V-Strom 800 (2025) - Motorfiets SUZUKI - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis V-Strom 800 (2025) SUZUKI in PDF-formaat.
| Producttype | Motorfiets |
| Merk | Suzuki |
| Model | V-Strom 800 (2025) |
| Totale lengte (V-STROM 800DE) | 2490 mm (met opties) |
| Totale lengte (V-STROM 800) | 2380 mm (met opties) |
| Totale breedte (V-STROM 800DE) | 975 mm (met opties tot 1015 mm) |
| Totale breedte (V-STROM 800) | 905 mm (met opties tot 1015 mm) |
| Totale hoogte (V-STROM 800DE) | 1310 – 1340 mm (met opties tot 1485 mm) |
| Totale hoogte (V-STROM 800) | 1355 – 1385 mm (met opties tot 1420 mm) |
| Wielbasis (V-STROM 800DE) | 1570 mm |
| Wielbasis (V-STROM 800) | 1515 mm |
| Bodemvrijheid (V-STROM 800DE) | 220 mm |
| Bodemvrijheid (V-STROM 800) | 185 mm |
| Leeggewicht (V-STROM 800DE) | 230 kg |
| Leeggewicht (V-STROM 800) | 223 kg |
| Motortype | Viertakt, vloeistofgekoeld, 2 cilinders |
| Brandstoftankinhoud | 20,0 L |
| Transmissie | 6 versnellingen, constante mesh |
| Voorrem | Dubbele schijfrem |
| Achterrem | Enkele schijfrem |
| Voorvering (V-STROM 800DE) | Telescopisch, veerweg 220 mm |
| Voorvering (V-STROM 800) | Telescopisch, veerweg 150 mm |
| Achtervering | Swingarm, veerweg oliegedempt |
| Voorband (V-STROM 800DE) | 90/90-21M/C 54H (met binnenband) |
| Achterband (V-STROM 800DE) | 150/70R17M/C 69H (met binnenband) |
| Voorband (V-STROM 800) | 110/80R19M/C 59V (tubeless) |
| Achterband (V-STROM 800) | 150/70R17M/C 69V (tubeless) |
| Accu | 12V 28,8 kC (8 Ah) |
| Koplamp | LED |
| Instrumentenpaneel | LCD met snelheidsmeter, toerenteller, kilometerteller, dagtellers, brandstofpeil, versnellingsindicator, klok, omgevingstemperatuur |
| Veiligheidssystemen | ABS met instelbare standen, tractieregeling (G-mode, Mode 1-3), SDMS (A/B/C), Quick Shift |
| Olie-inhoud (bij verversen) | 3000 ml (zonder filter), 3500 ml (met filter) |
| Koelvloeistofinhoud | 1870 ml |
Veelgestelde vragen - V-Strom 800 (2025) SUZUKI
Gebruikersvragen over V-Strom 800 (2025) SUZUKI
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Motorfiets in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding V-Strom 800 (2025) - SUZUKI en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. V-Strom 800 (2025) van het merk SUZUKI.
GEBRUIKSAANWIJZING V-Strom 800 (2025) SUZUKI
Deze handleiding dient te worden beschouwd als een onderdeel van de motorfiets en moet bij verkoop samen met de motorfiets aan de nieuwe eigenaar worden overhandigd. De handleiding bevat belangrijke veiligheidsinformatie en instructies die zorgvuldig dienen te worden doorgelezen voordat de motorfiets in gebruik wordt genomen.
VOORWOORD
Motorrijden is een van de meest opwindende sporten, en om zeker te zijn van uw rijplezier doet u er goed aan om de informatie in deze gebruikershandleiding aandachtig door te nemen voordat u op uw motorfiets gaat rijden.
In deze handleiding worden de juiste verzorging en het onderhoud van uw motorfiets beschreven. Door deze aanwijzingen precies op te volgen, kunt u er zeker van zijn dat uw motorfiets een lang leven heeft zonder ongemakken. Uw dealer heeft ervaren technici die opgeleid zijn om uw motorfiets met de best mogelijke zorg te omringen, met de juiste gereedschappen en het juiste materiaal.
Alle informatie, afbeeldingen en specificaties die u in deze handleiding vindt, zijn volledig bijgewerkt tot het ogenblik van publicatie. Tengevolge van verbeteringen of andere veranderingen zouden er tegenstrijdigheden kunnen voorkomen tussen de informatie in deze handleiding en uw motorfiets. Suzuki behoudt zich het recht voor om te allen tijde veranderingen aan te brengen.
Deze handleiding is van toepassing op alle specificaties of op alle respectievelijke bestemmingen en geeft uitleg over al het materiaal. Het is daarom mogelijk dat uw model afwijkende kenmerken heeft dan die vermeld in deze handleiding.
SUZUKI MOTOR CORPORATION
BELANGRIJKE INFORMATIE
INFORMATIE I.V.M. DE INRIJPERIODE VAN UW MOTORFIETS
De eerste 1600 km (1000 mijlen) zijn de belangrijkste voor de levensduur van uw motorfiets. Een correct nagevolgde inrijperiode verzekert een maximale duurzaamheid en een optimale werking van uw nieuwe motorfiets. Suzuki-onderdelen zijn vervaardigd van materialen van hoge kwaliteit en deze zijn in de fabriek afgewerkt met het oog op nauwkeurig bepaalde belastingen. Een correct nagevolgde inrijperiode zorgt ervoor dat de afgewerkte oppervlakken elkaar smeren en zich harmonieus aan elkaar aanpassen.
De betrouwbare werking van uw motorfiets hangt af van de speciale zorg en het navolgen van de beperkingen tijdens de inrijperiode. Let er vooral op de motor niet te overbelasten om oververhitting van de motoronderdelen te voorkomen.
Zie het hoofdstuk HET INRIJDEN voor verdere aanbevelingen en voorschriften betreffende het inrijden.
▲ WAARSCHUWING/▲ VOORZICHTIG/ LET OP/OPMERKING
Lees deze handleiding zorgvuldig door en volg alle aanwijzingen zorgvuldig op. Om de nadruk te leggen op speciale informatie, hebben het symbool ▲ en de woorden WAARSCHUWING, VOORZICHTIG, LET OP en OPMERKING alle een speciale betekenis. Meldingen die beginnen met de volgende signaalwoorden zijn bijzonder belangrijk:

WAARSCHUWING
Geeft een potentieel gevaarlijke situatie aan die kan resulteren in ernstig of fataal letsel.

VOORZICHTIG
Geeft een potentieel gevaarlijke situatie aan die kan resulteren in licht of matig letsel.
LET OP
Geeft een potentieel gevaarlijke situatie aan die kan resulteren in beschadiging van het voertuig of het materiaal.
OPMERKING: Geeft speciale informatie aan die het onderhoud vergemakkelijkt of de instructies duidelijker maakt.

INHOUDSOPGAVE
VEILIGHEIDSINFORMATIE
BEDIENINGSORGANEN, UITRUSTING EN AFSTELLINGEN
INSPECTIE EN ONDERHOUD
STORINGZOEKEN
STALLING EN SCHOONMAKEN VAN DE MOTORFIETS
INFORMATIE VOOR DE GEBRUIKER
TECHNISCHE GEGEVENS
INDEX
VEILIGHEIDSINFORMATIE
VEILIGHEIDSRICHTLIJNEN 1-2
VOORZORGSMAATREGELEN TIJDENS HET RIJDEN 1-16
OVER DE REMMEN 1-21
RICHTLIJNEN VOOR DE BRANDSTOF 1-26
GEBRUIK VAN ACCESSOIRES EN BELADING VAN DE MOTORFIETS 1-29
WIJZIGINGEN 1-34
VEILIGHEIDSINFORMATIE
VEILIGHEIDSRICHTLIJNEN
DE MEEST ONGEVALLEN KUNNEN WORDEN VOORKOMEN
Volg de basisvoorzorgsmaatregelen beschreven in dit hoofdstuk met betrekking tot dagelijks gebruik en zorg ervoor dat u voorzichtig rijdt.
Let altijd goed op tijdens het rijden om bot-singen te voorkomen.
- Soms gebeuren er motorfietsongevallen omdat andere weggebruikers u niet opmerken. Let tijdens het rijden op het volgende.
- Houd er rekening mee dat ongevallen vaak voorkomen wanneer een auto die naar een motorfiets rijdt links voor de motorfiets draait.
-
Rijd niet in de dode hoek van andere weggebruikers.
-
Draai het stuur niet snel en rijd niet met één hand, omdat u hierdoor kunt slippen of vallen.
- Draag beschermende uitrusting, zoals een helm en handschoenen, om letsel door vallen of ongevallen tot een minimum te beperken. Voor informatie over geschikte uitrusting en kleding, zie "BESCHERMENDE KLEDING" op pagina 1-6.
-
Houd tijdens het rijden het stuur met beide handen vast en plaats uw voeten op de voetsteunen. Passagiers moeten het lichaam van de bestuurder stevig met beide handen vastpakken of de veiligheidsgordel of handgreep vasthouden, indien uitgerust, en hun voeten op de achterste voetsteunen houden.
-
Lees alle labels op de motorfiets en volg de aanwijzingen op. Zorg dat u de informatie op de labels begrijpt. Verwijder geen labels van de motorfiets.
- De accessoires die u met uw motorfiets gebruikt en de manier waarop u uw uitrusting op de fiets laadt, kunnen gevaren veroorzaken. Aerodynamica, besturen, balans en speling in bochten kunnen achteruitgaan en de ophanging en banden kunnen overbelast raken. Lees het deel "GEBRUIK VAN ACCESSOIRES EN BELADING VAN DE MOTORFIETS" op pagina 1-29.
Labels op de motorfiets
Lees alle labels op de motorfiets en volg de aanwijzingen op. Zorg dat u de informatie op de labels begrijpt. Verwijder geen labels van de motorfiets.
Het niveau van ernst van het op de motorfiets aangebrachte label wordt aangegeven door het waarschuwingssymbool ▲ en de achtergrondkleur in het bovenste gedeelte van het label ①.

WAARSCHUWING: ▲ en oranje achtergrond
Betekenis
Geeft een potentieel gevaarlijke situatie aan die bij onjuiste behandeling (niet opgevolgd) kan resulteren in ernstig of fataal letsel.
VOORZICHTIG: ▲ en gele achtergrond
Betekenis
Geeft een gevaarlijke situatie aan die bij onjuiste behandeling (niet opgevolgd) kan resulteren in licht of matig letsel.
Routinecontroles en periodieke inspec- ties
Voer routinecontroles en periodieke inspecties uit om ongevallen of pech te voorkomen.
Als de motorfiets een ongewoon geluid maakt, vreemd ruikt of vloeistof lekt, laat hem dan nakijken door een dealer. Voor informatie over routinecontroles en periodieke inspecties, zie "INSPECTIE EN ONDERHOUD" op pagina 3-2.

WAARSCHUWING
Als u met zeer hoge snelheid met de motorfiets rijdt, neemt de kans dat u de controle over de motorfiets verliest toe, wat kan resulteren in een ongeluk.
Rijd altijd met een snelheid die geschikt is voor het terrein, uw zicht, de omgevingsomstandigheden, en uw vaardigheid en ervaring.

WAARSCHUWING
Als u zelfs maar één hand of voet van de motorfiets neemt, neemt de kans dat u de controle over de motorfiets verliest toe. U zou uw balans kunnen verliezen en van de motorfiets kunnen vallen. Dit kan letsel veroorzaken of resulteren in een ongeluk.
Houd het stuur met beide handen vast en houd beide voeten op de voetsteunen van de motorfiets terwijl u rijdt.
Zowel de bestuurder als de passagier moeten zeker een helm dragen, evenals kleding en beschermende uitrusting die een hoog niveau van bescherming bieden. Raadpleeg het volgende bij het aanschaffen van deze uitrusting.
⚠ WAARSCHUWING

Om het risico op letsel te verminderen:
- Draag een helm, oogbescherming en beschermende kleding.
• Lees de gebruikershandleiding zorgvuldig door.
Helm
- Draag een helm en trek het riempje stevig aan. Kies een helm die goed op je hoofd past maar geen overmatige druk uitoefent.
- Draag een helmschild of een veiligheidsbril. Deze beschermen het gezichtsveld tegen de wind, en beschermen ook de ogen tegen insecten, stof en kleine steentjes die door voertuigen die voor u rijden worden opgeworpen.

WAARSCHUWING
Als u geen helm draagt, neemt de kans op overlijden of ernstig letsel bij een bot-sing toe. Als u een helm draagt die niet goed past of niet goed is vastgemaakt, biedt de helm wellicht niet de bescherming waarvoor deze is ontworpen.
De bestuurder en de passagier dienen een helm te dragen die goed past en goed is vastgemaakt.
(Thailand)
- Draag beschermende uitrusting en kle- ding die een hoog beschermingsniveau bieden. Draag een helder, opvallende bovenkleding met lange mouwen en een lange broek die zo min mogelijk huid blootstellen. Dit vermindert de impact op het lichaam bij onverwachte ongevallen. Loszittende, nette kleding kan ongemak- kelijk en onveilig zijn bij het motorrijden. Kies motorkleding van goede kwaliteit wanneer u motorrijdt.
- Zorg dat u handschoenen draagt. Handschoenen van wrijvingsbestendig leer zijn geschikt.
- Draag schoenen waarmee u de motorfiets makkelijk kunt bedienen en die de enkels bedekken.
- Draag waar nodig een jas en een broek voorzien van beschermingen.

WAARSCHUWING
Als de passagier een lange jas draagt, kan deze het achterlicht verdoezelen of de richtingaanwijzer bedekken. Dit is gevaarlijk omdat voertuigen die achter u rijden u mogelijk niet zien.
Passagiers kunnen indien mogelijk beter geen lange jassen dragen. Als dergelijke kledingstukken worden gedragen, moet men op het loshangende deel gaan zitten zodat deze het achterlicht of de richtingaanwijzers niet kan bedekken.
Uitrusting van een passagier
Een passagier heeft dezelfde bescherming nodig als u, inclusief een helm en de juiste kleding. De passagier mag geen lange schoenveters hebben of een losse broek dragen die verstrikt zou kunnen raken in het wiel of de ketting.
SPECIALE SITUATIES VEREISEN SPECIALE ZORG
Winderige dag
Bij het rijden in een sterke zijwind, wat mogelijk is bij de ingang van een tunnel, op een brug, of bij het passeren van of gepasseerd worden door grote vrachtwagens, kan de motorfiets worden geblazen door zijwind. Houd uw snelheid onder controle en houd het stuur stevig vast tijdens het rijden.

WAARSCHUWING
Plotselinge zijwind, zoals kan voorkomen wanneer u wordt gepasseerd door grotere voertuigen, bij de uitgang van een tunnel of tussen de heuvels, kan zo hard aankomen dat u de controle over de motorfiets verliest.
Verminder uw snelheid en houd altijd rekening met de kans op plotselinge zijwind.
Regenachtige dag, sneeuwachtige dag
- Wanneer het wegdek nat, los of ruw is, moet u voorzichtig remmen. De remafstand neemt op een regenachtige dag toe. Geverfde pijlen op de weg, putdeksels en vettige weggedeelten kunnen bijzonder glad zijn. Wees extra voorzichtig bij spoorwegovergangen en op ijzeren platen en bruggen. Als het begint te regenen, stijgt olie of vet op de weg naar het wateroppervlak. Stop langs de kant van de weg en wacht een paar minuten totdat deze laag olie is weggespoeld voordat u verder rijdt. Verminder snelheid bij enige twijfel over de staat van de weg!
- Vertraag voordat u bochten ingaat. In deze situaties is de tractie tussen uw banden en het wegdek beperkt. Vermijd remmen wanneer u in een hoek naar een zijkant leunt. Ga weer rechtop rijden voordat u remt.
OPMERKING: Nadat de motorfiets is gewassen of wanneer deze door plassen is gereden, kunnen de remmen slecht vastgrijpen. Als de remmen slecht vastgrijpen, rij dan met lage snelheid terwijl u voldoende aandacht besteedt aan de voor- en achterzijde van de motorfiets en bedien de remmen licht totdat ze stevig vastgrijpen.

WAARSCHUWING
Door overmatig remmen wanneer de tractie beperkt is, zullen uw banden slippen, waardoor u de controle over de richting kunt verliezen of u en uw motorfiets kunnen omvallen.
Rem voorzichtig wanneer de tractie beperkt is.
Ondergelopen weg
Rijd niet met uw motorfiets op ondergelopen wegen.
Als u met uw motorfiets op een overstroomde weg rijdt, controleer dan langzaam de remwerking. Vraag uw dealer na het rijden op een overstroomde weg het volgende te controleren:
- Remefficiëntie
- Natte connectoren, bedrading en water in de accubak
- Slechte smering voor lagers, enz.
- Niveau en uiterlijk van motorolie (als de olie witachtig is, zit er water in de olie en moet de olie worden ververst)
LET OP
Als u met de motorfiets op een overstroomde weg rijdt, kan de motor stoppen met draaien en kunnen elektrische onderdelen defect raken, de aan-drijfriem slippen en de motor kan beschadigd raken.
Rijd niet met uw motorfiets op ondergelopen wegen.
KEN UW GRENZEN
Rijd altijd binnen de grenzen van uw eigen vaardigheden. Door deze grenzen te kennen en altijd binnen deze grenzen te blijven kunt u ongelukken voorkomen.
Een belangrijke oorzaak van ongevallen waarbij alleen een motorfiets is betrokken (en geen auto's) is te hard door een bocht gaan. Voordat u een bocht ingaat, kiest u een geschikte lage snelheid en geschikte bochthoek.
Rijd zelfs op rechte wegen met een snelheid die geschikt is voor het verkeer, het zicht en de wegomstandigheden, uw motorfiets en uw ervaring.
Veilig motorrijden vereist dat uw mentale en fysieke vaardigheden volledig deel uitmaken van de ervaring. Probeer geen motorvoertuig te besturen, vooral een met twee wie- len, als u moe bent of onder invloed van alcohol of andere drugs. Alcohol, illegale drugs en zelfs sommige voorgeschreven en zelfzorggeneesmiddelen kunnen slaperig- heid, verlies van coördinatie, verlies van evenwicht en vooral verlies van gezond ver- stand veroorzaken. Als u moe bent of onder invloed bent van alcohol of andere drugs, RIJD DAN NIET met uw motorfiets.
Uw rijvaardigheid en uw mechanische kennis van de motorfiets vormen de basis voor veilig rijden. Wij raden u aan om eerst wat te oefenen met uw motorfiets op een plaats waar geen verkeer kan komen, totdat u volledig vertrouwd bent met uw machine en de bedieningsorganen.
RIJDEN MET EEN PASSAGIER
Deze motorfiets heeft een capaciteit van twee personen. Rijd niet met meer dan één passagier. Dit is zeer gevaarlijk.
Rijden met een passagier
Rijden met een passagier, mits dit op juiste wijze wordt gedaan, is een geweldige manier om het genot van motorrijden te delen. U zult uw rijstijl enigszins moeten aanpassen omdat het extra gewicht van een passagier de wegligging en remwerking zal beïnvloeden.
Mogelijk moet u ook de bandenspanning en ophanging aanpassen; zie voor meer informatie hierover de paragraaf Bandenspanning en belasting en de paragraaf Vering.
• BANDENSPANNING EN BELASTING: (3-72)
• VERSTELLEN VAN DE VERING: (2-135)
• BELASTINGSLIMIET: (1-31)
Voordat u gaat rijden met een passagier achterop, moet u goed bekend zijn met de bediening van de motorfiets.
Zorg ervoor dat passagiers het volgende begrijpen voordat ze met u meerijden.
- De passagier moet altijd uw taille of heu-pen vasthouden, of de veiligheidsgordel of handgreep vasthouden, indien uitge-rust.
- Vraag uw passagier om geen plotselinge bewegingen te maken. Wanneer u in een bocht naar de zijkant leunt, dient de passagier met u mee te leunen.
- De passagier moet altijd zijn of haar voeten op de voetsteunen houden, zelfs wanneer u voor een stoplicht bent gestopt. Waarschuw uw passagier om bij het op- of afstappen niet in contact te komen met de uitlaatpijp of knaldemper, om brandwonden te voorkomen.
OVER KOOLMONOXIDE
Start de motor op een goed geventileerde plaats om koolmonoxidevergiftiging te voorkomen.
Koolmonoxide, dat zich in uitlaatgas bevindt, is een kleurloos, geurloos gas en wordt dus niet gemakkelijk opgemerkt.

WAARSCHUWING
Uitlaatgassen bevatten koolmonoxide, een gevaarlijk gas dat nauwelijks waarneembaar is omdat het kleurloos en reukloos is. Het inademen van koolmonoxide kan de dood of ernstig letsel veroorzaken.
Start de motor niet binnen en laat deze niet binnen draaien of in een ruimte met weinig tot geen ventilatie.
WEES SLIM OP DE WEG
Houd u altijd aan de snelheidslimieten, lokale wetten en de basisregels van de weg. Geef een goed voorbeeld voor anderen door een beleefde houding en een verantwoorde rijstijl te tonen.
CONCLUSIE
Om ongevallen te voorkomen, is voorzichtigheid en een goede inschatting van uw omgeving vereist. Naast de toestand van het verkeer, de weg en het weer, verandert ook de staat van de motorfiets. Bovendien is de beweging van andere voertuigen moeilijk te voorspellen, dus wees altijd oplettend.
Onbeheersbare omstandigheden kunnen leiden tot een ongeval. U moet zich voorbereiden op het onverwachte door een helm en andere beschermende kleding te dragen, en door technieken voor plotseling remmen en uitwijken te leren om schade aan u en uw motorfiets te minimaliseren.
VOORZORGSMAATREGELEN TIJDENS HET RIJDEN
HET INRIJDEN
Omschrijving
De eerste 1600 km (1000 mijlen) zijn de belangrijkste voor de levensduur van uw motorfiets.
Het juiste gebruik tijdens deze inrijperiode helpt bij het verzekeren van een maximale levensduur en de beste prestaties van uw nieuwe motorfiets.
Vermijd tijdens de inrijperiode onnodig stationair draaien, plotseling versnellen of vertragen, abrupt sturen of plotseling remmen.
De volgende richtlijnen betreffen de juiste inrijprocedures.
Aanbevolen maximaal motortoerental
De onderstaande tabel toont het aanbevolen maximale motortoerental tijdens de inrijperiode.
| Eerste | 800 km(500 mijlen) | Onder 4500 omw/min |
| Tot | 1600 km(1000 mijlen) | Onder 7000 omw/min |
| Boven | 1600 km(1000 mijlen) | Onder de rode zone |
Wissel het motortoerental af
Wissel het motortoerental af tijdens de inrijperiode. Zodoende worden de onderdelen "met druk belast" (hulp bij het samenwerkingsproces) en vervolgens "ontlast" (nodig voor het afkoelen van de onderdelen). Om het aanpassingsproces mogelijk te maken, is het van belang dat de motoronderdelen belast worden tijdens de inrijperiode, maar u moet er wel op letten dat u de motor niet overbelast.
Inrijden van de nieuwe banden
Voor een optimale prestatie dient u de nieuwe banden, net zoals de motor, goed in te rijden. Voordat u probeert om de maximale prestatie te behalen, moet u het profiel van de banden inrijden door de hellingshoek bij het nemen van bochten geleidelijk te laten toenemen gedurende de eerste 160 km (100 mijlen). Vermijd snel optrekken, scherpe bochten maken en hard remmen tijdens de eerste 160 km (100 mijlen).

WAARSCHUWING
Als u de banden niet inrijdt, kan dit leiden tot slippen en verlies van controle over de motorfiets.
U dient extra voorzichtig te zijn wanneer u nieuwe banden inrijdt. Rijd de banden goed in zoals beschreven in dit gedeelte en vermijd snel optrekken, het scherp nemen van bochten en hard remmen gedurende de eerste 160 km (100 mijlen).
Eerste en belangrijkste onderhoudsbeurt
De eerste onderhoudsbeurt (onderhoudsbeurt na de inrijperiode) is de meest belangrijke onderhoudsbeurt voor uw motorfiets. Tijdens de inrijperiode hebben de afgewerkte oppervlakken elkaar ingesmeerd en zich harmonieus aan elkaar aangepast. Bij de eerste onderhoudsbeurt worden alle verstellingen gecorrigeerd, alle bevestigingsdelen worden opnieuw aangehaald en de afgewerkte olie wordt ververst. Het tijdig uitvoeren van deze onderhoudsbeurt zal garant staan voor een lange levensduur en topprestatie van uw motor.
OPMERKING: De 1000 km (600 mijlen) onderhoudsbeurt moet worden uitgevoerd volgens de richtlijnen in het hoofdstuk INSPECTIE EN ONDERHOUD in deze gebruikershandleiding. Schenk speciale aandacht aan alle VOORZICHTIG en WAARSCHUWINGsinformatie in dat hoofdstuk.
OP HEUVELS
Rijden op een helling
- Bij het beklimmen van steile hellingen kan de motorfiets langzamer gaan rijden en als het ware gaan sloffen. Op dat moment moet u in een lagere versnelling terugschakelen zodat de motor binnen zijn normale bereik kan werken. Schakel snel om te voorkomen dat de motorfiets te veel snelheid verliest.
- Bij het afrijden van een lange, steile helling kunt u door terug te schakelen afremmen met de motor. Als de normale remmen continu worden gebruikt, kunnen deze oververhit raken waardoor de remprestatie afneemt.
- Pas op dat u de motor niet te snel laat draaien bij het afdalen van een helling.
Continu gebruik van de remmen gedurende langere tijd kan leiden tot oververhitting van de remmen en hun effectiviteit verminderen, wat een ongeval kan veroorzaken.
Neem voldoende gas terug voordat u een helling nadert.
LET OP
Wanneer de motorfiets op een helling wordt gestopt en op zijn plaats wordt gehouden met behulp van de gasgreep en de koppelingshendel, kan de koppeling van de motorfiets worden beschadigd.
Gebruik de remmen om de motorfiets op een helling te stoppen.
PARKEREN
Parkeren
Om diefstal te voorkomen, moet u het stuur vergrendelen en de sleutel verwijderen wanneer u de motorfiets verlaat. Zie "CONTACT-SLOT" op pagina 2-98.
- Parkeer de motorfiets op een plaats waar deze het verkeer niet hindert.
- Parkeer niet waar dit niet is toegestaan.
- Raak de uitlaatpijp, knaldemper of de motor niet aan wanneer de motor draait of gedurende enige tijd nadat deze is gestopt.
-
Parkeer de motorfiets op een vlakke locatie en draai het stuur helemaal naar links. Parkeer de motorfiets niet met het stuur naar rechts gedraaid.
-
Parkeer de motorfiets op een locatie waar andere mensen de uitlaatpijp, de knaldemper of de motor niet kunnen aanraken.
- Wanneer het parkeren van de motorfiets op een onstabiele ondergrond zoals een helling, op grind, op een oneffen ondergrond of op een zachte ondergrond onvermijdelijk is, wees dan voorzichtig bij het hellen of verplaatsen.

WAARSCHUWING
De katalysator die in de knaldemper is geïnstalleerd, wordt zeer warm en kan brand veroorzaken als deze in de buurt van brandbaar materiaal wordt geplaatst wanneer de motorfiets wordt geparkeerd.
Controleer bij het parkeren of er geen ontvlambaar materiaal zoals droog gras, hout, papier of olie in de buurt is.

VOORZICHTIG
Hete uitlaatpijpen en knaldempers kunnen ernstige brandwonden veroorzaken. De uitlaatpijp of knaldemper blijft ook een tijd nadat u de motor hebt afgezet nog zo heet dat u zich eraan kunt verbranden.
Parkeer de motorfiets op een plaats waar voetgangers of kinderen de uitlaatpijp of knaldemper niet snel zullen aanraken.
OPMERKING:
- Wanneer de motorfiets op de zijstandaard op een niet te steile helling wordt geparkeerd, dient u te zorgen dat het voorwiel van de motorfiets heuvelopwaarts gericht staat. Dit om te voorkomen dat de motorfiets heuvelafwaarts van de zijstandaard af kan rollen. Tevens is het raadzaam om de motorfiets in de eerste versnelling te laten staan. Zet de versnelling in de vrijstand voordat u de motor start.
- Als u de motorfiets tegen diefstal hebt beveiligd met een beugelslot, kettingslot of schijfremslot, vergeet dan niet eerst het slot los te maken voordat u de motorfiets verplaatst.
BIJ HET DUWEN VAN DE MOTORFIETS
Schakel het contactslot uit wanneer u de motorfiets duwt.
OVER DE REMMEN
WAT IS ABS?
ABS is een mechanisme dat tijdens het rijden het remmen regelt om te voorkomen dat de wielen blokkeren.
Remmen wordt uitgevoerd met gebruik van de remhendel en het rempedaal op dezelfde manier als op een motorfiets zonder ABS. ABS regelt de remdruk elektronisch. Dit systeem bewaakt de rotatiesnelheid van de wielen en werkt om wielblokkering te voorkomen door de remdruk te verminderen wanneer wielblokkering wordt gedetecteerd.
Er is geen speciale remwerking vereist, aangezien het ABS continu werkt, behalve bij lage snelheden onder 8 km/h (5 mph) en wanneer de accu leeg is. De remhendel en het rempedaal trillen zachtjes wanneer het ABS wordt geactiveerd om te voorkomen dat de wielen blokkeren als de remmen worden gebruikt. Dit is geen afwijking. Blijf de remmen bedienen.
De remafstand met een ABS kan langer zijn dan die van een motorfiets zonder ABS, afhankelijk van verkeerde inschattingen, onjuiste bediening, het wegdek en de weersomstandigheden. Word niet te afhankelijk van het ABS.
Het wijzigen van de bandenmaat beïnvloedt de rotatiesnelheid van de wielen, zodat het ABS mogelijk niet correct functioneert. Zorg dat u banden met de opgegeven maat gebruikt. Zie "BANDEN" op pagina 3-68.
Bij deze motorfiets kunt u het interventieniveau van de ABS-regeling wijzigen. U kunt selecteren uit onderstaande modi.
- Rear-OFF (Achter uit) (V-STROM 800DE)
- Mode-1 (Modus-1)
- Mode-2 (Modus-2)
Voor meer informatie over het schakelen van de ABS-stand, zie "ABS-STAND" op pagina 2-63.

WAARSCHUWING
Ook bij het ABS kan het gevaarlijk zijn wanneer u de verkeerssituatie niet goed inschat. Het ABS kan niet compenseren voor slechte wegomstandigheden, een verkeerde beoordeling van de verkeers-situatie of een foutief gebruik van de remmen.
Vergeet niet dat het ABS u niet kan helpen bij een slechte beoordeling van de verkeerssituatie, verkeerde remtechnieken of de noodzaak om snelheid te minderen bij het rijden over slechte wegen of bij ongunstige weersomstandigheden. Neem de veiligheid in acht en rijd nooit sneller dan de omstandigheden toestaan.
OPMERKING: In sommige situaties kan een motorfiets met ABS een langere remweg nodig hebben om te stoppen op een losse of ongelijkmatige ondergrond dan een gelijkwaardige motorfiets zonder ABS. Bovendien geldt, net als bij een motorfiets zonder ABS, hoe gladder het oppervlak, hoe langer de remweg.
HET GEBRUIK VAN HET REMSYSTEEM
- Draai de gasgreep helemaal van u af om het gas helemaal te sluiten.
- Gebruik de voor- en achterrem gelijktijdig en in gelijke mate.
- Schakel terug wanneer de snelheid afneemt.
- Zet de versnelling in de vrijstand met de koppeling ingetrokken (ontkoppelde stand) net voordat de motorfiets volledig tot stilstand komt.

WAARSCHUWING
Onervaren rijders hebben de neiging te weinig gebruik te maken van de voorrem. Dit kan ertoe leiden dat uw remweg zeer lang wordt en kan resulteren in een ongeluk. Als u uitsluitend gebruik maakt van de voor- of achterrem, kan dit ertoe leiden dat u slipt of dat u de controle over de motorfiets verliest.
Gebruik de remmen gelijkmatig en tegelijkertijd.

WAARSCHUWING
Als u hard remt op een natte, losse, ruwe of anderszins gladde ondergrond, kan dit ertoe leiden dat de wielen slippen en dat u de controle over de motorfiets verliest.
Rem licht en voorzichtig op een gladde of onregelmatige ondergrond.

WAARSCHUWING
Plotseling remmen en plotseling terug- schakelen kan de rijstabiliteit beïnvloe- den en kan leiden tot slippen in zijwaartse richting en valpartijen.
Vermijd onnodig plotseling remmen en plotseling terugschakelen. Extreme voorzichtigheid is geboden bij het rijden op gladde of slecht onderhouden wegen wanneer de motorfiets naar de zijkant wordt gekanteld.

WAARSCHUWING
Als u een ander voertuig te dicht volgt, kan dit leiden tot een botsing. Naarmate de snelheid van een voertuig toeneemt, wordt de remweg langer.
Zorg voor een veilige stopafstand tussen uw motorfiets en het voertuig voor u.

WAARSCHUWING
Als u hard remt terwijl u een bocht neemt, kan dit ertoe leiden dat de wielen slippen en dat u de controle over de motorfiets verliest en/of dat u omvalt.
Rem voordat u de bocht aansnijdt.

WAARSCHUWING
Remmen tijdens het maken van een bocht kan gevaarlijk zijn, of uw motorfiets nu wel of niet is uitgerust met ABS. Het ABS heeft geen controle over slippen van de wielen in zijwaartse richting, wat kan optreden wanneer u hard remt tijdens het maken van een bocht. Dit kan vervolgens resulteren in verlies van de macht over het stuur.
Rem voldoende af voordat u een bocht aansnijdt en vermijd remmen, behalve zacht remmen, tijdens het maken van de bocht.
RICHTLIJNEN VOOR DE BRANDSTOF
Gebruik premium loodvrije benzine met een octaangetal van 95 of hoger (zoals door onderzoek bepaald). Het gebruik van loodvrije premium benzine verlengt de levensduur van bougies en onderdelen van het uitlaatsysteem.
(Canada, Brazilië)
Uw motorfiets vereist premium loodvrije benzine met een minimum pompoctaangetal van 90 ((R+M)/2 methode). In sommige gebieden is alleen geoxygenerde brandstof verkrijgbaar.
Gebruikte brandstof:
Capaciteit brandstoftank:
20,0 L (5,3/4,4 US/Imp. gal)
OPMERKING:
- De motor van dit model is ontworpen om premium loodvrije benzine te gebruiken.
- Als er een storing in de motor ontstaat zoals gebrek aan acceleratie of onvoldoende vermogen, kan dit veroorzaakt worden door de brandstof. Probeer in dit geval bij een ander benzinestation te gaan tanken. Als dit het probleem niet oplost, moet u contact opnemen met uw dealer.
Aanbevolen geoxygeneerde brandstof (Canada, EU, VK, Thailand, India, Brazil- lië)
Zuurstofhoudende brandstof die voldoet aan het minimale octaangehalte en aan de onderstaande vereisten mag ook gebruikt worden, zonder dat hierdoor de voorzieningen van de Beperkte garantie voor een nieuw voertuig (New Vehicle Limited Warranty) of de Garantie voor het emissieregel-systeem (Emission Control System Warranty) in gevaar worden gebracht.
OPMERKING: Geoxygenerde brandstof is brandstof die zuurstofdragende toevoegingen bevat zoals alcohol.
Benzine/ethanolmengsels
Mengsels van loodvrije benzine en ethanol (graanalcohol), ook bekend als "GASOHOL", zijn in sommige gebieden verkrijgbaar. Deze mengsels mogen ook in uw motorfiets worden gebruikt, mits ze niet meer dan 10% ethanol (Canada, EU, VK, Thailand), 20% ethanol (India), 27% ethanol (Brazilie) bevatten. Zorg dat het benzine-ethanol-mengsel een octaangetal heeft dat niet lager is dan het octaangetal aanbevolen voor benzine.
Gebruik de aanbevolen benzine die voldoet aan de volgende etiketten. (EU, VK)

OPMERKING:
- Om luchtvervuiling tegen te gaan, beveelt Suzuki aan om zuurstofhoudende brandstof te gebruiken.
- Zorg dat de geoxygenerde brandstof die u gebruikt het aanbevolen octaange-tal heeft.
- Als u niet tevreden bent met de prestaties van uw motorfiets wanneer u een geoxygeneerde brandstof gebruikt of als de motor klopt, gebruik dan brandstof van een ander merk, omdat er verschil bestaat tussen de merken.
LET OP
Gemorste benzine die alcohol bevat kan de gelakte delen van uw motorfiets aan- tasten.
Zorg ervoor dat u geen brandstof morst bij het vullen van de brandstoftank. Veeg gemorste benzine onmiddellijk op.
LET OP
Gebruik geen loodhoudende benzine.
Bij gebruik van loodhoudende benzine kan de katalysator defect raken.
GEBRUIK VAN ACCESSOIRES EN BELADING VAN DE MOTORFIETS
ACCESSOIRES
Een goede keuze maken
Het installeren van verkeerde accessoires kan een ongeluk veroorzaken. Voor veilig rijden wordt het aanbevolen gebruik te maken van originele Suzuki accessoires. Een dealer kan accessoires installeren die geschikt zijn voor uw motorfiets. Neem voor het installeren van accessoires contact op met een dealer.
Zorg er bij het bevestigen van accessoires bovendien voor dat deze binnen het draagvermogen liggen. Voor informatie over het laadvermogen, zie "BELADING" op pagina 1-31.

WAARSCHUWING
Verkeerde montage van accessoires of modificaties aan de motorfiets kunnen de hantering beïnvloeden, wat kan resulteren in een ongeluk.
- Gebruik geen ongeschikte accessoires en let op dat de gebruikte accessoires goed worden aangebracht.
- Monteer en gebruik de accessoires overeenkomstig de bijgeleverde instructies.
- Raadpleeg uw dealer als u vragen hebt.
Richtlijnen voor de montage van accessoires
- Accessoires die van invloed zijn op de windgevoeligheid zoals stroomlijnkappen, windschermen, rugsteunen, zadeltassen en reiskoffers moeten zo laag mogelijk en zo dicht mogelijk bij de motorfiets en zo dicht mogelijk bij het zwaartepunt worden gemonteerd. Zorg dat de bevestigingsbeugels en het andere bevestigingsmateriaal stevig zijn aangebracht.
- Controleer op de juiste grondspeling en de schuinte van de zit. Let er tevens op dat de accessoires de werking van de vering, stuurinrichting en andere bedie-ningsorganen niet hinderen.
- Accessoires die aan het stuur of de voorvork worden gemonteerd, kunnen een zeer nadelige invloed op de stabiliteit hebben. Door het extra gewicht zal uw motorfiets minder goed reageren op uw stuurbediening. Het extra gewicht kan ook trillingen in het voorgedeelte veroorzaken en kan zodoende leiden tot min-
der stabiliteit. Accessoires aan het stuur of de voorvork moeten zo licht mogelijk zijn en dienen beperkt te worden tot een minimum.
- Trek geen aanhangwagen of een zijspan. Deze motorfiets is niet ontworpen voor het trekken van een aanhangwagen of zijspan.
- Sommige accessoires kunnen het moeilijk maken om de juiste rijpositie te bereiken of zorgen ervoor dat de bruikbaarheid verslechtert. Controleer of u de juiste rijpositie kunt bereiken.
- Kies alleen elektronische accessoires doe de capaciteit van het elektrisch systeem van de motorfiets niet overschrijden. Zware overbelasting kan de bedrading beschadigen of het elektrische systeem zou kunnen uitvallen met een gevaarlijke situatie tot gevolg. Gebruik originele Suzuki-accessoires.
BELADING
Beladingslimiet
- Als de motorfiets wordt beladen, heeft dat invloed op de rijeigenschappen en de veiligheid van de motorfiets.
- Overschrijd nooit het MTT. (maximaal toelaatbaar totaalgewicht) van deze motorfiets. Het MTT is het totale maximumgewicht van de machine, accessoires, nuttige belastingen, de bestuurder en de passagier tezamen. Denk bij het uitkiezen van accessoires aan het gewicht van de bestuurder en ook aan het gewicht van de andere accessoires. Het extra gewicht van de accessoires kan niet alleen onveilige rijomstandigheden veroorzaken, maar kan ook een nadelige invloed hebben op de stabiliteit van het rijden.
V-STROM 800DE
bij bandenspanning (koud)
Voor: 225 kPa (2,25 kgf/cm², 33 psi)
Achter: 280 kPa (2,80 kgf/cm², 41 psi)
V-STROM 800
bij bandenspanning (koud)
Voor: 250 kPa (2,50 kgf/cm², 36 psi)
Achter: 290 kPa (2,90 kgf/cm², 42 psi)

WAARSCHUWING
Overbelading of verkeerde belading kan resulteren in verlies van de controle over de motorfiets met een ongeluk tot gevolg.
Neem alle laadlimieten en beladings- richtlijnen in deze handleiding in acht.
Richtlijnen voor de belading
Deze motorfiets kan voornamelijk kleine voorwerpen vervoeren wanneer u niet met een passagier rijdt. Volg de onderstaande richtlijnen voor de belading:
- Wanneer u bagage op het achterzadel plaatst, zet het dan stevig op zijn plaats vast met riemen, enz. Niet overbeladen met bagage.
- Verdeel de lading gelijk over de linker-en de rechterkant van de motorfiets en maak deze goed vast.
- Zorg dat het gewicht van de bagage zo laag mogelijk is en houd dit ook zo dicht mogelijk bij het midden van de motorfiets.
- Verstel indien nodig de instellingen voor de vering.
-
Bevestig geen grote of zware voorwerpen aan het stuur, de voorvork of het achterspatscherm.
-
Plaats geen bagageruimte, dozen, of andere voorwerpen die verder uitsteken dan het achterste punt van de carrosserie van de motorfiets.
- Controleer of beide banden de juiste bandenspanning hebben voor de belading van de motorfiets. Zie "BANDEN-SPANNING EN BELASTING" op pagina 3-72.
- Een verkeerde belading heeft een nadelige invloed op de balans en de stuureigenschappen van de motorfiets. Rij langzamer met bagage of met accessoires bevestigd.

WAARSCHUWING
Als de bagage een hete uitlaatpijp, knaldemper of motor raakt, kan de bagage of motorfiets vlam vatten.
Wanneer u bagage op de motorfiets plaatst, mag dit niet in aanraking komen met hete onderdelen.

WAARSCHUWIND
Plaatsen van voorwerpen in de ruimte achter de stroomlijnkap kan het sturen belemmeren en kan leiden tot verlies van de controle over de motorfiets.
Plaats geen voorwerpen in de ruimte achter de stroomlijnkap.
WIJZIGINGEN
Breng geen onjuiste wijzigingen aan.
Wijzigingen met betrekking tot de structuur of werking van deze motorfiets kunnen de manoeuvreerbaarheid beïnvloeden, het lawaai van de uitlaat verhogen of zelfs de levensduur van de motorfiets verkorten. Naast het overtreden van de wet, kunnen dergelijke wijzigingen voor anderen hinderlijk zijn.
Wijzigingen aan de motorfiets vallen niet onder de garantie.
- Deze motorfiets voldoet aan de regelgeving qua emissies. Het is uitgerust met een katalysator die uitlaatgassen reinigt. Het veranderen van de knaldemper kan ertoe leiden dat deze motorfiets niet voldoet aan de emissievoorschriften. Raadpleeg een dealer wanneer u de knaldemper vervangt.
- Knaldempers zijn gegraveerd met een "Suzuki"-teken om aan te geven dat het echte Suzuki-onderdelen zijn.
-
Stel de motor niet zelf af en verwijder geen onderdelen. Neem contact op met een dealer voor het afstemmen van de motor.
-
We raden u aan originele Suzuki-onderdelen en gespecificeerde/aanbevolen oliën en smeermiddelen voor uw motorfiets te gebruiken. Originele onderdelen worden grondig geïnspecteerd en zijn geschikt gemaakt voor Suzuki-motorfietsen.
- Houd u aan de laadlimieten bij het bevestigen van bagage of accessoires aan de motorfiets.

BEDIENINGSORGANEN, UITRUSTING EN AFSTELLINGEN
NAMEN VAN ONDERDELEN EN INDELINGSDIAGRAM (BEELDINDEX) 2-2
INSTRUMENTENPANEEL 2-26
INSTELLINGEN VAN HET RIJ-ONDERSTEUNINGSSYSTEEM 2-55
INFO-INSTELLINGEN 2-74
DISPLAY-INSTELLINGEN 2-80
CONTACTSLOT 2-98
STUURSCHAKELAARS 2-105
STARTEN VAN DE MOTOR 2-110
STANDAARDS 2-117
TANKEN 2-120
SCHAKELEN 2-123
REMHENDEL 2-132
Rond het handvat (V-STROM 800DE)

Rond het handvat (V-STROM 800DE)
① Koppelingshendel (3-55)
② Schakelaars op linker handvat (2-14)
③ USB-aansluiting (2-149)
④ Instrumentenpaneel (2-26)
⑤ Contactslot (2-98)
⑥ Remvloeistofreservoir voor de voorrem (3-57)
⑦ Schakelaars op rechter handvat (2-14)
⑧ Gasgreep
⑨ Remhendel (2-132)
⑩ Dop van brandstoftank (2-120)
Linker zijanzicht (V-STROM 800DE)

Linker zijanzicht (V-STROM 800DE)
⑪ Luchtfilter (3-21)
⑫ Accu (3-16)
⑬ Zekering (3-100)
⑭ Gereedschap (3-13)
⑮ Achterste bagagedrager (2-151)
⑯ Koelvloeistofreservoir (3-42)
⑰ Zadelslot (2-134)
⑱ Versnellingshendel (2-123) (3-67)
⑲ Voetsteunen
⑳ Zijstandaard (2-117)
②1 Afvoerplug van luchtfilter (3-27)
②2 Aandrijfketting (3-49)
②3 Passagiersvoetsteunen
⑳ Middenstandaard (Brazilië) (2-119)
Rechter zijtaanzicht (V-STROM 800DE)

Rechter zijaanzicht (V-STROM 800DE)
②5 Remvloeistofreservoir voor de achterrem (3-57)
②6 Windscherm (2-148)
⑳ Schakelaar voor het achterremlicht (3-65)
⑳ Achterrempedaal (2-133 / 3-64)
⑲ Kijkglas voor motoroliepeil (3-32)
③0 Motorlievuldop (3-34)
③1 Motorolie-aftapplug (3-36)
③2 Motoroliefilter (3-36)
Rond het handvat (V-STROM 800)

Rond het handvat (V-STROM 800)
① Koppelingshendel (3-55)
② Schakelaars op linker handvat (2-14)
③ USB-aansluiting (2-149)
④ Instrumentenpaneel (2-26)
⑤ Contactslot (2-98)
⑥ Remvloeistofreservoir voor de voorrem (3-57)
⑦ Schakelaars op rechter handvat (2-14)
⑧ Gasgreep
⑨ Remhendel (2-132)
⑩ Dop van brandstoftank (2-120)
Linker zijaanzicht (V-STROM 800)

Linker zijanzicht (V-STROM 800)
⑪ Luchtfilter (3-21)
⑫ Accu (3-16)
⑬ Zekering (3-100)
⑭ Gereedschap (3-13)
⑮ Achterste bagagedrager (2-151)
⑯ Koelvloeistofreservoir (3-42)
⑰ Zadelslot (2-134)
⑱ Versnellingshendel (2-123) (3-67)
⑲ Voetsteunen
⑳ Zijstandaard (2-117)
②1 Afvoerplug van luchtfilter (3-27)
②2 Aandrijfketting (3-49)
②3 Passagiersvoetsteunen
⑳ Middenstandaard (Brazilië) (2-119)
Rechter zijanzicht (V-STROM 800)

Rechter zijaanzicht (V-STROM 800)
②5 Remvloeistofreservoir voor de achterrem (3-57)
②6 Windscherm (2-148)
⑳ Schakelaar voor het achterremlicht (3-65)
⑳ Achterrempedaal (2-133 / 3-64)
⑲ Kijkglas voor motoroliepeil (3-32)
③0 Motorlievuldop (3-34)
③1 Motorolie-aftapplug (3-36)
③2 Motoroliefilter (3-36)
STUURSCHAKELAARS

LINKER HANDVAT

① Schakelaar dimmer/knipperlicht koplamp (2-105)
② KEUZESCHAKELAAR
③ MODE-schakelaar
④ Richtingaanwijzerschakelaar (2-107)
⑤ Horn-schakelaar (2-106)
RECHTER HANDVAT
⑥ Motorstopschakelaar (2-108)
⑦ Elektrische startschakelaar (2-109)
⑧ Alarmknipperlichtschakelaar (2-109)
① ABS-verklikkerlampje (2-34)
② Koelvloeistoftemperatuurwaarschuwingslampje (2-38)
③ Richtingaanwijzerverklikkerlampje (2-27)
④ Tractieregeling-verklikkerlampje (2-36)
⑤ Oliedrukverklikkerlampje (2-37)
⑥ Elektrisch laadverklikkerlampje (2-40)
⑦ Defectverklikkerlampje (2-28)
⑧ Grootlicht-verklikkerlampje (2-27)
⑨ Hoofdwaarschuwingscontrolelichtje (2-30)
⑩ Vrijstand-verklikkerlampje (2-27)
⑪ LCD(2-18)
⑫ Fotosensor (2-41)
LCD


2 seconden indrukken
Houd de KEUZESCHAKELAAR ▲ ⑲ ongeveer 2 seconden ingedrukt om over te schakelen naar de MENU-weergave.
① Achterste ABS OFF-indicator (V-STROM 800DE) (2-63)
② Toerenteller (2-42)
③ Rode zone (2-42)
④ Snelheidsmeter (2-42)
⑤ Hoofdwaarschuwingscontrolelichtje (2-30)
⑥ Onderhoudsherinneringindicator (2-52)
⑦ Klok (2-43)
⑧ Tractieregelsysteemindicator (2-55)
⑨ Suzuki rijstand-keuzeknopindicator (SDMS) (2-60) ... Behalve voor 35 kW model
⑩ ABS-standindicator (2-63)
⑪ Quick Shift-indicator (2-71)
⑫ Motortoerentalindicator (2-66)
⑬ Versnellingsstandindicator (2-44)
⑭ Brandstofpeilindicator (2-44)
⑮ Informatievenster (2-46)
⑯ Koelvloeistoftemperatuurlampje (2-39)
⑰ Omgevingstemperatuurindicator (2-53)
⑱ Vriesweer-indicator (2-54)

Druk op de MODE-schakelaar ④ om de display-aanduiding te wijzigen.
De RIDE-weergave bevat de volgende onderdelen van ① tot ③.
① TC (2-55)
- Selecteer de instelling van het tractieregelsysteem. (G-mode* (G-modus) / OFF (Uit) / Mode-1 (Modus-1) / Mode-2 (Modus-2) / Mode-3 (Modus-3))
② SDMS (2-60) ... Behalve voor 35 kW model
- Selecteer de instelling van de Suzuki rijstand-keuzeknop (SDMS). (A-mode(A-modus) / B-mode(B-modus) / C-mode(C-modus))
③ ABS (2-63)
- Selecteer de instelling van de ABS-stand. (Rear-OFF* (Achter uit) / Mode-1 (Modus-1) / Mode-2 (Modus-2))
* : Alleen V-STROM 800DE

Houd de MODE-schakelaar ⑲ ongeveer 2 seconden ingedrukt om terug te keren naar de RIDE-weergave.
① Achterste ABS OFF-indicator (V-STROM 800DE) (2-63)
② Toerenteller (2-42)
③ Rode zone (2-42)
④ Snelheidsmeter (2-42)
⑤ Hoofdwaarschuwingscontrolelichtje (2-30)
⑥ Onderhoudsherinneringindicator (2-52)
⑦ Klok (2-43)
⑪ Quick Shift-indicator (2-71)
⑫ Motortoerentalindicator (2-66)
⑬ Versnellingsstandindicator (2-44)
⑭ Brandstofpeilindicator (2-44)
⑮ Informatievenster (2-46)
⑰ Omgevingstemperatuurindicator (2-53)
⑱ Vriesweer-indicator (2-54)
OPMERKING:
- Wanneer de snelheid van de motorfiets minder is dan 10 km/h, is het mogelijk over te schakelen naar de MENU-weergave.
-
Na overschakelen naar de MENU-weergave, keert het display in de volgende gevallen terug naar de RIDE-weergave.
-
Wanneer "CLOSE" (sluiten) wordt geselecteerd
- Wanneer de snelheid van de motorfiets 10 km/h of hoger is
- Wanneer de MODE-schakelaar wordt ingedrukt en vastgehouden

De MENU-weergave bevat de volgende onderdelen van ① tot ③.
① RIDE (rijden)
- RPM SET (rpm instellen) (2-66) Voor het instellen van de motortoerentalverklikker.
- QS SET (QS instellen) (2-71) Voor instellen van de Quick Shift. (ON/OFF)
② INFO
- WARNING LIST (waarschuwingslijst) (2-74) U kunt informatie over een defect of een storing controleren.
- NEXT SERVICE (volgend onderhoud) (2-76) U kunt de instellingen voor onderhoudsherinneringen controleren.
- BRIGHTNESS (helderheid) (2-80) Voor het instellen van de helderheid van het LCD-scherm.
- DAY / NIGHT (dag/nacht) (2-83) Instelling van de achtergrondkleur van het LCD-display.
- UNIT (eenheid) (2-85) Voor het instellen van de eenheid.
- DATE / TIME (datum/tijd) (2-89) Voor het instellen van de datum en tijd.
- DEFAULT SET (standaardinstellingen) (2-95) MENU-instellingen op hun standaard-waarden instellen.
- SYSTEM INFO (systeeminfo) (2-97) Controleer de informatie van elk systeem.
INSTRUMENTENPANEEL

WAARSCHUWING
Het bedienen van de schakelaars om van display te veranderen tijdens het rijden dient te gebeuren binnen de grenzen van wat de verkeersomstandigheden toelaten. Het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder om veilig te rijden.
Let goed op de verkeerssituatie wanneer u het display bedient.

WAARSCHUWING
Bij bediening van het display kan verkeerde bediening van de stuurschakelaar een ongeluk veroorzaken.
Zorg ervoor bij bediening van het display dat alvorens te gaan rijden de modus is overgeschakeld en dat de waarden zijn ingesteld zoals bedoeld.
EERSTE METERDISPLAY
Wanneer u het contactslot op "ON" (aan) zet, voert het LCD (Liquid Crystal Display) ① de openingshandeling uit.
- De volgende lampjes gaan 3 seconden branden.
- Richtingaanwijzer-verklikkerlampje ②
- Koelvloeistoftemperatuurwaarschu- wingslampje ③
- Elektrisch laadverklikkerlampje ⑤
- Defectverklikkerlampje ⑥
- Vrijstand-verklikkerlampje ⑨
- Hoofdwaarschuwingscontrolelichtje ⑩
- Grootlicht-verklikkerlampje ⑪
- De volgende lampjes gaan branden.
- ABS-verklikkerlampje ④
- Tractieregeling-verklikkerlampje ⑦
- Oliedrukverklikkerlampje ⑧
OPMERKING: Zie de uitleg bij de betreffende lampjes in dit hoofdstuk voor de uitschakelingstoestand.
![graph TD A["①"] --> B["②"] B --> C["③"] C --> D["④"] D --> E["⑤"] E --> F["⑥"] F --> G["⑦"] G --> H["⑧"] H --> I["⑨"] I --> J["⑩"] J --> K["⑪"]](/content/2026/06/1164944/images/0e7617a32f63f1cb9bc11512bb974e0df542dc9ba860e77d0761593178dd57d2.jpg)
RICHTINGAANWIJZER-VERKLIKKER-LAMPJE “←→”
Als u de richtingaanwijzerschakelaar rechts of links gebruikt, gaat het richtingaanwijzerverklikkerlampje knipperen.
OPMERKING: Als een richtingaanwijzer niet goed werkt als gevolg van een defect circuit, zal het controlelichtje sneller knipperen om de berijder erop attent te maken dat er een storing is.
VRIJSTAND-VERKLIKKERLAMPJE "N"
Het groene lampje gaat branden wanneer de versnelling in de vrijstand wordt gezet. Het lampje gaat uit wanneer in een andere versnelling dan de vrijstand wordt geschakeld.
GROOTLICHT-VERKLIKKERLAMPJE
“≡D”
Dit blauwe controlelichtje gaat branden wanneer het grootlicht wordt ingeschakeld.
DEFECTVERKLIKKERLAMPJE "
Wanneer het contactslot wordt ingeschakeld, gaat het defectverklikkerlampje 3 seconden branden ter controle van het lampje en gaat vervolgens uit.
• (EU, VK, India)
Wanneer er een storing optreedt in de emissiestuurinrichting of elektrische motorinrichting of wanneer er wordt gedetecteerd dat de motor overslaat, zal het storingslampje gaan branden of knipperen.
Als het defectverklikkerlampje gaat branden of knipperen, verschijnt "FI" gelijktijdig op het meterdisplay.
• (Behalve voor EU, VK, India)
Wanneer er een storing optreedt in een emissiestuurinrichting of elektrische motorinrichting, gaat het storingslampje branden.
Als het defectverklikkerlampje gaat branden, verschijnt "FI" gelijktijdig op het meterdisplay.
Voor meer informatie, zie "POP-UPVEN-STER" op pagina 2-31.
LET OP
De motor laten draaien terwijl het storingscontrolelichtje brandt of knippert kan de emissierichting of het rijgedrag beïnvloeden.
Als het lampje knippert terwijl de motor draait, stop de motorfiets dan onmiddelijk op een veilige plaats om schade aan de katalysator te voorkomen. (EU, VK, India)
Als u in deze situatie op de motorfiets rijdt, rijd dan op lage snelheid zonder de gashendel grotendeels te openen en laat uw motorfiets dan onmiddellijk door uw dealer inspecteren.
OPMERKING: Neem onmiddellijk contact op met uw dealer als het defectverklikker-lampje brandt of knippert.
HOOFDWAARSCHUWINGSCONTROLE-LICHTJE “ ”
Wanneer het contactslot wordt ingeschakeld, gaat het hoofdwaarschuwingscontrolelichtje 3 seconden branden ter controle van het lampje en gaat vervolgens uit.
Wanneer er een probleem optreedt met betrekking tot het volgende, gaat het hoofdwaarschuwingscontrolelichtje branden:
- Motorgerelateerd defect
• ABS gerelateerd defect - Motorfiets valt om
• Defect stuurschakelaars
Voor meer informatie, zie "POP-UPVEN-STER" op pagina 2-31
OPMERKING: Neem onmiddellijk contact op met uw dealer als het hoofdwaarschuwingscontrolelichtje brandt of knippert.
Wanneer er een probleem optreedt met betrekking tot het volgende, gaat het hoofdwaarschuwingslampje branden:
- Storing in datacommunicatie
- Sleutelgerelateerd defect
- Motorgerelateerd defect
- Motorfiets valt om
- Defect stuurschakelaars
Voor meer informatie, zie "POP-UPVEN-STER" op pagina 2-31.
OPMERKING: Neem onmiddellijk contact op met uw dealer als het hoofdwaarschu-wingslampje brandt of knippert.
POP-UPVENSTER
Op basis van de gedetecteerde informatie verschijnt er een pop-upvenster aan de rechterkant van het display.
③ Startonderbreker niet goedgekeurd (Model met startblokkering)

④ Motorgerelateerde storing gedetecteerd

⑤ Motorfiets is omgevallen

⑥ Stuurschakelaar werkt niet

⑦ Onderhoudsherinnering alarm openen

⑧ Onderhoudsherinnering vooraankondi- ging openen

⑨ Omgevingstemperatuur verlaagd OPMERKING:

- Het is mogelijk dat de pop-upweergave-functie niet werkt, afhankelijk van de rijomgeving (hoogte, temperatuur, enz.).
- Gebruik "WARNING LIST" (waarschuwingslijst) om pop-upfouten te bekijken. Voor meer informatie, zie "WARNING LIST (waarschuwingslijst)" op pagina 2-74.
- Dit lampje gaat gewoonlijk branden wanneer het contactslot wordt ingeschakeld en gaat uit wanneer de rijsnelheid hoger dan 10 km/h (6 mph) wordt.
- Als er een probleem is met het ABS (antiblokkeersysteem), gaat het lampje branden. Het ABS werkt niet wanneer het ABS-verklikkerlampje brandt.

WAARSCHUWING
Het ABS werkt niet wanneer het ABS-verklikkerlampje brandt. Plotseling en te krachtig remmen wanneer het ABS-verklikkerlampje brandt, kan de wielen blokkeren, wat kan leiden tot verlies van controle.
Laat uw motorfiets meteen door een dealer nakijken.

WAARSCHUWING
Rijden met de motorfiets terwijl het ABS-verklikkerlampje brandt, kan gevaarlijk zijn.
Als het ABS-verklikkerlampje knippert of gaat branden tijdens het rijden, parkeert u de motorfiets op een veilige plaats en zet u het contactslot uit. Wacht een paar minuten, zet het contactslot op "ON" en controleer of het controlelichtje gaat branden.
- Als het verklikkerlampje uitgaat nadat u weer bent gaan rijden, is het ABS in orde.
- Als het verklikkerlampje niet uitgaat nadat u op de motorfiets begint te rijden, is ofwel de werking van het ABS beperkt, ofwel werkt het ABS helemaal niet. Laat het systeem in dit geval zo spoedig mogelijk door een dealer nakijken.
OPMERKING:
- Het ABS-verklikkerlampje gaat soms uit wanneer u de motor met hoog toerental laat draaien voordat u gaat rijden. Als het ABS-verklikkerlampje uitgaat nadat de motor is gestart maar voordat u gaat rijden, moet u de werking van het ABS-verklikkerlampje controleren door het contactslot op "OFF" (uit) en dan weer op "ON" (aan) te zetten. Als het ABS-verklikkerlampje niet gaat branden wanneer het contactslot wordt aangezet, moet u het systeem zo spoedig mogelijk door een dealer laten nakijken.
- In de onderstaande situaties kan het ABS-verklikkerlampje, dat eerst was uitgeschakeld, tijdelijk weer gaan branden. Als het lampje is uitgegaan nadat de snelheid meer dan 10 km/h (6 mph) heeft overschreden, dan is er geen sprake van een storing.
- Wanneer de accuspanning gedaald is
- Wanneer de motor weer gestart is na een keer gestopt te zijn door de motor-stopschakelaar, enz.
OPMERKING: (Brazilië)
- Wanneer de motorfiets op een middenbok wordt geplaatst terwijl de motor loopt, nadat er op de motorfiets is gere-den en met de motor is geracet, kan het ABS-verklikkerlampje gaan branden. Controleer in dat geval of het ABS-verk- likkerlampje gaat branden door het contactslot op "OFF" (uit) en dan op "ON" (aan) te zetten. Controleer daarna of het ABS-controlelichtje uitgaat nadat de motorsnelheid hoger is dan 10 km/h (6 mph). Als het ABS-verklikkerlampje niet uitgaat, moet u het systeem zo snel mogelijk door een dealer laten controle-ren.
TRACTIEREGELING-VERKLIKKER-LAMPJE "TC"
De werking van het tractieregeling-verklikkerlampje (TC) verschilt afhankelijk van de motorfietsinstellingen. Voor meer informatie, zie "TRACTIEREGELSYSTEEM" op pagina 2-55.
Het tractieregeling-verklikkerlampje:
- Gaat branden wanneer het contactslot wordt ingeschakeld en gaat uit wanneer de snelheid ongeveer 10 km/h (6 mph) bereikt en het tractieregelingssysteem werkt.
- Knippert wanneer het tractieregelingssysteem werkt.
- Brandt constant wanneer het tractieregelingsysteem op OFF (uit) staat.
Als het tractieregeling-verklikkerlampje (TC) gaat branden op een ander moment dan wanneer het contactslot aangezet wordt, parkeer de motorfiets dan op een veilige plek en zet het contactslot op "OFF" (uit). Wacht een tijdje, start de motor en controleer dan of het tractieregeling-verklikkerlampje "TC" en het storingslampje gaan branden wanneer de motorfiets 10 km/h (6 mph) of sneller rijdt.
- De motorfiets werkt correct als het trac-tieregeling-verklikkerlampje (TC) uitgaat wanneer de motorfiets 10 km/h (6 mph) of sneller rijdt.
- De motorfiets werkt niet correct als het tractieregeling-verklikkerlampje (TC) niet uitgaat wanneer de motorfiets 10 km/h (6 mph) of sneller rijdt. Neem contact op met uw dealer als het lampje niet uitgaat.

WAARSCHUWING
Wanneer het tractieregelingssysteem niet werkt, gaan het tractieregeling-verklikkerlampje (TC) en het storingslampje gelijktijdig branden. Het tractieregelings-systeem werkt niet onder deze omstandigheden.
Wanneer deze lampjes gelijktijdig gaan branden, zet u het tractieregelingssysteem op UIT en raadpleegt u uw dealer.
OLIEDRUKVERKLIKKERLAMPJE "☐"
Wanneer het contactslot wordt ingeschakeld, gaat het oliedrukverklikkerlampje branden.
Normaal gesproken gaat het oliedrukverklikkerlampje uit nadat de motor is gestart.
LET OP
Als u na het starten van de motor de gas-greep opendraait of met de motorfiets rijdt terwijl het oliedrukverklikkerlampje brandt, kan dit een nadelige invloed heb-ben op de motor.
Zorg dat het oliedrukverklikkerlampje uit is voordat u de gasgreep bedient of met de motorfiets rijdt.
LET OP
Als u met de motorfiets rijdt of de motor laat draaien terwijl het oliedrukverklikkerlampje brandt, kan de motor beschadigd worden.
Wanneer het oliedrukverklikkerlampje oplicht, duidt dit op een lage oliedruk en moet u de motor onmiddellijk afzetten. Controleer het oliepeil en vul indien nodig olie bij. Als er voldoende olie is, maar het lampje nog niet dooft, breng de motorfiets dan naar een dealer om de motorfiets te laten nakijken.
Wanneer het contactslot wordt aangezet, gaat het verklikkerlampje ongeveer 3 seconden branden om het lampje te controleren. Het verklikkerlampje gaat branden als de temperatuur van de koelvloeistof de voorgeschreven waarde overschrijdt. Als het koelvloeistoftemperatuurwaarschuwingslampje gaat branden tijdens het rijden of stationair draaien van de motorfiets, zet de motorfiets dan op een veilige plaats en schakel de motor uit. Laat de motor afkoelen voordat u de hoeveelheid koelvloeistof controleert.
Voor meer informatie, zie "IN GEVAL VAN OVERVERHITTING (KOELVLOEISTOF-TEMPERATUURWAARSCHUWINGS-LAMPJE GAAT BRANDEN)" op pagina 4-4.
OPMERKING: Het koelvloeistotemperatuurwaarschuwingslampje kan gaan branden wanneer u gedurende langere tijd bij hoge temperatuur stationair draait.
LET OP
Rijden op de motorfiets terwijl deze oververhit is, kan leiden tot motor-schade.
Als het koelvloeistoftemperatuurwaarschuwingslampje gaat branden, moet u de motor onmiddellijk afzetten en laten afkoelen. Start de motor niet voordat het koelvloeistoftemperatuurwaarschuwingslampje is gedoofd.
KOELVLOEISTOFTEMPERATUURLAMPJE
De temperatuurindicator ① geeft de temperatuur van de koelvloeistof aan in het bereik van 20 °C (68 °F) tot 124 °C (255 °F). Het display is zoals hieronder, wanneer de temperatuur buiten het bereik van 20 °C (68 °F) tot 124 °C (255 °F) ligt.
- Wanneer de temperatuur lager is dan 20 °C (68 °F): “____”
- Wanneer de temperatuur 125 °C (257 °F) of hoger is: "Hi" (hoog) (knip-pert)

Hoewel de temperatuur op het display vrij grote veranderingen kan vertonen, is dit geen abnormaliteit. Aangezien er een kans op oververhitting bestaat als het display meer dan 120 °C (248 °F) is, zie "IN GEVAL VAN OVERVERHITTING (KOELVLOEI-STOFTEMPERATUURWAARSCHU-WINGSLAMPJE GAAT BRANDEN)" op pagina 4-4.
ELEKTRISCH LAADVERKLIKKER-LAMPJE "
Het elektrisch laadverklikkerlampje gaat branden als er een storing optreedt in het oplaadsysteem voor de accu.
OPMERKING: Neem contact op met uw dealer als het indicatorlampje gaat branden.
FOTOSENSOR
De fotosensor detecteert de omgevingshelderheid en stelt het LCD-scherm in op optimale helderheid.
WHITE (wit) of BLACK (zwart) wordt geselecteerd in overeenstemming met de ingestelde helderheid als de achtergrondkleur is ingesteld op AUTO (automatisch).
- Om de helderheid van het LCD-scherm in te stellen, zie "BRIGHTNESS (helderheid)" op pagina 2-80.
- Om de achtergrondkleur van het LCD-scherm in te stellen, zie "DAY / NIGHT (dag/nacht)" op pagina 2-83.
OPMERKING:
- Het instrumentenpaneel is voorzien van een fotosensor die de helderheid van het TFT en de draaiknop automatisch aanpast aan de omgevingshelderheid. Als de fotosensor wordt afgedekt, werkt de automatische lichtaanpassing mogelijk niet goed.
- Als het TFT-display heet wordt, kan het scherm donker worden. Zodra de temperatuur daalt, keert het scherm terug naar de normale toestand. Als het scherm echter donker blijft, neem dan contact op met uw dealer om de motorfiets te laten inspecteren.
SNELHEIDSMETER
De snelheidsmeter geeft de rijsnelheid in kilometer per uur of in mijl per uur aan.
OPMERKING:
- U kunt schakelen tussen km/h en mph door "UNIT" (eenheid) te selecteren. (2-85)
- Kies km/h of mph overeenkomstig de gebruikte afstandseenheid.
- Controleer de aanduiding op de snel-heidsmeter nadat de eenheid is veranderd.

RIDE-weergave

MENU-weergave
TOERENTELLER
De toerenteller geeft het motortoerental in omwentelingen per minuut (omw/min) aan.
De rode zone ① geeft aan dat het motortoerental hoger is dan het toegestane motortoerental. Om de motor te beschermen, moet u zodanig rijden dat de naald niet in de rode zone komt. Let op bij het terugschakelen, want het motortoerental kan bovenmatig toenemen als bij een hoge rijsnelheid wordt teruggeschakeld.

RIDE-weergave

De klok maakt gebruik van de 12-uurs tijds-aanduiding met het AM/PM (voormiddag/namiddag) systeem.

Deze wordt ingesteld door "DATE / TIME" (datum en tijd) te selecteren. (2-89)
OPMERKING:
- De klok wordt gevoed door de accu van de motorfiets. Als u de motorfiets langer dan twee maanden niet gebruikt, raden wij u aan de accu te verwijderen zodat deze niet onnodig wordt verbruikt.
- Wanneer de accu weer wordt aangesloten, worden de datum en tijd gereset en moeten deze opnieuw worden ingesteld.
VERSNELLINGSSTANDINDICATOR
De versnellingsstandindicator geeft de ingeschakelde versnelling aan. De indicator geeft "N" aan wanneer de versnelling in de vrijstand staat.
OPMERKING:
- Wanneer "CHECK!" (controle) wordt aangegeven in het pop-upvenster, zal de versnellingsstandindicator geen nummer tonen, maar alleen “—”.
- Wanneer de versnelling onvoldoende ingeschakeld is, kan “—” verschijnen.

BRANDSTOFPEILINDICATOR "☐"
LET OP
Wanneer alle brandstof in de tank wordt verbruikt, kan de motor overslaan, waardoor de katalysator beschadigd raakt.
Vul benzine bij voordat het op is.
OPMERKING:
- De brandstofpeilindicator geeft het peil niet juist aan wanneer de motorfiets op de zijstandaard staat. Zet het contactslot in de "ON"-stand terwijl de motorfiets recht overeind wordt gehouden.
- Als het brandstofteken knippert, moet u meteen gaan tanken. Ook zal het laatste segment van de brandstofpeilindicator knipperen wanneer de brandstoftank bijna leeg is.
V-STROM 800DE
De brandstofpeilindicator geeft de resterende hoeveelheid brandstof in de brandstoftank aan.
- De brandstofpeilindicator toont alle 5 segmenten wanneer de brandstoftank vol is.
- De markering ① knippert wanneer het brandstofpeil daalt tot minder dan 5,0 L (5,3/4,4 US/lmp qt).
- De markering en het segment knipperen wanneer de brandstof daalt tot onder 2,0 L (2,1/1,8 US/lmp qt).

| Brandstoftank | Ongeveer 2,0 L | Ongeveer 5,0 L | Vol |
| Segmenten | ![]() | ![]() | ![]() |
| markering | Knippert ![]() | Knippert ![]() | ![]() |
V-STROM 800
De brandstofpeilindicator geeft de resterende hoeveelheid brandstof in de brandstoftank aan.
- De brandstofpeilindicator toont alle 5 segmenten wanneer de brandstoftank vol is.
- De markering ① knippert wanneer het brandstofpeil daalt tot minder dan 4,9 L (5,2/4,3 US/Imp qt).
- De markering en het segment knipperen wanneer de brandstof daalt tot onder 2,3 L (2,4/2,0 US/Imp qt).

| Brandstoftank | Ongeveer 2,3 L | Ongeveer 4,9 L | Vol |
| Segmenten | ![]() | ![]() | ![]() |
| markering | Knippert ![]() | Knippert ![]() | [AOX8] |
INFORMATIEVENSTER
Zet het contactslot aan om de RIDE-weergave weer te geven.

Hoe instellen

WAARSCHUWING
Concentreren op de meters en schakelaars tijdens het rijden kan tot een geval leiden.
Verander tijdens het rijden nooit het display. Wijzig of bevestig de instellingen wanneer de motorfiets is gestopt.
OPMERKING: Voor meer informatie over het omschakelen tussen km/h en mph, km/L en L/100km, MPG IMP en MPG US, zie "UNIT (eenheid)" op pagina 2-85.
Gebruik de KEUZESCHAKELAAR ① om het display te wijzigen.

De onderdelen veranderen als volgt.
① Kilometerteller/voltmeter
② Dagteller 1
③ Dagteller 1 (meter voor gemiddeld brandstofverbruik 1 (km/L, L/100km))
④ Dagteller 2
⑤ Dagteller 2 (meter voor gemiddeld brandstofverbruik 2 (km/L, L/100km))
⑥ Actieradiusmeter
/ meter voor huidig brandstofverbruik (km/L, L/100km)
![graph TD A["① ODO 010000 km"] --> B["② TRIP 1 1000.0 km"] B --> C["③ TRIP 1 Ø 20.0 km/L ⇌ L/100km"] C --> D["④ TRIP 2 1000.0 km"] D --> E["⑤ TRIP 2 Ø 20.0 km/L ⇌ L/100km"] E --> F["⑥ → 250 km 20.0 km/L"] F --> G["⑦ L/100km"]](/content/2026/06/1164944/images/b9d3988bc670c710652ebb29ceb061e05681ce5af0d370ed6d10b467bc76f7fe.jpg)
Kilometerteller
ODO 010000 km
De kilometerteller geeft de totaal afgelegde afstand van de motorfiets aan. Het bereik van de kilometerteller loopt van 0 tot 999999.
OPMERKING: Het display van de kilometer-teller vergrendelt bij 999999 wanneer de totale afstand 999999 overschrijdt.
Dagteller
TRIP 1 1000.0 km
Afstanden tot 9999,9 worden na een reset weergegeven.
- Er zijn 2 modi, TRIP 1 (dagteller 1) en TRIP 2 (dagteller 2).
- Houd de KEUZESCHAKELAAR ongeveer 2 seconden ingedrukt om het display op 0,0 te zetten. Deze resetbewerking geldt alleen voor TRIP 1 (dagteller 1) of TRIP 2 (dagteller 2), niet voor beide.
- Als u de resetbewerking uitvoert terwijl het display is ingesteld, wordt ook de bijbehorende meter voor gemiddeld brandstofverbruik gereset.
OPMERKING: Wanneer de dagteller de 9999,9 overschrijdt, begint de dagteller weer vanaf 0,0 te tellen.
Meter voor gemiddeld brandstofverbruik •

Deze meter toont het brandstofverbruik
voor de afgelegde afstand voor zowel TRIP 1 (dagteller 1) als TRIP 2 (dagteller 2). Weergaven bevinden zich in de volgende bereiken.
- km/L, MPG US, MPG IMP: 0,1 tot 99,9 - L/100 km: 2,0 tot 99,9
- Wanneer de dagteller 0,0 weergeeft, geeft de meter het gemiddelde brandstofverbruik weer als --.
OPMERKING:
- Het display toont geschatte waarden, die mogelijk niet hetzelfde als de werkelijke waarden zijn.
- Wanneer de accu opnieuw wordt aangesloten, wordt het gemiddelde brandstofverbruik mogelijk niet correct weergegeven. In dit geval zal het resetten van de dagteller de juiste waarde weergeven.
Voltmeter

12.3 v
De voltmeter geeft de accuspanning aan.
OPMERKING:
- De weergegeven waarde kan verschillen van de waarde van andere instrumenten.
- Als een spanning onder 12,0 V vaak wordt weergegeven, laat de motorfiets dan nakijken door een dealer.
Meter voor huidig brandstofverbruik
20.0 km/L
5.0 L/100km
47.0 MPG US
56.4 MPG IMP
Deze indicator geeft het huidige brandstofverbruik weer binnen de volgende bereiken tijdens het rijden op de motorfiets.
• km/L, MPG US, IMP: 0,1 – 99,9
• L/100 km: 2,0 – 99,9
OPMERKING:
- Het brandstofverbruik wordt niet geme- ten wanneer de snelheid van de motorfiets 5 km/h (3 mph) of minder is.
- Het display toont geschatte waarden, die mogelijk niet de werkelijke waarden zijn.
Actieradiusmeter

250 km
De actieradiusmeter toont de geschatte actieradius (afstand) gebaseerd op de resterende brandstof. De actieradius wordt opnieuw berekend wanneer u tankt, maar het is mogelijk dat de aanduiding niet verandert wanneer slechts een kleine hoeveelheid brandstof wordt getankt.
De actieradius wordt niet opnieuw berekend wanneer de motorfiets op de zijstandaard staat. Controleer de geschatte actieradius (afstand) nadat de zijstandaard omhoog is geklapt. Wanneer de accu wordt losgekoppeld, wordt de actieradiusmater teruggesteld. In dit geval geeft de meter “— — —” aan totdat de motorfiets weer een stuk heeft gereden.
OPMERKING:
- De geschatte actieradius (afstand) is een geschatte waarde. Het display kan verschillen van de werkelijke afgelegde afstand, dus we raden u aan vroegtijdig te tanken.
- De meter maakt geen gebruik van de waarde voor het gemiddeld brandstofverbruik om de actieradius (afstand) te berekenen en de uitkomst is wellicht niet hetzelfde als de aanduiding van de meter voor het gemiddeld brandstofverbruik.
ONDERHOUDSHERINNERINGINDICATOR "3"
Door een datum en afstand in te stellen wordt u eraan herinnerd wanneer de volgende servicebeurt moet worden uitgevoerd. Wanneer de ingestelde datum of afstand wordt bereikt, gaat de onderhoudsherinneringindicator "branden.
Voor meer informatie, zie "NEXT SERVICE (volgende onderhoud)" op pagina 2-76.
OPMERKING: Raadpleeg uw dealer voor het instellen van de juiste servicebeurtherinnering.
OMGEVINGSTEMPERATUURINDICATOR
De omgevingstemperatuurindicator geeft altijd de omgevingstemperatuur aan.
- Het temperatuurweergavebereik ligt tussen -10 °C tot 50 °C (14 °F tot 122 °F).
- De omgevingstemperatuurindicator toont “Lo” (laag) wanneer de omgevingstemperatuur lager dan -11 °C (13 °F) is.
- De omgevingstemperatuurindicator toont “HI” (hoog) wanneer de omgevingstemperatuur hoger dan 51 °C (123 °F) is.
AIR 28°C
De temperatuureenheid (°C/°F) kan worden veranderd door “UNIT” (eenheid) te selecteren. (2-85)
OPMERKING:
- Gebruik de temperatuurweergave als richtlijn. Dit display verschijnt mogelijk niet correct wanneer de motorfiets is gestopt of langzaam rijdt.
- Wanneer de motorfiets stilstaat, kan de motorwarmte de weergegeven temperatuur beïnvloeden.
Lage temperatuur
Een pop-upvenster "ICY ROAD" (ijzige weg) ① verschijnt op het instrumentenpaneel wanneer de omgevingstemperatuur onder 3°C(38°F)zakt.
De omgevingstemperatuurindicator ② en de vriesweer-indicator ③ knipperen gedurende 30 seconden. De vriesweer-indicator ③ wordt weergegeven tot de omgevingstemperatuur stijgt tot 5 °C (41 °F) of hoger.

- Gebruik de temperatuurweergave als richtlijn. Dit display verschijnt mogelijk niet correct wanneer de motorfiets is gestopt of langzaam rijdt.
- Wanneer het pop-upvenster "ICY ROAD" (ijzige weg) verschijnt, bestaat de mogelijkheid dat het wegdek bevriest. Wees daarom bijzonder voorzichtig met de toestand van het wegdek.
INSTELLINGEN VAN HET RIJ-ONDERSTEUNINGSSYSTEEM
TRACTIEREGELSYSTEEM
Wanneer het tractieregelsysteem waarneemt dat het achterwiel gaat doorslippen tijdens acceleratie, regelt het systeem automatisch het motorvermogen om de grip van het achterwiel te herstellen. Het tractierege-ling-verklikkerlampje "TC" knippert wanneer het tractieregelsysteem het motorvermogen aan het regelen is.

WAARSCHUWING
Als u een niet-voorgeschreven band of tandwiel gebruikt, is het mogelijk dat het tractieregelsysteem het motorvermogen niet nauwkeurig kan regelen.
Gebruik de voorgeschreven onderdelen voor de band of het tandwiel.

WAARSCHUWING
Te veel vertrouwen op de werking van het tractieregelsysteem kan gevaarlijk zijn.
Het tractieregelsysteem kan onder bepaalde omstandigheden doorslippen van het achterwiel niet beperken. Het systeem kan doorslippen van het achterwiel niet onder controle houden wanneer dit gebeurt als gevolg van het nemen van bochten met hoge snelheid of rijden met overmatig zijwaarts overhellen, of doorslippen als gevolg van bediening van de remmen of remmen op de motor. Rijd altijd met een geschikte snelheid overeenkomstig uw rijvaardigheid, het weer en de toestand van de weg.
Het tractieregelsysteem regelt het motorvermogen om het stationair draaien van het achterwiel te verminderen en kan op de volgende standen worden ingesteld.
Modusinstelling voor onverharde wegen.
Voor de modus voor verharde wegen is de aandrijfkracht ingesteld om actiever te werken.
Als OFF (uit) is geselecteerd, wordt het motorvermogen niet geregeld, zelfs niet wanneer het achterwiel stationair draait.
Modusinstelling voor verharde wegen.
Het laagste bedieningsniveau is ingesteld voor Mode-1 (Modus-1) en het hoogste voor Mode-3 (Modus-3).
OPMERKING: Aangezien de G-Modus achterwielspin van een bepaald niveau of hoger toelaat, is deze niet geschikt voor gebruik op verharde wegen.

* Alleen V-STROM 800DE
OPMERKING: Controleer voordat u gaat rijden de instellingsfunctie op de tractieregel-systeemindicator in het instrumentenpaneel.
OPMERKING:
- Wanneer het tractieregelsysteem het motorvermogen regelt, zijn het motorgeluid en het uitlaatgeluid anders.
- Wanneer de voor- of achterband niet in vol contact blijft met de weg, zoals bij het rijden over een hobbelige weg, zal het tractieregelsysteem het motorvermogen regelen.
- Wanneer het tractieregelsysteem het motorvermogen regelt, neemt het motortoerental niet toe, zelfs wanneer de gasgreep wordt bediend om het motorvermogen te verhogen. In dit geval moet u de gasgreep volledig sluiten om de normale toestand te herstellen.
Instelling OPMERKING:

WAARSCHUWIND
Als u tijdens het rijden de meter of schakelaar in de gaten houdt, kan dat een ongeval veroorzaken.
Let bij het veranderen van modi goed op de omgeving en zorg voor een veilige bediening.
- Als de modus niet kan worden omgeschakeld, knippert de modusindicator.
- Als u de modus niet kunt wijzigen met de juiste bediening, zet de motorfiets dan op een veilige plaats stil en zet het contactslot een keer uit.
- Als de modus nog steeds niet kan worden veranderd nadat u het contactslot weer op ON (aan) hebt gezet, vraag dan uw dealer om een inspectie.
Voer de instellingen uit volgens de onderstaande procedure. Als het contactslot wordt uitgezet tijdens het maken van de instellingen, wordt de modus ingesteld die gekozen was op het moment dat het contactslot op "OFF" (uit) werd gezet.
- Toon de Ride-weergave (rijden).
- Druk op de MODE-schakelaar ① om "TC" te selecteren. Het geselecteerde onderdeel wordt met omgekeerd contrast weergegeven.

- Druk op de KEUZESCHAKELAAR ② / vom een modus te selecteren.
OPMERKING:
- De modus kan worden gewijzigd wanneer de gasgreep niet volledig open staat.
- Als de modus niet gewijzigd kan worden, knippert het lampje wanneer de KEU-ZESCHAKELAAR ② wordt ingedrukt.

- Als de MODE-schakelaar ① wordt ingedrukt, worden de instellingen bevestigd en wordt het gemarkeerde display geannuleerd.
SUZUKI RIJSTAND-KEUZENKNOP (SDMS) (Behalve voor 35 kW model)
"SDMS" is een mechanisme waarmee de motoruitvoerkarakteristieken kunnen worden gekozen uit rijstanden A, B of C om aan de voorkeuren van de bestuurder te voldoen, met een reeks keuzes beschikbaar voor rijstanden, waaronder snel rijden en rijden op drukke wegen.



Rijstandkenmerken
Motorvermogen

A-modus
Bij de A-modus wordt een scherpe respons bij alle gasgreepstanden verkregen, om een maximaal motorvermogen te bewerkstellingen.
B-modus
Bij de B-modus wordt tot de middelste gas-greepstand een meer gematigde respons verkregen dan in de A-modus.
C-modus
Bij de C-modus wordt tot aan de hogere gasgreepstanden een meer gematigde res- pons verkregen dan in de B-modus.
Instelling

WAARSCHUWING
Door de SDMS te bedienen terwijl de motorfiets rijdt, wordt het motortoerental en de output gewijzigd, en kan de rijstabiliteit nadelig beïnvloeden.
Bedien de SDMS alleen wanneer de motorfiets is gestopt.

WAARSCHUWING
Als u tijdens het rijden de meter of schakelaar in de gaten houdt, kan dat een ongeval veroorzaken.
Let bij het veranderen van modi goed op de omgeving en zorg voor een veilige bediening.
OPMERKING:
- Als de modus niet kan worden omgeschakeld, knippert de modusindicator.
- Als u de modus niet kunt wijzigen met de juiste bediening, zet de motorfiets dan op een veilige plaats stil en zet het contactslot een keer uit.
- Als de modus nog steeds niet kan worden veranderd nadat u het contactslot weer op ON (aan) hebt gezet, vraag dan uw dealer om een inspectie.
Voer de instellingen uit volgens de onderstaande procedure. Als het contactslot wordt uitgezet tijdens het maken van de instellingen, wordt de modus ingesteld die gekozen was op het moment dat het contactslot werd uitgezet.
- Toon de Ride-weergave (rijden).
- Druk op de MODE-schakelaar ① om "SDMS" te selecteren. Het geselecteerde onderdeel wordt met omgekeerd contrast weergegeven.

- Druk op de KEUZESCHAKELAAR ② / om een modus te selecteren.

OPMERKING:
- De modus kan worden gewijzigd wan- neer de gasgreep niet volledig open staat.
- Als de modus niet geschakeld kan worden, knippert het lampje wanneer de KEUZESCHAKELAAR ② wordt ingedrukt.


- Als de MODE-schakelaar ① wordt ingedrukt, worden de instellingen bevestigd en wordt het gemarkeerde display geannuleerd.
ABS-STAND
U kunt het ABS-interventieniveau kiezen.
- Rear-OFF* (Achter uit):
Stopt reminterventie ABS achteraan.
- Mode-1 (Modus-1):
Vermindert de interventie van het ABS.
- Mode-2 (Modus-2):
Verhoogt de interventie van ABS in vergelijking met Mode-1 (Modus-1).

OPMERKING: Bij terreinrijden, enz. kan de ABS-activering van de achterrem worden uitgeschakeld door zo nodig Rear-OFF (Achter uit) te selecteren.
Instelling
De ABS-stand kan in de volgende omstandigheden A of B worden gewijzigd:
A: Wanneer de motorfiets is gestopt
B: Wanneer de gasgreep volledig wordt dichtgedraaid en de remmen niet bediend worden tijdens het rijden op de motorfiets

WAARSCHUWIND
Concentreren op de meters en schakelaars tijdens het rijden is gevaarlijk.
Als u tijdens het rijden de ABS-stand wilt wijzigen, let dan goed op de veiligheid van de omgeving.
Voer de instellingen uit volgens de onderstaande procedure.
Als u het contactslot uitschakelt terwijl u instellingen maakt, worden de instellingen (Mode-1 of Mode-2 (Modus-1 of Modus-2)) op het moment dat u het contactslot uitschakelt, geselecteerd. Als de modus op Rear-OFF (Achter uit) staat, worden de instellingen geannuleerd telkens als het contactslot wordt uitgezet, en Mode-1 (Modus-1) wordt ingesteld.
- Toon de RIDE-weergave (rijden).
- Druk op de MODE-schakelaar ① om ABS te selecteren. Wanneer u ABS selecteert, wordt het gemarkeerd.

- Houd de KEUZESCHAKELAAR ② ▼ 2 seconden ingedrukt om de ABS- stand te kiezen.
OPMERKING: Als de modus niet gewijzigd kan worden, knippert het lampje wanneer de KEUZESCHAKELAAR ② wordt ingedrukt.
![graph TD A["OFF ABS"] --> B["1 ABS"] B --> C["2 ABS"] D["MODE"] --> E["①"] E --> F["②"] style A fill:#999,stroke:#333 style B fill:#999,stroke:#333 style C fill:#999,stroke:#333 style D fill:#ccc,stroke:#333 style E fill:#ccc,stroke:#333 style F fill:#ccc,stroke:#333](/content/2026/06/1164944/images/e137416cde212e7bfe3cae7b98e7432cfe782e1a8d403ade58371ad1c9cf89c1.jpg)
* Alleen V-STROM 800DE
MOTORTOERENTALINDICATOR
Maak de instelling "ON" / "OFF" (aan/uit) op de motortoerentalindicator en stel het motortoerental in dat door de toerenteller-balk ① knippert.

RIDE-weergave

Voorbeeld: Toerentalinstelling 6000 omw/min
- Toon de MENU-weergave (menu).
- Kies "RIDE" (rijden) met de KEU-ZESCHAKELAAR ▲ en druk dan op de MODE-schakelaar.

- Kies "RPM SET" (omw/min instellen) met de KEUZESCHAKELAAR en druk dan op de MODE-schakelaar.

- Kies "MODE" (modus) met de KEU-ZESCHAKELAAR ▲ en druk dan op de MODE-schakelaar.

- Gebruik de KEUZESCHAKELAAR ▲ ▼ om "ON" (aan) of "OFF" (uit) te selecteren.

- Druk op de MODE-schakelaar om de instelling te bevestigen. Als "ON" (aan) is ingesteld, gaat de motortoerentalindicator ③ branden.

- Kies "EXIT" (afsluiten) met de KEU-ZESCHAKELAAR ▲ en druk dan op de MODE-schakelaar om terug te keren naar het vorige scherm.

- Kies "EXIT" (afsluiten) met de KEU-ZESCHAKELAAR en druk dan op de MODE-schakelaar om terug te keren naar de MENU-weergave.

- Kies "RPM" (omw/min) met de KEU-ZESCHAKELAAR ▲ en druk dan op de MODE-schakelaar.

- Kies de numerieke waarde van het motortoerental met de KEUZESCHAKELAAR en druk dan op de MODE-schakelaar om de instelling te bevestigen.

- Kies "EXIT" (afsluiten) met de KEU-ZESCHAKELAAR en druk dan op de MODE-schakelaar om terug te keren naar het vorige scherm.

- Kies "EXIT" (afsluiten) met de KEU-ZESCHAKELAAR en druk dan op de MODE-schakelaar om terug te keren naar de MENU-weergave.

Stel de modusinstelling voor het "Quick Shift"-systeem in op "OFF" (uit) of "ON" (aan).
Nadat het "Quick Shift"-systeem op het display van het instrumentenpaneel is ingesteld, is schakelen tijdens het rijden beschikbaar zonder de koppelingshendel of de gasgreep te gebruiken.
Wanneer de motorfiets begint te rijden vanuit de stopstatus, of wordt gestopt met ingeschakelde versnelling, is het nodig dat u de koppelingshendel gebruikt.
OPMERKING: Voor het rijden met het "Quick Shift"-systeem, zie "Bedieningsprocedure Quick Shift" op pagina 2-130.
- Toon de MENU-weergave (menu).
- Kies "RIDE" (rijden) met de KEU-ZESCHAKELAAR en druk dan op de MODE-schakelaar.

- Kies "QS SET" (QS instellen) met de KEUZESCHAKELAAR en druk dan op de MODE-schakelaar.

- Gebruik de KEUZESCHAKELAAR ▲ ▼ om "ON" (aan) of "OFF" (uit) in te stellen. Als "ON" (aan) is ingesteld, gaat de Quick Shift-indicator ① branden.
OPMERKING: Als u de instelling niet kunt veranderen, drukt u op de KEUZESCHAKELAAR en begint "ON" (aan) of "OFF" (uit) te knipperen.

-
Druk op de MODE-schakelaar om terug te keren naar het vorige scherm.
-
Kies "EXIT" (afsluiten) met de KEU-ZESCHAKELAAR ▲ en druk dan op de MODE-schakelaar om terug te keren naar de MENU-weergave.

WARNING LIST (waarschuwingslijst)
Deze berichten geven informatie over actuele problemen of storingen die zich voordoen op de motorfiets. WARNING LIST (waarschuwingslijst) kan alleen worden geselecteerd wanneer zich een probleem voordoet.
- Toon de MENU-weergave (menu).
- Kies "INFO" met de KEUZESCHAKELAAR ② an druk dan op de MODE-schakelaar ①.

- Kies "WARNING LIST" (waarschuwingslijst) met de KEUZESCHAKELAAR ② / en druk dan op de MODE-schakelaar ①.

- De KEUZESCHAKELAAR ② /▲▼ kan worden gebruikt om informatie over een defect of een storing te controleren.

Voor meer informatie, zie "POP-UPVEN-STER" op pagina 2-31.
- Kies "CLOSE" (sluiten) en druk op de MODE-schakelaar ① om terug te keren naar het vorige scherm.
NEXT SERVICE (volgende onderhoud)
Service Reminder (serviceherinnering) waarschuwt u voor de volgende geplande onderhoudsbeurt op basis van datum- en afstandsinstellingen via een serviceherinneringdisplay en -indicator.

WAARSCHUWING
Als u met de motorfiets blijft rijden zonder het vereiste onderhoud uit te voeren, zal dit een nadelige invloed hebben op de motorfiets en dit kan tot een ongeluk leiden.
De servicebeurtherinnering is bedoeld om u eraan te herinneren wanneer het tijd is om onderhoud uit te voeren. Neem contact op met uw dealer om de servicebeurt te laten uitvoeren en de servicebeurtherinnering te laten terugstellen.
OPMERKING: Raadpleeg uw dealer voor het instellen van de servicebeurtherinnering.
Wanneer er nog 1 maand of 1000 km (600 mijlen) resteert voordat de ingestelde datum of afstand wordt bereikt, zal het vooraankondigingsscherm van de servicebeurtinterval (inspectiedatum, resterende afstand) 3 seconden verschijnen wanneer het contact-slot wordt aangezet.

Voorbeeld: Wan- neer aan de afstand voor- waarde is voldaan

Voorbeeld: Wanneer aan de voorwaarden voor datum en afstand is voldaan
Als de onderhoudsherinneringindicator gaat branden, verschijnt het alarmscherm 3 seconden wanneer het contactslot op wordt aangezet.

- Het " "symbool ① verschijnt wan- neer de ingestelde datum of afstand wordt bereikt.
- Ongeacht wat het eerst wordt bereikt, de afstand of de datum, zal de afstand worden aangegeven met "-km" of "-mijl" en de datum wordt aangegeven met de ingestelde datum.

- Toon de MENU-weergave (menu).
- Kies "INFO" met de KEUZESCHAKELAAR en druk dan op de MODE-schakelaar.

- Kies "NEXT SERVICE" (volgende onderhoud) met de KEUZESCHAKELAAR / en druk dan op de MODE-schakelaar.

- De ingestelde datum en afstand worden weergegeven.

- Druk op de MODE-schakelaar om terug te keren naar het vorige scherm.
Fabrieksinstellingen • 1000 km (600 mijl)
DISPLAY-INSTELLINGEN
BRIGHTNESS (helderheid)
De helderheid van het instrumentenpaneel kan worden ingesteld op "BRIGHT" (helder), "MEDIUM" (middelmatig) en "DARK" (don- ker).

WAARSCHUWING
De helderheid van het instrumentenpaneel verandert via de fotosensor naar gelang van de helderheid van de omgeving. Als de sensor wordt bedekt met een sticker of een ander voorwerp, kan het display van het instrumentenpaneel niet worden gezien in een heldere omgeving, wat tot een ongeval kan leiden.
Bedek de fotosensor niet met stickers of blokkeer het licht niet op een andere manier zodat de fotosensor niet kan worden bereikt.
- Toon de MENU-weergave (menu).
- Kies "SETTING" (instelling) met de KEU-ZESCHAKELAAR ▲ en druk dan op de MODE-schakelaar.

- Kies "BRIGHTNESS" (helderheid) met de KEUZESCHAKELAAR A ven druk dan op de MODE-schakelaar om naar het instelscherm te gaan. Het onderdeel waarvoor een vinkje staat is de huidige instelling

- Verplaats met de KEUZESCHAKELAAR ↗ √ het vinkje ▶ naar "BRIGHT" (helder), "MEDIUM" (middelmatig) of "DARK" (donker).

Voorbeeld: DARK (donker)
- Druk op de MODE-schakelaar om het vinkje √ te verplaatsen en de instelling te bevestigen.

Voorbeeld: DARK (donker)
- Kies "EXIT" (afsluiten) met de KEU-ZESCHAKELAAR ▲ en druk dan op de MODE-schakelaar om terug te keren naar het vorige scherm.

DAY / NIGHT (dag/nacht)
De achtergrondkleur van het instrumentenpaneel kan worden ingesteld op "AUTO" (automatisch) "WHITE" (wit) en "BLACK" (zwart).
- Toon de MENU-weergave (menu).
- Kies "SETTING" (instelling) met de KEU-ZESCHAKELAAR en druk dan op de MODE-schakelaar.

- Kies "DAY / NIGHT" (dag/nacht) met de KEUZESCHAKELAAR en druk dan op de MODE-schakelaar om naar het instelscherm te gaan. Het onderdeel waarvoor een vinkje staat is de huidige instelling

- Verplaats met de KEUZESCHAKELAAR ▲he▼vinkje naar AUTO" (automatisch), "WHITE" (wit) of "BLACK" (zwart).

Voorbeeld: BLACK (zwart)
- Druk op de MODE-schakelaar om het vinkje te verplaatsen en de instelling te bevestigen.

Voorbeeld: BLACK (zwart)
- Kies "EXIT" (afsluiten) met de KEU-ZESCHAKELAAR en druk dan op de MODE-schakelaar om terug te keren naar het vorige scherm.

UNIT (eenheid)
Gebruik de volgende procedure voor het instellen van de eenheden voor de snelheid, de afstand, het brandstofverbruik, de omgevingstemperatuur en de watertemperatuur.
OPMERKING: "SPEED" (snelheid) verschijnt alleen op instrumentenpanelen waarmee de snelheidseenheid kan worden omgeschakeld tussen km/h en mph.
- Toon de MENU-weergave (menu).
- Kies "SETTING" (instelling) met de KEU-ZESCHAKELAAR ↗ en druk dan op de MODE-schakelaar.

- Kies "UNIT" (eenheid) met de KEU-ZESCHAKELAAR ▲ en druk dan op de MODE-schakelaar.

- Kies het in te stellen onderdeel met de KEUZESCHAKELAAR ▲ / ▼ en dan op de MODE-schakelaar om naar het instelscherm te gaan. Het onderdeel waarvoor een vinkje √ staat is de huidige eenheid.
- SPEED (snelheid):

• CONSUMPTION (verbruik):
druk

• TEMPERATURE (temperatuur):

- Verplaats met de KEUZESCHAKELAAR hetwinkje naar de weer te geven eenheid.

Voorbeeld: CONSUMPTION (verbruik) (L/100km)
- Druk op de MODE-schakelaar om het vinkje te verplaatsen en de instelling te bevestigen.

Voorbeeld: CONSUMPTION (verbruik) (L/100km)
- Kies "EXIT" (afsluiten) met de KEU-ZESCHAKELAAR en druk dan op de MODE-schakelaar om terug te keren naar het vorige scherm.

Voorbeeld: CONSUMPTION (verbruik) (L/100km)
DATE / TIME (datum/tijd)
Stel het weergavepatroon van het jaar, de maand en de dag in, en stel ook de datum en de tijd in.
OPMERKING: Als de accu losgekoppeld is, moeten de datum en de tijd opnieuw ingesteld worden.
- Toon de MENU-weergave (menu).
- Kies "SETTING" (instelling) met de KEU-ZESCHAKELAAR ▲ en druk dan op de MODE-schakelaar.

- Kies "DATE / TIME" (datum/tijd) met de KEUZESCHAKELAAR ▲ / ▼ en dan op de MODE-schakelaar.

- Kies het in te stellen onderdeel met de drukKEUZESCHAKELAAR en druk dan op de MODE-schakelaar om de instelling te bevestigen. Kies "EXIT" (afsluiten) om terug te keren naar het vorige scherm.

Voorbeeld: DATE FORMAT (datumindeling)
Datumindeling
Er kan worden gekozen uit de volgende 3 volgorden voor de aanduiding van het jaar, de maand en de dag.
• MM/DD/YYYY (maand, dag, jaar)
• YYYY/MM/DD (jaar, maand, dag)
• DD.MM.YYYY (dag, maand, jaar)
- Kies "DATE FORMAT" (datumindeling) en druk dan op de MODE-schakelaar om naar het instelscherm te gaan. Het onderdeel waarvoor een vinkje √ staat is de huidige eenheid.

- Verplaats met de KEUZESCHAKELAAR hetwinkje naar het weer te geven patroon.

Voorbeeld: YYYY/MM/DD (JJJJ/MM/DD)
- Druk op de MODE-schakelaar om het vinkje te verplaatsen en de instelling te bevestigen.

Voorbeeld: YYYY/MM/DD (JJJJ/MM/DD)
- Kies "EXIT" (afsluiten) met de KEU-ZESCHAKELAAR en druk dan op de MODE-schakelaar om terug te keren naar het vorige scherm.

Voorbeeld: YYYY/MM/DD (JJJJ/MM/DD)
Datum instellen
- Kies "SET DATE" (datum instellen) en druk dan op de MODE-schakelaar om naar het scherm voor het instellen van "Year" (jaar) te gaan.
- Gebruik de KEUZESCHAKELAAR ▼ om "Year" (jaar) aan te passen.
- Druk op de MODE-schakelaar om naar het scherm voor het instellen van "Month" (maand) te gaan.
- Gebruik de KEUZESCHAKELAAR ▲ ▼ om "Month" (maand) aan te passen.
- Druk op de MODE-schakelaar om naar het scherm voor het instellen van "Day" (dag) te gaan.
- Gebruik de KEUZESCHAKELAAR ▼ om "Day" (dag) aan te passen.
- Druk op de MODE-schakelaar om terug te keren naar het scherm om "SET DATE" (datum instellen) te selecteren.
![graph TD A["SET TIME"] --> B["DATE FORMAT"] B --> C["SET TIME"] C --> D["EXIT"] D --> E["2019 / 09 / 29"] E --> F["201 / 09 / 29"] F --> G["201 / 29"]](/content/2026/06/1164944/images/8900d01cb85a36e2435616cbd69ac2cdc02846df1bec0df7377c5f6301e0ce81.jpg)
→: MODE-schakelaar
KEUZESCHAKELAAR
▼: KEUZESCHAKELAAR
Tijd instellen
- Kies "SET TIME" (tijd instellen) en druk dan op de MODE-schakelaar om naar het scherm voor het instellen van "Hour" (uur) te gaan.
- Gebruik de KEUZESCHAKELAAR ▼ om "Hour" (uur) aan te passen.
- Druk op de MODE-schakelaar om naar het scherm voor het instellen van "Minutes" (minuten) te gaan.
- Gebruik de KEUZESCHAKELAAR ▲ ▼ om "Minutes" (minuten) aan te pas- sen.
- Druk op de MODE-schakelaar om naar het scherm voor het instellen van "AM/PM" (voormiddag/namiddag) te gaan.
- Gebruik de KEUZESCHAKELAAR ▲ ▼ om "AM/PM" (voormiddag/namiddag) aan te passen.
- Druk op de MODE-schakelaar om terug te keren naar het scherm om "SET TIME" (tijd instellen) te selecteren.
![graph TD A["DATE/TIME"] --> B["SET DATE"] B --> C["SET TIME"] C --> D["EXIT"] D --> E["00:00 AM"] E --> F["00 AM"] F --> G["00 AM"] G --> H["AM"]](/content/2026/06/1164944/images/f16b4e448a0b653c03530db4192681d8cc7b034c9c7d34bd00c88d863d78deac.jpg)
→: MODE-schakelaar
KEUZESCHAKELAAR
: KEUZESCHAKELAAR
DEFAULT SET (standaardinstellingen)
De volgende tabel geeft de standaardinstellingen weer waarmee het systeem kan worden geïntialiseerd.
| Onderdeel Standaard | ||
| BRIGHTNESS (helder-heid) | MEDIUM (middelmatig) | |
| DAY/NIGHT (dag/nacht) BLACK (zwart) | ||
| RPM SET (rpm instellen) | MODE (modus) | ON (aan) |
| RPM (omw/min) | 9500 omw/min | |
| UNIT (eenheid) | SPEED (snel-heid) | km/h (behalve VS)mph (alleen VS) |
| CONSUMPTION (ver-bruik) | km/h: km/L (behalve VS)mph: MPG US (alleen VS) | |
| TEMPERA-TURE (tempe-ratuur) | °C (behalve VS)°F (alleen VS) | |
| Onderdeel Standaard | ||
| DATE/TIME (datum/tijd) | DATE FOR-MAT (datumin-deling) | MM/DD/YYYY (MM/DD/JJJJ)YYYY/MM/DD (JJJJ/MM/DD)DD.MM.YYYY(DD.MM.JJJJ)(afhankelijk van de speci-ficaties van het instru-mentenpaneel) |
- Toon de MENU-weergave (menu).
- Kies "SETTING" (instelling) met de KEU-ZESCHAKELAAR en druk dan op de MODE-schakelaar.

- Kies "DEFAULT SET" (standaardinstellingen) met de KEUZESCHAKELAAR / en druk dan op de MODE-schakelaar om naar het instelscherm te gaan.
- Gebruik de KEUZESCHAKELAAR om "NO" / "YES" (nee/ja) te selecteren.
- Druk op de MODE-schakelaar om terug te keren naar het vorige scherm.
→: MODE-schakelaar
KEUZESCHAKELAAR
: KEUZESCHAKELAAR

SYSTEM INFO (systeeminfo)
Van hieruit kunt u informatie over de soft-wareversie bekijken.
- Toon de MENU-weergave (menu).
- Kies "SETTING" (instelling) met de KEU-ZESCHAKELAAR en druk dan op de MODE-schakelaar.

- Kies "SYSTEM INFO" (systeeminfo) met de KEUZESCHAKELAAR ↗ ven druk dan op de MODE-schakelaar om de informatie weer te geven.

- Kies "EXIT" (afsluiten) met de KEU-ZESCHAKELAAR van druk dan op de MODE-schakelaar om terug te keren naar het vorige scherm.
CONTACTSLOT
STANDEN
Er zijn 3 standen voor het contactslot; ON ①, OFF ② en LOCK ③.


(Model met startblokkering)
OPMERKING:
- Het sleutelgat ① kan worden afgedekt met een dekseltje ②.

IGNITION
- Breng het gat op het klepje in lijn met het sleutelgat wanneer u de sleutel insteekt.

IGNITION

WAARSCHUWING
Aan de sleutel draaien terwijl de motorfiets rijdt, kan een ongeluk veroorzaken.
Draai alleen aan de sleutel nadat de motorfiets is gestopt.

WAARSCHUWING
Valpartijen veroorzaakt door stoten of slippen kunnen leiden tot defecten van de motorfiets. Storingen van de motorfiets kunnen brand veroorzaken of kunnen verwondingen veroorzaken door draaiende onderdelen zoals het achterwiel.
Als de motorfiets valt, zet u het contact-slot onmiddellijk op "OFF" (uit) en stopt u alle apparaten. Omdat bij vallen onderdelen die niet zichtbaar zijn kunnen beschadigen, moet u uw motorfiets laten nakijken door een dealer.
LET OP
Als u aan het contactslot draait terwijl de motorfiets rijdt, stopt de motor soepel te werken en kan dit een negatieve invloed hebben op de motor en de katalysator.
Draai niet aan het contactslot terwijl de motorfiets rijdt.
OFF ("OFF"-stand (uit))
- De motor stopt.
- De lampen gaan uit.
- De sleutel kan uit het contactslot worden getrokken.
ON ("ON"-stand (aan))
- De motor kan starten en er kan met de motorfiets worden gereden.
- De volgende lampjes gaan branden.
- Koplamp
- Achterlicht
- Parkeerlicht
- Kentekenplaatverlichting
- De sleutel kan niet uit het contactslot worden getrokken.
LOCK ("LOCK"-stand)
- Het stuur vergrendelt.
- De lichten gaan niet aan.
- De sleutel kan uit het contactslot worden getrokken.
Vergrendel het stuur bij het verlaten van de motorfiets om diefstal te voorkomen. We raden ook aan een kettingslot te gebruiken.
- Draai het stuur helemaal naar links.
- Terwijl u de sleutel indrukt, draait u deze van OFF naar LOCK.
- Trek de sleutel eruit.
OPMERKING:
- Beweeg het stuur naar links en rechts en controleer of hij goed is vergrendeld.
- Als het stuur moeilijk te vergrendelen is, draait u aan de sleutel terwijl u hem iets naar rechts draait.
Steek de sleutel in en terwijl u deze indrukt, draait u deze van LOCK naar OFF.
OPMERKING:
- Verplaats vóór het rijden het stuur naar rechts en links en controleer of ze evenveel in beide richtingen draaien.
- Het sleutelgat van het contactslot wordt afgesloten door een klepje.

WAARSCHUWING
Het is gevaarlijk om het contactslot in de "LOCK"-stand te zetten terwijl de motorfiets in beweging is. Het kan gevaarlijk zijn om de motorfiets te bewegen wanneer het stuur is vergrendeld. U zou uw evenwicht kunnen verliezen en vallen, of u zou de motorfiets kunnen laten vallen.
Stop de motorfiets en zet deze op de zijstandaard voordat u het stuur vergrendelt. Probeer nooit om de motorfiets te bewegen terwijl het stuur is vergrendeld.
STARTONDERBREKER (indien aanwezig)
Vergelijkt of de ID van de ingevoerde sleutel er een is die is geregistreerd in de ECM van de motorfiets en bepaalt of de motor moet worden gestart of niet.
Wanneer het contactslot ① wordt ingeschakeld, geeft de ECM ② de controller in de sleutel ③ opdracht zijn ID ④ te verzenden. (Op dit moment geeft het aantal keren dat de indicator knippert het aantal sleutels aan dat bij de motorfiets is geregistreerd ⑥) Als reactie stuurt de sleutel zijn ID ⑤, en als de ECM de ID als correct beschouwt, kan de motor worden gestart en gaat zal het lampje 2 seconden branden ⑦.

[A]: Contactslot staat op ON
[B]: Motor kan worden gestart
⑧: Startonderbreker-verklikkerlampje
OPMERKING:
- Als het lampje blijft knipperen zonder te stoppen, is de sleutel verkeerd of is er een fout opgetreden in de versnellingsbak. Zet het contactslot op "OFF" (uit) en voer de handeling opnieuw uit.
- Aanvankelijk zijn er 2 sleutels geregistreerd voor de motorfiets. Er kunnen 2 extra sleutels worden geregistreerd. Het aantal keren dat de indicator knippert, geeft het aantal sleutels aan dat voor de motorfiets is geregistreerd.
-
Als beide sleutels verloren zijn, moeten 2 nieuwe sleutels en de ECM worden vervangen. Bewaar de reservesleutel op een veilige plaats.
-
Wanneer u de sleutel insteekt, kan het startblokkeringssysteem stoppen met normaal functioneren wanneer u de reservesleutel voor deze motorfiets of een sleutel die compatibel is met een startonderbreker van een andere motorfiets dicht bij de startonderbrekingsantenne komt. Hang niet 2 of meer startonderbreker compatibele sleutels aan een sleutelhanger.
- Metalen voorwerpen, magnetische voorwerpen en voorwerpen die radiosignalen uitzenden hebben een nadelig effect op het zendvermogen van starterderbrekers. Bevestig de starterderbreker daarom niet aan een sleutelhouder en plaats hem niet in de buurt van sleutels.
STUURSCHAKELAARS
DIMLICHTSCHAKELAAR/INHAALLICHT-SCHAKELAAR
Dimlichtschakelaar
Wisselt de koplamp tussen grootlicht en dimlicht.

Duw de schakelaar van u af om naar grootlicht te gaan.
Dimlicht "≡D"
Trek de schakelaar naar u toe om naar dimlicht te gaan.
Inhaallichtschakelaar "PASS
Schakelt de koplampen naar grootlicht terwijl de schakelaar naar u toe wordt getrokken. Als u de schakelaar loslaat, keert de koplamp terug naar dimlicht.
LET OP
Door de hitte van de koplamp kan de lens van de koplamp smelten als de lens wordt afgedekt of als er een voorwerp dicht bij de lens wordt geplaatst.
Laat geen voorwerpen voor de koplamp of het achterlicht liggen of bedek de koplamp of het achterlicht niet met een doek, enz.
LET OP
Als tape op de koplamp wordt aangebracht, kan de locatie waar de tape is aangebracht smelten als gevolg van warmte van het licht.
Plak geen tape op de koplamp.
OPMERKING: Zet de koplamp op dimlicht als er tegenliggers aankomen of als er voertuigen voor u rijden.
HORN-SCHAKELAAR "→"
Terwijl de schakelaar wordt ingedrukt, klinkt de claxon.
RICHTINGAANWIJZERSCHAKELAAR
“
Gebruik als signaal wanneer u rechts of links afslaat, of wanneer u van rijbaan ver- andert.
Rechts afslaan →
Zet de schakelaar op de ⇒ kant om de rechter richtingaanwijzer te laten knipperen. Druk op de schakelaar om de richtingaanwijzer uit te schakelen.
Links afslaan
Zet de schakelaar op de ⇔ kant om de linker richtingaanwijzer te laten knipperen. Druk op de schakelaar om de richtingaanwijzer uit te schakelen.

WAARSCHUWING
Als u de richtingaanwijzer aan laat, kunnen anderen uw beoogde rijrichting verkeerd begrijpen, wat ongelukken kan veroorzaken.
De richtingaanwijzerschakelaar wordt niet automatisch uitgeschakeld. Druk na gebruik op de schakelaar om de richtingaanwijzer uit te schakelen.
MOTORSTOPSCHAKELAAR/ELEKTRISCHE STARTSCHAKELAAR
Motorstopschakelaar
Stop de motor onmiddellijk in noodsituaties zoals een val. Door de motorstopschakelaar in de stand "×" (STOP) te zetten wordt de motor gestopt. Laat het normaal gesproken in de "○" stand.
“○”-stand
Elektrische circuits met betrekking tot de motor zijn aangesloten.
- De motor kan worden gestart en kan draaien.
“×”-stand
Elektrische circuits met betrekking tot de motor zijn niet aangesloten.
- De motor stopt.
- De motor kan niet worden gestart.
LET OP
Als de motorstopschakelaar tijdens het rijden van ○ naar ✗ of van ○ naar ✗ naar ○ wordt gezet, kan de motor of de katalysator (indien uitgerust) worden beschadigd.
Gebruik de motorstopschakelaar uitsluitend in een noodgeval.
OPMERKING: Wanneer de motorstopschakelaar is gebruikt om de motor te stoppen, moet u het contactslot op "OFF" (uit) zetten. Als u de contactschakelaar op "ON" (aan) laat, kan de accu leegraken.
Elektrische startschakelaar “(3)”
Als u op de elektrische startschakelaar duwt, draait de startmotor om en start de motor.
Voor meer informatie, zie "STARTEN VAN DE MOTOR" op pagina 2-110
OPMERKING:
- De motor kan niet starten wanneer de motorstopschakelaar in de stand "×" staat.
- Deze motorfiets is voorzien van het Suzuki Easy Start-systeem, zodat u de motor kunt starten met een enkele druk op de elektrische startschakelaar. Voor meer informatie, zie "SUZUKI EASY STARTSYSTEEM" op pagina 2-114.
ALARMKNIPPERLICHTSCHAKELAAR
“△”
De alarmknipperlichtschakelaar wordt gebruikt in noodsituaties, zoals wanneer er een storing is opgetreden. Als u de schakelaar verschuift, gaan alle richtingaanwijzers knipperen.
OPMERKING: Gebruik de alarmknipper- lichtschakelaar uitsluitend in noodsituaties. Door gebruik wanneer de motor is gestopt kan de accu leegraken.
STARTEN VAN DE MOTOR
STARTEN VAN DE MOTOR
Gebruik de volgende procedure om de motor te starten.
- Controleer of de transmissie in de vrijstand staat.
- Controleer of de motorstopschakelaar op "☐" staat.
- Zet het contactslot op "ON" (aan).
- Controleer of het defectverklikkerlampje is uitgeschakeld.
- Druk met gesloten gasgreep op de elektrische startschakelaar “(3)”. Zie “SUZUKI EASY STARTSYSTEEM” op pagina 2-114.
- Zorg er voor het rijden voor dat de zijstandaard helemaal omhoog is. Zie "ZIJ-STANDAARD/CONTACTCIRCUIT-BLOKKEERSYSTEEM" op pagina 2-116.
OPMERKING: Deze motorfiets is uitgerust met een startblokkeersysteem voor het contactcircuit en het startcircuit. De motor kan alleen gestart worden als:
- De versnelling in de vrijstand staat, of
- Een versnelling is ingeschakeld, de zijstandaard volledig is ingeklapt en de koppelingshendel is ingetrokken.
OPMERKING: Deze motorfiets is voorzien van het Suzuki Easy Start-systeem, zodat u de motor kunt starten met een enkele druk op de elektrische startschakelaar. Voor meer informatie, zie "SUZUKI EASY STARTSYSTEEM" op pagina 2-114.
Wanneer de motor moeilijk gestart kan worden:
Draai het gas ongeveer 1/8 slag open en druk op de elektrische startschakelaar “✗”.

WAARSCHUWING
Uitlaatgassen bevatten koolmonoxide, een gevaarlijk gas dat nauwelijks waarneembaar is omdat het kleurloos en reukloos is. Het inademen van koolmonoxide kan de dood of ernstig letsel veroorzaken.
Start de motor niet binnen en laat deze niet binnen draaien of in een ruimte met weinig tot geen ventilatie.
LET OP
Als de startmotor gedurende 5 seconden of meer continu draait, wordt er veel stroom verbruikt en kan de accu leegra- ken.
Houd de elektrische startschakelaar niet langer dan 5 seconden ingedrukt of gebruik het Suzuki Easy Start-systeem niet de startmotor voortdurend om te draaien.
LET OP
Als u na het starten van de motor de gasgreep opendraait of met de motorfiets rijdt terwijl het oliedrukverklikkerlampje brandt, kan dit een nadelige invloed hebben op de motor.
Zorg dat het oliedrukverklikkerlampje uit is voordat u de gasgreep opent of met de motorfiets rijdt.
LET OP
Als u de motor start wanneer de versnellingsstand-indicator en het vrijstand-verklikkerlampje verkeerde indicaties geven, kan er motorschade ontstaan.
Controleer vooraleer de motor starten of de versnellingsstand-indicator en het vrijstand-verklikkerlampje de juiste indicaties geven, zoals hieronder is beschreven. Als ze niet de hieronder beschreven indicaties aangeven, laat uw motorfiets dan onmiddellijk door een dealer inspecteren.
- Wanneer de versnellingsindicator N aangeeft, brandt het vrijstand-verklikkerlampje.
- Wanneer de versnellingsindicator (1, 2, 3, 4, 5, 6) aangeeft, gaat het vrijstand-verklikkerlampje uit.
OPMERKING: Bij het starten van de motor moet u de koppeling intrekken als de versnelling een andere stand staat dan de vrijstand.
OPMERKING: Wanneer de motorfiets omvalt, stopt een systeem de motor. Tevens gaat het hoofdwaarschuwingscontrolelichtje branden. Om de motor opnieuw te starten na het rechtzetten van de motorfiets, zet u het contactslot tijdelijk UIT en vervolgens weer aan. Wanneer het hoofdwaarschuwingscontrolelichtje uitgaat, kan de motor opnieuw worden gestart. Het kan enkele minuten duren voordat het hoofdwaarschuwingscontrolelichtje uitgaat na het uitschakelen van het contactslot.
LET OP
Als u de elektrische startschakelaar ingedrukt houdt terwijl het defectverklikkerlampje brandt, kan de accu leegra- ken.
Houd de elektrische startschakelaar niet ingedrukt terwijl de defectverklikker brandt.
U kunt de motor starten met een enkele druk op de elektrische startschakelaar. De startmotor blijft draaien nadat u uw hand van de schakelaar hebt gehaald en stopt na een paar seconden of nadat de motor is gestart.
- Als de versnelling in de vrijstand staat, kunt u de motor starten zonder de koppeling in te trekken.
- Als de versnellingsstand iets anders is dan de vrijstand, moet u de koppeling intrekken om de motor te starten.
In sommige gevallen start de motor mogelijk niet vanwege de positie van de zijstandaard en de versnelling. Voor meer informatie, zie "ZIJSTANDAARD/CONTACTCIRCUIT-BLOKKEERSYSTEEM" op pagina 2-116.
OPMERKING: Afhankelijk van de toestand van de accu is het mogelijk dat de motor niet gemakkelijk wordt gestart door het SUZUKI EASY STARTSYSTEEM. Als het starten van de motor moeilijk verloopt, knijpt u de koppelingshendel in met de versnellingsbak in de vrijstand en blijft u op de elektrische startschakelaar drukken om de motor te starten. Als de motor niet kan worden gestart, is de kans groot dat de accu te zwak is. In dit geval moet u de accu opladen of vervangen.
Juiste opwarming
Laat de motor in de volgende omstandigheden voldoende stationair draaien om op te warmen voordat u gaat rijden.
- Wanneer u de motorfiets langere tijd niet hebt gebruikt
- Bij extreem lage temperaturen (als richtlijn -10 °C (14 °F) of lager) in koude gebieden
Begin in andere omstandigheden, rekening houdend met het milieu, onmiddellijk na het starten van de motor te rijden.
LET OP
Direct na het starten van de motor kan het draaien van de motor, plotselinge versnelling of abrupt remmen ervoor zorgen dat de motor niet goed werkt.
Laat indien nodig de motor enkele tientallen seconden tot enkele minuten draaien om hem op te warmen voordat u begint te rijden.
LET OP
Als u de motor voor langere tijd laat rijden zonder te rijden, om de accu, enz. op te laden, kan de motor oververhit raken. Oververhitting kan motoronderdelen beschadigen en de uitlaatpijp van kleur doen veranderen.
Stop de motor als u niet van plan bent direct te gaan rijden.
ZIJSTANDAARD/CONTACTCIRCUIT-BLOKKEERSYSTEEM
De motorfiets heeft een mechanisme om te voorkomen dat bestuurders vergeten de zijstandaard in te klappen en dan wegrijden met de zijstandaard omlaag.
Het systeem werkt als volgt.
- De motor kan niet worden gestart als de motorfiets in versnelling staat. (De motor kan worden gestart als de motorfiets in de vrijstand staat)
- Als de motorfiets in versnelling wordt gezet terwijl de motor draait, wordt de motor gestopt.
Als de zijstandaard omlaag wordt bewogen terwijl de motor draait en de motorfiets in versnelling staat, stopt de motor.

WAARSCHUWING
Als u de zijstandaard omlaag beweegt tijdens het rijden met de motorfiets, stopt de motor, wat ongevallen kan veroorzaken.
Beweeg de zijstandaard nooit omlaag terwijl u met de motorfiets rijdt.
OPMERKING:
- Als de zijstandaard niet helemaal omhoog staat, stopt de motor wanneer u van de vrijstand naar een andere versnelling schakelt.
- Breng smeermiddel aan als de zijstandaard niet soepel beweegt.
STANDAARDS
SOORTEN STANDAARDS
Deze motorfiets is uitgerust met een zijstandaard en een middenstandaard. (Brazilië)
ZIJSTANDAARD①
Om de motorfiets op de zijstandaard te zetten, plaatst u uw rechtervoet op het uiteinde van de zijstandaard en duw dan de zijstandaard stevig omlaag totdat de standaard volledig rond is gedraaid en tegen de aan-slag aanzit.
Zie pagina 2-116 voor meer informatie over de zijstandaard/contactcircuit-blokkeersysteem.

De afbeelding toont V-STROM 800DE.

WAARSCHUWING
Als de zijstandaard niet volledig is ingeklapt, kan dit een ongeluk veroorzaken wanneer u een bocht naar links maakt.
Controleer de werking van de zijstandaard/het contactcircuit-blokkeersysteem voordat u wegrijdt. Zorg ervoor dat de zijstandaard volledig is ingeklapt voordat u wegrijdt.
OPMERKING: Kies bij het parkeren van de motorfiets een zo hard en vlak mogelijk oppervlak. Als u parkeren op een helling niet kunt vermijden, stopt u de motorfiets met de voorkant naar boven gericht en zet u deze in de 1e versnelling om de banden op hun plaats te houden.
MIDDENSTANDAARD (Brazilië)
Bevestig de middenstandaard ② volgens de onderstaande procedure.
- Zet de motor af.
- Zet de motorfiets rechtop door met uw linkerhand de linker handgreep vast te houden en met uw rechterhand de hand-greep van de achterste bagagedrager.
-
Plaats uw rechtervoet op de voetsteun ③ en duw hem naar beneden, totdat beide poten ④ van de middenstandaard de grond raken.
-
Trek de handgreep van de achterste bagagedrager omhoog terwijl u uw lichaamsgewicht op de voetsteun ③ zet.

De afbeelding toont V-STROM 800DE.
TANKEN
PROCEDURE VOOR TANKEN
Gebruik de volgende procedure om benzine te tanken.
- Open het klepje van de benzinetank.
- Steek de sleutel in en draai deze naar rechts om te ontgrendelen.

Vul niet hoger dan de onderrand ① van de inlaat. Als u hoger dan de onderrand van de inlaat vult, kan er benzine lekken.
Gespecificeerde brandstof: Loodvrije premium benzine
Capaciteit brandstoftank: 20,0 L (5,3/4,4 US/Imp. gal)

Het vullen van de brandstoftank met meer dan de voorgeschreven hoeveelheid brandstof kan leiden tot motorstoringen of startproblemen.
Niet meer brandstof bijtanken dan tot boven de onderkant van de tankopening.
- Duw de dop naar beneden, draai de sleutel naar links en verwijder deze. De sleutel kan niet worden verwijderd als de dop niet is vergrendeld.

WAARSCHUWING
Benzine is zeer brandbaar en kan bij onjuist gebruik brand veroorzaken.
- Bij het tanken dient u de motor af te zetten en vuur uit de buurt te houden.
- Zorg ervoor dat u buitenshuis tankt.
- Voordat u de tankdop opent, moet u een metalen gedeelte van de motorfiets of de benzine-pomp aanraken om uw lichaam van statische elektriciteit te ontdoen. Als u statisch geladen bent, kan de statische elektriciteit met een vonk ontladen waardoor de benzine vlam vat.
- Vul zelf benzine bij, uit de buurt van andere mensen.
- Sluit na het tanken de dop van de benzinetank goed totdat u een klik hoort.
- Veeg gemorste benzine weg met een doek.
LET OP
Als er een storing in de motor ontstaat zoals gebrek aan acceleratie of onvoldoende vermogen, kan dit veroorzaakt worden door de brandstof die de motorfiets gebruikt.
Probeer in dit geval bij een ander benzinestation te gaan tanken. Als dit het probleem niet oplost, moet u contact opnemen met uw dealer.
LET OP
Gemorste benzine die alcohol bevat kan de gelakte delen van uw motorfiets aan- tasten.
Zorg ervoor dat u geen brandstof morst bij het vullen van de brandstoftank. Veeg gemorste benzine onmiddellijk op.
SCHAKELEN
OMSCHRIJVING
Deze motorfiets heeft een transmissie met 6 versnellingen, met neutraal tussen de 1e en 2e versnelling.

OPMERKING: Wanneer de versnelling in de vrijstand staat, brandt het groene controlelichtje op het instrumentenpaneel. Ook al brandt het lichtje, laat de koppeling toch altijd voorzichtig en langzaam los om uit te vinden of de versnelling werkelijk in de vrijstand staat.
(Canada)
De onderstaande tabel toont de snelheidsbereiken (bij benadering) voor de versnellingen.
Omhoogschakelen
| Versnelling km/h | mph | |
| 1e → 2e 27 17 | ||
| 2e → 3e 45 28 | ||
| 3e → 4e 59 37 | ||
| 4e → 5e 71 44 | ||
| 5e → 6e 81 50 |
Omlaagschakelen
| Versnelling km/h mph | ||
| 6e → 5e 71 44 | ||
| 5e → 4e 59 37 | ||
| 4e → 3e 45 29 | ||
| 3e → 2e 27 17 | ||
| 2e → 1e 16 10 |
Trek de koppeling in wanneer de snelheid van de motorfiets daalt tot onder de 15 km/h (9 mph).
SCHAKELPROCEDURE
De versnellingsbak is ontworpen om de motor soepel te laten draaien binnen het bereik van iedere versnelling. Schakel tijdens het rijden naar een versnelling die bij het rijden past. Laat de koppeling niet slippen om de motorsnelheid aan te passen, omdat dit slijtage van de koppeling veroorzaakt. Schakel bij het verminderen van snelheid terug om het motortoerental af te stemmen op de voertuigsnelheid.
- Berg de zijstandaard op voordat u start met rijden.
- Knijp de koppelingshendel in en bedien de versnellingshendel om de versnelling in de 1e versnelling te schakelen en soepel weg te rijden.
- Schakel van versnelling overeenkomstig de motorsnelheid.
Zet de gasgreep tijdelijk terug en druk de koppelingshendel volledig in voordat u schakelt.
Bedien de versnellingshendel lichtjes met de tenen en beweeg deze stevig totdat u de hendel voelt klikken.

WAARSCHUWING
Terugschakelen wanneer het motortoe- rental te hoog is:
- kan ertoe leiden dat het achterwiel wegslipt en zijn grip op de weg verliest omdat u dan flink op de motor remt, hetgeen kan leiden tot een ongeluk; of
- kan de motor dwingen met een te hoog toerental te draaien in een lagere versnelling, hetgeen kan leiden tot schade aan de motor.
Verlaag uw snelheid voordat u terug- schakelt.

WAARSCHUWING
Als u terugschakelt terwijl de motorfiets overhelt in een bocht, kan dit ertoe leiden dat het achterwiel wegslipt en dat u de controle over de motorfiets verliest.
Verminder uw snelheid en schakel terug voordat u een bocht neemt.
LET OP
Wanneer de motorfiets op een helling wordt gestopt en op zijn plaats wordt gehouden met behulp van de gasgreep en de koppelingshendel, kan de koppeling van de motorfiets worden beschadigd.
Gebruik de remmen om de motorfiets op een helling te stoppen.
LET OP
Wanneer de motor abnormaal heet wordt, kan de koppeling mogelijk niet goed schakelen.
Als de motor zeer heet wordt en de koppeling niet goed werkt, stop de motorfiets dan op een veilige plaats en laat de motor afkoelen.
LET OP
Onjuiste bediening van de versnellingshendel of rijden met uw voet op de versnellingshendel kan schade aan de motor veroorzaken.
- Bedien de versnellingshendel niet wanneer de koppelingshendel niet stevig is ingedrukt.
- Oefen geen overmatige kracht uit op de versnellingshendel.
- Rijd niet met uw voet op de versnelingshendel.
OPMERKING:
- Wanneer u van versnelling verandert, moet u de hendel stevig bewegen totdat u de hendel voelt klikken.
- Verhoog het motortoerental niet te veel. Dit heeft een negatief effect op de levensduur van de motor.
- Rijd niet met zeer hoge snelheden.
- Als er iets vreemds lijkt tijdens het rijden, laat dan onmiddellijk de onregelmatigheden controleren door een dealer.
- Let er tijdens het rijden op dat het motor-toerental niet in de rode zone komt.
- Het is gemakkelijk om de rode zone te betreden wanneer de motor wordt gestart of plotseling wordt versneld in de 1e of 2e versnelling, dus in dergelijke situaties is bijzondere aandacht vereist.
- Als het motortoerental de rode zone betreedt, sluit u de gashendel onmiddel- lijk om het motortoerental te verlagen.
- Wanneer de versnellingsstand tijdens het rijden naar de vrijstand verandert, treedt de motortoerentalbegrenzer in werking om de motor en het aan-drijfsysteem te beschermen, waardoor het motortoerental wordt beperkt.
Wat is het "Quick Shift"-systeem?
Het "Quick Shift"-systeem is een functie die assisteert bij het schakelen tijdens het rijden met de motorfiets.
Nadat het "Quick Shift"-systeem op het display van het instrumentenpaneel is ingesteld, is schakelen tijdens het rijden beschikbaar zonder de koppelingshendel of de gasgreep te gebruiken.
Wanneer de motorfiets begint te rijden vanuit de stopstatus, of wordt gestopt met ingeschakelde versnelling, is het nodig dat u de koppelingshendel gebruikt.

Het niet in acht nemen van de volgende bedieningsvoorschriften kan leiden tot schade aan de versnellingssensor en aanverwante onderdelen.
- Demonteer de versnellingssensor niet.
- Gebruik geen organische oplosmiddelen zoals onderdelenreinigers of benzine op de versnellingssensor en aanverwante onderdelen.
- Stel de versnellingssensor en de aangrenzende delen niet bloot aan hoge-drukreiniging.
- Wanneer een van de onderdelen, die betrekking hebben op het versnel- lingsschakelmechanisme, wordt gewij- zigd of aangepast, werkt het "Quick Shift"-systeem mogelijk niet correct.
LET OP
In tegenstelling tot automatische transmissies, voert het "Quick Shift"-systeem de schakeling niet automatisch uit. Als het systeem in een lage versnelling wordt gebruikt met een zeer hoog toerental, kunnen de motor en de transmissie zwaar worden belast.
Voer de schakelveranderingen zelf uit volgens de motor- of motorfietssnelheid.
OPMERKING: De quick shift kan niet elke schakelhandeling aan.
In de volgende gevallen kunt u bijvoorbeeld de quick shift niet uitvoeren.
- Wanneer het toerental van de motor het toegestane toerental (rode zone) overschrijdt tijdens het terugschakelen
- Wanneer de schakelhandeling wordt uitgevoerd door de koppelingshendel vast te grijpen
- Wanneer de achterband te veel doorslipt
Bedieningsprocedure Quick Shift
- Stel de MODE-instelling van "QS" (Quick shift) in op "ON" (aan) op het display van het instrumentenpaneel. Voor meer informatie, zie "QUICK SHIFT" op pagina 2-71
- Knijp de koppelingshendel in en bedien de versnellingshendel om de versnelling in de 1e versnelling te schakelen en soepel weg te rijden.
- Wanneer er geschakeld moet worden nadat de motorfiets begint te rijden, gebruik de koppelingshendel dan niet, maar verplaats de versnellingspook.
- Zelfs als het "Quick Shift"-systeem is ingesteld, wordt de bedieningsprocedure van de versnellingspook niet gewijzigd van die voor de instelling. Als de schakeling moet worden uitgevoerd, ongeacht de instelling van het "Quick Shift"-systeem, moet u de versnellingspook stevig tot het einde van zijn bereik verplaatsen.
- Wanneer er geschakeld wordt, stelt de motorfiets het toerental af overeenkom-
stig de situatie op dat moment zodat de gasgreep niet hoeft te worden bediend.
- Het "Quick Shift"-systeem wordt geactiveerd wanneer het motortoerental hoger is dan 2000 omw/min bij opschakelen, 1700 omw/min bij terugschakelen.
- Zelfs als het schakelen continu wordt uitgevoerd met behulp van het "Quick Shift"-systeem, moet het schakelen stap voor stap correct worden uitgevoerd.
-
Wanneer het schakelen wordt uitgevoerd zonder dat de koppelingshendel wordt ingedrukt en de openingshoek van de gasklep constant wordt gehouden, kan de functie van het "Quick Shift"-systeem soepel worden uitgevoerd.
-
Wanneer de motorfiets wordt gestopt, moet u de koppelingshendel inknijpen.
LET OP
Wanneer het schakelen wordt uitgevoerd in de volgende gevallen, zonder gebruik te maken van de koppelingshendel, kan de motor of het aandrijfsysteem beschadigd worden. Gebruik in de volgende gevallen de koppelingshendel.
- Het "Quick Shift"-systeem is op
ingesteld. - Het motortoerental is gelijk aan of lager dan het vooraf bepaalde toerental
OPMERKING: Terugschakelen met het "Quick Shift"-systeem werkt mogelijk niet wanneer de motortemperatuur laag is. Als dit gebeurt, start dan de motor, laat hem warmdraaien en probeer het opnieuw. Als terugschakelen met het "Quick Shift"-systeem nog steeds niet werkt, neem dan contact op met uw dealer.
REMHENDEL
OMSCHRIJVING
Om de voorrem te gebruiken, trekt u de remhendel zachtjes in de richting van de gasgreep in. Wanneer de remhendel wordt ingetrokken, gaat het remlicht branden.
De ruimte tussen de remhendel en de greep kan in 5 instellingen worden aangepast.
AFSTELLEN
- Duw de remhendel naar voren en draai de versteller ① naar de gewenste stand.
- Lijn de cijfers op de regelaar uit met het "Uitlijningsteken" ②.
V-STROM 800DE

- Stel af door de uitsteeksels op de hendel uit te lijnen met de inkepingen op de regelaar.
- De afsteller wordt in de fabriek ingesteld op de 3e stand.

WAARSCHUWING
Het aanpassen van de positie van de remhendel tijdens het rijden kan leiden tot ongelukken.
Verstel de stand van de remhendel alleen wanneer de motorfiets is gestopt.
ACHTERREMPEDAAL
OMSCHRIJVING
Trappen op het achterrempedaal ① schakelt de achterrem in. Het remlicht gaat tegelijkertijd branden.

De afbeelding toont V-STROM 800DE.
Indien nodig, zie:
- AFSTELLEN VAN HET ACHTERREMPEDAAL (3-64)
- SCHAKELAAR VOOR HET ACHTERREMLICHT (3-65)
ZADEL
ZADEL EN ZADELSLOT Verwijderen
-
Om het zadel te verwijderen, steekt u de contactsleutel in het zadelslot en draait u de sleutel naar rechts.
-
Til het achtereind van het zadel omhoog en schuif het zadel naar achteren.

- Schuif de zadelhaken in de zadelhaakhouders.
- Druk stevig naar beneden totdat het zadel in de vergrendelde stand klikt.

- Til het zadel voorzichtig omhoog om te controleren of hij op slot zit.
- Wees voorzichtig want als het zadel wordt vergrendeld terwijl de sleutel onder het zadel zit, kunt u niet meer bij de sleutel.

WAARSCHUWIND
Als de stoel niet correct is bevestigd, kan deze bewegen, waardoor het rijden wordt belemmerd.
Vergrendel het zadel stevig in de juiste positie.
VERSTELLER VAN DE VERING
OMSCHRIJVING
De standaardinstellingen van zowel de voorwiel- als de achterwielvering zijn zorgvuldig uitgekozen zodat deze geschikt zijn voor diverse rijomstandigheden, zoals lage en hoge snelheid en lichte en zware belading van de motorfiets. Indien gewenst, kunt u de instellingen van de vering aanpassen aan uw eigen voorkeur.
LET OP
Wanneer de verstellers met kracht worden verdraaid, kan de vering beschadigd raken.
Draai de verstellers niet verder dan de uiterste grenzen.
VOORWIELVERING
(V-STROM 800DE)

WAARSCHUWIND
Ongelijke verstelling van de vering kan de stuureigenschappen en de stabiliteit van de motorfiets nadelig beïnvloeden.
Zorg ervoor dat de linker- en rechterpoot van de voorvork gelijk staan ingesteld.
LET OP
Wanneer een vuile voorvork wordt afgesteld, kan er olielekkage optreden als gevolg van klem zitten van de afsteller of beschadiging van de afdichting.
Was alle vuil van de voorvork voordat deze wordt afgesteld.
Verstellen van de voorspanning van de vering
Pas de sterkte van de veren aan het wegdek en het aantal passagiers aan. Draai de afstelknop ① om de veersterkte in te stellen.
Bedien de afstelknop als volgt om de standaardinstelling in te stellen.
- Draai de knop linksom totdat deze stopt.
- Draai zes slagen rechtsom.
OPMERKING: Stel zowel de versteller rechts als links af op dezelfde positie.

De uitveer- en inveerdempingskracht kan afzonderlijk worden versteld met behulp van de bijbehorende verstellers.
- De uitveerdempingskrachtverstellers ② bevinden zich aan de bovenkant van de voorvork.
- De inveerdempingskrachtverstellers ③ bevinden zich aan de onderkant van de voorvork.
Om de dempingskracht te verstellen, zet u de versteller eerst in de standaardpositie en daarna zet u deze in de gewenste stand.
OPMERKING:
- Draai de verstellervoet ④ niet los, want dan zal de voorvorkolie via de verstellervoet naar buiten lopen.
- Stel zowel rechts als links af op dezelfde positie.

Om de uitveerdempingskracht-afsteller in de standaardpositie te zetten, draait u de afsteller naar rechts totdat deze stopt en dan draait u de afsteller 1-1/2 slag naar links.
- Draai de versteller vanuit de standaard-positie naar rechts voor een stuggere vering.
- Draai de versteller vanuit de standaard-positie naar links voor een zachtere dempingskracht.
Om de inveerdempingskracht-afsteller in de standaardpositie te zetten, draait u de afsteller naar rechts totdat deze stopt en dan draait u de afsteller 2-1/4 slag naar links.
- Draai de versteller vanuit de standaard-positie naar rechts voor een stuggere vering.
- Draai de versteller vanuit de standaard-positie naar links voor een zachtere dempingskracht.
VOORWIELVERING (V-STROM 800) Verstellen van de voorspanning van de vering
LET OP
Wanneer een vuile voorvork wordt afgesteld, kan er olielekkage optreden als gevolg van klem zitten van de afsteller of beschadiging van de afdichting.
Was alle vuil van de voorvork voordat deze wordt afgesteld.
Pas de sterkte van de veren aan het wegdek en het aantal passagiers aan. Draai de ver- stellers ① om de veersterkte in te stellen. De versteller kan ongeveer 20 slagen wor- den gedraaid.
• Rechtsom: Sterker
- Linksom: Zwakker
Bedien de verstellers als volgt om de standaardinstelling in te stellen.
- Draai de versteller linksom totdat deze stopt.
- Draai 5 slagen rechtsom.

Deze eenheid bevat stikstofgas onder hoge druk.
Verkeerde behandeling kan resulteren in een explosie.
- Houd uit de buurt van vuur en hitte.
- Lees de gebruikershandleiding voor verdere informatie.
OPMERKING: Neem contact op met uw dealer voor het opruimen van de achterveringseenheid.
LET OP
Als u de versteller dwingt te draaien, kan de ophanging worden beschadigd.
Draai de versteller niet voorbij de limiet.
LET OP
Door de achterschokdemper af te stellen terwijl deze vuil is, kan er zand in de versteller terechtkomen of kan de olie lekken door beschadiging van de olie- afdichting.
Was de afsteller voor het verstellen om zand en ander vuil voldoende te verwijderen.
Verstellen van de voorspanning van de vering
Pas de sterkte van de veren aan het wegdek en het aantal passagiers aan. Draai de knop ① om de veersterkte in te stellen.
- Rechtsom ("HIGH"-kant (hoog)): Stugger
- Linksom ("LOW"-kant (laag)): Zachter

Bedien de knop als volgt om de standaardinstelling in te stellen.
- Draai de knop naar de LOW-kant (laag) totdat deze stopt.
-
Draai de knop naar de HIGH-kant (hoog) tot de eerste klik. (Zachtste positie bij 0 klikken)
-
Draai de knop naar de HIGH-kant (hoog) tot de twaalfde klik.
-
Standaardinstelling (één passagier): 12 klikken
• Referentie-instelling (twee passagiers):
28 klikken (standaardinstelling plus 16 klikken naar de HIGH-kant (hoog))
Verstellen van de dempingskracht
De uitveer- en inveerdempingskracht kan afzonderlijk worden versteld met behulp van de bijbehorende verstellers.
- De inveerdempingskrachtverstellers ② bevinden zich aan de bovenkant van de achtervering.
- De uitveerdempingskrachtverstellers ③ bevinden zich aan de onderkant van de achterwielophanging.
Om de dempingskracht te verstellen, zet u de versteller eerst in de standaardpositie en daarna zet u deze in de gewenste stand.

Om de inveerdempingskracht-afsteller ② in de standaardpositie te zetten, draait u de afsteller naar rechts totdat deze stopt en dan draait u de afsteller 1-1/2 slag naar links.
- Draai de versteller vanuit de standaard-positie naar rechts voor een stuggere vering.
- Draai de versteller vanuit de standaard-positie naar links voor een zachtere dempingskracht.
Om de uitveerdempingskracht-afsteller ③ in de standaardpositie te zetten, draait u de afsteller naar rechts totdat deze stopt en dan draait u de afsteller 1-3/4 slag naar links.
- Draai de versteller vanuit de standaard-positie naar rechts voor een stuggere vering.
- Draai de versteller vanuit de standaard-positie naar links voor een zachtere dempingskracht.
ACHTERWIELVERING (V-STROM 800)

WAARSCHUWING



Deze eenheid bevat stikstofgas onder hoge druk.
Verkeerde behandeling kan resulteren in een explosie.
- Houd uit de buurt van vuur en hitte.
- Lees de gebruikershandleiding voor verdere informatie.
OPMERKING: Neem contact op met uw dealer voor het weggooien van de achterveringseenheid.
LET OP
Als u de versteller dwingt te draaien, kan de ophanging worden beschadigd.
Draai de versteller niet voorbij de limiet.
LET OP
Door de achterschokdemper af te stellen terwijl deze vuil is, kan er zand in de versteller terechtkomen of kan de olie lekken door beschadiging van de olieafdichting.
Was de afsteller voor het verstellen om zand en ander vuil voldoende te verwijderen.
Verstellen van de voorspanning van de vering
Pas de sterkte van de veren aan het wegdek en het aantal passagiers aan. Draai de knop
① om de veersterkte in te stellen. De knop kan ongeveer 30 klikken worden gedraaid.
- Rechtsom ("HIGH"-kant (hoog)): Sterker
- Linksom ("LOW"-kant (laag)): Zwakker

Bedien de knop als volgt om de stan- daardinstelling in te stellen.
- Draai de knop naar de "LOW"-kant (laag) totdat deze stopt.
- Draai de knop naar de "HIGH"-kant (hoog) tot de eerste klik. (Zwakste positie bij 0 klikken)
- Draai de knop naar de "HIGH"-kant (hoog) tot de twaalfde klik.
Standaardinstelling (één passagier): 12 klik-ken
Verstellen van de dempingskracht
De uitveerdempingskracht kan worden afgesteld door de afsteller te verdraaien. De uitveerdempingskrachtversteller ② bevindt zich aan de onderkant van de achterwielophanging. Om de dempingskracht te verstellen, zet u de versteller eerst in de standaardpositie en daarna zet u deze in de gewenste stand.
Om de uitveerdempingskracht-afsteller ② in de standaardpositie te zetten, draait u de versteller naar rechts totdat deze stopt en dan draait u de afsteller 1-1/4 slag naar links.
- Draai de versteller vanuit de standaardpositie naar rechts voor een stuggere vering.
- Draai de versteller vanuit de standaardpositie naar links voor een zachtere dempingskracht.

Er zijn drie standen voor de hoogte van het windscherm. Ga als volgt te werk om de hoogte van het windscherm te veranderen.
- Verwijder de bouten ① en verwijder vervolgens het windscherm ②.

- Beweeg de moeren van het windscherm ③ omhoog of omlaag naar de gewenste positie van het windscherm.

- Het monteren van het windscherm gebeurt in de omgekeerde volgorde van het verwijderen.
USB-AANSLUITING
Een USB-aansluiting ① bevindt zich aan de linkerkant van het instrumentenpaneel. Het kan tot 5 V uitgangsspanning en 2 A maximale stroom leveren.

Let op de volgende punten om schade aan de motorfiets en aangesloten apparatuur te voorkomen.
- Gebruik het product niet bij regenachtig weer of bij het wassen van de motorfiets.
- Zelfs als de dop is aangebracht, mag u bij het wassen van de motorfiets niet te veel water sproeien.
- Gebruik geen apparaat dat de stroomsterkte overschrijdt, want dan kan de zekering doorbranden.
- Om te voorkomen dat de motorfiets defect raakt, het motortoerental niet opjagen om de accu op te laden.
- Gebruik het aangesloten elektronische apparaat op eigen verantwoordelijkheid.
OPMERKING:
- De nominale waarde is een tijdelijke waarde. Vermijd langdurig gebruik om te voorkomen dat de accu leegraakt.
- Zorg ervoor dat de kabels niet worden afgekneld of in de war raken, zodat ze het rijden niet hinderen.
- Wanneer het product niet wordt gebruikt, bevestigt u de dop om te voorkomen dat er vreemd materiaal binnendringt.
- Als u de USB-aansluiting gebruikt terwijl de motor stationair draait of is gestopt, kan de accu leeg raken.
ACHTERSTE BAGAGEDRAGER
Het draagvermogen van de achterste bagagedrager ① is 10 kg (22 lbs).

WAARSCHUWING



Rijden met een overbeladen motorfiets vermindert de rijstabiliteit en kan resulteren in verlies van de controle over de motorfiets.
- Het draagvermogen van de achterste bagagedrager is 10 kg (22 lbs). Zorg dat de belading van de motorfiets het draagvermogen niet overschrijdt.
- Lees de gebruikershandleiding voor verdere informatie.

Regelmatige inspectie en onderhoud zijn essentieel om veilig op uw motorfiets te rijden en ervoor te zorgen dat deze lang meegaat. De volgende eenvoudige inspecties en onderhoudstaken die normaal vaak worden uitgevoerd.
Voet periodieke inspecties uit, zelfs wanneer u de motorfiets een lage tijd niet gebruikt. Inspecteer uw motorfiets zorgvuldig wanneer u deze opnieuw gaat gebruiken na een langere periode van niet-gebruik.
Volg de richtlijnen in het onderhoudsschema. De perioden tussen de periodieke onderhoudsbeurten zijn aangegeven in kilometers, mijlen en maanden. Zorg dat u aan het eind van iedere periode het voorgeschreven onderhoud uitvoert.

WAARSCHUWING
Verkeerd onderhoud of niet uitvoeren van het voorgeschreven onderhoud kan ongelukken veroorzaken.
Zorg dat uw motorfiets altijd in goede staat is. Vraag uw dealer om de onderhoudstaken te verrichten die met een sterretje (*) zijn gemerkt. Als u zelf ervaring hebt met technisch onderhoud, kunt u de niet gemerkte onderhoudstaken verrichten aan de hand van de instructies in dit hoofdstuk. Als u niet zeker weet hoe u deze onderhoudstaken moet uitvoeren, dient u deze door uw dealer te laten uitvoeren.

WAARSCHUWIND
Inspectie met draaiende motor is gevaarlijk, omdat uw handen of kleding vast kunnen komen te zitten in bewegende motoronderdelen, met ernstig letsel tot gevolg.
Schakel de motor uit wanneer u iets anders inspecteert dan de lampen, de motorstopschakelaar en het gaspedaal.

WAARSCHUWING
Uitlaatgassen bevatten koolmonoxide, een gevaarlijk gas dat nauwelijks waarneembaar is omdat het kleurloos en reukloos is. Het inademen van koolmonoxide kan de dood of ernstig letsel veroorzaken.
Start de motor niet binnen en laat deze niet binnen draaien of in een ruimte met weinig tot geen ventilatie.

WAARSCHUWING
Houd voor inspecties tijdens het rijden voldoende oog op de verkeerssituatie in de omgeving.
Verlaag de snelheid tot minder dan normal en voer de inspectie uit in een gebied met weinig verkeer.

WAARSCHUWING
Het uitvoeren van onderhoud buiten uw bekwaamheid zonder speciale kennis kan ongevallen of storingen veroorza-ken.
Voer voor de veiligheid alleen onderhoud uit dat binnen uw kennis en bekwaamheid valt. Raadpleeg een dealer voor alles wat moeilijk is.

WAARSCHUWIND
Vanwege de aanwezigheid van benzine en brandbare oliën, bestaat er een risico op brand als er ontstekingsbronnen in de buurt zijn tijdens inspectie en onderhoud.
Niet roken tijdens het uitvoeren van onderhoud en zorg ook dat er geen vuur in de buurt is.

VOORZICHTIG
De uitlaatpijp, knaldemper en de motor worden heet wanneer de motor draait. Als u ze aanraakt voordat ze zijn afgekoeld, kan dit brandwonden veroorzaken.
Wacht bij het uitvoeren van onderhoud aan onderdelen in de buurt van de uitlaatpijp, knaldemper of motor totdat deze voldoende zijn afgekoeld om aan te raken voordat u met onderhoud begint.
LET OP
Het uitvoeren van onderhoud op een onstabiele locatie kan ertoe leiden dat de motorfiets tijdens het proces omvalt.
Voer onderhoud uit op een locatie met een vlak, stevig oppervlak.
LET OP
Onderhoudswerkzaamheden aan elektrische onderdelen verrichten terwijl het contactslot in de "ON"-stand staat, kan resulteren in beschadiging van de elektrische onderdelen als gevolg van kort-sluiting.
Schakel het contactslot uit voordat u begint met onderhoudswerkzaamheden aan elektrische onderdelen om beschadiging door kortsluiting te voorkomen.
LET OP
Het gebruik van reserveonderdelen van slechte kwaliteit kan ertoe leiden dat de motorfiets sneller slijt en kan de levensduur van de motorfiets bekorten.
Gebruik uitsluitend originele Suzuki-vervangingsonderdelen of gelijkwaardige onderdelen wanneer u onderdelen van uw voertuig vervangt.
OPMERKING:
- Het ONDERHOUDSSCHEMA schrijft de minimale voorwaarden voor onderhoud voor. Als u uw motorfiets onder veeleisende omstandigheden gebruikt, dient u de onderhoudstaken vaker uit te voeren dan staat aangegeven in het schema. Als u vragen hebt over de tijdsduur tussen de onderhoudsbeurten, raadpleeg dan uw dealer.
- Recycle afgewerkte olie of ruim deze op de juiste manier op.
ONDERHOUDSSCHEMA
Periode: De tijd voor de onderhoudsbeurten wordt bepaald door het aantal maanden of de stand van de kilometerteller, afhankelijk van welke het eerst bereikt wordt.
| Onderdeel mijlen 600 3750 7500 11250 15000 | maanden | 2 12 24 36 48 | |||||
| km 10 | 00 6000 12 000 18000 | 24000 | |||||
| Luchtfilterelement (3-21) | polyesterschuimelement Om de 6000 km | (3750 mijlen) schoonmaken | |||||
| ongeweven element - I I V | I | ||||||
| * Uitlaatpijpbouten en geluiddemperbouten | A | - | A | - | |||
| * Klespeling | - | - | - | - | |||
| * Bougies | - | I | V | I | |||
| * Brandstofslang | -III | ||||||
| *Om de 4 jaar vervangen (behalve Canada) | |||||||
| * Benzinedampafzuigingssysteem (indien uitgerust) | - | - | I | - | |||
| Motorolie (3-28) | V | V | V | V | |||
| Motoroliefilter (3-28) | V | - | - | V | |||
| * PAIR (luchttoevoer) systeem | - | - | I | - | |||
| * Gasklepsynchronisatie | - | -I-I | |||||
| * Koelvloeistof (3-42) | "SUZUKI SUPER LONG LIFE COOLANT" (Blauw) | Vervang elke 4 jaar of elke 48000 km (30000 mijlen) | |||||
| "SUZUKI LONG LIFE COOLANT" (Groen) of een andere koelvloeistof dan "SUZUKI SUPER LONG LIFE COOLANT" (Blauw) | - | - | V | - | |||
| Radiateurslang (3-48) | -III | ||||||
| Speling van koppelingskabel (3-55) | - | I | I | I | |||
| Onderdeel mijlen 600 3750 7500 11250 15000\Periode | maanden 2 12 24 36 48 | ||||||
| km 1000 6000 12000 18000 | 24000 | ||||||
| Aandrijfketting (3-49) | ||||| | ||||||
| Om de 1000 km (600 mijlen) schoonmaken en smeren | |||||||
| * Remmen (3-57) | I | I | I | ||||
| Remvloeistof (3-57) | - | ||||| | |||||
| *Om de 2 jaar vervangen | |||||||
| Remslang (3-57) | - | ||||| | |||||
| *Om de 4 jaar vervangen | |||||||
| Banden (3-68) | - | I | I | ||||
| * Stuurinrichting | I | - | I | - | |||
| * Voorvorken | - | - | I | - | |||
| * Achterwielvering | - | - | I | - | |||
| * Bouten en moeren van het frame | A | A | |||||
| Smering (3-14) | Om de 1000 km (600 mijlen) smeren | ||||||
| * Spaakwiel (V-STROM 800DE) | ||||| | ||||||
OPMERKING: I= Inspecteren en schoonmaken, verstellen, vervangen of voldoende smeren, V= Vervangen, A= Aandraaien
(Voor Europa en Oceanië)
| Onderdeel mijlen 600 7500 15000 22500 30000 | maanden | 2 12 24 36 48 | |||||
| km 1000 12000 24000 36000 48000 | |||||||
| Luchtfilterelement(3-21) | polyesterschuimelement Om de 12000 km (7500 mijlen) schoonmaken | ||||||
| ongeweven element - I I V I | |||||||
| * Uitlaatpijpbouten en geluiddemperbouten | A | - | A | - | A | ||
| * Klespeling | Om de 24000 km (15000 mijlen) inspecteren | ||||||
| * Bougies | - | V | V | V | V | ||
| * Brandstofslang | -III | ||||||
| *Om de 4 jaar vervangen | |||||||
| * Benzinedampafzuigingssysteem (indien uitgerust) | - | - | I | - | I | ||
| Motorolie (3-28) | V | V | V | V | V | ||
| Motoroliefilter (3-28) | V | - | V | - | V | ||
| * PAIR (luchttoevoer) systeem | - | -I-I | |||||
| * Gasklepsynchronisatie | -III | ||||||
| * Koelvloeistof(3-42) | "SUZUKI SUPER LONG LIFE COOLANT"(Blauw) | - | - | - | - | V | |
| "SUZUKI LONG LIFE COOLANT" (Groen) of een andere koelvloeistof dan "SUZUKI SUPER LONG LIFE COOLANT" (Blauw) | - | - | V | - | V | ||
| Radiateurslang (3-48) | -III | ||||||
| Speling van koppelingskabel (3-55) | - | I | I | I | I | ||
| 3-57Stuurin | Periode | maanden 2 | 12 24 36 | 48 | |||
| km 1000 | 12000 24 | 4000 36000 | 48000 | ||||
| Aandrijfketting (3-49) | | | | | | | ||||||
| Om de 1000 km (600 mijlen) schoonmaken en sme-ren | |||||||
| Remmen( ) | |||||||
| Remvloeistof (3-57) | Elk jaar of om de 6000 km (3750 mijlen) inspecteren*Om de 2 jaar vervangen | ||||||
| Remslang (3-57) | - | | | | | | |||||
| *Om de 4 jaar vervangen | |||||||
| Banden (3-68) | - | | | | | | | |||
| ichting | | | | | | |||||||
| * Voorvorken | |||||||
| * Achterwielvering | - | ||||||
| * Bouten en moeren van het frame | A | A | A | ||||
| Smering (3-14) | Om de 1000 km (600 mijlen) smeren | ||||||
| * Spaakwiel (V-STROM 800DE) | | | | | | | ||||||
OPMERKING: I en Inspecteren= Inspecteren en schoonmaken, verstellen, vervangen of voldoende smeren, V= Vervangen, A= Aandraaien
CONTROLE VÓÓR HET RIJDEN
Controleer zorgvuldig de toestand van de motorfiets zodat u onderweg geen mechanische problemen krijgt of niet meer verder kunt. Zorg dat uw motorfiets altijd in goede staat verkeert zodat de veiligheid van de bestuurder en de passagier niet in gevaar wordt gebracht en de motorfiets geen beschadigingen oploopt.

WAARSCHUWING
Als u verkeerde banden gebruikt of als de banden niet op de juiste spanning zijn, kunt u de controle over de motorfiets verliezen. Dit verhoogt het risico op een ongeluk.
Gebruik altijd de maat en het type banden dat in deze gebruikershandleiding wordt voorgeschreven. Houd altijd de bandenspanning aan die is opgegeven in het hoofdstuk INSPECTIE EN ONDER-HOUD.

WAARSCHUWING
Als uw motorfiets niet juist wordt geïnspecteerd en onderhouden vóór het rijden, vergroot dit de kans op een ongeluk of schade aan de motorfiets.
Inspecteer uw motorfiets telkens voordat u gaat rijden, zodat u zeker weet dat de motorfiets in veilige toestand verkeert. Raadpleeg het hoofdstuk INSPECTIE EN ONDERHOUD in deze gebruikershandleiding.

WAARSCHUWING
Het uitvoeren van onderhoudscontroles wanneer de motor draait kan gevaarlijk zijn. U zou zich ernstig kunnen verwonden als uw handen of kleding vast komen te zitten in bewegende motoronderdelen.
Zet de motor af wanneer u onderhouds- controles uitvoert, behalve wanneer u de verlichting, de motorstopschakelaar en het gas controleert.
| WAT TE CONTROLEREN | CONTROLEER: |
| Stuurinrichting • Soepelheid• Moet vrij kunnen bewegen• Geen speling, mag niet loszitten | |
| Gashendel Soepele | werking en automatische terugkeer van de gasgreep naar de gesloten positie |
| Koppeling(2-134) | • Juiste speling van de hendel• Soepele en progressieve werking |
| Remmen(2-132, 2-133, 3-57) | • Juiste werking van het pedaal en de hendel• Het vloeistofpeil in het reservoir moet boven de onderste (LOWER) streep staan.• Juiste speling van het pedaal en de hendel• Geen “sponzige” werking• Er mag geen vloeistof lekken• Remblokken niet voorbij de slijtagegrens afgesleten |
| Vering(2-135) | Soepele beweging |
| Brandstof(2-52) | Voldoende brandstof voor de af te leggen afstand |
| Aandrijfketting(3-49) | Juiste spanning of doorhangingVoldoende smeringGeen overmatige slijtage ofbeschadiging |
| Banden(3-68) | Juiste spanningGenoeg profielGeen barsten of scheuren |
| Motorolie(3-28) | Juiste peil |
| Koelsysteem(3-42) | Juiste koelvloeistofpeilEr mag geen koelvloeistoflekken |
| Lichten(2-26, 2-105) | Werking van alle lichten en indicatielampjes |
| Claxon(2-106) | Juiste werking |
| Motorstopschakelaar(2-108) | Juiste werking |
| Zijstandaard/contactcircuit-blokkeersysteem(2-116) | Juiste werking |
| Windscherm(2-148) | Goed zicht |
| Spaakwielen(V-STROM800DE)(3-77, 3-78) | • Spaakspanning• Controleren op beschadiging |
GEREEDSCHAP
Er is een gereedschapset ① bijgeleverd die zich onder het zadel bevindt.

Juiste smering is belangrijk voor het soepele gebruik en verlengde levensduur van ieder werkend onderdeel van uw motorfiets. Voor veilig rijden is het een goede gewoonte om de motorfiets te smeren na een lange stevige rit en als de motorfiets nat is geworden in de regen of na het wassen.
LET OP
Smeren van de elektrische schakelaars kan resulteren in beschadiging van de schakelaars.
Smeer geen vet of olie op de elektrische schakelaars.
De belangrijkste smeringspunten zijn hierna aangegeven.


De afbeelding toont V-STROM 800DE.
G..... Vet
D.....Aandrijfkettingsmeermiddel
①..... Draaipunt van koppelingshendel
②..... Draaipunt en veerhaak van zijstandaard
③..... Draaipunt van versnellingshendel en draaipunt van voetsteun
④..... Aandrijfketting
⑤..... Draaipunt van remhendel
⑥..... Draaipunt van rempedaal en draaipunt van voetsteun
⑦..... Draaipunt en veerklem van middenstandaard (Brazilië)
ACCU
OMSCHRIJVING
De accu is een gesloten type accu en deze vereist geen onderhoud. Laat uw dealer wel regelmatig de spanningstoestand van de accu controleren.
Het symbool van een doorgestreepte afval-container Ⓐ op het acculabel betekent dat een versleten accu niet met het normale huisvuil mag worden meegegeven.
Het scheikundige symbool "Pb" Ⓑ duidt erop dat de accu meer dan 0,004% lood bevat.

Door de versleten accu op de juiste wijze weg te doen of te recyclen, kunt u een mogelijke schadelijke invloed op het milieu en de gezondheid voorkomen, wat anders zou kunnen gebeuren wanneer de accu op de verkeerde manier wordt weggedaan. Door materialen te recyclen wordt verspilling van waardevolle grondstoffen voorkomen. Neem contact op met uw dealer voor verdere informatie over het wegdoen of recyclen van een versleten accu.
OPMERKING:
- Voor het opladen van een accu van het gesloten type gebruikt u een acculader die te gebruiken is met een accu van het gesloten type.
- Als u de accu niet kunt opladen, neem dan contact op met een dealer.
- Kies voor het vervangen van de accu hetzelfde type MF-accu.
- Wanneer u de motorfiets een tijd lang niet gebruikt, dient u toch maandelijks de accu op te laden.

WAARSCHUWIND
De accu bevat verdund zwavelzuur, dat blindheid of ernstige brandwonden kan veroorzaken.
Laat de accu niet kantelen wanneer u deze verwijdert. Draag handschoenen en geschikte beschermende uitrusting om de ogen te beschermen wanneer u in de nabijheid van de accu werkt. Als zwavelzuur in uw ogen komt, moet u ze onmiddellijk gedurende minstens 15 minuten in overvloedige hoeveelheden water wassen en vervolgens een arts raadplegen. Als u zwavelzuur binnenkrijgt, drink dan onmiddellijk een grote hoeveelheid water en raadpleeg een arts. Als zwavelzuur in contact komt met uw huid of kleding, trek uw kleding dan uit en was onmiddellijk in overvloedige hoeveelheden water. Bewaren op een plaats buiten het bereik van kinderen.

WAARSCHUWING
Accuklemmen, aansluitingen en bijbehorende delen en accessoires kunnen lood en loodverbindingen bevatten. Als er lood in uw bloed komt, is dat schadelijk voor uw gezondheid.
Was uw handen na het werken met onderdelen die lood bevatten.

WAARSCHUWING
Brandbaar waterstofgas dat wordt geproduceerd door een accu kan ontploffen als het wordt blootgesteld aan vuur of vonken.
Houd vuur en vonken uit de buurt van de accu. Rook nooit wanneer u dicht bij de accu aan het werk bent.

WAARSCHUWING
Bij schoonvegen van de accu met een droge doek kan er een vonk ontstaan als gevolg van statische elektriciteit met mogelijk brand tot gevolg.
Veeg de accu met een licht bevochtigde doek schoon om opbouw van statische elektriciteit te voorkomen.
LET OP
Als u de maximale laadstroom voor de accu overschrijdt, kan dit de levensduur verkorten.
Overschrijd nooit de maximale laadstroom van de accu. Raadpleeg een dealer voor alles wat onduidelijk is.
VERWIJDEREN
Ga als volgt te werk om de accu te verwijde- ren:
- Zet de contactschakelaar op "OFF" (uit).
- Verwijder het zadel. (2-134)
- Maak de negatieve (-) kabel ① los.
- Maak de positieve (+) accuklem ② los.
- Verwijder de band ③.
- Verwijder de accu ④.

- Veeg eventueel wit poeder dat zich aan het accuklemgedeelte bevindt weg met warm water. Als er ernstige corrosie is, poets deze dan weg met schuurpapier.
OPMERKING:
- Wanneer u accukabels verwijdert, moet u de contactschakelaar op "OFF" (uit) zetten en eerst de negatieve (-) kant verwijderen. Bevestig eerst de positieve (+) zijde wanneer u accukabels aansluit.
- Draai aan zodat er geen speling is in het accuklemgedeelte en bevestig het positieve (+) klemdeksel stevig.
- Raadpleeg een dealer wanneer u de batterij vervangt.
MONTEREN
Monteren van de accu:
- Breng na het reinigen een dun laagje vet aan op het accuklemgedeelte, monteer de accu in de omgekeerde volgorde van het verwijderen.
- Sluit de accuklemmen stevig aan en plaats de dop terug.
OPMERKING: Zorg dat u de motortoerental-indicator in het instrumentenpaneel terugstelt wanneer de accuklemmen opnieuw worden aangesloten.
LET OP
Als u de accukabels op de verkeerde polen aansluit, kunnen het oplaadsysteem en de accu worden beschadigd.
De rode accukabel dient te worden aangesloten op de positieve (+) accupool en de zwarte (of zwart met een wit streepje) accukabel dient te worden aangesloten op de negatieve (−) accupool.
BOUGIE
OMSCHRIJVING
Raadpleeg uw dealer voor het controleren of vervangen van de bougies.
LUCHTFILTER
OMSCHRIJVING
Zorg dat het luchtfilterelement schoon is zodat een krachtig motorvermogen en gunstig brandstofverbruik worden verkregen. Als u de motorfiets onder normale, niet al te zware omstandigheden gebruikt, hoeft u het luchtfilter enkel op de voorgeschreven tijdstippen schoon te maken. Als u veel in stoffige, natte of modderige omstandigheden rijdt, kan het nodig zijn dat het luchtfilterelement vaker moet worden schoongemaakt.
Gebruik de volgende procedure om het element te verwijderen en te inspecteren.

WAARSCHUWING
Het is gevaarlijk om de motor te laten draaien wanneer het luchtfilterelement niet is aangebracht. Er zou een vlam vanaf de motor naar het luchtinlaathuis kunnen overslaan, zonder dat het luchtfilterelement deze tegenhoudt. Bovendien kan de motor ernstig beschadigd raken als er vuil in de motor terechtkomt als gevolg van het draaien van de motor zonder aangebracht luchtfilterelement.
Laat de motor nooit draaien wanneer het luchtfilterelement niet is aangebracht.
LET OP
Indien het luchtfilterelement niet regelmatig nagekeken wordt wanneer de motorfiets in stoffige, natte of modderige omstandigheden wordt gebruikt, kan er schade aan uw motorfiets ontstaan. Het luchtfilterelement kan bij deze omstandigheden verstopt raken, met beschadiging van de motor tot gevolg.
Inspecteer altijd het luchtfilterelement na het rijden in extreme omstandigheden. Vervang het element indien vereist. Reinig het element en de binnenkant van het luchtfilterhuis onmiddellijk wanneer er water in het luchtfilterhuis terechtkomt.
VERWIJDEREN
- Verwijder het zadel. (2-134)
- Verwijder de accu. (3-16)
- Verwijder de bouten en de accuhouder ①.
- Verwijder de plaat ②. (V-STROM 800DE)

- Verwijder de schroeven en trek de luchtfilterdop ③ omhoog.

- Verwijder het voorfilter ④ en het luchtfilterelement ⑤.

- Leg het luchtfilterelement met de stofzijde naar beneden en klop er lichtjes op om stof en vuil te verwijderen.
- Blaas voorzichtig lucht vanaf de gaaszijde om het stof weg te blazen. Vervang het luchtfilterelement als het beschadigd is.
OPMERKING: Breng de luchtdruk altijd alleen op de gaaswerkkant van het luchtfilte-relement aan. Als u luchtdruk op de textiel-kant van het element aanbrengt, zal het vuil in de poriën van het element worden gedrukt waardoor de luchtstroom door het element wordt belemmerd.

Was het polyesterschuimelement als volgt:
- Maak het voorfilter schoon door het in schone petroleum te dompelen Ⓐ.
- Knijp het voorfilter uit met de palm van uw hand en laat het drogen. Het voorfilter daarbij niet verdraaien of uitwringen.
- Dompel het voorfilter onder in schone olie Ⓑ.
Aanbevolen olie:
Motorolie gelijkwaardig aan SAE 10W-30
- De overtollige olie uitknijpen.
![graph TD A["Step A: Down arrow"] --> B["Step B: Down arrow"] B --> C["Step C: Down arrow"]](/content/2026/06/1164944/images/3e4dde0e6d2c5ffb17e14502c7896a8385178ff11bb5a753bd60841f66418329.jpg)

WAARSCHUWING
Nieuwe en afgewerkte olie en oplosmiddel kunnen gevaarlijk zijn. Wanneer kinderen of huisdieren per ongeluk nieuwe of afgewerkte olie of oplosmiddel binnen krijgen, kan dit ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken. Herhaaldelijk en langdurig contact met afgewerkte motorolie kan huidkanker veroorzaken. Kortstondige aanraking met afgewerkte olie of oplosmiddel kan huidirritatie veroorzaken.
- Houd nieuwe en afgewerkte olie en oplosmiddel altijd buiten het bereik van kinderen en huisdieren.
- Draag kleding met lange mouwen en waterdichte handschoenen.
- Spoel met zeep als olie of oplosmiddel in aanraking komt met de huid.
OPMERKING: Recycle afgewerkte olie of oplosmiddel of ruim het op de juiste manier op.
MONTEREN
LET OP
Een scheur in het luchtfilterelement leidt ertoe dat vuil de motor kan binnendringen. Dit kan de motor beschadigen.
Vervang het luchtfilterelement door een nieuwe als het gescheurd is. Inspecteer het luchtfilterelement zorgvuldig op scheurtjes tijdens het reinigen van het element.
LET OP
Als u het luchtfilterelement niet op de juiste wijze plaatst, kan dit ertoe leiden dat er vuil langs het element gaat. Dit veroorzaakt schade aan de motor.
Zorg ervoor dat u het luchtfilterelement op de juiste wijze plaatst.
LET OP
Als het voorfilter ② niet goed geïnstalleerd is bij het installeren van de luchtfilterdop ①, kan er vreemd materiaal in de motor komen en schade veroorzaken.
Installeer het voorfilter zodanig dat het niet klem zit tussen de luchtfilterdop.

Monteer het door de verwijderingsprocedure in omgekeerde volgorde uit te voeren en daarbij op de volgende punten te letten.
- Plaats het voorfilter ① zoals weergegeven in de afbeelding.

- Bevestig de luchtfilterdop loodrecht op het filteroppervlak, zodat het voorfilter niet van positie verandert.

Controleer elk jaar of er zich water of olie heeft opgehoopt in de afvoerbuis van het luchtfilter aan de onderkant van de luchtfilterkast. Als zich vuil of water heeft opgehoopt, verwijdert u de afvoerbuis van het luchtfilter ① en verwijdert u vervolgens opgehoopt vuil en water.

Bevestig de afvoerbuis van het luchtfilter stevig.
MOTOROLIE
OMSCHRIJVING
De levensduur van de motor is afhankelijk van de hoeveelheid olie en de kwaliteit. Het dagelijks controleren van het oliepeil en het periodiek verversen van de olie behoren tot de belangrijkste onderhoudspunten.
OPMERKING: Lees de waarschuwingen op de verpakking van de motorolie en de instructies in deze paragraaf alvorens motorolie toe te voegen, af te tappen of te vervangen.
KEUZE VAN DE MOTOROLIE
Suzuki beveelt het gebruik van originele SUZUKI-olie of gelijkwaardige motorolie aan.
| Olie\Standaard | SAE JASO |
| ECSTAR R9000 10W-40 MA | |
| ECSTAR R7000 10W-40 MA | |
| ECSTAR R5000 10W-40 MA |
Gelijkwaardige motorolie is motorolie die aan de volgende normen voldoet.
SAE motorolie-viscositeit
Als SAE 10W-40 motorolie niet verkrijgbaar is, kan een andere olie worden gebruikt overeenkomstig de volgende tabel.

*GEBRUIK ALLEEN SJ of SL.
LET OP
Het mengen van oliën van verschillende merken en kwaliteiten kan de kwaliteit van de olie veranderen en een storing veroorzaken.
Meng geen oliën en gebruik geen olie van lage kwaliteit.
Energiebesparend (Energy Conserving)
Suzuki raadt het gebruik van oliën met de aanduiding "ENERGY CONSERVING" (ENERGIEBESPARING) of "RESOURCE CONSERVING" (MIDDELENBESPARING) af. Sommige motoroliën van API-klasse SJ, SL, SM of SN hebben een aanduiding "ENERGY CONSERVING" (ENERGIEBESPARING) of "RESOURCE CONSERVING" (MIDDELENBESPARING) in het donutvormige API-classificatiemerk. Deze oliën kunnen een nadelige invloed hebben op de levensduur van de motor en de prestatie van de koppeling.
API SJ, SL, SM of SN

Aanbevolen
API SJ, SL of SM API SN

Niet aanbevolen
JASO T903
De JASO T903-norm is een maatstaf voor het kiezen van motoroliën voor 4-taktmoto-ren van motorfietsen en ATV's. De motoren van motorfietsen en ATV's smeren de koppelings- en versnellingstandwielen met motorolie. JASO T903 specificeert de prestatievereisten voor koppelingen en versnel-lingen van motorfietsen en ATV's.
Er zijn twee klassen, MA(MA1, MA2) en MB. Het oliereservoir toont bijvoorbeeld de MA-classificatie als volgt.

① Codenummer van de olieverkoopfirma
② Olieklasse
CONTROLE VAN HET MOTOROLIENIVEAU
Controleer het motoroliepeil als volgt:
- Zet de motorfiets op een vlakke, horizontale ondergrond op de zijstandaard.
- Start de motor en laat deze drie minuten stationair draaien.
- Zet de motor af en wacht drie minuten op de zijstandaard.
- Plaats de motorfiets rechtop en controleer of het oppervlak van de motorolie in het kijkglas aan de rechterkant van de motor tussen F (bovenste niveau) ① en L (onderste niveau) ② staat.
Als de olie zich boven de F (bovenste niveau) ① of onder de L (onderste niveau) ② bevindt, pas het niveau dan aan zodat dit tussen F en L ligt.
- Als de olie zich onder de L (onderste niveau) ② bevindt, voeg dan extra olie toe.
- Als de olie zich boven F (bovenste niveau) ① bevindt, moet u olie aftappen om het niveau aan te passen. Raadpleeg een dealer voor informatie over het aftappen van olie.

De uitlaatpijp, knaldemper en de motor worden heet wanneer de motor draait en nadat deze is gestopt. Als u ze aanraakt voordat ze zijn afgekoeld, kan dit brandwonden veroorzaken.
Wacht bij het uitvoeren van onderhoud aan onderdelen in de buurt totdat de uitlaatpijp, knaldemper en de motor voldoende afgekoeld zijn om aan te raken voordat u met onderhoud begint.
LET OP
Zowel te weinig als te veel olie kan beschadiging van de motor veroorzaken.
Parkeer de motorfiets op een vlakke, horizontale ondergrond. Controleer het motoroliepeil via het kijkglas voor het motoroliepeil, telkens voordat u het voertuig gebruikt. Zorg dat het motoroliepeil altijd boven het "L"-streepje (laag) is en onder het "F"-streepje (vol).
OPMERKING: Als u met de motorfiets schudt voordat u het oliepeil controleert, is het mogelijk dat u de juiste hoeveelheid niet kunt controleren.
VOEG DE MOTOROLIE TOE
Volg de volgende procedure om extra motorolie toe te voegen.
-
Laat de motor drie minuten stationair draaien in een vlak gebied en stop dan de motor.
-
Wacht drie minuten en verwijder dan de olievuldop ③.

-
Plaats de motorfiets rechtop en voeg olie toe zodat het oppervlak van de motorolie zich tussen F (bovenste niveau) ① en L (onderste niveau) ② bevindt.
-
Bevestig de dop ③ stevig.

WAARSCHUWING
Wanneer kinderen of huisdieren per ongeluk nieuwe of afgewerkte olie binnen krijgen, kan dit ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken.
Houd nieuwe en afgewerkte olie en gebruikte oliefilters altijd buiten het bereik van kinderen en huisdieren.

WAARSCHUWING
Herhaaldelijk en langdurig contact met afgewerkte motorolie heeft huidkanker veroorzaakt bij proeven op dieren. Kortstondige aanraking met olie kan huidirritatie veroorzaken.
Om contact met afgewerkte olie tot een minimum te beperken, moet u kleding met lange mouwen dragen en ook handschoenen die geen vloeistof doorlaten (zoals afwashandschoenen) wanneer u de olie ververst. Als er olie op uw huid terechtkomt, was dan de betreffende plaats grondig met zeep en water. Kleding of doeken waarop olie terecht is gekomen, moeten in de was worden gedaan. Recycle afgewerkte olie of gebruikte filters of ruim deze op de juiste manier op.
LET OP
Als er vuil uit het oliefilter komt, kan dit de motor beschadigen.
Controleer of er geen stof, modder of vreemd materiaal aan het oliereservoir is gehecht en zorg ervoor dat er geen vreemd materiaal via de olievulopening binnenkomt.
OPMERKING: Veeg eventueel gemorste olie volledig weg.
DE MOTOROLIE EN HET FILTER VER- VANGEN
Ververs de motorolie en vervang het oliefilter op de voorgeschreven tijdstippen. De motor moet altijd warm zijn wanneer de olie ververst wordt zodat alle olie wordt afgetapt. Ga als volgt te werk:
- Plaats de motorfiets.
- Verwijder de bouten en het onderdeksel ①. (V-STROM 800DE)

- Verwijder de olievuldop ②.

- Verwijder de aftapplug ③ met de pakking ④ uit de onderkant van de motor en laat de motorolie in een opvangbak lopen.

De afbeelding toont V-STROM 800DE.

VOORZICHTIG
Hete motorolie en uitlaatpijpen kunnen brandwonden veroorzaken.
Wacht totdat de olie-aftapplug en de uit- laatpijpen voldoende zijn afgekoeld zodat deze met blote handen kunnen worden aangeraakt, voordat u de olie aftapt.
LET OP
Wanneer u de motor laat draaien terwijl de motorolie wordt afgetapt, zal er te weinig oliesmering in de motor zijn waardoor de motor beschadigd raakt.
Gebruik de elektrische startschakelaar niet tijdens het verversen van de motorolie.
OPMERKING:
- Recycle afgewerkte olie of ruim deze op de juiste manier op.
-
Controleer voordat u met het werk begint of er geen stof, modder of andere verontreinigingen in het oliereservoir of op het montagevlak voor het oliefilter zitten.
-
Draai het oliefilter ⑤ linksom en verwijder deze met een Suzuki "dop-type" oliefiltersleutel of een "band-type" filtersleutel van de juiste afmeting.

De afbeelding toont V-STROM 800DE.

Verkrijgbaar bij uw Suzuki-dealer Oliefiltersleutel (onderdeelnummer 09915-40620)
- Veeg met een schone doek het montagevlak ⑥ op de motor, waar het nieuwe filter wordt gemonteerd, af.

De afbeelding toont V-STROM 800DE.
- Smeer een beetje motorolie rond de rubber pakking ⑦ van het nieuwe oliefilter.

- Schroef het nieuwe filter er met de hand in totdat de filterpakking in contact komt met het montagevlak (u voelt een beetje weerstand).
LET OP
Gebruik van een oliefilter van een ander dan het juiste ontwerp en schroefdraad-specificatie kan de motor van uw motorfiets beschadigen.
Gebruik een origineel Suzuki-oliefilter of een gelijkwaardig filter dat ontworpen is voor uw motorfiets.
OPMERKING: Om het oliefilter op de juiste wijze aan te draaien, is het van belang om precies te weten op welk punt de filterpakking het eerst in aanraking komt met het montagevlak.
- Markeer de positie van het bovenste dode punt op de "dop-type" filtersleutel of op het oliefilter. Gebruik een oliefilter-sleutel om het filter nog 2 volle slagen of met het voorgeschreven koppel aan te halen om dit vast te zetten.
Aanhaalkoppel van oliefilter: 20 N·m (2,0 kgf-m, 15,0 lbf-ft)

Draai het oliefilter nog 2 volle slagen vast of haal het met het voorgeschreven koppel aan.
- Vervang de pakking van de aftapplug ④ door een nieuwe.

- Monteer de aftapplug ③ en de pakking ④. Draai de plug met een momentsleutel stevig vast.
Aanhaalkoppel van aftapplug: 23 N·m (2,3 kgf-m, 17,0 lbf-ft)

De afbeelding toont V-STROM 800DE.
- Giet 3500 ml (3,7/3,1 US/Imp. qt) nieuwe motorolie door de vulopening en mon- teer de vuldop. Zorg ervoor dat u altijd de voorgeschreven motorolie gebruikt die wordt beschreven in Deel "KEUZE VAN DE MOTOROLIE" op pagina 3-28.
OPMERKING: Er is ongeveer 3000 ml (3,2/2,6 US/Imp. qt) olie vereist wanneer enkel de olie wordt ververst.
LET OP
Wanneer u olie gebruikt die niet voldoet aan de specificaties van Suzuki, kan dit schade aan de motor veroorzaken.
Gebruik de olie die wordt voorgeschreven in de paragraaf KIEZEN VAN MOTOROLIE.
- Start de motor (terwijl de motorfiets buiten op een vlakke, horizontale ondergrond staat) en laat deze drie minuten lang stationair draaien.
- Zet de motor af en wacht ongeveer drie minuten. Controleer het oliepeil opnieuw in het kijkglas voor het motoroliepeil terwijl de motorfiets rechtop wordt gehouden. Als het oliepeil onder het "L"-streepje staat, vul dan olie bij tot het oliepeil tussen het "L"-streepje en het "F"-streepje staat. Controleer rondom de aftapplug en rondom het oliefilter op lekkage.
OPMERKING: Als u niet over de juiste olie-filtersleutel beschikt, laat dan uw dealer deze werkzaamheden verrichten.
- Monteer het onderdeksel en de bouten weer. (V-STROM 800DE)
KOELVLOEISTOF
OMSCHRIJVING
Koelvloeistof moet regelmatig worden ververst. Vervang deze met geschikte tussenpozen in overeenstemming met het onderhoudsschema. Raadpleeg een dealer voor het verversen van koelvloeistof.
OVER DE MOTORKOELVLOEISTOF
De koelvloeistof werkt als antivries, maar heeft ook de functie roest te voorkomen en de waterpomp te smeren. Daarom dient te allen tijde koelvloeistof te worden gebruikt, ook al valt de buitentemperatuur op uw locatie niet onder het vriespunt.
Gebruik "SUZUKI SUPER LONG LIFE COOLANT" of "SUZUKI LONG LIFE COOLANT". Als "SUZUKI SUPER LONG LIFE COOLANT" en "SUZUKI LONG LIFE COOLANT" niet verkrijgbaar zijn, kunt u een antivries op glycol-basis compatibel met aluminium radiateurs gebruiken gemengd met uitsluitend gedistilleerd water in een verhouding van 50:50.
Volume van de koelvloeistofoplossing
(totaal): 1870 ml
(2,0/1,6 US/Imp. qt)
| 50% | Water | 935 ml(1,0/0,8 US/Imp. qt) |
| Koelvloeistof | 935 ml(1,0/0,8 US/Imp. qt) |
Suzuki super long life coolant (Blauw)
“SUZUKI SUPER LONG LIFE COOLANT” is voorgemengd in de juiste verhouding. Voeg alleen “SUZUKI SUPER LONG LIFE COOLANT” toe als het koelvloeistofpeil lager wordt. Het is niet nodig om “SUZUKI SUPER LONG LIFE COOLANT” te verdunnen wanneer de koelvloeistof wordt ververst.

WAARSCHUWING
Een fout maken bij het hanteren van koelvloeistof kan zowel uw lichaam als de motorfiets negatief beïnvloeden.
Lees voordat u begint aandachtig de waarschuwingen op de verpakking. Raadpleeg een dealer voor alles wat onduidelijk is.
OPMERKING:
- Lees voordat u met koelvloeistof gaat werken de waarschuwing op de koel-vloeistofverpakking en de instructies in deze paragraaf.
- Dit mengsel met 50% koelvloeistof beschermt het koelsysteem tegen bevriezing bij temperaturen boven -31 °C (-24 °F). Indien u verwacht dat de motorfiets zal worden blootgesteld aan temperaturen beneden -31 °C (-24 °F), dient u de mengverhouding te verhogen tot 55% (-40 °C/-40 °F) of 60% (-55 °C/-67 °F) koelvloeistof. De mengverhouding mag de 60% koelvloeistof niet overschrijden.
HET KOELVLOEISTOFNIVEAU CONTRO- LEREN
Voer bij een koude motor een inspectie uit volgens de volgende procedure.
-
Parkeer op een vlakke ondergrond.
-
Plaats de motorfiets rechtop en controleer of de koelvloeistofpeil zich tussen F (bovenste niveau) ① en L (onderste niveau) ② bevindt.

De afbeelding toont V-STROM 800DE.
OPMERKING:
- Een duidelijke afname van de koelvloeistof kan wijzen op lekken in het radiator- lichaam of de slangen. Laat uw motorfiets door een dealer nakijken.
- Als het koelvloeistofreservoir leeg is, controleer dan het koelvloeistofpeil in de radiateur.
- Vul bij met koelvloeistof. Gebruik geen bronwater of natuurlijk water.
- Raadpleeg een dealer voor het verversen van koelyloeistof.
OM DE VOORGESCHREVEN KOEL-VLOEISTOF TOE TE VOEGEN
Om de voorgeschreven koelvloeistof toe te voegen:
- Parkeer op een vlakke ondergrond.
- Verwijder de schroeven en de afdekking ①.

De afbeelding toont V-STROM 800DE.
- Verwijder de vulkap ②.
- Voeg gespecificeerde koelvloeistof toe via het vulgat totdat het niveau de "F"-lijn ③ bereikt met de motorfiets rechtop gehouden. Raadpleeg het gedeelte MOTORKOELVLOEISTOF.(3-42)

De afbeelding toont V-STROM 800DE.
OPMERKING: Als u alleen water toevoegt, verdunt u de koelvloeistof en neemt de werking van de koelvloeistof af. Voeg de voorgeschreven koelvloeistof toe.

WAARSCHUWING
Koelvloeistof is schadelijk en mogelijk zelfs fataal wanneer deze wordt ingeslikt of de dampen ervan worden ingeademd. De oplossing kan giftig zijn voor dieren.
Drink geen antivries of koelvloeistofoplossing. Indien de oplossing wordt ingeslikt, moet u geen braakneigingen opwekken. Neem onmiddellijk contact op met een vergiftiginginformatiecentrum of een arts. Vermijd inademen van nevel of hete dampen. Indien dit toch gebeurt, gaat u naar een plek met frisse lucht. Als koelvloeistof in de ogen terechtkomt, moet u de ogen overvloedig met water spoelen en de hulp van een arts inroepen. Was uw handen grondig na het werken met remvloeistof. Buiten het bereik van kinderen en dieren houden.

WAARSCHUWING
Het verwijderen van de radiatordop wanneer de motor heet is, kan ertoe leiden dat de koelvloeistof naar buiten spuit en brandwonden veroorzaakt.
Vul koelvloeistof bij door de dop van het expansiereservoir te verwijderen. Verwijder de radiatordop niet.

VOORZICHTIG
Als de koelvloeistof bij het bijvullen de "F"-lijn overschrijdt, kan deze uit de reservoirtank overlopen wanneer de motor heet wordt.
Wanneer u koelvloeistof toevoegt, moet u ervoor zorgen dat het koelvloeistofpeil niet hoger is dan de "F"-lijn.
LET OP
Gemorste koelvloeistof kan de gelakte delen van uw motorfiets aantasten.
Zorg ervoor dat u geen koelvloeistof morst bij het vullen van de radiateur. Veeg gemorste koelvloeistof onmiddel- lijk op.
INSPECTEREN VAN DE RADIATEURS-LANGEN
Inspecteer de radiateurslangen op scheurtjes, beschadiging of koelvloeistoflekkage. Als er problemen worden geconstateerd, vraag uw dealer dan om de radiateurslang te vervangen door een nieuwe.
STATIONAIR TOERENTAL
INSPECTIE
Controleer het stationair toerental. Het stationaire toerental moet 1200 – 1400 omw/min zijn wanneer de motor warm is.
OPMERKING: Als het stationair toerental niet binnen het voorgeschreven bereik is, ga dan naar uw dealer om de motorfiets te laten nakijken en repareren.
AANDRIJFKETTING
OMSCHRIJVING
Deze motorfiets heeft een endless-type ketting die vervaardigd is van speciale materialen. De ketting heeft geen hoofdverbindingsschakel. Wij raden u aan deze ketting te laten vervangen door een dealer wanneer de ketting versleten is. De toestand en de verstelling van de aandrijfketting moeten elke dag voordat u gaat rijden gecontroleerd worden. Volg altijd de richtlijnen voor het inspecteren en onderhouden van de ketting.

WAARSCHUWING
Een onvoldoende gespannen ketting kan ertoe leiden dat de ketting van de tandwielen loopt, hetgeen een ongeluk of ernstige schade aan de motorfiets kan veroorzaken.
Controleer voor elke rit de aandrijfket- tingspanning en stel deze af.
INSPECTEREN VAN DE AANDRIJFKETTING
Controleer de ketting op de volgende pun- ten:
- Losse pennen
- Beschadigde rollen
• Droge of verroeste schakels
• Verbogen of vastzittende schakels
• Overmatige slijtage - Onjuiste kettingspanning
Als er problemen zijn met de toestand of de afstelling van de aandrijfketting, moet u deze meteen verhelpen.
Raadpleeg indien nodig een dealer.
Als de aandrijfketting beschadigd is, bestaat de kans dat ook de tandwielen beschadigd zijn. Controleer de tandwielen op de volgende punten:
• Overmatige slijtage van de tanden
- Afgebroken of beschadigde tanden
- Losse bevestigingsmoeren van de tandwielen
Neem contact op met uw dealer als u een van deze problemen van uw tandwiel constateert.

WAARSCHUWIND
Wanneer u een vervangingsketting niet juist monteert of als u een scharnierclip-type ketting gebruikt, ontstaat er een gevaarlijke situatie. Een verkeerd gemonteerde hoofdverbindingsschakel of een scharnierclip-type ketting kan breken en een ongeluk of zware motorbeschadiging veroorzaken.
Gebruik geen scharnierclip-type ketting. Bij het vervangen van de ketting hebt u een speciaal klinkgereedschap en een niet scharnierclip-type ketting van top-kwaliteit nodig. Vraag een dealer om deze werkzaamheden uit te voeren.
SCHOONMAKEN EN SMEREN VAN DE AANDRIJFKETTING
Reinig en smeer de aandrijfketting volgens de volgende procedure.
- Verwijder vuil en stof van de aandrijfketting. Wees voorzichtig dat u de afdichtringen niet beschadigt.
- Gebruik voor het reinigen een speciale afdichtingskettingreiniger of water of een neutraal schoonmaakmiddel en een zachte borstel. Zelfs een zachte borstel kan de afdichtingen beschadigen, dus pas op dat u de afdichtringen niet beschadigt.
LET OP
Wanneer de aandrijfketting verkeerd wordt schoongemaakt, kunnen de afdichtringen worden beschadigd waardoor de ketting niet meer bruikbaar is.
- Gebruik geen vluchtige oplosmiddelen zoals witte spiritus, petroleum of wasbenzine.
- Gebruik geen hogedrukreiniger om de aandrijfketting schoon te maken.
-
Gebruik geen staalborstel om de aan-drijfketting schoon te maken.
-
Veeg het water en neutraal schoonmaakmiddel weg.
- Smeer de aandrijfketting met een speciaal kettingsmeermiddel voor afgedichte kettingen of met olie met hoge viscositeit (#80 - 90).
LET OP
Sommige aandrijfkettingsmeermiddelen bevatten oplosmiddelen en toevoegingen die de afdichtringen in uw aandrijfketting zouden kunnen beschadigen.
Gebruik een aandrijfkettingsmeermiddel dat speciaal ontwikkeld is voor gebruik met afgedichte aandrijfkettingen.
- Smeer zowel de voor- als de achterpla- atjes van de aandrijfketting in.
- Veeg na het smeren het overtollige smeermiddel volledig van de aandrijfketting af.
AFSTELLEN VAN DE AANDRIJFKETTING
Controleer de doorbuiging van de aandrijf-ketting voor elk gebruik van de motorfiets. Zet de motorfiets op de zijstandaard. De aandrijfketting moet worden afgesteld met doorbuiging in het midden tussen de ketting-grol ① en het achterste tandwiel ②, zoals weergegeven.

V-STROM 800DE
Doorbuiging van ketting "a":
U kunt zich verbranden aan een hete uit- laatpijp of knaldemper. De uitlaatpijp of knaldemper blijft ook een tijd nadat u de motor hebt afgezet nog zo heet dat u zich eraan kunt verbranden.
Wacht tot de uitlaatpijp of knaldemper is afgekoeld voordat u de aandrijfketting verwijdert.
Ga als volgt te werk om de aandrijfketting af te stellen:
- Zet de motorfiets op de zijstandaard.
- Draai de asmoer ① los.

De afbeelding toont V-STROM 800DE.
- Draai de rechter en linker borgmoer ② los.
-
Draai aan de rechter en linker stelbout ③ totdat de ketting de voorgeschreven doorbuiging heeft in het midden tussen de kettingrol en het achterste tandwiel.
-
Tijdens het spannen van de ketting moet u ervoor zorgen dat het achterste tandwiel precies blijft uitgelijnd met het voorste tandwiel. Om het verstellen te vergemakkelijken, zijn er referentietekens ④ op de achterbrug en op elke kettingspanner die met elkaar uitgelijnd moeten worden en die gebruikt moeten worden als referentie voor de afstelling van de ene kant ten opzichte van de andere.
- Draai de asmoer ① stevig vast.
- Controleer na het aandraaien de kettingspanning nogmaals en stel deze indien nodig bij.
- Draai de rechter en linker borgmoeren ② vast.
Aanhaalkoppel van achterasmoer:
Aanhaalkoppel van borgmoer kettingversteller:
22 N·m (2,2 kgf-m, 16,5 lbf-ft)
OPMERKING: Stel de aandrijfketting niet voorbij het instelbereik ④ af. Vervang de aandrijfketting voordat deze de slijtagegrens heeft bereikt.
KOPPELINGSHENDEL
OMSCHRIJVING
De speling van de koppelingshendel moet 10 – 15 mm (0,4 – 0,6 in) zijn, gemeten aan het uiteinde van de hendel. Als de speling verkeerd is, moet deze worden afgesteld zoals hieronder is beschreven.
AFSTELLEN VAN DE KOPPELINGSHEN- DEL
- Schuif de stofhuls ①.
- Draai de borgmoer ② van de koppelingskabel-afsteller los.
- Draai aan de koppelingskabelversteller ③ tot de voorgeschreven speling is verkregen.
- Draai de borgmoer ② vast.
- Monteer de stofhuls ① opnieuw.
V-STROM 800DE

V-STROM 800

REMMEN
OMSCHRIJVING
Deze motorfiets is voor en achter uitgerust met schijfremmen.

WAARSCHUWING
Als u het remsysteem van uw motorfiets niet goed inspecteert en onderhoud, kan het risico op een ongeluk verhogen.
Controleer de remmen voor elke rit, zoals beschreven in het hoofdstuk CONTROLE VÓÓR HET RIJDEN. Onderhoud de remmen zoals beschreven in het ONDERHOUDSSSCHEMA.
OPMERKING: Rijden met de ATV in modder, water, zand of andere extreme omstandigheden heeft een verhoogde slijtage van de remmen tot gevolg. Als u uw motorfiets onder deze omstandigheden gebruikt, moeten de remmen vaker gecontroleerd worden dan in het ONDERHOUDSSCHEMA is aangegeven.
INSPECTEREN VAN DE REMSLANGEN
Inspecteer de remslangen en slangverbindingen op scheurtjes, beschadiging of remvloeistoflekkage. Ga naar uw dealer om de remslang te laten vervangen als er defecten worden vastgesteld.
REMVLOEISTOF
Controleer regelmatig het remvloeistofpeil in het voor- en achterremvloeistofreservoir. Als het peil in een van de reservoirs beneden het onderste streepje ① staat, dient u te controleren of er sprake is van slijtage van de remblokken of lekkage.

VOOR

ACHTER

WAARSCHUWING
Remvloeistof neemt geleidelijk vocht op via de remslangen. Remvloeistof met een hoog watergehalte heeft een lager kookpunt en kan een defect van het remsysteem (inclusief ABS) veroorzaken als gevolg van corrosie van de remonderdelen. Kokende remvloeistof of een defect van het remsysteem (inclusief ABS) kan resulteren in een ongeluk.
Ververs de remvloeistof elke twee jaar om een goede remprestatie te behouden.

WAARSCHUWING
Een duidelijke afname van de remvloeistof kan wijzen op lekken in het remsysteem. Als er onvoldoende remvloeistof is, werken de remmen mogelijk niet volledig, wat kan leiden tot een ongeluk.
Laat uw motorfiets door een dealer nakijken.

WAARSCHUWING
Bij gebruik van een andere vloeistof dan DOT4 remvloeistof uit een afgesloten verpakking kan het remsysteem beschadigd raken wat kan leiden tot een ongeluk.
Maak de vuldop schoon voordat u die verwijdert. Gebruik uitsluitend DOT4 remvloeistof uit een afgesloten blik. Gebruik en meng nooit verschillende soorten remvloeistof.

WAARSCHUWING
Als er vuil in de reservoirtank komt, kan het remsysteem defect raken.
Reinig rond de vuldop voordat u deze opent wanneer u remvloeistof toevoegt.

WAARSCHUWING
Remvloeistof is schadelijk en mogelijk zelfs fataal wanneer deze wordt ingeslikt en veroorzaakt ook letsel wanneer deze in contact komt met de ogen of de huid. De oplossing kan giftig zijn voor dieren.
Indien per ongeluk remvloeistof wordt ingeslikt, moet u geen braakneigingen opwekken. Neem onmiddellijk contact op met een vergiftiginginformatiecentrum of een arts. Als remvloeistof in de ogen terechtkomt, moet u de ogen overvloedig met water spoelen en de hulp van een arts inroepen. Was uw handen grondig na het werken met remvloeistof. Buiten het bereik van kinderen en dieren houden.
LET OP
Gemorste remvloeistof kan schade toebrengen aan gelakte oppervlakken en plastic onderdelen.
Zorg ervoor dat u geen vloeistof morst bij het vullen van het remvloeistofreservoir. Veeg gemorste vloeistof onmiddel- lijk op.
REMBLOKKEN
Controleer of de voorste en achterste remblokken versleten zijn tot aan de slijtagegrens-groef ①. Als een voorste of achterste remblok tot aan de slijtagegrens-groef is versleten, moeten beide voorste of beide achterste remblokken door nieuwe worden vervangen.
Nadat de voorste of achterste remblokken zijn vervangen, moet de remhendel of het rempedaal een paar maal pompend worden bediend. Hierdoor worden de remblokken aangespannen en komen ze in de juiste positie te zitten.
Nieuwe remblokken werken bij gebruik met verschillende kracht, dus rijd voorzichtig.
OPMERKING: Trek/druk de remmen niet aan zolang niet alle remblokken op hun plaats zitten. De zuigers kunnen slechts met moeite weer in de uitgangsstand teruggezet worden en er kan hierbij remvloeistoflekkage optreden.
V-STROM 800DE

Als u de remblokken niet controleert en onderhoudt en ze vervangt wanneer dit aangeraden wordt, neemt de kans op een ongeluk toe.
Ga naar uw dealer als de remblokken vervangen moeten worden. Controleer en onderhoud de remblokken zoals voorgeschreven.

WAARSCHUWING
Vervangen van slechts een van de twee remblokken kan leiden tot ongelijkmatig remmen, met een verhoogde kans op ongelukken.
Vervang altijd beide remblokken tegelijk.

WAARSCHUWING
Als u na een reparatie aan het remsysteem of vervangen van de remblokken wegrijdt met deze motorfiets zonder eerst de remhendel/het rempedaal even te pompen, kan de remwerking minder effectief zijn, waardoor ongelukken kunnen ontstaan.
Bedien na een reparatie aan het remsysteem of vervangen van de remblokken de remhendel/pedaal enkele malen pompend tot de remblokken tegen de remschijven aan zijn gedrukt en de juiste hendel-/pedaalslag en stijfheid zijn verkregen.
AFSTELLEN VAN HET ACHTERREMPE- DAAL
De stand van het achterrempedaal dient altijd juist afgesteld te zijn, anders zullen de schijfremblokken tegen de schijf aanlopen, hetgeen beschadiging van zowel de remblokken als het oppervlak van de schijf zal veroorzaken.
Stel de hoogte van het rempedaal als volgt af:
- Verwijder de bouten en de voetsteunbescherming ①.

De afbeelding toont V-STROM 800DE.
- Draai de borgmoer ② los en draai de drukstang ③ tot het rempedaal zich onder de bovenrand van de voetsteun bevindt.
V-STROM 800DE
Hoogte rempedaal "a":
10 - 20 mm (0,4 - 0,8 in)
V-STROM 800
Hoogte rempedaal "a":
20 - 30 mm (0,8 - 1,2 in)

De afbeelding toont V-STROM 800DE.
- Draai de borgmoer ② weer vast om de drukstang ③ in de juiste stand vast te zetten.
- Monteer de voetsteunbescherming en de bouten weer.
LET OP
Een onjuist afgesteld rempedaal kan ertoe leiden dat de remblokken voortdu- rend tegen de schijf aanlopen, hetgeen schade aan de remblokken en de schijf veroorzaakt.
Volg de stappen in dit hoofdstuk als u het rempedaal op de juiste wijze wilt afstellen.
Controleer of het remlicht oplicht wanneer het achterrempedaal ongeveer 10 mm (0,4 in) wordt ingedrukt. Stel de achterremlichtschakelaar in als het lampje te vroeg of laat oplicht.

De afbeelding toont V-STROM 800DE.
Bevestig het achterste remlichtschakelaar-huis ① met uw vinger zodat deze niet draait en draai vervolgens aan de afsteller ② om het aan te passen. Door aan de moer te draaien zoals aangegeven in A, gaat het remlicht eerder branden. Draaien zoals getoond in B laat het licht later oplichten.

De afbeelding toont V-STROM 800DE.
LET OP
Als u het achterste remlichtschakelaar-huis draait tijdens het afstellen, kan de bedrading losraken.
Draai de afsteller zodat het achterste remlichtschakelaarhuis niet roteert.
VERSNELLINGSHENDEL
OMSCHRIJVING
Als het tijdens het rijden moeilijk is om van versnelling te veranderen, is de hoogte van de versnellingshendel mogelijk niet geschikt voor uw lichaam. We raden aan om de hoogte aan uw lichaam aan te passen.
AFSTELLEN VAN DE VERSNELLING- SHENDEL
De hoogte van de versnellingshendel kan worden aangepast met behulp van de volgende procedure.
- Draai de borgmoer Ⓐ en Ⓑ naar rechts (→om ze los te maken.

- Draai de stang ① naar rechts ( ) om de pedaalpositie te verhogen en in de tegenovergestelde richting ( ) om deze te verlagen.
- Plaats de versnellingshendel onder de bovenkant van de voetsteun.
OPMERKING: Als u de schakelsensor ① draait, is het mogelijk dat functies zoals Quick Shift niet correct werken. Gebruik de stang ② om de hoogte van het schakelpedaal af te stellen. De schakelsensor ① niet draaien.
V-STROM 800DE
Hoogte versnellingshendel "a": 10 - 20 mm (0,4 - 0,8 in)
V-STROM 800
Hoogte versnellingshendel "a": 20 - 30 mm (0,8 - 1,2 in)

De afbeelding toont V-STROM 800DE.
- Draai na het afstellen borgmoer Ⓐ en Ⓑ in de tegenovergestelde richting van stap 1 (.) om ze vast te draaien.
OPMERKING: Draai na het afstellen de borgmoeren stevig vast.
BANDEN
OMSCHRIJVING
Controleer of er geen barsten of schade zijn in het contactoppervlak of de zijkanten van de banden. Controleer bovendien of er geen spijkers, stenen of andere vreemde voorwerpen in de banden prikken of ingebed zijn.

Controleer ook of er geen ongebruikelijke slijtage is op het contactoppervlak van de banden. Raadpleeg een dealer voor alle ongewone slijtage.

Zorg ervoor dat u de voorgeschreven banden gebruikt wanneer u banden verwisselt.
V-STROM 800DE
| VOOR ACHTER | ||
| MAAT 90/90-21M/C 54H | 150/70R17M/C 69H | |
| TYPE | DUNLOPMIXTOUR B | DUNLOPMIXTOUR B |
V-STROM 800
| VOOR ACHTER | ||
| MAAT 110/80R19M/C 59V | 150/70R17M/C 69V | |
| TYPE | DUNLOPD614F | DUNLOPD614 |

WAARSCHUWING
Het gebruik van niet-voorgeschreven banden kan de veilige werking van uw motorfiets negatief beïnvloeden.
Zorg ervoor dat u de voorgeschreven banden gebruikt.

WAARSCHUWING
Een ondeugdelijk gerepareerde, aangebrachte of uitgebalanceerde band kan ertoe leiden dat u de controle over de motorfiets verliest, met kans op ongelukken, of dat de levensduur van de band wordt verkort.
- Vraag uw dealer om de reparatie en vervanging van de band en het balanceren van het wiel uit te voeren, aangezien dit geschikt gereedschap en de nodige ervaring vereist.
- Breng de banden aan overeenkomstig de draairichting die wordt aangegeven met de pijlen op de zijkant van elke band.

WAARSCHUWING
De banden van uw motorfiets vormen de allesbepalende verbinding tussen uw motorfiets en de weg. Als u de onderstaande voorzorgen veronachtzaamt, kan dat een ongeluk veroorzaken door problemen met de banden.
- Controleer voor elke rit de toestand en spanning van de banden en breng de bandenspanning zonodig op peil.
• Overbelast uw motorfiets niet. - Vervang een band zodra deze tot op de slijtagegrens is versleten of zodra deze beschadigingen vertoont zoals scheuren of barsten.
- Gebruik altijd de maat en het type banden zoals in deze gebruikershandleiding worden voorgeschreven.
- Balanceer het wiel nadat u een band heeft vervangen.
- Lees dit hoofdstuk van de gebruikershandleiding zorgvuldig door.

WAARSCHUWING
Als u de banden niet inrijdt, kan dit leiden tot slippen en verlies van controle over de motorfiets, met kans op ongelukken.
U dient extra voorzichtig te zijn wanneer u nieuwe banden inrijdt. Rijd de banden goed in zoals beschreven in het hoofdstuk INRIJDEN in deze handleiding en vermijd snel optrekken, scherp bochtenwerk en hard remmen gedurende de eerste 100 mijlen (160 km).
OPMERKING: Omdat nieuwe banden gemakkelijk slippen, moet u de motorfiets niet te ver laten leunen. Houd de hellingshoek mild bij het inrijden van de banden.
BANDENSPANNING EN BELASTING
Lees de gebruikershandleiding voor informatie over bandenspanning en het selecteren van te gebruiken banden voor veilig rijden.
Banden worden warm wanneer de motorfiets rijdt, waardoor de luchtdruk toeneemt. Gebruik daarom de bandenspanningsmeter als de banden koel zijn, voordat u gaat rijden, en controleer of de banden de voorgeschreven spanning hebben. Stel de juiste druk in als de waarde buiten het voorgeschreven bereik ligt. Het overbelasten van de banden kan een klapband of moeilijkheden met het besturen van de motorfiets tot gevolg hebben.

Controleer elke dag voordat u gaat rijden de bandenspanning en controleer of de bandenspanning de juiste is voor de belasting van de motorfiets volgens de tabel hieronder.
Bandenspanning van koude band
V-STROM 800DE
| BELASTINGBAND | EEN PERSOON TWEE PERSONEN | |
| VOOR | 225 kPa2,25 kgf/cm 2 33 psi | 225 kPa2,25 kgf/cm 2 33 psi |
| ACHTER | 250 kPa2,50 kgf/cm 2 36 psi | 280 kPa2,80 kgf/cm 2 41 psi |
V-STROM 800
| BELASTINGBAND | EEN PERSOON TWEE PERSONEN | |
| VOOR | 225 kPa2,25 kgf/cm 2 33 psi | 250 kPa2,50 kgf/cm 2 36 psi |
| ACHTER | 250 kPa2,50 kgf/cm 2 36 psi | 290 kPa2,90 kgf/cm 2 42 psi |
Banden waarvan de spanning onvoldoende is, kunnen het nemen van bochten bemoeilijken en kunnen tevens resulteren in grotere slijtage. Banden met een te hoge spanning hebben een kleiner contactvlak met de weg, hetgeen aanleiding kan geven tot slipgevaar en onbestuurbaarheid.
OPMERKING: Merkt u dat de bandenspanning terugloopt, controleer dan de banden op de aanwezigheid van spijkers of gaatjes. Controleer tevens of de velg wellicht beschadigd is.
TOESTAND VAN DE BANDEN EN BAN- DENTYPE
De toestand van de banden en het type banden zijn van groot belang voor de prestaties van de motorfiets. Barsten of scheurtjes in de banden kunnen leiden tot een klapband en het gevaar van onbestuurbaarheid. Versleten banden verhogen ook de kans op een lekke band waardoor u mogelijk de controle over de motorfiets verliest. De bandslijtage beïnvloedt ook het bandprofiel waardoor de rijeigenschappen van de motorfiets kunnen veranderen.
Controleer elke dag voordat u gaat rijden de toestand van de banden. Vervang een band als deze zichtbare tekenen van beschadiging vertoont, zoals barsten of scheurtjes, of als de profieldiepte minder bedraagt dan 1,6 mm (0,06 in) voor of 2,0 mm (0,08 in) achter. Het “△merkteken geeft de plaats aan waar de slijtagestrepen in de band zijn aangebracht. Wanneer de slijtagestrepen bloot liggen, betekent dit dat de band versleten is.

Als u de onderstaande instructies voor tubeless-banden niet opvolgt, kan dat ongelukken veroorzaken als gevolg van problemen met de banden. Tubeless-banden vereisen ander onderhoud dan banden met een binnenband.
- Tubeless-banden vereisen een lucht-dichte afsluiting tussen de velgrand van de band en de velg van het wiel. U dient speciale bandenlichters en velg-beschermers of een speciaal band-montageapparaat te gebruiken voor het verwijderen en aanbrengen van de banden. Dit voorkomt beschadiging van de band of velg, hetgeen zou kunnen leiden tot een lek.
-
Repareer gaatjes in tubeless-banden door de band te verwijderen en een inwendige plakker aan te brengen.
-
Gebruik voor het repareren van een gaatje geen reparatieplugje voor buitenbanden aangezien dit los zou kunnen komen ten gevolge van de krachten die op een band van een motorfiets worden uitgeoefend in de bochten.
- Na het repareren van een band dient u gedurende de eerste 24 uur niet sneller dan 80 km/h (50 mph) te rijden en daarna nooit sneller dan 130 km/h (80 mph). Hiermee voorkomt u overmatige verhitting, die de reparatie van de band ongedaan zou kunnen maken en zou kunnen leiden tot het leeglopen van de band.
- Vervang de band als het gaatje zich in de zijwand van de band bevindt of als het gaatje zich in het profiel van de band bevindt en groter is dan 6 mm (3/16 in). Dergelijke gaatjes kunnen niet afdoende worden gerepareerd.
Controleer de wielvelg op beschadigingen zoals scheurtjes, vervorming of verbuiging.

Door beschadigde velgen kan er lucht lekken, wat kan leiden tot een afname van de rijstabiliteit, met een ongeluk tot gevolg.
Vervang de velg als beschadiging wordt vastgesteld. Gebruik de beschadigde velg niet opnieuw door deze te repareren of corrigeren.
INSPECTEREN VAN DE SPAKEN
Controleer de spanning van de spaken om te kijken of de spaaknippels voldoende strak zitten. De spanning kan gecontroleerd worden door met een kleine metalen staaf tegen de spaken te tikken. Als een spaaknippel los zit, hoort u een dof geluid.

Om de spaaknippels juist vast te zetten, dient u deze gelijkmatig met het voorgeschreven koppel aan te halen. Loszittende of te strak aangehaalde spaaknippels kunnen een ongelijke spanning van de spaken veroorzaken met vervorming van de wielvelg tot gevolg. Neem contact op met uw dealer voor deze service.
ZIJSTANDAARD/CONTACTCIRCUIT-BLOKKEERSYSTEEM
INSPECTIE
Controleer de werking van het zijstandaard/contactcircuit-blokkeersysteem als volgt:
-
Ga op de motorfiets zitten in de normale rijhouding, met de zijstandaard ingeklapt.
-
Schakel in de eerste versnelling, houd de koppeling ingetrokken en start de motor.
-
Klap de zijstandaard uit terwijl u de koppeling ingetrokken houdt.

De afbeelding toont V-STROM 800DE.
①: Zijstandaard/contactcircuit-blokkeerschakelaar
Het zijstandaard/contactcircuit-blokkeersysteem werkt normaal als de motor afslaat zodra de zijstandaard uitgeklapt wordt. Als de motor blijft draaien terwijl de zijstandaard uitgeklapt is en de versnelling ingeschakeld, is het zijstandaard/contactcircuit-blokkeersysteem defect. Laat een dealer een inspectie uitvoeren.

WAARSCHUWING
Als het zijstandaard/contactcircuit-blokkeersysteem niet juist werkt, is het mogelijk om met de motorfiets te rijden terwijl de zijstandaard is uitgeklapt. Dit kan de controle van de bestuurder beïnvloeden tijdens een bocht naar links en ongelukken veroorzaken.
Controleer of het zijstandaard/contact-circuit-blokkeersysteem juist werkt voordat u wegrijdt. Zorg dat de zijstandaard volledig is ingeklapt voordat u wegrijdt.
VOORWIEL (V-STROM 800DE)
VERWIJDEREN
- Parkeer de motorfiets.
- Verwijder de toerentsensor van het voorwiel ① door de bevestigingsbout ② te verwijderen.

- Maak beide remschuifmaten los van de voorvorken door de bevestigingsbouten ③ aan beide zijden van de schuifmaten te verwijderen.

OPMERKING: Bedien nooit de remhendel wanneer de remklauw is verwijderd. De remblokken kunnen slechts met moeite weer in de schuifmaten teruggezet worden en er kan hierbij remvloeistoflekkage optreden.
- Verwijder de asmoer ④.
- Draai de asaanslagbouten ⑤ los.

- Draai de asaanslagbouten ⑥ los.

- Plaats een onderhoudsstandaard of iets dergelijks onder de achterbrug om het achtereind van de motorfiets goed in evenwicht te houden.
- Plaats voorzichtig een krik onder de uit- laatpijp en krik de motorfiets omhoog tot- dat het voorwiel een stukje van de grond af is.
LET OP
Bij verkeerd opkrikken kan de stroomlijnkap of het oliefilter worden beschadigd.
Plaats de krik nooit onder het onderste deel van de stroomlijnkap of onder het oliefilter wanneer u de motorfiets opkrikt.
- Trek de steekas ⑦ naar buiten.

- Schuif het voorwiel naar voren ⑧.

-
Plaats het nieuwe wiel en breng de stee- kas aan.
-
Houd de as tegen en haal de asmoer ④ met het voorgeschreven koppel aan.
-
Haal de asaanslagbouten ⑤ met het voorgeschreven koppel aan.

-
Beweeg het stuur enkele malen omhoog en omlaag zodat de steekas juist zit.
-
Haal de asaanslagbouten ⑥ met het voorgeschreven koppel aan.

-
Monteer de remklauwen en de toerental-sensor.
-
Nadat het voorwiel gemonteerd is, trekt u de voorrem enkele malen aan om ervoor te zorgen dat de juiste hendelslag hersteld wordt.
Aanhaalkoppel van voorasmoer: 100 N·m (10,2 kgf-m, 74,0 lbf-ft)
Aanhaalkoppel van voorasaanslagbout: 23 N·m (2,3 kgf-m, 17,0 lbf-ft)
Aanhaalkoppel van bevestigingsbout voorremklauw: 26 N·m (2,7 kgf-m, 19,5 lbf-ft)
Aanhaalkoppel van bevestigingsbout snelheidssensor voorwiel: 10 N·m (1,0 kgf-m, 7,5 lbf-ft)

WAARSCHUWING
Als u de remblokken niet aanspant nadat u het wiel hebt aangebracht, kan dit leiden tot een verminderde werking van de remmen, wat een ongeluk tot gevolg kan hebben.
Bedien voor het rijden de remhendel enkele malen pompend totdat de remblokken tegen de remschijven aan zijn gedrukt en de juiste hendelslag en stijfheid zijn verkregen. Controleer of het wiel vrij ronddraait.

WAARSCHUWING
Als de bouten en moeren niet juist zijn vastgezet, kan het wiel losraken met een ongeluk tot gevolg.
Zorg dat de bouten en moeren altijd met de voorgeschreven koppel worden vastgezet. Als u geen momentsleutel hebt of als u niet weet hoe u een momentsleutel moet gebruiken, vraag dan aan uw dealer om de bouten en moeren te controle- ren.

WAARSCHUWING
De band van het voorwiel is directioneel, dit wil zeggen dat deze slechts in een bepaalde richting mag worden gemonteerd. Als u het voorwiel in de verkeerde richting monteert. Kan dit bijzonder gevaarlijk zijn, aangezien de motorfiets anders zal sturen dan normaal.
Monteer het voorwiel uitsluitend in de voorgeschreven richting, aangegeven door de pijl op de zijwand van de band.
VOORWIEL (V-STROM 800)
VERWIJDEREN
- Parkeer de motorfiets.
- Verwijder de toerentsensor van het voorwiel ① door de bevestigingsbout ② te verwijderen.

- Maak beide remschuifmaten los van de voorvorken door de bevestigingsbouten ③ aan beide zijden van de schuifmaten te verwijderen.

OPMERKING: Bedien nooit de remhendel wanneer de remklauw is verwijderd. De remblokken kunnen slechts met moeite weer in de schuifmaten teruggezet worden en er kan hierbij remvloeistoflekkage optreden.
- Draai de asaanslagbouten ④ los.

-
Plaats een onderhoudsstandaard of iets dergelijks onder de achterbrug om het achtereind van de motorfiets goed in evenwicht te houden.
-
Plaats voorzichtig een krik onder de uitlaatpijp en krik de motorfiets omhoog totdat het voorwiel een stukje van de grond af is.
-
Maak de steekas ⑤ los en verwijder deze.

- Schuif het voorwiel naar voren ⑥.

-
Plaats het nieuwe wiel en breng de stee- kas aan.
-
Haal de steekas ⑤ met het voorge-schreven koppel aan.

-
Beweeg het stuur enkele malen omhoog en omlaag zodat de steekas juist zit.
-
Haal de asaanslagbouten ④ met het voorgeschreven koppel aan.

-
Monteer de remklauwen en de toerental- sensor.
-
Nadat het voorwiel gemonteerd is, trekt u de voorrem enkele malen aan om ervoor te zorgen dat de juiste hendelslag hersteld wordt.
Aanhaalkoppel van steekas van vooras: 100 Nm (10,2 kgf-m, 74,0 lbf-ft)
Aanhaalkoppel van voorasaanslagbout: 23 Nm (2,3 kgf-m, 17,0 lbf-ft)
Aanhaalkoppel van bevestigingsbout voorremklauw: 39 Nm (4,0 kgf-m, 29,0 lbf-ft)
Aanhaalkoppel van bevestigingsbout snelheidssensor voorwiel: 10 Nm (1,0 kgf-m, 7,5 lbf-ft)

WAARSCHUWING
Als u de remblokken niet aanspant nadat u het wiel hebt aangebracht, kan dit leiden tot een verminderde werking van de remmen, wat een ongeluk tot gevolg kan hebben.
Bedien voor het rijden de remhendel enkele malen pompend totdat de remblokken tegen de remschijven aan zijn gedrukt en de juiste hendelslag en stijfheid zijn verkregen. Controleer of het wiel vrij ronddraait.

WAARSCHUWING
Als de bouten en moeren niet juist zijn vastgezet, kan het wiel losraken met een ongeluk tot gevolg.
Zorg dat de bouten en moeren altijd met de voorgeschreven koppel worden vastgezet. Als u geen momentsleutel hebt of als u niet weet hoe u een momentsleutel moet gebruiken, vraag dan aan uw dealer om de bouten en moeren te controle- ren.

WAARSCHUWING
De band van het voorwiel is directioneel, dit wil zeggen dat deze slechts in een bepaalde richting mag worden gemonteerd. Als u het voorwiel in de verkeerde richting monteert. Kan dit bijzonder gevaarlijk zijn, aangezien de motorfiets anders zal sturen dan normaal.
Monteer het voorwiel uitsluitend in de voorgeschreven richting, aangegeven door de pijl op de zijwand van de band.
ACHTERWIEL
VERWIJDEREN

VOORZICHTIG
U kunt zich verbranden aan een hete uit- laatpijp of knaldemper.
Wacht tot de uitlaatpijp of knaldemper is afgekoeld voordat u de asmoer verwijdert.
LET OP
Als u het achterwiel verwijdert zonder gebruik van een los verkrijgbare werkstandaard kan de motorfiets omvallen met beschadigingen tot gevolg.
Probeer niet om het achterwiel te verwijderen ergens langs de weg. Verwijder het achterwiel uitsluitend in een goed uitgeruste onderhoudswerkplaats met een degelijke werkstandaard.
-
Plaats een onderhoudsstandaard of iets dergelijks onder de achterbrug, zodat het achterwiel los van de grond komt.
-
Verwijder de toerentalsensor van het achterwiel ① door de bevestigingsbout ② te verwijderen.

De afbeelding toont V-STROM 800DE.
-
Verwijder de asmoer ③.
-
Draai de rechter en linker borgmoer ④ los. Draai de bouten van de rechter en linker kettingverstellers ⑤ rechtsom.

De afbeelding toont V-STROM 800DE.
- Trek de steekas ⑥ naar buiten.

De afbeelding toont V-STROM 800DE.
- Druk het wiel naar voren en neem de ketting ⑦ van het tandwiel ⑧.

De afbeelding toont V-STROM 800DE.
- Trek het achterwiel ⑨ naar achteren.

De afbeelding toont V-STROM 800DE.
OPMERKING: Druk nooit op het achterrem-pedaal wanneer het achterwiel is verwijderd. De remblokken kunnen slechts met moeite weer in de schuifmaten teruggezet worden.
-
Om het achterwiel weer aan te brengen, voert u de hiervoor beschreven handelingen in de omgekeerde volgorde uit.
-
Stel de aandrijfkettingspanning af.
-
Nadat het wiel gemonteerd is, dient u de rem enkele malen in te trappen en vervolgens te controleren of het wiel onbelemmerd ronddraait.
Aanhaalkoppel van achterasmoer:
Aanhaalkoppel van borgmoer kettingversteller:
22 N·m (2,2 kgf-m, 16,5 lbf-ft)
Aanhaalkoppel van bevestigingsbout snelheidssensor achterwiel:
10 N·m (1,0 kgf-m, 7,5 lbf-ft)

WAARSCHUWING
Als u de aandrijfketting niet juist afstelt en de bouten en moeren niet juist aanhaalt, zou dit kunnen leiden tot een ongeluk.
- Stel de aandrijfketting af zoals beschreven in de paragraaf AFSTELLEN VAN DE AANDRIJFKETTING, nadat u het achterwiel hebt aangebracht (3-53).
- Draai alle bouten en moeren met de juiste koppels vast. Als u niet zeker bent van de juiste handelwijze, laat dan een dealer deze werkzaamheden verrichten.

WAARSCHUWING
Als u de remblokken niet aanspant nadat u het wiel hebt aangebracht, kan dit leiden tot een verminderde werking van de remmen, wat een ongeluk tot gevolg kan hebben.
Bedien voor het rijden het rempedaal enkele malen "pompend" tot de remblokken tegen de remschijven aan zijn gedrukt en de juiste pedaalslag en stijfheid zijn verkregen. Controleer of het wiel vrij ronddraait.
LAMPJE
VERVANGING
Het vermogen van elke lamp is in de onderstaande tabel aangegeven. Gebruik bij het vervangen van een doorgebrande lamp altijd hetzelfde wattage volgens de onderstaande tabel.
| Koplamp LED | |
| Parkeerlicht LED | |
| Richtingaanwijzerlamp voor LED | |
| Richtingaanwijzerlamp achter LED | |
| Remlicht/achterlicht LED | |
| Kentekenplaatverlichting 12 V 5 W |
OPMERKING: Deze motorfiets is uitgerust met volledig led-verlichting. Omdat ledverlichting is geïntegreerd in lamparmatuur, is vervanging van alleen de ledverlichting niet beschikbaar. Als een van de led-lampjes niet kan worden ingeschakeld, neem dan contact op met uw dealer.
LET OP
Bij gebruik van een lamp met een onjuist vermogen kan het elektrische systeem van uw motorfiets overbelast worden of kan de nieuwe lamp voortijdig doorbranden.
Gebruik uitsluitend de lampen die in de tabel zijn aangegeven als vervangingslampen.
Kentekenplaatverlichting
Neem voor de vervangingsprocedure van de kentekenplaatverlichting contact op met uw dealer.
KOPLAMP
DE KOPLAMPSTRAAL AFSTELLEN
Indien nodig kan de koplampstraal omhoog en omlaag, of rechts en links worden afgesteld.
Dimlicht omhoog en omlaag:
Draai de afsteller ① rechts- of linksom.
Grootlicht omhoog en omlaag:
Draai de afsteller ③ rechts- of linksom.
Als een elektrische voorziening op uw motorfiets niet meer werkt, moet u altijd eerst controleren of er een zekering is gesprongen. De elektrische circuits van de motorfiets zijn tegen overbelasting beschermd door middel van zekeringen in de circuits.

WAARSCHUWING
Vervangen van een zekering door een zekering met een verkeerd amperage-waarde of vervanging, bijvoorbeeld gebruik van aluminiumfolie of draad, kan ernstige beschadiging van het elektrische systeem veroorzaken en mogelijk zelfs brand. Vervang een gesprongen zekering altijd door een zekering met dezelfde amperage-waarde.
Als de nieuwe zekering meteen weer springt, is het elektrische probleem waarschijnlijk niet verholpen. Laat uw motorfiets in dit geval meteen door uw dealer nakijken.
LET OP
Het installeren van elektrische items zoals lampen, meters, enz. die niet geschikt zijn voor de motorfiets, kan ervoor zorgen dat de zekeringen springen of de accu leegraakt.
Gebruik echte Suzuki-onderdelen bij het bevestigen van elektrische artikelen.
LET OP
Als u tijdens het wassen van de motorfiets krachtig rond de zekeringen veegt of water spuit, kan er water in de bedra- ding komen, wat corrosie of kortsluiting kan veroorzaken.
Spuit of veeg niet krachtig water in het gebied rond de zekeringen.
HOOFDZEKERING
De hoofdzekering bevindt zich onder het voorzadel.
Inspecteer de hoofdzekeringen met behulp van de volgende procedure.
- Zet de contactschakelaar op "OFF" (uit).
- Verwijder het achterzadel. Zie "ZADEL EN ZADELSLOT" op pagina 2-134.
-
Verwijder het deksel van de startrelaiskast, trek de zekering ① eruit en inspecteer deze.
-
Als een zekering is doorgebrand, controleer dan de reden en vervang deze nadat u dit hebt opgelost door een reservezekering ② met de aangegeven stroomsterkte. Als u de reden niet kunt achterhalen, laat uw motorfiets dan nakijken bij een dealer.

De accu bevindt zich onder het achterzadel.
Inspecteer de zekeringen met behulp van de volgende procedure.
- Žet de contactschakelaar op "OFF" (uit).
- Verwijder het achterzadel. Zie "ZADEL EN ZADELSLOT" op pagina 2-134.
- Open het deksel van de zekeringkast, trek de zekeringen eruit en inspecteer ze.
- Als een zekering is doorgebrand, controleer dan de reden en vervang deze nadat u dit hebt opgelost door een reservezekering ③ met de aangegeven stroomsterkte. Als u de reden niet kunt achterhalen waarom de zekering is doorgebrand, laat uw motorfiets dan nakijken bij een dealer.

De volgende tabel toont de belangrijkste apparatuur die elke zekering beveiligt.


①: startrelaiskast
②: zekeringskastje
| Stand Label | Capaciteit Beschermingsonderdelen | ||
| 1 MAIN (hoofd) 30A Alle elektrische circuits | |||
| 2 SPARE | (reserve) 30A - | ||
| 3 --- | |||
| 4 --- | |||
| 5 P-BRON | 10A Krachtbron | ||
| Stand Label | Capaciteit | Beschermingsonderdelen | |
| * 6 PARKEREN 10A | • Parkeerlicht• Achterlicht• Kentekenplaatverlichting | ||
| 7 ABS-KLEP 15A ABS | |||
| 8 ABS-MOTOR 20A ABS | |||
| 9 SPARE (reserve) 20A - | |||
| 10--- | |||
| 11 HEAD-HI 10A | • Koplamp (grootlicht)• Grootlichtrelais• Snelheidsmeter | ||
| 12 | HEAD-LO | 10A Koplamp (dimlicht) | |
| 13 | CONTACTSLOT | 10A | • Startrelais• Starter-subrelais• Koelventilatorrelais• Brandstofpomprelais• Magneet• ECM• Zuurstofsensor• Startonderbreker (indien aanwezig)• ABS |
* Behalve voor EU, VK, India
| Stand Label | Capaciteit Beschermings | sonderdelen | |
| 14 SIGNAL | AL 15A | ParkeerlichtAchterlichtRemlicht/achterlichtKentekenplaatverlichtingRichtingaanwijzerlampSnelheidsmeterClaxonUSB-aansluiting | |
| 15 BRAND | STOF 10A | SnelheidsmeterBrandstofverstuiverBenzinepompECM | |
| 16 VENTIL | ATOR 15A Koelventilatormotor | ||
| 17 SPARE | (reserve) 10A - | ||
| 18 SPARE | (reserve) 15A - |
DIAGNOSESTEKKER
De diagnosestekker ① bevindt zich onder het zadel.

OPMERKING: De diagnosestekker wordt gebruikt door uw dealer.


STORINGZOEKEN
OMSCHRIJVING 4-2
MOTOR START NIET 4-3
IN GEVAL VAN OVERVERHITTING
(KOELVLOEISTOFTEMPERATUURWAARSCHUWINGSLAMPJE GAAT BRANDEN) 4-4
WANNEER HET OLIEDRUKWAARSCHUWINGSLAMPJE TIJDENS HET RIJDEN GAAT
BRANDEN 4-5
Deze storingsgids is bedoeld voor het oplossen van een aantal eenvoudige storingen die kunnen optreden.
Neem contact op met uw dealer als uw motorfiets problemen ondervindt of als er iets mis lijkt te zijn.
LET OP
Ongeschikte reparaties of aanpassingen kunnen uw motorfiets beschadigen. In sommige gevallen valt schade mogelijk niet onder de garantie.
Raadpleeg een dealer voor alles wat onduidelijk is.
MOTOR START NIET
Voer de volgende controles uit.
- Zorg ervoor dat u de juiste startprocedure gebruikt.
Zie "STARTEN VAN DE MOTOR" op pagina 2-110. - Zorg ervoor dat de brandstoftank brandstof bevat.
Zie "PROCEDURE VOOR TANKEN" op pagina 2-120. - Controleer of het defectverklikkerlampje aan gaat.
Zie "DEFECTVERKLIKKERLAMPJE" op pagina 2-28. -
Controleer of het controlelichtje de startonderbreker aan gaat.
Zie "STARTONDERBREKER (indien aanwezig)" op pagina 2-103. -
Controleer op losse accupolen.
Zie "ACCU" op pagina 3-16. - Zijn er zekeringen doorgebrand?
Zie "ZEKERINGEN" op pagina 3-100.
Neem contact op met uw dealer als u storingen/problemen ondervindt.
IN GEVAL VAN OVERVERHITTING (KOELVLOEISTOFTEMPERATUURWAARS CHUWINGSLAMPJE GAAT BRANDEN)
Als het koelvloeistoftemperatuurwaarschu-wingslampje ① gaat branden, stop de motorfiets dan op een veilige plek, voer de volgende controles uit en neem eventuele noodzakelijk maatregelen.

-
Draai het contactslot naar "OFF" om de motor af te zetten.
-
Draai het contactslot naar "ON" om de radiateurventilator te starten en de motor te koelen.
Als de radiateurventilator niet werkt, start de motor dan niet. Neem contact op met uw dealer.
- Zodra de motor voldoende is afgekoeld, controleert u het koelvloeistofpeil en controleert u de slangen en dergelijke op lekken.
a.Start de motor niet als u lekken ont- dekt. Neem contact op met uw dealer.
b. Vul de koelvloeistof bij als het koelvloeistofpeil laag is en er geen lekken zijn. Als u water in plaats van koelvloeistof moet gebruiken, neem dan zo snel mogelijk contact op met uw dealer om de koelvloeistof te laten controleren en vervangen.
- Als er geen problemen worden gevonden, kan met de motor worden gereden zodra het koelvloeistoftemperatuurwaarschuwingslampje dooft. Neem zo snel mogelijk contact op met uw dealer voor inspectie.
LET OP
Rijden terwijl de motorfiets oververhit raakt, kan de motor ernstig beschadigen.
Rijd niet op de motorfiets als het koel-vloeistoftemperatuurwaarschuwings-lampje gaat branden.
WANNEER HET OLIEDRUKWAARSCHUWINGSLAMPJE TIJDENS HET RIJDEN GAAT BRANDEN
Als het oliedrukwaarschuwingslampje ① gaat branden, stop de motorfiets dan op een veilige plek, voer de volgende controles uit en neem eventuele noodzakelijk maatregelen.

- Draai het contactslot naar "OFF" om de motor af te zetten.
- Controleer het motorolieniveau. Zie "CONTROLE VAN HET MOTOROLIENIVEAU" op pagina 3-32.
Vul motorolie bij als het niveau onvoldoende is. - Start de motor.
a.U kunt met de motorfiets rijden zodra het oliedrukwaarschuwingslampje uit gaat.
b. Als het oliedrukwaarschuwingslampje niet uit gaat, zet de motor dan uit en neem contact op met uw dealer. - De motor kan beschadigd raken als het oliepeil is gedaald. Neem contact op met uw dealer voor inspectie.
LET OP
Rijden met lage motoroliedruk kan de motor ernstig beschadigen.
Rijd niet op de motorfiets als het olie- drukwaarschuwingslampje gaat bran- den.
INDICATIELAMPJES
Raadpleeg uw dealer voor een van de volgende statusen van de indicatielampjes.
- Het storingscontrolelichtje (op pagina 2-28) gaat aan of knippert
- De FI- waarschuwingen verschijnen (op pagina 2-28)
- De controlelichtjes (op pagina 2-31) gaan niet uit
- Het ABS-controlelichtje (op pagina 2-34) wordt niet gereset en gaat niet aan na het resetten naar de standaardstatus
- Het neutrale controlelichtje gaat niet aan wanneer het controlelichtje versnelling in de N-positie staat (op pagina 2-27)
- Het neutrale controlelichtje gaat aan terwijl de versnelling 1, 2, 3, 4, 5 of 6 weergeeft (op pagina 2-44)
-
De TC-indicator (op pagina 2-55) gaat aan
-
De serviceherinneringindicator (op pagina 2-52) gaat aan
- Het koelvloeistoftemperatuurwaarschu-wingslampje brandt en gaat niet uit als de motor koud is (op pagina 2-38)
- Het oliedrukwaarschuwingslampje gaat aan wanneer de hoeveelheid motorolie geschikt is (op pagina 2-37)
STAAT VAN DE MOTORFIETS
Neem contact op met een dealer als de staat van de motorfiets als volgt is.
- De motor kan niet gestart worden
- Als de motorfiets is omgevallen of betrokken is geweest bij een ongeval
- De motorfiets maakt een ongewoon geluid of lekt vloeistof
- Motorprestaties nemen af of zijn slecht
- Er is een duidelijke afname van de remvloeistof, of u moet de remvloeistof of remblokken vervangen
- Remprestaties zijn slecht
-
Er is een duidelijke afname van de koel-vloeistof, of u moet de koelvloeistof vervangen
-
U kunt niet achterhalen waarom een zekering is gesprongen
- De banden zijn extreem versleten of u moet ze vervangen
STALLING EN SCHOONMAKEN VAN DE MOTORFIETS
STALLING 5-2
WERKWIJZE BIJ OPNIEUW IN GEBRUIK NEMEN 5-5
VOORKOMEN VAN CORROSIE 5-5
SCHOONMAKEN VAN DE MOTORFIETS 5-8
CONTROLE NA HET SCHOONMAKEN 5-15
STALLING EN SCHOONMAKEN VAN DE MOTORFIETS
STALLING
OMSCHRIJVING
Als u van plan bent om lange tijd niet op de motorfiets te rijden, is het belangrijk onderhoud uit te voeren voordat u de motorfiets stalt. Voer het onderstaande onderhoud uit.
OPMERKING: Wij raden u aan deze onderhoudswerkzaamheden aan uw dealer over te laten.
MOTORFIETS
Parkeer de motorfiets op de zijstandaard op een stevige, vlakke ondergrond waar deze niet kan omvallen. Gebruik voor motorfietsen met een middenstandaard de middenstandaard om te parkeren.
Was de motorfiets voordat u hem stalt, droog hem en dek hem af.

OPMERKING: Breng de carrosseriedekking aan nadat de motor en de uitlaat zijn afgekoeld.
BRANDSTOF
- Vul de brandstoftank tot de hals met brandstof en benzine-stabilisator overeenkomstig de aanbevelingen van de fabrikant van de benzine-stabilisator.
- Laat de motor een paar minuten draaien zodat het brandstofinspuitsysteem gevuld is met de gestabiliseerde benzine.
MOTOR
- Tap alle motorolie af en vul het carter helemaal tot de vulopening met schone motorolie.
- Bedek de luchtfilterinlaat en de geluiddemperuitlaat met vettige doeken om te voorkomen dat vocht binnendringt.
OPMERKING: Neem contact op met uw dealer voor het beschermen van de binnen-zijde van de motor.
ACCU
- Verwijder de accu van de motorfiets zoals beschreven in het hoofdstuk ACCU.
- Reinig de buitenkant van de accu met een milde zeep en verwijder alle corrosie van de aansluitpunten en de kabels.
- Berg de accu in een ruimte op waar de temperatuur boven het vriespunt is.
OPMERKING: Accu's verliezen hun lading en ontladen langzaam, dus haal de accu uit de motorfiets, laad deze volledig op en bewaar deze op een donkere plaats in een ruimte met goede ventilatie. Koppel de (-) klem los wanneer u de accu op de motorfiets plaatst.
BANDEN
Pas de bandenspanning aan tot de aanbevolen druk en hef de motorfiets op zodat de voor- en achterwielen van de grond zijn.
OPMERKING: Raadpleeg een dealer voor informatie over het van de grond tillen van de voor- en achterwielen.
BUITENKANT
- Bespuit alle vinyl en rubber onderdelen met een verduurzamingsmiddel voor rubber.
- Bespuit alle niet gelakte oppervlakken met een roestwerend middel.
- Bedek de gelakte oppervlakken met autowas.
ONDERHOUD TIJDENS OPSLAG
U dient de accu één maal per maand op te laden. Raadpleeg de paragraaf ACCU voor instructies. Als u de accu niet kunt opladen, neem dan contact op met een dealer.
WERKWIJZE BIJ OPNIEUW IN GEBRUIK NEMEN
HOE WEER OPNIEUW IN GEBRUIK NEMEN
- Maak de motorfiets helemaal schoon.
- Verwijder de vettige doeken van de luchtfilterinlaat en de geluiddemperuitlaat.
- Tap alle motorolie af. Monteer een nieuw oliefilter en vul de motor met verse olie zoals beschreven in deze handleiding.
- Monteer de accu zoals beschreven in het hoofdstuk ACCU.
- Controleer of de motorfiets correct gesmeerd is.
- Voer de CONTROLE VÓÓR HET RIJ-DEN uit die beschreven is in deze handleiding.
- Start de motorfiets zoals beschreven in deze handleiding.
VOORKOMEN VAN CORROSIE
BELANGRIJKE INFORMATIE OVER CORROSIE
Voer onderhoud uit om roestvorming van de motorfiets te voorkomen en de levensduur te verlengen.
Het volgende kan corrosie veroorzaken.
- Zeelucht, onverharde wegen, strooizout, vocht en ophoping van chemische stoffen.
- Schade aan metalen onderdelen of geverfde oppervlakken veroorzaakt door kleine ongevallen, of door te worden geraakt door zand of stenen, of ander puin, enz.
HOE KUNT U CORROSIE VOORKOMEN
- Was de motorfiets regelmatig, minstens een keer per maand. Houd de motorfiets zo schoon en droog mogelijk.
-
Verwijder verontreinigingen en vreemde bestanddelen. Verontreinigingen zoals strooizout, chemicaliën, asfalt of teer, hars, vogelpoep en industriële vliegas kunnen de afwerking van uw motorfiets beschadigen. Verwijder deze verontreinigingen zo snel mogelijk. Als de verontreinigingen moeilijk kunnen worden verwijderd, kan het gebruik van een aanvullend schoonmaakmiddel nodig zijn. Bij gebruik van een speciaal schoonmaakmiddel dient u de aanwijzingen van de fabrikant te volgen.
-
Repareer beschadigingen aan de afwerking zo spoedig mogelijk. Controleer alle gelakte onderdelen van de motorfiets zorgvuldig op beschadiging. Mochten er putjes of krassen in de lak zijn, werk deze dan onmiddellijk bij om corrosie te voorkomen. Als de putjes of krassen tot aan het blote metaal reiken, moet u de reparatie door uw dealer laten uitvoeren.
- Stal de motorfiets in een droge en goed geventileerde ruimte. Als u de motorfiets vaak in de garage wast of als u de motorfiets vaak binnen parkeert wanneer deze nat is, kan de garage vochtig worden. De hoge vochtigheid kan corrosie veroorzaken of deze versnellen. Een natte motorfiets kan ook in een verwarmde garage roesten als de ventilatie slecht is.
- Dek de motorfiets af. Blootstelling aan de middagzon kan verkleuring van de lak, de plastic onderdelen en de wijzerplaten van de instrumenten veroorzaken. Afdekken van uw motorfiets met een "doorademende" motorhoes van goede kwaliteit beschermt de afwerking tegen schadelijke ultraviolette zonnestraling en vermindert de hoeveelheid stof en vervuilde lucht waaraan de motorfiets wordt blootgesteld. Uw dealer kan u helpen bij de aanschaf van de juiste hoes voor de motorfiets.
OPMERKING:
- Boen alle delen van de motorfiets voor opslag. Dit voorkomt roestvorming.
- Spoel de motorfiets onmiddellijk na een rit langs de kust of over wegen met strooizout grondig af met koud water. Verricht het afspoelen met koud water, want warm water kan leiden tot snellere corrosie.
SCHOONMAKEN VAN DE MOTORFIETS
WASSEN VAN DE MOTORFIETS
Het wassen van de motorfiets helpt om zijn levensduur te verlengen en houdt hem in perfecte staat. Boenen biedt u ook de mogelijkheid om afwijkingen op te sporen en storingen te voorkomen. Was de motorfiets als deze koud is.
- Verwijder vuil en modder met behulp van koud stromend water. U kunt hierbij een zachte spons of borstel gebruiken. Gebruik geen hard materiaal dat de lak kan beschadigen.
- Was nu de hele motorfiets met een neutraal schoonmaakmiddel met gebruik van een spons of zachte doek. Doordrenk de spons of doek regelmatig met zeepsop.
OPMERKING: Spoel de motorfiets onmiddellijk na een rit langs de kust of over wegen met strooizout grondig af met koud water. Verricht het afspoelen met koud water, want warm water kan leiden tot snellere corrosie.
- Als al het vuil van de motorfiets is verwijderd, spoelt u het schoonmaakmiddel met een ruime hoeveelheid water weg.
OPMERKING: Het schoonmaakmiddel dat gebruikt wordt om de motorfiets te wassen kan een negatieve invloed hebben op kunststof onderdelen als het schoonmaakmiddel niet volledig wordt afgespoeld. Zorg ervoor na het wassen van de motorfiets alle schoonmaakmiddel met een ruime hoeveelheid water weg te spoelen.
-
Na het schoonspuiten droogt u de motorfiets met een natte zeem of een doek, en laat u de motorfiets in de schaduw helemaal opdrogen.
-
Controleer alle geverfde onderdelen zorgvuldig op beschadiging. Als de lak beschadigd is, tipt u deze plekken bij met een speciale bijwerk-lak om de schade te verhelpen, volgens de onderstaande aanwijzingen:
a.Maak de beschadigde plekken goed schoon en laat ze opdrogen.
b. Meng de verf en tip de beschadigde plekken bij met een fijn kwastje.
c. Laat de verf volledig opdrogen.

WAARSCHUWING
Het verkeerd plaatsen van een voorwerp tussen de stroomlijnkap en het stuur kan de werking van het stuur nadelig beïnvloeden.
Plaats tijdens het reinigen van de motorfiets niets tussen de stroomlijnkap en het stuur.
OPMERKING: De koplamplens kan beslagen zijn na het wassen van de motorfiets of na een rit in de regen. Het condensvocht in de lens zal geleidelijk verdampen wanneer u de koplamp aanzet. Om de koplamplens te ontwasemen, laat u de motor draaien om uitputting van de accu te voorkomen.
OPMERKING: Zorg dat de volgende onderdelen niet nat worden:
- Contactslot
- Bougies
• Dop van brandstoftank - Brandstofinspuitsysteem
- Hoofdremcilinders
LET OP
Als er tijdens het reinigen water in de uitlaatpijp, de knaldempers, het luchtfilter of elektrische onderdelen komt, kan dit leiden tot moeite met starten of roest.
Zorg ervoor dat er tijdens het reinigen geen water in de bovenstaande onderdelen komt.
LET OP
Het aanbrengen van water onder hoge druk op de radiator kan de koelribben beschadigen.
Wees voorzichtig bij het wassen rond de radiator.
LET OP
Hogedrukwaterstralen zoals in autowasserettes kunnen zo krachtig zijn dat de onderdelen van uw motorfiets worden beschadigd. Hierdoor kan roest, corrosie en verhoogde slijtage worden veroorzaakt. Ook speciale onderdelenreinigers kunnen schadelijk zijn voor delen van de motorfiets.
Gebruik geen water onder hoge druk voor het schoonmaken van uw motorfiets. Gebruik geen onderdelenreiniger op het gasklephuis en de brandstofinspuitingssensors.
LET OP
Gebruik van een reinigingsmiddel op alkali- of zuurbasis, of gebruik van benzine, remvloeistof of een ander oplos-middel kan de onderdelen van de motorfiets beschadigen.
Zorg ervoor na het wassen van de motorfiets alle schoonmaakmiddel met een ruime hoeveelheid water weg te spoelen.
WIELEN
Om de wielen mooi te houden, moet u ze niet alleen regelmatig schoonmaken, maar ook zo snel mogelijk met koud water wassen na een rit langs de kust of op met ontdooiingsmiddelen besproeide wegen.
- Week een spons in een neutraal reini- gingsmiddel en verwijder vuil.
- Was met voldoende water en veeg het koude water vervolgens af met een droge doek.
OPMERKING: Wielvelgen krassen gemakkelijk, dus wrijf of borstel niet met polijstpoeder, harde borstels of metalen borstels.
KUNSTSTOF ONDERDELEN
Kunststof onderdelen zoals koplamplens, snelheidsmeterdisplay, windscherm en stroomlijnkappen zijn gemakkelijk te beschadigen. Wanneer dergelijke onderdelen worden gereinigd, wast u ze met water na ze te hebben gereinigd met een neutraal reinigingsmiddel of een sopje en veegt u ze af met een zachte doek.
LET OP
Vreemde stoffen kunnen plastic onderdelen zoals de koplamplens, snelheidsmeterdisplay en windscherm bekrassen of beschadigen.
Zorg dat de volgende stoffen niet op de bovengenoemde plastic onderdelen terechtkomen;
- Wasverbinding
- Chemische producten zoals oliefilmverwijderaar of afstotende middelen
• Zuur of alkalisch reinigingsmiddel - Remvloeistof, benzine, alcohol of organisch oplosmiddel, enz.
UITLAATPIJPEN
Roestvrij stalen uitlaatpijpen kunnen worden blootgesteld aan brandplekken veroorzaakt door olie en ander vuil.
- Gebruik keukenreinigingsmiddel voor roestvrij staal, veeg vuil weg met een doek of spons, spoel met voldoende water en veeg het daarna droog met een droge doek.
- Wanneer brandplekken optreden, schrob deze dan met een fijn mengsel en veeg vervolgens het vuil weg.
OPMERKING: Hoewel uitlaatwarmte ertoe kan leiden dat de uitlaatpijp van kleur verandert, veroorzaakt dit geen functionele problemen.
LET OP
De uitlaatpijp, knaldemper en de motor worden heet wanneer de motor draait en blijven heet nadat deze is gestopt. Als u ze op dit moment aanraakt, kan dit brandwonden veroorzaken.
Raak de uitlaatpijp, knaldemper of motor niet aan voordat deze zijn afgekoeld.
DE MOTORFIETS IN DE WAS ZETTEN
Nadat u de motorfiets hebt gewassen, is het raadzaam om deze, ter bescherming en verfraaiing van de lak, in de was te zetten en te polijsten.
- Gebruik alleen waxen en poetsmiddelen van goede kwaliteit.
- Als u was- en poetsmiddelen gebruikt, volg dan altijd de aanwijzingen van de fabrikant op.
SPECIALE VERZORGING VOOR MATTE LAK
Gebruik geen polijstcompounds of een was die polijstcompounds bevat op oppervlakken met een matte lak. Hierdoor zal het uiterlijk van de matte afwerking veranderen.
Vaste waxen zijn mogelijk moeilijk te verwijderen van oppervlakken met een matte lak.
De wrijvingskrachten tijdens het rijden en veel wrijven of polijsten van een oppervlak met een matte lak kunnen het voorkomen van de lak veranderen.
CONTROLE NA HET SCHOONMAKEN
OMSCHRIJVING
Breng vet aan na het drogen van de motorfiets. Om de levensduur van uw motorfiets te verlengen, moet u hem smeren volgens de paragraaf "SMERINGSPUNTEN".
Volg de procedures in de paragraaf "INSPECTIE
VOORDAT U RIJDT" om uw
motorfiets te controleren op eventuele problemen
ontstaan tijdens uw laatste rit.

WAARSCHUWING
Gebruik van de motorfiets met natte remmen is gevaarlijk. Natte remmen hebben minder remvermogen dan droge remmen. Dit zou kunnen leiden tot een ongeluk.
Test uw remmen na het wassen van de motorfiets, terwijl u langzaam en op een veilige locatie rijdt. Bedien de remmen indien nodig een paar maal zodat de remvoeringen door de wrijvingswarmte kunnen opdrogen.

INFORMATIE VOOR DE GEBRUIKER
KATALYSATOR 6-2
GEGEVENSINFORMATIE BOORDCOMPUTER MOTORFIETS 6-4
PLAATS VAN DE SERIENUMMERS 6-6
INFORMATIE VOOR DE GEBRUIKER
KATALYSATOR
OMSCHRIJVING
De knaldemper van deze motorfiets bevat een katalysator. Deze katalysator werkt om de hoeveelheid giftige stoffen in uitlaatgassen te verminderen.
Onjuiste afstelling of foutief gebruik kan onvolledige verbranding (stoken) veroorzaken, waardoor de temperatuur van de katalysator naar extreme niveaus kan stijgen. Wees voorzichtig, omdat dit de katalysator of andere gerelateerde onderdelen kan beschadigen.
Hoewel de katalysator geen speciale inspecties of onderhoud vereist, moet u de voorgeschreven motorinspecties en het onderhoud uitvoeren.
LET OP
Bij foutief gebruik van de motorfiets kunnen de katalysator of andere onderdelen van de motorfiets beschadigd raken.
Om beschadiging van de katalysator of andere gerelateerde onderdelen te voorkomen, moet u de volgende voorzorgsmaatregelen nemen:
- Terwijl de motorfiets in beweging is, mag u het contactslot of de motorstopschakelaar niet bedienen, en de motor niet uitschakelen, tenzij het een noodgeval is.
-
Probeer de motor niet te starten door de motorfiets te duwen of door deze een heuvel te laten afrollen.
-
Start de motor niet met de bougie-kabel verwijderd tijdens diagnostische tests.
- Laat de motor niet onnodig of lang-durig stationair draaien.
- Verbruik niet alle benzine in de brandstoftank.
- Als de motorprestaties achteruit-gaan of slecht zijn, laat uw motorfiets dan nakijken bij een dealer.
GEGEVENSINFORMATIE BOORDCOMPUTER MOTORFIETS
OMSCHRIJVING
Uw motorfiets is uitgerust met ingebouwde computersystemen die verschillende aspecten van de motorfietsprestaties bewaken en regelen, waaronder het volgende:
GEGEVENSTYPEN
- Staat van de motor, zoals motortoerental.
- Staat van de versnellingsbak, zoals versnellingsstand.
- Bedrijfsstatus, zoals gaspedaal, remmen (inclusief ABS), versnellingsstand.
- Informatie met betrekking tot allerlei soorten systeemfouten.
OPMERKING:
- Geregistreerde gegevens verschillen afhankelijk van het type motorfiets.
- Spraakgegevens worden niet opgenomen.
- Afhankelijk van de gebruiksomstandigheden worden in sommige gevallen mogelijk geen gegevens vastgelegd.
BEKENDMAKING VAN GEGEVENS
Suzuki Motor Corporation en door Suzuki Motor Corporation gecontracteerde derden zullen door de ingebouwde computer geregistreerde gegevens verwerven en gebruiken om motorfietsstoringen te diagnosticeren, onderzoek en ontwikkeling uit te voeren en de kwaliteit te verbeteren.
Suzuki Motor Corporation en door Suzuki Motor Corporation gecontracteerde derden zullen de verkregen informatie niet aan derden bekendmaken of verstrekken, behalve in de volgende gevallen.
- Wanneer de gebruiker van de motorfiets hiermee heeft ingestemd.
- Wanneer dit is vereist of mogelijk op basis van wetten en verordeningen, een gerechtelijk bevel of andere rechtskracht.
- Bij het verstrekken van gegevens die zijn verwerkt zodat gebruikers en motorfiet-sen niet kunnen worden geïdentificeerd, voor gebruik door onderzoeksinstituten, enz., bij statistische verwerking, enz.
PLAATS VAN DE SERIENUMMERS
OMSCHRIJVING
Noteer het frame- en motorserienummer op de volgende pagina voor gebruik in procedures zoals het maken van voertuigregistratiedocumenten. Deze nummers komen ook van pas wanneer uw dealer onderdelen voor u bestelt.

De afbeelding toont V-STROM 800DE.
FRAMENUMMER
Het framenummer ① is op de linkerkant van het balhoofd geslagen, zoals aangegeven in de afbeelding.
Noteer het framenummer hier zodat u het later gemakkelijk kunt terugvinden.
Framenummer:
MOTORSERIENUMMER
Het motorserienummer ② is op het motor-carter geslagen.
Noteer het serienummer hieronder zodat u het in de toekomst snel kunt terugvinden.
Motornummer:
SLEUTELNUMMER
Deze motorfiets wordt geleverd met twee sleutels en een alfanumeriek sleutelnummer dat op een plaatje is gedrukt.
OPMERKING:
- Naast standaard sleutelfuncties hebben de sleutels van deze motorfiets ook star-tonderbrekingsfuncties.
- Het beschadigen of verliezen van deze sleutels brengt aanzienlijke kosten met zich mee, dus ga er voorzichtig mee om.
- Bewaar de reservesleutel zorgvuldig.
TECHNISCHE GEGEVENS
2490 mm (98,0 in) ... met optie
Totale breedte.... 975 mm (38,4 in)
1015 mm (40,0 in) ... met optie
Totale hoogte 1310 – 1340 mm (51,6 – 52,8 in)
1410 - 1440 mm (55,5 - 56,7 in) ... met optie
1455 - 1485 mm (57,3 - 58,5 in) ... met optie
Wielbasis 1570 mm (61,8 in)
Grondspeling 220 mm (8,7 in)
Leeggewicht 230 kg (507 lbs)
2380 mm (93,7 in) ... met optie
Totale breedte.... 905 mm (35,6 in)
1015 mm (40,0 in) ... met optie
Totale hoogte 1355 – 1385 mm (53,3 – 54,5 in)
1390 - 1420 mm (54,7 - 55,9 in) ... met optie
Wielbasis 1515 mm (59,6 in)
Grondspeling 185 mm (7,3 in)
Leeggewicht 223 kg (492 lbs)
MOTOR
Type ...... Viertaktmotor, vloeistofgekoeld
Aantal cilinders 2
Smeersysteem ...... Geforceerde circulatie, Wet-sump
AANDRIJFLIJN
Koppeling.... Natte meervoudige plaatkoppeling
Transmissie 6 versnellingen
Schakelpatroon 1 omlaag, 5 omhoog
Primaire reductieverhouding.... 1,675 (62/37)
Overbrengingsverhoudingen, Laag 3,071 (43/14)
2e 2,200 (33/15)
3e 1,700 (34/20)
4e 1,416 (34/24)
5e 1,230 (32/26)
Hoogste.... 1,107 (31/28)
Eindreductieverhouding.... 2,941 (50/17)
Ketting ....DID 525HV3, 126 schakels
FRAME (V-STROM 800DE)
Voorvering Telescopisch, cilindrische spoel, oliegedempt
Achtervering .... Swingarm-type, cilindrische spoel, oliegedempt
Voorvork-veerweg.... 220 mm (8,7 in)
Stuurhoek 40° (rechts en links)
Balhoofddoek 28° 00'
Naloop 114 mm (4,5 in)
Draaicirkel 2,7 m (8,9 ft)
Voorrem Dubbele schijfrem
Achterrem...... Enkele schijfrem
Maat van voorband.... 90/90-21M/C 54H, met binnenband
Maat achterband 150/70R17M/C 69H, met binnenband
FRAME (V-STROM 800)
Voorvering Telescopisch, cilindrische spoel, oliegedempt
Achtervering .... Swingarm-type, cilindrische spoel, oliegedempt
Voorvork-veerweg.... 150 mm (5,9 in)
Stuurhoek 40° (rechts en links)
Balhoofddoek 26° 00'
Naloop.... 124 mm (4,9 in)
Draaicirkel 2,6 m (8,5 ft)
Voorrem Dubbele schijfrem
Achterrem...... Enkele schijfrem
Maat voorband 110/80R19M/C 59V, tubeless
Maat achterband 150/70R17M/C 69V, tubeless
ELEKTRISCH
Contacttype ...... Elektronisch contact (getransistoriseerd)
Bougie ...... NGK LMAR8BI-9
Accu 12V 28,8 kC (8 Ah)/10 HR
Dynamo 3-fasen wisselstroomdynamo
Hoofdzekering 30 A
Zekering 10/10/10/10/10/10/15/15 A
ABS-zekering 15/20 A
Koplamp LED
Parkeerlicht .... LED
Richtingaanwijzerlamp voor .... LED
Richtingaanwijzerlamp achter .... LED
Kentekenplaatverlichting 12V 5W
Remlicht/achterlicht...... LED
Richtingaanwijzer-verklikkerlampje ...... LED
Vrijstandcontrolelichtje ...... LED
Grootlichtcontrolelampje...... LED
Defectverklikkerlampje .... LED
Hoofdwaarschuwingscontrolelichtje LED
Oliedrukwaarschuwingslampje...... LED
Motorkoelvloeistoftemperatuurwaarschuwingslampje...... LED
Elektrisch laadverklikkerlampje .... LED
Tractieregelingcontrolelichtje .... LED
Startonderbrekercontrolelichtje (indien uitgerust) ...... LED
INHOUDSWAARDEN
Brandstoftank 20,0 L (5,3/4,4 US/Imp. gal)
Motorolie, olie verversen.... 3000 ml (3,2/2,6 US/Imp. qt)
Met vervanging van filter.... 3500 ml (3,7/3,1 US/Imp. qt)
Reviseren.... 3900 ml (4,1/3,4 US/Imp. qt)
Koelvloeistof 1870 ml (2,0/1,6 US/Imp. qt)

INDEX
A
AANDRIJFKETTING....3-49
ABS....1-21
ABS-STAND 2-63
ABS-VERKLIKKERLAMPJE....2-34
ACCU.... 3-16,5-3
ACHTERREMPEDAAL....2-133
ACHTERSTE BAGAGEDRAGER .....2-151
ACHTERWIEL 3-93
ACHTERWIELVERING 2-141,2-145
ACTIERADIUSMETER....2-51
AFTAPPLUG VAN LUCHTFILTER......3-27
ALARMKNIPPERLICHT-
SCHAKELAAR....2-109
B
BANDEN.... 3-68,5-4
BOUGIE....3-20
BRANDSTOF 1-26,5-3
BRANDSTOFPEILINDICATOR...... 2-44,2-52
BRIGHTNESS (helderheid)......2-80
BUITENKANT....5-4
C
CONTACTSLOT....2-98
D
DAGTELLER 2-48
DATE / TIME (datum/tijd) 2-89
DAY / NIGHT (dag/nacht)....2-83
DEFAULT SET
(standaardinstellingen) 2-95
DEFECTVERKLIKKERLAMPJE....2-28
NEXT SERVICE (volgende onderhoud) ......2-76
0
OLIEDRUKVERKLIKKERLAMPJE......2-37
OMGEVINGSTEMPERATUUR- INDICATOR....2-53
ONDERHOUDSHERINNERING- INDICATOR....2-52
ONDERHOUDSSCHEMA 3-6
OVERVERHITTING....4-4
P
PLAATS VAN DE ONDERDELEN....2-2
PLAATS VAN DE SERIENUMMERS .....6-6
POP-UPVENSTER....2-31
Q
QUICK SHIFT...... 2-71,2-128
R
RADIATEURSLANG....3-48
RECHTER HANDVAT....2-15
REMBLOKKEN....3-61
REMHENDEL 2-132
REMMEN....3-57
REMVLOEISTOF 3-57
RICHTINGAANWIJZER-
SCHAKELAAR 2-107
RICHTINGAANWIJZER-
VERKLIKKERLAMPJE....2-27
RODE ZONE 2-42
S
SCHAKELAAR VOOR HET
ACHTERREMLICHT....3-65
SCHAKELEN....2-123
SLEUTELNUMMER....6-7
SMERING....3-14
(Behalve voor 35 kW model) ......2-60
SYSTEM INFO (systeeminfo)......2-97
T
TANKEN....2-120
TOERENTELLER....2-42
TRACTIEREGELING-
VERKLIKKERLAMPJE....2-36
TRACTIEREGELSYSTEEM.... 2-55
U
UITLAATPIJPEN 5-13
UNIT (eenheid)....2-85
USB-AANSLUITING....2-149
v
VERSNELLINGSHENDEL....3-67
VERSNELLINGSSTANDINDICATOR .....2-44
VERSTELLER VAN DE VERING .....2-135
VOLTMETER....2-50
VOORWIEL 3-87
VOORWIEL (V-STROM 800DE) ......3-81
VOORWIELVERING.... 2-136,2-140
VRIJSTAND-VERKLIKKERLAMPJE .....2-27
W
WARNING LIST (waarschuwingslijst)......2-74
WIELEN....5-11
WINDSCHERM....2-148
Z
ZADELSLOT 2-134
ZEKERINGEN 3-100
ZIJSTANDAARD 2-117
ZIJSTANDAARD/CONTACTCIRCUIT-
Totaal aantal pagina's: 356
| [EN] English | Hereby, ASAIII DENSO CO., LTD. declares that the radio equipment type [SZ137] is in compliance with Directive 2014/53/EU.The full text of the EU declaration of conformity is available at the following internet address:http://en.ad-asahidenso.co.jp/euro-compliance/ |
| [BG] Bulgarian | С настоящото ASAHI DENSO CO., LTD. декларира, че този тип радиосъоръжение [SZ137] с в съответствие с Директива 2014/53/EC.Цялостният текст на ЕС декларацията за съответствие може да се намери на следния интернет адрес:http://en.ad-asahidenso.co.jp/euro-compliance/ |
| [CS] Czech | Timto ASAIII DENSO CO., LTD. прохлаšuje, že typ rádiového zařízení [SZ137] je v souladu se směrnici 2014/53/EU.Úplně znění EU prohlásení o shodě je k dispozici na této internetové adrese:http://en.ad-asahidenso.co.jp/euro-compliance/ |
| [DA] Danish | Hermed erklærer ASAIII DENSO CO., LTD., at radioudstyrstypen [SZ137] er i overensstemmelse med direktiv 2014/53/EU.EU-overensstemmelseserklæringens fulde tekst kan findes på følgende internetadresse:http://en.ad-asahidenso.co.jp/euro-compliance/ |
| [DE] German | Hiermit erklärt ASAHI DENSO CO., LTD., dass der Funkanlagentyp [SZ137] der Richtlinie 2014/53/EU entspricht.Der vollständige Text der EU-Konformitätserklärung ist unter der folgenden Internetadresse verfügbar:http://en.ad-asahidenso.co.jp/curo-compliance/ |
| [ET] Estonian | Käesolevaga deklareerib ASAHI DENSO CO., LTD., et käesolev raadioseadme tüüp [SZ137] vastab direktiivi 2014/53/EL nõuetele.ELi vastavusdeklaratsiooni täielik tekst on kättesaadav järgmisel internetiaadressil:http://en.ad-asahidenso.co.jp/euro-compliance/ |
| [EL] Greek | Με την παρούσα ο/η ASAHI DENSO CO., LTD., δηλώνει ότι ο radioεξοπλισμόσ [SZ137] πληροί την οδηγία 2014/53/EE.To πλήρεσ κείμενο τησ δήλωσησ συμμόρφωσησ EE διατίθεται στην ακόλουθη ιστοσελίδα στο διαδίκτυο:http://en.ad-asahidenso.co.jp/curo-compliance/ |
| [ES] Spanish | Por la presente, ASAHI DENSO CO., LTD. declara que el tipo de equipo radioeléctrico [SZ137] es conforme con la Directiva 2014/53/UE.El texto completo de la declaración UE de conformidad está disponible en la dirección Internet siguiente:http://en.ad-asahidenso.co.jp/curo-compliance/ |
| [FR] French | Le soussigné, ASAHI DENSO CO., LTD., déclare que l'équipement radioélectrique du type [SZ137] est conforme à la directive 2014/53/UE.Le texte complet de la déclaration UE de conformité est disponible à l'adresse internet suivante:http://en.ad-asahidenso.co.jp/euro-compliance/ |
| [IT] Italian | Il fabbricante, ASAHI DENSO CO., LTD., dichiara che il tipo di apparecchiatura radio [SZ137] è conforme alla direttiva 2014/53/UE.Il testo completo della dichiarazione di conformità UE è disponibile al seguente indirizzo Internet:http://en.ad-asahidenso.co.jp/curo-compliance/ |
| [LV] Latvian | Ar šo ASAIII DENSO CO., LTD. deklarē, ka radioiekārta [SZ137] atbilst Direktīvai 2014/53/ES.Pilns ES atbilstības deklarācijas teksts ir picejams šādā interneta vičnē:http://en.ad-asahidenso.co.jp/curo-compliance/ |
| [LT] Lithuanian | Aš, ASAHI DENSO CO., LTD., patvirtinu, kad radijo jrenginių tipas [SZ137] atitinka Direktyvą 2014/53/ES.Visas ES atitikties deklaracijos tekstas pricinamas šiuo internecto adresu:http://cn.ad-asahidenso.co.jp/curo-compliance/ |
| [HR] Croatian | ASAHI DENSO CO., LTD. ovime izjavljuje da je radijska oprema tipa [SZ137] u skladu s Direktivom 2014/53/EU.Cjeloviti tekst EU izjave o sukladnosti dostupan je na sljedećoj internetskoj adresi:http://cn.ad-asahidenso.co.jp/curo-compliance/ |
| [HU] Hungarian | ASAHI DENSO CO., LTD. igazolja, hogy a [SZ137] tipusú rádióberendezés megfelel a 2014/53/EU irányclvnck.Az EU-megfelelőségi nyilatkozat teljes szövege elérhető a következő internetes címen:http://cn.ad-asahidenso.co.jp/curo-compliance/ |
| [MT] Maltese | B'dan, ASAHI DENSO CO., LTD., niddikjara li dan it-tip ta' taghmir tar-radju [SZ137] huwa konformi mad-Direttiva 2014/53/UE.It-test kollu tad-dikjarazzjoni ta' konformità tal-UF huwa disponibbli f'dan l-indirizz tal-Internet li ğej:http://en.ad-asahidenso.co.jp/euro-compliance/ |
| [NL] Dutch | Hierbij verklaar ik, ASAHI DENSO CO., LTD., dat het type radioapparatuur [SZ137] conform is met Richtlijn 2014/53/EU.De volledige tekst van de EU-conformiteitsverklaring kan worden geraadpleegd op het volgende internetadres: http://en.ad-asahidenso.co.jp/euro-compliance/ |
| [PL] Polish | ASAIHI DENSO CO., LTD. niniejszym oświadcza, że typ urządzenia radiowego [SZ137] jest zgodny z dyrektywą 2014/53/UF.Pełny tekst deklaracji zgodności UE jest dostępny pod następującym adresem internetowym:http://en.ad-asahidenso.co.jp/euro-compliance/ |
| [PT] Portuguesc | O(a) abaixo assinado(a) ASAHI DENSO CO., LTD. declara que o presente tipo de equipamento de rádio [SZ137] está em conformidade com a Diretiva 2014/53/UE.O texto integral da declaração de conformidade está disponível no seguinte endereço de Internet:http://en.ad-asahidenso.co.jp/curo-compliance/ |
| [RO] Romanian | Prin prezenta, ASAHI DENSO CO., LTD. declară că tipul de echipamente radio [SZ137] este în conformitate cu Directiva 2014/53/UE.Textul integral al declaratiei UE de conformitate este disponibil la următoarea adresă internet:http://en.ad-asahidenso.co.jp/euro-compliance/ |
| [SK] Slovak | ASAHI DENSO CO., LTD. týmto vyhlasujc, že rádiové zariadcnic typu [SZ137] je v súlade so smcrnicou 2014/53/EÚ.Úplné EÚ vyhlásenie o zhode je k dispozícii na tejto internetovej adrese:http://en.ad-asahidenso.co.jp/euro-compliance/ |
| [SL] Slovenian | ASAHI DENSO CO., LTD. potrjuje, da jc tip radijske oprcmc [SZ137] skladen z Direktivo 2014/53/EU.Celotno besedilo izjave EU o skladnosti je na voljo na naslednjem spletnem naslovu:http://en.ad-asahidenso.co.jp/curo-compliance/ |
| [FI] Finnish | ASAHI DENSO CO., LTD. vakuuttaa, että radiolaitetyyppi [SZ137] on direktiivin 2014/53/EU mukainen.EU-vaatimustenmukaisuusvakuutuksen täysimittainen teksti on saatavilla seuraavassa internetosoitteessa:http://en.ad-asahidenso.co.jp/curo-compliance/ |
| [SV] Swedish | Ißärmed försäkrar ASAIHI DENSO CO., LTD. att denna typ av radioutrustning [SZ137] överensstämmer med direktiv 2014/53/EU.Den fullständiga texten till EU-försäkran om överensstämmelse finns på följande webbadress:http://en.ad-asahidenso.co.jp/curo-compliance/ |










