RT 6127 ZL - Grasmaaier STIHL - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis RT 6127 ZL STIHL in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over RT 6127 ZL STIHL
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding RT 6127 ZL - STIHL en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. RT 6127 ZL van het merk STIHL.
GEBRUIKSAANWIJZING RT 6127 ZL STIHL
Grasfangkorb entleeren 39
13.9 Grasfangkorb entleeren

Verletzungsgefahr!
Grasfangkorb entleeren:
Wij zijn blij dat u hebt gekozen voor STIHL. Wij ontwikkelen en produceren onze producten in topkwaliteit in overeenstemming met de behoeften van onze klanten. Zo ontstaan producten met een hoge betrouwbaarheid, ook bij extreme belasting.
STIHL staat ook voor service met topkwaliteit. Onze dealers staan garant voor deskundig advies en instructie alsmede een uitgebreide technische begeleiding.
Wij danken u voor uw vertrouwen in ons en wensen u veel plezier met uw STIHL product.

Dr. Nikolas Stihl
BELANGRIJK! VOOR GEBRUIK GOED DOORLEZEN EN BEWAREN.
1. Inhoudsopgave
Over deze gebruiksaanwijzing 150
Algemeen 150
Instructie voor het lezen van de gebruiksaanwijzing 150
Beschrijving van het apparaat 152
Zitmaaier 152
Dashboard 154
Voor uw veiligheid 155
Algemeen 155
Training – Gebruik van de machine 156
Transport van de zitmaaier 156
Tanken – omgaan met benzine 157
Kleding en uitrusting 157
Vóór het werken 158
Tijdens het werken 158
Onderhoud en reparaties 161
Opslag bij langdurige bedrijfsonderbrekingen 163
Afvoer 164
Toelichting van de symbolen 164
Leveringsomvang 166
Werkzaamheden vóór de eerste ingebruikname 167
Bedieningselementen 167
Contactslot met lichtschakelaar 167
Gashendel met chokefunctie (RT 5097) 167
Gashendel (RT 5097 Z, RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL) 168
Chokeknop (RT 5097 Z, RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL) 168
Schakelaar maaiwerk (RT 5097, RT 5097 Z, RT 5112 Z) 169
Toets maaiwerk (RT 6112 ZL, RT 6127 ZL) 169
Toets cruise control (RT 6112 ZL, RT 6127 ZL) 170
Veiligheidsschakelaar achteruit maaien 170
Keuzehendel rijrichting 170
Stuurwiel 171
Verstellen bestuurdersstoel 171
Aandrijfpedaal 171
Rempedaal 172
Handrem 172
Hendel snijhoogteverstelling 173
Hendel voor het ledigen van de grasopvangbox 173
Ontgrendelhendel grasopvangbox 174
Hendel voor vrijloop transmissie 174
Sensor inhoudsindicator (grasopvangbox) 175
Elektronica 175
Zelfdiagnose bij het starten 176
Defect aan de zitmaaier tijdens bedrijf 176
Storing in de elektronica 176
Display RT 6112 ZL, RT 6127 ZL 176
Segmentdisplay met 5 posities 177 Toets Set 177
Toets Mode 177
Melding van storingen 177
Weergave van bedrijfsinformatie 178
Melding van actieve functies 179
Aanwijzingen voor werken 179
Veiligheidsvoorzieningen 180
Apparaat in gebruik nemen 180
Brandstof bijtanken 181
Verbrandingsmotor starten 181
Verbrandingsmotor uitschakelen 182
Rijden 182
Remmen 183
Snijhoogte instellen 183
Maaien 183
Programmeren van het
automatisch ontkoppelen van het maaiwerk 184
Grasopvangbox ledigen 184
Grasopvangbox wegnemen en vasthaken 185
Trekken van lasten 186
Gebruik op hellingen 186
Maaiwerk 186
Maaiwerk demonteren 186
Maaiwerk monteren 190
Onderhoud 193
Onderhoudsschema 193
Apparaat reinigen 194
Open de motorkap 195
Motorkap sluiten 195
Uitwerpkanaal demonteren 195
Uitwerpkanaal monteren 196
Brandstofkraan 196
Inhoud van de motorolie controleren 196
Motorolie verversen 197
Motorolie bijvullen 197
Veiligheidsvoorzieningen controleren 197
Inhoudsindicator (grasopvangbox) reinigen 198
Maaiimes onderhouden 199
Inbouwpositie van het maaiwerk controleren 201
Wielen vervangen 202
Bandenspanning 203
Smeren 203
Accuvak openen en sluiten 204
Accu verwijderen en plaatsen 204
Zekeringen 206
Opladen van de accu via de oplaadstekker 207
Koplampen vervangen 207
Verbrandingsmotor 208
Transmissie 208
Opslag 208
Stilleggen bij langere onderbrekingen (bijvoorbeeld winterpauze) 208
Standaard reserveonderdelen 209
Accessoires 209
Milieubescherming 209
Slijtage minimaliseren en schade voorkomen 210
Conformiteitsverklaring 211
EU-conformiteitsverklaring Zitmaaier STIHL RT 5097.1, RT 5097.1 Z, RT 5112.1 Z, RT 6112.1 ZL, RT 6127.1 ZL 211
Onderhoudsschema 218
Leveringsbevestiging 218 Servicebevestiging 218
2. Over deze gebruiksaanwijzing
2.1 Algemeen
Deze gebruiksaanwijzing is een vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing van de fabrikant in het kader van de EG-richtlijn 2006/42/EC.
STIHL werkt voortdurend aan de ontwikkeling van zijn producten; wijzigingen in de levering qua vorm, techniek en uitvoering zijn daarom voorbehouden.
Op basis van gegevens of afbeeldingen uit dit boekje kunnen bijgevolg geen aanspraken worden gemaakt.
Het is mogelijk dat in deze gebruiksaanwijzing modellen worden beschreven die niet in elk land verkrijgbaar zijn.
Deze gebruiksaanwijzing is auteursrechtelijk beschermd. Alle rechten blijven voorbehouden, met name het recht op het kopieren, vertalen en het verwerken met elektronische systemen.
2.2 Instructie voor het lezen van de gebruiksaanwijzing
Afbeeldingen en teksten beschrijven bepaalde bedieningsstappen.
Alle pictogrammen die op het apparaat zijn aangebracht, worden in deze gebruiksaanwijzing toegelicht.
Kijkrichting:
kijkrichting bij gebruik 'links' en 'rechts' in de gebruiksaanwijzing: de gebruiker staat achter het apparaat en kijkt in de rijrichting naar voren.
Hoofdstukverwijzing:
naar de desbetreffende hoofdstukken en paragrafen met nadere uitleg wordt met een pijltje verwezen. Het volgende voorbeeld bevat een verwijzing naar een hoofdstuk: (⇔ 4.)
Markeringen van tekstpassages:
de beschreven aanwijzingen kunnen zoals in de volgende voorbeelden gemarkeerd zijn.
Handelingen waarbij ingrijpen van de gebruiker vereist is:
- Bout (1) met een schroevendraaier losdraaien, hendel (2) activeren ...
Algemene opsommingen:
- productgebruik bij sport- of wedstrijdevenementen
Teksten met aanvullende betekenis:
tekstpassages met aanvullende betekenis zijn met één van de onderstaand beschreven symbolen gemarkeerd om deze in de gebruiksaanwijzing extra te accentueren.

Gevaar!
Gevaar voor ongevallen en ernstig letsel. Bepaalde handelingen zijn noodzakelijk of verboden.

Waarschuwing!
Kans op letsel. Bepaalde handelingen voorkomen mogelijk of waarschijnlijk letsel.

Voorzichtig!
Minder ernstig letsel of materiële schade dat/die door bepaalde handelingen kan worden voorkomen.

Aanwijzing
Informatie voor een beter apparaatgebruik en om een mogelijk oneigenlijk gebruik te vermijden.
Afbeeldingen met tekstpassages:
Bedieningsstappen met directe verwijzing naar de afbeelding vindt u onmiddellijk na de afbeelding met bijbehorende positienummers.
Voorbeeld:

Contactsleutel (1) in contactslot (2) plaatsen.
Teksten met afbeeldingverwijzing:
afbeeldingen die het gebruik van het apparaat toelichten, vindt u geheel aan het begin van de gebruiksaanwijzing.
Het camerasymbool koppelt de afbeeldingen op de pagina's met afbeeldingen met het desbetreffende tekstgedeelte in de gebruiksaanwijzing.

3. Beschrijving van het apparaat
3.1 Zitmaaier

text_image
RT 5097, RT 5097 Z RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL1 Bumper
2 Koplamp
3 Motorkap
4 Tankdop
5 Stuurwiel
6 Bestuurdersstoel
7 Handgreep grasopvangbox met ont-grendelhendel grasopvangbox
8 Hendel voor het ledigen van de grasopvangbox
9 Grasopvangbox
10 Hendel voor vrijloop transmissie
11 Hendel snijhoogteverstelling
12 Achterwiel
13 Rempedaal
14 Aandrijfpedaal (rijsnelheid)
15 Maaiwerk
16 Drukwielen
17 Voorwiel
18 Trekhaak
19 Inhoudsindicator (grasopvangbox)
20 Uitwerpkanaal
21 Verstelhendel bestuurdersstoel
22 Accuvak
23 Drankvak
24 Veiligheidsschakelaar achteruit maaien
3.2 Dashboard

text_image
RT 5097, RT 5097 Z, RT 5112 Z RT 6112 ZL, RT 6127 ZL1 Keuzehendel rijrichting
(vooruit - achteruit)
(→ 8.9)
2 Gashendel met geïntegreerde chokefunctie
(RT 5097)
(⇒ 8.2)
2 Gashendel
(RT 5097 Z, RT 5112 Z,
RT 6112 ZL, RT 6127 ZL)
(⇒ 8.3)
3 Chokeknop
(RT 5097 Z, RT 5112 Z, RT 6112.1
ZL, RT 6127.1 ZL)
(⇒ 8.4)
4 Schakelaar maaiwerk
(RT 5097, RT 5097 Z, RT 5112 Z)
( 8.5)
5 Contactslot met lichtschakelaar
(→ 8.1)
6 Toets maaiwerk
(RT 6112 ZL, RT 6127 ZL)
(⇒ 8.6)
7 Toets cruise control
(RT 6112 ZL, RT 6127 ZL)
(⇒ 8.7)
8 Display met bedieningstoetsen
(RT 6112 ZL, RT 6127 ZL)
(⇒ 10.)
9 Handremhendel
(⇒ 8.14)
4. Voor uw veiligheid
4.1 Algemeen

Tijdens de werkzaamheden met het apparaat moeten de voorschriften ter preventie van ongevallen beslist in acht
worden genomen.

Lees vóór de eerste inbedrijfstelling de hele gebruiksaanwijzing goed door. Bewaar de gebruiksaanwijzing
voor later gebruik zorgvuldig op een veilige plaats.
Volg de gebruiks- en onderhoudsinstructies in de afzonderlijke gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor.
Deze veiligheidsmaatregelen zijn onontbeerlijk voor uw veiligheid, maar deze opsomming is niet uitputtend. Gebruik het apparaat altijd verstandig en met verantwoordelijkheidsgevoel, en denk erom dat de gebruiker aansprakelijk wordt gesteld voor ongevallen met andere personen of voor schade aan hun eigendommen.

Levensgevaar door verstikking!
Verstikkingsgevaar voor kinderen bij het spelen met verpakkingsmateriaal. Houd verpakkingsmateriaal altijd buiten het bereik van kinderen.
Leen het apparaat inclusief accessoires alleen uit aan personen die met dit model en de bediening ervan vertrouwd zijn. De gebruiksaanwijzing is onderdeel van het apparaat en moet altijd worden meegegeven.
Controleer of de gebruiker lichamelijk, zintuigelijk en geestelijk in staat is om het apparaat te bedienen en ermee te werken. Als de gebruiker met lichamelijke, zintuigelijke of geestelijke beperkingen daartoe in staat is, mag de gebruiker er alleen onder toezicht of na instructie door een verantwoordelijke persoon mee werken.
Controleer of de gebruiker meerderjarig is of conform nationale regelgeving onder toezicht voor een beroep wordt opgeleid.
Gebruik het apparaat alleen als u uitgerust bent en een goede lichamelijke en geestelijke conditie hebt. Als u een verminderde gezondheid heeft, dient u uw arts te vragen of u met het apparaat kunt werken. Na het gebruik van alcohol, drugs of medicijnen die de reactiesnelheid nadelig beïnvloeden, mag niet met het apparaat worden gewerkt.
Opgelet – Gevaar voor ongevallen!
De zitmaaier is alleen voor het maaien van gras bestemd. Een andere toepassing is niet toegestaan.
Het apparaat kan met originele accessoires van STIHL worden uitgerust. Hierdoor kan het apparaat ook voor andere toepassingen worden gebruikt. Voor nadere informatie verwijzen wij u naar uw STIHL vakhandelaar.
Om persoonlijk letsel van de gebruiker of andere personen te vermijden, mag de machine bijvoorbeeld niet worden gebruikt voor (onvolledige opsomming):
– het snoeien van rankgewas,
- het hakselen en verkleinen van boom- en struikafval,
- het schoonmaken van voetpaden (opzuigen, wegblazen),
- sneeuwruimen met behulp van het maaiwerk,
– gazononderhoud op dakbeplantingen, - het egaliseren van bodemoneffenheden, zoals molshopen,
- het transporteren van maaigoed, buiten de in de daarvoor bedoelde grasopvangbox.
U mag met de machine niet aan het verkeer deelnemen.
Het vervoer van personen (met name van kinderen) en dieren is niet toegestaan.
Nooit op het maaiwerk staan, zeker niet op de tastwielen.
Voorwerpen mogen niet op het apparaat maar uitsluitend met behulp van een door STIHL goedgekeurde aanhanger (accessoire) worden vervoerd. De laadgrenzen moeten worden aangehouden. (⇒ 13.11)
Bij het gebruik op openbare terreinen, parken, sportvelden, langs wegen en op land- en bosbouwbedrijven moet u bijzonder behoedzaam te werk gaan.
De machine mag niet worden gebruikt bij sport- en wedstrijdevenementen.
Om veiligheidsredenen is het verboden wijzigingen aan het apparaat aan te brengen, behalve vakkundige montage van toebehoren en combi-apparaten die door STIHL zijn goedgekeurd. Bovendien heeft dit tot gevolg, dat uw garantie vervalt. Neem voor informatie over goedgekeurde toebehoren en combi-apparaten contact op met uw STIHL vakhandelaar.
Vooral elke wijziging aan het apparaat waardoor het vermogen, het toerental van de verbrandingsmotor of de rijsnelheid wordt veranderd, is verboden.
Het apparaat is uitgevoerd met elektronica die niet mag worden gewijzigd of verwijderd.
De apparaatsoftware mag om veiligheidsredenen nooit worden gewijzigd of gemanipuleerd.

Opgelet! Gevaar voor de gezondheid door trillingen!
Een overmatige belasting door trillingen kan schade aan de
bloedsomloop en het zenuwstelsel veroorzaken, vooral bij personen met circulatiestoornissen. Raadpleeg een arts wanneer er symptomen optreden die door de trillingen zouden kunnen zijn veroorzaakt.
Dergelijke symptomen treden voornamelijk op in de vingers, handen of polsen en zijn bijvoorbeeld (onvolledige opsomming):
- gevoelloosheid,
- p i j n ,
– slappe spieren,
– huidverkleuringen, - onaangenaam kriebelen.
Houd de duwstang tijdens het werken stevig maar niet verkrampt met beide handen op de daarvoor bedoelde plaatsen vast.
Plan de werktijden zodanig dat hoge belasting gedurende langere tijd wordt voorkomen.
4.2 Training – Gebruik van de machine
Maak uzelf vertrouwd met de bedieningselementen en stelelementen en met het gebruik van het apparaat. De gebruiker moet weten hoe het
gereedschap en de verbrandingsmotor van het apparaat snel kunnen worden gestopt.
Het apparaat mag alleen worden gebruikt door personen die de gebruiksaanwijzing hebben gelezen en die met de bediening van het apparaat vertrouwd zijn. Elke gebruiker moet vóór de eerste ingebruikname vragen om een deskundige en praktische instructie. De verkoper of een andere deskundige moet aan de gebruiker uitleggen, hoe hij veilig met het apparaat kan werken.
Bij deze instructie moet de gebruiker er vooral op worden gewezen,
- dat deze tijdens het werken met het apparaat uiterst zorgvuldig en geconcentreerd te werk moet gaan.
– dat het gebruik van de rem niet helpt om een zitmaaier die van een helling afglijdt, onder controle te krijgen.
De oorzaken voor het verlies van controle over de zitmaaier kunnen onder andere zijn:
– onvoldoende grip van de wielen,
- te snel rijden,
– onjuist remmen,
- ondeskundig gebruik (o.a. sportevenementen),
- ontoereikende kennis van eventuele gevolgen die met de bodemgesteldheid samenhangen, met name op een helling (zie onder hoofdstuk "Voor uw veiligheid", kopje "Werken op hellingen"),
- onjuist vasthaken van lasten en slechte verdeling van de last.
Ook wanneer u het apparaat volgens de voorschriften bedient, blijven er risico's bestaan.
4.3 Transport van de zitmaaier
De zitmaaier kan door het eigen gewicht zware kneuswonden veroorzaken. Ga bij het laden en lossen van de zitmaaier tijdens het transport in een voertuig of aanhangwagen met grote voorzichtigheid te werk.
Deze zitmaaier mag niet worden gesleept. Gebruik voor het transport op de openbare weg een geschikt voertuig of een geschikte aanhanger.
De zitmaaier bij het transport op een laadvlak bevestigen zoals in deze gebruiksaanwijzing beschreven staat. Steeds handrem aantrekken. (⇒ 16.)
Voor het transport moet de aandrijving van het maalimes resp. de combi-machines worden losgekoppeld.
Houd u bij het transport van het apparaat aan de plaatselijke voorschriften, met name wat betreft de laadveiligheid en het transport van voorwerpen op laadoppervlakken.
Het apparaat, vooral de verbrandingsmotor en geluiddemper, na het laden en voor verder transport volledig laten afkoelen. Het laadvlak en de omgeving van de geluiddemper en verbrandingsmotor dienen tijdens het transport vrij te worden gehouden van brandbare materialen zoals stro, bladeren of gedroogde grasresten.
4.4 Tanken – omgaan met benzine

Levensgevaarlijk!
Benzine is giftig en in hoge mate ontvlambaar.
Bewaar de brandstof uitsluitend in geschikte en goedgekeurde reservoirs (jerrycans). Schroef de tankdoppen van de jerrycans altijd goed erop en draai de doppen stevig vast. Om veiligheidsredenen moeten defecte afsluitingen worden vervangen.

Houd benzine uit de buurt van vonken, open vlammen, permanent brandend vuur, warmtebronnen en andere
ontstekingsbronnen. Niet roken!
Tank alleen in de buitenlucht en rook niet tijdens het tanken.
Schakel de verbrandingsmotor voor het bijtanken uit en laat deze afkoelen.
De benzine moet vóór het starten van de verbrandingsmotor worden bijgevuld. Bij een draaiende verbrandingsmotor of hete machine mag de tankdop niet worden geopend en mag er geen benzine worden bijgevuld.
Tankdop voorzichtig en langzaam openen. Wacht de drukcompensatie af en verwijder pas daarna de tankdop helemaal.
Gebruik voor het bijtanken een geschikte trechter of een vulpijp, zodat er geen brandstof op de verbrandingsmotor en de behuizing of het gazon kan uitstromen.
Tank de brandstoftank niet te vol!
Vul de brandstoftank nooit tot boven de onderkant van de vulplug, zodat de brandstof ruimte heeft om uit te zetten. Volg ook de aanwijzingen in de gebruiksaanwijzing van de verbrandingsmotor op.


Als er benzine is overgelopen, mag u de verbrandingsmotor pas starten nadat u het met benzine verontreinigde oppervlak hebt gereinigd. Start de verbrandingsmotor niet voordat de benzinedampen zijn verdampt (droog vegen).
Gemorste brandstof moet meteen worden afgeveegd.
Verwissel van kleding als er benzine op is gemorst.
De tankdop moet elke keer na het tanken goed worden geplaatst en vastgeschroefd. De machine mag niet zonder vastgeschroefde originele tankdop worden gebruikt.
Om veiligheidsredenen moet u de brandstofleiding, brandstoftank, tankdop en aansluitingen regelmatig op beschadigingen, veroudering (scheuren), een stevige bevestiging en lekkages controleren en zo nodig vervangen (neem contact op met een vakhandelaar, STIHL raadt de STIHL vakhandelaar aan).
Als de tank moet worden geleegd, moet dit in de buitenlucht worden uitgevoerd.
Gebruik geen drankflessen of soortgelijke zaken om brandstoffen en smeermiddelen af te voeren of op te slaan, zoals bijv. benzine. Personen, met name kinderen, zouden in de verleiding kunnen komen om eruit te drinken.
Sla het apparaat nooit op in een gebouw met benzine in de tank. Ontstane benzinedampen kunnen met open vuur of vonken in aanraking komen en ontbranden.
Zet de machine en de brandstoftank niet in de buurt van verwarmingen, warmtestralers, lasapparaten en andere warmtebronnen. Explosiegevaar!
4.5 Kleding en uitrusting

Draag tijdens werkzaamheden altijd stevige schoenen met grip. Werk nooit op blote voeten of
bijvoorbeeld op sandalen.
De machine mag alleen met een lange broek en nauwe kleding aan in gebruik worden genomen.
Draag nooit losse kledingstukken die aan draaiende onderdelen (bedieningshendel) kunnen blijven hangen – ook geen sieraden, geen stropdassen en geen sjaals.

Bij onderhouds- en reinigingswerkzaamheden en tijdens het vervoer van de machine ook telkens stevige
handschoenen dragen en lang haar samenbinden en bedekken (hoofddoek, muts enz.).

Bij het slijpen van het maaimes moet altijd een geschikte veiligheidsbril worden gedragen.

Tijdens het werken ontstaat lawaai. Lawaai kan het gehoor beschadigen.
Draag gehoorbescherming.
4.6 Vóór het werken
Het moet duidelijk zijn, dat er alleen personen met het apparaat werken die de gebruiksaanwijzing kennen.
Controleer het brandstofsysteem vóór ingebruikname van het apparaat op lekkage, met name de zichtbare onderdelen, zoals bijv. tank, tankdop, slangverbindingen. Verbrandingsmotor bij lekkage of schade niet starten –
Brandgevaar!
Apparaat vóór ingebruikname door vakhandelaar laten repareren.
Neem de gemeentelijk voorgeschreven tijden voor het gebruik van tuinapparatuur met verbrandingsmotor of elektromotor in acht.
Controleer het complete terrein waarop het apparaat wordt gebruikt en verwijder alle stenen, stokken, kabels, speelgoed en andere voorwerpen die door het apparaat omhoog kunnen worden geslingerd. Hindernissen (zoals boomstronken en wortels) kunnen in het hoge gras eenvoudig over het hoofd worden gezien.
Markeer daarom vóór het maaien alle in het gazon verborgen vreemde voorwerpen (hindernissen) die niet verwijderd kunnen worden.
Vóór het gebruik van het apparaat moeten alle defecte, versleten en beschadigde onderdelen worden vervangen. Onleesbare of beschadigde waarschuwingsaanwijzingen op het apparaat moeten worden vervangen. Stickers en alle verdere vervangingsonderdelen zijn verkrijgbaar bij uw STIHL vakhandelaar.
Kans op letsel! Versleten of hos
Versleten of beschadigde onderdelen (zoals botte messen) kunnen de veiligheid van het apparaat aantasten en letsel veroorzaken bij de gebruiker.
Gebruik de machine nooit met beschadigde of ontbrekende veiligheidsvoorzieningen.
Veerbelaste mechanismen kunnen opgeslagen energie afgeven. Veerbelaste mechanismen moeten onbeschadigd zijn en werken.
Controleer de werking van de rem voor elke inbedrijfstelling. (⇒ 13.5)
Controleer vóór elk gebruik:
- of het snijgereedschap en de complete snijeenheid (maaimes, messenkoppeling, messenrem, bevestigingsbout, maaiwerkbehuizing) in onberispelijke staat verkeren. Er moet vooral worden gecontroleerd op veilige montage, schade en slijtage.
- of de tankdop stevig vastgeschroefd is.
- of de tank en de brandstofbevattende delen en de tankdop in onberispelijke staat verkeren.
- of de veiligheidsvoorzieningen in onberispelijke staat verkeren en goed werken.
- of de banden (luchtdruk, beschadigingen, slijtage) en het frame in onberispelijke staat verkeren. De schroefverbindingen moeten op correcte montage worden gecontroleerd. Alle
onderhoudswerkzaamheden die in het onderhoudsschema worden vermeld onder de rubriek "Vóór het in bedrijf nemen" moeten in elk geval worden uitgevoerd. (⇒ 15.1)
Neem indien nodig contact op met een vakhandelaar. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
4.7 Tijdens het werken

Werk nooit als er personen (in het bijzonder kinderen) of dieren in de buurt zijn. Zorg ervoor, dat gras nooit in de
richting van derden wordt uitgeworpen.
Werk niet met het apparaat bij regen, onweer en met name niet bij blikseminslaggevaar.
Uitlaatgassen:

Levensgevaar door vergiftiging!
Stop onmiddellijk met werken bij misselijkheid, hoofdpijn, zichtstoornissen (bijv. blikvernauwing), slecht horen, duizeligheid of een verminderd concentratievermogen. Deze symptomen kunnen onder andere door een te hoge concentratie uitlaatgassen worden veroorzaakt.

Het apparaat genereert giftige uitlaatgassen zodra de verbrandingsmotor is ingeschakeld. Deze gassen
bevatten giftig koolmonoxide, een kleuren reukloos gas, en andere schadelijke stoffen. De verbrandingsmotor mag nooit in afgesloten of slecht geventileerde ruimtes in werking worden gezet.
Starten:
De machine mag alleen vanuit de bestuurdersstoel worden gestart.
Start de machine op een vlakke ondergrond, niet op een helling.
De verbrandingsmotor mag alleen in een goed geventileerde werkruimte worden gestart, vooral in garages moet op voldoende beluchting worden gelet.
Voordat u de verbrandingsmotor start, koppelt u het snijgereedschap, de combiapparaten en de aandrijving los en trapt u het rempedaal krachtig in.
Houd bij het starten altijd voldoende afstand tussen uw voeten en het snijgereedschap.
Start de verbrandingsmotor nooit door kortsluiten van de klem van de startmotor. Bij het overbruggen van het normale schakelcircuit van de startmotor kan de zitmaaier plotseling in beweging komen.
Start de verbrandingsmotor nooit wanneer u benzinelucht ruikt – explosiegevaar!
Werken:

Let op – Kans op letsel!
Let op het werkbereik van het maairnes. Houd handen of voeten nooit tegen of onder draaiende onderdelen. Raak het ronddraaiende maairnes nooit aan. Blijf altijd uit de buurt van de uitwerpopening. Houd altijd voldoende veiligheidsafstand in acht.
Werk alleen bij daglicht of bij goede kunstverlichting.
Bij het rijden buiten het gazon of wanneer er niet wordt gemaaid, moeten de maaimessen worden losgekoppeld en moet het maaiwerk in de hoogste snijstand worden gezet.
U moet om in het gras verborgen voorwerpen heenrijden (beregeningsinstallaties, palen, waterkranen, fundamenten, stroomkabels enz.). Rijd nooit over dergelijke voorwerpen heen.
Houd het stuurwiel tijdens het rijden altijd met beide handen vast.
Voorzichtigheid is met name bij het rijden op gazons en andere oneffen terreinen geboden, omdat het stuurwiel bij het rijden in putten, over heuvels en bij schokken enz. vanzelf kan verdraaien.
Gevaar voor letsel aan handen en vingers!
Wanneer er tijdens het werken een defect aan de tank, de tankdop of aan brandstofvervoerende onderdelen (brandstofleidingen) wordt vastgesteld, moet de verbrandingsmotor meteen worden uitgeschakeld. Neem vervolgens contact op met een vakhandelaar. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
Let op kuilen (gaten) in het terrein en andere onzichtbare gevaarlijke plekken. Hindernissen kunnen in het hoge gras eenvoudig over het hoofd worden gezien.
Rijd steeds met een gepaste snelheid.
Gebruik het apparaat uiterst behoedzaam wanneer u in de buurt van hellingen, vuilnishopen, terreinkanten, sloten en dijken werkt. Houd met name voldoende afstand tot dergelijke gevarenzones.
Ga met name voorzichtig te werk op onoverzichtelijke plekken, bosjes, bomen en andere hindernissen waarachter zich personen, met name kinderen, of dieren kunnen bevinden.
Stop de zitmaaier meteen en schakel de maaimessen uit wanneer er iemand binnen het maaibereik komt.
Houd de zone vóór het voertuig voortdurend in de gaten. Let op hindernissen om deze tijdig te kunnen ontwijken.
Laat als u met een groep aan het werk bent, de anderen steeds tijdig weten wat u van plan bent. Neem de veiligheidsafstand in acht!
Verlaag steeds de rijsnelheid voordat u van richting verandert, zodat u altijd de machine onder controle houdt en de zitmaaier ook niet kan kantelen.
Let bij het werken in de buurt van wegen en bij het oversteken van verkeerswegen op andere verkeersdeelnemers.
Controleer voordat u achteruit rijdt altijd de zone achter de zitmaaier en koppel indien aanwezig het combi-apparaat los. Maai nooit achteruit als dit niet beslist noodzakelijk is. Wees bij het achteruit rijden bijzonder voorzichtig en controleer voorafgaand aan het maaien het gehele gebied achter de zitmaaier grondig.
Wees bijzonder voorzichtig bij het maaien in de buurt van wegen, fietspaden en wandelpaden. Weggeslingerde onderdelen kunnen ernstig letsel en zware schade tot gevolg hebben.
Ledig de grasopvangbox uitsluitend vanaf de bestuurdersstoel.
Schakel vóór het ledigen van de grasopvangbox de maaimessen altijd uit en wacht totdat ze stil staan.
Wanneer de zitmaaier met combi-apparaten wordt gebruikt, moeten steeds de meegeleverde aanwijzingen en veiligheidsvoorschriften worden gevolgd.
Schakel de aandrijving uit, schakel de verbrandingsmotor uit en wacht tot de maaimessen volledig stilstaan, trek de handrem aan en verwijder de contactsleutel:
- bij het achterlaten of het transport van het apparaat.
- voordat u blokkades opheft of verstoppingen in het uitwerpkanaal verwijdert.
- voordat u de zitmaaier gaat controleren, reinigen of eraan gaat werken.
- als de maaimessen een vreemd voorwerp hebben geraakt. Zoek naar beschadigingen aan de machine en aan het snijgereedschap en laat de vereiste reparaties uitvoeren voordat u de machine opnieuw start. Controleer bij de modellen RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL ook de installatiepositie van de maaimessen – het maaiwerk mag niet worden ingeschakeld wanneer de snijvlakken onder een andere hoek tegenover elkaar staan dan in het hoofdstuk "Maaimessen onderhouden" vermeld staat. (⇒ 15.13)
- als het apparaat abnormaal hard begint te trillen. Een onmiddellijke controle is noodzakelijk.
Schakel de verbrandingsmotor uit en wacht totdat de maaimessen geheel stil staan:
– vóór het bijvullen van brandstof,
– vóór het afhaken van de grasopvangbox,
– vóór het openen van de motorkap.
Rijden met de cruise control:
Bij het rijden met de cruise control over een natte of slechte bodem alsook bij het trekken van ladingen is de kans op ongevallen groter.
Bij het uitschakelen van de cruise control komt de zitmaaier abrupt tot stilstand.
De cruise control is slechts een hulpmiddel dat u bij het rijden ondersteunt. De gebruiker blijft onverkort verantwoordelijk voor de aangehouden snelheid en het tijdig remmen.
De cruise control reageert niet op obstakels of een andere bodemgesteldheid. Kan een obstakel met de ingestelde rijsnelheid niet worden omzeild, dan moet de cruise control worden uitgeschakeld.
Werken op hellingen:
Op hellingen gebeuren vaak ongevallen doordat men de controle over de machine verliest of doordat deze omvalt. Dit kan leiden tot ernstig of zelfs dodelijk letsel.
Er bestaat geen "veilige" helling. Bij het rijden op met gras begroeide hellingen is bijzondere opmerkzaamheid vereist.
Om veiligheidsredenen mag het apparaat niet op hellingen steiler dan 10° (17,6 %) worden gebruikt. Kans op letsel!
Een stijging van de helling van 10° betekent een verticale stijging van 17,6 cm bij een horizontale lengte van 100 cm.

text_image
max. 10° 100 17,6Voor gegarandeerd voldoende smering van de verbrandingsmotor moeten bij het gebruik van het apparaat op hellingen ook de instructies in de meegeleverde gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor in acht worden genomen.
Wanneer u de helling niet achterwaarts omhoog kunt rijden of als u niet zeker bent, is het aan te raden om de helling niet op te rijden.
Start of stop bij voorkeur niet op hellingen.
Gebruik de machine niet op plekken zoals hellingen of sloten waar deze kan kantelen of wegglijden. De kans op kantelen of wegglijden wordt groter naarmate de ondergrond losser of vochtiger is.
Rijd op hellingen altijd in de lengterichting. Bij het dwars rijden is er meer kans op kantelen.
Wijzig bij ritten op hellingen niet abrupt de snelheid of de richting. Voor het maaien onder zulke omstandigheden dient de zitmaaier voorzichtig, rustig en gelijkmatig te worden bediend.
Verander op hellingen niet van richting. Keer op hellingen alleen wanneer dit onvermijdelijk is; rijd indien mogelijk langzaam en in brede bogen bergafwaarts.
Maai geen nat gras, vooral niet op hellingen, omdat de wielen op nat gras minder grip hebben. De zitmaaier kan dan wegglijden en is niet meer onder controle te houden.
Bij het rijden op hellingen mag de transmissie niet via de vrijloop van de transmissie worden ontgrendeld.
Wees bij het bedienen van combi- machines uiterst voorzichtig (andere gewichtsverdeling op de machine).
Wanneer de wielen doorschieten of wanneer het voertuig bij het rijden op een helling bergopwaarts blijft steken, moet de maaimessen of het combi-apparaat worden uitgeschakeld. Verlaat vervolgens de helling door langzaam recht bergafwaarts naar beneden te rijden.
Probeer de zitmaaier nooit te stabiliseren door een voet op de grond te zetten.
Het gewicht van de grasopvangbox verhoogt de kans op kantelen, vooral als de box vol is.
De grasopvangbox nooit op een schuine ondergrond ledigen of optillen.
Op basis van een verhoogd risico op ongevallen mag de cruise control niet gebruikt worden:
- in situaties waarin het rijden met een constante snelheid onmogelijk is (b.v. een slechte bodemgesteldheid bij nat weer of op hellingen).
- op een gladde ondergrond. De wielen kunnen de grip verliezen en het voertuig kan gaan slippen.
- bij een slecht zicht (b.v. door mist, hevige regenval of 's nachts).
Trekken van lasten:
Wees bij het trekken van lasten bijzonder voorzichtig om het gevaar van ernstig of zelfs dodelijk letsel door het kantelen van de zitmaaier te voorkomen.
Gebruik voor het transporteren van voorwerpen uitsluitend door STIHL goedgekeurde accessoires. Het transport op de zitmaaier, in of op de grasopvangbox is niet toegestaan.
Gebruik voor het trekken van lasten uitsluitend de trekhaak. Lasten mogen nooit op de asbehuizing of op een andere plek boven de trekhaak worden bevestigd.
Zie voor gegevens over de treklast en het draagvermogen het hoofdstuk "Trekken van lasten". (⇒ 13.11)
Overschrijden van de aangegeven last is gevaarlijk en kan schade aan het apparaat (verbrandingsmotor, transmissie enz.) tot gevolg hebben.
De lasten moeten bij het transporteren op hellingen zodanig worden aangepast dat een veilige bediening van de zitmaaier (bijv. remmen, van richting veranderen, wegrijden) nog altijd gegarandeerd is.
Controleer of de lasten deskundig en stevig zijn bevestigd. Voor het bevestigen van lasten moeten transportbanden worden gebruikt.
Verdeel de last gelijkmatig.
De overeenkomstige extra gewichten (accessoire) gebruiken wanneer het in de gebruiksaanwijzing van het toestel wordt beschreven.
Neem geen korte bochten. Wees uitermate voorzichtig bij het achteruitrijden.
Wijzig de snelheid of de richting niet abrupt.
Stoppen en uitschakelen:
De zitmaaier mag uitsluitend op een vlakke ondergrond worden uitgeschakeld.
Controleer of de zitmaaier volledig stil staat voordat u van de zitmaaier af stapt.

STOP
Houd rekening met de uitloop van het snijgereedschap. Het duurt enkele seconden voordat het snijgereedschap helemaal tot stilstand is gekomen.
Vóór het verlaten van de bestuurdersstoel de maaimessen of de aandrijving naar de combi-apparaten uitschakelen, het maaiwerk en alle combi-apparaten laten zakken, alle stuurhendels in de neutrale standen zetten, de handrem aantrekken, de verbrandingsmotor uitschakelen en de contactsleutel eruit trekken.
Bewaar de contactsleutel zodanig dat uitsluitend bevoegde personen er toegang toe hebben.
4.8 Onderhoud en reparaties

Zet het apparaat voorafgaand aan reinigings-, instel-, reparatie- en
onderhoudswerkzaamheden op een stevige, vlakke ondergrond, trek de handrem aan, schakel de verbrandingsmotor uit en laat deze afkoelen en trek de contactsleutel eruit.
Voor werkzaamheden rondom de verbrandingsmotor, het uitlaatspruitstuk en de geluiddemper eerst het apparaat laten afkoelen – ook bij alle onderhoudswerkzaamheden aan het maaiwerk. De temperaturen kunnen tot 80°C en meer oplopen. Kans op brandwonden!
Direct contact met motorolie kan gevaarlijk zijn; ook mag motorolie niet worden gemorst.
STIHL adviseert het bijvullen of verversen van motorolie door een STIHL vakhandelaar te laten uitvoeren.
Reiniging:
Na het gebruik moeten de complete zitmaaier en de combi-apparaten worden gereinigd. Verwijder in elk geval alle grasresten omdat het vocht in het gras na verloop van tijd beschadigingen veroorzaakt.
STIHL raadt het gebruik van een hogedrukreiniger af. (⇒ 15.2)
Maaiwerk demonteren bij reinigingswerkzaamheden. Maaiwerk nooit met waterstralen (b. v. tuinslang) of door aankoppelen in waterplassen reinigen.
Rijd voor het reinigen (bijv. van het frame van de zitmaaier) nooit dicht langs een rand of een sloot.
Om brandgevaar te voorkomen, moet u de verbrandingsmotor, de koelvinnen, het accuvak, het gedeelte rondom de tank en de uitlaat vrij houden van gras, bladeren of uitstromende olie (vet).
Reinig steeds de grasopvangbox.
Onderhoudswerkzaamheden:
Er mogen alleen onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd die in deze gebruiksaanwijzing vermeld staan. Alle andere werkzaamheden dient u door een vakhandelaar te laten uitvoeren. Neem altijd contact op met een vakhandelaar als u niet over de vereiste kennis en gereedschappen beschikt. STIHL raadt aan onderhoudswerkzaamheden en reparaties
uitsluitend door de STIHL vakhandelaar te laten uitvoeren. STIHL vakhandelaren volgen regelmatig cursussen en krijgen voortdurend technische informatie ter beschikking gesteld.
Gebruik uitsluitend gereedschappen, accessoires of combi-apparaten die voor dit apparaat door STIHL zijn goedgekeurd of technisch gelijkwaardige onderdelen, om de kans op ongevallen met letsel of schade aan het apparaat te voorkomen. Neem bij vragen contact op met een vakhandelaar.
Originele STIHL gereedschappen, accessoires en vervangingsonderdelen zijn wat betreft hun eigenschappen optimaal op het apparaat en de behoeften van de gebruiker afgestemd. Originele STIHL vervangingsonderdelen zijn herkenbaar aan het STIHL onderdeelnummer, het STIHL logo en eventueel het STIHL symbool op de onderdelen. Op kleine onderdelen kan ook alleen het teken staan.
De zitmaaier en alle combi-machines moeten een keer per jaar door een vakhandelaar worden geïnspecteerd. (⇒ 15.1)
Houd waarschuwings- en instructiestickers altijd leesbaar en schoon. Beschadigde of verloren gegane stickers moeten via uw STIHL vakhandelaar door nieuwe originele stickers worden vervangen. Let er bij het vervangen van een onderdeel door een nieuw onderdeel op dat het nieuwe onderdeel van dezelfde stickers is voorzien.
Om veiligheidsredenen moeten brandstofbevattende onderdelen (brandstofleiding, brandstofkraan,
brandstoftank, tankdop, aansluitingen enz.) regelmatig op beschadigingen en lekkages worden geïnspecteerd en indien nodig door een erkende vakman worden vervangen (STIHL raadt de STIHL vakhandelaar aan).
Voorafgaand aan werkzaamheden aan of in de buurt van elektrische componenten moet de minkabel (−) op de accu worden losgekoppeld.
Het apparaat is met talloze veiligheidsvoorzieningen uitgerust. Deze voorzieningen mogen niet worden verwijderd of gemodificeerd (bijv. overbrugd) en moeten regelmatig worden geïnspecteerd. Werkzaamheden aan de veiligheidsvoorzieningen mogen uitsluitend door een erkende monteur worden uitgevoerd. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
Bedenk dat het bewegen van snijgereedschap het draaien van de andere snijgereedschap tot gevolg heeft.
Zorg ervoor dat alle moeren, bouten en schroeven, met name de mesbevestigingsbouten, goed zijn vastgedraaid zodat het apparaat veilig functioneert.
Om veiligheidsredenen moeten versleten of beschadigde onderdelen meteen worden vervangen.
Controleer regelmatig of de grasopvangvoorziening (bijv. grasopvangbox, uitwerpkanaal) versleten of beschadigd is of niet goed meer werkt.
Vanwege het gewicht van de zitmaaier is bij werkzaamheden onder de machine grote voorzichtigheid geboden. Neem daarom contact op met uw vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan. Deze beschikt over een werkput of een hydraulische werkbrug.
Controleer of de voor- en achterwielen goed vastzitten.
Houd de zitmaaiers en de combi-apparaten voortdurend in onberispelijke staat, alle veiligheidsvoorzieningen moeten aanwezig en in onberispelijke staat zijn.
Controleer of de banden voldoende spanning hebben. De in de gebruiksaanwijzing vermelde bandenspanning mag niet worden overschreden.
Werk aan de maaimessen uitsluitend met dikke werkhandschoenen en met de uiterste voorzichtigheid.
Controleer de werking van de rem met regelmatige korte tussenpozen en laat eventueel de vereiste instellingen of onderhoudswerkzaamheden door een erkende vakhandelaar uitvoeren. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
Elektrisch systeem en accu:
Ter voorkoming van vonkvorming als gevolg van kortsluiting moet steeds eerst de minkabel (−) op de accu worden losgekoppeld en als laatste weer erop worden aangesloten.

Rook bij ongeacht welke werkzaamheden aan de accu nooit. Houd vonken, open vuur en andere warmtebronnen ver van de accu.
Bij het gebruik van startkabels is bijzondere voorzichtigheid geboden. Neem de desbetreffende instructies in acht ter voorkoming van schade aan de zitmaaier (in elk geval de starter maximaal 10 seconden ingedrukt houden). (⇒ 13.2)
Voor het opladen van de accu met behulp van een ander laadsysteem moeten de aanwijzingen in het hoofdstuk "Accu laden" worden opgevolgd. (⇒ 15.21)
Open nooit de accu en laat deze niet vallen.
Laad de accu altijd op in een gesloten, goed geventileerde, droge en tegen weersinvloeden beschermde ruimte.
Sluit de aansluitingen van de accu niet kort.
Vervormde of defecte (lekkende) accu's mogen niet meer worden gebruikt en moeten worden vervangen en milieuvriendelijk worden afgevoerd. Neem de nationale voorschriften in acht.
Bij defecte accu's kan vloeistof uitlekken. Voorkom aanrakingen met de huid! Bij onbedoeld contact met water afspoelen. Indien de vloeistof in aanraking komt met de ogen, spoelt u deze eerst met water en consulteert u een arts. Uitstromende accuvloeistof kan huidirritatie, brandwonden en bijtende plekken veroorzaken.
Inspecteer de aansluitkabels op de accu regelmatig visueel op beschadigingen. Laat beschadigde kabels vervangen door een erkende monteur.
De zekeringen mogen nooit worden overbrugd. Plaats nooit een zekering met een andere dan de voorgeschreven capaciteit (ampère).
4.9 Opslag bij langdurige bedrijfsonderbrekingen
Laat de verbrandingsmotor afkoelen voordat u het apparaat in een afgesloten ruimte plaatst.
Bewaar de zitmaaier met een lege tank en de brandstofvoorraad in een afsluitbare en goed geventileerde ruimte.
Bewaar de machine nooit met benzine in de tank in binnenruimtes waar eventuele benzinedampen met open vuur of vonken in aanraking kunnen komen.
Als de tank moet worden afgetapt (b v. stilleggen voor de winterpauze), mag de brandstoftank uitsluitend in de open lucht worden geledigd (tank b v. in de open lucht leegrijden door de verbrandingsmotor te laten draaien).
Sla het apparaat in een veilige staat op.
De contactsleutel moet er altijd worden uitgehaald en op een veilige plek worden bewaard om het onbevoegd of ondeskundig gebruik door kinderen en andere personen te voorkomen.
Reinig de zitmaaier voor het opslaan (bijv. winterpauze) grondig. Droge grasresten en bladeren in de buurt van de geluiddemper kunnen ontbranden.
Gevaar voor ontbranding!
Laat het apparaat volledig afkoelen voor dat u het bedekt.
Verricht voor het opslaan alle noodzakelijke
onderhoudswerkzaamheden. (⇔ 15.1)
Wanneer de zitmaaier gedurende langere tijd buiten werking wordt gesteld, moeten de accukabels worden losgekoppeld.
STIHL raadt aan de accu te demonteren en deze volledig opgeladen in een droge en afgesloten ruimte op te slaan.
(⇒ 15.19)
Beveilig accu's tegen gebruik door onbevoegden (bijv. kinderen).
4.10 Afvoer
Afvalproducten zoals gebruikte olie of brandstof, gebruikte smeermiddelen, filters, accu's en soortgelijke slijtageonderdelen zijn slecht voor mensen en dieren en kunnen het milieu beschadigen. Ze moeten derhalve op de juiste wijze worden afgevoerd.
Neem contact op met het recyclingcenter of uw vakhandelaar voor nadere informatie over het deskundig afvoeren van afvalproducten. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
Voer een apparaat aan het eind van de levensduur ervan op de daarvoor bestemde wijze af. Maak het apparaat onbruikbaar voordat het als afval wordt verwerkt. Verwijder ter voorkoming van ongevallen in het bijzonder de contactsleutel, de accu en de bougiekabel aan de verbrandingsmotor.
Kans op letsel door het maaiimes!
Laat ook een oude zitmaaier aan het eind van de levensduur nooit zonder toezicht staan. Bewaar de machine en in het bijzonder de maaimessen altijd buiten het bereik van kinderen.
De accu moet gescheiden van de machine worden afgevoerd. Zorg dat accu's veilig en milieuvriendelijk worden afgevoerd.
5. Toelichting van de symbolen

Opgelet!
Lees vóór ingebruikname de gebruiksaanwijzing en de veiligheidsinstructies en volg deze op.

Kans op letsel!
Trek vóór alle werkzaamheden aan het snijgereedschap en onderhouds- en reinigingswerkzaamheden de contactsleutel eruit.

Opgelet!
Wees voorzichtig voor rond- vliegende voorwerpen - houd afstand en houd ande- ren uit de buurt.

Opgelet!
Houd bij een draaiende verbrandingsmotor rekening met wegslingerende onderdelen – werk met een grasopvangbox of een deflector (accessoire).

Kans op letsel!
Rijd of maai niet op hellingen van meer dan 10° (17%).
Kans op kantelen!

Kans op letsel!
Houd andere personen uit de gevarenzone.



Opgelet!
Kom bij een draaiende verbrandingsmotor nooit binnen het werkbereik van de maaimessen.
Kans op letsel!
Betreed het maaiwerk niet.

Kans op brandwonden!
Raak hete oppervlakken niet aan en houd afstand. Onderdelen van verbrandingsmotoren, met name geluiddempers, worden extreem heet.

Levensgevaar door vergiftiging!
Stop onmiddellijk met werken bij misselijkheid, hoofdpijn, zichtstoornissen (zoals blikvernauwing), slecht horen, duizeligheid of een verminderd concentratievermogen. Deze symptomen kunnen onder andere door een te hoge concentratie uitlaatgassen worden veroorzaakt.

Levensgevaarlijk!
Benzine is giftig en in hoge mate ontvlambaar. Houd benzine uit de buurt van vonken, open vlammen, permanent brandend vuur, warmtebronnen en andere ontstekingsbronnen. Niet roken!
Schakel de verbrandingsmotor voor het bijtanken uit en laat deze afkoelen.

Gevaar voor letsel!
Tijdens het werken ontstaat lawaai.
Lawaai kan het gehoor beschadigen.
Draag gehoorbescherming.
Pos. Omschrijving Stk.
A Basisapparaat 1
B Grasopvangbox 1
C Contactsleutel 2
- Gebruiksaanwijzing 1
- Gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor
7. Werkzaamheden vóór de eerste ingebruikname

Waarschuwing!
Lees voorafgaand aan alle werken aan de zitmaaier het hoofdstuk "Voor uw veiligheid" zorgvuldig door en volg de instructies op! (⇒ 4.)
- Inhoud van de motorolie controleren.
(⇒ 15.8)
• Brandstof bijtanken. (⇒ 13.1)
• Brandstofkraan openen. (⇒ 15.7) - Bandenspanning optimaliseren. (⇒ 15.16)
8. Bedieningselementen
8.1 Contactslot met lichtschakelaar
Het contactslot dient voor het starten en stilleggen van de verbrandingsmotor en voor het aan- en uitschakelen van de koplampen.


Voorkom schade aan het apparaat!
De contactsleutel kan alleen worden ingestoken en uitgetrokken in de stand "verbrandingsmotor uit". Het contactslot mag alleen met de passende contactsleutel worden bediend – nooit een schroevendraaier of dergelijke gebruiken.

text_image
STOP 2 1Contactsleutel (1) in het contactslot (2) steken.
Door te draaien aan de contactsleutel kunnen de volgende vier posities worden gekozen:
Verbrandingsmotor uit:
De verbrandingsmotor is uitgeschakeld of wordt stilgelegd. Het licht is uitgeschakeld, de contactsleutel kan worden verwijderd.
Licht aan (bedrijf met licht):
Draaiende verbrandingsmotor: Het licht wordt ingeschakeld, de verbrandingsmotor loopt verder.
Uitgeschakelde verbrandingsmotor: Het licht wordt ingeschakeld.
Ontsteking aan en verbrandingsmotor loopt:
De ontsteking wordt ingeschakeld, het licht is uitgeschakeld. Na het starten springt de contactsleutel automatisch terug in deze positie en draait de verbrandingsmotor.



Verbrandingsmotor starten:
Wanneer aan alle veiligheidstechnische aspecten voor het starten is voldaan en de contactsleutel in deze positie wordt gedraaid, start de verbrandingsmotor. Bij het loslaten van de contactsleutel springt deze weer terug in de positie "Verbrandingsmotor draait".


Aanwijzing
Bij uitgeschakelde verbrandingsmotor wordt in de posities "Licht aan" en "Contact aan" na 20 seconden een signaaltoon geactiveerd. Het geluidssignaal geeft aan dat de accu wordt ontladen. Contactsleutel voor deactiveren van de signaaltoon in positie "Verbrandingsmotor uit" draaien of verbrandingsmotor starten.
8.2 Gashendel met chokefunctie (RT 5097)
Plaats voor het starten van een koude verbrandingsmotor, de gashendel bij het model RT 5097 in de chokestand.

Start een warme verbrandingsmotor zonder choke (gashendel in MAX stand). Schakel de choke uit zodra de verbrandingsmotor draait. Zet bij een draaiende verbrandingsmotor de gashendel nooit in de chokestand.
Chokestand:


text_image
1 2Gashendel (1) geheel naar voor in de chokestand schuiven (op klikstand letten).
Toerental van de verbrandingsmotor instellen:


Bij het maaien en voor het starten van de verbrandingsmotor de gashendel in MAX-positie zetten.

Wanneer de gashendel (1) naar onder of naar boven wordt geschoven, verandert het verbrandingsmotortoerental en bij een ingeschakeld maaiwerk het toerental van de maaimessen.
Positie MAX:
Wanneer de gashendel (1) naar voor in de richting van de MAX-markering wordt gezet, wordt het verbrandingsmotortoerental verhoogd.
Positie MIN:
Wanneer de gashendel (1) naar achter in de richting van de MIN-markering wordt gezet, wordt het verbrandingsmotortoerental verlaagd.
8.3 Gashendel (RT 5097 Z, RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL)
Toerental van de verbrandingsmotor instellen:


Bij het maaien en voor het starten van de verbrandingsmotor de gashendel in MAX-positie zetten. Voor het starten van een koude verbrandingsmotor bovendien de choke-knop bedienen.

Wanneer de gashendel (1) naar onder of naar boven wordt geschoven, dan verandert het verbrandingsmotortoerental en bij een ingeschakeld maaiwerk het toerental van de maaimessen.
Positie MAX:
Wanneer de gashendel (1) naar voor in de richting van de MAXmarkering wordt gezet, wordt het verbrandingsmotortoerental verhoogd.
Positie MIN:
Wanneer de gashendel (1) naar achter in de richting van de MINmarkering wordt gezet, wordt het verbrandingsmotortoerental verlaagd.
8.4 Chokeknop (RT 5097 Z, RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL)
Voor het starten van een koude verbrandingsmotor zijn de modellen RT 5097 Z, RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL met een chokeknop uitgerust.

Warme verbrandingsmotor zonder choke starten. Zodra de verbrandingsmotor loopt, chokeknop weer terug in de uitgangspositie drukken. Choke bij draaiende verbrandingsmotor nooit activeren.
Choke activeren:

Vóór het starten de chokeknop (1) tot aan de aanslag uittrekken.
Choke deactiveren:
- Druk de chokeknop tot aan de aanslag in.
8.5 Schakelaar maaiwerk (RT 5097, RT 5097 Z, RT 5112 Z)
Met de schakelaar maaiwerk kan het maaiwerk bij een draaiende verbrandingsmotor en met inachtname van alle veiligheidsvoorzieningen (⇒ 12.) worden ingeschakeld.

Voorkom schade aan het apparaat!
Schakel het maairnes niet in in hoog gras of in de laagste snijstand.
Activeer het maaiwerk uitsluitend bij het maximale toerental (gashendel in positie MAX).
Maaiwerk inschakelen:

Druk de schakelaar maaiwerk (1) aan de bovenzijde tot aan de aanslag in.
Maaiwerk uitschakelen:

Druk de schakelaar maaiwerk (1) aan de onderzijde tot aan de aanslag in.

Indien nodig kan de elektronica zodanig worden geprogrammeerd dat het maaiwerk bij een volle grasopvangbox automatisch wordt uitgeschakeld. (⇒ 13.8)
8.6 Toets maaiwerk (RT 6112 ZL, RT 6127 ZL)
Met de toets maaiwerk kan het maaiwerk bij een draaiende verbrandingsmotor en met inachtname van alle
veiligheidsvoorzieningen (⇒ 12.) worden ingeschakeld.


Voorkom schade aan het apparaat!
Schakel het maaiimes niet in in hoog gras of in de laagste snijstand.
Activeer het maaiwerk uitsluitend bij het maximale toerental (gashendel in positie MAX).
Maaiwerk inschakelen:

text_image
Mode Set 2 1Druk de toets Maaiwerk (1) ten minste 1 seconde in. Het maaiwerk is ingeschakeld zodra op het display het symbool "Maaiwerk actief" (2) verschijnt.
Maaiwerk uitschakelen:
- Drukknop maaiwerk indrukken. Het maaiwerk is uitgeschakeld zodra op het display het symbool "Maaiwerk actief" verdwijnt.
Indien nodig kan de elektronica zodanig worden geprogrammeerd dat het maaiwerk bij een volle grasopvangbox automatisch wordt uitgeschakeld. (⇒ 13.8)
8.7 Toets cruise control (RT 6112 ZL, RT 6127 ZL)
Met de toets Cruise control wordt tijdens het rijden de rijsnelheid van dat moment aangehouden.

Bij het achteruitrijden verschijnt na het indrukken van de toets Cruise control wel het pictogram "Cruise control actief" op het display, maar uit veiligheidsoverwegingen blijft de cruise control niet actief.
Cruise control activeren:

text_image
2 Node Set 1Selecteer de gewenste rijsnelheid en druk de toets Cruise control (1) ten minste 1 seconde in. De cruise control is geactiveerd zodra op het display het pictogram "Cruise control actief" (2) verschijnt. Het aandrijfpedaal is vastgezet en de rijsnelheid van dat moment wordt aangehouden. De voet kan van het aandrijfpedaal worden gehaald.
Cruise control deactiveren:
Kans op letsel! Plaats vóór het deactiveren van de cruise control de voet op het aandrijfpedaal om te voorkomen dat deze terugspringt en de zitmaaier daardoor abrupt afremt.
- Druk de toets Cruise control in, verlaat de bestuurdersstoel of trap het rempedaal in. De cruise control is gedeactiveerd zodra op het display het pictogram "Cruise control actief" verdwijnt.
8.8 Veiligheidsschakelaar achteruit maaien
Met de veiligheidsschakelaar achteruit maaien wordt het maaiwerk vrijgegeven voor het maaien in de rijrichting achteruit. Indien geen vrijgave volgt, wordt het maaiwerk uit veiligheidsoverwegingen automatisch ontkoppeld.

Trap voor het achteruit maaien de veiligheidsschakelaar achteruit maaien (1) binnen een bepaalde tijd met de linkervoet een keer kort in.

1 Vrijgave bij ontkoppeld maaiwerk:
- Stop de zitmaaier en kies de rijrichting achteruit. (⇒ 8.9)
- Trap de veiligheidsschakelaar achteruit maaien met de linkervoet een keer kort in.
- Schakel het maaiwerk in en start het achteruit maaien binnen 5 seconden. (⇒ 8.5), (⇒ 8.6) Een vrijgave is ook tot 1 seconde na het wegrijden mogelijk.
2 Vrijgave bij ingeschakeld maaiwerk:
- Trap de veiligheidsschakelaar achteruit maaien bij lopend maaiwerk met de linkervoet een keer in.
- Schakel binnen 5 seconden naar de rijrichting achteruit en maai verder. (⇒ 8.8) Een vrijgave is ook tot 1 seconde na het wisselen van rijrichting mogelijk.

Als de veiligheidsschakelaar achteruit maaien permanent wordt ingetrapt, moet de schakelaar binnen een bepaalde tijd worden losgelaten en opnieuw worden bediend.
Bij de modellen RT 6112 ZL en RT 6127 ZL knippert tot de vrijgave het pictogram "Achteruit maaien" op in het display. (⇒ 10.5)
8.9 Keuzehendel rijrichting
Met behulp van keuzehendel rijrichting wordt de rijrichting gekozen.

Na bedienen van het aandrijfpedaal rijdt de zitmaaier in de
gekozen richting – door alleen maar de keuzehendel rijrichting te bedienen zet het apparaat zich niet in beweging.
Bij een ingedrukt aandrijfpedaal is de keuzehendel rijrichting om veiligheidsredenen geblokkeerd. Voordat u de keuzehendel rijrichting activeert moet u daarom eerst het aandrijfpedaal loslaten.
Rijrichting kiezen:

Rijrichting vooruit:
Zet de keuzehendel rijrichting (1) in de voorste positie.
Rijrichting achteruit:
Zet de keuzehendel rijrichting (1) in de achterste positie.
8.10 Stuurwiel

Waarschuwing!
Houd het stuurwiel tijdens het rijden altijd met beide handen vast.

text_image
L R 1Door het stuurwiel (1) naar links L of naar rechts R te draaien, verandert u de rijrichting van de zitmaaier. Hoe verder het stuurwiel (1) wordt gedraaid, des te kleiner wordt de draaicirkel.
8.11 Verstellen bestuurdersstoel
De bestuurdersstoel kan in zeven verschillende standen worden versteld.

- Verbrandingsmotor uitschakelen. (⇒ 13.3)
- Op de bestuurdersstoel plaats nemen en de rechterhand op het stuurwiel plaatsen.

1 Til met de linkerhand de verstelhendel bestuurdersstoel (1) omhoog en houd deze vast.
2 Bestuurdersstoel (2) in de gewenste stand zetten. Daarna de verstelhendel bestuurdersstoel loslaten en laten vastklikken.
8.12 Aandrijfpedaal

Aanwijzing
Controleer vóór het induwen van het aandrijfpedaal of de juiste rijrichting op de keuzehendel rijrichting is geselecteerd. Na het aantrekken van de handrem of het induwen van het rempedaal kan het aandrijfpedaal niet worden ingeduwd.
Met behulp van het aandrijfpedaal wordt de rijsnelheid traploos geregeld.


Haal uw voet van het aandrijfpedaal (wielaandrijving) (1).
Rijsnelheid verlagen:
Laat het aandrijfpedaal (1) iets opkomen.

Rijsnelheid verhogen:
Duw het aandrijfpedaal (1) in.

8.13 Rempedaal
Met behulp van het rempedaal kan het apparaat tijdens het rijden worden afgeremd of in stilstand worden geblokkeerd.

Trap het rempedaal (1) in.
Hoe krachtiger het rempedaal (1) wordt ingetrapt, des te meer worden de achterwielen afgeremd.

Waarschuwing!
Gebruik het apparaat nooit als de rem defect is.
Laat een defecte rem altijd door een vakhandelaar repareren of afstellen.
STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
Probeer nooit zelf de rem te onderhouden.
8.14 Handrem
Door de aangetrokken handrem worden de achterwielen van de machine geblokkeerd. Daardoor

wordt voorkomen dat de zitmaaier zichzelf in beweging kan zetten (b.v. op hellingen enz.).

Aanwijzing
Controleer vóór het aantrekken van de handrem elke keer de werking van de rem.
Handrem aantrekken:

Trap het rempedaal (1) met uw voet tot aan de aanslag naar beneden in en houd het vast. Trek de handremhendel (2) naar boven.
- Laat het rempedaal weer los. De handrem is geactiveerd wanneer het rempedaal ingetrapt blijft. Bij de modellen RT 6112 ZL en RT 6127 ZL verschijnt bij aangetrokken handrem het pictogram "Handrem aangetrokken" op het display. (⇒ 10.5)
- Laat de handremhendel los. Deze klapt naar beneden. De achterwielen zijn geblokkeerd.
Handrem loszetten:

Duw met uw voet het rempedaal (1) korte tijd in.
- Het rempedaal keert terug naar de oorspronkelijke uitgangspositie (de niet-ingetrapte toestand). De handrem is gedeactiveerd en de achterwielen zijn niet meer geblokkeerd.
8.15 Hendel snijhoogteverstelling
Met de hendel
snijhoogteverstelling kunnen
8 snijstanden worden ingesteld.

Maaiwerk verhogen en verlagen:

Kans op letsel!
De hendel voor snijhoogteverstelling tijdens de aanpassing altijd vast houden. De snijhoogte enkel aanpassen als de zitmaaier stilstaat.

Het ontgrendelen van de hendel voor snijhoogteverstelling is afhankelijk van het feit of het maaiwerk gemonteerd of gedemonteerd is.

Met gemonteerd maaiwerk hendel snijhoogteverstelling (1) naar binnen (naar bestuurdersstoel) trekken en vasthouden.
Met gedemonteerd maaiwerk hendel snijhoogteverstelling (1) licht naar onder drukken en dan naar binnen (naar bestuurdersstoel) trekken en vasthouden.

text_image
-1 -2 3 4 5 6 7 8De ontgrendelde hendel snijhoogteverstelling (1) naar boven of onder leiden en de gewenste snijhoogte instellen.

Hendel snijhoogteverstelling vergrendelen: Hendel snijhoogteverstelling (1) naar buiten leiden tot deze in de gewenste positie vastklikt.
8.16 Hendel voor het ledigen van de grasopvangbox
Met behulp van de hendel voor het ledigen van de grasopvangbox kan de

grasopvangbox worden geledigd zonder dat de gebruiker de bestuurdersstoel hoeft te verlaten.
• Schakel het maaiwerk uit.
(⇒ 8.5), (⇒ 8.6)
- Rem het apparaat af totdat het stilstaat.
- Houd het rempedaal ingetrapt of trek de handrem aan.

Trek de hendel voor het ledigen van de grasopvangbox (1) naar boven uit.

Druk de hendel voor het ledigen van de grasopvangbox (1) naar voren. De grasopvangbox (2) draait naar boven en het maaigoed valt eruit. Bij de modellen RT 6112 ZL en RT 6127 ZL verschijnt bij omhoog gekantelde grasopvangbox het symbool "Geopende of ontbrekende grasopvangbox" op het display. (⇒ 10.5)
- Laat de hendel voor het ledigen van de grasopvangbox langzaam naar achteren komen en klik de grasopvangbox weer op de achterkant vast.
- Druk de hendel voor het ledigen van de grasopvangbox omlaag en zet deze in de ingetrokken uitgangsstand.
8.17 Ontgrendelhendel grasopvangbox

Waarschuwing!
Let op dat u bij het bedienen van de ontgrendelhendel grasopvangbox geen vingers beknelt.
De ontgrendelhendel van de grasopvangbox bevindt zich onder de handgreep van de grasopvangbox. Voor het vasthaken of loshaken van de grasopvangbox moet de ontgrendelhendel van de grasopvangbox omhoog worden getrokken en worden vastgehouden.
Grasopvangbox ontgrendelen:

Trek de ontgrendelhendel van de grasopvangbox (1) helemaal naar boven en houd deze vast.
- De grasopvangbox is ontgrendeld en kan worden verwijderd.
Grasopvangbox vergrendelen:

Laat na het vasthaken van de grasopvangbox de uitgetrokken ontgrendelhendel van de grasopvangbox (1) los. Let er hierbij op dat de vergrendeling weer volledig vastklikt.
- Na het vergrendelen is de grasopvangbox weer aan de machine bevestigd.
8.18 Hendel voor vrijloop transmissie
De transmissie kan met de hendel voor vrijloop transmissie worden

losgekoppeld (b.v. voor het duwen van het apparaat) of worden vastgekoppeld (voor de wielaandrijving).

Waarschuwing! Kans op kneuzingen!
De hendel voor vrijloop transmissie uitsluitend op een vlakke ondergrond uittrekken, omdat het apparaat zichzelf in beweging kan zetten.
Bij het parkeren van het apparaat met een losgekoppelde transmissie moet de handrem worden aangetrokken.
Transmissie ontkoppelen:

De hendel voor vrijloop transmissie (1) tot de aanslag naar buiten trekken en naar boven heffen.
Transmissie inschakelen:

Druk de hendel voor vrijloop transmissie (1) omlaag en naar binnen tot de aanslag.
8.19 Sensor inhoudsindicator (grasopvangbox)
Als de grasopvangbox is gevuld wordt een continue toon geactiveerd. Hierdoor wordt gemeld dat de grasopvangbox te ledigen is.

De continue toon wordt door het ontkoppelen van het maaiwerk gedeactiveerd.
Door het veranderen van de lengte van de inhoudsindicator (grasopvangbox) wordt het tijdstip van het signaal voor de gevulde grasopvangbox beïnvloed.
Hiermee kunt u het vullen van de grasopvangbox afstemmen op de kwaliteit van het maaigoed.
Meestal regelt een kortere sensor dat het signaal later wordt geactiveerd (de grasopvangbox wordt voller gemaakt, ideaal bij zeer droog maaigoed).
De inhoudsindicator kan in 6 ruststanden worden versteld.
Bij de aflevering is de peilindicator (grasopvangbox) geheel uitgetrokken.
Sensor inhoudsindicator verstellen:
- Verbrandingsmotor uitschakelen.
(⇒ 13.3)
• Handrem aantrekken. (⇒ 8.14)
• Grasopvangbox wegnemen. (⇒ 13.10)

De schuif (1) van de inhoudsindicator (grasopvangbox) door te verschuiven in pijlrichting langer of korter maken.
• Grasopvangbox vasthaken. (⇒ 13.10)
9. Elektronica
De zitmaaier is uitgevoerd met elektronica die elke keer vóór het starten en tijdens het werken alle veiligheidsvoorzieningen controleert en zo een veilig gebruik waarborgt.
De elektronica van de modellen RT 6112 ZL en RT 6127 ZL stuurt ook het display. Bij deze modellen wordt dus op het display aanvullende informatie getoond.
9.1 Zelfdiagnose bij het starten
Voorafgaand aan het starten van de verbrandingsmotor voert de elektronica een zelfdiagnose uit. Hierbij worden schakelaars, kabels enz. gecontroleerd op hun goede werking.
Activeren van de zelfdiagnose:
• Ga op de bestuurdersstoel zitten.
• Zet de handrem los. (→ 8.14)
- Draai de contactsleutel in de positie "Contact aan" (⇒ 8.1) – bedien hierbij geen toets, geen schakelaar en geen pedaal.
Zelfdiagnose zonder storing:
Een korte pieptoon wordt geactiveerd – de elektronica is geactiveerd en de zitmaaier is startklaar.
RT 6112 ZL, RT 6127 ZL:
Op het display worden alle pictogrammen gedurende 2 seconden weergegeven. De gebruikstijd kan gedurende 5 seconden worden afgelezen.
- Start de verbrandingsmotor. (⇒ 13.2)
Zelfdiagnose met storing:
Een ononderbroken pieptoon of drie opeenvolgende pieptonen worden geactiveerd.
Een ononderbroken pieptoon duidt op een storing in de elektronica of een verkeerd aangesloten accu.
- Draai de contactsleutel in de stand "Verbrandingsmotor uit". (⇒ 8.1)
- Controleer de polariteit van de accuaansluitingen en sluit de kabel eventueel juist aan. (⇒ 15.19)
- Herhaal de zelfdiagnose. Als de ononderbroken pieptoon ook na de correcte aansluiting van de accu actief blijft, is er sprake van een elektronicadefect. Neem contact op met uw vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan.
Drie opeenvolgende pieptonen wijzen op een elektrisch defect (kortsluiting) of defect aan de zitcontactschakelaar. De verbrandingsmotor kan niet worden gestart.
RT 6112 ZL, RT 6127 ZL:
Op het display knipperen de betreffende pictogrammen en verschijnt de tekst ERROR (FOUT).
- Draai de contactsleutel in de stand "Verbrandingsmotor uit". (⇒ 8.1)
- Laat de vakhandelaar een gedetailleerde diagnose uitvoeren. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
9.2 Defect aan de zitmaaier tijdens bedrijf
De elektronica houdt toezicht op een veilige toestand tijdens het werken. Bij een elektrisch defect (kortsluiting, losse stekker, kabelbreuk) worden drie opeenvolgende pieptonen geactiveerd.
De verbrandingsmotor valt stil – bij de modellen RT 6112 ZL en RT 6127 ZL knippert het betreffende pictogram en verschijnt de tekst "ERROR" (FOUT) op het display.
Werkwijze:
- Draai de contactsleutel in de stand "Verbrandingsmotor uit". (⇒ 8.1)
• Activeer de zelfdiagnose. (⇒ 9.1)
Als het defect niet kan worden verholpen, is een gedetailleerde diagnose vereist. Neem contact op met uw vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan.
9.3 Storing in de elektronica
In zeldzame gevallen kan er tijdens het gebruik een storing in de elektronica zelf optreden. Een ononderbroken pieptoon wordt geactiveerd en de verbrandingsmotor valt stil.
Werkwijze:
- Draai de contactsleutel in de stand "Verbrandingsmotor uit". (⇒ 8.1)
• Activeer de zelfdiagnose. (⇔ 9.1) - Start de verbrandingsmotor opnieuw. (⇒ 13.2)
Als het defect niet kan worden verholpen, is een gedetailleerde diagnose vereist. Neem contact op met uw vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan.
10. Display RT 6112 ZL, RT 6127 ZL
Op het display verschijnen storingsmeldingen, bedrijfsgegevens en actieve functies.
De constructie van het display is bestand tegen beschadigingen (b.v. door water). Het kan bij temperatuurschommelingen en bij een hoge luchtvochtigheid beslaan. Binnengedrongen vocht verdwijnt na de inbedrijfstelling van de zitmaaier als gevolg van de warmte van de verbrandingsmotor binnen enkele minuten.

text_image
1 11 10 9 1 13 12 Mode 3 4 5 6 7 8 2 Set1 Segmentdisplay met 5 posities
(⇒ 10.1)
2 Drukknop Set ( 10.2)
3 Drukknop Mode ( 10.3)
Storingen ( 10.4)
4 Motoroliedruk te laag (RT 6127 ZL)
5 Accustoring
Bedrijfsinformatie ( 10.5)
6 Achteruit maaien
7 Bestuurdersstoel niet bezet
8 Geopende of ontbrekende grasopvangbox
9 Brandstofreserve
10 Grasopvangbox vol
11 Handrem aangetrokken.
Bedrijfsinformatie ( 10.5)
12 Uitwerpkanaal verwijderd
Actieve functies ( 10.6)
13 Cruise control actief
14 Maaiwerk actief
10.1 Segmentdisplay met 5 posities
Het segmentdisplay met 5 posities geeft informatie over het aantal uren gebruikstijd en de accuspanning. Het signaleert storingen, aangevuld met de melding ERROR.
Tijdens het bedrijf kunnen het aantal bedrijfsuren en de accuspanning afgelezen worden door de toets "Mode" in te drukken. (⇒ 10.3)
Gebruikstijd:
Aanduiding van het aantal uren gebruikstijd van de verbrandingsmotor in volle uren (b. v. 281 u).
De bedrijfsurenteller kan niet worden teruggezet.
Op basis van de teller wordt het juiste tijdstip vastgesteld voor onderhoud- en servicewerkzaamheden zoals deze in het onderhoudschema zijn gespecificeerd. (⇒ 15.1)
Accuspanning:
Weergave van de huidige spanning van de accu in volt (b.v. 12,0 V).
10.2 Toets Set
Het indrukken van de toets Set gedurende de weergave van de gebruikstijd of accuspanning zorgt voor een permanente weergave ervan. Door de contactsleutel in de positie "verbrandingsmotor uit" te draaien schakelt u het display terug op de voorinstelling (melding van gebruikstijd of accuspanning verschijnt gedurende 5 seconden).

10.3 Toets Mode
Door het indrukken van de toets Mode schakelt het display tussen volgende meldingen:

1 Gebruikstijd [u]
2 Accuspanning [V]
3 Geen melding
Gebruikstijd en accuspanning worden elk gedurende 5 seconden opgelicht. Voor een permanente aanduiding de toets Set bedienen. (⇒ 10.2)
10.4 Melding van storingen
Symbool Motorliedruk te laag:

De voor een correcte werking van de verbrandingsmotor nodige oliedruk is te laag.
De verbrandingsmotor komt binnen de 3 seconden tot stilstand.

Voorkom schade aan het apparaat!
De oliedrukwaarschuwing is geen informatie over het oliepeil. Controleer daarom het oliepeil daarom regelmatig.
- Motor niet nogmaals proberen te starten.
- Visuele inspectie op lekken van olie uit de verbrandingsmotor.
- Oliepijl controlerenen en motorolie bijvullen indien nodig.
Symbool Accustoring:

Er is een te lage accuspanning. De accu is defect of wordt opgeladen. Op het display verschijnt bijkomend de huidige spanning in volt (b.v. 10,5 V). De verbrandingsmotor kan niet worden stilgelegd of kan niet gestart worden.
- Motor niet nogmaals proberen te starten.
- Controleer de accuspanning op het display.
- Zekeringen controleren en eventueel vervangen. (⇒ 15.20)
- Visuele inspectie op uitstromende vloeistoffen bij de accu.
- Controleren of de accuaansluitingen niet gecorrodeerd zijn en goed vastzitten.
- Accu laden. (⇒ 15.21)
• Defecte accu vervangen. (⇒ 15.19)
10.5 Weergave van bedrijfsinformatie

Als symbolen niet weergegeven worden zoals verwacht, of niet verdwijnen zoals is beschreven, dan is de mogelijke oorzaak een defect aan de schakelaar, de aansluitcontacten of aan de kabels. Neem contact op met uw vakhandelaar. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
Symbool Achteruit maaien:

Het symbool wordt permanent opgelicht wanneer achteruit maaien vrijgegeven is. Het symbool knippert wanneer de veiligheidsschakelaar Achteruit maaien bediend wordt of wanneer een vrijgave voor het achteruit maaien nodig is. (⇒ 8.8)
De melding verdwijnt:
- wanneer achteruit maaien beeindigd wordt.
Omschakelen van knipperen of permanent:
- wanneer achteruit maaien vrijgegeven is.
- wanneer het maaiwerk binnen het tijdsvenster handmatig ontkoppeld wordt.
- wanneer het maaiwerk bij een ontbrekende vrijgave voor het achteruit maaien automatisch wordt ontkoppeld.
Symbool Bestuurdersstoel niet bezet:

De bestuurdersstoel is niet bezet. De stoelcontactschakelaar is een van de veiligheidsvoorzieningen (⇒ 12.) van de zitmaaier.
Verschijnt het symbool "Bestuurdersstoel niet bezet" op het display, dan kan de verbrandingsmotor zonder aangetrokken handrem niet worden gestart en het maaiwerk niet worden ingeschakeld.
De melding verdwijnt:
- wanneer de gebruiker op de bestuurdersstoel zit.
Symbool Geopende of ontbrekende grasopvangbox:

De grasopvangbox is geopend of de grasopvangbox of deflector (accessoire) zijn niet gemonteerd of niet correct vastgeklikt. Bij het ledigen van de grasopvangbox wordt het symbool eveneens weergegeven. (⇒ 13.9) Als de grasopvangbox bij ingeschakeld maaiwerk wordt omhoog geklapt (b. v. om te ledigen), valt de verbrandingsmotor om veiligheidsredenen stil.
De melding verdwijnt,
- wanneer de grasopvangbox gesloten wordt. (⇒ 13.9)
- wanneer de grasopvangbox of deflector (accessoire) correct zijn gemonteerd. (⇒ 13.10)
Symbool Brandstofreserve:

De brandstof is tot op de reserve opgebruikt, er is nog ongeveer 2 liter brandstof in de tank. (⇒ 13.1)
De melding verdwijnt,
- wanneer brandstof wordt bijgetankt.
Symbool Grasopvangbox vol:
De grasopvangbox is gevuld, een continue toon wordt geactiveerd. (⇒ 8.19)
De continue toon wordt na het ontkoppelen van het maaiwerk gedeactiveerd. (⇒ 13.8)
De melding verdwijnt:
- wanneer de grasopvangbox geledigd wordt.
Symbool Handrem aangetrokken:

De handrem is aangetrokken. (⇒ 8.14)

De melding verdwijnt,
- wanneer de handrem gelost wordt.
Symbool Uitwerpkanaal verwijderd:

Het uitwerpkanaal is
gedemonteerd. (⇒ 15.5)
De verbrandingsmotor kan uit veiligheidsoverwegingen niet worden gestart.
De melding verdwijnt:
- wanneer het uitwerpkanaal correct gemonteerd is. (⇒ 15.6)
10.6 Melding van actieve functies

Als symbolen niet weergegeven worden zoals verwacht, of niet verdwijnen zoals is beschreven, dan is de mogelijke oorzaak een defect aan de schakelaar, de aansluitcontacten of aan de kabels. Neem contact op met uw vakhandelaar. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
Symbool Cruise control actief:

De cruise control is geactiveerd. (⇒ 8.7)
De melding verdwijnt wanneer de cruise control wordt uitgeschakeld.
Symbool Maaiwerk actief:

Het maaiwerk is ingeschakeld. (⇒ 8.6)
De melding verdwijnt, wanneer het maaiwerk wordt ontkoppeld.
11. Aanwijzingen voor werken

Waarschuwing! Kans op letsel!
Neem vóór elke ingebruikname alle informatie door voor het veilig werken met de machine. Werk op hellingen altijd bijzonder opmerkzaam en voorzichtig.

Aanwijzing
Controleer voor het maaien of het maaiwerk goed is ingebouwd. Kies bij de eerste ingebruikname van uw apparaat een vlakke, effen ondergrond en maai als proef rechte en iets overlappende stroken. Gras moet altijd in droge staat worden gemaaid.
Een fraai en vol gazon ontstaat
- door te maaien met een hoog toerental (gashendel in de positie MAX) en een lage rijsnelheid.
- door het gazon vaak te maaien en kort te houden.
- wanneer bij warm en droog weer het gazon niet te kort gemaaid wordt, omdat het anders verbrandt door de zon en lelijk wordt.
- met scherpe maaimessen. Daarom de maaimessen regelmatig slijpen of vervangen.
- door in tegengestelde richtingen te maaien.
Maaien van lang gras
Bij zeer lang gras is het beter om het gazon twee keer te maaien:
- de eerste keer maaien met een hoge snijstand, maximale motortoerental en een lage rijsnelheid;
- de tweede keer de gewenste snijstand kiezen en het maximale motortoerental instellen. Pas de rijsnelheid aan de staat van het gazon aan.

Waarschuwing – Brandgevaar!
Overbelasting van aandrijving maaiwerk vermijden. Door overbelasting kan de V-riem voortdurend gaan slippen waardoor uiteindelijk brandgevaar als gevolg van oververhitting ontstaat.
Vreemde geluiden, bijv. een knarsende V-riem (schurend geluid), zijn tekenen van overbelasting. Daarom in hoog gras nooit met een verstopt uitwerpkanaal of een gevulde grasopvangbox maaien; indien nodig een mulchkit (speciale accessoire) gebruiken.
Het maaiwerk moet vooral bij de V-riem steeds worden ontdaan van ontvlambaar materiaal (gras, bladeren, enz.) en regelmatig worden schoongemaakt, om brandgevaar te voorkomen.
Voorkomen van verstoppingen in het uitwerpkanaal
Als het uitwerpkanaal met gras verstopt raakt, verlaagt u de rijsnelheid. Deze kan te hoog zijn voor de kwaliteit van het gazon. Bovendien de schuif van de inhoudindicator helemaal uittrekken. (⇒ 8.19)
Als het probleem aanhoudt, zijn beschadigde of versleten vleugels van de maaimessen waarschijnlijk de oorzaak. Maairnes vervangen. (⇒ 15.13)
Maaiwerk, uitwerpkanaal en maaimes na elk gebruik reinigen, zodat er geen grasresten aankoeken. (⇒ 15.2)
Bemesten
Bij het maaien worden er permanent voedingsstoffen aan de bodem onttrokken. Deze kunnen door middel van een hoogwaardige gazonmest weer worden aangevuld. In de regel volstaan drie bemestingssessies per maaiseizoen. Hierbij moet het gazon droog zijn om te voorkomen dat de mest aan de grassprieten blijft kleven, waardoor deze verbranden. Besproei het gazon achteraf met water om de mest in elk geval van de sprieten te spoelen. (Volg de verwerkingsinstructies van de fabrikant op.)
Met grasafval is een natuurlijke bemesting mogelijk. Hiervoor gebruikt u een mulchkit. De mulchkit is als speciaal accessoire verkrijgbaar en wordt niet standaard meegeleverd. (Voor nadere informatie verwijzen wij u naar uw STIHL vakhandelaar.)
Bodemontziend werken
De belangrijkste factoren voor bodemontziend werken zijn de gehanteerde techniek en de vochtigheid van de bodem.
Voor een goed maairesultaat moet de rijsnelheid worden aangepast aan de staat van het te maaien gras (lengte en volheid) en de vochtigheidsgraad van het gazon.
Bij te kort genomen bochten neemt de belasting op de grasnerf toe. Dit levert met name bij een nat gazon slechte maairesultaten op, omdat de wielen in het zachte gazon wegzakken.
12. Veiligheidsvoorzieningen
Voor een veilige bediening en ter voorkoming van onjuist gebruik is het apparaat van verschillende veiligheidsvoorzieningen voorzien.

Kans op letsel!
Bij een eventueel defect aan een van de veiligheidsvoorzieningen mag het apparaat niet in bedrijf worden genomen. Neem contact op met een vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan.
Voor het starten van de verbrandingsmotor moet in elk geval:
- het uitwerpkanaal correct gemonteerd zijn,
- het rempedaal ingeduwd of de handrem aangetrokken zijn.
De verbrandingsmotor zal worden uitgeschakeld als de gebruiker:
- de bestuurdersstoel verlaat terwijl het maaiwerk is ingeschakeld,
- bij ingekoppeld maaiwerk de grasopvangbox kantelt of optilt of de deflector (speciale accessoire) weghaalt,
- bij uitgekoppeld maaiwerk het uitwerpkanaal demonteert,
- de bestuurdersstoel verlaat terwijl de handrem niet is aangetrokken.
Geïntegreerde messen-uitlooprem:
RT 5097, RT 5097 Z, RT 5112 Z, RT 6112 ZL: Na het uitschakelen komen de maaimessen pas na 5 seconden tot stilstand.
RT 6127 ZL:
Na het uitschakelen komen de maaimessen pas na 7 seconden tot stilstand.

Na het inschakelen van het maaiwerk draaien de maaimessen en is er een windgeruis te horen. De nalooptijd duurt even lang als het windgeruis na het uitschakelen. Dit kan met een stopwatch worden gemeten.
Meet ter controle van de geïntegreerde messen-uitlooprem met een stopwatch de duur van het windgeruis na het uitschakelen.
RT 5097, RT 5097 Z, RT 5112 Z,
RT 6112 ZL:
Als dit langer duurt dan 5 seconden: neem contact op met een STIHL vakhandelaar.
RT 6127 ZL:
Als dit langer duurt dan 7 seconden: neem contact op met een STIHL vakhandelaar.
13. Apparaat in gebruik nemen

Kans op letsel!
Lees vóór het in bedrijf stellen het volledige hoofdstuk "Voor uw veiligheid" zorgvuldig door en volg de instructies op. (⇒ 4.)
Om veiligheidsredenen mag het apparaat niet op hellingen steiler dan 10° (17,6 %) worden gebruikt. 17,6 % helling betekent een verticale stijging van 17,6 cm bij 100 cm horizontale lengte.
- Maak uzelf voor ingebruiksname vertrouwd met de bedieningselementen van het apparaat. (→ 8.)
- Neem vóór de ingebruikname het onderhoudsschema door en voer al de noodzakelijk onderhoudswerkzaamheden uit. (⇒ 15.1)
- Controleer vóór elk gebruik de veiligheidsvoorzieningen. (⇒ 12.) De zitmaaier mag niet in bedrijf worden genomen als er veiligheidsinrichtingen ontbreken, beschadigd, overbrugd of gewijzigd zijn.
13.1 Brandstof bijtanken
Maximale tankinhoud:
9 liter

Advies:
Verse merkbrandstoffen, gegevens over de brandstofkwaliteit (octaangetal) vindt u in de gebruiksaanwijzing van de verbrandingsmotor.
- Schakel de verbrandingsmotor voor het bijtanken uit en laat deze afkoelen (handwarm). (⇒ 13.3)
• Handrem aantrekken. (⇒ 8.14)

Om morsen van brandstof te voorkomen, gebruik voor het vullen van de brandstof een geschikte trechter (wordt niet meegeleverd) gebruiken.
Brandstof langzaam en voorzichtig vullen. Om overlopen te vermijden zal het vullen in meerdere stappen opgedeeld worden. Tussen de verschillende stappen de vultrechter wegnemen en visueel de inhoud van de tank controleren. Hoe meer brandstof reeds werd gevuld,
des te kleiner moeten de hoeveelheden per stap worden. Vul de brandstoftank nooit tot boven de onderkant van de vulplug, zodat de brandstof ruimte heeft om uit te zetten.
Tankdop:

text_image
9 L 1Tankdop (1) losdraaien (let op de pijlrichting) en wegnemen.
- De brandstof met behulp van een gepaste vultrechter (niet meegeleverd) bijvullen (zie vulprocedure).

text_image
9 L 1Tankdop (1) bevestigen en indraaien (let op de pijlrichting). Vervolgens de tankdop (1) handvast vastdraaien.
- Veeg gemorste brandstof droog en laat deze even verdampen, voordat de verbrandingsmotor wordt gestart.
13.2 Verbrandingsmotor starten

Voorkom schade aan het apparaat!
Start de verbrandingsmotor niet onmiddellijk, maak dan een pauze tussen de startpogingen.
Contactsleutel nooit langer dan 10 seconden in de positie "Verbrandingsmotor starten" zetten.

De verbrandingsmotor start alleen maar wanneer het uitwerpkanaal correct gemonteerd is. (⇒ 15.6)
Vóór het starten:
• Motoroliepeil controleren. (⇒ 15.8)
- Grasresten uit het maaiwerk en de motorruimte verwijderen.
- Controleer brandstof en tank indien nodig bij. (⇒ 13.1)
- Controleer vóór elke ingebruikname of de rem goed werkt. (⇒ 13.5)
- Alle persoonlijke instellingen (verstelling bestuurdersstoel) op het apparaat doorvoeren – niet bij draaiende verbrandingsmotor!
- Start het apparaat niet als er personen, in het bijzonder kinderen, of dieren in de buurt zijn.
Startvolgorde:
-
Open de brandstofkraan. (⇒ 15.7)
• Ga op de bestuurdersstoel zitten. -
Trap het rempedaal vóór het starten tot aan de aanslag in en houd het ingetrapt of trek de handrem aan. (⇒ 8.13), (⇒ 8.14)
- Steek de contactsleutel in het contactslot en draai deze in de stand "Contact aan". (⇒ 8.1)
- Koude verbrandingsmotor:
RT 5097:
zet de gashendel in de chokestand.
(⇒ 8.2)
RT 5097 Z, RT 5112 Z, RT 6112 ZL,
RT 6127 ZL:
zet de gashendel in de MAX-stand en
trek aan de chokeknop.
(⇒ 8.3), (⇒ 8.4)
Warme verbrandingsmotor: zet de gashendel in de MAX-stand. (⇒ 8.2), (⇒ 8.3) - Draai de contactsleutel in de stand "Verbrandingsmotor starten". De verbrandingsmotor start. Laat zodra de verbrandingsmotor draait, de contactsleutel los. Deze springt vanzelf terug in de stand "Verbrandingsmotor draait".
- RT 5097: zet de gashendel bij draaiende verbrandingsmotor in de MAX-stand terug. Let op de klikstand! (⇔ 8.2) RT 5097 Z, RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL: Druk de chokeknop in. (⇔ 8.4)
- Bij draaiende verbrandingsmotor kan de voet van het rempedaal worden genomen of de handrem worden losgezet.
13.3 Verbrandingsmotor uitschakelen
- Rem het apparaat af totdat het stil staat.
• Maaiwerk uitschakelen.
(⇒ 8.5), (⇒ 8.6)
- Gashendel in de MIN-stand zetten. ( 8.2), ( 8.3)
- Contactsleutel in de positie "verbrandingsmotor uit" draaien. De verbrandingsmotor schakelt uit,
• Handrem aantrekken. (⇒ 8.14)
- Eventueel de brandstofkraan sluiten.
(⇒ 15.7)
- De contactsleutel eruit trekken en veilig bewaren.
13.4 Rijden

Waarschuwing!
Kies op ongebaande paden altijd een lagere rijsnelheid.
Elke keer dat u van rijrichting verandert, met name op hellingen, moet de rijsnelheid overeenkomstig verlaagd worden.

Voorkom schade aan het apparaat!
Rijd altijd met het maximale toerental van de verbrandingsmotor om een ideale koppeling van de transmissie te garanderen. Regel de rijsnelheid dus alleen met het aandrijfpedaal en niet met de gashendel.
Vóór het rijden:
- Schakel de hendel van de transmissievrijloop in. (⇒ 8.18)
- RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL: Druk bij gedemonteerd maaiwerk de hendel van de V-riemspanner naar voren en zet deze vast. (⇒ 14.1)
- Start de verbrandingsmotor. (⇔ 13.2)
Vooruit rijden:
• Kies de rijrichting vooruit: (⇒ 8.9)
- Zet de handrem los, als deze is aangetrokken. (⇒ 8.14)
- Bedien het aandrijfpedaal, het apparaat zet zich vooruit in beweging. (⇒ 8.12)
Achteruit rijden:
• Kies de rijrichting achteruit: (⇒ 8.9)
- Zet de handrem los, als deze is aangetrokken. (⇒ 8.14)
- Bedien het aandrijfpedaal, het apparaat zet zich achteruit in beweging. (⇒ 8.12)
Vooruit rijden met cruise control (RT 6112 ZL, RT 6127 ZL):
- Druk bij gedemonteerd maaiwerk de hendel van de V-riemspanner naar voren en zet deze vast. (⇒ 14.1)
- Start de verbrandingsmotor. (⇒ 13.2)
- Zet de gashendel in de MAX-stand. (⇒ 8.3)
- Zet de keuzehendel rijrichting in de voorste positie (rijrichting vooruit). (⇒ 8.9)
- Zet de handrem los, indien aangetrokken. (⇒ 8.14)
- Door het intrappen van het aandrijfpedaal wordt de rijsnelheid geregeld en zet het apparaat zich vooruit in beweging.
- Cruise control activeren: Houd de gewenste rijsnelheid aan en druk de toets Cruise control 1 seconde in. (⇒ 8.7) De cruise control is geactiveerd als op het display het symbool "Cruise control actief" verschijnt en het aandrijfpedaal
vastgezet is.
Na het activeren van de cruise control kan de ingestelde rijsnelheid worden verhoogd door het aandrijfpedaal in te trappen.
- De voet kan van het aandrijfpedaal worden gehaald.
• Cruise control deactiveren:
Bedien het rempedaal of druk de toets Cruise control in. (⇒ 8.7) De cruise control is gedeactiveerd wanneer op het display het symbool "Cruise control actief" verdwijnt.
13.5 Remmen
- Rijsnelheid door lossen van het aandrijfpedaal verminderen, abrupt remmen bij volle rijsnelheid vermijden. (⇒ 8.12)
- Rempedaal gelijkmatig induwen totdat het apparaat tot stilstand komt. (⇒ 8.13)
13.6 Snijhoogte instellen

Kans op letsel!
Stel de snijhoogte alleen in als de zitmaaier stilstaat.
- Rem het apparaat af totdat het stilstaat.
- Ontgrendel de hendel snijhoogteverstelling en stel de gewenste snijhoogte in. (⇒ 8.15)
Stand 1 laagste snijhoogte
Stand 8 hoogste snijhoogte

RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL:
STIHL beveelt aan om beide drukwielen op de laagste stand te plaatsen. Door de lagere positie vergroten de drukwielen de afstand tussen het maaiwerk en de bodem en zorgen deze zo voor een optimale luchttoevoer. Dit zorgt voor een mooier maairesultaat en een betere opvangcapaciteit.
13.7 Maaien

Wordt het maaiwerk tijdens het rijden ingeschakeld, dan wordt het toerental van de verbrandingsmotor door de extra belasting (aanloop maaimessen) bij het starten van de maaimessen gedurende korte tijd lager.
Voor het maaien:
- Hoofdstuk "Opmerkingen bij het werken" lezen en opvolgen. (⇒ 11.)
- Tijdens het maaien altijd het maximale motortoerental instellen. Het maairnes is voor dit toerental geoptimaliseerd, hierdoor krijgt men het beste maairesultaat en de beste aanzuigende werking voor het verzamelen van het maaigoed.
Het maaiwerk in de volgende volgorde koppelen:
• Verbrandingsmotor starten. (⇒ 13.2)
- Gashendel in de MAX-positie zetten. (⇒ 8.2), (⇒ 8.3)
- Zitmaaier op het te maaien gazon rijden.
Schakel het maaiwerk niet in hoog gras of in de laagste snijstand in. Maaiwerk allen koppelen wanneer het apparaat al op het te bewerken gazon staat.
- Vooruit maaien:
Rijrichting vooruit ( 8.9) kiezen, aansluitend het maaiwerk door drukken van de schakelaar maaiwerk of de toets maaiwerk koppelen. ( 8.5), ( 8.6)
Achteruit maaien:
Rijrichting achteruit ( 8.9) kiezen, en veiligheidsschakelaar achteruit maaien ( 8.8) aansluitend het maaiwerk door drukken van de schakelaar maaiwerk of de toets maaiwerk binnen de 6 seconden koppelen. ( 8.5), ( 8.6)
Tijdens het maaien:
- Gashendel in de MAX-positie zetten. (⇒ 8.2), (⇒ 8.3)
- De rijsnelheid altijd aan de grashoogte of de snijstand aanpassen. Kies bij hoog gras of de laagste snijstand een lage rijsnelheid.

Een continue toon wijst op een gevulde grasopvangbox. (⇒ 13.9)
Rijrichting wisselen bij gekoppeld maaiwerk:
- Voor het achteruit maaien de veilgheidsschakelaar achteruit maaien binnen een vastgelegd tijdsvenster (5 seconden voor of 1 seconde na het omschakelen) een keer indrukken.
( 8.8) - Apparaat op het gazonvlak tot stilstand brengen en de gewenste rijrichting met de hendel keuze rijrichting instellen.
(⇒ 8.9)
• maaien verderzetten.
Het maaiwerk in de volgende volgorde uitschakelen:
- Rijd naar een reeds gemaaid gazon of selecteer hoogste snijstand van het maaiwerk. (⇒ 8.15)
- Door op de maaiwerkschakelaar te drukken of de toets maaiwerk, het maaiwerk uitschakelen. (⇒ 8.5), (⇒ 8.6)

Kans op letsel!
Houd na het uitschakelen van het maaiwerk rekening met de uitloop. Het duurt even (tot. 7 seconden) voordat het maairmes tot stilstand komt. (⇒ 12.)
13.8 Programmeren van het automatisch ontkoppelen van het maaiwerk
De elektromagnetische messenkoppeling kan zodanig worden geprogrammeerd dat het maaiwerk bij een volle grasopvangbox automatisch wordt ontkoppeld. Dit verhoogt het gebruiksgemak, aangezien het verstoppen van het uitwerpkanaal kan worden voorkomen.
- Schakel de verbrandingsmotor uit. (⇒ 13.3)
- Draai de contactsleutel in de positie "Contact aan". (⇒ 8.1)
- Wacht de zelfdiagnose van de elektronica af – druk geen toetsen in.
- Bedien de veiligheidsschakelaar achteruitrijden en het aandrijfpedaal tegelijkertijd gedurende 5 seconden. Een korte pieptoon wijst erop dat de automaat ingeschakeld is.
- De huidige instelling wordt permanent opgeslagen.
- Zet de keuzehendel rijrichting op vooruit.
- Bedien de veiligheidsschakelaar achteruitrijden en het aandrijfpedaal tegelijkertijd gedurende 5 seconden. 3 korte opeenvolgende pieptonen wijzen erop dat de automaat uitgeschakeld is.
- De huidige instelling wordt permanent opgeslagen.
Automatische ontkoppelen met de Mode-toets programmeren (alleen bij RT 6112 ZL, RT 6127 ZL):
- Zet de keuzehendel rijrichting op vooruit.
- Houd de toets Maaiwerk ingedrukt en druk tegelijkertijd de toets Mode in – het automatisch ontkoppelen wordt met de toets Mode in- of uitgeschakeld (displaymelding ON of OFF).
- De huidige instelling wordt permanent opgeslagen.
Programmeren testen (alleen bij RT 6112 ZL, RT 6127 ZL):
- Druk de toets Maaiwerk in en houd deze ingedrukt. Op het display verschijnt het symbool Maaiwerk actief en de tekst ON of OFF. ON – bij een volle grasopvangbox wordt het maaiwerk automatisch ontkoppeld. OFF – bij een volle grasopvangbox wordt het maaiwerk niet automatisch ontkoppeld.
13.9 Grasopvangbox ledigen

Kans op letsel!
De grasopvangbox mag uitsluitend op een vlakke ondergrond worden geledigd, omdat het zwaartepunt door het omhoog zwenken van de grasopvangbox verandert en zo de kans op kantelen toeneemt.

Een ononderbroken geluidssignaal tijdens het maaien geeft aan dat de grasopvangbox helemaal vol is en geleegd moet worden. Na het uitschakelen van het maaiwerk verdwijnt het geluidssignaal. Bij de modellen RT 6112 ZL en RT 6127 ZL wordt bij een volle grasopvangbox op het display het pictogram "Grasopvangbox vol" weergegeven. (⇒ 10.5)
Als de grasopvangbox niet helemaal volloopt, let dan op volgende punten:
- Inhoudsindicator (grasopvangbox) juist instellen. (⇒ 8.19)
- Bij het ledigen van de grasopvangbox het uitwerpkanaal op verstoppingen controleren en indien nodig reinigen.
- Vleugels van de maaimessen op beschadiging of slijtage controleren en indien nodig vervangen. (⇒ 15.13)
Grasopvangbox ledigen:
- Maaiwerk uitschakelen. (⇒ 8.5), (⇒ 8.6) De ononderbroken toon klinkt niet meer.
• Hoogste snijstand kiezen. (⇒ 8.15)
- Het apparaat verplaatsen naar de plek waar het maaigoed wordt geledigd.
- Hendel voor het ledigen van de grasopvangbox uittrekken en naar voren drukken. (→ 8.16) De grasopvangbox zwenkt naar boven en het maaigoed valt uit de grasopvangbox.
- Indien nodig bij naar boven gekantelde grasopvangbox iets naar voor rijden.
- De grasopvangbox kort omhoog en omlaag zwenken, opdat het maaigoed volledig uit de grasopvangbox valt.
- De hendel voor het ledigen van de grasopvangbox langzaam naar achter laten komen en de grasopvangbox weer op de achterkant vastklikken.
- De hendel voor het ledigen van de grasopvangbox weer loslaten en omlaag drukken tot deze weer in de ingetrokken uitgangsstand is.
13.10 Grasopvangbox wegnemen en vasthaken
Neem vóór het wegnemen de volgende punten in acht:
• Maaiwerk uitschakelen.
(⇒ 8.5), (⇒ 8.6)
• Grasopvangbox ledigen. (⇒ 13.9)
• Handrem aantrekken. (⇒ 8.14)
- Verbrandingsmotor uitschakelen.
(⇒ 13.3)
Bij het wegnemen en vasthaken van de grasopvangbox moet de beugel voor het ontgrendelen van de grasopvangbox altijd in de ontgrendelde stand worden gehouden totdat de grasopvangbox volledig is verwijderd of vastgehaakt.
Grasopvangbox wegnemen:

Trek de beugel ontgrendeling grasopvangbox (1) naar boven en houd deze vast.

Grasopvangbox (1) aan beide haken (2) aan de achterwand bevestigen.
- Ontgrendelhendel grasopvangbox indrukken en vasthouden. (⇒ 8.17)

Grasopvangbox (1) tot aan de aanslag naar boven klappen.
- Ontgrendelhendel grasopvangbox loslaten en erop letten of de grasopvangbox vastklikt. (→ 8.17)
Als het apparaat zonder grasopvangbox of deflector (accessoire) wordt gebruikt, kan het maaiwerk niet worden ingeschakeld. In dat geval wordt de verbrandingsmotor automatisch uitgeschakeld.
13.11 Trekken van lasten

Kans op letsel!
Bij het transport van lasten veranderen de rijeigenschappen van het apparaat (zoals een langere remweg). Hoe zwaarder de last, des te sterker de rijeigenschappen veranderen! Kies bij trekken van lasten altijd een lage rijsnelheid.
! Voorkom schade aan het apparaat!
Op hellingen wordt de maximale treklast minder.
- Controleer vóór het vasthaken van lasten of de rem goed functioneert. (⇒ 13.5)

text_image
kgMaximaal gewicht aanhanger op vlakke ondergrond = 250 kg Maximaal gewicht aanhanger bij een maximale stijging van 10° = 100 kg

text_image
Max. 40 kg Max. 40 kgMaximale kogeldruk = 40 kg Maximale treklast = 40 kg
Een treklast van 40 kg aan de trekhaak wordt op een vlakke ondergrond bereikt bij het trekken van een aanhanger met een gewicht van 250 kg.
13.12 Gebruik op hellingen
- Controleer vóór elk gebruik op een helling of de rem goed werkt. (⇒ 13.5)
- Op hellingen altijd in de lengterichting rijden. Bij het dwars rijden is er meer kans op kantelen – let op de maximum helling. (⇒ 4.7)
- Op hellingen vermijden om van richting te veranderen, als dat toch noodzakelijk blijkt te zijn moet u hierbij uiterst voorzichtig te werk gaan.
14. Maaiwerk
14.1 Maaiwerk demonteren

Kans op letsel!
Lees voorafgaand aan alle werkzaamheden aan het maaiwerk het hoofdstuk "Voor uw veiligheid" zorgvuldig door en volg de instructies op. (⇒ 4.)
Bij het demonteren ontstaat door het eigen gewicht van het maaiwerk gevaar op klemmen. Let er daarom op dat er zich geen lichaamsdelen (hand, vingers, voet, enz.) direct onder het maaiwerk bevinden.
- Plaats het apparaat op een vlakke en stevige ondergrond.
- Wielen voor tot aan de aanslag naar links of rechts draaien.
- Verbrandingsmotor uitschakelen. (⇒ 13.3)
- Contactsleutel eruit trekken.
• Handrem aantrekken. (⇒ 8.14)
• Laagste snijstand kiezen. (⇒ 13.6)
• Grasopvangbox wegnemen. (⇒ 13.10) - Uitwerpkanaal demonteren. (⇒ 15.5)
Verwijder de afdekking V-riem:

Schroef (1) achter het rechter voorwiel zover losdraaien dat deze vrij draait.

Montageplaat (1) naar voor drukken en vasthouden. Afdekking voor V-riem (2) naar omlaag klappen.
V-riem ontspannen (RT 5097, RT 5097 Z):

Trek de spanveer (1) naar voren, haak deze los en leg hem neer.
V-riem ontspannen (RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL):

text_image
1 O.K.Neem de steun (1) uit de hendel van de V-riemspanner.

text_image
1 2 O.K.Druk de hendel van de V-riemspanner (1) naar voren en houd deze vast. Haak de steun (2) zoals afgebeeld aan het frame vast. Let hierbij op, dat de hendel van de V-riemspanner in de voorste positie wordt vastgezet.
Maaiwerk achter loshaken:
Kans op letsels!
De hendel snijhoogteverstelling staat na het loshaken van het maaiwerk aan de achterzijde onder spanning. Zet daarom onmiddellijk na het losmaken de hendel voorzichtig in de hoogste snijstand.
V-riem losshaken:
Draai na het loshaken van de V-riem de borgpen weer terug en druk deze tot aan de aanslag omlaag, totdat hij bij de afdekking vastklikt. Controleer na het vastklikken of de borgpen goed vastzit.
V-riem ontspannen (RT 5097, RT 5097 Z):
Druk de montageplaat (1) naar voren en houd deze vast. Trek de V-riem (2) naar voren en haak deze los.
V-riem van de spanrol verwijderen (RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL):
Trek de borgsplitpen (1) naar boven eruit. Til het maaiwerk licht op en houd het daar. Druk de ophanging (2) naar buiten en leid de bevestigingsbout (3) uit de ophanging.
- Herhaal de procedure aan de andere kant.
- Leg het maaiwerk langzaam en voorzichtig neer.
Trek de spanveer (1) naar voren, haak deze los en leg hem neer.
V-riem ontspannen (RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL):
Druk de borgpen (1) circa 0,5 cm omhoog en draai deze 180°. Haak de V-riem (2) bij de spanrol (3) los.
Neem de steun (1) uit de hendel van de V-riemspanner.

text_image
1 O.K. 2Druk de hendel van de V-riemspanner (1) naar voren en houd deze vast. Haak de steun (2) zoals afgebeeld aan het frame vast. Let hierbij op, dat de hendel van de V-riemspanner in de voorste positie wordt vastgezet.
Maaiwerk achter loshaken:

Kans op letsels! De hendel snijhoogteverstelling staat na het loshaken van het maaiwerk aan de achterzijde onder spanning. Zet daarom onmiddellijk na het losmaken de hendel voorzichtig in de hoogste snijstand.

Trek de borgsplitpen (1) naar boven eruit. Til het maaiwerk licht op en houd het daar. Druk de ophanging (2) naar buiten en leid de bevestigingsbout (3) uit de ophanging.
- Herhaal de procedure aan de andere kant.
- Leg het maaiwerk langzaam en voorzichtig neer.
V-riem loshaken:

Druk de montageplaat (1) naar voren en houd deze vast. Trek de V-riem (2) naar voren en haak deze los.
V-riem van de spanrol verwijderen (RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL):

Druk de borgpen (1) circa 0,5 cm omhoog en houd deze vast. Haak de V-riem (2) bij de spanrol (3) los.

Druk na het loshaken van de V-riem de borgpen weer tot aan de aanslag omlaag, totdat deze bij de afdekking vastklikt. Controleer na het vastklikken of de borgpen goed vastzit.
Voorkant maaiwerk loshaken (RT 5097, RT 5097 Z):
