Address 125 (2024) - Motorfiets SUZUKI - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Address 125 (2024) SUZUKI in PDF-formaat.
| Type product | Motorfiets |
| Merk | Suzuki |
| Model | Address 125 (2024) |
| Afmetingen (L x B x H) | 1825 mm x 690 mm x 1160 mm |
| Wielbasis | 1265 mm |
| Leeggewicht | 105 kg |
| Motortype | 4-takt, luchtgekoeld, OHC, 1 cilinder |
| Cilinderinhoud | 124 cm³ |
| Compressieverhouding | 10,3:1 |
| Brandstofsysteem | Brandstofinspuiting |
| Brandstoftankinhoud | 5,0 L loodvrije benzine (min. octaan 91) |
| Startsysteem | Elektrisch (Easy Start) en kickstarter |
| Transmissie | Automatisch (V-riemaandrijving, droge koppeling) |
| Voorrem | Enkele schijfrem (gecombineerd remsysteem) |
| Achterrem | Trommelrem |
| Bandenmaat voor | 90/90-12 44J (tubeless) |
| Bandenmaat achter | 90/100-10 53J (tubeless) |
| Bougie | NGK MR7E-9 |
| Motoroliecapaciteit (verversen) | 650 ml |
| Transmissieoliecapaciteit (verversen) | 50 ml |
| Inrijperiode | Eerste 1600 km; gasgreep < 1/2 tot 800 km, < 3/4 tot 1600 km |
| Onderhoudsinterval | Elke 1000 km smering; eerste grote beurt na 1000 km |
| Maximaal toelaatbaar totaalgewicht (MTT) | 275 kg |
| Veiligheidsuitrusting | Helm, handschoenen, beschermende kleding verplicht |
Veelgestelde vragen - Address 125 (2024) SUZUKI
Gebruikersvragen over Address 125 (2024) SUZUKI
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Motorfiets in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Address 125 (2024) - SUZUKI en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Address 125 (2024) van het merk SUZUKI.
GEBRUIKSAANWIJZING Address 125 (2024) SUZUKI
Deze handleiding dient te worden beschouwd als een onderdeel van de motorfiets en moet bij verkoop samen met de motorfiets aan de nieuwe eigenaar worden overhandigd. De handleiding bevat belangrijke veiligheidsinformatie en instructies die zorgvuldig dienen te worden doorgelezen voordat de motorfiets in gebruik wordt genomen.
VOORWOORD
Motorrijden is een van de meest opwindende sporten, en om zeker te zijn van uw rijplezier doet u er goed aan om de informatie in deze gebruikershandleiding aandachtig door te nemen voordat u op uw motorfiets gaat rijden.
In deze handleiding worden de juiste verzorging en het onderhoud van uw motorfiets beschreven. Door deze aanwijzingen precies op te volgen, kunt u er zeker van zijn dat uw motorfiets een lang leven heeft zonder ongemakken. Uw erkende Suzuki-dealer heeft ervaren technici die opgeleid zijn om uw motorfiets met de best mogelijke zorg te omringen, met de juiste gereedschappen en het juiste materiaal.
Alle informatie, afbeeldingen en specificaties die u in deze handleiding vindt, zijn volledig bijgewerkt tot het ogenblik van publicatie. Tengevolge van verbeteringen of andere veranderingen zouden er tegenstrijdigheden kunnen voorkomen tussen de informatie in deze handleiding en uw motorfiets. Suzuki behoudt zich het recht voor om te allen tijde veranderingen aan te brengen.
Deze handleiding is van toepassing op alle specificaties of op alle respectievelijke bestemmingen en geeft uitleg over al het materiaal. Het is daarom mogelijk dat uw model afwijkende kenmerken heeft dan die vermeld in deze handleiding.
SUZUKI MOTOR CORPORATION
BELANGRIJKE INFORMATIE
INFORMATIE I.V.M. DE INRIJPERIODE VAN UW MOTORFIETS
De eerste 1600 km zijn de belangrijkste voor de levensduur van uw motorfiets. Een correct nagevolgde inrijperiode verzekert een maximale duurzaamheid en een optimale werking van uw nieuwe motorfiets. Suzuki-onderdelen zijn vervaardigd van materialen van hoge kwaliteit en deze zijn in de fabriek afgewerkt met het oog op nauwkeurig bepaalde belastingen. Een correct nagevolgde inrijperiode zorgt ervoor dat de afgewerkte oppervlakken elkaar smeren en zich harmonieus aan elkaar aanpassen.
De betrouwbare werking van uw motorfiets hangt af van de speciale zorg en het navolgen van de beperkingen tijdens de inrijperiode. Let er vooral op de motor niet te overbelasten om oververhitting van de motoronderdelen te voorkomen.
Zie het hoofdstuk HET INRIJDEN voor verdere aanbevelingen en voorschriften betreffende het inrijden.
▲ WAARSCHUWING/▲ VOORZICHTIG/
LET OP/OPMERKING
Lees deze handleiding zorgvuldig door en volg alle aanwijzingen zorgvuldig op. Om de nadruk te leggen op speciale informatie, hebben het symbool ▲ en de woorden WAARSCHUWING, VOORZICHTIG, LET OP en OPMERKING alle een speciale betekenis. Meldingen die beginnen met de volgende signaalwoorden zijn bijzonder belangrijk:

WAARSCHUWING
Geeft een potentieel gevaarlijke situatie aan die kan resulteren in ernstig of fataal letsel.

VOORZICHTIG
Geeft een potentieel gevaarlijke situatie aan die kan resulteren in licht of matig letsel.
LET OP
Geeft een potentieel gevaarlijke situatie aan die kan resulteren in beschadiging van het voertuig of het materiaal.
OPMERKING: Geeft speciale informatie aan die het onderhoud vergemakkelijkt of de instructies duidelijker maakt.

INHOUDSOPGAVE
VEILIGHEIDSINFORMATIE
BEDIENINGSORGANEN, UITRUSTING EN AFSTELLINGEN
INSPECTIE EN ONDERHOUD
STORINGZOEKEN
STALLING EN SCHOONMAKEN VAN DE MOTORFIETS
INFORMATIE VOOR DE GEBRUIKER
TECHNISCHE GEGEVENS
INDEX
VEILIGHEIDSINFORMATIE
VEILIGHEIDSRICHTLIJNEN 1-2
VOORZORGSMAATREGELEN TIJDENS HET RIJDEN 1-13
RICHTLIJNEN VOOR DE BRANDSTOF 1-20
GEBRUIK VAN ACCESSOIRES EN BELADING VAN DE MOTORFIETS 1-22
WIJZIGINGEN 1-27
VEILIGHEIDSINFORMATIE
VEILIGHEIDSRICHTLIJNEN
DE MEEST ONGEVALLEN KUNNEN WORDEN VOORKOMEN
Volg de basisvoorzorgsmaatregelen beschreven in dit hoofdstuk met betrekking tot dagelijks gebruik en zorg ervoor dat u voorzichtig rijdt.
Let altijd goed op tijdens het rijden om bot-singen te voorkomen.
- Soms gebeuren er motorfietsongevallen omdat andere weggebruikers u niet opmerken. Let tijdens het rijden op het volgende.
- Houd er rekening mee dat ongevallen vaak voorkomen wanneer een auto die naar een motorfiets rijdt links voor de motorfiets draait.
-
Rijd niet in de dode hoek van andere weggebruikers.
-
Draai het stuur niet snel en rijd niet met één hand, omdat u hierdoor kunt slippen of vallen.
- Draag beschermende uitrusting, zoals een helm en handschoenen, om letsel door vallen of ongevallen tot een minimum te beperken. Voor informatie over geschikte uitrusting en kleding, zie "BESCHERMENDE KLEDING" op pagina 1-4.
-
Houd tijdens het rijden het stuur met beide handen vast en plaats uw voeten op de voetsteunen. Passagiers moeten het lichaam van de bestuurder stevig met beide handen vastpakken of de veiligheidsgordel of handgreep vasthouden, indien uitgerust, en hun voeten op de achterste voetsteunen houden.
-
Lees alle labels op de motorfiets en volg de aanwijzingen op. Zorg dat u de informatie op de labels begrijpt. Verwijder geen labels van de motorfiets.
- De accessoires die u met uw motorfiets gebruikt en de manier waarop u uw uitrusting op de fiets laadt, kunnen gevaren veroorzaken. Aerodynamica, besturen, balans en speling in bochten kunnen achteruitgaan en de ophanging en banden kunnen overbelast raken. Lees het deel "GEBRUIK VAN ACCESSOIRES EN BELADING VAN DE MOTORFIETS" op pagina 1-22.
Routinecontroles en periodieke inspecties
Voer routinecontroles en periodieke inspecties uit om ongevallen of pech te voorkomen.
Als de motorfiets een ongewoon geluid maakt, vreemd ruikt of vloeistof lekt, laat hem dan nakijken door een Suzuki-dealer. Voor informatie over routinecontroles en periodieke inspecties, zie "INSPECTIE EN ONDERHOUD" op pagina 3-2.

WAARSCHUWING
Als u met zeer hoge snelheid met de motorfiets rijdt, neemt de kans dat u de controle over de motorfiets verliest toe, wat kan resulteren in een ongeluk.
Rijd altijd met een snelheid die geschikt is voor het terrein, uw zicht, de omgevingsomstandigheden, en uw vaardigheid en ervaring.

WAARSCHUWING
Als u zelfs maar één hand of voet van de motorfiets neemt, neemt de kans dat u de controle over de motorfiets verliest toe. U zou uw balans kunnen verliezen en van de motorfiets kunnen vallen. Als u uw voet van de voetsteun afneemt, kan uw voet of been in contact komen met het achterwiel. Dit kan letsel veroorzaken of resulteren in een ongeluk.
Houd het stuur met beide handen vast en houd beide voeten op de voetsteunen van de motorfiets terwijl u rijdt.
Zowel de bestuurder als de passagier moeten zeker een helm dragen, evenals kleding en beschermende uitrusting die een hoog niveau van bescherming bieden. Raadpleeg het volgende bij het aanschaffen van deze uitrusting.

WAARSCHUWING
Om het risico op letsel te verminderen:
- Draag een helm, oogbescherming en beschermende kleding.
- Lees de gebruikershandleiding zorgvuldig door.
Helm
- Draag een helm en trek het riempje stevig aan. Kies een helm die goed op je hoofd past maar geen overmatige druk uitoefent.
- Draag een helmschild of een veiligheidsbril. Deze beschermen het gezichtsveld tegen de wind, en beschermen ook de ogen tegen insecten, stof en kleine steentjes die door voertuigen die voor u rijden worden opgeworpen.

WAARSCHUWING
Als u geen helm draagt, neemt de kans op overlijden of ernstig letsel bij een bot-sing toe. Als u een helm draagt die niet goed past of niet goed is vastgemaakt, biedt de helm wellicht niet de bescherming waarvoor deze is ontworpen.
De bestuurder en de passagier dienen een helm te dragen die goed past en goed is vastgemaakt.
Rij-uitrusting
- Draag beschermende uitrusting en kle- ding die een hoog beschermingsniveau bieden. Draag een helder, opvallende bovenkleding met lange mouwen en een lange broek die zo min mogelijk huid blootstellen. Dit vermindert de impact op het lichaam bij onverwachte ongevallen. Loszittende, nette kleding kan ongemak- kelijk en onveilig zijn bij het motorrijden. Kies motorkleding van goede kwaliteit wanneer u motorrijdt.
- Zorg dat u handschoenen draagt. Handschoenen van wrijvingsbestendig leer zijn geschikt.
- Draag schoenen waarmee u de motorfiets makkelijk kunt bedienen en die de enkels bedekken.
- Draag waar nodig een jas en een broek voorzien van beschermingen.

WAARSCHUWING
Als de passagier een lange jas draagt, kan deze het achterlicht verdoezelen of de richtingaanwijzer bedekken. Dit is gevaarlijk omdat voertuigen die achter u rijden u mogelijk niet zien.
Passagiers kunnen indien mogelijk beter geen lange jassen dragen. Als dergelijke kledingstukken worden gedragen, moet men op het loshangende deel gaan zitten zodat deze het achterlicht of de richtingaanwijzers niet kan bedekken.
Uitrusting van een passagier
Een passagier heeft dezelfde bescherming nodig als u, inclusief een helm en de juiste kleding. De passagier mag geen lange schoenveters hebben of een losse broek dragen die verstrikt zou kunnen raken in het wiel.
SPECIALE SITUATIES VEREISEN SPECIALE ZORG
Winderige dag
Bij het rijden in een sterke zijwind, wat mogelijk is bij de ingang van een tunnel, op een brug, of bij het passeren van of gepasseerd worden door grote vrachtwagens, kan de motorfiets worden geblazen door zijwind. Houd uw snelheid onder controle en houd het stuur stevig vast tijdens het rijden.

WAARSCHUWING
Plotselinge zijwind, zoals kan voorkomen wanneer u wordt gepasseerd door grotere voertuigen, bij de uitgang van een tunnel of tussen de heuvels, kan zo hard aankomen dat u de controle over de motorfiets verliest.
Verminder uw snelheid en houd altijd rekening met de kans op plotselinge zijwind.
Regenachtige dag, sneeuwachtige dag
- Wanneer het wegdek nat, los of ruw is, moet u voorzichtig remmen. De remafstand neemt op een regenachtige dag toe. Geverfde pijlen op de weg, putdeksels en vettige weggedeelten kunnen bijzonder glad zijn. Wees extra voorzichtig bij spoorwegovergangen en op ijzeren platen en bruggen. Als het begint te regenen, stijgt olie of vet op de weg naar het wateroppervlak. Stop langs de kant van de weg en wacht een paar minuten totdat deze laag olie is weggespoeld voordat u verder rijdt. Verminder snelheid bij enige twijfel over de staat van de weg!
- Vertraag voordat u bochten ingaat. In deze situaties is de tractie tussen uw banden en het wegdek beperkt. Vermijd remmen wanneer u in een hoek naar een zijkant leunt. Ga weer rechtop rijden voordat u remt.
OPMERKING: Nadat de motorfiets is gewassen of wanneer deze door plassen is gereden, kunnen de remmen slecht vastgrijpen. Als de remmen slecht vastgrijpen, rij dan met lage snelheid terwijl u voldoende aandacht besteedt aan de voor- en achterzijde van de voertuigen en bedien de remmen licht totdat ze stevig vastgrijpen.

WAARSCHUWING
Door overmatig remmen wanneer de tractie beperkt is, zullen uw banden slippen, waardoor u de controle over de richting kunt verliezen of u en uw motorfiets kunnen omvallen.
Rem voorzichtig wanneer de tractie beperkt is.
Ondergelopen weg
Rijd niet met uw motorfiets op ondergelopen wegen.
Als u met uw motorfiets op een overstroomde weg rijdt, controleer dan langzaam de remwerking. Vraag uw Suzuki-dealer na het rijden op een overstroomde weg het volgende te controleren:
- Remefficiëntie
- Slippen van de aandrijfriem
- Slechte smering voor lagers, enz.
- Niveau en uiterlijk van tranmissie-olie (als de olie witachtig is, zit er water in de olie en moet de olie worden ververst)
LET OP
Als u met de motorfiets op een overstroomde weg rijdt, kan de motor stoppen met draaien en kunnen elektrische onderdelen defect raken, de aan-drijfriem slippen en de motor kan beschadigd raken.
Rijd niet met uw motorfiets op ondergelopen wegen.
KEN UW GRENZEN
Rijd altijd binnen de grenzen van uw eigen vaardigheden. Door deze grenzen te kennen en altijd binnen deze grenzen te blijven kunt u ongelukken voorkomen.
Een belangrijke oorzaak van ongevallen waarbij alleen een motorfiets is betrokken (en geen auto's) is te hard door een bocht gaan. Voordat u een bocht ingaat, kiest u een geschikte lage snelheid en geschikte bochthoek.
Rijd zelfs op rechte wegen met een snelheid die geschikt is voor het verkeer, het zicht en de wegomstandigheden, uw motorfiets en uw ervaring.
Veilig motorrijden vereist dat uw mentale en fysieke vaardigheden volledig deel uitmaken van de ervaring. Probeer geen motorvoertuig te besturen, vooral een met twee wielen, als u moe bent of onder invloed van alcohol of andere drugs. Alcohol, illegale drugs en zelfs sommige voorgeschreven en zelfzorggeneesmiddelen kunnen slaperigheid, verlies van coördinatie, verlies van evenwicht en vooral verlies van gezond verstand veroorzaken. Als u moe bent of onder invloed bent van alcohol of andere drugs, RIJD DAN NIET met uw motorfiets.
Uw rijvaardigheid en uw mechanische kennis van de motorfiets vormen de basis voor veilig rijden. Wij raden u aan om eerst wat te oefenen met uw motorfiets op een plaats waar geen verkeer kan komen, totdat u volledig vertrouwd bent met uw machine en de bedieningsorganen.
RIJDEN MET EEN PASSAGIER
Deze motorfiets heeft een capaciteit van twee personen. Rijd niet met meer dan één passagier. Dit is zeer gevaarlijk.
Rijden met een passagier
Rijden met een passagier, mits dit op juiste wijze wordt gedaan, is een geweldige manier om het genot van motorrijden te delen. U zult uw rijstijl enigszins moeten aanpassen omdat het extra gewicht van een passagier de wegligging en remwerking zal beïnvloeden.
Mogelijk moet u ook de bandenspanning aanpassen; zie voor meer informatie hierover de paragraaf Bandenspanning en belasting.
• BANDENSPANNING EN BELASTING:

• BELADING: (1-25)
Voordat u gaat rijden met een passagier achterop, moet u goed bekend zijn met de bediening van de motorfiets.
Zorg ervoor dat passagiers het volgende begrijpen voordat ze met u meerijden.
- De passagier moet altijd uw taille of heu-pen vasthouden, of de veiligheidsgordel of handgreep vasthouden, indien uitge-rust.
- Vraag uw passagier om geen plotselinge bewegingen te maken. Wanneer u in een bocht naar de zijkant leunt, dient de passagier met u mee te leunen.
- De passagier moet altijd zijn of haar voeten op de voetsteunen houden, zelfs wanneer u voor een stoplicht bent gestopt. Waarschuw uw passagier om bij het op- of afstappen niet in contact te komen met de knaldemper, om brandwonden te voorkomen.
OVER KOOLMONOXIDE
Start de motor op een goed geventileerde plaats om koolmonoxidevergiftiging te voorkomen.
Koolmonoxide, dat zich in uitlaatgas bevindt, is een kleurloos, geurloos gas en wordt dus niet gemakkelijk opgemerkt.

WAARSCHUWING
Uitlaatgassen bevatten koolmonoxide, een gevaarlijk gas dat nauwelijks waarneembaar is omdat het kleurloos en reukloos is. Het inademen van koolmonoxide kan de dood of ernstig letsel veroorzaken.
Start de motor niet binnen en laat deze niet binnen draaien of in een ruimte met weinig tot geen ventilatie.
WEES SLIM OP DE WEG
Houd u altijd aan de snelheidslimieten, lokale wetten en de basisregels van de weg. Geef een goed voorbeeld voor anderen door een beleefde houding en een verantwoorde rijstijl te tonen.
CONCLUSIE
Om ongevallen te voorkomen, is voorzichtigheid en een goede inschatting van uw omgeving vereist. Naast de toestand van het verkeer, de weg en het weer, verandert ook de staat van de motorfiets. Bovendien is de beweging van andere voertuigen moeilijk te voorspellen, dus wees altijd oplettend.
Onbeheersbare omstandigheden kunnen leiden tot een ongeval. U moet zich voorbereiden op het onverwachte door een helm en andere beschermende kleding te dragen, en door technieken voor plotseling remmen en uitwijken te leren om schade aan u en uw motorfiets te minimaliseren.
VOORZORGSMAATREGELEN TIJDENS HET RIJDEN
HET INRIJDEN
Omschrijving
De eerste 1600 km zijn de belangrijkste voor de levensduur van uw motorfiets.
Het juiste gebruik tijdens deze inrijperiode helpt bij het verzekeren van een maximale levensduur en de beste prestaties van uw nieuwe motorfiets.
Vermijd tijdens de inrijperiode onnodig stationair draaien, plotseling versnellen of vertragen, abrupt sturen of plotseling remmen.
De volgende richtlijnen betreffen de juiste inrijprocedures.
Aanbevolen maximumstand van de gashendel
De onderstaande tabel toont de maximale gasgreepstand tijdens de inrijperiode.
| Eerste 800 km Minder dan 1/2 gas |
| Tot 1600 km Minder dan 3/4 gas |
Wissel het motortoerental af
Wissel het motortoerental af tijdens de inrijperiode. Zodoende worden de onderdelen "met druk belast" (hulp bij het samenwerkingsproces) en vervolgens "ontlast" (nodig voor het afkoelen van de onderdelen). Om het aanpassingsproces mogelijk te maken, is het van belang dat de motoronderdelen belast worden tijdens de inrijperiode, maar u moet er wel op letten dat u de motor niet overbelast.
Inrijden van de nieuwe banden
Voor een optimale prestatie dient u de nieuwe banden, net zoals de motor, goed in te rijden. Voor het inrijden van het loopvlak van de banden moet u de hellingshoek bij het nemen van bochten geleidelijk laten toenemen gedurende de eerste 160 km, voordat u probeert om de maximale prestaties te behalen. Vermijd snel optrekken, scherpe bochten maken en hard remmen tijdens de eerste 160 km.

WAARSCHUWING
Als u de banden niet inrijdt, kan dit leiden tot slippen en verlies van controle over de motorfiets.
U dient extra voorzichtig te zijn wanneer u nieuwe banden inrijdt. Rijd de banden goed in zoals beschreven in dit gedeelte en vermijd snel optrekken, het scherp nemen van bochten en hard remmen gedurende de eerste 160 km.
Eerste en belangrijkste onderhoudsbeurt De eerste onderhoudsbeurt (onderhouds- beurt na de inrijperiode) is de meest belang- rijke onderhoudsbeurt voor uw motorfiets. Tijdens de inrijperiode hebben de afge- werkte oppervlakken elkaar ingesmeerd en zich harmonieus aan elkaar aangepast. Bij de eerste onderhoudsbeurt worden alle ver- stellingen gecorrigeerd, alle bevestigingsde- len worden opnieuw aangehaald en de afgewerkte olie wordt ververst. Het tijdig uit- voeren van deze onderhoudsbeurt zal garant staan voor een lange levensduur en topprestatie van uw motor.
OPMERKING: De 1000 km onderhouds-beurt moet worden uitgevoerd volgens de richtlijnen in het hoofdstuk INSPECTIE EN ONDERHOUD in deze handleiding. Schenk speciale aandacht aan alle VOORZICHTIG en WAARSCHUWINGsinformatie in dat hoofdstuk.
OP HEUVELS
Rijden op een helling
Bij het afrijden van een lange, steile helling gebruikt u de motorcompressie om de remmen te ondersteunen. Als de normale remmen continu worden gebruikt, kunnen deze oververhit raken waardoor de remprestatie afneemt.

WAARSCHUWING
Continu gebruik van de remmen gedurende langere tijd kan leiden tot oververhitting van de remmen en hun effectiviteit verminderen, wat een ongeval kan veroorzaken.
Neem voldoende gas terug voordat u een helling nadert.
LET OP
Wanneer de motorfiets op een helling wordt gestopt en op zijn plaats wordt gehouden met behulp van de gasgreep, kan de koppeling van de motorfiets worden beschadigd.
Gebruik de remmen om de motorfiets op een helling te stoppen.
PARKEREN
Parkeren
Om diefstal te voorkomen, moet u het stuur vergrendelen en de sleutel verwijderen wanneer u de motorfiets verlaat. Zie "CONTACT-SLOT" op pagina 2-21.
- Parkeer de motorfiets op een plaats waar deze het verkeer niet hindert.
- Parkeer niet waar dit niet is toegestaan.
- Raak de knaldemper of de motor niet aan wanneer de motor draait of gedurende enige tijd nadat deze is gestopt.
-
Parkeer de motorfiets op een vlakke locatie en draai het stuur helemaal naar links. Parkeer de motorfiets niet met het stuur naar rechts gedraaid.
-
Parkeer de motorfiets op een locatie waar andere mensen de knaldemper of de motor niet kunnen aanraken.
- Wanneer het parkeren van de motorfiets op een onstabiele ondergrond zoals een helling, op grind, op een oneffen ondergrond of op een zachte ondergrond onvermijdelijk is, wees dan voorzichtig bij het hellen of verplaatsen.

WAARSCHUWING
De katalysator die in de knaldemper is geïnstalleerd, wordt zeer warm en kan brand veroorzaken als deze in de buurt van brandbaar materiaal wordt geplaatst wanneer de motorfiets wordt geparkeerd.
Controleer bij het parkeren of er geen ontvlambaar materiaal zoals droog gras, hout, papier of olie in de buurt is.

VOORZICHTIG
U kunt zich ernstig verbranden aan een hete geluiddemper. De geluiddemper blijft ook een tijd nadat u de motor hebt afgezet nog zo heet dat u zich eraan kunt verbranden.
Parkeer de motorfiets op een plaats waar voetgangers of kinderen de geluiddemper niet snel zullen aanraken.
OPMERKING:
- Wanneer de motorfiets op de zijstandaard op een niet te steile helling wordt geparkeerd, dient u te zorgen dat het voorwiel van de motorfiets heuvelopwaarts gericht staat. Dit om te voorkomen dat de motorfiets heuvelafwaarts van de zijstandaard af kan rollen.
- Als u de motorfiets tegen diefstal hebt beveiligd met een beugelslot of schijfremslot, vergeet dan niet eerst het slot los te maken voordat u de motorfiets verplaatst.
BIJ HET DUWEN VAN DE MOTORFIETS
Schakel het contactslot uit wanneer u de motorfiets duwt.
OVER DE REMMEN
Het gebruik van het remsysteem
- Draai de gasgreep helemaal van u af om het gas helemaal te sluiten.
- Gebruik de remmen gelijkmatig en tegelijkertijd.

WAARSCHUWING
Als u hard remt op een natte, losse, ruwe of anderszins gladde ondergrond, kan dit ertoe leiden dat de wielen slippen en dat u de controle over de motorfiets verliest.
Rem licht en voorzichtig op een gladde of onregelmatige ondergrond.

WAARSCHUWING
Plotseling remmen kan de rijstabiliteit beïnvloeden en kan leiden tot slippen in zijwaartse richting en valpartijen. Vermijd onnodig plotseling remmen.
Extreme voorzichtigheid is geboden bij het rijden op gladde of slecht onderhouden wegen wanneer de motorfiets naar de zijkant wordt gekanteld.

WAARSCHUWING
Als u een ander voertuig te dicht volgt, kan dit leiden tot een botsing. Naarmate de snelheid van een voertuig toeneemt, wordt de remweg langer.
Zorg voor een veilige stopafstand tussen uw motorfiets en het voertuig voor u.

WAARSCHUWING
Als u hard remt terwijl u een bocht neemt, kan dit ertoe leiden dat de wielen slippen en dat u de controle over de motorfiets verliest en/of dat u omvalt.
Rem voordat u de bocht aansnijdt.
LET OP
Laat de motor niet langdurig draaien terwijl de remmen zijn aangetrokken.
De koppeling kan oververhit raken en een defect veroorzaken.
RICHTLIJNEN VOOR DE BRANDSTOF
Gebruik loodvrije benzine met een octaangetal van 91 of hoger (zoals door onderzoek bepaald). Loodvrije benzine zal de levensduur van de bougie en van de onderdelen van het uitlaatsysteem verlengen.
Gebruikte brandstof: Loodvrije benzine Capaciteit brandstoftank: 5,0 L
OPMERKING:
- Als er een storing in de motor ontstaat zoals gebrek aan acceleratie of onvoldoende vermogen, kan dit veroorzaakt worden door de brandstof. Probeer in dit geval bij een ander benzinestation te gaan tanken. Als dit het probleem niet oplost, moet u contact opnemen met uw Suzuki-dealer.
- Als u vaststelt dat de motor klopt, vervang dan de benzine door een met een hoger octaangetal of probeer benzine van een ander merk, omdat er verschil bestaat tussen de merken.
Aanbevolen geoxygeneerde brandstof (VK, EU)
Geoxygeneerde brandstof die voldoet aan het minimale octaangehalte en aan de onderstaande vereisten mag ook gebruikt worden, zonder dat hierdoor de voorzieningen van de Beperkte garantie voor een nieuw voertuig (New Vehicle Limited Warranty) of de Garantie voor het emissieregel-systeem (Emission Control System Warranty) in gevaar worden gebracht.
OPMERKING: Geoxygenerde brandstof is brandstof die zuurstofdragende toevoegingen bevat zoals alcohol.
Benzine/ethanolmengsels
Mengsels van loodvrije benzine en ethanol (graanalcohol), ook bekend als "GASOHOL", zijn in sommige gebieden verkrijgbaar. Deze mengsels mogen ook in uw motorfiets worden gebruikt, mits ze niet meer dan 10% ethanol bevatten. Zorg dat het benzine-ethanolmengsel een octaangetal heeft dat niet lager is dan het octaangetal aanbevolen voor benzine.
Gebruik de aanbevolen benzine.

OPMERKING:
- Om luchtvervuiling tegen te gaan, beveelt Suzuki aan om een geoxygenerde brandstof te gebruiken.
- Zorg dat de geoxygenerde brandstof die u gebruikt het aanbevolen octaange-tal heeft.
- Als u niet tevreden bent met de prestaties van uw motorfiets wanneer u een geoxygeneerde brandstof gebruikt of als de motor klopt, gebruik dan brandstof van een ander merk, omdat er verschil bestaat tussen de merken.
LET OP
Gemorste benzine die alcohol bevat kan de gelakte delen van uw motorfiets aan- tasten.
Zorg ervoor dat u geen brandstof morst bij het vullen van de brandstoftank. Veeg gemorste benzine onmiddellijk op.
LET OP
Gebruik geen loodhoudende benzine.
Bij gebruik van loodhoudende benzine kan de katalysator defect raken.
GEBRUIK VAN ACCESSOIRES EN BELADING VAN DE MOTORFIETS
ACCESSOIRES
Een goede keuze maken
Het installeren van verkeerde accessoires kan een ongeluk veroorzaken. Voor veilig rijden wordt het aanbevolen gebruik te maken van originele Suzuki accessoires. Een Suzuki-dealer kan accessoires installeren die geschikt zijn voor uw motorfiets. Neem voor het installeren van accessoires contact op met een Suzuki-dealer.
Zorg er bij het bevestigen van accessoires bovendien voor dat deze binnen het draagvermogen liggen. Voor informatie over het laadvermogen, zie "BELADING" op pagina 1-25.

WAARSCHUWING
Verkeerde montage van accessoires of modificaties aan de motorfiets kunnen de hantering beïnvloeden, wat kan resulteren in een ongeluk.
- Gebruik geen ongeschikte accessoires en let op dat de gebruikte accessoires goed worden aangebracht.
- Monteer en gebruik de accessoires overeenkomstig de bijgeleverde instructies.
- Raadpleeg uw Suzuki-dealer als u vra-gen hebt.
Richtlijnen voor de montage van accessoires
- Accessoires die van invloed zijn op de windgevoeligheid zoals stroomlijnkappen, windschermen, rugsteunen, zadeltassen en reiskoffers moeten zo laag mogelijk en zo dicht mogelijk bij de motorfiets en zo dicht mogelijk bij het zwaartepunt worden gemonteerd. Zorg dat de bevestigingsbeugels en het andere bevestigingsmateriaal stevig zijn aangebracht.
-
Controleer op de juiste grondspeling en de schuinte van de zit. Let er tevens op dat de accessoires de werking van de vering, stuurinrichting en andere bedie-ningsorganen niet hinderen.
-
Accessoires die aan het stuur of de voorvork worden gemonteerd, kunnen een zeer nadelige invloed op de stabiliteit hebben. Door het extra gewicht zal uw motorfiets minder goed reageren op uw stuurbediening. Het extra gewicht kan ook trillingen in het voorgedeelte veroorzaken en kan zodoende leiden tot minder stabiliteit. Accessoires aan het stuur of de voorvork moeten zo licht mogelijk zijn en dienen beperkt te worden tot een minimum.
-
Trek geen aanhangwagen of een zijspan. Deze motorfiets is niet ontworpen voor het trekken van een aanhangwagen of zijspan.
-
Sommige accessoires kunnen het moeilijk maken om de juiste rijpositie te bereiken of zorgen ervoor dat de bruikbaarheid verslechtert. Controleer of u de juiste rijpositie kunt bereiken.
- Kies alleen elektronische accessoires doe de capaciteit van het elektrisch systeem van de motorfiets niet overschrijden. Zware overbelasting kan de bedrading beschadigen of het elektrische systeem zou kunnen uitvallen met een gevaarlijke situatie tot gevolg. Gebruik originele Suzuki-accessoires.
BELADING
Beladingslimiet
- Als de motorfiets wordt beladen, veranderen de kenmerken voor gebruik en veiligheid ten opzichte van een onbeladen motorfiets.
- Overschrijd nooit het MTT. (maximaal toelaatbaar totaalgewicht) van deze motorfiets. Het MTT is het totale maximumgewicht van de machine, accessoires, nuttige belastingen, de bestuurder en de passagier tezamen. Denk bij het uitkiezen van accessoires aan het gewicht van de bestuurder en ook aan het gewicht van de andere accessoires. Het extra gewicht van de accessoires kan niet alleen onveilige rijomstandigheden veroorzaken, maar kan ook een nadelige invloed hebben op de stabiliteit van het rijden.
MTT: 275 kg
bij bandenspanning (koud)
Voor: 150 kPa
Achter: 250 kPa

WAARSCHUWING
Overbelading of verkeerde belading kan resulteren in verlies van de controle over de motorfiets met een ongeluk tot gevolg.
Neem alle laadlimieten en beladings- richtlijnen in deze handleiding in acht.
Richtlijnen voor de belading
Deze motorfiets kan voornamelijk kleine voorwerpen vervoeren wanneer u niet met een passagier rijdt. Volg de onderstaande richtlijnen voor de belading:
- Wanneer u bagage op het zadel plaatst, zet het dan stevig op zijn plaats vast met rubberen riemen, enz. Niet overbeladen met bagage.
- Verdeel de lading gelijk over de linker-en de rechterkant van de motorfiets en maak deze goed vast.
- Zorg dat het gewicht van de bagage zo laag mogelijk is en houd dit ook zo dicht mogelijk bij het midden van de motorfiets.
- Bevestig geen grote of zware voorwerpen aan het stuur, de voorvork of het achterspatscherm.
-
Plaats geen bagageruimte, dozen, of andere voorwerpen die verder uitsteken dan het achterste punt van de carrosserie van de motorfiets.
-
Controleer of beide banden de juiste bandenspanning hebben voor de belading van de motorfiets. Zie "BANDEN-SPANNING EN BELASTING" op pagina 3-54.
- Een verkeerde belading heeft een nadelige invloed op de balans en de stuureigenschappen van de motorfiets. Rij langzamer met bagage of met accessoires bevestigd.

WAARSCHUWING
Als de bagage een hete knaldemper of motor raakt, kan de bagage of motorfiets vlam vatten.
Wanneer u bagage op de motorfiets plaatst, mag dit niet in aanraking komen met hete onderdelen.
WIJZIGINGEN
Breng geen onjuiste wijzigingen aan.
Wijzigingen met betrekking tot de structuur of werking van deze motorfiets kunnen de manoeuvreerbaarheid beïnvloeden, het lawaai van de uitlaat verhogen of zelfs de levensduur van de motorfiets verkorten. Naast het overtreden van de wet, kunnen dergelijke wijzigingen voor anderen hinderlijk zijn.
Wijzigingen aan de motorfiets vallen niet onder de garantie.
- Deze motorfiets voldoet aan de regelgeving qua emissies. Het is uitgerust met een katalysator die uitlaatgassen reinigt. Het veranderen van de knaldemper kan ertoe leiden dat deze motorfiets niet voldoet aan de emissievoorschriften. Raadpleeg een Suzuki-dealer wanneer u de knaldemper vervangt.
- Knaldempers zijn gegraveerd met een "Suzuki"-teken om aan te geven dat het echte Suzuki-onderdelen zijn.
- Stel de motor niet zelf af en verwijder geen onderdelen. Neem contact op met een Suzuki-dealer voor het afstemmen van de motor.
- We raden u aan originele Suzuki-onderdelen en gespecificeerde/aanbevolen oliën en smeermiddelen voor uw motorfiets te gebruiken. Originele onderdelen worden grondig geïnspecteerd en zijn geschikt gemaakt voor Suzuki-motorfietsen.
- Houd u aan de laadlimieten en laadrichtlijnen bij het bevestigen van bagage of accessoires aan de motorfiets.

BEDIENINGSORGANEN, UITRUSTING EN AFSTELLINGEN
NAMEN VAN ONDERDELEN EN INDELINGSDIAGRAM (BEELDINDEX) 2-2
INSTRUMENTENPANEEL 2-10
CONTACTSLOT 2-21
STUURSCHAKELAARS 2-25
STARTEN VAN DE MOTOR 2-29
TANKEN 2-35
REMHENDEL 2-39
① Gecombineerde remhendel (2-39)
② Schakelaars op linker handvat (2-25)
③Instrumentenpaneel (2-10)
④ Motorstopschakelaar/elektrische startschakelaar (2-27)
⑤Gasgreep
⑥Voorremhendel (2-39)
⑦ Remvloeistofreservoir voor de gecombineerde rem (3-44)
⑧Voorste rek (2-43)
⑨USB-aansluiting (2-46)
⑩Voorste haak (2-43)
⑪Contactslot (2-21)
Linker zijanzicht

⑫Helmhouders (2-41)
⑬Koffer (2-42)
⑭Gereedschap (3-11)
⑮Dop van brandstoftank (2-35)
⑯Zijstandaard (2-45)
⑰Passagiersvoetsteunen
⑱Kickstarterpedaal (2-40)
⑲Middenstandaard (2-46)
⑳Luchtfilter (3-24)
②1Transmissieolie-aftapplug (3-38)
②Transmissieolie-peilplug (3-38)
Rechter zijaanzicht

①Dimlichtschakelaar (2-25)
② Richtingaanwijzerschakelaar (2-26)
③ Horn-schakelaar (2-27)

④ Motorstopschakelaar (2-27)
⑤ Elektrische startschakelaar (2-27)
① Defectverklikkerlampje (2-12)
②Richtingaanwijzer-verklikkerlampje (2-10)
③ECO-rijverlichting (2-11)
④Snelheidsmeter (2-11)
⑤Hoofdwaarschuwingscontrolelichtje (2-12)
⑥ Grootlicht-verklikkerlampje (2-20)
⑦LCD (2-8)
⑧Fotosensor (2-11)
LCD

① Combinatiesysteemdisplay (2-14)
② Brandstofpeilindicator (2-19)
③Olieverversing-verklikkerlampje (2-18)
④ Intervalverklikkerlampje (2-18)
COMBINATIESYSTEEMDISPLAY
Instellingsfunctie
![graph TD A["① 0 10000 E F"] --> B["② TRIP 1000.0 E F"] B --> C["③ TRIP 1000.0 E F"] C --> D["④ 12:00 E F"] D --> E["⑤ 12.0V E F"] E --> F["⑥ BRIGHT E F"] G["① 0 10000 E F"] <--> H["⑦ 1000 E F OILCHANGE INTERVAL"] I["→ Schakelaar (indrukken)"] --> J["→ Schakelaar (2 seconden ingedrukt houden)"]](/content/2026/06/1164646/images/f8b1a2590a85cd3b9e6e4fea4c171013add9dc2a8dadcc2ff1d50b4099949821.jpg)

Bedien de schakelaar om de onderdelen van het combinatiesysteemdisplay in te stellen.
①Kilometerteller (2-14)
②Dagteller A (2-15)
③Dagteller B (2-15)
④Klok (2-16)
⑤Voltmeter (2-17)
⑥ Helderheid ECO-rijverlichting (2-11)
⑦ Olieverversingsinterval (2-18)
OPMERKING: Nadat u van de kilometertellerdisplay naar de instelling voor het olieverversingsinterval bent overgeschakeld, houdt u de schakelaar 2 seconden ingedrukt om de instelmodus te verlaten en terug te keren naar de kilometertellerdisplay.
INSTRUMENTENPANEEL
EERSTE METERDISPLAY
Wanneer u het contactslot op AAN zet, zal de meter als volgt reageren.
- Alle LCD ①-segmenten verschijnen en tonen dan het normale scherm.
-
De volgende lampjes gaan 3 seconden branden.
-
Defectverklikkerlampje ②
-
Hoofdwaarschuwingscontrolelichtje ③
-
De ECO-rijverlichting ④ gaat branden.
- De snelheidsmeternaald ⑤ doorloopt het volledige schaalbereik en keert dan terug naar de uitgangsstand.
OPMERKING: Zie de uitleg bij de betreffende lampjes in dit hoofdstuk voor de uitschakelingstoestand.

RICHTINGAANWIJZER-
VERKLIKKERLAMPJE "↔"
Als u de richtingaanwijzerschakelaar rechts of links gebruikt, gaat het richtingaanwijzerverklikkerlampje knipperen.
OPMERKING: Als een richtingaanwijzer niet goed werkt als gevolg van een defecte lamp of een defect circuit, zal het controlelichtje sneller knipperen om de berijder erop attent te maken dat er een storing is.
ECO-RIJVERLICHTING
Deze motorfiets is uitgerust met de ECO-rijverlichting om het rijden met minder milieu-impact te bevorderen. Wanneer het contact-slot in de "ON"-stand wordt gezet, gaat de ECO-rijverlichting branden. De kleur van de ECO-rijverlichting is normaal blauw. Als wordt vastgesteld dat u met een goed brandstofverbruik rijdt, verandert de ECO-rijverlichting van blauw in groen.
Wanneer het systeem het real-time brandstofverbruik controleert en de werking binnen het vooraf bepaalde brandstofverbruik wordt uitgevoerd, verandert de kleur van de ECO-rijverlichting van blauw in groen.
De ECO-rijverlichting verbetert het brandstofverbruik niet automatisch, maar helpt wel om een efficiënte werking met een goed brandstofverbruik te bereiken. Het brandstofverbruik hangt af van verschillende externe factoren. Dergelijke externe factoren zijn onder andere de rijafstand en het aantal start- of stopbewegingen. Ook de manier waarop u de gashendel opendraait bij het optrekken, de rij- en onderhoudsomstandigheden, enz. zijn belangrijke factoren voor het brandstofverbruik.
FOTOSENSOR
De fotosensor detecteert de omgevingshelderheid en de ECO-rijverlichting ③ wordt aangepast aan de beste helderheid op basis van de ingestelde helderheid van de ECO-rijverlichting.
SNELHEIDSMETER
De snelheidsmeter geeft de rijsnelheid in kilometer per uur (Behalve voor VK) of mijl (VK).
DEFECTVERKLIKKERLAMPJE “7” HOOFDWAARSCHUWINGSCONTROLELICHTJE “”
Als er een storing optreedt in de motorfiets, gaat het defectverklikkerlampje “” of het hoofdwaarschuwingscontrolelichtje “” branden. Ook geeft het kilometertellerdisplay aan zoals in de volgende tabel.
| Defectverklikkerlampje | Hoofdwaarschuwingscon-trolelichtje | Kilometertellerdisplay | |
| 888888 | |||
| Motorsysteemstoring(Gerelateerd aan uitlaatgas) | Gaat branden – | F 1 | |
| Motorsysteemstoring(Niet gerelateerd aan uitlaatgas) | – Gaat branden | F 1 | |
| Storing in contactslot – Gaat | branden | IC | |
| Storing in regelaarcommunicatie – | – | CHEC |
OPMERKING:
- Neem onmiddellijk contact op met uw Suzuki-dealer als het defectverklikkerlampje of het hoofdwaarschuwingscontrolelichtje brandt.
- Als het defectverklikkerlampje knippert terwijl de motor draait, stop dan de motorfiets en zet de motor onmiddellijk stil, want de katalysator kan beschadigd zijn. Als u geen andere keus hebt dan door te rijden, draai dan de gashendel niet volledig open en rijd met een lage snelheid. Laat de motorfiets daarna onmiddellijk door een officiële Suzuki-dealer nakijken.
- Wanneer het kilometertellerdisplay "CHEC" aangeeft, moet u de volgende punten contro- leren:
- De ontstekingszekering is niet gesprongen.
- De stekkers van de verbindingskabels zijn aangesloten.
COMBINATIESYSTEEMDISPLAY
Het combinatiesysteemdisplay omvat de volgende onderdelen.


WAARSCHUWING
Bedien het display niet tijdens het rijden; dat is gevaarlijk. Wanneer u uw hand van het stuur afneemt, neemt de kans dat u de controle over de motorfiets verliest toe.
Verander tijdens het rijden nooit het display. Wijzig of bevestig de instellingen wanneer de motorfiets is gestopt.
Kilometerteller
999999
- De kilometerteller geeft de totaal afgelegde afstand van de motorfiets aan. Het bereik van de kilometerteller loopt van 00000 tot 999999.
- Als de aanduiding op de snelheidsmeter zowel in "mph" als in "km/h" staat, staat de aanduiding op de kilometerteller in "mile" (mijl). Als de aanduiding op de snelheidsmeter alleen in "km/h" staat, staat de aanduiding op de kilometerteller in "km".
OPMERKING: Het display van de kilometer-teller vergrendelt bij 999999 wanneer de totale afstand 999999 overschrijdt.
Dagtellers
TRIP A 9999.9
- De dagteller wordt weergegeven in eenheden van kilometer (Behalve voor VK) of mijl (VK).
- Na het resetten wordt de afgelegde afstand weergegeven in km of mijlen.
- Er zijn 2 standen, TRIP A (dagteller A) en TRIP B (dagteller B). Het weergavebereik is 0,0 - 9999,9.
- Wanneer 9999,9 wordt overschreden, keert het display terug naar 0,0.
- Om een dagteller op nul terug te stellen, houdt u de schakelaar 2 seconden lang ingedrukt terwijl het display de dagteller toont, A of B, die u wilt terugstellen.
OPMERKING: Wanneer de dagteller de 9999,9 overschrijdt, begint de dagteller weer vanaf 0,0 te tellen.
Klok
12:00
De tijd wordt aangegeven wanneer het contactslot in de "ON"-stand staat. De klok heeft een 12-uurs tijdsaanduiding.
Volg de onderstaande aanwijzingen om de klok in te stellen.
- Houd de schakelaar gedurende 2 seconden ingedrukt totdat de uuraanduiding begint te knipperen.
- Stel het uur in door op de schakelaar te drukken.
- Houd de schakelaar gedurende 2 seconden ingedrukt totdat de minuten-aanduiding begint te knipperen.
- Stel de minuten in door op de schake- laar te drukken.
- Houd de schakelaar gedurende 2 seconden ingedrukt om terug te keren naar de klokaanduiding.
OPMERKING:
- De klok kan worden ingesteld wanneer het contactslot in de "ON"-stand staat.
- De klok wordt gevoed door de accu van de motorfiets. Als u de motorfiets langer dan twee maanden niet gebruikt, raden wij u aan de accu te verwijderen zodat deze niet onnodig wordt verbruikt.
Voltmeter
12.0v
De voltmeter toont de accuspanning binnen een bereik van 10,0 tot 16,0 V.
OPMERKING:
- De weergegeven waarde kan verschillen van de waarde van andere instrumenten.
- Als een spanning onder 12,0 V vaak wordt weergegeven, laat de motorfiets dan nakijken door een erkende Suzuki-dealer.
Helderheid ECO-rijverlichting
BRIGHT
Een van de drie niveaus; HI (hoog), MI (midden) en LO (laag), kan gekozen worden voor de helderheid van de ECO-rijverlichting.
Druk op de schakelaar om "BRIGHT" (helder) aan te duiden. Houd de schakelaar ingedrukt om het display te veranderen. Wanneer u telkens op de schakelaar drukt, verandert de helderheid als "LO" (laag) → "HI" (hoog) → "MI" (midden) → "LO" (laag).
OLIEVERVERSING- VERKLIKKERLAMPJE
OILCHANGE
INTERVAL
Het olieverversing-verklikkerlampje gaat branden om u eraan te herinneren dat de motorolie ververst moet worden. Het verklikkerlampje gaat branden bij de eerste 1000 km (Behalve voor VK) of 600 mijl (VK). Het vooraf ingestelde interval is instelbaar tussen 500 km (Behalve voor VK) of 300 mijl (VK) en 4000 km (Behalve voor VK) of 2400 mijl (VK) in stappen van 500 km (Behalve voor VK) of 300 mijl (VK).
Resetten van het olieverversing-verklikker-lampje:
- Zet het contact af.
- Houd de schakelaar ingedrukt, draai het contactslot naar de "ON"-stand en houd de schakelaar nog 4 seconden ingedrukt.
- De olieverversingsteller wordt gereset en het OLIEVERVERSING-verklikker-lampje knippert 3 maal en gaat dan uit.
Instellen van het olieverversingsinterval:
- Stel de meter in op de kilometerteller en houd dan de schakelaar 2 seconden ingedrukt totdat de INTERVAL (interval) en OIL CHANGE (olieverversing) verklikkerlampjes gaan knipperen.
- Druk op de schakelaar om het interval te verhogen van 500 km (Behalve voor VK) of 300 mijl (VK) tot 4000 km (Behalve voor VK) of 2400 mijl (VK) in stappen van 500 km (Behalve voor VK) of 300 mijl (VK).
- Houd de schakelaar gedurende 2 seconden ingedrukt om de instelmodus te verlaten.
OPMERKING:
- Reset het verklikkerlampje nadat de olie de eerste maal is ververst.
- Na het verversen van de olie moet de reset-procedure altijd worden uitgevoerd, ook wanneer het verklikkerlampje niet oplicht.
- Er vindt geen reset van het verklikker-lampje plaats wanneer het ingestelde interval wordt gewijzigd.
- Bij het verlaten van de fabriek is het interval op 1000 km ingesteld.
BRANDSTOFPEILINDICATOR "☐"
De brandstofpeilindicator geeft de resterende hoeveelheid brandstof in de brandstoftank aan.
- De brandstofpeilindicator toont alle 5 segmenten wanneer de brandstoftank vol is.
- Het benzinepompteken ① knippert wanneer het brandstofpeil daalt tot minder dan 1,4 L.
- Het teken en het segment knipperen wanneer het benzinepeil beneden 0,8 L komt.

| Brandstof-tank | Ongeveer 0,8 L | Ongeveer 1,4 L Vol | |
| Segmenten | Knippert![]() | ![]() | ![]() |
| markering | Knippert![]() | Knippert![]() | [IMAGE] |
LET OP
Wanneer alle brandstof in de tank wordt verbruikt, zal de katalysator beschadigd raken.
Vul benzine bij voordat het op is.
OPMERKING:
- De brandstofpeilindicator geeft het peil niet juist aan wanneer de motorfiets op de zijstandaard staat. Zet het contactslot in de "ON"-stand terwijl de motorfiets recht overeind wordt gehouden.
- Als het brandstofteken knippert, moet u meteen gaan tanken. Ook zal het laatste segment van de brandstofpeilindicator knipperen wanneer de brandstoftank bijna leeg is.
GROOTLICHT-VERKLIKKERLAMPJE
“≡D”
Dit blauwe lampje gaat branden wanneer het grootlicht wordt ingeschakeld.
CONTACTSLOT
SLUITER VAN DE CONTACTSLOT-OPENING
Sluiten van de sluiter van de contactslot- opening:

Druk op de knop van de sluiter van de contactslot-opening om de sluiter van de contactslot-opening te sluiten.
OPMERKING: Soms sluit de sluiter van de contactslot-opening niet helemaal, zelfs als de knop wordt ingedrukt, wat te wijten is aan aanhechting van zand of stof aan de sluiter van de contactslot-opening. Als de sluiter van de contactslot-opening moeilijk te slui-
ten is, lijnt u de kop van de contactsleutel uit met het vierkante gat en draait u hem naar links door de knop naar beneden te drukken.
Openen van de sluiter van de contactslot-opening:

-
Lijn de kop van de contactsleutel uit met het vierkante gat in het contactslot.
-
Draai de sleutel naar rechts.
STANDEN
Er zijn 4 standen voor het contactslot; ON ①, OFF ②, LOCK ③ en P* ④.
*VK

Aan de sleutel draaien terwijl de motorfiets rijdt, kan een ongeluk veroorzaken.
Draai alleen aan de sleutel nadat de motorfiets is gestopt.

WAARSCHUWING
Valpartijen veroorzaakt door stoten of slippen kunnen leiden tot defecten van de motorfiets. Storingen van de motorfiets kunnen brand veroorzaken of kunnen verwondingen veroorzaken door bewegende delen zoals het achterwiel.
Als de motorfiets valt, zet u het contact- slot onmiddellijk uit en stopt u alle appa- raten. Omdat bij vallen onderdelen die niet zichtbaar zijn kunnen beschadigen, moet u uw motorfiets laten nakijken door een Suzuki-dealer.
LET OP
Als u aan het contactslot draait terwijl de motorfiets rijdt, stopt de motor soepel te werken en kan dit een negatieve invloed hebben op de motor en de katalysator.
Draai niet aan het contactslot terwijl de motorfiets rijdt.
OFF ("OFF"-stand)
- De motor stopt.
- De lampen gaan uit.
- De sleutel kan uit het contactslot worden getrokken.
Draai de sleutel naar links om het zadelslot te ontgrendelen.
ON ("ON"-stand)
- De motor kan starten en er kan met de motorfiets worden gereden.
-
De volgende lampjes gaan branden.
-
Koplamp
- Achterlicht
- Parkeerlicht
- Kentekenplaatverlichting
- De sleutel kan niet uit het contactslot worden getrokken.
LOCK ("LOCK"-stand)
- Het stuur vergrendelt.
- De lichten gaan niet aan.
- De sleutel kan uit het contactslot worden getrokken.
Vergrendel het stuur bij het verlaten van de motorfiets om diefstal te voorkomen.
- Draai het stuur helemaal naar links.
- Terwijl u de sleutel indrukt, draait u deze van OFF naar LOCK.
- Trek de sleutel eruit.
OPMERKING:
- Beweeg het stuur naar links en rechts en controleer of hij goed is vergrendeld.
- Als het stuur moeilijk te vergrendelen is, draait u aan de sleutel terwijl u hem iets naar rechts draait.
Steek de sleutel in en terwijl u deze indrukt, draait u deze van LOCK naar OFF.
OPMERKING: Verplaats vóór het rijden het stuur naar rechts en links en controleer of ze evenveel in beide richtingen draaien.
P ("PARKING"-stand) (VK)
Wilt u de motorfiets parkeren, vergrendel dan het stuur en draai de sleutel in de "P"-stand. De sleutel kan nu verwijderd worden, maar het parkeerlicht, de kentekenplaatverlichting en het achterlicht blijven branden terwijl het stuur vergrendeld is. In deze stand is de motorfiets beter zichtbaar wanneer u bijvoorbeeld 's avonds langs de weg parkeert.

WAARSCHUWING
Het is gevaarlijk om het contactslot in de "P"- (PARKEREN) of "LOCK"-stand te zetten terwijl de motorfiets in beweging is. Het kan gevaarlijk zijn om de motorfiets te bewegen wanneer het stuur is vergrendeld. U zou uw evenwicht kunnen verliezen en vallen, of u zou de motorfiets kunnen laten vallen.
Stop de motorfiets en zet deze op de middenstandaard of de zijstandaard voordat u het stuur vergrendelt. Probeer nooit om de motorfiets te bewegen terwijl het stuur is vergrendeld.
STUURSCHAKELAARS
DIMLICHTSCHAKELAAR
“≡”-stand
Het dimlicht van de koplamp gaat branden.
“≡D”-stand
Het grootlicht van de koplamp gaat branden. Tevens gaat het grootlicht-verklikkerlampje branden.
LET OP
De hitte van de koplamp kan de lens doen smelten of voorwerpen beschadi- gen.
Laat geen voorwerpen voor de koplamp of het achterlicht liggen of bedek de koplamp of het achterlicht niet met een doek, enz.
LET OP
Als tape op de koplamp wordt aangebracht, kan de locatie waar de tape is aangebracht smelten als gevolg van warmte van het licht.
Plak geen tape op de koplamp.
OPMERKING: Zet de koplamp op dimlicht als er tegenliggers aankomen of als er voertuigen voor u rijden.
RICHTINGAANWIJZERSCHAKELAAR
“
Gebruik als signaal wanneer u rechts of links afslaat, of wanneer u van rijbaan ver- andert.
Rechts afslaan →
Zet de schakelaar op de ⇒ kant om de rechter richtingaanwijzer te laten knipperen. Druk op de schakelaar om de richtingaanwijzer uit te schakelen.
Links afslaan
Zet de schakelaar op de ⇔ kant om de linker richtingaanwijzer te laten knipperen. Druk op de schakelaar om de richtingaanwijzer uit te schakelen.

WAARSCHUWING
Als u de richtingaanwijzer aan laat, kunnen anderen uw beoogde rijrichting verkeerd begrijpen, wat ongelukken kan veroorzaken.
De richtingaanwijzerschakelaar wordt niet automatisch uitgeschakeld. Druk na gebruik op de schakelaar om de richtingaanwijzer uit te schakelen.
HORN-SCHAKELAAR "▶"
Terwijl de schakelaar wordt ingedrukt, klinkt de claxon.
MOTORSTOPSCHAKELAAR/ ELEKTRISCHE STARTSCHAKELAAR
Motorstopschakelaar
Stop de motor onmiddellijk in noodsituaties zoals een val. Door de motorstopschakelaar in de stand "×" (STOP) te zetten wordt de motor gestopt. Laat het normaal gesproken in de "○" stand.
“○”-stand
Elektrische circuits met betrekking tot de motor zijn aangesloten.
- De motor kan worden gestart en kan draaien.
“×”-stand
Elektrische circuits met betrekking tot de motor zijn niet aangesloten.
- De motor stopt.
- De motor kan niet worden gestart.
LET OP
Als de motorstopschakelaar tijdens het rijden van ○ naar ✗ of van ○ naar ✗ naar ○ wordt gezet, kan de motor of de katalysator (indien uitgerust) worden beschadigd.
Gebruik de motorstopschakelaar uitsluitend in een noodgeval.
OPMERKING: Wanneer de motorstopschakelaar is gebruikt om de motor te stoppen, moet u het contactslot op UIT zetten. Als u de contactschakelaar AAN laat, kan de accu leegraken.
Elektrische startschakelaar “③”
Als u op de elektrische startschakelaar duwt, draait de startmotor om en start de motor.
Voor meer informatie, zie "STARTEN VAN DE MOTOR" op pagina 2-29.
OPMERKING:
- De motor kan niet starten wanneer de motorstopschakelaar in de stand "×" staat.
- De motorfiets is uitgerust met Easy Start-functionaliteit, dus als u op de elektrische startschakelaar drukt, blijft de startmotor een paar seconden draaien, zelfs als u de startschakelaar loslaat. Na een paar seconden start de motor en stopt de startmotor.
STARTEN VAN DE MOTOR
STARTEN VAN DE MOTOR
Gebruik de volgende procedure om de motor te starten.
- Controleer of de motorstopschakelaar op "○" staat.
- Zet het contactslot op AAN.
- Controleer of het defectverklikkerlampje is uitgeschakeld.
- Trek de voorremhendel of gecombineerde remhendel in.
- Sluit de gasgreep volledig en druk op de elektrische startschakelaar “(3)” of trap het kickstarterpedaal naar beneden.

WAARSCHUWING
Verkeerd starten van de motor kan gevaarlijk zijn. Als u de motor start terwijl de middenstandaard is ingeklapt, kan de motorfiets vooruit gaan bewegen zodra de motor aanslaat.
Zet de motorfiets op de middenstandaard voordat u de motor start en klap de middenstandaard pas in wanneer de motor stationair draait.
OPMERKING: Deze motorfiets is uitgerust met blokkeersysteem voor het contactslot en het startcircuit. De motor kan alleen gestart worden wanneer de zijstandaard volledig is ingeklapt. zie "ZIJSTANDAARD/CONTACTCIRCUIT-BLOKKEERSYS-TEEM" op pagina 2-34.
OPMERKING: Deze motorfiets is voorzien van het Suzuki Easy Start-systeem, zodat u de motor kunt starten met een enkele druk op de elektrische startschakelaar. Voor meer informatie, zie "SUZUKI EASY STARTSYSTEEM" op pagina 2-32.
Wanneer de motor moeilijk gestart kan worden:
Draai het gas ongeveer 1/8 slag open en druk op de elektrische startschakelaar “✗”.

WAARSCHUWING
Uitlaatgassen bevatten koolmonoxide, een gevaarlijk gas dat nauwelijks waarneembaar is omdat het kleurloos en reukloos is. Het inademen van koolmonoxide kan de dood of ernstig letsel veroorzaken.
Start de motor niet binnen en laat deze niet binnen draaien of in een ruimte met weinig tot geen ventilatie.
LET OP
Als de startmotor gedurende 5 seconden of meer continu draait, wordt er veel stroom verbruikt en kan de accu leegra- ken.
Houd de elektrische startschakelaar niet langer dan 5 seconden ingedrukt of gebruik het Suzuki Easy Start-systeem niet de startmotor voortdurend om te draaien.
LET OP
Als u de elektrische startschakelaar ingedrukt houdt terwijl het defectverklikkerlampje brandt, kan de accu leegra- ken.
Houd de elektrische startschakelaar niet ingedrukt terwijl het defectverklikkerlampje brandt.
U kunt de motor starten met een enkele druk op de elektrische startschakelaar. De startmotor blijft draaien nadat u uw hand van de schakelaar hebt gehaald en stopt na een paar seconden of nadat de motor is gestart.
- Wanneer de remhendel is ingedrukt, kan de motor gestart worden.
In sommige gevallen start de motor mogelijk niet vanwege de positie van de zijstandaard. Voor meer informatie, zie "ZIJSTANDAARD/CONTACTCIRCUIT-BLOKKEERSYS-TEEM" op pagina 2-34.
OPMERKING: Afhankelijk van de toestand accu is het mogelijk dat de motor niet gemakkelijk start. Als het starten van de motor moeilijk verloopt, blijft u op de elektrische startschakelaar drukken om de motor te starten. Als de motor niet kan worden gestart, is de kans groot dat de accu te zwak is. In dit geval moet u de accu opladen of vervangen.
Juiste opwarming
Laat de motor in de volgende omstandigheden enkele tientallen seconden tot enkele minuten draaien om hem op te warmen voordat u gaat rijden.
- Wanneer u de motorfiets langere tijd niet hebt gebruikt
- Bij extreem lage temperaturen (als richtlijn -10 °C of lager) in koude gebieden
Begin in andere omstandigheden, rekening houdend met het milieu, onmiddellijk na het starten van de motor te rijden.
LET OP
Direct na het starten van de motor kan het draaien van de motor, plotselinge versnelling of abrupt remmen ervoor zorgen dat de motor niet goed werkt.
Laat indien nodig de motor enkele tientallen seconden tot enkele minuten draaien om hem op te warmen voordat u gaat rijden.
LET OP
Als u de motor voor langere tijd laat rijden zonder te rijden, om de accu, enz. op te laden, kan de motor oververhit raken. Oververhitting kan motoronderdelen beschadigen en de uitlaatpijp van kleur doen veranderen.
Stop de motor als u niet van plan bent direct te gaan rijden.
ZIJSTANDAARD/CONTACTCIRCUIT-BLOKKEERSYSTEEM
De motorfiets heeft een mechanisme om te voorkomen dat bestuurders vergeten de zijstandaard in te klappen en dan wegrijden met de zijstandaard omlaag. Het systeem werkt als volgt.
De motor kan niet gestart worden als de zijstandaard uitgeklapt is.
De motor slaat af als met draaiende motor de zijstandaard uitgeklapt wordt.

WAARSCHUWING
Als u de zijstandaard omlaag beweegt tijdens het rijden met de motorfiets, stopt de motor, wat ongevallen kan veroorzaken.
Beweeg de zijstandaard nooit omlaag terwijl u met de motorfiets rijdt.
OPMERKING: Breng smeermiddel aan als de zijstandaard niet soepel beweegt.
TANKEN
PROCEDURE VOOR TANKEN
Gebruik de volgende procedure om benzine te tanken.
- Steek de sleutel in het slot van de dop van de brandstoftank en draai hem rechtsom om de dop van de brandstoftank te ontgrendelen en te openen. Terwijl de sleutel op de plaats blijft, tilt u de dop met de sleutel omhoog.
LET OP
Als u de dop van de brandstoftank opent terwijl er water op het bovenste oppervlak zit, zal er water in de tank komen.
Als de dop nat is, veeg hem dan droog voor- dat u hem opent.

- Gebruik verse benzine wanneer u de brandstoftank vult. Gebruik geen slechte benzine die vervuild is met vuil, stof, water of andere vloeistoffen. Wees voorzichtig dat bij het tanken geen vuil, stof of water in de benzinetank terechtkomt.
Gespecificeerde brandstof:
Loodvrije benzine
Capaciteit brandstoftank: 5,0 L
LET OP
Vullen van de brandstoftank met meer dan de voorgeschreven hoeveelheid brandstof kan motorstoring of startproblemen veroorzaken.
Nooit meer brandstof vullen dan de onderzijde van de vulhals.

① Brandstofpeil
② Onderzijde van de vulhals
- Om de dop van de benzinetank te sluiten, richt u het driehoekje van de dop naar voren, lijnt dan de dopgeleiderails uit met de gleuven in de vulhals en duwt daarna de dop stevig naar beneden met de sleutel in het slot van de dop.

WAARSCHUWING
Benzine is zeer brandbaar en kan bij onjuist gebruik brand veroorzaken.
- Bij het tanken dient u de motor af te zetten en vuur uit de buurt te houden.
- Zorg ervoor dat u buitenshuis tankt.
- Voordat u de tankdop opent, moet u een metalen gedeelte van de motorfiets of de benzinepomp aanraken om uw lichaam van statische elektriciteit te ontdoen. Als u statisch geladen bent, kan de statische elektriciteit met een vonk ontladen waardoor de benzine vlam vat.
-
Vul zelf benzine bij, uit de buurt van andere mensen.
-
Zorg ervoor dat het benzineslangmondstuk helemaal tot de onderkant van de tankopening is ingestoken (waar het benzineslangmondstuk stopt) voordat u brandstof toevoegt. Er kan brandstof uitspuiten als het benzineslangmondstuk niet ver genoeg ingeduwd is.
- Voeg geen brandstof toe boven de onderkant van de tankopening.
- Sluit na het tanken de dop van de benzinetank goed totdat u een klik hoort.
- Veeg gemorste benzine weg met een doek.
LET OP
Als er een storing in de motor ontstaat zoals gebrek aan acceleratie of onvoldoende vermogen, kan dit veroorzaakt worden door de brandstof die de motorfiets gebruikt.
Probeer in dit geval bij een ander benzinestation te gaan tanken. Als dit het probleem niet oplost, moet u contact opnemen met uw Suzuki-dealer.
LET OP
Gemorste benzine kan de gelakte delen van uw motorfiets aantasten.
Zorg ervoor dat u geen brandstof morst bij het vullen van de brandstoftank. Veeg gemorste benzine onmiddellijk op.
REMHENDEL
VOORREMHENDEL
Om de voorrem te gebruiken, trekt u de voorremhendel zachtjes in de richting van de handgreep in. Wanneer de remhendel wordt ingetrokken, gaat het remlicht branden.
Deze motorfiets is uitgerust met een schijf- remsysteem en er is geen buitensporige spanning nodig om de machine op de juiste wijze langzamer te laten gaan.

De voor- en achterrem worden gelijktijdig in werking gesteld wanneer de gecombineerde remhendel zachtjes in de richting van de greep wordt getrokken. Wanneer de remhendel wordt ingetrokken, gaat het remlicht branden.

Deze motorfiets is uitgerust met een kick- starterpedaal dat zich aan de linkerkant van de motor bevindt. Om de motor te starten, zet u de motorfiets op de middenstandaard en trapt u het kickstarterpedaal krachtig naar beneden.

Een niet goed ingeklapt kickstarterpedaal kan de bestuurder hinderen bij het rijden.
Zorg dat het kickstarterpedaal in de oorspronkelijke stand wordt teruggebracht nadat de motor is gestart.
ZADELSLOT EN HELMHOUDERS
ZADELSLOT
Om het zadelslot te ontgrendelen, steekt u de contactsleutel in het contactslot en draait de sleutel dan links.

OPMERKING:
- Til het zadel voorzichtig omhoog om te controleren of hij op slot zit.
- Wees voorzichtig want als het zadel wordt vergrendeld terwijl de sleutel onder het zadel zit, kunt u niet meer bij de sleutel.
HELMHOUDERS
De helmhouders bevinden zich onder het zadel. Om de helmhouder te gebruiken, opent u het zadel, haakt dan de helmbevestigingsring aan de houder en maakt daarna het zadel weer vast.

Rijden met de motorfiets wanneer er een helm aan de helmhouder is vastgemaakt, zou kunnen leiden dat u de controle over de motorfiets verliest.
Neem een helm niet mee door deze aan de helmhouder te hangen.
KOFFER
Het laadvermogen van de koffer is 3 kg. Zorg dat er geen water in de koffer terechtkomt.

WAARSCHUWING
Rijden met een overbeladen motorfiets vermindert de rijstabiliteit en kan resulteren in verlies van de controle over de motorfiets.
Overschrijd nooit het maximale laadvermogen.
OPMERKING:
- Berg geen hittegevoelige voorwerpen in de koffer op want de koffer kan heet worden.
- Let op dat er geen waardevolle voorwerpen in de koffer zijn wanneer u de motorfiets onbeheerd achterlaat.
- Duw op het achtereind van het zadel wanneer het zadel niet ontgrendeld wordt bij gebruik van de sleutel.

De motorfiets is uitgerust met een voorste rek.
Het laadvermogen van het voorste rek is 0,5 kg.

De motorfiets is uitgerust met een voorste haak.
Het laadvermogen van de voorste haak is 1,5 kg.

De motorfiets is uitgerust met een haak.
Het laadvermogen van de haak is 1,5 kg.
Om de haak te gebruiken, draait u de haak en opent u de haak door aan de bovenste hendel te draaien.

De gebruikershandleiding wordt meegeleverd en ligt in de koffer.
Plaats de gebruikershandleiding ① in een plastic zak en bewaar deze hier.

De standaards worden gebruikt bij het parkeren van de motorfiets. Deze motorfiets is uitgerust met een zijstandaard en een middenstandaard.
ZIJSTANDAARD ①
Om de motorfiets op de zijstandaard te zetten, plaatst u uw rechtervoet op de haak ② van de zijstandaard en duwt dan de zijstandaard stevig omlaag totdat de standaard volledig rond is gedraaid en tegen de aan-slag aanzit.
Zie pagina 2-34 voor meer informatie over de zijstandaard/contactcircuit-blokkeersysteem.

Als de zijstandaard niet volledig is ingeklapt, kan dit een ongeluk veroorzaken wanneer u een bocht naar links maakt.
Controleer de werking van de zijstandaard/het contactcircuit-blokkeersysteem voordat u wegrijdt. Zorg ervoor dat de zijstandaard volledig is ingeklapt voordat u wegrijdt.
LET OP
Parkeer de motorfiets op een stevige, vlakke ondergrond om ervoor te zorgen dat de motorfiets niet omvalt.
Als u moet parkeren op een helling, dient u de voorkant van de motorfiets bergop te richten en de motorfiets op de middenstandaard te zetten. Bij gebruik van de zijstandaard kan de motorfiets van de standaard afrollen.
MIDDENSTANDAARD ③
Om de motorfiets op de middenstandaard te zetten, plaatst u uw voet stevig op de verlenging van de standaard en schommelt u de motorfiets naar achteren en omhoog door met uw rechterhand aan de achtergreep te trekken terwijl u met uw linkerhand het stuur in de juiste stand houdt.

Een USB-aansluiting ① bevindt zich aan de linkerkant van het instrumentenpaneel. Het kan tot 5 V uitgangsspanning en 2 A maximale stroom leveren.

Let op de volgende punten om schade aan de motorfiets en aangesloten apparatuur te voorkomen.
- Gebruik het product niet bij regenachtig weer of bij het wassen van de motorfiets.
- Zelfs als de dop is aangebracht, mag u bij het wassen van de motorfiets niet te veel water sproeien.
- Gebruik geen apparaat dat de stroomsterkte overschrijdt, want dan kan de zekering doorbranden.
- Om te voorkomen dat de motorfiets defect raakt, het motortoerental niet opjagen om de accu op te laden.
- Gebruik het aangesloten elektronische apparaat op eigen verantwoordelijkheid.
OPMERKING:
- De nominale waarde is een tijdelijke waarde. Vermijd langdurig gebruik om te voorkomen dat de accu leegraakt.
- Zorg ervoor dat de kabels niet worden afgekneld of in de war raken, zodat ze het rijden niet hinderen.
- Wanneer het product niet wordt gebruikt, bevestigt u de dop om te voorkomen dat er vreemd materiaal binnendringt.
- Als u de USB-aansluiting gebruikt terwijl de motor stationair draait of is gestopt, kan de accu leeg raken.

INSPECTIE EN ONDERHOUD
OMSCHRIJVING 3-2
CONTROLE VOOR HET RIJDEN 3-8
GEREEDSCHAP 3-11
SMERING 3-12
ACCU 3-14
BOUGIE 3-20
LUCHTFILTER 3-24
MOTOROLIE EN TRANSMISSIEOLIE 3-29
STATIONAIR TOERENTAL 3-40
BRANDSTOFSLANG 3-40
GASKABEL 3-41
REMMEN 3-42
BANDEN 3-51
ZIJSTANDAARD/CONTACTCIRCUIT-BLOKKEERSYSTEEM 3-58
Regelmatige inspectie en onderhoud zijn essentieel om veilig op uw motorfiets te rijden en ervoor te zorgen dat deze lang meegaat. De volgende eenvoudige inspecties en onderhoudstaken die normaal vaak worden uitgevoerd.
Voet periodieke inspecties uit, zelfs wanneer u de motorfiets een lage tijd niet gebruikt. Inspecteer uw motorfiets zorgvuldig wanneer u deze opnieuw gaat gebruiken na een langere periode van niet-gebruik.
Volg de richtlijnen in het onderhoudsschema. De perioden tussen de periodieke onderhoudsbeurten zijn aangegeven in kilometers en maanden. Zorg dat u aan het eind van iedere periode het voorgeschreven onderhoud uitvoert.

WAARSCHUWING
Verkeerd onderhoud of niet uitvoeren van het voorgeschreven onderhoud kan ongelukken veroorzaken.
Zorg dat uw motorfiets altijd in goede staat is. Vraag uw Suzuki-dealer of een vakkundige monteur om de onderhoudstaken te verrichten die met een sterretje (*) zijn gemerkt. Als u zelf ervaring hebt met technisch onderhoud, kunt u de niet gemerkte onderhoudstaken verrichten aan de hand van de instructies in dit hoofdstuk. Als u niet zeker weet hoe u deze onderhoudstaken moet uitvoeren, dient u deze door uw Suzuki-dealer te laten uitvoeren.

WAARSCHUWING
Inspectie met draaiende motor is gevaarlijk, omdat uw handen of kleding vast kunnen komen te zitten in bewegende motoronderdelen, met ernstig letsel tot gevolg.
Schakel de motor uit wanneer u iets anders inspecteert dan de lampen, de motorstopschakelaar en het gaspedaal.

WAARSCHUWING
Uitlaatgassen bevatten koolmonoxide, een gevaarlijk gas dat nauwelijks waarneembaar is omdat het kleurloos en reukloos is. Het inademen van koolmonoxide kan de dood of ernstig letsel veroorzaken.
Start de motor niet binnen en laat deze niet binnen draaien of in een ruimte met weinig tot geen ventilatie.

WAARSCHUWING
Houd voor inspecties tijdens het rijden voldoende oog op de verkeerssituatie in de omgeving.
Verlaag de snelheid tot minder dan normal en voer de inspectie uit in een gebied met weinig verkeer.

WAARSCHUWING
Het uitvoeren van onderhoud buiten uw bekwaamheid zonder speciale kennis kan ongevallen of storingen veroorza-ken.
Voer voor de veiligheid alleen onderhoud uit dat binnen uw kennis en bekwaamheid valt. Raadpleeg een Suzuki-dealer voor alles wat moeilijk is.

WAARSCHUWING
Vanwege de aanwezigheid van benzine en brandbare oliën, bestaat er een risico op brand als er ontstekingsbronnen in de buurt zijn tijdens inspectie en onderhoud.
Niet roken tijdens het uitvoeren van onderhoud en zorg ook dat er geen vuur in de buurt is.

VOORZICHTIG
De geluiddemper en de motor worden heet wanneer de motor draait. Als u ze aanraakt voordat ze zijn afgekoeld, kan dit brandwonden veroorzaken.
Wacht bij het uitvoeren van onderhoud aan onderdelen in de buurt van de geluiddemper of motor totdat deze voldoende zijn afgekoeld om aan te raken voordat u met onderhoud begint.
LET OP
Het uitvoeren van onderhoud op een onstabiele locatie kan ertoe leiden dat de motorfiets tijdens het proces omvalt.
Voer onderhoud uit op een locatie met een vlak, stevig oppervlak.
LET OP
Onderhoudswerkzaamheden aan elektrische onderdelen verrichten terwijl het contactslot in de "ON"-stand staat, kan resulteren in beschadiging van de elektrische onderdelen als gevolg van kortsluiting.
Schakel het contactslot uit voordat u begint met onderhoudswerkzaamheden aan elektrische onderdelen om beschadiging door kortsluiting te voorkomen.
LET OP
Het gebruik van reserveonderdelen van slechte kwaliteit kan ertoe leiden dat de motorfiets sneller slijt en kan de levensduur van de motorfiets bekorten.
Gebruik uitsluitend originele Suzuki-vervangingsonderdelen of gelijkwaardige onderdelen wanneer u onderdelen van uw voertuig vervangt.
OPMERKING:
- Het ONDERHOUDSSCHEMA schrijft de minimale voorwaarden voor onderhoud voor. Als u uw motorfiets onder veeleisende omstandigheden gebruikt, dient u de onderhoudstaken vaker uit te voeren dan staat aangegeven in het schema. Als u vragen hebt over de tijdsduur tussen de onderhoudsbeurten, raadpleeg dan uw Suzuki-dealer of een vakkundige onderhoudsmonteur.
- Recycle afgewerkte olie of ruim deze op de juiste manier op.
ONDERHOUDSSCHEMA
Periode: De tijd voor de onderhoudsbeurten wordt bepaald door het aantal maanden of de stand van de kilometerteller, afhankelijk van welke het eerst bereikt wordt.
| Onderdeel km 1000 4000 8000\Periode maanden 2 12 24 | ||||
| Luchtfilterelement (3-24) | - | I | I | |
| Om de 12000 km vervangen | ||||
| * Uitlaatpijpmoeren en demperbevestigingsbouten A - A | ||||
| * Klespeling I I I | ||||
| Bougie (3-20) - I V | ||||
| Brandstofslang (3-40) | - | I | I | |
| *Om de 4 jaar vervangen | ||||
| * Benzinedampafzuigingssysteem | - | -I | ||
| Motorolie (3-29) | V | V | V | |
| Oliezeef (3-34) | I - I | |||
| * Transmissieolie (3-29) | - | - | V | |
| Speling van gaskabel (3-41) | I | I | I | |
| * Stationair toerental I I | ||||
| * Aandrijfriem | - | I | I | |
| Om de 20000 km vervangen | ||||
| * Koppelingsschoen | - | I | ||
| Onderdeel km 1000 4000 8000\Periode | maanden 2 12 24 | |||
| * R e m m e n ( [3-42] ] I | I | |||
| Remslang ( [3-43] ) | - | I | ||
| * Om de 4 jaar vernieuwen | ||||
| Remvloeistof ( [3-44] ) | - | I | ||
| * Om de 2 jaar vernieuwen | ||||
| Banden ( [3-51] - I I | ||||
| * Stuurinrichting I - I | ||||
| * Voorvorken - - I | ||||
| * Achterwielvering | - | - I | ||
| * Bouten en moeren van het frame | A | A | ||
| Smering ( [3-12] ) | Om de 1000 km smeren | |||
OPMERKING: I= Inspecteren en schoonmaken, verstellen, vervangen of voldoende smeren, V= Vervangen, A= Aandraaien
CONTROLE VÓÓR HET RIJDEN
Controleer zorgvuldig de toestand van de motorfiets zodat u onderweg geen mechanische problemen krijgt of niet meer verder kunt. Zorg dat uw motorfiets altijd in goede staat verkeert zodat de veiligheid van de bestuurder en de passagier niet in gevaar wordt gebracht en de motorfiets geen beschadigingen oploopt.

WAARSCHUWING
Als u verkeerde banden gebruikt of als de banden niet op de juiste spanning zijn, kunt u de controle over de motorfiets verliezen. Dit verhoogt het risico op een ongeluk.
Gebruik altijd de maat en het type banden dat in deze gebruikershandleiding wordt voorgeschreven. Houd altijd de bandenspanning aan die is opgegeven in het hoofdstuk INSPECTIE EN ONDER-HOUD.

WAARSCHUWING
Als uw motorfiets niet juist wordt geïn- specteerd en onderhouden vóór het rij- den, vergroot dit de kans op een ongeluk of schade aan de motorfiets.
Inspecteer uw motorfiets telkens voordat u gaat rijden, zodat u zeker weet dat de motorfiets in veilige toestand verkeert. Raadpleeg het hoofdstuk INSPECTIE EN ONDERHOUD in deze gebruikershandleiding.

WAARSCHUWING
Het uitvoeren van onderhoudscontroles wanneer de motor draait kan gevaarlijk zijn. U zou zich ernstig kunnen verwonden als uw handen of kleding vast komen te zitten in bewegende motoronderdelen.
Zet de motor af wanneer u onderhouds-controles uitvoert, behalve wanneer u de verlichting, de motorstopschakelaar en het gas controleert.
| WAT TE CONTROLEREN | CONTROLEER: |
| Stuurinrichting • Soepelheid• Moet vrij kunnen bewegen• Geen ratelen, mag niet loszitten | |
| Gashendel(3-41) | • Juiste speling in de gaskabel• Soepele werking en automatische terugkeer van de gasgreep naar de gesloten positie |
| Remmen(2-39, 3-42) | • Remschoenen/remblokken niet voorbij de slijtagegrens afgesleten• Juiste speling van de hendel• Geen “sponzige” werking• Het vloeistofpeil in het reservoir moet boven de onderste (LOWER) streep staan• Er mag geen vloeistof lekken |
| Vering • Soepele beweging• Er mag geen olie lekken | |
| Brandstof(2-19) | Voldoende brandstof voor de af te leggen afstand |
| Banden(3-51) | • Juiste spanning• Genoeg profiel• Geen barsten of scheuren |
| Motorolie(3-29) | Juiste peil |
| Lichten(2-10, 2-25) | Werking van alle lichten en indicatielampjes |
| Claxon(2-27) | Juiste werking |
| Motorstopschake-laar(2-27) | Juiste werking |
| Zijstandaard/contactcircuit-blok-keersysteem(2-34) | Juiste werking |
GEREEDSCHAP
LIJST
Er is een gereedschapset ① bijgeleverd die zich in de koffer bevindt.

Juiste smering is belangrijk voor een soepel gebruik en lange levensduur van ieder werkend onderdeel van uw motorfiets en ook voor veilig rijden. Het is een goede gewoonte om de motorfiets te smeren na een lange stevige rit en als de motorfiets nat is geworden in de regen of na het wassen.
LET OP
Smeren van de elektrische schakelaars kan resulteren in beschadiging van de schakelaars.
Smeer geen vet of olie op de elektrische schakelaars.
De belangrijkste smeringspunten zijn hierna aangegeven.


G.....Vet
①.....Draaipunt(en) van gecombineerde remhendel
②.....Draaipunt en veerhaak van zijstandaard
③.....Draaipunt van passagiersvoetsteunen
④.....Draaipunt van voorremhendel
⑤.....Draaipunt en veerklem van middenstandaard
ACCU
OMSCHRIJVING
De accu is een gesloten type accu en deze vereist geen onderhoud. Laat uw dealer wel regelmatig de spanningstoestand van de accu controleren.
Het symbool van een doorgestreepte afval-container Ⓐ op het acculabel betekent dat een versleten accu niet met het normale huisvuil mag worden meegegeven.
Het scheikundige symbool "Pb" Ⓑ duidt erop dat de accu meer dan 0,004% lood bevat.

Door de versleten accu op de juiste wijze weg te doen of te recyclen, kunt u een mogelijke schadelijke invloed op het milieu en de gezondheid voorkomen, wat anders zou kunnen gebeuren wanneer de accu op de verkeerde manier wordt weggedaan. Door materialen te recyclen wordt verspilling van waardevolle grondstoffen voorkomen. Neem contact op met uw Suzuki-dealer voor verdere informatie over het wegdoen of recyclen van een versleten accu.
OPMERKING:
- Voor het opladen van een accu van het gesloten type gebruikt u een acculader die te gebruiken is met een accu van het gesloten type.
- Als u de accu niet kunt opladen, neem dan contact op met een officiële Suzuki-dealer.
- Kies voor het vervangen van de accu hetzelfde type MF-accu.
- Wanneer u de motorfiets een tijd lang niet gebruikt, dient u toch maandelijks de accu op te laden.

WAARSCHUWING
De accu bevat verdund zwavelzuur, dat blindheid of ernstige brandwonden kan veroorzaken.
Laat de accu niet kantelen wanneer u deze verwijdert. Draag handschoenen en geschikte beschermende uitrusting om de ogen te beschermen wanneer u in de nabijheid van de accu werkt. Als zwavelzuur in uw ogen komt, moet u ze onmiddellijk gedurende minstens 15 minuten in overvloedige hoeveelheden water wassen en vervolgens een arts raadplegen. Als u zwavelzuur binnenkrijgt, drink dan onmiddellijk een grote hoeveelheid water en raadpleeg een arts. Als zwavelzuur in contact komt met uw huid of kleding, trek uw kleding dan uit en was onmiddellijk in overvloedige hoeveelheden water. Bewaren op een plaats buiten het bereik van kinderen.

WAARSCHUWING
Accuklemmen, aansluitingen en bijbehorende delen en accessoires kunnen lood en loodverbindingen bevatten. Als er lood in uw bloed komt, is dat schadelijk voor uw gezondheid.
Was uw handen na het werken met onderdelen die lood bevatten.

WAARSCHUWING
Brandbaar waterstofgas dat wordt geproduceerd door een accu kan ontploffen als het wordt blootgesteld aan vuur of vonken.
Houd vuur en vonken uit de buurt van de accu. Rook nooit wanneer u dicht bij de accu aan het werk bent.

WAARSCHUWING
Bij schoonvegen van de accu met een droge doek kan er een vonk ontstaan als gevolg van statische elektriciteit met mogelijk brand tot gevolg.
Veeg de accu met een licht bevochtigde doek schoon om opbouw van statische elektriciteit te voorkomen.
LET OP
Als u de maximale laadstroom voor de accu overschrijdt, kan dit de levensduur verkorten.
Overschrijd nooit de maximale laadstroom van de accu. Raadpleeg een Suzuki-dealer voor alles wat onduidelijk is.
VERWIJDEREN
Ga als volgt te werk om de accu te verwijderen:
- Zet de motorfiets op de middenstandaard.
- Zet de contactschakelaar op UIT.
- Verwijder de schroeven.

- Verwijder de bevestigingsklemmen.

- Maak de haken los en verwijder het voorste beenschild ①.

- Maak de negatieve (−) accuklem ② los.
- Verwijder de kap. Maak de positieve (+) accuklem ③ los.
- Verwijder de band ④.
- Verwijder de accu ⑤.

- Veeg eventueel wit poeder dat zich aan het accuklemgedeelte bevindt weg met warm water. Als er ernstige corrosie is, poets deze dan weg met schuurpapier.
OPMERKING:
- Wanneer u accukabels verwijdert, moet u de contactschakelaar op UIT zetten en eerst de negatieve (−) kant verwijderen. Bevestig eerst de positieve (+) zijde wanneer u accukabels aansluit.
- Draai aan zodat er geen speling is in het accuklemgedeelte en bevestig het positieve (+) klemdeksel stevig.
- Raadpleeg een Suzuki-dealer wanneer u de batterij vervangt.
MONTEREN
Monteren van de accu:
-
Breng na het reinigen een dun laagje vet aan op het accuklemgedeelte, monteer de accu in de omgekeerde volgorde van het verwijderen.
-
Sluit de accuklemmen stevig aan en plaats de dop terug.
LET OP
Als u de accukabels op de verkeerde polen aansluit, kunnen het oplaadsysteem en de accu worden beschadigd.
De rode accukabel dient te worden aangesloten op de positieve (+) accupool en de zwarte (of zwart met een wit streepje) accukabel dient te worden aangesloten op de negatieve (−) accupool.
BOUGIE
VERWIJDEREN
Ga als volgt te werk om de bougie te verwijderen:
- Zet de motorfiets op de middenstandaard.
- Open het zadel, zie "ZADELSLOT" op pagina 2-41.
- Verwijder de schroeven, bouten en bevestigingsklemmen. Verwijder de koffer, het zadel ① en het voorste frame- deksel ②.

- Verwijder de bougiekap ③.

- Verwijder de bougie ④ met een bougiesleutel.

Verwijder regelmatig de koolaanslag van de bougie. Stel de bougieafstand af op 0,8 - 0,9 mm met behulp van een voelermaatje.
Controleer bij het verwijderen van de koolstofafzetting de kleur van de porseleinen neus van de bougie. De kleur geeft aan of de standaardbougie wel of niet geschikt is voor uw manier van gebruik van de motorfiets. Een geschikte bougie is erg lichtbruin van kleur.
LET OP
Het is mogelijk dat een onjuiste bougie niet goed past of een onjuiste warmtegraad heeft voor uw motor. Dit kan ernstige schade aan de motor veroorzaken die mogelijk niet onder de garantie valt.
Gebruik een van de aangegeven bougies of een gelijkwaardige bougie. Raadpleeg uw Suzuki-dealer als u niet zeker weet welke bougie de juiste is voor uw gebruik van de motorfiets.
Beschikbare bougies
| NGK OPMERKINGEN | |
| MR7E-9 Standaard |
OPMERKING: Deze motorfiets maakt gebruik van ontstoorde bougies om storing in de elektronische onderdelen te voorkomen. Wanneer verkeerde bougies worden gebruikt, kan dit resulteren in elektronische interferentie in het ontstekingssysteem van de motorfiets, met een inferieure prestatie van de motorfiets tot gevolg. Gebruik uitsluitend de aanbevolen bougies.
MONTEREN
LET OP
Als u de bougie verkeerd aanbrengt, kan dit schade aan uw motorfiets veroorzaken. Een bougie met een verkeerde schroefdraad of een bougie die te strak is aangehaald, beschadigt de aluminium schroefdraad van de cilinderkop.
Draai de bougie voorzichtig met de hand vast in de schroefdraad. Als u een nieuwe bougie monteert, draait u deze met een sleutel ongeveer 1/2 slag voorbij aan de handvaste positie. Als u een gebruikte bougie monteert, draait u deze met een sleutel ongeveer 1/8 slag voorbij aan de handvaste positie.
LET OP
Vuil kan schade aan de bewegende delen van uw motor toebrengen wanneer het door een open bougiegat de motor binnendringt.
Dek het bougiegat af zodra u de bougie hebt verwijderd.
LUCHTFILTER
OMSCHRIJVING
Zorg dat het luchtfilterelement schoon is zodat een krachtig motorvermogen en gunstig brandstofverbruik worden verkregen. Als u de motorfiets onder normale, niet al te zware omstandigheden gebruikt, hoeft u het luchtfilter enkel op de voorgeschreven tijd-stippen schoon te maken. Als u veel in stoffige, natte of modderige omstandigheden rijdt, kan het nodig zijn dat het luchtfilterelement vaker moet worden schoongemaakt.
Gebruik de volgende procedure om het element te verwijderen en te inspecteren.

WAARSCHUWING
Het is gevaarlijk om de motor te laten draaien wanneer het luchtfilterelement niet is aangebracht. Er zou een vlam vanaf de motor naar het luchtinlaathuis kunnen overslaan, zonder dat het luchtfilterelement deze tegenhoudt. Bovendien kan de motor ernstig beschadigd raken als er vuil in de motor terechtkomt als gevolg van het draaien van de motor zonder aangebracht luchtfilterelement.
Laat de motor nooit draaien wanneer het luchtfilterelement niet is aangebracht.
LET OP
Indien het luchtfilterelement niet regelmatig nagekeken wordt wanneer de motorfiets in stoffige, natte of modderige omstandigheden wordt gebruikt, kan er schade aan uw motorfiets ontstaan. Het luchtfilterelement kan bij deze omstandigheden verstopt raken, met beschadiging van de motor tot gevolg.
Inspecteer altijd het luchtfilterelement na het rijden in extreme omstandigheden. Vervang het element indien vereist. Reinig het element en de binnenkant van het luchtfilterhuis onmiddellijk wanneer er water in het luchtfilterhuis terechtkomt.
LUCHTFILTERELEMENT
Verwijderen
Ga als volgt te werk om de luchtfilterelement te verwijderen:
- Zet de motorfiets op de middenstandaard.
- Open het zadel, zie "ZADELSLOT" op pagina 2-41.
-
Verwijder de koffer en het zadel, zie "BOUGIE" op pagina 3-20.
-
Verwijder de schroeven. Maak de haken los en verwijder de luchtfilterdop ①.

- Verwijder het luchtfilterelement ②.

- Controleer de toestand van het luchtfilterelement. Vervang het luchtfilterelement regelmatig.

Perslucht kan het luchtfilterelement beschadigen.
Blaas niet met perslucht tegen het luchtfilterelement.
Monteren
Monteer het schoongemaakte of nieuwe luchtfilterelement in de omgekeerde volgorde van het verwijderen. Zorg dat het element correct aangebracht is en goed afgedicht.
LET OP
Een scheur in het luchtfilterelement leidt ertoe dat vuil de motor kan binnendringen. Dit kan de motor beschadigen.
Vervang het luchtfilterelement door een nieuwe als het gescheurd is. Inspecteer het luchtfilterelement zorgvuldig op scheurtjes tijdens het reinigen van het element.
LET OP
Als u het luchtfilterelement niet op de juiste wijze plaatst, kan dit ertoe leiden dat er vuil langs het element gaat. Dit veroorzaakt schade aan de motor.
Zorg ervoor dat u het luchtfilterelement op de juiste wijze plaatst.
OPMERKING: Let op dat u bij het schoonmaken van de motorfiets geen water op het luchtfilterhuis sproeit.
REINIGEN AFTAPPLUG VAN HET LUCHTFILTER
Verwijderen
Verwijder de pluggen en laat het water en de olie weglopen bij de periodieke onderhoudsbeurten. De aftapplug van het luchtfilter ① bevindt zich zoals aangegeven in de afbeelding.

Bevestig de aftapplug van het luchtfilter ste- vig.
MOTOROLIE EN TRANSMISSIEOLIE
OMSCHRIJVING
De levensduur van de motor is afhankelijk van de hoeveelheid olie en de kwaliteit. Het dagelijks controleren van het oliepeil en het periodiek verversen van de olie behoren tot de belangrijkste onderhoudspunten.
OPMERKING: Lees de waarschuwingen op de verpakking van de motorolie en de instructies in deze paragraaf alvorens motorolie toe te voegen, af te tappen of te vervangen.
KEUZE VAN DE MOTOROLIE
Suzuki beveelt het gebruik van originele SUZUKI-olie of gelijkwaardige motorolie aan.
| Olie\Standaard | SAE JASO |
| ECSTAR R5000MB SCOOTER | 10W-40 MB |
| ECSTAR R9000 10W | -40 MA |
| ECSTAR R7000 10W | -40 MA |
| ECSTAR R5000 10W | -40 MA |
Gelijkwaardige motorolie is motorolie die aan de volgende normen voldoet.
| SAE API | JASO | |
| 10W-40 SG | G, SH, SJ, SL, SM of SN MB |
SAE motorolie-viscositeit
Als SAE 10W-40 motorolie niet verkrijgbaar is, kan een andere olie worden gebruikt overeenkomstig de volgende tabel.
Het mengen van oliën van verschillende merken en kwaliteiten kan de kwaliteit van de olie veranderen en een storing veroorzaken.
Meng geen oliën en gebruik geen olie van lage kwaliteit.
Energiebesparend (Energy Conserving)
Suzuki raadt het gebruik van oliën met de aanduiding “ENERGY CONSERVING” (ENERGIEBESPARING) of “RESOURCE CONSERVING” (MIDDELENBESPARING) af. Sommige motoroliën van API-klasse SH, SJ, SL, SM of SN hebben een aanduiding “ENERGY CONSERVING” (ENERGIEBESPARING) of “RESOURCE CONSERVING” (MIDDELENBESPARING) in het donutvormige API-classificatiemerk. Deze oliën kunnen een nadelige invloed hebben op de levensduur van de motor en de prestatie van de koppeling*.
* Behalve voor het model met automatische transmissie
API SG, SH, SJ, SL, SM of SN

Aanbevolen
API SH, SJ, SL of SM API SN


Niet aanbevolen
JASO T903
De JASO T903-norm is een maatstaf voor het kiezen van motoriën voor 4-taktmoto-ren van motorfietsen en ATV's. De motoren van motorfietsen en ATV's smeren de koppelings- en versnellingstandwielen met motorolie. JASO T903 specificeert de prestatievereisten voor koppelingen en versnell-lingen van motorfietsen en ATV's.
Er zijn twee klassen, MA (MA1, MA2) en MB. Het oliereservoir toont bijvoorbeeld de MB-classificatie als volgt.

① Codenummer van de olieverkoopfirma
② Olieklasse
CONTROLE VAN HET MOTOROLIENIVEAU
Controleer het motoroliepeil als volgt:
Controleer het motoroliepeil met behulp van de peilstok. De peilstok komt samen met de olievuldop naar buiten, zoals afgebeeld. Het oliepeil op de peilstok moet tussen de "L" (laag) en "F" (vol) streepjes staan.

Hete motorolie en uitlaatpijpen kunnen brandwonden veroorzaken.
Wacht totdat de olie-aftapplug en de uit- laatpijpen voldoende zijn afgekoeld zodat deze met blote handen kunnen worden aangeraakt, voordat u de olie aftapt.
Het oliepeil moet onder de volgende omstandigheden worden gecontroleerd:
- Zet de motorfiets op de middenstandaard.
- Start de motor en laat deze drie minuten warmdraaien.
- Zet de motor af en wacht drie minuten.
- Houd de motorfiets recht overeind en controleer het motoroliepeil met behulp van de peilstok.

OPMERKING: Schroef de olievuldop niet in als u het motoroliepeil controleert.
LET OP
Zowel te weinig als te veel olie kan beschadiging van de motor veroorzaken.
Parkeer de motorfiets op een vlakke, horizontale ondergrond. Controleer het motoroliepeil met behulp van de peilstok telkens voordat u de motorfiets gebruikt. Zorg dat het motoroliepeil altijd boven het "L"-streepje (laag) is en onder het "F"-streepje (vol).
VERVERSEN VAN DE MOTOROLIE EN REINIGEN VAN DE OLIEZEEF
Ververs de motorolie op de voorgeschreven tijdstippen. De motorolie moet worden ververst wanneer de motor warm is, zodat alle olie van de motor wordt afgetapt. Ga als volgt te werk:
Verversen van de motorolie
-
Zet de motorfiets op de middenstandaard.
-
Verwijder de motorolievuldop ①.

-
Plaats een opvangbak onder de aftap- plug.
-
Verwijder de aftapplug ② en "O"-ring ③ met een moersleutel en laat de motorolie weglopen terwijl u de motorfiets recht overeind houdt.

Hete motorolie en uitlaatpijpen kunnen brandwonden veroorzaken.
Wacht totdat de olie-aftapplug en de uit- laatpijpen voldoende zijn afgekoeld zodat deze met blote handen kunnen worden aangeraakt, voordat u de olie aftapt.

WAARSCHUWING
Wanneer kinderen of huisdieren per ongeluk nieuwe of afgewerkte olie binnen krijgen, kan dit ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken. Herhaaldelijk en langdurig contact met afgewerkte motorolie kan huidkanker veroorzaken. Kortstondige aanraking met olie kan huidirritatie veroorzaken.
Houd nieuwe en afgewerkte olie altijd buiten het bereik van kinderen en huisdieren. Om contact met afgewerkte olie tot een minimum te beperken, moet u kleding met lange mouwen dragen en ook handschoenen die geen vloeistof doorlaten (zoals afwashandschoenen) wanneer u de olie ververst. Als er olie op uw huid terechtkomt, was dan de betreffende plaats grondig met zeep en water. Kleding of doeken waarop olie terecht is gekomen, moeten in de was worden gedaan. Recycle afgewerkte olie of gebruikte filters of ruim deze op de juiste manier op.
OPMERKING:
- Recycle afgewerkte olie of ruim deze op de juiste manier op.
- Controleer voordat u met de werkzaamheden begint of er geen stof, modder of andere verontreinigingen in de oliekan zijn.
Reinigen van de oliezeef
- Verwijder de oliezeef ④ en de oliezeef- plug ⑤.

- Maak de oliezeef schoon met perslucht. Vervang deze indien nodig door een nieuwe.
- Plaats de oliezeef ④ en de oliezeefplug ⑤ terug.
- Vervang de "O"-ring ③ door een nieuwe. Haal de aftapplug ② met het voorge-schreven koppel aan.
Aanhaalkoppel van de motorolie-aftapplug: 35 Nm (3,6 kgf-m)
- Giet verse olie in de vulopening. Er is ongeveer 650 ml olie vereist.
LET OP
Wanneer u olie gebruikt die niet voldoet aan de specificaties van Suzuki, kan dit schade aan de motor veroorzaken.
Gebruik de olie die wordt voorgeschreven in het hoofdstuk AANBEVOLEN BENZINE EN MOTOROLIE.
- Draai de olievuldop ① vast.
- Start de motor en laat deze drie minuten stationair draaien.
- Controleer het oliepeil overeenkomstig de aanwijzingen onder "Controleren van het oliepeil".
OPMERKING: Controleer of er geen olie lekt bij de aftapplug ②.
CONTROLLEREN VAN HET TRANSMISSIEOLIEPEIL EN VERVERSEN VAN DE TRANSMISSIEOLIE
Keuze van de motorolie: SAE 5W-30 MA
- Zet de motorfiets op een horizontale ondergrond op de middenstandaard. Houd de motorfiets recht overeind en inspecteer het transmissieoliepeil.
- Plaats een oliepan onder de eindaandrijvingskast.
- Verwijder de oliepeilplug ① en inspecteer het oliepeil. Als het peil onder het peilgat staat, voeg dan olie toe totdat deze uit het peilgat stroomt.
- Vervang de pakking door een nieuwe. Haal de oliepeilplug ① met het voorgeschreven koppel aan.
Aanhaalkoppel van de oliepeilplug en de aftapplug:
12 Nm (1,2 kgf-m)

OPMERKING: Als de olie bezinksel bevat of lang gebruikt is, tap de olie dan af door de aftapplug ② te verwijderen en giet verse olie door het oliepeilgat.
OPMERKING: Er is ongeveer 50 ml olie nodig voor het verversen van de transmissieolie.

WAARSCHUWING
Wanneer kinderen of huisdieren per ongeluk nieuwe of afgewerkte olie binnen krijgen, kan dit ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken. Herhaaldelijk en langdurig contact met afgewerkte motorolie kan huidkanker veroorzaken. Kortstondige aanraking met olie kan huidirritatie veroorzaken.
Houd nieuwe en afgewerkte olie altijd buiten het bereik van kinderen en huisdieren. Om contact met afgewerkte olie tot een minimum te beperken, moet u kleding met lange mouwen dragen en ook handschoenen die geen vloeistof doorlaten (zoals afwashandschoenen) wanneer u de olie ververst. Als er olie op uw huid terechtkomt, was dan de betreffende plaats grondig met zeep en water. Kleding of doeken waarop olie terecht is gekomen, moeten in de was worden gedaan. Recycle afgewerkte olie of ruim deze op de juiste manier op.
OPMERKING: Recycle afgewerkte olie of ruim deze op de juiste manier op.
STATIONAIR TOERENTAL
INSPECTIE
Controleer het stationair toerental. Het stationair toerental moet 1500 - 1700 omw/min zijn wanneer de motor warm is.
OPMERKING: Als het stationair toerental niet binnen het voorgeschreven bereik is, ga dan naar uw Suzuki-dealer of een vakkundige monteur om de motorfiets te laten nakijken en repareren.
BRANDSTOFSLANG
INSPECTIE
Inspecteer de brandstofslang ① op beschadiging en brandstoflekkage. Vervang de brandstofslang als er gebreken worden vastgesteld.

Stel de speling van de gaskabel als volgt af:
- Verwijder de stofhuls ①.
- Draai de borgmoer ② los.
- Draai de afsteller ③ tot er bij de gas-greep 2,0 - 4,0 mm speling is.
- Draai de borgmoer ② vast.
- Breng de stofhuls ① weer aan.

De gaskabel heeft stofhulzen. Controleer of de stofhulzen stevig vastzitten. Breng niet rechtstreeks water op de stofhulzen aan wanneer u de motorfiets wast. Eventueel vuil kan met een natte doek van de stofhulzen worden geveegd.

Deze motorfiets heeft een schijfrem voor en een trommelrem achter. Een juist werkend remsysteem is van vitaal belang voor veilig rijden. Voer de reminspecties op de voorge-schreven tijdstippen nauwgezet uit. De rem-men moeten bij de periodieke onderhoudsbeurten door een officiële Suzuki-dealer worden gecontroleerd.
REMSYSTEEM Controleer het remsysteem dagelijks op de

WAARSCHUWING
Als u het remsysteem van uw motorfiets niet goed inspecteert en onderhoud, kan het risico op een ongeluk verhogen.
Controleer de remmen voor elke rit, zoals beschreven in het hoofdstuk CONTROLE VÓÓR HET RIJDEN. Onderhoud de remmen zoals beschreven in het ONDERHOUDSSCHEMA.
volgende punten:
- Controleer het voorremsysteem op sporen van vloeistoflekkage.
- Controleer de voorremslang op lekkages en scheurtjes.
- Controleer de slijtage van de remblokken en de trommelremschoen.
- De gecombineerde remhendel moet altijd de vereiste slag hebben en stevig bevestigd zijn.
INSPECTEREN VAN DE REMSLANGEN
Inspecteer de remslangen en slangverbindingen op scheurtjes, beschadiging of remvloeistoflekkage. Ga naar uw Suzuki-dealer om de remslang te laten vervangen als er defecten worden vastgesteld.
REMVLOEISTOF
Controleer het remvloeistofpeil in het remvloeistofreservoir. Als het peil in het reservoir beneden de marking LOWER (onder) ① staat, dient u te controleren of er sprake is van slijtage van de remblokken of lekkage.

WAARSCHUWING
Remvloeistof neemt geleidelijk vocht op via de remslangen. Remvloeistof met een hoog watergehalte heeft een lager kookpunt en kan een defect van het rem- systeem veroorzaken als gevolg van cor- rosie van de remonderdelen. Kokende remvloeistof of een defect van het rem- systeem kan resulteren in een ongeluk.
Ververs de remvloeistof elke twee jaar om een goede remprestatie te behouden.

WAARSCHUWING
Bij gebruik van een andere vloeistof dan DOT3 of DOT4 remvloeistof uit een afgesloten blik kan het remsysteem beschadigd raken wat kan leiden tot een ongeluk.
Maak de vuldop schoon voordat u die verwijdert. Gebruik uitsluitend DOT3 of DOT4 remvloeistof uit een afgesloten blik. Gebruik en meng nooit verschillende soorten remvloeistof.

WAARSCHUWING
Remvloeistof is schadelijk en mogelijk zelfs fataal wanneer deze wordt ingeslikt en veroorzaakt ook letsel wanneer deze in contact komt met de ogen of de huid. De oplossing kan giftig zijn voor dieren.
Indien per ongeluk remvloeistof wordt ingeslikt, moet u geen braakneigingen opwekken. Neem onmiddellijk contact op met een vergiftiginginformatiecentrum of een arts. Als remvloeistof in uw ogen terechtkomt, moet u de ogen met water spoelen en de hulp van een arts inroepen. Was uw handen grondig na het werken met remvloeistof. Buiten het bereik van kinderen en dieren houden.
LET OP
Gemorste remvloeistof kan schade toebrengen aan gelakte oppervlakken en plastic onderdelen.
Zorg ervoor dat u geen vloeistof morst bij het vullen van het remvloeistofreservoir. Veeg gemorste vloeistof onmiddel- lijk op.
REMBLOK
Inspecteer de voorste remblokken door na te gaan of het frictiemateriaal tot voorbij de slijtagegrens-groef Ⓐ is versleten. Als een remblok tot voorbij de slijtagegrens-groef is versleten, moet deze door een officiële Suzuki-dealer of een vakkundige monteur vervangen worden.

OPMERKING: Nadat de remblokken zijn vervangen, moet de remhendel een paar maal pompend worden bediend. Hierdoor worden de remblokken aangespannen en komen ze in de juiste positie te zitten.

WAARSCHUWING
Als u de remblokken niet controleert en onderhoudt en ze vervangt wanneer dit aangeraden wordt, neemt de kans dat u een ongeluk krijgt toe.
Ga naar uw Suzuki-dealer als de remblokken vervangen moeten worden. Controleer en onderhoud de remblokken zoals voorge-schreven.

WAARSCHUWING
Als u na een reparatie aan het remsysteem of vervangen van de remblokken wegrijdt met deze motorfiets zonder eerst de remhendel even te pompen, kan de remwerking minder effectief zijn, waardoor ongelukken kunnen ontstaan.
Bedien na een reparatie aan het remsysteem of vervangen van de remblokken de remhendel enkele malen pompend tot de remblokken tegen de remschijven aan zijn gedrukt en de juiste hendelslag en stijfheid zijn verkregen.
OPMERKING: Trek de remhendel niet aan wanneer de remblokken niet op hun plaats zitten. De zuigers kunnen slechts met moeite weer in de uitgangsstand teruggezet worden en er kan hierbij remvloeistoflekkage optreden.

WAARSCHUWING
Vervangen van slechts een van de twee remblokken kan leiden tot ongelijkmatig remmen, met een verhoogde kans op ongelukken.
Vervang altijd beide remblokken tegelijk.
SPELING VAN DE GECOMBINEERDE REMHENDEL AFSTELLEN
- Meet de speling van de gecombineerde remhendel aan het uiteinde van de remhendel. De speling moet 15 - 25 mm zijn.

- Als afstelling nodig is, kan door de stelmoer van de achterrem ① naar rechts of naar links te draaien de afstand worden verkleind of vergroot.

OPMERKING: In het geval dat de speling van de gecombineerde remhendel niet binnen het aangegeven bereik kan worden ingesteld, zelfs niet wanneer de stelmoer van de achterrem wordt bijgesteld, is de afstelling van de gecombineerde remeenheid nodig. Neem contact op met uw Suzuki-dealer voor de afstelling.
SLIJTAGEGRENS VAN DE ACHTERREMVOERINGEN
De rempanelen van de motorfiets zijn voorzien van een indicator die de remvoering-slijtagegrens aangeeft. Volg de onderstaande procedure om de slijtage van de remvoering te controleren:
- Controleer of het remsysteem juist is afgesteld.
- Terwijl de rem volledig is ingetrapt, controleert u of de indicator ① binnen het bereik ② op het motorhuis staat, zoals afgebeeld.

- Als de indicator buiten het bereik is, moet u de remschoenen door uw Suzuki-dealer laten vervangen zodat de veiligheid van de motorfiets niet in gevaar wordt gebracht.
BANDEN
OMSCHRIJVING
Controleer of er geen barsten of schade zijn in het contactoppervlak of de zijkanten van de banden. Controleer bovendien of er geen spijkers, stenen of andere vreemde voorwerpen in de banden prikken of ingebed zijn.

Controleer ook of er geen ongebruikelijke slijtage is op het contactoppervlak van de banden. Raadpleeg een Suzuki-dealer voor alle ongewone slijtage.

Zorg ervoor dat u de voorgeschreven banden gebruikt wanneer u banden verwisselt.
| VOOR ACHTER | ||
| MAAT 90/90-12 44J 90/100-10 | 53J | |
| TYPE DUNLOP D307 N DUNLOP D307 N | ||

WAARSCHUWING
Het gebruik van niet-voorgeschreven banden kan de veilige werking van uw motorfiets negatief beïnvloeden.
Zorg ervoor dat u de voorgeschreven banden gebruikt.

WAARSCHUWING
Een ondeugdelijk gerepareerde of uitgebalanceerde band kan ertoe leiden dat u de controle over de motorfiets met kans op ongelukken, of dat de levensduur van de band wordt verkort.
- Vraag uw Suzuki-dealer of een vakkundige monteur de reparatie en vervanging van de band uit te voeren, aangezien dit geschikt gereedschap en de nodige ervaring vereist.
- Breng de banden aan overeenkomstig de draairichting die wordt aangegeven met de pijlen op de zijkant van elke band.

WAARSCHUWING
De banden van uw motorfiets vormen de allesbepalende verbinding tussen uw motorfiets en de weg. Als u de onderstaande voorzorgen veronachtzaamt, kan dat een ongeluk veroorzaken door problemen met de banden.
- Controleer voor elke rit de toestand en spanning van de banden en breng de bandenspanning zonodig op peil.
• Overbelast uw motorfiets niet. - Vervang een band zodra deze tot op de slijtagegrens is versleten of zodra deze beschadigingen vertoont zoals scheuren of barsten.
- Gebruik altijd de maat en het type banden zoals in deze gebruikershandleiding worden voorgeschreven.
- Lees dit hoofdstuk van de gebruikershandleiding zorgvuldig door.

WAARSCHUWING
Als u de banden niet inrijdt, kan dit leiden tot slippen en verlies van controle over de motorfiets, met kans op ongelukken.
U dient extra voorzichtig te zijn wanneer u nieuwe banden inrijdt. Rijd de banden goed in zoals beschreven in het hoofdstuk INRIJDEN en vermijd snel optrekken, scherp bochtenwerk en hard remmen gedurende de eerste 160 km.
OPMERKING: Omdat nieuwe banden gemakkelijk slippen, moet u de motorfiets niet te ver laten leunen. Houd de hellingshoek mild bij het inrijden van de banden.
BANDENSPANNING EN BELASTING
Lees de gebruikershandleiding voor informatie over bandenspanning en het selecteren van te gebruiken banden voor veilig rijden.
Banden worden warm wanneer de motorfiets rijdt, waardoor de luchtdruk toeneemt. Gebruik daarom de bandenspanningsmeter als de banden koel zijn, voordat u gaat rijden, en controleer of de banden de voorgeschreven spanning hebben. Stel de juiste druk in als de waarde buiten het voorgeschreven bereik ligt. Het overbelasten van de banden kan een klapband of moeilijkheden met het besturen van de motorfiets tot gevolg hebben.

Controleer elke dag voordat u gaat rijden de bandenspanning en controleer of de bandenspanning de juiste is voor de belasting van de motorfiets volgens de tabel hieronder.
Bandenspanning van koude band
| BELASTINGBAND | EEN PERSOON TWEE PERSONEN | |
| VOOR | 150 kPa1,50 kgf/cm2 | 150 kPa1,50 kgf/cm2 |
| ACHTER | 200 kPa2,00 kgf/cm2 | 250 kPa2,50 kgf/cm2 |
Banden waarvan de spanning onvoldoende is, kunnen het nemen van bochten bemoeilijken en kunnen tevens resulteren in grotere slijtage. Banden met een te hoge spanning hebben een kleiner contactvlak met de weg, hetgeen aanleiding kan geven tot slipgevaar en onbestuurbaarheid.
OPMERKING: Merkt u dat de bandenspanning terugloopt, controleer dan de banden op de aanwezigheid van spijkers of gaatjes. Controleer tevens of de velg wellicht beschadigd is. Banden zonder binnenbanden kunnen bij kleine beschadigingen wel eens langzaam leeglopen.
De toestand van de banden en het type banden zijn van groot belang voor de prestaties van de motorfiets. Barsten of scheurtjes in de banden kunnen leiden tot een klapband en het gevaar van onbestuurbaarheid. Versleten banden verhogen ook de kans op een lekke band waardoor u mogelijk de controle over de motorfiets verliest. De bandslijtage beïnvloedt ook het bandprofiel waardoor de rijeigenschappen van de motorfiets kunnen veranderen.
Controleer elke dag voordat u gaat rijden de toestand van de banden. Vervang een band als deze zichtbare tekenen van beschadiging vertoont, zoals barsten of scheurtjes, of als de profieldiepte minder bedraagt dan 1,6 mm (0,06 in) voor of 1,6 mm (0,06 in) achter. Het “ ① merkteken geeft de plaats aan waar de slijtagestrepen in de band zijn aangebracht. Wanneer de slijtagestrepen bloot liggen, betekent dit dat de band versleten is.


WAARSCHUWING
Als u de onderstaande instructies voor tubeless-banden niet opvolgt, kan dat ongelukken veroorzaken als gevolg van problemen met de banden. Tubeless-banden vereisen ander onderhoud dan banden met een binnenband.
- Tubeless-banden vereisen een lucht-dichte afsluiting tussen de velgrand van de band en de velg van het wiel. U dient speciale bandenlichters en velg-beschermers of een speciaal band-montageapparaat te gebruiken voor het verwijderen en aanbrengen van de banden. Dit voorkomt beschadiging van de band of velg, hetgeen zou kunnen leiden tot een lek.
-
Repareer gaatjes in tubeless-banden door de band te verwijderen en een inwendige plakker aan te brengen.
-
Gebruik voor het repareren van een gaatje geen reparatieplugje voor buitenbanden aangezien dit los zou kunnen komen ten gevolge van de krachten die op een band van een motorfiets worden uitgeoefend in de bochten.
- Na het repareren van een band dient u gedurende de eerste 24 uur niet sneller dan 80 km/h te rijden. Hiermee voorkomt u overmatige verhitting, die de reparatie van de band ongedaan zou kunnen maken en zou kunnen leiden tot het leeglopen van de band.
- Vervang de band als het gaatje zich in de zijwand van de band bevindt of als het gaatje zich in het profiel van de band bevindt en groter is dan 6 mm. Dergelijke gaatjes kunnen niet afdoende worden gerepareerd.
ZIJSTANDAARD/CONTACTCIRCUIT-BLOKKEERSYSTEEM
INSPECTIE
Controleer de werking van het zijstandaard/contactcircuit-blokkeersysteem als volgt:
- Ga op de motorfiets zitten in de normale rijhouding, met de zijstandaard ingeklapt.
-
Trek de voorremhendel of gecombineerde remhendel in en start de motor.
-
Klap de zijstandaard uit terwijl u de remhendel ingetrokken houdt.

① Zijstandaard/contactcircuit-blokkeerschakelaar
Het zijstandaard/contactcircuit-blokkeersysteem werkt normaal als de motor afslaat zodra de zijstandaard uitgeklapt wordt. Als de motor blijft draaien terwijl de zijstandaard uitgeklapt is, is het zijstandaard/contactcircuit-blokkeersysteem defect. Laat een erkende Suzuki-dealer of een vakkundige monteur een inspectie uitvoeren.

WAARSCHUWING
Als het zijstandaard/contactcircuit-blokkeersysteem niet juist werkt, is het mogelijk om met de motorfiets te rijden terwijl de zijstandaard is uitgeklapt. Dit kan de controle van de bestuurder beïnvloeden tijdens een bocht naar links en ongelukken veroorzaken.
Controleer of het zijstandaard/contact-circuit-blokkeersysteem juist werkt voordat u wegrijdt. Zorg dat de zijstandaard volledig is ingeklapt voordat u wegrijdt.
VERLICHTINGSSYSTEEM
Deze motorfiets is uitgerust met volledig ledverlichting. Omdat ledverlichting is geïntegreerd in lamparmatuur, is vervanging van alleen de ledverlichting niet beschikbaar. Als een van de led-lampjes niet kan worden ingeschakeld, neem dan contact op met uw Suzuki-dealer.
VERVANGEN VAN DE LAMPEN
Het vermogen van elke lamp is in de onderstaande tabel aangegeven. Gebruik bij het vervangen van een doorgebrande lamp altijd hetzelfde wattage volgens de onderstaande tabel.
| Koplamp LED | |
| Parkeerlicht LED | |
| Richtingaanwijzerlamp voor 12V | 10W × 2 |
| Richtingaanwijzerlamp achter 12V | 10W × 2 |
| Remlicht/achterlicht 12V 21/5W | |
| Kentekenplaatverlichting 12V 5 W | |
LET OP
Bij gebruik van een lamp met een onjuist vermogen kan het elektrische systeem van uw motorfiets overbelast worden of kan de nieuwe lamp voortijdig doorbranden.
Gebruik uitsluitend de lampen die in de tabel zijn aangegeven als vervangingslampen.
Richtingaanwijzerlamp voor
Ga als volgt te werk om de voorste richting-aanwijzerlamp te vervangen.
-
Verwijder het voorste beenschild zoals beschreven in het hoofdstuk ACCU. (3-14)
-
Draai de fitting naar links en verwijder deze.

- Druk op de doorgebrande lamp, draai deze naar links en trek hem naar buiten.

-
Om de nieuwe lamp aan te brengen, drukt u deze naar binnen en draait hem dan naar rechts terwijl u op de lamp blijft drukken.
-
Om de voorste richtingaanwijzerlamp weer aan te brengen, voert u de hiervoor beschreven handelingen in de omgekeerde volgorde uit.
Achterste richtingaanwijzerlamp en remlicht/achterlicht
Ga als volgt te werk om de achterste richtingaanwijzerlamp en lamp van het remlicht/achterlicht te vervangen:
- Verwijder de bouten ①.

- Maak de haken ② los en verwijder het achterlichtarmatuur ③.

- Draai de fitting ④ van de achterste richtingaanwijzerlamp en de fitting ⑤ van het remlicht/achterlicht naar links en verwijder ze.

- Druk op de doorgebrande lamp, draai deze naar links en trek hem naar buiten.
- Om de nieuwe lamp aan te brengen, drukt u deze naar binnen en draait hem dan naar rechts terwijl u op de lamp blijft drukken.

Kentekenplaatverlichting
Ga als volgt te werk om de lamp van de ken- tekenplaatverlichting te vervangen.
- Verwijder de schroeven en verwijder dan de afdekking ① samen met de lens.

- Trek de lamp ② uit de fitting.

- Monteer de afdekking onder de lens.
KOPLAMP
OMSCHRIJVING
Indien nodig kan de koplampbundel verticaal worden afgesteld.
DE KOPLAMPBUNDEL OMHOOG EN OMLAAG AFSTELLEN
Draai de koplampbundelverstellerbout ① los. Om de bundel aan te passen, brengt u de koplamp ② naar voren of achteren. Haal na het afstellen de stelbout van de koplamp-bundel aan.

Als een elektrische voorziening op uw motorfiets niet meer werkt, moet u altijd eerst controleren of er een zekering is gesprongen. De elektrische circuits van de motorfiets zijn tegen overbelasting beschermd door middel van zekeringen in de circuits.

WAARSCHUWING
Vervangen van een zekering door een zekering met een verkeerd amperage-waarde of vervanging, bijvoorbeeld gebruik van aluminiumfolie of draad, kan ernstige beschadiging van het elektrische systeem veroorzaken en mogelijk zelfs brand. Vervang een gesprongen zekering altijd door een zekering met dezelfde amperage-waarde.
Als de nieuwe zekering meteen weer springt, is het elektrische probleem waarschijnlijk niet verholpen. Laat uw motorfiets in dit geval meteen door uw Suzuki-dealer nakijken.
LET OP
Het installeren van elektrische items zoals lampen, meters, enz. die niet geschikt zijn voor de motorfiets, kan ervoor zorgen dat de zekeringen springen of de accu leegraakt.
Gebruik echte Suzuki-onderdelen bij het bevestigen van elektrische artikelen.
LET OP
Als u tijdens het wassen van de motorfiets krachtig rond de zekeringen veegt of water spuit, kan er water in de bedrading komen, wat corrosie of kortsluiting kan veroorzaken.
Spuit of veeg niet krachtig water in het gebied rond de zekeringen.
ZEKERINGEN
De zekeringen bevinden zich onder het voorste beenschild.
Inspecteer de zekeringen met behulp van de volgende procedure.
- Zet de contactschakelaar op UIT.
- Verwijder het voorste beenschild. Zie "ACCU" op pagina 3-14.
-
Open de zekeringkast ①, trek de zekeringen eruit en inspecteer ze.
-
Als een zekering is doorgebrand, controleer dan de reden en vervang deze nadat u dit hebt opgelost door een reservezekering ② met de aangegeven stroomsterkte. Als u de reden niet kunt achterhalen waarom de zekering is doorgebrand, laat uw motorfiets dan nakijken bij een Suzuki-dealer.

De volgende tabel toont de belangrijkste apparatuur die elke zekering beveiligt.

De diagnosestekker ① bevindt zich onder het voorste beenschild. Verwijder het voorste beenschild. Zie "ACCU" op pagina 3-14.

OPMERKING: De diagnosestekker wordt gebruikt door uw Suzuki-dealer of een vak-kundige onderhoudsmonteur.


STORINGZOEKEN
OMSCHRIJVING 4-2
MOTOR START NIET 4-3
Deze storingsgids is bedoeld voor het oplossen van een aantal eenvoudige storingen die kunnen optreden.
Neem contact op met uw Suzuki-dealer als uw motorfiets problemen ondervindt of als er iets mis lijkt te zijn.
LET OP
Ongeschikte reparaties of aanpassingen kunnen uw motorfiets beschadigen. In sommige gevallen valt schade mogelijk niet onder de garantie.
Raadpleeg een Suzuki-dealer voor alles wat onduidelijk is.
MOTOR START NIET
Voer de volgende controles uit.
- Zorg ervoor dat u de juiste startprocedure gebruikt. Zie "STARTEN VAN DE MOTOR" op pagina 2-29.
- Zorg ervoor dat de brandstoftank brandstof bevat. Zie "PROCEDURE VOOR TANKEN" op pagina 2-35.
- Controleer of het defectverklikkerlampje aan gaat. Zie "DEFECTVERKLIKKERLAMPJE" op pagina 2-12.
- Controleer op losse accupolen. Zie "ACCU" op pagina 3-14.
- Zijn er zekeringen doorgebrand? Zie "ZEKERINGEN" op pagina 3-65.
Neem contact op met uw Suzuki-dealer als u storingen/problemen ondervindt.
INDICATIELAMPJES
Neem contact op met een Suzuki-dealer als de status van de indicator als volgt is.
- Het defectverklikkerlampje (op pagina 2-12) gaat aan
- Het hoofdwaarschuwingscontrolelichtje (op pagina 2-12) gaat aan
STAAT VAN DE MOTORFIETS
Neem contact op met een Suzuki-dealer als de staat van de motorfiets als volgt is.
- De motor kan niet gestart worden
• U v a l t - De motorfiets maakt een ongewoon geluid of lekt vloeistof
- Motorprestaties nemen af of zijn slecht
- Er is een duidelijke afname van de remvloeistof, of u moet de remvloeistof of remblokken vervangen
- Remprestaties zijn slecht
- U kunt niet achterhalen waarom een zekering is gesprongen
- De banden zijn extreem versleten of u moet ze vervangen
STALLING EN SCHOONMAKEN VAN DE MOTORFIETS
STALLING 5-2
WERKWIJZE BIJ OPNIEUW IN GEBRUIK NEMEN 5-4
VOORKOMEN VAN CORROSIE 5-5
SCHOONMAKEN VAN DE MOTORFIETS 5-7
CONTROLE NA HET SCHOONMAKEN 5-12
STALLING EN SCHOONMAKEN VAN DE MOTORFIETS
STALLING
OMSCHRIJVING
Als u van plan bent om lange tijd niet op de motorfiets te rijden, is het belangrijk onderhoud uit te voeren voordat u de motorfiets stalt. Voer het onderstaande onderhoud uit.
OPMERKING: Wij raden u aan deze onderhoudswerkzaamheden aan uw Suzuki-dealer over te laten.
MOTORFIETS
Parkeer de motorfiets op de zijstandaard op een stevige, vlakke ondergrond waar deze niet kan omvallen. Gebruik voor motorfietsen met een middenstandaard de middenstandaard om te parkeren.
Was de motorfiets voordat u hem stalt, droog hem en dek hem af.

OPMERKING: Breng de carrosseriedekking aan nadat de motor en de uitlaat zijn afgekoeld.
BRANDSTOF
- Vul de brandstoftank tot de hals met brandstof en benzine-stabilisator overeenkomstig de aanbevelingen van de fabrikant van de benzine-stabilisator.
- Laat de motor een paar minuten draaien zodat het brandstofinspuitsysteem gevuld is met de gestabiliseerde benzine.
ACCU
- Verwijder de accu van de motorfiets zoals beschreven in het hoofdstuk ACCU.
- Reinig de buitenkant van de accu met een milde zeep en verwijder alle corrosie van de aansluitpunten en de kabels.
- Berg de accu in een ruimte op waar de temperatuur boven het vriespunt is.
OPMERKING: Accu's verliezen hun lading en ontladen langzaam, dus haal de accu uit de motorfiets, laad deze volledig op en bewaar deze op een donkere plaats in een ruimte met goede ventilatie. Koppel de (-) klem los wanneer u de accu op de motorfiets plaatst.
BAND
Breng de banden op de normale bandenspanning.
BUITENKANT
- Bespuit alle vinyl en rubber onderdelen met een verduurzamingsmiddel voor rubber.
- Bespuit alle niet gelakte oppervlakken met een roestwerend middel.
- Bedek de gelakte oppervlakken met autowas.
ONDERHOUD TIJDENS OPSLAG
U dient de accu één maal per maand op te laden. Raadpleeg de paragraaf ACCU voor instructies. Als u de accu niet kunt opladen, neem dan contact op met een officiële Suzuki-dealer.
WERKWIJZE BIJ OPNIEUW IN GEBRUIK NEMEN
HOE WEER OPNIEUW IN GEBRUIK NEMEN
- Maak de motorfiets helemaal schoon.
- Monteer de accu zoals beschreven in het hoofdstuk ACCU.
- Stel de bandenspanning af zoals beschreven in het hoofdstuk BANDEN.
- Smeer alle eerder genoemde smeerpunten zorgvuldig door.
- Voer alle controles uit beschreven in CONTROLE VÓÓR HET RIJDEN in deze handleiding.
VOORKOMEN VAN CORROSIE
BELANGRIJKE INFORMATIE OVER CORROSIE
Voer onderhoud uit om roestvorming van de motorfiets te voorkomen en de levensduur te verlengen.
Het volgende kan corrosie veroorzaken.
- Zeelucht, onverharde wegen, strooizout, vocht en ophoping van chemische stoffen.
- Schade aan metalen onderdelen of geverfde oppervlakken veroorzaakt door kleine ongevallen, of door te worden geraakt door zand of stenen, of ander puin, enz.
HOE KUNT U CORROSIE VOORKOMEN
- Was de motorfiets regelmatig, minstens een keer per maand. Houd de motorfiets zo schoon en droog mogelijk.
-
Verwijder verontreinigingen en vreemde bestanddelen. Verontreinigingen zoals strooizout, chemicaliën, asfalt of teer, hars, vogelpoep en industriële vliegas kunnen de afwerking van uw motorfiets beschadigen. Verwijder deze verontreinigingen zo snel mogelijk. Als de verontreinigingen moeilijk kunnen worden verwijderd, kan het gebruik van een aanvullend schoonmaakmiddel nodig zijn. Bij gebruik van een speciaal schoonmaakmiddel dient u de aanwijzingen van de fabrikant te volgen.
-
Repareer beschadigingen aan de afwerking zo spoedig mogelijk. Controleer alle gelakte onderdelen van de motorfiets zorgvuldig op beschadiging. Mochten er putjes of krassen in de lak zijn, werk deze dan onmiddellijk bij om corrosie te voorkomen. Als de putjes of krassen tot aan het blote metaal reiken, moet u de reparatie door uw Suzuki-dealer laten uitvoeren.
-
Stal de motorfiets in een droge en goed geventileerde ruimte. Als u de motorfiets vaak in de garage wast of als u de motorfiets vaak binnen parkeert wanneer deze nat is, kan de garage vochtig worden. De hoge vochtigheid kan corrosie veroorzaken of deze versnellen. Een natte motorfiets kan ook in een verwarmde garage roesten als de ventilatie slecht is.
-
Dek de motorfiets af. Blootstelling aan de middagzon kan verkleuring van de lak, de plastic onderdelen en de wijzerplaten van de instrumenten veroorzaken. Afdekken van uw motorfiets met een "doorademende" motorhoes van goede kwaliteit beschermt de afwerking tegen schadelijke ultraviolette zonnestraling en vermindert de hoeveelheid stof en vervuilde lucht waaraan de motorfiets wordt blootgesteld. Uw Suzuki-dealer kan u helpen bij de aanschaf van de juiste hoes voor de motorfiets.
OPMERKING:
- Boen alle delen van de motorfiets voor opslag. Dit voorkomt roestvorming.
- Spoel de motorfiets onmiddellijk na een rit langs de kust of over wegen met strooizout grondig af met koud water. Verricht het afspoelen met koud water, want warm water kan leiden tot snellere corrosie.
SCHOONMAKEN VAN DE MOTORFIETS
WASSEN VAN DE MOTORFIETS
Het wassen van de motorfiets helpt om zijn levensduur te verlengen en houdt hem in perfecte staat. Boenen biedt u ook de mogelijkheid om afwijkingen op te sporen en storingen te voorkomen. Was de motorfiets als deze koud is.
- Verwijder vuil en modder met behulp van koud stromend water. U kunt hierbij een zachte spons of borstel gebruiken. Gebruik geen hard materiaal dat de lak kan beschadigen.
- Was nu de hele motorfiets met een neutraal schoonmaakmiddel met gebruik van een spons of zachte doek. Doordrenk de spons of doek regelmatig met zeepsop.
- Als al het vuil van de motorfiets is verwijderd, spoelt u het schoonmaakmiddel met een ruime hoeveelheid water weg.
OPMERKING: Het schoonmaakmiddel dat gebruikt wordt om de motorfiets te wassen kan een negatieve invloed hebben op kunststof onderdelen als het schoonmaakmiddel niet volledig wordt afgespoeld. Zorg ervoor na het wassen van de motorfiets alle schoonmaakmiddel met een ruime hoeveelheid water weg te spoelen.
- Na het schoonspuiten droogt u de motorfiets met een natte zeem of een doek, en laat u de motorfiets in de schaduw helemaal opdrogen.
- Controleer alle geverfde onderdelen zorgvuldig op beschadiging. Als de lak beschadigd is, tipt u deze plekken bij met een speciale bijwerk-lak om de schade te verhelpen, volgens de onderstaande aanwijzingen:
a.Maak de beschadigde plekken goed schoon en laat ze opdrogen.
b. Meng de verf en tip de beschadigde plekken bij met een fijn kwastje.
c. Laat de verf volledig opdrogen.
OPMERKING: De koplamplens kan beslagen zijn na het wassen van de motorfiets of na een rit in de regen. Het condensvocht in de lens zal geleidelijk verdampen wanneer u de koplamp aanzet. Om de koplamplens te ontwasemen, laat u de motor draaien om uitputting van de accu te voorkomen.
OPMERKING: Zorg dat de volgende onderdelen niet nat worden:
- Contactslot
- Bougie
• Dop van brandstoftank - Brandstofinspuitsysteem
• Stofhulzen van de gaskabel - Hoofdremcilinder
• Balhoofdbuis (boven, onder)
LET OP
Als er tijdens het reinigen water in de geluiddempers, het luchtfilter of elektrische onderdelen komt, kan dit leiden tot moeite met starten of roest.
Zorg ervoor dat er tijdens het reinigen geen water in de bovenstaande onderde- len komt.
LET OP
Hogedrukwaterstralen zoals in autowasserettes kunnen zo krachtig zijn dat de onderdelen van uw motorfiets worden beschadigd. Hierdoor kan roest, corrosie en verhoogde slijtage worden veroorzaakt. Ook speciale onderdelenreinigers kunnen schadelijk zijn voor delen van de motorfiets.
Gebruik geen water onder hoge druk voor het schoonmaken van uw motorfiets. Gebruik geen onderdelenreiniger op het gasklephuis en de brandstofinspuitingssensors.
LET OP
Gebruik van een reinigingsmiddel op alkali- of zuurbasis, of gebruik van benzine, remvloeistof of een ander oplos-middel kan de onderdelen van de motorfiets beschadigen.
Zorg ervoor na het wassen van de motorfiets alle schoonmaakmiddel met een ruime hoeveelheid water weg te spoelen.
KUNSTSTOF ONDERDELEN
Kunststof onderdelen zoals de koplamplens en het snelheidsmeterdisplay kunnen gemakkelijk worden beschadigd. Wanneer een dergelijk onderdeel wordt gereinigd, wast u het met water na het te hebben gereinigd met een neutraal reinigingsmiddel of een sopje en veegt u het af met een zachte doek.
LET OP
Vreemde stoffen kunnen plastic onderdelen zoals de koplamplens en snel-heidsmeterdisplay bekrassen of beschadigen.
Zorg dat de volgende stoffen niet op de bovengenoemde plastic onderdelen terechtkomen;
- Wasverbinding
- Chemische producten zoals oliefilmverwijderaar of afstotende middelen
- Zuur of alkalisch reinigingsmiddel
- Remvloeistof, benzine, alcohol of organisch oplosmiddel, enz.
DE MOTORFIETS IN DE WAS ZETTEN
Nadat u de motorfiets hebt gewassen, is het raadzaam om deze, ter bescherming en verfraaiing van de lak, in de was te zetten en te polijsten.
- Gebruik alleen waxen en poetsmiddelen van goede kwaliteit.
- Als u was- en poetsmiddelen gebruikt, volg dan altijd de aanwijzingen van de fabrikant op.
SPECIALE VERZORGING VOOR MATTE LAK
Gebruik geen polijstcompounds of een was die polijstcompounds bevat op oppervlakken met een matte lak. Hierdoor zal het uiterlijk van de matte afwerking veranderen.
Vaste waxen zijn mogelijk moeilijk te verwijderen van oppervlakken met een matte lak.
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en verfbeschermingsproducten die speciaal zijn ontworpen voor matte lakoppervlakken.
De wrijvingskrachten tijdens het rijden en veel wrijven of polijsten van een oppervlak met een matte lak kunnen het voorkomen van de lak veranderen.
CONTROLE NA HET SCHOONMAKEN
OMSCHRIJVING
Breng vet aan na het drogen van de motorfiets. Om de levensduur van uw motorfiets te verlengen, moet u hem smeren volgens de paragraaf "SMERINGSPUNTEN".
Volg de procedures in de paragraaf "INSPECTIE VOORDAT U RIJDT" om uw motorfiets te controleren op eventuele problemen ontstaan tijdens uw laatste rit.

WAARSCHUWING
Gebruik van de motorfiets met natte remmen is gevaarlijk. Natte remmen hebben minder remvermogen dan droge remmen. Dit zou kunnen leiden tot een ongeluk.
Test uw remmen na het wassen van de motorfiets, terwijl u langzaam en op een veilige locatie rijdt. Bedien de remmen indien nodig een paar maal zodat de remvoeringen door de wrijvingswarmte kunnen opdrogen.
INFORMATIE VOOR DE GEBRUIKER
KATALYSATOR 6-2
GEGEVENSINFORMATIE BOORDCOMPUTER MOTORFIETS 6-4
PLAATS VAN DE SERIENUMMERS 6-6
INFORMATIE VOOR DE GEBRUIKER
KATALYSATOR
OMSCHRIJVING
De knaldemper van deze motorfiets bevat een katalysator. Deze katalysator werkt om de hoeveelheid giftige stoffen in uitlaatgassen te verminderen.
Onjuiste afstelling of foutief gebruik kan onvolledige verbranding (stoken) veroorzaken, waardoor de temperatuur van de katalysator naar extreme niveaus kan stijgen. Wees voorzichtig, omdat dit de katalysator of andere gerelateerde onderdelen kan beschadigen.
Hoewel de katalysator geen speciale inspecties of onderhoud vereist, moet u de voorgeschreven motorinspecties en het onderhoud uitvoeren.
LET OP
Bij foutief gebruik van de motorfiets kunnen de katalysator of andere onderdelen van de motorfiets beschadigd raken.
Om beschadiging van de katalysator of andere gerelateerde onderdelen te voorkomen, moet u de volgende voorzorgsmaatregelen nemen:
- Terwijl de motorfiets in beweging is, mag u het contactslot of de motorstopschakelaar niet bedienen, en de motor niet uitschakelen, tenzij het een noodgeval is.
-
Probeer de motor niet te starten door de motorfiets te duwen of door deze een heuvel te laten afrollen.
-
Start de motor niet met de bougie-kabel verwijderd tijdens diagnostische tests.
- Laat de motor niet onnodig of lang-durig stationair draaien.
- Verbruik niet alle benzine in de brandstoftank.
- Als de motorprestaties achteruitgaan of slecht zijn, laat uw motorfiets dan nakijken bij een Suzuki-dealer.
GEGEVENSINFORMATIE BOORDCOMPUTER MOTORFIETS
OMSCHRIJVING
Uw motorfiets is uitgerust met ingebouwde computersystemen die verschillende aspecten van de motorfietsprestaties bewaken en regelen, waaronder het volgende:
GEGEVENSTYPEN
- Staat van de motor, zoals motortoerental.
- Werkingsstatus, zoals gaspedaal, remmen.
- Informatie met betrekking tot allerlei soorten systeemfouten.
OPMERKING:
- Geregistreerde gegevens verschillen afhankelijk van het type motorfiets.
- Spraakgegevens worden niet opgenomen.
- Afhankelijk van de gebruiksomstandigheden worden in sommige gevallen mogelijk geen gegevens vastgelegd.
BEKENDMAKING VAN GEGEVENS
Suzuki Motor Corporation en door Suzuki Motor Corporation gecontracteerde derden zullen door de ingebouwde computer geregistreerde gegevens verwerven en gebruiken om motorfietsstoringen te diagnosticeren, onderzoek en ontwikkeling uit te voeren en de kwaliteit te verbeteren.
Suzuki Motor Corporation en door Suzuki Motor Corporation gecontracteerde derden zullen de verkregen informatie niet aan derden bekendmaken of verstrekken, behalve in de volgende gevallen.
- Wanneer de gebruiker van de motorfiets hiermee heeft ingestemd.
- Wanneer dit is vereist of mogelijk op basis van wetten en verordeningen, een gerechtelijk bevel of andere rechtskracht.
- Bij het verstrekken van gegevens die zijn verwerkt zodat gebruikers en motorfietsen niet kunnen worden geïdentificeerd, voor gebruik door onderzoeksinstituten, enz., bij statistische verwerking, enz.
PLAATS VAN DE SERIENUMMERS
OMSCHRIJVING
Noteer het frame- en motorserienummer op de volgende pagina voor gebruik in procedures zoals het maken van voertuigregistratiedocumenten. Deze nummers komen ook van pas wanneer uw dealer onderdelen voor u bestelt.

Het framenummer ① is op het achterframe geslagen, zoals aangegeven in de afbeelding.
Noteer het framenummer hier zodat u het later gemakkelijk kunt terugvinden.
Framenummer:
MOTORSERIENUMMER
Het motorserienummer ② is op het motor-carter geslagen.
Noteer het motorserienummer hieronder zodat u het in de toekomst snel kunt terugvinden.
Motorserienummer:

TECHNISCHE GEGEVENS
Totale lengte.... 1825 mm 1885 – 2025 mm (met optie)
Totale breedte 690 mm Totale hoogte 1160 mm 1255 mm (met optie)
Wielbasis 1265 mm Leeggewicht 105 kg
MOTOR
Type ...... Viertaktmotor, luchtgekoeld, OHC
Aantal cilinders .... 1
Boring 52,5 mm
Slag 57,4 mm
Cilinderinhoud 124 cm 3
Compressieverhouding 10,3:1
Brandstofsysteem...... Brandstofinspuiting
Luchtfilterelement ...... Papierelement
Startsysteem ...... Elektrisch en kickstarter
Smeersysteem Wet-sump
AANDRIJFLIJN
Koppeling .... Droge schoen, automatisch, centrifugaal type
Schakelpatroon ...... Automatisch
Reductie Variabel (2,645 - 0,801)
Eindreductie 8,552 (42/17 × 45/13)
Aandrijfsysteem V-riemaandrijving
FRAME
Voorvering...... Telescopisch, oliegedempt
Achtervering .... Achterbrug-type, oliegedempt
Voorrem...... Enkele schijfrem
Achterrem.... Trommelrem
Maat voorband 90/90-12 44J, tubeless
Maat achterband 90/100-10 53J, tubeless
ELEKTRISCH
Contacttype ...... Elektronisch contact (getransistoriseerd)
Bougie NGK MR7E-9
Richtingaanwijzerlamp 12V 10W × 4
Parkeerlicht .... LED
Kentekenplaatverlichting 12V 5W
Meterverlichting .... LED
Grootlichtcontrolelampje...... LED
Richtingaanwijzer-verklikkerlampje .... LED
Defectverklikkerlampje .... LED
Hoofdwaarschuwingscontrolelichtje .... LED
ECO-rijverlichting LED
INHOUDSWAARDEN
Brandstoftank 5,0 L
Motorolie, olie verversen.... 650 ml
Revisie 800 ml
Transmissieolie, olie verversen 50 ml
Revisie.... 60 ml
INDEX
A
ACCU....3-14
B
BANDEN....3-51
BOUGIE....3-20
BRANDSTOF....1-20
BRANDSTOFPEILINDICATOR....2-19
BRANDSTOFSLANG 3-40
BRANDSTOFTANK....3-12
C
CONTACTSLOT....2-21
D
DEFECTVERKLIKKERLAMPJE....2-12




