C3 (2005) - Automobiel CITROEN - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis C3 (2005) CITROEN in PDF-formaat.
| Type voertuig | Personenauto |
| Merk | Citroën |
| Model | C3 (2005) |
| Lengte | 3,860 m |
| Breedte | 1,667 m |
| Hoogte | 1,510 - 1,612 m |
| Wielbasis | 2,460 m |
| Ledig gewicht (voorbeeld 1.4i 16V) | ca. 1.044 kg |
| Inhoud brandstoftank | circa 47 liter |
| Brandstof | Benzine (ongelood) of diesel |
| Motortypen | 1.1i, 1.4i, 1.6i, HDi 70, 1.6 HDi |
| Transmissie | Handgeschakeld, SensoDrive, Automatisch |
| Maximumsnelheid | 157 - 192 km/u (afhankelijk van motor) |
| Bandenmaten | 175/65 R14, 185/60 R15, 195/50 R16 |
| Veiligheidssystemen | Airbags, ABS, ESP, gordelspanners, kindersloten |
| Stuurbekrachtiging | Ja |
| Verlichting | Halogeen dim- en grootlicht, mistlampen voor en achter |
| Comfortuitrusting | Elektrische ruiten, airconditioning, boordcomputer, multifunctioneel display |
| Reservewiel | Ja, in de kofferbak |
| Onderhoud | Oliepeil controleren, koelvloeistof, remvloeistof, lampen vervangen |
Veelgestelde vragen - C3 (2005) CITROEN
Gebruikersvragen over C3 (2005) CITROEN
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding C3 (2005) - CITROEN en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. C3 (2005) van het merk CITROEN.
GEBRUIKSAANWIJZING C3 (2005) CITROEN
> Een samenwerking die staat voor innovatie
CITROËN en TOTAL, al 35 jaar partners, ontwikkelen in nauwe samenwerking motoren en smeermiddelen met de meest geavanceerde technieken.
▶ Specifieke motorolie
De onderzoeksteams van CITROËN en TOTAL werken samen om u de beste technologische combinatie te kunnen bieden op het gebied van motoren en smeermiddelen. Met de smeermiddelen van TOTAL kiest u voor specifieke motoroliën die zorgen voor topprestaties en een lange levensduur voor uw CITROËN. Daarom kiest CITROËN voor TOTAL
TOTAL, partner van CITROËN... UW partner.
C3 05 2 GCV-FRA.qxd 11/07/05 15:52 Page 3
Dit instructieboekje gaat over zowel de standaard als de extra uitrustingen met de corresponderende oorspronkelijke technische gegevens.
Het uitrustingsniveau van uw auto hangt af van de uitvoering,
degekozenextra'senhetverkooplandvanuwauto.
Bepaalde in dit instructieboekje genoemde uitrustingen kunnen
pasindeloopvanhetjaarbeschikbaarzijn.
Aansprakelijkheid voor de gegeven beschrijvingen en illustraties wordt niet aanvaard.
AUTOMOBILES CITROËN behoudt zich het recht voor tussentijds wijzigingen
aante brengen in de door haargevoer dem oll enendebijbe zonder dat daarvan melding wordt gemaakt in dit instructieboekje.
Heeft u nog vragen? De CITROËN-organisatie, samengesteld uit goed opgeleide, vakbekwame medewerkers, zal ze graag beantwoorden.
Goede reis in uw CITROËN!
Dit instructieboekje maakt onlosmakelijk deel uit van uw auto.
Bewaar het op de daarvoor bestemde plaats, zodat het gemakkelijk terug te vinden is.
Vergeetnietditboekjebijdoorverkoop vanuwautoaan de nieuwe eigenaar te geven.
Bedankt voor uw keuze en gefeliciteerd.
Lees dit boekje goed door voordat u gaat rijden.
Het bevat alle informatie over het besturen van deze auto en over de uitrusting, evenals belangrijke aanbevelingen.
Verder vindt u in dit boekje gebruiksvoorzorgen, informatie over het reguliere onderhoud en tips voor het onderhouden van uw auto, teneinde de veiligheid en betrouwbaarheid van uw nieuwe CITROEN te behouden.
Hoe beter u uw auto leert kennen, hoe groter het plezier zal zijn dat u eraan beleeft!
Afhankelijk van de uitvoering en de opties, de productiedatum en het land van bestemming, kunnen uitrusting en functies die in dit instructieboekje genoemd worden, afwijken van die in uw auto.
2
INHOUDSOPGAVE
Hoofdstuk I BEKNOPTE GEBRUIKSAANWIJZING
BEKNOPTE GEBRUIKSAANWIJZING
Bestuurdersplaats, overzicht 6-7
Dashboard 8-9
Controlelampjes 10-11
Ruitenwisser 12-13
Signalering 14→16
Instellingen bestuurdersplaats 17
Voorstoelen 18-19
Spiegels 20
Bediening van de ruiten 21
Snelheidsregelaar 22-23
Snelheidsbegrenzer 24-25
Ventilatie - Verwarming
Handbediende airconditioning 26-27
Automatische airconditioning 28
Displays 29
I
BEKNOPTE GEBRUIKSAANWIJZING
INHOUDSOPGAVE
3
II II Hoofdstuk II
RIJDEN
Afstandsbediening 31-32
Sleutels 33
CODE-kaart 34
Stuurslot - contact - startmotor 37
Starten 38
Stop & Start 39→41
Dashboard 42
Onderhoudsintervalindicator 43
Dashboardverlichting - Black panel 44
Multifunctioneel display 45→52
Boordcomputer 53→56
Handgeschakelde versnellingsbak 57
Automatische versnellingsbak 58→61
SensoDrive versnellingsbak 62→66
Handrem - Anti-blokkeersysteem (ABS) ..... 67-68
Dynamische stabiliteitscontrole (ESP) 69
Roetfilter dieselmotor 70
Waarschuwing snelheidsoverschrijding 71
Parkeerhulp 72
4
INHOUDSOPGAVE
III III Hoofdstuk III
COMFORT IN UW AUTO
Openen en sluiten - Automatische
vergrendeling tijdens het rijden 73→75
Ventilatie - Verwarming 76-77
Handbediende airconditioning 78
Automatische airconditioning 79→81
Achterbank met drie zitplaatsen 82
Airbag 83
Veilig vervoeren van kinderen 84
Binnenverlichting 85
Comfort in de auto 86→88
Moduboard 89-90
Schuifdak 91-92
Hoedenplank 93
IV IV Hoofdstuk IV
ONDERHOUD
Openen van de motorkap 95
Niveaus 96-102-103
Benzinemotoren 97→99
Vervangen van de lampen 114→118
Veiligheidsadviezen 119
Allesdragers 120
Verwisselen van een wiel 121→123
Slepen - takelen 124
VI
VI
Hoofdstuk VI
ALGEMENE GEGEVENS

Brandstofverbruikscijfers 125
Algemene gegevens 126-127
Afmetingen 128-129
Identificatie 130

TREFWOORDENREGISTER
134 → 136


GEBRUIKSVOORZORGEN
I → XXIV

1 Ontwaseming zijruiten.
• Verlichting.
- Richtingaanwijzers.
- Mistlampen
- Mistachterlichten. 13 Luidspreker (Tweeter).
13 Luidspreker (Tweeter).
3 Bediening versnellingsbak op stuurkolom (SensoDrive versnellingsbak).
4 Claxon.
5 Bestuurdersairbag.
6 Instrumentenpaneel.
7 Bedieningsorganen:
- Ruitenwissers voor.
- Ruitensproeier.
• Ruitenwisser achter. - Boordcomputer.
- Stop&Start.
- Parkeerhulp.
• Anti-inbraakalarm. - Kinderslot.
• Waarschuwing snelheids-
overschrijding.
• ESP.
9 Centraal bediende vergrendeling van portieren en koffer.
10 Display.
11 Alarmverlichting.
12 Centrale ventilatieroosters.
14 Rechter zijventilatierooster.
15 Sleutelschakelaar:
- Inschakelen/uitschakelen airbag aan passagierszijde.
16 Passagiersairbag.
17 Onderste handschoenenkastje.
- Opbergvak voor de boord-documentatie.
18 Autoradio.
19 Bergruimte/cd-speler.
20 Airconditioning of verwarming/ventilatie.
21 Schakelaars elektrische ruiten voor.
22 Versnellingspook.
23 Elektrische ruitbediening achter.
24 Uitneembare asbak.
25 Handrem.
26 Sigarenaansteker.
27 Bediening radio op stuurkolom.
28 Contactslot.
29 Bedieningshendel stuurverstelling.
30 Bedieningsorganen:
- Snelheidsregelaar.
- Snelheidsbegren
31 Openen motorkap.
32 Toegang tot de zekeringkast.
33 Verstelling van de koplampen.
34 Elektrische spiegelverstelling.
8
DASHBOARD
UITVOERINGEN BENZINE EN SPORT



Uitvoering Sport
DASHBOARD DIESELUITVOERING
9

A - Bediening:
- Sterkte van de dashboardver- lichting.
- Rijdeninhetdonker (black panel).
B - Brandstofmeter.
C - Toerenteller.
(Voor de inrijperiode: zie instructies onder "Inrijden").
D - Rood gebied van de toerenteller, om u te waarschuwen dat u in een hogere versnelling moet schakelen. Uitvoering Sport: het lampje is eerst oranje, vervolgens wordt het rood.
E - Display Sensodrive versnelingsbak.
F - Bediening:
- Nulstelling van de dagteller.
G - Weergave:
- Snelheidsregelaar / Snel- heidsbegrenzer.
- Dagkilometerteller.
- Boordcomputer.
H - Weergave signaleringen.
I - Snelheidsmeter.
J - Weergave:
- Onderhoudsintervalindicator.
- Indicator motorolieniveau.
- Totaalkilometerteller.
10
CONTROLELAMPJES
Het branden van controlelampjes kan gepaard gaan met een melding of een geluidssignaal

Motoroliedruk
Dit licht enkele seconden op bijelkekeerdatuhetcon aanzet.
Het branden van dit lampje bij draaiende motor duidt op een te laag olieniveau.
U bent verplicht te stoppen.
Raadpleeg een CITROËN erkend bedrijf.

Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur
Dit licht enkele seconden op bijelkekeerdatuhetcontact
aanzet.
Het branden van dit lampje bij draaiende motor duidt op een te snel stijgende temperatuur van de koelvloeistof.
U bent verplicht te stoppen.
Controleer het koelwaterniveau.
Zie "Niveaus"
Indien het niveau correct is, dient u een CITROËN erkend bedrijf te waarschuwen.

Acculading
Het lampje moet uit zijn wan- neer de motor draait. Mocht het permanent branden, raad-
pleeg dan een CITROËN erkend bedrijf.

Waarschuwingslampje handrem, remvloeistofni-veau en storing remdruk-verdeling
Het branden van dit lampje bij draaiendemotorkaneropduidendatderrem niet of niet goed is vrijgezet, dat het remvloeistofniveau onvoldoende is of dat er een storing in het remsysteem is. Mocht het lampje blijven branden terwijl de handrem is vrijgezet, stop dan onmiddellijk en waarschuw een CITROËN erkend bedrijf.

Waarschuwingslampje autogordel bestuurder
Dit lampje brandt wanneer de autogordel van de bestuurder niet is omgegespt bij aanzetten van het contact en bij een snelheid tussen 0 en 20 km/uur. Boven 20 km/uur knippert het lampje en klinkt er een geluidssignaal gedurende circa 120 seconden. Vervolgens blijft het lampje branden.

SERVICE
Dit lampje blijft branden zolang de storing waar de waarschuwing ver-
band mee houdt aanwezig is en boven- edied-ernstig is. Raadpleeg zo snel mo- gelijk een CITROËN erkend bedrijf.
Wanneer het om een minder ernstige storing gaat, brandt het lampje maar tijdelijk.
Raadplaag zo snel mogelijk een CITROËN erkend bedrijf.
Wilt u op een later tijdstip het waarschuwingssignaal oproepen, zie dan het "Waarschuwingenjournaal".

Waarschuwingslampje min- nimumbrandstofvoorraad
Dit licht enkele seconden op bijelkekeerdatuhetcontact
aanzet.
Wanneer het lampje van de minimum-brandstofvoorraad gaat branden, bevindt zich nog ongeveer 4 tot 6 liter brandstof in de tank.

Controlelampje emissie- systeem
Het blijft branden, tot u de au- to start.
Mocht het lampje knipperen of tijdens het rijden oplichten, dan duidt dit op een storing in het emissiesysteem.
Raadpleeg zo snel mogelijk een CITROËN erkend bedrijf.
CONTROLELAMPJES
11

ESP/ASR
In werking
Dit licht enkele seconden op bijel ke keer dat u het contact aanzet. Dit lamp jek nippert al shet ESP of ABS in werking treedt.
Bij een storing
Als dit lampje tijdens het rijden gaat branden, gaat dit vergezeld van een geluidssignaal en een melding o p h e t d i s p l a y d a t a a n g e sprake is van een storing in het systeem.
Raadpleeg een CITROËN erkend bedrijf.
Functie uitgeschakeld
Het lampje brandtpermanent.

Uitgeschakelde airbag aan passagierszijde
Zie "Airbag".

Voorverwarming diesel- motor
Zie de instructies van hoofdstuk "Rijden - Starten".

Richtingaanwijzer naar links
Zie "Signalering"

Voet op rem (Sensodrive versnellingsbak)
Het knipperen van dit lampje op het instrumentenpaneel duidt erop dat u het rempedaal in moet trappen om de motor te starten of om in de achteruitver snelling te schakelen.

Stop & Start

Het branden van dit lampje duidteropdatdem de sluimerstand is geschakeld.
Richtingaanwijzer naar rechts
Zie "Signalering"
Wanneer de alarmverlichting aanstaat, knipperen gelijktijdig alle rid tingaanwijzers

Anti-blokkeersysteem (ABS)
Het controlelampje van het ABS brandt zodra u het contact aanzet. Het dooft na enkele seconden.
Indien het controlelampje niet d o o f t, d a n k a n d a t d u i d e mankement in het ABS-systeem.
Zie "Remmen".

Parkeerlichten
Zie "Signalering"

Dimlichten
Zie "Signalering"

Mistlampen (voor)
Zie "Signalering"

Mistachterlichten (achter)
Zie "Signalering"

Storing airbag
Zie "Airbag".
Het lampje wordt tijdens het starten kort getest.

Grootlicht
Zie "Signalering"
C3 05 2 G001-FRA.qxd 28/07/05 13:53 Page 12
12

Naar beneden drukken:
- AUTO: automatisch wissen aan.
-1 keerwissen.
Het ruitenwis- en sproeisysteem wordt i.v.m. de veiligheid uitgeschakeld bij afzetten van het contact
RUITENWISSE
Stand I : De wissnelheid wordt automatisch afgestemd op de snelheid van de auto.
N.b.: Bij stilstaande auto wordt in de stand 1 of 2 de wissnelheid automatische trager.
In verband met de veiligheid wordt het wissen bij afzetten van het contact automatisch uitgeschakeld.
Na aanzetten van het contact schakelt u de functie als volgt in:
- Zet de hendel weer in stand 0.
- Of kies een andere stand.
De actieve status van de functie wordt bevestigd met een wisslag.
Auto voorzien van een regensensor
Aanzetten van automatisch wissen:
- Druk de hendel naar beneden, in de stand "AUTO". De wissnelheid wordt nu automatisch afgestemd op de hevigheid van de regenbui.
N.b.: Wanneer het automatisch wissen aanstaat en u de hendel een stand verder naar beneden drukt, treedt het interval wissen in werking, zonder dat het automatisch wissen wordt uitgeschakeld.
Zo schakelt u het automatisch wissen uit:
- Zet de hendel in de stand I en vervolgens in de stand 0.
- Z et de motor af.
LET OP:
Dek de regensensor, die zich achter de binnenspiegel bevindt en zichtbaar is vanaf de buitenkant van de voorruit, niet af.
Zet voor het wassen van de auto het contact af of schakel de functie voor het automatisch wissen uit.
C3 05 2 G001-FRA.qxd 28/07/05 13:53 Page 13
RUITENWISSE
13

A - Ruitensproeier voor
Trek voor het aanzetten van de ruitensproeier de ruitenwisserhendel naar u toe.
Wanneer u de ruitensproeier gebruikt, wissen de ruitenwissers en - voorzover de koplampen branden - de koplampwissers een aantal slagen.
Sproeien van de achterruit gevolgd door een aantal wisslagen.
Wanneer de ruitenwissers voor in werking zijn en wanneer de achteruitversnelling wordt ingeschakeld.
Ga naar het menu "Persoonlijke instellingen - configuraties" in het "Hoofdmenu" om deze functie aan- of uit te zetten.
Het uitzetten kan nodig zijn wan- neer u een fietsdrager op de ach- terklep plaatst.
Vervangen van de ruitenwisser- bladen
Zorg ervoor dat, wanneer u de r tenwissers vervangt, deze in de onderhoudsstand staan.
Zet hiertoe het contact uit en bedien binnen een minuut de ruitenwissers: de wissers gaan in een verticale stand staan.
Zet na het vervangen het cont aan en bedien de ruitenwissers zodat deze weer terugkeren in de normale stand.

Controleer of de ruitenwisserbladen voor en achter vrij zijn bij gebruik van bijvoorbeeld een fietsdrager of bij vorst. Verwijder een eventuele opeenhoping van sneeuw aan de onderkant van de voorruit.
C3 05 2 G001-FRA.qxd 28/07/05 13:53 Page 14
14

Linksaf: druk de hendel naar bene- den.
Rechtsaf: duw de hendel naar boven.
Om van richting te veranderen, moet de hendel door de weerstand naar boven of beneden worden bewogen. De richtingaanwijzer wordt automatisch uitgeschakeld bij het terugdraaien van het stuur.
Lichtsignaal / Waarschuwings- signaal
Trek de hendel even naar u toe.
Claxon
Druk op het middelste gedeelte van het stuur.
SIGNALERING

Hiermee worden tegelijkertijd de vier richtingaanwijzers bediend.
Gebruik deze voorziening alleen voor een noodstop of wanneer u onder ongewone omstandigheden rijdt.
Deze functie werkt ook bij afgezet contact.
Geluidssignaal niet-gedoofde verlichting
Dit signaal is te horen wanneer u het bestuurdersportier opent bij afgezet contact, om aan te geven dat de verlichting nog brandt.
Het signaal stopt bij het sluiten van een portier, bij het doven van de verlichting of bij aanzetten van het contact.
Het signaal is niet actief bij gebruik van de automatische verlichting of de "follow-me-home verlichting".
Automatisch branden van de alarmverlichting
Bij een forse snelheidsvermindering van de auto gaat de alarmverlichting automatisch branden.
De alarmverlichting gaat automatisch uit wanneer u daarna weer gas geeft of wanneer u op de corresponderende schakelaar op het dashboard drukt.
Zolang u met alarmverlichting rijdt, kunt u geen richting aangeven.
SIGNALERING
15
Bediening van de verlichting

Alle lichten gedoofd
Draai ring A van u af.

Stadlichten aan
Het instrumentenpaneel is verlicht.

Draai ring A van u af.

Overschakelen van dim- naar grootlicht en omgekeerd
Trek de hendel door de weerstand heen naar u toe om over te schakelen van dim- naar grootlicht en omgekeerd.
Automatisch branden van de koplampen
De parkeer- en dimlichten gaan automatisch branden bij nacht of donker weer, maar ook bij een continu gebruik van de ruitenwissers.
Ze gaan uit zodra het licht genoeg is, of met het uitschakelen van de ruite wissers.
Het in-/uitschakelen van deze functie is mogelijk via "Instellingen-Configura-tie" in het "Hoofdmenu".
Let op: het inschakelen van deze functie gebeurt onmiddellijk, terwijl u voor het uitschakelen ervan het contact moet afzetten.
Dek de lichtsterktesensor achter de binnenspiegel, zichtbaar vanaf de buitenkant van de voorruit, niet af.
Follow-me-home verlichting
Dankzij deze functie kunt u met b hulp van de nog brandende koplampverlichting uw weg vinden uit een donkere parkeerplaats.
Deze functie wordt ingeschakeld:
- Handmatig, door de ruitenwisserhendel bij afgezet contact naar u toe te trekken.
• Automatisch, mits:
- het automatisch inschakelen van de koplampverlichting aan staat,
- en de follow-me-home verlichting aanstaat. Ga hiervoor naar het "Hoofdmenu" en vervolgens naar "Persoonlijke instellingen-Configuratie" en kies het submenu voor de verlichting en signalering, om deze functie te activeren.
Zie het hoofdstuk "Multifunctioneel display".
Let op: het is mogelijk de duur va de follow-me-home verlichting aan te passen (circa 60, 30 of 15 se- ononden) via het menu "Persoonlijke instellingen-Configuratie".
Bij display A kan de duur niet wo den gewijzigd.
Let op: auto's die voorzien zijn va appèlverlichting zijn niet uitgerust met de functie voor het automatisch branden van de alarmverlichting en de follow-me-home-verlichting.
C3 05 2 G001-FRA.qxd 28/07/05 13:53 Page 16
16

MISTACHTERLICHTEN (Ring B) Schakel het dim-/grootlicht in.
Draai ring B van u af.

Mistachterlichten aan
Het controlelampje brandt. De mistlampen werken in combinatie met de dimverlichting of het grootlicht.
SIGNALERING
MISTLAMPEN voor en MIST- ACHTERLICHTEN (Ring C)
Schakel het dim-/grootlicht in.
Draai ring C van uaf.

Mistlichten vóór aan
Draai ring C vanuaf.

Mistlichten vóór en achter aan
Doven:
Één stand naar u toe draaien: mistlichten voor gaan uit.
Twee standen naar u toe draaien: mistlichten voor en achter gaan uit.
N.b.: De mistachterlichten mogen alleen bij mist of sneeuwbuien worden gebruikt (zicht minder dan 50 meter).
Als het mistig is, maar niet donker genoeg om de verlichting automatisch te doen inschakelen, dan moet u het dimlicht en de mistlichten zelf inschakelen.

INSTELLINGEN BESTUURDERSPLAATS
17

Verstellen van het stuur
Het stuur is verstelbaar in hoogte en diepte.
Zet, terwijl de auto stilstaat,
eerst uw stoel in de juiste stand en verstel vervolgens het stuur. Zie "Juiste rijhouding".
Ontgrendel het stuur door de hen- delnaarutoetetrekken.
Stel de hoogte van het stuur in en vergrendel het stuur door de hen-del van u af te duwen.
Zorg ervoor dat u te allen tijde een goed overzicht heeft over de instrumenten en controlelampjes.

In hoogte verstellen van de del
De riem moet midden over de schouder gedragen worden (zie hoofdstuk "Voorzorgsmaatrege- len").
Druk de knop in en verschuif verankeringspunt omhoog of omlaag om de riem op de juiste te in te stellen.

Het is raadzaam de reikwijdte van de lichtbundel van de koplampen aan te passen aan de belading van de auto.
Op het dashboard links van de be- hetstuurder.
0 lege auto
19-gering beladen auto
2 gemiddeld beladen auto
3 zwaar beladen auto.
Verricht, uit veiligheidsoogpunt, deze handelingen niet tijdens het rijden.
C3 05 2 G017-FRA.qxd 29/07/05 10:02 Page 18
1
BEKNOPTE GEBRUIKSAANWIJZING
18
VOORSTOELEN

Met de hand te bedienen functies

Hoofdsteun
Monteer de hoofdsteunen door deze in de geleider te schuiven.
Druk tegen de nok om ze te laten zakken.
De hoofdsteun is correct ingesteld als de bovenkant van de steun en de bovenkant van het hoofd zich op gelijke hoogte bevir
De hoofdsteunen zijn kantelbaar.

Om de hoofdsteun te verwijderen, zet u deze eerst in de hoogste stand er duwt u met een muntstuk het lipje omhoog. Vervolgens trekt u de hoofdsteun uit de stoel.

Verstellen van de rugleuning
Zet met de daarvoor bestemde bediening de rugleuning in de gewenste hellingshoek.
De rugleuning kan 45° naar achteren worden gekanteld tot hij vergrendelt; door tegen de bediening te drukken kunt u de rugleuning ontgrendelen.
Stoelverwaming
De voorstoelen kunnen afzonderlijk worden verwarmd. Gebruik hiertoe de schakelaars op de zijkant destoelenen kieseenvar verwarmingsstanden m.b.v. de keuzeschakelaar:

Hoger zetten of kantelen van het zitgedeelte
Trek de bediening omhoog en zet het zitgedeelte in de ge wenste stand.
0: Uit
1: Matig warm
2: Gemiddeld warm
3: Warm
De temperatuur van de stoel word automatisch geregeld.

Verstellen in de lengterichting
Licht de bedieningsstang op en schuif de stoel in wenste stand.
N.b.ge-De stoelverwarming werkt ui sluitend bij draaiende motor.

Armsteun
Opklappen: klap de armsteun vanuit de gebruikte horizontale stand op totdat deze vergrendelt.
N.b.: Verwijderen van de armsteun:
- Druk op de bediening op het draaipunt en trek de arm- steun uit.

C3 05 2 G017-FRA.qxd 29/07/05 10:02 Page 20
1
20

Metde palaande onderzi de spiegel kunt u een van de vol- gendetweeinstellingen Dagstand: het palletje is niet zicht- baar.
Nachtstand (tegen verblinding): het palletje is zichtbaar.
SPIEGELS

Deze vaal is voorzien van elektrisch bediende buitenspiegels. kjezen Selecteer met de schakelaar de te verstellen spiegel:
- 1 Buitenspiegel bestuurderszijde
- 2 Buitenspiegel passagierszijde
Met de schakelaar kan de spiegel worden versteld in vier richtingen: rechts, links, opwaarts, ne
De verwarming van de buiten- spiegels werkt gelijktijdig met de achterruitverwarming.

Inklappen van de buiten- spiegels
Wanneer u de auto heeft geparkeerd, kunt u de buitenspiegels handmatig of elektrisch inklappen.
Zet de schakelaar in stand 3 om de buitenspiegels elektrisch in te klappen.
De spiegels klappen vanzelf weer uit als u de schakelaar in een anderev stand dan stand 3 zet.
De buitenspiegels zijn bolvormig voor een extra breed zichtveld.
De spiegels verkleinen waardoor voorwerpen in werkelijkheid dichterbij zijn dan het lijkt.
Houd rekening met dit verkleinen- de effect bij het inschatten van de afstand.
BEDIENING VAN DE RUITEN
21

Vanaf de bestuurdersplaats kunt u met de schakelaars op het da board de elektrische ruiten van de auto bedienen.
Tiptoetsbediening aan bestuur- derszijde
In de eerste stand van de bediening gaat de ruit open of dicht totdat de bediening weer losgelaten wordt. In de tweede stand van de bediening gaat de ruit helemaal open of dicht.
Met een volgende druk op de diening wordt de beweging stopgezet.
N.b.: Na afzetten van het contact is het bedienen van de ruiten nog enige tijd mogelijk.
Antiklemvoorziening op de ruit aan bestuurderszijde
Een antiklemvoorziening stopt het sluiten van de ruit. Zodra de ruit gehinderd wordt door enig obstakel, gaat deze weer open.
Wanneer de accu losgekoppeld is geweest of in geval van een storing, moet de antiklemvoorziening opnieuw worden geinitialisserd:
- Druk op de toets om de ruit volledig te openen en sluit vervolgens de 1 De ruit sluit slechts enkele centimeters.
- Druk opnieuw op de toets tot de ruit volledig sluit.
Gedurende deze handeling is de anti- klemvoorziening uitgeschakeld.
Druk de schakelaar in om de ruit te openen of te sluiten en laat de schake-haar los als de ruit in de gewenste stand staat.
Handmatig bedienen
Verdraai de kruk om de ruit te openen of te sluiten.

Verwijder bij het verlaten van de auto altijd de sleutel uit het contact, ook wanneer u de auto slechts gedurende korte tijd verlaat.
Als de bestuurder het ruitmechanisme van de passagiers activeert, moet hij erop toezien dat de passagiers op geen enkele manier het dichtgaan van de ruiten belemmeren.
De bestuurder moet er op letten dat de passagiers de bediening van het ruitmechanisme op de juiste manier gebruiken.
Als er iets tussen de ruit komt, dient de ruit in de tegengestelde richting te worden bewogen. Daarvoor moet de knop de andere kant op worden gedrukt.
C3 05 2 G017-FRA.qxd 29/07/05 10:02 Page 22
22
SNELHEIDSREGELAAR
Deze voorziening stelt u in staat om constant met een door u ingestelde snelheid te rijden, zonder intrappen van het gaspedaal.
U kunt deze voorziening gebruiken vanaf een minimumsnelheid van circa 40 km per uur en uitsluitend in de twee hoogste versnellingen.
De bediening A van de snelheidsregelaar bevindt zich onder de bedienings-organen van de verlichting en de signalering.
Opmerking: de informatie van de snelheidsregelaar wordt op het instr tenpaneel B aangegeven. Met de weergave van de snelheidsregelaar verdwijnt de informatie van de boordcomputer (voorzover deze wordt weerge- geven op het instrumentenpaneel).
Selecteren van de functie
Zet de knop 1 in de stand "CRUISE".
Instellen van een kruissnelheid


Met het selecteren van de functie met de bediening 1, wordt geen enkele kruissnelheid vastgelegd.

Zodra u door intrappen van het gaspedaal de gewenste snelheid heeft bereikt, drukt u kort op de bediening 2 of 4.

De gekozen snelheid wordt vervolgens vastgelegd en weergegeven op het display van het instrumentenp. neel B.

U kunt nu het gaspedaal loslaten. De auto blijft automatisch met de gekozen snelheid rijden.
Opmerking: desnelheid vanuwautokanietsafwijkentenopzichtevande gekozen snelheid.

Maak uitsluitend gebruik van de snelheidsregelaar indien de rijomstandigheden een constante snelheid toelaten.
Gebruik deze voorziening niet op drukke wegen, op een ongelijkmatig wegdek, op gladde wegen of onder andere omstandigheden die het rijden bemoeilijken.
SNELHEIDSREGELAAR
23
Tijdelijke overschrijding van de ingestelde kruissnel- De snelheidsregelaar wordt opnieuw ingeschakeld in de volgende gevallen
Terwijl de snelheidsregelaar actief is, is het op ieder ment mogelijk om door intrappen van het gaspedaal de ingestelde snelheid te overschrijden (bijvoorbeeld om een andere auto in te halen). De snelheid die wordt weergegeven op het display gaat vervolgens knipperen. Laat het gaspedaal vervolgens los om terug te keren naar de ingestelde snelheid.
Opmerking: wanneer tijdens de werking van de snelheidsregelaar deze niet in staat is de ingestelde snelheid vast te houden (bijvoorbeeld op een steile afdaling), de snelheid knipperend weergegeven. Pas eventueel uw snelheid aan.
Wijzigen van de ingestelde snelheid, terwijl de snel heidsregelaar in werking is.
U kunt de ingestelde snelheid, weergegeven in het gebied B. wijzigen door te drukken op:
- Toets 4: om de snelheid te verhogen.
- Detoets 2: om de snelheid te verlagen.
Opmerking: druk de toets achter elkaar opnieuw in om de ingestelde kruissnelheid in stappen van 1 km/uur te verhogen. Houd de toets ingedrukt om de snelheid in stappen van 5 km/uur te verhogen.
In de volgende gevallen wordt de werking van de snelheidsregelaar onderbroken
- Door het rempedaal of koppelingspedaal in te trappen.
- Door het ingrijpen van het ESP of ABS.
- Door de toets 3 in te drukken
Let op: de snelheidsregelaar wordt uitgeschakeld als u versnellingspook of selectiehendel in de neutraalstand zet.

Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt de aanduiding "OFF".
De ingestelde snelheid wordt hiermee niet gewist: deze wordt nog steeds op het display weergegeven.
-mDoor oproepen van een ingestelde snelheid:
- Druk, nadat de snelheidsregelaar is uitgeschakeld, de toets 3.
De tevoren ingestelde snelheid wordt automatisch hervat en getoond op het display van instrumenten neel B.
- Door het vastleggen van de huidige snelhe
Druk kort op de bediening 2 of 4, zodra de gewenste snelheid is bereikt.
De informatie "OFF" verdwijnt van het display.
Als de ingestelde kruissnelheid hoger is dan de werk. Hijke rijsnelheid op dat moment, zal de auto accoleren tot de ingestelde snelheid is bereikt.
De functie wordt uitgeschakeld in de volgende ge- vallen
- Door de knop "CRUISE" in de stand 0 te draaien.
e Door de motor af te zetten.
De tevoren ingestelde snelheid wordt hiermee gewist
Opmerking:
De op het display weergegeven geprogrammeerde snelheid gaat knipperen als deze wordt overschreden
In geval van een storing verschijnt een melding terwijl er een geluidssignaal klinkt en het SERVICE-lampje brandt.
eRaadpleeg een CITROËN erkend bedrijf.

De bestuurder moet oplettend blijven altijd de volledige controle hebben over de auto.
Houd uw voeten in de buurt van de len.
C3 05 2 G017-FRA.qxd 29/07/05 10:02 Page 24
24
SNELHEIDSBEGRENZER
Dit systeem biedt de mogelijkheid om een maximumsnelheid in te stellen. Deze moet meer dan 30 km/uur zijn.
De bediening A van de snelheidsbegrenzer bevindt zich onder de lichtschakelaar.
Opmerking: de informatie van de snelheidsbegrenzer wordt op het mentenpaneel B aangegeven. Met de weergave van de snelheidsregelaar verdwijnt de informatie van de boordcomputer (voorzover deze wordt weergegeven op het instrumentenpaneel).
Selecteren van de functie
Draai het wieltje 1 in de stand "LIMIT".

De laatst opgeslagen snelheid wordt nu aangegeven.

Instellen van een maximumsnelheid
Als de motor aanstaat kunt u de opgeslagen snelheid regelen, door kort lang drukken op:
-Toets 4 om de opgeslagen snelheid te verhogen, -Toets 2 om de opgeslagen snelheid te verlagen.
Opmerking: druk de toets achter elkaar opnieuw in om de ingestelde kruissnelheid in stappen van 1 km/uur te verhogen. Houd de toets ingedrukt om de snelheid in stappen van 5 km/uur te verhogen.
Activeren van een maximumsnelheid
Druk, als de gewenste maximumsnelheid is bereikt, op de toets 3 om de snelheidsbegrenzer in werking te stellen.

De informatie "OFF" verdwijnt vervolgens van het display.
Wanneer de functie actief is en u op het gaspedaal trapt, kunt u programmeerde maximumsnelheid overschrijden, tenzij u het pedaal helemaal intrapt, waardoor het kickdowncontact wordt geactiveerd (zie: "Tijdelijk overschrijden van de maximumsnelheid").
Opmerking: desnelheidvanuwautokanietsafwijkentenopzichte van de gekozen snelheid.


SNELHEIDSBEGRENZER
25
Uitschakelen van de snelheidsbegrenzer
Druk op de toets 3 op het uiteinde van de bediening A.

De aanduiding "OFF" verschijnt op het instrumentenpaneel.
De ingestelde snelheid blijft in het geheugen en wordt nog steeds op het display aangegeve
Tijdelijke overschrijding van de maximumsnelheid
Het is op elk moment mogelijk de ingestelde maximumsnelheid te overschrijden, door het gaspedaal volledig in trappen.
Gedurende de tijd dat de ingestelde maximumsnelheid wordt overschreden, knippert de weergegeven snelheid op het display.
U kunt in dat geval volstaan met het loslaten van het gaspedaal om de snelheid te doen terugvallen tot onder de ingestelde maximumsnelheid en de snelheidsbegrenzer opnieuw te activeren.
Opmerking: wanneer tijdens het gebruik van de snelheidsbegrenzer het onmogelijk is om de geprogrammeerde snelheid vast te houden (steile afdaling of fors gas geven), wordt de snelheid knipperend weergegeven. Pas, indien nodig, uw snelheid aan.
De functie wordt opnieuw geactiveerd zodra de snelheid tot onder de gewenste maximumsnelheid is gedaald
De functie wordt uitgeschakeld in de volgende gevallen
- Door het wieltje vanuit de stand "LIMIT" in de stand 0 te zetten.
- Door de motor af te zetten.
De eerder gekozen snelheid wordt opgeslagen.
In geval van een storing verschijnt een melding terwijl er een geluidssignaal klinkt en het SERVICE-lampje brandt. Raadpleeg een CITROËN erkend bedrijf.

Bij het gebruik van andere dan door CITROËN goedgekeurde matten bestaat de kans dat ze onder het en het volledig intrappen van het gaspedaal tot voorbij het zware punt verhinden, waardoor het overschrijden van de ingestelde maximumsnelheid niet meer mogelijk is.
In dat geval kan de snelheidsbegrenzer alleen met behulp van de schakelaar op de stuurkolom uitgeschakeld worden. De bestuurder moet oplettend blijven en altijd de volledige controle hebben over de auto.
gaspedaal schui
26
VENTILATIE - VERWARMING HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING
1 - Luchtverdeling

Luchtstroom recht van voren (Ventilatieroosters open)

Luchtstroom naar de voeten bij de voor- en achter zitplaatsen (Ventilatieroosters gesloten)

Luchtstroom naar de voeten, de voorruit en de po tierruiten Luchtstroom gericht naar de voorruit en de portiel ruiten Ontwasemen-ontdooien

U kunt de verdeling van de aangejaagde lucht naar wens wijzigen door de luchtverdeelknop 1 in een tussenstand te plaatsen.
2 - Interieurlucht

Recirculeren interieurlucht In deze stand worden rook en stank uit het interieur ge- weerd. Zel de ventilatie weer aan zodra de omstandighe- den dit toelaten, om te voorkomen dat de ruiten beslaan.
3 - Regeling van de aanjagersnelheid
De aanjager werkt alleen bij draaiende motor. Voor een comfortabele atmosfeer in het interieur is het raadzaam deze bediening niet in de stand 0 te laten staan, maar minimaal in stand 1.
4 - Regeling van de temperatuur van de aanjagerlucht
5 - Airconditioning
6 - Ontdooien - ontwasemen achterruit
HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING

Voor een juist gebruik van de klimaatregeling, adviseren wij u onderstaand schema aan te houden.
| Gewenste instelling... | Bediening 1 | Bediening 4 | Bediening 3 | Bediening 5 | Bediening 2 |
| Koud | ![]() | Eerst maximaal koud en dan naar wens instellen | Eerst maximaal en dan naar wens instellen | ON | [DSGH]In het begin |
| Warm | ![]() | Eerst maximaal warm en dan naar wens instellen | Eerst maximaal en dan naar wens instellen | - | In het begin |
| Ontwaseming - Ontdooiing | ![]() | Maximaal warm | Max. ON | ![]() |
Bij een automatische airconditioning raden wij u aan de stand AUTO te kiezen
28
AUTOMATISCHE AIRCONDITIONING
Bedieningspaneel

1 - Automatische werking
2 - Display
3 - Instellen van de temperatuur
4 - Airconditioning
5 - Recirculatie van de interieurlucht
6 - Luchtverdeling
7 - Snelheid van de luchtstroom
8 - Ontwaseming - Ontdooiing voorruit en voorportierruiten
9 - Ontdooien - ontwasemen achterruit
De automatische airconditioning (druk op de toets "AUTO") zorgt voor een aangenaam klimaat in het interieur onder alle omstandigheden.
Als de airconditioning niet werkt, kan de temperatuur in het interieur niet lager worden dan de temperatuur van de buitenlucht.
Let op: in de automatische stand wordt alleen koude lucht toegevoerd om de ingestelde interieurtemperatuur te bereiken of om de lucht-vochtigheid te verminderen. Het is daardoor mogelijk dat het lampje van de airco maar tijdelijk brandt.
2 - Display


C3 05 2 G017-FRA.qxd 29/07/05 10:03 Page 29

DISPLAYS
29

Om de tijd in te stellen, drukt u op de bediening 1 voor het instellen vandeurenenopdebedie voor het instellen van de minuten.

Display A

BEKNOPTE GEBRUIKSAANWIJZING
C3 05 2 G017-FRA.qxd 29/07/05 10:03 Page 31
|| ||

AFSTANDSBEDIENING
31

N.b.: het gelijktijdig gebruik van overige hoogfrequente apparatuur in de directe omgeving van de auto (bijvoorbeeld mobiele telefoons of huisalarm) kan de werking van de afstandsbediening tijdelijk verstoren.
Wanneer de werking van de af- standsbediening permanent ver- stoord is, dient u deze te reinitialise- ren. (zie volgende bladzijde).
Centraal ontgrendelen
Wanneer u kort op de bediening B drukt, wordt de auto ontgrendeld.
Ter bevestiging knipperen de richtingaanwijzers snel en brandt de binnenverlichting (tenzij deze is uitgeschakeld). Deze handeling kan het uitklappen van de buitenspiegels tot gevolg hebben.
Centrale vergrendeling - Supervergrendeling
Door kort op de bediening A te drukken, wordt de auto vergrendeld.
Ter bevestiging branden gedurende twee seconden de richtingaanwijzers en dooft de binnenverlichting. Deze handeling kan het inklappen van de buitenspiegels tot gevolg hebben.
Als een van de portieren of de koffer open staat of niet goed dicht zit, vindt het centraal vergrendelen niet plaats.
Wanneer uw auto supervergrendeling heeft en u twee keer achter elkaar op de bediening A drukt, schakelt u de supervergrendeling in. Vanaf dat moment is het openen van de portieren van zowel binnenuit als buitenaf niet meer mogelijk.
Het is gevaarlijk de supervergrendeling in te schakelen wanneer er iemand in de auto zit, omdat ontgrendelen vanuit het interieur (zonder afstandsbediening) dan niet meer mogelijk is.
C3 05 2 G017-FRA.qxd 29/07/05 10:03 Page 32
II II 32

AFSTANDSBEDIENING

Lokaliseren geparkeerde auto
Om uw auto op een parkeerplaats terug te kunnen vinden, drukt u op de toets A; gedurende enkele seconden gaat dan de plafondverlichting brandenen knipperen tingaanwijzers. De auto blijft vergrendeld.
Opbergen en uitklappen van de sleutel
Met een druk op de bediening komt de sleutel uit de afstandsbediening c.q. wordt hij hierin opgeborgen.
Als u niet op de bediening C dr loopt u kans op beschadiging van het mechanisme.
Batterij hoogfrequente afstandsbediening leeg
Deze informatie verschijnt als een melding op het multifunctioneel display, terwijl er een geluidssignaal klinkt en het SERVICE-lampje brandt.
Vervangen van de batterij van de afstandsbediening
Verwijder eventueel eerst de sleutelhanger.
Klik de afstandsbediening van achteren open (zie afbeelding).
Batterij: CR 0523 van 3V.
Opnieuw initialiseren van de afstandsbediening
Na vervanging van de batterij moet de afstandsbediening worden gereïntialiseerd. Zet hiertoe het contact aan en druk meteen daarna op de toets A van de afstandsbediening tot de gewenste handeling plaatsvindt. Dit kan circa tien seconden duren.
Let op: noteer zorgvuldig het nummer van de sleutel en van de afstandsbediening op het ASSISTANCE-kaartje. Bewaar het kaartje op een veilige plek
Gooi nimmer batterijen bij het huishoudelijk afval, maar lever ze in bij CITROËN erkend bedrijf of bij een erkend inzamelpunt (bijvoor- beeld een fotozaak).
De afstandsbediening werkt niet wanneer de sleutel in het contact steekt, ook niet bij afgezet contact. Dit geldt niet bij reinitialiseren.
Let op: wanneer u de afstandsbediening in uw kleding heeft gestopt kan dit heel gemakkelijk het ongewild ontgrendelen van de portieren veroorzaken.
Wanneer er echter niet binnen dertig seconden na het ontgrendelen een portier wordt geopend, worden de portieren automatisch weer vergrendeld.
Let op: het gebruik van andere dan de voorgeschreven batterijen kan beschadigingenveroorzaken. Gebruik bij vervanging altijd identieke batterijen of batterijen die overeenkomen met het type dat wordt voorgeschreven door CITROËN.
C3 05 2 G033-FRA.qxd 27/07/05 10:57 Page 33
|| ||

SLEUTELS
33

Let op: wanneer het portier aan bestuurderszijde is geopend en de sleutel nog in het contact steekt, is, in verband met de veiligheid, bij afgezet contact een geluidssignaal te horen.
M et des leutelka giersairbag worden uitgeschakeld (zie "Airbag").
Centrale vergrendeling met de sleutel
Door een korte bediening met de sleutel wordt de auto vergrendeld.
Supervergrendeling : centrale vergrendeling met de sleutel
Wanneer u meteen daarna weer de sleutel bedient, schakelt u de superver-grendeling in. Vanaf dat moment is het openen van de portieren, zowel van binnenuit als van buitenaf, niet meer mogelijk.
Let op: wanneer de auto stilstaat met afgezette motor, wordt de vergrendelde staat gesignaleerd door het knipperen van het interieurvergrendelingslampje.
Als een van de portieren of de achterklep open staat of niet goed gesloten is, kan het centraal vergrendelen niet plaatsvinden.
Het systeem wordt automatisch ingeschakeld zodra de sleutel uit het contactslot wordt genomen.
Alle sleutels bevatten een elektronische transponder.
Nadat het contact is aangezet, wordt er informatie uitgewisseld tussen de sleutel en het systeem van de startblokkering.
Als de sleutel niet wordt herkend, kan de motor niet worden gestart.
Laat in zo'n geval uw auto staan en neem contact op met een CITROËN erkend bedpij.a s sa -

Het is gevaarlijk de supervergrendeling in te schakelen wanneer er iemand in de auto zit, omdat ontgrendelen vanuit het interieur (zonder afstandsbediening) dan niet meer mogelijk is.
Het sleutelnummer staat op het kaartje bij de sleutels.
In geval van verlies kan alleen een CITROËN erkend bedrijf nieuwe sleutels of een nieuwe afstandsbediening leveren.
C3 05 2 G033-FRA.qxd 27/07/05 10:57 Page 34
|| ||
34

CODE-KAART


Bij de auto is een vertrouwelijke kaart geleverd.
Deze kaart heeft een verborgen toegangscode waarmee een CITROEN erkend bedrijf onderhoud kan verrichten aan de elektronische startbeveiliging.
Kras het verborgen gedeelte niet open: wanneer de geheime code verloren gaat kan het systeem van de elektronische startbeveiliging niet zonder meer opnieuw worden geconfigureerd.
Als de auto van eigenaar wisselt, moet de codekaart aan de nieuwe eigenaar worden gegeven.
Bewaar het kaartje op een veilige plaats. Laat het kaartje nooit in de auto liggen.

Advies
Bewaar de vertrouwelijke kaart met uw specifieke code van de elektronische startbeveiliging op een veilige plaats (nooit in de auto).
Wend u voor elke gewenste wijziging betreffende de sleutels (extra sleutel, minder sleutels of vervanging van de sleutels) met het codekaartje en al uw autosleutels tot een CITROËN erkend bedrijf.

een
C3 05 2 G033-FRA.qxd 27/07/05 10:57 Page 35
|| ||

ANTI-INBRAAKALARM
35

Uw auto is mogelijk voorzien van een ANTI-INBRAAKALARM. Dit garandeert:
- Een inbraakbeveiliging via schakelaars op de opengaande de- len (portieren, achterklep, motor- kap) en op de elektrische voeding.
- Een interieurbeveiliging via trasone sensoren (bewegingsmelders in het interieur). U kunt deze uitschakelen via de schakelaar 1.

Het systeem bevat onder andere een sirene en een lampje 1 dat zichtbaar is van buitenaf en een van de volgende mogelijke toestanden van het alarmsysteem aan-duidt:
- Alarm niet actief (sluimerstand uitgeschakeld), lampje uit.
ul-• Alarm actief (in sluimerstand), lampje knippert langzaam.
- Alarm in werking of afgegaan (inbraaksignaal), lampje knippert snel vanaf het moment dat op de toets B wordt gedrukt.
Het dooft zodra u het contact aanzet.
Let op: in geval van een storing brandt het lampje permanent.
Uitschakelen van het alarm met de afstandsbediening
Het alarm wordt automatisch uitgeschakeld bij het ontgrendelen van de auto (druk op de toets B van de afstandsbediening).
Uitschakelen van het alarm met de sleutel
Ontgrendel de portieren met de sleutel (het alarm gaat onmiddellijk af).
Stap in de auto, steek de sleutel in het stuurslot, en draai deze in de contactstand om het alarm uit te schakelen.
Doet u dat niet, dan gaat het alarm gedurende 30 seconden af.
C3 05 2 G033-FRA.qxd 27/07/05 10:57 Page 36
|| ||
36
ANTI-INBRAAKALARM
Werking van het alarm
Check eerst of alle portieren, de achterklep en het schuifdak correct gesloten zijn.
U schakelt de alarminstallatie in door de toets A van de afstandsbediening in te drukken.
De inbraakbeveiliging wordt 5 seconden na het inschakelen van de alarminstallatie actief, de interieurbeveiliging na 45 seconden.
Wanneer het alarmsysteem actief is, gaat bij elke poging tot inbraak de sirene 30 seconden loeien en worden de richtingaanwijzers ingeschakeld.
Vervolgens keert het systeem terug naar de sluimerstand en is het afgaan van het alarm geregistreerd. Het afgaan wordt bovendien kenbaar gemaakt door het snel knipperen van het lampje van de bediening 1, na uitschakelen van het alarm via een druk op de ontgren-deltoets B.
Het knipperen stopt, zodra u het contact aanzet. Het alarm gaat ook af bij een onderbreking van de voeding. U kunt in een dergelijk geval de sirene uitschakelen door de voeding te herstellen en vervolgens op de bediening B te drukken.
Uitschakelen van de interieurbeveiliging
Het is mogelijk het alarm te gebruiken met alleen de uitwendige beveiliging, dus zonder interieurbeveiliging (wanneer u bijvoorbeeld een hond in de auto achterlaat).
Druk hiertoe bij afgezet contact ten minste één seconde op de toets 1.
Het lampje van de bediening 1 brandt dan permanent (en knippert in de ingeschakelde stand).
Schakel het alarm in door uw auto te vergrendelen met de afstandsbediening.
Automatisch inschakelen (afhankelijk van land van bestemming)
Het alarm wordt twee minuten nadat het laatste portier (of achterklep) is gesloten automatisch ingeschakeld.
Om te voorkomen dat het alarm afgaat tijdens het openen van een portier of de achterklep, moet u opnieuw op de ontgrendeltoets B van de afstandsbediening drukken.
Let op:
- Als u uw auto wilt vergrendelen zonder het alarm in te schakelen, dan hoeftude autoslechtsaftesluiten met de sleutel.
- Als u uw auto vergrendelt, terwijl een van de portieren of de achterklep niet dicht zit, dan kan de centrale vergrendeling niet plaatsvinden, maar treedt het alarm ongeveer 45 seconden in werking.
N.b.: de sirene wordt automatisch uitgeschakeld (bijvoorbeeld om de accu los te nemen) zodra de auto met behulp van de afstandsbediening wordt ontgrendeld.
C3 05 2 G033-FRA.qxd 27/07/05 10:57 Page 37
|| ||
STUURSLOT - CONTACT - STARTMOTOR
37

Om de stuurinrichting van het slot te halen, dient u het stuurwiel iets te bewegen terwijl u zonder te force-ren de sleutel in het contact omdraait.
Verdraai, na het verwijderen van de sleutel uit het contact, het stuur iets, tot de stuurinrichting wordt vergrendeld. De sleutel kan alleen verwijderd worden in de stand S.
M: Contactstand
De stuurinrichting is ontgrendeld (draai de sleutel in de stand M en beweeg daarbij eventueel het stuurwiel iets).
Afhankelijk van de uitvoering van uw auto, worden de volgende lampjes getest:
Kort:





- Tot aan het starten:





- Knippert tot aan het starten:

Het niet branden van een van deze lampjes duidt op een storing.

VERWIJDER NOOIT DE SLEUTEL UIT HET CONTACT VOORDAT DE AUTO HELEMAAL STILSTAAT.
HET IS NOODZAKELIJK ALTIJD MET DRAAIENDE MOTOR TE RIJDEN OM DE STUURBEKRACHTIGINGSFUNCTIE TE BEHOUDEN (risico dat het stuur in de vergrendeling valt en de veiligheidsvoorzieningen niet werken).
Wanneer de auto stilstaat en u de sleutel uit het contact neemt, dient u het stuurwiel iets te verdraaien om het stuur te vergrendelen.
C3 05 2 G033-FRA.qxd 27/07/05 10:57 Page 38
|| ||
38

STARTEN
Handgeschakelde versnellingsbak
- Alvorens u de motor start, dientuzichervantevergsen dat de versnellingshendel in de vrijstand staat
- Kom niet aan het gaspedaal.
- Voor dieselmotoren: draai de sleutel in de contactstand. Indien het voorgloeilampje brandt, wacht dan tot dit gedoofd is.
- Stel de startmotor in werking door de sleutel om te draaien (niet langer dan tien seconden).
- Trap bij temperaturen beneden 0°C het koppelingspedaal in om het starten te vergemakkelijken. Laat het koppelingspedaal vervolgens langzaam opkomen.
Automatische versnellingsbak
- Controleer of de stand P of N is ingeschakeld.
e wjs -niet aan het gaspedaal. - Voor dieselmotoren: draai de sleutel in de contactstand. Indien het voorgloeilampje brandt, wacht dan tot dit gedoofd is.
- Stel de startmotor in werking door de sleutel verder te draaien (niet langer dan tien seconden).
SensoDrive versnellingsbak - Controleer of de stand N is ingeschakeld.
- Houd het rempedaal ingetrapt.
- Kom niet aan het gaspedaal.
- Voor dieselmotoren: draai de sleutel in de contactstand. Indien het voorgloeilampje brandt, wacht dan tot dit gedoofd is.
- Stel de startmotor in werking door de sleutel verder te draaien (niet langer dan tien seconden).

Advies
Auto's met turbomotor
Laat de motor voor het afzetten altijd een paar seconden stationair draaien om de turbocompressor tot een normale snelheid te laten terugvallen.
Gas geven tijdens het afzetten van de motor kan de turbocompressor ernstig beschadigen.
Geluidssignaal
Uw auto geeft diverse geluidssignalen af:
- 1 Gong = ter bevestiging van een gegeven commando.
- 3 Piepjes = Waarschuwing (bijvoorbeeld wanneer het systeem behorendebijeenvandevolgende controlelampjes in storing is: motordiagnose; airbag; laadstroom; motoroliedruk; handrem; ABS; ESP...).
N.B.: wanneer de motor bij de eerste startpoging niet aanslaat, zet dan het contact af, wacht zes seconden en stel de startmotor opnieuw in werking, zoals hierboven omschreven.
LAAT DE MOTOR NIMMER DRAAIEN INDIEN DE AUTO ZICH IN EEN AFGESLOTEN OF ONVOLDOENDE GEVENTILEERDE RUIMTE BEVINDT.
C3 - 2005-2 C:\Documentum\Checkout\C3 05 2 T033-NEL.win 22/9/2005 16:02 - page 6
C3 05 2 G033-FRA.qxd 27/07/05 10:57 Page 39


STOP & START
39
Uw auto kan voorzien zijn van de functie "Stop & Start", dat gekoppeld is aan de Sensodrive versnellingsbak. Dit systeem schakelt de motor in de sluimerstand, wanneer de auto stilstaat (stoplicht, stopstreep, file...).
In deze toestand is het brandstofverbruik evenals de uitstoot van milieuvervuilende gassen nihil en is de motor volledig geluidsloos.
De motor start onmiddellijk wanneer u wegrijdt.
Werking van het systeem "Stop & Start"
Wanneer u remt om de auto tot stilstand te brengen, schakelt de motor zichzelf in de sluimerstand, net voordat de auto helemaal stilstaat; het groene lampje "ECO" in het instrumentenpaneel licht op. De motor blijft in de sluimerstand staan, zolang u het rempedaal (iets) ingetrapt houdt.
Op het moment dat u het rempedaal loslaat, wordt de motor automatisch opnieuw gestart. De groene signalering "ECO" gaat uit. U kunt op dat moment gasgeven om weer verder te rijden.

In de volgende gevallen wordt de motor niet in de sluimerstand geschakeld:
Voordat de motor in de sluimerstand wordt gezet, controleert het systeem automatisch en direct of aan bepaalde voorwaarden, die te maken hebben met de veiligheid, het thermisch comfort en de bescherming van de motor, is voldaan.
Zo is het mogelijk dat de motor niet in de sluimerstand wordt geschakeld of zal deze automatisch starten in de volgende gevallen:
- enkele minuten na de eerste start (koude motor);
- ten behoeve van het thermisch comfort:
- bij extreme buitentemperaturen (onder de 10°C, boven de +30°C), als de klimaatregeling aan staat;
- meer in het algemeen, als door de klimatologische omstandigheden en de geprogrammeerde temperatuur van de airconditioning het draaien van de motor noodzakelijk is om warme of koude lucht te produceren;
- indien u het ontwasemen / ontdooien van de voorruit heeft ingeschakeld;
- als u lange tijd stilstaat op een steile helling, teneinde de remcapaciteit van de auto te behouden.
Nadat u de achteruitversnelling heeft ingeschakeld, is gedurende circa vijftien seconden het in de sluimerstand schakelen van de motor niet mogelijk.
C3 05 2 G033-FRA.qxd 27/07/05 10:57 Page 41
|| ||

STOP&START
41

Uitschakelen van de functie "Stop & Start":
U kunt, wanneer u wilt, de functie "Stop & Start" direct uitschakelen door op de toets "ECO OFF" links op het centrale dashboardgedeelte te drukken.
Het lampje in de toets licht op en uw auto functioneert dan weer als een normale auto.
U kunt het systeem weer inschakelen door opnieuw op de toets "ECO OFF" te drukken: het lampje van de toets wordt dan gedoofd.
Let op: iedere keer dat u de motor start, wordt de functie "Stop & Start" automatisch weer ingeschakeld.
Accu's
Om de goede werking van het systeem te garanderen, is een specifieke accu noodzakelijk en een kleine extra accu onder de linker voorstoel.
Wend u voor het vervangen van de accu tot een CITROËN erkend bedrijf.
Opmerking:
Bij een storing in de werking van "Stop & Start", knippert het lampje "ECO" kort en hoort u een waarschuwingspiep. Vervolgens brandt het lampje van de bediening "ECO OFF"
Raadpleeg een CITROËN erkend bedrijf.
Als de motor in de sluimerstand is geschakeld, kan deze elk moment weer starten. Zet daarom eerst het contact af voordat u ingrepen onder de motorkap verricht. Zet altijd het contact af voordat u de auto verlaat.
C3 05 2 G033-FRA.qxd 27/07/05 10:57 Page 42
|| ||
42

DASHBOARD


Indicator motorolieniveau
Wanneer het contact wordt aanzet, wordt de onderhoudsintervalindicator enkele seconden verlicht. Vervolgens wordt gedurende enkele seconden het motorolieniveau aangegeven. (Zie "Onderhoudsintervalindicator").
Zowel te veel als te weinig olie kan de motor ernstige schade toebrengen.

De weergave "OIL OK" duidt op een normale werking.
Weergave
Bij het openen van het bestuurder- sportier worden de totaalkilometer- teller en de dagteller getoond.
Bij het aanzetten van het contact verschijnt op het display achtereenvolgens:
- Onderhoudsintervalindicator.
- Indicator motorolieniveau.
- Totaalkilometerteller.
Op het display verschijnt eveneens de dagkilometerteller of de boordcomputer (afhankelijk van de opgeslagen status bij afzetten van de motor).

Het knipperen van "OIL" duidt op een olieniveau onder het minimum.
Controleer het oliepeil met de peilstok. Zie "Niveaus".
Controleer het olieniveau op een vlakke en horizontale ondergrond, nadat de motor minimaal vijftien minuten eerder is afgezet.
Wend u tot een CITROËN erkend bedrijf.

Het knipperen van de signalering "OIL-" duidt op een storing in de werking van de indicator.
Wend u tot een CITROËN erkend bedrijf.
Nulstelling van de dagkilometerteller
Functie beschikbaar bij aangezet contact.
Druk, nadatumetdetodagkilometerteller heeft opgeroepen, de toets B even in om deteller op nul te zetten.

Waarschuwingslampje minimumbrandstofvoorraad / Brandstofmeter
Wanneer de brandstoftank vol is, zijn alle acht streepjes verlicht. De streepjes doven één voor één.
Als het lampje van de mimimumbrandstofvoorraad gaat branden, zit er nog opgever 4 tot 6 liter brandstof in de tank.
Als de stand "black panel" actief is en er nog ongeveer 4 tot 6 liter brandstof in de tank zit, gaat het lampje van de mimimumbrandstofvoorraad branden.
C3 05 2 G033-FRA.qxd 27/07/05 10:57 Page 43
|| ||

ONDERHOUDSINTERVALINDICATOR
43
Deze meter informeert u wanneer de volgende voorgeschreven onderhoudsbeurt dient plaats te vinden. De informatie wordt bepaald op basis van de volgende twee factoren: het aantal afgelegde kilometers en de verstreken tijd sinds de laatste onderhoudsbeurt.
Werking:
Bij het aanzetten van het contact wordt op het display het aantal kilometers getoond dat nog verreden kan worden tot de volgende onderhoudsbeurt. (in duizenden en honderden kilometers)
Bijvoorbeeld: de onder- houdsbeurt is over:

Werking wanneer het aantal nog te verrijden kilometers tot de volgende onderhoudsbeurt minder bedraagt dan 1000.
Elke keer dat het contact wordt aangezet, knipperen de onderhoudssleutel en de kilometrage 5 seconden.
Bijvoorbeeld: de onder- houdsbeurt is over: 500 km. Bij het aanzetten van het contact geeft het display gedurende vijf se- conden de volgende informatie:

Werking wanneer het onderhoud had moeten plaatsvinden, maar nog niet plaatsgevonden heeft.
Elke keer dat u het contact aanzel, knippert de onderhoudssleutel en het teveel verreden aantal kilometers (met een min ervoor) ten opzichte van de voorgeschreven onderhoudsbeurt.
Voorbeeld: De kilometerstand voor de volgende onderhoudsbeurt is met 300 kilometer overschreden. De onderhoudsbeurt dient nu op korte termijn te worden uitgevoerd.

Enkele seconden later wordt het olieniveau weergegeven, waarna de totaalkilometerteller weer zijn normale werking krijgt.
Enkele seconden later wordt het olieniveau weergegeven, waarna de totaalkilometerteller weer zijn normale werking krijgt en de onderhoudssleutel blijft branden. Dit duidt erop dat uw auto binnenkort een onderhoudsbeurt nodig heeft.
Enkele seconden later wordt het olieniveau weergegeven, waarna de totaalkilometerteller weer zijn normale werking krijgt en de onderhoudssleutel blijft branden



C3 05 2 G033-FRA.qxd 27/07/05 10:57 Page 44
|| ||
44
DASHBOARDVERLICHTING - BLACK PANEL

Sterkte van de dashboardver- lichting
Wanneer de koplampen zijn ingeschakeld, brandt ook de dashboardverlichting:
- Instrumentenpaneel: toerenteller, display en brandstofniveaustreepjes.
- Centrale display.
-Aircodisplay.
Voor het selecteren van de weergavemodus en de sterkte van de verlichting drukt u op de toets A van de dashboardverlichting.
Rijden in het donker (met ont- stoken koplampen)
Er zijn vier verschillende lichtsterkteniveaus en een "black panel"-functie.
Het instellen van de lichtsterkte gebeurt door op de knop A te drukken in de volgorde:
4e niveau => 3e niveau => 2e niveau => 1e niveau => black panel.

Deze functie is het meest rustgevend voor uw ogen, wanneer u in het donker rijdt.
In de "black panel" -stand worden tijdelijk alleen de volgende functies - door ze op te roepen of in geval van een waarschuwing - weergegeven:
- De controlelampjes in venster C (onderzijde instrumentenpaneel), van bijvoorbeeld de minimum-brandstofvoorraad of van de koelwatertemperatuur.
- De richtingaanwijzers
- Desnelheidsmeter
- De ingeschakelde versnelling
- De kilometerteller (bij elke druk op de toets B)
- Het display van de automatische airco, bij elke bediening van een toets.
- De informatie van de boordcomputer.
- Wanneer u de eerste keer op de bediening D "DARK" drukt, dan schakelt u het display in een sluimerstand. Bovenin het displaywordtdanalleendetijden de temperatuur weergegeven.
- Wanneer u een tweede keer op de bediening D drukt, dooft het display en het instrumentenpaneel (black panel) met uitzondering van de volgende signaleringen:
-Desnelheidsmeter.
- De ingeschakelde versnelling.
- De snelheidsbegrenzer/snel-heidsregelaar, indien ingeschakeld.
N.B.: In de volgende gevallen lichten de displaysignaleringen tijdelijk op:
-Hetindrukkenvaneenvande
toetsenvanhetdisplay.
- Het selecteren van de radio - cd-speler.
- Het bedienen van de airconditioning.
Oplichten van alle signaleringen in geval van nood.
- Door een derde keer op D te drukken, keert u terug naar de normale verlichting
|| ||
MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY
Display A
45

Hetisraadzaamnietdeinstellingen van het scherm te wijzigen terwijl u rijdt.
1 - Tijd.
2 - Datum en Weergaveveld.
3 - Buitentemperatuur.
Wanneer de buitentemperatuur tussen de +3°C et -3°C ligt, wordt de temperatuur knipperend weergegeven (kans op gladheid).
N.b.: de weergegeven buitentemperatuurkanhogerzijndande kelijke temperatuur, als de auto in de zon geparkeerd staat.
Opmerking: bepaalde informatie wordt de ene keer scrollend, de andere keer afgewisseld weergegeven.

Bedieningsorganen:
A - Toegang tot het "Hoofdmenu".
B - Scrollen door de displayme-nu's.
C - Bevestigen en selecteren van de gekozen functie of de gewijzigde waarde in de menu's.
D - Opheffen van de handeling of terug naar de vorige weergave.
Eer Selectie van het type informatie dat in het gebied 2 wordt weergegeven (datum, autoradio/CD en boordcomputer).
E - In de menu's kunt u kiezen welke functies u wilt activeren en uitschakelen, en welke instellingen u wilt gebruiken.
Hoofdmenu
Druk op de toets A en kies dan met B een van de volgende functies:

- Autoradio-CD (zie instructie-boekje autoradio-CD).
- Configuratie auto, waarmee u de volgende functies in- of uitkunt schakelen:
- Automatisch inschakelen van de achterruitenwisser.
- Follow-me-home-verlichting.
- Automatische verlichting.
- Opties waarmee u de waarschuwingen kunt laten weergeven.
- Instellen van het display, voor datum- en tijdweergave.
- Talen, voor het kiezen van de displaytaal.
- Eenheden, waarmee de eenheden voor de temperatuur en het verbruik kunnen worden weergegeven.
C3 05 2 G033-FRA.qxd 27/07/05 10:57 Page 46
|| ||
46
MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY
Display A

PERSOONLIJKE INSTELLINGEN en CONFIGUREREN
Aan-/uitzetten van de automatische werking van de achterruitenwisser bij inschakelen van de achteruitverstelling:
- Drukop A.
- Kiesmetbehulp van B het menu om uw auto te voorzien van persoonlijke instellingen of om uw auto te configureren. Bevestig uw keuze met een druk op C.
- Kies de achterruitenwisser met B.
- Het systeem geeft aan of de desbetreffende functie in- of uitgeschakeld is. U kunt dit veranderen door op E te drukken.
- Wacht vervolgens tot de weergave van het display verdwijnt.
Let op: het aan-/uitzetten treedt onmiddellijk in werking.

Aan- of uitzetten van de follow- me-home verlichting:
- Drukop A.
- Kiesmetbehulp van B het sub- menu om uw auto te voorzien van persoonlijke instellingen of om uw auto te configureren. Bevestig uw keuze met een druk op C.
- Kies de follow-me-home verlichting met behulp van B.
- Het systeem geeft aan of de desbetreffende functie in- of uitgeschakeld is. Ukunt dit veranderen door op E te drukken.
- Wacht vervolgens tot de weergave van het display verdwijnt.

In-/uitschakelen van de automatische verlichting:
- Drukop A.
skibesmetbehulpvan B het sub-
menu om uw auto te voorzien van persoonlijke instellingen of om uw auto te configureren. Bevestig uw keuze met een druk op C.
- Selecteer de automatische verlichting met behulp van B.
- Het systeem geeft aan of de desbetreffende functie in- of uitgeschakeld is. Ukunt dit veranderen door op E te drukken.
- Wacht vervolgens tot de weergave van het display verdwijnt.
Let op: het inschakelen van deze functie gebeurt onmiddellijk, terwijl u voor het uitschakelen ervan het contact moet afzetten.
C3 05 2 G033-FRA.qxd 27/07/05 10:57 Page 47
|| ||
MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY
Display A
47

Weergave van het waarschuwingenjournaal:
- Drukop A.
- Kiesmetbehulp van B het- menu van de opties. Bevestig door op C te drukken.
Let op: u kunt het weergeven onderbreken met E. Bevestig dit door op C te drukken.
Waarschuwingen die eerder zijn gedaan voor situaties die nog steeds niet zijn opgelost, verschijnen van tijd tot tijd opnieuw.
Om een weergegeven waar- schuwing te wissen, drukt u op de toets D.

Instellen van de datum en de tijd:
- Drukop A.
- sSblecteer met behulp van B het submenu voor het instellen van het display en bevestig uw keuze door op C te drukken.
- Selecteer vervolgens met behulp van B het item dat u wilt wijzigen: dag, maand, jaar, uren, minuten of de weergavewijze.
- Stel de gewenste waarde in door op E te drukken. Als u daarna weer op B drukt, kunt u een volgende item wijzigen.
- Als u klaar bent met de instellingen, wacht dan tot het display uitgaat.
Kiezen van de taal:
- Drukop A.
- Selecteer met behulp van B het submenu "Taal". Bevestig uw keuze door op C te drukken.
- Druk op E om de door uw ge-wenste taal te kiezen.
- Wacht dan even tot het display uit-gaat.
Kiezen van de eenheden:
- Drukop A.
- Selecteer met behulp van B het submenu "Eenheden". Bevestig uw keuze door op C te drukken.
- Druk op B om de eenheid (temperatuur of brandstofverbruik) te kiezen.
- Stel de gewenste eenheid in door op E te drukken.
- Wacht dan even tot het display uit-gaat.
N.b.: Deze selectie betreft alle signaleringen (Verbruik - Snelheid) die worden weergegeven.
C3 05 2 G033-FRA.qxd 27/07/05 10:57 Page 48
|| ||
48
MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY
Display C


Hetisraadzaamnietdeinstellingen van het scherm te wijzigen terwijl u rijdt. Hoofdr
1 - Tijd.
2 - Buitentemperatuur.
3 - Datum en weergaveveld.
Wanneer de buitentemperatuur tussen de +3°C et -3°C ligt, wordt de temperatuur knipperend weergegeven (kans op gladheid).
Hoofdmenu
Druk op de toets A om het "Hoofd-menu" op het multifunctioneel display weer te geven. Via dit menu heeft u toegang tot de volgende functies:

Autoradio-CD
(Zie instructieboekje auto-radio-CD).

Persoonlijke instellingen: activeren/uitschakelen:
- Automatisch inschakelen van de achterruitenwisser.
- Follow-me-home-verlichting.
- Automatische verlichting.
Verder kan men de volgende waarden instellen:
- De lichtsterkte, de tijd, de datum en de eenheden.
- De displaytaal.

(Zie instructieboekje auto-radio-CD).
Bedieningsorganen:
A - Toegang tot het "Hoofdmenu".
B - Scrollen door de displaymenu's.
C - Bevestigen en selecteren van de gekozen functie of de gewijzigde waarde in de menu's.
D - Opheffen van de handeling of terug naar de vorige weergave.
E - Selectie van het type informatie dat permanent wordt weergegeven (datum, autoradio-cd, boordcomputer) rechts op het display.

Mogelijkheden van de boordcomputer:
- De afstand tot de bestemming invoeren.
- Toegang tot het waarschuwingen-journaal (herhaling van eerdere waarschuwingen).
- Toegang tot de staat van functies, bijvoorbeeld activering/uitschakeling automatische koplampverlichting, ESP en ruitenwissers voor.
N.b.: De weergegeven buitentemperatuurkanho gerzijndandewerkelijke temperatuur, als de auto in de zon geparkeerd staat.
MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY
Display C
BOORDCOMPUTER
Kiezenvandeafteleg stand met de boordcomputer: -Drukop A.
- Kies met B de icoon van boordcomputer en bevestig uw keuze door op C te drukken.
- Kies invoeren afstand met B en bevestig uw keuze door op C te drukken.
- Kies voor het instellen van de afstand het getal, dat u wijzigt met behulp van B. Bevestig uw keuze door op C te drukken.
- Stel met B de waarde in en bevestig uw keuze door op C te drukken.
- Drukop "OK" op het display.
Toegang tot het waarschuwingenjournaalvandeb puter:
- Drukop A.
- Kies met B de icoon van boordcomputer en bevestig uw keuze door te drukken op C.
- Kies het waarschuwingenjour- naal.
- Wanneer de lijst verschijnt, kunt u deze doorlopen met B.
- Druk op D om terug te keren naar de permanente weergave.
Voor toegang tot de staat van de functies gaat u op dezelfde wijze te werk.
PERSOONLIJKE INSTELLINGEN en CONFIGUREREN g e n a f
Aan-/uitzetten van de automatische werking van de achterruidtenwisser bij inschakelen van de achteruitverstelling:
- Drukop A.
- Kiesmetbehulp van B de "Persoonlijke instellingen-Configuratie" en bevestig uw keuze door op C te drukken.
- Kies het submenu voor de instellingen van de auto. Bevestig uw keuze door te drukken op C.
- Kies met B de functie parkeer- hulp. Bevestig uw keuze door te drukken op C.
- Vink door te drukken op C de achterruitenwisser aan of uit om deze te activeren c.q. uit te scha- o rer d. c om-
- Drukop "OK" op het display.
Let op: het aan-/uitzetten treedt onmiddellijk in werking.
Aan- of uitzetten van de follow- me-home verlichting:
- Drukop A.
- Selecteer met B de icoon "Persoonlijke instellingen-Configuratie" en bevestig uw keuze door te drukken op C.
-
Kies vervolgens het submenu voor de instellingen van de auto. Bevestig uw keuze door te drukken op C.
-
Kies met B de verlichting en de signalering. Bevestig uw keuze door te drukken op C.
- Vink door te drukken op C de follow-me-home verlichting aan of uit om deze te activeren c.q. uit te schakelen. Kies na activering de duur: druk op C en kies met B de ieren en druk op C.
- Bevestig door op "OK" te drukken op het display.
In-/uitschakelen van de automatische verlichting:
- Drukop A.
- Kiesmetbehulp van B de icoon "Persoonlijke instellingen-Configuratie" en bevestig uw keuze door op C te drukken.
- Kies het submenu voor de instellingen van een auto. Bevestig uw keuze met een druk op C.
- Selecteer de verlichting en de signalering met B. Bevestig uw keuze met een druk op C.
- Vink de automatische werking van de koplampverlichting aan of uit door op C te drukken, om deze in- of uit te schakelen.
- Drukop C.
Let op: het inschakelen van deze functie gebeurt onmiddellijk, terwijl u voor het uitschakelen ervan het contact moet afzetten.
C3 05 2 G049-FRA.qxd 9/08/05 11:00 Page 50
|| || 50
MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY
Display C

Instellen van de sterkte van de displayverlichting:
- Drukop A.
- Kiesmet B de icoon "Persoonlijk instellingen-Configuratie" en bevestig uw keuze door op C te drukken.
- Kies de configuratie van de display met B en bevestig uw keuze door op C te drukken.
- Kies de lichtsterkte en bevestig uw keuze door op C te drukken.
- Kies met B en bevestig met C de normale of omgekeerde weergave.
Kies voor het instellen van de lichtsterkte de symbolen "+" of "-" en stel in door op C te drukken.
- Drukop "OK" ophetdispla
Instellen van de datum en de tijd:
- Drukop A.
- Kiesmet B de icoon "Persoonlijkinstellingen-Configuratie" en bevestig uw keuze door op C te drukken.
- Kiesdeconfiguratieva play met behulp van B en bevestig uw keuze door op C te drukken.
- Kies de instelling van de datum en de tijd met behulp van B en vestig uw keuze door op C te kedrukken.
- Kies met B de te wijzigen waarden. Bevestig door op C te drukken.
- Verricht uw instellingen met B en bevestig uw keuze door op C te drukken.
- Drukop "OK" ophetdispla
Kiezen van de taal:
- Drukop A.
- Kiesmet B de icoon "Persoonlijke instellingen-Configuratie" en bevestig uw keuze door op C te drukken.
a Kies het instellen van de taal door op B te drukken. - Kies met B de gewenste taal en bevestig uw keuze door op C te drukken.
- Bevestig door op "OK" op het display te drukken.
Kiezen van de eenheden:
- Drukop A.
- Kiesmet B de icoon "Persoonlijke
keinstellingen-Configuratie" en bevestig uw keuze door op C te drukken. - Kies de configuratie van de disn play door op B te drukken en bevestig uw keuze door op C te drukken.
- Selecteer het submenu van de eenheden en bevestig uw keuze bdeor op C te drukken.
- Kiesmet B de te wijzigen eenheid (temperatuur of verbruik) en be-
- vestig uw keuze door op C te drukken.
- Bevestig door op "OK" op het display te drukken.
N.b.: Deze selectie betreft alle
signaleringen (Verbruik - Snel-
Meid) die worden weergegeven.
C3 05 2 G049-FRA.qxd 9/08/05 11:00 Page 51

MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY
MONOCHROOM NAVIDRIVE DISPLAY
51

Hetisraadzaamnietdeinstell van het scherm te wijzigen terwijl u rijdt.
1 - Tijd.
2 - Telefoon.
3 - Weergaveveld.
4 - Buitentemperatuur.
Wanneer de buitentemperatuur tussen de +3°C et -3°C liegt, wordt de temperatuur knipperend weergegeven (kans op gladheid).
N.b.: De weergegeven buitentemperatuur kan hoger zijn dan de werkelijke temperatuur, als de auto in de zon geparkeerd staat.

A - Toegang tot het "Hoofdmenu".
B - Scrollen door de displayme-nu's.
C - Bevestigen en selecteren van de gekozen functie of de gewijzigde waarde in de menu's.
D - Opheffen van de handeling of terug naar de vorige weergave.
E - Selectie van het type informatie dat permanent wordt weergegeven (datum, autoradio-cd, boordcomputer) rechts op het display.
Hoofdmenu
Druk op de toets A om het "Hoofd-menu" op het multifunctioneel display weer te geven.
Via dit menu heeft u toegang tot de volgende functies:

Navigatiesysteem
(Zie instructieboekje Na-vidrive).

Audio
(Zie instructieboekje Na-vidrive).

Boordcomputer
(Zie instructieboekje Na- vidrive).

Lijst
(Zie instructieboekje Na- vidrive).

Datacommunicatie
(Zie instructieboekje Na-vidrive).

Configuratie
Voor het verrichten van diverse instellingen (in-/uitschakelen automatische
werking van de koplampen, datum, tijd, eenheden...)
(Zie instructieboekje Navidrive).
C3 05 2 G049-FRA.qxd 9/08/05 11:00 Page 52
|| || 52

MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY
KLEURENDISPLAY NAVIDRIVE

Hetisraadzaamnietdeinstell van het scherm te wijzigen terwijl u rijdt.
1 - Buitentemperatuur.
2 - Lijst.
3 - Datum.
4 - Telefoon.
5 - Tijd.
Wanneer de buitentemperatuur tussen de +3°C et -3°C ligt, wordt de temperatuur knipperend weergegeven (kans op gladheid).
N.b.: De weergegeven buitentemperatuur kan hoger zijn dan de werkelijke temperatuur, als de auto in de zon geparkeerd staat.

Bedieningsorganen:
A - Toegang tot het "Hoofdmenu".
B - Scrollen door de displaymenu's.
C - Bevestigen en selecteren van de gekozen functie of de gewijzigde waarde in de menu's.
D - Opheffen van de handeling of terug naar de vorige weergave.
E - Selectie van het type informatie dat permanent wordt weergegeven (datum, autoradio-cd, boordcomputer) rechts op het display.
Hoofdmenu
Druk op de toets A om het "Hoofd-menu" op het multifunctioneel display weer te geven.
Via dit menu heeft u toegang tot de volgende functies:

Navigatiesysteem
(Zie instructieboekje Na-vidrive).

Audio
(Zie instructieboekje Na-vidrive).

Boordcomputer
(Zie instructieboekje Na-vidrive).

Lijst
(Zie instructieboekje Na-vidrive).

Datacommunicatie
(Zie instructieboekje Na-vidrive).

Configuratie
Voor het verrichten van diverse instellingen (in-/uitschakelen automatische
werking van de koplampen, datum, tijd, eenheden...)
(Zie instructieboekje Navidrive).

Kaart
(Zie instructieboekje Na-vidrive).
C3 05 2 G049-FRA.qxd 9/08/05 11:00 Page 53
|| ||
BOORDCOMPUTER
53

Voor de weergave en de selectie van de diverse gegevens drukt u enkele keren kort op het uiteinde van de voorruitenwisserbediening.

Bij de displays C en Navidrive kunt u met één druk op "Mode" informatie van de boord-computer permanent laten weergeven.
Om de boordcomputer te resetten, drukt u enkele seconden op het uiteinde van de schakelaar op het moment dat de betreffende informatie wordt getoond.

Dashboard (voor uitvoering met digitaal klokje)
De boordcomputer geeft vier typen informatie weer op het display de boordcomputer, na weergave van de dagkilometerteller:
- Actieradius.
- Brandstofverbruik van het mo- ment.
- Gemiddeld brandstofverbruik.
- Gemiddelde snelheid.
Let op: tijdens de werking van de snelheidsregelaar / snelheidsbegrenzer, verdwijnt een via de boordcomputer weergegeven signalering na enkele seconden.

De boordcomputer geeft 5 typen informatie weer:
van Actieradius.
- Gemiddeld brandstofverbruik.
- Brandstofverbruik van het moment.
- Afgelegde afstand.
- Gemiddelde snelheid.
Om de weergave van informatie van de boordcomputer op te heffen, drukt u een zesde keer.
C3 05 2 G049-FRA.qxd 9/08/05 11:00 Page 54
II II 54

BOORDCOMPUTER

Na de nulstelling van de computer is de informatie over de actieradius pas betrouwbaar na een bepaalde gebruikstijd.
De boordcomputer geeft direct toegang tot de volgende drie typen informatie:
- Actieradius.
- Brandstofverbruik van het moment.
- De resterende afstand.
Hij geeft tevens toegang tot de volgende drie typen informatie voor twee trajecten (1 en 2):
- Afgelegde afstand.
- Gemiddeld brandstofverbruik.
- Gemiddelde snelheid.
Trajecten
De trajecten 1 en 2 staan op zichzelf, maar hebben hetzelfde gebruikersprincipe. Zo kunt u traject 1 baseren op een dagberekening en traject 2 op een maandberekening.
Nulstelling van een traject
Wanneer het gewenste traject wordt weergegeven, drukt u even tegen het uiteinde van de ruitenwisserhendel.
C3 05 2 G049-FRA.qxd 9/08/05 11:00 Page 55
|| ||
BOORDCOMPUTER
55
Dashboard Display-uitvoering A


Actieradius
Deze geeft het aantal kilometers aan dat nog kan worden afgelegd met de resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
Als de nog af te leggen afstand minder is dan cir 25 km, worden slechts drie streepjes weergegeven.
Displayuitvoering C



Gemiddeld brandstofverbruik
Dit is voor het geselecteerde parcours de verhouding tussen de verbruikte brandstof sinds de laatste nulsteling van de computer en het aantal afgelegde kilometers sinds de laatste nulstelling van de computer.



Brandstofverbruik van het moment
Ditisdeuitkomstvanhetgemetenverb laatste twee seconden. Deze functie wordt pas weergegeven vanaf een snelheid van 30 km/uur.



Gemiddelde snelheid
Deze wordt verkregen door voor het geselecteerde parcour de sinds de nulstelling van de computer afgelegde afstand le delen door de tijd dat de auto is gebruikt (aangezet conta


Afgelegde afstand
Geeft voor het geselecteerde parcours het aantal lometers aan dat is afgelegd na de laatste nulsteling van de boordcomputer.

Nog af te leggen afstand
Voor het instellen van dit gegeven, zie "Multifunctie neel Display".

C3 05 2 G049-FRA.qxd 9/08/05 11:00 Page 56
|| ||
56
BOORDCOMPUTER

C3 05 2 G049-FRA.qxd 9/08/05 11:00 Page 57


Versnellingspook van de handgeschakelde versnellingsbak
Achteruitrijstand
Schakel nooit in de achteruitversnelling als de auto (nog) niet geheel stilstaat.
Schakel rustig om "kraken" tijdens het schakelen te voorkomen.

Selectiehendel van de automatische versnellingsbak
- Parkeerstand (Stand P)
- Achteruitrijstand (Stand R)
- Vrijstand (Stand N)
-
Bij deze automatische versnelingsbak kunt u kiezen uit een van de volgende standen.
-
Werking volgens het auto- adaptieve principe, waarbij het schakelen automatisch op uw rijstijl wordt afgestemd. (Stand D)
- Werking in de handbediende sequentiële stand, waarbij het schakelen handmatig, d.m.v. het kort bewegen van de hendel naar + of - gebeurt. (Stand M)
- Werking in de automatische stand Sport of Sneeuw. (stand
D en druk op de bediening

of ).

Stand van de selectiehendel
De stand van de selectiehendel wordt aangegeven op het instrumentenpaneel.
Veiligheidsvoorzieningen:
- U kunt de selectiehendel alleen uit de stand P verwijderen met ingetrapt rempedaal.
- Wanneer bij het openen van een portier de selectiehendel niet in de stand P staat klinkt een geluidssignaal.
- Verlaat nimmer de auto zonder dat u eerst de selectiehendel in de stand P heeft gezet.
C3 05 2 G049-FRA.qxd 9/08/05 11:01 Page 59
|| ||
AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK
59

Gebruik van de automatische versnellingsbak

Parkeerstand
Schakel in stand P om te voorkomen dat de stilstaande auto zich kan verplaatsten. Wacht met het schakelen in deze stand tot de auto stilstaat. In deze stand zijn de aangedreven wielen geblokkeerd. Zorg dat de selectiehen-del in de goede stand staat en trek de handrem aan.

Achteruitrijstand
Hetstartenvandemotorisal-
leen mogelijk met de selectie- hendel in de stand P of N.
Een veiligheidsvoorziening zorgt ervoor dat het starten vanuit een andere stand niet mogelijk is.
Als u de motor heeft gestart terwijl de selectiehendel in de stand P staat, moet u het rempedaal intrappen om deze stand te verlaten:
- gebruik D voor het inschakelen vandeautomatischesta
- gebruik R voor het schakelen de achteruitstand,
- gebruik M voor het inschakeler van de handbediende stand.
Het schakelen van D (automatische stand) naar M (handbediende stand) is op elk gewenst momen mogelijk.
Schakel uitsluitend in deze stand nadat de auto met de voetrem tot stilstand is gebracht. Om schokken te vermijden, is het aan te raden niet te snel gas te geven.

Vrijstand
Schakel niet in deze stand als de auto nog rijdt - ook niet voor een korte tijd.

- Schakel nooit in de stand N wanneer de auto rijdt.
- Schakel nooit in de stand P of R als de auto nog niet stilstaat.
Mocht u, terwijl de auto rijdt, per ongeluk in de stand N schakelen, laat dan het toerental terugvallen naar stationair, alvorens u in de stand D of M schakelt.
C3 05 2 G049-FRA.qxd 9/08/05 11:01 Page 60
II II 60
AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK

Automatische vooruitversnelling
De versnellingsbak kiest steeds de stand die het best past bij de volgende factoren:
- rijstijl
- wegdek
- belading van de auto
De versnellingsbak werkt in zo'n geval volgens het auto-adaptatieve principe, d.w.z. zonder ingrijpen van de bestuurder.
Bij bepaalde manoeuvres (bijvoorbeeld inhalen) is het mogelijk een maxima- le acceleratie te verkrijgen door het gaspedaal volledig in te trappen; hier- mee wordt automatisch in een lagere versnelling geschakeld.
Opmerking:
Tijdens het remmen kan de versnellingsbak automatisch in een lagere versnelling schakelen, zodat op een doeltreffende wijze op de motor wordt fremd.
Als u plotseling uw voet van het gaspedaal neemt, zal de versnellingsbak om veiligheidsredenen niet in een hogere versnelling schakelen.

Handmatig schakelen in een vooruitversnelling
Stand van de selectiehendel voor handmatig schakelen.
- Selectiehendel in M.
- Duw de selectiehendel naar het teken "+" om in een hogere versnelling te schakelen.
- Trek de selectiehendel naar het teken "-" om in een lagere versnelling te schakelen.
Opmerking : het schakelen van de ene in de andere versnelling is mogelijk voorzover de snelheid van de auto en het motortoerental dit toelaten.
De programma's Sport en Sneeuw werken niet in de handschakelstand.
Het schakelen van de stand D (stand voor automatisch schakelen) in de stand M (stand voor handmatig schakelen) of omgekeerd is op elk moment mogelijk.
C3 05 2 G049-FRA.qxd 9/08/05 11:01 Page 61
|| ||
AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK
61

WerkingindeautomatischestandSportofSneeuw Kies de gewenste rijstijlstand:
- Normaal, voor het rijden onder normale omstandigheden: de lampjes
en zijn in deze stand gedoofd. - Sport, voor een sportief rijgedrag met het accent op prestaties en optrekken.
- Sneeuw, voor een voorzichtige rijstijl, afgestemd op gladde wegen.
- Zorg dat de selectiehendel in de stand D staat, en druk op de toets het corresponderende lampje S op het instrumentenpaneel licht op: de stand "SPORT" is ingeschakeld.
- Zorg dat de selectiehendel in de stand D staat, en druk op de toets : het corresponderende lampje op het instrumentenpaneel licht op: de stand "SNEEUW" is ingeschakeld.
- Bij een tweede druk op de toets gaat het lampje S of uit en bevindt de versnellingsbak zich opnieuw in de stand "NORMAAL".

- Als het controlelampje van de gevraagde versnelling knippert, is de gewenste stand nog niet ingeschakeld.
- Zodra het controlelampje constant brandt, is de gewenste stand ingeschakeld.
Het branden van het SERVICE-lampje gelijktijdig met de weergave van een melding en een geluidssignaal duidt op een storing in de zo'n geval geldt:
werking. In
Bij het schakelen in de achteruitversnelling R kan een hevige schok worden waargenomen.
- De versnellingsbak blijft in een bepaalde versnelling "hangen".
- Rijd niet harder dan 100 km/uur.
Raadpleeg zo snel mogelijk een CITROËN erkend bedrijf.
C3 05 2 G049-FRA.qxd 9/08/05 11:01 Page 62
II II 62

SENSODRIVE VERSNELLINGSBAK
ALGEMENE GEGEVENS

Met de 5-traps Sensodrive-versnellingsbak kunt u kiezen uit twee mäWeergave op het display nieren van schakelen:
- Automatisch.
- Handmatig: u schakelt zelf met behulp van de twee flippers achter het stuur 1 of de selectiehendel 2 op de middenconsole.
Selecteren van de schakelmodus voor de SensoDrive:
- Automatisch schakelen wanneer de selectiehendel 2 in de stand A staat.
Opmerking: door een van de flippers aan het stuur 1 te bedienen kan tijdelijk de handmatige modus worden ingeschakeld.
- Handmatig schakelen met de selectiehendel 2 in de stand M.
- De ingeschakelde stand en de signalering "AUTO" verschijnt op het instrumentenpaneel, ook bij afgezet contact, wanneer u bijvoorbeeld een portier opent.
- Het controlelampje "voet op rempedaal" knippert om aan te ge- vendatu het trempedaalmoet in- trappen om de auto te starten of om de achteruit in te schakelen.
LET OP
Wanneer bij aangezet contact tegelijkertijd de lampjes "en "AUTO" knipperen, duidt dat op een storing. Raadpleeg zo snel mogelijk een CITROËN erkend bedrijf.
C3 05 2 G049-FRA.qxd 9/08/05 11:01 Page 63
|| ||
SENSODRIVE VERSNELLINGSBAK
ALGEMENE GEGEVENS
63

- Trap het rempedaal in. De selec tichendel moet in de stand N staan. Wanneer u het contact aan- zel, wordt automatisch de stand N (vrijstand) ingeschakeld.
- Controleer op het display de ing schakelde stand.
- Schakel indien nodig in de 1e versnelling of de achteruitversnelling (de motor moet stationair draaien).
-Zetdehandremvrij. - Neem uw voet van het rempedaal en geef gas.
Gebruik van de SensoDrive versnellingsbak

Vrijstand
Selecteer niet deze stand als de auto rijdt, zelfs niet voor een kort moment.

Achteruitrijstand
SchakelenindeachteruitR:
Het is alleen mogelijk om in de achteruitversnelling te schakelen met de selectiehendel. Schakel uitsluitend in de achteruitversnel- ling R als de auto volledig tot stilstand is gekomen; houd tijdens het schakelen het rempedaal ingetrapt.

Automatische stand

Handmatig schakelen in een vooruitversnelling
Stand van de selectiehendel voor handmatig schakelen.
- Duw de hendel van u af om in een hogere versnelling te schakelen.
- Trek de hendel naar u toe om in een lagere versnelling te schakelen.
Het starten van de motor en het schakelen in de achteruitversnelling is alleen mogelijk bij ingetrapt rempedaal.
Het waarschuwingslampje "intrappen rempedaal" knippert om aan te geven dat u het rempedaal moet intrappen om te kunnen starten of om in de achteruitversnelling te kunnen schakelen.
de motor
C3 05 2 G049-FRA.qxd 9/08/05 11:01 Page 64

64

SENSODRIVE VERSNELLINGSBAK
ALGEMENE GEGEVENS

Stilstaande auto met draaiende motor
Wanneer de auto langere tijd met draaiende motor stilstaat, schakelt de versnellingsbak automatisch in de vrijstand.
Afzetten van de motor
Voordat u de motor afzet, kunt u kiezen uit twee mogelijkheden:
- De auto in de vrijstand laten staan; zet hiertoe de versnellingshendel in de stand N.
- De auto in een versnelling laten staan (1e, 2e of R); zet hiertoe de versnellingshendel in de betreffende schakelstand. In het laatste geval, is het niet mogelijk de auto te verplaatsen.
Trek in alle gevallen de handrem aan.
Het is mogelijk om na afzetten van de motor binnen een beperkte tijd in een andere versnelling te schakelen.
Voordat u verrichtingen onder de motorkap uitvoert, dient u eerst te controleren of de versnellingsbak in de vrij geschakeld is en de handrem is aangetrokken.

Accelereren
Het gaspedaal kan voorzien zijn van een kickdowncontact. In dat geval kunt u sneller accelereren door plank gas te geven, zodat dit kickdowncontact bekrachtigd wordt.
Wegrijden op een helling:
Om weg te rijden op een helling geeft u langzaam gas terwijl u de handrem loslaat.
Als u op een helling stilstaat, kunt u beter niet het gaspedaal gebruiken om de auto op zijn plaats te h
Gebruik bij stilstaan op een helling de handrem. Probeer niet de auto op zijn plaats te houden met behulp van het gaspedaal.
C3 05 2 G065-FRA.qxd 15/09/05 15:29 Page 65
|| ||

SENSODRIVE VERSNELLINGSBAK
AUTOMATISCHE STAND
65

Kiezen van automatisch schakelen
Zet de versnellingshendel in de stand A.
Op het display verschijnt "AUTO" om de selectie te bevestigen.
De versnellingsbak werkt in een dergelijk geval volgens het auto-adaptieve principe, d.w.z. zonder ingrijpen van de bestuurder.
De versnellingsbak kiest steeds de stand die het best past bij de volgende factoren:
- rijstijl,
-wegdek, - belading van de auto.
Tijdelijk handmatig schakelen
Wanneer de versnellingsbak in de stand voor automatisch schakelen staat en u de flippers "+" of "-" be-dient, kunt u onmiddellijk in een andere versnelling schakelen.
Het pictogram "AUTO" op het instrumentenpaneel brandt permanent.
De versnellingsbak keert weer terug naar de stand voor het automatisch schakelen als u gedurende een bepaalde tijd niet handmatig schakelt en de rijomstandigheden de automatische stand toelaten.
Opheffen van de automatische stand
Verplaats de selectiehendel uit de stand A om een andere versnelling in te schakelen.
Het pictogram "AUTO" verdwijnt van het instrumentenpaneel.

Wanneer er weinig grip wordt ge- vonden, kiest de SensoDrive ver- snellingsbak automatisch de stand "sneeuw".
Het corresponderende lampje (sneeuw) B op het instrumentenpaneel brandt en geeft aan dat de versnellingsbak de stand sneeuw heeft ingeschakeld.
C3 05 2 G065-FRA.qxd 15/09/05 15:29 Page 66
|| || 66

SENSODRIVE VERSNELLINGSBAK
HANDMATIGE STAND

Bedieningen aan de stuurkolom
Zet de selectiehendel in de stand M om vervolgens in een van de vijf vooruitversnellingen te kunnen schakelen.
In een andere versnelling schakelen:
- Trek de flipper "+" naar u toe om in een hogere versnelling te schakelen.
- Trekdeflipper "-" naar u in een lagere versnelling te schakelen.
Metdeflipperskuntunie stand inschakelen en evenmin in of uit de achteruitversnelling schakelen.

Bedienen van de selectiehendel
Zet de selectiehendel in de stand M en:
- Duw de hendel van u af om in een hogere versnelling te schakelen.
- Trek de hendel naar u toe om in een lagere versnelling te schakelen.
Opmerking:
- Wanneer u met lage snelheid een stopstreep of verkeerslicht na- dert, schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar de eerste versnelling.
-
Wanneer u zelf schakelt, hoeft u tijdens het schakelen het gaspe-daal niet los te laten.
-
U kunt echter alleen schakelen wanneer het motortoerental dat toelaat.
- Zodra het maximumtoerental wordt bereikt en de omstandigheden het toelaten, schakelt de versnellingsbak automatisch in een hogere versnelling.
REINITIALISEREN
In de volgende gevallen moet de SensoDrive versnellingsbak gereinitialiseerd worden:
- Wanneer de accu losgenomen is geweest of vervangen.
- Wanneer u met een noodaccu start.
- Na een storing.
Het reinitialiseren gaat als volgt:
- Zet het contact aan: op het dis- play verschijnt een streepje en de aanduiding "AUTO".
- Trap het rempedaal in.
- Wacht tot N op het display verschijnt of een ingeschakelde versnelling (circa 30 seconden).
- Laat het rempedaal los.
Trek de handrem aan wanneer u de auto parkeert. Trek hem extra stevig aan als u de auto op een helling parkeert.
Om het aantrekken van de handrem te vergemakkelijken, wordt geadviseerd gelijktijdig het rempedaal in te trappen.
Schakel onder alle omstandigheden als voorzorgsmaatregel de eerste versnelling in.
Draai op steile hellingen de wielen naar de trottoirrand.
De handrem vrijzetten: druk de knop in en trek de handrem iets omhoog; duw de handrem vervolgens geheel omlaag, terwijl u de knop ingedrukt houdt.
Let op: wanneer de handrem is aangetrokken of niet goed vrij gezet brandt bij aangezet contact het lampje.
Let op: als dit lampje gaat branden en er een geluidssignaal klinkt, dan betekent dit dat de handrem nog (gedeeltelijk) is aangetrokken terwijl de motor draait (snelheid hoger dan 5 km/h).

Handrem vrijgezet
Wanneer dit lampje toch brandt en een geluidsignaal te horen is, duidt dat op een te laag remvloeistofniveau of een storing in de werking van de remdrukverdeler.
U dient dan zonder meer te stoppen.
Raadpleeg een CITROËN erkend bedrijf.
C3 05 2 G065-FRA.qxd 15/09/05 15:29 Page 68


REMMEN


ABS Anti-blokkeersysteem
Dit systeem vergroot de veiligheid en voorkomt het blokkeren van de wielen bij een noodstop en op gladde wegen.
Zo blijft de auto bestuurbaar.
Alle belangrijke onderdelen van het systeem worden voor en tijdens het rijden door een elektronisch systeem gecontroleerd. Bij het aanzetten van het contact gaat het ABS-controlelampje even branden, na enkele seconden moet dit lampje weer uitgaan.
Als het controlelampje niet uitgaat, betekent dit dat het ABS vanwege een storing buiten werking is gesteld. Als het lampje tijdens het rijden gaat branden, betekent dit eveneens dat het ABS is uitgeschakeld. In beide gevallen blijft het remsysteem normaal functioneren, net als bij een auto zonder ABS. Laat uw auto echter zo spoedig mogelijk door een CITROEN erkend bedrijf controleren, teneinde de werking van het ABS en de daarmee gepaard gaande veilgheid weer te herstellen.
Rijd op wegen met weinig grip (grind, sneeuw, ijs, enz.) wel altijd extra voorzichtig.
Brake Assist System
(voor auto's voorzien van ABS)
Dit systeem zorgt ervoor dat in geval van nood in nog kortere tijd een optimale remdruk kan worden opgebouwd, ten-einde de remweg te bekorten. Het treedt in werking afhankelijk van de snelheid waarmee u het rempedaal intrapt: er wordt een verminderde weerstand gedetecteerd.
Houdhetrempedaalingetrapttotdeautostilstaat:hetbrakeassistsystemblijt Wanneer u een noodstop maakt of bij fors afremmen gaan de waarschuwingsknipperlichten branden.
De lichten doven automatisch wanneer u weer gas geeft of handmatig, door op de schakelaar van de waarschuwings-knipperlichten op het dashboard te drukken.
C3 05 2 G065-FRA.qxd 15/09/05 15:29 Page 69


DYNAMISCHE STABILITEITSCONTROLE (ESP)
69

Dit systeem is een aanvulling op het ABS. Als de auto dreigt uit te breken, grijpt het ESPautomatischindooréénofmeerwielenafteremmene koppel te beperken, zodat de auto in het juiste spoor blijft.
Werking
Het ESP-lampje op het instrumentenpaneel knippert wanneer het ESP-systeem een correctie op de koers van de auto toepast.
Uitschakelen
Onder bijzondere omstandigheden (auto vastgelopen in modder, sneeuw of mul zand, gebruik van sneeuwkettingen...) kan het nuttig zijn het ESP-systeem uit te schakelen, zodat de wielen kunnen doorslippen en er zo wellicht grip gevonden wordt.
- Drukopknop A.
- Het controlelampje dat hoort bij knop A (ESP) gaat branden, evenals het ESP-controlelampje op het instrumentenpaneel.
Het ESP is niet langer actief.
Storingen
Bij een storing in het systeem brandt het ESP-lampje op het instrumentenpaneel terwijl een pieptoon te horen is. Neem contact op met een CITROËN erkend bedrijf om het systeem te laten nakijken.
Hoewel het ESP-systeem extra veiligheid biedt onder normale rijomstandigheden, wil dat nog niet zeggen dat de bestuurder extra risico kan nemen of harder kan rijden.
De werking van dit systeem wordt gewaarborgd mits de auto voldoet aan de specificaties van de constructeur t.a.v. de wielen (banden en velgen), de remcomponenten, de elektronische componenten alsmede de door de CITROËN-organisatie voorgeschreven procedures voor montage, reparatie en onderhoud.
Na een aanrijding dient het systeem gecontroleerd te worden door een CITROËN erkend bedrijf.
C3 05 2 G065-FRA.qxd 15/09/05 15:29 Page 70
|| || 70
ROETFILTER DIESELMOTOR
Als aanvulling op de katalysator draagt dit filter actief bij tot een vermindering van de uitstoot van onverbrande, vervuilende deeltjes. Het verhindert op die manier de uitstoot van zwarte rook.
Verstopt roetfilter
Bij verstopping verschijnt er een melding op het multifunctioneel display in combinatie met het klinken van een geluidssignaal en het branden van het SERVICE-lampje.
Deze waarschuwing duidt op het begin van een verzadigd roetfilter (veelvuldige stadsritten: lage snelheid, filerijden...). Teneinde het roetfilter te regenereren, wordt geadviseerd om, zodra dit mogelijk is en de verkeersomstandigheden het toelaten, minstens 5 minuten met een snelheid van 60 km/uur of harder te rijden (tot het waarschuwingsbericht verdwijnt).
Mocht deze waarschuwing niet verdwijnen, raadpleeg dan een CITROËN erkend bedrijf.
Opmerking: na lange tijd rijden met zeer lage snelheid of bij stationair draaiende motor, kan bij wijze van uitzondering waterdamp worden uitgestoten tijdens het accelereren. Dit verschijnsel heeft geen gevolgen voor de werking van de auto en is onschadelijk voor het milieu.
Bij een minimumniveau van het additief verschijnt er een melding op het multifunctioneel display, in combinatie met het klinken van een geluidssignaal en het branden van het SERVICE-lampje. In dat geval is het bijvullen van het additief noodzakelijk.
Raadpleeg zo snel mogelijk een CITROËN erkend bedrijf.
C3 05 2 G065-FRA.qxd 15/09/05 15:29 Page 71


Waarschuwing snelheidsoverschrijding
Bewaking van een ingestelde maximumsnelheid.
Druk kort op de bediening E om dezefunctieteactiveren.
Om een gewenste waarschuwingssnelheid te programmeren of te wijzigen drukt u, zodra u deze snelheid heeft bereikt, enige seconden op de ning E (op het middenpaneel van het dashboard) tot u een bevestigingsgong hoort en het controlelampje gaat branden.
Wanneer een van te voren geprogrammeerde maximumsnelheid wordt overschreden, klinkt er een piepsignaal.
Uitzetten
Wanneer u kort op de bediening E drukt, wordt deze functie uitgeschakeld.

Let op: de functie waarschuwing snelheidsoverschrijding werkt alleen vanaf circa 30 km/uur.
C3 05 2 G065-FRA.qxd 15/09/05 15:29 Page 72
|| || 72
PARKEERHULP

De achterbumper van uw auto is voorzien van parkeerhulpsensoren.
Wanneer u in de achteruitversnelling rijdt met een snelheid onder de 10 km/u ongeveer,
wordt u op de volgende manieren door de parkeerhulpsensoren gewaarschuwd voor obstakels in het detectiegebied achter de auto:
- Een geluidssignaal dat wordt weergegeven via de linker en/of rechter luidspreker.
- De weergave van het silhouet van uw auto met markeringen die corresponderen met de gebieden waar een obstakel is gedetecteerd.
Hoe dichter de auto het obstakel nadert, hoe sneller de geluidssignalen elkaar opvolgen en hoe dichter de weergegeven markeringen bij de auto komen te liggen.
Zodra het obstakel zich op minde dan 25 centimeter van de auto bevindt, wordt het geluidssignaal omgezet in een continu signaal en verschijnt de melding "LET OP" of "ATTENTION" op het display.

Activeren / Uitschakelen
U kunt de parkeerhulp aan- of uitzetten door op 1 te drukken. Wanneer de parkeerhulp uitgeschakeld is, brandt het lampje.
De in- c.q. uitgeschakelde stand wordt vastgelegd bij afzetten van de motor.
Let op: het systeem wordt automatisch uitgeschakeld wanneer u een aanhanger aan de auto koppelt.
De montage van een trekhaak dient te gebeuren door een CITROËN erkend bedrijf.
Werking
Na inschakelen van de achteruitversnelling hoort u een kort geluidssignaal dat aangeeft dat de parkeerhulpfunctie actief is. Het silhouet van uw auto wordt weergegeven op het display. Vervolgens kunnen obstakels die zich achter uw auto bevinden worden gedetecteerd.
Opmerking:
- De sensoren van de parkeerhulp kunnen echter geen voorwerpen detecteren die zich direct onder of boven de achterbumper bevinden.
- Sommige voorwerpen, zoals een paaltje, kunnen aan het begin van de manoeuvre wel gedetecteerd worden terwijl die bij nadering niet meer worden opge-merkt.
- Let er bij slecht weer of sneeuwval op dat de parkeerhulpsensoren niet worden afgeschermd door vuil, ijs of sneeuw.

Wanneer u de achteruitversnelling inschakelt en er eerst een kort geluidssignaal klinkt en daarna een lang, terwijl er een melding op het display verschijnt en het SERVICE-lampje brandt, is er sprake van een mankement.
Wend u tot een CITROËN erkend bedrijf.
C3 05 2 G065-FRA.qxd 15/09/05 15:29 Page 73
III III
OPENEN EN SLUITEN
AUTOMATISCHE VERGRENDELING TIJDENS HET RIJDEN
73

Vergrendelen van binnenuit
Wanneer alle portieren dicht zijn en uopdetoets A drukt, kunt u de auto centraal vergrendelen of ontgrendelen.
Het openen van de portieren van binnenuit blijft mogelijk.
Wanneer een van de portieren of achterklep open staat of niet goed dicht zit, werkt de centrale vergrendeling niet.

Handbediening
In geval van een storing is het mogelijk de portieren van de auto handmatig te vergrendelen door middel van de bediening B op de afzonderlijke portieren.
Het lampje van de bediening A signaleert de volgende 3 situaties:
- Het knippert als de auto vergrendeld is terwijl deze stilstaat en de motor afgezet.
- Het brandt constant als de auto vergrendeld is en zodra het contact word aangezet.
- Het is gedoofd indien de opengaande delen niet vergrendeld zijn.
Let op: indien de auto al met de afstandsbediening of met de vergrendeld (dus van buitenaf), werkt de toets A niet.
Antidiefstalbeveiliging
In alle gevallen zal de achterklep automatisch worden vergrendeld zodra de auto harder dan 10 km/uur rijdt. De achterklep wordt weer ontgrendeld wa neer een portier wordt geopend of wanneer u de interieurvergrendelingstoets bedient.
Nadat u de motor heeft gestart, worden de portieren en achterklep automatisch vergrendeld zodra de auto harder rijdt dan 10 km/uur.
Let op: na het openen van een portier wordt dit automatisch opnieuw ver grendeld zodra de auto harder rijdt dan 10 km/uur.
Activeren / uitschakelen van de functie
Druk na aanzetten van het contact de toets voor de centrale ontgrendeling tot er een melding verschijnt.
Verwijder het zwarte plakband bij geopend portier (alleen achterportieren).
Steek de sleutel of een soortgelijk voorwerp in de sleuf en draai deze rond.
Sluit vervolgens het portier. sleutel is
Na de ingreep moet het systeem weer normaal werken: via de ontgrendel-
eknop A, de afstandsbediening of de eleutel in het bestuurdersportier.
N.B.: om de achterportieren vanuit het interieur te kunnen ontgrendelen, dient u het kinderslot uit te schakelen.
Vergeet niet dat het rijden met vergrendelde portieren een belemmering kan vormen wanneer de inzitten den door derden uit de a gered moeten worden.
C3 05 2 G065-FRA.qxd 15/09/05 15:29 Page 74
III III 74
OPENEN EN SLUITEN

Kinderslot met handmatige bediening
Hetsysteemzorgterv achterportier in kwestie niet van binnenuit geopend kan worden.
De kindersloten werken onafhanke- lijk van de centrale vergrendeling.
Steek de autosleutel in de rode sleuf en draai hem vervolgens rond om het kinderslot op het achterportier te activeren.

Het systeem zorgt ervoor dat beide achterpostieren niet van binnenuit geopend kunnen worden.
Op het dashboard bevindt zich een toets waarmee u de kindersloten op de achterportieren kunt active- ren.
Let op: wanneer het contact aan- staat en het kinderslot is ingeschakeld, brandt de signalering op het dashboard.

Uitschakelen van ruitbediening achter en kindersloten
Met een speciale schakelaar kunt u de bediening van de achterportierruiten uitschakelen.
Met deze schakelaar kunt u tevens de kindersloten bedienen.
Dit systeem werkt onafhankelijk van de centrale vergrendeling.
C3 05 2 G065-FRA.qxd 15/09/05 15:29 Page 75
III III

OPENEN EN SLUITEN
75

De ontgrendeling vindt plaats bij stilstaande auto:
- door middel van de afstandsbediening,
- bij het openen van een van de portieren.
Let op: zodra de auto rijdt (met een snelheid van ten minste 10 km/uur) wordt de achterklep automatisch vergrendeld.

Sluiten van de achterklep
Trek de achterklep aan de hand- greep in de binnenbekleding van de kap omlaag.
Druk de achterklep aan het einde van de slag dicht.

Mocht de ontgrendeling van de achterklep niet meer werken, dan kan het slot vanuit de kofferruimte als volgt worden ontgrendeld:
- steek een puntig voorwerp in de slotopening B (schroevendraaier of pen) en beweeg dit om de achterklep te ontgrendelen.
Openen van buitenaf
Druk van onderen tegen de ont-grendelbediening A tussen de ken- tekenplaatlichten.
C3 05 2 G065-FRA.qxd 15/09/05 15:30 Page 76
III III 76
VENTILATIE - VERWARMING

C3 - 2005-2 C:\Documentum\Checkout\C3 05 2 T065-NEL.win 22/9/2005 16:03 - page 1 2
C3 05 2 G065-FRA.qxd 15/09/05 15:30 Page 77
III III
VENTILATIE - VERWARMING
77
Luchtinlaat
Houd het luchtinlaatrooster onder de voorruit altijd schoon (verwijder dorre bladeren, sneeuw, enz).
Indienuvoor het wassen van uwautog van een hogedrukspuit, richt dan nimmer de straal op de luchtinlaatroosters.
Ventilatieroosters
De ventilatieroosters op het dashboard (behalve de centrale uitstroomopening) kunnen versteld worden om de luchtstroom te regelen (omhoog-omlaag, links-rechts).
Luchtcirculatie
Een aangename atmosfeer wordt in de eerste plaats verkregen door een goede luchtverdeling in de auto, zo-wel vóór als achter.
Bij de versnellingspook op de middenconsole zijn luchtroosters aangebracht die moeten bijdragen tot het comfort van de achterpassagiers.
Pollenfilter - Geurfilter
De airconditioning is uitgerust met een filter, waarmee fijne stofdeeltjes en onaangename geuren uit de aangevoerde lucht worden geweerd.
Houd u voor het vervangen van dit filter aan de onderhoudsvoorschriften.
Airconditioning
Het gebruik van de airconditioning is het hele jaar door nuttig omdat het de luchtvochtigheid terugdringt en voorkomt, dat de ruiten beslaan.
Om lekkages van de aircocompressor te voorkomen, is het noodzakelijk om minstens één keer per maand de airconditioning aan te zetten.
Houd de ruiten van de auto dicht, alleen dan kan de air-conditioning efficiënt werken.
Bij het trekken van een zware aanhanger en bij extreem hoge temperaturen kan het voorkomen dat de airconditioning wordt uitgeschakeld, mocht dit nodig zijn voor het koelen van de motor.
Een airconditioning produceert condenswater dat via een speciale opening afgevoerd wordt. Er kan zich dan een klein plasje water onder de auto vormen; dit is vol- kommen normaal.
Laat de airconditioning regelmatig controleren (zie het onderhoudsboekje).
Wanneer de airconditioning in werking is, onttrekt deze energie aan de motor. Het brandstolverbruik neemt daardoor toe.
C3 05 2 G065-FRA.qxd 15/09/05 15:30 Page 78
III III 78
HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING

Airconditioning
De aircoinstallatie werkt alleen bij draaiende motor.
Druk op de schakelaar op het
dashboard.
Lampje aan = systeem in werking.
Voor een doeltreffende werking van de airconditioning moeten alleramengesloten Zetdebedieningvandeaanjagerknop 3 op "0", omdat de lucht dan niet gekoeld kan worden.

Recirculatie van de interieur- lucht
Met deze functie kunt u het interieur afsluiten voor onaangename
geuren of rook, of de snelheid en doeltreffend- heid van de airconditioning verhogen.
Afhankelijk van de uitvoering drukt u op de toets A (lampje brandt) of verplaatst u de knop B.
Het interieur wordt hiermee afgesloten van de buitenlucht.
Zet de ventilatie weer aan zodra de omstandigheden dit toelaten om de lucht in het interieur te verversen en om te voorkomen dat de ruiten beslaan.
Let op: wilt u het interieur snel verwarmen, zet dan de bediening A of B in de stand recircule- ren en de bediening 4 helemaal in het rode ge- bied.
Wanneer de auto langere tijd in de zon heeft gestaan, waardoor het in de auto zeer warm is geworden, doet u het volgende:
- Zet eerst even alle ramen open om het interieur te ventileren en sluit vervolgens alle ramen.
- Stel de temperatuur in met de knop 4: kies de meest koude stand.
- Open de ventilatieroosters.
- Gebruik de stand recirculeren interieurlucht.
- Zet de aanjager 3 bijna in de hoogste stand.
- Zet, zodra het in het interieur weer aangenaam is geworden, de aanjager 3 en de temperatuurknop 4 in de gewenste stand.
C3 05 2 G065-FRA.qxd 15/09/05 15:30 Page 79
III III
AUTOMATISCHE AIRCONDITIONING
79

2 - Display


3 - Instellen van de temperatuur
De gewenste temperatuur kan met behulp van de druktoetsen worden ingesteld:
- Verlagen van de temperatuur
+ Verhogenvandetemperatu

1 - Automatische werking
Dit is de normale gebruiksstand.
Wijadviserenuomdeautomatischefunct conditioning zo veel mogelijk te gebruiken. Druk daarvoor op de toets "AUTO": op het display verschijnt de aanduiding "AUTO".
Het systeem regelt vervolgens automatisch:
-deluchtopbrengst.
- de temperatuur in het interieur.
-deluchtverdeling
Druk op de bediening voor terugkeer naar de handmatige stand.
Stel de temperatuur in op ongeveer 22 voor een optimaal comfort.
De temperatuur kan bij deze waarde variëren van 20 tot 24 vandeair-
HI (high): hoogste stand verwarming.
LO (low): hoogste stand airco.
Let op: wanneer de auto wat langere tijd stil heeft gestaan en de temperatuur in het interieur veel kouder (of warmer) is dan wat als comfortabel wordt ervaren, heeft het geen zin de aangegeven temperatuur te wijzigen om snel het gewenste comfort te bereiken. Het systeem werkt namelijk automatisch met maximale capaciteit om zo snel mogelijk het temperatuurverschil op te hef-
Let op: na een koude start bereikt de aanjager slechts fen. geleidelijk zijn maximale snelheid om te voorkomen dat een onaangename hoeveelheid koude lucht wordt aangevoerd.
C3 05 2 G065-FRA.qxd 15/09/05 15:30 Page 80
III III 80
AUTOMATISCHE AIRCONDITIONING
Handmatige bediening van bepaalde functies
Het is mogelijk elk van de volgende functies handmatig in te stellen, terwijl de automatische werking van de overige functies gehandhaafd blijft.
Het lampje "AUTO" zal in dat geval doven.

4 - Airconditioning
Druk op de toets op het bedieningspaneel.
Op het display verschijnt een symbooltje (systeem actief).
Druk op de toets op het bedieningspaneel om het koe- lenvandeluchtin-ofuitteschakelen

5 - Recirculatie van de interieur- lucht
Wanneer u op de toets drukt, vindt geen aanvoer van buitenlucht plaats en verschijnt het corresponderende symbooltje op het display.
In deze stand worden rook en stank uit het interieur geweerd. Zet de ventilatie weer aan zodra de omstandigheden dit toelaten, om te voorkomen dat de ruiten beslaan.
Drukhiertoeopdetoets "AUTO" of druk opn de toets voor de recirculatie van de interieurlucht.

6 - Luchtverdeling
Druk op de toets zodat op het display achtereenvolgens de luchtstromingen worden weergegeven naar:

De voorruit.

Centrale ventilatieroosters en zijventi- latieroosters. Voorruit en voeten van de inzittenden.

Voorruit en voeten van de inzittenden.

De voeten van de inzittenden. (Ventilatieroosters gesloten)

Centrale ventilatieroosters en zijventi- latieroosters en die bij de voeten van de inzittenden.

Centrale ventilatieroosters en zijventi- latieroosters.
Let op: in de stand AUTO wordt de luchtverdeling automatisch geregeld.
C3 05 2 G081-FRA.qxd 27/07/05 11:58 Page 81
III III
AUTOMATISCHE AIRCONDITIONING
81

7 - Snelheidvandeluchts
Regeling van de aanjagersnelheid Druk op de toets:

8 - Ontwaseming - Ontdooiing
Tijdens de werking brandt het lampje en wordt het symbooltje weergegeven op het display.

Verhogen.

Verlagen.
Wanneer u deze knop bedient, worden de voorruit en de portierruiten snel ontdooid en ontwasemd.
De automatische airconditioning wordt erdoor in werking gesteld, waarbij de hoeveelheid en de verdeling van de aangejaagde lucht zo optimaal mogelijk wordt geregeld, zonder dat het comfort voor de inzittenden er door in gevaar komt.
Om deze functie te stoppen, drukt u opnieuw op de toets 8 of op de toets "AUTO".
De aanjagersnelheid is afleesbaar op het display: hoger de snelheid, hoe meer zichtbare ventilatorschoepen (7 mogelijke standen).

9 - Ontdooien - ontwasemen achter-ruit
Systeem uitschakelen
Stel de aanjagersnelheid in op 0: het systeem is nu uitgeschakeld (display uit).
In deze stand zijn alle functies van het systeem buiten werking, alleen de achterruitverwarming en de luchtre-circulatie kunt u nog gebruiken.
Het comfort in het interieur (temperatuur, luchtvochtigheid, geur, ontwaseming) is niet langer gegarandeerd. Wij raden u daarom aan om zo min mogelijk te rijden met een uitgeschakeld systeem.
Let op: in de stand AUTO wordt de snelheid van de aanjager door het systeem bepaald.
Door op de toets AUTO te drukken, wordt opnieuw de automatische stand verkregen.
C3 05 2 G081-FRA.qxd 27/07/05 11:58 Page 82
III 82 ACHTERBANK MET DRIE ZITPLAATSEN


Hoofdsteunen achterin
Er zijn twee standen voor de hoofdsteunen achterin:
- De opgeborgen stand, voor wanneer de zitplaats vrij is.
- De uitgetrokken stand, voor de veiligheid van de passagier; trek de hoofdsteun uit, tot hij blokkeert.
Verwijderen: omhoogtrekken tot de aanslag en vervolgens op de grendelbediening drukken.

De rugleuning van de achterbank is in zijn geheel of in delen neerklapbaar.
Berg de hoofdsteunen op.
Zet de gordelgespen vast in de vertgrendelingen.
Bedien de hendel aan het uiteinde van de rugleuning en kantel de rugleuning in zijn geheel naar voren.
Als u de rugleuning terugklapt, controleer dan of deze goed in zijn vergrendeling valt.

Het is essentieel dat u de autogordels op de daarvoor bestemde plaatsen opbergt, alvorens u de rugleuning neerklapt. Wanneer u dit doet, kunt u naderhand de rugleuningen inclusief gordels en vergrendelingen terugklappen, zodat deze direct beschikbaar zijn voor de achterpassagiers.
C3 05 2 G081-FRA.qxd 27/07/05 11:58 Page 83
III III

AIRBAG
83

Uitgeschakelde airbag aan passagierszijde
Als u een kinderstoeltje met de rugleuning in de rijrichting op de passagiersstoel voorin plaatst, moet u de airbag voor de passagier uitschakelen.
Dat gaat zo:
- Steek bij afgezet contact de contactsleutel in de sleutelschakelaar A.
- Draai de sleutel in de stand "OFF" om de passagiersairbag uit te schakelen.
- In deze situatie brandt bij aangezet contact op het dashboard permanent het lampje van de passagiersairbag.
Vergeet niet de frontairbag aan passagierszijde weer in werking te stellen
Doe dit als volgt:
- Steek de sleutel bij afgezet contact in de sleutelschakelaar A en draai deze in de stand "ON": de airbag is weer ingeschakeld.
- In deze situatie brandt het controlelampje van de airbag enkele seconden bij aanzetten van het contact.
Het is verplicht de airbag aan passagierszijde uit te schakelen, zo- dra u een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de passagiers- stoel voorin monteert. Doet u dit niet, dan loopt het kind het risico om ernstig gewond te raken of gedood te worden, wanneer de air- bag afgaat.
C3 05 2 G081-FRA.qxd 27/07/05 11:59 Page 84
III III 84
ISOFIX-verankeringspunten en ISOFIX-bevestigingssysteem
De zijcitplaatsen van de achterbank zijn voorzien van ISOFIX-veranke-ringspunten in de vorm van twee ogen die zich op 28 cm van e tussen de rugleuning en het zitge-deelte van de stoel bevinden.
ISOFIX-kinderzitjes hebben twee sloten die in deze verankeringspun- ten grijpen. Dit verankeringssys- teem is bedoeld voor kinderen met een gewicht van maximaal 18 kg.
Een verkeerd gemonteerd kinder-zitje biedt onvoldoende veiligheid bij een eventuele aanrijding. Bij het ISOFIX-systeem kan het zitje maar op één manier bevestigd worden, waardoor het een snel, veilig en betrouwbaar systeem is om een kinder-zitje in de auto te monteren.
De KIDDY Isofix (1) is een goed-gekeurd kinderzitje voor auto's van het merk CITROËN en is te koop een CITROËN erkend bedrijf.
Het kan met de rug in de rijrichting worden geplaatst voor pasgeboren baby's t/m kinderen die 13 kg wegen, en met het gezicht in de rijrichting voor kinderen met een gewicht tussen de 9 en 18 kg.
Aanwijzingen voor het monteren van een KIDDY ISOFIX:
- Zet de voorstoel in een stand tussen helemaal naar voren en helemaal naar achteren, met de rugleuning rechtop, als u het zitje met het gezicht in de rijrichting wilt monteren.
- Als u het zitje met de rug in de rijrichting wilt monteren, moet de achterzijde van het zitje de rugleuning van de voorstoel raken.
KINDERZITJES BEVESTIGEN met de veiligheidsgordel
De volgende tabel geeft een overzicht van de verschillende bevestigingsmogelijkheden met behulp van de autogordel voor goedgekeurde universele kinderzijtes volgens de Richtlijn 2000/3. Per zitplaats worden de mogelijkheden voor diverse gewichtsklassen aangegeven.
| Plaats | Gewicht van het kind | |||
| < 10 kg (Groep 0)< 13 kg (Groep 0+) | 9 - 18 kg(groep 1) | 15 - 25 kg(groep 2) | 22 - 36 kg(groep 3) | |
| Passagiersstoel voorin (a)Zonder hoogteverstelling - met hoogteverstelling | U | U | U | U |
| Buitenste zitplaatsen achter | U | U | U | U |
| Achterin, midden | U | U | U | U |
VERKLARING
U : Zitplaats geschikt voor de montage van zowel een universeel kinderzitje met de rug in de rijrichting als een universeel kinderzitje met het gezicht in de rijrichting.
(a) Als u een kinderstoeltje met de rug in de rijrichting op de passagiersstoel voorin plaatst, moet u de frontale airbag aan passagierszijde uitschakelen. Raadpleeg, voordat het kind op de passagiersstoel rechtsvoor geinstalleerd wordt, wat de geldende wetgeving in het desbetreffende land is m.b.t. het verbilvoeren van kinderen op deze zitplaats.
(1) U kunt de ISOFIX-verankeringspunten alleen gebruiken voor het bevestigen van een goedgekeurd ISOFIX-kinderzitje.
Houd u in alle gevallen stipt aan de montagevoorschriften van de fabrikant van het kinderzitje.
C3 05 2 G081-FRA.qxd 27/07/05 11:59 Page 85
III III

BINNENVERLICHTING
85
1 - Binnenverlichting
Verplaats de bediening 1 in de 3 volgende standen:

In deze stand gaat de plafondverlichting branden bij het openen van een portier of de achterklep.

In deze stand is de plafondverlichting uitgeschakeld en permanent gedoofd.
De leesspots zijn uitgeschakeld.

In deze stand brandt de verlichting permanent.

Automatisch inschakelen van de binnenverlichting
-Bijhetinstappen:
De verlichting gaat aan met het ontgrendelen van de autoportieren of bij het openen van een portier.
De verlichting dooft 30 seconden na sluiten van de portieren of bij aanzetten van het contact.
- Bij het uitstappen:
De verlichting gaat aan zodra de sleutel uit het contact wordt verwijderd (gedurende 30 seconden) of bij het openen van een portier.
De verlichting dooft 30 seconden na sluiten van alle portieren of onmiddellijk bij vergrendelen van de auto.
2 - Leesspot
Wanneer u op een van de bedieningen 2 drukt, gaat de desbetreffende spot aan of uit.
De spots werken niet bij afgezet contact, maar wel in de eco-modus.
C3 05 2 G081-FRA.qxd 27/07/05 11:59 Page 86
III III 86
COMFORT IN DE AUTO

Onderste dashboardkastje met ventilatie
Openen: trek aan de greep en laat het klepje zakken.
Dit kastje is voorzien van een handmatig afsluitbaar ventilatierooster.
Netzoalsdatbijdeoverigeventilatieroosters het geval is, stroomt hieruit gekoelde lucht, afkomstig van de airco-installatie.
Het dashboardkastje heeft een opbergvoorziening voor de boorddocumentatie.

Openen: oplichten en naar voren trekken.
Let op: Houd, i.v.m. de veiligheid, tijdens het rijden de klep van het handschoenenkastje gesloten.

Opbergvoorzieningen in de koffer
Bij de kofferdrempel zijn riemen aangebracht voor het vastsjorren van diverse voorwerpen (verbandtrommel, gevarendriehoek, jerry-can, etc).
Rechts in de kofferruimte bevindt zich een bergvak voor het opbergen van diverse spullen.
C3 05 2 G081-FRA.qxd 27/07/05 11:59 Page 87
III III
COMFORT IN DE AUTO
87

Klap de zonneklep neer om te voor komen dat u verblind wordt door Deze extra binnenspiegel stelt de de zon. Schijnt de zon van opzij via bestuurder of voorpassagier in de portierruiten naar binnen, maak staat de inzittenden op de achter- dan de zonneklep bij de binnenbank in de gaten te houden. spiegel los en klap hem naar de zij- ruit toe om.
De zonneklep aan zowel passagiers- als bestuurderszijde is voorzien van een afdekbaar make-upspiegellje.
Zonneklep met make-upspiegel met verlichting
De verlichting gaat automatisch aan wanneer u het afdekklepje opent bij aangezet contact.

Spionnetje voor kinderen op achterbank

Werkt bij aanzetten van het contact. In een van de blikhouders in de Druk op de knop en wacht tot de middenconsole kan een asbak aanstekernaarbuitenkomt. worden geplaatst.

Uitklapbaar tafeltje in rugleuning
Dit tafeltje is geïntegreerd in de rugleuning van de voorstoelen.
Let op: plaats geen harde of zware voorwerpen op de hoedenplank. Bij een noodstop of botsing bestaat namelijk gevaar dat ze het interieur in worden geworpen.
C3 05 2 G081-FRA.qxd 27/07/05 11:59 Page 89
III III

MODUBOARD
89
Met het moduboard dat zich achter de rugleuningen van de achterstoelen bevindt kunt u de koffer naar wens indelen.
A - Plankverticaalopge de rugleuningen van de achterstoelen.
Verwijderen van het moduboard
- Houd het met één hand vast.
- Maak het los door op de b gen 1 te drukken.
- Houd het moduboard (nog steeds geklapt) schuin naar u toe.
- Trek het los uit de bevestigingen.
Hanteer het moduboard zonder kracht uit te oefenen op de scharnierpun- ten waarmee de verschillende delen aan elkaar vastzitten.
N.b: de middelste steunpoot 2 kan tussen de rugleuningen van de stoelen worden weggeklapt.
Plaatsen van het moduboard:
- vouw de middelste steun 2 uit (belangrijk voor een goede ondersteuning van de bagage),
- houd het opgevouwen moduboard in gekantelde stand tegen de scharnie punten,
- vergrendel het moduboard in de opengevouwen toestand.
Het moduboard vastzetten:
-Vouwhetmoduboardop.
- Klik het moduboard in de bedieningen 1 om het vasttezetten.



Het moduboard vastzetten in opengevouwen toestand (zie afbeelding B-C-D-E):
- Houd de hoek van het niet helemaal opengevouwen moduboard onder de vergrendelklem 3.
- Vouw het moduboard helemaal open zodat het vast komt te zitten.
LAAT HET MODUBOARD NIET OP eDE VERGRENDELKLEM 3 RUSTEN.
Losmaken van het moduboard voor beide zijden:
- Trek aan het voorste gedeelte nadat u uw hand in de speciaal hiervoor bedoelde opening 4 heeft gestoken.
Vouw het scharnierende voorste gedeelte op het achterste gedeelte zodat de houderklem 3 aan de voorkant vrijkomt.
C3 05 2 G081-FRA.qxd 27/07/05 11:59 Page 90
III 90

MODUBOARD

Het is mogelijk de kofferruimte naar behoefte in te delen:
B - voor breekbare bagage,
C - voor grote en lange voorwerpen,
D - voor een groot en lang voorwerp in combinatie met breekbare bagage,
E - voor een lang voorwerp met behoud van 2 achterzitplaat- senen 2/3 vandekofferruimte,
F - om een breekbaar van een lang voorwerp te scheiden.

Voor een lange kofferruimte met veel inhoud met volledig uitgevouwen moduboard
Door de rugleuningen van de achterbankstoelen neer te klappen, kunt u vanaf de achterzijde van de auto in een handomdraal een vlakke koffervloer creëren die van de kofferdrempel naar de rugleuningen van de voorstoelen loopt.

Het schuifdak schuift over het achterste dakpaneel naar achteren open, zodat de ruimte boven het hoofd van de voorpassagiers volledig vrij is.
Wanneer het schuifdak wordt geopend, komt automatisch een windscherm omhoog.
Draai de bediening naar links om het dak te laten schuiven (9 openingsstanden).

Het elektrisch schuifdak wordt bediend via een draaiknop waarmee het in negen verschillende openingsstanden kan worden gezet. Deze knop bevindt zich op de dakbekleding tussen de twee zonnekleppen.
Een antiklemvoorziening stopt het dichtschuiven van het schuifdak bij obstakels; het dak gaat dan automatisch weer open.
Zonnescherm van het schuifdak
Dit kan handmatig worden bediend bij zowel gesloten als geopend schuifdak.
Bij het openen van het dak wordt het voorste gordijn automatisch geopend. Het voorste gordijn kan niet gesloten worden zo lang het dak geopend is.
LET OP
Het is niet toegestaan om achteraf een schuifdak te monteren als de auto voorzien is van hoofdairbags.
C3 05 2 G081-FRA.qxd 27/07/05 11:59 Page 92
III III 92

SCHUIFDAK
Indien het schuifdak tijdens het sluiten onverwachts open gaat, zet dan de bediening in de stand sluiten en druk net zo lang tot het schuifdak volledig gesloten is.
Let op: tijdens deze handeling blijft de antiklemvoorziening uitgeschakeld.
Raadpleeg bij eventuele storingen een CITROËN erkend bedrijf.
Let op: bij zeer hoge snelheden is het noodzakelijk wat langer op de schuifdakschakelaar te drukken wanneer u dit wilt sluiten.
HOUD KINDEREN GOED IN DE GATEN TIJDENS HET OPENEN OF SLUITEN VAN HET SCHUIFDAK
Verwijder bij het verlaten van de auto altijd de sleutel uit het contact, ook wanneer u de auto slechts gedurende korte tijd verlaat.
Als u als bestuurder het schuifdak bedient, moet u erop letten dat de passagiers het openen of sluiten niet belemmeren.
Als er tijdens het openen of sluiten van het dak iets klem komt te zitten, moet u het dak de andere kant op laten gaan. Druk daartoe op de andere kant van de betreffende schakelaar.
De bestuurder dient erop te letten dat de inzittenden het schuifdak op de juiste wijze bedienen.
C3 05 2 G081-FRA.qxd 27/07/05 11:59 Page 93
III III

HOEDENPLANK
93

Voor het verwijderen neemt u de koorden los en geeft u links en rechts een tik tegen de onderkant van de plank. Til de hoedenplank vervolgens op.

Draai de plank om en leg deze vervolgens plat op de bodem van de koffer.

Plaats de hoedenplank op de vergrendelingen en duw deze neer tot hij vastzit.
U kunt de hoedenplank aan de achterklep bevestigen door de koorduiteinden bij B vast te maken.
Plaats geen scherpe of zware voorwerpen op de hoedenplank, enerzijds om te voorkomen dat de weerstandsdraden van de achterruitverwarming beschadigd worden en anderzijds om het riscico te beperken dat de inzittenden verwondingen oplopen wanneer bij plotseling remmen of een botsing de voorwerpen naar voren schieten.
C3_05_2_G081-FRA.qxd 27/07/05 11:59 Page 94
III III 94




C3 - 2005-2 C:\Documentum\Checkout\C3 05 2 T081-NEL.win 22/9/2005 16:03 - page 1 4
C3 05 2 G081-FRA.qxd 27/07/05 11:59 Page 95
IV IV

OPENEN VAN DE MOTORKAP
95

Verricht deze handeling uitsluitend bij stilstaande auto.
Trek voor het ontgrendelen de bediening onder het dashboard naar u to e.

Druk tegen de hendel A boven de grille, rechts van het chevronsteken, en licht de motorkap op.
Let op: de bedieningspal van de motorkapontgrendeling kan na een zekere gebruikstijd van de auto zeer warm worden.

Motorkapsteun: trek de steun los en draai hem zo dat hij in opening 1 valt en vervolgens naar de opening 2 (zie de pijl).
Let op: trek de steun niet naar vo- ren.
Sluiten
Laat de motorkap zakken en laat hem vervolgens los zodat hij in het slot valt.
Controleer of de motorkap goed vergrendeld is. Mijd het bedienen van de motorkap bij harde wind.
C3 05 2 G081-FRA.qxd 27/07/05 11:59 Page 96
IV IV 96

NIVEAUS
Raadpleeg het hoofdstuk "Gebruiksvoorzorgen"

Luchtfilter
Volg de instructies in het onderhoudsboekje op.

Motorolie
Controleer op een horizontale ondergrond, na-dat de motor minstens uten is afgezet.

Remvloeistof
Het niveau moet zich tussen de maatstreepjes MIN. en MAX. op het re- bevinden.

Vloeistof ruitensproeier voor, achter en koplampwissers
Gebruik bij voorkeur de door CITROËN voorgeschreven producten.
Inhoud: Zie "Inhoud reservoirs".

Koelvloeistof
Het vloeistofniveau moet zich tussen de maat-streepjes MIN. en MAX. op het expansiereservoir bevinden.
Wacht, indien de motor warm is, 15 minuten.
Soort: Zie "Het onderhoudsboekje"
Soort: Zie "Het onderhoudsboekje"
Soort: Zie "Het onderhoudsboekje"

Trek de oliepeilstok uit de houder.
Het niveau moet zich tussen de maatstreepjes MIN. en MAX. op de oliepeilstok bevinden.
Het niveau mag nimmer boven het maximum uitkomen.
Wanneer de handrem is vrijgezet: Stop onmiddellijk indien het lampje brandt.

Pollenfilter/Geurfilter Zie "Het onderhoudsboekje"
Voer geen ingrepen aan het koelcircuit uit bij warme motor.

12-volts accu
Zie "Starten met een hulp-accu".
Let op: Tijdens verrichtingen onder de motorkap bij warme motor kan, zelfs bij afgezet contact, de koelventilator elk moment in werking treden.
Raadpleeg het deel "Gebruiksvoorzorgen" achterin het boekje.
C3_05_2_G097-FRA.qxd 27/07/05 12:01 Page 97
IV IV
MOTOR 1.1i
MOTOR 1.4i
97

C3 05 2 G097-FRA.qxd 27/07/05 12:01 Page 98
IV IV 98
MOTOR 1.4i 16V

C3 - 2005-2 C:\Documentum\Checkout\C3 \Q5 2 T097-NEL.win 22/9/2005 16:03 - page 2
C3 05 2 G097-FRA.qxd 27/07/05 12:01 Page 99
IV IV
MOTOR 1.6i 16V
99

C3 05 2 G097-FRA.qxd 27/07/05 12:01 Page 100
IV IV 100100
MOTOR HDi 7 0

C3 05 2 G097-FRA.qxd 27/07/05 12:01 Page 101
IV IV
MOTOREN 1.6 HDi
101101

C3 05 2 G097-FRA.qxd 27/07/05 12:01 Page 102
IV IV102102

NIVEAUS

Verwijder de peilstok alvorens olie bij te vullen.
Controleer het niveau na het bijvullen.
Het niveau mag nimmer boven het maximum uitkomen.
Draai de olievuldop vast voordat u de motorkap sluit.
Soort: Zie "Het onderhoudsboekje".
Motorolie
Controleer nadat de motor min- stens tien minuten is afgezet.
Trek de oliepeilstok uit de houder.
Hetniveaumoetzichtussende maalstreepjes MIN. en MAX. op de oliepeilstok bevinden.
Let op:
Tijdens verrichtingen onder de motorkap bij warme motor kan, gezet contact, de koelventilator elk moment in werking treden.
zelfs bij af-
C3 05 2 G097-FRA.qxd 27/07/05 12:01 Page 103
IV IV

NIVEAUS
103103

Bijvullen koelvloeistof
Het vloeistofniveau moet zich tussen de maatstreepjes MIN. en MAX. op het expansiereservoir bevinden.
Vul de vloeistof bij. Als het koelvloeistofniveau met meer dan 1 liter moet worden bijgevuld, is het raadzaam het cuit te laten nakijken door een CITROËN erkend bedrijf.

Draai de dop goed vast.
N.B.: Als het vloeistofniveau vaak moet worden bijgevuld, duidt dit op een defect en moet het systeem zo snel mogelijk worden gecontroleerd.
Soort: Zie "Het onderhoudsboekje".
Let op: nadat de motor is afgezet, kan de koelventilator nog ongeveer tien minuten werken.
Verricht de handelingen van het controleren en bijvullen van de koelvloeistof uitsluitend bij koude motor.
Warme motor
Verwijder het beschermkapje.
Wacht 15 minuten of in ieder geval zolang tot de temperatuur lager is dan 100 °C. Draai de dop met een beschermende dock eerst langzaamlosomdedruktelatenont-snappen. Draai de dop vervolgens helemaal los.
Let op:
Tijdens verrichtingen onder de motorkap bij warme motor kan, gezet contact, de koelventilator elk moment in werking treden.
zelfs bij af-
C3 05 2 G097-FRA.qxd 27/07/05 12:01 Page 104
IV IV104104
BRANDSTOFSYSTEEM DIESEL

Aftappen van water uit het brandstofffilter
Tap het systeem regelmatig af (bij elke keer dat de motorolie wordt ververst).
Draai de aftapschroef of de detectiesonde water in diesel aan de onderkant van het brandstofffilter los.
Laat het water geheel weglopen.
Draai vervolgens de aftapschroef of de detectiesonde water in diesel weer dicht.
De HDi-motor is het resultaat van de meestvooruitstrevende technologie.
Het verrichten van werkzaamheden aan deze motor vereist specialistische kennis.
Hierover beschikt uitsluitend een CITROËN erkend bedrijf.
C3 05 2 G097-FRA.qxd 27/07/05 12:01 Page 105
IV IV

BRANDSTOFSYSTEEM DIESEL
105105

Maak de klemmen van de be- schermkap los om de opvoerpomp te kunnen bereiken.
Op gang brengen van het brandstofcircuit
In geval van brandstofpech:
- Vul de brandstoftank met minimaal 5 liter brandstof en knijp vervolgens in de balg van de opvoerpomp tot ee weerstand wordt gevoeld.
- Start de motor terwijl u het gaspedaal iets intrapt, totdat de motor loopt. Indien de motor niet bij de eerste poging wil aanslaan, wacht dan 15 seconden alvorens opnieuw te starten. Wil de motor na verscheidene pogingen nog niet aanslaan, herhaal dan de handeling vanaf het begin. Geef, terwijl de motor stationair draait, iets gas om het ontluchten te voltooien.
De HDi-motor is het resultaat van de meestvooruitstrevende technologie.
Het verrichten van werkzaamheden aan deze motor vereist specialistische kennis.
Hierover beschikt uitsluitend een CITROËN erkend bedrijf.
C3 05 2 G097-FRA.qxd 27/07/05 12:01 Page 106
IV IV106106

12-VOLTS ACCU


Starten van de motor na aansluiten van de losgenomen accu
- Draai de sleutel in het contact om.
- Wacht ongeveer één minuut voordat u de motor start om de elektronische systemen de tijd te gunnen zichzelf te resetten. Het opnieuw invoeren van de autoradiocode kan noodzakelijk zijn.
Als de accukabels gedurende langere tijd losgenomen zijn, moeten de volgende functies opnieuw geïntialiseerd worden:
- De anti-klemvoorziening en de one-touchbediening van de ruiten.
- De anti-klemvoorziening van het schuifdak.
- De instellingen van het multifunctionele display (datum, tijd, taal, eenheden voor afstand en temperatuur).
-Hetradiozenders. - Het NaviDrive-systeem (zie gebruiksaanwijzing NaviDrive).
- SensoDrive versnellingsbak: zie "SensoDrive versnellingsbak (REINITIALISEREN").
C3 05 2 G097-FRA.qxd 27/07/05 12:01 Page 107
IV IV
12-VOLTS ACCU
107107
Starten met een hulpaccu
Als de accu ontladen is, kan een hulpaccu worden gebruikt of de accu van een andere auto.
A Lege accu, aangesloten op de auto (onder de motor-kap).
B Hulp-accu.
C Massa-aansluiting op de auto.
Controleer of de accu de juiste spanning heeft (12 volt).
Wanneer u de accu van een andere auto gebruikt, moet de motor van die andere auto uitstaan en mogen beide auto's niet direct met elkaar in contact staan.
Sluit de kabels aan in de aangegeven volgorde.
Zorg dat de kabelklemmen goed vastzitten, om vonken te voorkomen.
Start de auto die de stroom geeft. Laat de motor ongeveer een minuut draaien met een iets verhoogd toerental.
Start vervolgens de stroomontvangende auto.
Houd u strikt aan de aangegeven volgorde.


Advies
Raak de klemmen niet aan tijdens deze handelingen.
Hang niet met uw bovenlichaam boven de accu.
Neem de kabels in omgekeerde volgorde los en zorg ervoor dat ze elkaar niet raken.

Blijf, in verband met explosiegevaar, met open vuur of von-ken uit de buurt van de accu.
De accu bevat verdund zwavelzuur, dat een bijtende werking heeft.
Beschermbijwerkzaamhedenaandeaccualtijdgezichtenha Mocht de huid toch in aanraking komen met het zuur, veeg het dan onmiddellijk af en spoel de huid met veel schoon water na.
C3 05 2 G097-FRA.qxd 27/07/05 12:01 Page 108
IV IV108108

ZEKERINGEN
Zekeringkast
Onder het dashboard en in het motorcompartiment bevindt zich een zekeringkast.
Zekeringen onder het dashboard
De zekeringen onder het dashboard bereikt u als volgt: steek uw hand in de uitsparing die zich tussen het stuur en de onderkant van het dashboard bevindt en trek het paneel los.
Vervangen van een zekering
Voordat u een defecte zekering vervangt, moet u eerst de oorzaak van de storing opsporen en verhelpen. De nummers van de zekeringen staan op de zekeringkast.


Kies voor het vervangen van een defecte zekering altijd een met dezelfde sterkte (dezelfde kleur).
Gebruik de speciale tang A op de klep bij de zekeringkastjes. Hierop bevinden zich de reservezekeringen.

C3 05 2 G097-FRA.qxd 27/07/05 12:01 Page 109
IV IV
ZEKERINGTABEL
Zekeringen onder het dashboard
109109
| Nummer zekeringen | Sterkte | Functie |
| 3 | 5 | A Airbag |
| 4 | 10 A | Diagnosestekker - Additieftoevoer roetfilter - Schakelaar koppeling - Stuurhoeksenso |
| 5 | 3 | 0 A Bediening achterportierruiten - Schuifdak |
| 6 | 3 | 0 A Ruitensproeier |
| 8 | 2 | 0 A Klokje - Bedieningen bij stuurwiel - Autoradio - Display |
| 9 | 3 | 0 A Sigarenaansteker - Klokje - Plafondlamp - Opmaakspiegel |
| 10 15 | A Anti-inbraakalarm | |
| 11 15 | A Stuurslot - Diagnosestekker | |
| 12 15 | A Airbagcomputer - Sensor regen en licht | |
| 14 | 15 A | Parkeerhulp - Instrumentenpaneel - Airconditioning - Telefoon met Bluetooth |
| 15 30 | A Centraal bediende vergrendeling - Supervergrendeling | |
| 17 40 | A Achterruitverwarming | |
| 18 | Shunt | SHUNT |
C3 05 2 G097-FRA.qxd 27/07/05 12:01 Page 110
IV IV110110

ZEKERINGEN

Zekeringen onder de motorkap
Zekeringkast
Om de zekeringkast in het motor- compartiment te kunnen bereiken, verwijdert u eerst de kap van de ac- cu en klikt u vervolgens het deksel los.

Verzuim niet het deksel na de werkzaamheden g ten.
oedteslui-

Ingrepen aan MAXI-zekeringen, die een extra bescherming bieden en die zich in de zekeringkasten bevinden, zijn uitsluitend voorbehouden aan een CITROËN erkend bedrijf.
C3 05 2 G097-FRA.qxd 27/07/05 12:01 Page 111
IV IV
ZEKERINGTABEL
Zekeringen onder de motorkap
111111
| Nummer zekeringen | Sterkte | Functie | ||
| 1 | 2 | 0 | A | Sonde water in brandstof |
| 2 | 1 | 5 | A | Claxon |
| 3 | 1 | 0 | A | Ruitensproeier |
| 4 | 2 | 0 | A | Koplampwissers |
| 5 | 1 | 5 | A | Brandstofpomp |
| 6 | 1 | 0 | A | Stuurbekrachtiging |
| 7 | 1 | 0 | A | Koelvloeistofniveau |
| 8 | 2 | 0 | A | Startmotor |
| 9 | 1 | 0 | A | Computers (ABS, ESP) |
| 10 30 | A | Componenten motormanagement (Bobine, Elektroklep, Lambdasonde, injectie) - Ontluchten koolstofffilter | ||
| 11 40 | A Aanjager | |||
| 12 30 | A Ruitenwisser voor | |||
| 14 30 | A Luchtpomp (benzine-uitvoering) - Verwarming diesel | |||
C3 05 2 G097-FRA.qxd 27/07/05 12:01 Page 112
IV IV112112
INHOUD RESERVOIRS
| Ruitensproeiervloeistof | 3,5 liter |
| Ruitensproeiervloeistof en koplampsproeiervloeistof | 6 liter |
| Type motor | Inhoud motorolie (in liters) |
| MOTOR 1.1i 3,2 | |
| MOTOR 1.4i 3,2 | |
| MOTOR 1.4i 16V 3,2 | |
| MOTOR 1.6i 16V 3,2 | |
| MOTOR HDi 70 3,8 | |
| MOTOR 1.6 HDi 92 3,85 | |
| MOTOR 1.6 HDi 110 3,85 |
(1) Verversen met vervangen filterelement
C3 05 2 G113-FRA.qxd 11/07/05 16:32 Page 113
V

BRANDSTOF TANKEN
113113v

Trek de klep aan de rand open.
Tankdop met slot
Openen of sluiten: draai de sleutel een kwartslag rond.
Bevestig tijdens het tanken de tankdop aan de daarvoor bestem- de steun aan de binnenkant van de brandstoftankklep.
Bij auto's met een katalysator mag uitsluitend loodvrije benzi- ne gebruikt worden.
Door de vernauwde vulopening kan er uitsluitend loodvrije benzine getankt worden.
Wanneer bij het vullen van de brandstoftank het tankpistool voor de derde keer afslaat, moet u niet verder tanken, aangezien anders storingen in de werking van uw auto kunnen optreden.
Inhoud brandstoftank : circa 47 liter
BRANDSTOFSOORT
Tegen de binnenkant van de brandstoftankklep zit een sticker met informatie over de toegestane brandstofsoort.

ESSENCE SANS PLOMB UNLEADED FUEL ONLY NUR BLEIFREI BENZIN GASOLINA SIN PLOMO

ONGELODE BENZINE DIESEL
Hoewel benzinemotoren geschikt zijn voor RON 95 brandstof, adviseren wij u, om voor meer rijcomfort RON 98 te tanken (alleen benzinemotor).
Let op: Indien per vergissing de verkeerde brandstofsoort is getankt, moet de brandstoftank beslist worden afgetapt, alvorens u de motor start.
C3 05 2 G113-FRA.qxd 11/07/05 16:32 Page 114
V
114114
VERVANGEN VAN DE LAMPEN

① Dimlichten
② Grootlicht
③ Parkeerlichten
④ Richtingaanwijzer
N.b.: Onder bepaalde gebruiks- omstandigheden kan koplampglas een dun laagje con- dens vormen.
Dimlichten
Kantel de metalen veer van de toe-gangsklep tot de lampen weg.
Open de klep.
Maak de stekker los.
Maak de klemveer vrij.
Neem de lamp uit. zichophet
Lamp: H7
Grootlicht
Kantel de metalen veer van de toe-gangsklep tot de lampen weg.
Open de klep.
Maak de stekker los.
Druk de klemmen 1 en 2 in en maak ze vrij.
Neem de lamp uit.
Lamp: H1
Mistlampen
Lamp: H1
C3 05 2 G113-FRA.qxd 11/07/05 16:32 Page 115
V

VERVANGEN VAN DE LAMPEN
115115v

Kantel de metalen veer van de toe- gangsklep tot de lampen weg.
Open de klep.
Draai de lamphouder een kwart- slag en trek eraan.
Verwijder de lamp.
Lamp: PY 21 W (amber).
Parkeerlichten
Kantel de metalen veer van de toe-gangsklep tot de lampen weg.
Open de klep.
Draai de lamphouder een kwart- slag en trek eraan.
Lamp: W 5.
Zijknipperlicht
Om de lamp van het zijknipperlicht te vervangen, drukt u de unit naar voren of naar achteren om het los te klikken en naar u toe te trekken.
Neem de aansluiting los, terwijl u de draad vasthoudt.
Raadpleeg een CITROËN erkend bedrijf.
C3 05 2 G113-FRA.qxd 11/07/05 16:32 Page 116
V
116116
VERVANGEN VAN DE LAMPEN

Trek de transparante kap van de binnenverlichting los om de gloeilamp te kunnen bereiken.
Lamp: W 5 W

Verlichting kofferruimte
Trek de verlichting los om de gloeilamp te kunnen bereiken.
Lamp: W 5 W
Leesspot
Trek de transparante kap van de binnenverlichting los om de gloeilamp te kunnen bereiken.
Lamp: W 5 W
C3 05 2 G113-FRA.qxd 11/07/05 16:32 Page 117
V
VERVANGEN VAN DE LAMPEN
117117v

ACHTERLICHTUNIT
Ga na welke lamp defect is.
Lampen:
① Remlichten: P 2 1 W / 5 W.
② Richtingaanwijzers:PY 21 W.
③ Achteruitrijlichten: P 2 1 W.
④ Mistachterlichten: P 2 1 W.

Verwijderdedopvandemoerop de bevestiging aan de buitenzijde.
Schroef de 2 moeren los (1 buitenste en 1 binnenste).
Trek via het zijbergvak achter in de auto de houder van zijn plaats door de lipjes in te duwen en maak de stekker los om de lamp te kunnen bereiken.

Vervang de gloeilamp en zet de hele unit weer op zijn plaats.
C3 05 2 G113-FRA.qxd 11/07/05 16:32 Page 118
V
118118
VERVANGEN VAN DE LAMPEN

Open de klep om de lamp te kunnen bereiken en druk op de twee metalen veren via de twee speciale openingen in de klepbekleding.
Let er tijdens de montage op dat de klepbekleding in de juiste stand zit.
Lamp: W 1 6 W.

Trek de transparante kap los en neem de lamphouder uit.
Lamp: W 5 W .
Test na elke ingreep de werking van de verlichting.
V
C3 05 2 G113-FRA.qxd 11/07/05 16:32 Page 119
V

VEILIGHEIDSADVIEZEN
119119v
Trekhaak
Wij adviseren u de montage van deze voorziening over te laten aan een CITROEN erkend bedrijf, aangezien hij bekend is met de sleepgewichten van de auto en over de benodigde instructies beschikt met betrekking tot een dergelijk veiligheidssysteem.
Gebruik in verband met het ontwerp van deze auto, ten behoeve van uw veiligheid en om beschadiging van het dak te verkomen, de door CITROËN geteste en goedgekeurde daklastdragers.
Adviezen
- Zorg voor een gelijkmatige verdeling en voorkom overbelasting aan één kant.
- Plaats de zwaarste last zo dicht mogelijk tegen het dak.
- Sjor de lading goed vast en markeer een buiten de auto stekende lading.
- Rijd rustig: de zijwindgevoeligheid is toegenomen en uw auto is mogelijk niet meer zo stabiel.
- Verwijder de allesdragers of imperiaal direct na het transport.
Houd u aan de toegestane gewichten.
Maximum toegestane daklast:
Zie hoofdstuk "Gegevens"
C3 05 2 G113-FRA.qxd 11/07/05 16:33 Page 120
V
120120
ALLESDRAGERS

Gebruik voor het monteren van de dwars te plaatsen daklastdragers de cessoires die zich in de lade onder de voorstoel aan passagierszijde bevinden. Gadaarnaalsvolgttewerk:
1 - Draai de vier bouten los om de dwarsdragers 1 uit de balken 2 te kunnen trekken (afbeelding A).
2 - Verplaats de steun 3 naar het midden van de vaste balken tussen de twee merklekens a en b. Elke schuifbare steun 3 dient voorzien te zijn van een afstandsstuk 4.
3 - Plaats de langste balk aan de voorkant van de auto, de andere aan de van de lading zich zo dicht moge- achterkant. Let erop dat de uiteinden van de balken goed op de steunelijk bij het dak bevindt. zijn geplaatst. De chevronstekens moeten van bovenaf zichtbaar zijn en - Controleer na enkele kilometers in de rijrichting van de auto wijzen (afbeelding B). of de bouten goed zijn aange-
4 - Draaideboutenvast. draaid. Gebruikdegroteschroevenenleteropdatdesteunen 4 correct ge- plaatst zijn (afbeelding C).
Let op:
Wanneer u daklastdragers gebruikt bent u verplicht de afstandsstukken 4 te gebruiken.
V
C3 05 2 G113-FRA.qxd 11/07/05 16:33 Page 121
V

VERWISSELEN VAN EEN WIEL
121121v

Uitnemen van het reservewiel
Het reservewiel bereikt u als volgt:
Licht de vloermat op.
Verwijder de krikhouder zodat u bij het reservewiel kunt.
Gereedschap
Het gereedschap bevindt zich in een gereedschapsdoos in het reservewiel. Verwijder de riem om deze te kunnen bereiken.
Terugplaatsen van het wiel
Leg het wiel terug in de koffer, berg de krikhouder in het wiel op en sjor het geheel vast met de riem.

Advies
De wielbouten zijn specifiek voor elk type auto.
Wanneer u de wielen vervangt, informeer dan eerst bij een CITROËN erkend bedrijf of de bouten in de nieuwe wielen passen.
De krik is een gereedschap dat speciaal voor uw auto is ontworpen. Gebruik dit gereedschap niet voor andere doeleinden.
Rijd met een reservewiel voorzichtig.
C3 05 2 G113-FRA.qxd 11/07/05 16:33 Page 122
V
122122
VERWISSELEN VAN EEN WIEL
Demonteren
1 - Zet de wagen op een vlakke en horizontale ondergrond, die bovendien hard en niet glad is. Trek de handrem aan.
Zet het contact af en schakel, indien u de auto op een helling parkeert, de eerste versnelling of de achteruitversnelling in, afhankelijk van de positie van de auto.
2 - Plaats de krik onder een van de vier krikpunten aan de onderzijde van de zijdorpels, bij het wiel in kwestie, en draai deze met behulp van de kriksleutel uit tot de grond.
3 - Trek de wieldop bij een van de openingen met het uiteinde van de wiel
sleutel los.
Indien uw auto voorzien is van aluminium velgen:
- met wieldop: verwijder de wieldop met het wielgereedschap om de wiel-
bouten te kunnen bereiken,
- zonder wieldop: draai de bouten los.
4 - Draai de krik opnieuw uit tot het wiel enkele centimeters van de grond komt.
5 - Draai de overige bouten los en verwijder het wiel.
Gereedschap
1-Krik.
2-Wielsleutel.
3 - Wieldoplichter om de wielbouten te kunnen bereiken (alleen bij aluminium velgen).
4 - Dop voor wielslotbouten bij aluminium velgen.
5 - Gereedschap voor het verwijderen van wieldoppen die de wielbouten niet bedekken (bij aluminium velgen).
6 - Demonteerbaar sleepoog.


VERWISSELEN VAN EEN WIEL
123123v
Terugplaatsen
1 - Zet het wiel op de naaf.
2-Draaideboutenhandv
3 - Dra aide krik 1 in en verwijdeze.
4 - Draa idewielboutenva behulp van de wielmoersleutel 2.
5 - Plaats de wieldop en let daarbij op de uitsparing voor het ventiel. Zet de wieldop vast door deze rondom aan te drukken. Monteer de beschermdoppen van de bouten bij een auto met lichtmetalen velgen.
6 - Monteer na reparatie van het originele wiel dit zo snel mogelijk weer onder de auto.
7 - Breng de band op de juiste spanning (zie "Identificatie" en "Gebruiksvoorzorgen") en laat de wielbalans controleren.
Maat van het reservewiel
Als uw auto is uitgerust met een reservewiel (zie etiket) met andere afmetihgen dan de op de auto ge-deronteerde wielen, dan is dit reservewiel alleen geschikt voor tijdelijk gebruik. Rijd niet harder dan 80 km/uur en rijd voorzichtig: de wegligging van de auto is anders dan u gewend bent. Monteer het originele wiel weer zodra dit mog lijk is.
Bandenspanning
Deze staat op de sticker aan de binnenkant van het linker voorportier. Zie "Identificatie" en "Gebruiks-voorzorgen".

Indien uw auto voorzien is van licht- metalen velgen en een stalen reser- vewiel, dan is het normaal wanneer u tijdens de montage van dat reser- vewiel constateert dat de ringen van de wielbouten niet helemaal te- gen de velg aankomen.
Bij montage van het stalen reserve-wiel wordt gebruik gemaakt van het conische gedeelte van de wielbout (zie afbeelding).
Controleer, wanneer u lichtmetalen velg weer monteert, of de ringen van de wielbouten schoon zijn.
WAARSCHUWING
Ga nooit onder een auto liggen die slechts wordt ondersteund door een krik.
Zorg ervoor dat tijdens het verwisselen van een wiel de auto op een vlakke en harde ondergrond staat.
C3 05 2 G113-FRA.qxd 11/07/05 16:33 Page 124
V
124124
SLEPEN - TAKELEN
Uitneembaar sleepoog
Het sleepoog is demontabel en monteerbaar aan zowel de voor- als de achterzijde van de auto. Het is opgeborgen in de beschermen- de houder in het reservewiel.

Alleen bij hoge uitzondering is het toegestaan de auto over een korte afstand en met lage snelheid te slepen (informeer naar de wettelijke bepalingen).
Indien niet voldaan wordt aan deze voorwaarden mag uw auto uitsluitend op een autoambulance worden getransporteerd.
INSTRUCTIE VOOR SLEPEN AUTOMAAT EN SENSODRIVE VERSNELLINSBAK:
Zet de schakelhendel in de stand N (vrijstand).
Slepen over de weg
Zowel aan de voor- als achterzijde van de auto bevinden zich sleepogen. Deze bereikt u als volgt:
- licht het afdekkapje iets op,
- klik het los door tegen de onderkant te drukken.
Het kapje blijft via een lipje vast zitten aan de bumper, zodat u het niet kunt verliezen.
Zet de contactsleutel in de stand "M", om te voorkomen dat het stuur in de vergrendeling valt.
Gebruik een sleepstang die u dient te bevestigen aan de hierboven beschreven sleepogen.
LET OP:
Bij afgezette motor is noch de besturing, noch het remsysteem bekrachtigd.
Zorg ervoor dat, wanneer u met deze auto een andere auto trekt, de versnellingsbak van de getrokken auto in de vrijstand geschakeld staat.
C3 05 2 G113-FRA.qxd 11/07/05 16:33 Page 125
VI VI
BRANDSTOFVERBRUIKSCIJFERS
(in liters/100 km, volgens ECE-norm)
125125
| Type motor | 1.1i 1.4 | 1.4i 16V | 1.4i 16V 1 | 6i 16V HDi | 70 | 1.6 HDi 92 | 1.6 HDi 110 FAP | |||||
| Berline - Service-uitvoering | BVM | BVM | BVMP | BVMP Stoo & Start | BVM | BVMP | BVA | BVM | BVMP | BVM | BVM | |
| Stadstraject Uitstoot CO2 (g/km) | 7,6180 | 8,2195 | 7,6183 | 6,9165 | 8,6205 | 8,0191 | -- | 5,3141 | 4,9130 | 5,7151 | 5,7151 | |
| 90 km/uur Uitstoot CO2 (g/km) | 5,0120 | 4,9117 | 5,0122 | 4,9119 | 5,2124 | 5,1123 | -- | 3,899 | 3,9102 | 3,798 | 3,8101 | |
| Gemiddeld Uitstoot CO2 (g/km) | 6,0143 | 6,1145 | 6,0143 | 5,7135 | 6,5155 | 6,2148 | -- | 4,4115 | 4,3113 | 4,4118 | 4,5120 | |
De brandstofverbruikcijfers zijn tot stand gekomen volgens de EG-richtlijn 80/1268/EG en worden beïnvloed door het rijgedrag, de gebruiksomstandigheden, de weersgesteldheid, de belading, het onderhoud en het gebruik van accessoires.
BVM : Handgeschakelde versnellingsbak
BVMP: SensoDrive versnellingsbak.
BVA: Automatische versnellingsbak
FAP : Roetfilter dieselmotor.
De gegeven brandstofverbruikscijfers waren juist ten tijde van druk van dit boekje.
C3 05 2 G113-FRA.qxd 11/07/05 16:33 Page 126
VI VI 126126
ALGEMENE GEGEVENS
| Berline | ||||||
| Type motor | 1.1i BVM | 1.4i BVM | 1.4i 16V BVMP | 1.6i 16V BVM | 1.6i 16V BVA | 1.6i 16V BVMP |
| Inhoud brandstoftank circa 47 liter | ||||||
| Toegestane brandstof | Ongelode benzine RON 95 - RON 98 | |||||
| Mimimale draaicirkel tussen muren (in mm) | 10,45 10,45 11,55 | 11,55 - 11,55 | ||||
| Fiscaal vermogen 4 5 5 6 - 6 | ||||||
| Maximum theoretische snelheid (km/h) (in de hoogste versnelling) | 157 | 168 | 180 | 192 | - | 192 |
| Gewicht (kg) | ||||||
| Ledig gewicht (MAV) | 1 010 | 1 014 | 1 044 | 1 084 | - | 1 088 |
| Totaal toelaatbaar gewicht (MTAC) | 1 483 | 1 510 | 1 535 | 1 561 | - | 1 568 |
| Maximaal toegestane belasting op achteras (CMAE AR) | 820 | 820 | 820 | 820 | - | 820 |
| Totaal treingewicht (MTRA) | 2 133 | 2 410 | 2 435 | 2 461 | - | 2 468 |
| Geremde aanhanger (binnen totaal toelaatbaar treingewicht MTRA) | 920 | 1 160 | 1 160 | 1 170 | - | 1 160 |
| Ongeremde aanhanger | 540 | 540 | 560 | 570 | - | 580 |
| Maximaal toegestane kogeldruk | 37 | 47 | 47 | 47 | - | 47 |
| Maximaal toegestane dakbelasting | 60 | |||||
| Bandenmaat geschikt voor sneeuwkettingen | 175/65 R14 - 185/60 R15 - 195/50 R16 | |||||
C3 05 2 G113-FRA.qxd 11/07/05 16:33 Page 127
VI VI
ALGEMENE GEGEVENS
127127
| Berline Service-uitvoering | ||||||
| HDi 70 BVM | HDi 70 BVMP | 1.6 HDi 92 BVM | 1.6 HDi 110 BVM FAP | 1.1i BVM | HDi 70 BVM | 1.6 HDi 92 BVM |
| circa 47 liter | ||||||
| Diesel | Ongelode benzine RON95-RON98 | Diesel | ||||
| 10,45 | 10,45 11,30 | 11,30 | 10,45 10,45 | 11,30 | ||
| 4 | 4 | 5 | 6 | 6 | 6 | 6 |
| 165 | 165 180 19 | 0 157 16 | 5 180 | |||
| 1 0 2 2 | 1 0 2 2 | 1 0 8 8 | 1 1 2 7 | 1 0 1 2 | 1 0 4 9 | 1 0 9 |
| 1 5 3 9 | 1 5 4 3 | 1 5 7 9 | 1 6 0 1 | 1 4 8 7 | 1 5 3 0 | 1 5 7 |
| 820 | 820 820 8 | 20 820 8 | 20 820 | |||
| 2 4 3 9 | 2 4 4 3 | 2 4 7 9 | 2 5 0 1 | 2 1 3 7 | 2 4 3 0 | 2 4 7 |
| 1 160 | 1 160 1 | 160 1 160 | 650 900 | 900 | ||
| 560 | 570 580 6 | 00 520 5 | 60 580 | |||
| 47 | 47 | 47 | 47 | 26 | 36 | 36 |
| 60 | ||||||
| 175/65 R14 - 185/60 R15 - 195/50 R16 | ||||||
MAV: Ledig gewicht.
MTAC: Maximumlaadvermogen.
CMAE AR: Maximaal toelaatbaar gewicht op achteras.
MTRA: Totaal Toelaatbaar Treingewicht
Gewicht: zie typeplaatje
BVM: Handgeschakelde versnel- lingsbak
BVMP: SensoDrive versnellings-bak
BVA: Automatische versnellingsbak
FAP: Roetfilter dieselmotor.
De gegeven gewichten gelden
voor Frankrijk. Raadpleeg derhal- ve uw kentekenbewijs voor infor-
matieoverdeexactewaarden.
C3 05 2 G113-FRA.qxd 11/07/05 16:33 Page 128
VI VI 128128

AFMETINGEN
(in meters)
| A 2,460 |
| B 3,860 |
| C 0,760 |
| D 0,640 |
| E 1,435/1,440 |
| F 1,436/1,439 |
| G 1,667 |
| H 1,510/1,612 |
| I 1,912 |



C3 05 2 G129-FRA.qxd 9/08/05 10:59 Page 129
VI VI

AFMETINGEN
(in meters)
129129
| A 1,070 | |
| B 0,585 | |
| C 0,600 | |
| D 1,040 | |
| E 0,700 | |
| F 1,160 | |
| G 0,660 | |
| H 0,624 |

A Op de linker middenstijl of
A' In de koffer, bij de slotvanger
1: Nummer Europese type-goedkeuring.
2 : VIN-nummer.
3 : Totaal toelaatbaar gewicht.
4 : Totaal treingewicht.
5 : Maximumgewicht op de vooras.
6 : Maximumgewicht op de achteras.
B VIN-nummer op de carrosse-rie.
C Kleurcodevandelak. Bandenmaat. Bandenspanning.
Het type auto en het VIN-nummer staan eveneens vermeld op het kentekenbewijs.
Elk origineel CITROËN onderdeel is exclusief voor het merk CITROËN. Om redenen van veiligheid en garantie adviseren wij u om voor uw auto uitsluitend CITROËN onderdelen te gebruiken.

waarschuwingsknipperlichten . 14
Autoradio 6-7-45-48-51-52
B Banden 126-127-130-XV
Bandenspanning 130
Batterijen afstandsbediening
vervangen 32
Beknopte
gebruiksaanwijzing ..... 6→29
Beladenautoentrekken
aanhanger ...... XVI
Benzinemotoren 97→99
Bestuurdersplaats 6-7
Binnenverlichting 85
Black panel 8-9-44
Boord-
computer.6→9-48-49-51→56
Boorddocumentatiemapje ... 86
ESP uitschakelen ..... 11-48-69
Extra elektrische
accessoires ...... XVIII
F "Follow me home"-
verlichting 15-46-49
G Geluidssignaal 14-38
Gereedschap 121-122
Gewichten 126-127
Gordelspanners ..... III
Gordelverstelling 17
Grootlicht 11-15-114
H Handgeschakelde
versnellingsbak ... 35-36-125-127
Handgrepen 87
Handschoenenkastje ..... 6-7-86
Hoedenplank 93
Hoofdmenu 45-48-51-52
Hoofdsteun 18-19-82

TREFWOORDENREGISTER
1351

Identificatie auto .... 130 Inhoud .... 2→5 Inhoud reservoirs .... 112 Inrijden .... XIX Instellingen bestuurdersplaats .... 17
K Katalysator ..... XVII Kilometerteller ..... 8-9 Kinderbevestigingsmiddelen 84 Kindersloten ..... 6-7-74-VIII-IX Kleurcode van de lak ..... 130 Klokje ..... 29 Koelvloeistof ..... 10-96-103-XX Koelwatertemperatuurmeter 10 Koffer ..... 86-116 Koplampwissers ..... 13-96-112 Krik ..... 122
L Laadstroomlampje .... 10 Lade .... 85 Lampen vervangen .. 114→118 Lekke band .... XV Lichtsignaal .... 14 Lokaliseren geparkeerde auto .... 32 Luchtfilter .... 96 Luchtverdeling (automatisch) .... 28-80 Luchtverdeling (handbediend) .... 26-27
MMilieu ....XXIII Mistlampen voor .... 6-7-11-16-114-117
MMistlichten . 6-7-11-16-114-117 Moduboard ..... 89-90 Motor 1.1i ..... 97 Motor 1.4i ..... 97 Motor 1.4i 16V ..... 98 Motor 1.6 HDi ..... 101 Motor 1.6i ..... 99 Motor HDi 70 ..... 100 Motorcompartment ... 97→101 Motorkap ..... 6-7-95 Motorolie ..... 96-102-XII Motorolie (inhoud) ..... 112 Motortypeplaatje ..... 130 Multifunctioneel display ..... 45→52
N Niveaus 96-102-103
Olieniveau-indicator ..... 8-9-42 Onderhoud .... 95→112-XXI-XXII Onderhouds- intervalindicator ..... 8-9-43 Ontdooien - ontwasemen ..... 27-81 Ontwaseming achterruit ..... 26→28-81
P Parkeerhulp .... 6-7-72 Parkeerlichten .. 11-15-114-117 Parkeerrem .... 6-7-10-67-XIII Plafondlamp .... 85-116 Pollenfilter/Geurfilter .... 78-96
P Portieren .... 73→75 Praktische wenken ... 113→124
R Radiateur (niveau) ... 103-XII-XX Radio .... 6-7-45-48-51-52 Recirculatie interieurlucht .... 26→28-78-80 Recycling en milieu .... XXIII Recycling materialen .... XXIII Remblokken (controle) .... XIII Remlichten .... 117-118 Remsysteem .... XIII Remvloeistof .... 10-96-XIII Richtingaanwijzers .... 6-7-11 -14-114-115-117 Rijden .... 31→72 Rijhouding .... II Roetfilter .... 70 Rugleuning .... 82 Ruitbediening .... 6-7-20-74 Ruitensproeier .... 6-7-13-96 Ruitensproeier (inhoud) .... 112 Ruitenwisser ... 6-7-12-13-46-49
S Schuifdak 91-92 Schuifdakscherm 91 Sensodrive versnellingsbak 6→9 -38-62→66-125-127 Sigarenaansteker 6-7-88 Signalering 14→16 Sleepoog 122-124 Slepen 124-XVI Slepen, oplichten 124 Sleutels 33 Sneeuwkettingen 126-127 Snelheidsbegrenzer 6-7 -8-9-23-24

136136
TREFWOORDENREGISTER

S Snelheidsmeter 8-9
Snelheidsregelaar ..... 8-9-22-23
Spiegels 6-7-20
Spiegelverwarming 20
Spot 84-116
Starten 38-59-63
Startmotor 37-38
Stoelverwarming 19
Stop & Start 39→41
Stuurslot 37
Stuurverstelling 6-7-17
Supervergrendeling ..... 31-33
T Technische
gegevens 125→130
Tijd 29-45-47-48-50→52
Tijd instellen 29
Toerenteller 8-9
Transpondersleutel 33
U Uitklapbaar tafeltje in rugleuning 88
Uitrustingen t.b.v. het comfort 73→93
V Veilig rijden ...... X
Veiligheid (adviezen) 119-XI-XII
Ventilatie -
verwarming ...... 26-27-77-78
Verbruik 125
Verlichting 6-7-14→16
Verstelling van de
koplampen 6-7-17
Voorgloeien (diesel) 11
Voorstoelen 18-19
Voorzorgsmaatregelen ....I
W Waarschuwing
snelheidsoverschrijding 6-7-71
Waarschuwingen-
journaal 47→49
Waarschuwings-
knipperlichten 6-7-11-14
Wiel vervangen ..... 121123
Wieldoppen ...... XXII
Winter (voorzorgen) ...... XX
Z Zekeringen ..... 6-7-108→111
Zekeringen
vervangen 108→111
Zonneklep 87
Bediening 1
Bediening 4
Bediening 3
Bediening 5
Bediening 2

In het begin
