Logano G211 - Ketel BUDERUS - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Logano G211 BUDERUS in PDF-formaat.
| Type product | Vastebrandstofketel |
| Merk | Buderus |
| Model | Logano G211 / G211 D |
| Afmetingen (L x B x H) | 840-1240 x 600 x 1033 mm (afhankelijk van type) |
| Gewicht (leeg) | 210-350 kg (afhankelijk van type) |
| Waterinhoud | 27-43 liter (afhankelijk van type) |
| Brandstoffen | Steenkool, cokes, hout (G211 D), samengeperste brandstoffen, pellets |
| Nominaal vermogen (cokes) | 20-42 kW (afhankelijk van type) |
| Nominaal vermogen (steenkool) | 18-34 kW (afhankelijk van type) |
| Nominaal vermogen (hout, G211 D) | 16-34 kW (afhankelijk van type) |
| Ketelwatertemperatuur | Instelbaar 50-95 °C (max. 95 °C) |
| Rendement | 78-82% |
| Toegestane bedrijfsoverdruk | 4,0 bar |
| Rookgastemperatuur | 120-260 °C (afhankelijk van belasting) |
| Benodigde schoorsteentrek | 10-28 Pa (afhankelijk van type) |
| Veiligheidssystemen | Thermische overstortbeveiliging (optioneel), trek- en keteltemperatuurregelaar |
| Onderhoudsinterval | Wekelijks reinigen, jaarlijks professioneel onderhoud |
| Garantie | Raadpleeg officiële documentatie |
| Leveringsomvang | Ketel, ommanteling, trekstang, aslade, pook, reinigingsborstels, regelaar, handleiding |
Veelgestelde vragen - Logano G211 BUDERUS
Gebruikersvragen over Logano G211 BUDERUS
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Ketel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Logano G211 - BUDERUS en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Logano G211 van het merk BUDERUS.
GEBRUIKSAANWIJZING Logano G211 BUDERUS
Montage-, bedienings- en onderhoudsvoorschrift
Verwarmingsketel voor vaste brandstoffen Logano G211 Logano G211 D

1.1 Over dit voorschrift 4
1.2 Voorgeschreven toepassing 4
1.3 Verklaring van de gebruikte symbolen 4
1.4 Respecteer deze aanwijzingen – voor de vakman. 4
1.4.1 Aanwijzingen voor de opstellingsruimte 4
1.5 Respecteer deze aanwijzingen – voor de gebruiker van de installatie . . . . . . . . . . . . . . . 5
1.6 Minimumafstanden en brandbaarheid van bouwmaterialen 5
1.7 Gereedschappen, materialen en hulpmiddelen 5
1.8 Afval 5
2 Productbeschrijving....6
3.1 Diagram van de hydraulische weerstand. 9
3.2 Typeplaatje 9
5.1 Afstanden tot de wand 11
5.2 Afstanden tot brandbare materialen.... 12
5.3 Ommanteling monteren.... 12
5.4 Trekstangen voor de rookgasklep monteren 13
5.5 Ketelafdekkap monteren 13
5.6 Trek- en keteltemperatuurregelaar monteren 14
6 Verwarmingsketel installeren 15
6.1 Aanwijzingen voor de aansluiting van de luchttoevoer en rookgasafvoer.... 15
6.1.1 Rookgasaansluiting uitvoeren 15
6.1.2 Aansluiting van de luchttoevoer uitvoeren 16
6.2 Hydraulische aansluitingen uitvoeren.... 16
6.3 Vul- en aftapkraan. 17
6.4 Veiligheidswarmtewisselaar aansluiten (toebehoren)....17
6.5 Verwarmingsinstallatie vullen en op dichtheid controlleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
7 Verwarmingsinstallatie in bedrijf stellen 19
7.1 Werkingsdruk tot stand brengen. 19
7.2 Trek- en ketelwatertemperatuurregelaar instellen.... 19
7.3 Typeplaatje aanbrengen 20
8 Verwarmingsinstallatie bedienen (voor de gebruiker) 21
8.1 Werking van de afzonderlijke bouwelementen.... 21
8.1.1 Rookgasklep 21
8.1.2 Luchtklep.... 22
8.2 Verwarmen.... 23
8.3 Brandstof toevoegen 24
8.4 Stook het vuur op 25
8.5 Verwijder de assen uit de verwarmingsketel 25
8.6 Verwarmingsketel reinigen.... 26
8.7 Constant verwarmingsbedrijf (vuur brand 's nachts). 27
8.8 Verwarmingsketel buiten bedrijf stellen.... 28
8.8.1 Stel de verwarmingsketel tijdelijk buiten bedrijf 28
8.8.2 Verwarmingsketel langdurig buiten bedrijf stellen 28
8.8.3 Verwarmingsketel in noodgeval buiten bedrijf stellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28
8.9 Condensatie en teervorming vermijden 29
9 Verwarmingsketel inspecteren en onderhouden 30
9.1 Waarom is het belangrijk de installatie regelmatig te onderhouden? . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
9.2 Verwarmingsinstallatie reinigen....30
9.3 Werkingsdruk van de verwarmingsinstallatie controleren 30
9.4 Thermische overstortbeveiliging controleren 31
9.5 Rookgastemperatuur controleren....31
9.6 Inspectie- en onderhoudsprotocollen. 32
10 Storingen verhelpen 34
11 Trefwoordenregister 35
1 Veiligheid
1.1 Over dit voorschrift
Dit voorschrift bevat belangrijke informatie betreffende een veilige en vakkundige montage, inbedrijfstelling, bediening en onderhoud van de verwarmingsketel.
Dit montage- en onderhoudsvoorschrift richt zich tot de vakman, die – op basis van zijn opleiding en ervaring – over de nodige kennis van verwarmingsinstallaties beschikt.
De informatie betreffende de bediening van de verwarmingsketel is bedoeld voor de gebruiker van de installatie en wordt ook zo aangeduid.
De verwarmingsketel voor vaste brandstoffen in de uitvoeringen Logano G211 en Logano G211 D wordt hieronder in het algemeen (verwarmings) ketel genoemd.
Wanneer er verschillen bestaan tussen de uitvoeringen, worden deze uitdrukkelijk genoemd.
1.2 Voorgeschreven toepassing
De verwarmingsketel mag enkel gebruikt worden voor het verwarmen van woningen en eengezinshuizen.
Neem nota van de informatie op het typeplaatje en de technische gegevens (→ hoofdstuk 3, pagina 7), om de voorgeschreven toepassing te garanderen.
1.3 Verklaring van de gebruikte symbolen
In dit voorschrift worden de volgende symbolen gebruikt:

LEVENSGEVAAR
Duidt op een mogelijk gevaar dat zonder voldoende voorzorgsmaatregelen kan leiden tot ernstig lichamelijk letsel of zelfs tot de dood.

GEVAAR VOOR VERWONDINGEN/ SCHADE AAN DE INSTALLATIE
Duidt op een een potentieel gevaarlijke situatie, die kan leiden tot lichte tot matige lichamelijke letsels of schade aan de installatie.

AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKER
Tips voor een optimaal gebruik van de toestellen en een optimale instelling, evenals andere nuttige informatie.
→ Verwijzingen
Verwijzingen naar een bepaalde passage of een ander document zijn gemarkeerd met een pijl →.
1.4 Respecteer deze aanwijzingen – voor de vakman
Bij de installatie en het bedrijf moeten de specifieke nationale voorschriften en normen gerespecteerd worden.
- De plaatselijke bouwbepalingen voor de plaatsing, de verbrandingsluchtvoorziening en de rookgasafvoer evenals de aansluiting van de schoorsteen.
- De voorschriften en normen betreffende de veiligheidstechnische uitrusting van de verwarmingsinstallatie.

AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKER
Maak enkel gebruik van originele wisselstukken van Buderus. Buderus kan niet verantwoordelijk gesteld worden voor schade die veroorzaakt werd door componenten die niet door Buderus geleverd werden.
1.4.1 Aanwijzingen voor de opstellingsruimte

LEVENSGEVAAR
door vergiftiging.
Een ontoereikende luchttoevoer kan bij een kamerluchtafhankelijke werking leiden tot het ontsnappen van gevaarlijke rookgassen.
- Zorg ervoor, dat de luchttoevoer- en -afvoeropeningen niet verkleind of afgesloten zijn.
- Wanneer u het probleem niet meteen oplost, mag de ketel niet in werking gesteld worden.
- Wijs de gebruiker van de installatie schriftelijk op de gebreken en de daaruit resulterende gevaren.

BRANDGEVAAR
door ontvlambare materialen of vloeistoffen.
- Zorg ervoor, dat er zich geen ontvlambare materialen of vloeistoffen bevinden in de onmiddellijke nabijheid van de verwarmingsketel.
- Wijs de gebruiker van de installatie op de geldende minimumafstanden ten opzichte van licht of sterk ontvlambare materialen.
1.5 Respecteer deze aanwijzingen – voor de gebruiker van de installatie

LEVENSGEVAAR
door vergiftiging of explosie.
Bij het verbranden van afval, kunststoffen of vloeistoffen kunnen er giftige rookgassen ontstaan.
- Maak uitsluitend gebruik van de aangegeven brandstoffen.
- Bij gevaar voor explosie, brandgevaar, verbrandingsgassen of dampen moet de ketel buiten werking gesteld worden.

GEVAAR VOOR VERWONDINGEN/ SCHADE AAN DE INSTALLATIE
door een onvakkundige toepassing.
- De verwarmingsketel mag enkel gebruikt worden door volwassenen, die vertrouwd zijn met de gebruiksaanwijzingen voor de ketel.
- Als gebruiker mag u enkel de ketel in bedrijf stellen, de temperatuur aan de trek- en keteltemperatuurregelaar instellen, de verwarmingsketel buiten werking stellen en reinigen.
-
Zorg ervoor, dat kinderen niet zonder toezicht in de buurt van een functionerende verwarmingsketel kunnen komen.
-
Laat de verwarmingsketel functioneren met een maximumtemperatuur van 95 °C en controleer hem geregeld.
- Maak geen gebruik van vloeistoffen voor het aanmaken van het vuur of voor het verhogen van het rendement.
- Plaats de assen in een niet-brandbaar recipiënt met deksel.
- Reinig de bovenzijde van de verwarmingsketel enkel met niet-brandbare middelen.
- Plaats geen brandbare objecten op de verwarmingsketel of in de buurt ervan (binnen de veiligheidsafstand).
- Stokeer geen brandbare materialen in de opstellingsruimte van de verwarmingsketel (bijv. hout, papier, petroleum, olie).
1.6 Minimumafstanden en brandbaarheid van bouwmaterialen
- Plaatselijke kunnen er andere minimumafstanden gelden dan diegene die hieronder aangegeven worden – vraag uw vakman of schoorsteenveger.
- De minimumafstand tussen de wand van de verwarmingsketel en de rookgasleiding tot slecht en gemiddeld brandbare stoffen moet ten minste 100 mm bedragen.
- De minimumafstand tot licht brandbare stoffen moet ten minste 200 mm bedragen. Respecteer de afstand van 200 mm ook als de brandbaarheid van de stoffen niet gekend is.
| Brandbaarheid van de bouwmaterialen | |
| A... niet brandbaar | Asbest, stenen, bakstenen, ceramische wandkachels, gebrande klei, mortel, pleister (zonder organische toevoegingen) |
| B... zeer weinig brandbaar | Gipskartonplaten, basaltviltplaten, glasvezel, platen uit AKUMIN, IZOMIN, RAJOLIT, LIGNOS, VELOX en HERAKLIT |
| C1... slecht brandbaar | Hout van beuk en eik, behandeld hout, platen uit HOBREX, VERZALIT, UMAKART |
| C2... gemiddeld brandbaar | Hout van pijnbomen, van de lorkenboom en de den en behandeld hout |
| C3... lichtontvlambaar | Asfalt, karton, cellulosematerialen, teerpapier, houtvezelplaten, kurk, polyurethaan, polystyreen, polypropyleen, polyethyleen, bodemvezels |
Tab. 1 Brandbaarheid van bouwmaterialen
1.7 Gereedschappen, materialen en hulpmiddelen
Voor de montage en het onderhoud van de verwarmingsketel is het standaardgereedschap voor verwarmingsinstallatie alsook stookolie-/gas- en waterinstallatie vereist.
1.8 Afval
- Verpakkingsmateriaal uit hout of papier mag voor de verwarming gebruikt worden.
- Het overige verpakkingsmateriaal dient u op een milieuvriendelijke wijze te laten verwerken.
- De componenten van de verwarmingsinstallatie, die vervangen moeten worden, dienen op een milieuvriendelijke wijze verwerkt te worden door een erkende firma.
2 Productbeschrijving
De ketel bestaat uit:
- trek- en keteltemperatuurregelaar
- vuldeur
- assendeur
- luchtklep
- kijkglas
- trekstang voor rookgasklep
- thermo-/manometer
Aan de trek- en keteltemperatuurregelaar kan de gewenste temperatuur van het ketelwater ingesteld worden en begrensd worden tot die maximumwaarde.
De brandstof wordt bijgevuld aan de vuldeur. In koude toestand kan de vuurhaard langs de vuldeur gereinigd worden.
Achter de assendeur bevindt zich de assenkast en het onderste deel van de vuurhaard.
Aan de hand van de luchtklep (verbonden met de treken ketelwatertemperatuurregelaar) wordt de luchttoevoer geregeld.
Door het kijkglas kan de toestand van de verbranding (vlammen en brandstofhoeveelheid) gecontroleerd worden.
Met behulp van de trekstang wordt de rookgasklep in de rookgasleiding verplaatst.
De thermo-/manometer geeft de temperatuur in de verwarmingsketel aan evenals de waterdruk.
Veiligheidswarmtewisselaar
In optie is er voor deze verwarmingsketel ook een externe veiligheidswarmtewisselaar beschikbaar als toebehoren. Bij gevaar voor oververhitting wordt het thermostaatventiel geactiveerd en wordt de veiligheidswarmtewisselaar doorstroomd door koelwater.
Brandstoffen
De verwarmingsketels zijn geschikt voor de brandstoffen steenkool en cokes – telkens eierkolen 1 (20 – 40 mm).
De verwarmingsketels met het kenmerk "D" (bijv. Logano G211 D) zijn voorzien van een grotere vuurhaard en een grotere vulopening en dus geschikt voor grotere houtblokken.
Als vervangende brandstoffen zijn toegestaan (minder vermogen en kortere onderhoudsintervallen): steenkool en cokes – soort 2 (10 – 20 mm) of breukstukken (40 – 100 mm), samengeperste brandstoffen, hout, samengeperste brandstoffen uit hout, pellets en houtresten.

AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKER
Bruinkool is niet geschikt als brandstof, aangezien het zou leiden tot een vervuiling van de warmtewisselaar.

2trek- en keteltemperatuurregelaar
3vuldeur
4assendeur
5luchtklep
6kijkglas
7trekstang voor rookgasklep
8thermo-/manometer

Afb. 2 Aansluitingen en afmetingen (maten in mm)
Aansluitingen (afmetingen zie volgende tabellen):
VK = vertrekleiding verwarmingsketel
EL = aftap (aansluiting voor vul- en aftapkraan)
| Ketelgrootte | Type | 20, 20D | 26, 26D | 32, 32D | 36, 36D | 42, 42D |
| Hoogte mm 1033 | ||||||
| Hoogte met veiligheidswarmtewisselaar | mm 1344 | |||||
| Totale ketellengte L | mm | 840 | 940 | 1040 | 1140 | 1240 |
| Lengte ketelblok L K | mm | 480 | 580 | 680 | 780 | 880 |
| Vulopening afmetingen | mm | 310 x 230 | ||||
| Gewicht netto | kg | 210 | 245 | 280 | 315 | 350 |
| Aansluiting verwarmingswater VK, RK | - | G 2" binnendraad | ||||
| Aansluiting veiligheidswarmtewisselaar | - | G 1/2" buitendraad | ||||
| Ketelgrootte Type 20 26 32 36 42 | ||||||
| Brandstof cokes | ||||||
| Warmtevermogen bij cokes (minimum/nominaal) | kW | 6/20 | 8/26 | 9,5/32 | 11/36 | 12,5/42 |
| Brandstofverbruik (minimum/nominaal vermogen) | kg/h 1,1 | 1/3,7 1,48/4,8 1,7 | 6/5,9 2,04/6,66 2,31/7,77 | |||
| Brandstof steenkool | ||||||
| Nominaal vermogen bij steenkool (minimum/nominaal) | kW 9/18 | 12/24 | 15/25 | 18/30 | 21/34 | |
| Brandstofverbruik (minimum/nominaal) | kg/h | 1,9/3,6 | 2,3/4,6 | 2,6/5,2 | 3,2/6,4 | 3,7/7,5 |
| Brandduur (nominaal vermogen) | h | 4 | ||||
| CO2-gehalte (nominaal vermogen) | % | 10,3 – 10,6 | 9,8 – 10,6 | 9,3 – 11,1 | 9,5 – 11,0 | 9,9 – 10,6 |
Tab. 2 Afmetingen
| Ketelgrootte | Type | 20D | 26D | 32D | 36D | 42D |
| Brandstof hout met een verbrandingswaarde van 13 MJ/kg en maximum vochtigheid van 20 % | ||||||
| Warmtevermogen(minimum/nominaal) | kW | 8/16 | 10/20 | 13/25 | 15/30 | 17/34 |
| Brandstofverbruik(minimum//nominaal) | kg/h | 2,15/4,85 | 2,52/6,11 | 2,89/7,38 | 3,26/8,65 | 4,63/9,92 |
| Brandduur (nominaal vermogen) | h | 2 | ||||
| Maximumlengte van de houtblokken (diameter 150 mm) | mm | 280 | 380 | 480 | 580 | 680 |
| CO2-gehalte(nominaal vermogen) | % | 9,2 – 9,4 | 9,4 – 10,1 | 10,1 – 10,9 | 9,8 – 10,9 | 10,3 – 11,3 |
Tab. 4 Technische gegevens Logano G211 D (met grotere vuurhaard voor houtblokken)
| Ketelgrootte | Type | 20, 20D | 26, 26D | 32, 32D | 36, 36D | 42, 42D |
| Klasse van verwarmingsketels conform EN 303-5 | - | 3 | ||||
| Aantal ketelementen | - | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 |
| Waterinhoud | I | 27 | 31 | 35 | 39 | 43 |
| Inhoud van de vuurhaard | I | 25,5 | 34 | 42,5 | 51 | 59,5 |
| Rendement | % | 78 tot 82 | ||||
| Bereik ketelwatertemperatuur | °C | 50 tot 90 | ||||
| Minimum retourtemperatuur | °C | 45 | ||||
| Rookgastemperatuur (minimum/nominaal vermogen) | °C | 120/240 | 130/250 | 140/250 | 150/260 | |
| Rookgasdebiet | ||||||
| Nominaal vermogen | g/sec | 9,54 | 12,31 | 15,08 | 16,99 | 19,78 |
| Min. vermogen | g/sec | 3,02 | 3,95 | 4,66 | 5,36 | 6,04 |
| Vereiste opvoerhoogte (trek) bij werking met minimum en nominaal vermogen | Pa | 10 – 20 | 12 – 22 | 13 – 23 | 15 – 25 | 18 – 28 |
| Toegestane bedrijfsoverdruk | bar | 4,0 | ||||
| Maximum controledruk | bar | 8 | ||||
Tab. 5 Technische gegevens Logano G211 en Logano G211 D
3.1 Diagram van de hydraulische weerstand
![| Q [m³/h] | mbar | | -------- | ---- | | 1.5 | 20 | | 2.0 | 6 | | 2.5 | 12 | | 3.0 | 16 | | 3.5 | 22 | | 4.0 | 28 | | 4.5 | 32 | | 4.5 | 36 | | 4.5 | 42 |](/content/2026/06/1160285/images/230c0dce178f57c59863e74299b098f5c1acf8e500c4d9db32c0930ffea08345.jpg)
Afb. 3 Hydraulische weerstand (hydraulische verliezen) in functie van het debiet
3.2 Typeplaatje
Op het typeplaatje staan de volgende gegevens over de verwarmingsketel:
| Typeplaatje Verklaring | ||
![]() | ||
| Bouwtype van de ketel | ||
| Serienummer | ||
| Model/type ketel | ||
| Vermogen (nominale waarde) | ||
| Toegestane bedrijfsoverdruk | ||
| Klasse van de verwarmingsketel conform EN 303-5 | ||
| Maximum ketelwatertemperatuur | ||
| Waterinhoud | ||
| Ketelgewicht (leeg) | ||
| Aanbevolen brandstof | ||
| Landen | ||
| Adres van de fabrikant | ||
Tab. 6 Typeplaatje
4 Leveringsomvang
- Controleer bij levering of de verpakking niet beschadigd is.
- Controleer of de levering compleet is.
| Pos. | Onderdeel Stuks | |
| 1 | trekstang voor rookgasklep 1 | |
| 2 | assenkast 1 | |
| 3 | p o o k 1 | |
| 4 | reinigingsborstels 1 | |
| 5 | trek- en keteltemperatuurregelaar 1 | |
| 6 | conus voor trek- enketeltemperatuurregelaar | 1 |
| 7–8 | hendel met ketting voor trek- enketeltemperatuurregelaar | 1 |
| 9 | dopmoer voor luchtklep 16 | |
| 10 | instelschroef voor luchtklep | 1 |
| 11 | vul- en aftapkraan G 1/2" | 2 |
| 12 | thermo-/manometer | 2 |
| ommanteling met isolatie voor deverwarmingsketel | 1 | |
| montage-, bedienings- enonderhoudsvoorschrift | 1 |
Optioneel toebehoren op bestelling
- veiligheidswarmtewisselaar compleet met thermische overstortbeveiliging STS 20 (WATTS)
- ontluchtingsventiel G 3/8"

In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u de verwarmingsketel veilig kan transporteren en opstellen.
- Breng de verwarmingsketel liefst nog op de pallet en verpakt naar de opstellingsplaats.

SCHADE AAN DE INSTALLATIE
door vorst.
- Plaats de verwarmingsinstallatie in een vorstvrije ruimte.

AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKER
De verwarmingsketel kan ook met een kraan vervoerd worden. Maak daarvoor gebruik van de twee ogen voor de kraan.

AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKER
Verwijder het verpakkingsmateriaal op een milieubewuste manier.

AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKER
Respecteer de bouwvoorschriften, met name de geldende stookverordening, met betrekking tot de vereisten betreffende de opstellingsruimte evenals betreffende de luchttoevoer en -afvoer.

Afb. 5 Verwarmingsketel met een kraan transporteren 1ogen voor de kraan
5.1 Afstanden tot de wand
Positioneer de ketel met de aangegeven afstanden tot de wand (→ afb. 6).
Het niet-brandbare opstellingsvlak of het fundament moet vlak en egaal zijn, maak eventueel gebruik van niet-brandbare spieën. Als het fundament niet vlak is, mag de aansluitzijde (rugzijde) voor een betere ontluchting en doorstroming 5 mm hoger staan.
Het fundament moet groter zijn dan de ketelbasis. Aan de voorzijde ten minste 300 mm, aan de andere zijden ca. 100 mm.
| Maat Afstand tot de wand | |
| A | 1000 |
| B 600 | |
| C | 600 |
Tab. 8 Afstanden tot de wand (maten in mm)

Afb. 6 Afstanden tot de wand in de opstellingsruimte 1fundament of niet-brandbare sokkel
5.2 Afstanden tot brandbare materialen

BRANDGEVAAR
door ontvlambare materialen of vloeistoffen.
- Zorg ervoor, dat er zich geen ontvlambare materialen of vloeistoffen bevinden in de onmiddellijke nabijheid van de verwarmingsketel.
- Maak de gebruiker attent op de geldende minimumafstanden tot lichtontvlambare of sterk brandbare materialen.
5.3 Ommanteling monteren
- Hang de zijwand met de isolatie aan de ankerstangen van de verwarmingsketel tussen de moeren.
- Breng de rugwand met de isolatie over de flens van de ketelretour aan.
- Hang de tweede zijwand met isolatie op.
- Fixeer de zijwanden door het aandraaien van de buitenste moeren.

Afb. 7 Zijwanden en rugwand monteren 1 isolatie
- Hang de frontplaat met de isolatie aan de verwarmingsketel.

Afb. 8 Frontplaat monteren
5.4 Trekstangen voor de rookgasklep monteren
- Voer de trekstangen langs achter door de verwarmingsketel.
● Schroef de greep op de trekstangen. - Voer de rookgasklep in de lange bevestigingsopening van de trekstang in. Demonteer hiervoor de zeskantmoer kortstondig.
De lange bevestigingsopening moet zich tussen 2 vulringen bevinden.
- Controleer of de trekstangen bewegen en of de rookgasklep in de rookgassteun werkt.

- Plaats de bovenste isolatiemat op de verwarmingsketel.
- Bevestig de thermo-/manometer aan de ketelafdekkap.
- Voer de beide voelerleidingen naar de achterzijde van de verwarmingsketel.
● Schroef de druksensor in de mof. - Schuif de temperatuurvoeler in de dompelhuls en beveilig ze met veerklemmen.
- Plaats de ketelafdekkap op de verwarmingsketel en klik ze vast in de bevestigingen van de zijwanden.

5.6 Trek- en keteltemperatuurregelaar monteren
- Dicht de trek- en keteltemperatuurregelaar af in de 3/4" mof, zodat de opening voor de conus zich bovenaan bevindt.
- Stel de trek- en keteltemperatuurregelaar in op 30 °C.
- Monteer de hendel met conus aan de trek- en keteltemperatuurregelaar.
● Fixeer de conus met een schroef M5.

Afb. 11 Trek- en keteltemperatuurregelaar monteren 1hendel 2conus
- Bevestig de kettting aan de luchtklep.
- Monteer de instelschroef aan de luchtklep.
- Schroef de dopmoer aan de binnenzijde van de luchtklep op de instelschroef.
- Stel de luchtklep met behulp van de dopmoer zo in, dat de minimumopening bij een niet-gespannen ketting 5 mm bedraagt.
De trek- en keteltemperatuurregelaar wordt pas bij de eerste inbedrijfstelling precies ingesteld (→ hoofdstuk 7.2, pagina 19).

Afb. 12 Bevestig de ketting aan de luchtklep 1instelschroef 2dopmoer
6 Verwarmingsketel installeren
In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe u de verwarmingsketel dient te installeren. Het betreft ondermeer de:
- rookgasaansluiting uitvoeren
- hydraulische aansluiting
- vul- en aftapkraan aansluiten
- veiligheidswarmtewisselaar aansluiten
- verwarmingsinstallatie vullen en op dichtheid controleren
6.1 Aanwijzingen voor de aansluiting van de luchttoevoer en rookgasafvoer
6.1.1 Rookgasaansluiting uitvoeren
Zorg ervoor, dat de verwarmingsketel aan de schoorsteen wordt aangesloten conform de betreffende plaatselijke bouwvoorschriften.
Een schoorsteen met een goede trek is vereist voor de correcte werking van de verwarmingsketel. Het vermogen en het rendement worden daardoor in sterke mate beïnvloed. De verwarmingsketel kan enkel aangesloten worden aan een schoorsteen met een voorschriftmatige schoorsteentrek – zie technische gegevens (→ tab. 5, pagina 8).
Voor de berekening moet er uitgegaan worden van het rookgasvolume voor het totale nominale vermogen. De werkzame schoorsteenhoogte geldt vanaf de rookgasinvoer in de schoorsteen (→ tab. 9, pagina 16).

SCHADE AAN DE INSTALLATIE
door onvoldoende schoorsteentrek.
- De in de technische documentatie aangegeven vereiste opvoerhoogte moet gerespecteerd worden (tolerantie ±3 Pa).
-
U moet een trekonderbreker installeren, om de maximale trek te beperken.
-
Installeer de rookgasaansluiting met een inspectieopening voor de reiniging.
- Steek de rookgasleiding op de verwarmingsketel. De rookgasleiding moet zo kort mogelijk zijn tot de schoorsteen en moet vanaf de ketel naar de schoorsteen schuin naar boven verlopen.
- De rookgasleiding die enkel in de schoorsteen werd bevestigd en op de rookgassteun werd gestoken, moet nu zorgvuldig gemonteerd worden, opdat het niet loskomt.
- Bevestig de leidingen met een lengte van meer dan 2 m zoals voorgeschreven. Alle onderdelen van de rookgasleiding moeten uit niet-brandbare materialen bestaan.

Afb. 13 Rookgasaansluiting 1trekonderbreker

AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKER
De gegevens in tab. 9 zijn enkel richtwaarden. De trek wordt bepaald door de diameter, de hoogte, oneffenheden van de schoorsteenoppervlakte en het temperatuurverschil tussen de verbrandingsproducten en de buitenlucht. We raden u aan gebruik te maken van een schoorsteen met voering.
- Laat de schoorsteen berekenen door een vakman.
6.1.2 Aansluiting van de luchttoevoer uitvoeren

LEVENSGEVAAR
door gebrek aan zuurstof in de opstellingsruimte.
- Zorg voor een toereikende toevoer van frisse lucht, bijv. openingen naar buiten.

SCHADE AAN DE INSTALLATIE
een gebrek aan verbrandingslucht kan leiden tot vorming van teer en zwellingsgas.
- Zorg voor een toereikende toevoer van frisse lucht, bijv. openingen naar buiten.
- Wijs de gebruiker van de installatie erop, dat die openingen geopend moeten blijven.
| Ketelvermogen | Type luchtkanaal | Minimum-hoogte | Luchtbehoefte |
| 20, 20D ∅ | 160 mm∅ 180 mm∅ 200 mm∅ 220 mm | min. 8 mmin. 7 mmin. 6 mmin. 5 m | 28 m3/h |
| 26, 26D ∅ | 160 mm∅ 180 mm∅ 200 mm∅ 220 mm | min. 9 mmin. 8 mmin. 7 mmin. 6 m | 37 m3/h |
| 32, 32D ∅ | 160 mm∅ 180 mm∅ 200 mm∅ 220 mm∅ 250 mm | min. 12 mmin. 9 mmin. 8 mmin. 7 mmin. 6 m | 45 m3/h |
| 36, 36D ∅ | 180 mm∅ 200 mm∅ 220 mm∅ 250 mm | min. 10 mmin. 9 mmin. 7 mmin. 6 m | 51 m3/h |
| 42, 42D ∅ | 180 mm∅ 200 mm∅ 220 mm∅ 250 mm∅ 300 mm | min. 11 mmin. 10 mmin. 8 mmin. 7 mmin. 6 m | 60 m3/h |
Tab. 9 Aanbevolen minimumhoogten van de schoorsteen en luchtbehoefte voor het nominaal vermogen
6.2 Hydraulische aansluitingen uitvoeren

SCHADE AAN DE INSTALLATIE
door ondichte aansluitingen.
- Installeer de aansluitleidingen zonder mechanische spanning op de aansluitingen van de verwarmingsketel.
- Sluit de verwarmingsretourleiding op de aansluiting RK aan.
- Sluit de verwarmingstoevoerleiding op de aansluiting VK aan.

AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKER
Voor een geringere condensatie van de verbrandingsgassen en een verlenging van de levensduur raden wij u aan om de ketel uit te rusten met een verhoging van de retourtemperatuur. Die verhindert dat de ketelwatertemperatuur onder 45 °C (dauwpunt van de verbranding) daalt.

Afb. 14 Hydraulische aansluitingen uitvoeren
6.3 Vul- en aftapkraan
- Monteer de vul- en aftapkraan met dichting op de aansluiting EL.
6.4 Veiligheidswarmtewisselaar aansluiten (toebehoren)
Voor de verwarmingsketels is er een externe veiligheidswarmtewisselaar (koelkring) verkrijgbaar.
In de landen waar de richtlijn EN 303-5 geldt, moet de verwarmingsketel zo uitgerust zijn dat de overtollige hitte of bijkomende energie op een veilige manier afgevoerd kan worden. Zodoende wordt de maximum ketelwatertemperatuur van 100 °C niet overschreden (oververhittingsbeveiliging).
De minimum overdruk van het koelwater moet 2,0 bar bedragen (maximum 6,0 bar). Er moet een debiet van ten minste 11 l/min ter beschikking zijn.
- Sluit de veiligheidswarmtewisselaar conform het hydraulische schakelschema aan met een thermische overstortbeveiliging (toebehoren).
- Plaats voor het thermostaatventiel een filter in de toevoer van koud water.

Afb. 15 Veiligheidswarmtewisselaar aansluiten
1toevoer van koelwater
2thermische overstortbeveiliging
3meetpunt thermische overstortbeveiliging
4afvoer van koud water
5afvoer
6.5 Verwarmingsinstallatie vullen en op dichtheid controlleren
U moet voor de inbedrijfstelling de verwarmingsinstallatie controleren op dichtheid, zodat er geen lekkages zouden optreden tijdens de werking. Controleer de dichtheid met het 1,3-voudige van de toegestane bedrijfsdruk (neem de beveiligingsdruk van het veiligheidsventiel in acht).

SCHADE AAN DE INSTALLATIE
door vorst.
- Als de verwarmingsinstallatie inclusief de leidingen niet vorstveilig zijn opgesteld, raden wij u aan om de verwarmingsinstallatie te vullen met een vloeistof met een laag bevriezingspunt en met een antivriesmiddel dat beschermt tegen corrosievorming.

Afb. 16 Thermo-/Manometer

SCHADE AAN DE INSTALLATIE
door overdruk bij de dichtheidstest. Druk-, regel- of veiligheidsinrichtingen kunnen beschadigd worden bij te hoge druk.
- Let erop, dat er op het moment van de dichtheidstest geen druk-, regel- of veiligheidsinrichtingen gemonteerd zijn, die niet afgesloten kunnen worden ten opzichte van de waterruimte van de verwarmingsketel.
- Sluit het expansievat door sluiten van het kappenventiel van het systeem af.
- Open de meng- en afsluitkleppen verwarmingswaterzijdig.
- Sluit de slang aan op de waterkraan. Plaats de met water gevulde slang op de flexibel van de vul- en aftapkraan, fixeer met een klem en open de vul- en aftapkraan.
- Draai het kapje van de automatische ontluchter een slag open, opdat de lucht kan ontsnappen.
- Vul de verwarmingsinstallatie langzaam. Let daarbij op de drukmeter (manometer).
- Sluit de waterkraan en vul- en aftapkraan, wanneer de gewenste werkdruk is bereikt.
- Aansluitingen en leidingen op dichtheid controleren.
- Ontlucht de verwarmingsinstallatie via de ontluchtingsventielen aan de radiatoren.
- Wanneer de werkdruk door het ontluchten daalt, moet er water worden bijgevuld.
- Haal de slang van de vul- en aftapkraan.
7 Verwarmingsinstallatie in bedrijf stellen
In dit hoofdstuk wordt de inbedrijfstelling beschreven.
- Neem de overige toebehoren uit de assenkast.
7.1 Werkingsdruk tot stand brengen
Breng voor de inbedrijfstelling de noodzakelijke normale werkingsdruk tot stand.

SCHADE AAN DE INSTALLATIE
door materiaalspanningen ten gevolge van temperatuurverschillen.
- Vul de verwarmingsinstallatie enkel in koude toestand (de temperatuur van de toevoerleiding mag maximaal 40 °C bedragen).
- Stel de rode wijzer van de manometer in op de benodigde werkdruk van ten minste 1 bar overdruk (geldt voor gesloten installaties). Bij open installaties ligt de max. waterstand in het compensatievat 25 m boven de bodem van de verwarmingsketel.
- Vul verwarmingswater bij via de vul- en aftapkraan of tap water af tot de gewenste werkdruk is bereikt.
- Ontlucht tijdens het vullen de verwarmingsinstallatie.
7.2 Trek- en ketelwatertemperatuurregelaar instellen
- Stel de trek- en keteltemperatuurregelaar in op 85 °C.
- Verwarmingsketel opwarmen (→ hoofdstuk 8.2, pagina 23).
- Stel de spanning van de ketting aan de hand van de positie van de hendel (of door het inkorten van de ketting) zo bij, dat de luchtklep bij 85 °C ketelwatertemperatuur tot op een minimumafstand (5 mm) is gesloten en de ketting wat los hangt.

AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKER
Als de luchtklep niet compleet gesloten wordt, vindt er geen complete verbranding plaats. Teer zet zich af op de verwarmingsoppervlakken, wat meer reiniging vereist.

Afb. 17 Thermo-/manometer

Afb. 18 Stel de spanning van de ketting in
7.3 Typeplaatje aanbrengen
- Breng het typeplaatje op een goed bereikbare en zichtbare plaats aan op de verwarmingsketel, bijv. boven aan de zijwand van de verwarmingsketel.

Afb. 19 Typeplaatje aanbrengen
8 Verwarmingsinstallatie bedienen (voor de gebruiker)

LEVENSGEVAAR
door het niet respecteren van de veiligheidsaanwijzingen
- Lees en respecteer de veiligheidsaanwijzingen in hoofdstuk 1.
8.1 Werking van de afzonderlijke bouwelementen
8.1.1 Rookgasklep
De rookgasklep wordt geopend voor de koude verwarmingsketel wordt verwarmd of als de schoorsteen slecht trekt. Daardoor komen de hete rookgassen sneller in de schoorsteen en "trekt" de schoorsteen beter.
- Druk daarvoor de trekstang naar binnen.

Bij normale werking en bij toereikende schoorsteentrek wordt de rookgasklep gesloten. Zo ontstaan er minder afkoelingsverliezen in de schoorsteen.
- Trek de trekstang daarvoor naar buiten (na ca. 10 – 15 min).

Afb. 21 Rookgasklep sluiten
8.1.2 Luchtklep
De trek- en keteltemperatuurregelaar regelt, met behulp van de ketting, de opening van de luchtklep. Hoe warmer de verwarmingsketel wordt, hoe meer de luchtklep sluit, opdat de ingestelde ketelwatertemperatuur niet overschreden wordt.
U kan de primaire lucht ofwel manueel instellen aan de hand van de instelschroef (dopmoer aan de binnenzijde van de luchtklep) ofwel automatisch aan de hand van de trek- en keteltemperatuurregelaar in functie van de ketelwatertemperatuur.
- Controleer de ketelwatertemperatuur aan de thermo-/manometer.
- Draai bij 85 °C de instelschroef met de dopmoer zo ver in de luchtklep, dat er een luchtspleet van 5 mm overblijft als de ketting niet is aangespannen. Daardoor wordt de vorming van zwelgas vermeden als de ketelwatertemperatuur is bereikt.
- Stel de temperatuur aan de trek- en keteltemperatuurregelaar of manueel aan de luchtklep zo in, dat de ketelwatertemperatuur boven de 65 °C blijft.

AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKER
De minimum ketelwatertemperatuur moet boven de 45 °C liggen, omdat bij lage temperaturen de waterdamp uit de rookgassen kan condenseren. Dat heeft een negatieve invloed op de voorschriftmatige werking van de verwarmingsketel en de levensduur ervan.

Afb. 22 Opening van de luchtklep instellen
8.2 Verwarmen

LEVENSGEVAAR
door vergiftiging of explosie.
Bij het verbranden van afval, kunststoffen of vloeistoffen kunnen er giftige rookgassen ontstaan.
- Maak uitsluitend gebruik van de aangegeven brandstoffen.
- Bij gevaar voor explosie, brandgevaar, verbrandingsgassen of dampen moet de ketel buiten werking gesteld worden.
Voor elke opwarming:
• assenkast leegmaken.
Opstoken:
- open de rookgasklep, om de trek van de verwarmingsketel te verhogen.
- Leg het kleine brandmateriaal op het rooster en plaats daarop een dunne laag brandstof (kleine houtblokken, kolen of cokes).
- Steek de brandstof aan.
- Laat de assendeur een beetje open.
Na ca. 10 – 15 min. (als er gloed voorhanden is):
- Sluit de assendeur.
- Stel de trek- en keteltemperatuurregelaar in op de gewenste maximumtemperatuur.
● Vul langs boven brandstof bij. - Sluit de rookgasklep zo goed mogelijk, in functie van de schoorsteentrek, om warmteverliezen in de schoorsteen te vermijden. Trek hiervoor de trekstang in de ketel eruit.
Als de rookgassen niet correct worden afgezogen (schoorsteentrek voldoet niet), moet de rookgasklep weer wat geopend worden.

Afb. 24 Plaats het kleine brandmateriaal voor het osptoken
1assendeur
2voorplaatsrooster
Vervangende brandstoffen:
Als vervangende brandstoffen zijn toegestaan (minder vermogen en kortere onderhoudsintervallen): steenkool en cokes – soort 2 (10 – 20 mm) of breukstukken (40 – 100 mm), samengeperste brandstoffen, hout, samengeperste brandstoffen uit hout, pellets en houtresten.
Bij hout hangen de vulintervals af van de vochtigheid en de grootte van het hout. Hout kan tot 20 % vocht bevatten. Die vochtigheid wordt bereikt nadat het hout een jaar is gestokeerd en de maximale verbrandingswaarde wordt bereikt na ten minste 2 jaar. Hard hout en grote houtblokken branden doorgaans langer dan zacht hout en kleinere houtblokken.
Grote soorten steenkool en cokes branden langer, bij grote brandstofhoeveelheden daalt het vermogen echter. Controleer het vuur regelmatig en pook het veelvuldig op.

SCHADE AAN DE KETEL
door verkeerde brandstof.
- Maak geen gebruik van bruinkool. Dat kan leiden tot een vervuiling van de warmtewisselaar.

AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKER
De toepassing van vochtige brandstoffen leidt tot vermogensverliezen. Maak gebruik van in de lucht gedroogde, zuivere houtblokken (2 jaar gestokeerd, met een vochtgehalte van max. 20 %).
8.3 Brandstof toevoegen

GEVAAR VOOR VERWONDINGEN
- Maak geen gebruik van vloeibare brandstoffen (benzine, petroleum of dergelijke).
-
Sproei of spuit nooit vloeibare brandstoffen in het vuur of in de gloed.
-
Stel de trek- en keteltemperatuurregelaar voordien in op 30 °C, opdat de luchtklep wordt gesloten.
- Open de rookgasklep, om de rookvorming in de stookruimte te reduceren tijdens het bijvullen.
- Pook de voorhanden zijnde gloed op met de pook.
- Open de vuldeur een beetje, opdat de rookgassen naar de schoorsteen trekken.
- Open de vuldeur pas nadien volledig en vul de vuurhaard dan helemaal.
- Sluit de vuldeur en de rookgasklep weer.
- Stel de trek- en keteltemperatuurregelaar opnieuw in op de gewenste waarde.

Wijzigingen op basis van technische verbeteringen voorbehouden!
8.4 Stook het vuur op
Het vermogen van de verwarmingsketel wordt gereduceerd, van zodra het rooster is gevuld met assen, het vuur moet dan worden opgestookt.
- Stel de trek- en keteltemperatuurregelaar voordien in op 30 °C, opdat de luchtklep wordt gesloten.
- Open de rookgasklep, om de rookvorming in de stookruimte te reduceren tijdens het bijvullen.
- Pook de voorhanden zijnde gloed op met de pook.

AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKER
Pook bij gebruik van hout zeer voorzichtig op, aangezien de houtassen snel naar beneden vallen.
8.5 Verwijder de assen uit de verwarmingsketel
Maak de assenkast leeg, vooraleer ze volledig vol is, om de luchttoevoer langs beneden te vergemakkelijken.

BRANDGEVAAR
door hete assen.
- Draag beschermende handschoenen, als de assen nog warm zijn.
- Plaats de assen in een niet-brandbaar recipiënt met deksel.
8.6 Verwarmingsketel reinigen
Afzettingen van roet en assen aan de wanden van de rookgasleidingen verminderen de warmteoverdracht. Afzettingen, teervorming en condensatie zijn afhankelijk van de gebruikte brandstof (bijv. bij hout meer dan bij kolen), de schoorsteentrek en de werking. We raden u aan om ten minste eenmaal per week een reiniging uit te voeren als de ketel koud is.

ONGUNSTIGE BEDRIJFSTOESTAND
Door ontoereikende reiniging wordt het brandstofverbruik verhoogd en kan dat leiden tot milieuvervuiling.
- Reinig de verwarmingsketel ten minste eenmaal per week.
- Rookgaskanaal reinigen met de reinigingsborstels.
- Reinig het voorplaatsrooster met de reinigingsborstels.
-
Verzamel het losgekomen roet en de assen in de assenkast.
-
Open het reinigingsdeksel aan de onderzijde van de rookgasaansluiting, draai daarvoor de vleugelmoeren los.
- Verwijder de afzettingen van assen met de reinigingsborstels.

SCHADE AAN DE INSTALLATIE
door een gebrek aan of een onvakkundige reiniging en onderhoud.
- Laat de verwarmingsinstallatie één keer per jaar door een vakman inspecteren, reinigen en onderhouden.
- Wij raden u aan een contract af te sluiten om de installatie jaarlijks te laten inspecteren en behoefteafhankelijk te laten onderhouden.

Afb. 27 Reinigingsdeksel aan de rookgasaansluiting
1dekselhouder
2reinigingsdeksel
3vleugelmoer
| Reinigingswerkzaamheden | min. éénmaal per week | min. 1/4-jaarlijks |
| Reinig de rookgaskanalen met de reinigingsborstels X | ||
| Reinig het voorstelrooster met de reinigingsborstels (anders is er een slechte verbranding door een reductie van de zuurstoftoevoer) | X | |
| Open het reinigingsdeksel aan de rookgasaansluiting, verwijder de afzettingen van assen | X |
Tab. 10 Reinigingsintervallen
8.7 Constant verwarmingsbedrijf (vuur brand 's nachts)
Bij het constante verwarmingsbedrijf is er minder vermogen en ligt de ketelwatertemperatuur onder 65 °C.

WAARSCHUWING!
LEVENSGEVAAR
door zwelgassen.
Bij werking met een gereduceerd vermogen kunnen er zwelgassen ontstaan, die bij het inademen een rookgasvergiftiging kunnen veroorzaken.
● Adem geen zichtbare rook in.
- Zorg voor een goede verluchting van de opstellingsruimte.
- Reinig de verwarmingsketel en de rookgaskanalen zoals aangegeven.
- Laat de opvoerhoogte (trek) van de schoorsteen controleren.
De vervuiling van de rookgaskanalen met teer en roet wordt bij lagere temperaturen beperkt door de volgende instellingen:
- Het vuur opstoken en de voorraadkamer voor de brandstof compleet vullen.
- De luchtklep bijna volledig sluiten, om de toevoer van verbrandingslucht te reduceren.
- Rookgasklep openen, opdat de schoorsteentrek verminderd wordt.
8.8 Verwarmingsketel buiten bedrijf stellen
Om de verwarmingsketel buiten bedrijf te stellen, moet u hem zonder resten laten uitbranden.

SCHADE AAN DE INSTALLATIE
door vorst.
Als de verwarmingsinstallatie niet in werking is, kan ze in geval van vorst bevriezen.
- Laat de verwarmingsinstallatie, in de mate van het mogelijke, permanent ingeschakeld.
- Zorg ervoor dat de verwarmingsinstallatie niet kan bevriezen door eventueel de verwarmings- en tapwaterleidingen leeg te laten lopen op het laagste punt van de installatie.
8.8.1 Stel de verwarmingsketel tijdelijk buiten bedrijf
● Maak het rooster en de assenkast leeg.
- Reinig het vlak van de vulklep en de assenruimte.
- Sluit de assendeur en de vuldeur.
8.8.2 Verwarmingsketel langdurig buiten bedrijf stellen
Om de ketel langdurig buiten bedrijf te stellen (bijv. aan het einde van de verwarmingsperiode) moet u hem zorgvuldig reinigen, om de corrosie te vermijden.
8.8.3 Verwarmingsketel in noodgeval buiten bedrijf stellen
Bij gevaar voor explosies, vuur, verbrandingsgassen of dampen kan het verbrandingsproces gestopt worden met behulp van water.
- Open de vuldeur voorzichtig, opdat de vlammen u niet tegemoet vliegen.
- Vuur met water blussen.
8.9 Condensatie en teervorming vermijden
Bij een gering verwarmingsvermogen kan er aan de verwarmingsoppervlakken condensatie ontstaan. Het condenswater loopt naar beneden in de assenruimte.
- Controleer aan de thermometer, dat de ketelwatertemperatuur tijdens de werking boven de 65 °C blijft.
- Warm de verwarmingsketel meermaals op. Door roetafzettingen die ontstaan bij normale werking, wordt het gevaar voor condensatie verminderd.
Het dauwpunt van de verbrandingsproducten ligt bij 65 °C en daardoor mag de temperatuur van de verbrandingsproducten aan de verwarmingsoppervlakken niet minder dan 65 °C bedragen.
Als er zich condensatie vormt in de voorraadkamer voor de brandstof, duidt dat op een te hoog watergehalte van de brandstof (vochtige brandstof). In dergelijke gevallen kan er zelfs condensatievorming zijn bij een ketelwatertemperatuur van meer dan 65 °C.
Teer vormt zich onder gelijkaardige omstandigheden (laag vermogen, lage temperatuur) en bijkomend verkeerd ingestelde verbranding – te weinig verbrandingslucht.
De teer kan enkel in warme toestand afgeschraapt worden, ga daarvoor als volgt tewerk:
- Verwarm de ketel best met zacht hout.
- Als er een temperatuur van ca. 90 °C bereikt is, draait u alle radiatorkranen dicht.
- Verwijder de teer met de reinigingsschraper van de bodem en de verwarmingsoppervlakken.

Afb. 28 Thermo-/manometer
9 Verwarmingsketel inspecteren en onderhouden
9.1 Waarom is het belangrijk de installatie regelmatig te onderhouden?
Om de volgende redenen moeten verwarmingsinstallaties regelmatig worden onderhouden:
- om een hoog rendement te behouden en om de verwarmingsinstallatie zuinig (gering brandstofverbruik) te laten draaien,
- om een hoge gebruiksveiligheid te bereiken,
- om de milieuvriendelijke verbranding optimaal te houden.
We raden u aan uw klant een jaarlijks inspectie- en behoefteafhankelijk onderhoudscontract aan te bieden. Welke werkzaamheden deel moeten uitmaken van een contract kan u nalezen in de inspectie- en onderhoudsprotocollen (→ hoofdstuk 9.6, pagina 32).

AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKER
Wisselstukken kan u in uw filiaal bestellen. Maak enkel gebruik van originele wisselstukken.
9.2 Verwarmingsinstallatie reinigen
- Verwarmingsketel controleren en eventueel reinigen (→ hoofdstuk 8.6, pagina 26).
- Reinigingsdeksel aan de rookgasaansluiting demonteren.
- Afzettingen van assen losmaken met de reinigingsborstels en verwijderen.
- Reinigingsopening onder de rookgasaansluiting openen.
- Rookgasklep op werking en vervuiling controleren en eventueel reinigen.
- Rookgasleiding controleren en reinigen.
9.3 Werkingsdruk van de verwarmingsinstallatie controleren
De manometerwijze moet boven de rode wijzer staan.
De rode wijzer van de manometer moet ingesteld zijn op de noodzakelijke werkingsdruk.

AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKER
Stel de werkingsdruk (overdruk) in op ten minste 1 bar.
- Controleer de werkingsdruk van de verwarmingsinstallatie.
Als de manometerwijzer onder de rode wijzer staat, is de bedrijfsdruk te laag. U moet water bijvullen.

Afb. 29 Thermo-/manometer

SCHADE AAN DE INSTALLATIE
door veelvuldig bijvullen.
Als u vaak water moet bijvullen, kan de verwarmingsinstallatie al naargelang de kwaliteit van het water beschadigd worden door corrosie en steenvorming.
- Zorg ervoor, dat de verwarmingsinstallatie ontlucht is.
- Controleer de dichtheid van de verwarmingsinstallatie en de werking van het expansievat.

SCHADE AAN DE INSTALLATIE
door materiaalspanningen ten gevolge van temperatuurverschillen.
- Vul de verwarmingsinstallatie enkel in koude toestand (de temperatuur van de toevoerleiding mag maximaal 40 °C bedragen).
- Vul water bij via de vul- en aftapkraan.
- Ontlucht de verwarmingsinstallatie.
- Controleer de werkingsdruk opnieuw.
9.4 Thermische overstortbeveiliging controleren
De thermische overstortbeveiliging garandeert een veilige werking van de verwarmingsketel als het verwarmingssysteem uitvalt, als het systeem de warmte van de ketel niet kan afvoeren. Het systeem kan uitvallen als bijv. het verwarmingssysteem is bevroren, de watercirculatie uitvalt, enz.. Voor een voorschriftmatige werking van de thermische overstortbeveiliging zijn voldoende druk en koelwater vereist. Er is een druk van ten minste 2 bar en een debiet van 11 l/min vereist.
- Het thermostatisch ventiel van de veiligheidswarmtewisselaar conform de gegevens van de fabrikant jaarlijks controleren.
Indien de controle niet verloopt zoals verwacht – het thermostatisch ventiel opent de koelwaterstroom niet of het debiet van de thermostatisch ventiel is te gering – moet het thermostatisch ventiel vervangen worden.
9.5 Rookgastemperatuur controleren
Als de rookgastemperatuur hoger ligt dan aangegeven in de technische gegevens, moet er opnieuw gereinigd worden. Eventueel is ook de opvoerhoogte te hoog (→ hoofdstuk 6.1.1, pagina 15).
9.6 Inspectie- en onderhoudsprotocollen
De inspectie- en onderhoudsprotocollen mogen gekopieerd worden.
- Na de inspectiewerkzaamheden moet u het protocol ondertekenen en de datum invullen.
| Inspectie- en behoefteafhankelijke onderhoudswerkzaamheden | Pagina | Datum: ____ | Datum: ____ | Datum: ____ | |
| 1. | Algemene toestand van de verwarmingsinstallatie controleren | ☐ | ☐ | ☐ | |
| 2. | Visuele controle en functiecontrole van de verwarmingsinstallatie uitvoeren | ☐ | ☐ | ☐ | |
| 3. | Brandstof en watervoerende installatiecomponenten controleren op:- dichtheid bij werking- dichtheidstest- zichtbare corrosie- verouderingsverschijnselen | ☐ | ☐ | ☐ | |
| 4. | Vuurhaard en verwarmingsoppervlak op vervuiling controleren en eventueel reinigen, controleer hiervoor de verwarmingsinstallatie in koude toestand | 30 | ☐ | ☐ | ☐ |
| 5. | Verbrandingsluchttoevoer en rookgasafvoer controleren op werking en veiligheid- Rookgasleiding controleren en reinigen | 1530 | ☐ | ☐ | ☐ |
| 6. | Werkingsdruk, veiligheidsventiel en voordruk van het expansievat controleren | 30 | ☐ | ☐ | ☐ |
| 7. | Thermische overstortbeveiliging controleren 31 | ☐ | ☐ | ☐ | |
| 8. | Rookgastemperatuur controleren 31 | ☐ | ☐ | ☐ | |
| 9. | Eindcontrole van de inspectiewerkzaamheden, hiervoor meet- en controleresultaten noteren | ☐ | ☐ | ☐ | |
| Vakkundige inspectie bevestigen | Firmastempel/Handtekening | Firmastempel/Handtekening | Firmastempel/Handtekening | ||
| Datum: ____ | Datum: ____ | Datum: ____ | Datum: ____ | Datum: ____ | Datum: ____ | Datum: ____ | |
| 1. | |||||||
| 2. | |||||||
| 3. | |||||||
| 4. | |||||||
| 5. | |||||||
| 6. | |||||||
| 7. | |||||||
| 8. | |||||||
| 9. | |||||||
| Firmastempel/Handtekening | Firmastempel/Handtekening | Firmastempel/Handtekening | Firmastempel/Handtekening | Firmastempel/Handtekening | Firmastempel/Handtekening | Firmastempel/Handtekening |

AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKER
Wanneer u tijdens de inspectie merkt dat voor sommige componenten een onderhoud noodzakelijk is, moet u een behoefteafhankelijk onderhoud uitvoeren.
10 Storingen verhelpen
Indien er een storing is, moet u proberen die te verhelpen of uw vakman contacteren. Als gebruiker van de installatie mag u enkel herstellingen uitvoeren die erin bestaan verroeste delen, vuurvaste stenen en de afdichtingsbanden te vervangen.

AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKER
Wisselstukken kan u via uw installateur in het filiaal van Buderus bestellen. Maak enkel gebruik van originele wisselstukken.
| Storing Oorzaak Verhelpen | ||
| Het vermogen is te klein. | - Trek volstaat niet. | - Schoorsteen aanpassen. |
| - Verbrandingswaarde van de brandstof is te gering. | - Bij lagere buitentemperatuur gebruik maken van een brandstof met een hogere verbrandingswaarde. | |
| - Roetafzettingen in de rookgasleidingen (ribben van de warmtewisselaar) en/of de rookgasklep. | - Rookgasleidingen, rookgasklep en rookgasaansluiting reinigen. | |
| De verwarmingsketel kan niet geregeld worden. | - De assendeur is niet afgedicht. | - Controleer de afdichtingsband en positioneer of vervang hem. |
| - Trek is te sterk. | - Verminder de trek met behulp van een rookgasklep, pas eventueel de schoorsteen aan.- Wijzig de instelling van de trekbegrenzer of rust de installatie later uit met een trekbegrenzer. | |
| Hoge ketelwatertemperatuur en tegelijkertijd lage temperatuur van de radiatoren. | - Hydraulische weerstand is te groot, met name bij systemen zonder actieve circulatie. | - Overwin de hydraulische weerstand, bijvoorbeeld door de installatie van een omlooppomp. |
| - Trek is te sterk of de verbrandingswaarde van de brandstof ligt te hoog. | - Verminder de trek met behulp van de rookgasklep.- Wijzig de instelling van de trekbegrenzer of rust de installatie later uit met een trekbegrenzer.- Maak gebruik van een andere brandstof. | |
Tab. 11 Storingen verhelpen
11 Trefwoordenregister
A
Aansluitingen 7
Afstanden tot de wand 11
Afval 5
Assen verwijderen 25
Assendeur 6
B
Brandbaarheid van de bouwmaterialen .....5
Brandstof toevoegen 24
Brandstoffen 6
Buiten bedrijf stellen 28
C
Condensatie 29
Constant verwarmingsbedrijf 27
D
Dichtheid controleren (aan verwarmingswaterzijde) 17
G
Gereedschappen 5
H
Inbedrijfstelling 19
Inspectie 30
Inspectiewerkzaamheden 32
L
Luchtklep 22
M
Minimumafstanden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5
N
Noodgeval 28
0
Ommanteling monteren 12
Onderhoud, behoefteafhankelijk ..... 30
Opstellingsruimte 4
Originele onderdelen....4
P
Pook 10
Protocollen, inspectie en onderhoud ..... 32
R
Reiniging 26
Reinigingsintervallen 27
Rookgasaansluiting 15
Rookgasklep 21
Rookgasklep, trekstang monteren ..... 13
Rookgastemperatuur controleren ..... 31
S
Schoorsteen 15
Storing verhelpen 34
T
Trek- en keteltemperatuurregelaar .....6
Trek- en keteltemperatuurregelaar instellen . . . . 19
Trek- en keteltemperatuurregelaar monteren . . . 14
Typeplaatje 9,20
V
Veiligheidswarmtewisselaar 6,17
Vervangende brandstoffen .....24
Vochtigheid, van de brandstof .....24
Vul- en aftapkraan monteren ..... 17
Vuur opstoken 25
W
Water bijvullen 30
Werkingsdruk controleren .....30
Installateur:
Buderus
België/Belgique
