SIW 8TU - Waterpomp DIMPLEX - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis SIW 8TU DIMPLEX in PDF-formaat.
| Type product | Compacte bodem/waterwarmtepomp met geïntegreerde warmwaterboiler |
| Model | Dimplex SIW 8TU |
| Afmetingen (h x b x d) | 2000 x 590 x 730 mm |
| Gewicht (transporteenheid incl. verpakking) | 217 kg |
| Gewicht (gevuld) | 390 kg |
| Voedingsspanning | 3~/N/PE 400 V (50 Hz), zekering C16A |
| Stuurspanning | 1~/N/PE 230 V (50 Hz), zekering C13A |
| Verwarmingswater voorlooptemperatuur | 20 tot 62 ±2 °C |
| Warmtebrontemperatuur (glycolwater) | -5 tot 25 °C |
| Warmtevermogen bij B0/W35 (EN 14511) | 8,1 kW |
| COP bij B0/W35 (EN 14511) | 4,7 |
| Geluidsvermogen (EN 12102) | 46 dB(A) |
| Geluidsdruk op 1 m afstand | 34 dB(A) |
| Koelmiddel / vulgewicht | R410A / 2,9 kg |
| Inhoud warmwaterboiler | 170 liter |
| Materiaal warmwaterboiler | Roestvrij staal EN 1.4162 |
| Max. werkoverdruk (warmtebron/koelplaat) | 3,0 bar |
| Minimale glycolconcentratie | 25% (vorstbescherming tot -14 °C) |
| Aansluitingen verwarming en warmtebron | G 1 1/4" buitendraad |
| Beschermingsgraad | IP 21 |
| Onderhoud filter | Filterzeef reinigen één dag na inbedrijfstelling, daarna regelmatig controleren |
| Omgevingstemperatuur plaatsing | 0 tot 35 °C, vorstvrij en droog |
| Plaats van opstelling | Binnen |
Veelgestelde vragen - SIW 8TU DIMPLEX
Gebruikersvragen over SIW 8TU DIMPLEX
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Waterpomp in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding SIW 8TU - DIMPLEX en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. SIW 8TU van het merk DIMPLEX.
GEBRUIKSAANWIJZING SIW 8TU DIMPLEX
Zeer effi ciënte compacte bodem/ warmtepomp met geïntegreerde warmwaterboiler
Dimplex
Montage- en gebruiksaanwijzing
Inhoudsopgave
1 Direct lezen a.u.b....NL-3
1.1 Belangrijke aanwijzingen ....NL-3
1.2 Beoogd gebruik....NL-3
1.3 Wettelijke voorschriften en regels....NL-3
1.4 Energiebesparend gebruik van de warmtepomp ....NL-4
2 Gebruiksdoeleinde van de warmtepomp ....NL-4
2.1 Toepassingsgebied....NL-4
2.2 Werkwijze ....NL-4
3 Basisapparaat.... NL-4
3.1 Algemeen....NL-4
3.2 Hydraulische module voor glycolwater/water ....NL-5
3.3 Warmtepompmodule ....NL-5
4 Accessoires ....NL-5
4.1 Glycolwaterverdeler....NL-5
4.2 Glycolwaterpressostaat ....NL-6
4.3 Afstandsbediening ....NL-6
4.4 Gebouwbeheersysteem....NL-6
4.5 Smart-RTC....NL-6
5 Transport....NL-6
5.1 Algemeen....NL-6
5.2 De afdekplaten verwijderen ....NL-7
5.3 De warmtepompmodule verwijderen ....NL-7
6 Plaatsing NL-9
6.1 Algemene aanwijzingen....NL-9
6.2 Geluidsemissies....NL-9
7 Montage....NL-9
7.1 Algemeen....NL-9
7.2 Aansluiting verwarmingskant....NL-9
7.3 Aansluiting aan de kant van de warmtebron....NL-10
7.4 Warmwateraansluiting ....NL-10
7.5 Temperatuurvoelers....NL-11
7.6 Elektrische aansluiting....NL-11
8 Inbedrijfstelling....NL-12
8.1 Algemeen....NL-12
8.2 Voorbereiding ....NL-12
8.3 Werkwijze bij inbedrijfstelling ....NL-12
9 Onderhoud / reiniging.... NL-13
9.1 Onderhoud....NL-13
9.2 Reiniging verwarmingskant....NL-13
9.3 Reiniging aan de kant van de warmtebron ....NL-13
10 Storingen / storingsdiagnose.... NL-13
11 Buitenbedrijfstelling / verwijdering afvalstoffen ....NL-13
12 Toestelinformatie ....NL-14
Bijlage A-I
Maatschets ......A-II
Diagrammen....A-III
Elektrische schema's hydraulische module ...... A-VII
Elektrische schema's warmtepompmodule ......A-XIV
Hydraulisch aansluitschema ....A-XVIII
Conformiteitsverklaring ......A-XXI
1 Direct lezen a.u.b.
1.1 Belangrijke aanwijzingen
OPGELET!
Bij het gebruik en onderhoud van een warmtepomp moeten de wettelijke eisen worden nageleefd van het land waarin de warmtepomp wordt gebruikt. Afhankelijk van de koelmiddelhoeveelheid moet de dichtheid van de warmtepomp met regelmatige tussenpozen door hiertoe opgeleid personeel worden gecontroleerd en vastgelegd.
OPGELET!
Bij een externe besturing van de warmtepomp resp. de circulatiepomp moet in een additionele debietschakelaar worden voorzien, die het inschakelen van de compressor bij afwezig debiet voorkomt.
OPGELET!
De warmtepompmodule mag in gemonteerde of gedemonteerde toestand maximaal 45° gekanteld worden (in iedere richting).
OPGELET!
Vóór de inbedrijfstelling moet de transportbeveiliging worden verwijderd.
OPGELET!
Spoel de verwarmingsinstallatie voordat de warmtepomp aangesloten wordt.
OPGELET!
De maximale testdruk bedraagt aan de verwarmings- en glycolwaterkant 6,0 bar. Deze waarde mag niet worden overschreden.
OPGELET!
Het glycolwater moet ten minste voor 25 % uit een antivries- en corrosiebeschermingsmiddel op monoethyleenglycol- of propyleenglycolbasis bestaan en moet voor het vullen worden gemengd.
OPGELET!
In de warmtebronkring moet ter plekke een geschikte luchtafscheider (afscheider van microluchtbellen) worden aangebracht
OPGELET!
Let op het rechtsdraaiende veld: bij een verkeerde bedrading wordt het opstarten van de warmtepomp verhinderd. Een desbetreffende aanwijzing wordt in de warmtepompmanager weergegeven (bedrading aanpassen).
OPGELET!
De inbedrijfstelling van de warmtepomp moet volgens de montage- en gebruiksaanwijzing van de warmtepompmanager worden uitgevoerd.
OPGELET!
In de warmtebroningang van de warmtepomp moet het bijgevoegde filter worden gemonteerd om de verdamper tegen verontreiniging te beschermen.
OPGELET!
Werkzaamheden aan de warmtepomp mogen uitsluitend door een bevoegde en vakkundige servicedienst uitgevoerd worden.
OPGELET!
Voordat het apparaat geopend wordt, moeten alle stroomkringen spanningsvrij worden geschakeld.
1.2 Beoogd gebruik
Dit apparaat is uitsluitend voor het door de fabrikant beoogde gebruiksdoeleinde vrijgegeven. Elk ander of verderreikend gebruik wordt als oneigenlijk gebruik beschouwd. Hiertoe wordt ook de inachtneming van de desbetreffende productdocumentatie gerekend. Het is niet toegestaan het apparaat te veranderen of om te bouwen.
1.3 Wettelijke voorschriften en regels
Deze warmtepomp is volgens artikel 1, paragraaf 2k) van de EG- richtlijn 2006/42/EC (richtlijn voor machines) voor huiselijk gebruik bestemd en valt daarmee onder de eisen van de EG- richtlijn 2006/95/EC (laagspanningsrichtlijn). De pomp is daarmee ook bestemd voor gebruik door leken voor het verwarmen van winkels, kantoren en andere soortgelijke werkomgevingen, evenals voor het verwarmen van landbouwbedrijven, hotels, pensions en dergelijke of voor het verwarmen van andere wooninrichtingen.
De warmtepomp voldoet aan alle relevante DIN-/VDE-voorschriften en EG-richtlijnen. Deze vindt u in de CE-verklaring in de bijlage.
De elektrische aansluiting van de warmtepomp moet volgens de geldige VDE-, EN- en IEC-normen en volgens het Algemeen Reglement voor Elektrische Installaties (A.R.E.I.) worden uitgevoerd. Bovendien moeten de aansluitingsvoorwaarden van de energiebedrijven in acht worden genomen.
De warmtepomp moet overeenkomstig de betreffende voorschriften in de warmtebron- en verwarmingsinstallatie geïntegreerd worden.
Personen, in het bijzonder kinderen, die wegens hun fysieke, zintuiglijke of mentale vaardigheden of wegens hun gebrek aan kennis of ervaring niet in staat zijn het toestel op een veilige manier te gebruiken, mogen dit toestel niet zonder toezicht of instructies van een verantwoordelijke persoon gebruiken.
Houd altijd toezicht op kinderen om er zeker van te zijn dat ze niet met het toestel spelen.
OPGELET!
Bij het gebruik en onderhoud van een warmtepomp moeten de wettelijke eisen worden nageleefd van het land waarin de warmtepomp wordt gebruikt. Afhankelijk van de koelmiddelhoeveelheid moet de dichtheid van de warmtepomp met regelmatige tussenpozen door hiertoe opgeleid personeel worden gecontroleerd en vastgelegd.
1.4 Energiebesparend gebruik van de warmtepomp
Door het gebruiken van deze warmtepomp draagt u bij aan de ontlasting van ons milieu. Voor een efficiënte werking is een zorgvuldige dimensionering van de verwarmingsinstallatie en de warmtebron erg belangrijk. Daarbij moet de aandacht met name op een zo laag mogelijke watervoorlooptemperatuur worden gericht. Daarom dienen alle aangesloten energieverbruikers voor een lage voorlooptemperatuur geschikt te zijn. Een 1 K hogere verwarmingstemperatuur verhoogt het energieverbruik met ca. 2,5 %. Een lagetemperatuurverwarming met voorlooptemperaturen tussen 30 °C en 50 °C is voor een energiebesparende werking prima geschikt.
Tijdens het gebruik van de warmtepomp mag de warmwatertemperatuur niet boven de 45 °C liggen. Hierdoor kunt u aanzienlijk op het energieverbruik besparen.
2 Gebruiksdoeleinde van de warmtepomp
2.1 Toepassingsgebied
De uiterst efficiënte compacte bodem/waterwarmtepomp met geïntegreerde warmwaterboiler is uitsluitend bedoeld voor het verwarmen van verwarmingswater en water voor industriële doeleinden. De pomp kan in aanwezige of nieuw te plaatsen verwarmingsinstallaties gebruikt worden. Als warmtedrager in de warmtebroninstallatie wordt glycolwater gebruikt. Als warmtebron kunnen aardsonden, aardcollectoren of soortgelijke installaties worden gebruikt.
2.2 Werkwijze
De bodem slaat de warmte van de zon, de wind en de regen op. Deze aardwarmte wordt in de aardcollector, de aardsonden e.d. door het glycolwater bij een lage temperatuur opgenomen. Een circulatiepomp transporteert dan het "verwarmde" glycolwater naar de verdamper van de warmtepomp. Daar wordt deze warmte aan het koelmiddel in de koelkringloop afgestaan. Daarbij koelt het glycolwater weer af, zodat dit in het glycolwatercircuit weer warmte-energie kan opnemen.
Het koelmiddel wordt door de elektrisch aangedreven compressor aangezogen, gecomprimeerd en naar een hoger temperatuurniveau "gepompt". De bij dit proces toegevoerde elektrische energie gaat niet verloren, maar wordt grotendeels aan het koelmiddel afgestaan.
Vervolgens komt het koelmiddel in de condensor en draagt hier wederom zijn warmte-energie aan het verwarmingswater af. Afhankelijk van het werkpunt kan het verwarmingswater zo tot 62 °C verwarmd worden.
3 Basisapparaat
3.1 Algemeen
Het basisapparaat bestaat uit een compacte warmtepomp voor opstelling binnen met geïntegreerde warmwaterboiler.
Op het schakelkastje met warmtepompmanager zijn alle voor de werking van de warmtepomp noodzakelijke componenten aangebracht. Een voeler voor de buitentemperatuur met bevestigingsmateriaal evenals een filter worden bij de warmtepomp meegeleverd. De stroomtoevoer voor de voedings- en stuurspanning moet ter plaatse worden aangelegd.
Het warmtebronsysteem met de glycolwaterverdeler moet ter plaatse worden aangebracht.

1) Hydraulische module voor glycolwater/water
2) Schakelpaneel met warmtepompmanager
3) Warmtepompmodule
3.2 Hydraulische module voor glycolwater/water
De hydraulische module voor glycolwater/water bevat de componenten van het verwarmings- en glycolwatercircuit die voor het aansluiten van de warmtepomp nodig zijn.

De koelkringloop is "hermetisch gesloten" en bevat het in het Kyoto-protocol aangegeven gefluorideerde koelmiddel R410A met een GWP-waarde van 1975. Het is CFK-vrij, breekt geen ozon af en is niet brandbaar.
Het schakelkastje van de warmtepompmodule bevat alle componenten die voor de werking van de koelkringloop noodzakelijk zijn.

De glycolwaterverdeler verenigt de collector- of sondelussen in één hoofdleiding, die op de warmtepomp is aangesloten. Door middel van de geïntegreerde kogelkranen kunnen afzonderlijke glycolwatercircuits afgesloten worden om ze te ontluchten of te legen.

De collector- of sondebuizen moeten van onderaf spanningsvrij met een boog op de verdeler aangesloten worden om de lineaire
uitzetting in de zomer of winter te kunnen compenseren (spanningsscheuren).
4.2 Glycolwaterpressostaat
Als een glycolwaterpressostaat wordt voorgeschreven, kan deze als volgt in de hoofdleiding van de warmtebron (accessoirepakket glycolwater) worden ingebouwd.

4.3 Afstandsbediening
Voor meer comfort is een afstandsbedienings-eenheid als speciaal toebehoren verkrijgbaar. Bediening en menunavigatie zijn identiek met die van de warmtepompmanager. Aansluiting met een 6-aderig telefoonsnoer (speciaal toebehoren) met westerncontacten.
i OPMERKING
Bij verwarmingsregelaars met een afneembaar bedieningspaneel kan dit direct als afstandsbedienings-eenheid toegepast worden.
4.4 Gebouwbeheersysteem
De warmtepompmanager kan met een daartoe geschikte uitbreiding op het netwerk van een gebouwbeheersysteem aangesloten worden. Voor de precieze aansluiting en de configuratie van de interface moet de aanvullende montagehandleiding van de uitbreiding in acht genomen worden.
Voor de warmtepompmanager zijn de volgende verbindingen mogelijk:
Modbus
EIB, KNX
Ethernet
OPGELET!
Bij een externe besturing van de warmtepomp resp. de circulatiepomp moet in een additionele debietschakelaar worden voorzien, die het inschakelen van de compressor bij afwezig debiet voorkomt.
4.5 Smart-RTC
De Smart-RTC is een ruimtetemperatuurregelaar met display, die de actuele kamertemperatuur weergeeft en waarmee tevens de gewenste kamertemperatuur ingesteld kan worden. De Smart-RTC is als opbouwvariant (RT Econ A) of als inbouwvariant (RT Econ U) verkrijgbaar. Bij beide varianten zijn reeds temperatuurvoelers voor de registratie van de kamertemperatuur geïntegreerd.
Voor de installatie en de bediening moet de aanvullende montagehandleiding van de Smart-RTC in acht genomen worden.

Voor transport over een effen ondergrond is een hefwagen geschikt. Indien de warmtepomp over een ongelijke ondergrond of over trappen wordt vervoerd, dan kan dat met draagriemen worden gedaan. Deze kunnen direct onder de pallet geschoven worden.

OPGELET!
De warmtepompmodule mag in gemonteerde of gedemonteerde toestand maximaal 45° gekanteld worden (in iedere richting).
5.2 De afdekplaten verwijderen
Om bij het binnenste van het apparaat te komen, is het mogelijk alle frontplaten eraf te halen.

Afb. 5.1: onderste frontplaat openen

Afb. 5.2: bovenste frontplaat openen

Afb. 5.3: zijpanelen openen
5.3 De warmtepompmodule verwijderen
Als de warmtepompmodule verwijderd is, kan de warmtepomp eenvoudig liggend getransporteerd worden, terwijl de warmtepompmodule apart getransporteerd wordt.

Na het transport moet de transportbeveiliging op de warmtepompmodule aan beide zijden worden verwijderd.



De warmtepompmodule mag in gemonteerde of gedemonteerde toestand maximaal 45° gekanteld worden (in iedere richting).
OPGELET!
Vóór de inbedrijfstelling moet de transportbeveiliging worden verwijderd.
6 Plaatsing
6.1 Algemene aanwijzingen
De compacte bodem/waterwarmtepomp moet in een vorstvrije en droge ruimte op een effen, glad en horizontaal oppervlak geplaatst worden. Daarbij moet het frame rondom dicht bij de grond liggen om een toereikende geluidsisolatie te garanderen. De ondergrond moet het gewicht van de warmtepomp en de hoeveelheid warm water kunnen dragen. Indien voetjes worden gebruikt, moet de warmtepomp waterpas worden uitgelijnd. In dit geval is het mogelijk dat het aangegeven geluidsniveau maximaal 3 dB(A) hoger ligt en aanvullende geluidsisolerende maatregelen noodzakelijk worden.
De warmtepomp moet zo zijn opgesteld dat reparatie- en onderhoudswerkzaamheden aan het apparaat probleemloos kunnen worden uitgevoerd. Dit is gewaarborgd als er vóór en eventueel aan de zijkanten van de warmtepomp een afstand van ca. 1 m aangehouden wordt. Als de warmtepomp alleen via de voorkant toegankelijk is (bijv. bij inbouw in nissen, etc.), dan kan de warmtepompmodule door de servicedienst verwijderd worden (zie hoofdstuk 5).

In de montageruimte mogen zich geen seizoenvorst of hogere temperaturen dan 35 °C voordoen.
6.2 Geluidsemissies
Dankzij de doeltreffende geluidsisolatie werkt de warmtepomp zeer stil. Geluidsoverbrenging naar het fundament resp. het verwarmingssysteem wordt door interne ontkoppelingsmaatregelen in hoge mate voorkomen.
7 Montage
7.1 Algemeen
Aan de warmtepomp kunnen de volgende aansluitingen tot stand gebracht worden:
■ Voorloop/retour glycolwater (warmtebronsysteem)
■ Voorloop/retour verwarming
Warmwateruitloop
Koudwaterverzorging
Spanningsvoorziening
■ Temperatuurvoeler
7.2 Aansluiting verwarmingskant
OPGELET!
Spoel de verwarmingsinstallatie voordat de warmtepomp aangesloten wordt.
Voordat de warmtepomp aan de warmwaterkant aangesloten wordt, dient de verwarmingsinstallatie doorgespoeld te worden om mogelijk vuil, resten van isolatiemateriaal etc. te verwijderen. Als de condensor door resten en vervuiling verstopt raakt, kan dit tot uitval van de warmtepomp leiden.
Na installatie van de verwarmingskant dient de verwarmingsinstallatie te worden gevuld, ontlucht en onderdrukt.
OPGELET!
De maximale testdruk bedraagt aan de verwarmings- en glycolwaterkant 6,0 bar.
Deze waarde mag niet worden overschreden.
Bij het vullen van de installatie moet op het volgende worden gelet:
■ onbehandeld vul- en suppletiewater moet drinkwaterkwaliteit hebben (kleurloos, helder, zonder afzettingen)
- het vul- en suppletiewater moet zijn voorgefilterd (poriënwijdte max. 5 µm)
Kalksteenvorming in warmwaterverwarmingsinstallaties kan niet volledig worden voorkomen, maar is bij installaties met voorlooptemperaturen onder 60 °C verwaarloosbaar klein.
Bij warmtepompen voor gemiddelde en hoge temperatuur kunnen ook temperaturen boven 60 °C worden bereikt.
Daarom moeten voor het vul- en suppletiewater volgens VDI 2035 blad 1 de volgende richtwaarden aangehouden worden:
| Totaal verwarmings-vermogen in [kW] | Totaal aardalkaliënin mol/m3 resp.mmol/l | Totalehardheid in °dH |
| tot 200 | ≤ 2,0 ≤ 11,2 | |
| 200 tot 600 | ≤ 1,5 | ≤ 8,4 |
| > 600 | < 0,02 | < 0,11 |
Min. debiet verwarmingswater
Het minimale verwarmingswaterdebiet van de warmtepomp dient in elke bedrijfstoestand van de verwarmingsinstallatie gegarandeerd te zijn.
Dit kan door een voortdurend geopende verwarmingskring, b.v. in een door een ruimtetemperatuurregelaar (als speciaal toebehoren verkrijgbaar) geregelde referentieruimte, worden bereikt.
(zie aansluitschema Afb. 5.1 on pag. XVIII)
i OPMERKING
Bij niet in acht nemen kunnen er storingen in de installatie ontstaan.
| Als de warmtepompmanager en de verwarmingscirculatiepompen bedrijfsklaar zijn, werkt de vorstbeveiliging van de warmtepompmanager. Bij buitenbedrijfstelling van de warmtepomp of bij stroomuitval moet de installatie worden geleegd. Bij warmtepompsystemen waarbij stroomuitval niet herkend kan worden (vakantiehuis), moet de verwarmingskring van een geschikte vorstbeveiliging worden voorzien. |
Het volume van het verwarmingswater moet door de ontwerper van de installatie worden gecontroleerd. Ter plaatse moet een expansievat in de retourleiding worden geïnstalleerd (volgens DIN 4751 deel 1). Tabellen in catalogi van fabrikanten vereenvoudigen het dimensioneren naar waterinhoud van de installatie.
7.3 Aansluiting aan de kant van de warmtebron
De aansluiting dient als volgt te worden uitgevoerd:
De glycolwaterleiding op de voorloop en de retour van de warmtepomp aansluiten.
Hierbij moet het hydraulische aansluitschema in acht genomen worden.
Het meegeleverde filter moet ter plaatse in de glycolwateringang van de warmtepomp gemonteerd worden.
Het glycolwater moet vóór het vullen van de installatie worden bereid. De concentratie glycolwater moet minimaal 25 % zijn. Hierdoor is vorstvrijheid tot -14 °C gewaarborgd.
Er mogen uitsluitend antivriesmiddelen op mono-ethyleenglycol-of propyleenglycolbasis worden gebruikt.
Het warmtebronsysteem moet worden ontlucht en op dichtheid worden gecontroleerd.
OPGELET!
Het glycolwater moet ten minste voor 25 % uit een antivries- en corrosiebeschermingsmiddel op monoethyleenglycol- of propyleenglycolbasis bestaan en moet voor het vullen worden gemengd.
OPGELET!
In de warmtebronkring moet ter plekke een geschikte luchtafscheider (afscheider van microluchtbellen) worden aangebracht
7.4 Warmwateraansluiting
7.4.1 Algemeen
De installatie en inbedrijfstelling dient door een gecertificeerd vakbedrijf te worden uitgevoerd. Daarbij moet de werking en de dichtheid van het gehele systeem gecontroleerd worden, inclusief de in de fabriek gemonteerde delen. Het roestvrijstalen opslagvat is conform EN 1.4162 geschikt voor normaal drinkwater. Het maximale gehalte aan chloride in drinkwater moet aangehouden worden.
| Warmwatertemperatuur in °C Chloridegehalte in mg/l | |
| 20 < 100 | |
| 70 < 50 | |
De aansluiting moet volgens DIN 1988 en DIN 4753 deel 1 worden uitgevoerd. Daarbij moeten de landspecifieke voorschriften in acht worden genomen.
De volgende materialen kunnen in de bestaande warmwaterkring te vinden zijn:
Koper
Roestvrij staal
Messing
Kunststof
Afhankelijk van het in de warmwaterkring gebruikte materiaal (installatie ter plaatse) kan er door onverdraagbare materialen corrosie ontstaan. Dit moet in het bijzonder bij het gebruik van verzinkte en aluminium bevattende grondstoffen in acht genomen worden. Als er bij gebruik een risico bestaat dat het water verontreinigingen bevat, moet het systeem eventueel van een filter worden voorzien.
De op het typeplaatje vermelde werkoverdrukken mogen niet overschreden worden. Er moet eventueel een drukontlaster gemonteerd worden.
i OPMERKING
Om drukverschillen of waterslagen in het koudwaterleidingnet te compenseren en om onnodig waterverlies te voorkomen, moet een gesloten expansievat met doorstromingsarmatuur gemonteerd worden.
7.4.2 Inbedrijfstelling
Controleer voor het inbedrijfstellen of de watertoevoer geopend en het opslagvat vol is.
De warmwaterboiler moet ter plaatse van een gecertificeerd veerbelast membraanveiligheidsventiel worden voorzien. Tussen het opslagvat en het veiligheidsventiel mag geen afsluitinrichting ingebouwd worden. De storingsvrije werking van het ventiel moet regelmatig gecontroleerd worden. Jaarlijks onderhoud van de installatie door een vakbedrijf is raadzaam.
7.5 Temperatuurvoelers
De volgende temperatuurvoelers zijn reeds ingebouwd resp. moeten aanvullend worden gemonteerd.
■ Buitentemperatuur (R1) meegeleverd
■ Retourtemperatuur verwarmingskring (R2) ingebouwd
■ Retourtemperatuur primaire kring (R24) ingebouwd
■ Voorlooptemperatuur verwarmingskring (R9) ingebouwd
■ Voorlooptemperatuur primaire kring (R6) ingebouwd
■ Warmwatertemperatuur (R3) ingebouwd
7.5.1 Voelerkarakteristieken
De op de warmtepompmanager aan te sluiten temperatuurvoelers moeten overeenkomen met de in Afb. 7.1 on pag. 11 getoonde voelerkarakteristieken. De enige uitzondering betreft de buitentemperatuurvoeler die zich in de leveromvang de warmtepomp bevindt (zie Afb. 7.2 on pag. 11)

line
| Buitentemperatuur [°C] | Woorlandwaarde [hChm] | |---|---| | -20 | 68 | | -15 | 55 | | -10 | 45 | | -6 | 35 | | 0 | 30 | | 6 | 25 | | 10 | 20 | | 15 | 17 | | 20 | 14 | | 25 | 11 | | 30 | 9 | | 35 | 8 | | 40 | 7 | | 45 | 6 | | 50 | 5 | | 55 | 4 | | 60 | 3 |Afb. 7.1: Voelerkarakteristiek NTC-10

line
| Buitentemperatuur [°C] | Wectorlandsenundite [BoTh/m] | |---|---| | -20 | 14.0 | | -15 | 11.0 | | -10 | 8.0 | | -5 | 6.0 | | 0 | 5.0 | | 5 | 4.0 | | 10 | 3.5 | | 15 | 3.0 | | 20 | 2.5 | | 25 | 2.0 | | 30 | 1.8 | | 35 | 1.5 | | 40 | 1.3 | | 45 | 1.1 | | 50 | 1.0 | | 55 | 0.9 | | 60 | 0.8 |Afb. 7.2: Voelerkarakteristiek NTC-2 volgens DIN 44574 buitentemperatuurvoeler
7.5.2 Montage van de buitentemperatuurvoeler
De temperatuurvoeler moet zo aangebracht worden dat alle weersinvloeden geregistreerd worden en de meetwaarde niet vervalst wordt.
■ aan de buitenwand van een verwarmde woonruimte en indien mogelijk aan de noordelijke/noordwestelijke zijde bevestigen
■ niet op een "beschutte plek" (bijv. in een muurnis of onder het balkon) monteren
■ niet in de buurt van ramen, deuren, ontluchtingsopeningen, buitenlampen of warmtepompen bevestigen
in geen enkel seizoen aan direct zonlicht blootstellen
Voelerleiding: Lengte max. 40 m; aderdiameter min. 0,75 mm²; buitendiameter van de kabel 4-8 mm.
7.6 Elektrische aansluiting
7.6.1 Algemeen
Alle elektrische aansluitwerkzaamheden mogen uitsluitend door een elektricien of een voor de betreffende werkzaamheden geschoold persoon met inachtneming van de
■ montage- en gebruiksaanwijzing,
■ landspecifieke installatievoorschriften (bijv. VDE 0100),
technische aansluitvoorwaarden van het energiebedrijf en de netwerkexploitant (bijv. TAB) en
■ de plaatselijke omstandigheden
worden uitgevoerd.
Ter waarborging van de vorstbeveiligingsfunctie van de warmtepomp mag de warmtepompmanager niet uitgeschakeld worden, en moet er stroming door de warmtepomp plaatsvinden.
De schakelcontacten van de uitgangsrelais zijn ontstoord. Daarom is er (afhankelijk van de interne weerstand van een meetinstrument) ook bij niet gesloten contacten een spanning meetbaar; deze is echter veel lager dan de netspanning.
Op de regelaarklemmen N1-J1 tot N1-J11; N1-J19; N1-J20; N1-J23; N1-J24 en de klemmenstrook X3 is een extra lage spanning aanwezig. Als er door een bedradingsfout op deze klemmen netspanning gezet wordt, vernietigt dit de warmtepompmanager.
7.6.2 Elektrische aansluitwerkzaamheden
1) De 5-aderige elektrische kabel voor het vermogensdeel van de warmtepomp wordt van de stroommeter van de warmtepomp via de energiebedrijfsblokkering (indien vereist) in de warmtepomp geleid.
Aansluiting van de voedingskabel op het schakelkastje van de warmtepomp via de klemmen X1: L1/L2/L3/N/PE.
De spanningsvoorziening voor de warmtepomp moet worden voorzien van een alpolige afschakeling met ten minste 3 mm contactopeningsafstand (bijv. een energiebedrijfsblokkering of een vermogensschakelaar) en een alpolige vermogensschakelaar met één uitschakeling voor alle buitenkabels (uitschakelstroom en karakteristiek volgens toestelinformatie).
OPGELET!
Let op het rechtsdraaiende veld: bij een verkeerde bedrading wordt het opstarten van de warmtepomp verhinderd. Een desbetreffende aanwijzing wordt in de warmtepompmanager weergegeven (bedrading aanpassen).
2) De 3-aderige voedingsleiding voor de warmtepompmanager (verwarmingsregelaar N1) wordt in de warmtepomp geleid.
Aansluiting van de stuurlijn op het schakelkastje van de warmtepomp via de klemmen X2: L/N/PE.
Het stroomverbruik van de warmtepomp vindt u bij de productinformatie of op het typeplaatje.
De kabel (L/N/PE\~230 V, 50 Hz) voor de WPM moet onder permanente spanning zijn en moet om deze reden vóór de energiebedrijfsblokkering afgetakt resp. op de huishoudingsstroom aangesloten zijn, omdat anders gedurende de energiebedrijfsblokkering belangrijke beveiligingsfuncties buiten werking zijn.
3) De energiebedrijfsblokkering (K22) met 3 hoofdcontacten (1/3/5 // 2/4/6) en een hulpcontact (NO-contact 13/14) moet op de capaciteit van de warmtepomp worden afgestemd en ter plaatse geïnstalleerd worden.
Het NO-contact van de energiebedrijfsblokkering (13/14) wordt van de klemmenstrook X3/G naar de klem X3/A1 doorgelust. LET OP! Extra lage spanning! De contactor wordt in de stroomdistributie ingebouwd. De voedingskabel voor de ingebouwde radiator moet volgens de geldende normen en voorschriften geïnstalleerd en beveiligd worden.
4) Alle geïnstalleerde elektrische leidingen moeten als duurzame en stevige bedrading uitgevoerd zijn.
5) De buitenvoeler (R1) wordt aan de klemmen X3/GND en X3/R1 vastgeklemd.
8 Inbedrijfstelling
8.1 Algemeen
Voor een inbedrijfstelling volgens de voorschriften dient deze door een door de fabriek bevoegde servicedienst uitgevoerd te worden. Onder bepaalde voorwaarden is daarmee een verlenging van de garantie verbonden (vgl. garantievergoeding).
8.2 Voorbereiding
Voorafgaand aan de inbedrijfstelling dienen de volgende punten gecontroleerd te worden:
Alle aansluitingen van de warmtepomp dienen gemonteerd te zijn zoals beschreven in hoofdstuk 7.
- Het warmtebronsysteem en de verwarmingskring moeten gevuld en gecontroleerd zijn.
- Filter en ontluchter moeten in de glycolwateringang van de warmtepomp zijn ingebouwd.
In de glycolwater- en verwarmingskring moeten alle schuiven die de correcte doorstroom zouden kunnen belemmeren, geopend zijn.
De warmtepompmanager moet volgens de bijbehorende gebruiksaanwijzing voor de aanwezige hydraulica geconfigureerd zijn.
8.3 Werkwijze bij inbedrijfstelling
De inbedrijfstelling van de warmtepomp verloopt via de warmtepompmanager.
OPGELET!
De inbedrijfstelling van de warmtepomp moet volgens de montage- en gebruiksaanwijzing van de warmtepompmanager worden uitgevoerd.
De instelling van het overloopventiel moet op het verwarmingssysteem worden afgestemd. Een verkeerde instelling kan tot verschillende soorten storingen en een verhoogde elektrische energiebehoefte leiden. Om het overloopventiel goed in te stellen, adviseren wij als volgt te handelen:
Sluit alle verwarmingskringen die ook bij een werkende installatie afhankelijk van het gebruik gesloten kunnen zijn, zodat de doorgangssnelheid van het water in deze bedrijfsstand zo ongunstig mogelijk is. Dit zijn doorgaans de verwarmingskringen in de ruimten aan de zuid- en westkant. Er moet minimaal één verwarmingskring geopend blijven (bv. badkamer).
Het overloopventiel moet zo ver worden geopend dat bij de actuele warmtebrontemperatuur het in de onderstaande tabel aangegeven maximale temperatuurverschil tussen verwarmingsvoorloop en -retour ontstaat. Het temperatuurverschil moet zo dicht mogelijk bij de warmtepomp worden gemeten. Bij mono-energetische installaties moet het verwarmingselement tijdens de inbedrijfstelling gedeactiveerd worden.
| Warmtebron-temperatuurvan tot | max. temperatuurverschiltussen verwarmingsvoorloop en -retour | |
| -5 °C 0 °C | 10 K | |
| 1 °C 5 °C | 11 K | |
| 6 °C 9 °C | 12 K | |
| 10 °C 14 °C | 13 K | |
| 15 °C 20 °C | 14 K | |
| 21 °C 25 °C | 15 K | |
9 Onderhoud / reiniging
9.1 Onderhoud
Om bedrijfsstoringen door opeenhoping van vuil in de warmtewisselaars te voorkomen, moet ervoor gezorgd worden dat er geen vuil in het warmtebronsysteem en de verwarmingsinstallatie terecht kan komen. Indien er zich toch dergelijke bedrijfsstoringen voordoen, moet de installatie worden gereinigd zoals hieronder beschreven.
9.2 Reiniging verwarmingskant
Vooral bij het gebruik van stalen componenten kan zuurstof in de verwarmingswaterkringloop oxidatieproducten (roest) veroorzaken. De roest komt via ventielen, circulatiepompen of kunststof buizen in het verwarmingssysteem terecht. Daarom dient er - met name bij de buizen van de vloerverwarming - op een diffusiedichte installatie gelet te worden.
i OPMERKING
Om afzettingen in de condensor van de warmtepomp te voorkomen (bijv. roest) wordt aanbevolen, een geschikt systeem als corrosiebescherming te gebruiken. Wij raden daarom aan, diffusie-open verwarmingsinstallaties van een elektrofysische corrosiebeveiliging te voorzien (bijv. ELYSATOR-systeem).
Ook resten van smeer- en afdichtingsmiddelen kunnen het warme water vervuilen.
Indien de vervuiling zo groot is dat het de prestaties van de condensor in de warmtepomp belemmert, moet een installateur de installatie reinigen.
Op basis van de huidige kennisstand adviseren wij om te reinigen met 5% fosforzuur of, indien er vaker moet worden gereinigd, met 5% mierenzuur.
In beide gevallen moet de reinigingsvloeistof op kamertemperatuur zijn. Het is raadzaam de warmtewisselaar tegen de normale doorstroomrichting in uit te spoelen.
Om te voorkomen dat zuurhoudend reinigingsmiddel in de kringloop van de verwarmingsinstallatie terechtkomt, raden wij aan, het spoelapparaat direct op de voorloop en de retour van de condensor aan te sluiten. Daarna moet er met geschikte, neutraliserende middelen nogmaals grondig gespoeld worden, zodat beschadigingen door eventueel in het systeem achtergebleven resten reinigingsmiddel worden voorkomen.
De zuren moeten voorzichtig worden gebruikt en de desbetreffende voorschriften moeten in acht genomen worden.
In geval van twijfel moet met de fabrikant van het reinigingsmiddel worden overlegd!
9.3 Reiniging aan de kant van de warmtebron
OPGELET!
In de warmtebroningang van de warmtepomp moet het bijgevoegde filter worden gemonteerd om de verdamper tegen verontreiniging te beschermen.
Een dag na de inbedrijfstelling moet de filterzeef van de filter worden gereinigd. Verdere controles moeten afhankelijk van de mate van vervuiling worden bepaald. Is er geen vervuiling meer zichtbaar, dan kan de zeef van de filter worden gedemonteerd om het drukverlies te reduceren.
10 Storingen / storingsdiagnose
Deze warmtepomp is een kwaliteitsproduct dat storingsvrij dient te werken. Als er toch een storing optreedt, wordt dit op het display van de warmtepompmanager weergegeven. Zie hiertoe de pagina Storingen en Storingsdiagnose in de gebruiksaanwijzing van de warmtepompmanager.
Kunt u de storing niet zelf verhelpen, waarschuw dan de bevoegde servicedienst.
OPGELET!
Werkzaamheden aan de warmtepomp mogen uitsluitend door een bevoegde en vakkundige servicedienst uitgevoerd worden.
OPGELET!
Voordat het apparaat geopend wordt, moeten alle stroomkringen spanningsvrij worden geschakeld.
11 Buitenbedrijfstelling / verwijdering afvalstoffen
Alvorens de warmtepomp te demonteren, dient de machine spanningsvrij te zijn met alle kleppen gesloten. De warmtepomp moet door vakpersoneel worden gedemonteerd. Milieurelevante eisen m.b.t. terugwinning, recyclage en afvoer van afvalstoffen en componenten volgens de gebruikelijke normen dienen te worden nageleefd. Dit geldt in het bijzonder voor het vakkundig verwijderen van het koelmiddel en de koelolie.
12 Toestelinformatie
| 1 Type- en verkoopbenaming | SIW 6TU SIW 8TU SIW 11TU | ||||
| 2 Bouwvorm | |||||
| Warmtebron Glycolwater Glycolwater Glycolwater | |||||
| 2.1 Ultvoering Compact Compact Compact | |||||
| 2.2 Regelaar | WPM EconPlus geïntegreerd | WPM EconPlus geïntegreerd | WPM EconPlus geïntegreerd | ||
| 2.3 Warmtevolumeteller | geïntegreerd | geïntegreerd | geïntegreerd | ||
| 2.4 Plaats van opstelling Binnen | Binnen | Binnen | |||
| 2.5 Vermogensniveaus | 1 | 1 | 1 | ||
| 3 Gebruiksgrens | |||||
| 3.1 Verwarmingswater-voorloop | °C | 20 tot 62 ± 2 | 20 tot 62 ± 2 | 20 tot 62 ± 2 | |
| 3.2 Glycolwater (warmtebron) | °C | -5 tot 25 | -5 tot 25 | -5 tot 25 | |
| 3.3 Antivriesmiddel | Mono-ethyleen glycol | Mono-ethyleen glycol | Mono-ethyleen glycol | ||
| 3.4 Minimale concentratie glycolwater (-13 °C bevriezingstemperatuur) | 25% | 25% | 25% | ||
| 4 Doorstroom / geluid | |||||
| 4.1 Doorloop verwarmingswater bij interne drukdifferentie | |||||
| na 14511 | m3/h / Pa | 1,05 / 14100 | 1,4 / 21600 | 1,9 / 25100 | |
| minimaal | m3/h / Pa | 0,55 / 5000 | 0,7 / 8000 | 0,9 / 4700 | |
| 4.2 Glycolwaterdebiet bij interne drukdifferentie (warmtebron)m3/h / Pa | 1,45 / 17200 | 1,9 / 11200 | 2,6 /17500 | ||
| 4.3 Geluidsvermogen conform EN 12102 | dB(A) | 46 | 46 | 47 | |
| 4.4 Geluidsdruk op 1 m afstand1 | dB(A) | 34 | 34 | 35 | |
| 4.5 Vrije compressie verwarmingscirculatiepomp | Pa | 52000 | 44000 | 22000 | |
| 4.6 Vrije compressie glycolwaterpomp | Pa | 45000 | 48000 | 31000 | |
| 5 Afmetingen, aansluitingen en gewicht | |||||
| 5.1 Afmetingen toestel2 | h x b x d mm | 2000 × 590 x 730 | 2000 × 590 x 730 | 2000 × 590 x 730 | |
| 5.2 Gewicht transporteenheid/-eenheden incl. verpakking/gevuld kg | 210 / 382 | 217 / 390 | 230 / 404 | ||
| 5.3 Toestelaansluitingen voor verwarming | inch | G 11⁄4" buiten | G 11⁄4" buiten | G 11⁄4" buiten | |
| 5.4 Toestelaansluitingen voor warmtebron | inch | G 11⁄4" buiten | G 11⁄4" buiten | G 11⁄4" buiten | |
| 5.5 Koelmiddel; totaal vulgewicht | type / kg | R410A / 2,5 | R410A / 2,9 | R410A / 3,3 | |
| 5.6 Smeermiddel; totale capaciteit | type / liter | Polyolester (POE) / 0,7 | Polyolester (POE) / 1,2 | Polyolester (POE) / 1,2 | |
| 5.7 Volume verwarmingswater In toestel | liter | 2,8 | 2,8 | 3,4 | |
| 5.8 Volume warmtedrager in toestel | liter | 3,0 | 3,6 | 4,5 | |
| 6 Elektrische aansluiting | |||||
| 6.1 Voedingsspanning / zekering (gemeenschappelijke voeding WP en 2e WB) | 3-/N/PE 400 V (50 Hz) / C16A | 3-/N/PE 400 V (50 Hz) / C16A | 3-/N/PE 400 V (50 Hz) / C20A | ||
| 6.2 Zekerling bij aparte voeding: WP / 2e WB | C10A / B10A | C10A / B10A | C10A / B10A | ||
| 6.3 Stuurspanning / zekering | 1-/N/PE 230 V (50 Hz) / C13A | 1-/N/PE 230 V (50 Hz) / C13A | 1-/N/PE 230 V (50 Hz) / C13A | ||
| 6.4 Beschermingsgraad volgens EN 60 529 | IP 21 | IP 21 | IP 21 | ||
| 6.5 Aanloopstroom m. softstarter | A | 28 (zonder softstarter) | 17 | 20 | |
| 6.6 Nominaal verbruik B0 / W35 / max. opname3 | kW | 1,30 / 2,6 | 1,67 / 3,2 | 2,22 / 4,3 | |
| 6.7 Nominale stroom B0 / W35 / cos | A / -- | 2,35 / 0,8 | 3,01 / 0,8 | 4,01 / 0,8 | |
| 6.8 Vermogensopname compressorbeveiliging (per compressor)W | -- | -- | -- | ||
| 6.9 Vermogensopname verwarmingscirculatiepomp | W | max. 70 | max. 70 | max. 70 | |
| 6.10 Vermogensopname glycolwaterpomp | W | max. 70 | max. 70 | max. 70 | |
| 6.11 Elektrische radiator (2e warmtebron) | kW | 2,4 resp. 64 | 2,4 resp. 64 | 2,4 resp. 64 | |
| 7 Voldoet aan de Europese veiligheidsvoorschriften | zie CE-conformiteitsverklaring | zie CE-conformiteitsverklaring | zie CE-conformiteitsverklaring | ||
| 8 Overige uitvoeringskenmerken | |||||
| 8.1 Water in toestel tegen vorst beschermd ^5 | ja ja ja | ||||
| 8.2 max. werkoverdruk (warmtebron/koelplaat) bar 3,0 3,0 3,0 | |||||
| 9 WarmwaterboilerMateriaal conform | EN 1.4162 EN 1.4162 EN 1.4162 | ||||
| 9.1 Netto inhoud liter 170 170 170 | |||||
| 9.2 Oppervlak warmtewisselaar | m ^2 | 2,2 | 2,2 | 2,2 | |
| 9.3 Warmteverlies bij 50 °C boilertemperatuur20 °C kamertemperatuur | kW/h24h | 0,86 | 0,86 | 0,86 | |
| 9.4 Aftapvolume (zonder opnieuw verwarmen) ^6 | liter | 207 207 207 | |||
| 10 Warmtevermogen / prestatie ^3 | EN 14511 | EN 14511 | EN 14511 | ||
| bij B-5 / W45 | kW / --- | 5,0 / 3,1 | 6,5 / 3,1 | 9,1 / 3,2 | |
| bij B0 / W55 | kW / --- | 5,5 / 2,8 | 7,2 / 2,8 | 10,0 / 2,8 | |
| bij B0 / W45 | kW / --- | 5,8 / 3,6 | 7,5 / 3,6 | 10,4 / 3,6 | |
| bij B0 / W35 | kW / --- | 6,1 / 4,6 | 8,1 / 4,7 | 10,9 / 4,8 | |
- Het aangegeven geluidsdrukniveau komt overeen met het bedrijfsgeluid van de warmtepomp in de verwarmingsmodus bij 35 °C voorlooptemperatuur. Het aangegeven geluidsdrukniveau vormt het niveau in het vrije veld. Afhankelijk van de montageplaats kan de meetwaarde max. 16 dB(A) afwijken.
- Let erop dat de benodigde ruimte voor buisaansluiting, bediening en onderhoud groter is.
- Deze gegevens beschrijven de afmetingen en het prestatievermogen van de installatie volgens EN 14511. Voor economische en energetische berekeningen moet met de factoren bivalentiepunt en regeling rekening gehouden worden. Deze gegevens worden uitsluitend met schone warmtewisselaars bereikt. Aanwijzingen voor het onderhoud, de inbedrijfstelling en werking vindt u in de betreffende gedeeltes van de montage- en gebruiksaanwijzing. Hierbij betekent b.v. A7 / W35: warmtebrontemperatuur 7 °C en voorlooptemperatuur verwarmingswater 35 °C.
- Leveringstoestand 6 kW,
- De verwarmingscirculatiepomp en de warmtepompmanager moeten altijd bedrijfsklaar zijn.
- Mengwatertemperatuur 38 °C en boilertemperatuur 45 °C.
Bijlage
1 Maatschets....A-II
2 Diagrammen...... A-III
2.1 Karakteristieken SIW 6TU ......A-III
2.2 Karakteristieken SIW 8TU ......A-IV
2.3 Karakteristieken SIW 11TU ......A-V
2.4 Gebruiksgrensdiagram ....A-VI
5 Hydraulisch aansluitschema....A-XVIII
5.1 Aansluitschema voor een verwarmingskring met vloerverwarming en ruimtetemperatuurregeling via Smart-RTC, warmwaterbereiding ....A-XVIII
5.2 Aansluitschema voor een verwarmingskring
met in serie geschakelde buffertank en warmwaterbereiding....A-XIX
5.3 Legenda....A-XX
6 Conformiteitsverklaring....A-XXI
1 Maatschets





2 Diagrammen
2.1 Karakteristieken SIW 6TU

line
| Inlaattemperatuur glycolwater in [°C] | Temperature at wateruitlaat [°C] = 35 | Temperature at wateruitlaat [°C] = 45 | Temperature at wateruitlaat [°C] = 55 | | ------------------------------------- | -------------------------------------- | -------------------------------------- | -------------------------------------- | | 1 | ~5.0 | ~4.8 | ~4.6 | | 5 | ~11.0 | ~10.2 | ~9.8 |
line
| Inlaattemperatuur glycolwater in [°C] | Verbruik in [kW] (55) | Verbruik in [kW] (45) | Verbruik in [kW] (35) | | ------------------------------------ | --------------------- | --------------------- | --------------------- | | 0 | 2.0 | 1.7 | 1.4 | | 5 | 2.1 | 1.8 | 1.5 | | 10 | 2.1 | 1.8 | 1.5 |
line
| Debiet glycolwater in [m³/h] | Drukverlies in [Pa] | | ---------------------------- | ------------------- | | 0.0 | 0 | | 0.4 | ~1000 | | 0.8 | ~5000 | | 1.2 | ~10000 | | 1.6 | ~15000 | | 2.0 | ~20000 |
line
| Inlaattemperatuur glycolwater in [°C] | Prestatie (incl. aandeel van pompcapaciteit) | | ------------------------------------ | ------------------------------------------- | | 0 | 2.5 | | 0 | 3.0 | | 0 | 3.5 | | 0 | 4.0 | | 0 | 4.5 | | 0 | 5.0 | | 0 | 5.5 | | 0 | 6.0 | | 0 | 6.5 | | 0 | 7.0 | | 0 | 7.5 | | 0 | 8.0 | | 1 | 2.5 | | 1 | 3.0 | | 1 | 3.5 | | 1 | 4.0 | | 1 | 4.5 | | 1 | 5.0 | | 1 | 5.5 | | 1 | 6.0 | | 1 | 6.5 | | 1 | 7.0 | | 1 | 7.5 | | 1 | 8.0 |
line
| Doorloop verwarmingwater in [m³/h] | Drukverlies in [Pa] | | ---------------------------------- | ------------------- | | 0 | 0 | | 2 | ~2500 | | 3 | ~5000 | | 5 | ~7500 | | 6 | ~10000 | | 9 | ~15000 | | 1.2 | ~20000 | | 1.5 | ~25000 | | 1.8 | ~30000 |2.2 Karakteristieken SIW 8TU

line
| Inlaattemperatuur glycolwater in [°C] | Temperature at wateruitlaat [°C] = 35 | Temperature at wateruitlaat [°C] = 45 | Temperature at wateruitlaat [°C] = 55 | | ------------------------------------- | -------------------------------------- | -------------------------------------- | -------------------------------------- | | 1 | 6.8 | 6.5 | 6.2 | | 0 | 7.5 | 7.2 | 6.9 | | 5 | 14.8 | 13.8 | 12.8 |
line
| Inlaattemperatuur glycolwater in [°C] | Verbruik in [kW] (incl. aandeel van pompcapaciteit) | | ------------------------------------- | -------------------------------------------------- | | 0 | 2.5 | | 5 | 2.6 | | 10 | 2.7 | | 15 | 2.8 | | 20 | 2.9 | | 25 | 3.0 | | 30 | 3.1 | | 35 | 3.2 | | 40 | 3.3 | | 45 | 3.4 | | 50 | 3.5 | | 55 | 3.6 | | 60 | 3.7 | | 65 | 3.8 | | 70 | 3.9 | | 75 | 4.0 | | 80 | 4.1 | | 85 | 4.2 | | 90 | 4.3 | | 95 | 4.4 | | 100 | 4.5 |
line
| Debiet glycolwater in [m³/h] | Drukverlies in [Pa] | | ---------------------------- | ------------------- | | 0.5 | 0 | | 1.0 | 1000 | | 1.5 | 3000 | | 2.0 | 6000 | | 2.5 | 10000 | | 3.0 | 15000 | | 3.5 | 20000 | | 4.0 | 25000 |
line
| Inlaattemperatuur glycolwater in [°C] | 35 | 45 | 55 | | ------------------------------------- | ---- | ---- | ---- | | 0 | 4.0 | 3.0 | 2.5 | | 1 | 9.0 | 7.0 | 5.0 |
line
| Doorloop verwarmingwater in [m³/h] | Drukverlies in [Pa] | | ---------------------------------- | ------------------- | | 0 | 0 | | 2 | ~5000 | | 5 | ~10000 | | 1 | 40000 |2.3 Karakteristieken SIW 11TU

line
| Inlaattemperatuur glycolwater in [°C] | Temperature at wateruitlaat [°C] = 35 | Temperature at wateruitlaat [°C] = 45 | Temperature at wateruitlaat [°C] = 55 | | ------------------------------------- | -------------------------------------- | -------------------------------------- | -------------------------------------- | | 0 | 9.0 | 9.0 | 9.0 | | 5 | 20.0 | 19.0 | 18.0 |
line
| Inlaattemperatuur glycolwater in [°C] | Verbruik in [kW] (incl. aandeel van pompcapaciteit) | | ------------------------------------- | -------------------------------------------------- | | 0 | 2.3 | | 0 | 2.9 | | 0 | 3.6 | | 1 | 2.3 | | 1 | 2.9 | | 1 | 3.6 |
line
| Debiet glycolwater in [m³/h] | Drukverlies in [Pa] | | ---------------------------- | ------------------- | | 0 | 0 | | 1 | 500 | | 2 | 1000 | | 3 | 1500 | | 4 | 2000 | | 5 | 2500 |
line
| Inlaattemperatuur glycolwater in [°C] | Prestatie (incl. aandeel van pompcapaciteit) | | ------------------------------------- | ------------------------------------------- | | 0 | 35 | | 0 | 45 | | 0 | 55 |
line
| Doorloop verwarmingwater in [m³/h] | Drukverlies in [Pa] | | ---------------------------------- | ------------------- | | 1 | 0 | | 2 | ~1000 | | 5 | ~5000 | | 1 | ~28000 |2.4 Gebruiksgrensdiagram

line
| Warmwatertemperatuur [°C] | Ingangstemperatuur warmtebron [°C] | | ------------------------- | ---------------------------------- | | 20 | 5 | | 60 | 5 |A1 Brug energiebedrijfsblokkering: moet geplaatst worden als er geen energiebedrijfsblokkering voorhanden is (contact open = energiebedrijfsblokkering) A2 Brug blokkering: moet verwijderd worden wanneer de ingang wordt gebruikt (ingang open = WP geblokkeerd).
A7.1/2 Brug E10.1: door een brug te verwijderen neemt het vermogen met 2 kW af
A11 Brug zonne-energie: bij gebruik van een zonne-energiemodule moet de brug worden verwijderd en de contactpunten met de zonne-energiemodule worden verbonden.
A - R2 Brug retourvoeler: - moet verplaatst worden wanneer een differentiedrukloze verdeler en een "verwarmingskringomkeerventiel" worden gebruikt. Nieuwe contactpunten: X3/1 en X3/2
B2* Pressostaat lage druk primaire kring
B3* Thermostaat warm water
B4 Thermostaat zwembadwater
B5* Thermostaat E10
E9* Dompelweerstand warm water
E10* 2. Warmtebron 2,4 of 6 kW
F2 Zekering van de voeding voor inplugstekkers J12; J13 en J21 5x20 / 4.0 AT
F3 Zekering van de voeding voor inplugstekkers J15 t/m J18 en J22, 5x20 / 4,0 AT
F10.1* Doorstroomschakelaar primaire kring
F10.2* Doorstroomschakelaar secundaire kring
F15 Motorbeveiliging M11
F17 Veiligheidstemperatuurbegrenzer E10.1
F26 Motorbeveiliging M16
H5* Lampje afstandsindicatie storing
J1 Spanningsvoorziening N1
J2 - 3 Analoge ingangen
J4 Analoge uitgangen
J5 Digitale ingangen
J6 Analoge uitgangen
J7 - 8 Digitale ingangen
J9 vrij
J10 Bedieningspaneel
J11 vrij
J12 - J18 230 V AC - Uitgangen voor de besturing van de systeemcomponenten
J19 Digitale ingangen
J20 Analoge uitgangen; analoge ingangen; digitale ingangen
J21 - J22 Digitale uitgangen
J23 Busverbinding naar modules
J24 Spanningsvoorziening voor componenten
K1 Contactor M1
K20* Contactor E10.1
K21* Contactor E9
K22* Energiebedrijfsblokkering
K23* Hulprelais voor blokkeringsingang
K31.1* Aanvraag circulatie warm water
M1 Compressor
M11 Primaire circulatiepomp
M13* Verwarmingscirculatiepomp
M15* Verwarmingscirculatiepomp 2e verwarmingskring
M16 Additionele circulatiepomp
M21* Menger hoofdkring of 3e verwarmingskring
M22* Menger 2e verwarmingskring
[M19]* Zwembadwatercirculatiepomp
[M24]* Circulatiepomp warm water
N1 Regeleenheid
field card Interface naar N23
N14 Bedieningspaneel
N17* pCOe-module
N20* Warmtevolumeteller
N23* Besturing elektronisch expansieventiel E*V-verbinding (1=groen, 2=geel, 3=bruin, 4=wit)
N24 ^* Smart - RTC
R1* Buitenvoeler
R2 Retourvoeler verwarmingskring
R2.1* Retourvoeler verwarmingskring in differentiedrukloze verdeler
R3 Warmwatervoeler
R5* Voeler voor 2e verwarmingskring
R6 Voorloopvoeler primaire kringloop
R7 Codeerweerstand
R9 Voorloopvoeler verwarmingskring
R13 Voeler hernieuwbaar, ruimtevoeler, voeler 3e verwarmingskring
X1 Klemmenstrook voeding E10
X1.1 Stekker voedingsspanning
X2 Klemmenstrook spanning = 230 V AC schakelkastje
X3 Klemmenstrook extra lage spanning < 25 V AC Schakelkastje
X5.1 Busverdelerklem o.a. voor N24
X7 Klemmenstrook vermogensaanpassing E10.1
X12 Stekker stuurspanning 230 V
X13 Stekker extra lage spanning <25 V
* Componenten moeten ter plekke aangesloten / beschikbaar gesteld worden
[] Flexibele bedrading - zie voorconfiguratie (wijziging uitsluitend door service!)
In de fabriek bedraad
---- Kan desgewenst door de klant worden aangesloten
Y13 Drieweg-omschakelventiel
OPGELET!
Op de inplugstekkers N1-J1 tot J11, -J19, -J20, -J23, -J24 en de
klemmenstroken X3, X5.1 staat extra lage spanning.
Hier mag in geen geval een hogere spanning op gezet worden.
4 Elektrische schema's warmtepompmodule
4.1 Sturing

4.2 Vermogen

flowchart
graph TD
A["Motor M1"] -->|T1/T2 T3| B["Switch"]
B --> C["K1"]
C --> D["X1.1"]
D --> E["X1/L1"]
D --> F["X1/L2"]
D --> G["X1/L3"]
D --> H["X1/N"]
D --> I["X1/PE"]
J["Switch F12"] --> K["Output"]
L["Input"] --> M["Control Unit"]
N["External Circuit"] --> O["Switch"]
P["External Circuit"] --> Q["Switch"]
R["External Circuit"] --> S["Switch"]
T["External Circuit"] --> U["Switch"]
V["External Circuit"] --> W["Switch"]
X["External Circuit"] --> Y["Switch"]
Z["External Circuit"] --> AA["Switch"]
4.3 Aansluitschema

4.4 Legende
F24 Hogedrukpressostaat
F5 Lagedrukpressostaat
F7 Heetgasthermostaat
F12 Storingsmeldingscontact
K1 Contactor M1
M1 Compressor
M7 Actuator voor expansieventiel
N1* Warmtepompmanager
R25 Druksensor koelkringloop - lage druk po
R26 Druksensor koelkringloop - hoge druk pc
R27 Zuiggasvoeler
T1 Veiligheidstransformator 230 / 24 V AC
W1* Verbindingsleiding warmtepomp - manager 230 V
W2* Verbindingsleiding warmtepomp - manager <25 V
W3* Busleiding N1 <--> N23
W4* Voedingskabel
X1.1 Stekker voedingsspanning
X2 Klemmenstrook spanning = 230 V AC
X3 Klemmenstrook extra lage spanning < 25 V AC
X12 Stekker 230 V stuurspanning
X13 Stekker extra lage stuurspanning
Componenten moeten ter plekke aangesloten /
beschikbaar gesteld worden
In de fabriek bedraad
---- Kan desgewenst door de klant worden aangesloten
5 Hydraulisch aansluitschema
5.1 Aansluitschema voor een verwarmingskring met vloerverwarming en ruimtetemperatuurregeling via Smart-RTC, warmwaterbereiding

flowchart
graph TD
A["Fluid Inlet"] --> B["R1 (X3-R1)"]
B --> C["Valve"]
C --> D["Control Unit"]
D --> E["N1-FieldCard"]
E --> F["Pump"]
F --> G["Pressure Sensor ①"]
F --> H["Pressure Sensor ②"]
F --> I["Pressure Sensor ③"]
F --> J["Pressure Sensor ④"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#cff,stroke:#333
style F fill:#ffc,stroke:#333
style G fill:#cfc,stroke:#333
style H fill:#cfc,stroke:#333
style I fill:#cfc,stroke:#333
style J fill:#cfc,stroke:#333
! OPGELET!
5.2 Aansluitschema voor een verwarmingskring
met in serie geschakelde buffertank en warmwaterbereiding

flowchart
graph TD
A["Valve 1"] --> B["Valve 2"]
B --> C["Valve 3"]
C --> D["Valve 4"]
D --> E["Valve 5"]
E --> F["Valve 6"]
F --> G["Valve 7"]
G --> H["Valve 8"]
H --> I["Valve 9"]
I --> J["Valve 10"]
J --> K["Control Unit"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style K fill:#ccf,stroke:#333
5.3 Legenda

Afsluiter

Overloopventiel

Veiligheidsklepcombinatie

Circulatiepomp

Expansievat

Kamertemperatuurgestuurd ventiel

Ventilator met
microbellenluchtafscheider

Warmteverbruiker

Temperatuurvoeler

Buffertank
M13
Verwarmingscirculatiepomp
N1
Warmtepompmanager
R1
Buitentemperatuurvoeler
6 Conformiteitsverklaring
CE
EG - conformiteitsverklaring EC Declaration of Conformity Déclaration de conformité CE
Ondergetekende
hieronder vermelde apparaat/apparaten aan de hieronder vermelde geldende EG-richtlijnen voldoet/voldoen. Bij elke verandering van het (de) apparaat/apparaten verliest deze verklaring haar geldigheid.
Laagspanningsrichtlijn 2006/96/EG
EMC-richtlijn 2004/108/EG
Drukapparatuurrichtlijn 97/23/EG
EC Directives
Conformiteitsbeoordelingsprocedure conform drukapparatuurrichtlijn:
Module A