STIHL RT 5097 - Grasmaaier

RT 5097 - Grasmaaier STIHL - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis RT 5097 STIHL in PDF-formaat.

📄 296 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag
Notice STIHL RT 5097 - page 151
Bekijk de handleiding : Français FR Deutsch DE Italiano IT Nederlands NL
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : STIHL

Model : RT 5097

Categorie : Grasmaaier

Download de handleiding voor uw Grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding RT 5097 - STIHL en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. RT 5097 van het merk STIHL.

GEBRUIKSAANWIJZING RT 5097 STIHL

13.9 Grasfangkorb entleeren

DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL Geachte cliënt(e), Wij zijn blij dat u hebt gekozen voor STIHL. Wij ontwikkelen en produceren onze producten in topkwaliteit in overeenstemming met de behoeften van onze klanten. Zo ontstaan producten met een hoge betrouwbaarheid, ook bij extreme belasting. STIHL staat ook voor service met topkwaliteit. Onze dealers staan garant voor deskundig advies en instructie alsmede een uitgebreide technische begeleiding. Wij danken u voor uw vertrouwen in ons en wensen u veel plezier met uw STIHL product. Dr. Nikolas Stihl

BELANGRIJK! VOOR GEBRUIK GOED

DOORLEZEN EN BEWAREN. Gedrukt op chloorvrij, gebleekt papier. Papier is recycleerbaar. Flap is vrij van halogeen.

Over deze gebruiksaanwijzing 150 Algemeen 150 Instructie voor het lezen van de gebruiksaanwijzing 150 Beschrijving van het apparaat 152 Zitmaaier 152 Dashboard 154 Voor uw veiligheid 155 Algemeen 155 Training – Gebruik van de machine 156 Transport van de zitmaaier 156 Tanken – omgaan met benzine 157 Kleding en uitrusting 157 Vóór het werken 158 Tijdens het werken 158 Onderhoud en reparaties 161 Opslag bij langdurige bedrijfsonderbrekingen 163 Afvoer 164 Toelichting van de symbolen 164 Leveringsomvang 166 Werkzaamheden vóór de eerste ingebruikname 167 Bedieningselementen 167 Contactslot met lichtschakelaar 167 Gashendel met chokefunctie (RT 5097) 167 Gashendel (RT 5097 Z, RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL) 168 Chokeknop (RT 5097 Z, RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL) 168 Schakelaar maaiwerk (RT 5097, RT 5097 Z, RT 5112 Z) 169 Toets maaiwerk (RT 6112 ZL, RT 6127 ZL) 169 Toets cruise control (RT 6112 ZL, RT 6127 ZL) 170 Veiligheidsschakelaar achteruit maaien 170 Keuzehendel rijrichting 170 Stuurwiel 171 Verstellen bestuurdersstoel 171 Aandrijfpedaal 171 Rempedaal 172 Handrem 172 Hendel snijhoogteverstelling 173 Hendel voor het ledigen van de grasopvangbox 173 Ontgrendelhendel grasopvangbox 174 Hendel voor vrijloop transmissie 174 Sensor inhoudsindicator (grasopvangbox) 175 Elektronica 175 Zelfdiagnose bij het starten 176 Defect aan de zitmaaier tijdens bedrijf 176 Storing in de elektronica 176 Display RT 6112 ZL, RT 6127 ZL 176 Segmentdisplay met 5 posities 177 Toets Set 177 Toets Mode 177 Melding van storingen 177 Weergave van bedrijfsinformatie 178 Melding van actieve functies 179 Aanwijzingen voor werken 179 Veiligheidsvoorzieningen 180 Apparaat in gebruik nemen 180 Brandstof bijtanken 181 Verbrandingsmotor starten 181 Verbrandingsmotor uitschakelen 1820478 192 9913 D - NL

Deze gebruiksaanwijzing is een vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing van de fabrikant in het kader van de EG-richtlijn 2006/42/EC. STIHL werkt voortdurend aan de ontwikkeling van zijn producten; wijzigingen in de levering qua vorm, techniek en uitvoering zijn daarom voorbehouden. Op basis van gegevens of afbeeldingen uit dit boekje kunnen bijgevolg geen aanspraken worden gemaakt. Het is mogelijk dat in deze gebruiksaanwijzing modellen worden beschreven die niet in elk land verkrijgbaar zijn. Deze gebruiksaanwijzing is auteursrechtelijk beschermd. Alle rechten blijven voorbehouden, met name het recht op het kopiëren, vertalen en het verwerken met elektronische systemen.

2.2 Instructie voor het lezen van de

gebruiksaanwijzing Afbeeldingen en teksten beschrijven bepaalde bedieningsstappen. Alle pictogrammen die op het apparaat zijn aangebracht, worden in deze gebruiksaanwijzing toegelicht. Rijden 182 Remmen 183 Snijhoogte instellen 183 Maaien 183 Programmeren van het automatisch ontkoppelen van het maaiwerk 184 Grasopvangbox ledigen 184 Grasopvangbox wegnemen en vasthaken 185 Trekken van lasten 186 Gebruik op hellingen 186 Maaiwerk 186 Maaiwerk demonteren 186 Maaiwerk monteren 190 Onderhoud 193 Onderhoudsschema 193 Apparaat reinigen 194 Open de motorkap 195 Motorkap sluiten 195 Uitwerpkanaal demonteren 195 Uitwerpkanaal monteren 196 Brandstofkraan 196 Inhoud van de motorolie controleren 196 Motorolie verversen 197 Motorolie bijvullen 197 Veiligheidsvoorzieningen controleren 197 Inhoudsindicator (grasopvangbox) reinigen 198 Maaimes onderhouden 199 Inbouwpositie van het maaiwerk controleren 201 Wielen vervangen 202 Bandenspanning 203 Smeren 203 Accuvak openen en sluiten 204 Accu verwijderen en plaatsen 204 Zekeringen 206 Opladen van de accu via de oplaadstekker 207 Koplampen vervangen 207 Verbrandingsmotor 208 Transmissie 208 Opslag 208 Stilleggen bij langere onderbrekingen (bijvoorbeeld winterpauze) 208 Na langere bedrijfspauzes (b. v. winterpauze) 208 Transport 209 Standaard reserveonderdelen 209 Accessoires 209 Milieubescherming 209 Slijtage minimaliseren en schade voorkomen 210 Conformiteitsverklaring 211 EU-conformiteitsverklaring Zitmaaier STIHL RT 5097.1, RT 5097.1 Z, RT 5112.1 Z, RT 6112.1 ZL, RT 6127.1 ZL 211 Technische gegevens 211 Afmetingen 214 REACH 214 Defectopsporing 215 Onderhoudsschema 218 Leveringsbevestiging 218 Servicebevestiging 218

gebruiksaanwijzing151 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL Kijkrichting: kijkrichting bij gebruik ´links´ en ´rechts´ in de gebruiksaanwijzing: de gebruiker staat achter het apparaat en kijkt in de rijrichting naar voren. Hoofdstukverwijzing: naar de desbetreffende hoofdstukken en paragrafen met nadere uitleg wordt met een pijltje verwezen. Het volgende voorbeeld bevat een verwijzing naar een hoofdstuk: ( 4.) Markeringen van tekstpassages: de beschreven aanwijzingen kunnen zoals in de volgende voorbeelden gemarkeerd zijn. Handelingen waarbij ingrijpen van de gebruiker vereist is: ● Bout (1) met een schroevendraaier losdraaien, hendel (2) activeren ... Algemene opsommingen: – productgebruik bij sport- of wedstrijdevenementen Teksten met aanvullende betekenis: tekstpassages met aanvullende betekenis zijn met één van de onderstaand beschreven symbolen gemarkeerd om deze in de gebruiksaanwijzing extra te accentueren. Afbeeldingen met tekstpassages: Bedieningsstappen met directe verwijzing naar de afbeelding vindt u onmiddellijk na de afbeelding met bijbehorende positienummers. Voorbeeld: Contactsleutel (1) in contactslot (2) plaatsen. Teksten met afbeeldingverwijzing: afbeeldingen die het gebruik van het apparaat toelichten, vindt u geheel aan het begin van de gebruiksaanwijzing. Het camerasymbool koppelt de afbeeldingen op de pagina's met afbeeldingen met het desbetreffende tekstgedeelte in de gebruiksaanwijzing. Gevaar! Gevaar voor ongevallen en ernstig letsel. Bepaalde handelingen zijn noodzakelijk of verboden. Waarschuwing! Kans op letsel. Bepaalde handelingen voorkomen mogelijk of waarschijnlijk letsel. Voorzichtig! Minder ernstig letsel of materiële schade dat/die door bepaalde handelingen kan worden voorkomen. Aanwijzing Informatie voor een beter apparaatgebruik en om een mogelijk oneigenlijk gebruik te vermijden. 10478 192 9913 D - NL

3. Beschrijving van het

apparaat153 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL 1 Bumper 2 Koplamp 3 Motorkap 4 Tankdop 5 Stuurwiel 6 Bestuurdersstoel 7 Handgreep grasopvangbox met ont- grendelhendel grasopvangbox 8 Hendel voor het ledigen van de grasopvangbox 9 Grasopvangbox 10 Hendel voor vrijloop transmissie 11 Hendel snijhoogteverstelling 12 Achterwiel 13 Rempedaal 14 Aandrijfpedaal (rijsnelheid) 15 Maaiwerk 16 Drukwielen 17 Voorwiel 18 Trekhaak 19 Inhoudsindicator (grasopvangbox) 20 Uitwerpkanaal 21 Verstelhendel bestuurdersstoel 22 Accuvak 23 Drankvak 24 Veiligheidsschakelaar achteruit maaien0478 192 9913 D - NL

Tijdens de werkzaamheden met het apparaat moeten de voorschriften ter preventie van ongevallen beslist in acht worden genomen. Lees vóór de eerste inbedrijfstelling de hele gebruiksaanwijzing goed door. Bewaar de gebruiksaanwijzing voor later gebruik zorgvuldig op een veilige plaats. Volg de gebruiks- en onderhoudsinstructies in de afzonderlijke gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor. Deze veiligheidsmaatregelen zijn onontbeerlijk voor uw veiligheid, maar deze opsomming is niet uitputtend. Gebruik het apparaat altijd verstandig en met verantwoordelijkheidsgevoel, en denk erom dat de gebruiker aansprakelijk wordt gesteld voor ongevallen met andere personen of voor schade aan hun eigendommen. Leen het apparaat inclusief accessoires alleen uit aan personen die met dit model en de bediening ervan vertrouwd zijn. De gebruiksaanwijzing is onderdeel van het apparaat en moet altijd worden meegegeven. Controleer of de gebruiker lichamelijk, zintuigelijk en geestelijk in staat is om het apparaat te bedienen en ermee te werken. Als de gebruiker met lichamelijke, zintuigelijke of geestelijke beperkingen daartoe in staat is, mag de gebruiker er alleen onder toezicht of na instructie door een verantwoordelijke persoon mee werken. Controleer of de gebruiker meerderjarig is of conform nationale regelgeving onder toezicht voor een beroep wordt opgeleid. Gebruik het apparaat alleen als u uitgerust bent en een goede lichamelijke en geestelijke conditie hebt. Als u een verminderde gezondheid heeft, dient u uw arts te vragen of u met het apparaat kunt werken. Na het gebruik van alcohol, drugs of medicijnen die de reactiesnelheid nadelig beïnvloeden, mag niet met het apparaat worden gewerkt. Opgelet – Gevaar voor ongevallen! De zitmaaier is alleen voor het maaien van gras bestemd. Een andere toepassing is niet toegestaan. Het apparaat kan met originele accessoires van STIHL worden uitgerust. Hierdoor kan het apparaat ook voor andere toepassingen worden gebruikt. Voor nadere informatie verwijzen wij u naar uw STIHL vakhandelaar. Om persoonlijk letsel van de gebruiker of andere personen te vermijden, mag de machine bijvoorbeeld niet worden gebruikt voor (onvolledige opsomming): – het snoeien van rankgewas, – het hakselen en verkleinen van boom- en struikafval, – het schoonmaken van voetpaden (opzuigen, wegblazen), – sneeuwruimen met behulp van het maaiwerk, – gazononderhoud op dakbeplantingen, – het egaliseren van bodemoneffenheden, zoals molshopen, – het transporteren van maaigoed, buiten de in de daarvoor bedoelde grasopvangbox. U mag met de machine niet aan het verkeer deelnemen. Het vervoer van personen (met name van kinderen) en dieren is niet toegestaan. Nooit op het maaiwerk staan, zeker niet op de tastwielen. Voorwerpen mogen niet op het apparaat maar uitsluitend met behulp van een door STIHL goedgekeurde aanhanger (accessoire) worden vervoerd. De laadgrenzen moeten worden aangehouden. ( 13.11) Bij het gebruik op openbare terreinen, parken, sportvelden, langs wegen en op land- en bosbouwbedrijven moet u bijzonder behoedzaam te werk gaan. De machine mag niet worden gebruikt bij sport- en wedstrijdevenementen. Om veiligheidsredenen is het verboden wijzigingen aan het apparaat aan te brengen, behalve vakkundige montage van toebehoren en combi-apparaten die door STIHL zijn goedgekeurd. Bovendien heeft dit tot gevolg, dat uw garantie vervalt. Neem voor informatie over goedgekeurde toebehoren en combi-apparaten contact op met uw STIHL vakhandelaar. Vooral elke wijziging aan het apparaat waardoor het vermogen, het toerental van de verbrandingsmotor of de rijsnelheid wordt veranderd, is verboden.

4. Voor uw veiligheid

Levensgevaar door verstikking! Verstikkingsgevaar voor kinderen bij het spelen met verpakkingsmateriaal. Houd verpakkingsmateriaal altijd buiten het bereik van kinderen.0478 192 9913 D - NL

Het apparaat is uitgevoerd met elektronica die niet mag worden gewijzigd of verwijderd. De apparaatsoftware mag om veiligheidsredenen nooit worden gewijzigd of gemanipuleerd. Opgelet! Gevaar voor de gezondheid door trillingen! Een overmatige belasting door trillingen kan schade aan de bloedsomloop en het zenuwstelsel veroorzaken, vooral bij personen met circulatiestoornissen. Raadpleeg een arts wanneer er symptomen optreden die door de trillingen zouden kunnen zijn veroorzaakt. Dergelijke symptomen treden voornamelijk op in de vingers, handen of polsen en zijn bijvoorbeeld (onvolledige opsomming): – gevoelloosheid, –pijn, – slappe spieren, – huidverkleuringen, – onaangenaam kriebelen. Houd de duwstang tijdens het werken stevig maar niet verkrampt met beide handen op de daarvoor bedoelde plaatsen vast. Plan de werktijden zodanig dat hoge belasting gedurende langere tijd wordt voorkomen.

4.2 Training – Gebruik van de machine

Maak uzelf vertrouwd met de bedieningselementen en stelelementen en met het gebruik van het apparaat. De gebruiker moet weten hoe het gereedschap en de verbrandingsmotor van het apparaat snel kunnen worden gestopt. Het apparaat mag alleen worden gebruikt door personen die de gebruiksaanwijzing hebben gelezen en die met de bediening van het apparaat vertrouwd zijn. Elke gebruiker moet vóór de eerste ingebruikname vragen om een deskundige en praktische instructie. De verkoper of een andere deskundige moet aan de gebruiker uitleggen, hoe hij veilig met het apparaat kan werken. Bij deze instructie moet de gebruiker er vooral op worden gewezen, – dat deze tijdens het werken met het apparaat uiterst zorgvuldig en geconcentreerd te werk moet gaan. – dat het gebruik van de rem niet helpt om een zitmaaier die van een helling afglijdt, onder controle te krijgen. De oorzaken voor het verlies van controle over de zitmaaier kunnen onder andere zijn: – onvoldoende grip van de wielen, – te snel rijden, – onjuist remmen, – ondeskundig gebruik (o.a. sportevenementen), – ontoereikende kennis van eventuele gevolgen die met de bodemgesteldheid samenhangen, met name op een helling (zie onder hoofdstuk "Voor uw veiligheid", kopje "Werken op hellingen"), – onjuist vasthaken van lasten en slechte verdeling van de last. Ook wanneer u het apparaat volgens de voorschriften bedient, blijven er risico's bestaan.

4.3 Transport van de zitmaaier

De zitmaaier kan door het eigen gewicht zware kneuswonden veroorzaken. Ga bij het laden en lossen van de zitmaaier tijdens het transport in een voertuig of aanhangwagen met grote voorzichtigheid te werk. Deze zitmaaier mag niet worden gesleept. Gebruik voor het transport op de openbare weg een geschikt voertuig of een geschikte aanhanger. De zitmaaier bij het transport op een laadvlak bevestigen zoals in deze gebruiksaanwijzing beschreven staat. Steeds handrem aantrekken. ( 16.) Voor het transport moet de aandrijving van het maaimes resp. de combi-machines worden losgekoppeld. Houd u bij het transport van het apparaat aan de plaatselijke voorschriften, met name wat betreft de laadveiligheid en het transport van voorwerpen op laadoppervlakken. Het apparaat, vooral de verbrandingsmotor en geluiddemper, na het laden en voor verder transport volledig laten afkoelen. Het laadvlak en de omgeving van de geluiddemper en verbrandingsmotor dienen tijdens het transport vrij te worden gehouden van brandbare materialen zoals stro, bladeren of gedroogde grasresten.157 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL

4.4 Tanken – omgaan met benzine

Bewaar de brandstof uitsluitend in geschikte en goedgekeurde reservoirs (jerrycans). Schroef de tankdoppen van de jerrycans altijd goed erop en draai de doppen stevig vast. Om veiligheidsredenen moeten defecte afsluitingen worden vervangen. Houd benzine uit de buurt van vonken, open vlammen, permanent brandend vuur, warmtebronnen en andere ontstekingsbronnen. Niet roken! Tank alleen in de buitenlucht en rook niet tijdens het tanken. Schakel de verbrandingsmotor voor het bijtanken uit en laat deze afkoelen. De benzine moet vóór het starten van de verbrandingsmotor worden bijgevuld. Bij een draaiende verbrandingsmotor of hete machine mag de tankdop niet worden geopend en mag er geen benzine worden bijgevuld. Tankdop voorzichtig en langzaam openen. Wacht de drukcompensatie af en verwijder pas daarna de tankdop helemaal. Gebruik voor het bijtanken een geschikte trechter of een vulpijp, zodat er geen brandstof op de verbrandingsmotor en de behuizing of het gazon kan uitstromen. Tank de brandstoftank niet te vol! Vul de brandstoftank nooit tot boven de onderkant van de vulplug, zodat de brandstof ruimte heeft om uit te zetten. Volg ook de aanwijzingen in de gebruiksaanwijzing van de verbrandingsmotor op. Als er benzine is overgelopen, mag u de verbrandingsmotor pas starten nadat u het met benzine verontreinigde oppervlak hebt gereinigd. Start de verbrandingsmotor niet voordat de benzinedampen zijn verdampt (droog vegen). Gemorste brandstof moet meteen worden afgeveegd. Verwissel van kleding als er benzine op is gemorst. De tankdop moet elke keer na het tanken goed worden geplaatst en vastgeschroefd. De machine mag niet zonder vastgeschroefde originele tankdop worden gebruikt. Om veiligheidsredenen moet u de brandstofleiding, brandstoftank, tankdop en aansluitingen regelmatig op beschadigingen, veroudering (scheuren), een stevige bevestiging en lekkages controleren en zo nodig vervangen (neem contact op met een vakhandelaar, STIHL raadt de STIHL vakhandelaar aan). Als de tank moet worden geleegd, moet dit in de buitenlucht worden uitgevoerd. Gebruik geen drankflessen of soortgelijke zaken om brandstoffen en smeermiddelen af te voeren of op te slaan, zoals bijv. benzine. Personen, met name kinderen, zouden in de verleiding kunnen komen om eruit te drinken. Sla het apparaat nooit op in een gebouw met benzine in de tank. Ontstane benzinedampen kunnen met open vuur of vonken in aanraking komen en ontbranden. Zet de machine en de brandstoftank niet in de buurt van verwarmingen, warmtestralers, lasapparaten en andere warmtebronnen. Explosiegevaar!

4.5 Kleding en uitrusting

Draag tijdens werkzaamheden altijd stevige schoenen met grip. Werk nooit op blote voeten of bijvoorbeeld op sandalen. De machine mag alleen met een lange broek en nauwe kleding aan in gebruik worden genomen. Draag nooit losse kledingstukken die aan draaiende onderdelen (bedieningshendel) kunnen blijven hangen – ook geen sieraden, geen stropdassen en geen sjaals. Bij onderhouds- en reinigingswerkzaamheden en tijdens het vervoer van de machine ook telkens stevige handschoenen dragen en lang haar samenbinden en bedekken (hoofddoek, muts enz.). Bij het slijpen van het maaimes moet altijd een geschikte veiligheidsbril worden gedragen. Tijdens het werken ontstaat lawaai. Lawaai kan het gehoor beschadigen. Draag gehoorbescherming. Levensgevaarlijk! Benzine is giftig en in hoge mate ontvlambaar.0478 192 9913 D - NL

Het moet duidelijk zijn, dat er alleen personen met het apparaat werken die de gebruiksaanwijzing kennen. Controleer het brandstofsysteem vóór ingebruikname van het apparaat op lekkage, met name de zichtbare onderdelen, zoals bijv. tank, tankdop, slangverbindingen. Verbrandingsmotor bij lekkage of schade niet starten – Brandgevaar! Apparaat vóór ingebruikname door vakhandelaar laten repareren. Neem de gemeentelijk voorgeschreven tijden voor het gebruik van tuinapparatuur met verbrandingsmotor of elektromotor in acht. Controleer het complete terrein waarop het apparaat wordt gebruikt en verwijder alle stenen, stokken, kabels, speelgoed en andere voorwerpen die door het apparaat omhoog kunnen worden geslingerd. Hindernissen (zoals boomstronken en wortels) kunnen in het hoge gras eenvoudig over het hoofd worden gezien. Markeer daarom vóór het maaien alle in het gazon verborgen vreemde voorwerpen (hindernissen) die niet verwijderd kunnen worden. Vóór het gebruik van het apparaat moeten alle defecte, versleten en beschadigde onderdelen worden vervangen. Onleesbare of beschadigde waarschuwingsaanwijzingen op het apparaat moeten worden vervangen. Stickers en alle verdere vervangingsonderdelen zijn verkrijgbaar bij uw STIHL vakhandelaar. Gebruik de machine nooit met beschadigde of ontbrekende veiligheidsvoorzieningen. Veerbelaste mechanismen kunnen opgeslagen energie afgeven. Veerbelaste mechanismen moeten onbeschadigd zijn en werken. Controleer de werking van de rem voor elke inbedrijfstelling. ( 13.5) Controleer vóór elk gebruik: – of het snijgereedschap en de complete snijeenheid (maaimes, messenkoppeling, messenrem, bevestigingsbout, maaiwerkbehuizing) in onberispelijke staat verkeren. Er moet vooral worden gecontroleerd op veilige montage, schade en slijtage. – of de tankdop stevig vastgeschroefd is. – of de tank en de brandstofbevattende delen en de tankdop in onberispelijke staat verkeren. – of de veiligheidsvoorzieningen in onberispelijke staat verkeren en goed werken. – of de banden (luchtdruk, beschadigingen, slijtage) en het frame in onberispelijke staat verkeren. De schroefverbindingen moeten op correcte montage worden gecontroleerd. Alle onderhoudswerkzaamheden die in het onderhoudsschema worden vermeld onder de rubriek "Vóór het in bedrijf nemen" moeten in elk geval worden uitgevoerd. ( 15.1) Neem indien nodig contact op met een vakhandelaar. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.

4.7 Tijdens het werken

Werk nooit als er personen (in het bijzonder kinderen) of dieren in de buurt zijn. Zorg ervoor, dat gras nooit in de richting van derden wordt uitgeworpen. Werk niet met het apparaat bij regen, onweer en met name niet bij blikseminslaggevaar. Uitlaatgassen: Het apparaat genereert giftige uitlaatgassen zodra de verbrandingsmotor is ingeschakeld. Deze gassen bevatten giftig koolmonoxide, een kleur- en reukloos gas, en andere schadelijke stoffen. De verbrandingsmotor mag nooit in afgesloten of slecht geventileerde ruimtes in werking worden gezet. Kans op letsel! Versleten of beschadigde onderdelen (zoals botte messen) kunnen de veiligheid van het apparaat aantasten en letsel veroorzaken bij de gebruiker. Levensgevaar door vergiftiging! Stop onmiddellijk met werken bij misselijkheid, hoofdpijn, zichtstoornissen (bijv. blikvernauwing), slecht horen, duizeligheid of een verminderd concentratievermogen. Deze symptomen kunnen onder andere door een te hoge concentratie uitlaatgassen worden veroorzaakt.159 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL Starten: De machine mag alleen vanuit de bestuurdersstoel worden gestart. Start de machine op een vlakke ondergrond, niet op een helling. De verbrandingsmotor mag alleen in een goed geventileerde werkruimte worden gestart, vooral in garages moet op voldoende beluchting worden gelet. Voordat u de verbrandingsmotor start, koppelt u het snijgereedschap, de combi- apparaten en de aandrijving los en trapt u het rempedaal krachtig in. Houd bij het starten altijd voldoende afstand tussen uw voeten en het snijgereedschap. Start de verbrandingsmotor nooit door kortsluiten van de klem van de startmotor. Bij het overbruggen van het normale schakelcircuit van de startmotor kan de zitmaaier plotseling in beweging komen. Start de verbrandingsmotor nooit wanneer u benzinelucht ruikt – explosiegevaar! Werken: Werk alleen bij daglicht of bij goede kunstverlichting. Bij het rijden buiten het gazon of wanneer er niet wordt gemaaid, moeten de maaimessen worden losgekoppeld en moet het maaiwerk in de hoogste snijstand worden gezet. U moet om in het gras verborgen voorwerpen heenrijden (beregeningsinstallaties, palen, waterkranen, fundamenten, stroomkabels enz.). Rijd nooit over dergelijke voorwerpen heen. Houd het stuurwiel tijdens het rijden altijd met beide handen vast. Voorzichtigheid is met name bij het rijden op gazons en andere oneffen terreinen geboden, omdat het stuurwiel bij het rijden in putten, over heuvels en bij schokken enz. vanzelf kan verdraaien. Gevaar voor letsel aan handen en vingers! Wanneer er tijdens het werken een defect aan de tank, de tankdop of aan brandstofvervoerende onderdelen (brandstofleidingen) wordt vastgesteld, moet de verbrandingsmotor meteen worden uitgeschakeld. Neem vervolgens contact op met een vakhandelaar. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan. Let op kuilen (gaten) in het terrein en andere onzichtbare gevaarlijke plekken. Hindernissen kunnen in het hoge gras eenvoudig over het hoofd worden gezien. Rijd steeds met een gepaste snelheid. Gebruik het apparaat uiterst behoedzaam wanneer u in de buurt van hellingen, vuilnishopen, terreinkanten, sloten en dijken werkt. Houd met name voldoende afstand tot dergelijke gevarenzones. Ga met name voorzichtig te werk op onoverzichtelijke plekken, bosjes, bomen en andere hindernissen waarachter zich personen, met name kinderen, of dieren kunnen bevinden. Stop de zitmaaier meteen en schakel de maaimessen uit wanneer er iemand binnen het maaibereik komt. Houd de zone vóór het voertuig voortdurend in de gaten. Let op hindernissen om deze tijdig te kunnen ontwijken. Laat als u met een groep aan het werk bent, de anderen steeds tijdig weten wat u van plan bent. Neem de veiligheidsafstand in acht! Verlaag steeds de rijsnelheid voordat u van richting verandert, zodat u altijd de machine onder controle houdt en de zitmaaier ook niet kan kantelen. Let bij het werken in de buurt van wegen en bij het oversteken van verkeerswegen op andere verkeersdeelnemers. Controleer voordat u achteruit rijdt altijd de zone achter de zitmaaier en koppel indien aanwezig het combi-apparaat los. Maai nooit achteruit als dit niet beslist noodzakelijk is. Wees bij het achteruit rijden bijzonder voorzichtig en controleer voorafgaand aan het maaien het gehele gebied achter de zitmaaier grondig. Wees bijzonder voorzichtig bij het maaien in de buurt van wegen, fietspaden en wandelpaden. Weggeslingerde onderdelen kunnen ernstig letsel en zware schade tot gevolg hebben. Ledig de grasopvangbox uitsluitend vanaf de bestuurdersstoel. Schakel vóór het ledigen van de grasopvangbox de maaimessen altijd uit en wacht totdat ze stil staan. Let op – Kans op letsel! Let op het werkbereik van het maaimes. Houd handen of voeten nooit tegen of onder draaiende onderdelen. Raak het ronddraaiende maaimes nooit aan. Blijf altijd uit de buurt van de uitwerpopening. Houd altijd voldoende veiligheidsafstand in acht.0478 192 9913 D - NL

Wanneer de zitmaaier met combi- apparaten wordt gebruikt, moeten steeds de meegeleverde aanwijzingen en veiligheidsvoorschriften worden gevolgd. Schakel de aandrijving uit, schakel de verbrandingsmotor uit en wacht tot de maaimessen volledig stilstaan, trek de handrem aan en verwijder de contactsleutel: – bij het achterlaten of het transport van het apparaat. – voordat u blokkades opheft of verstoppingen in het uitwerpkanaal verwijdert. – voordat u de zitmaaier gaat controleren, reinigen of eraan gaat werken. – als de maaimessen een vreemd voorwerp hebben geraakt. Zoek naar beschadigingen aan de machine en aan het snijgereedschap en laat de vereiste reparaties uitvoeren voordat u de machine opnieuw start. Controleer bij de modellen RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL ook de installatiepositie van de maaimessen – het maaiwerk mag niet worden ingeschakeld wanneer de snijvlakken onder een andere hoek tegenover elkaar staan dan in het hoofdstuk "Maaimessen onderhouden" vermeld staat. ( 15.13) – als het apparaat abnormaal hard begint te trillen. Een onmiddellijke controle is noodzakelijk. Schakel de verbrandingsmotor uit en wacht totdat de maaimessen geheel stil staan: – vóór het bijvullen van brandstof, – vóór het afhaken van de grasopvangbox, – vóór het openen van de motorkap. Rijden met de cruise control: Bij het rijden met de cruise control over een natte of slechte bodem alsook bij het trekken van ladingen is de kans op ongevallen groter. Bij het uitschakelen van de cruise control komt de zitmaaier abrupt tot stilstand. De cruise control is slechts een hulpmiddel dat u bij het rijden ondersteunt. De gebruiker blijft onverkort verantwoordelijk voor de aangehouden snelheid en het tijdig remmen. De cruise control reageert niet op obstakels of een andere bodemgesteldheid. Kan een obstakel met de ingestelde rijsnelheid niet worden omzeild, dan moet de cruise control worden uitgeschakeld. Werken op hellingen: Op hellingen gebeuren vaak ongevallen doordat men de controle over de machine verliest of doordat deze omvalt. Dit kan leiden tot ernstig of zelfs dodelijk letsel. Er bestaat geen "veilige" helling. Bij het rijden op met gras begroeide hellingen is bijzondere opmerkzaamheid vereist. Om veiligheidsredenen mag het apparaat niet op hellingen steiler dan 10° (17,6 %) worden gebruikt. Kans op letsel! Een stijging van de helling van 10° betekent een verticale stijging van 17,6 cm bij een horizontale lengte van 100 cm. Voor gegarandeerd voldoende smering van de verbrandingsmotor moeten bij het gebruik van het apparaat op hellingen ook de instructies in de meegeleverde gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor in acht worden genomen. Wanneer u de helling niet achterwaarts omhoog kunt rijden of als u niet zeker bent, is het aan te raden om de helling niet op te rijden. Start of stop bij voorkeur niet op hellingen. Gebruik de machine niet op plekken zoals hellingen of sloten waar deze kan kantelen of wegglijden. De kans op kantelen of wegglijden wordt groter naarmate de ondergrond losser of vochtiger is. Rijd op hellingen altijd in de lengterichting. Bij het dwars rijden is er meer kans op kantelen. Wijzig bij ritten op hellingen niet abrupt de snelheid of de richting. Voor het maaien onder zulke omstandigheden dient de zitmaaier voorzichtig, rustig en gelijkmatig te worden bediend. Verander op hellingen niet van richting. Keer op hellingen alleen wanneer dit onvermijdelijk is; rijd indien mogelijk langzaam en in brede bogen bergafwaarts.161 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL Maai geen nat gras, vooral niet op hellingen, omdat de wielen op nat gras minder grip hebben. De zitmaaier kan dan wegglijden en is niet meer onder controle te houden. Bij het rijden op hellingen mag de transmissie niet via de vrijloop van de transmissie worden ontgrendeld. Wees bij het bedienen van combi- machines uiterst voorzichtig (andere gewichtsverdeling op de machine). Wanneer de wielen doorschieten of wanneer het voertuig bij het rijden op een helling bergopwaarts blijft steken, moet de maaimessen of het combi-apparaat worden uitgeschakeld. Verlaat vervolgens de helling door langzaam recht bergafwaarts naar beneden te rijden. Probeer de zitmaaier nooit te stabiliseren door een voet op de grond te zetten. Het gewicht van de grasopvangbox verhoogt de kans op kantelen, vooral als de box vol is. De grasopvangbox nooit op een schuine ondergrond ledigen of optillen. Op basis van een verhoogd risico op ongevallen mag de cruise control niet gebruikt worden: – in situaties waarin het rijden met een constante snelheid onmogelijk is (b.v. een slechte bodemgesteldheid bij nat weer of op hellingen). – op een gladde ondergrond. De wielen kunnen de grip verliezen en het voertuig kan gaan slippen. – bij een slecht zicht (b.v. door mist, hevige regenval of ‘s nachts). Trekken van lasten: Wees bij het trekken van lasten bijzonder voorzichtig om het gevaar van ernstig of zelfs dodelijk letsel door het kantelen van de zitmaaier te voorkomen. Gebruik voor het transporteren van voorwerpen uitsluitend door STIHL goedgekeurde accessoires. Het transport op de zitmaaier, in of op de grasopvangbox is niet toegestaan. Gebruik voor het trekken van lasten uitsluitend de trekhaak. Lasten mogen nooit op de asbehuizing of op een andere plek boven de trekhaak worden bevestigd. Zie voor gegevens over de treklast en het draagvermogen het hoofdstuk "Trekken van lasten". ( 13.11) Overschrijden van de aangegeven last is gevaarlijk en kan schade aan het apparaat (verbrandingsmotor, transmissie enz.) tot gevolg hebben. De lasten moeten bij het transporteren op hellingen zodanig worden aangepast dat een veilige bediening van de zitmaaier (bijv. remmen, van richting veranderen, wegrijden) nog altijd gegarandeerd is. Controleer of de lasten deskundig en stevig zijn bevestigd. Voor het bevestigen van lasten moeten transportbanden worden gebruikt. Verdeel de last gelijkmatig. De overeenkomstige extra gewichten (accessoire) gebruiken wanneer het in de gebruiksaanwijzing van het toestel wordt beschreven. Neem geen korte bochten. Wees uitermate voorzichtig bij het achteruitrijden. Wijzig de snelheid of de richting niet abrupt. Stoppen en uitschakelen: De zitmaaier mag uitsluitend op een vlakke ondergrond worden uitgeschakeld. Controleer of de zitmaaier volledig stil staat voordat u van de zitmaaier af stapt. Houd rekening met de uitloop van het snijgereedschap. Het duurt enkele seconden voordat het snijgereedschap helemaal tot stilstand is gekomen. Vóór het verlaten van de bestuurdersstoel de maaimessen of de aandrijving naar de combi-apparaten uitschakelen, het maaiwerk en alle combi-apparaten laten zakken, alle stuurhendels in de neutrale standen zetten, de handrem aantrekken, de verbrandingsmotor uitschakelen en de contactsleutel eruit trekken. Bewaar de contactsleutel zodanig dat uitsluitend bevoegde personen er toegang toe hebben.

4.8 Onderhoud en reparaties

Zet het apparaat voorafgaand aan reinigings-, instel-, reparatie- en onderhoudswerkzaamheden op een stevige, vlakke ondergrond, trek de handrem aan, schakel de verbrandingsmotor uit en laat deze afkoelen en trek de contactsleutel eruit. Voor werkzaamheden rondom de verbrandingsmotor, het uitlaatspruitstuk en de geluiddemper eerst het apparaat laten afkoelen – ook bij alle onderhoudswerkzaamheden aan het maaiwerk. De temperaturen kunnen tot 80° C en meer oplopen. Kans op brandwonden!0478 192 9913 D - NL

Direct contact met motorolie kan gevaarlijk zijn; ook mag motorolie niet worden gemorst. STIHL adviseert het bijvullen of verversen van motorolie door een STIHL vakhandelaar te laten uitvoeren. Reiniging: Na het gebruik moeten de complete zitmaaier en de combi-apparaten worden gereinigd. Verwijder in elk geval alle grasresten omdat het vocht in het gras na verloop van tijd beschadigingen veroorzaakt. STIHL raadt het gebruik van een hogedrukreiniger af. ( 15.2) Maaiwerk demonteren bij reinigingswerkzaamheden. Maaiwerk nooit met waterstralen (b. v. tuinslang) of door aankoppelen in waterplassen reinigen. Rijd voor het reinigen (bijv. van het frame van de zitmaaier) nooit dicht langs een rand of een sloot. Om brandgevaar te voorkomen, moet u de verbrandingsmotor, de koelvinnen, het accuvak, het gedeelte rondom de tank en de uitlaat vrij houden van gras, bladeren of uitstromende olie (vet). Reinig steeds de grasopvangbox. Onderhoudswerkzaamheden: Er mogen alleen onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd die in deze gebruiksaanwijzing vermeld staan. Alle andere werkzaamheden dient u door een vakhandelaar te laten uitvoeren. Neem altijd contact op met een vakhandelaar als u niet over de vereiste kennis en gereedschappen beschikt. STIHL raadt aan onderhoudswerkzaamheden en reparaties uitsluitend door de STIHL vakhandelaar te laten uitvoeren. STIHL vakhandelaren volgen regelmatig cursussen en krijgen voortdurend technische informatie ter beschikking gesteld. Gebruik uitsluitend gereedschappen, accessoires of combi-apparaten die voor dit apparaat door STIHL zijn goedgekeurd of technisch gelijkwaardige onderdelen, om de kans op ongevallen met letsel of schade aan het apparaat te voorkomen. Neem bij vragen contact op met een vakhandelaar. Originele STIHL gereedschappen, accessoires en vervangingsonderdelen zijn wat betreft hun eigenschappen optimaal op het apparaat en de behoeften van de gebruiker afgestemd. Originele STIHL vervangingsonderdelen zijn herkenbaar aan het STIHL onderdeelnummer, het STIHL logo en eventueel het STIHL symbool op de onderdelen. Op kleine onderdelen kan ook alleen het teken staan. De zitmaaier en alle combi-machines moeten een keer per jaar door een vakhandelaar worden geïnspecteerd. ( 15.1) Houd waarschuwings- en instructiestickers altijd leesbaar en schoon. Beschadigde of verloren gegane stickers moeten via uw STIHL vakhandelaar door nieuwe originele stickers worden vervangen. Let er bij het vervangen van een onderdeel door een nieuw onderdeel op dat het nieuwe onderdeel van dezelfde stickers is voorzien. Om veiligheidsredenen moeten brandstofbevattende onderdelen (brandstofleiding, brandstofkraan, brandstoftank, tankdop, aansluitingen enz.) regelmatig op beschadigingen en lekkages worden geïnspecteerd en indien nodig door een erkende vakman worden vervangen (STIHL raadt de STIHL vakhandelaar aan). Voorafgaand aan werkzaamheden aan of in de buurt van elektrische componenten moet de minkabel (–) op de accu worden losgekoppeld. Het apparaat is met talloze veiligheidsvoorzieningen uitgerust. Deze voorzieningen mogen niet worden verwijderd of gemodificeerd (bijv. overbrugd) en moeten regelmatig worden geïnspecteerd. Werkzaamheden aan de veiligheidsvoorzieningen mogen uitsluitend door een erkende monteur worden uitgevoerd. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan. Bedenk dat het bewegen van snijgereedschap het draaien van de andere snijgereedschap tot gevolg heeft. Zorg ervoor dat alle moeren, bouten en schroeven, met name de mesbevestigingsbouten, goed zijn vastgedraaid zodat het apparaat veilig functioneert. Om veiligheidsredenen moeten versleten of beschadigde onderdelen meteen worden vervangen. Controleer regelmatig of de grasopvangvoorziening (bijv. grasopvangbox, uitwerpkanaal) versleten of beschadigd is of niet goed meer werkt. Vanwege het gewicht van de zitmaaier is bij werkzaamheden onder de machine grote voorzichtigheid geboden. Neem daarom contact op met uw vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan. Deze beschikt over een werkput of een hydraulische werkbrug.163 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL Controleer of de voor- en achterwielen goed vastzitten. Houd de zitmaaiers en de combi- apparaten voortdurend in onberispelijke staat, alle veiligheidsvoorzieningen moeten aanwezig en in onberispelijke staat zijn. Controleer of de banden voldoende spanning hebben. De in de gebruiksaanwijzing vermelde bandenspanning mag niet worden overschreden. Werk aan de maaimessen uitsluitend met dikke werkhandschoenen en met de uiterste voorzichtigheid. Controleer de werking van de rem met regelmatige korte tussenpozen en laat eventueel de vereiste instellingen of onderhoudswerkzaamheden door een erkende vakhandelaar uitvoeren. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan. Elektrisch systeem en accu: Ter voorkoming van vonkvorming als gevolg van kortsluiting moet steeds eerst de minkabel (–) op de accu worden losgekoppeld en als laatste weer erop worden aangesloten. Rook bij ongeacht welke werkzaamheden aan de accu nooit. Houd vonken, open vuur en andere warmtebronnen ver van de accu. Bij het gebruik van startkabels is bijzondere voorzichtigheid geboden. Neem de desbetreffende instructies in acht ter voorkoming van schade aan de zitmaaier (in elk geval de starter maximaal 10 seconden ingedrukt houden). ( 13.2) Voor het opladen van de accu met behulp van een ander laadsysteem moeten de aanwijzingen in het hoofdstuk "Accu laden" worden opgevolgd. ( 15.21) Open nooit de accu en laat deze niet vallen. Laad de accu altijd op in een gesloten, goed geventileerde, droge en tegen weersinvloeden beschermde ruimte. Sluit de aansluitingen van de accu niet kort. Vervormde of defecte (lekkende) accu's mogen niet meer worden gebruikt en moeten worden vervangen en milieuvriendelijk worden afgevoerd. Neem de nationale voorschriften in acht. Bij defecte accu's kan vloeistof uitlekken. Voorkom aanrakingen met de huid! Bij onbedoeld contact met water afspoelen. Indien de vloeistof in aanraking komt met de ogen, spoelt u deze eerst met water en consulteert u een arts. Uitstromende accuvloeistof kan huidirritatie, brandwonden en bijtende plekken veroorzaken. Inspecteer de aansluitkabels op de accu regelmatig visueel op beschadigingen. Laat beschadigde kabels vervangen door een erkende monteur. De zekeringen mogen nooit worden overbrugd. Plaats nooit een zekering met een andere dan de voorgeschreven capaciteit (ampère).

4.9 Opslag bij langdurige

bedrijfsonderbrekingen Laat de verbrandingsmotor afkoelen voordat u het apparaat in een afgesloten ruimte plaatst. Bewaar de zitmaaier met een lege tank en de brandstofvoorraad in een afsluitbare en goed geventileerde ruimte. Bewaar de machine nooit met benzine in de tank in binnenruimtes waar eventuele benzinedampen met open vuur of vonken in aanraking kunnen komen. Als de tank moet worden afgetapt (b v. stilleggen voor de winterpauze), mag de brandstoftank uitsluitend in de open lucht worden geledigd (tank b v. in de open lucht leegrijden door de verbrandingsmotor te laten draaien). Sla het apparaat in een veilige staat op. De contactsleutel moet er altijd worden uitgehaald en op een veilige plek worden bewaard om het onbevoegd of ondeskundig gebruik door kinderen en andere personen te voorkomen. Reinig de zitmaaier voor het opslaan (bijv. winterpauze) grondig. Droge grasresten en bladeren in de buurt van de geluiddemper kunnen ontbranden. Gevaar voor ontbranding! Laat het apparaat volledig afkoelen voor dat u het bedekt. Verricht voor het opslaan alle noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden. ( 15.1) Wanneer de zitmaaier gedurende langere tijd buiten werking wordt gesteld, moeten de accukabels worden losgekoppeld. STIHL raadt aan de accu te demonteren en deze volledig opgeladen in een droge en afgesloten ruimte op te slaan. ( 15.19) Beveilig accu's tegen gebruik door onbevoegden (bijv. kinderen).0478 192 9913 D - NL

Afvalproducten zoals gebruikte olie of brandstof, gebruikte smeermiddelen, filters, accu's en soortgelijke slijtageonderdelen zijn slecht voor mensen en dieren en kunnen het milieu beschadigen. Ze moeten derhalve op de juiste wijze worden afgevoerd. Neem contact op met het recyclingcenter of uw vakhandelaar voor nadere informatie over het deskundig afvoeren van afvalproducten. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan. Voer een apparaat aan het eind van de levensduur ervan op de daarvoor bestemde wijze af. Maak het apparaat onbruikbaar voordat het als afval wordt verwerkt. Verwijder ter voorkoming van ongevallen in het bijzonder de contactsleutel, de accu en de bougiekabel aan de verbrandingsmotor. Kans op letsel door het maaimes! Laat ook een oude zitmaaier aan het eind van de levensduur nooit zonder toezicht staan. Bewaar de machine en in het bijzonder de maaimessen altijd buiten het bereik van kinderen. De accu moet gescheiden van de machine worden afgevoerd. Zorg dat accu’s veilig en milieuvriendelijk worden afgevoerd. Opgelet! Kom bij een draaiende verbrandingsmotor nooit binnen het werkbereik van de maaimessen. Kans op letsel! Betreed het maaiwerk niet. Kans op brandwonden! Raak hete oppervlakken niet aan en houd afstand. Onderdelen van verbrandingsmotoren, met name geluiddempers, worden extreem heet. Levensgevaar door vergiftiging! Stop onmiddellijk met werken bij misselijkheid, hoofdpijn, zichtstoornissen (zoals blikvernauwing), slecht horen, duizeligheid of een verminderd concentratievermogen. Deze symptomen kunnen onder andere door een te hoge concentratie uitlaatgassen worden veroorzaakt. Levensgevaarlijk! Benzine is giftig en in hoge mate ontvlambaar. Houd benzine uit de buurt van vonken, open vlammen, permanent brandend vuur, warmtebronnen en andere ontstekingsbronnen. Niet roken! Schakel de verbrandingsmotor voor het bijtanken uit en laat deze afkoelen.

5. Toelichting van de

symbolen Opgelet! Lees vóór ingebruikname de gebruiksaanwijzing en de veiligheidsinstructies en volg deze op. Kans op letsel! Trek vóór alle werkzaamhe- den aan het snijgereedschap en onder- houds- en reinigingswerkzaamheden de contactsleutel eruit. Opgelet! Wees voorzichtig voor rond- vliegende voorwerpen - houd afstand en houd ande- ren uit de buurt. Opgelet! Houd bij een draaiende ver- brandingsmotor rekening met wegslingerende onder- delen – werk met een grasopvangbox of een deflector (accessoire). Kans op letsel! Rijd of maai niet op hellin- gen van meer dan 10° (17%). Kans op kantelen! Kans op letsel! Houd andere personen uit de gevarenzone.165 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL Gevaar voor letsel! Tijdens het werken ontstaat lawaai. Lawaai kan het gehoor beschadigen. Draag gehoorbescherming.0478 192 9913 D - NL

Pos. Omschrijving Stk. A Basisapparaat 1 B Grasopvangbox 1 C Contactsleutel 2 Gebruiksaanwijzing 1 Gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor

8.1 Contactslot met lichtschakelaar

Het contactslot dient voor het starten en stilleggen van de verbrandingsmotor en voor het aan- en uitschakelen van de koplampen. Contactsleutel (1) in het contactslot (2) steken. Door te draaien aan de contactsleutel kunnen de volgende vier posities worden gekozen: Verbrandingsmotor uit: De verbrandingsmotor is uitgeschakeld of wordt stilgelegd. Het licht is uitgeschakeld, de contactsleutel kan worden verwijderd. Licht aan (bedrijf met licht): Draaiende verbrandingsmotor: Het licht wordt ingeschakeld, de verbrandingsmotor loopt verder. Uitgeschakelde verbrandingsmotor: Het licht wordt ingeschakeld. Ontsteking aan en verbrandingsmotor loopt: De ontsteking wordt ingeschakeld, het licht is uitgeschakeld. Na het starten springt de contactsleutel automatisch terug in deze positie en draait de verbrandingsmotor. Verbrandingsmotor starten: Wanneer aan alle veiligheidstechnische aspecten voor het starten is voldaan en de contactsleutel in deze positie wordt gedraaid, start de verbrandingsmotor. Bij het loslaten van de contactsleutel springt deze weer terug in de positie "Verbrandingsmotor draait".

8.2 Gashendel met chokefunctie

(RT 5097) Plaats voor het starten van een koude verbrandingsmotor, de gashendel bij het model RT 5097 in de chokestand.

7. Werkzaamheden vóór de

eerste ingebruikname Waarschuwing! Lees voorafgaand aan alle werken aan de zitmaaier het hoofdstuk "Voor uw veiligheid" zorgvuldig door en volg de instructies op! ( 4.)

8. Bedieningselementen

Voorkom schade aan het apparaat! De contactsleutel kan alleen worden ingestoken en uitgetrokken in de stand "verbrandingsmotor uit". Het contactslot mag alleen met de passende contactsleutel worden bediend – nooit een schroevendraaier of dergelijke gebruiken. Aanwijzing Bij uitgeschakelde verbrandingsmotor wordt in de posities "Licht aan" en "Contact aan" na 20 seconden een signaaltoon geactiveerd. Het geluidssignaal geeft aan dat de accu wordt ontladen. Contactsleutel voor deactiveren van de signaaltoon in positie "Verbrandingsmotor uit" draaien of verbrandingsmotor starten. Start een warme verbrandingsmotor zonder choke (gashendel in MAX stand). Schakel de choke uit zodra de verbrandingsmotor draait. Zet bij een draaiende verbrandingsmotor de gashendel nooit in de chokestand.0478 192 9913 D - NL

Chokestand: Gashendel (1) geheel naar voor in de chokestand schuiven (op klikstand letten). Toerental van de verbrandingsmotor instellen: Wanneer de gashendel (1) naar onder of naar boven wordt geschoven, verandert het verbrandingsmotortoerental en bij een ingeschakeld maaiwerk het toerental van de maaimessen. Positie MAX: Wanneer de gashendel (1) naar voor in de richting van de MAX-markering wordt gezet, wordt het verbrandingsmotortoerental verhoogd. Positie MIN: Wanneer de gashendel (1) naar achter in de richting van de MIN-markering wordt gezet, wordt het verbrandingsmotortoerental verlaagd.

8.3 Gashendel (RT 5097 Z, RT 5112 Z,

RT 6112 ZL, RT 6127 ZL) Toerental van de verbrandingsmotor instellen: Wanneer de gashendel (1) naar onder of naar boven wordt geschoven, dan verandert het verbrandingsmotortoerental en bij een ingeschakeld maaiwerk het toerental van de maaimessen. Positie MAX: Wanneer de gashendel (1) naar voor in de richting van de MAXmarkering wordt gezet, wordt het verbrandingsmotortoerental verhoogd. Positie MIN: Wanneer de gashendel (1) naar achter in de richting van de MINmarkering wordt gezet, wordt het verbrandingsmotortoerental verlaagd.

8.4 Chokeknop (RT 5097 Z, RT 5112 Z,

RT 6112 ZL, RT 6127 ZL) Voor het starten van een koude verbrandingsmotor zijn de modellen RT 5097 Z, RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL met een chokeknop uitgerust. Bij het maaien en voor het starten van de verbrandingsmotor de gashendel in MAX-positie zetten. Bij het maaien en voor het starten van de verbrandingsmotor de gashendel in MAX-positie zetten. Voor het starten van een koude verbrandingsmotor bovendien de choke-knop bedienen. Warme verbrandingsmotor zonder choke starten. Zodra de verbrandingsmotor loopt, chokeknop weer terug in de uitgangspositie drukken. Choke bij draaiende verbrandingsmotor nooit activeren.169 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL Choke activeren: Vóór het starten de chokeknop (1) tot aan de aanslag uittrekken. Choke deactiveren: ● Druk de chokeknop tot aan de aanslag in.

8.5 Schakelaar maaiwerk (RT 5097,

RT 5097 Z, RT 5112 Z) Met de schakelaar maaiwerk kan het maaiwerk bij een draaiende verbrandingsmotor en met inachtname van alle veiligheidsvoorzieningen ( 12.) worden ingeschakeld. Maaiwerk inschakelen: Druk de schakelaar maaiwerk (1) aan de bovenzijde tot aan de aanslag in. Maaiwerk uitschakelen: Druk de schakelaar maaiwerk (1) aan de onderzijde tot aan de aanslag in.

8.6 Toets maaiwerk (RT 6112 ZL,

RT 6127 ZL) Met de toets maaiwerk kan het maaiwerk bij een draaiende verbrandingsmotor en met inachtname van alle veiligheidsvoorzieningen ( 12.) worden ingeschakeld. Maaiwerk inschakelen: Druk de toets Maaiwerk (1) ten minste 1 seconde in. Het maaiwerk is ingeschakeld zodra op het display het symbool "Maaiwerk actief" (2) verschijnt. Maaiwerk uitschakelen: ● Drukknop maaiwerk indrukken. Het maaiwerk is uitgeschakeld zodra op het display het symbool "Maaiwerk actief" verdwijnt. Voorkom schade aan het apparaat! Schakel het maaimes niet in in hoog gras of in de laagste snijstand. Activeer het maaiwerk uitsluitend bij het maximale toerental (gashendel in positie MAX). Indien nodig kan de elektronica zodanig worden geprogrammeerd dat het maaiwerk bij een volle grasopvangbox automatisch wordt uitgeschakeld. ( 13.8) Voorkom schade aan het apparaat! Schakel het maaimes niet in in hoog gras of in de laagste snijstand. Activeer het maaiwerk uitsluitend bij het maximale toerental (gashendel in positie MAX).0478 192 9913 D - NL

RT 6127 ZL) Met de toets Cruise control wordt tijdens het rijden de rijsnelheid van dat moment aangehouden. Cruise control activeren: Selecteer de gewenste rijsnelheid en druk de toets Cruise control (1) ten minste 1 seconde in. De cruise control is geactiveerd zodra op het display het pictogram "Cruise control actief" (2) verschijnt. Het aandrijfpedaal is vastgezet en de rijsnelheid van dat moment wordt aangehouden. De voet kan van het aandrijfpedaal worden gehaald. Cruise control deactiveren: ● Druk de toets Cruise control in, verlaat de bestuurdersstoel of trap het rempedaal in. De cruise control is gedeactiveerd zodra op het display het pictogram "Cruise control actief" verdwijnt.

8.8 Veiligheidsschakelaar achteruit

maaien Met de veiligheidsschakelaar achteruit maaien wordt het maaiwerk vrijgegeven voor het maaien in de rijrichting achteruit. Indien geen vrijgave volgt, wordt het maaiwerk uit veiligheidsoverwegingen automatisch ontkoppeld. Trap voor het achteruit maaien de veiligheidsschakelaar achteruit maaien (1) binnen een bepaalde tijd met de linkervoet een keer kort in. 1 Vrijgave bij ontkoppeld maaiwerk: ● Stop de zitmaaier en kies de rijrichting achteruit. ( 8.9) ● Trap de veiligheidsschakelaar achteruit maaien met de linkervoet een keer kort in. ● Schakel het maaiwerk in en start het achteruit maaien binnen 5 seconden. ( 8.5), ( 8.6) Een vrijgave is ook tot 1 seconde na het wegrijden mogelijk. 2 Vrijgave bij ingeschakeld maaiwerk: ● Trap de veiligheidsschakelaar achteruit maaien bij lopend maaiwerk met de linkervoet een keer in. ● Schakel binnen 5 seconden naar de rijrichting achteruit en maai verder. ( 8.8) Een vrijgave is ook tot 1 seconde na het wisselen van rijrichting mogelijk.

8.9 Keuzehendel rijrichting

Met behulp van keuzehendel rijrichting wordt de rijrichting gekozen. Na bedienen van het aandrijfpedaal rijdt de zitmaaier in de Indien nodig kan de elektronica zodanig worden geprogrammeerd dat het maaiwerk bij een volle grasopvangbox automatisch wordt uitgeschakeld. ( 13.8) Bij het achteruitrijden verschijnt na het indrukken van de toets Cruise control wel het pictogram "Cruise control actief" op het display, maar uit veiligheidsoverwegingen blijft de cruise control niet actief. Kans op letsel! Plaats vóór het deactiveren van de cruise control de voet op het aandrijfpedaal om te voorkomen dat deze terugspringt en de zitmaaier daardoor abrupt afremt. Als de veiligheidsschakelaar achteruit maaien permanent wordt ingetrapt, moet de schakelaar binnen een bepaalde tijd worden losgelaten en opnieuw worden bediend. Bij de modellen RT 6112 ZL en RT 6127 ZL knippert tot de vrijgave het pictogram "Achteruit maaien" op in het display. ( 10.5)171 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL gekozen richting – door alleen maar de keuzehendel rijrichting te bedienen zet het apparaat zich niet in beweging. Rijrichting kiezen: Rijrichting vooruit: Zet de keuzehendel rijrichting (1) in de voorste positie. Rijrichting achteruit: Zet de keuzehendel rijrichting (1) in de achterste positie.

Door het stuurwiel (1) naar links L of naar rechts R te draaien, verandert u de rijrichting van de zitmaaier. Hoe verder het stuurwiel (1) wordt gedraaid, des te kleiner wordt de draaicirkel.

8.11 Verstellen bestuurdersstoel

De bestuurdersstoel kan in zeven verschillende standen worden versteld. ● Verbrandingsmotor uitschakelen. ( 13.3) ● Op de bestuurdersstoel plaats nemen en de rechterhand op het stuurwiel plaatsen. 1 Til met de linkerhand de verstelhendel bestuurdersstoel (1) omhoog en houd deze vast. 2 Bestuurdersstoel (2) in de gewenste stand zetten. Daarna de verstelhendel bestuurdersstoel loslaten en laten vastklikken.

Met behulp van het aandrijfpedaal wordt de rijsnelheid traploos geregeld. Bij een ingedrukt aandrijfpedaal is de keuzehendel rijrichting om veiligheidsredenen geblokkeerd. Voordat u de keuzehendel rijrichting activeert moet u daarom eerst het aandrijfpedaal loslaten. Waarschuwing! Houd het stuurwiel tijdens het rijden altijd met beide handen vast. Aanwijzing Controleer vóór het induwen van het aandrijfpedaal of de juiste rijrichting op de keuzehendel rijrichting is geselecteerd. Na het aantrekken van de handrem of het induwen van het rempedaal kan het aandrijfpedaal niet worden ingeduwd.0478 192 9913 D - NL

Stoppen: Haal uw voet van het aandrijfpedaal (wielaandrijving) (1). Rijsnelheid verlagen: Laat het aandrijfpedaal (1) iets opkomen. Rijsnelheid verhogen: Duw het aandrijfpedaal (1) in.

Met behulp van het rempedaal kan het apparaat tijdens het rijden worden afgeremd of in stilstand worden geblokkeerd. Trap het rempedaal (1) in. Hoe krachtiger het rempedaal (1) wordt ingetrapt, des te meer worden de achterwielen afgeremd.

Door de aangetrokken handrem worden de achterwielen van de machine geblokkeerd. Daardoor wordt voorkomen dat de zitmaaier zichzelf in beweging kan zetten (b.v. op hellingen enz.). Handrem aantrekken: Trap het rempedaal (1) met uw voet tot aan de aanslag naar beneden in en houd het vast. Trek de handremhendel (2) naar boven. ● Laat het rempedaal weer los. De handrem is geactiveerd wanneer het rempedaal ingetrapt blijft. Bij de modellen RT 6112 ZL en RT 6127 ZL verschijnt bij aangetrokken handrem het pictogram "Handrem aangetrokken" op het display. ( 10.5) ● Laat de handremhendel los. Deze klapt naar beneden. De achterwielen zijn geblokkeerd. Waarschuwing! Gebruik het apparaat nooit als de rem defect is. Laat een defecte rem altijd door een vakhandelaar repareren of afstellen. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan. Probeer nooit zelf de rem te onderhouden. Aanwijzing Controleer vóór het aantrekken van de handrem elke keer de werking van de rem.173 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL Handrem loszetten: Duw met uw voet het rempedaal (1) korte tijd in. ● Het rempedaal keert terug naar de oorspronkelijke uitgangspositie (de niet-ingetrapte toestand). De handrem is gedeactiveerd en de achterwielen zijn niet meer geblokkeerd.

8.15 Hendel snijhoogteverstelling

Met de hendel snijhoogteverstelling kunnen 8 snijstanden worden ingesteld. Maaiwerk verhogen en verlagen: Hendel snijhoogteverstelling ontgrendelen: Met gemonteerd maaiwerk hendel snijhoogteverstelling (1) naar binnen (naar bestuurdersstoel) trekken en vasthouden. Met gedemonteerd maaiwerk hendel snijhoogteverstelling (1) licht naar onder drukken en dan naar binnen (naar bestuurdersstoel) trekken en vasthouden. De ontgrendelde hendel snijhoogteverstelling (1) naar boven of onder leiden en de gewenste snijhoogte instellen. Hendel snijhoogteverstelling vergrendelen: Hendel snijhoogteverstelling (1) naar buiten leiden tot deze in de gewenste positie vastklikt.

8.16 Hendel voor het ledigen van de

grasopvangbox Met behulp van de hendel voor het ledigen van de grasopvangbox kan de grasopvangbox worden geledigd zonder dat de gebruiker de bestuurdersstoel hoeft te verlaten. ● Schakel het maaiwerk uit. ( 8.5), ( 8.6) ● Rem het apparaat af totdat het stilstaat. ● Houd het rempedaal ingetrapt of trek de handrem aan. Kans op letsel! De hendel voor snijhoogteverstelling tijdens de aanpassing altijd vast houden. De snijhoogte enkel aanpassen als de zitmaaier stilstaat. Het ontgrendelen van de hendel voor snijhoogteverstelling is afhankelijk van het feit of het maaiwerk gemonteerd of gedemonteerd is.0478 192 9913 D - NL

Trek de hendel voor het ledigen van de grasopvangbox (1) naar boven uit. Druk de hendel voor het ledigen van de grasopvangbox (1) naar voren. De grasopvangbox (2) draait naar boven en het maaigoed valt eruit. Bij de modellen RT 6112 ZL en RT 6127 ZL verschijnt bij omhoog gekantelde grasopvangbox het symbool "Geopende of ontbrekende grasopvangbox" op het display. ( 10.5) ● Laat de hendel voor het ledigen van de grasopvangbox langzaam naar achteren komen en klik de grasopvangbox weer op de achterkant vast. ● Druk de hendel voor het ledigen van de grasopvangbox omlaag en zet deze in de ingetrokken uitgangsstand.

8.17 Ontgrendelhendel grasopvangbox

De ontgrendelhendel van de grasopvangbox bevindt zich onder de handgreep van de grasopvangbox. Voor het vasthaken of loshaken van de grasopvangbox moet de ontgrendelhendel van de grasopvangbox omhoog worden getrokken en worden vastgehouden. Grasopvangbox ontgrendelen: Trek de ontgrendelhendel van de grasopvangbox (1) helemaal naar boven en houd deze vast. ● De grasopvangbox is ontgrendeld en kan worden verwijderd. Grasopvangbox vergrendelen: Laat na het vasthaken van de grasopvangbox de uitgetrokken ontgrendelhendel van de grasopvangbox (1) los. Let er hierbij op dat de vergrendeling weer volledig vastklikt. – Na het vergrendelen is de grasopvangbox weer aan de machine bevestigd.

8.18 Hendel voor vrijloop transmissie

De transmissie kan met de hendel voor vrijloop transmissie worden losgekoppeld (b.v. voor het duwen van het apparaat) of worden vastgekoppeld (voor de wielaandrijving). Waarschuwing! Let op dat u bij het bedienen van de ontgrendelhendel grasopvangbox geen vingers beknelt.175 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL Transmissie ontkoppelen: De hendel voor vrijloop transmissie (1) tot de aanslag naar buiten trekken en naar boven heffen. Transmissie inschakelen: Druk de hendel voor vrijloop transmissie (1) omlaag en naar binnen tot de aanslag.

8.19 Sensor inhoudsindicator

(grasopvangbox) Als de grasopvangbox is gevuld wordt een continue toon geactiveerd. Hierdoor wordt gemeld dat de grasopvangbox te ledigen is. Door het veranderen van de lengte van de inhoudsindicator (grasopvangbox) wordt het tijdstip van het signaal voor de gevulde grasopvangbox beïnvloed. Hiermee kunt u het vullen van de grasopvangbox afstemmen op de kwaliteit van het maaigoed. Meestal regelt een kortere sensor dat het signaal later wordt geactiveerd (de grasopvangbox wordt voller gemaakt, ideaal bij zeer droog maaigoed). De inhoudsindicator kan in 6 ruststanden worden versteld. Bij de aflevering is de peilindicator (grasopvangbox) geheel uitgetrokken. Sensor inhoudsindicator verstellen: ● Verbrandingsmotor uitschakelen. ( 13.3) ● Handrem aantrekken. ( 8.14) ● Grasopvangbox wegnemen. ( 13.10) De schuif (1) van de inhoudsindicator (grasopvangbox) door te verschuiven in pijlrichting langer of korter maken. ● Grasopvangbox vasthaken. ( 13.10) De zitmaaier is uitgevoerd met elektronica die elke keer vóór het starten en tijdens het werken alle veiligheidsvoorzieningen controleert en zo een veilig gebruik waarborgt. Waarschuwing! Kans op kneuzingen! De hendel voor vrijloop transmissie uitsluitend op een vlakke ondergrond uittrekken, omdat het apparaat zichzelf in beweging kan zetten. Bij het parkeren van het apparaat met een losgekoppelde transmissie moet de handrem worden aangetrokken. De continue toon wordt door het ontkoppelen van het maaiwerk gedeactiveerd.

9.1 Zelfdiagnose bij het starten

Voorafgaand aan het starten van de verbrandingsmotor voert de elektronica een zelfdiagnose uit. Hierbij worden schakelaars, kabels enz. gecontroleerd op hun goede werking. Activeren van de zelfdiagnose: ● Ga op de bestuurdersstoel zitten. ● Zet de handrem los. ( 8.14) ● Draai de contactsleutel in de positie "Contact aan" ( 8.1) – bedien hierbij geen toets, geen schakelaar en geen pedaal. Zelfdiagnose zonder storing: Een korte pieptoon wordt geactiveerd – de elektronica is geactiveerd en de zitmaaier is startklaar. RT 6112 ZL, RT 6127 ZL: Op het display worden alle pictogrammen gedurende 2 seconden weergegeven. De gebruikstijd kan gedurende 5 seconden worden afgelezen. ● Start de verbrandingsmotor. ( 13.2) Zelfdiagnose met storing: Een ononderbroken pieptoon of drie opeenvolgende pieptonen worden geactiveerd. Een ononderbroken pieptoon duidt op een storing in de elektronica of een verkeerd aangesloten accu. ● Draai de contactsleutel in de stand "Verbrandingsmotor uit". ( 8.1) ● Controleer de polariteit van de accuaansluitingen en sluit de kabel eventueel juist aan. ( 15.19) ● Herhaal de zelfdiagnose. Als de ononderbroken pieptoon ook na de correcte aansluiting van de accu actief blijft, is er sprake van een elektronicadefect. Neem contact op met uw vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan. Drie opeenvolgende pieptonen wijzen op een elektrisch defect (kortsluiting) of defect aan de zitcontactschakelaar. De verbrandingsmotor kan niet worden gestart. RT 6112 ZL, RT 6127 ZL: Op het display knipperen de betreffende pictogrammen en verschijnt de tekst ERROR (FOUT). ● Draai de contactsleutel in de stand "Verbrandingsmotor uit". ( 8.1) ● Laat de vakhandelaar een gedetailleerde diagnose uitvoeren. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.

9.2 Defect aan de zitmaaier tijdens

bedrijf De elektronica houdt toezicht op een veilige toestand tijdens het werken. Bij een elektrisch defect (kortsluiting, losse stekker, kabelbreuk) worden drie opeenvolgende pieptonen geactiveerd. De verbrandingsmotor valt stil – bij de modellen RT 6112 ZL en RT 6127 ZL knippert het betreffende pictogram en verschijnt de tekst "ERROR" (FOUT) op het display. Werkwijze: ● Draai de contactsleutel in de stand "Verbrandingsmotor uit". ( 8.1) ● Activeer de zelfdiagnose. ( 9.1)

9.3 Storing in de elektronica

In zeldzame gevallen kan er tijdens het gebruik een storing in de elektronica zelf optreden. Een ononderbroken pieptoon wordt geactiveerd en de verbrandingsmotor valt stil. Werkwijze: ● Draai de contactsleutel in de stand "Verbrandingsmotor uit". ( 8.1) ● Activeer de zelfdiagnose. ( 9.1) ● Start de verbrandingsmotor opnieuw. ( 13.2) Op het display verschijnen storingsmeldingen, bedrijfsgegevens en actieve functies. De elektronica van de modellen RT 6112 ZL en RT 6127 ZL stuurt ook het display. Bij deze modellen wordt dus op het display aanvullende informatie getoond. Als het defect niet kan worden verholpen, is een gedetailleerde diagnose vereist. Neem contact op met uw vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan. Als het defect niet kan worden verholpen, is een gedetailleerde diagnose vereist. Neem contact op met uw vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan.

Het segmentdisplay met 5 posities geeft informatie over het aantal uren gebruikstijd en de accuspanning. Het signaleert storingen, aangevuld met de melding ERROR. Tijdens het bedrijf kunnen het aantal bedrijfsuren en de accuspanning afgelezen worden door de toets "Mode" in te drukken. ( 10.3) Gebruikstijd: Aanduiding van het aantal uren gebruikstijd van de verbrandingsmotor in volle uren (b. v. 281 u). De bedrijfsurenteller kan niet worden teruggezet. Op basis van de teller wordt het juiste tijdstip vastgesteld voor onderhoud- en servicewerkzaamheden zoals deze in het onderhoudschema zijn gespecificeerd. ( 15.1) Accuspanning: Weergave van de huidige spanning van de accu in volt (b.v. 12,0 V).

Het indrukken van de toets Set gedurende de weergave van de gebruikstijd of accuspanning zorgt voor een permanente weergave ervan. Door de contactsleutel in de positie "verbrandingsmotor uit" te draaien schakelt u het display terug op de voorinstelling (melding van gebruikstijd of accuspanning verschijnt gedurende 5 seconden).

Door het indrukken van de toets Mode schakelt het display tussen volgende meldingen: 1 Gebruikstijd [u] 2 Accuspanning [V] 3 Geen melding Gebruikstijd en accuspanning worden elk gedurende 5 seconden opgelicht. Voor een permanente aanduiding de toets Set bedienen. ( 10.2)

10.4 Melding van storingen

Symbool Motoroliedruk te laag: De voor een correcte werking van de verbrandingsmotor nodige oliedruk is te laag. De verbrandingsmotor komt binnen de 3 seconden tot stilstand. ● Motor niet nogmaals proberen te starten. ● Visuele inspectie op lekken van olie uit de verbrandingsmotor. De constructie van het display is bestand tegen beschadigingen (b.v. door water). Het kan bij temperatuurschommelingen en bij een hoge luchtvochtigheid beslaan. Binnengedrongen vocht verdwijnt na de inbedrijfstelling van de zitmaaier als gevolg van de warmte van de verbrandingsmotor binnen enkele minuten. 1 Segmentdisplay met 5 posities ( 10.1) 2 Drukknop Set ( 10.2) 3 Drukknop Mode ( 10.3) Storingen ( 10.4) 4 Motoroliedruk te laag (RT 6127 ZL) 5 Accustoring Bedrijfsinformatie ( 10.5) 6 Achteruit maaien 7 Bestuurdersstoel niet bezet 8 Geopende of ontbrekende grasopvangbox 9 Brandstofreserve 10 Grasopvangbox vol 11 Handrem aangetrokken. 12 Uitwerpkanaal verwijderd Actieve functies ( 10.6) 13 Cruise control actief 14 Maaiwerk actief Bedrijfsinformatie ( 10.5) Voorkom schade aan het apparaat! De oliedrukwaarschuwing is geen informatie over het oliepeil. Controleer daarom het oliepeil daarom regelmatig.0478 192 9913 D - NL

● Oliepijl controlerenen en motorolie bijvullen indien nodig. Symbool Accustoring: Er is een te lage accuspanning. De accu is defect of wordt opgeladen. Op het display verschijnt bijkomend de huidige spanning in volt (b.v. 10,5 V). De verbrandingsmotor kan niet worden stilgelegd of kan niet gestart worden. ● Motor niet nogmaals proberen te starten. ● Controleer de accuspanning op het display. ● Zekeringen controleren en eventueel vervangen. ( 15.20) ● Visuele inspectie op uitstromende vloeistoffen bij de accu. ● Controleren of de accuaansluitingen niet gecorrodeerd zijn en goed vastzitten. ● Accu laden. ( 15.21) ● Defecte accu vervangen. ( 15.19)

10.5 Weergave van bedrijfsinformatie

Symbool Achteruit maaien: Het symbool wordt permanent opgelicht wanneer achteruit maaien vrijgegeven is. Het symbool knippert wanneer de veiligheidsschakelaar Achteruit maaien bediend wordt of wanneer een vrijgave voor het achteruit maaien nodig is. ( 8.8) De melding verdwijnt: – wanneer achteruit maaien beëindigd wordt. Omschakelen van knipperen of permanent: – wanneer achteruit maaien vrijgegeven is. – wanneer het maaiwerk binnen het tijdsvenster handmatig ontkoppeld wordt. – wanneer het maaiwerk bij een ontbrekende vrijgave voor het achteruit maaien automatisch wordt ontkoppeld. Symbool Bestuurdersstoel niet bezet: De bestuurdersstoel is niet bezet. De stoelcontactschakelaar is een van de veiligheidsvoorzieningen ( 12.) van de zitmaaier. Verschijnt het symbool "Bestuurdersstoel niet bezet" op het display, dan kan de verbrandingsmotor zonder aangetrokken handrem niet worden gestart en het maaiwerk niet worden ingeschakeld. De melding verdwijnt: – wanneer de gebruiker op de bestuurdersstoel zit. Symbool Geopende of ontbrekende grasopvangbox: De grasopvangbox is geopend of de grasopvangbox of deflector (accessoire) zijn niet gemonteerd of niet correct vastgeklikt. Bij het ledigen van de grasopvangbox wordt het symbool eveneens weergegeven. ( 13.9) Als de grasopvangbox bij ingeschakeld maaiwerk wordt omhoog geklapt (b. v. om te ledigen), valt de verbrandingsmotor om veiligheidsredenen stil. De melding verdwijnt, – wanneer de grasopvangbox gesloten wordt. ( 13.9) – wanneer de grasopvangbox of deflector (accessoire) correct zijn gemonteerd. ( 13.10) Symbool Brandstofreserve: De brandstof is tot op de reserve opgebruikt, er is nog ongeveer 2 liter brandstof in de tank. ( 13.1) De melding verdwijnt, – wanneer brandstof wordt bijgetankt. Symbool Grasopvangbox vol: De grasopvangbox is gevuld, een continue toon wordt geactiveerd. ( 8.19) De continue toon wordt na het ontkoppelen van het maaiwerk gedeactiveerd. ( 13.8) De melding verdwijnt: – wanneer de grasopvangbox geledigd wordt. Symbool Handrem aangetrokken: De handrem is aangetrokken. ( 8.14) Als symbolen niet weergegeven worden zoals verwacht, of niet verdwijnen zoals is beschreven, dan is de mogelijke oorzaak een defect aan de schakelaar, de aansluitcontacten of aan de kabels. Neem contact op met uw vakhandelaar. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.179 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL De melding verdwijnt, – wanneer de handrem gelost wordt. Symbool Uitwerpkanaal verwijderd: Het uitwerpkanaal is gedemonteerd. ( 15.5) De verbrandingsmotor kan uit veiligheidsoverwegingen niet worden gestart. De melding verdwijnt: – wanneer het uitwerpkanaal correct gemonteerd is. ( 15.6)

10.6 Melding van actieve functies

Symbool Cruise control actief: De cruise control is geactiveerd. ( 8.7) De melding verdwijnt wanneer de cruise control wordt uitgeschakeld. Symbool Maaiwerk actief: Het maaiwerk is ingeschakeld. ( 8.6) De melding verdwijnt, wanneer het maaiwerk wordt ontkoppeld. Een fraai en vol gazon ontstaat – door te maaien met een hoog toerental (gashendel in de positie MAX) en een lage rijsnelheid. – door het gazon vaak te maaien en kort te houden. – wanneer bij warm en droog weer het gazon niet te kort gemaaid wordt, omdat het anders verbrandt door de zon en lelijk wordt. – met scherpe maaimessen. Daarom de maaimessen regelmatig slijpen of vervangen. – door in tegengestelde richtingen te maaien. Maaien van lang gras Bij zeer lang gras is het beter om het gazon twee keer te maaien: – de eerste keer maaien met een hoge snijstand, maximale motortoerental en een lage rijsnelheid; – de tweede keer de gewenste snijstand kiezen en het maximale motortoerental instellen. Pas de rijsnelheid aan de staat van het gazon aan. Voorkomen van verstoppingen in het uitwerpkanaal Als het uitwerpkanaal met gras verstopt raakt, verlaagt u de rijsnelheid. Deze kan te hoog zijn voor de kwaliteit van het gazon. Bovendien de schuif van de inhoudindicator helemaal uittrekken. ( 8.19) Als het probleem aanhoudt, zijn beschadigde of versleten vleugels van de maaimessen waarschijnlijk de oorzaak. Maaimes vervangen. ( 15.13) Als symbolen niet weergegeven worden zoals verwacht, of niet verdwijnen zoals is beschreven, dan is de mogelijke oorzaak een defect aan de schakelaar, de aansluitcontacten of aan de kabels. Neem contact op met uw vakhandelaar. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.

11. Aanwijzingen voor

werken Waarschuwing! Kans op letsel! Neem vóór elke ingebruikname alle informatie door voor het veilig werken met de machine. Werk op hellingen altijd bijzonder opmerkzaam en voorzichtig. Aanwijzing Controleer voor het maaien of het maaiwerk goed is ingebouwd. Kies bij de eerste ingebruikname van uw apparaat een vlakke, effen ondergrond en maai als proef rechte en iets overlappende stroken. Gras moet altijd in droge staat worden gemaaid. Waarschuwing – Brandgevaar! Overbelasting van aandrijving maaiwerk vermijden. Door overbelasting kan de V-riem voortdurend gaan slippen waardoor uiteindelijk brandgevaar als gevolg van oververhitting ontstaat. Vreemde geluiden, bijv. een knarsende V-riem (schurend geluid), zijn tekenen van overbelasting. Daarom in hoog gras nooit met een verstopt uitwerpkanaal of een gevulde grasopvangbox maaien; indien nodig een mulchkit (speciale accessoire) gebruiken. Het maaiwerk moet vooral bij de V- riem steeds worden ontdaan van ontvlambaar materiaal (gras, bladeren, enz.) en regelmatig worden schoongemaakt, om brandgevaar te voorkomen.0478 192 9913 D - NL

Maaiwerk, uitwerpkanaal en maaimes na elk gebruik reinigen, zodat er geen grasresten aankoeken. ( 15.2) Bemesten Bij het maaien worden er permanent voedingsstoffen aan de bodem onttrokken. Deze kunnen door middel van een hoogwaardige gazonmest weer worden aangevuld. In de regel volstaan drie bemestingssessies per maaiseizoen. Hierbij moet het gazon droog zijn om te voorkomen dat de mest aan de grassprieten blijft kleven, waardoor deze verbranden. Besproei het gazon achteraf met water om de mest in elk geval van de sprieten te spoelen. (Volg de verwerkingsinstructies van de fabrikant op.) Met grasafval is een natuurlijke bemesting mogelijk. Hiervoor gebruikt u een mulchkit. De mulchkit is als speciaal accessoire verkrijgbaar en wordt niet standaard meegeleverd. (Voor nadere informatie verwijzen wij u naar uw STIHL vakhandelaar.) Bodemontziend werken De belangrijkste factoren voor bodemontziend werken zijn de gehanteerde techniek en de vochtigheid van de bodem. Voor een goed maairesultaat moet de rijsnelheid worden aangepast aan de staat van het te maaien gras (lengte en volheid) en de vochtigheidsgraad van het gazon. Bij te kort genomen bochten neemt de belasting op de grasnerf toe. Dit levert met name bij een nat gazon slechte maairesultaten op, omdat de wielen in het zachte gazon wegzakken. Voor een veilige bediening en ter voorkoming van onjuist gebruik is het apparaat van verschillende veiligheidsvoorzieningen voorzien. Voor het starten van de verbrandingsmotor moet in elk geval: – het uitwerpkanaal correct gemonteerd zijn, – het rempedaal ingeduwd of de handrem aangetrokken zijn. De verbrandingsmotor zal worden uitgeschakeld als de gebruiker: – de bestuurdersstoel verlaat terwijl het maaiwerk is ingeschakeld, – bij ingekoppeld maaiwerk de grasopvangbox kantelt of optilt of de deflector (speciale accessoire) weghaalt, – bij uitgekoppeld maaiwerk het uitwerpkanaal demonteert, – de bestuurdersstoel verlaat terwijl de handrem niet is aangetrokken. Geïntegreerde messen-uitlooprem: RT 5097, RT 5097 Z, RT 5112 Z, RT 6112 ZL: Na het uitschakelen komen de maaimessen pas na 5 seconden tot stilstand. RT 6127 ZL: Na het uitschakelen komen de maaimessen pas na 7 seconden tot stilstand. Meet ter controle van de geïntegreerde messen-uitlooprem met een stopwatch de duur van het windgeruis na het uitschakelen. RT 5097, RT 5097 Z, RT 5112 Z, RT 6112 ZL: Als dit langer duurt dan 5 seconden: neem contact op met een STIHL vakhandelaar. RT 6127 ZL: Als dit langer duurt dan 7 seconden: neem contact op met een STIHL vakhandelaar. ● Maak uzelf voor ingebruiksname vertrouwd met de bedieningselementen van het apparaat. ( 8.)

12. Veiligheidsvoorzieningen

Kans op letsel! Bij een eventueel defect aan een van de veiligheidsvoorzieningen mag het apparaat niet in bedrijf worden genomen. Neem contact op met een vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan. Na het inschakelen van het maaiwerk draaien de maaimessen en is er een windgeruis te horen. De nalooptijd duurt even lang als het windgeruis na het uitschakelen. Dit kan met een stopwatch worden gemeten.

13. Apparaat in gebruik

nemen Kans op letsel! Lees vóór het in bedrijf stellen het volledige hoofdstuk ¨Voor uw veiligheid¨ zorgvuldig door en volg de instructies op. ( 4.) Om veiligheidsredenen mag het apparaat niet op hellingen steiler dan 10° (17,6 %) worden gebruikt. 17,6 % helling betekent een verticale stijging van 17,6 cm bij 100 cm horizontale lengte.181 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL ● Neem vóór de ingebruikname het onderhoudsschema door en voer al de noodzakelijk onderhoudswerkzaamheden uit. ( 15.1) ● Controleer vóór elk gebruik de veiligheidsvoorzieningen. ( 12.) De zitmaaier mag niet in bedrijf worden genomen als er veiligheidsinrichtingen ontbreken, beschadigd, overbrugd of gewijzigd zijn.

13.1 Brandstof bijtanken

Maximale tankinhoud: 9liter Advies: Verse merkbrandstoffen, gegevens over de brandstofkwaliteit (octaangetal) vindt u in de gebruiksaanwijzing van de verbrandingsmotor. – Loodvrije benzine. Vulprocedure: ● Schakel de verbrandingsmotor voor het bijtanken uit en laat deze afkoelen (handwarm). ( 13.3) ● Handrem aantrekken. ( 8.14) Brandstof langzaam en voorzichtig vullen. Om overlopen te vermijden zal het vullen in meerdere stappen opgedeeld worden. Tussen de verschillende stappen de vultrechter wegnemen en visueel de inhoud van de tank controleren. Hoe meer brandstof reeds werd gevuld, des te kleiner moeten de hoeveelheden per stap worden. Vul de brandstoftank nooit tot boven de onderkant van de vulplug, zodat de brandstof ruimte heeft om uit te zetten. Tankdop: Tankdop (1) losdraaien (let op de pijlrichting) en wegnemen. ● De brandstof met behulp van een gepaste vultrechter (niet meegeleverd) bijvullen (zie vulprocedure). Tankdop (1) bevestigen en indraaien (let op de pijlrichting). Vervolgens de tankdop (1) handvast vastdraaien. ● Veeg gemorste brandstof droog en laat deze even verdampen, voordat de verbrandingsmotor wordt gestart.

13.2 Verbrandingsmotor starten

Vóór het starten: ● Motoroliepeil controleren. ( 15.8) ● Grasresten uit het maaiwerk en de motorruimte verwijderen. ● Controleer brandstof en tank indien nodig bij. ( 13.1) ● Controleer vóór elke ingebruikname of de rem goed werkt. ( 13.5) ● Alle persoonlijke instellingen (verstelling bestuurdersstoel) op het apparaat doorvoeren – niet bij draaiende verbrandingsmotor! ● Start het apparaat niet als er personen, in het bijzonder kinderen, of dieren in de buurt zijn. Startvolgorde: ● Open de brandstofkraan. ( 15.7) ● Ga op de bestuurdersstoel zitten. Om morsen van brandstof te voorkomen, gebruik voor het vullen van de brandstof een geschikte trechter (wordt niet meegeleverd) gebruiken. Voorkom schade aan het apparaat! Start de verbrandingsmotor niet onmiddellijk, maak dan een pauze tussen de startpogingen. Contactsleutel nooit langer dan 10 seconden in de positie "Verbrandingsmotor starten" zetten. De verbrandingsmotor start alleen maar wanneer het uitwerpkanaal correct gemonteerd is. ( 15.6)0478 192 9913 D - NL

● Trap het rempedaal vóór het starten tot aan de aanslag in en houd het ingetrapt of trek de handrem aan. ( 8.13), ( 8.14) ● Steek de contactsleutel in het contactslot en draai deze in de stand "Contact aan". ( 8.1) ● Koude verbrandingsmotor: RT 5097: zet de gashendel in de chokestand. ( 8.2) RT 5097 Z, RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL: zet de gashendel in de MAX-stand en trek aan de chokeknop. ( 8.3), ( 8.4) Warme verbrandingsmotor: zet de gashendel in de MAX-stand. ( 8.2), ( 8.3) ● Draai de contactsleutel in de stand "Verbrandingsmotor starten". De verbrandingsmotor start. Laat zodra de verbrandingsmotor draait, de contactsleutel los. Deze springt vanzelf terug in de stand "Verbrandingsmotor draait". ● RT 5097: zet de gashendel bij draaiende verbrandingsmotor in de MAX-stand terug. Let op de klikstand! ( 8.2) RT 5097 Z, RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL: Druk de chokeknop in. ( 8.4) ● Bij draaiende verbrandingsmotor kan de voet van het rempedaal worden genomen of de handrem worden losgezet.

13.3 Verbrandingsmotor uitschakelen

● Rem het apparaat af totdat het stil staat. ● Maaiwerk uitschakelen. ( 8.5), ( 8.6) ● Gashendel in de MIN-stand zetten. ( 8.2), ( 8.3) ● Contactsleutel in de positie "verbrandingsmotor uit" draaien. De verbrandingsmotor schakelt uit, ● Handrem aantrekken. ( 8.14) ● Eventueel de brandstofkraan sluiten. ( 15.7) ● De contactsleutel eruit trekken en veilig bewaren.

Vóór het rijden: ● Schakel de hendel van de transmissievrijloop in. ( 8.18) ● RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL: Druk bij gedemonteerd maaiwerk de hendel van de V-riemspanner naar voren en zet deze vast. ( 14.1) ● Start de verbrandingsmotor. ( 13.2) Vooruit rijden: ● Kies de rijrichting vooruit: ( 8.9) ● Zet de handrem los, als deze is aangetrokken. ( 8.14) ● Bedien het aandrijfpedaal, het apparaat zet zich vooruit in beweging. ( 8.12) Achteruit rijden: ● Kies de rijrichting achteruit: ( 8.9) ● Zet de handrem los, als deze is aangetrokken. ( 8.14) ● Bedien het aandrijfpedaal, het apparaat zet zich achteruit in beweging. ( 8.12) Vooruit rijden met cruise control (RT 6112 ZL, RT 6127 ZL): ● Druk bij gedemonteerd maaiwerk de hendel van de V-riemspanner naar voren en zet deze vast. ( 14.1) ● Start de verbrandingsmotor. ( 13.2) ● Zet de gashendel in de MAX-stand. ( 8.3) ● Zet de keuzehendel rijrichting in de voorste positie (rijrichting vooruit). ( 8.9) ● Zet de handrem los, indien aangetrokken. ( 8.14) ● Door het intrappen van het aandrijfpedaal wordt de rijsnelheid geregeld en zet het apparaat zich vooruit in beweging. ● Cruise control activeren: Houd de gewenste rijsnelheid aan en druk de toets Cruise control 1 seconde in. ( 8.7) De cruise control is geactiveerd als op het display het symbool "Cruise control actief" verschijnt en het aandrijfpedaal Waarschuwing! Kies op ongebaande paden altijd een lagere rijsnelheid. Elke keer dat u van rijrichting verandert, met name op hellingen, moet de rijsnelheid overeenkomstig verlaagd worden. Voorkom schade aan het apparaat! Rijd altijd met het maximale toerental van de verbrandingsmotor om een ideale koppeling van de transmissie te garanderen. Regel de rijsnelheid dus alleen met het aandrijfpedaal en niet met de gashendel.183 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL vastgezet is. Na het activeren van de cruise control kan de ingestelde rijsnelheid worden verhoogd door het aandrijfpedaal in te trappen. ● De voet kan van het aandrijfpedaal worden gehaald. ● Cruise control deactiveren: Bedien het rempedaal of druk de toets Cruise control in. ( 8.7) De cruise control is gedeactiveerd wanneer op het display het symbool "Cruise control actief" verdwijnt.

● Rijsnelheid door lossen van het aandrijfpedaal verminderen, abrupt remmen bij volle rijsnelheid vermijden. ( 8.12) ● Rempedaal gelijkmatig induwen totdat het apparaat tot stilstand komt. ( 8.13)

13.6 Snijhoogte instellen

Voor het maaien: ● Hoofdstuk "Opmerkingen bij het werken" lezen en opvolgen. ( 11.) ● Tijdens het maaien altijd het maximale motortoerental instellen. Het maaimes is voor dit toerental geoptimaliseerd, hierdoor krijgt men het beste maairesultaat en de beste aanzuigende werking voor het verzamelen van het maaigoed. Het maaiwerk in de volgende volgorde koppelen: ● Verbrandingsmotor starten. ( 13.2) ● Gashendel in de MAX-positie zetten. ( 8.2), ( 8.3) ● Zitmaaier op het te maaien gazon rijden. Schakel het maaiwerk niet in hoog gras of in de laagste snijstand in. Maaiwerk allen koppelen wanneer het apparaat al op het te bewerken gazon staat. ● Vooruit maaien: Rijrichting vooruit ( 8.9) kiezen, aansluitend het maaiwerk door drukken van de schakelaar maaiwerk of de toets maaiwerk koppelen. ( 8.5), ( 8.6) Achteruit maaien: Rijrichting achteruit ( 8.9) kiezen, en veiligheidsschakelaar achteruit maaien ( 8.8) aansluitend het maaiwerk door drukken van de schakelaar maaiwerk of de toets maaiwerk binnen de 6 seconden koppelen. ( 8.5), ( 8.6) Tijdens het maaien: ● Gashendel in de MAX-positie zetten. ( 8.2), ( 8.3) ● De rijsnelheid altijd aan de grashoogte of de snijstand aanpassen. Kies bij hoog gras of de laagste snijstand een lage rijsnelheid. Rijrichting wisselen bij gekoppeld maaiwerk: ● Voor het achteruit maaien de veilgheidsschakelaar achteruit maaien binnen een vastgelegd tijdsvenster (5 seconden voor of 1 seconde na het omschakelen) een keer indrukken. ( 8.8) ● Apparaat op het gazonvlak tot stilstand brengen en de gewenste rijrichting met de hendel keuze rijrichting instellen. ( 8.9) ● maaien verderzetten. Kans op letsel! Stel de snijhoogte alleen in als de zitmaaier stilstaat. Stand 1 laagste snijhoogte Stand 8 hoogste snijhoogte RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL: STIHL beveelt aan om beide drukwielen op de laagste stand te plaatsen. Door de lagere positie vergroten de drukwielen de afstand tussen het maaiwerk en de bodem en zorgen deze zo voor een optimale luchttoevoer. Dit zorgt voor een mooier maairesultaat en een betere opvangcapaciteit. Wordt het maaiwerk tijdens het rijden ingeschakeld, dan wordt het toerental van de verbrandingsmotor door de extra belasting (aanloop maaimessen) bij het starten van de maaimessen gedurende korte tijd lager. Een continue toon wijst op een gevulde grasopvangbox. ( 13.9)0478 192 9913 D - NL

Het maaiwerk in de volgende volgorde uitschakelen: ● Rijd naar een reeds gemaaid gazon of selecteer hoogste snijstand van het maaiwerk. ( 8.15) ● Door op de maaiwerkschakelaar te drukken of de toets maaiwerk, het maaiwerk uitschakelen. ( 8.5), ( 8.6)

13.8 Programmeren van het

automatisch ontkoppelen van het maaiwerk De elektromagnetische messenkoppeling kan zodanig worden geprogrammeerd dat het maaiwerk bij een volle grasopvangbox automatisch wordt ontkoppeld. Dit verhoogt het gebruiksgemak, aangezien het verstoppen van het uitwerpkanaal kan worden voorkomen. ● Schakel de verbrandingsmotor uit. ( 13.3) ● Draai de contactsleutel in de positie "Contact aan". ( 8.1) ● Wacht de zelfdiagnose van de elektronica af – druk geen toetsen in. Automatisch ontkoppelen activeren: ● Bedien de veiligheidsschakelaar achteruitrijden en het aandrijfpedaal tegelijkertijd gedurende 5 seconden. Een korte pieptoon wijst erop dat de automaat ingeschakeld is. ● De huidige instelling wordt permanent opgeslagen. Automatisch ontkoppelen deactiveren: ● Zet de keuzehendel rijrichting op vooruit. ● Bedien de veiligheidsschakelaar achteruitrijden en het aandrijfpedaal tegelijkertijd gedurende 5 seconden. 3 korte opeenvolgende pieptonen wijzen erop dat de automaat uitgeschakeld is. ● De huidige instelling wordt permanent opgeslagen. Automatische ontkoppelen met de Mode-toets programmeren (alleen bij RT 6112 ZL, RT 6127 ZL): ● Zet de keuzehendel rijrichting op vooruit. ● Houd de toets Maaiwerk ingedrukt en druk tegelijkertijd de toets Mode in – het automatisch ontkoppelen wordt met de toets Mode in- of uitgeschakeld (displaymelding ON of OFF). ● De huidige instelling wordt permanent opgeslagen. Programmeren testen (alleen bij RT 6112 ZL, RT 6127 ZL): ● Druk de toets Maaiwerk in en houd deze ingedrukt. Op het display verschijnt het symbool Maaiwerk actief en de tekst ON of OFF. ON – bij een volle grasopvangbox wordt het maaiwerk automatisch ontkoppeld. OFF – bij een volle grasopvangbox wordt het maaiwerk niet automatisch ontkoppeld.

13.9 Grasopvangbox ledigen

Als de grasopvangbox niet helemaal volloopt, let dan op volgende punten: ● Inhoudsindicator (grasopvangbox) juist instellen. ( 8.19) ● Bij het ledigen van de grasopvangbox het uitwerpkanaal op verstoppingen controleren en indien nodig reinigen. ● Vleugels van de maaimessen op beschadiging of slijtage controleren en indien nodig vervangen. ( 15.13) Grasopvangbox ledigen: ● Maaiwerk uitschakelen. ( 8.5), ( 8.6) De ononderbroken toon klinkt niet meer. ● Hoogste snijstand kiezen. ( 8.15) ● Het apparaat verplaatsen naar de plek waar het maaigoed wordt geledigd. Kans op letsel! Houd na het uitschakelen van het maaiwerk rekening met de uitloop. Het duurt even (tot. 7 seconden) voordat het maaimes tot stilstand komt. ( 12.) Kans op letsel! De grasopvangbox mag uitsluitend op een vlakke ondergrond worden geledigd, omdat het zwaartepunt door het omhoog zwenken van de grasopvangbox verandert en zo de kans op kantelen toeneemt. Een ononderbroken geluidssignaal tijdens het maaien geeft aan dat de grasopvangbox helemaal vol is en geleegd moet worden. Na het uitschakelen van het maaiwerk verdwijnt het geluidssignaal. Bij de modellen RT 6112 ZL en RT 6127 ZL wordt bij een volle grasopvangbox op het display het pictogram "Grasopvangbox vol" weergegeven. ( 10.5)185 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL ● Hendel voor het ledigen van de grasopvangbox uittrekken en naar voren drukken. ( 8.16) De grasopvangbox zwenkt naar boven en het maaigoed valt uit de grasopvangbox. ● Indien nodig bij naar boven gekantelde grasopvangbox iets naar voor rijden. ● De grasopvangbox kort omhoog en omlaag zwenken, opdat het maaigoed volledig uit de grasopvangbox valt. ● De hendel voor het ledigen van de grasopvangbox langzaam naar achter laten komen en de grasopvangbox weer op de achterkant vastklikken. ● De hendel voor het ledigen van de grasopvangbox weer loslaten en omlaag drukken tot deze weer in de ingetrokken uitgangsstand is.

13.10 Grasopvangbox wegnemen en

vasthaken Neem vóór het wegnemen de volgende punten in acht: ● Maaiwerk uitschakelen. ( 8.5), ( 8.6) ● Grasopvangbox ledigen. ( 13.9) ● Handrem aantrekken. ( 8.14) ● Verbrandingsmotor uitschakelen. ( 13.3) Grasopvangbox wegnemen: Trek de beugel ontgrendeling grasopvangbox (1) naar boven en houd deze vast. Grasopvangbox (1) wegnemen. Grasopvangbox vasthaken: Grasopvangbox (1) aan beide haken (2) aan de achterwand bevestigen. ● Ontgrendelhendel grasopvangbox indrukken en vasthouden. ( 8.17) Bij het wegnemen en vasthaken van de grasopvangbox moet de beugel voor het ontgrendelen van de grasopvangbox altijd in de ontgrendelde stand worden gehouden totdat de grasopvangbox volledig is verwijderd of vastgehaakt.0478 192 9913 D - NL

Grasopvangbox (1) tot aan de aanslag naar boven klappen. ● Ontgrendelhendel grasopvangbox loslaten en erop letten of de grasopvangbox vastklikt. ( 8.17)

13.11 Trekken van lasten

● Controleer vóór het vasthaken van lasten of de rem goed functioneert. ( 13.5) Maximaal gewicht aanhanger op vlakke ondergrond = 250 kg Maximaal gewicht aanhanger bij een maximale stijging van 10° = 100 kg Maximale kogeldruk = 40 kg Maximale treklast = 40 kg

13.12 Gebruik op hellingen

● Controleer vóór elk gebruik op een helling of de rem goed werkt. ( 13.5) ● Op hellingen altijd in de lengterichting rijden. Bij het dwars rijden is er meer kans op kantelen – let op de maximum helling. ( 4.7) ● Op hellingen vermijden om van richting te veranderen, als dat toch noodzakelijk blijkt te zijn moet u hierbij uiterst voorzichtig te werk gaan.

14.1 Maaiwerk demonteren

● Plaats het apparaat op een vlakke en stevige ondergrond. Als het apparaat zonder grasopvangbox of deflector (accessoire) wordt gebruikt, kan het maaiwerk niet worden ingeschakeld. In dat geval wordt de verbrandingsmotor automatisch uitgeschakeld. Kans op letsel! Bij het transport van lasten veranderen de rijeigenschappen van het apparaat (zoals een langere remweg). Hoe zwaarder de last, des te sterker de rijeigenschappen veranderen! Kies bij trekken van lasten altijd een lage rijsnelheid. Voorkom schade aan het apparaat! Op hellingen wordt de maximale treklast minder. Een treklast van 40 kg aan de trekhaak wordt op een vlakke ondergrond bereikt bij het trekken van een aanhanger met een gewicht van 250 kg.

Kans op letsel! Lees voorafgaand aan alle werkzaamheden aan het maaiwerk het hoofdstuk "Voor uw veiligheid" zorgvuldig door en volg de instructies op. ( 4.) Bij het demonteren ontstaat door het eigen gewicht van het maaiwerk gevaar op klemmen. Let er daarom op dat er zich geen lichaamsdelen (hand, vingers, voet, enz.) direct onder het maaiwerk bevinden.187 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL ● Wielen voor tot aan de aanslag naar links of rechts draaien. ● Verbrandingsmotor uitschakelen. ( 13.3) ● Contactsleutel eruit trekken. ● Handrem aantrekken. ( 8.14) ● Laagste snijstand kiezen. ( 13.6) ● Grasopvangbox wegnemen. ( 13.10) ● Uitwerpkanaal demonteren. ( 15.5) Verwijder de afdekking V-riem: Schroef (1) achter het rechter voorwiel zover losdraaien dat deze vrij draait. Montageplaat (1) naar voor drukken en vasthouden. Afdekking voor V-riem (2) naar omlaag klappen. V-riem ontspannen (RT 5097, RT 5097 Z): Trek de spanveer (1) naar voren, haak deze los en leg hem neer. V-riem ontspannen (RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL): Neem de steun (1) uit de hendel van de V- riemspanner. Druk de hendel van de V-riemspanner (1) naar voren en houd deze vast. Haak de steun (2) zoals afgebeeld aan het frame vast. Let hierbij op, dat de hendel van de V-riemspanner in de voorste positie wordt vastgezet.0478 192 9913 D - NL

Maaiwerk achter loshaken: Trek de borgsplitpen (1) naar boven eruit. Til het maaiwerk licht op en houd het daar. Druk de ophanging (2) naar buiten en leid de bevestigingsbout (3) uit de ophanging. ● Herhaal de procedure aan de andere kant. ● Leg het maaiwerk langzaam en voorzichtig neer. V-riem loshaken: Druk de montageplaat (1) naar voren en houd deze vast. Trek de V-riem (2) naar voren en haak deze los. V-riem van de spanrol verwijderen (RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL): Druk de borgpen (1) circa 0,5 cm omhoog en draai deze 180°. Haak de V-riem (2) bij de spanrol (3) los. V-riem ontspannen (RT 5097, RT 5097 Z): Trek de spanveer (1) naar voren, haak deze los en leg hem neer. V-riem ontspannen (RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL): Kans op letsels! De hendel snijhoogteverstelling staat na het loshaken van het maaiwerk aan de achterzijde onder spanning. Zet daarom onmiddellijk na het losmaken de hendel voorzichtig in de hoogste snijstand. Draai na het loshaken van de V- riem de borgpen weer terug en druk deze tot aan de aanslag omlaag, totdat hij bij de afdekking vastklikt. Controleer na het vastklikken of de borgpen goed vastzit.189 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL Neem de steun (1) uit de hendel van de V- riemspanner. Druk de hendel van de V-riemspanner (1) naar voren en houd deze vast. Haak de steun (2) zoals afgebeeld aan het frame vast. Let hierbij op, dat de hendel van de V-riemspanner in de voorste positie wordt vastgezet. Maaiwerk achter loshaken: Trek de borgsplitpen (1) naar boven eruit. Til het maaiwerk licht op en houd het daar. Druk de ophanging (2) naar buiten en leid de bevestigingsbout (3) uit de ophanging. ● Herhaal de procedure aan de andere kant. ● Leg het maaiwerk langzaam en voorzichtig neer. V-riem loshaken: Druk de montageplaat (1) naar voren en houd deze vast. Trek de V-riem (2) naar voren en haak deze los. V-riem van de spanrol verwijderen (RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL): Druk de borgpen (1) circa 0,5 cm omhoog en houd deze vast. Haak de V-riem (2) bij de spanrol (3) los. Voorkant maaiwerk loshaken (RT 5097, RT 5097 Z): Kans op letsels! De hendel snijhoogteverstelling staat na het loshaken van het maaiwerk aan de achterzijde onder spanning. Zet daarom onmiddellijk na het losmaken de hendel voorzichtig in de hoogste snijstand. Druk na het loshaken van de V-riem de borgpen weer tot aan de aanslag omlaag, totdat deze bij de afdekking vastklikt. Controleer na het vastklikken of de borgpen goed vastzit.0478 192 9913 D - NL

Trek de borgsplitpen (1) uit. Til het maaiwerk iets op en maak het los van de maaiwerkophanging voor (2). Laat het maaiwerk voorzichtig los. ● Herhaal de procedure aan andere zijde. ● Leg het maaiwerk langzaam en voorzichtig neer. Voorkant maaiwerk loshaken (RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL): Schuif het maaiwerk (1) parallel naar voren en haak het aan de voorste maaiwerkophanging vooraan (2) los. De ophanging klapt vanzelf naar boven. ● Leg het maaiwerk langzaam en voorzichtig neer. Maaiwerk verwijderen: ● Hoogste snijstand instellen. Maaiwerk (1) facultatief naar links of rechts onder de zitmaaier uit trekken.

14.2 Maaiwerk monteren

● Plaats het apparaat op een vlakke en stevige ondergrond. ● Wielen voor tot aan de aanslag naar links of rechts draaien. ● Verbrandingsmotor uitschakelen. ( 13.3) ● Contactsleutel eruit trekken. ● Handrem aantrekken. ( 8.14) ● Hoogste snijstand kiezen. ( 13.6) ● Grasopvangbox wegnemen. ( 13.10) ● Uitwerpkanaal demonteren. ( 15.5) Maaiwerk inschuiven: ● De V-riem in de opening van de V- riemafdekking zo plaatsen dat hij toegankelijk is en kan worden ingehangen. Het maaiwerk (1) facultatief van links of rechts onder de zitmaaier schuiven. ● Laagste snijstand kiezen. Kans op letsel! Lees voorafgaand aan alle werkzaamheden aan het maaiwerk het hoofdstuk "Voor uw veiligheid" zorgvuldig door en volg de instructies op. ( 4.) Bij het monteren ontstaat door het eigen gewicht van het maaiwerk gevaar op klemmen. Let er daarom op dat er zich geen lichaamsdelen (hand, vingers, voet, enz.) direct onder het maaiwerk bevinden. Kans op letsel! In de laagste snijstand staat de hendel voor snijhoogteverstelling onder spanning. Tijdens de montage van het maaiwerk de hendel voor snijhoogteverstelling niet aanraken.191 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL Maaiwerk voor vasthaken (RT 5097, RT 5097 Z): Trek de maaiwerkophanging voor (1) naar beneden en houd deze daar. Til het maaiwerk met één hand licht op en steek daarbij de ophangbout aan het maaiwerk in de boring van de maaiwerkophanging voor (1). Steek de borgsplitpen (2) door de boring van de ophangingsbout. ● Herhaal de procedure aan andere zijde. Voorkant maaiwerk vasthaken (RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL): Klap de voorste maaiwerkophanging (1) naar beneden en haak deze zoals afgebeeld aan het maaiwerk (2) vast. Schuif het maaiwerk (2) naar achteren en bevestig hiermee de voorste maaiwerkophanging (1) aan het maaiwerk. V-riem aan de spanrol vasthaken RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL: Druk de afdekking (1) omlaag en houd deze vast. Schuif de borgpen (2) circa 0,5 cm omhoog. Haak de V-riem (3) aan de spanrol (4) vast. Druk de borgpen (1) tot aan de aanslag omlaag. De borgpen (1) moet op de afdekking (2) vastklikken. RT 5097, RT 5097 Z, RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL: Druk de montageplaat (1) naar voren en houd deze vast. Trek de V-riem (2) naar voren en til deze met de V-riemafdekking op. Haak de V-riem (2) goed (zonder verdraaien) in de V-riempoelie vast. Maaiwerk achter vasthaken: ● Til het maaiwerk met één hand op en houd het vast. De boringen van de ophanging en de bevestigingsbouten aan het maaiwerk moeten samenvallen. Controleer of de borgpen goed en stevig vastzit. Controleer vóór het vasthaken of het maaiwerk correct is vastgehaakt aan de voorste maaiwerkophanging.0478 192 9913 D - NL

Voer de bevestigingsbouten (1) in de boring van de ophanging (2). Steek de borgsplitpen (3) van boven in de boringen van de bevestigingsbouten en laat deze vastklikken. ● Herhaal de procedure aan de andere kant. V-riem spannen (RT 5097, RT 5097 Z): Trek de spanveer (1) naar voren en haak deze zoals afgebeeld aan het maaiwerk vast. V-riem spannen (RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL): Druk de hendel van de V-riemspanner (1) naar voren en houd deze vast. Haak de beugel (2) los. Span de V-riem door het ontlasten van de hendel van de V-riemspanner (1). Haak de beugel (2) zoals afgebeeld vast aan de hendel van de V-riemspanner (1). Afdekking V-riem monteren: Montageplaat (1) naar voor drukken en vasthouden. Afdekking voor V-riem (2) naar omhoog klappen. Montageplaat (1) naar achter brengen en aan beide lippen (3) van afdekking van de V- riemafdekking inhaken. Montageplaat met schroef (1) vastschroeven.193 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL ● Uitwerpkanaal monteren. ( 15.6) Algemene onderhoudsaanwijzingen: ● Houd het onderhoudsschema en de onderhoudsintervallen nauwkeurig aan. ● Volg de onderhouds- en reparatiewerkzaamheden van de verbrandingsmotor in de gebruiksaanwijzing op. Voor onderhouds-, reparatie- en reinigingswerkzaamheden: ● Plaats het apparaat op een vlakke en stevige ondergrond. ● Schakel de verbrandingsmotor uit. ( 13.3) ● Trek de handrem aan. ( 8.14) ● Laat de verbrandingsmotor en geluiddemper volledig afkoelen. Voor de volgende onderhouds- en reparatiewerkzaamheden verwijzen wij u naar de gebruiksaanwijzing voor de verbrandingsmotor: – Luchtfilter vervangen. – Gegevens van de motorolie (type, vulhoeveelheid olie enz.). – Bougie controleren en vervangen. – Brandstoffilter vervangen. – Reinigen van de verbrandingsmotor.

15.1 Onderhoudsschema

Alle gegevens in het onderhoudsschema moeten nauwkeurig worden opgevolgd. Bij niet-inachtneming van het onderhoudsschema kan aanzienlijke schade aan de machine worden veroorzaakt. Melding bedrijfsuren (RT 6112 ZL, RT 6127 ZL): Om de verschillende onderhoudsintervallen nauwkeurig te kunnen opvolgen, zijn de zitmaaiers RT 6112 ZL en RT 6127 ZL uitgerust met een bedrijfsurenteller. De gebruikstijd wordt in volle uren weergegeven. ● Draai bij uitgeschakelde verbrandingsmotor de contactsleutel in de positie "Contact aan". ( 8.1) Op het display wordt de gebruikstijd gedurende 5 seconden weergegeven. ( 10.1) ● Druk bij draaiende verbrandingsmotor de toets Mode in. ( 10.3) Op het display wordt de gebruikstijd gedurende 5 seconden weergegeven. Onderhoudswerkzaamheden vóór elk gebruik: Voor een krachtige en veilige werking en ter voorkoming van storingen is het van belang om van de staat van het apparaat op de hoogte te zijn.

Kans op letsel! Lees vóór alle onderhouds- en reparatiewerken eerst het hoofdstuk "Voor uw veiligheid", met name de paragraaf "Onderhoud en reparaties", zorgvuldig door en volg de instructies op. ( 4.) Trek de contactsleutel uit om een ongewild starten van de verbrandingsmotor te verhinderen. Werk uitsluitend met handschoenen. Raak het maaimes nooit aan zolang het niet stilstaat. Om veiligheidsredenen zijn onderhoudswerkzaamheden aan de rem verboden. Laat afstel- en onderhoudswerkzaamheden door een vakhandelaar uitvoeren. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan. Aanwijzing Bij een zware belasting, met name bij professioneel gebruik, kunnen kortere onderhoudsintervallen dan de hier vermelde noodzakelijk zijn. Tevens kunnen extreme omstandigheden zoals een zanderige of steenachtige bodem, stof enz. tot kortere onderhoudsintervallen leiden dan in de gebruiksaanwijzing worden aangegeven. Om de 100 bedrijfsuren of een keer per jaar moet er een inspectie door een dealer worden uitgevoerd. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.0478 192 9913 D - NL

Daarvoor zijn de volgende inspecties vóór elke start nodig (visuele inspectie): – Bandenspanning. ( 15.16) – Slijtage van en schade aan banden. – Lekkage van de brandstofleidingen. – Motoroliepeil (zie gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor). – Brandstofpeil. – Algemene visuele controle van het apparaat en het maaiwerk. Vooral de beschermkappen moeten op beschadigingen worden gecontroleerd. – Goede bevestiging van de schroefverbindingen. Onderhoudswerkzaamheden na elk gebruik: – Volledige apparaat (maaiwerk, uitwerpkanaal, grasopvangbox) en alle combi-apparaten reinigen. – Let op de gegevens voor het reinigen van de verbrandingsmotor (zie de gebruiksaanwijzing voor de verbrandingsmotor). – Reinig de transmissie door grasresten (afborstelen) of andere verontreinigingen van de transmissie te verwijderen. – Koelvinnen van de verbrandingsmotor en hydrostatische transmissie inspecteren en indien nodig reinigen. Onderhoudswerkzaamheden na de eerste 10 bedrijfsuren (eerste inbedrijfstelling): – Een inspectie door uw vakhandelaar wordt aanbevolen. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan. Onderhoudswerkzaamheden na elke 25 uren gebruikstijd: – Controleer de messenbevestiging en slijtagegrens van de maaimessen. – Controleer de inbouwpositie van de maaimessen (RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL). Onderhoudswerkzaamheden na elke 50 uren gebruikstijd: – Inbouwpositie van het maaiwerk controleren. ( 15.14) Onderhoudswerkzaamheden na elke 100 bedrijfsuren: – Vervangen van de maaimessen. – Onderhoud van V-riemen en tandriemen. – Een inspectie door een vakhandelaar. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.

15.2 Apparaat reinigen

● Schakel de verbrandingsmotor uit. ( 13.3) ● Trek de handrem aan. ( 8.14) ● Neem de sleutel uit het contactslot en bewaar deze op een veilige plek. ● Demonteer het maaiwerk. ( 14.1) ● Verwijder eerst de aangekoekte grasresten in de maaiwerkbehuizing met een houten staaf. ● Reinig de onderkant van het maaiwerk met een borstel en water. Bij de inspectie worden alle noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden aan het remsysteem en de transmissie uitgevoerd. Voorkom schade aan het apparaat! Richt waterstralen (hogedrukreinigers) nooit op motoronderdelen, pakkingen, elektrische onderdelen (accu, kabelboom enz.) en lagers. Dit kan leiden tot beschadigingen of dure reparaties. Gebruik geen agressieve reinigingsmiddelen. Dergelijke reinigingsmiddelen kunnen kunststoffen en metalen zodanig beschadigen dat de veiligheid van uw STIHL apparaat mogelijk in het geding komt. Als u vuil niet met water, met een borstel of met een doek kunt verwijderen, raadt STIHL aan een speciaal reinigingsmiddel te gebruiken (bijvoorbeeld STIHL speciale reiniger). Demonteer het maaiwerk altijd voor reinigings- en onderhoudswerkzaamheden.195 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL ● Let er bij het reinigen van de bovenzijde van het maaiwerk op dat er geen water op V-riemen en tandriemen terechtkomt, richt nooit waterstralen op de openingen van de afdekkingen. ● Reinig het uitwerpkanaal in gedemonteerde toestand los van het apparaat met stromend water en een borstel. ● Verwijder grasresten uit het maaiwerk (boven- en onderkant), de motorruimte en de transmissie. Reinig koelvinnen van de verbrandingsmotor en transmissie. ● Reinig de maaimessen met een borstel en water; klop voor het losmaken van vervuiling in geen geval op de maaimessen (bijvoorbeeld met een hamer). ● Neem de grasopvangbox weg en reinig deze apart van het apparaat met stromend water en een borstel. ( 13.10)

15.3 Open de motorkap

Motorkap (1) met één hand in de handgreep (2) nemen en met een lichte ruk naar boven openen. Motorkap (1) tot aan de aanslag naar voor klappen.

15.4 Motorkap sluiten

Motorkap (1) voorzichtig en langzaam dichtklappen en laten vastklikken.

15.5 Uitwerpkanaal demonteren

Het uitwerpkanaal kan voor het reinigen zonder extra gereedschap worden gedemonteerd. Het starten van de verbrandingsmotor is niet mogelijk als het uitwerpkanaal verwijderd is. Neem vóór het demonteren de volgende punten in acht: ● Schakel de verbrandingsmotor uit. ( 13.3) ● Neem de contactsleutel uit het contactslot en bewaar deze op een veilige plek. ● Trek de handrem aan. ( 8.14) ● Neem de grasopvangbox weg. ( 13.10) Draai de borgmoeren (1) uit en trek het uitwerpkanaal (2) uit. Kans op brandwonden! Motorkap alleen openen als de verbrandingsmotor volledig is afgekoeld. Bij de modellen RT 6112 ZL en RT 6127 ZL verschijnt op het display het pictogram "Uitwerpkanaal verwijderd", wanneer de contactsleutel in de positie "Licht aan" of "Contact aan" wordt gedraaid. ( 10.5)0478 192 9913 D - NL

Neem vóór het monteren de volgende punten in acht: ● Handrem aantrekken. ( 8.14) ● Grasopvangbox wegnemen. ( 13.10) ● Laagste snijstand kiezen. Uitwerpkanaal (1) tot aan de aanslag inschuiven. Bij het inschuiven erop letten dat het uitwerpkanaal aan alle kanten over de uitwerpopening van het maaiwerk wordt gestulpt. Borgmoeren (2) indraaien en aantrekken.

Door de brandstofkraan open en dicht te draaien, wordt de brandstofstroom in de brandstofleiding vrijgegeven of onderbroken. De brandstofkraan bevindt zich links onder de brandstoftank. ● Verbrandingsmotor uitschakelen. ( 13.3) ● Handrem aantrekken. ( 8.14) De brandstofkraan (1) wordt geopend of gesloten door aan de verstelventiel (2) te draaien.

15.8 Inhoud van de motorolie

controleren ● Plaats het apparaat op een vlakke ondergrond. ● Verbrandingsmotor uitschakelen. ( 13.3) ● Handrem aantrekken. ( 8.14) ● Verbrandingsmotor laten afkoelen. Bij elke reiniging of elke keer bij het monteren van het uitwerpkanaal ook de inhoudsindicator (grasopvangbox) inspecteren en indien nodig reinigen. Opgelet! Het uitwerpkanaal behoort tot de beschermkappen. Zitmaaiers met een beschadigd uitwerpkanaal niet in gebruik nemen. Bij montage van het uitwerpkanaal erop letten dat de contactschakelaar (3) bediend wordt.197 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL ● Open de motorkap. ( 15.3) ● Inhoud van de motorolie controleren volgens gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor – indien nodig motorolie bijvullen. ( 15.10)

15.9 Motorolie verversen

Voor informatie over voorgeschreven motorolie en vulhoeveelheid olie verwijzen wij u naar de gebruiksaanwijzing van de verbrandingsmotor. Motorolie verversen als de verbrandingsmotor handwarm is. Geschikte olieopvangbak (hou rekening met vulhoeveelheid olie) onder de olieaftapleiding zetten. Voer gebruikte olie af conform de wettelijke bepalingen. Verversingsintervallen voor olie: De aanbevolen intervallen voor het verversen van motorolie vindt u in de gebruiksaanwijzing voor de verbrandingsmotor. Motorolie aftappen: ● verbrandingsmotor uitschakelen. ( 13.3) ● Handrem aantrekken. ( 8.14) ● Contactsleutel eruit trekken en op een veilige plek bewaren. ● Verbrandingsmotor laten afkoelen (handwarm). ● Motorkap openen. ( 15.3) ● Oliedop eraf schroeven (zie gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor). De olieaftapleiding (1) bevindt zich aan de rechterkant van de verbrandingsmotor vlakbij de beide pedalen. ● Geschikte opvangbak voor olie eronder zetten. Olieaftapdop (1) met behulp van twee schroevendraaiers (SW19 / SW 15) eraf schroeven en afnemen. Keerring (2) afvoeren. ● Motorolie volledig aftappen. Daarna nieuwe keerring (2) op de olieaftapdop (1) steken. Olieaftapdop in de olieaftapleiding schroeven en met

12 - 14 Nm aandraaien.

15.10 Motorolie bijvullen

● Open de motorkap. ( 15.3) ● Inhoud van de motorolie controleren. ( 15.8) ● Motorolie volgens gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor vullen – een aangepaste trechter gebruiken. ● Motorkap sluiten. ( 15.4)

15.11 Veiligheidsvoorzieningen

controleren Kans op letsel! Vóór het bijvullen of verversen van de motorolie de verbrandingsmotor volledig laten afkoelen. Gevaar voor verbranding door hete motorolie! Voorkom schade aan het apparaat! Zorg ervoor dat de motorolie niet beneden of boven het juiste peil komt te staan. Kans op letsel! De veiligheidsvoorzieningen mogen uitsluitend vanuit de bestuurdersstoel worden gecontroleerd. Hierbij mogen geen personen (in het bijzonder kinderen) of dieren in de buurt zijn. Controleer ten minste eenmaal per maand of alle veiligheidsvoorzieningen goed werken. Controleer na een langere bedrijfspauze, bij weinig gebruikte apparaten of na reparaties vóór het opnieuw in gebruik nemen alle veiligheidsvoorzieningen.0478 192 9913 D - NL

Remcontactschakelaar controleren: ● Ga op de bestuurdersstoel zitten. ● Schakel de verbrandingsmotor uit en laat deze tot stilstand komen. ( 13.3) ● Handrem lossen en rempedaal niet intrappen. ● Contactsleutel in de positie "Verbrandingsmotor starten" draaien. ( 8.1) De verbrandingsmotor kan niet worden gestart met een geactiveerde remcontactschakelaar. Stoelcontactschakelaar controleren: ● Ga op de bestuurdersstoel zitten. ● Verbrandingsmotor starten ( 13.2) en op maximaal toerental laten draaien. ( 8.2), ( 8.3) ● Maaiwerk inschakelen. ( 8.5), ( 8.6) ● Bestuurdersstoel ontlasten door langzaam en voorzichtig op te staan. Niet afstappen! Bij een geactiveerde stoelcontactschakelaar wordt de verbrandingsmotor uitgeschakeld. Contactschakelaar grasopvangbox controleren: ● Ga op de bestuurdersstoel zitten. ● Verbrandingsmotor starten ( 13.2) en op maximaal toerental laten draaien. ( 8.2), ( 8.3) ● Maaiwerk inschakelen. ( 8.6), ( 8.6) ● Grasopvangbox vanuit de bestuurdersstoel omhoog klappen (ledigen) met behulp van de hendel voor het ledigen van de grasopvangbox. ( 13.9) Bij een geactiveerde contactschakelaar van de grasopvangbox worden de verbrandingsmotor en het maaiwerk uitgeschakeld! Contactschakelaar uitwerpkanaal controleren: ● Uitwerpkanaal demonteren ( 15.5) en daarna de grasopvangbox opnieuw inhaken. ( 13.10) ● Ga op de bestuurdersstoel zitten. ● Rempedaal tot aan de aanslag intrappen en vasthouden. ( 8.13) ● Contactsleutel in de positie "Verbrandingsmotor starten" draaien. ( 8.1) De verbrandingsmotor kan niet worden gestart met een geactiveerde contactschakelaar uitwerpkanaal. Veiligheidsschakelaar achteruit maaien controleren: ● Op de bestuurdersstoel plaats nemen – veiligheidsschakelaar achteruit maaien niet aanraken. ● Verbrandingsmotor starten ( 13.2) en op maximaal toerental laten draaien. ( 8.2), ( 8.3) ● Maaiwerk inschakelen. ( 8.5), ( 8.6) ● Rijrichting achteruit kiezen en vertrekken. ( 8.9) Bij een werkende veiligheidsschakelaar achteruit maaien wordt het maaiwerk na 1 seconde ontkoppeld.

15.12 Inhoudsindicator

(grasopvangbox) reinigen De inhoudsindicator (grasopvangbox) kan bij het maaien van nat of vochtig gras vuil worden. Daardoor werkt deze slechter. Uit voorzorg moet de peilindicator elke keer na het maaien of bij elke reiniging van het uitworpkanaal worden gereinigd. ● Verbrandingsmotor uitschakelen. ( 13.3) ● De contactsleutel eruit trekken en op een veilige plek bewaren. ● Handrem aantrekken. ( 8.14) ● Grasopvangbox wegnemen. ( 13.10) Met lichte druk de inhoudsindicator (grasopvangbox) (1) naar beneden drukken. Hierbij moet hij vlot kunnen worden bewogen en moet er een zacht "klikken" van de schakelaar hoorbaar zijn. Na het loslaten van de inhoudsindicator moet deze weer zelfstandig terug naar boven in de uitgangspositie springen.199 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL ● Als de inhoudsindicator niet soepel kan worden bewogen of bij vervuiling, moet deze met behulp van een borstel voorzichtig worden gereinigd – geen water gebruiken.

15.13 Maaimes onderhouden

Onderhoudsinterval: Na elke 25 uren gebruikstijd Onderhoudswerkzaamheden: – Slijtagegrenzen van de maaimessen controleren. – RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL: Controleer de inbouwpositie van de maaimessen. – Indien nodig (slecht maairesultaat) maaimes slijpen of vervangen. Verloop van de V-riem en draairichting van de maaimessen bij de modellen RT 5097, RT 5097 Z: Verloop van de V-riem of tandriem en draairichting van de maaimessen bij de modellen RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL: Slijtagegrenzen van het maaimes controleren: ● Demonteer het maaiwerk. ( 14.1) Kans op letsel! Werk uitsluitend met handschoenen. Neem altijd contact op met uw vakhandelaar als u niet over de vereiste kennis of gereedschappen beschikt. (STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.) Raak het maaimes nooit aan zolang het niet stilstaat. Plaats het maaiwerk altijd op een slipvaste ondergrond. De V-riem wordt door de dubbele afbuiging op de positie A telkens 180° gedraaid. Alle onderhouds- en controlewerkzaamheden aan tandriemen zijn voorbehouden aan de STIHL vakhandelaar. Kans op letsel! Een versleten maaimes kan afbreken en ernstig letsel veroorzaken. Volg daarom de onderhoudsinstructies voor het mes. Maaimessen slijten afhankelijk van de toepassing en de gebruiksduur in meer of mindere mate. Als u het apparaat op een zanderige ondergrond of in droge omstandigheden gebruikt, slijten de maaimessen sneller dan gemiddeld. Opgelet! Bij het vervangen van het maaimes altijd ook de mesbout en de borgring vernieuwen. STIHL raadt in verband met het controleren van de slijtagegrenzen aan het maaiwerk te demonteren. Als u over een geschikte hefbrug beschikt, kunt u de slijtagegrenzen aan het maaimes ook controleren zonder dat u het maaiwerk hoeft te demonteren.0478 192 9913 D - NL

Maaiwerk (1) omdraaien en met de messen naar boven op ca. 20 cm hoge en voldoend lange houtsteunen (2) op de bodem leggen. ● Maaiwerk en maaimessen zorgvuldig reinigen. ( 15.2) De maaimessen moeten ten minste 2,5 mm dik zijn en aan hun smalste zijde ten minste 56 mm breed zijn. De mesdikte van beide maaimessen met behulp van een schuifmaat (1) op meerdere plaatsen controleren. De mesbreedte op de afgebeelde plaats eveneens met behulp van een schuifmaat (1) controleren. Maaimessen vervangen wanneer de voorgeschreven waarde op een plaats niet meer voldoende is. Controleer de inbouwpositie van de maaimessen (RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL): ● Leg indien nodig het maaiwerk op twee aangepaste houten blokken op de bodem. Verdraai de maaimessen zoals afgebeeld en controleer de hoek A (circa 90°) van de snijkanten ten opzichte van elkaar. Maaimes demonteren: ● Maaiwerk demonteren. ( 14.1) ● Maaiwerk op aangepaste houten blokken op de bodem leggen. Mesbout (1) met behulp van een moersleutel SW17 (niet meegeleverd) losdraaien en eruit schroeven. Bij het lossen van de mesbout de maaimessen Kans op letsel! Om ervoor te zorgen dat de maaimessen bij het maaien elkaar niet raken, moeten ze onder een hoek van 90° gedraaid worden gemonteerd. Het maaiwerk mag niet worden ingeschakeld wanneer de snijvlakken onder een andere hoek tegenover elkaar staan. Neem indien nodig contact op met een vakhandelaar. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan. STIHL raadt aan het maaiwerk te demonteren wanneer de inbouwpositie wordt gecontroleerd. Als u over een geschikte hefbrug beschikt, kunt u de inbouwpositie van de maaimessen ook controleren zonder dat u het maaiwerk hoeft te demonteren.201 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL tegenhouden. Mesbout (1), met borgring (2) en maaimes (3) verwijderen. Maaimessen slijpen: ● Koel het maaimes tijdens het slijpen, b. b.met water. Het mes mag niet blauw worden, omdat anders de snijresultaten minder worden. ● Slijp het maaimes gelijkmatig om vibratie door onbalans te voorkomen. ● Met een snijhoek van 30° slijpen. ● Houd tijdens het slijpen rekening met de slijtagegrenzen. Balans van maaimes controleren: Schroevendraaier (1) door de middelste boring steken. Als het maaimes (2) uitgelijnd is, moet het in de afgebeelde stand staan. Maaimes monteren: ● Monteer het maaimes met de omhoog gebogen windvleugels naar boven (richting maaiwerk). Zet het maaimes (1) op en draai de mesbout (2 – Loctite 243 aanbrengen) met borgring (3 – op welving letten) in en haal deze met een aandraaimoment van

65 - 70 Nm aan. Houd bij het aanhalen

van de mesbout het maaimes tegen. ● RT 5112 Z, RT 6112 ZL, RT 6127 ZL: Controleer de inbouwpositie van de maaimessen.

15.14 Inbouwpositie van het maaiwerk

controleren Onderhoudsinterval: Het maaiwerk moet worden geïnspecteerd na elke 50 uren gebruikstijd, of zo vaak als nodig (b.v. na krachtige schokken tegen het maaiwerk of bij onzuivere snede). Kans op letsel! Draag tijdens het slijpen altijd een veiligheidsbril en handschoenen. Kans op letsel! Bij een eventuele onbalans van het maaimes moet het scherpen worden herhaald totdat het maaimes uitgebalanceerd is. Het maaimes mag enkel door het slijpen van de snijkanten worden gebalanceerd. Kans op letsel! Controleer maaimessen vóór montage op beschadigingen (inkepingen of scheuren) en slijtage. Vervang versleten of beschadigde maaimessen. Vervang de borgring bij elke montage van de messen. Borg de mesbout bovendien met Loctite 243. Het voorgeschreven aandraaimoment van de mesbouten van 65 - 70 Nm moet precies worden aangehouden, omdat een veilige bevestiging van het snijgereedschap daarvan afhankelijk is.0478 192 9913 D - NL

Het maaiwerk is juist gemonteerd als het licht naar voor gebogen is, het staat aan de voorkant iets lager dan aan de achterkant. ● Apparaat op een vlakke ondergrond zetten. ● Verbrandingsmotor uitschakelen. ( 13.3) ● Handrem aantrekken. ( 8.14) ● De contactsleutel eruit trekken en op een veilige plek bewaren. ● Laagste snijstand kiezen. ( 8.15) Hoogteverschil A=10mm.

15.15 Wielen vervangen

Bij beschadigingen (gaten, scheuren, snedes enz.) aan de randen het beschadigde wiel demonteren en hiermee naar uw vakhandelaar gaan. Apparaat optillen en ondersteunen: ● Apparaat op effen en vaste ondergrond zetten en beveiligen tegen wegrollen. ● Verbrandingsmotor uitschakelen. ( 13.3) ● Handrem aantrekken. ( 8.14) ● De contactsleutel eruit trekken en op een veilige plek bewaren. Voor het ontlasten van de voorwielen de zitmaaier aan de vooras ondersteunen: A = minstens 260 mm Voor het ontlasten van de achterwielen de zitmaaier aan de rugwand ondersteunen: B = minstens 120 mm Een gelijkmatige bandenspanning is belangrijk voor het controleren van een correcte positie. Voorafgaand aan de controle van de juiste inbouwpositie moet de bandenspanning op alle banden worden gecontroleerd en eventueel worden gecorrigeerd. ( 15.16) Kans op letsel! Let op het grote gewicht van het apparaat voor het optillen (zie hoofdstuk "Technische gegevens"). ( 22.) Breng het apparaat indien nodig met behulp van een tweede persoon of met een krik (niet meegeleverd) omhoog. Apparaat voor het optillen tegen wegrollen beveiligen. De rem werkt enkel op de achterwielen. Apparaat voor het optillen van de achteras tegen wegrollen beveiligen. Voorkom schade aan het apparaat Bij het ondersteunen erop letten, dat het apparaat met de as of met de aanhangkoppeling op de ondergrond ligt. Het apparaat alleen aan de hiervoor bedoelde onderdelen (bijv. frame, velgen, as) optillen. Het apparaat nooit aan de kunststof delen optillen of hierop laten rusten.203 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL Wiel demonteren: Afdekkap (1) lostrekken. Borgring (2) wegnemen met behulp van een schroevendraaier. Grote ring (3) en kleine ring (4 – alleen bij het achterwiel) samen met het wiel (5) van de wielas trekken. Wiel monteren: ● Vuil van de wielas halen. ● Wielas vóór de montage dun met smeervet insmeren. De pasveer (6) in de achterste wielas plaatsen. Wiel (5 – ventiel naar buiten) met de kleine ring (4 – alleen bij achterwiel) en de grote ring (3) op de wielas schuiven. Borgring (2) in de inkeping van de wielas laten vallen. Afdekkap (1) op wielas steken.

15.16 Bandenspanning

Afdekkap van het ventiel (1) schroeven. Met behulp van een geschikte luchtpomp met manometer de volgende bandenspanningswaarden instellen: Banden voor: 0,8 – 1,0 bar Banden achter: 0,6 – 0,8 bar

Beide fusees op de vooras boven beide smeernippels aan de vooras smeren. Voorkom schade aan het apparaat! Controleer bij het demonteren van de achterwielen of de meenemers (pasveren) niet kwijtraken. Voorkom schade aan het apparaat! Let vóór het monteren van de achterwielen op de correcte positie van de meenemers (pasveren) in de groef van de wielas. De juiste bandenspanning is belangrijk voor het verstellen van het maaiwerk en om dus een mooi maairesultaat te bereiken. Door een te hoge bandenspanning zou de grasnerf door de bandnoppen worden beschadigd.0478 192 9913 D - NL

Smering: ● Verbrandingsmotor uitschakelen. ( 13.3) ● Contactsleutel eruit trekken en op een veilige plek bewaren. ● Handrem aantrekken. ( 8.14) ● Vooras ontlasten door deze te ondersteunen (optillen). ( 15.15) Met behulp van een vetspuit (niet meegeleverd) aan beide kanten via de smeernippel (1) smeervet erin spuiten totdat er bij de fusees iets vet uitstroomt. ● Uitgestroomd smeervet verwijderen. ● Ondersteuning van de vooras verwijderen.

15.18 Accuvak openen en sluiten

● Verbrandingsmotor uitschakelen. ( 13.3) ● Handrem aantrekken.( 8.14) ● De contactsleutel eruit trekken en op een veilige plek bewaren. ● Grasopvangbox wegnemen. ( 13.10) Accuvak openen: Sluitmoer (1) uitdraaien en deksel van accuvak (2) naar voor wegnemen. Accuvak sluiten: Deksel van accuvak (1) zoals afgebeeld bevestigen en met sluitmoer (2) vastzetten.

15.19 Accu verwijderen en plaatsen

● Verbrandingsmotor uitschakelen. ( 13.3) ● Handrem aantrekken. ( 8.14) ● De contactsleutel eruit trekken en op een veilige plek bewaren. ● Accuvak openen. ( 15.18) Aanwijzing Vóór het smeren moet de vooras door een juiste ondersteuning worden ontlast. De smeernippel moet elke keer vóór het smeren worden gereinigd om te voorkomen dat er vuil in de fusee komt. Verwijder uitgelopen smeervet altijd na het smeren (afvegen). Gebruik standaard smeervet. Kans op letsel! Bij het loskoppelen van de accu steeds eerst de zwarte minkabel (–) en pas dan de rode pluskabel (+) loskoppelen! Bij het aansluiten van de accu altijd eerst de rode pluskabel (+) aansluiten. De accu is onderhoudsvrij en moet alleen worden vervangen bij een beschadiging of worden gedemonteerd bij een langere stillegging (b.v. winterpauze) of bij de afvoer van het apparaat. Bied de accu niet via het huisvuil aan, maar lever deze bij de vakhandelaar of het afvalpunt voor gevaarlijke stoffen in.205 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL Montagepositie: Accu (1) voor het vastklemmen of losklemmen voor de helft uit het accuvak trekken en op de zijde kantelen. Aansluitend terug naar onder leiden en terugzetten, veilige positie controleren. Accu loskoppelen: koppel de zwarte kabel (1) van de minpool (–) van de accu los; draai hiervoor de moer (2) met behulp van twee moersleutels SW8 los en neem deze met de bout (3), ring (4) en veerring (5) weg. Trek de afdekkap (1) los. Koppel de rode kabel (2) van de pluspool (+) van de accu los; draai hiervoor de moer (3) met behulp van twee moersleutels SW8 los en neem deze met de bout (4), ring (5) en veerring (6) weg. ● Neem zo nodig de accu weg. ● Breng bouten, ringen en moeren tot nader gebruik weer op de polen van de accu aan. ● Steek indien nodig de aansluitkabel in het accuvak en sluit het accuvak sluiten. ( 15.18) Accu aansluiten: ● Plaats de accu in de montagepositie. ● Neem indien nodig bouten, ringen en moeren van de accu weg. Bevestig de rode kabel (1) aan de pluspool (+) van de accu met de bout (2), de ring (3), de veerring (6) en de moer (4). Haal de schroefverbinding met twee moersleutels SW8 met 6 - 8Nm aan. Stulp de afdekkap (5) volledig over de schroefverbinding heen. Controleer de laadtoestand van de accu vóór de installatie. Als de spanning lager is dan 11,5 V moet de accu vóór de installatie met een geschikte acculader worden opgeladen. Brandgevaar! Neem altijd het voorgeschreven aanhaalmoment in acht. Zorg ervoor dat de schroefverbindingen bij de polen altijd goed vastzitten om schade door vonkvorming te voorkomen.0478 192 9913 D - NL

Bevestig de zwarte kabel (1) aan de minpool (–) van de accu met de bout (2), de ring (3), de veerring (5) en de moer (4). Haal de schroefverbinding met twee moersleutels SW8 met 6 - 8Nm aan. Accu (1) opheffen en licht naar binnen kantelen. Accu voorzichtig plaatsen en erop letten dat de beide aansluitkabels correct in het accuvak zitten. ● Accuvak sluiten. ( 15.18)

Steekzekeringen controleren: De steekzekeringen bevinden zich in het accuvak. ● Schakel de verbrandingsmotor uit. ( 13.3) ● Trek de handrem aan. ( 8.14) ● Neem de sleutel uit het contactslot en bewaar deze op een veilige plek. ● Open het accuvak. ( 15.18) Verwijder de steekzekeringen (1, 2). Inspecteer visueel of de draad in het kunststof (3) beschadigd (doorgebrand) is. Vervang beschadigde zekeringen. Oplaadvoorziening (1): 15 A Elektrisch systeem (2): 10 A ● Accuvak sluiten. ( 15.18) Hoofdzekering controleren: De hoofdzekering (150 ampère) bevindt zich achter de accu. ● Accu uitbouwen. ( 15.19) Afdekking (1) openen, daarvoor lippen (2) iets naar achteren drukken. Brandgevaar! De zekeringen mogen nooit met een draad of folie worden overbrugd. Plaats nooit een zekering met een andere dan de voorgeschreven capaciteit (ampère). Als er binnen korte tijd weer een zekering doorbrandt, is een defect (bijvoorbeeld kortsluiting) de mogelijke oorzaak. Neem contact op met een vakhandelaar. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.207 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL Inspecteer visueel of de zekering (3) beschadigd (doorgebrand) is. Zo nodig zekering (3) door een vakhandelaar laten vervangen. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan. ● Afdekking weer sluiten. ● Accu inbouwen. ( 15.19)

15.21 Opladen van de accu via de

oplaadstekker Met de oplaadstekker kan de STIHL- druppellader ACB 010 of het STIHL- diagnose-oplaadapparaat ADL 012 (beide niet meegeleverd) worden verbonden. Met de STIHL-druppellader ACB 010 is alleen een druppellading mogelijk. Met het diagnose-oplaadapparaat ADL 012 is een druppellading en een volledige lading (opladen van een lege accu) mogelijk. Vóór het aansluiten: ● Lees de opmerkingen in de gebruiksaanwijzing van de STIHL- oplaadapparaten en volg deze op. ● Opmerkingen in de bijlage van de accu lezen en opvolgen. Aansluiten: ● Schakel de verbrandingsmotor uit. ( 13.3) ● Trek de handrem aan. ( 8.14) ● Open de motorkap. ( 15.3) Sluit op de laadstekker (1) de STIHL- druppellader ACB 010 of het STIHL- diagnose-oplaadapparaat ADL 012 aan.

15.22 Koplampen vervangen

Typeaanduiding lamp: 12V 6W BA9s ● Open de motorkap. ( 15.3). Voorkom schade aan het apparaat! Laad de accu nooit bij draaiende verbrandingsmotor. Met de oplaadstekker kunnen alleen de STIHL-druppellader ACB 010 of het STIHL- diagnose-oplaadapparaat ADL 012 worden verbonden. Andere oplaadapparaten, zeker die met een hogere laadstroom, kunnen het apparaat beschadigen. Als de accu met behulp van andere oplaadapparaten wordt opgeladen, moet de accu vooraf worden verwijderd. Gebruik voor het vervangen van defecte verlichting altijd lampen van 12V/6W vermogen.0478 192 9913 D - NL

Fitting (1) ongeveer 90° draaien en eruit trekken. Lamp (2) in de richting van de fitting (1) drukken en vasthouden. Lamp (2) voorzichtig draaien en verwijderen. ● Plaats de nieuwe lamp door de bovenstaande handelingen in omgekeerde volgorde uit te voeren. Fitting (1) weer in de koplampbehuizing drukken. ● Motorkap sluiten. ( 15.4)

15.23 Verbrandingsmotor

Neem de gebruiks- en onderhoudsinstructies in de bijgevoegde gebruiksaanwijzing van de verbrandingsmotor in acht. Voor een lange gebruiksduur is het van belang de olie op peil te houden, regelmatig de motorolie te verversen en het luchtfilter te vervangen.

De transmissie is voor de gebruiker onderhoudsvrij. Bij inspectie van de machine door de vakhandelaar worden noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden aan de transmissie uitgevoerd.

● Apparaat in een droge en stofarme ruimte opslaan, buiten het bereik van kinderen of onbevoegde personen. ● Eventuele storingen aan het apparaat moeten in de regel vóór het opbergen worden verholpen, zodat de machine altijd veilig kan worden gebruikt. ● Brandstofkraan sluiten. ( 15.7) ● Contactsleutel uittrekken en zorgvuldig bewaren zodat onbevoegde personen, met name kinderen, de sleutel niet kunnen bemachtigen.

15.26 Stilleggen bij langere

onderbrekingen (bijvoorbeeld winterpauze) ● Het volledige apparaat grondig reinigen. Vooral ook alle buitendelen van de verbrandingsmotor en de transmissie (vooral de koelvinnen) zorgvuldig zuiver maken. ● Smeer alle bewegende delen goed in met olie of vet. ● Brandstof uit de brandstoftank aftappen en carburator ledigen (bijvoorbeeld door leegrijden). ● Handrem aantrekken. ( 8.14) ● Volg de aanwijzingen voor het stilleggen in de gebruiksaanwijzing van de verbrandingsmotor op. ● Ververs de motorolie (zie gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor). ( 15.9) ● Accu uitbouwen. ( 15.19) ● Volledig geladen accu in een koele en droge ruimte, buiten het bereik van kinderen, veilig opslaan.

15.27 Na langere bedrijfspauzes (b. v.

winterpauze) ● Controleer vóór het monteren de accuspanning. Als de spanning van de accu lager is dan 11,5 V, de accu nog vóór het inbouwen met een accu oplaadapparaat volledig opladen. ( 15.21) ● Accu's inbouwen. ( 15.19) ● Controleer de bandenspanning op alle wielen. ( 15.16) ● Brandstofkraan openen. ( 15.7)209 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL ● Brandstof bijtanken. ( 13.1) ● Inhoud van de motorolie controleren. ( 15.8) ● Voor het laden hoogste snijstand kiezen. ( 13.6) ● Bij het gebruik van een aanhangwagen deze aan de voorzijde ondersteunen om te voorkomen dat deze onder het gewicht van het apparaat omhoog klapt. ● Gebruik voor het laden een geschikte hefvoorziening of aangepaste stabiele laadhellingen die voldoende breed zijn. ● Laadhellingen stevig plaatsen en bevestigen, wielstand en spoorbreedte van de zitmaaier in acht nemen. ( 22.1) ● Verdeel de last gelijkmatig over de aanhanger. ● Na het laden laagste snijstand kiezen. ( 13.6) ● Verbrandingsmotor uitschakelen. ( 13.3) ● Schuif het apparaat zover naar voor dat de bumper de voorwand van de aanhanger of voertuig raakt. ● Handrem aantrekken. ( 8.14) ● Brandstofkraan sluiten. ( 15.7) ● Zet het apparaat met behulp van geschikte bevestigingsmiddelen (gordels, kabels enz.) aan de voorste bumper tegen de voorste wand van de aanhanger of voertuig en borg deze. ● Plaats vervolgens wiggen (niet meegeleverd) onder de wielen, zodat onbedoeld wegrollen kan worden vermeden. Mesbout:

Voor het apparaat zijn nog meer accessoires verkrijgbaar. Voor nadere informatie verwijzen wij u naar uw STIHL vakhandelaar, het internet (www.stihl.com) of de STIHL catalogus. Grasafval hoort niet bij het huisvuil, maar moet worden gecomposteerd. Verpakkingen, apparaten en accessoires zijn gemaakt van recycleerbare materialen en moeten dienovereenkomstig worden verwijderd. Door materiaalresten afzonderlijk en milieubewust te verwerken, ondersteunt u het hergebruik van waardevolle stoffen.

Kans op letsel! Lees voor het transport het hoofdstuk "Voor uw veiligheid", in het bijzonder de paragraaf "Transport van de zitmaaier" zorgvuldig door en volg de instructies op. ( 4.1), ( 4.3) Laadhellingen langzaam en zeer voorzichtig oprijden en erop letten u met de wielen niet over de zijkant van de laadhellingen geraakt – Gevaar op vallen! Wijzig de snelheid of de richting niet abrupt. Bij transport op de openbare weg mag het apparaat uitsluitend met behulp van een geschikt voertuig of een geschikte aanhanger worden getransporteerd! Niet wegslepen!

reserveonderdelen Vervang de veerring bij elke montage van het mes en de mesbout bij elke mesvervanging. Vervangingsonderdelen zijn bij de STIHL vakhandelaar verkrijgbaar.

Om veiligheidsredenen mag u bij dit apparaat uitsluitend door STIHL goedgekeurde accessoires gebruiken.

Daarom moet het apparaat na afloop van de gebruikelijke levensduur als bijzonder afval worden verwerkt. Onjuiste verwijdering kan de gezondheid schaden en het milieu belasten. Voer afvalproducten als afgewerkte olie (motorolie, transmissieolie), brandstof en accu’s altijd deskundig af. Neem de plaatselijke voorschriften in acht! Verwijder de accu voordat u het apparaat wegdoet. Bied de accu niet via het huisvuil aan, maar lever deze bij de vakhandelaar of het afvalpunt voor gevaarlijke stoffen in. Neem contact op met het recyclingcenter of uw vakhandelaar voor nadere informatie over het deskundig afvoeren van afvalproducten. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan. Belangrijke aanwijzingen voor het onderhoud van de productgroep Grasmaaier met bestuurdersstoel en verbrandingsmotor (STIHL RT) De firma STIHL aanvaardt in geen geval aansprakelijkheid voor materiële schade en persoonlijk letsel die het gevolg zijn van het niet in acht nemen van de instructies in de gebruiksaanwijzing, met name betreffende veiligheid, bediening en onderhoud, of die optreden door gebruik van niet toegestane aanbouw- of vervangingsonderdelen. Neem de volgende belangrijke aanwijzingen in acht om schade of overmatige slijtage aan uw STIHL apparaat te vermijden:

1. Slijtageonderdelen

Sommige onderdelen van het STIHL apparaat zijn ook bij gebruik volgens de voorschriften aan normale slijtage onderhevig en moeten afhankelijk van de gebruikswijze en gebruiksduur tijdig worden vervangen. Dit omvat o. a.: – Maaimes – Grasopvangbox –V-riem – Tandriem – Steekzekeringen –Accu – Banden, rollen – Bougie

2. Inachtneming van de voorschriften in

deze gebruiksaanwijzing Het STIHL apparaat moet zo zorgvuldig mogelijk worden gebruikt, onderhouden en opgeslagen, zoals omschreven in deze gebruiksaanwijzing. Voor alle beschadigingen die door het niet in acht nemen van veiligheids-, bedienings- en onderhoudsaanwijzingen worden veroorzaakt, is de gebruiker zelf verantwoordelijk. Dit geldt met name voor: – niet reglementair gebruik van het product. – het gebruik van niet door STIHL goedgekeurde hulpstoffen (smeermiddelen, benzine en motorolie, zie gegevens van de motorfabrikant). – niet door STIHL goedgekeurde wijzigingen aan het product. – het gebruik van gereedschappen of accessoires die niet voor het apparaat zijn goedgekeurd, niet geschikt zijn of van een minder goede kwaliteit zijn. – gebruik van het product bij sport- of wedstrijdevenementen. – gevolgschade door een product met defecte onderdelen verder te gebruiken.

3. Onderhoudswerkzaamheden

Alle in het hoofdstuk "Onderhoud" vermelde werkzaamheden moeten regelmatig worden uitgevoerd. Voor zover deze onderhoudswerkzaamheden niet door de gebruiker zelf kunnen worden uitgevoerd, moeten deze aan een vakhandelaar worden overgelaten. STIHL raadt aan onderhoudswerkzaamheden en reparaties uitsluitend bij de STIHL vakhandelaar te laten uitvoeren. STIHL vakhandelaren volgen regelmatig cursussen en krijgen voortdurend technische informatie ter beschikking gesteld. Als deze werkzaamheden niet worden uitgevoerd, kan er schade ontstaan waarvoor de gebruiker verantwoordelijk is. Hiertoe behoren onder andere: – corrosie en andere gevolgschade door ondeskundige opslag. – beschadigingen aan de machine door het gebruik van kwalitatief minderwaardige reserveonderdelen.

20. Slijtage minimaliseren en

schade voorkomen211 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL – beschadigingen door niet tijdig of ondeskundig uitgevoerd onderhoud resp. beschadigingen door onderhouds- of reparatiewerkzaamheden die niet in werkplaatsen van vakhandelaars zijn uitgevoerd.

21.1 EU-conformiteitsverklaring

RT 6112.1 ZL, RT 6127.1 ZL: 6170 voldoet aan de betreffende bepalingen van de richtlijnen 2000/14/EC, 2006/42/EC, 2014/30/EU en 2011/65/EU en overeenkomstig de op de productiedatum geldende versies van de volgende normen is ontwikkeld en geproduceerd: EN ISO 14982, EN ISO 5395-1 en EN ISO 5395-3. Bevoegde instantie: TÜV Rheinland LGA Products GmbH Tillystraße 2 90431 Nürnberg, DE Voor het bepalen van het gemeten en gewaarborgde geluidsniveau is gehandeld volgens richtlijn 2000/14/EC, bijlage VIII. RT 5097.1, RT 5097.1 Z – Gemeten geluidsniveau: 99,7 dB(A) – Gegarandeerd geluidsniveau: 100 dB(A) RT 5112.1 Z, RT 6112.1 ZL – Gemeten geluidsniveau: 99,8 dB(A) – Gegarandeerd geluidsniveau: 100 dB(A) RT 6127.1 ZL – Gemeten geluidsniveau: 104,5 dB(A) – Gegarandeerd geluidsniveau: 105 dB(A) De technische documentatie wordt bewaard bij STIHL Tirol GmbH. Het bouwjaar en het machinenummer staan op de zitmaaier vermeld. Langkampfen, 02/06/2021. STIHL Tirol GmbH namens Matthias Fleischer, Hoofd Onderzoek en Ontwikkeling namens Sven Zimmermann, Hoofd Kwaliteit

21. Conformiteitsverklaring

Wielaandrijving achterwiel traploos voor- uit/traploos achteruit RT 5097.1: Serienummer 6160 Motortype EVC 4000 Cilinderinhoud 452 cc Nominaal vermogen bij nominaal toerental 8,2 - 2700 kW - omw./ min. Hoogste toerental 2700 omw./min. Snijbreedte 95 cm Aandrijving mesbalk asynchroon Snijhoogte 8-voudig

Voorwielen, bandenspanning 15x6.00-6, 0,8 - 1,0 bar Achterwielen, bandenspanning 18x8.50-8, 0,6 - 0,8 bar Capaciteit grasopvangbox 250 l Gewicht met maai- werk en met lege grasopvangbox 228 kg Meting conform 2000/14/EC / S.I. 2001/1701: Gegarandeerd geluidsniveau L WAd 100 dB(A) Onzekerheid K

86 dB(A) Onzekerheid K

2 dB(A) Meting volgens EN ISO 5395-3, EN 1032: Vibraties op de stoel (lichaamsversnel- ling) a

Meting volgens EN ISO 5395-3, EN 20643: Vibraties op het stuurwiel a

Opgegeven trillingskarakteristiek conform EN 12096 RT 5097.1 Z: Serienummer 6160 Motortype EVC 7000 Cilinderinhoud 635 cc Nominaal vermogen bij nominaal toerental 8,2 - 2700 kW - omw./ min. Hoogste toerental 2700 omw./min. Snijbreedte 95 cm Aandrijving mesbalk asynchroon Snijhoogte 8-voudig

Voorwielen, bandenspanning 15x6.00-6, 0,8 - 1,0 bar Achterwielen, bandenspanning 18x8.50-8, 0,6 - 0,8 bar Capaciteit grasopvangbox 250 l Gewicht met maai- werk en met lege grasopvangbox 237 kg Meting conform 2000/14/EC / S.I. 2001/1701: Gegarandeerd geluidsniveau L WAd 100 dB(A) Onzekerheid K

2 dB(A) Meting volgens EN ISO 5395-3, EN 1032: Vibraties op de stoel (lichaamsversnel- ling) a

Meting volgens EN ISO 5395-3, EN 20643: Vibraties op het stuurwiel ahw 2,20 m/s

Opgegeven trillingskarakteristiek conform EN 12096 RT 5112.1 Z: Serienummer 6160 Motortype EVC 7000 Cilinderinhoud 635 cc Nominaal vermogen bij nominaal toerental 12,2 - 2700 kW - omw./min. Hoogste toerental 2700 omw./min. Snijbreedte 110 cm Aandrijving mesbalk synchroon Snijhoogte 8-voudig

86 dB(A) Onzekerheid K

2 dB(A) Meting volgens EN ISO 5395-3, EN 1032: Vibraties op de stoel (lichaamsversnel- ling) a

Meting volgens EN ISO 5395-3, EN 20643: Vibraties op het stuurwiel a

Opgegeven trillingskarakteristiek conform EN 12096 RT 6112.1 ZL: Serienummer 6170 Motortype EVC 7000 Cilinderinhoud 635 cc Nominaal vermogen bij nominaal toerental 12,2 -2700 kW - omw./min. Hoogste toerental 2700 omw./min. Snijbreedte 110 cm Aandrijving mesbalk synchroon Snijhoogte 8-voudig

Voorwielen, bandenspanning 16x7.50-8, 0,8 - 1,0 bar Achterwielen, bandenspanning 20x10.00-8, 0,6 - 0,8 bar Capaciteit grasopvangbox 350 l Gewicht met maai- werk en met lege grasopvangbox 268 kg RT 5112.1 Z: Meting conform 2000/14/EC / S.I. 2001/1701: Gegarandeerd geluidsniveau L WAd 100 dB(A) Onzekerheid K

86 dB(A) Onzekerheid K

2,0 dB(A) Meting volgens EN ISO 5395-3, EN 1032: Vibraties op de stoel (lichaamsversnel- ling) a

Meting volgens EN ISO 5395-3, EN 20643: Vibraties op het stuurwiel a

Opgegeven trillingskarakteristiek conform EN 12096 RT 6127.1 ZL: Serienummer 6170 Motortype EVC 8000 Cilinderinhoud 764 cc Nominaal vermogen bij nominaal toerental 15,6 - 2950 kW - omw./min. Hoogste toerental 2950 omw./min. Snijbreedte 125 cm Aandrijving mesbalk synchroon Snijhoogte 8-voudig

Voorwielen, bandenspanning 16x7.50-8, 0,8 - 1,0 bar Achterwielen, bandenspanning 20x10.00-8, 0,6 - 0,8 bar RT 6112.1 ZL: Capaciteit grasopvangbox 350 l Gewicht met maai- werk en met lege grasopvangbox 281 kg Meting conform 2000/14/EC / S.I. 2001/1701: Gegarandeerd geluidsniveau L WAd 105 dB(A) Onzekerheid K

90 dB(A) Onzekerheid K

2,0 dB(A) Meting volgens EN ISO 5395-3, EN 1032: Vibraties op de stoel (lichaamsversnel- ling) a

Meting volgens EN ISO 5395-3, EN 20643: Vibraties op het stuurwiel a

REACH duidt op een EG-verordening inzake het registeren, analyseren en toestaan van chemicaliën. Voor informatie over het voldoen aan de REACH-verordening (EG) nr. 1907/2006 gaat u naar www.stihl.com/reach215 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL Storing: Startmotor draait, verbrandingsmotor slaat niet aan. Mogelijke oorzaak: – Gashendel staat in stand MIN. – Choke-positie (gashendel) is niet gekozen of choke-knop niet ingedrukt – Geen brandstof in de tank. – Brandstofkraan dicht. – Er wordt te weinig brandstof aangevoerd. – Bougie vol roet of beschadigd. – Verkeerde afstand elektroden. – Bougiestekker is van de bougie losgetrokken. – Verbrandingsmotor is na meermaals opstarten ''verzopen''. – Luchtfilter is verstopt. – Accu bijna leeg. Oplossing: – Gashendel in positie MAX zetten. – Gashendel in de choke-positie zetten ( 8.2) of choke-knop indrukken. ( 8.4) – Brandstof bijvullen. – Brandstofkraan openen. ( 15.7) – Brandstoffilter controleren. (@) – Bougie reinigen of vervangen. (@) – Afstand elektroden instellen. () – Bougiestekker aansluiten; verbinding tussen bougiekabel en stekker controleren. () – Draai de bougie los en droog deze; zet de gashendel in de stand MIN en start meermaals zonder bougie; schroef de bougie er weer in en steek de bougiestekker vast. (@) – Luchtfilter reinigen. (@) – Laadniveau van de accu controleren en zo nodig de accu opladen. ( 15.21) Storing: Startmotor werkt niet. Mogelijke oorzaak: – Veiligheidsvoorzieningen blokkeren de startmotor. – Accu niet of fout aangesloten. – Accu volledig ontladen of onvoldoende geladen. – Hoofdzekering (150 A) defect. – Onjuiste massa-aansluiting op verbrandingsmotor of onderstel. – Startmotor defect. Oplossing: – Alle veiligheidsvoorzieningen in acht nemen. ( 12.) – Aansluitingen accu controleren. ( 15.19) – Accu laden. ( 15.21) – Hoofdzekering vervangen. () – Aansluitkabels op de accu en het onderstel controleren. () – Startmotor repareren. () Storing: Start slecht of het vermogen van de verbrandingsmotor wordt minder. Mogelijke oorzaak: – Water in de brandstoftank en de carburator; carburator is verstopt. – Brandstoftank is vuil. – Luchtfilter is vuil. – Bougie vol roet. – Maaien van te hoog of te vochtig gras. Oplossing: – Brandstoftank ledigen; brandstoftank, brandstofleiding en carburator reinigen.

– Brandstoftank reinigen. () – Luchtfilter reinigen/vervangen. (@) – Bougie reinigen. (@) – De snijstand en de rijsnelheid aanpassen aan de te maaien oppervlakte. Storing: Verbrandingsmotor wordt zeer heet. Mogelijke oorzaak: – Koelvinnen zijn vuil. – Te laag oliepeil in de motor. – V-riem versleten. Oplossing: – Koelvinnen reinigen. (@) – Controleer de inhoud van de motorolie en vul motorolie bij. ( 15.8) – V-riem vervangen. () Storing: Apparaat rijdt niet. Mogelijke oorzaak: – Transmissie losgekoppeld. – V-riem (transmissie) losgeraakt. – V-riem (transmissie) versleten of beschadigd. – Ontbrekende pasveer tussen de achteras en achterwielen. Oplossing: – Transmissie vastkoppelen (beugel vrijloop van de transmissie). ( 8.18) – V-riem (transmissie) vasthaken. () – V-riem (transmissie) vervangen. () – Pasveer monteren. ( 15.15)

Neem eventueel contact op met een vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan. @ Zie gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor.0478 192 9913 D - NL

Storing: Sterke vibraties tijdens gebruik. Mogelijke oorzaak: – De maaimessen zijn ongebalanceerd door verkeerd slijpen of beschadigingen. – De mesbouten zijn niet goed aangetrokken. – De bevestiging van de verbrandingsmotor is niet goed aangetrokken. – V-riem of tandriem beschadigd. Oplossing: – Maaimes opnieuw slijpen en balanceren of vervangen. ( 15.13) – Mesbout met het aangegeven aandraaimoment vastdraaien. ( 15.13) – Bevestiging van de verbrandingsmotor vastzetten. () – V-riem of tandriem vervangen. () Storing: Onzuivere snede, gras wordt na het maaien geel. Mogelijke oorzaak: – Maaimes bot of versleten. – Rijsnelheid is te hoog in verhouding tot de maaisituatie (snijhoogte, kwaliteit van het gazon). – Maximaal motortoerental niet ingesteld (gashendel niet in positie MAX). – Maaiwerkinstelling niet in orde. – Uitwerpkanaal verstopt. – Het maaiwerk is verontreinigd met grasresten (verklevingen aan de binnenkant van de maaiwerkbehuizing). Oplossing: – Maaimes slijpen of vervangen (op slijtagegrenzen letten). ( 15.13) – Rijsnelheid verlagen of hogere snijhoogte kiezen. – Gashendel in positie MAX zetten. ( 8.2), ( 8.3) – Maaiwerkinstelling controleren en indien nodig het maaiwerk juist afstellen. ( 15.14) – Grasopvangbox wegnemen en grasresten uit het uitwerpkanaal verwijderen. – De binnenkant van het maaiwerk reinigen. Storing: Uitwerpkanaal verstopt. Mogelijke oorzaak: – Maaimesvleugel versleten of beschadigd. – Maaien van te hoog of te vochtig gras. – De rijsnelheid is te hoog in verhouding tot de ingestelde snijhoogte. – Maximaal motortoerental niet ingesteld (gashendel niet in positie MAX). – Inhoudsindicator verkeerd afgesteld. Oplossing: – Maaimes vervangen. ( 15.13) – Gazon in twee maaibeurten maaien: 1. Maaibeurt met de hoogste snijstand,

2. Maaibeurt met de gewenste

snijhoogte. – Rijsnelheid verlagen of hogere snijhoogte kiezen. – Gashendel in positie MAX zetten. ( 8.2), ( 8.3) – Inhoudsindicator instellen (schuif helemaal eruit trekken). ( 8.19) Storing: Grasopvangbox wordt niet helemaal gevuld. Mogelijke oorzaak: – Sensor inhoudsindicator niet juist afgesteld. – Snijhoogte te laag ingesteld. – Gras te vochtig en daardoor te zwaar om door de luchtstroom door het uitwerpkanaal in de grasopvangbox te worden meegevoerd. – Maaimessen zijn bot of versleten. – Gras is te hoog. – Luchtgaten in de grasopvangbox verstopt (geen luchtdoorstroming in de grasopvangbox). – Uitwerpkanaal of maaiwerk (binnenkant) vuil door verkleefd gras (grasresten van de laatste keer maaien). Oplossing: – Sensor inhoudsindicator afstellen. ( 8.19) – Hogere snijhoogte kiezen. – Wachten totdat het grasoppervlak droog is. – Maaimes slijpen of vervangen. ( 15.13) – Gazon in twee maaibeurten maaien: 1. Maaibeurt met de hoogste snijstand,

2. Maaibeurt met de gewenste

snijhoogte. – Grasopvangbox reinigen (luchtdoorstroming vrijmaken). – Uitwerpkanaal of binnenkant van het maaiwerk schoonmaken.217 DEFRIT NL 0478 192 9913 D - NL Storing: Peilindicator (grasopvangbox) werkt niet juist. Mogelijke oorzaak: – Peilindicator (grasopvangbox) vuil door grasresten. – Peilindicator (grasopvangbox) niet juist afgesteld. – Rijsnelheid te hoog. Oplossing: – Peilindicator reinigen en controleren of deze soepel loopt. – Peilindicator (grasopvangbox) afstellen. ( 8.19) – Rijsnelheid aan de te maaien oppervlakte aanpassen (rijsnelheid verlagen). Storing: Maaimessen worden niet ingeschakeld of draaien niet. Mogelijke oorzaak: – De veiligheidsvoorzieningen voorkomen dat het maaimes wordt ingeschakeld. – V-riem (maaiwerk) versleten, losgekoppeld of beschadigd. Oplossing: – Controleren of alle veiligheidsvoorzieningen voor het inschakelen van de maaimessen werken. ( 12.) – V-riem (maaiwerk) controleren en zo nodig vervangen. () Storing: Verbrandingsmotor slaat af bij het inschakelen van het maaiwerk. Mogelijke oorzaak: – Gebruiker zit niet of niet goed op de bestuurdersstoel. – Schakelaar grasopvangbox of schakelaar uitwerpkanaal niet bediend of defect. – Stoelcontactschakelaar of de daarbij horende kabels zijn defect. Oplossing: – Op de bestuurdersstoel gaan zitten of anders gaan zitten. – Grasopvangbox of deflector (accessoire) monteren, correcte plaatsing van de uitwerpschacht controleren ( 15.6), schakelaar of kabel herstellen / vervangen () – Stoelcontactschakelaar of kabels repareren / vervangen. () Storing: Maaiwerk wordt bij het achteruit rijden ontkoppeld. Mogelijke oorzaak: – Veiligheidsschakelaar achteruit maaien niet bediend. Oplossing: – Maaimes binnen het tijdsvenster vrijgeven (5 seconden voor, tot 1 seconde na het koppelen of wijzigen van de rijrichting). ( 8.8) Storing: Verbrandingsmotor slaat af bij het verlaten van de bestuurdersstoel. Mogelijke oorzaak: – Handrem niet aangetrokken. – Maaiwerk ingeschakeld (veiligheidsvoorziening). Oplossing: – Handrem voor het verlaten van de bestuurdersstoel aantrekken. ( 8.14) – Maaiwerk voor het verlaten van de bestuurdersstoel uitschakelen. ( 8.5), ( 8.6) Storing: Op het display knippert de tekst ERROR, 3 kort op elkaar volgende akoestische signalen weerklinken. Mogelijke oorzaak: – Defect in de stoelcontactschakelaar of in het elektrisch circuit (kortsluiting). Oplossing: – Contactsleutel in de positie "Verbrandingsmotor uit" draaien, zelfdiagnose uitvoeren. ( 9.1) Storing: Permanente toon actief. Mogelijke oorzaak: – Grasopvangbox is vol. – Storing in de elektronica. – Accu met onjuiste polariteit aangesloten. Oplossing: – Maaiwerk ontkoppelen en grasopvangbox ledigen. ( 13.9) – Contactsleutel in de positie "Verbrandingsmotor uit" draaien, zelfdiagnose uitvoeren. ( 9.1) – Polariteit van de accuaansluitingen controleren, de kabel eventueel juist aansluiten. ( 15.19)0478 192 9913 D - NL

Geef deze gebruiksaanwijzing bij onderhoudswerkzaamheden aan uw STIHL vakhandelaar. Hij geeft in de voorgedrukte velden aan welke servicewerkzaamheden er zijn uitgevoerd.

24. Onderhoudsschema

Service uitgevoerd op Datum volgende servicebeurt