LI 9TE - Waterpomp DIMPLEX - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis LI 9TE DIMPLEX in PDF-formaat.
| Type product | Lucht/water-warmtepomp (binnenopstelling) |
| Merk | Dimplex |
| Model | LI 9TE |
| Afmetingen (H x B x D) | 125 x 75 x 68 cm |
| Gewicht (incl. verpakking) | 186 kg |
| Elektrische aansluiting | 400 V, 3-fase, 25 A |
| Verwarmingsvermogen (nominaal) | 9,3 kW bij A7/W35 (COP 3,9) |
| Max. elektrisch verwarmingselement (2e warmtebron) | 6,0 kW |
| Koelmiddel | R404A, 1,9 kg |
| Geluidsvermogen (binnen/buiten) | 53 / 60 dB(A) |
| Geluidsdruk op 1 m (binnen) | 48,0 dB(A) |
| Minimaal waterdebiet (verwarming) | 0,8 m³/h bij 2700 Pa |
| Luchtdebiet (bij 20 Pa) | 2500 m³/h |
| Beschermingsgraad | IP21 |
| Toepassingsgebied | Verwarming van verwarmingswater en sanitair water |
| Ontdooiing | Automatisch, omkering kringloop |
| Aansluitingen verwarming | G 1" buitendraad |
| Condenswaterafvoer | Binnendiameter 30 mm |
| Luchtkanaal (inwendige maat) | 44 x 44 cm |
| Omgevingstemperatuur bereik | -20 °C tot +35 °C |
| Onderhoud | Reiniging luchtkanalen, verdamper, ventilator voor stookseizoen |
| Schoonmaakmiddelen | Alleen milde middelen; geen zand, soda, zuur of chloor |
| Beveiliging | Let op rechtsdraaiend veld; spanningsvrij bij onderhoud; niet geschikt voor frequentieomzetting |
Veelgestelde vragen - LI 9TE DIMPLEX
Gebruikersvragen over LI 9TE DIMPLEX
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Waterpomp in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding LI 9TE - DIMPLEX en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. LI 9TE van het merk DIMPLEX.
GEBRUIKSAANWIJZING LI 9TE DIMPLEX
Montage- en gebruiksaanwijzing

Lucht/water-warmtepomp voor plaatsing binnen
Inhoudsopgave
1 Direct lezen a.u.b. NL-4
1.1 Belangrijke aanwijzingen ....NL-4
1.2 Wettelijke voorschriften en regels....NL-4
1.3 Energiebesparend gebruik van de warmtepomp....NL-4
2 Gebruiksdoeleinde van de warmtepomp ....NL-5
2.1 Toepassingsgebied....NL-5
2.2 Werkwijze ....NL-5
7 Inbedrijfstelling.... NL-9
7.1 Algemeen....NL-9
7.2 Voorbereiding ....NL-9
7.3 Werkwijze ....NL-9
8 Reiniging / onderhoud ....NL-10
8.1 Onderhoud....NL-10
8.2 Reiniging verwarmingsgedeelte....NL-10
8.3 Reiniging luchtzijde....NL-10
9 Storingen / storingsdiagnose....NL-10
10 Buitenbedrijfstelling / verwijdering .... NL-10
11 Toestelinformatie ....NL-11
Bijvoegsel....A-I
1 Direct lezen a.u.b.
1.1 Belangrijke aanwijzingen

OPGELET!
Het apparaat is niet voor frequentie-omzetting geschikt.

OPGELET!
Alvorens het toestel te openen, dienen alle stroomkringen vrij van spanning te zijn.

OPGELET!
De warmtepomp mag bij het transport max. 45° worden gekanteld (in iedere richting).

OPGELET!
Warmtepomp en transportpallet zijn alleen door de verpakkingsfolie met elkaar verbonden.

OPGELET!
Het aanzuig- en uitblaasbereik mag niet beperkt of geblokkeerd worden.

OPGELET!
Let op het rechtsdraaiende veld: Als de compressor in de verkeerde richting draait, kan deze beschadigd worden.

OPGELET!
Gebruik geen zand-, soda-, zuur- of chloorhoudende schoonmaakmiddelen, omdat deze het oppervlak aantasten.

OPGELET!
Om afzettingen in de condensor van de warmtepomp te voorkomen (b.v. roest) wordt aanbevolen, een geschikt systeem als corrosiebescherming te gebruiken.

OPGELET!
Alvorens het toestel te openen, dienen alle stroomkringen vrij van spanning te zijn.

OPGELET!
Werkzaamheden aan de warmtepomp dienen uitsluitend door een bevoegde en vakkundige serviceafdeling uitgevoerd te worden.
1.2 Wettelijke voorschriften en regels
De constructie en uitvoering van de warmtepomp voldoen aan alle overeenkomstige EG-richtlijnen (zie CE-conformiteitsverklaring).
Bij de elektrische aansluiting van de warmtepomp dienen de overeenkomstige EN- en IEC-normen evenals de nationale richtlijnen te worden nageleefd. Bovendien moeten de aansluitvoorwaarden van de energievoorzieningsbedrijven in acht genomen worde
Bij het aansluiten van het verwarmingssysteem dienen de betreffende voorschriften opgevolgd te worden.
Personen, meer bepaald kinderen, die wegens hun fysieke, zintuiglijke of mentale vaardigheden of wegens hun gebrek aan kennis of ervaring niet in staat zijn, het toestel op een veilige manier te gebruiken, mogen dit toestel niet zonder toezicht of instructies vanwege een verantwoordelijke persoon gebruiken.
Kinderen niet zonder toezicht laten om zeker te zijn dat ze niet met het toestel spelen.
1.3 Energiebesparend gebruik van de warmtepomp
Door het aanschaffen van deze warmtepomp draagt u bij tot de ontlasting van ons milieu. De voorwaarde voor een energiebesparende werking is de juiste dimensionering van de warmtebron- en warmtegebruiksinstallatie.
Het is van groot belang voor de effectiviteit van een warmtepomp dat het temperatuurverschil tussen verwarmingswater en warmtebron zo gering mogelijk gehouden wordt. Daarom is een zorgvuldige dimensionering van de warmtebron en de verwarmingsinstallatie dringend aan te bevelen. Een temperatuurverschil van meer dan één Kelvin (één °C) leidt tot een stijging van het stroomverbruik van ca. 2,5%. Let erop dat bij het dimensioneren van de verwarmingsinstallatie ook rekening gehouden moet worden met speciale lasten, zoals de warmwaterbereiding, en dat deze ook voor lagere temperaturen gedimensioneerd worden. Een vloerverwarming (verwarming van oppervlakken) is door lagere vertrektemperaturen van (30 °C tot 40 °C) optimaal geschikt voor het gebruik van een warmtepomp.
Tijdens het gebruik dient een verontreiniging van de warmtewisselaars te worden voorkomen, omdat hierdoor het temperatuurverschil verhoogd wordt, met een lagere vermogencoëfficiënt (COP) als gevolg.
Een aanzienlijke bijdrage tot energiebesparend gebruik wordt ook geleverd door de warmtepompregelaar indien deze op de juiste manier is ingesteld. Meer aanwijzingen hieromtrent vindt u in de gebruiksaanwijzing van de warmtepompregelaar.
2 Gebruiksdoeleinde van de warmtepomp
2.1 Toepassingsgebied
De lucht-water-warmtepomp kan in aanwezige of nieuw te plaatsen verwarmingsinstallaties gebruikt worden.
De warmtepomp is uitsluitend ontworpen voor het verwarmen van verwarmingswater en sanitair water!
De warmtepomp is geschikt voor de mono-energetische en bivalente werking tot een buitenlucht temperatuur van -20°C.
Bij continu werking moet een teruglooptemperatuur van het warme water van meer dan 18 °C aangehouden worden om probleemloosontdooien van de verdamper te waarborgen.
De warmtepomp is niet ontworpen voor de verhoogde warmtebehoefte tijdens het drogen na de bouw. Daarom moet in de extra warmtebehoefte met speciale apparaten ter plaatse worden voorzien. Voor het drogen na de bouw in de herfst of in de winter is het raadzaam een extra verwarmingselement (als accessoire verkrijgbaar) te installeren.

OPGELET!
Het apparaat is niet voor frequentie-omzetting geschikt.
2.2 Werkwijze
Buitenlucht wordt door de ventilator aangezogen en daarbij door de verdamper (warmtewisselaar) geleid. De verdamper koelt de lucht af, d.w.z. hij onttrekt er de warmte aan. De gewonnen warmte wordt in de verdamper op de werkvloeistof (koelmiddel) getransfereerd.
Met behulp van een elektrisch aangedreven compressor wordt de opgenomen warmte door drukverhoging op een hoger temperatuurniveau "gepompt" en via de condensor (warmtewisselaar) aan het verwarmingswater afgegeven.
Daarbij wordt de elektrische energie gebruikt om de warmte van de omgeving op een hoger temperatuurniveau te brengen. Omdat de aan de lucht onttrokken energie naar het water getransfereerd wordt om het te verwarmen, wordt dit apparaat ook lucht-water-warmtepomp genoemd.
De lucht-water-warmtepomp bestaat uit de hoofdcomponenten verdamper, ventilator en expansieventiel evenals de geluidsarme compressor, de condensor en de elektrische besturing.
Bij lage omgevingstemperaturen verbindt zich luchtvochtigheid als rijp met de verdamper en belemmert de warmteoverdracht. Indien nodig, wordt de verdamper automatisch door de warmtepomp ontdood. Afhankelijk van het weer kunnen daarbij stoomwolken bij de luchtuitlaat ontstaan.
3 Leveringsomvang
3.1 Basisapparaat
Het basisapparaat is een compacte warmtepomp die onderstaande componenten bevat.
Als koelmiddel wordt R404A gebruikt.

Alvorens het toestel te openen, dienen alle stroomkringen vrij van spanning te zijn.
Het schakelkastje bevindt zich in de warmtepomp. Nadat de frontplaat er is afgenomen en de zich rechtsboven bevindende bevestigingsschroef is losgedraaid, kan het schakelkastje uitgeklapt worden.
Het schakelkastje bevat de aansluitklemmen voor het stroomnet, de vermogencontactoren, de softstart-eenheid en de warmtepompregelaar.
3.3 Warmtepompregelaar
De warmtepompmanager is een comfortabel elektronisch regelen besturingsapparaat. Hij stuurt en bewaakt afhankelijk van de buitentemperatuur de hele verwarmingsinstallatie, de warmwaterbereiding en de veiligheidstechnische voorzieningen.
De ter plaatse aan te brengen buitentemperatuurvoeler incl. bevestigingsmateriaal wordt met de regelaar meegeleverd.
De werkwijze en het gebruik van de warmtepompmanager wordt in de bijgeleverde gebruiksaanwijzing beschreven.
3.4 Bijartikelen
Inhoud:
2 x afdichtingsring voor kanaalaansluiting
2 x bevestigingshoekstuk
2 x plug 10 mm
2 x SHR 8x80
4 x SHR M4x8
4 Transport
OPGELET!
De warmtepomp mag bij het transport max. 45° worden gekanteld (in iedere richting).
De pomp dient op een transportpallet naar de plaats van opstelling te worden getransporteerd. Het basistoestel biedt enerzijds de transportmogelijkheid met een handpalletwagen, steekwagen o.i.d. of door middel van 3/4" buizen, die door openingen in de grondplaat of in het frame geleid worden.

Warmtepomp en transportpallet zijn alleen door de verpakkingsfolie met elkaar verbonden.
Voor het gebruik van de transportgaten in het frame is het noodzakelijk de onderste delen aan de voorkant eraf te nemen. Daartoe worden telkens twee schroeven op de sokkel losgedraaid en de platen worden er door terugtrekken aan de bovenkant uitgenomen. Bij het aanbrengen van de platen moeten deze met lichte druk naar boven toe geschoven worden.

Openen van het deksel Sluiten van het deksel
Bij het doorsteken van de draagbuizen in het frame moet erop worden gelet dat er geen constructiedelen worden beschadigd.
5 Plaatsing
5.1 Algemeen
De warmtepomp is voor de installatie in een hoek ontworpen. In verbinding met een luchtkanaal (als accessoire verkrijgbaar) aan de uitblaaszijde zijn ook andere opstellingen mogelijk.
Het apparaat dient in binnenruimtes op een effen, glad en horizontaal oppervlak te worden geplaatst. Daarbij moet het frame rondom dicht bij de grond liggen om een passende geluidsisolatie te garanderen. Is dat niet het geval, kunnen extra geluiddempende maatregelen noodzakelijk zijn. Plaatsing op een onderbouwbuffer vereist beslist een volledig omlopende ondersteuning. De warmtepomp moet zo zijn opgesteld, dat service aan het apparaat probleemloos kan worden uitgevoerd. Dit is gewaarborgd, indien er een afstand van ca. 1 m voor en links van de warmtepomp gerespecteerd wordt. De zijdelen mogen niet door aansluitleidingen zijn bedekt.

Het apparaat dient nooit in ruimtes met een hoge luchtvochtigheid te worden geplaatst. Bij een luchtvochtigheid van meer dan 50% en buitentemperaturen onder 0 °C kan op de warmtepomp en de luchtgeleiding condensaat ontstaan.
Bij installatie van de warmtepomp op een bovenverdieping moet het draagvermogen van de zoldering gecontroleerd worden en om akoestische redenen de trillingsontkoppeling zeer zorgvuldig worden gepland. Plaatsing op een houten zoldering is onacceptabel.
5.2 Condensaatleiding
Het bij het gebruik ontstane condenswater dient vorstvrij te worden afgevoerd. De warmtepomp dient horizontaal te worden geplaatst, zodat het water goed kan afvloeien. De condenswaterbuis moet minstens een diameter van 50 mm hebben en moet vorstvrij in de afvoerleiding worden geleid. Condenswater niet direct in bezinkvijvers en putten leiden, omdat opstijgende agressieve dampen de verdamper kunnen vernielen.
5.3 Geluid
Om geluidsoverdracht in het verwarmingssysteem te voorkomen, is het raadzaam de warmtepomp met een flexibele slang aan het verwarmingssysteem te koppelen.
Eventueel gebruikte luchtkanalen moeten geluidstechnisch van de warmtepomp worden losgekoppeld om geluidsoverdracht op de kanalen te voorkomen.
Bij directe aansluiting van beide luchtopeningen in een wanddoorvoer kan de aansluiting van de ventilator van driehoekop sterschakeling worden omgelegd (zie daartoe de aanwijzingen in de klemkast van de ventilator).
6 Montage
6.1 Algemeen
De warmtepomp is voorzien van de volgende aansluitingen:
Toevoer-/afvoerlucht
■ Vertrek/terugloop van de verwarmingsinstallatie
Condenswaterafvoer
■ Stroomvoorziening
6.2 Luchtaansluiting
OPGELET!
Het aanzuig- en uitblaasbereik mag niet beperkt of geblokkeerd worden.
De aanzuigopening van het apparaat is uitsluitend voor de directe aansluiting op een gat in de muur ontworpen. Het gat in de muur kan daartoe als in het bijvoegsel onder inbouwmaten afgebeeld, met luchtkanaal en afdichtingsmanchet worden voorbereid.
De als accessoires aangeboden luchtkanalen van glasvezelbeton zijn bestand tegen vocht en staan open voor diffusie.
De afdichtingsmanchet wordt voor de afdichting van de luchtkanalen op de warmtepomp gebruikt. De luchtkanalen zelf worden niet direct aan de warmtepomp vastgeschroefd. In gebruiksklare staat maakt uitsluitend het afdichtingsrubber contact met de warmtepomp. Daardoor wordt enerzijds een gemakkelijke montage en demontage van de warmtepomp gewaarborgd en anderzijds een goede loskoppeling van het constructiegeluid bereikt.

Verder dient erop gelet te worden dat het gat in de muur aan binnenzijde beslist met een thermische isolatie bekleed wordt, om volledige afkoeling resp. doorslaand vocht in het muurwerk te voorkomen. Het bijgevoegde bevestigingsmateriaal kan voor het bevestigen aan de wand worden gebruikt.

De uitblaasopening kan naar keuze direct bij het gat in de muur of op een langer kanaal (accessoire) gemonteerd worden. Daarbij moet te werk gegaan worden als voor de aanzuigzijde is beschreven.
Bij het gebruik van een opgeflensd luchtkanaal aan de uitblaaszijde wordt dit met 4 zeskantbouten M8x16 op de voorziene schroefgaten bevestigd. Daarbij dient erop gelet te worden dat beide luchtkanaalaansluitingen uitsluitend met de isolatie en niet met het apparaat in contact komen.

De in het schema vermelde buiten- en binnenafmetingen moeten gerespecteerd worden. Bovendien moet op een passende trillingsontkoppeling en kanaalisolatie gelet worden.
6.3 Aansluiting aan de verwarming
De aansluitingen op de warmtepomp aan verwarmingszijde zijn voorzien van een 1 1/4" buitendraad. Bij het aansluiten aan de warmtepomp dienen de overgangen met een sleutel te worden vastgehouden.
Voor het warmwaterzijdige aansluiten van de warmtepomp dient de verwarmingsinstallatie doorgespoeld te worden, om mogelijk vuil, resten van isolatiemateriaal etc. te verwijderen. Wanneer de condensor door resten en vervuiling verstopt raakt, kan dit tot uitval van de warmtepomp leiden. Voor installaties met een afsluitbaar verwarmingswaterdebiet, afhankelijk van radiatorresp. thermostaatventielen, moet ter plaatse een overstroomventiel achter de verwarmingspomp in een verwarmingsbypass worden ingebouwd. Dit waarborgt een minimale doorstroming van warm water door de warmtepomp en voorkomt storingen.
Na installatie van de verwarming dient het verwarmingssysteem te worden gevuld, ontlucht en onder druk te worden gezet.
Minimum waterdebiet
Het minimum waterdebiet van de warmtepomp dient in elke bedrijfsmodus van de verwarmingsinstallatie gegarandeerd te zijn. Deze kan b.v. door installatie van een differentiedrukloze verdeler of van een overstroomventiel worden bereikt. De instelling van een overstroomventiel wordt in het hoofdstuk Inbedrijfstelling verklaard.
Vorstbeveiliging
Warmtepompen, die aan vorst blootstaan, dienen met de hand te worden geleegd (zie afbeelding). Indien de regelaars en de verwarmings-circulatiepomp bedrijfsklaar zijn, werkt de vorstbeveiliging van de regelaar. Bij buitenbedrijfstelling van de warmtepomp of bij stroomuitval moet de installatie worden geleegd. Bij warmtepompsystemen waarbij stroomuitval niet herkend kan worden (vakantiehuis), moet de verwarmingskring met een geschikte vorstbeveiliging worden gebruikt.

6.4 Elektrische aansluiting
De spanningsvoorziening en stuurspanning verlopen via conventionele leidingen (last: 5-aderig, sturing 3-aderig).
Exacte aanwijzingen over de aansluiting van externe componenten en het functioneren van de warmtepompregelaar vindt u bij het aansluitschema van het apparaat en de bijgevoegde gebruiksaanwijzing van de regelaar.
De spanningsvoorziening voor de warmtepomp dient van een alpolige afschakeling met tenminste 3 mm contactopeningsafstand (b.v. een hoofdschakelaar van de elektriciteitsmaatschappij), evenals een 3-polige vermogensschakelaar, met één uitschakeling voor alle buitenkabels te worden voorzien (uitschakelstroom volgens toestelinformatie).
Bij het aansluiten moet het rechtsdraaiende veld van de lastvoeding gegarandeerd worden L1; L2; L3.
OPGELET!
Let op het rechtsdraaiende veld: Als de compressor in de verkeerde richting draait, kan deze beschadigd worden.
De stuurspanning moet met 10 A worden beveiligd.
De 2de warmtebron is bij levering op het 2 kW verwarmingsvermogen vastgeklemd. Om het vermogen naar 4 kW resp. 6 kW te verhogen, moeten de meegeleverde koperen bruggen volgens het aansluitschema worden aangesloten.
Voor detailinformatie zie bijvoegsel Elektrische schema's.
7 Inbedrijfstelling
7.1 Algemeen
Voor een inbedrijfstelling volgens de voorschriften dient deze door een door de fabriek bevoegde serviceafdeling uitgevoerd te worden. Onder bepaalde voorwaarden is daarmee een verlenging van de garantie verbonden (verg. garantievergoeding).
7.2 Voorbereiding
Vóór de inbedrijfstelling dienen de volgende punten gecontroleerd te worden:
Alle aansluitingen van de warmtepomp dienen gemonteerd te zijn (zie hoofdstuk 6).
In de verwarmingskring moeten alle kranen, die de correcte stroming van het verwarmingswater zouden kunnen belemmeren, geopend zijn.
■ De luchtinlaat en luchtuitlaat moeten vrij worden gehouden.
- De draairichting van de ventilator moet overeenstemmen met de pijlrichting.
De instellingen van de warmtepompregelaar moeten overeenkomstig de gebruiksaanwijzing ervan aan de verwarmingsinstallatie zijn aangepast.
■ Het condenswater moet ongehinderd kunnen aflopen.
7.3 Werkwijze
De inbedrijfstelling van de warmtepomp verloopt via de warmtepompregelaar. De instellingen moeten overeenkomstig de handleiding ervan worden uitgevoerd.
Indien het minimum waterdebiet door middel van een overstroomventiel beveiligd wordt, moet deze aan het verwarmingssysteem worden afgestemd. Een verkeerde instelling kan tot foutieve werking en een verhoogde energiebehoefte leiden. Om het overstroomventiel goed in te stellen, adviseren wij als volgt te handelen:
Sluit alle verwarmingskringen, die ook bij een werkende installatie afhankelijk van het gebruik gesloten kunnen zijn, zodat het waterdebiet in deze bedrijfsstand zo ongunstig mogelijk is. Dit zijn doorgaans de verwarmingskringen in de ruimten aan de zuid- en westkant. Er moet minimaal één verwarmingskring geopend blijven (b.v. bad).
Het overstroomventiel moet zo ver worden geopend, dat bij de actuele warmtebrontemperatuur het in de onderstaande tabel aangegeven maximale temperatuurverschil tussen verwarmingsvertrek en -terugloop ontstaat. Het temperatuurverschil moet zo dicht mogelijk bij de warmtepomp worden gemeten. Bij mono-energetische installaties moet het verwarmingselement gedeactiveerd worden.
| Warmtebron-temperatuur | Max. temperatuurverschiltussen verwarmingsvertrek en - terugloop | |
| van tot | ||
| -20 °C -15 °C 4 K | ||
| -14 °C -10 °C 5 K | ||
| -9 °C -5 °C 6 K | ||
| -4 °C 0 °C 7 K | ||
| 1 °C 5 °C 8 K | ||
| 6 °C 10 °C | 9 K | |
| 11 °C | 15 °C | 10 K |
| 16 °C | 20 °C | 11 K |
| 21 °C | 25 °C | 12 K |
| 26 °C | 30 °C | 13 K |
| 31 °C | 35 °C | 14 K |
Storingen bij een werkende installatie worden ook op de warmtepompregelaar weergegeven en kunnen, zoals in de gebruiksaanwijzing van de warmtepompregelaar beschreven is, worden verholpen.
Bij buitentemperaturen lager dan 10 °C en verwarmingswatertemperaturen lager dan 16 °C moet het bufferopslagvat met de tweede warmtebron tot minimaal 25 °C worden verwarmd.
Het volgende verloop moet worden gerespecteerd om de inbedrijfstelling storingsvrij te realiseren:
1) Sluit alle verwarmingskringen.
2) Zet het overstroomventiel helemaal open.
3) Kies de auto-modus op de regelaar.
4) Wacht tot het bufferopslagvat een temperatuur van minimaal 25 °C heeft bereikt.
5) Vervolgens worden de afsluitventielen van de verwarmingskringen achtereenvolgens weer langzaam geopend en wel dusdanig dat het waterdebiet door langzaam openen van de betreffende verwarmingskring constant verhoogd wordt. De temperatuur van het verwarmingswater in het bufferopslagvat mag daarbij niet onder de 20 °C zakken, om ontdooien van de warmtepomp te allen tijde mogelijk te maken.
6) Wanneer alle verwarmingskringen volledig zijn geopend en een verwarmingswatertemperatuur in het bufferopslagvat van ca. 20 °C aangehouden wordt, moet de minimale volumestroom op het overstroomventiel en de verwarmingscirculatiepomp worden ingesteld.
7) Nieuwbouw heeft wegens de benodigde energie voor het drogen na de bouw een verhoogde warmtebehoefte. Deze verhoogde warmtebehoefte kan ertoe leiden dat een krap gedimensioneerde verwarmingsinstallatie de gewenste kamertemperatuur niet altijd bereikt. Daarom wordt aanbevolen, in dat geval de tweede warmtebron in de eerste verwarmingsperiode bedrijfsklaar te houden. Daartoe met de grenstemperatuur op de warmtepompregelaar omhooggezet worden naar 15 °C.
8 Reiniging / onderhoud
8.1 Onderhoud
Let erop dat geen voorwerpen aan het toestel geleund of erop gelegd worden, om de lak niet te beschadigen. De buitendelen van de warmtepomp kunnen met een vochtige doek en met gewone schoonmaakmiddelen behandeld worden.

OPGELET!
Gebruik geen zand-, soda-, zuur- of chloorhoudende schoonmaakmiddelen, omdat deze het oppervlak aantasten.
Om storingen door vuil in de warmtewisselaar van de warmtepomp te voorkomen, moet ervoor worden gezorgd dat er geen vuil in de warmtewisselaar van het verwarmingssysteem kan komen. Om de verdamper te beschermen is een vogelrooster met minimaal 80% vrije doorsnede in het aanzuigkanaal raadzaam. Indien zich nochtans bedrijfsstoringen door vervuiling voordoen, moet de installatie schoongemaakt worden zoals hieronder beschreven.
8.2 Reiniging verwarmingsgedeelte
Vooral bij het gebruik van stalen componenten kunnen er oxidatieproducten (roest) door zuurstof in de warmwaterkringloop ontstaan. De roest komt via ventielen, circulatiepompen of kunststof buizen in het verwarmingssysteem terecht. Daarom dient er - vooral bij de buizen van de vloerverwarming - op een diffusiedichte installatie gelet te worden.

OPGELET!
Om afzettingen in de condensor van de warmtepomp te voorkomen (b.v. roest) wordt aanbevolen, een geschikt systeem als corrosiebescherming te gebruiken.
Ook resten van smeer- en afdichtingsmiddelen kunnen het warme water vervuilen.
Indien de vervuiling zo groot is, dat het vermogen van de condensor in de warmtepomp vermindert, moet een installateur de installatie reinigen.
Volgens de huidige stand van kennis adviseren wij om te reinigen met een fosforzuur van 5% of, indien er vaker moet worden gereinigd, met een mierenzuur van 5%.
In beide gevallen moet de reinigingsvloeistof op kamertemperatuur zijn. Het is raadzaam, de warmtewisselaar tegen de normale doorstroomrichting in uit te spoelen.
Om te voorkomen, dat zuurhoudend reinigingsmiddel in de kringloop van de verwarmingsinstallatie terechtkomt, raden wij aan het spoelapparaat direct op het vertrek en de terugloop van de condensor van de warmtepomp aan te sluiten.
Daarna moet er met geschikte, neutraliserende middelen nogmaals grondig gespoeld worden, zodat beschadigingen door eventueel in het systeem achtergebleven resten van een reinigingsmiddel worden voorkomen.
De zuren moeten voorzichtig worden gebruikt en de desbetreffende voorschriften moeten in acht genomen worden.
In geval van twijfel moet met de fabrikant van het reinigingsmiddel worden overlegd!
8.3 Reiniging luchtzijde
De luchtkanalen, verdamper, ventilator en condenswaterafvoer moeten voor het begin van het stookseizoen worden gereinigd (bladeren, twijgen etc.). Daartoe moet de warmtepomp aan de voorzijde eerst aan de onderkant en dan aan de bovenkant worden geopend.

OPGELET!
Alvorens het toestel te openen, dienen alle stroomkringen vrij van spanning te zijn.
Het wegnemen en plaatsen van de delen aan de voorkant wordt uitgevoerd als beschreven in hoofdstuk 4.
Gebruik voor het schoonmaken geen scherpe of harde voorwerpen, om de verdamper en de condenswaterbak niet te beschadigen.
9 Storingen / storingsdiagnose
Deze warmtepomp is een kwaliteitsproduct, dat onder normale omstandigheden storings- en onderhoudsvrij werkt. Als er toch een keer een storing optreedt, wordt dit op het display van de warmtepompmanager weergegeven. Zie hiertoe de pagina Storingen en Storingsdiagnose in de gebruiksaanwijzing van de warmtepompmanager. Wanneer u de storing niet zelf kunt verhelpen, waarschuw dan de bevoegde serviceafdeling.

OPGELET!
Werkzaamheden aan de warmtepomp dienen uitsluitend door een bevoegde en vakkundige serviceafdeling uitgevoerd te worden.
10 Buitenbedrijfstelling / verwijdering
Alvorens de warmtepomp te demonteren, dient de machine spanningsvrij en alle kleppen afgesloten te zijn. Milieurelevante eisen m.b.t. terugwinning, recyclage en afvoer van afvalstoffen en componenten volgens gebruikelijke normen dienen te worden nageleefd. Dit geldt in het bijzonder voor het vakkundig verwijderen van het koelmiddel en de koelolie.
11 Toestelinformatie
| 1 Technische en commercièle benaming | LI 9TE | |||
| 2 Bouwvorm | ||||
| 2.1 Beschermingsgraad volgens EN 60 529 voor compact toestel resp. verwarmingsdeel | IP 21 | |||
| 2.2 Plaats van opstelling Binnen | ||||
| 3 Vermogengegevens | ||||
| 3.1 Temperatuur-gebruiksgrenzen: | ||||
| Verwarmingswater-vertrek/ -terugloop °C / °C tot 58 / vanaf 18 | ||||
| Lucht °C -20 tot +35 | ||||
| 3.2 Temperatuurverschil warm water bij A7 / W35 K 10,0 5,0 | ||||
| 3.3 Verwarmingsvermogen/ vermogencoëfficiënt (COP) bij A-7 / W35 | 1 | kW / --- | 5,8 / 2,7 | 5,5 / 2,6 |
| bij A-7 / W451 | kW / --- | 5,4 / 2,1 | ||
| bij A2/ W351 | kW / --- | 7,5 / 3,3 | 7,4 / 3,2 | |
| bij A7/ W351 | kW / --- | 9,3 / 3,9 | 9,2 / 3,8 | |
| bij A7/ W451 | kW / --- | 8,8 / 3,2 | ||
| bij A10 / W551 | kW / --- | 9,8 / 4,1 | 9,7 / 4,0 | |
| 3.4 Geluidsvermogen | apparaat / buiten | dB(A) | 53 / 60 | |
| 3.5 Geluidsdruk op 1 m afstand (binnen) | dB(A) | 48,0 | ||
| 3.6 Verwarmingswaterdebiet bij intern drukverschil | m3/h / Pa | 0,8 / 2700 | 1,6 / 11900 | |
| 3.7 Luchtdebiet bij extern statisch drukverschil | m3/h / Pa | 2500 / 20 | ||
| 3.8 Koelmiddel; totaal vulgewicht | type / kg | R404A / 1,9 | ||
| 3.9 Vermogen el. verwarmingselement (2de warmtebron) max. kW | 6,0 | |||
| 4 Afmetingen, aansluitingen en gewicht | ||||
| 4.1 Afmetingen toestel | H x B x L cm | 125 x 75 x 68 | ||
| 4.2 Toestelaansluitingen voor verwarming | inch | G 1" a | ||
| 4.3 Luchtkanaal-ingang en -uitgang (binnenafmetingen min.) | L x B cm | 44 x 44 | ||
| 4.4 Gewicht transporteenheld/-eenheden incl. verpakking | kg | 186 | ||
| 5 Elektrische aansluiting | ||||
| 5.1 Nominale spanning; beveiliging | V / A | 400 / 25 | ||
| 5.2 Nominaal ingangsvermogen1A2 W35 | kW | 2,27 | 2,33 | |
| 5.3 Startstroom m. softstart-systeem | A | 19,5 | ||
| 5.4 Nominale stroom A2 W35 / cos φ | A / --- | 4,1 / 0,8 | 4,2 / 0,8 | |
| 6 Voldoet aan de Europese veiligheidsvoorschriften | 2 | |||
| 7 Andere eigenschappen van de uitvoering | ||||
| 7.1 Ontdooiing | automatisch | |||
| Type ontdooling | Omkering kringloop | |||
| Ontdooibak voorhanden | ja (met verwarming) | |||
| 7.2 Verwarmingswater in toestel tegen vorst beschermd3 | ja | |||
| 7.3 Vermogensniveaus | 1 | |||
| 7.4 Regelaar Intern / extern | intern | |||
- Deze gegevens staan voor de afmeting en het rendement van de installatie. Voor economische en energetische berekeningen moet met verdere invloedfactoren rekening gehouden worden, vooral met ontdooigedrag, bivalentiepunt en regeling. Hierbij betekent b.v. A2 / W55: Buitenluchttemperatuur 2 °C en verwarmingswater-vertrektemperatuur 55 °C.
- zie CE-conformiteitsverklaring
- De verwarmings-circulatiepomp en de regelaar van de warmtepomp dienen altijd bedrijfsklaar te zijn.
Bijvoegsel
1 Afmetingen....A-II
1.1 Warmtepomp ......A-II
1.2 Inbouwafmetingen ....A-III
2 Diagrammen....A-IV
5 Conformiteitsverklaring....A-XIII
1 Afmetingen
1.1 Warmtepomp

4x binnendraad M8x15
Condenswaterafvoer
binnen ∅ 30 mm
Elektrische leidingen
Verwarmingswaterterugloop
ingang in WP
1. Duitendadad
verwanningsve
uitgang uit WP
1" buitendraad
Slang condenswaterafvoer
Wateraansluitingen
①
②
1
3
4
Ingang in WP
5
1
1. Duneferadau
6
1.2 Inbouwafmetingen


1: Conventioneel bouwschuim (ter plaatse)
2: Afdichtingsmanchet (als accessoire verkrijgbaar)
3: Luchtkanaal (als accessoire verkrijgbaar)
4: Omlopende afkanting (ter plaatse) voor het afdichten van de stootrand en verbetering van de luchtgeleiding
- : Bij gebruik van een dempingsstrook onder de warmtepomp moet de maat overeenkomstig worden verhoogd.
2 Diagrammen
2.1 Curves


line
| Luchtinlaattemperatuur in [°C] | Verbruik (incl. aandeel pompvermögen) | | ----------------------------- | ------------------------------------- | | -20 | 2.0 | | 0 | 2.5 | | 1 | 3.0 |
line
| Luchtinlaattemperatuur in [°C] | 35 | 50 | | ----------------------------- | ---- | ---- | | -20 | 1.8 | 1.2 | | 0 | 4.0 | 3.0 | | 1 | 5.0 | 4.0 |
line
| Verwarmingwaterdebiet in [m³/h] | Drukverlies in [Pa] | | ------------------------------ | ------------------- | | 0.22 | 0 | | 0.4 | ~500 | | 0.6 | ~1500 | | 0.8 | ~3000 | | 1 | ~4500 | | 1.2 | ~6000 | | 1.4 | ~7500 | | 1.6 | ~9000 || A1 Draadbrug aanbrengen indien er geenhoofdschakelaar van de elektriciteitsmaatschappijnodig is (ingang open= afsluiting energiebedrijf =warmtepomp "uit") |
| A2 Draadbrug bij gebruik van de 2deblokkeringsingang verwijderen (ingang open =warmtepomp "uit") |
| A4 Draadbrug storing compressor M1 |
| A7.1 Koperen brug – verwarmingsvermogen van E10met 2 kW verhogen |
| A7.2 Koperen brug – verwarmingsvermogen van E10met 2 kW verhogen |
| B3* Thermostaat warm water |
| B4* Thermostaat zwembadwater |
| B5 Thermostaat 2de warmtebron |
| E3 Pressostaat stop ontdooiling |
| E10 2. Warmtebron elektrische verwarming (functieselecteerbaar via regelaar) |
| F2 Zekering voor N1-relaisuitgangen op J12 en J134,0 ATr |
| F3 Zekering voor N1-relaisuitgangen op J15 - J184,0 ATr |
| F4 Pressostaat hoge druk |
| F5 Pressostaat lage druk |
| F7 Heetgasthermostaat |
| F17 Veiligheids-temperatuurbegrenzer |
| F23 Wikkelingsisolatie ventilator |
| H5* Lampje storingsaanduiding op afstand(relaismodule) |
| J1 Stroomvoorziening-N1 (24V AC) |
| J2...J7 Laagspanningsin-/uitgangen |
| J8 Signaalin-/uitgangen (230V AC) |
| J9 Geen functie |
| J10 Contactdoos voor besturingspaneel |
| J11 Geen functie |
| J12...J18 Relaisuitgangen voor de besturing van desysteemcomponenten |
| K1 Veiligheidsschakelaar compressor |
| K2 Relais ventilator |
| K11* Elektron. relais storingsaanduiding op afstand(relaismodule) |
| K12* Elektron. relais circulatiepomp zwembadwater(relaismodule) |
| K20 Veiligheidsschakelaar 2de warmtebron |
| K22* Contactor afsluiting elektriciteitsmaatschappij |
| K23* SPR hulprelais |
| M1 compressor |
| M2 Ventilator |
| M13* Verwarmings-circulatiepomp hoofdkring |
| M15* Verwarmings-circulatiepomp 2de |
| M16* Bijkomende circulatiepomp |
| M18* Warmwater-circulatiepomp |
| M19* Zwembadwater-circulatiepomp |
| M21* Mengkraan hoofdkring |
| M22* Mengkraan 2de verwarmingskring |
| N1 Warmtepompregelaar |
| N7 Softstartbesturing compressor |
| N11 Relaismodule |
| N14 Besturingspaneel |
| R1 Buitenvoeler |
| R2 Terugloopvoeler verwarming |
| R3* Warmwatervoeler (alternatief voorwarmwaterthermostaat) |
| R5* Voeler voor 2de verwarmingskring |
| R9 Vertrekvoeler |
| R13* Voeler voor 3de verwarmingskring |
| T1 Veiligheidsscheidingstransformator230/24 VAC-50Hz/28VA |
| X1 Klemmenblok: Voeding last 3L/N/PE400VAC ~50Hz |
| X2 Klemmenblok: Voeding stuurspanningL/N/PE 230VAC ~50Hz |
| X3 Klemmenblok: Extra lage spanning |
| X5 Klemmenblok 2de warmtebron |
| Y1 Vierweg-omschakelventiel |
Afkortingen:
| EM | Elektriciteitsmaatschappij |
| SPR | Blokkering |
| MA | Mengkraan open |
| MZ | Mengkraan dicht |
| * | Componenten dienen extern beschikbaar te |
| ---- | Kan desgewenst door de klant worden aangesloten |
| —— | Klaar bedraad |
4 Hydraulische basisschema's
4.1 Mono-energetische installatie

4.2 Mono-energetische installatie en warmwaterbereiding

flowchart
graph TD
A["Power Supply"] --> B["Reservoir"]
B --> C["Valve 1"]
B --> D["Valve 2"]
B --> E["Valve 3"]
C --> F["Reservoir (M18)"]
D --> G["Reservoir (M13)"]
E --> H["Reservoir (M10)"]
F --> I["Output: N1-B3 (R3)"]
G --> J["Output: N1-NO5 (M13)"]
H --> K["Output: N1-NO6 (M18)"]
L["Component ①"] --> B
M["Component ②"] --> C
N["Component ③"] --> D
O["Component ④"] --> H
4.3 Bivalente installatie

flowchart
graph TD
A["⑤"] --> B["N1-N04 (E8)"]
B --> C["④"]
C --> D["N1-B3 (R3)"]
D --> E["KW"]
E --> F["N1-N06 (M18)"]
F --> G["M"]
G --> H["N1-N07 (MA)"]
H --> I["N1-N08 (MZ)"]
I --> J["②"]
J --> K["TC"]
K --> L["O"]
L --> M["③"]
M --> N["N1-B1 (R1)"]
N --> O["T"]
P["N1-N05 (M13)"] --> Q["阀门"]
R["N1-N07 (MA)"] --> S["阀门"]
T["E10"] --> U["阀门"]
V["R2"] --> W["阀门"]
X["(R9) T"] --> Y["阀门"]
Z["(R2) T"] --> AA["阀门"]
4.4 Legende
| Afsluitventiel | |
| Overstroomventiel | |
| Veiligheidsklepcombinatie | |
| Circulatiepomp | |
| Expansievat | |
| Door ruimtetemperatuur gestuurd ventiel | |
| Afsluitventiel met terugslagklep | |
| Afsluitventiel met ontwatering | |
| Warmteverbruiker | |
| Vierweg-mengkraan | |
| Temperatuurvoeler | |
| Flexibele aansluitslang |
| 1 | Warmtepomp |
| 2 | Bufferopslagvat |
| 3 | Stroomdistributie |
| 4 | Waterverwarmer |
| 5 | Verwarmingsketel |
| E10 Hulpverwarming |
| M13 Verwarmings-circulatiepomp |
| M18 Warmwater-circulatiepomp |
| N1 Warmtepompregelaar |
| R1 Buitenvoeler |
| R2 Terugloopvoeler |
| R3 Warmwatervoeler |
| R9 Vertrekvoeler |
| EV Stroomdistributie |
| KW Koud water |
| MA Mengkraan open |
| MZ Mengkraan dicht |
| WW Warm water |
5 Conformiteitsverklaring
EG - Konformitätserklärung EC Declaration of Conformity Déclaration de conformité CE
CE
©
Der Unterzeichnete
The undersigned