Gulliver 50 (1995) - Rollerskates APRILIA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Gulliver 50 (1995) APRILIA in PDF-formaat.
| Type product | Scooter (Roller) |
| Merk | Aprilia |
| Model | Gulliver 50 (1995) |
| Afmetingen (L x B x H) | 1800 mm x 690 mm x 1030 mm |
| Zithoogte | 810 mm |
| Wielbasis | 1255 mm |
| Vrije hoogte | 150 mm |
| Leeggewicht | 89 kg |
| Motortype | Minarelli 9 MY - AP, tweetakt, eencilinder, luchtgekoeld met ventilator |
| Cilinderinhoud | 49,26 cm³ |
| Startmethode | Elektrisch en kickstarter |
| Transmissie | Automatisch (continu variabele transmissie met riem) |
| Brandstoftank | 7 liter (reserve 1,5 L) |
| Oliereservoir | 1,4 liter (reserve 0,5 L) |
| Voorrem | Hydraulische schijfrem, Ø 190 mm |
| Achterrem | Mechanische trommelrem, Ø 110 mm |
| Bandenmaat voor | Niet gespecificeerd, bandenspanning 1,7 bar |
| Bandenmaat achter | Niet gespecificeerd, bandenspanning 1,9 bar (met passagier 2,1 bar) |
| Accu | 12 V - 4 Ah |
| Zekering | 7,5 A |
| Verlichting koplamp | Dimlicht 12 V - 15 W, stadslicht 12 V - 3 W |
| Onderhoudsinterval | Om de 4000 km of 8 maanden (zie schema) |
Veelgestelde vragen - Gulliver 50 (1995) APRILIA
Gebruikersvragen over Gulliver 50 (1995) APRILIA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Rollerskates in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Gulliver 50 (1995) - APRILIA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Gulliver 50 (1995) van het merk APRILIA.
GEBRUIKSAANWIJZING Gulliver 50 (1995) APRILIA
gebruik en onderhoud
aprilia part# 8201961
Gulliver 50

Dit boekje hoort onlosmakelijk bij de bromfiet en moet bij verkoop worden overgedragen.
De firma aprilia s.p.a. behoudt zich het recht voor op elk willekeurig moment veranderingen aan te brengen aan de modellen, onder voorwaarde dat de karakteristieke kenmerken die in deze manual beschreven staan gehandhaafd blijven.
Voor alle landen geldt dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever
Als produkten of services van derden in dit boekje worden geciteerd, dan heeft dat slechts een informatief doel en vloeit daaruit geen enkele verplichting voort ten aanzien van de prestaties of het gebruik van deze produkten.
Eerste editie: Januari 1996
Herdruk
Vervaardigd en gedrukt door
Studio Tecno Public
Viale del Progresso - 37038 Soave (VR) - Italië
Tel. 045 - 76 11 911
Fax 045 - 76 12 241
in opdracht van
aprilia s.p.a.
via G. Galilei, 1 - 30033 Noale (VE) - Italië
Tel. 041 - 58 29 111
Fax 041 - 44 10 54
INLEIDING
Voordat u de motor start, dient u aandachtig dit gebruiks- en onderhoudsboekje door te Lezen, en in het bijzonder het hoofdstuk "VEILIG RIJDEN".
Uw veiligheid en die van anderen hangt niet alleen af van de snelheid van uw reflexen en uw behendigheid, maar ook van de kennis van de motorfiets, van de staat van onderhoud en van de basisregels voor VEILIG RIJDEN.
Voor controles en reparaties die niet expliciet in deze publikatie staan beschreven, de aanschaf van originele aprilia-onderde- len, accessoires en andere produkten, alsook specifieke advie- zen, dient u zich uitsluitend wenden tot de aprilia verkopers en dealers, die een accurate te service garanderen.
Wij danken u voor het feit dat u uw keuze op aprilia heeft laten vallen en wij wensen u veel rijplezier.
Houdt u zich goed aan de waarschuwingen die worden voorafgegaan door de volgende symbolen:

Regels en maatregelen voor de veiligheid die de rijder of andere personen beschermen tegen verwondingen of ernstige risiko's.

Aanwijzingen en maatregelen omwille van voorzichtigheid om schade aan de motor en/of verwondingen aan personen te voorkomen.

Aanwijzingen om handelingen te vergemakkelijken. Technische informatie.
BELANGRIJK:
Bij aankoop van aprilia onderdelen dient u de code door te geven die vermeld staat op het ETIKET CODE RESERVE-ON-DERDELEN.
Vermeld het identificatieteken in de betreffende ruimte, om er zo ook in geval van verlies of slijtage van het etiket over te kunnen beschikken.
Het etiket bevindt zich onder de beschermkap, op het chassis.

INHOUD
VEILIG RIJDEN 5
BASISREGELS VOOR DE VEILIGHEID 6
KLEDING 9
ACCESSOIRES 10
LADING....10
PLAATSING BELANGRIJKSTE ONDERDELEN 12
PLAATSING INSTRUMENTEN....14
INSTRUMENTENPANEEL 14
TABEL INSTRUMENTENPANEEL....15
BEDIENINGSELEMENTEN OP DE LINKER STUURHELFT......16
BELANGRIJKSTE BEDIENINGSELEMENTEN 16
BEDIENINGSELEMENTEN OP DE RECHTER STUURHELFT......17
KONTAKTSLOT....18
STUURSLOT 18
HULPBENODIGDHEDEN....19
INSTELLEN KLOK....19
VERVANGING KLOKBATTERIJ....19
ONTGRENDELEN/VERGRENDELEN ZADEL....20
BIJSTELLEN ZADEL VERGRENDELING 20
HELM-/DOCUMENTENKASTJE....21
VERVOER VAN GROTE OBJECTEN 21
OPBERGKASTJE/BOORDGEREEDSCHAPSSET....22
TASSEHAAK....22
ANTIDIEFSTALHAAK....22
BELANGRIJKSTE ONDERDELEN....23
BRANDSTOF....23
OLIERESERVOIR....24
VERWIJDERING ONDERSTE AFSLUITINGEN KUIP.... 46
VERWIJDERING VOORSTE STUURKAP 47
BIJSTELLEN VAN HET STATIONAIRE TOERENTAL.... 48
ELECTRISCH SCHEMA (voor de versie F - NL).... 68
Om de bromfiets te mogen besturen is het nodig dat u aan alle wettelijke verplichtingen voldoet (rijbewijs, geestelijke en lichamelijke gezondheid, verzekering, gele plaat, enz.).
U wordt aangeraden zich het vervoermiddel geleidelijk eigen te maken, daar waar waar weinig verkeer is of op terreinen die privé-eigendom zijn.

Het gebruiken van bepaalde medicijnen, alcohol en verdovende middelen benadeelt in aanzienlijke mate de rijveiligheid.
Verzekert u zich ervan dat u geestelijk en lichamelijk goed in staat bent te rijden, en rÿd vooral niet bij vermoeidheid en slape-righeid.

Het merendeel van de ongelukken is te wij- ten aan onervarenheid van de rijder.
Leen het vervoermiddel NOOIT uit aan beginners en overtuigt u zich er in ieder geval van dat de rijder in het bezit is van de wettelijke vereisten voor het rijden.

Volg nauwgezet de verkeersaanwijzingen en houd u aan de nationale en plaatselijke verkeersregels.
Vermijd plotselinge manoeuvres die gevaar opleveren voor uzelf en voor anderen (bijvoorbeeld: steigeren, te hard rijden enz.), en houd altijd rekening met de toestand van het wegdek, het zicht, enz.

Bots niet tegen obstakels die schade aan het voertuig kunnen toebrengen of de controle over het voertuig kunnen doen verliezen.
Rijd niet vlak achter andere vervoermidde- len om u mee te laten "zuigen".

Houd altijd beide handen aan het stuur en de voeten op de pedalen, zit in een correcte rijhouding.
Vermijd absoluut rechtop te gaan staan tijdens het rijden, of zich om te draaien.

De berijder moet zich nooit af laten leiden of laten beïnvloeden door personen of handelingen (niet roken, eten, drinken, lezen, enz.) tijdens het rijden.

Gebruik de voorgeschreven koelvloeistof en olie, zoals beschreven in de "Smeer-middelentabel"; controleer steeds het olie-peil en het peil van de koelvloeistof.

Controleer, als de bromfiets bij een ongeluk betrokken is geweest, of de bedieningsknoppen, -kabels, -slangen, het remsysteem en de vitale delen niet beschadigd zijn.
Laat het vervoermiddel eventueel nakijken door een erkende aprilia dealer, met speciale aandacht voor het frame, het stuur, de vering, de veiligheidsonderdelen en de onderdelen waarvan de gebruiker zelf niet in staat is te beoordelen of ze beschadigd zijn.
Meld elk mankement bij het functioneren aan de technici/mecaniciens opdat de reparatiewerkzaamheden vergemakkelijkt worden.
Rijd absoluut niet met het vervoermiddel als de beschadiging de rijveiligheid in gevaar brengt!

Verander nooit de plaats, de stand of de kleur van: de uerzekeringsplaat, de richtingaanwijzers, de lichten en de claxon.

Elke eventuele verandering die aangebracht wordt aan het vervoermiddel of de verwijdering van originele delen kunnen de prestaties van het vervoermiddel negatief beïnvloeden en de veiligheid in gevaar brengen of het vervoermiddel onwettig maken.
U wordt geadviseerd om zich altijd te houden aan alle nationale en plaatselijke wettelijke voorschriften en regels op het punt van de uitrusting van het vervoermiddel.
In het bijzonder moeten technische veranderingen vermeden worden die de prestaties beïnuloeden of in ieder geval de oorspronkelijke eigenschappen van de scooter veranderen.
Houd absoluut geen snelheidswedstrijden met dit vervoermiddel.
Vermijd het rijden op een andere ondergrond dan het wegdek.

Voordat u gaat rijden moet u eraan denken dat u altijd de helm op hebt; deze moet op de juiste wijze gedrogen worden.
Controleer of de helm gekeurd is, niet-beschadigd is, de juiste maat heeft en het vizier schoon is.
Draag beschermende kleding; mogelijkerwijs met een heldere e/o reflecterende kleur. Zodoende bent u goed zichtbaar voor de andere weggebruikers en beperkt u hiermee het risico aangereden te worden. Bij een val hebt u zodoende ook een betere bescherming. De kleding moet goed passen en aan de uiteinden gesloten zijn. Koorden, ceintuur en das of shawl mogen niet los hangen; voorkom dat deze of andere objecten het rijden kunnen beïnvloeden doordat ze verstrikt raken in bewegende delen of bedieningsorganen.

Zorg ervoor dat u geen objecten in uw zakken hebt die mogelijk gevaar opleveren bij een val, zoals puntige objecten als sleutels, pennen, glazen voorwerpen (hetzelf-de geldt voor de eventuele passagier).

De gebruiker is persoonlijk verantwoordelijk voor de keuze van de installatie en het gebruik van de accessoires.
Denkt u er tijdens de montage aan dat geen onderdelen zoals de lichten of onderdelen die dienen voor het aangeven van de richting of voor geluidssignalen bedekt worden, waardoor deze onderdelen geheel of gedeeltelijk hun functie verliezen; belemmer ook niet de uitslag van de vering en de stuurhoek en de werking van de bedieningselementen.
Vermijd het gebruik van accessoires die de toegang tot de bedieningselementen belemmeren, omdat zo de reactietijd in noodgevallen langer kan worden.
De gestroomlijnde accessoires en de grotere windschermen kunnen als ze op het vervoermiddel gemonteerd zijn de windgevoeligheid ervan vergroten en zodoende de stabiliteit tijdens het rijden verminderen.

Controleer of de accessoires op degelijke wijze bevestigd zijn aan het vervoermiddel en geen gevaar opleveren tijdens het rijden.
Niets toevoegen aan de electrische installatie of hier iets aan veranderen, waardoor het maximale vermogen van de bromfiets overschreden zou kunnen worden. Hierdoor zou het vervoermiddel tijdens het rijden plotseling kunnen stoppen of er zou zich een gevaarlijk stroomtekort kunnen voordoen, zodat de claxon en de lichten niet meer functioneren.
LADING
Wees voorzichtig bij het opladen van bagage en vervoer niet te veel lading. De bagage moet zich zo dicht mogelijk bij het zwaartepunt van de motorfiets bevinden en evenwichtig verdeeld zijn naar beide zijden van de bromfiets zodat er een optimale balans is.

Zorg er verder voor dat de lading goed is vastgemaakt aan het vervoermiddel.
Bevestig absoluut geen grote, zware e/o gevaarlijke objecten aan het stuur, de spatborden en de vorken; dat vermindert de bestuurbaarheid van het vervoermiddel in de bochten en de controle tijdens het rijden.
Bevestig niet teveel ruimte innemende bagage aan de zijkant van het vervoermiddel en voer. Deze zaken zouden tegen personen of objecten zouden kunnen stoten, waardoor de rijder de controle over het vervoermiddel zou kunnen verliezen.

Vervoer geen bagage die niet goed bevestigd is aan het vervoermiddel of die teveel uit de bagageruimtes steekt. Denk eraan dat de bagage niet voor of over de verlichting, de akoestische en visuele signalering hangt.
Vervoer geen dieren of kinderen op het documentenkastje of op de duozit.

Overschrijd niet de maximaal toegestane limiet voor vervoer die geldt voor iedere specifieke bagagedrager.
Teveel lading beïnvloedt de stabiliteit en de manoeuvreerbaarheid van het vervoermiddel.
PLAATSING BELANGRIJKSTE ONDERDELEN

7) Vulplug versnellingsbakolie
8) Aftapplug versnellingsbakolie
9) Kickstarter
10) Zijstandaard
11) Onderste deel kuip links

1) Kontaktslot/stuurslot
2) Claxon
3) Beschermkap
4) Brandstoftank
5) Anti-diefstalhaak
6) Onderste deel kuip rechts
7) Achterste bagageruimte
8) Accu
9) Zekeringkastje
PLAATSING INSTRUMENTEN

1) Drukknop claxon (f)
2) Choke
3) Handel achterrem
4) Linker spiegel
5) Richtingaanwijzer (c)
6) Instrumentenpaneel
7) Rechter spiegel
8) Lichtschakelaar (b - p - •)
9) Handel voorrem
10) Gashendel
11) Startknop (r)
12) Kontaktslot/stuurslot
INSTRUMENTENPANEEL

1) Groen waarschuwingslampje richtingaanwijzer (c)
2) Waarschuwingslampje niveau oliereservoir (rood) (j)
3) Kilometertotaalteller
4) Snelheidsmeter
5) Waarschuwingslampje dimlicht (groen) (b)
6) Waarschuwingslampje reserve benzine (ambergeel) (g)
7) Benzinemeter
8)9) Drukknop digitale klok
10) Digitale klok
TABEL INSTRUMENTENPANEEL
| BESCHRIJVING | FUNCTIE |
| Waarschuwingslampje richtingaanwijzer c | Licht op als het richtingsignaal in werking is. |
| Waarschuwingslampje olieniveau olietank j | Licht op zodra het contact in de stand "ON" staat en de startknop "r" ingedrukt is; dit is een test om te zien of het lampje goed functioneert.Als het lampje tijdens het starten niet mocht oplichten, dan moet het vervangen worden.[7668] Als het lampje oplicht en vervolgens niet uitgaat nadat u de start-knop "r" hebt losgelaten, dan betekent dit dat de olie op reserveni-veau is. In dit geval moet het oliereservoir onmiddellijk bijgevuld worden, ter voorkoming van ernstige schade aan de motor. |
| Kilometertotaalteller Geeft het totale aantal gereden kilometers aan. | |
| Snelheidsmeter Geeft de rijsnelheid aan. | |
| Waarschuwingslampje dimlicht b | Licht op als het dimlicht aan is. |
| Waarschuwingslampje benzine reserve g | Licht op als er in de benzinetank nog ongeveer 1,5 liter benzine over is. |
| Benzinemeter Geeft bij benadering het niveau van de | brandstofvoorraad aan in de benzine-tank. |
BELANGRIJKSTE BEDIENINGSELEMENTEN

De electrische onderdelen funktioneren alleen als de sleutel in het kontaktslot in de stand "ON" staat.
1) DRUKKNOP CLAXON (f)
De claxon treedt in werking als deze knop wordt ingedrukt.
2) CHOKE
U stelt de choke in werking door de hendel naar beneden te drukken en u zet hem uit door de hendel weer naar boven te drukken.
3) RICHTINGAANWIJZER (c)
De schakelaar naar links drukken om aan te geven dat u links af gaat slaan, naar rechts om aan te geven dat u naar rechts zult gaan. Als u op de schakelaar drukt dan wordt de werking onderbroken.

BEDIENINGSELEMENTEN OP DE RECHTER STUUR-HELFT

De electrische onderdelen funktioneren alleen als de sleutel in het kontaktslot in de stand "ON" staat.
1) LICHTSCHAKELAAR (b - p - •)
Als het contact in de stand "ON" staat en de lichtschakelaar in de stand "•", dan zijn de lichten gedoofd; in de stand "p" is het parkeerlicht aan (bij de versie F en NL is het grootlicht aan); in stand "b" het dimlicht.
2) STARTKNOP (r)
Wanneer de startknop wordt ingedrukt en tegelijkertijd de remhendel wordt aangetrokken (van de voor- of de achterrem), begint de startmotor te draaien, en slaat de motor aan. Zie voor de startprocedure bladzijde 30 (STARTEN).

KONTAKTSLOT
Het kontaktslot bevindt zich aan de rechterzyde aan het birnen-beenscherm.

Het kontaktsleuteltje (1) past op het kontaktslot, het stuurslot,
het dokumentenkastje en het zadelslot. Er worden bij het voertuig twee sleutels geleverd (één voor reserve).

Zet de sleutel tijdens het rijden nooit in de stand "LOCK", aangezien u anders de controle over torvoertuig verliest.
WERKING
Zet het stuur vast, door het geheel naar links te draaien met het sleuteltje (1) in de stand "OFF"; druk de sleutel in, zet het in de stand "LOCK". Verwijder de sleutel.
| STAND | FUNCTIE VERWYDE-REN SLEUTELT | |
| LOCKStuurslot | Het stuur is geblokkeerd.De motor kan niet gestart worden en de lichten functioneren niet. | De sleutel kan verwyderd worden. |
| OFF De motor en de lichten kunnen niet aangezet worden. | De sleutel kan verwyderd worden. | |
| ON De motor en de lichten kunnen aan-gezet worden. | De sleutel kan niet verwyderd worden. | |
HULPBENODIGDHEDEN

INSTELLEN KLOK
Afleeskader:
♦ Normaal afleeskader: uren en minuten.
♦ Datum: druk (1) een keer om de maand en de dag te doen verschijnen.
- Seconden: druk (1) twee maal om de se-
conden te doen verschijnen.
Instelling:
♦ Druk (2) een keer; de datum en het uur zullen afwisselend zichtbaar worden,
De maand: druk nogmaals (2): de maand zal links zichtbaar worden (de rest verdwijnt). Druk (1) om de gewenste maand in te stellen.
De dag van de week: druk nogmaals (2) en rechts zal de dag verschijnen. Druk (1) om de gewenste dag van de week in te stellen.
- Het uur: druk nogmaals (2) en links zal het uur verschijnen ("A" = voormiddags "P" = namiddags). Druk (1) om het gewenste uur in te stellen.
- Minuten: druk nogmaals (2) en de minuten zullen rechts op het afleeskader verschijnen. Druk (1) om de gewenste minuten in te stellen.
- Nu is de klok ingesteld. Druk nog eenmaal (2) om terug te keren naar het normale functioneren.

♦ Verwijder de voorste stuurkap, zie p. 47 (VERWIJDERING VOORSTE STUUR-KAP).
Haal de kloksteun (3) tevoorschijn, door het klipje (4) op de achterkant van het dashboard opzij te duwen.
◆ Haal de klok eruit en vervang de batterij.

Ga als volgt te werk voor het ontgrendelen van het zadel:
- Steek de contactsleutel (2) in het sleutelgat van het zadel (1).
♦ Draai de sleutel (2) tegen de wijzers van de klok in en breng het zadel omhoog. - Als het zadel omhooggebracht is, kan de achterste bagageruimte (3) geopend worden.
- Sluit voor het omlaagbrengen van het zadel de bagageruimte (3) weer en controleer of hij niet geopend is gebleven en daardoor het vergrendelen van het zadel onmogelijk maakt.

Rijd niet met het voertuig terwijl de achterste bagageruimte geopend is.

Controleer voordat u het zadel vastklikt, of u niet per ongeluk utel in het helmopbergkastje / dotenkastje hebt laten liggen.
- Voor het vergrendelen van het zadel moet het naar beneden gebracht worden en aangedrukt worden (zonder het te forceren), totdat het dichtklikt.

Controleer vòor het rijden of het zadel op correcte wijze vergrendeld is.

Ga als volgt te werk als de vergrendeling moeizaam gaat of helemaal niet functioneert:
- Controleer of de twee sluitopeningen (4) en de twee sluitgeleiders (5) vrij zijn en of er niets het omlaagbrengen van het zadel kan hinderen.
Als er geen objecten zijn die het omlaagbrengen van het zadel bemoeilijken, ga dan over tot het bijstellen van de sluitklemmen (7), met behulp van de daarvoor bestemde sleutel waarmee u de tussen twee sluithaken (7) bevindende schroeven (6) aandraait of losser draait. - Controleer na het bijstellen van de vergrendeling of het sluitmechanisme goed werkt.

Dankzij het opbergkastje / dokumentenkastje hoeft u niet telkens als u parkeert allerlei kleinere dingen bij u te houden. Het kastje bevindt zich onder het zadel. U kunt erbÿ kommen door:
- het zadel (1) te ontgrendelen en omhoog te brengen zie p. 20 (ONTGRENDELEN/VERGRENDELEN ZADEL).

Er mag maximaal 2,5 kg aan inhoud in het kastje opgeborgen worden. Deze limiet niet over-
schrijden!

Houd u aan de regels betreffen- de het vervoer van objecten.
Ga als volgt te werk als u objecten vervoert die te groot zijn om het kastje te kunnen sluiten of die gevaar opleveren als ze aan de tassehaak bevestigd zijn:
- Haal het zadel (1) en de achterklep (2) omhoog.
♦ Schroef de schroef (3) van de achterklep los.
♦ Verwijder de achterklep (2).

- Plaats het te vervoeren object in de opbergruimte, sluit de steun van de achterklep (4) en laat een deel van het object uit de opbergruimte steken.
- Breng het zadel weer naar beneden en vergrendel het.

Controleer voordat u gaat rijden of het zadel wel goed op zijn plaats zit en of de te vervoeren objecten wel goed vast zitten in de op- bergruimte.

Deze bevindt zich onder het stuur, op het binnenste schild; u opent het als volgt:
♦ Steek het contactsleuteltje (1) in het slot.
- Draai het rechtsom, trek het eruit en haal het deksel (2) omhoog.
De set bestaat uit:
1 gereedschapstasje
1 bougiesleutel van 25 mm
1 pijp voor bougiesleutel
1 pijpsleutel van 8 / 10 mm
1 kruisschroevedraaier
1 handvat voor schroevedraaier
1 inbus 4 mm

Controleer, voordat u het kastje sluit, of de sleutel er niet in is blijven liggen.
U vergrendelt de deksel (2) door hem omhoog te duwen. De sleutel is hierbij niet nodig.
Maximaal toegestaan gewicht: 1,5 kg.
TASSEHAAK

Niet tassen of zakken aan de haak hangen die teveel ruimte innemen omdat dit de manoeu-aarheid of de beweging van de ernstig kan belemmeren.
De tassehaak (3) bevindt zich op het binnenste schild, in het midden.
Maximaal toegestaan gewicht op de haak: 1,5 kg.

De anti-diefstalhaak (4) bevindt zich op de rechterkant van het voertuig, onder de voetenplank.
Maak het voertuig vast aan een onverplaatsbaar object om diefstal te voorkomen. Gebruik een ketting met een kettingslot.

Gebruik de haak niet om het voertuig op te tillen of voort te trekken of voor andere doelen,
aangezien de haak slechts berekend is op het vastmaken van het voertuig bij het parkeren.
BELANGRIJKSTE ONDERDELEN

De brandstof die gebruikt wordt voor de aandrijving van de motor is zeer licht ontvlambaar en kan in bepaalde omstandigheden explosief worden.
Het verdient aanbeveling om het tanken en de onderhoudswerkzaamheden in een geventileerde ruimte uit te voeren met uitgeschakelde motor.
Rook niet gedurende het tanken en in de nabijheid van benzinedampen, mijd in ieder geval absoluut het contact met open vlammen, vonken en iedere andere bron die het ontvlammen of het ontploffen ervan zou kunnen veroorzaken.
Voorkom bovendien dat er benzine uit de opening van de tank stroomt, aangezien deze benzine door aanraking met de gloeiende delen van de motor vlam zou kunnen vatten.
Controleer, voor het geval per ongeluk benzine buiten de tank terecht mocht komen, of de plek waar de benzine is terechtgekomen geheel droog is.
Controleer voor u gaat rijden of er geen benzine op de hals van de tankdop is achtergebleven.
Benzine zet uit bij temperatuurstijging en onder invloed van zonnewarmte. Vul de tank dus nooit tot aan de rand.
De dop zeer goed dichtdraaien na het tanken.
Mijd contact van benzine met de huid, mijd inademing van benzinedampen en het opzuigen en het overschenken van de ene jevrycan naar een andere met behulp van een slang.
BUITEN BEREIK VAN KINDEREN HOUDEN
Gebruik uitsluitend Super benzine DIN 51 600, min. oktaangetal 98 (N.O.R.M.) en 88 (N.O.M.M.).
Inhoud benzinetank: ca. 7 liter. Reserve: 1,5 liter.

Ga voor het tanken van benzine als volgt te werk:
- Steek de sleutel (1) in het slot van de benzinedopklep (2) (linkerkant onder het voorste knipperlicht).
- Draai de sleutel tegen de wijzers van de klok in, trek hem aan en open het klepje.
♦ Draai de benzinedop (3) van zijn plaats.
ALLEEN VOOR DE UITVOERING MET KATALYSATOR
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine DIN 51 607, min. oktaangetal 95 (N.O.R.M.) en 85 (N.O.M.M.).

OLIERESERVOIR
Deze bromfietsis voorzien van een gescheiden mengsysteem dat ervoor zorgt dat de benzine met olie gemengd wordt, voor de smering van de motor, zie p. 66 (SMEERMIDDELENTABEL). Als het waarschuwingslampje voor de olie op het dashboard oplicht, betekent dit dat het oliepeil op reserveniveau gekomen is. In dat geval moet u zo snel mogelijk olie bijvullen, zie p. 14 en 15 (INSTRUMENTENPANEEL).

Als u het voertuig zonder olie gebruikt, wordt er zware schade aan de motor toegebracht.

Mocht de olie geheel zijn opge-raakt of de leiding niet functioneren, wendt u zich dan tot een erkende aprilia dealer, die het oliemengsysteem zal ontluchten.
Deze werkzaamheden moeten absoluut plaatsvinden, want lucht in het oliemengsysteem kan zware schade aan de motor toebrengen.
Ga als volgt te werk om de olie in het reservoir te gieten:
- Breng het zadel omhoogg en open de achterklep zie p. 20 (ONTGRENDELEN / VERGRENDELEN ZADEL).
♦ Verwijder de drukdop (1).
INHOUD OLIETANK : 1,3 liter RESERVEVOORRAAD: 0,5 liter
Was de handen goed na met 2-takt olie in contact te zijn gekomen. Olie niet in het milieu terecht laten komen.
BUITEN BEREIK VAN KINDEREN HOU-DEN
Plotselinge verschilien in spel- ing of een flexibele weerstand op de remhendel zijn te wijten aan onregelmatigheden in het hydraulisch systeem.
U moet niet aarzelen te rade te gaan bij een aprilia dealer, ingeval u twijfelt of het remsysteem wel goed functioneert, en als u zelf niet in staat bent de normale controlewerkzaamheden uit te voeren.
Controleer nauwgezet of de remschijf en de remvoeringen niet vet zijn, in het bijzonder na uitvoering van bovenge-noemde werkzaamheden.
Controleer of de remleiding niet in elkaar gedraaid is of versleten.
Let er goed op dat er geen water of stof in het remcircuit terecht komt.
De remvloeistof kan irritatie veroorzaken als deze in contact komt met de huid of met de ogen.
Was zeer grondig de delen van het lichaam die in contact met de vloeistof zijn gekomen; mocht dat het geval zijn geweest, wend u zich dan snel tot een arts.
Gebruikte remvloeistof niet in het milieu doen terechtkomen.
BUITEN BEREIK VAN KINDEREN HOUDEN
Mors tijdens het gebruik van remvloeistof niet op plastic of gelakte delen, omdat de remvloeistof deze kan aantasten.

De remmen zijn de belangrijkste onderdelen voor uw veiligheid, dus moeten zij altijd in perfecte
staat verkeren.
De remvloeistof moet eens in het jaar vervangen worden, dit moet gedaan worden door een erkende aprilia dealer.
Dit voertuig is voorzien van een hydraulische schijfrem op het voorwiel.
Als de remblokjes slijten, gaat het niveau van de remvloeistof naar beneden, om de slijtage automatisch te compenseren.
Noodzakelijk is een periodieke controle van het niveau van de remvloeistof in het remvloeistofreservoir (1), en de slijtage van de remblokjes, zie p. 44 (CONTROLE SLIJTAGE REMBLOKJES).

Voor de controle van het peil van de remvloeistof moet het voertuig rechtop staan. Controleer nu of de vloeistof het glaasje minimaal tot "MIN" reikt. Zo niet, vul dan het vloeistofreservoir bij.
Ga voor het bijvullen als volgt te werk:
♦ Verwijder de stuurkap van het stuur, zie p. 47 (VERWIJDEREN STUURKAP).
♦ Draai de twee schroeven (2) los.
♦ Haal de kap (3) omhoog.

U wordt aangeraden het voertuig ook tijdens deze werkzaamhe- eeds rechtop te houden, om te omen dat de vloeistof weg-nt.
♦ Verwijder de pakking.
♦ Vul het remvloeistofreservoir tot het glaasje geheel bedekt is.
◆ De pakking weer aanbrengen.
♦ Monteer de kap (3).
♦ Draai de schroeven (2) vast.

Controleer of de rem goed functioneert. Zonodig een erkende aprilia dealer raadplegen.
Als er teveel speling op de remhendel zit, of als u teveel elasticiteit voelt, of als er zich luchtbellen hebben gevormd, dan moet u zich wenden tot een erkende aprilia dealer, want het systeem zou eventueel ontlucht moeten worden.
De ontluchting moet in ieder geval plaatsvinden na de eerste 500 km.

De remmen zijn de belangrijkste onderdelen voor uw veiligheid, dus moeten zij altijd in perfecte ehouden worden.
U moet niet aarzelen te rade te gaan bij een aprilia dealer, ingeval u twijfelt aangaande het perfect functioneren van het remsysteem, en in het geval u zelf niet in staat bent de normale controlewerkzaamheden uit te voeren.

AFSTELLEN ACHTERREM
- Meet de grootste afstand tussen de remhendel in uitgangspositie en het punt waarop de aangetrokken remhendel de feitelijke remwerking begint uit te oefenen. De speling moet ongeveer 10 mm zijn.
- Stel de speling bij door de stelmoer (1) enigszins aan te draaien of enigszins los te draaien.
- Rem herhaaldelijk en controleer of het wiel vrij ronddraait als de rem losgelaten is.
- Controleer of de rem adequaat functioneert.

Als de stelmoer geheel is aangedraaid, dan zijn de remblokjes
versleten. Zie in dat geval p. 44 (CON-TROLE SLIJTAGE REMBLOKJES).
BANDEN

Controleer regelmatig de bandenspanning, bij een omgevingstemperatuur. Als de banden warm zijn, is de meting van de spanning niet correct.
In het bijzonder moet de bandenspanning na iedere lange reis gemeten worden.
Als de bandenspanning te hoog is, wordt de onregelmatigheid van de weg waarop u rijdt niet opgevangen en overgebracht op het stuur zodat het rijden oncomfortabel wordt; daarnaast is ook de grip op de weg in de bochten minder vast.
Als de bandenspanning te laag is, komen de zijkanten van de banden in kontakt met de weg en bestaat het gevaar, dat de band over de rand van de velg glijdt, of zelfs helemaal van de velg afraakt met alle gevolgen van dien.
Ingeval van plotseling remmen kunnen de banden van de velg afraken. Tenslotte kan de bromfiets uit de bocht vliegen.
Controleer zorgvuldig de staat van het bandoppervlak en de slijtage, want als de band in slechte staat is, heeft hij minder grip op het wegdek en wordt de bromfiets minder goed manoeuvreerbaar.
Vervang de band als hij versleten is, als er een gat in het zijvlak zit, of als er een gat in het loopvlak zit dat groter is dan 5 mm.
Nadat de band gerepareerd is, moeten de wielen uitgebalanceerd worden.
Gebruik uitsluitend banden met de afmetingen die aangegeven zijn door de fabrikant zie p. 62 (TECHNISCHE GEGEVENS).
Monteer geen banden met binnenbanden op velgen die bestemd zijn voor tubeless banden en omgekeerd.
Controleer of de banden altijd voorzien zijn van ventieldopjes, om te voorkomen dat ze plotseling leeglopen.
De reparatie-, onderhouds- en uitbalanceringswerkzaamheden zijn zeer belangrijk en moeten met de juiste gereedschappen worden uitgevoerd en door vakmensen met de noodzakelijke ervaring. Daarom wordt u geadviseerd zich daarvoor tot een aprilia dealer te wenden.

Als de banden nieuw zijn, dan kunnen ze bedekt zijn met een gladde laag. Rij daarom de eerste kilometers voorzichtig. Smeer de banden niet in met vloeistoffen die de banden kunnen aantasten.
BANDENSPANNING
VOOR: 1,7 bar
ACHTER: 1,9 bar
BANDENSPANNING MET PASSAGIER
(in landen waar het vervoer van een pas-sagier is toegestaan)
VOOR: 1,7 bar
ACHTER: 2,1 bar
MINIMALE DIEPTE BANDENPROFIEL
VOOR: 1,5 mm
ACHTER: 1,5 mm

Parkeer het voertuig niet in de nabijheid van droge struiken of op plaatsen waar kinderen kunnen komen aangezien de katalysator door gebruik zeer hoge temperaturen bereikt; kijk dus heel goed uit en vermijd ieder soort kontakt voordat hij geheel afgekoeld is.
De GULLIVER 50 is voorzien van een geluiddemper met metallic "platina-rhodium tweewegkatalysator". Deze dient ter oxidatie van de CO (kooloxide) en HC (onverbrande koolwaterstoffen) die zich in het uitlaatgas bevinden. Deze verbindingen worden omgezet in resp. koolstofanhydride en waterdamp.
Verder verbranden oliedeeltjes door de hoge temperatuur van het uitlaatgas ten gevolge van de katalytische reactie, zodat de geluiddemper schoon blijft, terwijl de rookrestanten afgevoerd worden.
Voor de juiste en duurzame werking van de katalysator en om de mogelijke problemen van vervuiling van de motor en de uitlaat tot een minimum te beperken moet het langdurig rijden met lage snelheid (met een constant laag toerental) vermeden worden.
Het is dan ook voldoende om met regelmatige tussenpozen het toerental te verhogen, al is het maar voor enkele seconden. Uit hetgeen hierboven gezegd is, vloeit voort dat het starten van de motor vanuit koude toestand belangrijk is; als de temperatuur van het warmte-aggregaat de 50°C heeft bereikt, wordt de katalytische reactie in gang gezet, hetgeen in het algemeen enkele seconden na het starten gebeurt.

Gebruik geen loodhoudende benzine: deze vernielt de katalysator.
Controleer steeds voordat u gaat rijden, de motor op een goed en veilig functioneren, zie daarvoor
de tabel VOORAFGAANDE CONTRO- LES.
Het achterwege blijven van dergelijke controles kan ernstige gevolgen hebben voor personen en voor de bromfiets zelf.

U moet niet aarzelen te rade te gaan bij uw erkende aprilia dealer, als u niet begrijpt hoe be-
paalde bedieningsinstrumenten werken of als u een mankement denkt te hebben gevonden.
Een controle kost weinig tijd, maar verhoogt aanzienlijk de veiligheid.
TABEL VOOR VOORAFGAANDE CONTROLES
| ONDERDEEL CONTROLE PAGINA | ||
| Schijfrem voor Controleer of de rem goed functioneert, het oliepeil en eventueel olieverlies. Controleer of de remblokjes niet versleten zijn. Zonodig olie bijvullen. | 24, 25, 44 | |
| Trommelrem achter Controleer of de rem goed functioneert, controleer de speling van de remhevel en de staat van de remhendel. Stel de remhendel zonodig bij. | 26 | |
| Gashendel Controleer of de hendel niet te stug is en of het gas geheel open- en dichtgedraaid kan worden, bij alle standen van het stuur. Zonodig bijstellen en/of smeren. | 48 | |
| Olietankje Controleren en zonodig bijvullen. 24, 38, 39 | ||
| Wielen / banden Controleer bandoppervlak, bandendruk, eventuele slijtage en beschadigingen. | 27 | |
| Remhendels Controleren of de hevels niet te weinig of te veel speling hebben. De scharnierpunten zonodig smeren. | 25, 26 | |
| Standaard Controleren of de standaard soepel functioneert en of de spanning van de veren de standaard weer in de ingeklapte stand terugbrengt. Zonodig scharnierpunt en buigende delen smeren. | — | |
| Bevestigingsdelen Zonodig alle bevestigingselementen vastdraaien of bijstellen. | — | |
| Benzinetank | Het peil controleren en zonodig bijtanken. Controleren op eventuele lekken in de benzineleiding. | 23 |
| Lichten, waarschu-wingslampjes, akoestische signa-len en electrische installatie | Het correct functioneren controleren. Lampjes evt. vervangen of zonodig zorgen voor reparatie van het defect. | 50 ÷ 59 |

Het uitlaatgas bevat koolmonoxide hetgeen bij inademing zeer schadelijk is voor het organisme. Voorkom het starten van de motor in gesloten of niet voldoende geventi-leerde ruimtes.
Bij het niet opvolgen van deze raadgevingen kan bewusteloosheid veroorzaakt worden en zelfs de dood door verstikking. Ga bij het starten niet op het voertuig zitten.
ELECTRISCH STARTEN
- Zet voor het starten het voertuig op de middenstandaard.
◆ Zet het contactslot (1) op "ON".
♦ Blokkeer tenminste één wiel, door de remhendel (2) in te knijpen. Zonder deze blokkering krijgt het startrelais geen stroomtoevoer en gaat de startmotor niet draaien.

- Druk de startknop (3) in zonder gas te geven en laat deze los zodra de motor aanslaat.
Als de startknop "r" ingedrukt wordt, gaat het olielampje "j" branden. Als de motor gaat draaien en de startknop "r" dus losgelaten moet worden, moet het waarschuwingslampje voor het oliepeil in het oliereservoir "j" uitgaan. Gebeurt dit niet, dan moet er onmiddellijk olie bijgevuld worden zie p. 24 (OLIERESERVOIR).
- Druk als u vanuit koude toestand start, de choke (4) naar beneden.

Druk nooit op de startknop "T" terwijl de motor draait, anders kan de startmotor beschadigd raken.


- Geef nog steeds geen gas en houd de rem aangetrokken tot u vertrekt.
- Laat de motor warm draaien voordat u gaat rijden.
- Druk de choke naar boven (4) als de motor is warmgedraaid.

Voor het starten van de motor d.m.v. de kickstarter (KICK START) moet u als volgt te werk gaan:
- Zet het voertuig op de middenstandaard.
♦ Ga ann de linkerkant van de bromfiets staam.
♦ Zet het contact (1) in de stand "ON".
♦ Blokker het voertuig met beide remmen (2). - Trap met de rechtervoet op de kickstarter (3), trek de voet onmiddellijk terug.
Als het voertuig lange tijd heeft stilgestaan, moet u de startmotor ongeveer 10 seconden laten draaien, zodat de carburator gevuld wordt met brandstof.
Voor het starten van de motor de choke (4) omlaagdrukken en een beetje gas geven en overgaan tot de startprocedure.

Houd de kickstarter nooit ingedrukt en trap er niet op als de motor draait.

WEGRIJDEN EN RIJDEN
Laat de gashandel naar de uitgangspositie teruggaan (stand A) en knijp de achterremhevel in; duw dan het voertuig van de standaard. Stap op terwijl u tenminste één voet op de grond houdt om in evenwicht te blijven.

Stel de achteruitkijkspiegels bij.
Voor het wegrijden moet u de rem loslaten, langzaam het gas opendraaien (stand B); het voertuig gaat nu rijden.

Draai de gashendel niet steeds open en dicht: zo zou u plotse- ling de controle over het voer- nnen verliezen.
Geef bij het remmen in het geheel geen gas meer en gebruik beide remmen en verdeel de druk op de remdelen op passende wijze, zodat de snelheidsafname geleidelijk plaatsvindt.
Als u alleen de voorrem of alleen de achterrem gebruikt, heeft de motor minder remkracht en kan het beremde wiel blokkeren met alle mogelijke gevolgen voor de wegligging.
Minder voor een bocht snelheid, rem niet te hard in de bocht en neem hem met matige en constante snelheid.

Het voortdurende gebruik van de remmen bij afdalingen kan oververhitting van de remvoeringen
tot gevolg hebben, met nadelige gevolgen voor de remcapaciteit. Maak gebruik van de motorcompressie bij het afdalen en gebruik afwisselend beide remmen.
Rijd niet met afgezette motor!!
Rijd tijdens het rijden op een nat of een glad wegdek (door sneeuw, ijs, modder enz.) met matige snelheid, mijd plotseling remmen. Mijd manoeuvres waardoor u de grip op het wegdek zou kunnen verliezen zodat u ten val zou kunnen komen.

Let op ieder obstakel op of iedere verandering van het wegdek.
Opgebroken straten, wielsporen, putdeksels, verkeerssignalen die op het wegdek zijn geverfd, metalen platen bij bouwplaatsen: al deze zaken worden zeer glad bij regen. Rijd er daarom met de grootst mogelijke voorzichtigheid overheen, zonder bruuske bewegingen en met de motor zo weinig mogelijk scheef hangend.
Geef veranderingen van rijbaan of rijrichting altijd aan met de daarvoor bestemde middelen en ruim van tevoren, vermijd ook hierbij bruuske en gevaarlijke manoeuvres.
Als het waarschuwingslampje van het oliepeil tijdens het rijden oplicht, dan betekent dit dat het oliepeil te laag is. Vul dan onmiddellijk olie bij, zie p. 24 (OLIERESERVOIR).
INRIJDEN

Na de eerste 500 km moeten de controles worden uitgevoerd zoals die beschreven staan onder het ONDERHOUDSSCHEMA - p. 35, om schade aan zichzelf, anderen en de motor te voorkomen.
Het inrijden van de motor is heel belangrijk voor de duurzaamheid ervan en het correct functioneren.
Berijd zo mogelijk bochtige wegen en hellingen (in heuvelachtig landschap) waar de motor, de vering en de remmen op doelmatige wijze ingereden kan worden.
Houdt u zich de eerste 500 km aan de volgende regels:
0-300 km
Laat de gashendel niet voor meer dan de helft open staan tijdens lange ritten.
300-500 km
Laat de gashendel niet voor meer dan drie kwart open staan tijdens lange ritten.

Bij uitgeschakelde motor hoeft het benzinekraantje niet dichtgedraaid te worden, aangezien het voorzien is van een automatisch onderdruksysteem.

Houd het voertuig vast zoals aangegeven op de tekening en duw de standaard omlaag.

Parkeer het voertuig op een hard en horizontaal terrein om te voorkomen dat hij valt; gebruik steeds de daartoe bestemde standaard.
Zet het vervoermiddel niet tegen muren en leg het niet plat op de grond.
Controleer of het voertuig en in het bijzonder de gloeiende delen van het vervoermiddel geen enkel gevaar opleveren voor personen en kinderen.
Laat het vervoermiddel niet onbeheerd staan met de motor aan of met de kontaktsleutel in het kontaktslot.
Ga niet op het voertuig zitten terwijl hij op de standaard staat.

Laat NOOIT de kontaktsleutel in het slot zitten en zet het stuur altijd in het stuurslot. Parkeer het voertuig op een veilige plaats, mogelijk in een garage of op een bewaakte plaats.
Gebruik zo mogelijk een extra hulpmiddel ter voorkoming van diefstal.

Rechts onder de voetenplank bevindt zich de anti-diefstalhaak: gebruik deze bij het parkeren.
Ga na of de documenten in orde zijn.

Schrijf uw persoonsgegevens en uw telefoonnummer in dit boekje, om de identificering van de eigenaar te vergemakkelijken ingeval het voertuig na diefstal wordt teruggevonden.
NAAM:
VOORNAAM:......
ADRES:
TEL. NUMMER:......
In veel gevallen worden gestolen scooters geïdentificeerd aan de hand van de in het boekje voor gebruik en onderhoud vermelde gegevens.
ONDERHOUD

Voordat u met enige onderhoudswerkzaamheden of inspectie van het vervoermiddel begint, moet u de motor uitdoen, de kontaktsleutel uit het kontaktslot halen, het vervoermiddel zomogelijk omhoogbrengen met de daarvoor bestemde apparatuur op een stevige en vlakke ondergrond. Houd vooral rekening met het gevaar van de gloeiende delen van de motor en het uitlaatsysteem zodat u het ontstaan van brandwonden voorkomt. De scooter is vervaardigd uit niet-eetbare delen. Bijt, zuig kauw dus op geen enkel deel ervan en slik niets ervan door.

Als het niet anders vermeld staat, verloopt de werkwijze bij het monteren in omgekeerde volgorde als het demonteren.
Normaal gesproken kunnen de onderhoudswerkzaamheden verricht worden door de gebruiker; soms vereisen ze het gebruik van specifiek gereedschap en technische ervaring.
Als technische hulp of advies noodzakelijk is, wendt u zich dan zomogelijk tot de erkende aprilia dealer, die een degelijke en snelle service garandeert.
De voorafgaande controlewerkzaamheden uitvoeren, zie p. 29 (TABEL VOORAFGAANDE CONTROLES) na een onderhoudsbeurt.
ONDERHOUDSSCHEMA
| ONDERDELEN | Na de inrijperiode (500km) | om de 4000 km of 8 maanden | om de 8000 km of 16 maanden |
| Benzineleiding C | |||
| Werking gashendel C C | |||
| Luchtfilter C P | |||
| Bougie C C S | |||
| Uitlaateinde ontkolen P | |||
| Carburateur / stationair R C | |||
| Aandrijfketting C | |||
| Oliepeil oliereservoir C elke 500 km: C | |||
| Versnellingsbakolie S | elke 3.000 km of 6 mnd C | elke 12.000 km of 2 jr. | |
| Olieleiding oliereservoir C C | |||
| Remvloeistof elk jaar: S | |||
| Slijtage voorremblokken C | elke 2000 km C | ||
| Slijtage achterremvoeringen | C | ||
| Smering remnok as achterrem | C C | ||
| Reminrichting | C C | ||
| Functioneren remblokkering | C | ||
| Remlichtschakelaar | C | ||
| Afstelling koplamp / werking lamp | C C | ||
| Achterschokdemper | C C | ||
| Voorvering | C C | ||
| Aandraaien moeren en schroeven | C C | ||
| Ontluchten remsysteam | |||
| Wielen / banden / bandenspanning | elke maand: R | ||
| Lagers stuurstang | C C | ||
| Wiellagers | C | ||
| Niveau accuzuur | C C | ||
| C = controlleren, schoonmaken, stellen, smeren of zonodig vervangen.P = schoonmaken S = vervangen R = afstellenDe onderhoudswerkzaamheden vaker uitvoeren als het voertuig gebruikt wordt in regenachtige of stoffige gebieden of op oneffen trajecten.U wordt geadviseerd de onderhoudswerkzaamheden van de genoemde elementen ALLEEN door een erkende aprilia dealer te laten uitvoeren. | |||

Het is een goed gebruik om het framenummer en het motor in de daarvoor bestemde ruimte in dit boekje te vermelden.

Het aanbrengen van veranderingen van de identificatienummers
kan ernstige straffen in de zin der wet ten gevolge hebben.

Het motornummer is onderaan op de achterste schokdemper geslagen.
Motornr.

Het framenummer is in de centrale buis van het frame geslagen.
Om het nummer te kunnen le zen moet de deksel (1) opgelicht worden.
Chassisnr.

Geen benzine of ontvlambare oplossingen gebruiken voor het schoonmaken van het filter vanwege brand- of explosiegevaar.
Lees aandachtig p. 35 (ONDERHOUD).
Het schoonmaken en de controle van het luchtfilter moet maandelijks of elke 4000 km plaatsvinden; dit hangt af van de omstandigheden waarin het vervoermiddel wordt gebruikt.
Als het voertuig op stoffige of natte straten wordt gebruikt, moeten schoonmaakwerkzaamheden of vervanging frequenter worden uitgevoerd.

VERWIJDEREN LUCHTFILTER
♦ Zet de scooter op de standaard.
♦ Verwijder het spatscherm linksachter, zie p. 46 (VERWIJDEREN ONDERSTE SPATSCHERM).
♦ Verwijder de beschermkap van de bougie, zie p. 46 (VERWIJDEREN BE-SCHERMKAP).
♦ Draai de schroef (1) los, zodat de afdichtingsring en de sluitring van de carburateurslang weggetrokken kunnen worden (2).
- Steek de sleutel in het gat van het spatscherm (3), draai de schroef (4) los en de afdichtingsring los en verwijder hem.
♦ De schroef (5) losdraaien.
♦ Pak de slang (6) beet bij de beugel, trek hem aan en trek zo het luchtfilter (7) eruit.

♦ Draai de drie schroeven (8) los.
♦ Verwijder het filterdeksel (9) en haal het filterelement eruit.
♦ Reinig het filter met een schone niet-ont-vlambare en niet-vluchtige oplossing; alles heel goed laten drogen.
- Breng op het gehele oppervlak van het filter filterolie aan of een dikke olie (SAE 80 W - 90) en daarna met een doek het teveel aan olie erafvegen.

Het filter moet goed geïmpregneerd zijn met olie maar er mo- gen geen druppels te zien zijn.

Lees aandachtig p. 35 (ONDERHOUD).
Voor de controle van het oliepeil in de versnellingsbak moet u de volgende werkzaamheden iedere 3000 km uitvoeren of om de 6 maanden:
- Rijd een paar kilometer, tot de normale werktemperatuur is bereikt; zet de motor uit.
◆ Zet het voertuig op de zijstandaard.

- Zet onder de aftapplug (1) een opvangbak waarin minimaal 120 cm ^3 olie opgevangen moet kunnen worden.
- Draai de vulplug (2) en de aftapplug (1) los.
- Laat de olie geheel uit het carter lopen, meet de hoeveelheid opgevangen olie; als deze minder is dan 110 cm ^3 , vul dan by tot het vereiste niveau is bereikt.
♦ Draai de aftapplug weer vast en vul bij.
♦ Draai de vulplug weer op het carter.

Draai de vulplug en aftapplug goed vast, zodat de olie niet weg kan lekken.
Controleer regelmatig of er geen olieverlies is door een lekkende pakking van het carterdeksel.
Gebruik het voertuig niet met onvoldoende smering of met vervuilde of verkeerde olie, aangezien dit de slijtage van de bewegende delen zal versnellen en onherstelbare defecten kan veroorzaken.

Voor het geval er olieverlies optreedt of het voertuig niet goed functioneert, dient u zich te wende een erkende aprilia dealer.
LAAT DE OLIE NIET IN HET MILIEU TERECHTKOMEN.
Lees aandachtig p. 35 (ONDERHOUD).
Voor een doelmatig en duurzaam functioneren van het voertuig moet de olie vervangen worden na de eerste 500 km en vervolgens steeds na 12000 km of om de 2 jaar.

Ga voor de vervanging van de versnel- lingsbakolie als volgt te werk:
- Laat de motor al draaiende op werktemperatuur komen; zet de motor uit.
♦ Zet het voertuig op de zijstandaard.
Zet onder de aftapplug (1) een opvangbak waarin minimaal 120 cm³ olie opgevangen moet kunnen worden.
♦ Draai de vulplug (2) en de aftapplug (1) los.
♦ Laat de olie geheel uit het carter lopen. - Draai de aftapplug weer vast en vul 110 cm³ olie bij.
♦ Draai de vulplug weer op het carter.

Draai de vulplug en aftapplug goed vast, zodat de olie niet weg kan lekken.
Controleer regelmatig of er geen olieverlies is door een lekkende pakking van het carterdeksel.
Gebruik het voertuig niet met onvoldoende smering of met vervuilde of verkeerde olie, aangezien dit de slijtage van de bewegende delen zal versnellen en onherstelbare defecten kan veroorzaken.

VOORWIEL
DEMONTAGE
Lees aandachtig p. 35 (ONDERHOUD).

Pas er bij de demontage goed voor op dat de leidingen, de schijf en de remblokjes niet be-
schadigd word
Ga voor het demonteren van het voorwiel als volgt te werk:
◆ Zet het voertuig op de zijstandaard.

Ondersteun het voertuig met steunen zodat het voorwiel vrij rond kan draaien en om te voor-
komen dat hij valt na het demonteren van het wiel.

♦ Draai de schroef van de vork (1) los.
♦ Blokkeer de wielas (2) met een inbus.
- Verwijder de moer (3) en verwijder de af-dichtring.
- Druk de wielas uit met wiel (2), gebruik zonodig een rubberhamer.

Let op de stand van de afstands- stukken en removerbrenging, bij montage alles weer in de juiste vastgezet kan worden.

- Het voorwiel steunen en de wielas er met de hand uittrekken.
- Verwijder het wiel en wees voorzichtig bij het wegtrekken van de schijf uit de remklauw.
♦ Trek het tongetje van de kilometerteller / snelheidsmeter (4) los.

Knijp de voorremhandgreep niet in als de remklauwen verwijderd zijn, anders zouden de zuigers van de remklauw uit de cilinders kunnen schieten, waardoor de remvloeistof weg zou kunnen stromen.
In dat geval moet u zich wenden tot een erkende aprilia dealer, die de nodige onderhoudswerkzaamheden zal uitvoeren.
- Verwijder de afdichtring en de afstandsbout.

MONTAGE VOORWIEL
Lees aandachtig p. 35 (ONDERHOUD).

Pas er bij de demontage goed voor op dat de leidingen, de schijf en de remblokjes niet begd worden.
Ga voor het monteren van het voorwiel als volgt te werk:
- Plaats het voorwiel in de voorvork ; wees voorzichtig bij het inbrengen van de schijf in de remklauw.
Druk het tongetje van de kilometerteller (4) weer op zijn plaats in het daarvoor bestemde gat in de wielnaaf. - Plaats de opening van de verbinding van de kilometerteller vlak voor de antirotatiepin.

- Plaats de afdichtring tussen de verbinding van de kilometerteller en de rechtervoorvork.
- Breng de wielpen (2) weer in vanaf de rechterkant.
- Plaats de afstandsring tussen de wielnaaf en de linkervoorvork.
- Breng de afstandring aan, draai de moer (3) vast, terwijl u de wielas (2) geblokkeerd houdt met een inbussleutel.
Aanhaalmoment wielasmoer: 50 Nm (5kgm).
Druk herhaaldelijk op het stuur, terwijl de handrem is aangetrokken, om zo de vork naar beneden te drukken. Zo worden de voorvakpoten gelijnd.
♦ Schroef de wielklauwschroeven (1) vast.

Knijp de remhendel herhaaldelijk in, om te zien of de rem goed functioneert.
Controleer de uitlijning van het wiel.
Het is aanbevelenswaardig het aanhaal- moment, de uitlijning en het uitbalance- ren te laten doen door een erkende aprilia dealer om ongemakken te voor- komen die ernstige schade aan uzelf of aan anderen zou kunnen berokkenen.

Lees aandachtig p. 35 (ONDERHOUD).

De volgende werkzaamheden moeten niet worden uitgevoerd wanneer de motor en het uitlaatsysteem nog heet zijn, ter voorkoming van brandwonden.
♦ Zet het voertuig op de standaard.
- Verwijder het spatscherm rechtsachter, zie p. 46 (VERWIJDEREN ONDERSTE SPATSCHERM).

Let op de stand van de doorlo- pende naafschroeven (2).

- Demonteer de uitlaatdemper, door de schroeven op de motor (1) en (2) en de cilinder los te draaien.
♦ Draai de schroeven (3) en (4) los en verwijder ze.
♦ Verwijder de uitlaatdemper.

Bij elke demontage de pakking van de cilinder-uitlaatdemper gen.
♦ Draai de moer (5) los en verwijder hem.
- Knijp de achterremhevel in en blijf dit doen.
♦ Draai de asmoer (6) los.

Vervang bij het monteren de asmoer (van een speciaal type) en nieuwe.

Aanhaalmoment asmoer: 110 Nm (11kgm).

Gebruik uitsluitend originele aprilia-onderdelen.

Knijp de remhendel herhaaldelijk in, om te zien of de rem goed functioneert.
Controleer de uitlijning van het wiel.
Het is aanbevelenswaardig het aanhaalmoment, de uitlijning en het uitbalance- ren te laten doen door een erkende aprilia dealer om ongemakken te voorkomen die ernstige schade aan uzelf of aan anderen zou kunnen berokkenen.

Lees aandachtig p. 35 (ONDERHOUD).

Elke 4000 km moet de remnokas van het achterwiel gesmeerd worden. Als het voertuig op stoffige straten gebruikt wordt, moeten deze werkzaamheden vaker worden uitgevoerd.

De werkzaamheden kunnen te moeilijk zijn voor de onervaren reparateur. Ga dan naar een er-aprilia dealer.
Doet u het wel zelf, ga dan als volgt te werk:
◆ Demonteer het achterwiel, zie p. 42 (DE-MONTAGE ACHTERWIEL).
♦ Draai de stelmoer (1) los en verwijder hem.

Let u er vooral op dat de remmende delen die niet worden ingevet niet vet mogen worden of bevuild mogen raken, omdat anders de remcapaciteit nadelig beïnvloed wordt.

De volgende handelingen kunnen nogal moeilijk zijn, omdat de veren veel weerstand bieden aan het weghalen van de remschoenen. Let op dat u zich niet bezeert.
♦ Pak de binnenrand van de twee frictiedelen (2) beet, trek er aan, schud de twee remschoenen los.
♦ Draai de moer (3) los en verwijder de wielashevel (4).
♦ De remnokas (5) eruithalen.

Uitsluitend het centrale deel van de remnokas invetten.
De as en de zone rond de drager mogen absoluut niet vet worden.
- Gebruik vet voor bewegende delen, zie p. 66 (SMEERMIDDELENTABEL).

Controleer of de veren goed be- vestigd zijn.

Controleer de slijtage van de remblokjes van de schijfrem na de eerste 500 kilometer, daarna steeds om de 4000 km.
De slijtage van de remblokjes van de schijfrem hangt af van het gebruik, de rijstijl en de wegen.
De grootste slijtage treedt op bij het rijden over natte en vuile wegen.

Een snelle controle van de remblokjes van het voorwiel gaat als volgt in zijn werk:
◆ Zet het voertuig op de standaard.
♦ Verwijder het beschermkapje (1);
- Kijk door de opening van de remklauw.
Als de dikte (ook van een enkel remblokje) minder is dan 1 mm, dan moeten beide remblokjes vervangen worden.

Voor de vervanging van de remblokjes dient u zich tot een erkende aprilia dealer te wenden.

CONTROLE SLIJTAGE REMSCHOENEN
Lees aandachtig p. 35 (ONDERHOUD) en p. 26 (ACHTERREM).
Voor de controle van de staat van slijtage van de remschoenen achter moet de volgende werkwijze gevolgd worden:
♦ Verwijder het achterwiel, zie p. 42 (DE-MONTAGE ACHTERWIEL).
- Het is nu mogelijk de dikte van de wrijvende delen te controleren, die nooit minder mag zijn dan 1 mm.
Als de minimum dikte bereikt is of als het remmen niet naar behoren verloopt of als er delen beschadigd blijken te zijn, moet u zich tot een erkende aprilia dealer wenden.

Lees aandachtig p. 35. (ONDERHOUD).
Het is aan te bevelen op gezette tijden het stuur op eventuele speling te controleren. Voor de controle van het stuur dient u als volgt te werk te gaan:
◆ Zet het voertuig op de standaard.
- Beweeg het stuur snel heen en weer in de lengterichting van het voertuig.
♦ Mocht er speling in het stuur blijken te zitten, wendt u zich dan tot een erkende aprilia dealer die het mankement zal verhelpen.

Lees aandachtig p. 35 (ONDERHOUD).
Periodiek de speling controleren tussen de asbussen van de motorophangas en de motorophangas zelf.
Deze werkzaamheden moeten als volgt worden uitgevoerd:
◆ Zet het voertuig op een bok.
Schud het achterwiel heen en weer in de dwarsrichting (loodrecht op het voertuig, in een horizontaal vlak).

- Als u speling voelt moet u nagaan of alle bevestigingsdelen van de aandrijfas goed vastzitten.

Als de speling niet verdwijnt, wendt u zich dan tot een erkende aprilia dealer.

Lees aandachtig p. 35 (ONDERHOUD).
♦ Zet het voertuig op de standaard.
- Verwijder met de handen het rubbermatje (1) en de twee voetsteunen (2).
- Draai de vier schroeven (3) los en verwijder ze.
♦ Draai de centrale schroef (4) los en verwijder hem.
- Verwijder de inspectiekap (5) door hem onder aan de randen beet te pakken en omhoog te trekken.

Ga voor het weer aanbrengen van de inspectiekap als volgt te werk:
- Laat de tanden aan de rand (6) in de zittingen vallen.
- Zet de inspectiekap (5) weer op zijn plaats.
- Draai de centrale schroef (4) en de vier schroeven die zich op de rand bevinden (3) vast.
- Druk de twee voetsteunen (2) en het rubbermatje (1) weer op hun plaats.

VERWIJDERING ONDERSTE AFSLUITINGEN KUIP
Lees aandachtig p. 35 (ONDERHOUD).
◆ Zet het voertuig op de standaard.
♦ Draai de drie schroeven (7) los.
♦ Verwijder het onderste sluitdeel (8).

VERWIJDERING VOORSTE STUUR-KAP
♦ Zet het voertuig op de standaard.
♦ Verwijder het dekseltje (1).
♦ Draai de schroef (2) los.
- Verwijder de spiegel waardoor de steun (3) tevoorschijn komt, de afstandsbus (4) en de schroef (2).
♦ Draai de schroef (5) los en verwijder hem.
♦ Draai de schroef (6) los en verwijder hem.
♦ Volg dezelfde werkwijze ook voor de andere kant van het voertuig.
- Draai de centrale schroef (7) op het dashboard los en de voorste schroef onder de lamp (9) en verwijder ze.

Draai de stelschroef van de koplamp (10) niet los.
♦ Druk met de vingers naast de twee tandhaakjes (8).
♦ Pak de voorste stuurkap beet en trek hem los.


Lees aandachtig p. 35 (ONDERHOUD).
Stel het stationaire toerental bij zodra er onregelmatigheden optreden.
Ga daarvoor als volgt te werk:
- Laat de motor warm draaien tot de normale werktemperatuur bereikt is.
◆ Zet het voertuig op de standaard.
♦ Verwijder de inspectiekap, zie p. 46 (VERWIJDERING INSPECTIEKAP). - Bevestig een electronische toerenteller aan de bougiekabel.
Stel het toerental bij met een schroevedraaier waarmee de stelschroef (1) op de carburateur aangedraaid kan worden. Als de stelschroef MET DE WIJZERS VAN DE KLOK MEE wordt gedraaid, neemt het toerental toe, als hij TEGEN DE WIJZERS VAN DE KLOK IN wordt gedraaid, neemt het toerental af. Het stationaire toerental moet ongeveer 1800 tpm bedragen. Als dat het geval is, gaat het achterwiel niet meedraaien.
- Draai de gashendel een paar maal open en dicht om te controleren of het stationair draaien van de motor correct functioneert en constant blijft.
- Sluit de inspectiekap.

Kom niet aan de stelschroef van de luchtdoseur waardoor de kalibrering van de carburateur ver-
andert.

Zonodig de hulp van een erken- de aprilia dealer inroepen.

Lees aandachtig p. 35 (ONDERHOUD).
In de gashendel moet 2-3 mm speling zitten, die op de hendel te meten is.
Stel de speling als volgt af:
♦ Schuif de beschermmuts (3) weg.
◆ Maak de moer (4) los.
- Draai aan de stelring (2) om de juiste speling te verkrijgen. Deze stelring bevindt zich bij de gaskabelingang.
Zet de moer (4) weer vast na het afstellen en schuif de beschermmuts (3) weer op zijn plaats.

BOUGIE
Lees aandachtig p. 35 (ONDERHOUD).
Vervang de bougie iedere 8000 km. Draai de bougie van tijd tot tijd los, verwijder zorgvuldig koolstofresten en vervangen hem zonodig.
Ga voor het losdraaien en schoonmaken als volgt te werk:
- Verwijder de inspectiekap, zie p. 46 (VERWIJDERING INSPECTIEKAP).
Verwijder en reinig de bougie als volgt:
♦ Trek de bougiedop van de bougie af.
- Haal alle vuil van de basis van de keramische isolator van de bougie en draai hem los met de bij de gereedschapset behorende sleutel. Let er goed op dat er geen stof of andere substanties in de cilinder kunnen komen.
- Controleer of er op de electroden en op de centrale isolator geen koolstofaanslag of corrosieplekken zitten. Reinig deze eventueel met de voor het schoonmaken van bougie bestemde middelen, met een ijzerdraadje e/o een zachte staalborstel.
- Blaas krachtig eventuele restanten weg, zodat die niet in de motor terecht kunnen komen.
Vervang de bougie als hij scheurtjes te zien geeft op het isolerende deel, of als de electroden gecorrodeerd zijn of als er teveel koolstof op zit.
- Controleer de afstand tussen de electroden met een voelermaat. De afstand moet ongeveer 0,5 ÷ 0,6 mm zijn. Stel die eventueel bij door voorzichtig de buitenste electrode te verbuigen.
- Controleer of de afdichtring in goede staat verkeert. Draai de bougie met de hand aan, met de ring bevestigd, om beschadiging van de schroefdraad van de cilinderkop te voorkomen.
- Draai hem met de sleutel een halve slag aan, om de ring aan te drukken.
De bougie moet goed aangedraaid zijn, anders kan de motor oververhit raken en beschadigd worden.
Alleen de voorgeschreven types bougie gebruiken, zie p. 62 (TECHNISCHE GE-GEVENS), anders kunnen de prestaties en de levensduur van de motor sterk verminderen.
♦ Druk de bougiedop weer op de bougie.
◆ Breng de inspectiekap weer aan.

Lees aandachtig p. 35 (ONDERHOUD).
Na 500 km en vervolgens elke 4000 km moeten niveau van de accuvulling en de bevestiging van de accuklemmen gecontroleerd worden.

Het accuzuur is giftig en caustisch en in kontakt met de huid kan het verbrandingen veroorza-
ken doordat het zwavelzuur bevat.
Draag beschermende kleding, een mas- ker voor het gezicht e/o een bril als u aan de accu werkt.
Mocht er accuzuur op de huid komen, was de huid dan uitvoerig met veel schoon water.
Als het vocht in kontakt met de ogen mocht komen, was de ogen dan 15 minuten uitvoerig met water en wendt u zich dan zo snel mogelijk tot een oogarts.
Mocht het accuzuur per ongeluk ingenomen worden, drink dan grote hoeveelheden water of melk, daarna magnesiumhoudende melk of plantaardige olie en roep vervolgens zo snel mogelijk de hulp van een arts in.
De accu scheidt explosief gas af en moet daarom uit de buurt van vlammen, vonken, sigaretten en iedere andere warmtebron worden gehouden.
Tijdens het opladen of het gebruik van de accu moet er een goede ventilatie zijn; vermijd inademing van de accugassen.

Keer nooit de verbinding van de accukabels om.

Denk eraan dat het vervoermiddel niet zo zeer overhelt, dat de accuvulling uit de accu kan lo-
pen met alle gevaarlijke gevolgen van dien.
BUITEN BEREIK VAN KINDEREN HOUDEN

Als de accukabels bevestigd of losgemaakt worden, moet de startschakelaar altijd in de stand
"OFF" staan.
Bevestig eerst de positieve kabel (+) en dan de negatieve (−); doe het omgekeerde als u de kabels losmaakt (eerst de negatieve en dan de positieve kabel).

CONTROLE VAN HET PEIL VAN HET ACCUZUUR
Ga voor de controle van het peil van het accuzuur als volgt te werk:
- Breng het zadel en de achterklep omhoog, zie p. 20 (ONTGRENDELEN / VERGRENDELEN ZADEL).
♦ Verwijder de schroef (1).
♦ Verwijder het accudeksel (2). - Controleer of het peil zich bevindt tussen de twee strepen "MIN" en "MAX" die op de zijkant van de batterij geslagen zijn.

Eventueel bijvullen met gedestilleerd water. Niet boven de "MAX" streep uitkomen, want het peil stijgt tijdens het opladen.
Maak voor het opladen de kabels los, haal de accu uit de houder en haal de doppen van de elementen. Zet de accu in een frisse en droge ruimte. Het is aan te bevelen een ampèrespanning te gebruiken die 10 % van de accuspanning zelf bedraagt.
- Controleer na het opladen het accuvloeistofpeil; vul eventueel bij.
♦ Breng de dopjes weer aan.
- Plaats de accu weer in de houder.
Gebruik altijd de ontluchtingspijp van de accu, om te voorkomen dat de zwavelzuurgassen die uit de accu ontsnappen in aanraking komen met het electriciteitssysteem, de gelakte delen, de rubberen delen en die aantasten.
♦ Zet het accudeksel (2) weer op de accu.
♦ Draai de schroef (1) vast.
- Sluit de achterklep en breng het zadel weer naar beneden, zie p. 20 (ONT-GRENDELEN / VERGRENDELEN ZADEL).
LANDURIGE STILSTAND VAN DE ACCU
Als het voertuig lange tijd niet gebruikt wordt, moet de accu eruit gehaald worden, op een koele en droge plaats gezet worden. Als de accu op het voertuig blijft zitten, maak dan de accukabels los. Laad de accu langzaam op.
Het is belangrijk de lading van tijd tot tijd te controleren om achteruitgang van de algehele staat ervan te voorkomen (ongeveer eens per maand): in de winterperioden of wanneer het vervoermiddel stil staat.

VERVANGING ZEKERINGEN

Lees aandachtig p. 35 (ONDERHOUD).

Repareer geen defecte zekeringen.
Gebruik nooit andere zekeringen dan die welke aangegeven zijn, want anders kan bij kortsluiting het electrisch systeem beschadigd raken of kan er zelfs brandgevaar ontstaan.

Wanneer de zekering herhaalde- lijk doorbrandt dan is er in de electriciteitsinstallatie een kortsluiting of een te grote belasting. In dat geval wordt u geadviseerd een erkende aprilia dealer te raadplegen.
Als een electrisch onderdeel niet (goed) functioneert of als het voertuig niet wil starten, dan moet de zekering (3) gecontroleerd worden. Dat gaat als volgt:
- Zet de startschakelaar op "OFF" om kortsluiting te voorkomen.
- Breng het zadel en de achterklep omhoog, zie p. 20 (ONTGRENDELEN / VERGRENDELEN ZADEL).
♦ Verwijder de schroef (1).
♦ Verwijder het accudeksel (2). -
Verwijder de zekering en controleer of de draad gebroken is.
-
Probeer er voor u de zekering vervangt, achter te komen wat de oorzaak van het doorbranden kan zijn geweest.
Vervang de doorgebrande zekering door een reservezekering (4) die standaard bijgeleverd is of door één van dezelfde ampèrespanning.

Vervang een zekering altijd door eenzelfde type reservezekering (4).
◆ Breng het accudeksel (2) weer aan.
◆ Breng de schroef (1) aan en draai hem vast.
- Sluit de achterklep en breng het zadel weer op zijn plaats, zie p. 20 (ONT-GRENDELEN / VERGRENDELEN ZADEL).
BIJGELEVERDE ZEKERINGEN
Zekering 7,5 A
Van accu naar verlichting:
alle electrische onderdelen behalve de ver- lichting, worden gevoed door wisselstroom.

Zet voor een snelle controle van de correcte lichthoogte het vervoermiddel op een afstand van 10 meter van een vertikale wand, op een horizontaal en vlak terrein. Doe het grootlicht aan, ga op het voertuig zitten en controleer of de lichtbundel die op de wand geprojecteerd wordt lager is dan de lichtbron zelf (de geprojecteerde lichtbundel moet ongeveer 10% lager zijn).

Stel de hoogte van de lichtbundel van de koplamp als volgt af:
- Draai met een schroevedraa de schroef (1) aan los.
met de wijzers van de klok meegedraaid gaat de lichtbundel omhoog.
tegen de wijzers van de klok IN gedraaid gaat hij naar beneden.

Voordat een gloeilamp vervangen wordt, moet de lichtschakelaar op "OFF" staan. Vervang de
gloeilampen terwijl u schone hand- schoenen aan heeft.

Laat geen vingerafdrukken op de gloeilampen achter, want daardoor kunnen de gloeilampen rhit raken en kapot gaan.
Als de gloeilampen met de blote hand aangeraakt zijn, reinig de gloeilampen dan met alcohol, om te voorkomen dat de gloeilampen snel kapot gaan.
Lees aandachtig p. 35 (ONDERHOUD).
TREK NIET HARD AAN DE ELECTRICITEITSKABELS

In de koplamp bevinden zich:
♦ De gloeilamp voor het dimlicht (1).
◆ De gloeilamp voor het parkeerlicht (2).
Deze worden als volgt vervangen:
◆ Verwijder de stuurkap, zie p. 47 (VERWIJDERING VOORSTE STUURKAP).
- Draai de drie schroeven (3) los en verwijder deze.
- Verwijder het beschermkapje (4) (niet voorzien voor de versie F en NL).

♦ Schuif het contactlipje (5) opzij.
♦ Verwijder de gloeilamp en vervang deze.
PARKEERLICHT

Trek niet aan de electriciteitskabels als u de fitting uit de opening trekt.
♦ Pak de fitting beet, verwijder hem.
- Haal de gloeilamp eruit en vervang hem door een soortgelijke lamp.

Lees aandachtig p. 54 (GLOEILAMPEN).
Op het dashboard bevinden zich:
◆ De waarschuwingslampjes.
- De lampjes voor de dashboardverlichting.
◆ De klokbatterij, zie p. 19 (VERVANGING KLOKBATTERIJ).
Vervang de lampjes als volgt:
♦ Verwijder de stuurkap, zie p. 47 (VERWIJDERING VOORSTE STUURKAP).

♦ Verwijder het betreffende lampje:
Waarschuwingslampje richtingaanwijzer (1) (c): groen.
Waarschuwingslampje oliereservoir (2) (j): rood.
Waarschuwingslampje dimlicht (3) (b): groen.
Waarschuwingslampje brandstofpeil (4) (g): amber.
- Vervang het lampje door een nieuw van hetzelfde type.
GLOEILAMPEN
DASHBOARDVERLICHTING
♦ Trek de fitting uit dat deel van het dashboard waar het defect is gesignaleerd:
Fitting (5) rechts boven.
Fitting (8) rechts onder.
- Vervang het lampje door een nieuw van hetzelfde type.

Lees aandachtig p. 54 (GLOEILAMPEN).
Ga als volgt te werk:
♦ Draai de twee schroeven (1) los.
- Druk de lamp in ter hoogte van de twee onderste schroeven en trek de lamp uit de houder.
♦ Pak het montuur (2) en het transparante scherm (3).
- Wip het rode scherm (4) uit zijn houder door een kruiskopschroevedraaier in de daarvoor bestemde gleuf (5) te steken.
- Druk de gloeilamp zachtjes naar beneden en draai hem tegen de wijzers van de klok in.
♦ Haal de gloeilamp uit de fitting.

Zet de lamp er als volgt weer in: druk de lamp in de fitting en let erop dat de pasnokken van de gloeilamp goed in de geleiders vallen.
- Verwissel een lamp altijd met een lamp van hetzelfde type.

Lees aandachtig p. 54 (GLOEILAMPEN).
Ga als volgt te werk:

Trek nooit aan de electriciteits-kabels als u de fitting naar voren haalt.
- Pak de fitting beet via de binnenkant van de kap op het achterdeel van de kuip en trek hem naar voren.
- Trek het lampje uit de fitting en doe er een nieuw lampje in van hetzelfde type.

Lees aandachtig p. 54 (GLOEILAMPEN).
Ga als volgt te werk:
♦ Draai de schroef (1) los en verwijder deze.

Bij het verwijderen van het beschermingsglas voorzichtig te werk gaan om het verbindingstandje niet te breken.
♦ Verwijder het beschermglas (2).
♦ Draai de schroef los (3).

Bij het monteren voorzichtig zijn met het beschermglas en de schroeven opdat het glas niet breekt.
- Verwijder het gekleurde glas, dat uit twee delen bestaat (4) en (5) en verwijder de schroef (3).
Druk de gloeilamp voorzichtig naar beneden en draai hem tegen de wijzers van de klok in.
♦ Haal de gloeilamp uit de fitting.
Zet de lamp er als volgt weer in: druk de lamp in de fitting en let erop dat de pasnokken van de gloeilamp precies in de geleiders vallen.
♦ Vervang de lamp door een andere van hetzelfde type.
Als de fitting (6) uit de houder is geraakt, zet hem er dan goed in door de openingen (7) te laten samenvallen met het schroefgat (3).

Lees aandachtig p. 54 (GLOEILAMPEN).
Ga als volgt te werk:
- Breng het zadel en de achterklep omhoog, zie p. 20 (ONTGRENDELEN / VERGRENDELEN ZADEL).
♦ Draai de schroef (1) los en verwijder deze;
Bij het verwijderen van het beschermingsglas voorzichtig te werk gaan om het verbindings- tandje niet te breken.
♦ Verwijder het beschermglas (2).
- Druk de gloeilamp lichtjes in en draai hem tegen de wijzers van de klok in.
◆ Haal de gloeilamp uit de fitting.
Zet de lamp er als volgt weer in: druk de lamp in de fitting en let erop dat de pasnokken van de gloei-lamp goed in de reflector vallen.
- Vervang de lamp door een andere van hetzelfde type.

Bij het monteren voorzichtig zijn met het beschermglas en de schroef (1) opdat het glas niet breekt.

Lees aandachtig p. 54 (GLOEILAMPEN).
Vervang de gloeilamp als volgt:
- Breng het zadel en de achterklep omhoog, zie p. 20 (ONTGRENDELEN / VERGRENDELEN ZADEL).
- Draai de schroef (3) los en verwijder deze;

Bij het verwijderen van het beschermingsglas voorzichtig te werk gaan om het beschermglas
niet te breken.
♦ Verwijder het beschermglas (4).
♦ Trek de gloeilamp uit de fitting.
- Vervang de kapotte gloeilamp door een nieuwe van hetzelfde type.
VERVOER

Voor u het voertuig gaat vervoeren, moeten de benzinetank en de carburateur zeer goed geleegd zijn. Controleer na leging of alles volkomen droog is.
Tijdens het transport moet het voertuig rechtop blijven staan om weglopen van olie en accuvloeistof te voorkomen.

Lees aandachtig het p. 23, (BRAND-STOF).
- Zet de motor af en laat de motor afkoe- len.
- Leeg de benzinetank met behulp van een handpomp of een soortgelijk gereedschap.
- Doe het vrije uiteinde van de slang (1) voor het legen van de tank in een jerry-can.

- Open de ontluchter van de carburateur door de carburateurontluchtingsschroef (2) onder de vlotterkamer open te draaien.
- Draai de schroef weer aan als alle brandstof eruitgehaald is, zodat de ont-luchter geheel gesloten is.
REINIGING

Na de reiniging kan het zijn dat de remmen iets minder goed werken ten gevolge van de tijde-
lijke aanwezigheid van water op de te- gen elkaar wrijvende oppervlakken.
Daarom moet men om ongelukken te voorkomen rekening houden met een langere remweg. Rem daarom in het begin veelvuldig om het euvel zo snel mogelijk te verhelpen.

Voor het verwijderen van vuil en modder die op de gelakte delen zijn terechtgekomen moet men een lagedruk waterspuit gebruiken, de vuile delen goed natmaken, de modder en het vuil verwijderen met een zachte spons bestemd voor carrosserieën, die in water met shampoo gedrenkt is (2 à 4 % shampoo in water).
Vervolgens afspoelen met veel water en afdrogen met een zemen lap.
De externe delen van het voertuig schoonmaken met een ontvettingsmiddel, kwastjes en stoflappen.

Denk eraan dat het glanzend maken van de gelakte delen pas plaats kan vinden na een grondige reiniging.
De scooter niet in de felle zon wassen, of als de carrosserie nog warm is, omdat de shampoo dan kan opdrogen voor het spoelen, hetgeen de lak kan beschadigen.
Niet onder hoge druk water, lucht of stoom op de volgende delen laten komen: de wielnaven, de bedieningsorganen op de linker- en rechterkant van het stuur, de carburateur, de rempomp, instrumenten en instrumenten op het instrumentenpaneel, de uitlaatpijp, het gereedschapskastje, het kastje voor de documenten, het kontakt- en -stuurslot.
Rubber en plastic delen mogen niet aangetast worden door reinigingsmiddelen en bijtende of pentrerende middelen.

Er moeten enkele voorzorgsmaatregelen genomen worden om de schadelijke gevolgen van lange stilstand te voorkomen.
Het is bovendien nodig om de reparaties en een algemene controlebeurt te laten plaatsvinden VOOR de stalling, erna zou het vergeten kunnen worden.
Ga als volgt te werk:
♦ Leeg de benzinetank en de carburateur, zie p. 59 (LEGEN BENZINETANK).
♦ Draai de benzinedop van de tank.
- Verwijder de bougie en giet een lepeltje (5 à 10 cm³) tweetakt motorolie in de cilinder.
- Druk enkele malen op de startknop "1" om de olie gelijkmatig te verdelen over de wanden van de cilinder.
♦ Verwijder de accu, zie p. 50 (ACCU).
♦ Reinig en droog het voertuig, zie p. 60 (REINIGING).
♦ Wrijf de gelakte delen met was in.
♦ Pomp de banden op, zie p. 27 (BAN-DEN).
Zet het voertuig zo neer dat geen van beide banden de grond raken; gebruik daarbij een deugdelijk middel ter ondersteuning.
Stal het voertuig op een niet-verwarmde droge plaats, waar geen direct zonlicht op het vervoermiddel kan komen en waar de temperatuurverschillen minimaal zijn.
- Bedek het voertuig, bij voorkeur niet met plastic of niet-waterdoorlatende materialen.
NA DE STALPERIODE
- Haal het voertuig onder het dekkende materiaal vandaan en maak hem schoon.
- Controleer het vloeistofniveau van de accu en monteer de accu, zie p. 50 (ACCU).
♦ Vul de benzinetank, zie p. 23 (BRAND-STOF). - Voer de voorafgaande controles uit, zie p. 29 (VOORAFGAANDE CONTROLES).

Maak na de lange rustpauze een ritje. Rijd met lage snelheid in een zone die zich ver van het r bevindt.
TECHNISCHE GEGEVENS
| AFMETINGEN Max. lengte ...... 1800 mm | |
| Max. breedte ...... 690 mm | |
| Max. hoogte met spiegel...... 1030 mm | |
| Hoogte zadel ...... 810 mm | |
| Wielbasis ...... 1255 mm | |
| Min. vrije h. vanaf grond...... 150 mm | |
| Ledig rijklaar gewicht...... 89 kg | |
| MOTOR | Model...... Minarelli 9 MY - AP - tweetakt - met automatische ontsteking |
| Type...... horizontale eencilinder | |
| Cilinderinhoud...... 49,26 cm^3 | |
| Boring en slag...... 40 mm / 39,2 mm | |
| Compressieverhouding...... 12,5 ± 0,5 : 1 | |
| Starten...... electrisch + kick starter | |
| Koppeling...... centrifugaal | |
| Versnelling...... automatisch met drijfriem | |
| Koeling...... luchtgekoeld met ventilator | |
| CAPACITEIT Brandstoftank (incl. reserve)...... 7 ℓ | |
| Reservebrandstof ...... 1,5 ℓ | |
| Oliereservoir (incl. reserve)...... 1,4 ℓ | |
| Reserve olie...... 0,5 ℓ | |
| Zitplaatsen ...... 1 (2 in landen waar een passagier vervoerd mag worden) | |
| Max. belasting (rijder + bagage) ...... 113 kg | |
| (rijder + passagier + bagage) ...... 188 kg (in landen waar een passagier vervoerd mag worden) | |
VERSNELLING Converter .... automatisch continu
Primair..... trapezoïdale riem
Verhoudingen.... min. = 2,8
max. = 1,5
Secundair...... reductor met tandwielen
Verhoudingen.... min. 13/52 x 13/42 = 1 : 12, 92 x 2,8 = 36,18
CHASSIS Soort .... dubbele stalen buisconstructie
VERING Voor...... hydraulisch telescoopvork
Uitslag.... 90 mm
Achter...... enkele hydraulische schokbreker
Uitslag.... 65 mm
REMMEN Vòör...... hydraulische schijfrem ∅ 190 mm
Achter ...... mechanische trommelrem ∅ 110 mm
BANDENSPANNING MET PASSAGIER (voorzover toegestaan)
Vòòr.... 1,7 bar
Achter 2,1 bar
ONTSTEKING Soort.....YAMAHA 3VR - CDI
Voorontsteking.... 14° ± 2° voor BDP
Bougie NGK BR7 HS
Afstand electroden bougie.... 0,5 ÷ 0,6 mm
Min. toerental 1800 tpm
ELECTRISCHE Accu.... 12 V - 4 Ah
INSTALLATIE Zekering....7,5 A
Dynamo.... 12 V - 85 W
Lamp dimlicht.... 12 V - 15 W
Lamp stadslicht.... 12 V - 3 W
Lamp richtingaanwijzers 12 V - 10 W
Lamp dashboardverlichting.... 12 V - 1,2 W
Lamp achterlicht / rem 12 V - 5/21 W
Lamp kentekenplaatverlichting.... 12 V - 3 W
Waarschuwingslampje
helm-/dokumentenkastje.... 12 V - 3 W
Waarschuwingslampje dimlicht.... 12 V - 2 W
Waarschuwingslampje richtingaanwijzer ..... 12 V - 2 W
Waarschuwingslampje oliepeil.... 12 V - 2 W
Waarschuwingslampje brandstof 12 V - 2 W
SMEERMIDDELENTABEL
Versnellingsbakolie (aanbevolen): IP F.C., SAE 75W - 90.
Alternatieven: merken met dezelfde viscositeit en/of hogere prestaties als AP1, GL-4.
Tweetaktsmering (aanbevolen): IP GREEN HIT.
Alternatieven: de merken met dezelfde of hogere prestaties als ISO-L-ETC++, API TC++.
Olie voorvork( aanbevolen): vorkolie IP F.A. 5W - of IP F.A. 20 W.
Wenst u een type olie dat het midden houdt tussen deze twee soorten, dan kunt u deze in de volgende verhoudingen mengen:
- SAE 10W IP F.A. 5W 67% : IP F.A. 20 W. 33% van het volume
- SAE 15W IP F.A. 5W 33% : IP F.A. 20 W. 67% van het volume
Lagers en andere smeerpunten (aanbevolen): IP AUTOGRESASE MP.
Alternatieven: merken vet voor rollagers, nuttig temperatuurgebied -30°C...+140°C., druppelpunt 140°C...230°C, verhoogde anticorrosieprotectie, goede waterafstotendheid en bestendigheid tegen oxidatie.
Bescherming accupolen: neutraal vet of zuurvrije vaseline.
Kettingspray (aanbevolen): IP CHAIN SPRAY.
Remvloeistof (aanbevolen): IP F.F., DOT 5 (Compatible DOT 4).

Uitsluitend nieuwe remolie gebruiken.
Motorkoelvloeistof (aanbevolen): IP ECOBLU -40°.

Gebruik altijd anti-vries en anti-corrosie zonder nitriet, zodat een bescherming tot minstens -35°C gewaarborgd is.
aprilia
Importeurs
S.T.I. NEDERLAND BV
POSTBUS 91066
3007 MB ROTTERDAM (NL)
TEL. 0031 10 4928567
FAX 4193498
RAD N.V./S.A.
LANDEGEMSTRAAT 4
INDUSTRIETERREIN
9031 DRONGEN (B)
TEL. 0032 9 2829410
FAX 2810012
aprilia
VRAAG ALTIJD ORIGINELE ONDERDELEN
ELECTRISCH SCHEMA Gulliver 50 (enkel voor de versie F en NL)

VERKLARING VAN DE CODERING IN HET ELECTRISCH SCHEMA Gulliver 50 (enkel voor de versie F en NL)
1) Dynamo
2) CDI
3) Bougie
4) Bobine
5) Spanningregelaar
6) Accu
7) Startmotor
8) Startrelais
9) Remlichtschakelaar voor
10) Remlichtschakelaar achter
11) Schakelaar oliepeil
13) Sensor brandstofniveau
14) Richtingaanwijzer rechtsachter
15) Achterlamp
16) Richtingaanwijzer linksachter
17) Lichtschakelaar
18) Schakelaar richtingaanwijzers
19) Contactschakelaar
20) Controlediode
21) Verlichting helmkastje
24) Waarschuwingslampje richtingaanwijzers
25) Oliepeilwaarschuwingslampje
26) Dashboardlampje
27) Benzinemeter
28) Waarschuwingslampje brandstofreserve
29) Waarschuwingslampje dimlicht
30) Lichtschakelaar helmkastje
31) Richtingaanwijzer rechts vòor
32) Richtingaanwijzer links vòor
34) Dimlicht
35) Claxon
36) Pick-up
37) Zekering
38) Combinatieschakelaar
39) Startschakelaar
40) Drukknop claxon
41) Kentekenplaatverlichting
KLEUREN KABELS
Ar oranje
Az blauw
B donkerblauw
Bi wit
G geel
Gr grijs
M bruin
N zwart
R rood
V groen
VI paars
ELECTRISCH SCHEMA Gulliver 50

9) Remlichtschakelaar voor
10) Remlichtschakelaar achter
11) Schakelaar oliepeil
13) Sensor brandstofniveau
14) Richtingaanwijzer rechtsachter
15) Achterlamp
16) Richtingaanwijzer linksachter
17) Lichtschakelaar
18) Schakelaar richtingaanwijzers
19) Contactschakelaar
20) Controlediode
21) Verlichting helmkastje
24) Waarschuwingslampje richtingaanwijzers
25) Oliepeilwaarschuwingslampje
26) Dashboardlampje
27) Benzinemeter
28) Waarschuwingslampje brandstofreserve
29) Waarschuwingslampje dimlicht
30) Lichtschakelaar helmkastje
31) Richtingaanwijzer rechts vòor
32) Richtingaanwijzer links vòor
33) Stadslicht vòor
34) Dimlicht
35) Claxon
36) Pick-up
37) Zekering
38) Combinatieschakelaar
39) Startschakelaar
40) Drukknop claxon
41) Kentekenplaatverlichting
KLEUREN KABELS
Ar oranje
Az blauw
B donkerblauw
Bi wit
G geel
Gr grijs
M bruin
N zwart
R rood
V groen
VI paars
AANTEKENINGEN
AANTEKENINGEN
AANTEKENINGEN
AANTEKENINGEN
De N.V. aprilia bedankt haar klanten voor de keuze van het voertuig en adviseert:
- Geen afgewerkte olie, brandstof, stoffen en schadelijke materialen in het milieu terecht doen komen.
- Laat de motor niet aan staan als het niet nodig is.
- Veroorzaak geen geluidsoverlast.
- Heb eerbied voor de natuur.