SIK 14 TE - Waterpomp DIMPLEX - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis SIK 14 TE DIMPLEX in PDF-formaat.
| Type product | Grond/water-warmtepomp (binnenopstelling) |
| Model | SIK 14 TE |
| Afmetingen (H x B x D) | 1115 x 652 x 688 mm |
| Gewicht (incl. verpakking) | 203 kg |
| Elektrische aansluiting | 400 V / 16 A, 50 Hz, 3-fase |
| Koelmiddel | R407C, 2,3 kg |
| Verwarmingsvermogen (B0/W35) | 14,1 kW |
| COP (B0/W35) | 3,5 |
| Maximale vertrektemperatuur | 58 °C |
| Temperatuurbereik warmtebron (glycolwater) | -5 °C tot +25 °C |
| Geluidsniveau | 51 dB(A) |
| Beschermingsgraad | IP20 |
| Expansievat | 24 liter, voordruk 1,0 bar |
| Minimaal glycolwatergehalte | 25% (antivries tot -14 °C) |
| Aansluitingen verwarming en warmtebron | R 1 1/4" buitendraad |
| Regeling | Geïntegreerde warmtepompregelaar |
| Circulatiepompen | Ingebouwd (verwarming en glycolwater) |
| Onderhoud | Onderhoudsvrij; filter wekelijks reinigen eerste maand |
| Veiligheid | CE-conform, hoge- en lagedrukpressostaat, overstroomventiel |
| Toepassing | Verwarming en warmwaterbereiding met aardsonde of -collector |
Veelgestelde vragen - SIK 14 TE DIMPLEX
Gebruikersvragen over SIK 14 TE DIMPLEX
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Waterpomp in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding SIK 14 TE - DIMPLEX en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. SIK 14 TE van het merk DIMPLEX.
GEBRUIKSAANWIJZING SIK 14 TE DIMPLEX
Montage- en gebruiksaanwijzing

Grond/water- warmtepomp voor plaatsing binnen
Inhoudsopgave
1 Direct lezen a.u.b....NL-2
1.1 Belangrijke aanwijzingen ....NL-2
1.2 Wettelijke voorschriften en richtlijnen ....NL-2
1.3 Energiebesparend gebruik van de warmtepomp ....NL-2
2 Gebruiksdoeleinde van de warmtepomp ....NL-3
2.1 Toepassingsgebied....NL-3
2.2 Werkwijze ....NL-3
3 Basisapparaat.... NL-3
4 Toebehoren....NL-4
4.1 Glycolwaterverdeler ....NL-4
4.2 Glycolwaterpressostaat ....NL-4
5 Transport....NL-4
6 Plaatsing NL-4
6.1 Algemene aanwijzingen....NL-4
6.2 Geluidsemissies....NL-4
7 Montage.... NL-5
7.1 Algemeen....NL-5
7.2 Aansluiting aan verwarming....NL-5
7.3 Aansluiting aan warmtebron ....NL-5
7.4 Elektrische aansluiting....NL-5
8 Inbedrijfstelling.... NL-6
8.1 Algemeen....NL-6
8.2 Voorbereiding ....NL-6
8.3 Werkwijze bij inbedrijfstelling....NL-6
9 Onderhoud / reiniging.... NL-7
9.1 Onderhoud....NL-7
9.2 Reiniging verwarmingsgedeelte....NL-7
9.3 Warmtebronzijdige reiniging ....NL-7
10 Storingen / storingsdiagnose.... NL-7
11 Buitenbedrijfstelling / verwijdering ....NL-7
12 Toestelinformatie ....NL-8
Bijvoegsel A-I
1 Direct lezen a.u.b.
1.1 Belangrijke aanwijzingen

OPGELET!
De warmtepomp is niet aan de transportpallet bevestigd.

OPGELET!
De warmtepomp mag max. 45° worden gekanteld (in iedere richting).

OPGELET!
Het apparaat niet aan de boorgaten in de afdekplaten opheffen!

OPGELET!
Bij verwarmingskringen met een groot volume moet het ingebouwde expansievat (24 liter, 1,0 bar voordruk) met een extra vat worden uitgebreid.

OPGELET!
Het glycolwater moet ten minste voor 25% uit een antivries- en corrosiebeschermingsmiddel op monoethyleenglycol- of propyleenglycolbasis bestaan en moet voor het vullen worden gemengd.

OPGELET!
Let bij het aansluiten van de elektrische vermogenkabels op het rechtsdraaiende veld (bij een foutief draaiveld heeft de warmtepomp geen capaciteit en maakt veel lawaai).

OPGELET!
De inbedrijfstelling van de warmtepomp moet volgens de montage- en gebruiksaanwijzing van de warmtepompregelaar worden uitgevoerd.

OPGELET!
In de warmtebroningang van de warmtepomp moet de bijgevoegde filter worden gemonteerd om de verdamper tegen verontreiniging te beschermen.

OPGELET!
Om afzettingen in de condensor van de warmtepomp te voorkomen (b.v. roest) wordt aanbevolen, een geschikt systeem als corrosiebescherming te gebruiken.

OPGELET!
Werkzaamheden aan de warmtepomp dienen uitsluitend door een bevoegde en vakkundige serviceafdeling uitgevoerd te worden.

OPGELET!
Voordat het apparaat geopend wordt, moeten alle stroomkringen spanningsvrij worden geschakeld.
1.2 Wettelijke voorschriften en richtlijnen
De constructie en uitvoering van de warmtepomp voldoen aan alle overeenkomstige EG-richtlijnen (zie CE-conformiteitsverklaring).
Bij de elektrische aansluiting van de warmtepomp dienen de overeenkomstige EN- en IEC-normen evenals de nationale richtlijnen te worden nageleefd. Bovendien moeten de aansluitvoorwaarden van de energievoorzieningsbedrijven in acht genomen worden.
De warmtepomp moet overeenkomstig de betreffende voorschriften in de warmtebron- en verwarmingsinstallatie geïntegreerd worden.
Personen, meer bepaald kinderen, die wegens hun fysieke, zintuiglijke of mentale vaardigheden of wegens hun gebrek aan kennis of ervaring niet in staat zijn, het toestel op een veilige manier te gebruiken, mogen dit toestel niet zonder toezicht of instructies vanwege een verantwoordelijke persoon gebruiken.
Kinderen niet zonder toezicht laten om zeker te zijn dat ze niet met het toestel spelen.
1.3 Energiebesparend gebruik van de warmtepomp
Door het gebruiken van deze warmtepomp draagt u bij aan de ontlasting van ons milieu. Voor een efficiënte werking is een zorgvuldige dimensionering van de verwarmingsinstallatie en de warmtebron erg belangrijk. Daarbij moet de aandacht met name op een zo laag mogelijke vertrektemperatuur van het water worden gericht. Daarom dienen alle aangesloten energieverbruikers voor een lage vertrektemperatuur geschikt te zijn. Een 1 K hogere verwarmingswatertemperatuur verhoogt het energieverbruik met ca. 2,5%. Een lagetemperatuurverwarming met vertrektemperaturen tussen 30 °C en 50 °C is voor een energiebesparende werking prima geschikt.
2 Gebruiksdoeleinde van de warmtepomp
2.1 Toepassingsgebied
De grond-water-warmtepomp kan in aanwezige of nieuw te plaatsen verwarmingsinstallaties gebruikt worden. Als warmtedrager in de warmtebroninstallatie wordt glycolwater gebruikt. Als warmtebron kunnen aardsonden, aardcollectoren of soortgelijke installaties worden gebruikt.
2.2 Werkwijze
De aarde slaat de warmte van de zon, de wind en de regen op. Deze aardwarmte wordt in de aardcollector, de aardsonde e.d. door het glycolwater bij een lage temperatuur opgenomen. Een circulatiepomp transporteert dan het "verwarmde" glycolwater naar de verdamper van de warmtepomp. Daar wordt deze warmte aan het koelmiddel in de koelkringloop afgestaan. Daarbij koelt het glycolwater weer af, zodat deze in de glycolwaterkringloop weer warmte-energie op kan nemen.
Het koelmiddel wordt door de elektrisch aangedreven compressor aangezogen, gecomprimeerd en naar een hoger temperatuurniveau "gepompt". De bij dit proces toegevoerde elektrische energie gaat niet verloren, maar wordt grotendeels aan het koelmiddel afgestaan.
Vervolgens komt het koelmiddel in de condensor en draagt hier wederom zijn warmte-energie aan het verwarmingswater af. Afhankelijk van het bedrijfspunt kan het verwarmingswater zo tot 60 °C verwarmd worden.
3 Basisapparaat
Het basisapparaat bestaat uit een compacte warmtepomp voor installatie binnen. Naast het schakelpaneel met geïntegreerde regelaar bevat het apparaat reeds belangrijke modules van de verwarmings- en glycolwaterkring:
■ Expansievaten
Circulatiepompen
Overdrukventielen
Manometer
■ Overstroomventiel (verwarmingskring)
In de koelkringloop is het koelmiddel R407C gedaan. Het koelmiddel R407C is CFK-vrij, breekt geen ozon af en is niet brandbaar.
Op het schakelpaneel zijn alle voor de werking van de warmtepomp noodzakelijke componenten aangebracht. De spanningstoevoer voor de ballast- en stuurstroom moet ter plaatse worden aangelegd.
De collector met de glycolwaterkringverdeler moet ter plaatse worden aangebracht.

De glycolwaterverdeler verenigt de collectorlussen van het warmtebronsysteem tot één hoofdleiding, die op de warmtepomp aangesloten wordt. Door middel van de geïntegreerde kogelkranen kunnen om te ontluchten afzonderlijke glycolwaterkringen worden afgesloten.

Indien dit van overheidswege wordt voorgeschreven, kan in het apparaat een lagedrukpressostaat voor het glycolwater worden ingebouwd. In dat geval moet de voorziene aansluiting boven het glycolwaterexpansievat worden gebruikt.
5 Transport
Voor transport over een effen ondergrond is een hefwagen geschikt. Indien de warmtepomp over een ongelijke ondergrond of over trappen moet worden vervoerd, dan kan dat met draagriemen worden gedaan. Deze kunnen direct onder de transportpallet geschoven worden.

OPGELET!
De warmtepomp is niet aan de transportpallet bevestigd.

De warmtepomp mag max. 45° worden gekanteld (in iedere richting).
Om het apparaat zonder pallet op te lichten, moeten de zijdelings in het frame aangebrachte boorgaten worden gebruikt. De zijdelingse afdekplaten moeten daarbij worden verwijderd. Een gewone buis kan daarbij als draaghulp dienen.

OPGELET!
Het apparaat niet aan de boorgaten in de afdekplaten opheffen!
6 Plaatsing
6.1 Algemene aanwijzingen
Het apparaat dient in binnenruimtes op een effen, glad en horizontaal oppervlak te worden geplaatst. Daarbij moet het frame rondom dicht bij de grond liggen om een passende geluidsisolatie te garanderen. Is dat niet het geval, kunnen extra geluiddempende maatregelen noodzakelijk zijn.
De warmtepomp moet zo zijn opgesteld, dat service aan het apparaat probleemloos kan worden uitgevoerd. Dit is gewaarborgd, indien er een afstand van ca. 1 m voor en zijdelings van de warmtepomp aangehouden wordt.

6.2 Geluidsemissies
Dankzij de doeltreffende geluidsisolatie werkt de warmtepomp zeer stil. Geluidsoverbrenging naar het fundament resp. het verwarmingssysteem wordt door interne ontkoppelingsmaatregelen in hoge mate voorkomen.
7 Montage
7.1 Algemeen
De warmtepomp is voorzien van de volgende aansluitingen:
■ Vertrek/terugloop glycolwaterinstallatie
■ Vertrek verwarming en warmwaterbereiding
■ Gemeenschappelijke terugloop verwarming en warmwaterbereiding
■ Terugloop overstroomventiel
■ Aansluiting voor extra expansievat (indien nodig)
■ Afvoeren van de overdrukventielen
Condenswaterafvoer
■ Stroomvoorziening
7.2 Aansluiting aan verwarming
De warmtepomp is met gescheiden uitgangen voor de verwarmings- en warmwaterkringloop uitgerust.
Is er geen warmwaterverwarming door de warmtepomp voorzien, dan moet de warmwateruitgang permanent worden afgedicht.
Voor het warmwaterzijdige aansluiten van de warmtepomp dient de verwarmingsinstallatie doorgespoeld te worden, om mogelijk vuil, resten van isolatiemateriaal etc. te verwijderen. Wanneer de condensor door resten en vervuiling verstopt raakt, kan dit tot uitval van de warmtepomp leiden.
Voor installaties met een afsluitbare verwarmingswater-doorlaat, afhankelijk van radiator- resp. thermostaatventielen, is een overstroomventiel ingebouwd. Dit verzekert een minimale doorstroming van warm water door de waterpomp en voorkomst storingen.
Na installatie van de verwarming dient het verwarmingssysteem te worden gevuld, ontlucht en onder druk te worden gezet.
Vorstbeveiliging bij kans op vorst
Indien de regelaars en verwarmings-circulatiepompen bedrijfsklaar zijn, werkt de vorstbeveiliging van de regelaar. Bij buitenbedrijfstelling van de warmtepomp of bij stroomuitval moet de installatie worden geleegd. Bij warmtepompsystemen waarbij stroomuitval niet herkend kan worden (vakantiehuis), moet de verwarmingskring met een geschikte vorstbeveiliging worden gebruikt.
Het geïntegreerde expansievat heeft een volume van 24 liter. Dit volume is geschikt voor gebouwen met een verwarmde woonruimte tot maximaal 200 m².
Het volume moet door degene die de installatie plant worden gecontroleerd. Er moet eventueel een extra expansievat worden geïnstalleerd (volgens DIN 4751 deel 1). Tabellen catalogussen van fabrikanten vereenvoudigen het dimensioneren naar waterinhoud van de installatie.
OPGELET!
Bij verwarmingskringen met een groot volume moet het ingebouwde expansievat (24 liter, 1,0 bar voordruk) met een extra vat worden uitgebreid.
7.3 Aansluiting aan warmtebron
De aansluiting dient als volgt te worden uitgevoerd:
De glycolwaterleiding op het vertrek en de terugloop van de warmtepomp aansluiten.
Daarbij moet het hydraulische basisschema in acht genomen worden.
Het meegeleverde filter en de meegeleverde afscheider van microluchtbellen moeten ter plaatse in de glycolwateringang van de warmtepomp gemonteerd worden.
Het glycolwater moet voor het vullen van de installatie worden vervaardigd. De glycolwaterconcentratie moet minimaal 25% zijn. Hierdoor is een vorstvrijheid tot -14 °C gewaarborgd.
Er mogen uitsluitend antivriesmiddelen op monoethyleenglycol-of propyleenglycolbasis worden gebruikt.
Het warmtebronsysteem moet worden ontlucht en op dichtheid worden gecontroleerd.
OPGELET!
Het glycolwater moet ten minste voor 25% uit een antivries- en corrosiebeschermingsmiddel op monoethyleenglycol- of propyleenglycolbasis bestaan en moet voor het vullen worden gemengd.
7.4 Elektrische aansluiting
Op de warmtepomp moeten de volgende elektrische aansluitingen worden verricht.
Aansluiting van de vermogenkabel op het schakelpaneel van de warmtepomp.
Aansluiting van de stuurspanningsleiding op het schakelpaneel van de warmtepomp.
Alle voor de werking van de warmtepomp noodzakelijke elektrische componenten bevinden zich op het schakelpaneel.
Exacte aanwijzingen over de aansluiting van externe componenten en het functioneren van de warmtepompregelaar vindt u bij het aansluitschema van het apparaat en de bijgevoegde gebruiksaanwijzing van de regelaar.
De aansluiting van de vermogenkabel verloopt via de klemmen X1: L1/L2/L3/PE op het schakelpaneel.
Een alpolige afschakeling met minimaal 3 mm contactopeningsafstand (b.v. contactor afsluiting elektriciteitsmaatschappij- veiligheidsschakelaar of veiligheidscontact) evenals een 3-polige vermogensschakelaar met één uitschakeling voor alle buitenkabels moeten worden aangebracht. De benodigde kabeldoorsnede moet conform het verbruik van de warmtepomp, de technische aansluitvoorwaarden van de betreffende elektriciteitsmaatschappij en de geldende voorschriften worden bepaald. Het verbruik van de warmtepomp vindt u bij de productinformatie of op het typeplaatje. De aansluitklemmen zijn voor een kabeldoorsnede van max. 10 mm² ontworpen.
OPGELET!
Let bij het aansluiten van de elektrische vermogenkabels op het in rechtsdraaiende veld (bij een foutief draaiveld heeft de warmtepomp geen capaciteit en maakt veel lawaai).
De stuurspanning wordt aangesloten op de klemmen X1: L/N/PE.
Indien er een sterkere glycolwaterpomp dan de geïntegreerde nodig is, moet een motorcontactor en een passende motorveiligheidsschakelaar worden aangebracht. De veiligheidsschakelaar moet dan op de klemmen voor de interne glycolwaterpomp worden aangesloten (regelaarklem J12/N03 en X1-N). De voeding van de grotere pomp moet dan via het voedingsnet verlopen.
8 Inbedrijfstelling
8.1 Algemeen
Voor een inbedrijfstelling volgens de voorschriften dient deze door een door de fabriek bevoegde serviceafdeling uitgevoerd te worden. Onder bepaalde voorwaarden is daarmee een verlenging van de garantie verbonden (verg. garantievergoeding).
8.2 Voorbereiding
Vóór de inbedrijfstelling dienen de volgende punten gecontroleerd te worden:
Alle aansluitingen van de warmtepomp dienen gemonteerd te zijn (zie hoofdstuk 7).
- Het warmtebronsysteem en de verwarmingskring moeten gevuld en gecontroleerd zijn.
- Filter en ontluchter moeten in de glycolwateringang van de warmtepomp zijn ingebouwd.
In de glycolwater- en verwarmingskring moeten alle schuiven, die de correcte stroom zouden kunnen belemmeren, zijn geopend.
De warmtepompregelaar moet volgens de bijbehorende gebruiksaanwijzing op het verwarmingssysteem zijn afgestemd.
■ Het condenswater moet ongehinderd kunnen aflopen.
De afvoer van de glycolwater- en verwarmingswateroverdrukventiel moeten worden gewaarborgd.
8.3 Werkwijze bij inbedrijfstelling
De inbedrijfstelling van de warmtepomp verloopt via de warmtepompregelaar.
OPGELET!
De inbedrijfstelling van de warmtepomp moet volgens de montage- en gebruiksaanwijzing van de warmtepompregelaar worden uitgevoerd.
Het vermogensniveau van de circulatiepomp moet op het verwarmingssysteem worden afgestemd.
De instelling van het overstroomventiel moet op het verwarmingssysteem worden afgestemd. Een verkeerde instelling kan tot foutieve werking en een verhoogde elektrische energiebehoefte leiden. Om het overstroomventiel goed in te stellen, adviseren wij als volgt te handelen:
Sluit alle verwarmingskringen, die ook bij een werkende installatie afhankelijk van het gebruik gesloten kunnen zijn, zodat de doorgangssnelheid van het water in deze bedrijfsstand zo ongunstig mogelijk is. Dit zijn doorgaans de verwarmingskringen in de ruimten aan de zuid- en westkant. Er moet minimaal één verwarmingskring geopend blijven (b.v. bad).
Het overstroomventiel moet zo ver worden geopend, dat bij de actuele warmtebrontemperatuur het in de onderstaande tabel aangegeven maximale temperatuurverschil tussen verwarmingsvertrek en terugloop ontstaat. Het temperatuurverschil moet zo dicht mogelijk bij de warmtepomp worden gemeten. Bij mono-energetische installaties moet het verwarmingselement gedeactiveerd worden.
| Warmtebron-temperatuur | Max. temperatuurverschiltussen verwarmingsvertrek en -terugloop | |
| van tot | ||
| -5°C 0°C | 10 K | |
| 1°C 5°C | 11 K | |
| 6°C 9°C | 12 K | |
| 10°C 14°C | 13 K | |
| 15°C 20°C | 14 K | |
| 21°C 25°C | 15 K | |
Storingen bij een werkende installatie worden op de warmtepompregelaar weergegeven en kunnen, zoals in de gebruiksaanwijzing van de warmtepompregelaar beschreven is, worden verholpen.
9 Onderhoud / reiniging
9.1 Onderhoud
De warmtepomp werkt onderhoudsvrij. Om bedrijfsstoringen door opeenhoping van vuil in de warmtewisselaars te voorkomen, moet ervoor gezorgd worden, dat er geen vuil in het warmtebronsysteem en de verwarmingsinstallatie terecht kan komen. Indien er zich toch dergelijke bedrijfsstoringen voordoen, moet de installatie worden gereinigd, zoals hieronder beschreven wordt.
9.2 Reiniging verwarmingsgedeelte
Vooral bij het gebruik van stalen componenten kunnen er oxidatieproducten (roest) door zuurstof in de warmwaterkringloop ontstaan. De roest komt via ventielen, circulatiepompen of kunststof buizen in het verwarmingssysteem terecht. Daarom dient er - met name bij de buizen van de vloerverwarming - op een diffusiedichte installatie gelet te worden.
OPGELET!
Om afzettingen in de condensor van de warmtepomp te voorkomen (b.v. roest) wordt aanbevolen, een geschikt systeem als corrosiebescherming te gebruiken.
Ook resten van smeer- en afdichtingsmiddelen kunnen het warme water vervuilen.
Indien de vervuiling zo groot is, dat het vermogen van de condensor in de warmtepomp vermindert, moet een installateur de installatie reinigen.
Volgens de huidige stand van kennis adviseren wij om te reinigen met een fosforzuur van 5% of, indien er vaker moet worden gereinigd, met een mierenzuur van 5%.
In beide gevallen moet de reinigingsvloeistof op kamertemperatuur zijn. Het is raadzaam, de warmtewisselaar tegen de normale doorstroomrichting in uit te spoelen.
Om te voorkomen, dat zuurhoudend reinigingsmiddel in de kringloop van de verwarmingsinstallatie terechtkomt, raden wij aan, het spoelapparaat direct op het vertrek en de terugloop van de condensor aan te sluiten. Daarna moet er met geschikte, neutraliserende middelen nogmaals grondig gespoeld worden, zodat beschadigingen door eventueel in het systeem achtergebleven resten van een reinigingsmiddel worden voorkomen.
De zuren moeten voorzichtig worden gebruikt en de desbetreffende voorschriften moeten in acht genomen worden.
In geval van twijfel moet met de fabrikant van het reinigingsmiddel worden overlegd!
9.3 Warmtebronzijdige reiniging
OPGELET!
In de warmtebroningang van de warmtepomp moet de bijgevoegde filter worden gemonteerd om de verdamper tegen verontreiniging te beschermen.
Een dag na de inbedrijfstelling moet de filterzeef van de filter worden gereinigd, vervolgens moet dit wekelijks gebeuren. Is er geen vervuiling meer zichtbaar, dan kan de zeef van de filter worden gedemonteerd, om het drukverlies te reduceren.
10 Storingen / storingsdiagnose
Deze warmtepomp is een kwaliteitsproduct dat storingsvrij dient te werken. Als er toch een storing optreedt, wordt dit op het display van de warmtepompmanager weergegeven. Zie hiertoe de pagina Storingen en Storingsdiagnose in de gebruiksaanwijzing van de warmtepompmanager.
Wanneer u de storing niet zelf kunt verhelpen, waarschuw dan de bevoegde serviceafdeling.
OPGELET!
Werkzaamheden aan de warmtepomp dienen uitsluitend door een bevoegde en vakkundige serviceafdeling uitgevoerd te worden.
OPGELET!
Voordat het apparaat geopend wordt, moeten alle stroomkringen spanningsvrij worden geschakeld.
11 Buitenbedrijfstelling / verwijdering
Alvorens de warmtepomp te demonteren, dient de machine spanningsvrij en alle kleppen afgesloten te zijn. Milieurelevante eisen m.b.t. terugwinning, recyclage en afvoer van afvalstoffen en componenten volgens gebruikelijke normen dienen te worden nageleefd. Dit geldt in het bijzonder voor het vakkundig verwijderen van het koelmiddel en de koelolie.
12 Toestelinformatie
| 1 Technische en commercièle benaming | SIK 7TE | SIK 9TE | SIK 11TE | SIK 14TE | |||||||
| 2 Bouwvorm | |||||||||||
| 2.1 Uitvoering Compact Compact Compact Compact | |||||||||||
| 2.2 Beschermingsgraad volgens EN 60 529 | IP 20 | IP 20 | IP 20 | IP 20 | |||||||
| 2.3 Plaats van opstelling Binnen Binnen Binnen Binnen | |||||||||||
| 3 Vermogengegevens | |||||||||||
| 3.1 Temperatuur-gebruiksgrenzen: | |||||||||||
| Verwarmingswater-vertrektemperatuur | °C | tot 58 | tot 58 | tot 58 | tot 58 | ||||||
| Glycolwater (warmtebron) | °C | -5 tot +25 | -5 tot +25 | -5 tot +25 | -5 tot +25 | ||||||
| Antivriesmiddel | Monoethyleen-glycol | Monoethyleen-glycol | Monoethyleen-glycol | Monoethyleen-glycol | |||||||
| Minimaal glycolwatergehalte (-13°C bevriezingstemperatuur) | 25% | 25% | 25% | 25% | |||||||
| 3.2 | Temperatuurverschil warm water | bij B0 / W35 | K | 9,9 | 5,0 | 10,5 | 5,0 | 10,1 | 5,0 | 9,6 | 5,0 |
| 3.3 | Verwarmingsvermogen/vermogencoefficiënt (COP) | bij B-5 / W55 ^1 | kW / --- | 5,6 /2,2 | 7,7 /2,3 | 9,4 /2,4 | 12,5 /2,6 | ||||
| bij B0 / W45 ^1 | kW / --- | 6,6 /3,0 | 8,7 /3,2 | 11,2 /3,2 | 14,1 /3,5 | ||||||
| bij B0 / W50 ^1 | kW / --- | 6,7 /2,9 | 9,0 /3,1 | 11,3 /3,0 | 14,2 /3,4 | ||||||
| bij B0 / W55 ^1 | kW / --- | 6,9 /4,3 | 6,8 /4,1 | 9,2 /4,4 | 9,0 /4,2 | 11,8 /4,4 | 11,7 /4,2 | 14,5 /4,5 | 14,4 /4,3 | ||
| 3.4 | Geluidsniveau | dB(A) | 51 | 51 | 51 | 51 | |||||
| 3.5 | Verwarmingswaterdebiet bij Intern drukverschil m3/h / Pa | 0,6 /2500 | 1,2 /11600 | 0,75 /4500 | 1,6 /20500 | 1,0 /3500 | 2,0 /14800 | 1,3 /3500 | 2,5 /16500 | ||
| 3.6 | Vrije compressie verwarmings-circulatiepomp (stand 3) | Pa | 47500 | 30400 | 43500 | 18500 | 65500 | 48200 | 64500 | 42500 | |
| 3.7 | Glycolwaterdebiet bij intern drukverschil (warmtebron) | m3/h / Pa | 1,7 /10000 | 1,6 /9300 | 2,3 /16000 | 2,2 /15000 | 3,0 /13000 | 2,7 /11400 | 3,5 /13000 | 3,3 /11600 | |
| 3.8 | Vrije compressie glycolwaterpomp (stand 3) | Pa | 55000 | 56200 | 44000 | 46000 | 40000 | 44600 | 34000 | 38400 | |
| 3.9 | Koelmiddel; totaal vulgewicht | type / kg | R407C / 1,5 | R407C / 1,8 | R407C / 2,0 | R407C / 2,3 | |||||
| 4 Afmetingen, aansluitingen en gewicht | |||||||||||
| 4.1 | Afmetingen van het apparaat zonder aansluitingen ^2 | H x B x L mm | 1115 × 652 × 688 | 1115 × 652 × 688 | 1115 × 652 × 688 | 1115 × 652 × 688 | |||||
| 4.2 | Toestelaansluitingen voor verwarming | inch | R 11⁄4" a | R 11⁄4" a | R 11⁄4" a | R 11⁄4" a | |||||
| 4.3 | Toestelaansluitingen voor warmtebron | Inch | R 11⁄4" a | R 11⁄4" a | R 11⁄4" a | R 11⁄4" a | |||||
| 4.4 | Gewicht transporteenheid/-eenheden incl. verpakking | kg | 179 | 180 | 191 | 203 | |||||
| 5 Elektrische aansluiting | |||||||||||
| 5.1 | Nominale spanning; beveiliging | V / A | 400 / 16 | 400 / 16 | 400 / 16 | 400 / 16 | |||||
| 5.2 | Nominaal ingangsvermogen ^1 | B0 W35 | kW | 1,6 | 1,66 | 2,07 | 2,14 | 2,66 | 2,79 | 3,22 | 3,37 |
| 5.3 | Startstroom m. softstart-systeem | A | 30 (zonder softstart-systeem) | 15 | 26 | 26 | |||||
| 5.4 | Nominale stroom | B0 W35 / cos φ | A / --- | 2,89 /0,8 | 3 /0,8 | 3,77 /0,8 | 3,86 /0,8 | 4,84 /0,8 | 5,03 /0,8 | 5,81 /0,8 | 6,08 /0,8 |
| 6 Voldoet aan de Europese veiligheidsvoorschriften | 3 | 3 | 3 | 3 | |||||||
| 7 Andere eigenschappen van de uitvoering | |||||||||||
| 7.1 Water in toestel tegen vorst beschermd ^4 | ja | ja | ja | ja | |||||||
| 7.2 | Vermogensniveaus | 1 | 1 | 1 | 1 | ||||||
| 7.3 | Regelaar intern / extern | intern | intern | intern | intern | ||||||
- Deze gegevens staan voor de afmeting en het rendement van de installatie. Voor economische en energetische beschouwingen moet met het bivalentiepunt en de regeling rekening gehouden worden. Hierbij betekent b.v. B10 / W55: warmtebrontemperatuur 10 °C en temperatuur warmwatertoevoer 55 °C.
- Let erop, dat de benodigde ruimte voor buisaansluiting, bediening en onderhoud groter is.
- Zie CE-conformiteitsverklaring
- De verwarmings-circulatiepomp en de regelaar van de warmtepomp dienen altijd bedrijfsklaar te zijn.
Bijvoegsel
1 Maatschets....A-II
2 Diagrammen...... A-III
2.1 Curves SIK 7TE....A-III
2.2 Curves SIK 9TE....A-IV
2.3 Curves SIK 11TE....A-V
2.4 Curves SIK 14TE....A-VI
3 Elektrische schema's....A-VII
3.1 Sturing ......A-VII
3.2 Vermogen....A-VIII
3.3 Aansluitschema ....A-IX
3.4 Legende....A-X
4 Hydraulisch basisschema....A-XI
4.1 Schematische afbeelding....A-XI
4.2 Legende....A-XII
5 Conformiteitsverklaring....A-XIII
1 Maatschets





| A1 Draadbrug, moet worden geplaatst, wanneer er geen contactor afsluiting elektriciteitsmaatschappij nodig is |
| A2 Draadbrug, moet bij gebruik van de 2e blokkeringsingang worden verwijderd |
| B3* Thermostaat warm water |
| B4* Thermostaat zwembadwater |
| E9* Elekt. Dompelverwarmingselement warm water |
| E10* 2. Warmtebron (ketel of elekt. verwarmingselement) |
| F2 Lastzekering voor N1-relaisuitgangen op J12 en J13 4,0 ATr |
| F3 Lastzekering voor N1-relaisuitgangen op J15 - J18 4,0 ATr |
| F4 Pressostaat hoge druk |
| F5 Pressostaat lage druk |
| H5* Lampje storingsaanduiding op afstand |
| J1...J18 Klemsteekverbinder voor N1 |
| K1 Veiligheidsschakelaar compressor |
| K11* Elektron. relais voor storingsaanduiding op afstand (op relaismodule) |
| K12* Elektron. relais voor circulatiepomp zwembadwater (op relaismodule) |
| K20* Veiligheidsschakelaar 2de warmtebron |
| K21* Veiligheidsschakelaar elekt. Dompelverwarmingselement warm water |
| K22* Contactor afsluiting elektriciteitsmaatschappij-veiligheidsschakelaar |
| K23* SPR hulprelais |
| M1 Compressor |
| M11 Primaire circulatiepomp (glycolwater) |
| M13 Verwarmings-circulatiepomp |
| M15* Verwarmings-circulatiepomp 2de verwarmingskring |
| M16* Bijkomende circulatiepomp |
| M18* Warmwater-circulatiepomp |
| M19* Zwembadwater-circulatiepomp |
| M21* Mengkraan hoofdkring |
| M22* Mengkraan 2de verwarmingskring |
| N1 Warmtepompregelaar |
| N7 Softstart-systeem |
| N11* Relaismodule |
| N14 Besturingspaneel |
| R1 Buitentemperatuurvoeler |
| R2 Terugloopvoeler |
| R3 Warmwatervoeler (alternatief voor warmwaterthermostaat) |
| R5 Voeler voor 2de verwarmingskring |
| R6 Voeler ter beveiliging tegen bevriezen |
| R7 Codeerweerstand 40,2 kOhm |
| R9 Vertrekvoeler |
| T1 Veiligheidsscheidingstransformator 230/24V AC-28VA |
| X1 Klemmenblok netlast 3L/PE-400V AC-50 Hz / netbesturing L/N/PE-230V AC-50 Hz / zekeringen/N- en PE-verdeler |
| X2 Klemmenblok 24V AC-verdeler |
| X3 Klemmenblok GND-verdeler voor analoge ingangen naar J2 en J6 |
| Afkortingen: | |
| EVB Ingang afsluiting elektriciteitsmaatschappij | |
| SPR Extra blokkeringsingang, configureerbaar | |
| MA* | Mengkraan open |
| MZ | Mengkraan dicht |
| * | Componenten dienen extern beschikbaar te worden gesteld |
4.1 Schematische afbeelding

flowchart
graph TD
A["③"] --> B["TC"]
B --> C["N1-B3 (R3)"]
C --> D["KW"]
D --> E["N1-N06 (M18)"]
E --> F["④"]
F --> G["N1-N04 (E10)"]
G --> H["②"]
H --> I["⑥"]
I --> J["T"]
J --> K["N1-B1 (R1)"]
K --> L["⑦"]
L --> M["⑧"]
M --> N["①"]
N --> O["(EV)"]
O --> P["⑤"]
P --> Q["M13"]
Q --> R["(M11)"]
R --> S["T (R2)"]
S --> T["(M13)"]
T --> U["(M11)"]
U --> V["(M13)"]
V --> W["(M13)"]
W --> X["(M13)"]
X --> Y["(M13)"]
Y --> Z["(M13)"]
Z --> AA["(M13)"]
AA --> AB["(M13)"]
AB --> AC["(M13)"]
AC --> AD["(M13)"]
AD --> AE["(M13)"]
AE --> AF["(M13)"]
AF --> AG["(M13)"]
AG --> AH["(M13)"]
AH --> AI["(M13)"]
AI --> AJ["(M13)"]
AJ --> AK["(M13)"]
AK --> AL["(M13)"]
AL --> AM["(M13)"]
AM --> AN["(M13)"]
AN --> AO["(M13)"]
AO --> AP["(M13)"]
AP --> AQ["(M13)"]
AQ --> AR["(M13)"]
AR --> AS["(M13)"]
AS --> AT["(M13)"]
AT --> AU["(M13)"]
AU --> AV["(M13)"]
AV --> AW["(M13)"]
AW --> AX["(M13)"]
AX --> AY["(M13)"]
AY --> AZ["(M13)"]
AZ --> BA["(M13)"]
BA --> BB["(M13)"]
BB --> BC["(M13)"]
BC --> BD["(M13)"]
BD --> BE["(M13)"]
BE --> BF["(M13)"]
BF --> BG["(M13)"]
BG --> BH["(M13)"]
BH --> BI["(M13)"]
BI --> BJ["(M13)"]
BJ --> BK["(M13)"]
BK --> BL["(M13)"]
BL --> BM["(M13)"]
BM --> BN["(M13)"]
BN --> BO["(M13)"]
BO --> BP["(M13)"]
BP --> BQ["(M13)"]
BQ --> BR["(M13)"]
BR --> BS["(M13)"]
BS --> BT["(M13)"]
BT --> BU["(M13)"]
BU --> BV["(M13)"]
BV --> BW["(M13)"]
BW --> BX["(M13)"]
BX --> BY["(M13)"]
BY --> BZ["(M13)"]
BZ --> CA["(M13)"]
CA --> CB["(M13)"]
CB --> CC["(M13)"]
CC --> CD["(M13)"]
CD --> CE["(M13)"]
CE --> CF["(M13)"]
CF --> CG["(M13)"]
CG --> CH["(M13)"]
CH --> CI["(M13)"]
CI --> CJ["(M13)"]
CJ --> CK["(M13)"]
CK --> CL["(M13)"]
CL --> CD
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#cff,stroke:#333
style F fill:#ffc,stroke:#333
style G fill:#cfc,stroke:#333
style H fill:#fcc,stroke:#333
style I fill:#cfc,stroke:#333
style J fill:#fcc,stroke:#333
style K fill:#cfc,stroke:#333
style L fill:#fcc,stroke:#333
style M fill:#cfc,stroke:#333
style N fill:#fcc,stroke:#333
style O fill:#cfc,stroke:#333
style P fill:#fcc,stroke:#333
style Q fill:#cfc,stroke:#333
style R fill:#fcc,stroke:#333
style S fill:#cfc,stroke:#333
style T fill:#fcc,stroke:#333
style U fill:#cfc,stroke:#333
style V fill:#fcc,stroke:#333
style W fill:#cfc,stroke:#333
style X fill:#fcc,stroke:#333
style Y fill:#cfc,stroke:#333
style Z fill:#fcc,stroke:#333
style AA fill:#cfc,stroke:#333
style AB fill:#fcc,stroke:#333
style AC fill:#cfc,stroke:#333
style AD fill:#fcc,stroke:#333
style AE fill:#cfc,stroke:#333
style AF fill:#fcc,stroke:#333
style AG fill:#cfc,stroke:#333
style AH fill:#fcc,stroke:#333
style AI fill:#cfc,stroke:#333
style AJ fill:#fcc,stroke:#333
style AK fill:#cfc,stroke:#333
style AL fill:#fcc,stroke:#333
style AM fill:#cfc,stroke:#333
style AN fill:#fcc,stroke:#333
style AO fill:#cfc,stroke:#333
style AP fill:#fcc,stroke:#333
style AQ fill:#cfc,stroke:#333
style AR fill:#fcc,stroke:#333
style AS fill:#cfc,stroke:#333
style AT fill:#fcc,stroke:#333
4.2 Legende
Terugslagklep
Afsluitventiel
Overstroomventiel
Veiligheidsklepcombinatie
Circulatiepomp
Expansievat
Door ruimtetemperatuur gestuurd ventiel
Afsluitventiel met terugslagklep
Warmteverbruiker
--o Temperatuurvoeler
-w Flexibele aansluitslang
① Warmtepomp met geïntegr. warmtepompregelaar
② Onderbouw-bufferopslagvat
③ Waterverwarmer
④ Condenswaterafvoer
⑤ Overdruk verwarming/glycolwater
⑥ Glycolwaterverdeler
⑦ Glycolwaterverzamelaar
⑧ Aardcollectoren of aardsonden
E10 2de warmtebron
M11 Primaire circulatiepomp
M13 Verwarmings-circulatiepomp
M18 Warmwater-circulatiepomp
R1 Buitenvoeler
R2 Terugloopvoeler
R3 Warmwatervoeler
5 Conformiteitsverklaring
CE
EG - Konformitätserklärung EC Declaration of Conformity Déclaration de conformité CE
©
Der Unterzeichnete
The undersigned