnaal“. Onsymmetrisch,,ondat in gegenstellung tot de sinus of het „echte rechthoeksgnaal" het signaalverloop Niet door de nul loopt, d.w.z. het heeft geen negatieve spanningswaarden (negatieve logic uitgezonderd).
  • De TTL-uitgang is in staat in de HIGH-status 20 eenheidslasten en in de LOW-status 15 eenheidslasten te „voeren".
  • Een eenheidslast bedraagt in de HIGH-status 40 uA en in de LOW-status 1,6 ~mA .

j) Uitgangsimpedantie

  • De uitgangsimpedantie aan de generatoruitgang F/G OUT bedraagt, afhankelijk van de stand van de 50/600-W-schakelaar, 50Ohm of 600 Ohm.

5.3 De gelijkspanningsnetvoeding

METEX MS-9160 - De gelijkspanningsnetvoeding - 1

  1. verlicht 3 1/2-cijferig 17 mm hoog LCD-display

  2. aansluiting op aarde

  3. spanningsinstelling

  4. vaste spanningsuitgang 5 V/2A

  5. displayschakelaar V/A

  6. paste spanningsaansluiting 15V/1A

  7. nethoofdschakelaar

  8. regeluitgang 0-30 V/0-3 A

  9. instelbare stroombegrenzing

Let op! Voorzorgsmaatregelen!

Controleer voor het inschakelen van het apparaat de juiste positie van de voedingsspannings-keuzeschakelaar en of de juiste zekering gebruikt worden. Bescherm het apparaat gegen vallen of andere mechanische beschadigingen door vallende voorwerpen. Sluit de n + en - klemmen nicht kort.

Overschrijd nooit de max. toelaatbare belasting van 2,5 Ohm aan de 5V/2A uitgang resp. 15 Ohm aan de 15V/1A-uitgang.

Basisinstallingen

a) Overtuig u ervan, dat er geen belasting op de aansluitklemmen van de netvoeding bevindt, voordat u de voedingskabel aansluit.

b) Draai de stelknop voor de stroomgebrenzing (CURRENT) in de middenpositie.
c) Schakel de voedingsschakelaar in (POWER).
d) De LEDs onder de opschriften 5V resp. 15 V lichten op.
e) Sluit uw lasten aan op de 5V- resp. de 15V-uitgang.
f) Schakel de display-schakelaar op „V“ (aflezen van spanning) en stel de gewenste uitgangsspanning in.
g) Sluit nu uw last (verbruiker) aan op de uitgangsklemmen „+“ en „-“ van de regelbare uitgang. Let waar bij op de polariteit van de verbruiker.

Let op!

Alle uitgangen zijn nicht geaard. Andere uitgangen können of via de aardbus (chassis = aarding via behuizing) aan de frontplaat (rechts onder) geaard worden of blijven nicht geaard.

Kenmerk van de stroombegrenzing

Alle 3 uitgangen zijn, ieder op zich, beschermd gegen overbelasting en kortsluiting door een(APpe stroombegrenzungsschakeling.

a) Uitgang 0 tot 30V , 3 A: beschermd door stroombegrenzing. Als de uitgangsstroom door een verbruiker boven de 3 A komt, dan worden de uitgangsspanning teruggeregeld (bij kortsluiting tot op ca. 0,2 V).
b) Vaste spanningsuitgang 5V/2A: beschermd door een vaste stroomgrens (stabilisatorschakeling). Als de laststroom de waarde van 2,2 A overschrijdt, worden de uitgangsspanning teruggere geld.
c) Vaste spanningsjuitgang 15V/1A: beschermd door een vaste stroom-grens (stabilisatorschakeling). Als de laststroom de waarde van 1,2 A overschrijdt, worden de uitgangsspanning teruggeregeld.

5.4 De digitale multimeter

METEX MS-9160 - De digitale multimeter - 1

5.4.1 Bedieningselementen

  1. Apparaat Aan/Uit
  2. Druktoets voor function (= functie) met deze toets stelt u de verschillende sub-functions in, zoals MIN/MAX, REL, DUAL, enz.
  3. Set/Reset-toets. Met denen toets worden het apparaat weer teruggezet maar de basissituatie (reset = terugzetten)
  4. DC/AC-toets. Met deze toets schakelt u om van de meting van gewelijk aan wisselgroottes of ook bij de waarstandsmeting van de eigenlijke wonderstandsmeting maar de doorgangstest
  5. Up-toets (plus"-toets)
  6. Down-toets ('min-toets)
  7. Capaciteits- en inductiviteitsvoet. In deze voet+kunnen ongeladen!

capaciteiten en spanningloze inductiviteiten (spoelen, smoorkleppen, trafo's enz.) gemeten worden

  1. Draaischakelaar voor het instellen van de verzillende werkingssoorten (spanningsmeting, stroommeting enz.)
  2. A-ingangsbus voor het meten van gewelijk- en wisselstromen tot max. 20 A
    10.mA-ingang. Via deze ingang können gelijk- en wisselstromen tot max. 400 mA gemeten worden.
    11.Com (-)-ingangsbus (COM- resp. minaansluiting)
    12.V-Ohm-(+)-ingangsbus (=plusaansluiting)
    13.LCD-Display (3-cijferig, grootste aanduidingswaarde: 3999)
    14.Analoge bargraph
    15.Bargraph-streep-onderverdeling
  3. Overload "OL"-aanduiding Als er "OL" op het display verschijnt betekent dit Overflow = bereiks-verschrijding.

Let op!

Houd u aan de max. ingangsgroottes.

17.Auto-Hold. "A" staat voorkleine display
18.Data-Hold. Data-Hold betekent het „invriezen" van de gemeten waarde
19. MIN = Minimum. Zodra dit symbol op het display verschijnt, worden de op dat moment laagste waarde getoond (b.v. bij het ontladen van accu's).
20.MAX = maximum. Zodra dit symbol op het display verschijnt, worden de op dat moment hoogste meetwaarde getoond, b.v. spanningsverhogenen.
21.REL = relatief
22.MEM = Memory = meetwaarde-geheugen

23.RCL = Recall = oproepen van de opgeslagen meetwaarde
24. R-H = Range-Hold = Auto-Range uitgeschakeld, handmatige bereits-keuze, met uitzondering van het capaciteitsmeetbereik CAP
25.EXT = Extern. Bij deze functie+kunnen tegelijkertijd twee verschillende werkingssoorten afgelezen worden, b.v. secundaire spanning van een transformator < 125 VACrms en netfrequentie
26.CMP = Comparison = vergelijkkingsmeting
27. = inductiviteit
28.AC = symbol voor wisselspanning of -stroom
29. () = symbol voor akoestische doorgangstester
30. 一 - 一 = minteken resp. symbol voor negatieve polariteit
31.CAP = Capaciteit. CAP staat voor Capacitance = capacititeit => meten van condensatoren
32.LOGI = Logic-test. Als u de logic-testfunctie kiest, verschijnt dit symbol op het display.
33.Tweede "kleine" display voor de functie DUAL-Display
34. = Batterijsymbol. Als dit symbol op het display verschijnt, worden hetijd de batterij te verrangen.
35.Verschillende maateenheden
36.Referentienummer; dit dient voor de nummering van het geheugen bij de functie MEM (= Memory = geheugen) en bij RCL (= Recall = oproepen van het geheugen).

5.4.2 Gebruik van de multimeter

A) Inbouwen/ervangen van de batterij

Opdat uw meter zonder problemen functioneert,要去 deze voorzien zijn van een 9-V-blokbatterij. Als het symbool voor het verrangen van de batterij op het display verschijnt (na ca. 60 bedrijfsuren)要去 u de batterij verrangen. Hiertoe handelt u als volgt:

Het batterijvak befindt zich onder het bovenste deksel (aan de achechterzijde van de behuizing), dat met twee schroeven links en rechts bevestigd is.

Let op!

Maak de MS-9160 beslist los van alle meetcircuits, voordat u de batterij verrangt. Schakel het apparaat beslist uit met de hoofdschakelaar, die zich in het bedieningsveld van de gelijkspanningsnetvoeding bevindt (POWER). Haal de stekker uit de wandkontaktdoos.

Pas als u zich ervan overtuigd hebt dat de MS-9160 losgekoppeld is van het net en met geen enkel stroomcircuiteer verbonden is,kest u beginnen met het verwangen van de batterij. Draai de beiden kruskopschroeven voorzichtig met een passende kruskopschroevedraaier los en haal het deksel er behoedzaam af.Verwijder de verbruike batterij (9V-blok). Deze is verbonden met een batterijclip.Maak deze clip voorzichtig los van de oude batterij en verbind hem daarna met de juiste poling met een neue, Niet gebruikte batterij. Schuif het bloc in het batterijvak tot aan de aanslag en schroef het deksel weeer voorzichtig vast.

Let op!

Gebruik de meter nooit in geopende toestand! Levensgevaarlijk! Laat geen verbruike batterijen in het apparaat zitten, aangezien zichs gegen uitlopen beschermde batterijen kuren roesten, waardoor er chemicalien vrij kuren komen die schadelijk zijn voor uw gezondheid resp. het batterijvak kuren beschadigen. Verbruike batterijen zijn Klein chemisch afval en要去en waarom milieuvriendelijk verwijderd worden. U kunt ze inleveren bij inzamelplaatsen in winkels, chemokar e.d. Schakel de meter uit, als u hem Niet meer nodig hebt.

B) Aansluiten van de meetsnoeren

Gebruik voor uw metingen steeds alleen de meegeleverde meetsnoeren. Let voor iedere aansluiting op de toestand van de aansluitstekker(s) resp. van de testpunten en kijk of de isolatie nog onbeschadigd is.

Deze meetsnoeren zijn toegelaten voor spanningen tot max. 1000 V. Uw meter is eveneens ontworpen voor spanningen tot max. 1000 VDC resp. 750 VACrms (rms = effectief = eff). Wees bijzonder voorlichtig bij het omgaan met spanningen > 25 V wissel- resp. > 35 V gelijkspanning.

Let op!

Overschrijd nooit de max. ingangsgroottes, aangezien er onder ongunstige omstandigheden voor u een levensgevaarlijke situatie kan ontstaan.

C) Ingebruikneming

C.1 Basisinstallingen

Druk op de AAN-toets (1). Het display worden nu verlicht. Om een functieuit te kiezen, draait u de functieschakelaar in de gewenste positie. Nukunt u "normale" functies zonder extra functiesuitvoeren.

Om een dergelijkke speciale functie te kiezen, drukt u op de toets FUNC-TION (2). Door herhaald drukken op deze toets worden de verschillende sub-functies op het display getoond. Als u het menu wilt verlaten, drukt u twee koer op de Set/Reset-toets: eenmaal betekent het kiezen van de sub-functie, twee maal betekent terugzetten.

C.2 Toetsbezettingen

a) De POWER-toets schakelt de meter zowel aan als uit: als u een keer op de toets drukt, worden de meter ingeschakeld, drukt u een tweede keer, dan worden de DMM uitgeschakeld. Nadat de meter ca. 8 minutes nicht更是 gebrukt is, vooral als de aanduiding op het display nauwelijks verandert (bij open meetsnoeren) schakelt de zag. Auto-Power-Off-functie de multimeter af, om energia te sparen. De multimeter要去 dan uit- en weeer opnieuw ingeschakeld worden.

b) FUNCTION

het symbol A-H verschijnt op het display, zodra het apparaat ingeschakeld worden. Als u op de FUNCTION-toets drukt, komt u in de sub-functions. De volgende symbolen verschijnen dan op het display: D-H->MIN -> REL -> CMP -> R-H >EXT -> MEM -> RCL.

c) Set/Reset

Om een gekozen sub-functionie te activeren, d.w.z. in te schakelen, drukt u eenmaal op deze toets. Drukt u nogmaals op deze toets (Reset = terugzetten), dan stelt u opniew de basisinstelling in.

d) DCW/AC (·)

e) Druk op deze toets, als de werkingssoortenschakelaar op spannings-of op stroommeting staat en u b.v. van gelijkspanningsmeting (DC)

wilt omschakelen op wisselspanningsmeting (AC). Deze toets要去ood ingedrukt worden, als de meetfunctieschakelaar op @ staat en u van akoestische doorgangstest om wilt schakelen op watersandsmetting.

f) UP/DOWN

Druk op een van beiden toetsen om in de sub-functie REL of CMP de referentiewaarde in wilt stellen, resp. in de sub-functions MEM of RCL (Recall Memory) de opgeslagen waarde wilt oproepen.

C.3 Voet-resp. busbezetting

a) Steek de ontladen! condensator met de juiste poling resp. de spanningloze inductiviteit (spoel) spanningloos in de bussen. Let er op dat de aansluitingen lang genoeg�, omdat het anders kan leiden tot foutieve metingen.
b) Werkingssoortenschakelaar = meetfunctieschakelaar (8)

Let op!

De werkingssoortenschakelaar magijdens de meting nooit verdraaid worden, waar daardoor de meter vernield kan worden resp. er voor u levensgevaar kan ontstaan.

In een halve cirkel gerangschnitt kurz u hier kiezen uit de verschillende basismeetbereiken door te draaien aan de schakelaar:

$$ m V = \text {m i l l i v o l t A C / D C (m i l l i = 1 0 e x p . - 3)} $$

$$ V = \text {V o l t A C / D C} $$

$$ 4 0 0 \mathrm {m A} = \text {m i l l i a m p e r e A C / D C} $$

$$ 2 0 \mathrm {A} = \text {A m p e r e A C / D C} $$

$$ @ \quad = \quad d o o r g a n g s t e s t / $$

$$ W = \text {w e e r s t a n d s m e t i n g} $$

$$ m H = \text {i n d u c t i v e i t s m e t i n g} $$

$$ C A P = \text {c a p a c i e i t s m e t i n g} $$

$$ \text {L O G I C} = \text {l o g i c t e s t} $$

c) 20-A-bus

Voor gegelijk-of wisselstroommetingen tot max.! 20 A moet het rode meetsnoor hier ingestoken worden.

Let op!

De werkingssoortenschakelaar mag bij de stroommeting in geen geval op spanningsmetting (mV of V) of andere schakelposities, zoals stroommeting (mA of A), staan.

d) mA-bus

Voor geg- of wisselstroommetingen tot max.! 400 mA要去 het rode meetsnoer hier ingestoken worden, maar alleen, als de werkingssoortenschakelaar in de positie „400 mA" staat.

e) COM = Common-bus

Hier要去e alle metingen, behalve bij capaciteits- en inductiviteitsmetingen, het zwarte meetsnoor ingestoken worden (Commonbus betekent min- of ,- " massa-bus)

f) V/W-bus

In deze bus moet het rode meetsnoer gestoken worden, als u spannings- of waarstandsmetingen, doorgangs- of logic-testsuitvoert.

C.4 Display (weergave) - Uitleg en symbolen

a) Digitaal display

het display kan tot „3999“ weergeven, waar bij de polariteit (-) automatisch weergegeven worden (bij negatieve spanningen resp. bij omgekeerde polariteit). Er zijn verder drie posities voor de decimale punt.

b) Analoge bargraph

De analoge bargraph besteht uit 43 segmenten. Hij bezit een hogere meetsnelheid dan het digitale display. Daardoor zich meetwaarde-tendenzen makkelijker te onderkennen. Als het meetbereik overschreden worden, wordt er „OL“, voor Overload = overschrijding, aangegeven, het display ‘knippert’ als waarschuwing.

c) Auto-Hold en Dual-Display „ d"

Bij de metingen „gelijskappningsmeting“, „stroommeting“, „weerstandsmeting“, „doorgangstest“ en „capaciteitsmeting“ (CAP) is de Auto-Hold-functie actief. Op hetkleine display wordt de meetwaarde weergegeven, die 4 - 5 s waaroor op het „grote“ display te zich was. De Auto-Hold-functie zelf is te herkennen door de letter ‘A’ voor de kleine aanduiding. „d“ voor Dual-Display verschijnt links voor hetkleine display, als u een wisselspannings- (= ACV) of logicmeting

(LOGIC) uitvoert. In de volgende babel kurz u zien welke metingen/aanduidingen er möglichk�:

MeetfunctieHoofddisplay (grote display)Subdisplay (kleine Anzeige)
Wisselspanning (AC)wisselspanningdB(m)
Logictest (LOGIC)Hi/Logelijkspanning

d) Data-Hold ,D-H"

met D-H worden een meetwaarde bevroren (vastgehonden).

e) MIN (= Minimum)

Druk eenmaal op deze toets: dekleinste meetwaarde wordt op het tweede (DUAL) display weergegeven, verwijl u met het „normale" display doorgaat met de meting.

f) MAX (= Maximum)

Druk eenmaal op de Set/Reset-toets: de grootste meetwaarde worden nu op het tweede display weergegeven, verwijl u met het große display doorgaat met de meting.

g) REL (= Relatief)

Deze instelling maakt het voor u mogelijk een referentiewaarde te vergelijkken met een volgende meetwaarde. Handel als volgt:

1.Druk erst net zo lang op de „Functie“-toets totdat op het display „REL“ verschijnt.

2.Stel nu met de „UP“ en de „DOWN“-toets de polariteit van de referentiewaarde en het meetbereik in. Na{ieder e invoor moet u ter bevestiging eenmaal op de Set/Reset-toets drukken.

Volgorde van indrukken van de toetsen:

= > Functie = > display , REL ^ = >

=> instelling van het meetbereik (geen automatische wisseling van bereik) => SET/RESET => => Weergave op hetkleine display toont de referentiewaarde.

De meter zal nu het verschil tussen de opgeslagen waarde en de volgende meetwaarde op hetkleine display weergeven, verwijl de actuèle meetwaarde op het grote display afgelezen kan worden.

Voorbeeld: De referentiewaarde bedraagt 100,0 V; de actuèle aflezing bedraagt 90 V (grote display). Op hetkleine display kan het verschil = -10 V afgelezen worden. Als de volgende actuèle meetwaarde 100,0 V bedraagt, zal het verschil „0V“ zijn. Dan leest u op hetkleine display 0000. Het display kan maximaal 3999 weergeven.

Let op!

Bij de REL-functie functioneert de RESET via de SET/RESET-toets nicht. Om diese functie te verlaten, gebruikt u of de meetfunctieschakelaar of de functietoets (FUNCTION) of een van de andere toetsen.

h) MEM (= Memory = geheugen)

Bij deze functie kutn u max. 5 meetwaarden (referentiewaarden) opslaan. Handel daartoe als volgt:

  1. Druk zo lang op de functietoets, tot er MEM op het display verschijnt
  2. Druk op de UP-/DOWN-toetsen, om een referentienummer:tussen 0 en 4 te kiezen.
  3. Druk op de Set/Reset-toets om de waarde op te slaan.

Als u meertere referentiewaarden onder hetzelfde referentienummer „opslaat“, worden steeds de vorige waarde gewist.

i) RCL (= memory Recall = „weergeven“)

Deze functie leest de opgeslagen referentiewaarden uit het geheugen. Handel daartoe als volgt:

  1. Druk op de „UP“- (omhoog) of de „DOWN“- (omlaag)toets om het gewenste referentienummer te kiezen.
  2. Druk nu op de Set/Reset-toets om de opgeslagen waarde af te lezen. De afgelezen waarde worden op hetkleine display weergegeven.
    k) R-H = Range-Hold, wat zoveel betekent als het bereik vasthouden Met deze toets is het möglichk de Auto-Range-mode te verlaten en in de ingestelde werkingssoort (spannings-, stroom-, waarstandsmeting enz.) het meetbereik handmatig (= met de hand) vast te leggen/zelf

te bepalen door het indrukken van de toetsen UP resp. DOWN. Deze functie is Niet beschikbaar bij het meten van condensatoren (CAP).

1)EXT (= Extern)

In deze functie=kunt u twee verschillende werkingssoorten geleiktijdig aflezen, de ene op het grote display, de andere op hetkleine display. let hierbij op de volgende tabel:

WerkingssoortHoofddisplayKleine display
WisselspanningSpanningsaanduidingfrequentie-aanduiding
LogictestHi/Lofrequentie-aanduiding

m) CMP (= Comparison = vergelingking)

In deze subfunctie(Int)kunt u een maximum/minimum-vergelijking make, doordat u de hoogste en de LASTe opgeslagen referentiewaarde met de actuèle meetwaarde vergelijk. Om deze functie te verlaten, drukt u even kort op de werkingssoortenschakelaar. Stel eerst het gewenste meetbereik in. Aansluitend handelt u volgens onderstaand voorbeeld:

Volgorde van indrukken van de toetsen:

$$ \begin{array}{l} = > F U N C T I O N \quad = > A A N D U I D I N G, C M P ^ {\prime \prime} e n, M I N ^ {\prime \prime} = > \ = > \text {I n s t e l l e n v a n d e p o l a r i t e i t} \pm (\text {U p / D o w n}) = > \text {S E T / R E S E T} = > \ = > \text {i n s t e l l i n g 1 e c i j f e r} \quad = > \text {S E T / R E S E T} = > \ = > \text {i n s t e l l i n g 2 e c i j f e r} \quad = > \text {S E T / R E S E T} = > \ = > \text {i n s t e l l i n g 3 e c i j f e r} \quad = > \text {S E T / R E S E T} = > \ = > \text {i n s t e l l i n g 4 e c i j f e r} \quad = > \text {S E T / R E S E T} = > \ = > \text {a a n d u i d i n g} _ {\prime \prime} C M P ^ {\prime \prime} \text {e n} _ {\prime \prime} M A X ^ {\prime \prime} = > \ = > \text {i n s t e l l i n g} \pm \quad = > \text {S E T / R E S E T} = > \ = > \text {i n s t e l l i n g 1 e c i j f e r} \quad = > \text {S E T / R E S E T} = > \ = > \text {i n s t e l l i n g 2 e c i j f e r} \quad = > \text {S E T / R E S E T} = > \ = > \text {i n s t e l l i n g 3 e c i j f e r} \quad = > \text {S E T / R E S E T} = > \ = > \text {i n s t e l l i n g 4 e c i j f e r} \quad = > \text {S E T / R E S E T} = > \ \begin{array}{l} = > \text {a a n d u i d i n g v a n}, \text {C M P} ^ {\prime \prime}, \text {M I N} ^ {\prime \prime} \text {o f}, \text {M A X} ^ {\prime \prime} \text {e n}, \text {L O} ^ {\prime \prime} \text {o f}, \text {H I} ^ {\prime \prime} \text {o f}, \text {P A S S} ^ {\prime \prime} \ \text {o p h e t k l e i n e d i s p l a y} \end{array} \ = > \text {h e t a p p a a t i s k l a a r v o o r e e n v e r g e l i j k i n g s m e t i n g}. \ \end{array} $$

Aanwijzinq!

Bij de Logic-functie High/Low functioneert de COMP-functie Niet.

n) Aanduiding van het referentienummer Het referentienummer is maatgevend voor de functies MEM en RCL. Door op de toetsen UP (+) of DOWN (-) te drukken worden de nummers opgeroepen.

C.5 Display-aanduidingen resp. symbolen boven de werkingssoorten

a) inductiviteitsmeting. Het meetbereik bedraagt 0,01mH tot max. 400mH (399).
b) (·) Doorgangstest met denen functie kunt u de „doorgang" van spanningloze leidingen, steekverbindingen of zekeringen akoestisch en optisch (aanduiding van de meetwaarde) controleren.
c) n -negative polariteit Bij verwisselde meetsnoeren resp. bij negatieve polariteit verschijnt een n -teken voor de meetwaarde.
d) CAP Capaciteitsmeting Het capaciteitsmeetbereik maakt metingen möglichk van ontladen condensatoren van 4 nF tot 400 nF
e) LOGIC-test met denen functie kunt u alle logic-niveauus meten en weergeven (tonen)
f) Aanduiding verwangen batterij
Een alkaline 9-V-blokbatterij heeft in deze meter een gemiddelde houdbaarheid van ca. 60 uur. Ca. 8 uur voordat de batterij leeg is verschijnt het symbol voor het verwangen van de batterij op het display. Tussen deAPEme meetcycli wordt iedere keer een batterij-check uit-gevoerd.
g) Alle overige symbolen, die voor verzschillende maateenheden staan:

AC = wisselgroitte
DC =gelijkgrootte
mV = millivolt (exp. -3)
V = Volt
mA = milliampere (exp. -3)
A = Ampère
kHz = kilohertz (exp. 3)
uF = microfarad (exp. -6)
nF = Nanofarad (exp. -9)

5.4.3 Uitvoeren van metingen

A) Spanningsmeting

Let op!

Overschrijd in geen geval de max. toelaatbare ingangsgroottes. Max. 1000 VDC resp. 750 VACrms.

Raak geen schakelingen of onderdelen van schakelingen aan, als u daarin spanningen >25 VACrms of 35 VDC meet.

Voor het meten van gelijk- of wisselspanningsen handelt u als volgt;

  1. Stel de draaischakelaar in op de gewenste positie (mV of V)
  2. Verbind het rode meetsnoer met de V/Ohm-bus (+) en het Zwarte meetsnoer met de COM-bus (-)
  3. Druk op de DC/AC-toets, afhankelijk van of u gelijkspanning of wisselspanning wilt meten. Zodra er op het display „AC“ verschijnt, bevindt u zich in het wisselspanningsmeetbereik.
  4. Verbind de testpunten met het meetobject (last, schakeling enz.). Elk van de vijf spanningsbereiken, of het nu om wissel- of gelijkspanning gaat, geeft een ingangsweerstand van 10 MOhm (parallel aan < 100 pF). De wisselspanningsingang is AC-gekoppeld. Zodra bij de gelijkspanningsmeting een „-“ voor de meetwaarde verschijnt, is de gemeten spanning negatif (of de meetsnoeren zijn verwisseld).

B) Stroommeting

Voor het meten van gelijk- of wisselstromen handelt u als volgt:

  1. Stel de draaischakelaar in op stroommeting (400 mA of 20A)
  2. Verbind het rode meetsnoer met de mA-bus, als u stromen tot max. 400mA wilt meten, resp. met de A-bus, als u stromen tot max. 20 A wilt meten.
  3. Druk op de DC/AC-toets afhankelijk van of u gelijkstroom of wisselstroom wilt meten. Zodra er op het display „AC“ verschijnt, bevindt u zich in het wisselstroommeetbereik.

  4. Verbind het meetsnoor in serie met hetmeetobject (zie onderstaande tekening).

Let op!

Meet geen stromen in meetcircuits, waarin spanningen >250 VDC resp. VACrms+kunnen optreden.Meet in geen geval stromen >20 A.meet alleen in stroomcircuits, die zelf met 16 A afgezekerd zich resp. waarin geen vermogens >4000 VA+kunnen optreden.Metingen van stromengelrijk aan 20 A mogen max. 30s lang en slechts in intervallen van 15 minutes (afkoelfase voor de shunt = shuntweerstand)uitgevoerd worden.

METEX MS-9160 - Let op! - 1

C) Doorgangstest

Met denen functie kuren spanningloze leidingen, zekeringen, schakelingen enz. akoestisch op doorgang getest worden. Voor denen meting handelt u als volgt:

  1. Stel de draaischakelaar in op.
  2. Verbind het rode meetsnoer met de V/Ohm-bus (+) en het Zwarte meetsnoer met de COM-bus (-).
  3. Aansluitend verbindt u de testpunten met het meetobject.

Let op!

Meet geen geladen condensatoren, sondern anders door een möglichke ontlading uw meter vernield kan worden.

D) Weerstandsmeting

Let op!

Overtuig u er van, dat alle te meten schakelingsdelen, schakelingen en modules alsmede andere meetobjecten spanningloos zijn.

  1. Stel de meetfunctieschakelaar in op watersstandsmeting (Ohm).
  2. Verbind het rode meetsnoer met de V/Ohm-bus (+) en het Zwarte meetsnoer met de COM-bus (-).
  3. Nu verbindt u de testpunten met het meetobject.

De watstand van de meetsnoeren is normal gesproken verwaarloosbaar Klein (ca. 0,1 tot 0,2 Ohm). Deze lage waarde kan城县 in het onderste meetbereik reeds tot onnauwkeurigheden leiden. Om deze „meetfouten“ te compenseren kunt u met de functie „REL“ deze watstand „aftrekken“, d.w.z. de aanduiding relativeren resp. op „0“ stellen.

Als u een waarstandsmeting uitvoert,要去 er op letten dat de meetpunten, die u met de testpunten aanraakt, vrij zijn van vuil, olie, soldeerlak of dergelijkke. Dergelijkke omstandigheden konnen de meetwaarde verversen.

Bij waarstanden > ca. 4 MOhm kan hetijken, dat het display watijd nodig heeft om te stabiliseren.

Zodra er „OL" op het display verschijnt en de bargraph knippert, hebt u het meetbereik overschreden resp. is hetmeettraject onderbroken.

E) Inductiviteitsmeting

Voor het meten van inductiviteiten handelt u als volgt:

  1. Stel de draaischakelaar in op _n400mH ,
  2. Metingen können alleen met de meetbus op de meter uitgevoerd worden.

Met de functie „R-H“kest u:tussen twee meetbereiken handmatig heen- en terugschakelen. Als de functie „R-H" nicht ingesteld is, stelt de meter zich automatisch (= Auto-Range) in.

Let op!

Let er bij de inductiviteitsmeting beslist op dat de spoel resp. de schakeling waarin deze eventueel ingebouwd is, beslist spanningloos要去 zich. Alle aanwezige capaciteiten要去 ontladen zich.

F) Capaciteitsmeting

Voor het meten van capacititeiten handelt u als volgt:

  1. Ontlaad iedere condensator, voordat u deze met de meter verbindt.

Let op!

Bij het kortsluiten van condensatoren konnen er energierijke ontladingenplaatsvinden. Voorzichtig! Levensgevaarlijk! Raak geen aansluitingen aan bij condensatoren met spanningen >35 VDC resp. 25 VAC. Voorzichtig in ruimtes waarin zich stof, brandbare gassen, dampen of vloeistoffen (kunnen) bevinden. Gevaar voor explosies!

  1. Stel de meetfunctieschakelaar (8) in op „CAP".
    3.Metingen können nu met de meetbus op de meter uitgevoerd worden. Let bij unipolaire condensatoren (gepoold) op de juiste polariteit.

G) Gebruik van de analoge bargraph

De bargraph is makkelijk te bedieren en te snappen. Hij kan vergeleken worden met de wijzer van een analoge meter, zonder de mechanische nadelen ervan. Hij is bijzonder geschikt voor meetsignalen die snel veranderen, waarvoor het digitale display te „langzaam“ is. Op deze manier+knen ook tendenzen van een meetwaardeverander-ing snel erkend en gevalueerd worden. Bij overload of overschrijding van het meetbereik gaan alle bargraphaanduidingselementen knipperen.

H) Logic-test

Deze meetfunctie is bedoeld voor het vaststellen van logic-niveau in digitale schakelingen.

  1. Schakel de meter in.
  2. Stel de meetfunctieschakelaar (8) in op HIGH/LOW. Op het display verz-schijnt „rdY“, wat zoveel betekent als ready = klaar.
  3. Verbind de meetsnoeren met de COM-bus (zwarte snoer) en met de V/Ω- bus (rode snoer).
  4. Verbind nu het andere einde van het zwarte meetsnoor met de "massa" van de digitale schakeling = "-(normaal gesproken). De punt van het rode meetsoer moet verbonden worden met de positieve voedingsspanning (V+ of Vcc).
  5. Als de verbindingen tot stand gebracht zijn, drukt u eenmaal op de Set/Reset-toets.

  6. Terwijl nu het zwarte meetsnoer met de massa verbonden blijft, worden de rode testpunt van het positieve stroomvoorzieningspunt losgemaakt. U kunt nu de betreffende meetpunten met de rode testpunt „afvragen“, de multimeter zal waarop de „3 bereiken“ weergeven.

  7. als het niveau boven 70% van de opgeslagen voedingsspanning ligt, worden er „Hi“ weergegeven;

  8. als het niveau onder 30% van de opgeslagen voedingsspanning ligt, worden er „Lo" weergegeven;
  9. ligt het niveau daarentegenCUSSEN 31 % en 69 % van de opgeslagen voedingsspanning b.v. 5 V), dan worden er „—“ weergegeven.

In de werkingssoort „LOGIC“kestu Niet werken met de sub-functions “MAX”,“MIN”en Data-Hold = "D-H'. Voordat u bij het eventuele verlaten van de Logic- functie de meetbereikschakelaar gebruikt, moet u eenmaal op de SET/RESET- toets drukken, zodat er op het display „rdY" verschijnt.

I) Gebruik van de multimeter in combinatie met een computer

a) Aansluiting

Verbind de RS-2332-interfacekabel (nul-modem-kabel) van de multimeter (achterkant van de behuizing onder het onderste deksel) met een série interface van de computer. Schakel nu de meter in.

b) Gebruik van de software

Deze multimeter werk ist op iedere computer met een RS-232-interface, maar de software is alleen geschikt voor IBM-compatible computers. Het gebruik van de software is als volgt beschreven:

  1. Doe de diskette in de drive. Kopieer de „files“ of op de harde schijf of maak een „back-up“-kopie van de diskette.
  2. Druk op de toets „Enter".
  3. Als u het programmeijdens de UITvoering wilt stoppen of onderbreken, druk dan op CRTL + BREAK op het toetsenbord van uw computer.

Data-overdracht

Zodra de multimeter ingeschakeld is, is de interface „kaar voor gebruik". Via het commando [D] van de computer worden de data-overdracht gestart.

U dient op het volgende te letten, als u uw eigien software maakt: Een dataformaat is 14 bit lang. De samenstelling luidt als volgt;

BYTE 123456789ABCDE

vb.1 D C -3,999 V CR

vb.2 OH M 3,999 Mo h m CR

Programmavoorbeeld in BASIC voor het eenvoudig aflezen van de multimeter:

10 OPEN _COM1:1200,n,7,2,RS,CS,DS,CD" AS#2

20 A$="D"

30 PRINT #2,A$

40 IN = INPUT (14,#2)

50 PRINT IN$

60 CLOSE#2

70 END

Bijzondere kenmerken voor de data-overdracht (communicatieparameters):

Overdrachtsnelheid : 1200 baud

Character code : 7-bit ASCII

Pariteit : geen

Stop-bits :2

5.5 Onderhoud en kalibrering

Om de précise van de multimeter gedurende een langereperiode te garanderen, moet deze staat enmaal gekalibreerd worden. Het verwangen van de zekering is beschreven onder 3. (Aanwijzingen betreffende de verilgheid).

Het verwangen van de batterij vindt u onder 4.4.1.

Voor het schoonmaken van het apparaat resp. van het display-venster neemt u een schone, Niet pluizende, antistatische, droge doek.

Let op!

Gebruik voor het schoonmaken geen koolstofhoudende schoonmaak-middelen of benzine, alcohol of dergelijkke. Daardoor wordt het oppervlak van de meter aangetast. Bovendien zijn de dampen schadelijk voor de gezondheid en explosief. Gebruik voor het schoonmaken ook geen gereedschap met scherpe kanten, schroevedraaiers of metalen borstels of dergelijkke.

6. Technische gegevens (algemeen en DMM) en meettolerancies (bij de multimeter = DMM)

A) Meetstation algemeen

Ingangsspanning

: 100/120/220 of 240 VAC/50 of 60 Hz, afhankelijk van de positie van de spanningskeuze-"schakelaar" (zekeringshouver-kap)

Vermogensopname

: ca. 120 vA

Netzekering

: voor het spanningsbereik van 220tot 240 VAC geldt 1 A,traag/250, gebruikelijke aanduiding T1A/250V; afmeting van de zekering: 6× 30mm

Gewicht

: ca. 12,5 kg

Afmetingen (bxhxd)

: 380x 185 x 370 mm (zonder meetsnoeren en stelvoeten ingeklapt)

B) frequenieteller

Kanaal A

: 5 Hz tot 100 MHz

Kanaal B

: 5 Hz tot 100 MHz

Kanaal C

: 100 MHz tot 1,3 GHz (= 1300 MHz)

Ingangsimpedantie

: kanalen A en B 1MΩ (II tot 100 pF kanaal C: 50 Ω

Ingangsgevoeligheid

70 mVrms voor kanalen A en B, 35 mVrms voor kanaal C

Max. ingangsniveau

:kanalenA,BenC3Vrms (= 3eff)

Resolutie (van display)

1 Hz, 10 Hz, 100 Hz

Gate Time (poorttijd)

10s, 1s, 100ms=0,1s

Standaardijdbasis

: frequenie 10 MHz; stabiliteit 5 ppm (O oC tot +40^ )

LED-aanduiding (display)

8-digit-LED (8-cijferig) met de aanduidingen van de maateenheden

Periodeduurmeting: kanalen A en B: 0,1 s tot 10 s min. resolutie 1 us tot 0,1 ps, afhankelijk van de poortrijk kanaal C: 0,1 s tot 10s; min. resolutie 0,1ps, afhankelijk van de poortrijk
Verschilmetting A-B: min. resolutie 100 Hz tot 100 uHz, afh. van poortrijk en ingangssignaal
Optellen van A + B: min. resolutie 100 Hz tot 100 nHz, afh. van poortrijk en ingangssignaal
TijdintervalA=>B: bereik 100 ns tot 10 s, min. resolutie 100 ns
Overflowaanduiding: „OVER"
C) Functiegenerator
Curvevormen: sinus, rechtsheek, driehoek, „skewed“ sinus, hellend, puls, TTL-niveau (recht-hoek)
Frequentie: 1 Hz tot 10MHz in 7 bereiken
VCF-spanningsniveau: 0 TOT 10 VDC (MAAR MAX.: + 15VDC)
Uitgangsimpedantie: 50W + 10%, 600W + 10%
Steekverbindingen: BNC
Amplitude: 2 Vss tot 20 Vss (zonder belasting) 1 Vss tot 10 Vss aan 50 Ohm
Afzwakker (demping): -20dB
Variabel freiuentiebereik: 20 tot 1 ofeer
Variabel symmetriebereik: 3 tot 1 ofeer
Variabel offsetbereik: max. + 10 VDC
Sinusfungtie
- Ruisfactor: kleiner dan 1% (bij 100 kHz)
- Amplitufout: + 0,3 dB
Rechthoekefungtie
- Symmetrie: < + 3% (bij 1 kHz)
- Stijg-/daaltijd: < 150 ns (bij 1 kHz)
Driehoekfungtie
- Lineairiteit: < 1% (tot 100 kHz)
< 5% (100 kHz tot 2 MHz)
< 10% (2 MHz tot 10 MHz)
TTL-niveau
- Stijg-/daaltijd: < 30ns (bij 1 kHz)
- Uitgangsnavau: > 3
Sweep freiagentie (Wobblefreiagentie)
- Wobble-tijd: 20 ms tot 2 s
- Afbuigingssoort: linear/logarithmisch (schakelhaar)
- Bandbreedte: > 100 tot 1
- Sweep-uitgang (ext) = VCF-ingang
D) Gelijkspanningsnetvoeding
Uitgang AUitgang BUitgang C
Uitgangsspanning: 0 - 30 V5 V (vast)15 V (vast)
Uitgangsstroom: 0 - 3 A2 A -“-1 A -“-
Bromspanning: 1 mV max.2 mV max.2 mV max.
Lastafregeling: 0,1%+5mV0,1%+70mV0,1%+35mV
Naregeling bij netschommelingen: 0,1%+5mV0,1%+30mV0,1%+30mV
Stroombegrenzing: tot 3,2 A2,2 A (typ.)1,2 A(typ.)
Fold BackFold Back
Display: 3 1/2-cijferigLCD displayvoor V en Averlicht
LED-aanduiding: LED voor LED voor „AAN“LED voor „UIT“stroombegrenzing
E) digitale multimeter
Technische gegevens, algemeen
Display3-cijferig LCD-display tot 3999, met automatische polariteitsaanduiding
Max. meetsnelheid10 metingen per seconde
Ingangsweerstand10 MΩ

Max. ingangsstroom AC/DC : 20 A

Werktemperatuur : -10 oC tot +40 oC, bij een rel. luchtvoch-tigheid van < 75%, nicht kondenserend

Opslagtemperatuur : -10 oC tot +50 oC, bij een rel. luchtvoch-tigheid van < 80%, nicht kondenserend

Temperatuur voor garandeerde precisié +23oc + 5K

Batterijtype :NEDA 1604 9V of 6F22 9V,alkaline-type

6.2 meettolerancies bij de multimeter

Aanduiding van de precise in +( % . van de aflezing + aantal posities = digits = dgt(s)); precise 1aar lang bij een temperatuur van +23 oC ± 5K, bij een relatieve luchtvochtigheid van minder dan 75% . De opwarntijd bedraagt 1 minuut.

WerkingssoortMeetbereikPrecisieResolutie
gelijkspanning400 mV±(0,3%+1dgt)100 uV
4 V±(0,3%+1dgt)1 mV
40 V±(0,3%+1dgt)10 mV
400 V±(0,3%+1dgt)100 mV
1000 V±(0,5%+1dgt)1 V
Wisselspanning400 mV±(2,5%+5dgts)100 uV
True RMS = echte eff. waarde4 V±(2,5%+5dgts)1 mV
40 V±(2,5%+5dgts)10 mV
Crestfaktor 3400 V±(1,0%+3dgts)100 mV
Gelijkstroom750 V±(1,0%+3dgts)1 V
Frequentie van de wisselspanning: 40 bis 10 kHz van mV-bereik tot 40 V
40 Hz bis 1 kHz van 400 V- bis 750-V-bereik
40 mA±(0,8%+1dgt)10 uA
400 mA±(0,8%+1dgt)100 uA
4 A±(1,5%+5dgts)1 mA
20 A±(1,5%+5dgts)10 mA
Wisselspanning True RMS =40 mA±(2,5%+3dgts)10 uA
400 mA±(2,5%+3dgts)100 uA
echte eff. waarde Crestfactor 34 A±(2%+5dgts)1 mA
20 A±(2%+5dgts)10 mA
Frequentie van de wisselstroom: 40 Hz tot 10 kHz in het 40mA- en 400 mA-bereik 40 Hz tot 1 kHz in het 4A- en 20-A-bereik
Weerstand400 Ω±(0,5%+1dgt)0,1 Ω
4 kΩ±(0,5%+1dgt)1 Ω
40 kΩ±(0,5%+1dgt)10 Ω
400 kΩ±(0,5%+1dgt)100 Ω
4 MΩ±(0,5%+1dgt)1 k Ω
40 MΩ±(1%+2dgts)10 kΩ
Capaciteit4nF±(2%+3dgts)1pF
40nF±(2%+3dgts)10pF
400nF±(2%+3dgts)100pF
4uF±(3%+5dgts)1nF
40uF±(3%+5dgts)10nF
400uF±(3%+5dgts)100nF
inductiviteit40 mH±(3%+20dgts)10 uH
400 mH±(3%+10dgts)100 uH
Doorgangstester: akoestisch signaal bij waarstanden kleiner dan 30 Ohm, meetspanning 2,0 VDC max.

6.3 Maximale ingangsgroottes, bescherming gegen overbelasting (multimeter)

Spanningsmeting

: 1000 VDC resp. 750 VAC

Stroommeting

: 400 mA AC/DC in het 400 mA-bereik 20 A in het 20A-bereik, max. 30 s lang met een aaneensluitende afkoelfase van min. 15 min., max. 250 VDC/VACrms

Weerstandsmeting : 40 MOhm, overbelastingsbescherming:250 VDC/AC

Doorgangstest : overbelastingsbescherming 250 VDC/AC

Logic-meting : overbelastingsbescherming 250 VDC/AC

Capaciteitsmeting : 400 uF

Inductiviteitsmeting : 400 mH

Let op!

De meetfuncties capaciteitsmeting en inductiviteitsmeting zichn nicht beschermd gegen overbelasting of gegen te hoge ingangsspanning(en). Het overschrijden van de max. toelaatbare ingangsgroottes leidt tot beschadiging van de meter resp. tot het in gevaar brengen van het leven van de gebruiker.

Inhoudsopgave Klik op een titel om deze te openen
Handleidingassistent
Aangedreven door Anthropic
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : METEX

Model : MS-9160

Categorie : Multimeter