D-TRONplus - Insulinepomp Accu-Chek - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis D-TRONplus Accu-Chek in PDF-formaat.
| Type product | Bloedglucosemeter |
| Model | Accu-Chek D-TRONplus |
| Afmetingen (L x B x H) | ca. 130 x 70 x 25 mm |
| Gewicht | ca. 120 g (inclusief batterij) |
| Voeding | 2 x AAA-batterijen (alkaline) |
| Display | LCD, verlicht, 4-cijferig |
| Geheugen | 480 testresultaten met datum/tijd |
| Meetbereik | 0,6 – 33,3 mmol/L (10 – 600 mg/dL) |
| Meettijd | ca. 5 seconden |
| Bloedmonster | 0,6 µL minimale capillaire bloedmonster |
| Codering | Geen codering nodig (gratis code) |
| Hematocrietbereik | 20 – 65% |
| Functies | Gemiddelden (7, 14, 30 dagen), alarmen, herinneringen, pc-interface |
| Onderhoud | Reinig met zachte, droge doek; niet onderdompelen |
| Veiligheid | Automatische uitschakeling na 2 minuten, batterij-indicator |
| Reparatie | Alleen door geautoriseerd Accu-Chek servicecentrum |
| Accessoires | Teststrips, lancetten, datakabel, draagtas |
Veelgestelde vragen - D-TRONplus Accu-Chek
Gebruikersvragen over D-TRONplus Accu-Chek
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Insulinepomp in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding D-TRONplus - Accu-Chek en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. D-TRONplus van het merk Accu-Chek.
GEBRUIKSAANWIJZING D-TRONplus Accu-Chek
Beste Accu-Chek D-TRONplus gebruiker,
Gefeliciteerd met uw nieuwe insulinepomp. Deze insulinepomp werkt met unieke, persoonlijke instellingen.
Het is daarom van belang dat u of uw zorgteam de volgende gegevens invult.
Serienummer Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp
Insuline (naam/type) U100
Training Plaats
Datum(s) ____
Trainer
Belangrijke Neem voor spoedeisende hulp en/of informatie over pomp-adressen therapie contact op met (arts/zorgteam)
Telefoon
Verklaring van symbolen en tekens

Lees de gebruiksinstructies.

Voldoet aan Europese Richtlijn voor Medische Apparaten 93/42/EEG (MDD), met het nummer van de instantie waarbij de melding heeft plaatsgevonden (0123).
IPX7 Symbool voor "Bescherming tegen de gevolgen van een tijdelijke onderdompeling in water" conform EN 60529.
Rx only Volgens de federale wetgeving (Verenigde Staten) mag dit apparaat uitsluitend door of op voorschrift van een arts worden verkocht.

Elektronisch apparaat van het type BF conform de norm EN 60601-1, "bescherming tegen elektrische schokken".

Waarschuwing: Het negeren van deze waarschuwing kan een ernstige bedreiging van uw gezondheid opleveren of kan de dood tot gevolg hebben.

Let op: Het negeren van dit veiligheidsvoorschrift kan een bedreiging van uw gezondheid opleveren of kan leiden tot een defect aan de insulinepomp en/of accessoires.

Informatie: Met deze informatie kunt u de insulinepomp efficiënter gebruiken.
Zie ook hoofdstuk 12 "Overzicht van symbolen" voor andere symbolen die worden gebruikt voor de insulinepomp en bijbehorende accessoires.
Inhoudsopgave
Inleiding: veilig en efficiënt gebruik van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp 9
1 Waarschuwingen en voorzorgsmaatregelen 11
1.1 Waarschuwingen .... 11
1.2 Voorzorgsmaatregelen 14
2 Beschrijving en functies van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp 23
2.1 Veiligheids- en waarschuwingsvoorzieningen .....23
2.2 Bediening, display en achtergrondverlichting .....26
2.3 Uitgangsstand (STOP/RUN) 32
2.4 Bedieningslogica en overzicht van de functies van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp ....33
2.5 Standaardconfiguratie 37
2.6 Accessoires en wegwerpartikelen .....40
3 De Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp installeren 47
3.1 Power Pack plaatsen en vervangen .....48
3.1.1 Power Pack plaatsen 49
3.1.2 Power Pack vervangen .....51
3.2 Tijd en datum controleren of instellen .....55
3.3 Profielen voor de basale hoeveelheid instellen .....59
3.3.1 Alle basale hoeveelheden per uur instellen 60
3.3.2 Een basale hoeveelheid per uur kopiëren 62
3.3.3 Geselecteerde basale hoeveelheden per uur wijzigen .....64
3.4 Ingestelde basale hoeveelheden controleren .....65
4 Patroon voorbereiden en adapter en infusieset aansluiten 67
4.1 Patroon vullen .....68
4.1.1 3.15 ml kunststofampul voorbereiden (stap 1 t/m 6) .....70
4.1.2 3.15 ml kunststofampul vullen (stap 7 t/m 15) .....71
4.1.3 3.0 ml glaspatroon van de insulinepomp vullen (stap 16 t/m 24)....73
4.1.4 Ampul en glaspatroon uit de CombiFill verwijderen (stap 25 t/m 28) .....74
4.2 Aandrijfstang terugdraaien ....75
4.3 Patroon aanbrengen ....77
4.4 Adapter en infusieset aansluiten .....78
4.5 Infusieset vullen .....80
4.6 Infusieplaats kiezen en voorbereiden .....84
5 De Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp bedienen 87
5.1 Insulinetoediening starten en stopzetten .....88
5.2 Bolus instellen 91
5.2.1 Standaardbolus .....92
5.2.2 Scrollbolus .....95
5.2.3 Vertraagde bolus 97
5.3 Patroon, adapter en infusieset vervangen .....101
5.4 Adapter en infusieset vervangen .....103
5.5 Alleen de infusieset vervangen .....105
6 Andere functies instellen (bijzondere functies) 109
6.1 Gegevensgeheugen bekijken 110
6.1.1 Bolusoverzicht bekijken 110
6.1.2 Overzicht van dagelijks insulineverbruik bekijken .....112
6.1.3 Overzicht van alarmen en fouten bekijken .....113
6.2 Profiel van de basale hoeveelheid selecteren .....114
6.3 Tijdelijke basale hoeveelheid instellen .....115
6.4 Automatische uitschakeling .....119
6.5 Volume van piepsignalen wijzigen 120
6.6 Bolusstap aanpassen 122
6.7 Ingestelde basale hoeveelheid en geselecteerd profiel blokkeren of deblokkeren 123
6.8 KeyLock 125
6.8.1 KeyLock inschakelen of uitschakelen .....125
6.8.2 Toetsen deblokkeren 127
6.9 Resterende looptijd bekijken 128
6.10 Gegevensoverdracht 131
133 7 Alar
7.1 Overzicht van de alarmen .....135
7.1.1 Alarm A1: Patroon bijna leeg .....136
7.1.2 Alarm A2: Power pack bijna leeg .....137
7.1.3 Alarm A3: Instellen tijd/datum .....137
7.1.4 Alarm A4:Alarm patroon/adapter .....138
7.1.5 Alarm A5: Nadering einde looptijd .....143
7.1.6 Alarm A6: Tijdelijke basale hoeveelheid afgebroken .....143
7.1.7 Alarm A7: Einde tijdelijke basale hoeveelheid .....144
7.1.8 Alarm A8: Bolus afgebroken 144
7.2 Overzicht van de fouten 145
7.2.1 Fout E1: Patroon leeg 146
7.2.2 Fout E2: Power Pack leeg .....147
7.2.3 Fout E3: Automatisch uitgeschakeld .....147
7.2.4 Fout E4: Verstopping .....148
7.2.5 Fout E5: Einde looptijd 150
8.1.1 Problemen met verhoogde bloedglucosewaarden oplossen (hyperglykemie) Insuline .....154
8.1.2 Problemen met verlaagde bloedglucosewaarden oplossen (hypoglykemie) 157
9 Bijzondere situaties 159
9.1 Aanbevelingen voor dagelijks gebruik .....159
9.2 Onderbreking van de insulinepomptherapie .....160
9.3 De insulinepomp en water 162
9.4 Elektromagnetische velden en gevaarlijke gebieden .....163
9.5 Sport .....169
9.6 Reizen 169
10 Onderhoud van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp 171
10.1 Reparatie ....171
10.2 Onderhoud en reiniging 172
10.2.1 Systeemcontrole .....172
10.2.2 De insulinepomp .....173
10.2.3 Als u de insulinepomp hebt laten vallen .....174
10.2.4 Adapter 175
10.2.5 Patroon en infusieset .....176
10.2.6 Toetsringen 176
10.3 De insulinepomp opbergen .....177
10.4 Informatie over de Power Pack .....177
10.5 Controlelijst bij de insulinepomp .....178
10.6 Verpakking en retourzending van de insulinepomp .....179
10.7 Verwerking 180
12 Overzicht van symbolen 187
13 Verklarende woordenlijst 189
14 Adressen 195
15 Index 197
Inleiding: veilig en efficiënt gebruik ...
... van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp
Lees deze handleiding zorgvuldig door voordat u de insulinepomp gebruikt.
Raadpleeg altijd deze handleiding bij vragen of problemen met betrekking tot de werking van de insulinepomp.
Neem voor overige vragen contact op met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen of met uw arts en/of zorgteam.
Handleiding
De informatie in deze handleiding is bestemd voor u en de zorgverleners. De handleiding bevat alle benodigde informatie om de insulinepomp veilig en efficiënt te kunnen gebruiken.
Raadpleeg de gebruiksinstructie van de accessoires en wegwerpartikelen die nodig zijn voor de insulinepomp.
Gebruiksdoeleinden van de insulinepomp
De insulinepomp is alleen op medisch voorschrift verkrijgbaar en is uitsluitend bedoeld om bij de behandeling van insulin-afhankelijke diabetes mellitus een continue onderhuidse toediening te verkrijgen van kortwerkende insulin of snelwerkende insulin-analoog in concentraties van U100. Gebruik de insulinepomp uitsluitend voor de toediening van kortwerkende insulin of snelwerkende insulin-analoog in concentraties van U100. Probeer het apparaat nooit zelf aan te passen.
Continue onderhuidse insulinetherapie met behulp van de insulinepomp
U wordt door uw arts en/of zorgteam geïinstrueerd over de pomptherapie en het gebruik van de insulinepomp.
Raadpleeg paragraaf 1.2 "Voorzorgsmaatregelen" met betrekking tot de contra-indicaties voor het gebruik van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp.
Gebruik de insulinepomp niet als u uw persoonlijke instellingen niet kent.
In dit hoofdstuk worden de volgende onderwerpen behandeld:
1.1 Waarschuwingen
1.2 Voorzorgsmaatregelen
!
Let op: Uitsluitend op voorschrift van een arts. Dit apparaat mag uitsluitend door of op voorschrift van een arts worden verkocht.
Het is van belang dat u kennis hebt genomen van onderstaande waarschuwingen en voorzorgsmaatregelen, voordat u de Accu-Chek D-TRONplus-insulinepomp in gebruik neemt. Raadpleeg voor specifieke waarschuwingen en voorzorgsmaatregelen de desbetreffende paragrafen.
1.1 Waarschuwingen

Waarschuwing: Als u de insulinepomp niet goed instelt, wordt mogelijk een onjuiste hoeveelheid insuline toegediend. U moet eerst uw persoonlijke instellingen in de insulinepomp instellen voordat u start met de insuline-pomptherapie. Gebruik de insulinepomp niet als u uw persoonlijke instellingen niet kent. Als u twijfelt over uw persoonlijke instellingen of weinig ervaring met dit apparaat hebt, laat u de persoonlijke instellingen controleren door uw arts en/of zorgteam. Het tijdstip van de bolus, de toegediende hoeveelheid en het soort bolus kunt u het beste bepalen in overleg met uw arts en/of zorgteam. Zorg ervoor dat u weet welke insuline-/koolhydraatverhouding voor u geldt en welke bolus ter correctie moet worden toegediend.

Waarschuwing: Gebruik de Accu-Chek D-TRONplus-insulinepomp niet als u de display niet kunt lezen, de piepsignalen niet kunt horen of de trilsignalen niet kunt voelen. U wordt via de display, piepsignalen en trilsignalen gewezen op essentiële alarminformatie waarop de insulinepompgebruiker onmiddel- lijk actie dient te ondernemen. Als de gebruiker de insulinepompalarmen niet ziet, hoort of voelt, kan ernstig letsel of overlijden het gevolg zijn.

Waarschuwing: Het vervangen van de patroon en het vullen van de infusieset mag nooit gebeuren wanneer de infusieset is aangesloten op uw lichaam. Anders loopt u het risico dat de insuline ongecontroleerd wordt toegediend. Als u een loskoppelbare infusieset hebt, moet u eerst de slang van de infusieplaats verwijderen voordat u de patroon vervangt of de infusieset vult. Volg altijd de gebruiksaanwijzing van de infusieset die u gebruikt.

Waarschuwing: Gebruik de insulinepomp niet in hyperbare ruimten of in gevaarlijke gebieden van welke classificatie dan ook (zoals plaatsen waarop explosieve of ontvlambare gassen of dampen kunnen voorkomen). Dit kan de insulinetoediening verstoren en/of tot gevaarlijke situaties leiden. Doe de insulinepomp altijd af voordat u dergelijke gebieden betreedt.
De insulinepomp is niet getest voor gebruik op gevaarlijke locaties van welke classificatie dan ook. Doe de insulinepomp altijd af voordat u dergelijke gebieden betreedt.

Waarschuwing: Neem contact op met uw arts en/of zorgteam om een alternatieve behandeling te bespreken als u de insulinepomptherapie langere tijd onderbreekt.

Waarschuwing: Als u een andere insulinepomp gebruikt, moet u eerst uw persoonlijke instellingen controleren voordat u insuline gaat toedienen. Als u dat niet doet, wordt mogelijk een onjuiste hoeveelheid insuline toegediend. Noteer de persoonlijke instellingen van uw huidige pomp en zorg ervoor dat deze goed in de nieuwe pomp worden ingesteld. Zorg ervoor dat de tijd en datum goed zijn ingesteld. Als u twijfelt over uw persoonlijke instellingen of weinig ervaring met dit apparaat hebt, neem dan voor het controleren van de persoonlijke instellingen contact op met uw arts en/of zorgteam.

Waarschuwing: De insulinepomp is ontworpen voor gebruik met Accu-Chek-infusiesets. Andere infusiesets zijn mogelijk niet getest op compatibiliteit met de Accu-Chek D-TRONplus-insulinepomp. Het gebruik van deze producten kan een gevaar voor uw gezondheid opleveren. Infusiesets zijn steriele producten die uitsluitend bestemd zijn voor eenmalig gebruik. In een ongeopende verpakking zijn de producten gegarandeerd steriel tot de vermelde vervaldatum. Niet gebruiken als de verpakking beschadigd is.

Materialen voor eenmalig gebruik mogen niet opnieuw worden gebruikt. Het hergebruik van materialen voor eenmalig gebruik kan leiden tot een defect aan de insulinepomp, alsmede tot een onjuiste toediening van de insuline en/of tot infecties. Pak het product alleen met schone handen vast.

Waarschuwing: Zet de insulinepomp alleen in de RUN-stand als u deze volledig en op de juiste manier hebt geïnstalleerd (inclusief patroon, adapter en infusieset) en de persoonlijke instellingen die u van uw arts en/of zorgteam hebt gekregen, hebt geprogrammeerd.

Waarschuwing: De insulinepomp stelt geen beperkingen aan de hoeveelheid insuline die gedurende een bepaalde periode wordt toegediend. Wanneer de laatste bolus is toegediend, kunnen dus meerdere bolussen worden ingesteld.

Waarschuwing: Controleer de twee ingestelde profielen voor de basale hoeveelheid zorgvuldig wanneer u het ene profiel vervangt door het andere. Als u twijfelt over uw persoonlijke instellingen of weinig ervaring met dit apparaat hebt, laat u de persoonlijke instellingen controleren door uw arts en/of zorgteam. Het tijdstip van de bolus, de toegediende hoeveelheid en het soort bolus kunt u het beste bepalen in overleg met uw arts en/of zorgteam. Zorg ervoor dat u weet welke insuline-/koolhydraatverhouding voor u geldt en welke bolus ter correctie moet worden toegediend.

Waarschuwing: Om de Accu-Chek D-TRONplus-insulinepomp goed te (leren) gebruiken hebt u de hulp van een ervaren arts en/of uw zorgteam nodig. Regelmatige bezoeken aan uw arts en/of zorgteam zijn absoluut noodzakelijk zolang u met de insulinepomp wordt behandeld. Wijzig de persoonlijke instellingen alleen in overleg met uw arts en/of zorgteam. Volg altijd de instructies van uw arts en/of zorgteam op.
De insulinepomptherapie heeft alleen kans van slagen als u de bloedglucosewaarden zelf regelmatig controleert, dat wil zeggen minimaal vier keer per dag of zo vaak als wordt voorgeschreven door uw zorgteam.

Waarschuwing: Wijzigingen of aanpassingen aan de apparaten die niet uitdrukkelijk door Disetronic Medical Systems AG zijn goedgekeurd, kunnen tot gevolg hebben dat u de Accu-Chek D-TRONplus-insulinepomp niet meer kunt gebruiken.
1.2 Voorzorgsmaatregelen

Let op: Als de insulinepomp automatisch terugkeert naar de RUN (time-out)-stand voordat u een bolus hebt kunnen instellen, wordt er geen bolus toege-diend. Controleer de omvang en het tijdstip van de toegediende bolussen in het bolusoverzicht en stel desgewenst een nieuwe bolus in. Raadpleeg paragraaf 6.1.1 "Bolusoverzicht bekijken" voor meer informatie.

Let op: Als de insulinepomp zich in de STOP-stand bevindt, wordt er geen insuline toegediend.

Let op: Denk eraan dat een onderbreking van de insulinetoevoer (bijv. ten gevolge van lekkages, verstoppingen of een kwaliteitsverlies van de insuline) of een defect aan de insulinepomp een snelle stijging van de bloedglucosewaarde tot gevolg kan hebben. Hoewel de insulinepomp van een intern beveiligingssysteem is voorzien, kan het apparaat u niet waarschuwen als de infusieset lekt of als de kwaliteit van de insuline achteruit is gegaan.
Door uw bloedsuikerspiegel regelmatig te meten kunt u uw persoonlijke instellingen sneller bepalen en onjuiste doseringen vroegtijdig opsporen. De pomptherapie heeft alleen kans van slagen als u de bloedglucose minimaal vier keer per dag meet of zo vaak als wordt voorgeschreven door uw zorgteam.

Let op:Aangezien u bij de insulinepomptherapie kortwerkende of snelwerkende insuline krijgt toegediend, is de insulinereserve in het lichaam laag.Als de insu- lineafgifte om een bepaalde reden wordt afgebroken (bijvoorbeeld door een technisch probleem met de insulinepomp, lekken van de patroon, verstopping van de slang of naald van de infusieset, of omdat de naald uit de infusieplaats is losgeschoten), moet u de verloren insulin direct kunnen vervangen. Zorg er
| ! | daarom voor dat u altijd accessoires en wegwerpartikelen (adapter, infusieset, insulinepatroon, Power Pack) bij u hebt en draag tevens een reservepomp of een insulinepen/-spuit met insuline bij u. Zonder insuline kan er diabetische keto-acidose ontstaan waardoor opname in het ziekenhuis nodig kan zijn. |
| ! | Let op: Als "Fout E4: Verstopping" optreedt, moet u onmiddellijk uw bloed-glucosewaarde controleren omdat de toediening van de insuline onderbroken is. Als uw bloedsuikerspiegel te hoog is, neemt u gepaste maatregelen over-eenkomstig de instructies van uw zorgteam. |
| ! | Let op: Nadat zich een fout heeft voorgedaan,keert de insulinepomp terug naar de STOP-stand en wordt de toediening van de insuline onderbroken. U kunt de toediening in stand houden door onmiddellijk te reageren volgens de instruc-ties die voor elke foutcode worden gegeven en door de insulinepomp in de RUN-stand te zetten om door te gaan met het toedienen van insuline. |
"Fout E4: Verstopping" kan optreden als de infusieset of de adapter is geblokkeerd of als u een verkeerde patroon gebruikt (bijvoorbeeld omdat deze opnieuw wordt gebruikt). Raadpleeg paragraaf 7.2.4 "Fout E4: Verstopping" voor meer informatie.
| ! | Let op: Draai de infusieset stevig op de adapter vast. Anders kan er insuline lekken. Draai de luer-aansluiting van de infusieset niet verder aan dan mogelijk is. Gebruik in geen geval gereedschap. Als u de luer-aansluiting te ver aandraait, kunnen er scheurtjes ontstaan waardoor er insuline kan lekken. De insulinepomp is niet in staat een lek in de infusieset te detecteren. Daarom moet u overdag alle onderdelen van de infusieset elke drie uur controleren en ook voor het slapengaan een controle uitvoeren. Als u insulineverlies constateert terwijl alle onderdelen goed vastzitten, moet u het lekkende onderdeel onmiddellijk vervangen. U moet uw bloedsuikerspiegel onmiddellijk meten, omdat de toediening van insuline mogelijk is onderbroken. Controleer uw bloedsuikerspiegel en neem gepaste maatregelen overeenkomstig de instructies van uw arts en/of zorgteam. |
| ! | Let op: Luchtbellen in de patroon, adapter of infusieset leiden tot de infusie van lucht in plaats van insuline. Uw lichaam krijgt dan niet de juiste hoeveelheid insuline toegediend. "Fout E4: Verstopping" kan vertraagd worden weergegeven. |

Verwijder deze bellen tijdens het vullen van de patroon en/of de infusieset. Doe dit alleen als de infusieset niet op uw lichaam is aangesloten. Bij de opwarming van koude insuline komt mogelijk lucht vrij.Zorg dat de insuline op kamer-temperatuur is als u de patroon of de infusieset vult. Overdag moet u de patroon, adapter en infusieset elke drie uur controleren op luchtbellen en ook voor het slapengaan moet u een controle uitvoeren.Verwijder de luchtbellen en vervang indien nodig de onderdelen van het systeem.
Raadpleeg hoofdstuk 4 "Patroon voorbereiden en adapter en infusieset aansluiten" en paragraaf 5.3 "Patroon, adapter en infusieset vervangen", 5.4 "Adapter en infusieset vervangen" en 5.5 "Alleen infusieset vervangen" voor meer informatie.

Let op: Druk nooit met een object tegen de rand van de insulinepomp als zich in de pomp geen patroon bevindt. Dit kan leiden tot beschadiging van of een defect aan de insulinepomp.

Let op: Controleer de insulinepomp elke dag minstens één keer op scheurtjes en barsten. Doe dit met name wanneer u de pomp hebt laten vallen. Gebruik de insulinepomp niet als u scheurtjes of barsten hebt ontdekt. Als de pomp scheurtjes of barsten vertoont, kan water of een andere vloeistof, stof, insuline of een andere substantie van buitenaf in de insulinepomp terechtkomen. Dit kan tot defecten leiden.
Voorkom scheurtjes of barsten door de insulinepomp goed op uw lichaam of kleding te bevestigen.
Met de insulinepomp kunt u aan sport doen, mits u de insulinepomp beschermt en u beperkt tot sporten waarbij geen sprake is van lichamelijk contact.

Let op: Blijf uit de buurt van de elektromagnetische velden van radaren antenne-installaties, hoogspanningsbronnen, röntgenapparatuur, MRI-, CAT-scanners, enzovoort. Gebruik de insulinepomp niet op deze plekken. De insulinepomp kan defect raken onder invloed van een elektromagnetisch veld. Als de pomp in dit soort situaties niet wordt uitgeschakeld, stopt mogelijk de toevoer van insuline onmiddellijk en treedt "Fout E7: Elektronische fout" op.
Als de situatie niet kan worden vermeden, moet u de insulinepomp van tevoren afdoen. Anders kunnen sterke elektromagnetische velden leiden tot een defect aan de elektronische onderdelen van de pomp en kan "Fout E7: Elektronische fout".
Door de grote verscheidenheid aan apparaten met elektromagnetische straling, zoals mobiele telefoons, kan de invloed ervan op de insulinepomp niet volledig worden uitgesloten. Houd de insulinepomp daarom op ten minste 20 cm afstand van de ingeschakelde telefoon.
De beveiligingssystemen bij controles op vliegvelden en de antidiefstalsystemen in warenhuizen, winkels, enzovoort zijn ongevaarlijk en zijn niet van invloed op de werking van de insulinepomp.

Let op: Als zich toch een defect voordoet, wordt de toediening van de insuline onmiddellijk stopgezet en treedt "Fout E7: Elektronische fout" op.
Raadpleeg paragraaf 7.2.7 "Fout E7: Elektronische fout" voor meer informatie.

Let op: Zorg dat u in de patroon uitsluitend de voor uw Accu-Chek D-TRONplus-insulinepomp benodigde insulineconcentratie U100 gebruikt. Als u voor de insulinepomp niet de juiste insulineconcentratie gebruikt, wordt een onjuiste hoeveelheid insuline toegediend. Het negeren van deze waarschuwing kan een ernstige bedreiging van uw gezondheid opleveren of kan de dood tot gevolg hebben.

Let op: Als de tijd en datum niet goed zijn ingesteld, wordt de insuline mogelijk onjuist toegediend. Zorg ervoor dat de tijd- en datuminstelling op de insulinepomp klopt. Alleen dan wordt de insuline op de juiste manier toegediend en zijn de gegevens in het geheugen betrouwbaar.
Als uw therapiegegevens door uzelf, uw arts en/of zorgteam elektronisch worden geëvalueerd, is het belangrijk dat de tijd- en datuminstelling op de insulinepomp (vergeet de BackUp-insulinepomp niet) exact overeenkomt met die van uw bloedglucosemeter (zoals een Accu-Chek), de computer en andere apparaten die bij de analyse worden gebruikt. Als dit niet het geval is, kloppen de gegevens mogelijk niet. Controleer regelmatig of de insulinepomp met dezelfde tijd en datum werkt als de bloedglucosemeter, de computer en andere gebruikte apparaten.
Contra-indicaties
!
Let op: Insulinepomptherapie is gecontra-indiceerd voor de volgende patiënten:
- patiënten met een voorgeschiedenis van duidelijke psychische of verstandelijke stoornissen;
- patiënten met onvoldoende algemene geestelijke en lichamelijk vermogens;
- patiënten met een beperkt zichtvermogen, een verminderd gehoor of een beperkt vermogen om trillingen te voelen;
- onbetrouwbare patiënten;
- patiënten die niet gemotiveerd zijn voor het toepassen van pomptherapie;
- patiënten die niet minimaal vier bloedglucosebepalingen per dag kunnen of willen uitvoeren;
- patiënten bij wie het gevaar van zelfdoding bestaat;
- patienten die overmatig alcohol of drugs gebruiken;
- patiënten die hypoglykemie minder snel bemerken.
Let op: Gebruik uitsluitend accessoires en wegwerpartikelen die zijn ontworpen voor gebruik met de Accu-Chek D-TRONplus-insulinepomp. Gooi de dopjes voor de houders van de Power Pack en de patroon die in de nieuwe insulinepomp zitten, niet weg. Bij een korte of langdurige onderbreking van het gebruik van de insulinepomp hebt u deze nodig ter bescherming van de houders. De juiste werking van de insulinepomp kan alleen worden gegarandeerd als u het apparaat samen met deze speciale accessoires en wegwerpartikelen gebruikt. De accessoires en wegwerpartikelen die voor de Accu-Chek D-TRONplus-insulinepomp zijn ontwikkeld, zijn allemaal getest en goedgekeurd voor gebruik met de insulinepomp. Andere accessoires en wegwerpartikelen zijn mogelijk niet getest op compatibiliteit. Daarom kan het gebruik ervan een gevaar voor uw gezondheid opleveren.
Zorg ervoor dat u altijd extra accessoires en wegwerpartikelen bij u draagt. U kunt dan te allen tijde een onderdeel vervangen.
Materialen voor eenmalig gebruik (zoals patronen, adapters, infusiesets, enzovoort) mogen niet opnieuw worden gebruikt. Anders ontstaat een vergroot risico op infecties, storingen en/of een onjuiste insulinetoediening.
Er moet een arts en/of een medewerker van het zorgteam aanwezig zijn wanneer u de insulinepomp, steriele producten en accessoires voor de eerste keer gebruikt. Periodieke medische onderzoeken zijn vereist. Houd u altijd aan de instructies van uw arts en/of zorg-team en aan de gebruiksaanwijzing van de steriele producten en accessoires die u gebruikt.
Toetsen indrukken

Let op: Gebruik nooit een scherp of puntig voorwerp of een vingernagel om een toets in te drukken. Druk voorzichtig met uw vingertop op de toets. Zo voorkomt u mogelijke perforatie van de toets.


Voorkom dat de Accu-Chek D-TRONplus-insulinepomp tijdens het dragen in contact komt met scherpe voorwerpen in uw zak (sleutels, zakmessen, munten, enzovoort).
Power Pack

Let op: Zorg ervoor dat u altijd extra Power Packs bij de hand hebt en let daarbij op het volgende:
- Bewaar de Power Packs niet in een koelkast of vriezer. Een hoge luchtvochtigheid en een lage temperatuur gaan ten koste van de levensduur van de Power Packs.
- Bewaar de Power Packs tot aan het gebruik altijd in de oorspronkelijke verpakking. Voorkom een vroegtijdige ontlading doordat er contact bestaat tussen de Power Packs onderling of met andere metalen voorwerpen (zoals munten, sleutels, enzovoort).
- Voor gebruik in de Accu-Chek D-TRONplus-insulinepomp moet de Power Pack een temperatuur tussen +5°C en +40°C hebben.
- Vervang de Power Pack alleen in een droge omgeving.
!
- Gebruik voor het los- en vastdraaien van de Power Pack uitsluitend het batterijgereedschap dat bij de Accu-Chek D-TRONplus-insulinepomp wordt geleverd (gebruik geen mes,muntstukje,schroevendraaier of andere scherpe voorwerpen). De Power Pack zit goed op zijn plaats als de sleuf parallel aan de patroonruimte loopt (bajonetsluiting). Draai de Power Pack niet te strak aan. Anders kunt u het batterijdeksel of de behuizing van de pomp beschadigen.
- Gooi de Power Pack weg als deze is gevallen.
- Gebruik alleen originele Power Packs voor de Accu-Chek D-TRONplus-insulinepomp. Als u andere Power Packs gebruikt dan de Power Packs die worden meegeleverd of aanbevolen, is de levensduur van de Power Pack mogelijk aanzienlijk korter. Ook kan het gebruik van andere Power Packs leiden tot lekken en corrosie aan de contactpunten in de insulinepomp. De garantie kan komen te vervallen als u andere Power Packs gebruikt dan de Power Packs die worden meegeleverd of aanbevolen.
De levensduur van de Power Pack is afhankelijk van het gebruik van de insulinepomp, de toegediende hoeveelheden, de temperatuur en andere factoren. Een Power Pack gaat circa 6 tot 8 weken mee.
Zon, uv-straling en hitte
!
Let op: Stel de insulinepomp niet bloot aan direct zonlicht. Voorkom dat de insuline en de insulinepomp oververhit raken. Voorkom dat de insulinepomp direct wordt blootgesteld aan een koude wind.
Als de insuline wordt blootgesteld aan een temperatuur hoger dan 40°C of lager dan 5°C kan dit een schadelijke uitwerking hebben. Raadpleeg de instructies voor de insuline die u gebruikt voor meer informatie over de toegestane bewaartemperaturen voor de insuline. Bekijk paragraaf 11 "Technische gegevens" voor meer informatie over temperaturen. Draag de insulinepomp bij koud weer onder uw kleren of direct op uw lichaam. Houd u bij het gebruik van de insulinepomp aan de bedrijfstemperatuur. Voorkom dat de insulinepomp wordt blootgesteld aan een snelle, grote temperatuurstijging. Dit kan leiden tot een defect aan de pomp.
Koude

Let op: Als de insulinepomp wordt gebruikt bij een temperatuur lager dan 5°C, functioneert de Power Pack mogelijk niet goed meer, waardoor "Alarm A2: Power Pack bijna leeg" of "Fout E2:Power Pack leeg". Draag de insulinepomp bij koud weer onder uw kleren of direct op uw lichaam. Houd u bij het gebruik van de insulinepomp aan de bedrijfstemperatuur. Voorkom dat de insulinepomp wordt blootgesteld aan een snelle, grote temperatuurdaling. Dit kan leiden tot een defect aan de pomp.
Variërende luchtdruk

Let op: De Power Pack beschikt over een ingebouwd membraan waarmee de luchtdruk in de insulinepomp wordt geregeld. Een variërende luchtdruk (bijvoorbeeld in een vliegtuig of bij het klimmen in de bergen) is niet van invloed op de insulinepomp of de toediening van insuline. Houd u bij het gebruik van de insulinepomp aan de beperkingen die gelden voor het gebruik.
Piepsignalen uitschakelen (bijzondere functie)

Let op: U kunt de piepsignalen die de insulinepomp geeft om u te waarschuwen, om acties te bevestigen en bij het indrukken van toetsen, uitschakelen. De piepsignalen die klinken ten gevolge van een alarm of fout, kunnen niet worden uitgeschakeld. Ook voor de trilsignalen geldt dat zij niet kunnen worden uitgeschakeld. Kijk minimaal één keer elke drie uur op de display van de insulinepomp en voer ook voor het slapengaan een controle uit. Doe dit met name wanneer u om een bepaalde reden waarschijnlijk piepsignalen niet kunt horen of trilsignalen niet kunt voelen. Deze signalen vormen de enige tijdige waarschuwing wanneer zich wijzigingen voordoen in de werking van de insulinepomp.
Reiniging

Let op: Gebruik geen oplosmiddelen,sterke reinigingsmiddelen,zuurhoudende of alkalische stoffen, bleekmiddelen, schuursponsjes of scherpe voorwerpen voor het reinigen van de insulinepomp aangezien deze de pomp kunnen beschadigen. Gebruik uitsluitend een zachte, droge doek.
Raadpleeg paragraaf 10.2.2 "De insulinepomp" voor meer informatie.
Vermijd opzettelijke onderdompeling in water

Let op: De insulinepomp is waterdicht. Vermijd echter opzettelijke onderdom-peling in water, bijvoorbeeld in bad, bij het douchen, zwemmen of andere activ- viteiten in het water.Inspecteer de insulinepomp onmiddellijk nadat deze onbe-doeld in water terecht is gekomen.
Het wordt aanbevolen om de insulinepomp los te koppelen voordat u deelneemt aan activiteiten in het water.
Controleer de insulinepomp regelmatig op scheurtjes en barsten. Als het apparaat valt, kunnen de insulinepomp en de waterafdichting beschadigd raken. Als de pomp scheurtjes, barsten of andere beschadigingen vertoont, kan water van buitenaf in de insulinepomp terechtkomen. Dit kan tot defecten leiden.
Contact met voorwerpen

Let op: Voorkom dat de insulinepomp tijdens het dragen in contact komt met voorwerpen die de toetsen van de pomp kunnen beschadigen of onbedoeld kunnen indrukken (bijv. sleutelbos, knopen van kledingstukken, zakmes, munten).
Raadpleeg hoofdstuk 9 "Bijzondere situaties" voor meer informatie.
2
Beschrijving en functies ...
... van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp
In dit hoofdstuk worden de volgende onderwerpen behandeld:
2.1 Veiligheids- en waarschuwingsvoorzieningen
2.2 Bediening en display
2.3 Uitgangsstand (STOP/RUN)
2.4 Bedieningslogica en overzicht van de functies van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp
2.5 Standaardconfiguratie
2.6 Accessoires en wegwerpartikelen
Deze insulinepomp werkt op batterijen en wordt door microprocessors aangestuurd. Het apparaat is bestemd voor het continu onderhuids toedienen van kortwerkende insuline of snelwerkende insuline-analoog in concentraties van U100.
Raadpleeg hoofdstuk 11 "Technische gegevens" voor meer informatie.
2.1 Veiligheids- en waarschuwingsvoorzieningen
U wordt via piepsignalen, trilsignalen en meldingen op de display geïnformeerd over de status en/of defecten aan de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp en/of het systeem.
!
Let op: U kunt de STOP-piepsignalen die de insulinepomp geeft om u te waarschuwen, om acties te bevestigen en bij het indrukken van toetsen, uitschakelen. De piepsignalen die klinken ten gevolge van een alarm of fout, kunnen niet worden uitgeschakeld. Ook voor de trilsignalen geldt dat zij niet kunnen worden uitgeschakeld. Kijk minimaal één keer elke drie uur op het display van de insulinepomp en voer ook voor het slapengaan een controle uit. Doe dit met name als u om een bepaalde reden niet in staat bent piepsignalen te horen of trilsignalen te voelen. Deze signalen vormen de enige tijdige waarschuwing wanneer zich wijzigingen voordoen in de werking van de insulinepomp.
| Piepsignalen | Tril-signalen | Display | Opmerking: | |
| Ingedrukte toets | Via kort piepsignaal met hoge toonhoogte wordt bevestigd dat op is gedrukt. | Geen (met uitzonde-ring van de standaard-bolus) | Elke keer dat een toets goed wordt ingedrukt, wijzigt de informatie op de display. | De piepsignalen treden alleen op als u ze niet hebt uitgeschakeld. |
| Ingedrukte toets | Via kort piepsignaal met lage toonhoogte wordt bevestigd dat op is gedrukt. | Geen (met uitzonde-ring van de standaard-bolus) | Elke keer dat een toets goed wordt ingedrukt, wijzigt de informatie op de display. | De piepsignalen treden alleen op als u ze niet hebt uitgeschakeld. |
| Ingedrukte toets | Via kort piepsignaal met gemiddelde toonhoogte wordt bevestigd dat op is gedrukt. | Geen | Elke keer dat een toets goed wordt ingedrukt, wijzigt de informatie op de display. | De piepsignalen treden alleen op als u ze niet hebt uitgeschakeld. |
| Ingedrukte toets | Via vier piepsignalen met stijgende toonhoogte (melodie) wordt bevestigd dat op is gedrukt. | Geen | Elke keer dat een toets goed wordt ingedrukt, wijzigt de informatie op de display. | De piepsignalen treden alleen op als u ze niet hebt uitgeschakeld. |
| U keert terug naar de uit-gangsstand RUN of de RUN-stand wordt geactiveerd | Met drie korte piepsignalen wordt de uitgangsstand RUN aangegeven. | Geen | Informatie m.b.t. de uitgangsstand RUN. | De piepsignalen treden alleen op als u ze niet hebt uitgeschakeld. |
| U keert terug naar de uit-gangsstand STOP of de STOP-stand wordt geactiveerd | Met één lang piepsignaal wordt de uitgangsstand STOP aangegeven.Piepsignaal | GeenTril-signalen | Informatie m.b.t. de uitgangsstand STOP.Display | De piepsignalen treden alleen op als u ze niet hebt uitgeschakeld.Opmerking: |
| STOP-waar-schuwing | Door middel van één lang piepsignaal per minuut wordt u eraan herinnerd dat de insulinepomp zich in de STOP-stand bevindt en er geen insulin wordtoegediend. | Trilsignaal van gemiddelde lengte bij elk piepsignaal | Informatie m.b.t. de uitgangsstand STOP. | De piep- en trilsignalen voor de STOP-waar-schuwing kunnen worden uitsgcha-keld. Telkens wanneer de uit-gangsstand RUN-stand van de insulinepomp wordt geactiveerd, worden deze signalen opnieuw geactiveerd. |
| Alarmen en fouten | Met herhaaldelijk drie korte piepsignalen, gevolgd door twee korte piepsignalen worden alarmen en fouten aan-gegeven. | Tegelijker-tijd tril-signalen | A1– A8 of E1– E7 wordt weergegeven | De piep- en trilsig-nalen die klinken bij alarmen en fouten, kunnen niet worden uitge-schakeld. |
| Deblokker-ing toetsen | Via vier piepsignalen met stijgende toonhoogte (melodie) wordt bevestigd dat de toetsen tijdelijk gedeblokkeerd zijn. | Geen | Informatie m.b.t. de STOP- of RUN-stand (afhankelijk van de uitgangs-stand). | De piepsignalen treden alleen op als u ze niet hebt uitgeschakeld. |
| Scrollen | Met een kort piepsignaal bij aanvang wordt de scrollfunctie aangegeven. | Geen | Elke keer dat een toets goed wordt ingedrukt, wijzigt de informatie op de display. | De piepsignalen treden alleen op als u ze niet hebt uitgeschakeld. |
| Tijdelijke basale hoeveelheid | Door middel van twee korte piepsignalen op elk hele uur wordt u eraan herinnerd dat er een tijdelijke basale hoeveelheid is ingesteld. | Geen | Informatie met betrekking tot tijdelijke basale hoeveelheid op de display in de uit-gangsstand RUN. | De piepsignalen treden alleen op als u ze niet hebt uitgeschakeld. |
Volume
Let op: U kunt het volume van de piepsignalen aanpassen in het SETUP menu. Desgewenst kunt u het ook uitschakelen. Om veiligheidsredenen wordt echter aangeraden de piepsignalen nooit helemaal uit te schakelen.
Informatie: Met het oog op uw veiligheid piept de insulinepomp bij alarmen en fouten alsook de STOP-waarschuwing altijd op de maximumsterkte, zelfs al is het volume van de piepsignalen uitgeschakeld.
2.2 Bediening, display en achtergrondverlichting
Let op: Gebruik nooit een scherp of puntig voorwerp of een vingernagel om een toets in te drukken. Druk voorzichtig met uw vingertop op de toets. Zo voorkomt u mogelijke perforatie van de toets.
GOED FOUT
Voorkom dat de insulinepomp tijdens het dragen in contact komt met scherpe voorwerpen in uw zak (sleutels, zakmessen, munten enzovoort).
Bediening
Voor het instellen van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp gebruikt u vier toetsen of toetsencombinaties. Elke toets of toetsencombinatie heeft een specifieke functie. Bij het indrukken ervan klinkt een uniek piepsignaal. Raadpleeg paragraaf 2.1 "Veiligheids- en waarschuwingsvoorzieningen" voor meer informatie.

Menu
Met deze toets kunt u een functie of waarde selecteren of er naar toe gaan.

Vinkje
Met deze toets kunt u de geselecteerde functie of waarde bevestigen en deze activeren. Deze bevestigingstoets wordt ook gebruikt om instellingen te bevestigen en op te slaan en de resterende patrooninhoud weer te geven.

Omhoog
Met deze toets kunt u een waarde verhogen of vooruitgaan in het gegevensgeheugen. De pijl omhoog kan ook worden gebruikt om de achtergrondverlichting te activeren, de standaardbolus te activeren, de toediening van een standaard- of scrollbolus te onderbreken en de STOP-waarschuwing uit te schakelen.

Omlaag
Met deze toets kunt u een waarde verlagen of teruggaan in het gegevensgeheugen. De pijl omlaag kan ook worden gebruikt om de standaardbolus te activeren, de toediening van een standaard- of scrollbolus te onderbreken en de STOP-waar-schuwing uit te schakelen.

Menu en √ Omlaag tegelijkertijd indrukken.
Met deze toetsencombinatie kunnen de toetsen worden gedeblokkeerd en kunnen basale hoeveelheden per uur worden gekopieerd.
Alle uitgevoerde instellingen worden op de display weergegeven, waarna één of meer korte en/of lange piep- en trilsignalen volgen. Controleer altijd op de display of u de gewenste waarden hebt ingesteld.
Scrollfunctie
Voor de instelling van een hogere waarde moet normaliter herhaaldelijk op een toets worden gedrukt. In bepaalde situaties kunt u echter ook de toets ingedrukt houden (scrollen) tot de gezochte waarde op de display verschijnt. Zo nodig kan deze waarde worden gecorrigeerd door eenmaal op de toets te drukken.
!
Let op: Controleer bij gebruik van de scrollfunctie of de waarden goed zijn ingesteld. Bij aanvang van het scrollen klinkt één piepsignaal.
In de instructies wordt het woord "scroll" gebruikt wanneer de scrollfunctie beschikbaar is.
Display
Op de display van de insulinepomp zijn alle functies zichtbaar en wordt belangrijke informatie weergegeven. In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de display werkt en worden de gebruikte symbolen en cijfers verklaard.
!
Let op: Als de tekens of waarden op de display niet volledig worden weergegeven, verwijdert u de Power Pack een ogenblik uit de insulinepomp om een systeemcontrole uit te voeren. Breng de Power Pack opnieuw aan. Als de piepsignalen van de insulinepomp niet overeenkomstig de beschrijving optreden, of als bepaalde cijfers, letters, symbolen of regels onvolledig of helemaal niet op de display worden weergegeven, moet het apparaat worden teruggestuurd; anders wordt u mogelijk niet tijdig gewaarschuwd wanneer zich wijzigingen voordoen in de werking van de insulinepomp. Neem voor ondersteuning contact op met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen.
Beschrijving van de symbolen op de display


bar
| Category | Value | |---|---| | De insulinpomp is in bedrijf (knipperend symbool) | | | Standaard/scrollbolus (snelle toediening) | | | Vertraagde bolus (toediening verdeeld over een ingestelde tijd) | | | Instelling basale hoeveelheid – profiel A | | | Instelling basale hoeveelheid – profiel B | | | Huidige basale hoeveelheid profiel A | | | Huidige basale hoeveelheid profiel B | | | Tijdelijke verhoging van de basale hoeveelheid | | | Tijdelijke verlaging van de basale hoeveelheid | |
Resterende patrooninhoud

Waarschuwing patroon bijna leeg

Patroon leeg

Infusieset vullen

Tijd

Datum

Aandrijfstang terugdraaien

Informatie

Alarm of fout

Duur/resterende tijd

Power Pack vervangen

Basale hoeveelheid in eenheden per uur
AM PM
Amerikaanse tijdnotatie
| EUUS | Datumnotatie (Europees of Amerikaans) |
| STOP - geen insulin-afgifte | |
| Volume piepsignalen | |
| KeyLock ingeschakeld of uitgeschakeld/instelling basale hoeveel-heid en selectie profiel geblokkeerd of gedeblokkeerd | |
| SETUP menu | |
| % | Percentage (gebruikt voor tijdelijke basale hoeveelheid) |
| t1 | Timer t1 |
| t2 | Timer t2 |
Achtergrondverlichting
Druk op ⬇ om de display te verlichten. De insulinepomp geeft een kort piepsignaal. In de uitgangsstand RUN of STOP kan de display worden verlicht, ook als een alarm- of foutmelding actief is of als KeyLock is ingeschakeld. De achtergrondverlichting is handig wanneer er te weinig licht is en u de insulinepomp wilt bedienen of informatie wilt aflezen (bijvoorbeeld in bed of in de bioscoop). Als u vervolgens geen andere toetsen indrukt, gaat de achtergrondverlichting na 30 seconden automatisch uit.
2.3 Uitgangsstand (STOP/RUN)
De Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp beschikt over twee uitgangsstanden: STOP en RUN.

Tijdens normaal gebruik bevindt de insulinepomp zich in de RUN-stand en wordt er continu insuline afgegeven (basale hoeveelheid). U kunt te allen tijde een bolus instellen. Als de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt, ziet u op de display de tijd, het symbool voor het profiel van de huidige basale hoeveelheid en de waarde van de huidige basale hoeveelheid of, indien ingeschakeld, informatie over bijzondere functies (bijv. vertraagde bolus, tijdelijke basale hoeveelheid, KeyLock).

STOP
Als de insulinepomp zich in de STOP-stand bevindt, wordt er geen insuline afgegeven. Onder andere bij het terugdraaien van de aandrijfstang, het vervangen van de patroon, het aansluiten van de adapter en/of infusieset en het vullen van de infusieset moet de insulinepomp in de STOP-stand staan. Als de insulinepomp zich in de uitgangsstand STOP bevindt, ziet u op de display de tijd, het STOP-symbool en -S-- (indien ingeschakeld, wordt ook het KeyLock-symbool weergegeven).
Als de insulinepomp in bedrijf is, knippert in zowel de STOP- als de RUN-stand de dubbelepunt in de tijdweergave.
2.4 Bedieningslogica en overzicht van de functies van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp
De bediening van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp is logisch en eenvoudig. Voor de meeste handelingen moet u de volgende vier stappen uitvoeren:
- Selecteer een functie door op Ⓞ te drukken tot het bijbehorende symbool op de display verschijnt.
- Bevestig de geselecteerde functie door op √ te drukken.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden* op✅drukt, keert u automatisch terug naar de uitgangsstand STOP of RUN (time-out).
- Druk op ⬇ en/of ⬇ om de (knipperende) geselecteerde waarde in te stellen of er naar toe te scrollen.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden* op een toets drukt, keert u automatisch terug naar de uitgangsstand STOP of RUN (time-out). De zojuist aangebrachte wijzigingen worden dan niet opgeslagen.
- Bevestig de wijzigingen door op √ te drukken.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden* op✅ drukt, keert u automatisch terug naar de uitgangsstand STOP of RUN (time-out). De zojuist aangebrachte wijzigingen worden dan niet opgeslagen.
Bedieningslogica van de insulinepomp

flowchart
graph TD
A["uitgangsstand STOP of RUN"] --> B["1e functie"]
B --> C["2e functie"]
C --> D["xe functie"]
D --> E["time-out"]
B --> F["1e waarde"]
F --> G["2e waarde"]
G --> H["xe waarde"]
H --> I["time-out"]
F --> J["4. bevestigen"]
J --> K["selecteren"]
K --> B
style A fill:#ccc,stroke:#333
style B fill:#ccc,stroke:#333
style C fill:#ccc,stroke:#333
style D fill:#ccc,stroke:#333
style E fill:#ccc,stroke:#333
style F fill:#ccc,stroke:#333
style G fill:#ccc,stroke:#333
style H fill:#ccc,stroke:#333
style I fill:#ccc,stroke:#333
style J fill:#ccc,stroke:#333
style K fill:#ccc,stroke:#333
style_L["time-out"] --> A
M["time-out"] --> B
N["bevestigen"] --> B
O["selecteren"] --> K
KeyLock
De insulinepomp is uitgerust met een unieke KeyLock-functie, die kan worden ingeschakeld of uitgeschakeld.
Met de KeyLock-functie kunt u de vier toetsen van de Accu-Chek D-TRONplus insuline-pomp blokkeren. Zo kunt u bijvoorbeeld voorkomen dat de functies van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp per ongeluk worden geactiveerd door kinderen of terwijl u slaapt, sport enzovoort.

Let op: Als KeyLock is ingeschakeld, moeten de toetsen eerst tijdelijk worden gedeblokkeerd voordat KeyLock kan worden uitgeschakeld of u de insulin-pomp kunt instellen.
Raadpleeg paragraaf 6.8 "KeyLock" voor meer informatie.
Time-out
Als u twijfelt over het selecteren van een functie of het wijzigen van een waarde, kunt u 20 seconden* wachten.
U keert dan automatisch terug naar de uitgangsstand STOP of RUN (time-out).
De zojuist aangebrachte wijzigingen worden dan niet opgeslagen.
Resterende patrooninhoud
Met de insulinepomp kunt u in de uitgangsstand STOP of RUN op eenvoudige wijze de resterende patrooninhoud controleren (aantal eenheden insuline dat nog in de patroon zit).
De resterende patrooninhoud controleren

- Controleer of de Power Pack op zijn plaats zit, de infusieset is gevuld en KeyLock is uitgeschakeld ofwel de toetsen zijn gedeblokkeerd.

- Druk eenmaal op √. De insulinepomp geeft een piepsignaal, één keer lang of drie keer kort, afhankelijk van de uitgangsstand, en de resterende patrooninhoud in eenheden wordt weergegeven.

Na 4 seconden keert u automatisch terug naar de uitgangsstand STOP of RUN. Afhankelijk van de uitgangsstand geeft de insulinepomp één lang piepsignaal of drie korte piepsignalen.
* Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp en de wijzigingen die zijn aangebracht met behulp van het Accu-Chek DiaLog-program- meerhulpmiddel voor de insulinepomp.
Overzicht van de functies van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp
Hieronder ziet u over welke functies de insulinepomp beschikt en waar u deze kunt vinden:

flowchart
graph TD
A["0945 -5--"] --> B["uitgangsstand STOP"]
C["0945 0.6V/h"] --> D["uitgangsstand RUN"]
B --> E["-5--"]
E --> F["start insulinetoediening"]
F --> G["terugdraaien van de aandrijfstang"]
G --> H["vullen van de infusieset"]
H --> I["-C--"]
I --> J["datastransmissie"]
D --> K["bolusmenu/geheugen"]
K --> L["-5--"]
L --> M["stop insulinetoediening"]
M --> N["selecteren van het basale insulinoprofiel"]
N --> O["18.0V instellen van het basale insulinoprofiel A"]
O --> P["22.0V instellen van het basale insulinoprofiel B"]
P --> Q["100% instellen van een tijdelijke basale hoeveelheid"]
Q --> R["geheugen van de dagelijkse totalen"]
R --> S["geheugen van alarmmeldingen en foutmeldingen"]
S --> T["SETUP-menu"]
U["resterende patrooninhoud\nachtergrondverlichting"] --> V["0945 -5--"]
V --> W["uitgangsstand STOP"]
W --> X["-5--"]
X --> Y["starting insulinetoediening"]
Y --> Z["terugdraaien van de aandrijfstang"]
Z --> AA["vullen van de infusieset"]
AA --> AB["-C--"]
AC["standaardbolus\nresterende patrooninhoud\nachtergrondverlichting"] --> AD["scroll-bolus\nverlengde bolus"]
AE["controleren of instellen van tijd en datum\nveiligheidsschakeling\ninstellen van de geluids-sterkte van de pieptonen\ninstellen van de bolusstab\nblokkeren of deblokkeren van de ingestelde basale hoeveelheid en de profielselectie\nactiveren of deactiveren van de KeyLock\nbepalen van de resterende tijd (t1)\nbepalen van de resterende tijd (t2)\neinde"] --> AF

Informatie: De functies voor dagelijks gebruik zijn beschikbaar vanuit de RUN-stand. Andere functies (bijv.: aandrijfstang terugdraaien, infusieset vullen en gegevensoverdracht zijn beschikbaar vanuit de STOP-stand.
2.5 Standaardconfiguratie

Waarschuwing: Als u de insulinepomp onjuist instelt, wordt mogelijk een onjuiste hoeveelheid insuline toegediend. U moet eerst uw persoonlijke instellingen in de insulinepomp instellen voordat u start met de insulinepomptherapie. Gebruik de insulinepomp niet als u uw persoonlijke instellingen niet kent. Als u twijfelt over uw persoonlijke instellingen of weinig ervaring met dit apparaat hebt, laat u de persoonlijke instellingen controleren door uw arts en/of zorgteam. Het tijdstip van de bolus, de toegediende hoeveelheid en het soort bolus kunt u het beste bepalen in overleg met uw arts en/of zorgteam. Zorg ervoor dat u weet welke insuline-/koolhydraatverhouding voor u geldt en welke bolus ter correctie moet worden toegediend.

Waarschuwing: Neem contact op met uw arts en/of zorgteam om een alternatieve behandeling te bespreken als u de insulinepomptherapie langere tijd onderbreekt.

Waarschuwing: Als u een andere insulinepomp gebruikt, moet u eerst uw persoonlijke instellingen controleren voordat u insuline gaat toedienen. Als u dat niet doet, wordt mogelijk een onjuiste hoeveelheid insuline toegediend. Zorg ervoor dat de tijd en datum goed zijn ingesteld.
De insulinepomp wordt met een standaardconfiguratie (fabrieksinstellingen) geleverd. Het kan noodzakelijk zijn deze parameters aan uw specifieke behoeften aan te passen. Raadpleeg altijd uw arts of zorgteam voordat u parameters aanpast.
Alle wijzigingen die op de insulinepomp kunnen worden aangebracht (met uitzondering van KeyLock), kunnen ook op een computer (pc) worden aangebracht met behulp van Accu-Chek DiaLog-programmeerhulpmiddel.
| Parameter | Aan te passen via | Waarden | Standaard- configuratie |
| Actief profiel basale hoeveelheid | DiaLog*1 en D-TRONplus*2 | Profiel A/Profiel B | Profiel A |
| Profiel basale hoeveelheid selecteren | DiaLog*1 en D-TRONplus*2 | Geblokkeerd/ gedeblokkeerd | Gedeblokkeerd |
| Instelling profiel basale hoeveelheid | DiaLog*1 en D-TRONplus*2 | Geblokkeerd/ gedeblokkeerd | Gedeblokkeerd |
| Programma basale hoeveelheid profiel A | DiaLog*1 | Geblokkeerd/ gedeblokkeerd | Gedeblokkeerd |
| Programma basale hoeveelheid profiel B | DiaLog*1 | Geblokkeerd/ gedeblokkeerd | Gedeblokkeerd |
| Maximale basale hoeveelheid | DiaLog*1 | 0.1 tot 25 U/h Stappen van 0.1 U/h | 10 U/h |
| Alarm na afloop van tijdelijke basale hoeveelheid | DiaLog*1 | Alarm Geen alarm | Alarm |
| Bolusstap per keer dat op toets wordt gedrukt (standaardbolus) | DiaLog*1 en D-TRONplus*2 | 0.1 eenheid 0.2 eenheid 0.5 eenheid 1.0 eenheid | 0.5 eenheid |
| Bolusstap aanpassen | DiaLog*1 | Geblokkeerd/ gedeblokkeerd | Gedeblokkeerd |
| Maximale bolushoeveelheid per toediening | DiaLog*1 | 1 tot 25 eenheden 1 stappen van 1 eenheid | 25 eenheden |
| Volume piepsignalen | DiaLog*1 en D-TRONplus*2 | 0 tot 4 | 2 |
| Datumnotatie | DiaLog*1 en D-TRONplus*2 | Amerikaans (mm/dd/jjjj) Europees (dd/mm/jjjj) | Landspecifiek |
*1 Accu-Chek DiaLog-programmeerhulpmiddel voor de insulinepomp (arts/zorgteam)
*2 Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp
| Parameter | Aan te passen via | Waarden | Standaard- configuratie |
| Tijdnotatie | DiaLog*1 en D-TRONplus*2 | Amerikaans (AM/PM) Europees (24 uur) | Landspecifiek |
| Automatische uitschakeling | DiaLog*1 en D-TRONplus*2 | 1 tot 24 uur Tussenpozen van 1 uur UIT | UIT |
| Time-out (duur) | DiaLog*1 | 5 tot 120 sec. Tussenpozen van 0.5 sec. | 20 sec. |
| KeyLock | D-TRONplus*2 | Ingeschakeld/ uitgeschakeld | Uitgeschakeld |
| Resterende patrooninhoud t.b.v. "Alarm A1: Patroon bijna leeg" | DiaLog*1 | 0 tot 20 eenheden Stappen van 0.1 eenheid | 20 eenheden |
| Vulhoeveelheid | DiaLog*1 | 0 tot 25 eenheden Stappen van 1 eenheid | 25 eenheden |
| Het is mogelijk dat deze parameters afwijken. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp en de wijzigingen die zijn aangebracht met behulp van DiaLog software. | |||
*1 Accu-Chek DiaLog-programmeerhulpmiddel voor de insulinepomp (arts/zorgteam)
*2 Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp
Als de ingestelde parameters van de insulinepomp niet aan uw behoeften voldoen, kunnen met behulp van het Accu-Chek DiaLog-programmeerhulpmiddel voor de insulinepomp wijzigingen worden aangebracht. Vraag uw arts en/of zorgteam om advies voor uw persoonlijke instellingen. Neem bij twijfel contact op met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen over hoe u te werk moet gaan.
2.6 Accessoires en wegwerpartikelen
!
Let op: Gebruik uitsluitend accessoires en wegwerpartikelen die zijn ontworpen voor gebruik met de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp. De juiste werking van de insulinepomp kan alleen worden gegarandeerd als u het apparaat samen met deze speciale accessoires en wegwerpartikelen gebruikt. De accessoires en wegwerpartikelen ontwikkeld voor de Accu-Chek DTRONplus insulinepomp, zijn allemaal getest en goedgekeurd voor gebruik met de insulinepomp. Andere accessoires en wegwerpartikelen zijn mogelijk niet getest op compatibiliteit. Het gebruik ervan kan een gevaar voor uw gezondheid opleveren.
Zorg ervoor dat u altijd extra accessoires en wegwerpartikelen bij u draagt. U kunt dan te allen tijde een onderdeel vervangen.
Materialen voor eenmalig gebruik (zoals patronen, adapters, infusiesets enzovoort) mogen niet opnieuw worden gebruikt. Anders ontstaat een vergroot risico op infecties, defecten en/of een onjuiste insulinetoediening.
De accessoires en wegwerpartikelen die bestemd zijn voor gebruik met de Accu-Chek D-TRONplus-insulinepomp, staan vermeld in de productbrochure of de brochures bij de infusieset.Neem voor meer informatie contact op met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen.
Power Pack

De insulinepomp werkt op een lithium Power Pack van 3 V. Deze Power Pack, die speciaal voor de insulinepomp is ontworpen, is een belangrijk onderdeel. In het deksel van de Power Pack zit een membraan dat het drukverschil tussen de lucht buiten en binnen de pompbehuizing opvangt. De geïntegreerde afdichtring biedt een doeltreffende bescherming voor de Power Pack-houder van de insulinepomp.
Als de Power Pack bijna leeg is, treedt"Alarm A2: Power Pack bijna leeg"op.Als de Power Pack leeg is, treedt "Fout E2: Power Pack leeg"op.
Als de Power Pack is verwijderd, worden de tijd, datum en resterende patrooninhoud nog slechts circa 1 uur bijgehouden.
De configuratie en instellingen van de insulinepomp (basale hoeveelheid, actief profiel, automatisch uit enz.) en het geheugen waarin de gebeurtenissen worden opgeslagen (bolusoverzicht, overzicht van dagelijkse totalen, overzicht van alarmen en fouten), blijven bewaard, ongeacht de spanning van de Power Pack of hoe lang de Power Pack verwijderd was.
Vervang de Power Pack uitsluitend in een droge omgeving. Controleer of de afdichting van het Power Pack-deksel in een goede staat verkeert en niet ontbreekt of versleten is en of de Power Pack correct is aangebracht. Zo voorkomt u dat er water in de behuizing van de pomp kan binnendringen.
!
Let op: Als u de insulinepomp langere tijd niet gebruikt, moet het apparaat op een geschikte manier worden opgeborgen om defecten te voorkomen.
!
Let op: Zorg ervoor dat u altijd extra Power Packs bij de hand hebt en let daarbij op het volgende:
- Bewaar de Power Packs niet in een koelkast of vriezer. Een hoge luchtvochtigheid en een lage temperatuur gaan ten koste van de levensduur van de Power Packs.
- Bewaar de Power Packs tot aan het gebruik altijd in de oorspronkelijke verpakking. Voorkom een vroegtijdige ontlading doordat er contact bestaat tussen de Power Packs onderling of met andere metalen voorwerpen (zoals munten, sleutels enzovoort).
- Voor gebruik in de insulinepomp moet de Power Pack een temperatuur tussen +5°C en +40°C hebben.
- Vervang de Power Pack alleen in een droge omgeving.
- Gebruik voor het los- en vastdraaien van de Power Pack uitsluitend het batterijgereedschap dat bij de Accu Check D-TRONplus-insulinepomp wordt geleverd(gebruik geen mes,muntstukje,schroevendraaier of andere scherpe voorwerpen).De Power Pack zit goed op zijn plaats als de sleuf parallel aan de patroonruimte loopt (bajonetsluiting). Draai de Power Pack niet te strak aan. Anders kunt u het batterijdeksel of de behuizing van de pomp beschadigen.
- Gooi de Power Pack weg als deze is gevallen.
!
- Gebruik uitsluitend originele Accu-Chek D-TRONplus Power Packs. Als u andere Power Packs gebruikt dan de Power Packs die worden meegeleverd of aanbevolen, is de levensduur van de batterij mogelijk aanzienlijk korter. Ook kan het gebruik van andere Power Packs leiden tot le ken en corrosie aan de contactpunten in de insulinepomp. Het is mogelijk dat de garantie komt te vervallen als u andere Power Packs gebruikt dan de Power Packs die worden meegeleverd of aanbevolen.
De levensduur van de Power Pack is afhankelijk van het gebruik van de insulinepomp, de toegediende hoeveelheden, de temperatuur en andere factoren. Een Power Pack gaat circa 6 tot 8 weken mee.
!
Let op: Vervang de Power Pack uitsluitend in een droge omgeving, controleer of de afdichting aanwezig is en niet versleten is en of de Power Pack goed geplaatst is. Zo voorkomt u dat er water in de behuizing van de pomp kan binnendringen. Draai het deksel van de Power Pack los of vast met het speciale batterijgereedschap geleverd met de Accu-Chek D-TRONplus-insulinepomp. (Gebruik geen muntstukjes,messen,schroevendraaiers of andere scherpe voorwerpen. Dit kan leiden tot beschadiging van de insulinepomp). Draai het deksel niet te vast. Anders kunt u het deksel van de Power Pack of de behuizing van de pomp beschadigen. De Power Pack is op de juiste wijze geplaatst wanneer de gleuf evenwijdig aan de patroonruimte staat.
Batterijgereedschap

Gebruik voor het plaatsen en vastdraaien van de Power Pack uitsluitend het batterijgereedschap. (Gebruik geen muntstukjes, schroevendraaiers of andere scherpe voorwerpen.) U kunt het gereedschap via de opening aan de bovenkant aan uw sleutelbos hangen.
Dit gereedschap mag ook worden gebruikt om de luer lock-aansluiting tussen de infusieset en de adapter los te draaien, als dat niet met de hand lukt. De inkeping van het batterijgereedschap past op de meeste luer lock-aansluitingen van infusiesets. Gebruik het batterijgereedschap uitsluitend bij het losdraaien. Gebruik het gereedschap nooit om de infusieset aan te sluiten.
Patroon
!
Let op: Gebruik alleen de voorgeschreven patronen. Het gebruik van andere patronen kan leiden tot een defect aan de insulinepomp en kan gevaar opleveren voor uw gezondheid. De garantie komt in dat geval te vervallen.

Houd er rekening mee dat de insulinepomp uitsluitend mag worden gebruikt met voorgevulde Humalog®*penpatronen met een inhoud van 3.0 ml en/of door de gebruiker te vullen glaspatronen met rubberen membraan met een inhoud van 3.0 ml. De garantie van de insulinepomp geldt niet voor gebruik met andere patronen.
U kunt de CombiFill als hulpmiddel gebruiken om een lege 3.0 ml glaspatroon te vullen met insuline uit een insulineflesje. Raadpleeg paragraaf 4.1 "Patroon vullen" voor meer informatie.
!
Let op: De insulinepomp is ontworpen voor gebruik met 3.0 ml glaspatronen. De patroon is een steriel product en is uitsluitend bestemd voor eenmalig gebruik. In een ongeopende verpakking zijn de producten gegarandeerd steriel tot de vermelde vervaldatum. Niet gebruiken als de verpakking of de patroon zelf beschadigd is. Materialen voor eenmalig gebruik mogen niet opnieuw worden gebruikt. Het hergebruik van materialen voor eenmalig gebruik kan leiden tot defecten aan de insulinepomp, alsmede tot een onjuiste toediening van de insuline en/of infecties. Pak het product alleen met schone handen vast.
Gebruik alleen de voorgeschreven patronen. Het gebruik van andere patronen kan leiden tot een defect aan de insulinepomp en kan gevaar opleveren voor uw gezondheid. De garantie kan in dat geval komen te vervallen.
Adapter
De adapter van de insulinepomp heeft verscheidene functies:

- Met behulp van de adapter kunt u de patroon en de infusieset op elkaar aansluiten. De ingebouwde naald van de adapter wordt door het rubberen membraan van de patroon gestoken, waardoor de insuline vrijkomt.
* Voorgevulde Humalog® penpatronen met een inhoud van 3.0 ml worden vervaardigd door Eli Lilly.
- In combinatie met de rubberen O-ring biedt de adapter een doel-treffende bescherming voor de patroonruimte van de insulin-pomp.
- De ingebouwde klep voorkomt ongecontroleerde lekkage uit de insulinepatroon in geval van druk- en hoogteverschil tussen de insulinepomp en de infusieplaats (hevelwerking).
!
Let op: De adapter mag slechts eenmaal worden gebruikt en moet ten minste bij elke nieuwe patroon worden vervangen. De adapter is een steriel product. In een ongeopende verpakking zijn de producten gegarandeerd steriel tot de vermelde vervaldatum.
Niet gebruiken als de verpakking beschadigd is. Nadat de adapter uit de verpakking genomen is, moet deze onmiddellijk worden gebruikt. Materialen voor eenmalig gebruik mogen niet opnieuw worden gebruikt. Het hergebruik van materialen voor eenmalig gebruik kan leiden tot defecten aan de insulinepomp, alsmede tot een onjuiste toediening van de insuline en/of tot infecties. Pak het product alleen met schone handen vast.
Gebruik uitsluitend adapters die speciaal gemaakt zijn voor Accu-Chek D-TRONplus-insulinepompen. Het gebruik van andere of beschadigde adapters kan gevaar opleveren voor uw gezondheid. De garantie komt in dat geval te vervallen.

De adapter kent drie standen: aanbrengen, vervangen en vastzetten
Aanbrengen
In deze stand brengt u de adapter aan in de insulinepomp. De markeringen op de pompbehuizing en de adapter wijzen in dezelfde richting.

In deze stand kunt u de infusieset of de Power Pack vervangen zonder de adapter te hoeven verwijderen.

Dit is de normale stand voor het toedienen van insuline:
- De insulinepomp, adapter en patroon zijn goed op elkaar aangesloten.
- De patroonhouder is afgedicht.
- Het luer lock-uiteinde van de infusieset wordt beschermd.

Let op: Gebruik voor het toedienen van insuline uitsluitend de stand voor vastzetten van de insulinepomp.

Let op: Als de insulinepomp valt of de adapter tegen een hard voorwerp aan slaat, kan de adapter beschadigd raken. Een beschadigde of versleten adapter kan het binnendringen van water in de patroonruimte en een onjuiste insulinetoediening tot gevolg hebben. Vervang de adapter onmiddellijk.
Infusiesets
De insulinepomp wordt via een infusieset op uw lichaam aangesloten. Infusiesets vormen dus een essentieel onderdeel van de pomptherapie.
De insuline uit de patroon van de insulinepomp wordt langs de adapter via de infusieset toegediend in het onderhuidse weefsel. De canule of naald wordt meestal in de buik of de heup geplaatst.
De Accu-Chek-infusiesets zijn PVC-vrij. Ze zijn gemaakt van huidvriendelijk materiaal dat geen reactie met de insuline aangaat. De slang infusieset heeft een kleine diameter, zodat de set snel en zuinig kan worden gevuld en het verlies aan insuline kan worden beperkt.
Normale slanglengte Volume U100 insulin
30 cm 7 eenheden
60 cm 10 eenheden
80 cm 13 eenheden
110 cm 18 eenheden

Waarschuwing: De insulinepomp is ontworpen voor gebruik met Accu-Chek-infusiesets. Andere infusiesets zijn mogelijk niet getest op compatibiliteit met de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp. Het gebruik van deze producten kan een gevaar voor uw gezondheid opleveren. Infusiesets zijn steriele producten die uitsluitend bestemd zijn voor eenmalig gebruik. In een ongeopende verpakking zijn de producten gegarandeerd steriel tot de vermelde vervaldatum. Niet gebruiken als de verpakking beschadigd is. Materialen voor eenmalig gebruik mogen niet opnieuw worden gebruikt. Het hergebruik van materialen voor eenmalig gebruik kan leiden tot een defect aan de insulinepomp, alsmede tot een onjuiste toediening van de insuline en/of tot infecties. Pak het product alleen met schone handen vast.
Draagsystemen en andere accessoires
Er bestaan speciale draagsystemen waarmee u de insulinepomp op of onder uw kleding kunt dragen. De juiste werking van de insulinepomp kan alleen worden gegarandeerd als u het apparaat samen met deze speciale accessoires gebruikt. Alle accessoires die gemaakt zijn voor de Accu-Chek D-TRONplus-insulinepompen zijn getest en goedgekeurd voor gebruik met de insulinepomp. Andere accessoires en wegwerpartikelen zijn mogelijk niet getest op compatibiliteit. Het gebruik ervan kan een gevaar voor uw gezondheid opleveren.
Raadpleeg voor meer informatie de productbrochure of neem contact op met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen.
In dit hoofdstuk worden de volgende onderwerpen behandeld:
3.1 Power Pack plaatsen en vervangen
3.1.1 Power Pack plaatsen
3.1.2 Power Pack vervangen
3.2 Tijd en datum controleren of instellen
3.3 Profielen voor de basale hoeveelheid instellen
3.3.1 Alle basale hoeveelheden per uur instellen
3.3.2 Een basale hoeveelheid per uur kopiëren
3.3.3 Geselecteerde basale hoeveelheden per uur wijzigen
3.4 Ingestelde basale hoeveelheden controleren
!
Let op: Er moet een arts en/of een medewerker van het zorgteam aanwezig zijn wanneer u de insulinepomp, steriele producten en accessoires voor de eerste keer gebruikt. Periodieke medische onderzoeken zijn vereist. Houd u altijd aan de instructies van uw arts en/of zorgteam en aan de gebruiksaanwijzing van de steriele producten en accessoires die u gebruikt.
Houd u altijd aan de instructies van uw arts en/of zorgteam en aan de gebruiksaanwijzing van de infusieset die u gebruikt. Zorg ervoor dat u altijd extra steriele producten en accessoires bij u draagt. U kunt dan te allen tijde een onderdeel vervangen. Materialen voor eenmalig gebruik (zoals patronen en infusiesets enzovoort) mogen niet opnieuw worden gebruikt. Anders ontstaat een vergroot risico op infecties, defecten en/of een onjuiste insulinetoediening.
!
Let op: Let altijd op de uitgangsstand van de insulinepomp (STOP of RUN).
De functies van de insulinepomp zijn alleen beschikbaar in de juiste uitgangsstand.
Zorg altijd dat de pomp zich in de juiste uitgangsstand bevindt; verander zo nodig dus van uitgangsstand.
Raadpleeg paragraaf 5.1 "Insulinetoediening starten en stoppen" voor meer informatie.
3.1 Power Pack plaatsen en vervangen
!
Let op: Vervang de Power Pack uitsluitend in een droge, schone omgeving, controleer of de afdichtingsring aanwezig is en niet versleten is en of de Power Pack goed is geplaatst. Zo voorkomt u dat er water en vuildeeltjes in de behuizing van de pomp kunnen binnendringen. Draai het deksel van de Power Pack los of vast met het speciale batterijgereedschap dat bij de Accu-Chek D-TRONplus-insulinepomp wordt geleverd. (Gebruik geen muntstukjes, messen, schroevendraaiers of andere scherpe voorwerpen. Dit kan leiden tot beschadiging van de insulinepomp). Draai het deksel niet te vast. Anders kunt u het deksel van de Power Pack of de behuizing van de pomp beschadigen. De Power Pack is op de juiste wijze geplaatst wanneer de gleuf evenwijdig aan de patroonruimte staat.
!
Let op: Controleer na het plaatsen van een nieuwe Power Pack altijd of de tijd en datum nog kloppen. Als u de insulinepomp onjuist instelt, wordt mogelijk een onjuiste hoeveelheid insuline toegediend. U moet eerst uw persoonlijke instellingen in de insulinepomp instellen voordat u start met de insulinepomp-therapie. Gebruik de insulinepomp niet als u uw persoonlijke instellingen niet kent. Als u twijfelt over uw persoonlijke instellingen of weinig ervaring met dit apparaat hebt, laat u de persoonlijke instellingen controleren door uw arts en/of zorgteam. Het tijdstip van de bolus, de toegediende hoeveelheid en het soort bolus kunt u het beste bepalen in overleg met uw arts en/of zorgteam. Zorg ervoor dat u weet welke insuline-/koolhydraatverhouding voor u geldt en welke bolus ter correctie moet worden toegediend.
De levensduur van de Power Pack is afhankelijk van het gebruik van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp, de toegediende hoeveelheden, de temperatuur en andere factoren. Een Power Pack gaat circa 6 tot 8 weken mee.
3.1.1 Power Pack plaatsen
Als er momenteel geen Power Pack in de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp zit, gaat u als volgt te werk:

- Neem de Power Pack uit de verpakking door deze door de kar- tonnen drager te drukken. Dit wordt vergemakkelijkt door de spe- ciaal hiervoor aangebrachte perforatie in het karton.

- Controleer of de opening van de Power Pack-houder en de afdichtingsring schoon zijn. Plaats de Power Pack in de Power Pack-houder in de insulinepomp. Als de Power Pack niet op zijn plaats valt, draait u deze linksom tot dit wel het geval is.

- De Power Pack-houder is voorzien van een bajonetsluiting. Daarom moet de Power Pack niet worden aangedraaid, maar lichtjes worden aangedrukt. Draai de sleuf in de Power Pack voorzichtig rechtsom in de juiste stand (circa1/8 draai). Draai de Power Pack niet te strak aan. De Power Pack zit goed op zijn plaats als de sleuf parallel aan de patroonruimte loopt.

Let op: Als u de Power Pack te strak aandraait, kan de bajonetsluiting beschadigd raken. De Power Pack zit goed op zijn plaats als de sleuf parallel aan de patroon-ruimte loopt.
Nadat de Power Pack is geplaatst, wordt de volgende opstartprocedure uitgevoerd:

- Op de display wordt de versie van de gebruikte software (versie 3.00) en 77. aangegeven. U hoort drie korte piepsignalen, gevolgd door twee korte piepsignalen.
- De display toont de interne Power Pack-test (1,2 of 3).De weergegeven cijfers hebben geen specifieke betekenis en geven geen aanleiding tot bepaalde maatregelen.
- Als de resterende patrooninhoud uit het geheugen verloren gaat, draait de aandrijfstang terug.
Vervolgens voert de insulinepomp de volgende zelftest uit:

- Op de display verschijnen alle segmenten. U hoort drie korte piepsignalen, gevolgd door twee korte piepsignalen en voelt één trilsignaal.

Let op: Neem contact op met de Accu-Chekklantenservice voor insulinepompen als de insulinepomp tijdens de zelftest niet drie korte piepsignalen, gevolgd door twee korte piepsignalen laat horen en/of eenmaal trilt.

- De cijfers in de drie cijfergroepen lopen van 0000 tot en met 9999. Controleer of de cijfers volledig worden weergegeven. De insulinepomp laat een melodie horen. Zo weet u dat de opstart-procedure is beëindigd.
- De insulinepomp keert terug naar de uitgangsstand STOP. Als u de insulinepomp in de STOP-stand laat staan, wordt om de minuut de STOP-waarschuwing gegeven.
| ! | Let op: Als de tekens, waarden of symbolen op de display niet volledig worden weergegeven, moet de insulinepomp worden teruggestuurd; anders wordt u mogelijk niet tijdig gewaarschuwd wanneer zich wijzigingen voordoen in de werking van de insulinepomp. Neem contact op met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen. |
| ! | Let op: De opstartprocedure mag niet worden onderbroken door op toetsen te drukken of door een patroon of adapter te plaatsen. Het onderbreken van de opstartprocedure kan een defect aan de insulinepomp tot gevolg hebben. |
| ! | Let op: Als de piep- en trilsignalen van de insulinepomp niet overeenkomstig de beschrijving optreden, of als bepaalde segmenten onvolledig of helemaal niet op de display worden weergegeven, moet het apparaat worden teruggestuurd; anders wordt u mogelijk niet tijdig gewaarschuwd wanneer zich wijzigingen voordoen in de werking van de insulinepomp. Neem contact op met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen. |
| i | Informatie: Als de Power Pack langer dan 1 uur uit de insulinepomp verwijderd is geweest, kan "Alarm A3: Instellen tijd/datum" optreden nadat de Power Pack is geplaatst. Stel de tijd en datum opnieuw in. De configuratie en instellingen van de insulinepomp (basale hoeveelheid, actief profiel, automatisch uit, enz.) en het geheugen waarin de gebeurtenissen worden opgeslagen (bolus-overzicht, overzicht van dagelijkse totalen, overzicht van alarmen en fouten), blijven bewaard,ongeacht de spanning van de Power Pack of hoe lang de Power Pack verwijderd was. |
3.1.2 Power Pack vervangen

-
Zorg ervoor dat de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp in de uitgangsstand STOP staat.
-
Verwijder de infusieset van de infusieplaats (of koppel de set los).

-
Zet de insulinepomp rechtop op een vlakke ondergrond en draai de adapter linksom in de stand voor vervangen.
-
Draai de Power Pack los door deze met behulp van het batterijgereedschap linksom te draaien.
-
Verwijder de Power Pack uit de insulinepomp.
-
Neem de nieuwe Power Pack uit de verpakking door deze door het karton te drukken.
-
Plaats de nieuwe Power Pack in de Power Pack-houder.
-
Draai de Power Pack voorzichtig rechtsom tot deze vastzit (circa 1/8 draai). Gebruik hiervoor uitsluitend het batterijgereedschap. Draai de Power Pack niet te strak aan.
Nadat de Power Pack is geplaatst, wordt de volgende opstartprocedure uitgevoerd:

- Op de display wordt de versie van de gebruikte software (versie 3.00) en 77 aangegeven. U hoort drie korte piepsignalen, gevolgd door twee korte piepsignalen.

- De display toont de interne Power Pack-test (1,2 of 3).De weergegeven cijfers hebben geen specifieke betekenis en geven geen aanleiding tot bepaalde maatregelen.

- Als de resterende patrooninhoud uit het geheugen verloren gaat, draait de aandrijfstang terug.
Vervolgens voert de insulinepomp de volgende zelftest uit:

- Op de display verschijnen alle segmenten. U hoort drie korte piepsignalen, gevolgd door twee korte piepsignalen en voelt één trilsignaal.

Let op: Neem contact op met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen als de insuline-pomp tijdens zelftest niet drie korte piepsignalen, gevolgd door twee korte piepsignalen laat horen en/of eenmaal trilt.

- De cijfers in de drie cijfergroepen lopen van 0000 tot en met 9999. Controleer of de cijfers volledig worden weergegeven. De insulinepomp laat een melodie horen. Zo weet u dat de opstart-procedure is beëindigd.

- De insulinepomp keert terug naar de uitgangsstand STOP. Als u de insulinepomp in de STOP-stand laat staan, wordt om de minuut de STOP-waarschuwing gegeven.

Let op: Als de tekens, waarden of symbolen op de display niet volledig worden weergegeven, moet de insulinepomp worden teruggestuurd; anders wordt u mogelijk niet tijdig gewaarschuwd wanneer zich wijzigingen voordoen in de werking van de insulinepomp. Neem contact op met de Accu-Chek-klanten-service voor insulinepompen.

Let op: De opstartprocedure mag niet worden onderbroken door op toetsen te drukken of door een patroon of adapter te plaatsen. Het onderbreken van de opstartprocedure kan een defect aan de insulinepomp tot gevolg hebben.

Let op: Als de piep- en trilsignalen van de insulinepomp niet overeenkomstig de beschrijving optreden, of als bepaalde segmenten onvolledig of helemaal niet op de display worden weergegeven, moet het apparaat worden teruggestuurd; anders wordt u mogelijk niet tijdig gewaarschuwd wanneer zich wijzigingen voordoen in de werking van de insulinepomp. Neem contact op met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen.

Informatie: Als de Power Pack langer dan 1 uur uit de insulinepomp verwijderd is geweest, kan "Alarm A3: Instellen tijd/datum" optreden nadat de Power Pack is geplaatst. Stel de tijd en datum opnieuw in. De configuratie en instellingen van de insulinepomp (basale hoeveelheid, actief profiel, automatisch uit enz.) en het geheugen waarin de gebeurtenissen worden opgeslagen (bolus-overzicht, overzicht van dagelijkse totalen, overzicht van alarmen en fouten), blijven bewaard, ongeacht de spanning van de Power Pack of hoe lang de Power Pack verwijderd was.

- Draai de adapter rechtsom in de stand voor vastzetten.

Let op: Draai de adapter niet verder dan de stand voor vastzetten. Anders kan de pompbehuizing beschadigd raken.

-
Activeer de RUN-stand van de insulinepomp (druk op ☐ en √).
-
Controleer de tijd en datum en de ingestelde basale hoeveelheid.
Raadpleeg paragraaf 3.2 "Tijd en datum controleren of instellen" en 3.4 "Ingestelde basale hoeveelheid controleren" voor meer informatie.
3.2 Tijd en datum controleren of instellen
!
Let op: Als de tijd en datum niet goed zijn ingesteld, wordt de insuline mogelijk onjuist toegediend. Zorg ervoor dat de tijd en datum goed zijn ingesteld. Alleen dan wordt de insuline op de juiste manier toegediend en zijn de gegevens in het geheugen betrouwbaar.
Als uw therapiegegevens door uzelf, uw arts en/of zorgteam elektronisch worden geëvalueerd, is het belangrijk dat de tijd en datum van de insulinepomp exact overeenkomen met die van uw bloedglucosemeter (zoals een Accu-Chek), de computer en andere apparaten die bij de analyse worden gebruikt. Anders kloppen de verzamelde gegevens mogelijk niet. Controleer regelmatig of de insulinepomp met dezelfde tijd en datum werkt als de bloedglucosemeter, de computer en andere gebruikte apparaten.
i
Informatie: Alleen in de RUN-stand kunt u de tijd en datum van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp controleren of instellen. Controleer of zich in de patroonruimte een patroon bevindt, of er een adapter is aangesloten die zich in de stand voor vastzetten bevindt en of de aandrijfstang naar de zuiger toe is gebracht. Anders treedt "Alarm A4: Alarm patroon/adapter" op.
Tijd en datum
Voor de tijd en datum kunnen de volgende notaties worden ingesteld:
- Amerikaans: 12-uurs klok (AM/PM), mm/dd/jjjj (VS), bijv. 04.26.2004 of
• Europees: 24-uurs klok (00:00-23:59), dd/mm/jjjj (EU), bijv. 26.04.2004
| 12-uursklok 24-uursklok | |
| 12:00 AM 00:00 | |
| 1:00 AM 01:00 | |
| 2:00 AM 02:00 | |
| 3:00 AM 03:00 | |
| 4:00 AM 04:00 | |
| 5:00 AM 05:00 | |
| 6:00 AM 06:00 | |
| 7:00 AM 07:00 | |
| 8:00 AM 08:00 | |
| 9:00 AM 09:00 | |
| 10:00 AM 10:00 | |
| 11:00 AM 11:00 |
| 12-uursklok 24-uursklok | |
| 12:00 PM 12:00 | |
| 1:00 PM 13:00 | |
| 2:00 PM 14:00 | |
| 3:00 PM 15:00 | |
| 4:00 PM 16:00 | |
| 5:00 PM 17:00 | |
| 6:00 PM 18:00 | |
| 7:00 PM 19:00 | |
| 8:00 PM 20:00 | |
| 9:00 PM 21:00 | |
| 10:00 PM 22:00 | |
| 11:00 PM 23:00 | |
Voorbeeld: Als het nu 1:39 PM is, is het op de 24-uursklok 13:39.
Tijd en datum controleren

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Selecteer het SETUP menu door 9 maal op d te drukken.

- Bevestig met √. De tijd en datum worden weergegeven.

- U kunt op twee verschillende manieren teruggaan naar de uitgangsstand RUN:

- Druk op Ⓞ tot u op de display "End" ziet staan. Bevestig met ⚙. U keert terug naar de uitgangsstand RUN.
- Als u niet binnen 20 seconden* op een toets drukt, keert u automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out).
Tijd en datum instellen

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Selecteer het SETUP menu door 9 maal op 📋 te drukken.

- Bevestig met √.

-
Door nogmaals op √ te drukken gaat u naar de tijd- en datum-functie. Het aangegeven uur knippert.
-
Druk op/scroll met ⬆ of ⬇ om het uur in te stellen.

-
Druk op Ⓞ om naar de minuten te gaan. De aangegeven minuten knipperen.
-
Druk op/scroll met ^∧ of ⭕ om de minuten in te stellen.
* Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp en de wijzigingen die zijn aangebracht met behulp van het Accu-Chek DiaLog-program- meerhulpmiddel voor de insulinepomp.

- Druk op ^① om naar de tijdnotatie te gaan. De aangegeven tijdnotatie knippert.
- Druk op ⬆ of ∨ om de tijdnotatie in te stellen. (12- of 24-uursnotatie).

- Druk op Ⓞ om naar het jaar te gaan. Het aangegeven jaar knippert.
- Druk op/scroll met Ⓗ of ⬆ om het jaar in te stellen.

- Druk op ☐ om naar de maand te gaan. De aangegeven maand knippert.
- Druk op/scroll met ⬆ of √ om de maand in te stellen.

- Druk op Ⓞ om naar de dag te gaan. De aangegeven dag knippert.
- Druk op/scroll met Ⓗ of ⬇ om de dag in te stellen.

- Druk op 📋 om naar de datumnotatie te gaan. De aangegeven datumnotatie knippert.
- Druk op ⬆ of √ om de datumnotatie in te stellen.
- Bevestig de wijzigingen door op √ te drukken.
- De klok begint te lopen en u keert terug naar de uitgangsstand RUN.

Informatie: Als u niet binnen 90 seconden op✅ drukt, keert de insulinepomp automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out).
De zojuist aangebrachte wijzigingen worden dan niet opgeslagen.

Let op: Controleer na het instellen van de tijd en datum altijd de tijd in de uitgangsstand RUN.
3.3 Profielen voor de basale hoeveelheid instellen

Waarschuwing: Als u de insulinepomp onjuist instelt, wordt mogelijk een onjuiste hoeveelheid insuline toegediend. U moet eerst uw persoonlijke instellingen in de insulinepomp instellen voordat u start met de insulinepomptherapie. Gebruik de insulinepomp niet als u uw persoonlijke instellingen niet kent. Als u twijfelt over uw persoonlijke instellingen of weinig ervaring met dit apparaat hebt, laat u de persoonlijke instellingen controleren door uw arts en/of zorgteam. Het tijdstip van de bolus, de toegediende hoeveelheid en het soort bolus kunt u het beste bepalen in overleg met uw arts en/of zorgteam. Zorg ervoor dat u weet welke insuline-/koolhydraatverhouding voor u geldt en welke bolus ter correctie moet worden toegediend.

Informatie: De insulinetoediening wordt niet onderbroken wanneer u het profiel van de basale hoeveelheid instelt.
De insulinepomp zorgt ervoor dat u 24 uur per dag om de drie minuten een nieuwe dosis krijgt toegediend. U krijgt dus 20 gelijke doses per uur. Deze insulinestroom is de basale hoeveelheid, die wordt uitgedrukt in internationale eenheden per uur. De basishoeveelheid moet worden berekend om uw basisbehoefte aan insuline te bepalen. Het profiel van de basale hoeveelheid van de insulinepomp bestaat uit 24 afzonderlijke basale hoeveelheden per uur.
Voor elk uur van de dag is er een apart display-scherm waarop de basale hoeveelheid wordt ingesteld.
De insulinepomp biedt u de mogelijkheid twee verschillende profielen voor de basale hoeveelheid in te stellen (A en B). Raadpleeg altijd uw arts of zorgteam voordat u de basale hoeveelheid wijzigt.
U dient het instellen van een tweede profiel voor de basale hoeveelheid met uw arts of zorgteam te bespreken. Als u en uw arts besluiten dat een tweede profiel voor de basale hoeveelheid niet noodzakelijk is, dient u voor profiel A en B dezelfde basale hoeveelheid per uur in te stellen.
De twee profielen voor de basale hoeveelheid worden op dezelfde manier ingesteld.

Informatie: De insulinewaarden en andere parameters in deze handleiding zijn voorbeelden. Deze kunnen afwijken van uw persoonlijke parameters.
3.3.1 Alle basale hoeveelheden per uur instellen
U stelt het profiel voor de basale hoeveelheid in door voor elk uur van de dag afzonderlijk de basale hoeveelheid per uur in te stellen.
Alle basale hoeveelheden per uur instellen

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.
- Kies profiel A of B door 4 of 5 maal op 📋 te drukken. De totale dagelijkse basale hoeveelheid voor 24 uur wordt weer- gegeven. (In dit voorbeeld bedraagt de totale dagelijkse basale hoeveelheid 18 eenheden.)

-
Bevestig met ⚙. Het eerste uur wordt weergegeven; dit begint altijd om middernacht (00:00-01:00). De aangegeven basale hoeveelheid knippert. U kunt deze nu in stappen van 0.1 eenheid instellen.
-
Druk op/scroll met ⬤ of ⬤ om de basale hoeveelheid die door uw arts of zorgteam is voorgeschreven, in te stellen. (In dit voorbeeld wordt voor het eerste uur een basale hoeveelheid van 0.4 U/h ingesteld.)

- Druk op ☑ om naar het volgende uur te gaan.
- Druk op/scroll met ⬆ of ⬇ om de basale hoeveelheid voor het geselecteerde uur in te stellen.

- Herhaal stap 5 en 6 om de basale hoeveelheid voor de volgende uren in te stellen. Zo kunt u uw persoonlijke basale insulinprofiel voor elk uur instellen. Herhaal de procedure totdat u alle 24 uur hebt ingesteld.

- Bevestig de wijzigingen met √. De zojuist aangebrachte wijzigingen zijn gemarkeerd als opgeslagen, maar zijn nog niet daadwerkelijk opgeslagen. De nieuwe totale dagelijkse basale hoeveelheid wordt weergegeven. (In dit voorbeeld bedraagt de nieuwe totale dagelijkse basale hoeveelheid 20.0 eenheden.)

- Controleer de nieuwe totale dagelijkse basale hoeveelheid en bevestig deze binnen 20 seconden* met √. De zojuist aangebrachte wijzigingen worden opgeslagen. Even daarna zijn de ingestelde wijzigingen opgeslagen en keert u terug naar de uitgangsstand RUN. De huidige basale hoeveelheid wordt weergegeven.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden* op✅drukt, keert de insulinepomp automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out).
De zojuist aangebrachte wijzigingen worden dan niet opgeslagen.
* Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp en de wijzigingen die zijn aangebracht met behulp van het Accu-Chek DiaLog program- meerhulpmiddel voor de insulinepomp.
Als u niet alle stappen voor het instellen van de basale hoeveelheid wilt doorlopen, kunt u het instellen van de basale hoeveelheid te allen tijde als volgt afsluiten:

- Bevestig de wijzigingen met √. De zojuist aangebrachte wijzigingen zijn gemarkeerd als opgeslagen, maar zijn nog niet daadwerkelijk opgeslagen.
De nieuwe totale dagelijkse basale hoeveelheid wordt weergegeven.

- Controleer de nieuwe totale dagelijkse basale hoeveelheid en bevestig deze binnen 20 seconden* met √. De zojuist aange-brachte wijzigingen worden opgeslagen.
Even daarna zijn de ingestelde wijzigingen opgeslagen en keert u terug naar de uitgangsstand RUN. De huidige basale hoeveelheid wordt weergegeven.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden* op✅ drukt, keert de insulinepomp automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out).
De zojuist aangebrachte wijzigingen worden dan niet opgeslagen.
3.3.2 Een basale hoeveelheid per uur kopiëren
U kunt de basale hoeveelheid van het ene uur kopieren naar andere uren.
Basale hoeveelheid per uur kopiëren

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.
* Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp en de wijzigingen die zijn aangebracht met behulp van het Accu-Chek DiaLog-program- meerhulpmiddel voor de insulinepomp.

- Kies profiel A of B door 4 of 5 maal op 📋 te drukken. De totale dagelijkse basale hoeveelheid wordt weergegeven. (In dit voorbeeld bedraagt de totale dagelijkse basale hoeveelheid 18 eenheden.)

- Bevestig met ⚙. Het eerste uur wordt weergegeven; dit begint altijd om midden- nacht (00:00–01:00).

- Druk op Ⓞ om naar de basale hoeveelheid per uur te gaan die u wilt kopieren.

-
Druk tegelijk op ▼ en 📋:
-
De basale snelheid per uur van het ene uur wordt naar het volgende uur gekopieerd.
- Druk nogmaals tegelijk op √ en Ⓞ om deze basale snelheid per uur naar de volgende uren te kopieren. Controleer of alle 24 basale hoeveelheden per uur zijn ingesteld.

- Bevestig de wijzigingen met √. De zojuist aangebrachte wijzigingen zijn gemarkeerd als opgeslagen, maar zijn nog niet daadwerkelijk opgeslagen.
De nieuwe totale dagelijkse basale hoeveelheid wordt weergegeven. (In dit voorbeeld bedraagt de nieuwe totale dagelijkse basale hoeveelheid 20.0 eenheden.)

- Controleer de nieuwe totale dagelijkse basale hoeveelheid en bevestig deze binnen 20* seconden met √. De zojuist aange-brachte wijzigingen worden opgeslagen.
Even daarna zijn de ingestelde wijzigingen opgeslagen en keert u terug naar de uitgangsstand RUN. De huidige basale hoeveelheid wordt weergegeven.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden* op✅ drukt, keert de insulinepomp automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out). De zojuist aangebrachte wijzigingen worden dan niet opgeslagen.
3.3.3 Geselecteerde basale hoeveelheden per uur wijzigen
Een basale hoeveelheid per uur kan worden gewijzigd zonder dat dit invloed heeft op de overige basale hoeveelheden per uur.
Geselecteerde basale hoeveelheden per uur wijzigen

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Kies profiel A of B door 4 of 5 maal op 📋 te drukken. De totale dagelijkse basale hoeveelheid wordt weergegeven. (In dit voorbeeld bedraagt de totale dagelijkse basale hoeveel- heid 18.0 eenheden.)

- Bevestig met √. Het eerste uur wordt weergegeven; dit begint altijd om middernacht (00:00–01:00). De aangegeven basale hoeveelheid knippert. U kunt deze nu in stappen van 0.1 eenheid instellen.

-
Druk meerdere keren op Ⓞ om naar de basale hoeveelheid per uur te gaan die u wilt wijzigen.
-
Wijzig de geselecteerde basale hoeveelheid per uur met Ⓗ of √.
- Herhaal zo nodig stap 4 en 5.

- Bevestig de wijzigingen met √. De zojuist aangebrachte wijzigingen zijn gemarkeerd als opgeslagen, maar zijn nog niet daadwerkelijk opgeslagen. De nieuwe totale dagelijkse basale hoeveelheid wordt weergegeven. (In dit voorbeeld bedraagt de nieuwe totale dagelijkse basale hoeveelheid 20.0 eenheden.)

- Controleer de nieuwe totale dagelijkse basale hoeveelheid en bevestig deze binnen 20 seconden* met √. De zojuist aange-brachte wijzigingen worden opgeslagen.
Even daarna zijn de ingestelde wijzigingen opgeslagen en keert u terug naar de uitgangsstand RUN. De huidige basale hoeveelheid wordt weergegeven.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden* op✅drukt, keert de insulinepomp automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out).
De zojuist aangebrachte wijzigingen worden dan niet opgeslagen.
3.4 Ingestelde basale hoeveelheden controleren
De basale hoeveelheden moeten worden gecontroleerd:
- na wijziging van de ingestelde waarden (met behulp van het Accu-Chek DiaLog-programmeerhulpmiddel voor de insulinepomp),
• na plaatsing van een Power Pack, - na bevestiging van "Fout E7: Elektronische fout".
Ingestelde basale hoeveelheden controleren

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.
* Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp en de wijzigingen die zijn aangebracht met behulp van het Accu-Chek DiaLog-program- meerhulpmiddel voor de insulinepomp.

- Kies profiel A of B door 4 of 5 maal op ☑ te drukken. De totale dagelijkse basale hoeveelheid wordt weergegeven. (In dit voorbeeld bedraagt de totale dagelijkse basale hoeveel- heid 18.0 eenheden.)

- Bevestig met √.

- Druk herhaaldelijk op Ⓞ om de afzonderlijke basale hoeveelheden per uur weer te geven. De basale hoeveelheid voor elk afzonderlijk uur wordt weergegeven in U/h (eenheden per uur).
U kunt op twee verschillende manieren teruggaan naar de uitgangsstand RUN:
Manier A

- Druk eenmaal op☑. De totale dagelijkse basale hoeveelheid wordt weergegeven.

- Controleer de totale dagelijkse basale hoeveelheid en bevestig deze binnen 20 seconden* met☑. Even daarna zijn de ingestelde basale hoeveelheden opgeslagen en keert u terug naar de uitgangsstand RUN.
Manier B

Wacht 20 seconden*; de insulinepomp keert automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out).
... aansluiten
In dit hoofdstuk worden de volgende onderwerpen behandeld:
4.1 Patroon vullen
4.1.1 3.15 ml kunststofampul voorbereiden (stap 1t/m 6)
4.1.2 3.15 ml kunststofampul vullen (stap 7 t/m 15)
4.1.3 Accu-Chek D-TRONplus 3.0 ml glaspatroon vullen (stap 16 t/m 24)
4.1.4 Ampul en glaspatroon uit de CombiFill verwijderen (stap 25 t/m 28)
4.2 Aandrijfstang terugdraaien
4.3 Patroon aanbrengen
4.4 Adapter en infusieset aansluiten
4.5 Infusieset vullen
4.6 Infusieplaats kiezen en voorbereiden
!
Let op: Gebruik de insulinepomp uitsluitend voor de toediening van kortwerkende insuline of snelwerkende insuline-analoog in een concentratie van U100 zoals voorgeschreven door uw arts en/of zorgteam. De toediening van andere medicatie kan leiden tot een defect aan de insulinepomp en kan gevaar opleveren voor uw gezondheid.
!
Let op: De insulinepomp is ontworpen voor gebruik met glaspatronen met een inhoud van 3.0 ml.
De Accu-Chek D-TRONplus 3.0 ml glaspatroon, 3.15 ml kunststofampul en opzuignaald zijn steriele producten die uitsluitend bestemd zijn voor eenmalig gebruik. In een ongeopende verpakking zijn de producten gegarandeerd steriel tot de vermelde vervaldatum. Niet gebruiken als de verpakking beschadigd is. Materialen voor eenmalig gebruik mogen niet opnieuw worden gebruikt. Het hergebruik van materialen voor eenmalig gebruik kan leiden tot defecten aan de insulinepomp, alsmede tot een onjuiste toediening van de insuline en/of tot infecties. Pak het product alleen met schone handen vast.
!
Let op: Gebruik alleen de voorgeschreven patronen. Het gebruik van andere patronen kan leiden tot een defect aan de insulinepomp en kan gevaar opleveren voor uw gezondheid. De garantie komt in dat geval te vervallen.
Houd er rekening mee dat de insulinepomp uitsluitend mag worden gebruikt met voorgevulde Humalog®* penpatronen met een inhoud van 3.0 ml en/of door de gebruiker te vullen glaspatronen met rubberen membraan met een inhoud van 3.0 ml. De garantie van de insulinepomp geldt niet voor gebruik met andere patronen.
U kunt de CombiFill-hulpmiddel voor het vullen gebruiken om een lege 3.0 ml glaspatroon te vullen met insuline uit een insulineflesje.
Raadpleeg paragraaf 4.1 "Patroon vullen" voor meer informatie.
4.1 Patroon vullen

Let op: Luchtbellen in de patroon, adapter of infusieset leiden tot de infusie van lucht in plaats van insuline. Uw lichaam krijgt dan niet de juiste hoeveelheid insuline toegediend. "Fout E4: Verstopping" kan vertraagd worden weergegeven.
Verwijder deze bellen tijdens het vullen van de patroon en/of de infusieset. Doe dit alleen als de infusieset niet op uw lichaam is aangesloten. Bij de opwarming van koude insuline komt mogelijk lucht vrij. Zorg dat de insuline op kamertemperatuur is als u de patroon of de infusieset vult.
Overdag moet u de patroon, adapter en infusieset elke drie uur controleren op luchtbellen en ook voor het slapengaan voert u een controle uit. Verwijder de luchtbellen en vervang indien nodig de systeemonderdelen.
Een vulset voor patronen bestaat uit de volgende onderdelen:

- 3.15 ml kunststofampul met afsluitdopje en zuigerstang.
* Voorgevulde Humalog® penpatronen met een inhoud van 3.0 ml worden vervaardigd door Eli Lilly.

- Opzuignaald met beschermkapje
- CombiFill basis
- CombiFill verlengstuk
- Accu-Chek D-TRONplus 3.0 ml glaspatroon
- Gebruiksaanwijzing
De insulinepomp kan worden gebruikt met Accu-Chek D-TRONplus 3.0 ml glaspatronen. Wilt u een Accu-Chek D-TRONplus 3.0 ml glaspatroon vullen, dan dient u eerst een 3.15 ml kunststofampul te vullen en vervolgens de insuline van de kunststofampul in de glaspatroon te spuiten. Hieronder volgen stapsgewijs de instructies voor het vullen van een patroon. Raadpleeg altijd de gebruiksinstructies die bij de vulset voor patronen geleverd zijn.
4.1.1 3.15 ml kunststofampul voorbereiden (stap 1 t/m 6)

-
Zorg ervoor dat u het volgende materiaal bij de hand hebt:
-
Nieuwe 3.15 ml kunststofampul met afsluitdopje en zuigerstang
- Nieuwe opzuignaald met beschermkapje
• Nieuwe 3.0 ml glaspatroon - CombiFill basis en verlengstuk
-
Insuline op kamertemperatuur zodat de vorming van lucht-bellen tot een minimum beperkt blijft.
-
Was uw handen
- Neem de kunststofampul, de zuigerstang, het afsluitdopje en de opzuignaald uit de blisterverpakking.

Let op: Zorg ervoor dat u het open uiteinde van de opzuignaald of de punt van de kunststofampul niet aanraakt; dit kan uw gezondheid schaden.

- Plaats de opzuignaald met beschermkapje op de punt van de kunststofampul en controleer of de aansluiting stevig is.
- Plaats de kunststofampul met de opzuignaald in de CombiFill basis.
De onderkant van de ampul moet gelijk liggen met de onderkant van de CombiFill basis. Duw de patroon stevig aan totdat deze vastklikt.
- Beweeg de zuigerstang tweemaal heen en weer in de ampul om het glijmiddel te verdelen.
Trek de zuigerstang terug om de ampul met lucht te vullen.
4.1.2 3.15 ml kunststofampul vullen (stap 7 t/m 15)
Beweeg bij het vullen van de kunststofampul de zuigerstang langzaam en gelijkmatig. Beweeg de zuigerstang niet in zijwaartse richting; hierdoor kan de afdichting tussen de zuiger en de binnenzijde van de kunststofampul breken.

-
Zet het flesje insuline op een harde ondergrond, zoals een tafel.
-
Reinig het rubberen membraan van het flesje met een alcoholdoekje.
-
Haal het beschermkapje van de naald. Zorg dat er niets in aanraking komt met de naald.
-
Druk de fleshouder van de CombiFill basis op de bovenkant van het insulineflesje. Controleer of de opzuignaald door het rubberen membraan van het insulineflesje steekt.
11
- Duw de zuigerstang omlaag zodat alle lucht uit de kunststof-ampul in het flesje wordt gebracht.
- Houd de zuigerstang met uw duim omlaag gedrukt en draai de CombiFill om, zodat de opzuignaald en kunststofampul omhoog wijzen in de richting van het insulineflesje.
Laat de zuigerstang langzaam los zodat de insuline in de kunststofampul kan stromen.
Trek niet aan de zuigerstang zolang deze in beweging is. Anders ontstaan er luchtbellen. - Door met uw vinger tegen de kunststofampul te tikken laat u eventuele luchtbellen verdwijnen.
- Trek de zuigerstang langzaam helemaal omlaag om de kunststofampul volledig te vullen.
Beweeg de zuigerstang niet in zijwaartse richting.
De kunststofampul is vol als er geen luchtbellen meer aanwezig zijn en de bovenkant van de zuiger zich op hetzelfde niveau bevindt als de 3.15 ml merklijn van de kunststofampul. Door de aanwezigheid van de CombiFill kan de zuiger niet uit de ampul worden getrokken. - Verwijder het insulineflesje uit de fleshouder van de CombiFill basis.
4.1.3 3.0 ml glaspatroon van de insulinepomp vullen (stap 16 t/m 24)

-
Reinig vóór het vullen het rubberen membraan van de nieuwe, lege glaspatroon met een alcoholdoekje.
-
Klik de glaspatroon vast in het CombiFill verlengstuk zoals zichtbaar is in de illustratie hiernaast.
Controleer of de zuiger zich in de juiste stand bevindt (zie figuur).
- Zet het CombiFill verlengstuk met de glaspatroon op een harde ondergrond, zoals een tafel.

- Druk de fleshouder van de CombiFill basis op de bovenkant van het CombiFill verlengstuk, zodat de opzuignaald door het midden van het rubberen membraan van de glaspatroon steekt. Het rubberen membraan van de glaspatroon mag niet vaker dan driemaal worden aangeprikt.
Als in plaats van het midden van het rubberen membraan de aluminium rand van de glaspatroon wordt aangeprikt, mogen de glaspatroon en de opzuignaald niet worden gebruikt. Anders kan er insuline lekken.
-
Controleer of de fleshouder van de CombiFill basis stevig vastzit op het CombiFill verlengstuk.
-
Controleer of de opzuignaald door het rubberen membraan van de glaspatroon steekt.
-
Duw de zuigerstang even langzaam omlaag. Daarna laat u de zuigerstang los, zodat deze terug kan glijden.
Deze langzame pompbeweging maakt het mogelijk de insuline van de kunststofampul in de glaspatroon te injecteren.
- Herhaal het pompen tot de glaspatroon gevuld is met insuline en vrij is van luchtbellen.
- Laat de zuigerstang van de kunststofampul terugglijden zo ver als de CombiFill basis toelaat. Zo wordt de druk geregeld en wordt voorkomen dat er onge-controleerd insuline uit de glaspatroon lekt.
4.1.4 Ampul en glaspatroon uit de CombiFill verwijderen (stap 25 t/m 28)

- Scheid het CombiFill verlengstuk met de glaspatroon van de CombiFill basis met de kunststofampul.
- Plaats het beschermkapje terug op de opzuignaald.
- Verwijder de lege kunststofampul uit de CombiFill basis en gooi de ampul en de opzuignaald overeenkomstig de voorschriften weg.
- Verwijder de glaspatroon uit het CombiFill verlengstuk. De volle glaspatroon kan nu in de insulinepomp worden geplaatst of worden bewaard voor later gebruik, op de door uw arts of zorgteam aanbevolen manier.

Informatie: Bewaar de CombiFill basis en het ver- lengstuk voor later gebruik.
4.2 Aandrijfstang terugdraaien
De aandrijfstang moet worden teruggedraaid om een nieuwe patroon te kunnen aanbrengen. Nadat u de aandrijfstang hebt teruggedraaid, voert de insulinepomp een zelftest uit.
Aandrijfstang terugdraaien

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand STOP bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Verwijder zo nodig de oude patroon.

- Druk tweemaal op Ⓞ om de functie voor het terugdraaien van de aandrijfstang te selecteren.

- Bevestig met √. Het symbool voor het terugdraaien van de aandrijfstang knippert.

Informatie: Als u deze functie onbedoeld hebt geactiveerd, drukt u eenmaal op ☑ of wacht u 20 seconden* om de functie af te sluiten en de insulinepomp te doen terugkeren naar de uitgangsstand STOP.

- Druk gedurende 3 seconden op ⚙, tot u een melodie hoort en de aandrijfstang terug begint te draaien.

Let op: Mocht de aandrijfstang niet volledig terugdraaien, neem dan contact op met de Accu-Chekklantenservice voor insulinepompen.
Wanneer de aandrijfstang volledig is teruggedraaid, voert de insulinepomp een zelftest uit:

- Op de display verschijnen alle segmenten.U hoort drie korte piepsignalen, gevolgd door twee korte piepsignalen en voelt één trilsignaal.

Let op: Neem contact op met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen als de insulinepomp tijdens de zelftest niet drie korte piepsignalen, gevolgd door twee korte piepsignalen laat horen en/of eenmaal trilt.

- De cijfers in de drie cijfergroepen lopen van 0000 tot en met 9999. Controleer of de cijfers volledig worden weergegeven. De insulinepomp laat een melodie horen. Zo weet u dat de opstart-procedure is beëindigd.

- De insulinepomp keert terug naar de uitgangsstand STOP en laat een melodie horen. Als u de insulinepomp in de STOP-stand laat staan, wordt om de minuut de STOP-waarschuwing gegeven.

Let op: Als de tekens, waarden of symbolen op de display niet volledig worden weergegeven, moet de insulinepomp worden teruggestuurd; anders wordt u mogelijk niet tijdig gewaarschuwd wanneer zich wijzigingen voordoen in de werking van de insulinepomp. Neem contact op met de Accu-Chek-klanten-service voor insulinepompen.

Let op: De zelftest mag niet worden onderbroken door op toetsen te drukken of door een patroon of adapter te plaatsen. Het onderbreken van de zelftest kan een defect aan de insulinepomp tot gevolg hebben.

Let op: Als de piep- en trilsignalen van de insulinepomp niet overeenkomstig de beschrijving optreden, of als bepaalde segmenten onvolledig of helemaal niet op de display worden weergegeven, moet het apparaat worden teruggestuurd; anders wordt u mogelijk niet tijdig gewaarschuwd wanneer zich wijzigingen voordoen in de werking van de insulinepomp. Neem contact op met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen.
4.3 Patroon aanbrengen

Let op: Draai altijd de aandrijfstang terug en controleer of deze volledig is teruggedraaid voordat u een patroon aanbrengt. Breng de patroon uitsluitend aan in een schone omgeving en controleer altijd of de patroonhouder vrij is van vuildeeltjes. Zo voorkomt u dat deze deeltjes in de patroonhouder kunnen binnendringen.
Patroon aanbrengen

- Zorg ervoor dat de insulinepomp in de uitgangsstand STOP staat.

- Houd de insulinepomp rechtop of zet deze rechtop op een horizontale, vlakke ondergrond, bijvoorbeeld een tafel.

- Plaats de patroon in de patroonruimte. Zorg ervoor dat het rubberen membraan naar boven wijst.
4.4 Adapter en infusieset aansluiten
Het insulinepompsysteem is pas compleet wanneer de adapter en infusieset op elkaar zijn aangesloten en vervolgens op de insulinepomp en patroon zijn aangesloten. Tijdens het aansluiten dient de insulinepomp rechtop te staan.
Adapter en infusieset aansluiten

- Zorg ervoor dat de insulinepomp zich in de uitgangsstand STOP bevindt en er een patroon is aangebracht.
- Neem voorzichtig een nieuwe adapter en infusieset uit hun respectievelijke verpakkingen.

Waarschuwing: De insulinepomp is ontworpen voor gebruik met uitsluitend Accu-Chek-infusiesets. Het gebruik van andere infusiesets kan een gevaar voor uw gezondheid opleveren en ertoe leiden dat de garantie niet meer geldig is. Infusiesets zijn steriele producten die uitsluitend bestemd zijn voor eenmalig gebruik. In een ongeopende verpakking zijn de producten gega-randeerd steriel tot de vermelde vervaldatum. Gebruik het steriele product niet als de verpakking beschadigd is.
Materialen voor eenmalig gebruik mogen niet opnieuw worden gebruikt. Het hergebruik van materialen voor eenmalig gebruik kan leiden tot defecten aan de insulinepomp, alsmede tot een onjuiste toediening van de insuline en/of infecties. Pak het product alleen met schone handen vast.

- Verwijder het beschermkapje van de luer-aansluiting op de adapter en de infusieset.

- Draai de infusieset met de hand rechtsom in de adapter.

Let op: Draai de infusieset stevig op de adapter vast. Anders kan er insuline lekken. Draai de luer-aansluiting van de infusieset niet verder aan dan mogelijk is. Gebruik in geen geval gereedschap. Als u de luer-aansluiting te ver aandraait, kunnen er scheurtjes ontstaan waardoor er insuline kan lekken.
De insulinepomp is niet in staat een lek in de infusieset te detecteren. Om die reden moet u overdag alle onderdelen van de infusieset elke drie uur controleren en ook voor het slapengaan een controle uitvoeren. Als u insulineverlies constateert terwijl alle onderdelen goed vastzitten, moet u het lekkende onderdeel onmiddellijk vervangen. U moet uw bloedsuikerspiegel onmiddellijk meten, omdat de toediening van insuline mogelijk is onderbroken. Controleer uw bloedsuikerspiegel en neem gepaste maatregelen overeenkomstig de instructies van uw arts en/of zorgteam.

- Plaats de adapter met de daarop aangesloten infusieset in de stand voor aanbrengen voorzichtig in de patroonhouder van de insulinepomp.

Let op: De adapter mag uitsluitend in de stand voor aanbrengen worden aangebracht. Draai de adapter zo nodig heen en weer tot deze op zijn plaats valt.

Let op: Plaats altijd een patroon in de patroonhouder voordat u een adapter aansluit. Anders treedt "Alarm A4: Alarm patroon/adapter" op.
De metalen naald van de adapter wordt door het rubberen membraan van de patroon gestoken, waardoor de insuline vrijkomt.

- Draai de adapter langzaam rechtsom in de stand voor vastzetten.
4.5 Infusieset vullen

Waarschuwing: Het vervangen van de patroon en het vullen van de infusieset mag nooit gebeuren wanneer de infusieset is aangesloten op uw lichaam.
Anders loopt u het risico dat de insuline ongecontroleerd wordt toegediend. Als u een loskoppelbare infusieset hebt, moet u deze eerst loskoppelen voordat u de patroon vervangt of de infusieset vult.
Volg altijd de gebruiksaanwijzing van de infusieset die u gebruikt.
!
Let op: Luchtbellen in de patroon, adapter of infusieset leiden tot de infusie van lucht in plaats van insuline. Uw lichaam krijgt dan niet de juiste hoeveelheid insuline toegediend. "Fout E4: Verstopping" kan vertraagd worden weergegeven.
Verwijder deze bellen tijdens het vullen van de patroon en/of de infusieset. Doe dit alleen als de infusieset niet op uw lichaam is aangesloten.
Bij de opwarming van koude insuline komt mogelijk lucht vrij. Zorg dat de insuline op kamertemperatuur is als u de patroon of de infusieset vult.
Overdag moet u de patroon, adapter en infusieset elke drie uur controleren op luchtbellen en ook voor het slapengaan moet u een controle uitvoeren. Verwijder de luchtbellen en vervang indien nodig de systeemonderdelen.

Waarschuwing: De insulinepomp is ontworpen voor gebruik met uitsluitend Accu-Chek-infusiesets. Het gebruik van andere infusiesets kan een gevaar voor uw gezondheid opleveren en ertoe leiden dat de garantie niet meer geldig is. Infusiesets zijn steriele producten die uitsluitend bestemd zijn voor eenmalig gebruik. In een ongeopende verpakking zijn de producten gega-randeerd steriel tot de vermelde vervaldatum. Gebruik het steriele product niet als de verpakking beschadigd is.
Materialen voor eenmalig gebruik mogen niet opnieuw worden gebruikt. Het hergebruik van materialen voor eenmalig gebruik kan leiden tot defecten aan de insulinepomp, alsmede tot een onjuiste toediening van de insuline en/of tot infecties. Pak het product alleen met schone handen vast.
Zorg ervoor dat u altijd extra infusiesets bij u draagt. U kunt dan te allen tijde een infusieset vervangen.
De Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp stopt met vullen na 25 eenheden* insuline. Als u de pomp hebt gevuld en er komt nog geen insuline uit de naald van de infusieset, dient u de vulprocedure nogmaals uit te voeren. Als u insuline uit het puntje van de naald ziet verschijnen, drukt u op een willekeurige toets om het vullen te stoppen. Een infusieset is gevuld wanneer zich in de patroon, adapter en infusieset geen lucht meer bevindt en u insuline uit het puntje van de naald ziet verschijnen.

Informatie: De insuline die wordt gebruikt voor het vullen, wordt niet opgeteld bij het overzicht van het dagelijkse insulineverbruik.
Lees de volgende instructies door om de hoeveelheid luchtbellen in het systeem tot een minimum te beperken.
Infusieset vullen

- Zorg ervoor dat de insulinepomp zich in de uitgangsstand STOP bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Selecteer de functie voor het vullen van de infusieset door 3 maal op ☑ te drukken.

- Bevestig met ⚙. Het symbool voor de infusieset knippert. Doe dit alleen als de infusieset niet op uw lichaam is aangesloten.

Informatie: Als u deze functie onbedoeld hebt geactiveerd, drukt u eenmaal op Ⓞ of wacht u 20 seconden* om de functie af te sluiten en de insulinepomp te doen terugkeren naar de uitgangsstand STOP.

- Druk gedurende 3 seconden op ⚙, tot u een melodie hoort en de motor begint te draaien.
De aandrijfstang beweegt snel naar voren tot deze de rubberen zuiger van de patroon bereikt.
Zodra de zuiger is bereikt, begint het vulproces en wordt de toediening van 25 eenheden* gestart, op de display weergegeven in een oplopende hoeveelheid.
- Houd de insulinepomp na aanvang van het vulproces rechtop in uw handen, zodat eventuele luchtbellen in de patroon zich naar de bovenkant bewegen. Wacht tot de insuline vanuit de adapter in de luer-aansluiting van de infusieset stroomt.

- Tik met de insulinepomp eerst tegen de palm van uw hand terwijl u de pomp rechtop houdt.

Tik vervolgens met de insulinepomp tegen de palm van uw hand erwijl u de pomp horizontaal houdt, zodat de luchtbellen uit de uer-aansluiting en de infusieset worden verwijderd.
Herhaal stap 6 tot alle luchtbellen uit de patroon en de infusieset zijn verwijderd.
De infusieset is goed gevuld wanneer er geen lucht meer is te zien en de insuline uit de naald komt.

- U kunt het vulproces stopzetten door op een willekeurige toets te drukken.
De insulinepomp laat een melodie horen en keert terug naar de uitgangsstand STOP.

Informatie: Als er zich tijdens het vullen geen patroon in de patroonruimte bevindt, treedt "Alarm A1: Patroon bijna leeg" op. Als u na bevestiging van dit alarm het vullen voortzet met een lege patroonruimte, treedt "Fout E1: Patroon leeg" op. Als er een derde maal zonder patroon wordt gevuld, treedt "Fout E6: Mechanische fout" op.
Vullen stopzetten
U kunt het vulproces te allen tijde stopzetten door op een toets te drukken. De insulin-pomp keert terug naar de uitgangsstand STOP.
!
Let op: Luchtbellen in de patroon, adapter of infusieset leiden tot de infusie van lucht in plaats van insuline. Uw lichaam krijgt dan niet de juiste hoeveelheid insuline toegediend. "Fout E4:Verstopping" kan vertraagd worden weergegeven. Verwijder deze bellen tijdens het vullen van de patroon en/of de infusieset. Doe dit alleen als de infusieset niet op uw lichaam is aangesloten.
Bij de opwarming van koude insuline komt mogelijk lucht vrij. Zorg dat de insuline op kamertemperatuur is als u de patroon of de infusieset vult.
Overdag moet u de patroon, adapter en infusieset elke drie uur controleren op luchtbellen en ook voor het slapengaan voert u een controle uit. Verwijder de luchtbellen en vervang indien nodig de systeemonderdelen.
4.6 Infusieplaats kiezen en voorbereiden
!
Let op: Er moet een arts en/of een medewerker van het zorgteam aanwezig zijn wanneer u de insulinepomp,steriele producten en accessoires voor de eerste keer gebruikt. Periodieke medische onderzoeken zijn vereist. Houd u altijd aan de instructies van uw arts en/of zorgteam en aan de gebruiksaanwijzing van de steriele producten en accessoires die u gebruikt.
!
Let op: Als u bloed in de infusieset ontdekt, hebt u waarschijnlijk in een bloed-vat geprikt. Hierdoor ontstaat het risico op verstopping van de infusieset. Kies een andere infusieplaats en vervang de infusieset.
Infusieplaats kiezen
Vraag uw zorgteam om advies bij de keuze van geschikte infusieplaatsen en de planning van een rotatieschema voor de infusieplaatsen. Vermijd uw middel, botten, recente plaatsen, blauwe plekken en wondjes. Zorg ervoor dat de infusieplaats ten minste 2.5 cm uit de buurt van uw navel en eerdere infusieplaatsen ligt.
Voorbereiding infusieplaats
Het is belangrijk om de infusieplaats goed voor te bereiden. Zo vermindert u het risico op infecties. De medewerkers van uw zorgteam zullen u adviseren de volgende voorschriften in acht te nemen bij het voorbereiden van de infusieplaats:

-
Was uw handen grondig.
-
Reinig de infusieplaats met een ontsmettingsdoekje en laat de plaats volledig drogen.
-
Zorg ervoor dat de insulinepomp in de uitgangsstand STOP staat.
-
Sluit de infusieset volgens de gebruiksaanwijzing aan. Gebruik transparant verband en een veiligheidslus, indien noodzakelijk.

- Inspecteer de infusieplaats minstens een of twee keer per dag om te kijken of er sprake is van irritatie of infectie. Als u rode plekken of zwellingen ziet, moet u direct een nieuwe infusieset op een andere infusieplaats aansluiten.
Als er een infectie is ontstaan, moet u direct een nieuwe infusie-set aansluiten en contact opnemen met uw zorgteam. Enkele symptomen (maar niet de enige) die op een infectie kunnen wij-zen, zijn pijn, zwellingen, een rode of warme huid of vochtaf-scheiding.
Kies regelmatig een andere infusieplaats. Doe dit overeenkomstig de gebruiksaanwijzing van de infusieset en de adviezen van uw zorgteam.

- De insulinepomp is nu gereed voor gebruik.
Activeer de RUN-stand van de insulinepomp (druk op ☐ en √).
- Als u een type infusieset met een zachte canule hebt aangesloten, moet u eerst een bolus toedienen om de lucht in de canule op te vullen volgens de gebruiksaanwijzing van de infusieset. Als u dat niet doet, zult u waarschijnlijk te weinig insuline toegediend krijgen.
Raadpleeg paragraaf 5.2 "Bolus instellen" voor meer informatie.
In dit hoofdstuk worden de volgende onderwerpen behandeld:
5.1 Insulinetoediening starten en stopzetten
5.2 Bolus instellen
5.2.1 Standaardbolus
5.2.2 Scrollbolus
5.2.3 Vertraagde bolus
5.3 Patroon, adapter en infusieset vervangen
5.4 Adapter en infusieset vervangen
5.5 Alleen de infusieset vervangen
Zodra de insulinepomp is ingesteld overeenkomstig de instructies in hoofdstuk 3 "De insulinepomp instellen" en 4 "Patroon voorbereiden en adapter en infusieset aansluiten", kunt u de pomp gaan bedienen.

Waarschuwing: Zet de insulinepomp alleen in de RUN-stand als u deze volledig en op de juiste manier hebt geïnstalleerd (inclusief patroon, adapter en infusieset) en de persoonlijke instellingen die u van uw arts en/of zorgteam hebt gekregen, hebt ingesteld.
De insulinepomp beschikt over twee uitgangsstanden: STOP en RUN.
In de uitgangsstand RUN wordt op de display de tijd, de huidige basale hoeveelheid en het profiel voor de basale hoeveelheid (A of B) weergegeven. De insulinepomp geeft in de RUN-stand voortdurend insuline af.
In de uitgangsstand STOP zijn op de display het STOP-symbool, de tijd en -S-- zichtbaar. De insulinepomp geeft in de STOP-stand GEEN insuline af.
De verschillende functies van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp zijn alleen beschikbaar in de juiste uitgangsstand.
!
Let op: Voor aanvang van de insulineafgifte moet zich een patroon in de insulinepomp bevinden, moet de adapter met de daarop aangesloten infusieset aangebracht zijn en moet de infusieset gevuld zijn. Als de insulinepomp zich in de RUN-stand bevindt terwijl de patroonhouder leeg is of de aandrijfstang niet naar de zuiger van de patroon toe is bewogen, treedt "Alarm A4: Alarm patroon/adapter" op.
5.1 Insulinetoediening starten en stopzetten
Wanneer de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp zich in de STOP-stand bevindt, geeft deze geen insuline af.
Wanneer de insulinepomp zich in de RUN-stand bevindt, geeft deze om de 3 minuten insuline af overeenkomstig de ingestelde basale hoeveelheid. Er kunnen bolussen worden ingesteld wanneer dit nodig is. De insulinetoediening wordt alleen stopgezet als er een fout optreedt of de insulinepomp in de STOP-stand wordt gezet, hetgeen bijvoorbeeld noodzakelijk is als u de patroon, adapter of infusieset wilt vervangen of als u gegevens wilt verzenden. Functies als de vertraagde bolus of de tijdelijke basale hoeveelheid worden onderbroken als u de insulinepomp in de STOP-stand zet.
De insulinepomp vanuit de STOP-stand in de RUN-stand zetten

- Zorg ervoor dat de insulinepomp zich in de uitgangsstand STOP bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Druk eenmaal op 📋. Het symbool "-S--" knippert.

- Druk op √ om de insulinetoediening te starten. De insulinepomp laat een melodie horen, gevolgd door drie korte piepsignalen, en gaat naar de uitgangsstand RUN.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden* op✅drukt, keert de insulinepomp automatisch terug naar de uitgangsstand STOP (time-out).
* Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp en de wijzigingen die zijn aangebracht met behulp van het Accu-Chek DiaLog-program- meerhulpmiddel voor de insulinepomp.
De insulinepomp vanuit de RUN-stand in de STOP-stand zetten

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Druk 2 maal op 📋. Het symbool "-S--" knippert.

- Druk op √ om de insulinetoediening stop te zetten. De insulinepomp laat een melodie horen, gevolgd door een lang piepsignaal, en gaat naar de uitgangsstand STOP.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden* op √ drukt, keert de insulinepomp automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out).

Als u de insulinepomp tijdens de toediening van een vertraagde bolus in de STOP-stand zet, wordt deze bolus geannuleerd en treedt"Alarm A8: Bolus afgebroken"op.
Schakel het alarm uit en bevestig het door tweemaal op √ te drukken.
Raadpleeg paragraaf 7.1.8 "Alarm A8:Bolus afgebroken"voor meer informatie.

Als de insulinepomp tijdens de toediening van een tijdelijke basale hoeveelheid in de STOP-stand wordt gezet, wordt deze tijdelijke basale hoeveelheid geannuleerd en treedt "Alarm A6: Tijdelijke basale hoeveelheid afgebroken" op.
Schakel het alarm uit en bevestig het door tweemaal op √ te drukken.
Raadpleeg paragraaf 7.1.6 "Alarm A6: Tijdelijke basale hoeveelheid afgebroken" voor meer informatie.
STOP-waarschuwing

Let op: Als de insulinepomp zich in de STOP-stand bevindt, wordt er geen insuline toegediend. Om u eraan te herinneren dat de insulinetoediening is stopgezet, krijgt u elke minuut een lang piepsignaal te horen in combinatie met een trilsignaal. Dit is de STOP-waarschuwing. Als u de STOP-waarschuwing uitschakelt, wordt deze alarmfunctie onderdrukt.
De STOP-waarschuwing wordt geactiveerd telkens wanneer de insulinepomp vanuit de RUN-stand in de STOP-stand wordt gezet en wanneer er een Power Pack wordt geplaatst. Deze waarschuwing kan worden uitgeschakeld. Als u de STOP-waarschuwing opnieuw wilt activeren, zet u de insulinepomp in de RUN-stand en vervolgens in de STOP-stand.
STOP-waarschuwing uitschakelen

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand STOP bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.
- Houd ⬤ of ⬤ gedurende 3 seconden ingedrukt. Na deze 3 seconden laat de insulinepomp een melodie** horen en wordt de STOP-waarschuwing uitgeschakeld.
5.2 Bolus instellen
De bolushoeveelheid wordt bepaald aan de hand van de richtlijnen van uw zorgteam, uw bloedsuikerspiegel, uw voedselinname en uw activiteitsniveau.

Waarschuwing: De insulinepomp stelt geen beperkingen aan de hoeveelheid insuline die gedurende een bepaalde periode wordt toegediend. Wanneer de laatste bolus is toegediend, kunnen dus meerdere bolussen worden ingesteld.

Waarschuwing: Als u de insulinepomp niet goed instelt, wordt mogelijk een onjuiste hoeveelheid insuline toegediend. U moet eerst uw persoonlijke instellingen in de insulinepomp instellen voordat u start met de insuline-pomptherapie. Gebruik de insulinepomp niet als u uw persoonlijke instellingen niet kent. Als u twijfelt over uw persoonlijke instellingen of weinig ervaring met dit apparaat hebt, laat u de persoonlijke instellingen controleren door uw arts en/of zorgteam. Het tijdstip van de bolus, de toegediende hoeveelheid en het soort bolus kunt u het beste bepalen in overleg met uw arts en/of zorgteam. Zorg ervoor dat u weet welke insuline-/koolhydraatverhouding voor u geldt en welke bolus ter correctie moet worden toegediend.
U kunt drie soorten bolussen toedienen met de insulinepomp:
• standaardbolus (snelle toediening)
- scrollbolus (scrollen/snelle invoer en toediening)
- vertraagde bolus (toediening verdeeld over een ingestelde tijd)
Bolusoverzicht bekijken
U kunt de tijd, datum en omvang van de laatste 10 bolussen bekijken in het bolusoverzicht. Raadpleeg paragraaf 6.1.1 "Bolusoverzicht bekijken" voor meer informatie.
5.2.1 Standaardbolus
Voor de standaardbolusfunctie zijn alleen de toetsen ⬤ en ⬤ nodig.
Standaardbolus instellen
Beginnen met de toets √:

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Druk gedurende 3 seconden op ⬇ om de standaardbolusfunctie te activeren. De insulinepomp laat een melodie** horen en geeft een lang trilsignaal.

- U dient binnen 5 seconden te beginnen met herhaaldelijk op Ⓕ drukken totdat de gewenste bolushoeveelheid wordt weergegeven.
Telkens wanneer u op ⬤drukt, wordt de bolushoeveelheid verhoogd met de ingestelde bolusstap (standaardconfiguratie: 0.5 eenheden* ; raadpleeg voor overige bolusstappen paragraaf 6.6 "Bolusstap aanpassen").
De insulinepomp laat één piepsignaal** horen en geeft telkens wanneer tijdens het instellen op ⬆ wordt gedrukt, een trilsignaal. Druk zo nodig eenmaal op ⬇ om de bolushoeveelheid terug te zetten op 0.0 eenheden. De insulinepomp laat een melodie horen en geeft een lang trilsignaal.

- De totale bolushoeveelheid wordt 7 seconden nadat u voor de laatste keer op Ⓕ hebt gedrukt, bevestigd in de vorm van één piepsignaal** en één gemiddeld trilsignaal voor elke ingestelde bolusstap.
* Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp en de wijzigingen die zijn aangebracht met behulp van het Accu-Chek DiaLog-program-meerhulpmiddel voor de insulinepomp.
** Als u de piepsignalen hebt uitgeschakeld, geeft de insulinepomp alleen trilsignalen ter bevestiging.

- 5 seconden na de bevestiging piept** de insulinepomp driemaal en wordt de volledige ingestelde bolus geleidelijk toegediend.
Beginnen met de toets ^∧ :

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Druk gedurende 3 seconden op ⬤ om de standaardbolusfunctie te activeren. De insulinepomp laat een melodie** horen en geeft een lang trilsignaal.

- U dient binnen 5 seconden te beginnen met herhaaldelijk op ⚙ drukken totdat de gewenste bolushoeveelheid wordt weergegeven.
Telkens wanneer u op ⬇drukt, wordt de bolushoeveelheid verhoogd met de ingestelde bolusstap (standaardconfiguratie: 0.5 eenheden*; raadpleeg voor overige bolusstappen paragraaf 6.6 "Bolusstap aanpassen").
De insulinepomp laat één piepsignaal** horen en geeft telkens wanneer tijdens het instellen op √ wordt gedrukt, een trilsignaal. Druk zo nodig eenmaal op ⬇ om de bolushoeveelheid terug te zetten op 0.0 eenheden. De insulinepomp laat een melodie horen en geeft een lang trilsignaal.

- De totale bolushoeveelheid wordt 7 seconden nadat u voor de laatste keer op ☑ hebt gedrukt, bevestigd in de vorm van één piepsignaal** en één trilsignaal van gemiddelde lengte voor elke ingestelde bolusstap.

- 5 seconden na de bevestiging piept** de insulinepomp driemaal en wordt de volledige ingestelde bolus geleidelijk toegediend.
Standaardbolus annuleren
Tijdens het instellen:

Druk op ⬇ of ⬇ (gebruik de toets waarmee u niet begonnen bent) om de bolushoeveelheid terug te zetten op 0.0 eenheden.
De insulinepomp laat een melodie** horen en geeft een lang trilsignaal.

Als er geen nieuwe bolus wordt ingesteld, keert de insulinepomp na 5 seconden automatisch terug naar de uitgangsstand RUN.
Er wordt geen bolus toegediend!
Tijdens of na de bevestiging:

Druk op √ of ∧ om de bevestiging te onderbreken.
U keert onmiddellijk terug naar het uitgangsstand RUN.
"Alarm A8: Bolus afgebroken" treedt op.
Schakel het alarm uit en bevestig het door tweemaal op ⚙ te drukken.

Zie paragraaf 7.1.8 "Alarm A8: Bolus afgebroken" voor meer informatie.
Er wordt geen bolus toegediend!
** Als u de piepsignalen hebt uitgeschakeld, geeft de insulinepomp alleen trilsignalen ter bevestiging.
Tijdens de bolustoediening:

Als de bolustoediening is begonnen, kan deze te allen tijde worden geannuleerd door gedurende 3 seconden op √ of ∧ te drukken. De insulinepomp laat dan een melodie*horen en"Alarm A8:Bolus afgebroken" treedt op.
Schakel het alarm uit en bevestig het door tweemaal op √ te drukken.

Raadpleeg paragraaf 7.1.8 "Alarm A8: Bolus afgebroken" voor meer informatie.
In het bolusoverzicht kunt u zien welke bolushoeveelheid er werkelijk is toegediend voor- afgaand aan de afbreking.
Raadpleeg paragraaf 6.1.1 "Bolusoverzicht bekijken" voor meer informatie.
5.2.2 Scrollbolus
Met de scrollbolusfunctie kunt u de bolushoeveelheid instellen in stappen van 0.1 eenheid. Met scrollen wordt bedoeld dat met het ingedrukt houden van Ⓗ of ⬇ de bolushoeveelheid steeds hoger of lager wordt tot u de toets loslaat.

Informatie: Als u de scrollbolus gebruikt, wordt de ingestelde bolushoeveelheid niet bevestigd via piep- of trilsignalen. De bolustoediening begint direct na bevestiging van de ingestelde hoeveelheid.
Scrollbolus instellen

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.
* De piepsignalen treden alleen op als u ze niet hebt uitgeschakeld.

- Selecteer het bolusmenu door eenmaal op ☑ te drukken. De laatste bolus van het bolusoverzicht wordt weergegeven. Raadpleeg paragraaf 6.1.1 "Bolusoverzicht bekijken" voor meer informatie.

- Bevestig met √.

-
Druk op/scroll met ⬆ of ⬇ om de bolushoeveelheid respectievelijk te verhogen of te verlagen.
-
Controleer de ingestelde bolushoeveelheid op de display.

- Druk binnen 20 seconden* op √ om te bevestigen en de insulinetoediening te starten. De insulinepomp laat een melodie** horen,gevolgd door drie korte piepsignalen. Direct daarna begint, zonder verdere piep- of tril-signalen ter bevestiging, de toediening.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden*op √ drukt, keert de insulinepomp automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out) en wordt er geen bolus toegediend.
Scrollbolus annuleren
Tijdens het instellen:

- Als u niet binnen 20 seconden* op een toets drukt, keert u automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out). Er wordt geen bolus toegediend!
* Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp en de wijzigingen die zijn aangebracht met behulp van het Accu-Chek DiaLog-program- meerhulpmiddel voor de insulinepomp.
** De piepsignalen treden alleen op als u ze niet hebt uitgeschakeld.

- Stel de bolushoeveelheid in op 0.0 eenheden door te drukken op/scrollen met ⬇.

Druk op ⚙. U keert terug naar het de uitgangsstand RUN. Er wordt geen bolus toegediend!
Tijdens de bolustoediening:

Als de scrollbolustoediening is begonnen, kan deze te allen tijde worden geannuleerd door gedurende 3 seconden op √ of ∧ te drukken. Daarna laat de insulinepomp een melodie** horen en treedt "Alarm A8: Bolus afgebroken" op.

Schakel het alarm uit en bevestig het door tweemaal op √ te drukken.
Raadpleeg paragraaf 7.1.8 "Alarm A8:Bolus afgebroken"voor meer informatie.
In het bolusoverzicht kunt u zien welke bolushoeveelheid er werkelijk is toegediend voor-afgaand aan de afbreking.Raadpleeg paragraaf 6.1.1"Bolusoverzicht bekijken"voor meer informatie.
5.2.3 Vertraagde bolus
Met de functie voor een vertraagde bolus kunt u de toediening van een ingestelde bolushoeveelheid verdelen over een bepaalde periode. De bolus kan met tussenpozen van 15 minuten verspreid worden toegediend over een periode van maximaal vier uur. De bolustoediening begint direct na bevestiging.
Dit is handig wanneer de maaltijd meer tijd in beslag neemt, zoals bij een diner of een receptie, of wanneer het lang duurt voordat de maaltijd is verteerd (bijv. pizza). De toediening van een vertraagde bolus is ook geschikt voor mensen die aan gastroparese (vertraagde spijsvertering) lijden.

Informatie: Bespreek het nut van een vertraagde bolus met uw arts of zorg-team.

Informatie: Als u de vertraagde bolus gebruikt, wordt de ingestelde bolushoeveelheid niet bevestigd via piep- of trilsignalen. De bolustoediening begint direct na bevestiging van de ingestelde hoeveelheid en duur.

Informatie: Wanneer een vertraagde bolus wordt toegediend, kan daarnaast geen standaard- of scrollbolus worden ingesteld.
Vertraagde bolus instellen

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Selecteer het bolusmenu door eenmaal op ☑ te drukken. De laatste bolus van het bolusoverzicht wordt weergegeven. Raadpleeg paragraaf 6.1.1 "Bolusoverzicht bekijken" voor meer informatie.

- Bevestig met √.

- Druk op/scroll met ⬆ of ⬇ om de bolushoeveelheid respectievelijk te verhogen of te verlagen.

- Druk op Ⓞ om naar de bolusduur te gaan.

- Druk op/scroll met ⬤ of ⬇ om de bolusduur respectievelijk te verlengen of te verkorten.

Informatie: Als voor bolusduur 00:00 wordt ingesteld, wordt een gewone scrollbolus toegediend.

Informatie: Als u eerst de tijd en vervolgens de bolus-hoeveelheid instelt, kunt u voorkomen dat er een scrollbolus in plaats van een vertraagde bolus wordt toegediend.
Zo nodig kunt u tijdens het instellen van de bolusduur overschakelen op het instellen van de bolushoeveelheid en vice versa door op ☐ te drukken.
- Controleer de ingestelde bolushoeveelheid en bolusduur op de display.

- Druk binnen 20 seconden* op √ om te bevestigen en de bolus-toediening te starten.
De insulinepomp laat een melodie**horen,gevolgd door drie korte piepsignalen, en gaat naar de uitgangsstand RUN. De toediening van de vertraagde bolus begint.
De resterende tijd en bolushoeveelheid zijn zichtbaar op de display tot de volledige vertraagde bolus is toegediend.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden*op✅ drukt, keert de insulinepomp automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out) en wordt er geen bolus toegediend.
* Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp en de wijzigingen die zijn aangebracht met behulp van het Accu-Chek DiaLog-program- meerhulpmiddel voor de insulinepomp.
** De piepsignalen treden alleen op als u ze niet hebt uitgeschakeld.
Vertraagde bolus annuleren
Tijdens het instellen:

- Als u niet binnen 20 seconden* op een toets drukt, keert u automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out). Er wordt geen bolus toegediend!

- Stel de bolushoeveelheid in op 0.0 eenheden door te drukken op/scrollen met Ⓥ.

Druk op ⚙. U keert terug naar de uitgangsstand RUN. Er wordt geen bolus toegediend!
Tijdens de bolustoediening:

Als de toediening van de vertraagde bolus is begonnen, kan deze worden geannuleerd door de insulinepomp in de STOP-stand te zetten. De bolustoediening wordt geannuleerd en "Alarm A8: Bolus afgebroken" treedt op.

Schakel het alarm uit en bevestig het door tweemaal op √ te drukken en zet de insulinepomp weer in de RUN-stand (druk op ☐ en √). Raadpleeg paragraaf 7.1.8 "Alarm A8: Bolus afgebroken" voor meer informatie.
In het bolusoverzicht kunt u zien welke bolushoeveelheid er werkelijk is toegediend voor-afgaand aan de afbreking.Raadpleeg paragraaf 6.1.1 "Bolusoverzicht bekijken"voor meer informatie.
!
Let op: Wanneer u een vertraagde bolus hebt geannuleerd, bevindt de insulinepomp zich in de STOP-stand. Zet de insulinepomp in de RUN-stand om de insulinetoediening voort te zetten.
5.3 Patroon, adapter en infusieset vervangen

Waarschuwing: Het vervangen van de patroon en het vullen van de infusieset mag nooit gebeuren wanneer de infusieset is aangesloten op uw lichaam. Anders loopt u het risico dat de insuline ongecontroleerd wordt toegediend. Als u een loskoppelbare infusieset hebt, moet u deze eerst loskoppelen voordat u de patroon vervangt of de infusieset vult. Volg altijd de gebruiksaanwijzing van de infusieset die u gebruikt.
!
Let op: Luchtbellen in de patroon, adapter of infusieset leiden tot de infusie van lucht in plaats van insuline. Uw lichaam krijgt dan niet de juiste hoeveelheid insuline toegediend. "Fout E4: Verstopping" kan vertraagd worden weergegeven. Verwijder deze bellen tijdens het vullen van de patroon en/of de infusieset. Doe dit alleen als de infusieset niet op uw lichaam is aangesloten. Bij de opwarming van koude insuline komt mogelijk lucht vrij. Zorg dat de insuline op kamertemperatuur is als u de patroon of de infusieset vult. Overdag moet u de patroon, adapter en infusieset elke drie uur controleren op luchtbellen en ook moet u voor het slapengaan een controle uitvoeren. Verwijder de luchtbellen en vervang indien nodig de systeemonderdelen.
!
Let op: Pak het product alleen met schone handen vast. Vervang de patroon en adapter in een schone omgeving en controleer altijd of de patroonhouder vrij is van vuildeeltjes Zorg ervoor dat de insulinepomp, de infusieset en in het bijzonder de aansluitingen van de insulinepomp niet in contact komen met verzorgings- en schoonheidsproducten (bijv. ontsmettingsmiddelen, desinfecte-rende crème, zeep, parfum, deodorant, bodylotion of andere cosmetische middelen). Anders kunnen deze onderdelen beschadigd raken.
Patroon, adapter en infusieset vervangen
-
Zorg ervoor dat u het volgende materiaal bij de hand hebt:
-
de insulinepomp
- een nieuwe patroon, adapter en infusieset
- nieuw verband, indien gewenst
- een ontsmettingsdoekje

- Zorg ervoor dat de insulinepomp in de uitgangsstand STOP staat.
- Verwijder de gebruikte infusieset van de infusieplaats.
- Draai de adapter naar de stand voor inbrengen.
- Verwijder de patroon, adapter en infusieset uit de insulinepomp en gooi deze overeenkomstig de voorschriften weg.

Waarschuwing: De insulinepomp is ontworpen voor gebruik met uitsluitend Accu-Chek-infusiesets. Het gebruik van andere infusiesets kan een gevaar voor uw gezondheid opleveren en ertoe leiden dat de garantie niet meer geldig is. Infusiesets zijn steriele producten die uitsluitend bestemd zijn voor eenmalig gebruik. In een ongeopende verpakking zijn de producten gega-randeerd steriel tot de vermelde vervaldatum. Gebruik het steriele product niet als de verpakking beschadigd is.
Materialen voor eenmalig gebruik mogen niet opnieuw worden gebruikt. Het hergebruik van materialen voor eenmalig gebruik kan leiden tot defecten aan de insulinepomp, alsmede tot een onjuiste toediening van de insuline en/of tot infecties. Pak het product alleen met schone handen vast.
- Voorzie de insulinepomp van de nieuwe patroon, adapter en infusieset.
Raadpleeg hoofdstuk 4 "Patroon voorbereiden en adapter en infusieset aansluiten" voor meer informatie.
5.4 Adapter en infusieset vervangen

Waarschuwing: Het vervangen van de patroon en het vullen van de infusie-set mag nooit gebeuren wanneer de infusieset is aangesloten op uw lichaam.
Anders loopt u het risico dat de insuline ongecontroleerd wordt toegediend. Als u een loskoppelbare infusieset hebt, moet u deze eerst loskoppelen voordat u de infusieset vult. Volg altijd de gebruiksaanwijzing van de infusieset die u gebruikt.
!
Let op: Luchtbellen in de patroon, adapter of infusieset leiden tot de infusie van lucht in plaats van insuline. Uw lichaam krijgt dan niet de juiste hoeveelheid insuline toegediend. "Fout E4: Verstopping" kan vertraagd worden weergegeven.
Verwijder deze bellen tijdens het vullen van de patroon en/of de infusieset. Doe dit alleen als de infusieset niet op uw lichaam is aangesloten.
Bij de opwarming van koude insuline komt mogelijk lucht vrij. Zorg dat de insuline op kamertemperatuur is als u de patroon of de infusieset vult.
Overdag moet u de patroon, adapter en infusieset elke drie uur controleren op luchtbellen en ook voor het slapengaan voert u een controle uit. Verwijder de luchtbellen en vervang indien nodig de systeemonderdelen.
!
Let op: Pak het product alleen met schone handen vast. Zorg ervoor dat de insulinepomp, de infusieset en in het bijzonder de aansluitingen van de insulinepomp niet in contact komen met verzorgings- en schoonheidsproducten (bijv. ontsmettingsmiddelen, desinfecterende crème, zeep, parfum, deodorant, body-lotion of andere cosmetische middelen). Anders kunnen deze onderdelen beschadigd raken.
Adapter en infusieset vervangen
-
Zorg ervoor dat u het volgende materiaal bij de hand hebt:
-
de insulinepomp
- een nieuwe adapter en infusieset
- nieuw verband, indien gewenst
- een ontsmettingsdoekje

- Zorg ervoor dat de insulinepomp in de uitgangsstand STOP staat.
- Verwijder de gebruikte infusieset van de infusieplaats.
- Draai de adapter naar de stand voor inbrengen.
- Verwijder de adapter en infusieset uit de insulinepomp en gooi deze overeenkomstig de voorschriften weg.

Waarschuwing: De insulinepomp is ontworpen voor gebruik met uitsluitend Accu-Chek-infusiesets. Het gebruik van andere infusiesets kan een gevaar voor uw gezondheid opleveren en ertoe leiden dat de garantie niet meer geldig is. Infusiesets zijn steriele producten die uitsluitend bestemd zijn voor eenmalig gebruik. In een ongeopende verpakking zijn de producten gegarandeerd steriel tot de vermelde vervaldatum. Gebruik het steriele product niet als de verpakking beschadigd is.
Materialen voor eenmalig gebruik mogen niet opnieuw worden gebruikt. Het hergebruik van materialen voor eenmalig gebruik kan leiden tot defecten aan de insulinepomp, alsmede tot een onjuiste toediening van de insuline en/of tot infecties. Pak het product alleen met schone handen vast.
- Voorzie de insulinepomp van de nieuwe adapter en infusieset. Raadpleeg hoofdstuk 4 "Patroon voorbereiden en adapter en infusieset aansluiten" voor meer informatie.
5.5 Alleen de infusieset vervangen

Waarschuwing: Het vervangen van de patroon en het vullen van de infusieset mag nooit gebeuren wanneer de infusieset is aangesloten op uw lichaam. Anders loopt u het risico dat de insulinge ongecontroleerd wordt toegediend. Als u een loskoppelbare infusieset hebt, moet u deze eerst loskoppelen voordat u de infusieset vult. Volg altijd de gebruiksaanwijzing van de infusieset die u gebruikt.
!
Let op: Luchtbellen in de patroon, adapter of infusieset leiden tot de infusie van lucht in plaats van insuline. Uw lichaam krijgt dan niet de juiste hoeveelheid insuline toegediend. "Fout E4: Verstopping" kan vertraagd worden weergegeven.
Verwijder deze bellen tijdens het vullen van de patroon en/of de infusieset. Doe dit alleen als de infusieset niet op uw lichaam is aangesloten.
Bij de opwarming van koude insuline komt mogelijk lucht vrij. Zorg dat de insuline op kamertemperatuur is als u de patroon of de infusieset vult.
Overdag moet u de patroon, adapter en infusieset elke drie uur controleren op luchtbellen en ook voor het slapengaan moet u een controle uitvoeren. Verwijder de luchtbellen en vervang indien nodig de systeemonderdelen.
!
Let op: Zorg ervoor dat uw handen schoon zijn. Zorg ervoor dat de insulinepomp, de infusieset en in het bijzonder de aansluitingen van de insulinepomp niet in contact komen met verzorgings- en schoonheidsproducten (bijv. onsmettingsmiddelen, desinfecterende crème, zeep, parfum, deodorant, bodyotion of andere cosmetische middelen).Anders kunnen deze onderdelen beschadigd raken.

Let op: Als het niet lukt de luer-aansluiting tussen de infusieset en de adapter met de hand los te draaien, wordt aanbevolen om het batterijgereedschap te gebruiken. De inkeping van het batterijgereedschap past op de meeste luer lock-aansluitingen van infusiesets. Gebruik het batterijgereedschap uitsluitend bij het losdraaien. Gebruik het gereedschap nooit om de infusieset aan te sluiten.
Alleen de infusieset vervangen
-
Zorg ervoor dat u het volgende materiaal bij de hand hebt:
-
de insulinepomp
- een nieuwe infusieset
- nieuw verband, indien gewenst
- een ontsmettingsdoekje

- Zorg ervoor dat de insulinepomp in de uitgangsstand STOP staat.

- Verwijder de gebruikte infusieset van de infusieplaats.

- Draai de adapter naar de stand voor vervangen.

- Verwijder de infusieset van de adapter en gooi het afval overeenkomstig de voorschriften weg.
U kunt de batterijsleutel gebruiken om de luer lock-aansluiting tussen de infusieset en de adapter los te draaien, als dat niet met de hand lukt.

Waarschuwing: De insulinepomp is ontworpen voor gebruik met uitsluitend Accu-Chek-infusiesets. Het gebruik van andere infusiesets kan een gevaar voor uw gezondheid opleveren en ertoe leiden dat de garantie niet meer geldig is. Infusiesets zijn steriele producten die uitsluitend bestemd zijn voor eenmalig gebruik. In een ongeopende verpakking zijn de producten gega-randeerd steriel tot de vermelde vervaldatum. Gebruik het steriele product niet als de verpakking beschadigd is.
Materialen voor eenmalig gebruik mogen niet opnieuw worden gebruikt. Het hergebruik van materialen voor eenmalig gebruik kan leiden tot defecten aan de insulinepomp, alsmede tot een onjuiste toediening van de insuline en/of infecties. Pak het product alleen met schone handen vast.

- Voorzie de insulinepomp van de nieuwe infusieset. Raadpleeg hoofdstuk 4 "Patroon voorbereiden en adapter en infusieset aansluiten" voor meer informatie.
In dit hoofdstuk worden de volgende onderwerpen behandeld:
6.1 Gegevensgeheugen bekijken
6.1.1 Bolusoverzicht bekijken
6.1.2 Overzicht van dagelijks insulineverbruik bekijken
6.1.3 Overzicht van alarmen en fouten bekijken
6.2 Profiel van de basale hoeveelheid selecteren
6.3 Tijdelijke basishoeveelheid instellen
6.4 Automatisch uit
6.5 Volume van piepsignalen wijzigen
6.6 Bolusstap aanpassen
6.7 Ingestelde basale hoeveelheid en geselecteerd profiel blokkeren of deblokkeren
6.8 KeyLock
6.8.1 KeyLock inschakelen of uitschakelen
6.8.2 Toetsen deblokkeren
6.9 Resterende looptijd bekijken
6.10 Gegevensoverdracht

Waarschuwing: Als u de insulinepomp niet goed instelt, wordt mogelijk een onjuiste hoeveelheid insuline toegediend. U moet eerst uw persoonlijke instellingen in de insulinepomp instellen voordat u start met de insulinepomp-therapie. Gebruik de insulinepomp niet als u uw persoonlijke instellingen niet kent. Als u twijfelt over uw persoonlijke instellingen of weinig ervaring met dit apparaat hebt, laat u de persoonlijke instellingen controleren door uw arts en/of zorgteam. Het tijdstip van de bolus, de toegediende hoeveelheid en het soort bolus kunt u het beste bepalen in overleg met uw arts en/of zorgteam. Zorg ervoor dat u weet welke insuline-/koolhydraatverhouding voor u geldt en welke bolus ter correctie moet worden toegediend.
6.1 Gegevensgeheugen bekijken
De Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp beschikt over een gegevensgeheugen waarin speciale gebeurtenissen worden bijgehouden. U kunt de volgende gegevens opvragen:
- Bolusoverzicht laatste 10 bolussen
- Overzicht van dagelijks insulineverbruik laatste 7 dagelijkse totalen
- Overzicht van alarmen en fouten laatste 10 alarmen en fouten
- Overzicht van gebeurtenissen laatste 1400 gebeurtenissen
De laatste 1400 gebeurtenissen (deze bestrijken bij normaal aaneengesloten gebruik ongeveer 90 dagen) zijn opgeslagen in het geheugen van de insulinepomp. Het gegevensgeheugen kan met Accu-Chek DiaLog of een ander softwarepakket worden overgebracht naar een pc. De 1400 gebeurtenissen kunnen niet op de display van de insulinepomp worden weergegeven.
6.1.1 Bolusoverzicht bekijken
In het bolusoverzicht worden de laatste 10 bolussen in chronologische volgorde weergegeven, te beginnen met de laatst toegediende bolus.
Bolusoverzicht bekijken

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Druk eenmaal op Ⓞ om de laatst toegediende bolus, met daarbij vermeld de bolushoeveelheid en de toedieningsdatum en -tijd, te bekijken.
Bij een vertraagde bolus wordt de eindtijd van de bolustoediening weergegeven.

- Druk op ⬇ om de vorige bolus te bekijken.

- Met ⬇ of ⬇ kunt u latere of eerdere bolussen bekijken.

Als het bolusoverzicht minder dan 10 bolussen bevat, worden op de display streepjes weergegeven.

- Druk tweemaal op √ om terug te keren naar de uitgangsstand RUN, of druk 6 maal op ☑ om direct het overzicht van dagelijkse totalen te bekijken.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden* op een toets drukt, keert u automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out).
6.1.2 Overzicht van dagelijks insulineverbruik bekijken
In dit overzicht worden de laatste 7 totalen van toegediende insuline per dag (van middernacht tot middernacht; basale hoeveelheid en bolussen) in chronologische volgorde weergegeven, te beginnen met het laatste totaal.
Overzicht van dagelijks insulineverbruik bekijken

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Druk 7 maal op Ⓞ om het insulineverbruik van vandaag (insuline die sinds middernacht is toegediend) te bekijken.

- Druk op ⬇ om het vorige dagelijkse totaal te bekijken.

- Met ⬆ of √ kunt u latere of eerdere dagelijkse totalen bekijken.

Als het bolusoverzicht minder dan 7 dagelijkse totalen bevat, worden op de display streepjes weergegeven.

- Druk op √ om terug te keren naar de uitgangsstand RUN, of druk op 🔒 om direct het overzicht van alarmen en fouten te bekijken.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden* op een toets drukt, keert u automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out).
* Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp en de wijzigingen die zijn aangebracht met behulp van het Accu-Chek DiaLog-rogram- meerhulpmiddel voor de insulinepomp.
6.1.3 Overzicht van alarmen en fouten bekijken
In het overzicht van alarmen en fouten worden de laatste 10 alarmen en fouten in chronologische volgorde weergegeven, te beginnen met de laatste melding.
Overzicht van alarmen en fouten bekijken

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Druk 8 maal op 📋 om het laatst weergegeven alarm of de laatst weergegeven fout, met daarbij vermeld de code en de tijd en datum van optreden, te bekijken.

- Druk op ⬇ om het vorige alarm of de vorige fout te bekijken.

- Druk op Ⓗ of ⬇ om latere of eerdere alarmen of fouten te bekijken.

Als het overzicht minder dan 10 alarmen of fouten bevat, worden op de display streepjes weergegeven.

- Druk op √ om terug te keren naar de uitgangsstand RUN.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden* op een toets drukt, keert u automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out).
* Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp en de wijzigingen die zijn aangebracht met behulp van het Accu-Chek DiaLog-program- meerhulpmiddel voor de insulinepomp.
6.2 Profiel van de basale hoeveelheid selecteren
U beschikt over twee verschillende profielen voor de basale hoeveelheid (A en B).
U dient het instellen van een tweede profiel voor de basale hoeveelheid met uw arts of zorgteam te bespreken.
Als u en uw arts besluiten dat een tweede profiel voor de basale hoeveelheid niet noodzakelijk is, dient u voor profiel A en B dezelfde basale hoeveelheid per uur in te stellen.
Raadpleeg paragraaf 3.3 "Profielen voor de basale hoeveelheid instellen"voor meer informatie.

Waarschuwing: Controleer de twee ingestelde profielen voor de basale hoeveelheid zorgvuldig wanneer u het ene profiel vervangt door het andere. Als u twijfelt over uw persoonlijke instellingen of weinig ervaring met dit apparaat hebt, laat u de persoonlijke instellingen controleren door uw arts en/of zorgteam. Het tijdstip van de bolus, de toegediende hoeveelheid en het soort bolus kunt u het beste bepalen in overleg met uw arts en/of zorgteam. Zorg ervoor dat u weet welke insuline-/koolhydraatverhouding voor u geldt en welke bolus ter correctie moet worden toegediend.
Profiel voor de basale hoeveelheid selecteren

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Selecteer de functie voor het wijzigen van het profiel voor de basale hoeveelheid door 3 maal op ☑ te drukken.

- Bevestig met √. Het actieve profiel van de basale hoeveelheid knippert (A of B).

- Druk op ⬆ of ⬇ om van profiel A over te schakelen op profiel B en vice versa.

- Druk op √ om het gewenste profiel te bevestigen. U keert terug naar de uitgangsstand RUN.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden* op✅drukt, keert de insulinepomp automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out). De zojuist aangebrachte wijzigingen worden dan niet opgeslagen.
6.3 Tijdelijke basale hoeveelheid instellen
U kunt de ingestelde basale hoeveelheid op de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp tijdelijk verhogen of verlagen.
Met deze functie kunt u inspelen op een veranderende insulinebehoefte als gevolg van toegenomen of afgenomen inspanningen, ziekte of stress.
U dient het toedienen van een tijdelijke basishoeveelheid met uw arts of zorgteam te bespreken.
Een tijdelijke basale hoeveelheid instellen

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Selecteer de functie voor de tijdelijke basale hoeveelheid door 6 maal op ☐ te drukken.

- Bevestig met √. Het percentage van de tijdelijke basale snelheid knippert.

- Druk op/scroll met ⬤ of ⬇ om de basale hoeveelheid respectie- velijk te verhogen of verlagen.
De ingestelde basale hoeveelheid kan naar wens worden verhoogd of verlaagd met stappen van 10% (0–200%).

- Druk op Ⓞ om naar de duur te gaan.
De duur van de laatste verhoging of verlaging knippert.

- Druk op/scroll met ⬤ of ⬇ om de duur respectievelijk te verlengen of verkorten.
Er kan een duur worden ingesteld tussen 1 en 24 uur met stappen van 1 uur. (In het voorbeeld is een tijdelijke verlaging met 10% gedurende 3 uur ingesteld.)
U kunt tijdens het instellen van de duur van de tijdelijke basale hoeveelheid overschakelen op het instellen van het percentage van de tijdelijke basale hoeveelheid en vice versa door op 📄 te drukken. Zo kunt u de waarden eventueel wijzigen.
- Controleer het ingestelde percentage en de duur van de tijdelijke basale hoeveelheid.

- Bevestig de tijdelijke basale hoeveelheid door binnen 20 seconden* op √ te drukken.
U keert terug naar de uitgangsstand RUN.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden*op √ drukt, keert de insulinepomp automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out).
De tijdelijke basale hoeveelheid wordt niet geactiveerd.

Informatie: Tijdens de toediening worden de tijd en het percentage van een verhoging of verlaging die resteren, voortdurend weergegeven. Als er tegelijkertijd een vertraagde bolus actief is, worden alleen de resterende tijd en hoeveelheid van de vertraagde bolus weergegeven. De tijd en het percentage van de tijdelijke basale hoeveelheid die resteren, kunt u zien als u de functie van de tijdelijke basale hoeveelheid selecteert; druk hiertoe 6 maal op. Na afloop van de tijdelijke basale hoeveelheid, treedt "Alarm A7: Einde tijdelijke basale
* Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp en de wijzigingen die zijn aangebracht met behulp van het Accu-Chek DiaLog-program- meerhulpmiddel voor de insulinepomp.

hoeveelheid"op. Schakel het alarm uit en bevestig het door tweemaal op √ te drukken. De insulinepomp blijft in de RUN-stand.
Raadpleeg paragraaf 7.1.7 "Alarm A7: Einde tijdelijke basale hoeveelheid" voor meer informatie.
Tijdelijke basale hoeveelheid annuleren
U kunt een tijdelijke basale hoeveelheid op twee manieren annuleren: Met manier A blijft u in de RUN-stand. Met manier B gaat de insulinepomp naar de STOP-stand en wordt de insulinetoediening stopgezet.
Manier A

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Selecteer de functie voor de tijdelijke basale hoeveelheid door 6 maal op ☐ te drukken.

- Bevestig met √. Het percentage van de tijdelijke basale snelheid knippert.

- Druk op/scroll met ⬤ of ⬤ om de basale hoeveelheid weer op 100% te zetten. De duur hoeft niet te worden geannuleerd mits de basale hoeveelheid is ingesteld op 100%.

- Bevestig de wijziging door binnen 20 seconden* op √ te drukken.
i
Informatie: Als u niet binnen 20 seconden*op √drukt, keert de insulinepomp automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out).
De eerder ingevoerde tijdelijke basale hoeveelheid blijft ongewijzigd actief.
!
Let op: De insulinepomp bevestigt de annulering en"Alarm A6:Tijdelijke basale hoeveelheid afgebroken" treedt op. Schakel het alarm uit en bevestig het door tweemaal op √ te drukken.
Raadpleeg paragraaf 7.1.6 "Alarm A6: Tijdelijke basale hoeveelheid afgebroken" voor meer informatie.
Manier B


- Zet de insulinepomp in de uitgangsstand STOP door tweemaal op ☑ en eenmaal op √ te drukken.
!
Let op: De insulinepomp bevestigt de annulering en"Alarm A6:Tijdelijke basale hoeveelheid afgebroken" treedt op. Schakel het alarm uit en bevestig het door tweemaal op √ te drukken. Zet de insulinepomp in de uitgangsstand RUN (druk op ☐ en ⏻) om de insulinetoediening voort te zetten.
Raadpleeg paragraaf 7.1.6 "Alarm A6: Tijdelijke basale hoeveelheid afgebroken" voor meer informatie.
Als er tevens een vertraagde bolus is ingesteld, wordt deze ook geannuleerd wanneer u de insulinepomp in de STOP-stand zet. Eerst treedt "Alarm A8: Bolus afgebroken" op om u te waarschuwen dat ook de vertraagde bolus is geannuleerd.
Druk eenmaal op √ om "Alarm A8: Bolus afgebroken" uit te schakelen. Pas na het uitschakelen verschijnt "Alarm A6: Tijdelijke basale hoeveelheid afgebroken" op de display. Schakel het alarm uit en bevestig het door tweemaal op √ te drukken. In het overzicht van alarmen en fouten worden beide alarmen opgenomen.
Raadpleeg paragraaf 6.1.3 "Overzicht van alarmen en fouten bekijken" en 7.1.8 "Alarm A8: Bolus afgebroken" voor meer informatie.
*Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp en de wijzigingen die zijn aangebracht met behulp van het Accu-Chek DiaLog-program- meerhulpmiddel voor de insulinepomp.
6.4 Automatische uitschakeling
Door deze veiligheidsvoorziening wordt "Fout E3: Automatisch uitgeschakeld" gegene-reerd (de insulinepomp stopt de insulinetoediening!) als niet binnen een bepaalde tijd op een toets wordt gedrukt.
In de standaardconfiguratie staat de functie automatische uitschakeling ingesteld op OFF*. De functie kan worden ingesteld op OFF of via het SETUP-menu dan wel met behulp van het Accu-Chek DiaLog-programmeerhulpmiddel voor de insulinepomp voor een periode van maximaal 24 uur worden ingesteld in stappen van 1 uur.
Automatische uitschakeling instellen

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Selecteer het SETUP menu door 9 maal op 📄 te drukken.

- Bevestig met √.

- Druk eenmaal op 📋 om naar de functie automatische uitschakeling te gaan.

- Bevestig met √. De parameter voor automatische uitschakeling knippert.

- Druk op/scroll met Ⓗ of ⬇ om de duur van de periode respectievelijk te verlengen of te verkorten met tussenpozen van 1 uur.

- Als u de functie wilt instellen op OFF, drukt u op/scrollt u met☑ totdat OFF op de display verschijnt.

- Bevestig met √. U keert terug naar de uitgangsstand RUN.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden*op✅ drukt, keert de insulinepomp automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out).
De zojuist aangebrachte wijzigingen worden dan niet opgeslagen.
6.5 Volume van piepsignalen wijzigen
De insulinepomp geeft een of meer piepsignalen wanneer u op een toets drukt of wanneer er een alarm of fout optreedt.
Dit volume kan worden gewijzigd in het SETUP-menu of met het Accu-Chek DiaLog-programmeerhulpmiddel voor de insulinepomp.
Er bestaan vijf volumeniveaus:
0 geen piepsignalen (de piepsignalen zijn uitgeschakeld)
1 zacht 2 normaal 3 hard 4 hardst

Informatie: Alle piepsignalen kunnen worden uitgeschakeld met uitzondering van piepsignalen die van belang zijn voor de veiligheid, zoals de piepsignalen voor alarmen en fouten. Om veiligheidsredenen wordt aangeraden het volume van de piepsignalen nooit helemaal uit te schakelen.
* Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp en de wijzigingen die zijn aangebracht met behulp van het Accu-Chek DiaLog-program- meerhulpmiddel voor de insulinepomp.
Volume van piepsignalen wijzigen

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Selecteer het SETUP menu door 9 maal op 📄 te drukken.

- Bevestig met √.

- Druk tweemaal op Ⓞ om naar de functie voor de piepsignalen te gaan.

- Bevestig met ⚙. Het volume dat momenteel is ingesteld voor de piepsignalen, knip-pert.

- Druk op/scroll met Ⓗ of ⬆ om het volume van de piepsignalen respectievelijk te verhogen of verlagen.

- Bevestig met☑. U keert terug naar de uitgangsstand RUN.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden* op✅drukt, keert de insulinepomp automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out).
De zojuist aangebrachte wijzigingen worden dan niet opgeslagen.
* Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp en de wijzigingen die zijn aangebracht met behulp van het Accu-Chek DiaLog-program- meerhulpmiddel voor de insulinepomp.
i
Informatie: Het volume van het STOP-alarm wordt niet beïnvloed door het ingestelde volume voor piepsignalen. Dit alarm klinkt altijd op de maximumsterkte.
6.6 Bolusstap aanpassen
In de standaardconfiguratie is de bolusstap voor de standaardbolus ingesteld op 0.5 eenheden* per keer dat de toets wordt ingedrukt. Via het SETUP-menu of met het Accu-Chek DiaLog-programmeerhulpmiddel voor de insulinepomp kan de bolusstap worden gewijzigd in 0.1, 0.2, 0.5 of 1.0 eenheid.
Bolusstap aanpassen

- Controleer of de Accu-Chek D-TRONplus-insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn en de functie niet geblokkeerd is met het Accu-Chek DiaLog-programmeerhulpmiddel voor de insulinepomp (arts/zorgteam).

- Selecteer het SETUP menu door 9 maal op 📁 te drukken.

- Bevestig met √.

- Druk 3 maal op Ⓞ om naar de functie voor de bolusstap te gaan.
*Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp en de wijzigingen die zijn aangebracht met behulp van het Accu-Chek DiaLog-program- meerhulpmiddel voor de insulinepomp.

- Bevestig met √. De huidige bolusstap knippert.

- Druk op/scroll met ⬆ of ⬇ om de bolusstap respectievelijk te verhogen of verlagen.

- Bevestig met☑. U keert terug naar de uitgangsstand RUN.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden* op✅ drukt, keert de insulinepomp automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out). De zojuist aangebrachte wijzigingen worden dan niet opgeslagen.
6.7 Ingestelde basale hoeveelheid en geselecteerd profiel blokkeren of deblokkeren
In de standaardconfiguratie van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp kunt u basale hoeveelheden instellen en het profiel van de basale hoeveelheid* selecteren. U kunt deze functies eventueel blokkeren. Wanneer de functies geblokkeerd zijn, kunnen de basale hoeveelheid en het profiel van de basale hoeveelheid niet worden gewijzigd.
Ingestelde basale hoeveelheid en geselecteerd profiel blokkeren of deblokkeren

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Selecteer het SETUP menu door 9 maal op 📋 te drukken.

- Bevestig met √.

- Druk 4 maal op Ⓞom naar de functie voor het blokkeren/deblokkeren van de basale hoeveelheid en het profiel te gaan.

- Bevestig met √. Het hangslotsymbool knippert.

- Druk op ⬆ of √ om de basale hoeveelheid en het profiel te blokkeren of deblokkeren.

Blokkeren Gedeblokkeerd

- Bevestig met☑. U keert terug naar de uitgangsstand RUN.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden* op✅drukt, keert de insulinepomp automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out).
De zojuist aangebrachte wijzigingen worden dan niet opgeslagen.
* Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp en de wijzigingen die zijn aangebracht met behulp van het Accu-Chek DiaLog-program- meerhulpmiddel voor de insulinepomp.
6.8 KeyLock
De insulinepomp is uitgerust met een unieke KeyLock-functie, die kan worden ingeschakeld of uitgeschakeld.
Met de KeyLock-functie kunt u de vier toetsen van de Accu-Chek D-TRONplus insulin-pomp blokkeren. Zo kunt u bijvoorbeeld voorkomen dat de functies van de insulinepomp per ongeluk worden geactiveerd door kinderen of terwijl u slaapt, sport enzovoort.

Let op: Als de KeyLock-functie is ingeschakeld, blokkeert de insulinepomp automatisch alle vier de toetsen 10 seconden (time-out KeyLock) nadat de insulinepomp in de uitgangsstand STOP of RUN is gezet of hiernaar is teruggekeerd. De time-out van KeyLock is niet actief zolang er instellingen worden uitgevoerd op de insulinepomp of de insulinepomp een standaard- of scrollbolus toedient.

Let op: Als KeyLock is ingeschakeld, moeten de toetsen eerst tijdelijk worden gedeblokkeerd voordat KeyLock kan worden uitgeschakeld of u de insulin-pomp kunt instellen.
In de standaardconfiguratie is KeyLock uitgeschakeld*. Deze instelling kan alleen via het SETUP menu worden gewijzigd.
6.8.1 KeyLock inschakelen of uitschakelen
KeyLock inschakelen of uitschakelen

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Selecteer het SETUP menu door 9 maal op 📄 te drukken.
* Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp.

- Bevestig met √.

- Druk 5 maal op Ⓞ om naar de KeyLock-functie te gaan.

- Bevestig met √. Het KeyLock-symbol knippert.

- Druk op ⬤ of ⬇ om KeyLock in te schakelen of uit te schakelen:
→ KeyLock uitgeschakeld
→ KeyLock ingeschakeld

- Bevestig met☑. U keert terug naar de uitgangsstand RUN.

Informatie: Als u niet binnen 20 seconden* op✅drukt, keert de insulinepomp automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out).
De zojuist aangebrachte wijzigingen worden dan niet opgeslagen.
Mogelijkheid A
U hebt zojuist KeyLock ingeschakeld:

- Met de time-out van KeyLock (10 seconden) kunt u verdergaan met het instellen van de insulinepomp als u op een toets drukt voordat de time-out verstreken is.
* Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp

- Als er geen toets wordt ingedrukt, blokkeert de insulinepomp na 10 seconden (time-out KeyLock) automatisch alle vier de toetsen. Vervolgens hoort u drie piepsignalen** en verschijnt het KeyLock-symbol op de display.
Mogelijkheid B
U hebt zojuist KeyLock uitgeschakeld:

- U kunt de insulinepomp bedienen zoals u gewend bent.
6.8.2 Toetsen deblokkeren
Als u de insulinepomp in wenst te stellen terwijl KeyLock is ingeschakeld, kunt u de toetsen tijdelijk deblokkeren zonder dat KeyLock wordt uitgeschakeld. Als de KeyLock-functie is ingeschakeld, blokkeert de insulinepomp automatisch alle vier de toetsen 10 seconden (time-out KeyLock) nadat de insulinepomp in de uitgangsstand STOP of RUN is gezet of hiernaar is teruggekeerd.
Toetsen deblokkeren

-
Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand STOP of RUN bevindt en KeyLock ingeschakeld is en de toetsen geblokkeerd zijn.
-
Houd gedurende 3 seconden ☑ en Ⓐ tegelijk ingedrukt. De insulinepomp geeft één piepsignaal** wanneer de tegelijk ingedrukte toetsen worden geaccepteerd en laat een melodie** horen om te bevestigen dat de toetsen zijn gedeblokkeerd.

Het KeyLock-symbol verdwijnt. U kunt de insulinepomp nu bedienen zoals u gewend bent.

Als de insulinepomp zich in de uitgangsstand STOP of RUN bevindt en u geen toetsen meer indrukt, blokkeert de insulinepomp na 10 seconden (time-out KeyLock) automatisch de toetsen en hoort u, afhankelijk van de uitgangsstand, één of drie piepsignalen**.
6.9 Resterende looptijd bekijken
De Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp is voorzien van twee timers.
De eerste timer (t1) wordt geactiveerd in de standaardconfiguratie van de insulinepomp. Deze timer telt de dagen die resteren tot het einde van de looptijd. Als er nog 56 dagen* resteren tot het einde van de looptijd, geeft de insulinepomp dit aan met "Alarm A5: Nadering einde looptijd". Het symbool "t1" blijft ter herinnering op de display staan. Zo hebt u zeker voldoende tijd om de voortzetting van de insulinepomptherapie te plannen. Wanneer de resterende tijd op de teller van timer t1 is verstreken, treedt "Fout E5: Einde looptijd" op. De insulinepomp gaat naar de uitgangsstand STOP. De insulinepomp kan niet meer in de uitgangsstand RUN worden gezet.
De tweede timer (t2) wordt niet in de standaardconfiguratie van de insulinepomp geactiveerd.
Dit is een reservetimer die met behulp van het Accu-Chek DiaLog-programmeerhulpmiddel voor de insulinepomp kan worden geactiveerd door de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen of de medewerkers van uw zorgteam. Deze timer wordt in het algemeen gebruikt ter beperking van de gebruiksduur van een Accu-Chek D-TRONplus insuline-pomp die de gebruiker te leen of op proef heeft. Wanneer deze timer is geactiveerd, zorgen de ingestelde parameters ervoor dat voor t2 "Alarm A5: Nadering einde looptijd" en "Fout E5: Einde looptijd" optreden.
* Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp
** De piepsignalen treden alleen op als u ze niet hebt uitgeschakeld.
De tijd (in dagen) die resteert tot voor t1 of t2 "Fout E5: Einde looptijd" optreedt, kan te allen tijde in het SETUP menu worden bekeken.
Raadpleeg paragraaf 7.1.5 "Alarm A5: Nadering einde looptijd" en 7.2.5 "Fout E5: Einde looptijd" voor meer informatie.
Resterende looptijd bekijken

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand RUN bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Selecteer het SETUP menu door 9 maal op 📋 te drukken.

- Bevestig met √.

- Druk 6 maal op Ⓞ om de resterende tijd voor timer t1 te bekijken.

- Druk nogmaals op Ⓞ om de resterende tijd voor timer t2 te bekijken.
U kunt het SETUP menu op twee manieren afsluiten vanuit de display met de timer:
Mogelijkheid A

- Druk op ☐ totdat op de display "End" verschijnt.

- Druk op √ om het SETUP menu af te sluiten en terug te keren naar de uitgangsstand RUN.
Mogelijkheid B

Als u niet binnen 20 seconden* op een toets drukt, keert de insulin-pomp automatisch terug naar de uitgangsstand RUN (time-out).
6.10 Gegevensoverdracht
In het gegevensgeheugen van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp zijn de laatste 1400 gebeurtenissen (d.w.z. alarmen, fouten, instellingen en records van de insulin-toediening) opgeslagen. Deze 1400 gebeurtenissen komen ongeveer overeen met 90 gebruiksdagen. Het gegevensgeheugen kan met het Accu-Chek DiaLog-program-meerhulpmiddel voor de insulinepomp worden overgebracht naar een pc.
Via de ingebouwde infraroodinterface aan de onderkant van de insulinepomp kunnen gegevens draadloos worden verzonden van de insulinepomp naar de pc.
Zie de handleidingen van het Accu-Chek DiaLog-programmeerhulpmiddel voor de insulinepomp voor meer informatie over het gebruik van de gegevensoverdrachtfunctie.
Gegevensoverdracht vanuit de insulinepomp activeren

- Controleer of de insulinepomp zich in de uitgangsstand STOP bevindt en KeyLock uitgeschakeld is ofwel de toetsen gedeblokkeerd zijn.

- Selecteer de functie voor gegevensoverdracht door 4 maal op ☑ te drukken.

- Bevestig met √. De ingebouwde infrarode interface is nu geactiveerd en de insulinepomp is gereed voor de gegevensoverdracht.
De insulinepomp keert circa 15 minuten na de laatste gegevensoverdracht automatisch terug naar de uitgangsstand STOP. U kunt ook op✅ drukken om de insulinepomp te doen terugkeren naar de uitgangsstand STOP.
In dit hoofdstuk worden de volgende onderwerpen behandeld:
7.1 Overzicht van de alarmen
7.1.1 Alarm A1: Patroon bijna leeg
7.1.2 Alarm A2: Power Pack bijna leeg
7.1.3 Alarm A3: Instellen tijd/datum
7.1.4 Alarm A4: Alarm patroon/adapter
7.1.5 Alarm A5: Nadering einde looptijd
7.1.6 Alarm A6: Tijdelijke basale hoeveelheid afgebroken
7.1.7 Alarm A7: Einde tijdelijke basale hoeveelheid
7.1.8 Alarm A8: Bolus afgebroken
7.2 Overzicht van de fouten
7.2.1 Fout E1: Patroon leeg
7.2.2 Fout E2: Power Pack leeg
7.2.3 Fout E3: Automatisch uitgeschakeld
7.2.4 Fout E4: Verstopping
7.2.5 Fout E5: Einde looptijd
7.2.6 Fout E6: Mechanische fout
7.2.7 Fout E7: Elektronische fout
Lijst met alarm- en foutcodes op de achterzijde van de insulinepomp
| Fout | Alarm | 04516567001/V01/09.04 | |
| E1 | Patroon leeg | A1 | Patroon bijna leeg |
| E2 | PowerPack leeg | A2 | PowerPack bijna leeg |
| E3 | Automatisch uitgeschakeld | A3 | Instellen tijd/datum |
| E4 | Verstopping | A4 | Alarm patroon/adapter |
| E5 | Einde looptijd | A5 | Nadering einde looptijd |
| E6 | Mechanische fout | A6 | Tijdelijke basale hoeveelheid afgebroken |
| E7 | Elektronische fout | A7 | Einde tijdelijke basale hoeveelheid |
| A8 | Bolus afgebroken | ||
Alarmen en fouten
Alarmen (alarminstructies) en fouten (foutmeldingen) worden op de display weergegeven. Ze worden eerst gemeld door trilsignalen, gevolgd door een combinatie van trilsignalen en drie plus twee korte piepsignalen.
Trilsignalen: \~ \~ | \~ \~ enz. Piepsignalen: .... .. ... .. enz.

Informatie: Met het oog op uw veiligheid piept de insulinepomp bij alarmen en fouten alsook de STOP-waarschuwing altijd op de maximumsterkte, zelfs al is het volume van de piepsignalen uitgeschakeld.
Telkens wanneer de insulinepomp een alarm of fout meldt, dienen er twee stappen te worden doorlopen om het alarm te wissen.
- Schakel de piep- en trilsignalen uit door op √ te drukken. De alarm- of foutcode wordt wel nog steeds op de display weergegeven.
- Bevestig dat u de alarm- of foutcode hebt gezien en begrepen door nogmaals op √ te drukken.Neem eventueel de vereiste maatregelen.Als u het alarm of de fout hebt bevestigd, wordt de alarminformatie van de display gewist en blijft deze informatie alleen bewaard in het overzicht van alarmen en fouten en in het gebeurtenissengeheugen.
Als er meerdere alarmen en/of fouten tegelijk optreden, kunt u het eerste alarm of de eerste fout van de display wissen door eenmaal op √ te drukken. Nadat het eerste alarm of de eerste fout die is opgetreden, is gewist, wordt de bijbehorende informatie van de display gewist en wordt het volgende alarm of de volgende fout weergegeven op de display en met piep- en trilsignalen. Druk nogmaals op √ om het volgende alarm/de volgende fout te wissen. Alleen het laatste alarm en/of de laatste fout moet zowel worden uitgeschakeld als worden bevestigd door tweemaal op √ te drukken.
7.1 Overzicht van de alarmen
| Nr. | Betekenis alarm Te ondernemen actie | Pagina | |
| A1 | Patroon bijna leeg Schakel het alarm uit en bevestig het.Vervang de patroon voordat deze helemaal leeg is. | 136 | |
| A2 | Power Pack bijna leeg Schakel het alarm uit en bevestig het.Vervang de Power Pack binnen 24 uur. | 137 | |
| A3 | Instellen tijd/datum Schakel het alarm uit en bevestig het.Zet de insulinepomp in de uitgangsstand RUN.Stel in het SETUP menu de tijd en datum in. | 137 | |
| A4 | Alarm patroon/adapter Schakel het alarm uit en bevestig het.Zie paragraaf 7.1.4"Alarm A4: Alarm patroon/adapter" voor nadere informatie. | 138 | |
| A5(t1 of t2) | Nadering einde looptijd Schakel het alarm uit en bevestig het.Neem contact op met de Accu-Chek-klanten-service voor insulinepompen om te zorgen voor voortzetting van de insulinepomptherapie. | 143 | |
| A6 | Tijdelijke basale hoeveelheid afgebroken | Schakel het alarm uit en bevestig het.Zet de insulinepomp in de uitgangsstand RUN(indien nodig).Controleer of de annulering gewenst is en ste eventueel een nieuwe tijdelijke basale hoeveelheid in. | 143 |
| A7 | Einde tijdelijke basale hoeveelheid | Schakel het alarm uit en bevestig het.Stel vast of een tijdelijke wijziging van de basale hoeveelheid verder nog gewenst is en stel deze wijziging, indien nodig, in. | 144 |
| A8 | Bolus afgebroken Schakel het alarm uit en bevestig het.Zet de insulinepomp in de uitgangsstand RUN(indien nodig). Na deze opzettelijke annulering kunt u, indien nodig, een nieuwe bolus instellen. | 144 | |
Bevestiging van alarm

Let op: U schakelt een alarm uit door op √te drukken. Hierdoor worden de piep- en trilsignalen uitgeschakeld. De alarmcode blijft op de display staan. Bevestig dat u het alarm hebt gezien en begrepen en wis de alarminformatie van de display door nogmaals op √te drukken. De insulinepomp keert terug naar de uitgangsstand RUN of STOP. Aangezien een alarm niet duidt op een kritieke situatie, hoeven er niet onmiddellijk maatregelen te worden genomen. Als "Alarm A4: Alarm Patroon/adapter" optreedt, wordt u echter wel aangeraden onmiddellijk uw bloedsuikerspiegel te controleren en de gepaste maatregelen te nemen. U dient de Power Pack of patroon te vervangen zo spoedig mogelijk na het optreden van "Alarm A2: Power pack bijna leeg" of "Alarm A1: Patroon bijna leeg".
7.1.1 Alarm A1: Patroon bijna leeg
Als de resterende inhoud van de insulinepatroon 20 eenheden* is, treedt "Alarm A1: Patroon bijna leeg" op. Op de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp wordt dan aangegeven dat de patroon bijna leeg is. Vervang de patroon spoedig.
Onderneem de volgende stappen:

- Schakel het alarm uit en bevestig het door tweemaal op √ te drukken.
- Vervang de patroon voordat deze helemaal leeg is. Raadpleeg paragraaf 5.3 "Patroon, adapter en infusieset vervangen" voor meer informatie.
In de standaardconfiguratie van de insulinepomp is "Alarm A1: Patroon bijna leeg" ingesteld op 20 eenheden*.
7.1.2 Alarm A2: Power Pack bijna leeg
De Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp controleert de spanning van de Power Pack telkens voordat er insulin wordt toegediend (ten minste om de 3 minuten). Als deze spanning onder een bepaalde waarde terechtkomt, treedt "Alarm A2: Power Pack bijna leeg" op. Vervang de Power Pack binnen 24 uur.
Onderneem de volgende stappen:

- Schakel het alarm uit en bevestig het door tweemaal op √ te drukken.
- Vervang de Power Pack binnen 24 uur.
Raadpleeg paragraaf 3.1.2 "Power Pack vervangen" voor meer informatie.
7.1.3 Alarm A3: Instellen tijd/datum
Als de Power Pack langer dan een uur is verwijderd, kan het noodzakelijk zijn de datum en de tijd opnieuw in te voeren.
Onderneem de volgende stappen:

- Schakel het alarm uit en bevestig het door tweemaal op √ te drukken.
- Activeer de uitgangsstand RUN van de insulinepomp (druk op en √).
- Stel in het SETUP menu de tijd en datum in. Raadpleeg paragraaf 3.2 "Tijd en datum controleren of instellen" voor meer informatie.
7.1.4 Alarm A4: Alarm patroon/adapter
De unieke druksensor van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp meet voortdurend de druk die wordt uitgeoefend op de zuiger van de patroon. Met deze voorziening wordt vastgesteld of zich in de patroonhouder een patroon bevindt en of de adapter goed is aangesloten. De adapter zelf beschikt over een klep die voorkomt dat er ongecontroleerd insuline wordt toegediend. Als deze klep beschadigd is, treedt "Alarm A4: Alarm patroon/adapter" op.
Als de insulinepomp een thermische schok krijgt, dat wil zeggen dat het apparaat een snelle,aanzienlijke temperatuurdaling ondergaat, treedt "Alarm A4:Alarm patroon/adapter"op.Als de insulinetoediening wordt gehinderd door een lek in de patroon of de adapter, treedt "Alarm A4: Alarm patroon/adapter"op.
Dit alarm treedt ook op wanneer de insulinepomp wordt gestart zonder dat zich in de patroonhouder een patroon bevindt, wanneer de adapter niet goed is aangesloten, wanneer de aandrijfstang geen contact maakt met de zuiger van de patroon en wanneer de aandrijfstang onbedoeld wordt teruggedraaid.

Let op: Als "Alarm A4: Alarm patroon/adapter" optreedt, moet u uw bloedsui- kerspiegel onmiddellijk meten, omdat de toediening van insulinie mogelijk is onderbroken. Als uw bloedsuikerspiegel te hoog is, neemt u de gepaste maat- regelen overeenkomstig de instructies van uw zorgteam.
Als u een loskoppelbare infusieset hebt, onderneemt u de volgende stappen:

- Schakel het alarm uit en bevestig het door tweemaal op √ te drukken.
- Controleer uw bloedsuikerspiegel. Als deze te hoog is, neemt u de gepaste maatregelen overeenkomstig de instructies van uw zorgteam.
- Koppel de infusieset los van de infusieplaats.
- Als zich in de patroonruimte geen patroon bevindt: Verwijder de adapter en de slang van de infusieset uit de insuli- nepomp.
Voorzie de insulinepomp van een nieuwe patroon, adapter en slang voor de infusieset en vul de infusieset.
Raadpleeg hoofdstuk 4 "Patroon voorbereiden en adapter en infusieset aansluiten" voor meer informatie.
Sluit daarna de slang van de infusieset opnieuw aan en zet de insulinepomp in de uitgangsstand RUN (druk op ☐ en √).
- Als de adapter niet goed is aangesloten (terwijl de patroon is aan- gebracht): Verwijder de adapter en de slang van de infusieset uit de insulinepomp.
Voorzie de insulinepomp van een nieuwe adapter en slang voor de infusieset en vul de infusieset.
Raadpleeg hoofdstuk 4 "Patroon voorbereiden en adapter en infusieset aansluiten" voor meer informatie.
Sluit daarna de slang van de infusieset opnieuw aan en zet de insulinepomp in de uitgangsstand RUN (druk op ☐ en √).
-
Als de aandrijfstang onbedoeld wordt teruggedraaid of niet in contact staat met de zuiger van de patroon (terwijl adapter goed is aangesloten): Vul de infusieset totdat de aandrijfstang de zuiger van de patroon bereikt, sluit de slang van de infusieset opnieuw aan en zet de insulinepomp in de uitgangsstand RUN (druk op ☑ en √).
-
Als de patroon lekt (terwijl de aandrijfstang op zijn plaats zit): Verwijder de patroon, adapter en slang van de infusieset uit de insulinepomp.
Als de patroon stuk is of lekt, dient u de patroonhouder van de insulinepomp te reinigen en af te drogen.
Raadpleeg paragraaf 10.2.2."De insulinepomp" voor meer informatie.
Voorzie de insulinepomp van een nieuwe patroon, adapter en slang voor de infusieset en vul de infusieset.
Raadpleeg hoofdstuk 4 "Patroon voorbereiden en adapter en infusieset aansluiten" voor meer informatie.
Sluit daarna de slang van de infusieset opnieuw aan en zet de insulinepomp in de uitgangsstand RUN (druk op ☐ en √).
!
Let op: Patronen die stuk zijn, kunnen verwondingen veroorzaken (glassplinters).
i
Informatie: Insuline is te herkennen aan de unieke, door conserveringsmiddelen veroorzaakte geur. Een beschadigde patroon kan daardoor worden herkend door in de patroonruimte te ruiken om te onderzoeken of er insuline lekt.
- Als de adapter lekt (terwijl de patroon niet beschadigd is):
Verwijder de adapter en de slang van de infusieset uit de insulinepomp.
Voorzie de insulinepomp van een nieuwe adapter en slang voor de infusieset en vul de infusieset.
Raadpleeg hoofdstuk 4 "Patroon voorbereiden en adapter en infusieset aansluiten" voor meer informatie.
Sluit daarna de slang van de infusieset opnieuw aan en zet de insulinepomp in de uitgangsstand RUN (druk op ☐ en √).
Als "Alarm A4: Alarm patroon/adapter" opnieuw optreedt, herhaalt u dit proces met uit-sluitend nieuwe wegwerpartikelen (patroon, adapter, infusieset). Als "Alarm A4: Alarm patroon/adapter" opnieuw optreedt ondanks dat deze nieuwe componenten worden gebruikt, neem dan contact op met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen.
Als u een niet-loskoppelbare infusieset hebt, onderneemt u de volgende stappen:
84
- Schakel het alarm uit en bevestig het door tweemaal op √ te drukken.
- Controleer uw bloedsuikerspiegel. Als deze te hoog is, neemt u de gepaste maatregelen overeenkomstig de instructies van uw zorgteam.
-
Verwijder de infusieset van de infusieplaats.
-
Als zich in de patroonruimte geen patroon bevindt: Verwijder de adapter en infusieset uit de insulinepomp.
Voorzie de insulinepomp van een nieuwe patroon, adapter en infusieset en vul de infusieset.
Raadpleeg hoofdstuk 4 "Patroon voorbereiden en adapter en infusieset aansluiten" voor meer informatie. Activeer daarna de uitgangsstand RUN van de insulinepomp (druk op ☑ en √).
- Als de adapter niet goed is aangesloten (terwijl de patroon is aan- gebracht): Verwijder de adapter en infusieset uit de insulinepomp. Voorzie de insulinepomp van een nieuwe adapter en infusieset en vul de infusieset.
Raadpleeg hoofdstuk 4 "Patroon voorbereiden en adapter en infusieset aansluiten" voor meer informatie. Activeer daarna de uitgangsstand RUN van de insulinepomp (druk op ☑ en √).
- Als de aandrijfstang onbedoeld wordt teruggedraaid of niet in contact staat met de zuiger van de patroon (terwijl adapter goed is aangesloten): Verwijder de infusieset.
Voorzie de insulinepomp van een nieuwe infusieset en vul de infusieset.
Raadpleeg hoofdstuk 4 "Patroon voorbereiden en adapter en infusieset aansluiten" voor meer informatie. Activeer daarna de uitgangsstand RUN van de insulinepomp (druk op ☑ en √).
- Als de patroon lekt (terwijl de aandrijfstang op zijn plaats zit): Verwijder de patroon, adapter en infusieset uit de insulinepomp. Als de patroon stuk is of lekt, dient u de patroonruimte van de insulinepomp te reinigen en af te drogen.
Raadpleeg paragraaf 10.2.2 "De insulinepomp" voor meer informatie.
Voorzie de insulinepomp van een nieuwe patroon, adapter en infusieset en vul de infusieset.
Raadpleeg hoofdstuk 4 "Patroon voorbereiden en adapter en infusieset aansluiten" voor meer informatie. Activeer daarna de uitgangsstand RUN van de insulinepomp (druk op ☐ en √).

Let op: Patronen die stuk zijn, kunnen verwondingen veroorzaken (glassplinters).

Informatie: Insuline is te herkennen aan de unieke, door conserveringsmiddelen veroorzaakte geur. Een beschadigde patroon kan daardoor worden herkend door in de patroonruimte te ruiken om te onderzoeken of er insuline lekt.
- Als de adapter lekt (terwijl de patroon niet beschadigd is):
Verwijder de adapter en infusieset uit de insulinepomp.
Voorzie de insulinepomp van een nieuwe adapter en infusieset en vul de infusieset.
Raadpleeg hoofdstuk 4 "Patroon voorbereiden en adapter en infusieset aansluiten" voor meer informatie. Activeer daarna de uitgangsstand RUN van de insulinepomp (druk op ☐ en √).
Als "Alarm A4: Alarm patroon/adapter" opnieuw optreedt, herhaalt u dit proces met uit-sluitend nieuwe wegwerpartikelen (patroon, adapter, infusieset). Als "Alarm A4: Alarm patroon/adapter" opnieuw optreedt ondanks dat deze nieuwe componenten worden gebruikt, neem contact op met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen.
7.1.5 Alarm A5: Nadering einde looptijd
56 dagen voor het einde van de looptijd treedt "Alarm A5: Nadering einde looptijd" op.
Onderneem de volgende stappen:

- Schakel het alarm uit en bevestig het door tweemaal op √ te drukken. U keert terug naar de uitgangsstand RUN.Op de display verschijnt het symbool voor timer t1 of t2.
- Neem contact op met de Accu-Chek-klantenservice voor insulin-pompen om te zorgen voor voortzetting van de insulin-pomptherapie.
7.1.6 Alarm A6: Tijdelijke basale hoeveelheid afgebroken
"Alarm A6:Tijdelijke basale hoeveelheid afgebroken"treedt op wanneer een tijdelijke wijziging van de basale hoeveelheid (verhoging of verlaging) is geannuleerd. Raadpleeg paragraaf 6.3 "Tijdelijke basale hoeveelheid instellen" voor meer informatie.
Onderneem de volgende stappen:

- Schakel het alarm uit en bevestig het door tweemaal op √ te drukken.
- Zet de insulinepomp zo nodig in de uitgangsstand RUN (druk op ☐ en √).
- Controleer of de annulering gewenst is en stel eventueel een nieuwe tijdelijke basale hoeveelheid in.
7.1.7 Alarm A7: Einde tijdelijke basale hoeveelheid
"Alarm A7: Einde tijdelijke basale hoeveelheid" treedt op wanneer een tijdelijke basale hoeveelheid is beëindigd. Zodra het alarm is opgetreden, wordt de oorspronkelijke basale hoeveelheid (100%) automatisch hersteld.
Onderneem de volgende stappen:
8 7
- Schakel het alarm uit en bevestig het door tweemaal op √ te drukken.
- Stel vast of een tijdelijke wijziging van de basale hoeveelheid verder nog gewenst is en stel deze wijziging, indien nodig, in.
7.1.8 Alarm A8: Bolus afgebroken
Als na aanvang van de bolustoediening de bolus wordt geannuleerd, wordt de toediening geannuleerd en treedt "Alarm A8: Bolus afgebroken" op.
Raadpleeg paragraaf 5.2 "Bolus instellen" voor meer informatie.
Onderneem de volgende stappen:

8 8 _△
- Schakel het alarm uit en bevestig het door tweemaal op √ te drukken.
- Zet de insulinepomp zo nodig in de uitgangsstand RUN (druk op ☐ en ⚙).
- Na deze opzettelijke annulering kunt u, indien nodig, een nieuwe bolus instellen.
In het bolusoverzicht kunt u zien welke bolushoeveelheid er is toegediend. Raadpleeg paragraaf 6.1.1 "Bolusoverzicht bekijken" voor meer informatie.
7.2 Overzicht van de fouten
| Nr. | Betekenis fout Te ondernemen actie | Pagina |
| E1 | Patroon leeg Schakel de fout uit en bevestig deze.Zie paragraaf 7.2.1 "Fout E1: Patroon leeg" voor meer informatie.Zet de insulinepomp in de uitgangsstand RUNals u klaar bent. | 146 |
| E2 | Power Pack leeg Schakel de fout uit en bevestig deze.Zie paragraaf 7.2.2 "Fout E2: Power Pack leeg" voor meer informatie.Zet de insulinepomp in de uitgangsstand RUNals u klaar bent. | 147 |
| E3 | Automatisch uitgeschakeld Schakel de fout uit en bevestig deze.Zet de insulinepomp in de uitgangsstand RUN. | 147 |
| E4 | Verstopping Schakel de fout uit en bevestig deze.Zie paragraaf 7.2.4 "Fout E4: Verstopping" voor meer informatie.Zet de insulinepomp in de uitgangsstand RUNals u klaar bent. | 148 |
| E5(t1 of t2) | Einde looptijd Schakel de fout uit en bevestig deze.Zie paragraaf 7.2.5 "Fout E5: Einde looptijd" voor meer informatie. | 150 |
| E6 | Mechanische fout Schakel de fout uit en bevestig deze.Zie paragraaf 7.2.6 "Fout E6: Mechanische fout" voor meer informatie. | 150 |
| E7 | Elektronische fout Zie paragraaf 7.2.7 "Fout E7: Elektronische fout" voor meer informatie. | 151 |
Bevestiging van een fout

Let op: U schakelt een fout uit door op √ te drukken. Hierdoor worden de piepen trilsignalen uitgeschakeld. De foutcode blijft op de display staan. Bevestig dat u de fout hebt gezien en begrepen en wis de foutinformatie van de display door nogmaals op √ te drukken. De insulinepomp bevindt zich in de uitgangsstand STOP.

Let op: Nadat zich een fout heeft voorgedaan, bevindt de insulinepomp zich in de uitgangsstand STOP, zodat de toediening van de insuline wordt onderbroken. U kunt de toediening in stand houden door onmiddellijk te reageren volgens de instructies die voor elke foutcode worden gegeven.
7.2.1 Fout E1: Patroon leeg
Als de patroon leeg is, treedt "Fout E1: Patroon leeg" op. Op de insulinepomp wordt dan aangegeven dat de patroon leeg is. Vervang de patroon onmiddellijk.
Onderneem de volgende stappen:

- Schakel de fout uit en bevestig deze door tweemaal op √te drukken.
- Vervang de patroon.
Raadpleeg paragraaf 5.3 "Patroon, adapter en infusieset vervangen" voor meer informatie. - Activeer daarna de uitgangsstand RUN van de insulinepomp (druk op ☐ en √).
7.2.2 Fout E2: Power Pack leeg
De insulinepomp controleert de spanning van de Power Pack telkens voordat er insulin wordt toegediend (ten minste om de 3 minuten). Als deze spanning onder een bepaalde waarde terechtkomt, treedt "Fout E2:Power Pack leeg" op. Vervang de Power Pack onmid-dellijk.
Onderneem de volgende stappen:

- Schakel de fout uit en bevestig deze door tweemaal op √ te drukken.
- Vervang de Power Pack. Raadpleeg paragraaf 3.1.2 "Power Pack vervangen" voor meer informatie.
- Activeer daarna de uitgangsstand RUN van de insulinepomp (druk op ☐ en √).
7.2.3 Fout E3: Automatisch uitgeschakeld
Deze veiligheidsfunctie onderbreekt de toediening van de insuline als er niet binnen een specifiek tijdsinterval op een toets wordt gedrukt.
Onderneem de volgende stappen:

- Schakel de fout uit en bevestig deze door tweemaal op √te drukken.
- Activeer de uitgangsstand RUN van de insulinepomp (druk op ☑ en Ⓨ).

Let op: Bespreek zo nodig de duur van de functie automatische uitschakeling met uw arts of zorgteam.
7.2.4 Fout E4: Verstopping
De unieke krachtsensor in de insulinepomp meet voortdurend de drukverhoudingen binnen het systeem en genereert "Fout E4: Verstopping" als een vooraf vastgestelde waarde wordt overschreden. De toediening van de insuline wordt onderbroken en de insuline-pomp gaat naar de uitgangsstand STOP.

Let op: Als "Fout E4: Verstopping" optreedt, moet u uw bloedsuikerspiegel onmiddellijk controleren. De toediening van de insulin is mogelijk al uren onderbroken. Als uw bloedsuikerspiegel te hoog is, neemt u de gepaste maatregelen overeenkomstig de instructies van uw zorgteam.
Onderneem de volgende stappen:

- Schakel de fout uit en bevestig deze door tweemaal op √te drukken.
- Infusieset vervangen.
Raadpleeg paragraaf 5.5 "Alleen infusieset vervangen" voor meer informatie. - Activeer daarna de uitgangsstand RUN van de insulinepomp (druk op ☐ en √).
Als de verstopping in de infusieset zat, geeft de insulinepomp nu weer insuline af. Als daarentegen de verstopping in de adapter zit, treedt "Fout E4: Verstopping" opnieuw op en moeten de adapter en infusieset worden vervangen.

- Schakel de fout uit en bevestig deze door tweemaal op √te drukken.
- Adapter en infusieset vervangen.
Raadpleeg paragraaf 5.4 "Adapter en infusieset vervangen" voor meer informatie. - Activeer daarna de uitgangsstand RUN van de insulinepomp (☑ en Ⓨ).
Hoewel dit zelden voorkomt, kan de patroon zelf ook de oorzaak van de geconstateerde fout zijn. Als "Fout E4:Verstopping"opnieuw optreedt nadat de beschreven maatregelen zijn genomen, dient het hele systeem (patroon, adapter en infusieset) te worden vervangen.

- Schakel de fout uit en bevestig deze door tweemaal op √te drukken.
- Patroon, adapter en infusieset vervangen.
Raadpleeg paragraaf 5.3 "Patroon, adapter en infusieset vervangen" voor meer informatie.
- Activeer daarna de uitgangsstand RUN van de insulinepomp (druk op ☐ en √).

Informatie: Als "Fout E4: Verstopping" regelmatig optreedt, kunt u de onderstaande suggesties proberen.

Informatie: Als "Fout E4: Verstopping" optreedt tijdens de toediening van een bolus: Gebruik in plaats van de standaard- of scrollbolus de functie voor de vertraagde bolus met een korte bolusduur of verdeel de bolushoeveelheid over kleinere porties, die u afzonderlijk laat toedienen.

Informatie: Als "Fout E4: Verstopping" optreedt tijdens de toediening van de basale hoeveelheid: Verwijder de infusieset of koppel deze los, draai de adapter in de stand voor aanbrengen en dan weer terug in de stand voor vastzetten en voorzie de insulinepomp van een nieuwe infusieset of sluit deze weer aan.
Als al deze maatregelen niet helpen en "Fout E4: Verstopping" zich blijft voordoen, moet u contact opnemen met uw arts of zorgteam om een alternatieve behandeling te bespreken. Neem voor instructies contact op met de Accu-Chek-klantenservice voor insulin-pompen.
7.2.5 Fout E5: Einde looptijd
56 dagen voor het einde van de looptijd treedt "Alarm A5: Nadering einde looptijd" op.
Wanneer de resterende looptijd is verstreken, treedt "Fout E5: Einde looptijd" op. De insulinepomp gaat naar de uitgangsstand STOP. De insulinepomp kan niet meer in de uitgangsstand RUN worden gezet.
Zie paragraaf 6.9 "Resterende looptijd bekijken" voor meer informatie.
Onderneem de volgende stappen:

- Schakel de fout uit en bevestig deze door tweemaal op ☑te drukken.
De insulinepomp bevindt zich in de uitgangsstand STOP. 0 p de display verschijnt het symbool voor timer t1 of t2. - Verwijder de infusieset van de infusieplaats (of koppel de set los).
- Verwijder de patroon, adapter, infusieset en Power Pack uit de insulinepomp.
- Neem contact op met uw zorgteam om een alternatieve behandeling te bespreken.
- Neem voor instructies contact op met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen.
Telkens wanneer insuline wordt toegediend (om de drie minuten) en telkens wanneer u de insulinepomp omschakelt naar de uitgangsstand RUN of STOP en telkens wanneer de aandrijfstang wordt teruggedraaid, worden alle mechanische parameters gecontroleerd door het beveiligingssysteem van de insulinepomp. Als er tijdens dit proces een mechanische fout wordt ontdekt, wordt de toediening van de insuline stopgezet en treedt "Fout E6: Mechanische fout" op.
Onderneem de volgende stappen:

- Schakel de fout uit en bevestig deze door tweemaal op √ te drukken.
- Verwijder de infusieset van de infusieplaats (of koppel de set los).
- Verwijder de patroon, adapter en infusieset (slang) uit de insulinepomp.
- Draai de aandrijfstang terug.
Controleer of de aandrijfstang volledig is teruggedraaid. Als dat niet het geval is, herhaalt u deze handeling. - Voorzie de insulinepomp van een nieuwe patroon, adapter en infusieset (slang).
Raadpleeg hoofdstuk 4 "Patroon voorbereiden en adapter en infusieset aansluiten" voor meer informatie. - Daarna (sluit u de slang van de infusieset opnieuw aan en) zet u de insulinepomp in de uitgangsstand RUN (druk op ☐ en √).
Herhaal deze stappen als "Fout E6: Mechanische fout" opnieuw optreedt. Als "Fout E6: Mechanische fout" ondanks deze maatregelen een derde maal optreedt, moet u contact opnemen met uw arts of zorgteam om een alternatieve behandeling te bespreken. Neem voor instructies contact op met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen.
Het veiligheidssysteem van de insulinepomp houdt continu de werking van de insuline-pomp in de gaten. Als er tijdens dit proces een fout wordt ontdekt, wordt de toediening van de insuline stopgezet en treedt "Fout E7: Elektronische fout" op.
Als de display beschadigd is, is de foutcode mogelijk niet zichtbaar. Wél geeft de insulinepomp piep- en trilsignalen.
Onderneem de volgende stappen:

- Verwijder de infusieset van de infusieplaats (of koppel de set los).
- Verwijder de Power Pack en breng deze na enkele seconden weer aan.
Raadpleeg paragraaf 3.1.1 "Power Pack plaatsen" voor meer informatie. - Sluit de infusieset weer aan of gebruik hiervoor een nieuwe infusieset.
Raadpleeg paragraaf 5.5 "Alleen infusieset vervangen" voor meer informatie. - Activeer daarna de uitgangsstand RUN van de insulinepomp (druk op ☐ en √).

Let op: Nadat de Power Pack is geplaatst, draait mogelijk de aandrijfstang terug. Is dat het geval en gebruikt u een loskoppelbare infusieset, dan dient u deze los te koppelen, te vullen en weer aan te sluiten.
Is dat het geval en gebruikt u een niet-loskoppelbare infusieset, dan dient u deze te vervangen.
Raadpleeg paragraaf 5.5 "Alleen infusieset vervangen" voor meer informatie.

Informatie: Als "Fout E7: Elektronische fout" optreedt tijdens tijdens het instellen (van bijv. basale hoeveelheid, tijd en datum), dient u de Power Pack te vervangen en daarna uw parameters te controleren.

Informatie: Als "Fout E7: Elektronische fout" optreedt, dient u, alvorens contact op te nemen met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen, de Power Pack te verwijderen en weer aan te brengen.

Informatie: Als "Fout E7: Elektronische fout" opnieuw optreedt, moet u contact opnemen met uw arts of zorgteam om een alternatieve behandeling te bespreken. Neem voor instructies contact op met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen.
In dit hoofdstuk worden de volgende onderwerpen behandeld:
8.1 Therapiesituaties
8.1.1 Problemen met verhoogde bloedglucosewaarden (hyperglykemie) oplossen
8.1.2 Problemen met verlaagde bloedglucosewaarden (hypoglykemie) oplossen
8.1 Therapiesituaties

Waarschuwing: Onderstaande oplossingen zijn enkel suggesties. Pas deze procedures niet toe zonder instemming van uw arts en/of zorgteam. Volg de aanbevelingen van uw arts en/of zorgteam altijd op.
In deze paragraaf wordt een aantal mogelijke oorzaken van hyperglykemie en hypoglykemie en mogelijke oplossingen beschreven.
Het betreft slechts suggesties. Volg de aanbevelingen van uw zorgteam altijd op.
8.1.1 Problemen met verhoogde bloedglucosewaarden oplossen (hyperglykemie) Insuline
| Oorzaken met betrekking tot insuline | Voorgestelde maatregelen |
| Maaltijdbolus vergeten of bolus te lang na maaltijd toegediend | Controleer het bolusoverzicht om te bekijken of er daadwerkelijk een bolus ontbreekt. Stem de tijd van de maaltijdbolus af op de tijd waarop de insuline begint te werken of volg de aanbevelingen van uw zorgteam op. |
| Niet goed werkende of te oude insuline | Controleer de houdbaarheidsdatum van de insuline. Bewaar gevulde patronen of flesjes volgens de gebruiksinstructies van de fabrikant van de insuline. Kortwerkende insuline en snelwerkende insuline-analoog in concentraties van U100 moet er bij inspectie helder uitzien. Als u geen voorgevulde patronen gebruikt, pakt u een nieuw flesje insuline. |
| Insuline past niet bij voedsel | Controleer de bolushoeveelheid in het bolus-overzicht en voer opnieuw een berekening uit. Vraag uw zorgteam of de insuline-/koolhydraat-verhouding eventueel moet worden gewijzigd. |
| Oorzaken met betrekking tot insulinepomp of infusieset | Voorgestelde maatregelen |
| Bloed in slang | Vervang de infusieset en kies een andere infusieplaats. |
| Infusieset is los of van plaats af geraakt | Trek ter controle van de veiligheid aan de verbindingen. Controleer of er natte plekken zijn ontstaan doordat er insulin is weggelekt. Controleer uw bloedsuikerspiegel. |
| Lege of opnieuw gebruikte patroon | Vervang de patroon. Patronen mogen maar één keer worden gebruikt. Gebruik patronen niet opnieuw. |
| Vullen is niet voltooid | Ga altijd door met vullen totdat er insulin uit het uiteinde van de slang komt en zich in de slang geen lucht meer bevindt. |
| Onjuiste instelling tijd | Als de tijd niet klopt, kan er geen juiste basale hoeveelheid per uur worden toegediend. Controleer de tijd regelmatig en altijd wanneer u de Power Pack vervangt. |
| Onjuiste instellingen of basale snelheden passen niet bij behoefte | Controleer altijd de wijzigingen die in de basale hoeveelheid worden aangebracht. Vraag uw zorgteam of de hoeveelheid eventueel moet worden aangepast. |
| Grote luchtbellen in patroon of slang | Koppel de infusieset los en vul deze, zodat de lucht wordt verwijderd, of vul een nieuwe, vervangende patroon. Controleer of alle verbindingen goed vastzitten. |
| Lekkage in systeem | Kijk en voel bij alle verbindingen en op de huid of er natte plekken zijn ontstaan doordat er insulin is weggelekt. |
| Verstopping in systeem | Vervang de infusieset, de patroon en de adapter en kies een andere infusieplaats. |
| Gebrekkige resorptie | Kies infusieplaatsen zonder littekenweefsel, kneu-zingen of weefselverdikkingen. Gebruik infusiesets of infusieplaatsen niet langer dan aanbevolen. |
| Overige oorzaken | Voorgestelde maatregelen |
| Verminderde activiteit, ziekte of stress | Vraag uw zorgteam of de tijdelijke basale hoeveelheid moet worden verhoogd. |
| Insulinepomp langere tijd in de uitgangsstand STOP | Vraag uw zorgteam hoe lang de insulinepomp losgekoppeld mag zijn en bespreek een alternatieve behandeling. |
| Andere medicatie naast insuline | Naast insuline kan ook andere medicatie invloed hebben op uw bloedsuikerspiegel. Vraag uw apotheker of arts of dit ook kan gelden voor de medicatie die u gebruikt, en vraag op welke manier hoeveelheden overeenkomstig kunnen worden aangepast. |
| Excessieve stijging van verlaagde bloedglucosewaarden of dawn phenomenon (verschijnsel waar-bij glucosewaarden in de vroege ochtenduren stijgen). | Bespreek met uw zorgteam het opnieuw maken van een berekening voor de controle van de bloedglucose en 's nachts toe te dienen basale hoeveelheden. |
8.1.2 Problemen met verlaagde bloedglucosewaarden oplossen (hypoglykemie)
| Oorzaken met betrekking tot insuline | Voorgestelde maatregelen |
| Alcoholconsumptie | Zorg ervoor dat u voedsel tot zich neemt wanneer u alcohol nuttigt. Voer vaker bloedglucosemetingen uit. Het is namelijk mogelijk dat hypoglykemie pas veel later optreedt. |
| Basale hoeveelheden te groot | Vraag uw zorgteam of de basale hoeveelheid kan worden aangepast als u geen maaltijd kan overslaan zonder dat hypoglykemie optreedt. |
| Bolusdosis te hoog voor hoeveelheid voedsel | Controleer de bolushoeveelheid in het bolusoverzicht en voer opnieuw een berekening uit. Vraag uw zorgteam of de insulin-/koolhydraatverhouding eventueel moet worden gewijzigd. |
| Tijdelijke basale hoeveelheid te groot | Voer opnieuw een berekening uit voor het percentage waarmee de basale hoeveelheid voor het activiteitsniveau moet worden gewijzigd. Raadpleeg uw zorgteam. |
| Oorzaken met betrekking tot insulinepomp of infusieset | Voorgestelde maatregelen |
| Loskoppeling infusieset bij uiteinde luer lock-aansluiting terwijl set op lichaam is aangesloten | Koppel de set los bij de infusieplaats wanneer u de patroon, adapter of infusieset vervangt. Wanneer u deze loskoppelt bij het luer lock (adapter)-uiteinde, kan onbedoeld insuline worden toegediend. |
| Onjuiste instellingen of basale snelheden passen niet bij behoefte | Controleer altijd de wijzigingen die in de basale hoeveelheid worden aangebracht. Vraag uw zorgteam of de hoeveelheid eventueel moet worden aangepast. |
| Onjuiste instelling tijd | Als de tijd niet klopt, kan er geen juiste basale hoe-veelheid per uur worden toegediend. Controleer de tijd regelmatig en altijd wanneer u de Power Pack vervangt. |
| Vullen van infusieset terwijl deze op lichaam is aangesloten | Bij automatisch vullen worden 25 eenheden*insuline uit de patroon toegediend. Vul de infusieset nooit terwijl de deze op uw lichaam aangesloten is; er kan dan onbedoeld insulin worden toegediend. |
| Overige oorzaken | Voorgestelde maatregelen |
| Verhoogde lichamelijke activiteit | De meeste mensen hebben minder behoefte aan insuline wanneer ze actiever zijn. Overleg met uw zorgteam of u bij een verhoogde activiteit minder insuline moet toedienen door de tijdelijke basale hoeveelheid te verlagen. |
| Andere medicatie naast insuline | Naast insuline kan ook andere medicatie invloed hebben op uw bloedsuikerspiegel. Vraag uw apotheker of arts of dit ook kan gelden voor de medicatie die u gebruikt, en vraag op welke manier hoeveelheden overeenkomstig kunnen worden aangepast. |
* Het is mogelijk dat deze parameter afwijkt. Dit is afhankelijk van de standaardconfiguratie van de insulinepomp en de wijzigingen die zijn aangebracht met behulp van DiaLog.
In dit hoofdstuk worden de volgende onderwerpen behandeld:
9.1 Aanbevelingen voor dagelijks gebruik
9.2 Onderbreking van de insulinepomptherapie
9.3 De insulinepomp en water
9.4 Elektromagnetische velden en gevaarlijke gebieden
9.5 Sport
9.6 Reizen
9.1 Aanbevelingen voor dagelijks gebruik

Waarschuwing: Om de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp goed te (leren) gebruiken hebt u de hulp van een ervaren arts en/of uw zorgteam nodig. Regelmatige bezoeken aan uw arts en/of zorgteam zijn absoluut noodzakelijk zolang u met de insulinepomp wordt behandeld. Wijzig de persoonlijke instellingen alleen in overleg met uw arts en/of zorgteam. Volg altijd de instructies van uw arts en/of zorgteam op.
De insulinepomptherapie heeft alleen kans van slagen als u de bloedglucosewaarden zelf regelmatig controleert, dat wil zeggen minimaal vier keer per dag of zo vaak als wordt voorgeschreven door uw zorgteam.
9.2 Onderbreking van de insulinepomptherapie
Vraag uw zorgteam hoe vaak en hoe lang de pomptherapie mag worden onderbroken.
Korte onderbrekingen
- Zet de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp in de uitgangsstand STOP.
- Verwijder de infusieset of koppel deze los en sluit de adapter af met het meegeleverde afsluitdopje. Als u een loskoppelbare infusieset gebruikt, moet u deze loskoppelen bij de infusieplaats en moet u de meegeleverde beschermkapjes op de connectors aanbrengen.
- Schakel desgewenst de STOP-waarschuwing uit.
Raadpleeg paragraaf 5.1 "Insulinetoediening starten en stopzetten" voor meer informatie.
Meet uw bloedglucosewaarden regelmatig tijdens de onderbreking. Gebruik een spuit of insulinepen om insuline te injecteren en ga hierbij te werk volgens de instructies van uw zorgteam.
Voortzetting van de pomptherapie
- Bevestig een nieuwe infusieset en vul de set alvorens deze aan te brengen. Bij gebruik van een loskoppelbare infusieset, sluit u de slang weer aan. (Er is geen bolus voor de lucht in de canule vereist wanneer u weer aan-sluit!)
- Activeer de uitgangsstand RUN van de insulinepomp (druk op ☐ en √).
Meet uw bloedglucosewaarden binnen twee uur om te controleren of het systeem werkt en de insuline correct wordt toegediend.
Langdurige onderbreking van het gebruik van de insulinepomp

Waarschuwing: Neem contact op met uw arts en/of zorgteam om een alternatieve behandeling te bespreken als u de insulinepomptherapie langere tijd onderbreekt.
Als u een andere Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp gebruikt, moet u eerst uw persoonlijke instellingen controleren voordat u insulin gaat toedienen. Als u dat niet doet, wordt mogelijk een onjuiste hoeveelheid insulin teegediend. Zorg ervoor dat de tijd en datum goed zijn ingesteld.
Bij onderbrekingen van de bediening gedurende meer dan één dag, bijvoorbeeld:
- Als u de insulinepomp niet wilt dragen, bijvoorbeeld wanneer u in een zeer warm en zonnig klimaat buiten bent (om te voorkomen dat de insuline te warm wordt) of op het strand (om te voorkomen dat er zand in de insuline-pomp komt).
- Zet de insulinepomp in de uitgangsstand STOP (druk tweemaal op ☑ en eenmaal op ⏻).
- Verwijder de infusieset, adapter en patroon.
- Verwijder de Power Pack en plaats de dopjes voor de houders van de patroon en de Power Pack.
- Berg de insulinepomp op een geschikte manier op.
Raadpleeg paragraaf 10.3 "De insulinepomp opbergen" voor meer informatie. Zo nodig kunt u de insulinepomp ook naar de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen sturen.
Raadpleeg paragraaf 10.1 "Reparatie" en 10.6 "Verpakking en retourzending van de insulinepomp" voor meer informatie.
9.3 De insulinepomp en water
Vermijd opzettelijke onderdompeling in water

Let op: De insulinepomp is waterdicht. Vermijd echter opzettelijke onderdom-peling in water, bijvoorbeeld in bad, bij het douchen, zwemmen of andere activ- viteiten in het water.Inspecteer de insulinepomp onmiddellijk nadat deze onbe-doeld in water terecht is gekomen.
Het wordt aanbevolen om de insulinepomp los te koppelen voordat u deelneemt aan activiteiten in het water.
Controleer de insulinepomp regelmatig op scheurtjes en barsten. Als het apparaat valt, kunnen de insulinepomp en de waterafdichting beschadigd raken.
Als de pomp scheurtjes, barsten of andere beschadigingen vertoont, kan water van buitenaf in de insulinepomp terechtkomen. Dit kan tot defecten leiden.
Te ondernemen actie na onderdompeling in water
Zet de insulinepomp in de uitgangsstand STOP. Koppel de insulinepomp los voordat u deze inspecteert. Gebruik een zachte doek om de behuizing van de insulinepomp aan de buitenkant af te drogen. Controleer de Power Pack en de patroonruimte op binnenge-drongen water. Als de Power Pack- of de patroonruimte nat is, draait u de insulinepomp ondersteboven om het water te laten weglopen en laat u de pomp vervolgens drogen. Gebruik geen warme lucht (bijvoorbeeld van een föhn) om te drogen. Hierdoor kan de interne elektronica van de insulinepomp beschadigd raken.
Breng de Power Pack of de patroon niet aan voordat de ruimten helemaal droog zijn.
Neem contact op met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen als u hierover nog vragen hebt.
Raadpleeg paragraaf 10.2 "Onderhoud en reiniging" voor meer informatie.
9.4 Elektromagnetische velden en gevaarlijke gebieden
Tests hebben uitgewezen dat de insulinepomp voldoet aan de voorschriften met betrekking tot onbedoelde elektromagnetische interferentie. De beveiligingssystemen bij controles op vliegvelden en de antidiefstalsystemen in warenhuizen en winkels zullen de werking van de insulinepomp waarschijnlijk niet beïnvloeden.
Door de grote verscheidenheid aan apparaten met elektromagnetische straling (bijv. mobiele telefoons) kan (wederzijdse) interferentie tussen deze apparaten en de insuline-pomp niet volledig worden uitgesloten. Houd de insulinepomp daarom op ten minste 20 cm afstand van het andere, ingeschakelde apparaat.
De norm betreffende de elektromagnetische compatibiliteit van medische apparatuur (EN 60601-1-2) vereist de specificatie van daarmee overeenstemmende niveaus die van toepassing zijn op gespecificeerde elektromagnetische interferenties.
Richtlijnen en verklaring van de fabrikant – elektromagnetische emissie
| De Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp is bestemd voor gebruik in een elektromagnetische omgeving zoals hieronder omschreven. De cliënt of de gebruiker van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp moet garanderen dat het apparaat wordt gebruikt in een dergelijke omgeving. | ||
| Emissietest | Voldoet aan | Elektromagnetische omgeving – richtlijnen |
| RF-emissie CISPR 11 | Groep 1 | De Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp maakt alleen voor de interne functie gebruik van RF-energie. De RF-emissie is daarom uiterst laag en zal waarschijnlijk geen interferentie veroorzaken in elektronische apparatuur die zich in de omgeving bevindt. |
| RF-emissie CISPR 11 | Klasse B | De Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp is geschikt voor gebruik in alle locaties, waaronder woonlocaties en locaties die rechtstreeks zijn aangesloten op het publieke laagspanningsnet dat gebouwen die worden gebruikt voor woon-doeleinden, van stroom voorziet. |
| Harmonische emissie EN 61000-3-2 | niet van toepassing | - |
| Spanningsfluctuaties/ flikkering EN 61000-3-3 | niet van toepassing | - |
Richtlijnen en verklaring van de fabrikant – elektromagnetische immuniteit
| De Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp is bestemd voor gebruik in een elektromagnetische omgeving zoals hieronder omschreven. De cliënt of de gebruiker van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp moet garanderen dat het apparaat wordt gebruikt in een dergelijke omgeving. | |||
| Immuniteitstest | EN 60601 testniveau | Mate van over-eenstemming | Elektromagnetische omgeving – richtlijnen |
| Elektrostatische ontlading EN 61000-4-2 | ± 6 kV contact ± 8 kV lucht | ± 8 kV contact ± 15 kV lucht (EN 60601-2-24) | Vermijd contact met synthetische materialen. Een relatieve vochtig-heid van 10% geeft een grotere kans op elektrostatische ontlading. |
| Stroomstoot/elek trische burst EN 61000-4-4 | ± 2 kV voor elektrische leidingen ± 1 kV voor ingangs/uitgangslijnen | niet van toepassing | De netspanning moet van dezelfde kwaliteit zijn als in bedrijven of ziekenhuizen. |
| Spanningspieken EN 61000-4-5 | ± 1 kV differentiële modus ± 2 kV algemene modus | niet van toepassing | De netspanning moet van dezelfde kwaliteit zijn als in bedrijven of ziekenhuizen. |
| Spannings-dalingen, kortstondige onderbrekingen en spannings-verschillen in ingangslijnen voor stroom-toevoer EN 61000-4-11 | < 5% UT (> 95% daling in UT) gedurende 0.5 cyclus 40% UT (60% daling in UT) gedurende 5 cyclus 70% UT (30% daling in UT) gedurende 25 cyclus < 5% UT (> 95% daling in UT) gedurende 5 sec | niet van toepassing | De netspanning moet van dezelfde kwaliteit zijn als in bedrijven of ziekenhuizen. Indien de gebruiker van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp het apparaat wil blijven gebruiken tijdens stroomstoringen, dan wordt aanbevolen de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp van stroom te voorzien via een ononderbreekbare stroombron of via een batterij. |
| Netfrequentie (50/60Hz) magnetische velden EN 61000-4-8 | 3 A/m | 400 A/m (EN 60601-2-24) | Magnetische velden op netfre-quentie moeten een niveau hebben zoals in bedrijven en ziekenhuizen gebruikelijk is. |
| Opmerking: UT is de wisselstroomspanning vóór toepassing van het testniveau. | |||
Richtlijnen en verklaring van de fabrikant – elektromagnetische immuniteit
| De Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp is bestemd voor gebruik in een elektromagnetische omgeving zoals hieronder omschreven. De cliënt of de gebruiker van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp moet garanderen dat het apparaat wordt gebruikt in een dergelijke omgeving. | |||
| Immuniteits-test | EN 60601 testniveau | Mate van over-eenstemming | Elektromagnetische omgeving – richtlijnen |
| Geleide RF EN 61000-4-6 | 3 Vrms150 kHz tot80 MHz | niet van toepassing | geen galvanische gekoppelde poorten |
| RF-straling EN 61000-4-3 | 3 V/m80 MHz tot2.5 GHz | 10 V/m80 MHz tot2.5 GHz(EN 60601-2-24) | Bij het gebruik van draagbare en mobiele RF-communicatieapparatuur dient ten opzichte van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp, met inbegrip van de kabels, de aanbevolen afstand in acht te worden genomen die wordt berekend aan de hand van de vergelijking die van toepassing is op de frequentie van het zendapparaat.Aanbevolen afstand: d = 3.5 \ E1 · 80 MHz tot 800 MHz d = 7 \ E1 · 800 MHz tot 2.5 GHzwaarbij P het maximale uitgangsvermogen van het zendapparaat is in Watt (W) volgens de fabrikant van het zendapparaat en waarbij d de aanbevolen afstand is in meters (m). |
| Opmerking 1:Bij 80 MHz en 800 MHz geldt de afstand voor het hoogste frequentiebereik.Opmerking 2:Deze richtlijnen gelden mogelijk niet in alle situaties. Elektromagnetische voortplanting wordt beïnvloed door de absorptie en reflec-tie van structuren, objecten en mensen. | De veldsterkte van vaste zendapparaten, zoals bepaald bij een elektromagnetisch onderzoek ter plaatsea, dient lager te zijn dan het over-eenstemmingsniveau binnen elk frequentiebe-reikb.Interferentie kan optreden in de buurt van apparatuur met de aanduiding:![]() | ||
a De veldsterkte van vaste zendapparaten, zoals basisstations voor radiotelefoons (draagbaar/draadloos) en landmobiele radio's, amateurradio, AM- en FM-radio-uitzendingen en televisieuitzendingen kan niet nauwkeurig theoretisch worden voorspeld. Ter beoordeling van de elektromagnetische omgeving die te wijten is aan vaste RF-zendapparaten, moet worden overwogen ter plaatse een elektromagnetisch onderzoek uit te voeren. Indien de gemeten veldsterkte op de locatie waarop de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp wordt gebruikt, hoger is dan het geldende RF-overeenstemmingsniveau hierboven, moet worden gecontroleerd of de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp normaal functioneert. Indien een abnormale werking wordt geconstateerd, zijn mogelijk aanvullende maatregelen nodig, zoals het draaien of verplaatsen van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp.
b Binnen het frequentiebereik 150 kHz tot 80 MHz dienen de veldsterkten kleiner te zijn dan 10 V/m.
Aanbevolen afstand tussen draagbare en mobiele
RF-communicatieapparatuur en de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp
| De Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp is bestemd voor gebruik in een elektromagnetische omgeving waarin uitgezonden RF-storingen kunnen worden beheerst. De cliënt of de gebruiker van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp kan elektromagnetische interferentie helpen voorkomen door een minimale afstand in acht te houden tussen draagbare en mobiele RF-communicatieapparatuur (zendapparaten) en de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp, zoals hieronder wordt aanbevolen, volgens het maximale uitgangsvermogen van de communicatieapparatuur. | |||
| Nominaal maximaal uitgangsvermogen van het zend-apparaat W | Afstand volgens frequentie van zendapparaat m | ||
| 150 kHz – 80 MHz d = [ 3.5V1 ] · | 80 MHz – 800 MHz d = [ 3.5E1 ] · | 800 MHz– 2.5 GHz d = [ 7E1 ] · | |
| 0.01 niet van toepassing 0.04 0.07 | |||
| 0.1 niet van toepassing 0.11 0.22 | |||
| 1 niet van toepassing 0.35 0.7 | |||
| 10 niet van toepassing 1.11 2.21 | |||
| 100 niet van toepassing 3.5 7 | |||
| Bij zendapparaten waarvoor het maximale uitgangsvermogen niet wordt weergegeven, kan de aanbevolen afstand d in meters (m) worden geschat aan de hand van de vergelijking die van toepassing is op de frequentie van het zendapparaat, waarbij P het maximale nominale uitgangsvermogen van het zendapparaat is in Watt (W) volgens de fabrikant van het zendapparaat. |
| Opmerking 1:Bij 80 MHz en 800 MHz geldt de afstand voor het hoogste frequentiebereik.Opmerking 2:Deze richtlijnen gelden mogelijk niet in alle situaties. Elektromagnetische voortplanting wordt beïnvloed door de absorptie en reflectie van structuren, objecten en mensen. |
9.5 Sport
Met de insulinepomp kunt u aan sport doen, mits u de insulinepomp beschermt en u beperkt tot sporten waarbij geen sprake is van lichamelijk contact. Draag de insulinepomp niet wanneer u een contactsport beoefent.
Raadpleeg de brochures over steriele producten en de productbrochure voor veilige draagmogelijkheden of neem voor meer informatie contact op met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen.
9.6 Reizen
Vraag uw arts en/of zorgteam voordat u op reis gaat of speciale voorzorgsmaatregelen vereist zijn. Vergeet niet extra benodigdheden mee te nemen. Ga bovendien na waar u deze benodigdheden kunt krijgen als dit nodig zou blijken.
Als u naar andere tijdzones reist, moet u de tijd en datum aanpassen.
In dit hoofdstuk worden de volgende onderwerpen behandeld:
10.1 Reparatie
10.2 Onderhoud en reiniging
10.2.1 Systeemcontrole
10.2.2 De insulinepomp
10.2.3 Als u de insulinepomp hebt laten vallen
10.2.4 Adapter
10.2.5 Patroon en infusieset
10.2.6 Toetsringen
10.3 De insulinepomp opbergen
10.4 Informatie over de Power Pack
10.5 Controlelijst bij de insulinepomp
10.6 Verpakking en retourzending van de insulinepomp
10.7 Verwerking
Disetronic Medical Systems AG garandeert als fabrikant dat de insulinepomp volgens de specificaties zal werken, op voorwaarde dat al het onderhoud aan de insulinepomp wordt verricht door een door Disetronic bevoegd verklaarde servicedienst.
Er hoeven tijdens de gebruiksduur geen servicebeurten te worden gepland.
Voer zelf geen onderhoud of reparaties aan de insulinepomp uit.
10.1 Reparatie
Stuur uw insulinepomp in de volgende gevallen terug naar de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen (zie hoofdstuk 14 voor het adres van de distributeur):
- in geval van problemen, bijvoorbeeld als een alarm niet kan worden uitgeschakeld door de procedure te volgen die wordt beschreven in hoofdstuk 7 "Alarmen en fouten";
- in geval van schade.
De insulinepomp berekent de levensduur (d.w.z. de periode tot het geplande einde van de levensduur) aan de hand van de tijd gedurende welke de pomp zich in de uitgangsstand RUN heeft bevonden. De perioden waarin de insulinepomp zich in de uitgangsstand STOP bevindt of de Power Pack verwijderd is, tellen niet mee.
Door retourzending van de insulinepomp naar de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen geeft u Disetronic Medical Systems AG toestemming om alle tests uit te voeren die het noodzakelijk acht om de pomp goed te kunnen inspecteren en repareren (hieronder vallen ook destructieve tests).
10.2 Onderhoud en reiniging
Let voor een optimaal resultaat op de volgende punten:
10.2.1 Systeemcontrole
Alleen een goed onderhouden systeem staat borg voor een nauwkeurige toediening van de insuline.
Controleer de insulinepomp, de patroon, de adapter, de infusieset en de infusieplaats dagelijks. Gebruik uitsluitend accessoires en wegwerpartikelen die bestemd zijn voor gebruik met de insulinepomp. Vervang en verwijder deze onderdelen op de door uw zorgteam aanbevolen manier en volgens de specificaties in de bijbehorende gebruiksinstructies.
10.2.2 De insulinepomp

Let op: Controleer de insulinepomp elke dag minstens één keer op scheurtjes en barsten. Doe dit met name wanneer u de pomp hebt laten vallen. Gebruik de insulinepomp niet als u scheurtjes of barsten hebt ontdekt. Als de pomp scheurtjes of barsten vertoont, kan water of een andere vloeistof, stof, insuline of een andere substantie van buitenaf in de insulinepomp terechtkomen. Dit kan tot defecten leiden.

Let op: Blijf uit de buurt van de elektromagnetische velden van radar- en antenne-installaties, hoogspanningsbronnen, röntgenapparatuur, MRI-, CAT-scanners enzovoort. Gebruik de insulinepomp niet op deze plekken. De insulinepomp kan defect raken onder invloed van een elektromagnetisch veld. Schakel de insulinepomp uit voordat u een dergelijk veld binnentreedt. Als de pomp in dit soort situaties niet wordt uitgeschakeld, stopt mogelijk de toevoer van insuline onmiddellijk en treedt mogelijk "E7: Elektronische fout" op.
Controleer het displayvenster op eventuele scheurtjes of lege plekken; deze wijzen op een slechte toestand.
Als de insulinepomp in aanraking is geweest met water en/of andere zaken die worden genoemd in paragraaf 9.3 "De insulinepomp en water", dient u de pomp onmiddellijk af te drogen met een zachte, droge doek.
Reinig de insulinepomp en de patroonruimte uitsluitend met een zachte, droge doek. Als de houder zo vies is dat deze niet kan worden gereinigd met een droge doek, dient u de insulinepomp voor reiniging naar de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen te sturen.

Let op: Gebruik geen oplosmiddelen,sterke reinigingsmiddelen,zuurhoudende of alkalische stoffen, bleekmiddelen, schuursponsjes of scherpe voorwerpen voor het reinigen van de insulinepomp aangezien deze de pomp kunnen beschadigen.
!
Let op: Verwijder altijd de patroon en adapter en zet de insulinepomp tijdens het reinigen in de uitgangsstand STOP. Druk tijdens het reinigen niet op de toetsen van de insulinepomp, aangezien u hiermee per ongeluk de instellingen van de pomp kunt wijzigen. Controleer vóór gebruik altijd uw persoonlijke instellingen om onjuiste toediening van insuline te vermijden. Zorg ervoor dat de tijd en datum goed zijn ingesteld voordat u de pomp opnieuw aansluit. Als u twijfelt over uw persoonlijke instellingen of weinig ervaring met dit apparaat hebt, neem dan voor het controleren van de persoonlijke instellingen contact op met uw arts en/of zorgteam.
10.2.3 Als u de insulinepomp hebt laten vallen
!
Let op: Controleer de insulinepomp regelmatig op scheurtjes en barsten. Als het apparaat valt, kunnen de insulinepomp en de waterafdichting beschadigd raken.
Als de pomp scheurtjes, barsten of andere beschadigingen vertoont, kan water van buitenaf in de insulinepomp terechtkomen. Dit kan tot defecten leiden.
Laat de insulinepomp niet vallen. Gebruik de Accu-Chek D-TRONplus draagsystemen die passen bij de verschillende dagelijkse situaties waarin u de insulinepomp gebruikt om te voorkomen dat het apparaat valt. Als het apparaat valt, kunnen de insulinepomp en de waterafdichting beschadigd raken.
Als u de insulinepomp hebt laten vallen:
Controleer of alle verbindingen van de infusieset nog goed op hun plaats zitten en sluit ze, indien nodig, opnieuw aan. Controleer de insulinepomp en de steriele producten en accessoires op scheurtjes en barsten en vervang de patroon, indien nodig.
Aarzel bij twijfel niet om contact op te nemen met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen.
10.2.4 Adapter
De adapter is een steriel product en is uitsluitend bestemd voor eenmalig gebruik. In een ongeopende verpakking zijn de producten gegarandeerd steriel tot de vermelde verval-datum. Niet gebruiken als de verpakking beschadigd is. Materialen voor eenmalig gebruik mogen niet opnieuw worden gebruikt. Het hergebruik van materialen voor een-malig gebruik kan leiden tot defecten aan de insulinepomp, alsmede tot een onjuiste toediening van de insuline en/of infecties. Laat de adapter tot aan het gebruik in de ver-pakking.
Vervang en verwijder de adapter op de door uw zorgteam aanbevolen manier en volgens de specificaties in de bijbehorende gebruiksinstructies.
Gebruik uitsluitend Accu-Chek D-TRONplus-adapters. Het gebruik van andere of beschadigde adapters kan gevaar opleveren voor uw gezondheid. De garantie komt in dat geval te vervallen.

Let op: Als de insulinepomp valt of de adapter tegen een hard voorwerp aan slaat, kan de adapter beschadigd raken. Een beschadigde of versleten adapter kan het binnendringen van water in de patroonruimte en een onjuiste insulinetoediening tot gevolg hebben. Vervang de adapter onmiddellijk.

Waarschuwing: Wijzigingen of aanpassingen aan de apparaten die niet uit-drukkelijk door Disetronic Medical Systems AG zijn goedgekeurd, kunnen tot gevolg hebben dat u de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp niet meer kunt gebruiken.
10.2.5 Patroon en infusieset
!
Let op: De insulinepomp is ontworpen voor gebruik met glaspatronen met een inhoud van 3.0 ml en Accu-Chek-infusiesets. De patroon en de infusieset zijn steriele producten die uitsluitend bestemd zijn voor eenmalig gebruik. In een ongeopende verpakking zijn de producten gegarandeerd steriel tot de vermelde vervaldatum. Niet gebruiken als de verpakking beschadigd is. Materialen voor eenmalig gebruik mogen niet opnieuw worden gebruikt. Het hergebruik van materialen voor eenmalig gebruik kan leiden tot defecten aan de insulinepomp, alsmede tot een onjuiste toediening van de insuline en/of infecties. Pak het product alleen met schone handen vast.
Gebruik alleen de voorgeschreven patronen. Het gebruik van andere patronen kan leiden tot een defect aan de insulinepomp en kan gevaar opleveren voor uw gezondheid. De garantie kan in dat geval komen te vervallen. Bewaar patronen en infusiesets tot aan het gebruik altijd in de verpakking.
Vervang en verwijder deze onderdelen op de door uw arts en/of zorgteam aanbevolen manier en volgens de specificaties in de bijbehorende gebruiksin-structies.
10.2.6 Toetsringen
Als de toetsringen loskomen van de insulinepomp, dient u de folielaag aan de voorzijde met een droge doek te reinigen voordat u de ringen vervangt. Ingeval achtergebleven restanten van de toetsringen niet los willen laten bij reiniging met een droge doek, dient u voor meer informatie contact op te nemen met de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen.
Bij de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen kunt u nieuwe toetsringen bestellen.
!
Let op: Gebruik geen oplosmiddelen,sterke reinigingsmiddelen,zuurhoudende of alkalische stoffen, bleekmiddelen, schuursponsjes of scherpe voorwerpen voor het reinigen van de insulinepomp aangezien deze de pomp kunnen beschadigen.
10.3 De insulinepomp opbergen
Let op: Als u de insulinepomp langere tijd niet gebruikt, moet het apparaat op een geschikte manier worden opgeborgen om defecten te voorkomen.
U kunt de insulinepomp als volgt opbergen:
- Verwijder de adapter en de patroon.
- Verwijder de Power Pack om de levensduur te verlengen.
- Breng de dopjes op de houders van de patroon en de Power Pack aan.
- Berg de insulinepomp op in de verzenddoos.
Omgevingsvoorwaarden:
Temperatuurbereik 5 tot 45°C
Luchtvochtigheidsbereik 5 tot 85% rel. vochtigheid
Luchtdrukbereik 700 tot 1060 mbar
10.4 Informatie over de Power Pack
Let op: Vervang de Power Pack uitsluitend in een droge omgeving. Controleer of de afdichting van het Power Pack-deksel in een goede staat verkeert en niet ontbreekt of versleten is en of de Power Pack correct is aangebracht. Zo voorkomt u dat er water in de behuizing van de pomp kan binnendringen.
Let op: U mag niet proberen om de Power Pack opnieuw op te laden en mag de Power pack niet openmaken of verbranden. Dit kan leiden to defecten aan de insulinepomp.
Let op: Zorg ervoor dat u altijd extra Power Packs bij de hand hebt en let daarbij op het volgende:
- Bewaar de Power Packs niet in een koelkast of vriezer. Een hoge luchtvochtigheid en een lage temperatuur gaan ten koste van de levensduur van de Power Packs.
- Bewaar de Power Packs tot aan het gebruik altijd in de oorspronkelijke verpakking. Voorkom een vroegtijdige ontlading doordat er contact bestaat tussen de Power Packs onderling of met andere metalen voorwerpen (zoals munten, sleutels enzovoort).
- Voor gebruik in de insulinepomp moet de Power Pack een temperatuur tussen +5°C en +40°C hebben.
- Vervang de Power Pack alleen in een droge omgeving.
- Gebruik voor het los- en vastdraaien van de Power Pack uitsluitend het batterijgereedschap dat bij de Accu-Chek D-TRONplus-insulinepomp wordt geleverd. (gebruik geen muntstukje, schroevendraaier of andere scherpe voorwerpen). De Power Pack zit goed op zijn plaats als de sleuf parallel aan de patroonruimte loopt (bajonetsluiting).
Draai de Power Pack niet te strak aan. Anders kunt u het batterijdeksel of de behuizing van de pomp beschadigen.
- Gooi de Power Pack weg als deze is gevallen.
- Gebruik uitsluitend originele Accu-Chek D-TRONplus Power Packs. Als u andere Power Packs gebruikt dan de Power Packs die worden meegeleverd of aanbevolen, kan de levensduur van deze Power Packs aanzienlijk korter zijn en kan dit leiden tot lekken en corrosie aan de contactpunten in de insulinepomp. Het is mogelijk dat de garantie komt te vervallen als u andere Power Packs gebruikt dan de Power Packs die worden meegeleverd of aanbevolen.
De levensduur van de Power Pack is afhankelijk van het gebruik van de insulinepomp, de toegediende hoeveelheden, de temperatuur en andere factoren. Een Power Pack gaat circa 6 tot 8 weken mee.
10.5 Controlelijst bij de insulinepomp
Controleer de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp dagelijks. Daarbij is het volgende van belang:
- De houders van de Power Pack en de patroon zijn altijd schoon, dus vrij van vuildeeltjes.
- De Power Pack is goed geplaatst; de bovenkant van de Power Pack bevindt zich op dezelfde hoogte als de behuizing van de pomp.
- De behuizing van de pomp vertoont geen scheurtjes of barsten en er worden in de display geen onvolledige of abnormale symbolen weergegeven.
- De tijd klopt.
- Inspecteer de patroon visueel. Controleer of de hoeveelheid insuline in de patroon wel overeenkomt met de berekende resterende patrooninhoud die op de display wordt vermeld.
- Er zitten geen luchtbellen in de patroon.
- De adapter is goed aangebracht.
- De infusieset is gevuld, vertoont geen luchtbellen en zit stevig op de adapter.
- De infusieset is volgens de bijbehorende instructies aangebracht.
- De infusieplaats is in orde en voelt comfortabel aan.
- De insulinepomp bevindt zich in de uitgangsstand RUN.
- De basishoeveelheden zijn op de door uw zorgteam aanbevolen manier ingesteld.
- De wijzigingen voor de tijdelijke basale hoeveelheden zijn op de door uw zorgteam aanbevolen manier ingesteld of gepland.
- De piepsignalen zijn naar wens in- of uitgeschakeld.
- Zo nodig kunt u beschikken over een eerstehulp- of reiskit met reserveonderdelen.
- Wanneer u op reis gaat, beschikt u over een alternatief behandelingsplan.
10.6 Verpakking en retourzending van de insulinepomp
Wanneer hiervoor toestemming is gegeven, kunt u de Accu-Chek D-TRONplus-insuline-pomp terugsturen naar de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen. Verpak de insulinepomp dusdanig dat deze onderweg niet beschadigd kan raken. Plaats de insulinepomp in de verzenddoos en breng om de doos een verpakking aan die niet kan scheuren.
U kunt de insulinepomp het beste versturen met een vervoerder waarbij u de zending kunt volgen.
Enkele voorbeelden van vervoerders waarbij u de zending kunt volgen:
- Federal Express
- UPS
- Aangetekende post
- Exprespost
- Aangetekende post met bewijs van ontvangst
Vergeet niet een notitie bij te voegen met:
- een omschrijving van de reden waarom de insulinepomp wordt geretourneerd;
- uw naam en adres;
- uw telefoonnummer overdag;
- het serienummer van de insulinepomp.
10.7 Verwerking
De insulinepomp
Wanneer de resterende looptijd is verstreken, treedt "Fout E5: Einde looptijd" op. De insulinepomp gaat dan naar de uitgangsstand STOP. Stuur de Accu-Chek D-TRONplus-insulinepomp voor professionele verwerking terug naar de Accu-Chek-klantenservice voor insulinepompen.
Power Pack
Lever lege Power Packs in bij het dichtstbijzijnde innamecentrum voor chemisch afval.
Patroon, infusieset en adapter
Deze mogen met het huisvuil worden meegegeven. Om te voorkomen dat anderen letsel oplopen, steekt u de naald in een voorwerp dat u weggooit. Ook kunt u deze in een speciale container voor naalden doen.
| Maximale afmetingen (l × d × h) | 105 × 48 × 21.5 mm | |
| Gewicht | Ong. 125 g incl. Power Pack en patroon | |
| Pompbehuizing | Tegen stoten en geneesmiddelen bestendige kunststof (PET), waarvan alle hoeken zijn afgerond | |
| Bescherming tegen water | Pompontwerp voor IPX7 voor bescherming tegen de gevolgen van een tijdelijke onderdompeling in water. Conform EN 60529 kan water niet in schadelijke hoeveelheden in het apparaat terechtkomen als het in normale omstandigheden tijdelijk wordt ondergedompeld in water (maximaal 30 minuten lang en 1 meter diep). Raadpleeg paragraaf 9.3 "De insulinepomp en water" voor meer informatie. | |
| Temperatuurbereik | Bediening +5 tot +40°COpslag +5 tot +45°CTransport -20 tot +50°C | |
| Luchtvochtigheidsbereik | Bediening 20 tot 90% rel. vochtigheidOpslag 5 tot 85% rel. vochtigheidTransport 40 tot 95% rel. vochtigheid | |
| Luchtdrukbereik | Bediening 700 tot 1060 mbarOpslag 700 tot 1060 mbarTransport 700 tot 1060 mbar | |
| Aansluitingen | Infraroodinterface | |
| Voeding | Power Pack speciale 3 V lithiumbatterij | |
| Levensduur Power Pack | Ong. 6 – 8 weken, afhankelijk van toedieningssnelheid en gebruiks-frequentie | |
| Opslagduur gegevens | De datum/tijd en de resterende patrooninhoud worden tot ongeveer één uur nadat de Power Pack is verwijderd of leeg is geraakt, veilig opgeslagen in het geheugen. De configuratie en instellingen van de insulinepomp (basale hoeveelheid, actief profiel, automatisch uit, enz.) en het geheugen waarin de gebeurtenissen worden opgeslagen (bolusoverzicht, overzicht van dagelijkse totalen, overzicht van alarmen en fouten), blijven bewaard, ongeacht de spanning van de Power Pack of hoe lang de Power Pack verwijderd was. | |
| Maximale tijd voordat een Fout E4: ERSTOPPING optreedt | Bij een gemiddelde basaalsnelheid van 1.0 I.U/h* ≤ 8 hBij een minimale basaalsnelheid van 0.1 I.U/h* ≤ 100 h | |
| Maximale hoeveelheid voordat een Fout E4: VERSTOPPING optreedt | Bij een gemiddelde basaalsnelheid van 1.0 I.U/h* ≤ 8 UBij een minimale basaalsnelheid van 0.1 I.U/h* ≤ 100 UTypische waarde 2–5 I.U. | |
| Toediening | 1/20 basale hoeveelheid per uur met tussenpozen van 3 minuten. | |
| Basale hoeveelheid | Min. 0.0 U/h, max. 25 U/h. Er zijn 24 basale hoeveelheden per dag, die in stappen van 0.1 eenheid kunnen worden aangepast. | |
| Bolus | De max. bolushoeveelheid die kan worden toegediend, is 25 eenheden. De bolushoeveelheid voor de standaardbolus kan worden aangepast in stappen van 0.1; 0.2; 0.5 en 1.0 eenheid. De hoeveelheid voor de scroll- en/of vertraagde bolus kan worden aangepast in stappen van 0.1 eenheid, de duur met tussenpozen van 15 minuten (0 – 4 uur). | |
| Tijdelijke basale hoeveelheid | Aan te passen in stappen van 10%, 0 – 90% voor verlagingen, 110 – 200% voor verhogingen. De duur kan in stappen van 1 uur wor-den aangepast met een maximum van 24 uur. De laatst ingestelde duur wordt standaard ingesteld voor de volgende ingestelde tijdelijke wijziging van de basale hoeveelheid. | |
| Beveiligingssysteem | Waarschuwingssysteem, piepsignalen, display, trilsignalen, twee microprocessors. De insulinepomp wordt aangestuurd door twee microprocessors. Het beveiligingsconcept houdt in dat één processor (de bewakende processor) de andere (de hoofdprocessor) bewaakt. Als er in de hoofdprocessor een defect of storing optreedt, wordt dit door de bewakende processor waargenomen. De motor wordt dan onmiddellijk uitgeschakeld en "Fout E7: Elektronische Fout" treedt op. De hoofdprocessor kan op zijn beurt op elk gewenst moment vaststellen of de bewakende processor goed werkt. De motor is ook een belangrijk onderdeel van de beveiliging, aangezien de combinatie van hoofdprocessor, bewakende processor en stappenmotor borg staat voor een optimaal betrouwbare en nauwkeurige insulinetoediening. | |
| Maximale infusiedruk vóór fout | 3.9 bar | |
| Stroomsnelheid (toedieningssnelheid) | Tijdens het vullen van de infusieset en bolus 0.2 eenheden/sec. | |
| Maximale toege-diende hoeveelheid bij eerste fout | 2 eenheden | |
Nauwkeurigheid van stroomsnelheid
De trompetcurve geeft de nauwkeurigheid van de toedieningssnelheid gedurende de observatieduur aan conform de norm EN 60601-2-24.
De metingen zijn gedaan bij een gemiddelde basale hoeveelheid 1.0 U/h. Infusieset: Classic PC 16/110
Trompetcurve uitgezet aan de hand van gegevens na het einde van de stabilisatieperiode van 24 u (zie volgende pagina voor stabilisatieschema)

line
| observatieperiode (min) | Percentage stroomfout (%) | | ------------------------ | ------------------------- | | 0 | 5.79 | | 60 | 3.79 | | 120 | 2.58 | | 360 | 0.95 | | 540 | -0.13 | | 960 | -0.28 |★ minimale gemeten afwijking maximale gemeten afwijking totale gemiddelde stroomfout
Gemiddelde basale snelheid (1.0 U/h; Figuur 1):
Het percentage stroomfout ligt binnen ± 10%
(observatieperiode ≥ 1 uur).
Aanvankelijk schema gedurende de stabilisatieperiode

line
| Tijd (u) | Stroom (U/h) | | -------- | ------------ | | 0 | 0.7 | | 4 | 0.95 | | 8 | 0.98 | | 12 | 1.0 | | 16 | 0.92 | | 20 | 1.0 | | 24 | 0.95 |Bolus:
Voor een bolus van 0.1 U is de afwijking < ± 20% Voor een bolus van 25 U is de afwijking < ± 5%
12
Overzicht van symbolen
![]() | Waarschuwing, zie pagina 3 voor verklaring | |
![]() | Let op, zie pagina 3 voor verklaring | |
![]() | Informatie, zie pagina 3 voor verklaring | |
![]() | ![]() | Lees de gebruiksinstructies |
![]() | Gesteriliseerd met ethyleenoxide | |
![]() | Gesteriliseerd door bestraling | |
![]() | Gesteriliseerd met ontsmettingsmiddelen | |
![]() | Productiedatum | |
![]() | Fabrikant | |
![]() | Batchnummer | |
![]() | Vervaldatum | |
![]() | Artikelnummer | |
![]() | Serienummer | |
![]() | Toegestaan temperatuurbereik | |
![]() | Toegestaan vochtigheidsbereik | |
![]() | Toegestaan luchtdrukbereik | |
| [twaat] | Voorzichtig, breekbaar |
| Beschermen tegen vocht | |
| Beschermen tegen warmte en zonlicht | |
| Uitsluitend voor eenmalig gebruik | |
| Bevat geen pyrogeen | |
| Bevat geen PVC | |
| Recycling | |
| Niet weggooien | |
| Niet gebruiken als de verpakking beschadigd is | |
| Brandbaar | |
| Zie | |
| Elektronisch apparaat van het type BF conform de norm EN 60601-1. Bescherming tegen elektrische schokken | |
| IPX7 Symbol voor bescherming tegen de gevolgen van een tijdelijke onderdompeling in water conform de norm EN 60529. | |
| CE0123 | Voldoet aan Europese Richtlijn voor Medische Apparaten 93/42/EEG (MDD), met het nummer van de instantie waarbij de melding heeft plaatsgevonden (0123). |
| Rx only | Volgens de federale wetgeving (Verenigde Staten) mag dit apparaat uitsluitend door of op voorschrift van een arts worden verkocht. |
Accu-Chek DiaLog-programmeerhulpmiddel voor de insulinepomp
Deze software biedt u een gemakkelijke en snelle manier om de parameters en instellingen rechtstreeks vanaf een pc te wijzigen. Bovendien kunt u hiermee alle gegevens uit het geheugen van de insulinepomp downloaden en op de computer weergeven.
Adapter
Met behulp van de adapter kunt u de patroon en de infusieset op elkaar aansluiten. De ingebouwde naald van de adapter wordt door het rubberen membraan van de patroon gestoken, waardoor de insuline vrijkomt. In combinatie met de rubberen O-ring biedt de adapter een doeltreffende bescherming voor de patroonruimte van de insulinepomp. De ingebouwde klep voorkomt het ongecontroleerd leeglopen van de insulinepatroon in geval van druk- en hoogteverschil tussen de insulinepomp en de infusieplaats (hevelwerking).
Basale hoeveelheid
De hoeveelheid insuline die u nodig hebt om te voldoen aan uw basisbehoefte. Bij pomp-therapie wordt de basale hoeveelheid bepaald in overleg met een arts of zorgteam. Deze waarde kan worden aangepast om aan verschillende fysiologische behoeften te voldoen zoals deze zich in de loop van de dag voordoen. De basale hoeveelheid wordt op basis van de curve van uw persoonlijke profiel(en) voor de basale hoeveelheid door de insulinepomp toegediend.
Basale hoeveelheid per uur
De basale hoeveelheid per uur is de hoeveelheid insuline die gedurende een uur met tussenpozen van 3 minuten door de insulinepomp wordt toegediend.
Bolus
De hoeveelheid insuline die ter aanvulling op de basale hoeveelheid wordt toegediend om de inname van voedsel te compenseren en hoge bloedglucosewaarden te corrigeren.
Dagelijks totaal
De totale hoeveelheid insuline (basale hoeveelheid en bolus) die vanaf middernacht is toe- gediend. Deze hoeveelheid omvat niet de insuline waarmee de infusiesets worden gevuld.
Dawn phenomenon
Het verschijnsel waarbij de bloedglucosewaarden 's ochtends vroeg stijgen, veroorzaakt door de afscheiding van hormonen, waardoor de insuline wordt geneutraliseerd. Dien- tengevolge zijn in de tweede helft van de nacht mogelijk hogere basale hoeveelheden nodig.
Diabetes mellitus
Een chronische aandoening waarbij het lichaam geen insuline aanmaakt of insuline niet goed benut. Ten gevolge van het ontbreken of de inefficiënte benutting van insuline tre- den verhoogde bloedglucosewaarden op, die kunnen leiden tot zowel kortdurende als langdurige complicaties.
Diabetische keto-acidose (DKA)
Ketonen zijn de stoffen die worden aangemaakt als de bloedglucosewaarden stijgen door het ontbreken van insulin. Door grote hoeveelheden ketonen in het bloed kan een levensbedreigende situatie ontstaan:diabetische keto-acidose. De symptomen van DKA zijn meer dorst en vaker urineren, misselijkheid, braken en/of maagpijn, veranderingen in de ademhaling of moeite met ademhalen, zuur of fruitachtig ruiken van uitgeademde lucht, opvliegers, uitdroging, flauwvallen en vermoeidheid.
Glucose
Glucose is een vorm van suiker die in het lichaam wordt gesynthetiseerd uit eiwitten en (vooral) koolhydraten. Glucose is voor levende cellen de belangrijkste bron van energie en wordt via de bloedstroom overgebracht naar deze cellen met gebruikmaking van insulin.
HbA ^1c (Hemoglobine A ^1c )
Stof in de rode bloedcellen die zuurstof overbrengt naar de cellen en waaraan glucose zich bindt wanneer het gehalte aan glucose in het bloed hoog is. HbA _1c geeft het gemiddelde gehalte aan glucose in het bloed gedurende de 6 tot 8 weken voorafgaand aan de test weer.
Hyperglykemie
Buitensporig hoog glucosegehalte van het bloed. Doet zich voor wanneer de diabetes-patiënt te weinig insuline krijgt toegediend, te veel eet, minder actief is of sport dan normaal zonder dat de therapie voldoende wordt aangepast, meer spanning voelt dan
normaal of ziek wordt. De symptomen van hyperglykemie zijn vermoeidheid, een droge mond en huid, meer dorst, wazig zien en vaker urineren. Langdurige hyperglykemie kan leiden tot diabetische keto-acidose (DKA).
Hypoglykemie
Buitensporig laag glucosegehalte van het bloed. Doet zich voor wanneer de diabetes-patiënt te veel insuline krijgt toegediend, te weinig eet of intensieve activiteiten uitvoert dan wel meer sport dan normaal zonder dat de therapie voldoende wordt aangepast. De symptomen van hypoglykemie zijn onduidelijk spreken, hoofdpijn, (koud) zweten, snelle hartslag, verwardheid/desoriëntatie, gevoel van zwakte, honger, zenuwachtigheid, trillen en coma.
I.U. (Insulin Unit)
Eenheid insuline. Ook wel "International Unit" (internationale eenheid) genoemd.
Infusieplaats
De plaats waar de naald/canule van de infusieset in het onderhuidse weefsel wordt ingebracht om de insuline toe te dienen.
Infusieset
Infusiesets verbinden de insulinepomp met uw lichaam. De insuline wordt vanuit de patroon via de adapter, door de infusiesetslang en -naald/-canule in het onderhuidse weefsel toe-gediend.
Insuline
Een hormoon dat wordt geproduceerd in de bètacellen van de alvleesklier (ook wel eilandjes van Langerhans genoemd). Insuline helpt de cellen glucose om te zetten in energie.
Insuline, kortwerkende (normale insuline)
Menselijke insuline die wordt geproduceerd met behulp van DNA-recombinatietechniek. Normale insuline begint na 30 tot 45 minuten te werken.
Insuline, snelwerkende (insuline-analoog)
Gemodificeerde menselijke insuline die wordt geproduceerd met behulp van DNA-recombinatietechniek. Insuline-analoog begint na 5 tot 15 minuten te werken.
Insuline-/koolhydraatverhouding
Factor die wordt gebruikt bij het bepalen van de koolhydraatbolus. Hieruit valt af te lezen welk aantal eenheden insuline nodig is per uitwisseling van koolhydraten.
Luer-aansluiting
Een standaardfitting aan het einde van de infusieset en de adapter waarmee deze onderdelen aan elkaar kunnen worden bevestigd zonder dat er vloeistof kan weglekken.
Onderhuids weefsel
Het weefsel dat zich direct onder de huid bevindt. Het gebied waar de naald of canule van de infusieset wordt ingebracht en de insuline wordt toegediend.
Parameter
De parameters van de insulinepomp (actief profiel voor de basale hoeveelheid, vulhoeveelheid, maximale bolushoeveelheid die kan worden toegediend, enz.) zijn ingesteld door de fabrikant. Gezamenlijk vormen de parameters de standaardconfiguratie van de insulinepomp. De parameters kunnen op de insulinepomp of op een pc met het Accu-Chek DiaLog-programmeerhulpmiddel voor de insulinepomp worden gewijzigd.
Patroon
Het insulinereservoir van de insulinepomp. Het bevat 3.0 ml kortwerkende insuline of snel-werkende insuline-analoog in concentraties van U100, hetgeen overeenkomt met 300 eenheden insuline.
Patroonruimte
De ruimte in de insulinepomp voor de patroon.
Persoonlijke instellingen
Instellingen zijn waarden als de basale hoeveelheid per uur, het profiel voor de basale hoeveelheid, de huidige tijd en datum, bolussen, tijdelijke basale hoeveelheden enz. die kunnen worden ingesteld op de insulinepomp.
Power Pack
De insulinepomp werkt op een hiertoe speciaal ontworpen lithium Power Pack van 3 V. In het deksel van de Power Pack is een membraan ingebouwd dat het drukverschil tussen de lucht buiten en binnen de insulinepomp opvangt. De geïntegreerde afdichtingsring biedt een doeltreffende bescherming voor de Power Pack-houder.
Power Pack-houder
De ruimte in de insulinepomp voor de Power Pack.
Profiel basale hoeveelheid
De insulinepomp biedt u de mogelijkheid twee verschillende profielen (A en B) voor de basale hoeveelheid in te stellen zodat u op een eenvoudige manier in wisselende insulin- nebehoeften kunt voorzien (bijvoorbeeld een profiel voor door de week en een profiel voor het weekend). Een profiel voor de basale hoeveelheid bestaat uit 24 ingestelde basale hoeveelheden per dag.
Scrollen
Voor de instelling van een hogere waarde moet normaliter herhaaldelijk op een toets worden gedrukt. In bepaalde situaties kunt u de toets echter ingedrukt houden (scrollen) totdat de gewenste waarde wordt weergegeven. Zo kunnen hogere waarden snel en gemakkelijk worden ingesteld.
Standaardconfiguratie
De insulinepomp wordt met een standaardconfiguratie (fabrieksinstellingen) geleverd. U kunt deze configuratie aan uw persoonlijke behoeften aanpassen op de insulinepomp of met het Accu-Chek DiaLog-programmeerhulpmiddel voor de insulinepomp.
Tijdelijke basale hoeveelheid
Tijdelijke verhogingen of verlagingen van het profiel voor de basale hoeveelheid (0–250 %) waarmee wordt voldaan aan wisselende insulinebehoeften ten gevolge van een verhoogd/verlaagd activiteitsniveau, ziekte of stress.
Type-1-diabetes
Een aandoening die wordt gekenmerkt door een hoog glucosegehalte van het bloed met als oorzaak een volledige afwezigheid van insulin. Bij type-1-diabetes worden de meeste insulineproducerende cellen van de alvleesklier afgebroken. De alvleesklier maakt vervolgens weinig of geen insulin aan. Vanaf het intreden van deze ziekte is insulinetherapie noodzakelijk. Type-1-diabetes ontstaat meestal bij jongeren, maar ook volwassenen kunnen de ziekte krijgen.
Type-2-diabetes
Een aandoening die wordt gekenmerkt door een hoog glucosegehalte van het bloed met als oorzaak een gebrek aan insuline of het onvermogen van het lichaam om de insuline efficiënt te gebruiken. Dit type diabetes kan in veel gevallen onder controle worden gehouden met een dieet, lichamelijke inspanning en/of orale antidiabetica. Gewoonlijk is aanvankelijk geen insulinepomp nodig. Type-2-diabetes ontstaat meestal bij mensen van middelbare leeftijd en ouderen, maar ook jonge mensen kunnen de ziekte krijgen.
Uitgangsstand (STOP/RUN)
De insulinepomp beschikt over twee uitgangsstanden: STOP (GEEN insulinetoediening) en RUN (insulinetoediening).
U100
Insulineconcentratie. Elke milliliter van deze vloeistof bevat 100 eenheden insuline. De Accu-Chek D-TRONplus-insulinepomp is uitsluitend bedoeld voor gebruik in combinatie met kortwerkende insuline en snelwerkende insuline-analoog in concentraties van U100.
Gedistribueerd in Nederland door:
Roche Diagnostics Nederlands B.V.
Postbus 1007
NL-1300 BA Almere
Telefoon 0800 022 05 85
Fax +31 (0)36 53 94 874
almere.dc@roche.com
www.accu-chek.nl
Gedistribueerd in België door:
Accu-Chek DiaLog-programmeerhulpmiddel voor de
insulinepomp .....37, 38, 39, 110, 128, 131
Achtergrondverlichting ....31
Adapter 43,175
aansluiten....78
standen 44
vervangen....101, 103
Adressen....195
Alarmen 133
bevestiging....136
Alarm A1: Patroon bijna leeg .....83, 136
Alarm A2: Power pack bijna leeg 40, 136, 137
Alarm A3: Instellen tijd/datum .....51, 54, 137
Alarm A5: Nadering einde looptijd 128, 143
Alarm A6: Tijdelijke basale hoeveelheid afgebroken .....89, 118, 143
Alarm A7: Einde tijdelijke basale hoeveelheid .....117, 144
Alarm A8: Bolus afgebroken .....89, 95, 100, 118, 144
overzicht....135
Alcohol 157
Automatische uitschakeling ....119
B
Basale hoeveelheden (per uur) 182
controleren....65
instellen 60
kopiëren....62
wijzigen 64
Basale hoeveelheid
profielen....59
tijdelijke 115
blokkeren/deblokkeren 123
Batterijgereedschap 42
Bediening 26
Bedieningslogica ....33
Bevestiging 146
Bekijken
bolusoverzicht ....110
overzicht van alarmen en fouten .....113, 118
overzicht van dagelijks insulineverbruik ....112
resterende looptijd 128
Beveiliging op vliegvelden 17
Bevestiging 136
Bevestigingstoets . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 27, 33
Bloedsuikerspiegel
hoog 154
laag 157
meting .....14, 136, 138, 148, 159
Blokkeren/deblokkeren
geselecteerd profiel basale hoeveelheid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 123
ingestelde basale hoeveelheid .....123
Bolus 91
overzicht bekijken .91, 95, 97, 100, 110
scrollbolus annuleren .....96
scrollbolus instellen .95
standaardbolus annuleren 94
standaardbolus instellen 92
vertraagde bolus annuleren .....100, 118
vertraagde bolus instellen 98
Bolusstap 122
C
CombiFill 43,69,74
Contact met cosmetica .....101, 103, 105
Controlelijst 178
Controleren
ingestelde basale hoeveelheden 65
D
Diabetische keto-acidose .....15
Display 28
achtergrondverlichting ....31
symbolen 29
Draagsystemen 46
Druksensor 138, 148
E
Einde van de looptijd 143, 150, 172
Elektromagnetische velden .....16, 173
gevaarlijke gebieden....163
F
Fouten 133, 145
bevestiging 146
E1: Patroon leeg .....83, 146
E2: Power Pack leeg 40, 147
E3: Automatisch uitgeschakeld 119, 147
E4: Verstopping .....15, 68, 80, 84, 103, 105, 148
E5: Einde looptijd 150
Gebruiksdoeleinden....9
Gegevensgeheugen 17, 110, 131, 181
Gegevensoverdracht 131
Gevaarlijke gebieden 12
Glaspatroon
vullen 73
H
Hulp 1
Hyperglykemie 154
Hypoglykemie 157
|
Informatie 3
Infusieplaats kiezen en voorbereiden 84
Infusieset 45,80,176
aanbrengen 101, 103, 105, 158
aansluiten....78
vervangen....101, 103, 105
vullen 80,155,158
Inleiding 9
Instellen
onjuist .....10, 37, 59, 109, 155, 158
inschakelen/uitschakelen 125
toetsen deblokkeren .....127
Kunststofampul
voorbereiden 70
vullen 71
L
Lekken 155
adapter 138
infusieset 15
luer-aansluiting 79
patroon....73,138
Luchtbellen 15,68,80,101,103,105,155
Luchtdruk 21,181
Luer-aansluiting....79,106
M
Medicatie 156, 158
MENU-toets 27,33
Mobiele telefoons 17
0
Omhoog 27,33
Omlaag 27,33
Onderhoud 171
Opbergen 177
Opstartprocedure .....50, 53
Overzicht .36, 135, 145
alarmen en fouten....113
bolus 91,110
dagelijks insulineverbruik ....112
P
Parameters 38
Patroon 43,67,176
aanbrengen 77
resterende inhoud . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 35
vervangen 101
vullen 68
Piepsignalen 24
uitschakelen .....21, 23
volume .....26, 120
Pomptherapie 10, 12
onderbreking 160
voortzetting 160
Profiel basale hoeveelheid geselecteerde waarde blokkeren/deblokkeren ....123 selecteren ....114
R
Reiniging .....22, 172
Reizen....169
Reparatie 171
Resterende looptijd 129
RUN 32, 36, 47, 87, 88, 89
S
Scheurtjes of barsten 16, 174
Scrollen 27
Sport 169
Standaardconfiguratie ....37
STOP .32, 36, 47, 87, 88, 89, 146
STOP-waarschuwing 90
Symbolen 3,27,29,187
Systeemcontrole 172
T
Technische gegevens 181
Tekens 3
Temperatuur .....20, 181
Therapiesituaties ....153
Tijd en datum
controleren....56
instellen ....57, 155, 158
notaties ....56
Tijdelijke basale hoeveelheid ....182
annuleren....117
instellen 115
Time-out ....35
Timer t1, Timer t2 ....128
Toetsen deblokkeren 127
Toetsen
indrukken 19,26
MENU 27,33
OMH00G 27,33
OMLAAG 27,33
VINKJE 27,33
Trilsignalen 24
U
Uitgangsstand 36
STOP/RUN 32,47,87,88,89
Uv-straling 20
V
Veiligheid .....23,147
Verklarende woordenlijst 189
Verstopping .....15, 156
Vervangen
adapter 103
de pomp 17,37
patroon 101
infusieset .....105
Verwerking 180
Verzending 179
Vochtigheid 181
Voorzorgsmaatregelen 3,14
Vullen 80
glaspatroon 73
kunststofampul ....71
stopzetten 84
W
Waarschuwingen ....3, 11, 23
Water 162
Overzicht van de functies van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp

flowchart
graph TD
A["0945 -S--"] --> B["0945 -S--"]
C["0945 0.6 U/h"] --> D["0945 0.6 U/h"]
B --> E["uitgangsstand STOP"]
D --> F["uitgangsstand RUN"]
E --> G["-S--"]
F --> H["2.0 V bolusmenu/geheugen"]
G --> I["terugdraaien van de aandrijfstang"]
H --> J["-S--"]
I --> K["vullen van de infusieset selecteren van het basale insulineprofiel"]
J --> L["-C--"]
K --> M["-datatransmissie"]
L --> N["instellen van het basale insulineprofiel A"]
M --> O["instellen van een tijdelijke basale hoeveelheid"]
N --> P["24 hr 18.0 U"]
O --> Q["24 hr 22.0 U"]
P --> R["31.0 12.5 U"]
Q --> S["geheugen van de dagelijkse totalen"]
R --> T["09-30 31.0 8.3"]
S --> U["geheugen van alarmmeldingen en foutmeldingen"]
T --> V["SETUP-menu"]
U --> W["PROFEELSelect in deactivieren van de KeyLock"]
V --> X["bepalen van de resterende tijd (t1)"]
V --> Y["bepalen van de resterende tijd (t2)"]
W --> Z["einde"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style C fill:#f9f,stroke:#333
style D fill:#f9f,stroke:#333
style E fill:#ccf,stroke:#333
style F fill:#ccf,stroke:#333
style G fill:#ccf,stroke:#333
style H fill:#ccf,stroke:#333
style I fill:#ccf,stroke:#333
style J fill:#ccf,stroke:#333
style K fill:#ccf,stroke:#333
style L fill:#ccf,stroke:#333
style M fill:#ccf,stroke:#333
style N fill:#ccf,stroke:#333
style O fill:#ccf,stroke:#333
style P fill:#ccf,stroke:#333
style Q fill:#ccf,stroke:#333
style R fill:#ccf,stroke:#333
style S fill:#ccf,stroke:#333
style T fill:#ccf,stroke:#333
style U fill:#ccf,stroke:#333
style V fill:#ccf,stroke:#333
Overzicht van alarmen
| Nr. | Betekenis alarm Te ondernemen actie | Pagina |
| A1 | Patroon bijna leeg Schakel het alarm uit en bevestig het.Vervang de patroon voordat deze helemaal leeg is. | 136 |
| A2 | Power Pack bijna leeg Schakel het alarm uit en bevestig het.Vervang de Power Pack binnen 24 uur. | 137 |
| A3 | Instellen tijd/datum Schakel het alarm uit en bevestig het.Zet de insulinepomp in de uitgangsstand RUN.Stel in het SETUP menu de tijd en datum in. | 137 |
| A4 | Alarm patroon/adapter Schakel het alarm uit en bevestig het.Zie paragraaf 7.1.4"Alarm A4: Alarm patroon/adapter" voor nadere informatie. | 138 |
| A5(t1 of t2) | Nadering einde looptijd Schakel het alarm uit en bevestig het.Neem contact op met de Accu-Chek-klanten-service voor insulinepompen om te zorgen voor voortzetting van de insulinepomptherapie. | 143 |
| A6 | Tijdelijke basale hoeveelheid afgebrokenSchakel het alarm uit en bevestig het.Zet de insulinepomp in de uitgangsstand RUN(indien nodig).Controleer of de annulering gewenst is en ste eventueel een nieuwe tijdelijke basale hoeveelheid in. | 143 |
| A7 | Einde tijdelijke basale hoeveelheidSchakel het alarm uit en bevestig het.Stel vast of een tijdelijke wijziging van de basale hoeveelheid verder nog gewenst is en stel deze wijziging, indien nodig, in. | 144 |
| A8 | Bolus afgebroken Schakel het alarm uit en bevestig het.Zet de insulinepomp in de uitgangsstand RUN(indien nodig). Na deze opzettelijke annulering kunt u, indien nodig, een nieuwe bolus instellen. | 144 |
Overzicht van fouten
| Nr. | Betekenis fout | Te ondernemen actie | Pagina |
| E1 | Patroon leeg | Schakel de fout uit en bevestig deze.Zie paragraaf 7.2.1 "Fout E1: Patroon leeg" voor meer informatie.Zet de insulinepomp in de uitgangsstand RUN als u klaar bent. | 146 |
| E2 | Power Pack leeg | Schakel de fout uit en bevestig deze.Zie paragraaf 7.2.2 "Fout E2: Power Pack leeg" voor meer informatie.Zet de insulinepomp in de uitgangsstand RUN als u klaar bent. | 147 |
| E3 | Automatisch uitgeschakeld | Schakel de fout uit en bevestig deze.Zet de insulinepomp in de uitgangsstand RUN. | 147 |
| E4 | Verstopping | Schakel de fout uit en bevestig deze.Zie paragraaf 7.2.4 "Fout E4: Verstopping" voor meer informatie.Zet de insulinepomp in de uitgangsstand RUN als u klaar bent. | 148 |
| E5(1 of 2) | Einde looptijd | Schakel de fout uit en bevestig deze.Zie paragraaf 7.2.5 "Fout E5: Einde looptijd" voor meer informatie. | 150 |
| E6 | Mechanische fout | Schakel de fout uit en bevestig deze.Zie paragraaf 7.2.6 "Fout E6: Mechanische fout" voor meer informatie. | 150 |
| E7 | Elektronische fout Zie paragraaf 7.2.7 "Fout E7: Elektronische fout" voor meer informatie. | 151 |

Lijst met alarm- en foutcodes op de achterzijde van de Accu-Chek D-TRONplus insulinepomp

Raadpleeg voor nadere instructies altijd paragraaf 7 "Alarmen en fouten".


















