LIK 8MER - Waterpomp DIMPLEX - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis LIK 8MER DIMPLEX in PDF-formaat.
| Type | Lucht/water-warmtepomp, omkeerbaar (verwarmen/koelen) |
| Model | LIK 8MER |
| Merk | Dimplex |
| Afmetingen (H x B x D) | 190 x 75 x 68 cm |
| Gewicht (incl. verpakking) | 250 kg |
| Beschermingsgraad | IP 20 |
| Nominale spanning / zekering | 230 V / 20 A |
| Verwarmingsvermogen bij A7/W35 | 9,3 kW (COP 3,9) |
| Verwarmingsvermogen bij A-7/W35 | 5,8 kW (COP 2,7) |
| Koelvermogen bij A35/W7 | 7,0 kW (COP 2,0) |
| Koelmiddel / vulgewicht | R404A / 3,3 kg |
| Smeermiddel / hoeveelheid | Polyolester (POE) / 1,5 l |
| Geluidsvermogen (binnen/buiten) | 53 / 60 dB(A) |
| Geluidsdruk op 1 m (binnen) | 48 dB(A) |
| Luchtdebiet (bij ext. stat. druk 20 Pa) | 2500 m³/h |
| Verwarmingswaterdebiet (intern drukverschil) | 0,8 m³/h bij 2700 Pa tot 1,6 m³/h bij 11900 Pa |
| Vrije opvoerhoogte circulatiepomp (max.) | 45000 Pa (verwarmen), 37000 Pa (koelen) |
| Inhoud buffervat | 50 l |
| Inhoud expansievat | 24 l (voordruk 1,0 bar) |
| Aansluitingen verwarming | 1" buitendraad (flexibele slangen meegeleverd) |
| Luchtaansluiting (binnenaanzicht) | 44 x 44 cm |
| Transportkanteling max. | 45° in elke richting |
| Ontdooiing | Automatisch (omkering kringloop) |
| Extra verwarmingselement | 2 kW (tweede warmtebron) |
| Toepassingsgebied verwarmen | Mono-energetisch/bivalent tot -20 °C buitentemperatuur |
| Toepassingsgebied koelen | +15 °C tot +40 °C buitentemperatuur |
| Watertemperatuurbereik verwarmen | Vertrek tot 58 °C, terugloop vanaf 18 °C |
| Watertemperatuurbereik koelen | Vertrek +7 °C tot +20 °C |
Veelgestelde vragen - LIK 8MER DIMPLEX
Gebruikersvragen over LIK 8MER DIMPLEX
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Waterpomp in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding LIK 8MER - DIMPLEX en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. LIK 8MER van het merk DIMPLEX.
GEBRUIKSAANWIJZING LIK 8MER DIMPLEX
Montage- en gebruiksaanwijzing

Reversibele lucht/water-warmtepomp voor installatie binnen
Inhoudsopgave
1 Direct lezen a.u.b. NL-2
1.1 Belangrijke aanwijzingen ....NL-2
1.2 Wettelijke voorschriften en regels....NL-2
1.3 Energiebesparend gebruik van de warmtepomp ....NL-2
2 Gebruiksdoeleinde van de warmtepomp ....NL-3
2.1 Toepassingsgebied....NL-3
2.2 Werkwijze ....NL-3
7 Inbedrijfstelling.... NL-7
7.1 Algemeen....NL-7
7.2 Voorbereiding ....NL-7
7.3 Werkwijze bij inbedrijfstelling....NL-7
8 Reiniging / onderhoud ....NL-8
8.1 Onderhoud....NL-8
8.2 Reiniging verwarmingsgedeelte....NL-8
8.3 Reiniging luchtzijde....NL-9
9 Storingen / storingsdiagnose...... NL-9
10 Buitenbedrijfstelling / verwijdering ....NL-9
11 Toestelinformatie ....NL-10
Bijvoegsel A-I
1 Direct lezen a.u.b.
1.1 Belangrijke aanwijzingen

OPGELET!
Het apparaat is niet voor frequentie-omzetting geschikt.

OPGELET!
De warmtepomp mag bij het transport max. 45° worden gekanteld (in iedere richting).

OPGELET!
Warmtepomp en transportpallet zijn alleen door de verpakkingsfolie met elkaar verbonden.

OPGELET!
Het aanzuig- en uitblaasbereik mag niet beperkt of geblokkeerd worden.

OPGELET!
Bij verwarmingskringen met een groot volume moet het ingebouwde expansievat (24 liter, 1,0 bar voordruk) met een extra vat worden uitgebreid.

OPGELET!
Gebruik geen zand-, soda-, zuur- of chloorhoudende schoonmaakmiddelen, omdat deze het oppervlak aantasten.

OPGELET!
Om afzettingen in de condensor van de warmtepomp te voorkomen (b.v. roest) wordt aanbevolen, een geschikt systeem als corrosiebescherming te gebruiken.

OPGELET!
Alvorens het toestel te openen, dienen alle stroomkringen vrij van spanning te zijn.

OPGELET!
Werkzaamheden aan de warmtepomp dienen uitsluitend door een bevoegde en vakkundige serviceafdeling uitgevoerd te worden.
1.2 Wettelijke voorschriften en regels
De constructie en uitvoering van de warmtepomp voldoen aan alle overeenkomstige EG-richtlijnen (zie CE-conformiteitsverklaring).
Bij de elektrische aansluiting van de warmtepomp dienen de overeenkomstige EN- en IEC-normen evenals de nationale richtlijnen te worden nageleefd. Bovendien moeten de aansluitvoorwaarden van de energievoorzieningsbedrijven in acht genomen worden.
Bij het aansluiten van het verwarmings- resp. koelsysteem dienen de betreffende voorschriften opgevolgd te worden.
Personen, meer bepaald kinderen, die wegens hun fysieke, zintuiglijke of mentale vaardigheden of wegens hun gebrek aan kennis of ervaring niet in staat zijn, het toestel op een veilige manier te gebruiken, mogen dit toestel niet zonder toezicht of instructies vanwege een verantwoordelijke persoon gebruiken.
Kinderen niet zonder toezicht laten om zeker te zijn dat ze niet met het toestel spelen.
1.3 Energiebesparend gebruik van de warmtepomp
Door het aanschaffen van deze warmtepomp draagt u bij tot de ontlasting van ons milieu. De voorwaarde voor een energiebesparende werking is de juiste dimensionering van de warmtebron- en warmtegebruiks- resp. koelinstallatie.
Het is van groot belang voor de effectiviteit van een verwarmingswarmtepomp dat het temperatuurverschil tussen verwarmingswater en warmtebron zo gering mogelijk gehouden wordt. Daarom is een zorgvuldige dimensionering van de warmtebron en de verwarmingsinstallatie dringend aan te bevelen. Een temperatuurverschil van meer dan één Kelvin (één °C) leidt tot een stijging van het stroomverbruik van ca. 2,5 %. Let erop dat bij het dimensioneren van de verwarmingsinstallatie ook rekening gehouden moet worden met speciale lasten, zoals de warmwaterbereiding, en dat deze ook voor lagere temperaturen gedimensioneerd worden. Een vloerverwarming (verwarming van oppervlakken) is door lagere vertrektemperaturen van (30 °C tot 40 °C) optimaal geschikt voor het gebruik van een warmtepomp.
Tijdens het gebruik dient een verontreiniging van de warmtewisselaars te worden voorkomen, omdat hierdoor het temperatuurverschil verhoogd wordt, met een lagere vermogencoëfficiënt (COP) als gevolg.
Een aanzienlijke bijdrage tot energiebesparend gebruik wordt ook geleverd door de warmtepompregelaar indien deze op de juiste manier is ingesteld. Meer aanwijzingen hieromtrent vindt u in de gebruiksaanwijzing van de warmtepompregelaar.
In de warmtepomp is een overloopmogelijkheid aangebracht om een te gering waterdebiet in de warmtepomp te voorkomen.
Het ingebouwde bufferopslagvat verhoogt de hoeveelheid water in de verwarmingskring en waarborgt een betrouwbare ontdooiing.
2 Gebruiksdoeleinde van de warmtepomp
2.1 Toepassingsgebied
De lucht-water-warmtepomp kan in aanwezige of nieuw te plaatsen verwarmingsinstallaties gebruikt worden.
De warmtepomp is uitsluitend ontworpen voor het verwarmen en koelen van verwarmingswater!
De warmtepomp in de verwarmingsmodus is geschikt voor de mono-energetische en bivalente werking tot een buitenluchttemperatuur van -20 °C.
Bij continu werking moet een teruglooptemperatuur van het warme water van meer dan 18 °C aangehouden worden om probleemloos ontdooien van de verdamper te waarborgen.
De warmtepomp is niet ontworpen voor de verhoogde warmtebehoefte tijdens het drogen na de bouw. Daarom moet in de extra warmtebehoefte met speciale apparaten ter plaatse worden voorzien. Voor het drogen na de bouw in de herfst of in de winter is het raadzaam een extra verwarmingselement (als accessoire verkrijgbaar) te installeren.
In de koelmodus is de warmtepomp voor luchttemperaturen van +15 °C ... +40 °C geschikt.
De pomp kan voor stille en dynamische koeling worden gebruikt. De minimale watertemperatuur is +7 °C.

OPGELET!
Het apparaat is niet voor frequentie-omzetting geschikt.
2.2 Werkwijze
Verwarmen
Buitenlucht wordt door de ventilator aangezogen en door de verdamper (warmtewisselaar) gevoerd. De verdamper koelt de lucht af, d.w.z. hij onttrekt er de warmte aan. De gewonnen warmte wordt in de verdamper op de werkvloeistof (koelmiddel) getransfereerd.
Met behulp van een elektrisch aangedreven compressor wordt de opgenomen warmte door drukverhoging op een hoger temperatuurniveau „gepompt“ en via de condensor (warmtewisselaar) aan het verwarmingswater afgegeven.
Daarbij wordt de elektrische energie gebruikt om de warmte van de omgeving op een hoger temperatuurniveau te brengen. Omdat de aan de lucht onttrokken energie naar het water getransfereerd wordt om het te verwarmen, wordt dit apparaat ook lucht-water-warmtepomp genoemd.
De lucht-water-warmtepomp bestaat uit de hoofdcomponenten verdamper, ventilator en expansieventiel evenals de geluidsarme compressor, de condensor en de elektrische besturing.
Bij lage omgevingstemperaturen verbindt zich luchtvochtigheid als rijp met de verdamper en belemmert de warmteoverdracht. Indien nodig, wordt de verdamper automatisch door de warmtepomp ontdood. Afhankelijk van het weer kunnen daarbij stoomwolken bij de luchtuitlaat ontstaan.
Koelen
In de bedrijfsmodus „Koelen“ worden de verdamper en condensor in hun werkwijze omgekeerd.
Het verwarmingswater staat via de nu als verdamper werkende condensor de warmte aan het koelmiddel af. Met de compressor wordt het koelmiddel op een hogere temperatuur gebracht; via de condensor (in de verwarmingsmodus verdamper) wordt de warmte aan de omgevingslucht afgegeven..
3 Leveringsomvang
3.1 Basisapparaat
De warmtepomp is uitgevoerd in een compacte constructiewijze en bevat reeds belangrijke componenten van de verwarmingskringloop:
■ Expansievat
■ Verwarmings-circulatiepomp
■ Overstroomventiel en veiligheidsmodule (overdrukventiel, manometer)
Als koelmiddel wordt R404A gebruikt.

Het schakelkastje bevindt zich in de warmtepomp. Na afname van de onderste frontplaat is het toegankelijk.
Het schakelkastje bevat de aansluitklemmen voor het stroomnet, de vermogencontactoren, de softstart-eenheid en de warmtepompmanager.
De warmtepompregelaar is een comfortabel elektronisch regelen besturingsapparaat. Hij stuurt en bewaakt de hele verwarmings- resp. koelinstallatie, afhankelijk van de buitentemperatuur, de warmwaterbereiding en de veiligheidstechnische voorzieningen.
De ter plaatse aan te brengen buitentemperatuurvoeler incl. bevestigingsmateriaal wordt met de regelaar meegeleverd.
Het functioneren en het gebruik van de warmtepompregelaar wordt in de bijgeleverde gebruiksaanwijzing beschreven.
3.3 Bijartikelen
Inhoud:
2 x afdichtingsring voor kanaalaansluiting
3 x aansluitslang 1"
3 x dubbele nippel 1"
6 x vlakke pakking 1"
1 x stop 1"
1 x slangtuit vul- en aftapkraan
2 x bevestigingshoekstuk
2 x plug 10 mm
2 x SHR 8x80
4 x SHR M4x8
1 x buitentemperatuurvoeler
1 x plug 6 mm
1 x SHR 4,5x50
4 Transport
OPGELET!
De warmtepomp mag bij het transport max. 45° worden gekanteld (in iedere richting).
De pomp dient op een transportpallet naar de plaats van opstelling te worden getransporteerd. Het basistoestel biedt enerzijds de transportmogelijkheid met een handpalletwagen, steekwagen o.i.d. of door middel van 3/4" buizen, die door openingen in de grondplaat of in het frame geleid worden.

Warmtepomp en transportpallet zijn alleen door de verpakkingsfolie met elkaar verbonden.
Voor het gebruik van de transportgaten in het frame is het noodzakelijk de onderste delen aan de voorkant eraf te nemen. Daartoe worden telkens twee schroeven op de sokkel losgedraaid en de platen worden er door terugtrekken aan de bovenkant uitgenomen. Bij het aanbrengen van de platen moeten deze met lichte druk naar boven toe geschoven worden.

Openen van het deksel Sluiten van het deksel
5 Plaatsing
5.1 Algemeen
De warmtepomp is voor de installatie in een hoek ontworpen. In verbinding met een luchtkanaal (als accessoire verkrijgbaar) aan de uitblaaszijde zijn ook andere opstellingen mogelijk.
Het apparaat dient in binnenruimtes op een effen, glad en horizontaal oppervlak te worden geplaatst. Daarbij moet het frame rondom dicht bij de grond liggen om een passende geluidsisolatie te garanderen. Is dat niet het geval, kunnen extra geluiddempende maatregelen noodzakelijk zijn.
De warmtepomp moet zo zijn opgesteld, dat service aan het apparaat probleemloos kan worden uitgevoerd. Dit is gewaarborgd, indien er een afstand van ca. 1 m voor en links van de warmtepomp gerespecteerd wordt. De zijdelen mogen niet door aansluitleidingen zijn bedekt.

Het apparaat dient nooit in ruimtes met een hoge luchtvochtigheid te worden geplaatst. Bij een luchtvochtigheid van meer dan 50 % en buitentemperaturen onder 0 °C kan op de warmtepomp en de luchtgeleiding condensaat ontstaan.
Bij installatie van de warmtepomp op een bovenverdieping moet het draagvermogen van de zoldering gecontroleerd worden en om akoestische redenen de trillingsontkoppeling zeer zorgvuldig worden gepland. Plaatsing op een houten zoldering is onacceptabel.
5.2 Condensaatleiding
Het bij het gebruik ontstane condenswater dient vorstvrij te worden afgevoerd. De warmtepomp dient horizontaal te worden geplaatst, zodat het water goed kan afvloeien. De condenswaterbuis moet minstens een diameter van 50 mm hebben en moet vorstvrij in de afvoerleiding worden geleid. Condenswater niet direct in bezinkvijvers en putten leiden, omdat opstijgende agressieve dampen de verdamper kunnen vernielen.
5.3 Geluid
Om geluidsoverdracht in het verwarmingssysteem te voorkomen moet de warmtepomp trillingarm met het verwarmingssysteem worden verbonden (meegeleverde slangaansluitingen spanningsvrij monteren).
Eventueel gebruikte luchtkanalen moeten geluidstechnisch van de warmtepomp worden losgekoppeld om geluidsoverdracht op de kanalen te voorkomen.
Bij directe aansluiting van beide luchtopeningen in een wanddoorvoer kan de aansluiting van de ventilator van driehoekop sterschakeling worden omgelegd (zie daartoe de aanwijzingen in de klemkast van de ventilator).
6 Montage
6.1 Algemeen
De warmtepomp is voorzien van de volgende aansluitingen:
■ Toevoer-/afvoerlucht
■ Vertrek/terugloop van de verwarmingsinstallatie
Condenswaterafvoer
■ Afvoer van het overdrukventiel
■ Stroomvoorziening
6.2 Luchtaansluiting
OPGELET!
Het aanzuig- en uitblaasbereik mag niet beperkt of geblokkeerd worden.
De aanzuigopening van het apparaat is uitsluitend voor de directe aansluiting op een gat in de muur ontworpen. Het gat in de muur kan daartoe als in het bijvoegsel onder inbouwmaten afgebeeld, met luchtkanaal en afdichtingsmanchet worden voorbereid.
De als accessoires aangeboden luchtkanalen van glasvezelbeton zijn bestand tegen vocht en staan open voor diffusie.
De afdichtingsmanchet wordt voor de afdichting van de luchtkanalen op de warmtepomp gebruikt. De luchtkanalen zelf worden niet direct aan de warmtepomp vastgeschroefd. In gebruiksklare staat maakt uitsluitend het afdichtingsrubber contact met de warmtepomp. Daardoor wordt enerzijds een gemakkelijke montage en demontage van de warmtepomp gewaarborgd en anderzijds een goede loskoppeling van het constructiegeluid bereikt.

Verder dient erop gelet te worden dat het gat in de muur aan binnenzijde beslist met een thermische isolatie bekleed wordt, om volledige afkoeling resp. doorslaand vocht in het muurwerk te voorkomen. Het bijgevoegde bevestigingsmateriaal kan voor het bevestigen aan de wand worden gebruikt.

De uitblaasopening kan naar keuze direct bij het gat in de muur of op een langer kanaal (accessoire) gemonteerd worden. Daarbij moet te werk gegaan worden als voor de aanzuigzijde is beschreven.
Bij het gebruik van een opgeflensd luchtkanaal aan de uitblaaszijde wordt dit met 4 zeskantbouten M8x16 op de voorziene schroefgaten bevestigd. Daarbij dient erop gelet te worden dat beide luchtkanaalaansluitingen uitsluitend met de isolatie en niet met het apparaat in contact komen.

De in het schema vermelde buiten- en binnenafmetingen moeten gerespecteerd worden. Bovendien moet op een passende trillingsontkoppeling en kanaalisolatie gelet worden.
6.3 Aansluiting aan verwarming
Voor de aansluiting op het verwarmingssysteem zijn bij de warmtepomp flexibele slangaansluitstukken en dubbele nippels met 1" buitendraad bijgevoegd. Daardoor is naar keuze een schroefdraadverbinding of vlakke verbinding met het verwarmingssysteem mogelijk.
Is er geen warmwaterverwarming door de warmtepomp voorzien, dan moet de warmwateruitgang permanent met de bijgevoegde afdichtstop worden afgedicht.
Voor het warmwaterzijdige aansluiten van de warmtepomp dient de verwarmingsinstallatie doorgespoeld te worden, om mogelijk vuil, resten van isolatiemateriaal etc. te verwijderen. Wanneer de condensor door resten en vervuiling verstopt raakt, kan dit tot uitval van de warmtepomp leiden.
Voor installaties met een afsluitbare verwarmingswaterdoorlaat, afhankelijk van radiator- resp. thermostaatventielen, is een overstroomventiel ingebouwd. Dit verzekert een minimale doorstroming van warm water door de waterpomp en voorkomt storingen.
Na installatie van de verwarming dient het verwarmingssysteem te worden gevuld, ontlucht en onder druk te worden gezet.
Het geïntegreerde expansievat heeft een volume van 24 liter. Dit volume is geschikt voor gebouwen met een verwarmde woonruimte tot maximaal 200 m².
Het volume moet door degene die de installatie plant worden gecontroleerd. Er moet eventueel een extra expansievat worden geïnstalleerd (volgens DIN 4751 deel 1). Tabellen catalogussen van fabrikanten vereenvoudigen het dimensioneren naar waterinhoud van de installatie. Voor de berekening moet rekening gehouden worden met een bufferopslagvolume van 80 liter.
OPGELET!
Bij verwarmingskringen met een groot volume moet het ingebouwde expansievat (24 liter, 1,0 bar voordruk) met een extra vat worden uitgebreid.
Vorstbeveiliging
Warmtepompen, die aan vorst blootstaan, dienen met de hand te worden geleegd (zie afbeelding). Indien de regelaars en de verwarmings-circulatiepomp bedrijfsklaar zijn, werkt de vorstbeveiliging van de regelaar. Bij buitenbedrijfstelling van de warmtepomp of bij stroomuitval moet de installatie worden geleegd. Bij warmtepompsystemen waarbij stroomuitval niet herkend kan worden (vakantiehuis), moet de verwarmingskring met een geschikte vorstbeveiliging worden gebruikt.

6.4 Elektrische aansluiting
De spanningsvoorziening en stuurspanning verlopen via conventionele leidingen (last: 3-aderig, sturing: 3-aderig).
De spanningsvoorziening dient van een afschakeling met tenminste 3 mm contactopeningsafstand (b.v. een veiligheidsschakelaar van de elektriciteitsmaatschappij), evenals een 1-polige vermogensschakelaar te worden voorzien (uitschakelstroom volgens toestelinformatie).
De stuurspanning moet met 10 A worden beveiligd. Voor detailinformatie zie bijvoegsel Elektrische schema's.
7 Inbedrijfstelling
7.1 Algemeen
Voor een inbedrijfstelling volgens de voorschriften dient deze door een door de fabriek bevoegde serviceafdeling uitgevoerd te worden. Onder bepaalde voorwaarden is daarmee een verlenging van de garantie verbonden (verg. garantievergoeding). De inbedrijfstelling dient in de verwarmingsmodus te worden uitgevoerd.
7.2 Voorbereiding
Vóór de inbedrijfstelling dienen de volgende punten gecontroleerd te worden:
Alle aansluitingen van de warmtepomp dienen gemonteerd te zijn (zie hoofdstuk 6).
In de verwarmingskring moeten alle kranen, die de correcte stroming van het verwarmingswater zouden kunnen belemmeren, geopend zijn.
■ De luchtinlaat en luchtuitlaat moeten vrij worden gehouden.
- De draairichting van de ventilator moet overeenstemmen met de pijlrichting.
De warmtepompregelaar moet volgens de bijbehorende gebruiksaanwijzing op het verwarmingssysteem zijn afgestemd.
■ Het condenswater moet ongehinderd kunnen aflopen.
- De afvoer van het verwarmingswateroverdrukventiel moet zijn gewaarborgd.
■ Ontluchting van de verwarmingsinstallatie:
Zorg ervoor dat alle verwarmingskringlopen open zijn; ook moet de verwarmings-circulatiepomp in werking (niveau III) zijn.
De warmtepompregelaar onder spanning zetten. De bedrijfsmodus van de tweede warmtebron kiezen, het systeem op de hoogste plaats ontluchten, evt. water bijvullen (minimale statische druk in acht nemen).
7.3 Werkwijze bij inbedrijfstelling
De inbedrijfstelling van de warmtepomp verloopt via de warmtepompregelaar. De instellingen moeten overeenkomstig de handleiding ervan worden uitgevoerd.
Het vermogensniveau van de circulatiepomp moet op het verwarmingssysteem worden afgestemd.
De instelling van het overstroomventiel moet aan de verwarmingsinstallatie worden aangepast. Een verkeerde instelling kan tot foutieve werking en een verhoogde elektrische energiebehoefte leiden. Om het overstroomventiel goed in te stellen, adviseren wij als volgt te handelen:
Sluit alle verwarmingskringen, die ook bij een werkende installatie afhankelijk van het gebruik gesloten kunnen zijn, zodat het waterdebiet in deze bedrijfsstand zo ongunstig mogelijk is. Dit zijn doorgaans de verwarmingskringen in de ruimten aan de zuid- en westkant. Er moet minimaal één verwarmingskring geopend blijven (b.v. bad).
Het overstroomventiel moet zo ver worden geopend, dat bij de actuele warmtebrontemperatuur het in de onderstaande tabel aangegeven maximale temperatuurverschil tussen verwarmingsvertrek en -terugloop ontstaat. Het temperatuurverschil moet zo dicht mogelijk bij de warmtepomp worden gemeten. Bij mono-energetische installaties moet het verwarmingselement gedeactiveerd worden.
| Warmtebron-temperatuurvan tot | Max. temperatuurverschiltussen verwarmingsvertrek en - terugloop |
| -20 °C -15 °C 4 K | |
| -14 °C -10 °C 5 K | |
| -9 °C -5 °C 6 K | |
| -4 °C 0 °C 7 K | |
| 1 °C 5 °C 8 K | |
| 6 °C 10 °C 9 K | |
| 11 °C 15 °C | 10 K |
| 16 °C 20 °C | 11 K |
| 21 °C 25 °C | 12 K |
| 26 °C 30 °C | 13 K |
| 31 °C 35 °C | 14 K |
Storingen bij een werkende installatie worden ook op de warmtepompregelaar weergegeven en kunnen, zoals in de gebruiksaanwijzing van de warmtepompregelaar is beschreven, worden verholpen.
Bij buitentemperaturen lager dan 10 °C verwarmingswatertemperaturen lager dan 16 °C moet het bufferopslagvat met de tweede warmtebron tot minimaal 25 °C worden verwarmd.
Het volgende verloop moet worden gerespecteerd om de inbedrijfstelling storingsvrij te realiseren:
1) Sluit alle verwarmingskringen.
2) Zet het overstroomventiel helemaal open.
3) Kies de auto-modus op de regelaar.
4) Wacht tot het bufferopslagvat een temperatuur van minimaal 25 °C heeft bereikt.
5) Vervolgens worden de afsluitventielen van de verwarmingskringen achtereenvolgens weer langzaam geopend en wel dusdanig dat het waterdebiet door langzaam openen van de betreffende verwarmingskring constant verhoogd wordt. De temperatuur van het verwarmingswater in het bufferopslagvat mag daarbij niet onder de 20 °C zakken, om ontdooien van de warmtepomp te allen tijde mogelijk te maken.
6) Wanneer alle verwarmingskringen volledig zijn geopend en een verwarmingswatertemperatuur in het bufferopslagvat van ca. 20 °C aangehouden wordt, moet de minimale volumestroom op het overstroomventiel en de verwarmingscirculatiepomp worden ingesteld.
7) Nieuwbouw heeft wegens de benodigde energie voor het drogen na de bouw een verhoogde warmtebehoefte. Deze verhoogde warmtebehoefte kan ertoe leiden dat een krap gedimensioneerde verwarmingsinstallatie de gewenste kamertemperatuur niet altijd bereikt. Daarom wordt aanbevolen, in dat geval de tweede warmtebron in de eerste verwarmingsperiode bedrijfsklaar te houden. Daartoe moet de grenstemperatuur op de warmtepompregelaar omhooggezet worden naar 15 °C.
8 Reiniging / onderhoud
8.1 Onderhoud
Let erop dat geen voorwerpen aan het toestel geleund of erop gelegd worden, om de lak niet te beschadigen. De buitendelen van de warmtepomp kunnen met een vochtige doek en met gewone schoonmaakmiddelen behandeld worden.
OPGELET!
Gebruik geen zand-, soda-, zuur- of chloorhoudende schoonmaakmiddelen, omdat deze het oppervlak aantasten.
Om storingen door vuil in de warmtewisselaar van de warmtepomp te voorkomen, moet ervoor worden gezorgd dat er geen vuil in de warmtewisselaar van het verwarmingssysteem kan komen. Om de verdamper te beschermen is een vogelrooster met minimaal 80 % vrije doorsnede in het aanzuigkanaal raadzaam. Indien zich nochtans bedrijfsstoringen door vervuiling voordoen, moet de installatie schoongemaakt worden zoals hieronder beschreven.
8.2 Reiniging verwarmingsgedeelte
Vooral bij het gebruik van stalen componenten kunnen er oxidatieproducten (roest) door zuurstof in de warmwaterkringloop ontstaan. De roest komt via ventielen, circulatiepompen of kunststof buizen in het verwarmingssysteem terecht. Daarom dient er - vooral bij de buizen van de vloerverwarming - op een diffusiedichte installatie gelet te worden.
OPGELET!
Om afzettingen in de condensor van de warmtepomp te voorkomen (b.v. roest) wordt aanbevolen, een geschikt systeem als corrosiebescherming te gebruiken.
Ook resten van smeer- en afdichtingsmiddelen kunnen het warme water vervuilen.
Indien de vervuiling zo groot is, dat het vermogen van de condensor in de warmtepomp vermindert, moet een installateur de installatie reinigen.
Volgens de huidige stand van kennis adviseren wij om te reinigen met een fosforzuur van 5% of, indien er vaker moet worden gereinigd, met een mierenzuur van 5%.
In beide gevallen moet de reinigingsvloeistof op kamertemperatuur zijn. Het is raadzaam, de warmtewisselaar tegen de normale doorstroomrichting in uit te spoelen.
Om te voorkomen, dat zuurhoudend reinigingsmiddel in de kringloop van de verwarmingsinstallatie terechtkomt, raden wij aan het spoelapparaat direct op het vertrek en de terugloop van de condensor van de warmtepomp aan te sluiten.
Daarna moet er met geschikte, neutraliserende middelen nogmaals grondig gespoeld worden, zodat beschadigingen door eventueel in het systeem achtergebleven resten van een reinigingsmiddel worden voorkomen.
De zuren moeten voorzichtig worden gebruikt en de desbetreffende voorschriften moeten in acht genomen worden.
In geval van twijfel moet met de fabrikant van het reinigingsmiddel worden overlegd!
De ontwatering van het bufferopslagvat verloopt via de vul- en aftapkraan linksonder op het apparaat. Bovendien moet de kogelkraan op het drukexpansievat geopend worden om luchttoevoer naar het bufferopslagvat mogelijk te maken.
8.3 Reiniging luchtzijde
De luchtkanalen, verdamper, ventilator en condenswaterafvoer moeten voor het begin van het stookseizoen worden gereinigd (bladeren, twijgen etc.). Daartoe moet de warmtepomp aan de linker zijde en aan de voorkant eerst aan de onderkant en dan aan de bovenkant worden geopend.
OPGELET!
Alvorens het toestel te openen, dienen alle stroomkringen vrij van spanning te zijn.
Het wegnemen en plaatsen van de delen aan de voorkant wordt uitgevoerd als beschreven in hoofdstuk 4.
Gebruik voor het schoonmaken geen scherpe of harde voorwerpen, om de verdamper en de condenswaterbak niet te beschadigen.
9 Storingen / storingsdiagnose
Deze warmtepomp is een kwaliteitsproduct, dat onder normale omstandigheden storings- en onderhoudsvrij werkt. Als er toch een keer een storing optreedt, wordt dit op het display van de warmtepompmanager weergegeven. Zie hiertoe de pagina Storingen en Storingsdiagnose in de gebruiksaanwijzing van de warmtepompmanager. Wanneer u de storing niet zelf kunt verhelpen, waarschuw dan de bevoegde serviceafdeling.
OPGELET!
Werkzaamheden aan de warmtepomp dienen uitsluitend door een bevoegde en vakkundige serviceafdeling uitgevoerd te worden.
10 Buitenbedrijfstelling / verwijdering
Alvorens de warmtepomp te demonteren, dient de machine spanningsvrij en alle kleppen afgesloten te zijn. Milieurelevante eisen m.b.t. terugwinning, recyclage en afvoer van afvalstoffen en componenten volgens gebruikelijke normen dienen te worden nageleefd. Dit geldt in het bijzonder voor het vakkundig verwijderen van het koelmiddel en de koelolie.
11 Toestelinformatie
| 1 Technische en commercièle benaming | LIK 8MER | |||
| 2 Bouwvorm | ||||
| 2.1 Uitvoering Compact | ||||
| 2.2 Beschermingsgraad volgens EN 60 529 voor compact toestel resp. verwarmingsdeel | IP 20 | |||
| 2.3 Plaats van opstelling Binnen | ||||
| 3 Vermogengegevens | ||||
| 3.1 Temperatuur-gebruiksgrenzen: | ||||
| Verwarmingswater-vertrek/ -terugloop °C / °C tot 58 / vanaf 18 | ||||
| Koelen, vertrek °C +7 tot +20 | ||||
| Lucht (verwarmen) °C -25 tot +35 | ||||
| Lucht (koelen) °C +15 tot +40 | ||||
| 3.2 Temperatuurverschil verwarmingswater bij A7 / W35 | 10,0 | 5,0 | ||
| 3.3 Verwarmingsvermogen/ vermogencoëfficiënt (COP) | bij A-7 / W351 | kW / --- | 5,8 / 2,7 | 5,5 / 2,6 |
| bij A-7 / W451 | kW / --- | 5,4 / 2,1 | ||
| bij A2/ W351 | kW / --- | 7,5 / 3,3 | 7,4 / 3,2 | |
| bij A7/ W351 | kW / --- | 9,3 / 3,9 | 9,2 / 3,8 | |
| bij A7/ W451 | kW / --- | 8,8 / 3,2 | ||
| bij A10 / W351 | kW / --- | 9,8 / 4,1 | 9,7 / 4,0 | |
| 3.4 Temperatuurverschil koelwater | bij A35 / W7 | K | 7,5 | 5,0 |
| 3.5 Koelvermogen/ vermogencoëfficiënt (COP) | bij A27/ W7 | kW / --- | 7,9 / 2,7 | 7,9 / 2,6 |
| bij A27/ W18 | kW / --- | 9,6 / 3,2 | 9,6 / 3,2 | |
| bij A35/ W7 | kW / --- | 7,0 / 2,0 | 6,9 / 2,0 | |
| bij A35/ W18 | kW / --- | 8,5 / 2,4 | 8,5 / 2,4 | |
| 3.6 Geluidsvermogen apparaat / buiten | dB(A) | 53 / 60 | ||
| 3.7 Geluidsdruk op 1 m afstand (binnen) | dB(A) | 48,0 | ||
| 3.8 Verwarmingswaterdebiet bij intern drukverschil 2 | m3/h / Pa | 0,8 / 2700 | 1,6 / 11900 | |
| 3.9 Vrije compressie verwarmings-circulatiepomp (verwarmen, max. stand) | Pa | 45000 | 27000 | |
| 3.10 Koelwaterdebiet bij intern drukverschil | m3/h / Pa | 0,8 / 2700 | 1,2 / 6500 | |
| 3.11 Vrije compressie circulatiepomp (koelen, max. stand) | Pa | 45000 | 37000 | |
| 3.12 Luchtdebiet bij extern statisch drukverschil | m3/h / Pa | 2500 / 20 | ||
| 3.13 Koelmiddel; totaal vulgewicht | type / kg | R404A / 3,3 | ||
| 3.14 Smeermiddel ; totaal vulhoeveelheid | type / liter | Polyolester (POE) / 1,5 | ||
| 3.15 Vermogen verwarmingselement (2de warmtebron) | kW | 2,0 | ||
| 4 Afmetingen, aansluitingen en gewicht | ||||
| 4.1 Afmetingen toestel H x B x L cm | 190 x 75 x 68 | |||
| 4.2 Toestelaansluitingen voor verwarming | inch | 1" buitendraad | ||
| 4.3 Luchtkanaal-ingang en -uitgang (binnenafmetingen min.) | L x B cm | 44 x 44 | ||
| 4.4 Gewicht transporteenheid/-eenheden incl. verpakking | kg | 250 | ||
| 4.5 Inhoud bufferopslagvat | I | 50 | ||
| 4.6 Nominale druk bufferopslagvat | bar | 6 | ||
| 5 Elektrische aansluiting | ||||
| 5.1 Nominale spanning; beveiliging | V / A | 230 / 20 | ||
| 5.2 Nominaal Ingangsvermogen 1 | A2 W35 | kW | 2,27 | 2,33 |
| 5.3 Startstroom m. softstart-systeem | A | 30 | ||
| 5.4 Nominale stroom | A2 W35 / cos φ | A / --- | 12,3 / 0,8 | 12,7 / 0,8 |
| 6 Voldoet aan de Europese veiligheidsvoorschriften | 3 | |||
| 7 Andere eigenschappen van de uitvoering | ||||
| 7.1 Ontdooiing | automatisch | |||
| Type ontdooiing | Omkering kringloop | |||
| Ontdoolbak voorhanden | ja (met verwarming) | |||
| 7.2 Verwarmingswater in toestel tegen vorst beschermd 4 | ja | |||
| 7.3 Vermogensniveaus | 1 | |||
| 7.4 Regelaar intern / extern | intern | |||
-
Deze gegevens staan voor de afmeting en het rendement van de installatie in overeenstemming met EN 255 en EN 14511. Voor economische en energetische berekeningen moet met verdere invloedfactoren rekening gehouden worden, vooral met ontdoolgedrag, bivalentiepunt en regeling. Hierbij betekent b.v. A2 / W55: Bultenluchttemperatuur 2 °C en vertrektemperatuur verwarmingswater 55 °C.
-
De verwarmingscirculatiepomp is geïntegreerd.
-
zie CE-conformiteitsverklaring
-
De verwarmings-circulatiepomp en de regelaar van de warmtepomp dienen altijd bedrijfsklaar te zijn.
Bijvoegsel
1 Afmetingen....A-II
1.1 Warmtepomp....A-II
1.2 Inbouwmaten....A-III
2 Diagrammen....A-IV
2.1 Verwarmingsmodus....A-IV
2.2 Koelmodus....A-V
3 Elektrische schema's....A-VI
3.1 Sturing standaardregelaar....A-VI
3.2 Sturing koelregelaar....A-VII
3.3 Vermogen....A-VIII
3.4 Aansluitschema standaardregelaar ....A-IX
3.5 Aansluitschema koelregelaar....A-X
3.6 Legende....A-XI
4 Hydraulisch basisschema ...... A-XIII
4.1 Schematische afbeelding....A-XIII
4.2 Legende....A-XIV
5 Conformiteitsverklaring....A-XV
1 Afmetingen
1.1 Warmtepomp

1.2 Inbouwmaten

1: Conventioneel bouwschuim (ter plaatse)
2: Afdichtingsmanchet (als accessoire verkrijgbaar)
3: Luchtkanaal (als accessoire verkrijgbaar)
4: Omlopende afkanting (ter plaatse) voor het afdichten van de stootrand en verbetering van de luchtgeleiding
Bij gebruik van een dempingsstrook onder de warmtepomp moet de maat overeenkomstig worden verhoogd.
2 Diagrammen
2.1 Verwarmingsmodus

line
| Luchtinlaattemperatuur in [°C] | Verwarmingsvermögen in [kW] (35 m³/h) | Verwarmingsvermögen in [kW] (50 m³/h) | | ------------------------------ | -------------------------------------- | -------------------------------------- | | -20 | 3.8 | 3.2 | | -10 | 5.5 | 4.8 | | 0 | 9.5 | 8.8 | | 10 | 12.0 | 11.0 | | 20 | 14.5 | 13.5 |
line
| Luchtinlaattemperatuur in [°C] | Verbruik (incl. aandeel pompvermögen) | | ----------------------------- | ------------------------------------- | | -20 | 2.0 | | 0 | 2.5 | | 1 | 3.0 | | 0 | 3.5 |
line
| Luchtinlaattemperatuur in [°C] | Vermogencoefficient (COP) | | ----------------------------- | ------------------------- | | -20 | 1.0 | | 0 | 3.0 | | 1 | 4.0 | | 1 | 5.0 |
line
| Verwarmingwaterdebiet in [m³/h] | Drukverlies in [Pa] | | ------------------------------- | ------------------- | | 0.0 | 0 | | 0.2 | ~100 | | 0.4 | ~500 | | 0.6 | ~1000 | | 0.8 | ~1500 | | 1.0 | ~2000 | | 1.2 | ~3000 | | 1.4 | ~4500 | | 1.6 | ~6500 | | 1.8 | ~8500 | | 2.0 | ~9000 |2.2 Koelmodus

line
| Luchtinlaattemperatuur in [°C] | Waterafvoertemperatuur in [°C] | | ------------------------------ | ------------------------------ | | 15 | 11.2 | | 20 | 10.5 | | 25 | 9.8 | | 30 | 9.0 | | 35 | 8.2 | | 40 | 7.5 | | 45 | 6.8 |
line
| Luchtinlaattemperatuur in [°C] | Verbruik (incl. aandeel pompvermögen) | | ----------------------------- | ------------------------------------- | | 15 | 2.5 | | 20 | 2.8 | | 25 | 3.0 | | 30 | 3.3 | | 35 | 3.6 | | 40 | 3.9 |
line
| Verwarmingwaterdebiet in [m³/h] | Drukverlies in [Pa] | | ------------------------------ | ------------------- | | 0.2 | 0 | | 0.4 | 500 | | 0.6 | 1500 | | 0.8 | 2500 | | 1.0 | 3500 | | 1.2 | 5000 | | 1.4 | 9000 |
line
| Luchtinlaattemperatuur in [°C] | Vermogencoefficient (COP) | | ----------------------------- | ------------------------- | | 15 | 4.5 | | 20 | 3.8 | | 25 | 3.2 | | 30 | 2.8 | | 35 | 2.4 | | 40 | 2.0 | | 45 | 1.8 |3.1 Sturing standaardregelaar

flowchart
graph TD
subgraph Input
N1["Input N1"] --> J9["J9"]
J10["J10"] --> J11["J11"]
J11 --> J12["J12"]
J12 --> J13["J13"]
J13 --> J14["J14"]
J14 --> J15["J15"]
J15 --> J16["J16"]
J16 --> J17["J17"]
J17 --> J18["J18"]
end
subgraph Output
J1["J1"] --> G0["G0"]
G0 --> B1["B1"]
B1 --> R2["R2"]
R2 --> X2/3["X2/3"]
X2/3 --> M13["M13"]
M13 --> A2["A2"]
A2 --> K20["K20"]
K20 --> E10["E10"]
E10 --> Z1["Z1"]
Z1 --> K20
K20 --> SPR["SPR"]
SPR --> TK["TK"]
TK --> M27["M27"]
M27 --> F23["F23"]
F23 --> ID6["ID6"]
ID6 --> ID7["ID7"]
ID7 --> ID8["ID8"]
ID8 --> IDC1["IDC1"]
IDC1 --> G0["G0"]
end
subgraph Control
J2["J2"] --> G0
G0 --> B2["B2"]
B2 --> R3["R3"]
R3 --> X2/3
X2/3 --> M13
M13 --> A2
A2 --> K20
K20 --> E10
E10 --> Z1
Z1 --> K20
end
subgraph Output
J3["J3"] --> G0
G0 --> B4["B4"]
B4 --> R7["R7"]
R7 --> M13
M13 --> A2
A2 --> K20
K20 --> E10
E10 --> Z1
end
subgraph Control
J4["J4"] --> G0
G0 --> B5["B5"]
B5 --> R9["R9"]
R9 --> M13
M13 --> A2
A2 --> K20
end
subgraph Output
J5["J5"] --> G0
G0 --> B6["B6"]
B6 --> R8["R8"]
R8 --> E10
E10 --> Z1
end
subgraph Control
J6["J6"] --> G0
G0 --> B7["B7"]
B7 --> X2/3["X2/3"]
X2/3 --> M13
M13 --> A2
end
subgraph Output
J7["J7"] --> G0
G0 --> ID9["ID9"]
ID9 --> ID10["ID10"]
ID10 --> ID11["ID11"]
ID11 --> ID9
ID9 --> ID9
end
subgraph Control
J8["J8"] --> G0
G0 --> ID3["HID"]
ID3 --> ID4["HID"]
ID4 --> ID9
end
subgraph Output
J9["J9"] --> J10["J10"]
end
style Input fill:#f9f,stroke:#333
style Output fill:#ccf,stroke:#333
3.2 Sturing koelregelaar

flowchart
graph TD
A["230VAC (L)"] --> B["J9"]
C["Vierweg-omschakelventiel"] --> D["J10"]
E["1.8 / Y1"] --> F["J11"]
G["1.2 / J11"] --> H["J12"]
I["pLAN"] --> J["J13"]
K["N2"] --> L["J1"]
M["1.5 / X2:G"] --> N["G0"]
O["1.2 / X5"] --> P["GND"]
Q["24VAC"] --> R["X2/4 + VDC"]
S["0VAC"] --> T["X2/3 GND"]
U["C1 NO1 NO2 NO3 C1"] --> V["J12"]
W["C4 NO4 NO5 NO6 C4"] --> X["J13"]
Y["C7 NO7 C7"] --> Z["J14"]
AA["0 VAC"] --> AB["J5"]
AC["+VDC"] --> AD["B1 B2 B3 B4"]
AE["+VDC"] --> AF["B5 GND B6 GND"]
AG["VG VG0 Y1 Y2 Y3 Y4"] --> AH["J4"]
AI["ID1 ID2 ID3 ID4 ID5 ID6 ID7 ID8 IDC1"] --> AJ["J5"]
AK["+VDC"] --> AL["X2/4 GND"]
3.3 Vermogen

3.4 Aansluitschema standaardregelaar

flowchart
graph TD
subgraph J1
G0["G0"] --> B1["B1"]
B1 --> B2["B2"]
B2 --> B3["B3"]
B3 --> GND["GND"]
GND --> J3["J3"]
J3 --> B4["B4"]
B4 --> BC4["B4"]
BC4 --> B5["B5"]
B5 --> BC5["B5"]
BC5 --> VG["VG"]
VG --> VG0["VG0"]
VG0 --> Y1["Y1"]
Y1 --> Y2["Y2"]
Y2 --> Y3["Y3"]
Y3 --> Y4["Y4"]
end
subgraph J2
B3
B4
B5
B6
B7
B8
B9
B10
B11
B12
B13
B14
B15
B16
B17
B18
end
subgraph J3
GND
GND --> VDC["VDC"]
VDC --> B4
VDC --> BC4
VDC --> BC5
VDC --> VG
VG --> VG0
VG0 --> Y1
VG0 --> Y2
VG0 --> Y3
end
subgraph J4
GND
GND --> VDC
VDC --> B4
VDC --> BC4
VDC --> BC5
VDC --> VG
VG --> VG0
VG0 --> Y1
VG0 --> Y2
VG0 --> Y3
end
subgraph J5
GND
GND --> ID1["ID1"]
ID1 --> ID2["ID2"]
ID2 --> ID3["ID3"]
ID3 --> ID4["ID4"]
ID4 --> ID5["ID5"]
ID5 --> ID6["ID6"]
ID6 --> ID7["ID7"]
ID7 --> ID8["ID8"]
ID8 --> IDC1["IDC1"]
end
subgraph J6
GND
GND --> B6["B6"]
B6 --> B7["B7"]
B7 --> B8["B8"]
B8 --> GND
GND --> ID9["ID9"]
ID9 --> ID10["ID10"]
ID10 --> ID11["ID11"]
ID11 --> ID12["ID12"]
ID12 --> IDC9["IDC9"]
end
subgraph J7
GND
GND --> ID3["ID3"]
ID3 --> ID4["ID4"]
ID4 --> ID5["ID5"]
ID5 --> ID6["ID6"]
ID6 --> ID7["ID7"]
ID7 --> ID8["ID8"]
end
subgraph J8
GND
GND --> ID7["ID7"]
ID7 --> ID8["ID8"]
end
subgraph K28
R5["R5"] --> X2/3["X2/3"]
end
subgraph X2
A1["A1"] --> A2["A2"]
end
subgraph X2_G
A1a["A1"] --> A2a["A2"]
end
subgraph X2_LNPE-X1
K22["K22"] --> K23["K23"]
end
subgraph 230VAC - 50Hz
F3["F3"] --> T4.0AL["T4.0AL"]
F2["F2"] --> T4.0AL["T4.0AL"]
end
style J9 fill:#f9f,stroke:#333
style J10 fill:#f9f,stroke:#333
style J12 fill:#f9f,stroke:#333
style J13 fill:#f9f,stroke:#333
style J14 fill:#f9f,stroke:#333
style J15 fill:#f9f,stroke:#333
style J16 fill:#f9f,stroke:#333
style J17 fill:#f9f,stroke:#333
style J18 fill:#f9f,stroke:#333
note right of J1: N=max, max=200W; M19=max, max=200W; X1-N: X1-N.
note right of X2: H5 max, max=200W; M19 max, max=200W; X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-: X2-:
note right of X1: 12 pol.
note right of X1_1: L N PE X1
note right of X1_2: 3
note right of X1_3: 3
note right of X1_4: 3
note right of X1_5: 3
note right of X1_6: 3
note right of X1_7: 3
note right of X1_8: 3
note right of X1_9: 3
note right of X1_10: 3
note right of X1_11: 3
note right of X1_12: 3
note right of X1_13: 3
note right of X1_14: 3
note right of X1_15: 3
note right of X1_16: 3
note right of X1_17: 3
note right of X1_18: 3
note right of X1_19: 3
note right of X1_20: 3
note right of X1_21: 3
note right of X1_22: 3
note right of X1_23: 3
note right of X1_24: 3
note right of X1_25: 3
note right of X1_26: 3
note right of X1_27: 3
note right of X1_28: 3
note right of X1_29: 3
note right of X1_30: 3
note right of X1_31: 3
note right of X1_32: 3
note right of X1_33: 3
note right of X1_34: 3
note right of X1_35: 3
note right of X1_36: 3
note right of X1_37: 3
note right of X1_38: 3
note right of X1_39: 3
note right of X1_40: 3
note right of X1_41: 3
note right of X1_42: 3
note right of X1_43: 3
note right of X1_44: 3
note right of X1_45: 3
note right of X1_46: 3
note right of X1_47: 3
note right of X1_48: 3
note right of X1_49: 3
note_right_of_X1_50["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_51["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_52["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_53["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_54["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_55["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_56["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_57["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_58["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_59["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_60["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_61["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_62["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_63["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_64["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_65["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_66["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_67["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_68["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_69["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_70["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_71["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_72["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_73["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_74["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_75["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_76["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_77["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_78["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_79["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_80["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_81["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_82["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_83["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_84["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_85["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_86["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_87["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_88["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_89["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_90["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_91["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_92["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_93["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_94["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_95["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_96["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_97["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_98["LENA - 50Hz"]
note_right_of_X1_99["LENA - 50Hz"]
note right of X2-((X)=-X)
Note left side (J) in top left corner (L) in bottom left corner (M) in top center (N) in bottom left corner (O) in top center (P) in bottom center (Q) in top center (R) in bottom center (S) in top center (T) in bottom center (U) in top center (V) in bottom center (W) in top center (X) in top center (Y) in bottom center (Z) in bottom center (X) in top center (Y)
Note left side (J) in bottom left corner (M) in top center (P) in top center (Q) in top center (R) in bottom center (S) in top center (T) in bottom center (U) in top center (V)
Note left side (J) in bottom center (M) in top center (P) in top center (Q) in top center (R) in bottom center (S) in top center (T)
Note left side (J) in bottom center (M) in top center (P) in top center (Q) in top center (R)
Note left side (J) in bottom center (M) in top center (P) in top center (Q)
Note left side (J) in bottom center (M) in top center (P) in top center (Q)
Note left side (J) in bottom center (M) in top center (P) in top center (Q)
Note left side (J) in bottom center (M) in top center (P) in top center (Q)
Note left side (J) in bottom center (M) in top center (P) & top center (Q)
Note left side (J) in bottom center (M) in top center (P) & top center (Q)
Note left side (J) in bottom center (M) in top center (P) & top center (Q)
Note left side (J) in bottom center (M) in top center (P) & top center (Q)
Note left side (J) in bottom center (M) in top centers (P)
Note left side (J) in bottom center (M) in top centers (Q)
Note left side (J) in bottom center (M) in top centers (P)
Note left side (J) in bottom center (M) in top centers (Q)
Note left side (J) in bottom center (M) in top centers (P)
Note left side (J) in bottom center (M) in top centers (Q)
Note left side (J) in bottom center (M) in top center (P)
Note left side (J) in bottom center (M) in top centers (Q)
Note left side (J) in bottom center (M) in top centers (P)
Note left side (J) in bottom center (M) in top centers (Q)
Note left side (J) in bottom center (M) in top centers (P)
Note left side (J) in bottom center (M) in top center (Q)
Note left side (J) in bottom center (M) in top centers (P)
Note left side (J) in bottom center (M) in top centers (Q)
Note left side (J) in bottom center (M) in top centers (P)
Note left side (J) in bottom center (M) in top centers (Q)
Note left side (J) in bottom center (M) & top centers for each node.
Note left side is labeled 'MAX = MAX' at the base node.
3.5 Aansluitschema koelregelaar

flowchart
graph TD
subgraph Input Lines
X1-N["230VAC (N)"] --> J9["J9"]
J12-C1["230VAC (L)"] --> J10["J10"]
J12-C1 --> J11["J11"]
J12-C1 --> J12["J12"]
J12-C1 --> J13["J13"]
J12-C1 --> J14["J14"]
J12-C1 --> J15["J15"]
end
subgraph Junctions
N2["N2"] --> J9
J9 --> J10
J10 --> J11
J11 --> J12
J12 --> J13
J13 --> J14
J14 --> J15
J15 --> N5["N5"]
end
subgraph Temperature Sensors
J1["G"] --> G0["G0"]
G0 --> B1["B1"]
B1 --> B2["B2"]
B2 --> B3["B3"]
B3 --> B4["B4"]
B4 --> B5["B5"]
B5 --> B6["B6"]
B6 --> B7["B7"]
B7 --> B8["B8"]
B8 --> B9["B9"]
B9 --> B10["B10"]
B10 --> B11["B11"]
B11 --> B12["B12"]
B12 --> B13["B13"]
B13 --> B14["B14"]
B14 --> B15["B15"]
B15 --> N5
end
subgraph Control Signals
N3["N3"] --> G["GuoT"]
G --> GND["ntc"]
GND --> GNDb["ntc"]
GNDb --> GNDc["M"]
GNDc --> GNDd["out H"]
end
subgraph Temperature Sensors
N4["N4"] --> G["GuoT"]
G --> GND["ntc"]
GND --> GNDc
GNDc --> GNDd
GNDd --> GNDf["M"]
GNDf --> GNDg["out H"]
end
subgraph Output Signals
R10.1["R10.5"] --> φ[φ]
end
style Input Lines fill:#f9f,stroke:#333
style Junctions fill:#ccf,stroke:#333
style Temperature Sensors fill:#dfd,stroke:#333
3.6 Legende
A1 Draadbrug aanbrengen indien er geen hoofdschakelaar van de elektriciteitsmaatschappij nodig is (ingang open= afsluiting energiebedrijf = warmtepomp "uit")
A2 Draadbrug bij gebruik van de 2de blokkeringsingang verwijderen (ingang open = afsluiting energiebedrijf = warmtepomp "uit")
A4 Draadbrug (altijd geplaatst; ingang wordt bij lucht-water-warmtepompen niet gebruikt)
B3* Thermostaat warm water
B4* Thermostaat zwembadwater
C1 Werkcondensator compressor
C3 Werkcondensator ventilator
E3 Pressostaat stop ontdooiing
E9 Elekt. dompelverwarmingselement warm water
E10 2. Warmtebron elektrische verwarming (functie selecteerbaar via regelaar)
E13* 2. Koelgenerator
F2 Zekering voor N1-relaisuitgangen op J12 en J13
4.0 ATr
F3 Zekering voor N1-relaisuitgangen op J15 - J18
4.0 ATr
F4 Pressostaat hoge druk
F5 Pressostaat lage druk
F7 Heetgasthermostaat
F23 Wikkelingsisolatie ventilator
H5* Lampje storingsaanduiding op afstand
N1:
J1 Stroomvoorziening-N1 (24VAC)
J2...J3 Voeleringangen
J4 Analoge uitgangen, worden niet gebruikt
J7...J8 Digitale ingangen
J9 Geen functie
J10 Contactdoos voor afstandbediening
J11 pLAN - aansluiting
J12 Relaisuitgangen voor compressor en ventilator
J13...J18 Relaisuitgangen voor de sturing van de systeemcomponenten (230 VAC)
N2
J1 Stroomvoorziening-N2 (24VAC)
J2...J3 Voeleringangen
J4 Analoge uitgangen, worden niet gebruikt
J5 Digitale ingangen
J9 Geen functie
J10 Contactdoos voor afstandbediening
J11 pLAN - aansluiting
J12 Relaisuitgangen voor M14, M19 en H5 (230 VAC)
J13...J18 Relaisuitgangen voor de sturing van de systeemcomponenten (230 VAC)
K2 Veiligheidsschakelaar ventilator
K11* Elektron. relais storingsaanduiding op afstand (relaismodule)
K12* Elektron. relais circulatiepomp zwembadwater (relaismodule)
K20 Relais 2de warmtebron
K21* Contactor elekt. dompelverwarmingselement warm water
K22* Contactor afsluiting elektriciteitsmaatschappij
K23* SPR hulprelais
K25 Startrelais voor N7
K28* Aanvraag koelmodus
M1 Compressor
M2 Ventilator
M13* Verwarmings-circulatiepomp
M14* Verwarmings-circulatiepomp 1ste verwarmingskring
M15* Verwarmings-circulatiepomp 2de verwarmingskring
M16* Bijkomende circulatiepomp
M18* Warmwater-circulatiepomp
M19* Zwembadwater-circulatiepomp
M21* Mengkraan hoofdkring
M22* Mengkraan 2de verwarmingskring
N1 Warmtepompregelaar
N2 Koelregelaar
N3/N4* Toestellen
N5* Dauwpuntschakelaar
N7 Softstartbesturing
N9* Ruimtetemperatuurregelaar
N11* Relaismodule
N14 Besturingspaneel
R1 Buitenvoeler
R2 Terugloopvoeler verwarming
R3 Warmwatervoeler (alternatief voor warmwaterthermostaat)
R5 Voeler voor 2de verwarmingskring
R7 Codeerweerstand 28k7
R10.1-5 Vochtvoeler voor N5 (maximaal 5 voelers)
T1 Veiligheidsscheidingstransformator 230/24 VAC-50Hz/50VA
X1 Klemmenblok: Netbelasting L/N/PE-230VAC-50Hz; -sturing L/N/PE-230VAC-50Hz; N- en PE-verdeler
X2/1 Klemmenblok: verdeler voor 24VAC
X2/2 Klemmenblok: verdeler voor 0VAC
X2/3 Klemmenblok: verdeler voor DC / Ground (-)
X2/4 Klemmenblok: verdeler voor DC / plus (+)
X3 Klemmenblok: compressor
Y1 Vierweg-omschakelventiel
Afkortingen:
EVB Ingang afsluiting elektriciteitsmaatschappij
SPR Extra blokkeringsingang
MA* Mengkraan open
MZ Mengkraan dicht
* Componenten dienen extern beschikbaar te worden gesteld
---- kan desgewenst door de klant worden aangesloten
—— Klaar bedraad
4.1 Schematische afbeelding

flowchart
graph TD
A["EV"] --> B["N1-N010"]
B --> C["⑤"]
C --> D["N1-B3 (R3)"]
D --> E["N1-N06 (M18)"]
E --> F["③"]
F --> G["④"]
G --> H["N1-B1 (R1)"]
H --> I["T"]
C --> J["TC"]
J --> K["②"]
K --> L["E8"]
L --> M["(M13)"]
M --> N["T"]
N --> O["(R2)"]
O --> P["⑥"]
P --> Q["⑦"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#cff,stroke:#333
style F fill:#ffc,stroke:#333
style G fill:#fcc,stroke:#333
style H fill:#ffc,stroke:#333
style I fill:#fcc,stroke:#333
style J fill:#cff,stroke:#333
style K fill:#ffc,stroke:#333
style L fill:#fcc,stroke:#333
style M fill:#ffc,stroke:#333
style N fill:#fcc,stroke:#333
style O fill:#ffc,stroke:#333
style P fill:#fcc,stroke:#333
style Q fill:#fcc,stroke:#333
4.2 Legende
| Afsluitventiel | |
| Overstroomventiel | |
| Veiligheidsklepcombinatie | |
| Circulatiepomp | |
| Expansievat | |
| Door ruimtetemperatuur gestuurd ventiel | |
| Afsluitventiel met terugslagklep | |
| Afsluitventiel met ontwatering | |
| Warmteverbruiker | |
| Temperatuurvoeler | |
| Flexibele aansluitslang |
| 1 | Warmtepomp |
| 2 | Bufferopslagvat |
| 3 | Warmtepompregelaar |
| 4 | Stroomdistributie |
| 5 | Waterverwarmer |
| 6 | Condenswaterafvoer |
| 7 | Overdruk verwarmingswater |
| E8 Hulpverwarming |
| M13 Verwarmings-circulatiepomp |
| M18 Warmwater-circulatiepomp |
| N1 Warmtepompregelaar |
| R1 Buitenvoeler |
| R2 Terugloopvoeler |
| R3 Warmwatervoeler |
| EV Stroomdistributie |
| KW Koud water |
| MA Mengkraan open |
| WW Warm water |
5 Conformiteitsverklaring
CE
EG - Konformitätserklärung EC Declaration of Conformity Déclaration de conformité CE

Der Unterzeichnete
The undersigned