LI 16TER plus - Waterpomp DIMPLEX - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis LI 16TER plus DIMPLEX in PDF-formaat.
| Producttype | Lucht/water-warmtepomp (reversibel) |
| Model | LI 16TER plus |
| Toepassing | Verwarming en koeling van verwarmingswater |
| Afmetingen (H x B x D) | 157 x 75 x 88 cm |
| Gewicht (incl. verpakking) | 270 kg |
| Elektrische aansluiting | 400 V / 20 A, 3-fase, 50 Hz |
| Nominaal ingangsvermogen (A2/W35) | 4,0 kW |
| Verwarmingsvermogen (A7/W35) | 15,1 kW |
| Koelvermogen (A35/W7) | 10,7 kW |
| Geluidsvermogen (binnen/buiten) | 57 / 62 dB(A) |
| Geluidsdruk op 1 m (binnen) | 52 dB(A) |
| Koelmiddel | R404A, 5,7 kg |
| Beschermingsgraad | IP 21 |
| Plaats van opstelling | Binnen |
| Gebruiksgrenzen (verwarmen) | Lucht -25 tot +35 °C; water vertrek tot 58 °C |
| Gebruiksgrenzen (koelen) | Lucht +15 tot +40 °C; water vertrek +7 tot +20 °C |
| Minimum waterdebiet | 2,6 m³/h (bij intern drukverschil 14600 Pa) |
| Luchtdebiet (bij 0 Pa) | 5200 m³/h |
| Ontdooiing | Automatisch (omkering kringloop) |
| Regelaar | Intern (warmtepompmanager) |
| Aansluitingen verwarming | 1 1/4" buitendraad |
| Onderhoud | Reiniging van luchtkanalen, verdamper en condenswaterafvoer voor stookseizoen |
| Veiligheid | Alpolige uitschakeling, softstart, druk- en temperatuurbewaking |
| Garantie | Verlenging bij inbedrijfstelling door bevoegde serviceafdeling |
Veelgestelde vragen - LI 16TER plus DIMPLEX
Gebruikersvragen over LI 16TER plus DIMPLEX
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Waterpomp in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding LI 16TER plus - DIMPLEX en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. LI 16TER plus van het merk DIMPLEX.
GEBRUIKSAANWIJZING LI 16TER plus DIMPLEX
Montage- en gebruiksaanwijzing

Reversibele lucht/water-warmtepomp voor installatie binnen
Inhoudsopgave
1 Direct lezen a.u.b. NL-2
1.1 Belangrijke aanwijzingen ....NL-2
1.2 Wettelijke voorschriften en regels....NL-2
1.3 Energiebesparend gebruik van de warmtepomp ....NL-2
2 Gebruiksdoeleinde van de warmtepomp ....NL-3
2.1 Toepassingsgebied....NL-3
2.2 Werkwijze ....NL-3
7 Inbedrijfstelling.... NL-7
7.1 Algemeen....NL-7
7.2 Voorbereiding ....NL-7
7.3 Werkwijze ....NL-7
8 Reiniging / onderhoud ....NL-8
8.1 Onderhoud....NL-8
8.2 Reiniging verwarmingsgedeelte....NL-8
8.3 Reiniging luchtzijde....NL-8
9 Storingen / storingsdiagnose...... NL-8
10 Buitenbedrijfstelling / verwijdering ....NL-8
11 Toestelinformatie ....NL-9
Bijvoegsel A-I
1 Direct lezen a.u.b.
1.1 Belangrijke aanwijzingen

OPGELET!
Het apparaat is niet voor frequentie-omzetting geschikt.

OPGELET!
De warmtepomp mag bij het transport max. 45° worden gekanteld (in iedere richting).

OPGELET!
Warmtepomp en transportpallet zijn alleen door de verpakkingsfolie met elkaar verbonden.

OPGELET!
Het aanzuig- en uitblaasbereik mag niet beperkt of geblokkeerd worden.

OPGELET!
De warmtepomp mag uitsluitend met de aangebouwde luchtkanalen worden gebruikt.

OPGELET!
Let op het rechtsdraaiende veld: Als de compressor in de verkeerde richting draait, kan deze beschadigd worden.

OPGELET!
Gebruik geen zand-, soda-, zuur- of chloorhoudende schoonmaakmiddelen, omdat deze het oppervlak aantasten.

OPGELET!
Om afzettingen in de condensor van de warmtepomp te voorkomen (b.v. roest) wordt aanbevolen, een geschikt systeem als corrosiebescherming te gebruiken.

OPGELET!
Alvorens het toestel te openen, dienen alle stroomkringen vrij van spanning te zijn.

OPGELET!
Werkzaamheden aan de warmtepomp dienen uitsluitend door een bevoegde en vakkundige serviceafdeling uitgevoerd te worden.
1.2 Wettelijke voorschriften en regels
De constructie en uitvoering van de warmtepomp voldoen aan alle overeenkomstige EG-richtlijnen (zie CE-conformiteitsverklaring).
Bij de elektrische aansluiting van de warmtepomp dienen de overeenkomstige EN- en IEC-normen evenals de nationale richtlijnen te worden nageleefd. Bovendien moeten de aansluitvoorwaarden van de energievoorzieningsbedrijven in acht genomen worden.
Bij het aansluiten van het verwarmings- resp. koelsysteem dienen de betreffende voorschriften opgevolgd te worden.
Personen, meer bepaald kinderen, die wegens hun fysieke, zintuiglijke of mentale vaardigheden of wegens hun gebrek aan kennis of ervaring niet in staat zijn, het toestel op een veilige manier te gebruiken, mogen dit toestel niet zonder toezicht of instructies vanwege een verantwoordelijke persoon gebruiken.
Kinderen niet zonder toezicht laten om zeker te zijn dat ze niet met het toestel spelen.
1.3 Energiebesparend gebruik van de warmtepomp
Door het aanschaffen van deze warmtepomp draagt u bij tot de ontlasting van ons milieu. De voorwaarde voor een energiebesparende werking is de juiste dimensionering van de warmtebron- en warmtegebruikinstallatie resp. koelinstallatie.
Het is van groot belang voor de effectiviteit van een warmtepomp dat bij het verwarmen het temperatuurverschil tussen verwarmingswater en warmtebron zo gering mogelijk gehouden wordt. Daarom is een zorgvuldige dimensionering van de warmtebron en de verwarmingsinstallatie dringend aan te bevelen. Een temperatuurverschil van meer dan één Kelvin (één °C) leidt tot een stijging van het stroomverbruik van ca. 2,5%. Let erop dat bij het dimensioneren van de verwarmingsinstallatie ook rekening gehouden moet worden met speciale lasten, zoals de warmwaterbereiding, en dat deze ook voor lagere temperaturen gedimensioneerd worden. Een vloerverwarming (verwarming van oppervlakken) is door lagere vertrektemperaturen van (30 °C tot 40 °C) optimaal geschikt voor het gebruik van een warmtepomp.
Tijdens het gebruik dient een verontreiniging van de warmtewisselaars te worden voorkomen, omdat hierdoor het temperatuurverschil verhoogd wordt, met een lagere vermogencoëfficiënt (COP) als gevolg.
Een aanzienlijke bijdrage tot energiebesparend gebruik wordt ook geleverd door de warmtepompregelaar indien deze op de juiste manier is ingesteld. Meer aanwijzingen hieromtrent vindt u in de gebruiksaanwijzing van de warmtepompregelaar.
2 Gebruiksdoeleinde van de warmtepomp
2.1 Toepassingsgebied
De lucht-water-warmtepomp kan in aanwezige of nieuw te plaatsen verwarmingsinstallaties gebruikt worden.
De warmtepomp is uitsluitend ontworpen voor het verwarmen en koelen van verwarmingswater!
De warmtepomp is in de verwarmingsmodus geschikt voor de mono-energetische en bivalente werking tot een buitenluchttemperatuur van -20 °C.
Bij continu werking moet een teruglooptemperatuur van het warme water van meer dan 18 °C aangehouden worden om probleemloos ontdooien van de verdamper te waarborgen.
De warmtepomp is niet ontworpen voor de verhoogde warmtebehoefte tijdens het drogen na de bouw. Daarom moet in de extra warmtebehoefte met speciale apparaten ter plaatse worden voorzien. Voor het drogen na de bouw in de herfst of in de winter is het raadzaam een extra verwarmingselement (als accessoire verkrijgbaar) te installeren.
In de koelmodus is de warmtepomp voor luchttemperaturen van +15 °C ... +40 °C geschikt.
De pomp kan voor stille en dynamische koeling worden gebruikt. Minimale watertemperatuur is +7 °C.

OPGELET!
Het apparaat is niet voor frequentie-omzetting geschikt.
2.2 Werkwijze
Verwarmen
Omgevingslucht wordt door de ventilator aangezogen en daarbij door de verdamper (warmtewisselaar) geleid. De verdamper koelt de lucht af, d.w.z. hij onttrekt er de warmte aan. De gewonnen warmte wordt in de verdamper op de werkvloeistof (koelmiddel) getransfereerd.
Met behulp van een elektrisch aangedreven compressor wordt de opgenomen warmte door drukverhoging op een hoger temperatuurniveau „gepompt” en via de condensor (warmtewisselaar) aan het verwarmingswater afgegeven.
Via de voorgeschakelde onthitter kan tevens, ook separaat, industriewater worden bereid.
Daarbij wordt de elektrische energie gebruikt om de warmte van de omgeving op een hoger temperatuurniveau te brengen. Omdat de aan de lucht onttrokken energie naar het water getransfereerd wordt om het te verwarmen, wordt dit apparaat ook lucht-water-warmtepomp genoemd.
De lucht-water-warmtepomp bestaat uit de hoofdcomponenten verdamper, ventilator en expansieventiel evenals de geluidsarme compressor, onthitter, condensor en de elektrische besturing.
Bij lage omgevingstemperaturen verbindt zich luchtvochtigheid als rijp met de verdamper en belemmert de warmteoverdracht. Indien nodig, wordt de verdamper automatisch door de warmtepomp ontdooid. Afhankelijk van het weer kunnen daarbij stoomwolken bij de luchtuitlaat ontstaan.
Koelen
In de bedrijfsmodus „Koelen“ worden de verdamper en condensor in hun werkwijze omgekeerd.
Het verwarmingswater staat via de nu als verdamper werkende condensor de warmte aan het koelmiddel af. Met de compressor wordt het koelmiddel op een hogere temperatuur gebracht. Via de condensor (in de verwarmingsmodus verdamper) wordt de warmte aan de omgevingslucht afgegeven.
Via de extra warmtewisselaar kan de afgegeven warmte ook voor warmwaterverbruikers zoals warm water, zwembad of bad-verwarming worden gebruikt.
3 Leveringsomvang
3.1 Basisapparaat
Het basisapparaat is een compacte warmtepomp die onderstaande componenten bevat.
Als koelmiddel wordt R404A gebruikt.

Het schakelkastje bevindt zich in de warmtepomp. Nadat de frontplaat er is afgenomen en de zich rechtsboven bevindende bevestigingsschroef is losgedraaid, kan het schakelkastje uitgeklapt worden.
Het schakelkastje bevat de aansluitklemmen voor het stroomnet, de vermogencontactoren, de softstart-eenheid en de warmte-pompmanager.
3.3 Warmtepompregelaar
De warmtepompmanager is een comfortabel elektronisch regelen besturingsapparaat. Hij stuurt en bewaakt de hele verwarmings- resp. koelinstallatie, afhankelijk van de buitentemperatuur, de warmwaterbereiding en de veiligheidstechnische voorzieningen.
De ter plaatse aan te brengen buitentemperatuurvoeler incl. bevestigingsmateriaal wordt met de regelaar meegeleverd.
Het functioneren en het gebruik van de warmtepompmanager wordt in de bijgeleverde gebruiksaanwijzing beschreven.
4 Transport
OPGELET!
De warmtepomp mag bij het transport max. 45° worden gekanteld (in iedere richting).
De pomp dient op een transportpallet naar de plaats van opstelling te worden getransporteerd. Het basistoestel biedt enerzijds de transportmogelijkheid met een handpalletwagen, steekwagen o.i.d. of door middel van 3/4" buizen, die door openingen in de grondplaat of in het frame geleid worden.

Warmtepomp en transportpallet zijn alleen door de verpakkingsfolie met elkaar verbonden.
Voor het gebruik van de transportgaten in het frame is het noodzakelijk de onderste delen aan de voorkant eraf te nemen. Daartoe worden telkens twee schroeven op de sokkel losgedraaid en de platen worden er door terugtrekken aan de bovenkant uitgenomen. Bij het aanbrengen van de platen moeten deze met lichte druk naar boven toe geschoven worden.
Bij het doorsteken van de draagbuizen in het frame moet erop worden gelet dat er geen constructiedelen worden beschadigd.

Openen van het deksel Sluiten van het deksel
5 Plaatsing
5.1 Algemeen
Het apparaat dient in binnenruimtes op een effen, glad en horizontaal oppervlak te worden geplaatst. Daarbij moet het frame rondom dicht bij de grond liggen om een passende geluidsisolatie te garanderen. Is dat niet het geval, kunnen extra geluiddempende maatregelen noodzakelijk zijn. Plaatsing op een onderbouwbuffer vereist beslist een volledig omlopende ondersteuning. De warmtepomp moet zo zijn opgesteld, dat service aan het apparaat probleemloos kan worden uitgevoerd. Dit is gewaarborgd, indien er een afstand van ca. 1 m voor en zijdelings van de warmtepomp gerespecteerd wordt.

Het apparaat dient nooit in ruimtes met een hoge luchtvochtigheid te worden geplaatst. Bij een luchtvochtigheid van meer dan 50% en buitentemperaturen onder 0 °C kan op de warmtepomp en de luchtgeleiding condensaat ontstaan.
Bij installatie van de warmtepomp op een bovenverdieping moet het draagvermogen van de zoldering gecontroleerd worden en om akoestische redenen de trillingsontkoppeling zeer zorgvuldig worden gepland. Plaatsing op een houten zoldering is onacceptabel.
5.2 Condensaatleiding
Het bij het gebruik ontstane condenswater dient vorstvrij te worden afgevoerd. De warmtepomp dient horizontaal te worden geplaatst, zodat het water goed kan afvloeien. De condenswaterbuis moet minstens een diameter van 50 mm hebben en moet vorstvrij in de afvoerleiding worden geleid. Condenswater niet direct in bezinkvijvers en putten leiden, omdat opstijgende agressieve dampen de verdamper kunnen vernielen.
5.3 Geluid
Om geluidsoverdracht in het verwarmingssysteem te voorkomen, is het raadzaam de warmtepomp met een flexibele slang aan het verwarmingssysteem te koppelen. Hetzelfde geldt voor de aansluiting van de kring voor het sanitaire water.
Gebruikte luchtkanalen moeten geluidstechnisch van de warmtepomp worden losgekoppeld om geluidsoverdracht op de kanalen te voorkomen.
6 Montage
6.1 Algemeen
De warmtepomp is voorzien van de volgende aansluitingen:
■ Toevoer-/afvoerlucht
■ Vertrek/terugloop van de verwarmingsinstallatie
■ Vertrek/terugloop van de warmwaterkringloop
Condenswaterafvoer
■ Stroomvoorziening
6.2 Luchtaansluiting
OPGELET!
Het aanzuig- en uitblaasbereik mag niet beperkt of geblokkeerd worden.
OPGELET!
De warmtepomp mag uitsluitend met de aangebouwde luchtkanalen worden gebruikt.
De als accessoires aangeboden luchtkanalen van glasvezelbeton zijn bestand tegen vocht en staan open voor diffusie.
De afdichtingsmanchet wordt voor de afdichting van de luchtkanalen op de warmtepomp gebruikt. De luchtkanalen zelf worden niet direct aan de warmtepomp vastgeschroefd. In gebruiksklare staat maakt uitsluitend het afdichtingsrubber contact met de warmtepomp. Daardoor wordt enerzijds een gemakkelijke montage en demontage van de warmtepomp gewaarborgd en anderzijds een goede loskoppeling van het constructiegeluid bereikt.

Indien een ander luchtkanaal dan het als accessoire verkrijgbare kanaal gebruikt wordt, moeten de in het schema vermelde buiten- en binnenafmetingen aangehouden worden. Bovendien moet op een passende trillingsontkoppeling en kanaalisolatie gelet worden.
Bij het gebruik van opgeflensde luchtkanalen wordt telkens een aansluitstuk op de aanzuig- en uitblaasopening van de verdamper met 4 zeskantbouten M8x16 op de voorziene schroefgaten bevestigd. Daarbij dient erop gelet te worden, dat beide luchtkanaalaansluitingen uitsluitend met de isolatie en niet met het apparaat in contact komen.

Waarden tussen haakjes gelden voor de LI 16TER+
6.3 Verwarmings- en warmwateraansluiting
De aansluitingen op de warmtepomp aan verwarmingszijde zijn voorzien van een 1 1/4" buitendraad. Bij het aansluiten aan de warmtepomp dienen de overgangen met een sleutel te worden vastgehouden.
Voor het warmwaterzijdige aansluiten van de warmtepomp dient de verwarmingsinstallatie doorgespoeld te worden, om mogelijk vuil, resten van isolatiemateriaal etc. te verwijderen. Wanneer de condensor door resten en vervuiling verstopt raakt, kan dit tot uitval van de warmtepomp leiden. Voor installaties met een afsluitbaar verwarmingswaterdebiet, afhankelijk van radiator- resp. thermostaatventielen, moet ter plaatse een overstroomventiel achter de verwarmingspomp in een verwarmingsbypass worden ingebouwd. Dit waarborgt een minimale doorstroming van het water door de warmtepomp en voorkomt storingen.
Na installatie van de verwarming dient het verwarmingssysteem te worden gevuld, ontlucht en onder druk te worden gezet.
Minimum waterdebiet
Het minimum waterdebiet van de warmtepomp dient in elke bedrijfsmodus van de verwarmingsinstallatie gegarandeerd te zijn. Deze kan b.v. door installatie van een differentiedrukloze verdeler of van een overstroomventiel worden bereikt. De instelling van een overstroomventiel wordt in het hoofdstuk Inbedrijfstelling verklaard.
Vorstbeveiliging
Warmtepompen, die aan vorst blootstaan, dienen met de hand te worden geleegd (zie afbeelding). Indien de regelaars en de verwarmings-circulatiepomp bedrijfsklaar zijn, werkt de vorstbeveiliging van de regelaar. Bij buitenbedrijfstelling van de warmtepomp of bij stroomuitval moet de installatie worden geleegd. Bij warmtepompsystemen waarbij stroomuitval niet herkend kan worden (vakantiehuis), moet de verwarmingskring met een geschikte vorstbeveiliging worden gebruikt.

6.4 Elektrische aansluiting
De spanningsvoorziening en stuurspanning verlopen via conventionele leidingen (last: 4-aderig, sturing 3-aderig).
De spanningsvoorziening voor de warmtepomp dient van een al-polige afschakeling met tenminste 3 mm contactopeningsaf-stand (b.v. een hoofdschakelaar van de elektriciteitsmaatschappij), evenals een 3-polige vermogensschakelaar, met één uitschakeling voor alle buitenkabels te worden voorzien (uitschakelstroom volgens toestelinformatie).
Bij het aansluiten moet het rechtsdraaiende veld van de lastvoeding gegarandeerd worden L1; L2; L3.
OPGELET!
Let op het rechtsdraaiende veld: Als de compressor in de verkeerde richting draait, kan deze beschadigd worden.
De stuurspanning moet met 10 A worden beveiligd.
Voor detailinformatie zie bijvoegsel Elektrische schema's.
7 Inbedrijfstelling
7.1 Algemeen
Voor een inbedrijfstelling volgens de voorschriften dient deze door een door de fabriek bevoegde serviceafdeling uitgevoerd te worden. Onder bepaalde voorwaarden is daarmee een verlenging van de garantie verbonden (verg. garantievergoeding).
De inbedrijfstelling dient in de verwarmingsmodus te worden uitgevoerd.
7.2 Voorbereiding
Vóór de inbedrijfstelling dienen de volgende punten gecontroleerd te worden:
Alle aansluitingen van de warmtepomp dienen gemonteerd te zijn (zie hoofdstuk 6).
In de verwarmingskring moeten alle kranen, die de correcte stroming van het verwarmingswater zouden kunnen belemmeren, geopend zijn.
- De luchtinlaat en luchtuitlaat moeten vrij worden gehouden.
- De draairichting van de ventilator moet overeenstemmen met de pijlrichting.
De instellingen van de warmtepompregelaar moeten overeenkomstig de gebruiksaanwijzing ervan aan de verwarmingsinstallatie zijn aangepast.
■ Het condenswater moet ongehinderd kunnen aflopen.
7.3 Werkwijze
De inbedrijfstelling van de warmtepomp verloopt via de warmtepompregelaar. De instellingen moeten overeenkomstig de handleiding ervan worden uitgevoerd.
Indien het minimum waterdebiet door middel van een overstroomventiel beveiligd wordt, moet deze aan het verwarmingsysteem worden afgestemd. Een verkeerde instelling kan tot foutieve werking en een verhoogde energiebehoefte leiden. Om het overstroomventiel goed in te stellen, adviseren wij als volgt te handelen:
Sluit alle verwarmingskringen, die ook bij een werkende installatie afhankelijk van het gebruik gesloten kunnen zijn, zodat het waterdebiet in deze bedrijfsstand zo ongunstig mogelijk is. Dit zijn doorgaans de verwarmingskringen in de ruimten aan de zuid- en westkant. Er moet minimaal één verwarmingskring geopend blijven (b.v. bad).
Het overstroomventiel moet zo ver worden geopend, dat bij de actuele warmtebrontemperatuur het in de onderstaande tabel aangegeven maximale temperatuurverschil tussen verwarmingsvertrek en -terugloop ontstaat. Het temperatuurverschil moet zo dicht mogelijk bij de warmtepomp worden gemeten. Bij mono-energetische installaties moet het verwarmingselement gedeactiveerd worden.
| Warmtebron-temperatuur | Max. temperatuurverschiltussen verwarmingsvertrek en - terugloop | |
| van tot | ||
| -20 °C -15 °C 4 K | ||
| -14 °C -10 °C 5 K | ||
| -9 °C -5 °C 6 K | ||
| -4 °C 0 °C 7 K | ||
| 1 °C 5 °C 8 K | ||
| 6 °C 10 °C | 9 K | |
| 11 °C | 15 °C | 10 K |
| 16 °C | 20 °C | 11 K |
| 21 °C | 25 °C | 12 K |
| 26 °C | 30 °C | 13 K |
| 31 °C | 35 °C | 14 K |
Storingen bij een werkende installatie worden ook op de warmtepompregelaar weergegeven en kunnen, zoals in de gebruiksaanwijzing van de warmtepompregelaar beschreven is, worden verholpen.
Bij buitentemperaturen lager dan 10 °C en verwarmingswater-temperaturen lager dan 16 °C moet het bufferopslagvat met de tweede warmtebron tot minimaal 25 °C worden verwarmd.
Het volgende verloop moet worden gerespecteerd om de inbedrijfstelling storingsvrij te realiseren:
1) Sluit alle verwarmingskringen.
2) Zet het overstroomventiel helemaal open.
3) Kies de auto-modus op de regelaar.
4) Wacht tot het bufferopslagvat een temperatuur van minimaal 25 °C heeft bereikt.
5) Vervolgens worden de afsluitventielen van de verwarmingskringen achtereenvolgens weer langzaam geopend en wel dusdanig dat het waterdebiet door langzaam openen van de betreffende verwarmingskring constant verhoogd wordt. De temperatuur van het verwarmingswater in het bufferopslagvat mag daarbij niet onder de 20 °C zakken, om ontdooien van de warmtepomp te allen tijde mogelijk te maken.
6) Wanneer alle verwarmingskringen volledig zijn geopend en een verwarmingswatertemperatuur in het bufferopslagvat van ca. 20 °C aangehouden wordt, moet de minimale volumestroom op het overstroomventiel en de verwarmingscirculatiepomp worden ingesteld.
7) Nieuwbouw heeft wegens de benodigde energie voor het drogen na de bouw een verhoogde warmtebehoefte. Deze verhoogde warmtebehoefte kan ertoe leiden dat een krap gedimensioneerde verwarmingsinstallatie de gewenste kamertemperatuur niet altijd bereikt. Daarom wordt aanbevolen, in dat geval de tweede warmtebron in de eerste verwarmingsperiode bedrijfsklaar te houden. Daartoe moet de grenstemperatuur op de warmtepompregelaar omhooggezet worden naar 15 °C.
8 Reiniging / onderhoud
8.1 Onderhoud
Let erop dat geen voorwerpen aan het toestel geleund of erop gelegd worden, om de lak niet te beschadigen. De buitendelen van de warmtepomp kunnen met een vochtige doek en met gewone schoonmaakmiddelen behandeld worden.

OPGELET!
Gebruik geen zand-, soda-, zuur- of chloorhoudende schoonmaakmiddelen, omdat deze het oppervlak aantasten.
Om storingen door vuil in de warmtewisselaar van de warmtepomp te voorkomen, moet ervoor worden gezorgd dat er geen vuil in de warmtewisselaar van het verwarmingssysteem kan komen. Om de verdamper te beschermen is een vogelrooster met minimaal 80% vrije doorsnede in het aanzuigkanaal raadzaam. Indien zich nochtans bedrijfsstoringen door vervuiling voordoen, moet de installatie schoongemaakt worden zoals hieronder beschreven.
8.2 Reiniging verwarmingsgedeelte
Vooral bij het gebruik van stalen componenten kunnen er oxidatieproducten (roest) door zuurstof in de warmwaterkringloop ontstaan. De roest komt via ventielen, circulatiepompen of kunststof buizen in het verwarmingssysteem terecht. Daarom dient er - vooral bij de buizen van de vloerverwarming - op een diffusiedichte installatie gelet te worden.

OPGELET!
Om afzettingen in de condensor van de warmtepomp te voorkomen (b.v. roest) wordt aanbevolen, een geschikt systeem als corrosiebescherming te gebruiken.
Ook resten van smeer- en afdichtingsmiddelen kunnen het warme water vervuilen.
Indien de vervuiling zo groot is, dat het vermogen van de condensor in de warmtepomp vermindert, moet een installateur de installatie reinigen.
Volgens de huidige stand van kennis adviseren wij om te reinigen met een fosforzuur van 5% of, indien er vaker moet worden gereinigd, met een mierenzuur van 5%.
In beide gevallen moet de reinigingsvloeistof op kamertemperatuur zijn. Het is raadzaam, de warmtewisselaar tegen de normale doorstroomrichting in uit te spoelen.
Om te voorkomen, dat zuurhoudend reinigingsmiddel in de kring-loop van de verwarmingsinstallatie terechtkomt, raden wij aan het spoelapparaat direct op het vertrek en de terugloop van de condensor van de warmtepomp aan te sluiten.
Daarna moet er met geschikte, neutraliserende middelen nogmaals grondig gespoeld worden, zodat beschadigingen door eventueel in het systeem achtergebleven resten van een reinigingsmiddel worden voorkomen.
De zuren moeten voorzichtig worden gebruikt en de desbetreffende voorschriften moeten in acht genomen worden.
In geval van twijfel moet met de fabrikant van het reinigingsmiddel worden overlegd!
8.3 Reiniging luchtzijde
De luchtkanalen, verdamper, ventilator en condenswaterafvoer moeten voor het begin van het stookseizoen worden gereinigd (bladeren, twijgen etc.). Daartoe moet de warmtepomp aan de voorzijde eerst aan de onderkant en dan aan de bovenkant worden geopend.

OPGELET!
Alvorens het toestel te openen, dienen alle stroomkringen vrij van spanning te zijn.
Het wegnemen en plaatsen van de delen aan de voorkant wordt uitgevoerd als beschreven in hoofdstuk 4.
Gebruik voor het schoonmaken geen scherpe of harde voorwerpen, om de verdamper en de condenswaterbak niet te beschadigen.
9 Storingen / storingsdiagnose
Deze warmtepomp is een kwaliteitsproduct, dat onder normale omstandigheden storings- en onderhoudsvrij werkt. Als er toch een keer een storing optreedt, wordt dit op het display van de warmtepompmanager weergegeven. Zie hiertoe de pagina Storingen en Storingsdiagnose in de gebruiksaanwijzing van de warmtepompmanager. Wanneer u de storing niet zelf kunt verhelpen, waarschuw dan de bevoegde serviceafdeling.

OPGELET!
Werkzaamheden aan de warmtepomp dienen uitsluitend door een bevoegde en vakkundige serviceafdeling uitgevoerd te worden.
10 Buitenbedrijfstelling / verwijdering
Alvorens de warmtepomp te demonteren, dient de machine spanningsvrij en alle kleppen afgesloten te zijn. Milieurelevante eisen m.b.t. terugwinning, recyclage en afvoer van afvalstoffen en componenten volgens gebruikelijke normen dienen te worden nageleefd. Dit geldt in het bijzonder voor het vakkundig verwijderen van het koelmiddel en de koelolie.
11 Toestelinformatie
| 1 Technische en commercièle benaming | LI 11TER+ LI 16TER+ | |||||
| 2 Bouwvorm | ||||||
| 2.1 Uitvoering Reversibel Reversibel | ||||||
| 2.2 Beschermingsgraad volgens EN 60 529 voor compact toestel resp. verwarmingsdeel | IP 21 IP 21 | |||||
| 2.3 Plaats van opstelling Binnen Binnen | ||||||
| 3 Vermogengegevens | ||||||
| 3.1 Temperatuur-gebruiksgrenzen: | ||||||
| Verwarmingswater-vertrek/ -terugloop ^1 | °C / °C | tot 58 / vanaf 18 tot 58 / vanaf 18 | ||||
| Koelen, vertrektemperatuur °C +7 tot +20 | +7 tot +20 | |||||
| Lucht (verwarmen) | °C | -25 tot +35 | -25 tot +35 | |||
| Lucht (koelen) | °C | +15 tot +40 | +15 tot +40 | |||
| 3.2 Temperatuurverschil verwarmingswater | bij A7 / W35 | 9,7 | 5,0 | 9,3 | 5,0 | |
| 3.3 Verwarmingsvermogen/ vermogencoëfficiënt (COP) | bij A-7 / W35 ^2 | kW / --- | 7,1 / 2,9 | 6,6 / 2,7 | 10,6 / 3,0 | 10,5 / 2,9 |
| bij A-7 / W45 ^2 | kW / --- | 6,4 / 2,3 | 9,9 / 2,5 | |||
| bij A2/ W35 ^2 | kW / --- | 8,8 / 3,2 | 8,8 / 3,1 | 12,8 / 3,4 | 12,7 / 3,2 | |
| bij A7/ W35 ^2 | kW / --- | 11,3 / 3,8 | 11,3 / 3,6 | 15,1 / 3,8 | 14,9 / 3,6 | |
| bij A7/ W45 ^2 | kW / --- | 9,6 / 3,1 | 14,7 / 3,3 | |||
| bij A10 / W55 ^2 | kW / --- | 12,2 / 4,1 | 12,1 / 3,9 | 16,7 / 4,1 | 16,6 / 3,9 | |
| 3.4 Temperatuurverschil koelwater | bij A35 / W7 | 6,5 | 5,0 | 6,6 | 5,0 | |
| 3.5 Koelvermogen/ vermogencoëfficiënt (COP) | bij A27/ W7 | kW / --- | 8,8 / 2,8 | 8,8 / 2,8 | 12,6 / 2,6 | 12,5 / 2,6 |
| bij A27/ W18 | kW / --- | 10,9 / 3,3 | 10,8 / 3,2 | 16,4 / 2,8 | 16,4 / 2,8 | |
| bij A35/ W7 | kW / --- | 7,6 / 2,1 | 7,5 / 2,1 | 10,7 / 2,0 | 10,6 / 2,0 | |
| bij A35/ W18 | kW / --- | 9,5 / 2,5 | 9,5 / 2,5 | 14,3 / 2,3 | 14,3 / 2,2 | |
| 3.6 Geluidsvermogen apparaat / buiten | dB(A) | 55 / 61 | 57 / 62 | |||
| 3.7 Geluidsdruk op 1m afstand (binnen) | dB(A) | 50 | 52 | |||
| 3.8 Verwarmingswaterdebiet bij intern drukverschil | m3/h / Pa | 1,0 / 3000 | 1,9 / 10900 | 1,4 / 4500 | 2,6 / 14600 | |
| 3.9 Koelwaterdebiet bij intern drukverschil | m3/h / Pa | 1,0 / 3000 | 1,3 / 5900 | 1,4 / 4500 | 1,8 / 7000 | |
| 3.10 Luchtdebiet bij extern statisch drukverschil | m3/h / Pa | 4200 / 0 | 5200 / 0 | |||
| m3/h / Pa | 2500 / 25 | 4000 / 25 | ||||
| 3.11 Koelmiddel; totaal vulgewicht | type / kg | R404A / 5,1 | R404A / 5,7 | |||
| 3.12 Smeermiddel; totaal vulhoeveelheid | type / liter | Polyolester (POE) / 1,5 | Polyolester (POE) / 1,9 | |||
| 4 Afmetingen, aansluitingen en gewicht | ||||||
| 4.1 Afmetingen toestel | H x B x L cm | 136 x 75 x 88 | 157 x 75 x 88 | |||
| 4.2 Toestelaansluitingen voor verwarming | inch | 1 1/4" buitendraad | 1 1/4" buitendraad | |||
| 4.3 Toestelaansluitingen voor bijkomende warmtewisselaar (ultputting van afgegeven warmte) | Inch | 1 1/4" buitendraad | 1 1/4" buitendraad | |||
| 4.4 Luchtkanaal-ingang en -uitgang (binnenafmetingen min.) | L x B cm | 50 x 50 | 57 x 57 | |||
| 4.5 Gewicht transporteenheid/-eenheden incl. verpakking | kg | 232 | 270 | |||
| 5 Elektrische aansluiting | ||||||
| 5.1 Nominale spanning; beveiligging | V / A | 400 / 16 | 400 / 20 | |||
| 5.2 Nominaal ingangsvermogen ^2 | A2 W35 | kW | 2,74 | 2,86 | 3,8 | 4,0 |
| 5.3 Startstroom m. softstart-systeem | A | 23 | 25 | |||
| 5.4 Nominale stroom | A2 W35 / cos φ | A / --- | 4,9 / 0,8 | 5,16 / 0,8 | 6,9 / 0,8 | 7,2 / 0,8 |
| 6 Voldoet aan de Europese veiligheidsvoorschriften | 3 | 3 | ||||
| 7 Andere eigenschappen van de uitvoering | ||||||
| 7.1 Ontdooiing | automatisch | automatisch | ||||
| Type ontdooling | Omkering kringloop | Omkering kringloop | ||||
| Ontdoolbak voorhanden | ja (met verwarming) | ja (met verwarming) | ||||
| 7.2 Verwarmingswater in toestel tegen vorst beschermd | ja ^4 | ja ^4 | ||||
| 7.3 Vermogensniveaus | 1 | 1 | ||||
| 7.4 Regelaar intern / extern | intern | intern | ||||
- Zie diagram gebruiksgrenzen
- Deze gegevens staan voor de afmeting en het rendement van de installatie in overeenstemming met EN 255 en EN 14511. Voor economische en energetische berekeningen moet met verdere invloedfactoren rekening gehouden worden, vooral met ontdooigedrag, bivalentiepunt en regeling. Hierbij betekent b.v. A2 / W55: Buitenluchttemperatuur 2 °C en verwarmingswater-vertrektemperatuur 55 °C.
- zie CE-conformiteitsverklaring
- De verwarmings-circulatiepomp en de regelaar van de warmtepomp moeten altijd bedrijfsklaar zijn.
Bijvoegsel
1 Afmetingen....A-II
1.1 Afmetingen LI 11TER+ ......A-II
1.2 Afmetingen LI 16TER+....A-III
2 Diagrammen....A-IV
2.1 Verwarmingsmodus LI 11TER+....A-IV
2.2 Koelmodus LI 11TER+.....A-V
2.3 Verwarmingsmodus LI 16TER+....A-VI
2.4 Koelmodus LI 16TER+....A-VII
3 Elektrische schema's....A-VIII
3.1 Sturing standaardregelaar....A-VIII
3.2 Sturing koelregelaar....A-IX
3.3 Vermogen....A-X
3.4 Aansluitschema standaardregelaar ....A-XI
3.5 Aansluitschema koelregelaar....A-XII
3.6 Legende....A-XIII
4 Hydraulisch basisschema....A-XIV
4.1 Schematische afbeelding....A-XIV
4.2 Legende....A-XV
5 Conformiteitsverklaring....A-XVI
1 Afmetingen
1.1 Afmetingen LI 11TER+

1.2 Afmetingen LI 16TER+

2 Diagrammen
2.1 Verwarmingsmodus LI 11TER+

line
| Luchtinlaattemperatuur in [°C] | Verwarmingsvermögen in [kW] (35) | Verwarmingsvermögen in [kW] (50) | | ----------------------------- | --------------------------------- | --------------------------------- | | -20 | 5.0 | 4.8 | | -10 | 6.5 | 6.2 | | 0 | 8.0 | 7.8 | | 10 | 11.0 | 10.8 | | 20 | 14.0 | 13.8 | | 30 | 17.0 | 16.8 | | 40 | 18.5 | 18.2 |
line
| Luchtinlaattemperatuur in [°C] | Verbruik (incl. aandeel pompvermögen) | | ----------------------------- | ------------------------------------- | | -20 | 2.5 | | -10 | 2.7 | | 0 | 2.9 | | 10 | 3.1 | | 20 | 3.3 | | 30 | 3.5 | | 40 | 3.7 |
line
| Verwarmingwaterdebiet in [m³/h] | Drukverlies in [Pa] | | ------------------------------- | ------------------- | | 0 | 0 | | 0.5 | ~1000 | | 1 | ~3000 | | 1.5 | ~7000 | | 2 | ~12000 |
line
| Luchtinlaattemperatuur in [°C] | Vermogencoëfficiënt (COP) (incl. aandeel pompvermögen) | | ----------------------------- | ---------------------------------------------------- | | -20 | 1.5 | | -10 | 2.0 | | 0 | 2.5 | | 10 | 3.0 | | 20 | 3.5 | | 30 | 4.0 | | 40 | 4.5 |2.2 Koelmodus LI 11TER+

line
| Luchtinlaattemperatuur in [°C] | Koelvermögen in [kW] | | ------------------------------ | -------------------- | | 15 | 13 | | 20 | 12 | | 25 | 11 | | 30 | 10 | | 35 | 9 | | 40 | 8 |
line
| Luchtinlaattemperatuur in [°C] | Value | | ----------------------------- | ----- | | 15 | 2.5 | | 40 | 4.0 |
line
| Water droplet diameter [m³/h] | Drukverlies in [Pa] | | ----------------------------- | ------------------- | | 0 | 0 | | 0.5 | ~500 | | 1 | ~3000 | | 1.5 | ~7000 | | 2 | ~12000 |
line
| Luchtinlaattemperatuur in [°C] | Vermogencoëfficiënt (COP) (incl. aandeel pompvermögen) | | ----------------------------- | ---------------------------------------------------- | | 15 | 5.0 | | 20 | 4.0 | | 25 | 3.0 | | 30 | 2.5 | | 35 | 2.0 | | 40 | 1.5 |2.3 Verwarmingsmodus LI 16TER+

2.4 Koelmodus LI 16TER+

line
| Waterafvoertemperatuur in [°C] | Koelvermögen in [kW] | | ------------------------------ | -------------------- | | 25 | 19.0 | | 25 | 15.5 | | 45 | 17.0 | | 45 | 13.0 | | 45 | 10.0 | | 45 | 7.0 |
line
| Luchtinlaattemperatuur in [°C] | Verbruik (incl. aandeel pompvermögen) | | ----------------------------- | ------------------------------------- | | 20 | 5 | | 45 | 6 |
line
| Verwarmingswaterdebiet in [m³/h] | Drukverlies in [Pa] | | -------------------------------- | ------------------- | | 0 | 0 | | 5 | 2000 | | 10 | 6000 | | 15 | 10000 | | 20 | 14000 | | 25 | 18000 | | 30 | 20000 | | 35 | 20000 | | 40 | 20000 | | 45 | 20000 | | 50 | 20000 |
line
| Luchtinlaattemperatuur in [°C] | Vermogencoëfficiënt (COP) | | ----------------------------- | ------------------------- | | 20 | 3.8 | | 45 | 1.8 |3.1 Sturing standaardregelaar

flowchart
graph TD
N1[" N1 "] -->|J9 X3/G| J10["J10"]
J10 -->|J11| Rx/Tx["Rx/Tx*"]
Rx/Tx --> GND["GND"]
GND --> K1-A1["K1-A1"]
K1-A1 --> C1["C1"]
C1 --> NO1["NO1"]
NO1 --> NO2["NO2"]
NO2 --> NO3["NO3"]
NO3 --> C1c["C1"]
C1c --> K2-A1["K2-A1"]
K2-A1 --> K1-21["K1-21"]
K1-21 --> C4["C4"]
C4 --> NO4["NO4"]
NO4 --> NO5["NO5"]
NO5 --> NO6["NO6"]
NO6 --> C4c["C4"]
C4c --> F2/L["F2/L"]
F2/L --> C7["C7"]
C7 --> NO7["NO7"]
NO7 --> D7["C7"]
D7 --> NO8["NO8"]
D8["C8"] --> NC6["C8"]
NC6 --> C9["C9"]
C9 --> NO9["NO9"]
NO10["NO10"]
NO11["NO11"]
C9 --> C9b["C9"]
C9b --> F3/L["F3/L"]
F3/L --> NO12["NO12"]
F3 --> C12["C12"]
C12 --> NC12["NC12"]
NC12 --> NO13["NO13"]
NC13["C13"] --> NC13a["NC13"]
NC13 --> J17["J17"]
J18["J18"] --> J17a["J17"]
J17a --> J18a["J18"]
subgraph J1
J5-IDC1["J5-IDC1"]
J2["B2"] --> B3["B3"] --> GND["VDC+VDC"]
J3["B4"] --> BC4["B5"] --> BG5["BG5"]
J4["VG"] --> VG["VG0"] --> Y1["Y1"] --> Y2["Y2"] --> Y3["Y3"] --> Y4["Y4"]
J5["IDC1"] --> IDI["IDC1"] --> ID2["ID2"] --> ID3["ID3"] --> ID4["ID4"] --> ID5["ID5"] --> ID6["ID6"] --> ID7["ID7"] --> ID8["ID8"] --> ID9["ID9"] --> ID10["ID10"] --> ID11["ID11"] --> ID12["ID12"] --> IDC9["IDC9"]
J6["J6"] --> B6["B6"] --> B7["B7"] --> B8["B8"] --> GND["GND"]
J7["J7"] --> ID9["ID9"] --> ID10["ID10"] --> ID11["ID11"] --> ID12["ID12"] --> IDC9
J8["J8"] --> ID3H["ID3H"] --> ID13["ID13"] --> IDC13["IDC13"] --> ID14["ID14H"] --> NO1["NO1"] --> NO3["NO3"]
M2/F23["M2/F23"] --> Pc["Pc"] & E3["X3/G"]
A4["A4"] --> X3/GND["X3/GND"]
A2["A2"] --> X3/GND
X3/GND --> R8["R8"]
X3/GND --> T7["T7"]
X3/GND --> F7["F7"]
X3/GND --> F4["F4"]
X3/GND --> F5["F5"]
F5 --> Pn["Pn"]
Pn --> T7
T7 --> F7
F7 --> T7
T7 --> F7
T7 --> F4
T7 --> F5
T7 --> F4
T7 --> F5
T7 --> F4
T7 --> F5
T7 --> F4
T7 --> F5
T7 --> F4
T7 --> F5
T7 --> F4
T7 --> F5
T7 --> F4
T7 --> F5
T7 --> F4
T7 --> F5
end
subgraph L
PE["PE"]
N[" N "]
230["VAC - 50Hz"]
end
subgraph 2.1/N2_J1-G
2.1/N2_J1-G
2.1/N2_J1-G
2.1/N2_J1-G
2.1/N2_J1-G
2.1/N2_J1-G
2.1/N2_J1-G
2.1/N2_J1-G
2.1/N2_J1-G
2.1/N2_J1-G
Y1["Y1"]
Y2["Y2"]
Y3["Y3"]
Y4["Y4"]
Y5["Y5"]
Y6["Y6"]
Y7["Y7"]
Y8["Y8"]
Y9["Y9"]
Y10["Y10"]
Y11["Y11"]
Y12["Y12"]
Y13["Y13"]
Y14["Y14"]
Y15["Y15"]
Y16["Y16"]
Y17["Y17"]
Y18["Y18"]
end
subgraph 2.1/N2_J1-G
2.1/N2_J1-G
2.1/N2_J1-G
2.1/N2_J1-G
2.1/N2_J1-G
2.1/N2_J1-G
2.1/N2_J1-G
2.1/N2_J1-G
2.1N2_J1-G
2.1N2_J1-G
2.1N2_J1-G
2.1N2_J1-G
2.1N2_J1-G
2.1N2_J1-G
end
3.2 Sturing koelregelaar

flowchart
graph TD
A["1.8/F3 N1/J18-C13(230VAC)"] --> B["J9"]
C["1.8/Y1 Y1"] --> D["J10"]
E["1.2/J11 N1-J11/pLAN"] --> F["J11"]
G["N2"] --> H["J12"]
H --> I["C1 NO1 NO2 NO3 C1"]
I --> J["C4 NO4 NO5 NO6 C4"]
J --> K["C7 NO7 G7"]
K --> L["J14"]
L --> M["J15"]
N["J1"] --> O["G G0"]
P["J2"] --> Q["B1 B2 B3 B4 +VDC"]
R["J3"] --> S["B5 GND B6 GND"]
T["J4"] --> U["VG VG0 Y1 Y2 Y3 Y4"]
V["J5"] --> W["ID1 ID2 ID3 ID4 ID5 ID6 ID7 ID8 IDC1 G0"]
X["X3-G"] --> Y["X3+"]
Z["X3-G0"] --> AA["X3 GND"]
AB["4 1 2 P< E5"] --> AC["Ground"]
3.3 Vermogen
Bilvogsel

3.4 Aansluitschema standaardregelaar

flowchart
graph TD
subgraph Control Circuit
A["3L/PE 400VAC - 50Hz"] --> B["X1"]
B --> C["L1"]
B --> D["L2"]
B --> E["L3"]
B --> F["PE"]
G["E10"] --> H["HK"]
H --> I["of"]
I --> J["K20"]
J --> K["2"]
L["M13"] --> M["3"]
N["M18"] --> O["3"]
P["230 VAC - 50Hz"] --> Q["X2"]
Q --> R["N"]
R --> S["PE"]
T["X2"] --> U["X2"]
U --> V["F3"]
W["X2"] --> X["F2"]
Y["X2"] --> Z["F2"]
AA["12p-dx"] --> AB["2"]
AC["12p-dx"] --> AD["3"]
AE["12p-dx"] --> AF["4"]
AG["12p-dx"] --> AH["3"]
AI["12p-dx"] --> AJ["2"]
AK["12p-dx"] --> AL["3"]
AM["12p-dx"] --> AN["4"]
end
subgraph Bus Bars
AO["J9"] --> AP["J10"]
AP --> AQ["J11"]
AQ --> AR["K1-A1"]
AR --> AS["X3/G"]
AS --> AT["J12"]
AT --> AU["K2-A1"]
AU --> AV["C4 NO4 NO6 NO6 C4"]
AV --> AW["X1-PE-N"]
AW --> AX["-N X1"]
AX --> AY["X1-PE-N"]
AY --> AZ["-N X1"]
AZ --> BA["X1-PE-N"]
BA --> BB["-N X1"]
BB --> BC["X1-PE-N"]
BC --> BD["-N X1"]
BD --> BE["X1-PE-N"]
BE --> BF["-N X1"]
BF --> BG["X1-PE-N"]
BG --> BH["-N X1"]
BH --> BI["X1-PE-N"]
BI --> BJ["-N X1"]
BJ --> BK["X1-PE-N"]
BK --> BL["-N X1"]
BL --> BM["X1-PE-N"]
BM --> BN["-N X1"]
BN --> BO["X1-PE-N"]
BO --> BP["-N X1"]
BP --> BQ["X1-PE-N"]
BQ --> BR["-N X1"]
BR --> BS["X1-PE-N"]
end
subgraph Control Circuit
BT["J1"] --> BU["G0"]
BU --> BV["B1 B2 B3 GND +VDC"]
BV --> BW["B4 BC4 B5 BC5"]
BW --> BX["VG VG0 Y1 Y2 Y3 Y4"]
end
subgraph Bus Bars
BY["G"] --> BZ["R1 R2 R3 R7 R9"]
end
subgraph Control Circuit
BZ --> CA["B3 T<"]
end
subgraph Bus Bars
CB["T"] --> CC["B4 T<"]
end
subgraph Control Circuit
DD["B3"] --> DE["A1"]
end
subgraph Bus Bars
DE --> DF["A2"]
end
subgraph Control Circuit
DF --> DG["A4"]
end
subgraph Bus Bars
DG --> DH["A2 SPR EVS A1"]
end
subgraph Control Circuit
DH --> DI["A4 X3/G"]
end
subgraph Bus Bars
DI --> DJ["A2 SPX EVS A1"]
end
subgraph Control Circuit
DJ --> DK["A2 SPX EVS A1"]
end
subgraph Bus Bars
DK --> DL["A4 X3/G"]
end
subgraph Control Circuit
DL --> DV["A2 SPX EVS A1"]
end
subgraph Bus Bars
DV --> DW["A4 X3/G"]
end
subgraph Control Circuit
DW --> DX["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Bus Bars
DX --> DXA["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Control Circuit
DXA --> DB["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Bus Bars
DB --> DBA["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Control Circuit
DBA --> DC["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Bus Bars
DC --> DCA["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Control Circuit
DCA --> DCB["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Bus Bars
DCB --> DCD["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Control Circuit
DCD --> DCE["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Bus Bars
DCE --> DCF["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Control Circuit
DCF --> DCG["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Bus Bars
DCG --> DCH["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Control Circuit
DCH --> DCI["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Bus Bars
DCI --> DCJ["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Control Circuit
DCJ --> DCK["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Bus Bars
DCK --> DCL["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Control Circuit
DCL --> DCM["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Bus Bars
DCM --> DCN["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Control Circuit
DCN --> DCO["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Bus Bars
DCO --> DCP["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Control Circuit
DCP --> DCQ["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Bus Bars
DCQ --> DCR["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Control Circuit
DCR --> DCS["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Bus Bars
DCS --> DCT["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Control Circuit
DCT --> DCU["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Bus Bars
DCU --> DCV["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Control Circuit
DCV --> DCW["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Bus Bars
DCW --> DCX["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Control Circuit
DCX --> DCY["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Bus Bars
DCY --> DCZ["A4 SPX EVS A1"]
end
subgraph Control Circuit
DCZ --> DCY
end
3.5 Aansluitschema koelregelaar

flowchart
graph TD
subgraph Inputs
X1-N --> X2-N(N)
X1-N --> 1.8/F3 --> N1/J18-13(230VAC)
X1-N --> 1.2/J11 --> N1-J11pLAN
end
subgraph Outputs
N2 --> J9 --> J10 --> Rx/Tx --> GND
Rx/Tx --> J11 --> C1 --> NO1 --> NO2 --> NO3 --> C1 --> C4 --> NO4 --> NO5 --> NO6 --> C4 --> C7 --> NO7 --> C7 --> NO6 --> C8 --> NO8
J9 --> J10
J10 --> Rx/Tx
Rx/Tx --> J11
J11 --> J12 --> J13 --> J14 --> J15
J12 --> J13
J13 --> J14
J14 --> J15
end
subgraph Outputs
N5 --> 1 & 2 & 3 & 4 & 5 & 6
N5 --> ID1 & ID2 & ID3 & ID4 & ID5 & ID6 & ID7 & ID8 & IDC1
ID1 & ID2 & ID3 & ID4 & ID5 & ID6 & ID7 & ID8 & IDC1
ID1 & ID2 & ID3 & ID4 & ID5 & ID6 & ID7 & ID8 & IDC1
ID1 & ID2 & ID3 & ID4 & ID5 & ID6 & ID7 & ID8 & IDC1
ID1 & ID2 & ID3 & ID4 & id3 & id4 & id5 & id6 & id7 & id8 & idC1
end
subgraph Outputs
N3 --> G["NTC"]
G --> GND["GND"]
GND --> Vocht["Vocht"]
Vocht --> outH["out H"]
outH --> GND
GND --> Tnc["ntc"]
GND --> M["OUT H"]
Tnc --> G["NTC"]
M["OUT H"] --> GND
GND --> GND
GND --> Vocht
end
subgraph Outputs
N4 --> G["NTC"]
G --> GND
GND --> outH
outH --> GND
GND --> Vocht
Vocht --> outH
outH --> GND
GND --> Tnc
GND --> M["OUT H"]
M["OUT H"] --> GND
GND --> Vocht
end
style Inputs fill:#f9f,stroke:#333
style Outputs fill:#ccf,stroke:#333
3.6 Legende
A1 Draadbrug, moet worden geplaatst, wanneer er geen contactor afsluiting nodig is
A2 Draadbrug, moet bij gebruik van de 2e blokkeringsingang worden verwijderd
A4 Draadbrug, moet bij gebruik van een motorbeveiligingscontact voor de compressor worden verwijderd Open draadbruggen of contacten betekenen dat er sprake van een blokkering of storing is
B3* Thermostaat warm water
B4* Thermostaat zwembadwater
E1 Oliebakverwarming
E3 Pressostaat stop ontdooiing
E5 Condensatiedruk-pressostaat
E9* Elektr. dompelverwarmingselement warm water
E10* 2. Warmtebron (ketel of elekt. verwarmingselement)
E13* 2. Koelgenerator
F2 Lastzekering voor N1-relaisuitgangen op J13 4,0 ATr
F3 Lastzekering voor N1-relaisuitgangen op J15 tot J18 op N1 en J12 op N2 4,0 ATr
F4 Pressostaat hoge druk
F5 Pressostaat lage druk
F7 Thermostaat heel gas
F23 Thermocontact ventilator
H5 Lampje storingsaanduiding op afstand
J1...J18 Klemmenverbinder op N1 (verwarmingsregelaar)
J1...J15 Klemsteekverbinder op N2 (verwarmingsregelaar)
K1 Veiligheidsschakelaar compressor M1
K2 Veiligheidsschakelaar ventilator M2
K20* Veiligheidsschakelaar voor E10
K21* Veiligheidsschakelaar voor E
K22* Contactor afsluiting elektriciteitsmaatschappij
K23* SPR hulprelais
K28* Aanvraag koelmodus
M1 Compressor
M2 Ventilator
M13* Verwarmings-circulatiepomp hoofdkring
M14* Verwarmingscirculatiepomp 1ste verwarmingskring
M15* Verwarmings-circulatiepomp 2de verwarmings-
M16* Bijkomende circulatiepomp
M18* Warmwater-circulatiepomp
M19* Zwembadwater-circulatiepomp
M21* Mengkraan hoofdkring
M22* Mengkraan 2de verwarmingskring
N1 Verwarmingsregelaar
N2 Koelregelaar
N3/N4* Toestellen voor de dauwpuntregeling
N5* Dauwpuntbewaker
N7 Softstartbesturing
N9* Kamerthermostaat
N14* Besturingspaneel
R1* Buitentemperatuurvoeler
R2 Terugloopvoeler
R3* Warmwatervoeler (alternatief voor warmwaterthermostaat)
R5* Voeler voor 2de verwarmingskring
R6 Voeler ter beveiliging tegen bevriezen
R7 Codeerweerstand 28k7
R8 Vorstbeveiligingsvoeler koelen
R10.1*- Vochtvoeler voor N5 (maximaal 5 voelers)
R10.5*
T1 Veiligheidsscheidingstransformator 230/24V AC-50VA
Y1 Vierweg-omschakelventiel
X1 Klemmenblok vermogenstoevoer 3L/N/PE - 400VAC \~50Hz
X2 Klemmenblok stuurspanning L/N/PE - 230V \~50Hz
X3 Klemmenblok laagspanning Afkortingen:
EVB Ingang afsluiting elektriciteitsmaatschappij
SPR Extra blokkeringsingang
MA* Mengkraan open
MZ Mengkraan dicht
* Componenten dienen extern beschikbaar te wor-
---- Kan desgewenst door de klant worden aangesloten —— Klaar bedraad
4.1 Schematische afbeelding

flowchart
graph TD
A["EV"] --> B["N1-N010 (E9)"]
B --> C["KW"]
C --> D["N1-B3 (R3)"]
D --> E["WW"]
E --> F["③"]
F --> G["N1-N06 (M18)"]
G --> H["N2-N02 (M19)"]
H --> I["④"]
I --> J["N1-N05 (M13)"]
J --> K["②"]
K --> L["⑤"]
L --> M["N1-B1 (R1)"]
M --> N["T"]
N --> O["R2) T"]
N --> P["R9) T"]
Q["N1-N01 (M14)"] --> R["N1-N011 (M15)"]
R --> S["N1-N012/N013 (MA/MZ M22)"]
S --> T["TC"]
T --> U["TC"]
U --> V["N1-B6 (R5)"]
V --> W["N1-N04 (E10)"]
W --> X["①"]
X --> Y["R2) T"]
X --> Z["R9) T"]
4.2 Legende

Afsluitventiel

Overstroomventiel

Veiligheidsklepcombinatie

Circulatiepomp

Expansievat

Door ruimtetemperatuur gestuurd ventiel

Afsluitventiel met terugslagklep

Afsluitventiel met ontwatering

Warmteverbruiker

Driewegmengkraan

Temperatuurvoeler

Flexibele aansluitslang
①
Warmtepomp
②
Bufferopslagvat
③
Waterverwarmer
④
Warmtewisselaar zwembad
⑤
Stroomdistributie
E9 Dompelverwarmingselement warm water
E10 2de warmtebron
M13 Verwarmings-circulatiepomp
M14 Circulatiepomp voor verwarmings- en koelmodus (elektronisch geregeld)
M15 Verwarmingspomp 2de verwarmings- kring (elektronisch geregeld)
M18 Warmwater-circulatiepomp
M19 Zwembadpomp
N1 Standaardregelaar (met display)
N2 Koelregelaar (zonder display)
R1 Buitenvoeler
R2 Terugloopvoeler (geïntegreerd)
R3 Warmwatervoeler
R5 Terugloopvoeler 2de verwarmingskring
R9 Vertrekvoeler
5 Conformiteitsverklaring
CE
EG - Konformitätserklärung EC Declaration of Conformity Déclaration de conformité CE
©
Der Unterzeichnete
The undersigned